|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris
van Financiën van 15 december 2003, nr. SV/F&W/03/95330 tot
vaststelling van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en
opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris
van Financiën;
Gelet op de artikelen 16a, tiende lid,
16b, vijfde en achtste lid, en 16bb, eerste lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering en de artikelen 34, zesde lid, 35,
vijfde lid, 35a, vierde lid, en 35b van de Invorderingswet
1990;
Besluiten:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Invorderingswet: de Invorderingswet
1990;
b. Coördinatiewet: de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
c. uitlener: een inhoudingsplichtige of werkgever als bedoeld in de
artikelen 34, eerste lid, van de Invorderingswet
en 16a, eerste lid, van
de Coördinatiewet;
d. inlener: een inlener als bedoeld in de artikelen 34, eerste en tweede
lid, van de Invorderingswet
en 16a, eerste en tweede lid, van de
Coördinatiewet;
e. confectieaannemer: een aannemer als bedoeld in de artikelen
35a,
eerste lid, van de Invorderingswet
en 16ba, eerste lid, van de
Coördinatiewet;
f. aannemer: een aannemer als bedoeld in de artikelen 35, eerste lid,
van de Invorderingswet
en 16b, tweede lid, van de
Coördinatiewet die
zijn bedrijf niet maakt van het vervaardigen of laten vervaardigen van
kleding, andere dan schoeisel;
g. opdrachtgever: een opdrachtgever als bedoeld in de artikelen
35a,
tweede lid, van de Invorderingswet
en 16ba, tweede lid, van de
Coördinatiewet en de daarmee op grond van de artikelen 35a, derde lid,
van de Invorderingswet
en 16ba, derde lid, van de
Coördinatiewet gelijk
te stellen bedrijfsmatig handelende koper van nog geheel of gedeeltelijk
te vervaardigen kleding, andere dan schoeisel;
h. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in de artikelen
34, derde lid, en 35, vijfde lid, van de Invorderingswet
en de artikelen
16a, vierde lid, en 16b, vijfde lid, van de
Coördinatiewet;
i. ontvanger: de ontvanger, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
i, van de Invorderingswet;
j. Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
k. premie: de premie verschuldigd op grond van de artikelen
16a, 16b of 16ba
van de Coördinatiewet;
l. loonbelasting: de loonbelasting en de premie voor de
volksverzekeringen die gelijktijdig wordt geheven met de loonbelasting,
één en ander voor zover verband houdend met de terbeschikkingstelling van
arbeidskrachten of met het uitvoeren van een werk als bedoeld in de
artikelen 34, 35 en 35a van de Invorderingswet;
m. omzetbelasting: de omzetbelasting met betrekking tot de
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten;
n. g-rekening: een geblokkeerde rekening, zijnde een rekening als
bedoeld in de artikelen 34, derde lid, en 35, vijfde lid, van de Invorderingswet
en de artikelen 16a, vierde lid, en
16b, vijfde lid, van
de Coördinatiewet, welke door een uitlener, een onderaannemer of een
confectieaannemer bij een kredietinstelling wordt gehouden en waarvan
de saldi uitsluitend bestemd zijn voor betaling van door de uitlener,
onderaannemer of die confectieaannemer verschuldigde loonbelasting,
omzetbelasting en premie, in verband waarmee op die saldi ten behoeve
van het Uitvoeringsinstituut en de ontvanger
gezamenlijk een pandrecht is gevestigd;
o. rekeninghouder: de houder van een g-rekening;
p. g-rekeningovereenkomst: een conform de bijlage bij deze regeling
gesloten overeenkomst met betrekking tot het openen en gebruiken van een
g-rekening en het vestigen van een pandrecht op die rekening als bedoeld
in onderdeel n;
q. administratie: de administratie, bedoeld in artikel
16b, achtste lid,
van de Coördinatiewet.
Art. 2.
Voorwaarden
medewerking totstandkoming g-rekeningovereenkomst
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen hun medewerking
aan de totstandkoming van een g-rekeningovereenkomst op schriftelijk
verzoek van:
a. de ondernemer die zijn bedrijf maakt van het in aanneming of in
onderaanneming verrichten van werk als bedoeld in artikel 35a van de
Invorderingswet
en artikel 16ba van de
Coördinatiewet;
b. de ondernemer die zijn bedrijf maakt van het in onderaanneming
verrichten van werk en inhoudingsplichtige is in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964;
c. de uitlener die zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel;
d. de doorlener, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Invorderingswet
en artikel 16a, tweede lid, van de
Coördinatiewet;
e. degene die op korte termijn de hoedanigheid zal verwerven van
ondernemer als bedoeld in de onderdelen a of b, uitlener als bedoeld in
onderdeel c of doorlener als bedoeld in onderdeel d;
f. de ondernemer die zijn bedrijf maakt van het opleiden van leerlingen
die bij hem in dienst zijn en die deze leerlingen in het kader van hun
opleiding tegen vergoeding uitleent.
-2. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen voorts hun
medewerking aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst op
schriftelijk verzoek van de entiteit die een samenwerkingsverband vormt
of op korte termijn zal vormen van ondernemers als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, mits iedere van dit samenwerkingsverband deel
uitmakende ondernemer reeds afzonderlijk een g-rekeningovereenkomst is
aangegaan.
Art. 3.
Bedrijfsmatig
handelende koper van op termijn te leveren kleding
De artikelen 35, vijfde lid, van de Invorderingswet
en 16b, vijfde lid,
van de Coördinatiewet zijn van toepassing ten aanzien van degene die
buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf
kleding, andere dan schoeisel, koopt en op het tijdstip van de koop van
op termijn te leveren kleding, andere dan schoeisel, niet weet of
redelijkerwijs niet behoort te weten dat die kleding reeds geheel of
gedeeltelijk is vervaardigd.
Art. 4.
Weigering
medewerking
De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut weigeren hun medewerking te
verlenen aan het tot stand komen van een g-rekeningovereenkomst, indien:
a. met de ondernemer reeds een g-rekeningovereenkomst is gesloten, tenzij
deze aannemelijk maakt dat het gebruik maken van meer dan één
g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is; of
b. gegronde vrees bestaat dat onjuist gebruik van de g-rekening zal
worden gemaakt.
Art. 5.
Bewaren g-rekeningovereenkomst
Het door partijen getekende exemplaar van de g-rekeningovereenkomst
wordt door de kredietinstelling bewaard zolang de g-rekening in stand
blijft, doch in ieder geval gedurende zeven jaren. De kredietinstelling
verschaft de andere partijen een kopie daarvan. Met betrekking tot de
eerste zin is artikel 52, vijfde en zesde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Art. 6.
Vereisten
vrijwarende betaling op de g-rekening
-1. Een betaling die wordt verricht op een g-rekening wordt voor de
toepassing van de artikelen 34, derde lid, en 35, vijfde lid, van de Invorderingswet
en de artikelen 16a, vierde lid, en
16b, vijfde lid, van
de Coördinatiewet in aanmerking genomen, indien:
a. de factuur welke de uitlener, de onderaannemer of de
confectieaannemer ter zake van de door hem aan de inlener, aannemer of
opdrachtgever geleverde prestatie of prestaties heeft doen toekomen,
voldoet aan de eisen, voor zover toepasselijk, die artikel 35 van de Wet
op de omzetbelasting 1968 daaraan stelt alsmede de vermelding bevat van:
1º. het nummer of het kenmerk, voor zover aanwezig, van de overeenkomst
ingevolge welke de uitlener, de onderaannemer of de confectieaannemer
de gefactureerde prestatie of prestaties heeft verricht;
2º. het tijdvak of de tijdvakken waarin die prestatie of prestaties
zijn verricht; en
3º. de benaming(en) of kenmerk(en) van het werk waarop de betaling
betrekking heeft;
b. die betaling vergezeld gaat van de vermelding van het nummer van de
factuur en voor zover toepasselijk tevens van een ander onderscheidend op
die factuur vermeld kenmerk, waarbij het nummer van de factuur of dit
nummer tezamen met een aanvullend kenmerk een uniek identificatiegegeven
vormt waarmee die factuur terstond of vrijwel terstond kan worden
teruggevonden in de administratie van de inlener, aannemer of
opdrachtgever;
c. de administratie van de inlener, aannemer of opdrachtgever zodanig is
ingericht en zodanig wordt gevoerd dat daarin terstond of vrijwel
terstond kan worden teruggevonden:
1º. de overeenkomst of de inhoud daarvan, ingevolge welke de uitlener,
de onderaannemer of de confectieaannemer de in onderdeel a bedoelde
prestatie of prestaties heeft verricht;
2º. de gegevens inzake de nakoming van die overeenkomst met inbegrip
van, naar de eisen van hun bedrijf, een registratie van de personen die
zijn ingeleend of werk in (onder)aanneming hebben verricht en van de
dagen waarop en de uren gedurende welke die personen werkzaamheden
hebben verricht in verband waarmee voor de inlener en aannemer
aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 van de Invorderingswet
en 16a van de Coördinatiewet
onderscheidenlijk de
artikelen 35 van de Invorderingswet
en 16b
van de Coördinatiewet; en
3º. de betalingen die in verband met de vorenbedoelde overeenkomst zijn
gedaan.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de vermelding op
de factuur van het tijdvak of de tijdvakken waarin de gefactureerde
prestaties of prestaties zijn verricht achterwege blijven indien de
factuur de vermelding bevat van de datum waarop de order tot het geheel
of gedeeltelijk vervaardigen van kleding, andere dan schoeisel, is
verstrekt en van de datum waarop die kleding is of zal worden afgenomen.
-3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, onder 2º, behoeft de
confectieaannemer of de opdrachtgever geen registratie als bedoeld in
dat onderdeel op te nemen indien de gefactureerde prestatie of
prestaties een werk is als bedoeld in de artikelen 35a, eerste lid, van
de Invorderingswet
en 16ba, eerste lid, van de
Coördinatiewet.
Art. 7.
Vereisten
betaling ten laste van de g-rekening
-1. Met betrekking tot een betaling aan de ontvanger ten laste van de
g-rekening vermeldt de betalingsopdracht ten minste de volgende
gegevens: het aangiftenummer dat is vermeld op het aangiftebiljet dan
wel het aanslagnummer dat is vermeld op het aanslagbiljet dat betrekking
heeft op het tijdvak waarop de betaling ziet.
-2. Met betrekking tot een betaling geeft de onderaannemer of de
confectieaannemer voorts nog aan de ontvanger een specificatie van de
werken waarop de betaling betrekking heeft, voor elk werk ten minste
bestaande uit de benaming(en) van het werk zoals deze door de
onderaannemer of de confectieaannemer worden gebruikt of van een
omschrijving van het werk, alsmede het tijdvak waarin het werk waarop de
betaling betrekking heeft, is verricht.
Art. 8.
Verdeling tussen
ontvanger en Uitvoeringsinstituut bij uitwinning pandrecht en andere
acties voor gezamenlijke rekening
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
zijn beide bevoegd, mits
handelende voor gezamenlijke rekening, over te gaan tot uitwinning van
het te hunnen behoeve op het saldo van een g-rekening gevestigde
pandrecht. Voorts zijn zij bevoegd bij een betaling ten laste van een g-rekening naar een andere g-rekening jegens betrokken rekeninghouders
dan wel andere betrokkenen actie te ondernemen wegens wanprestatie of
onrechtmatige daad, of welke andere actie dan ook, teneinde de gevolgen
van een onjuist gebruik van de g-rekening ongedaan te maken of te
compenseren.
-2. De met toepassing van het eerste lid ontvangen gelden worden, nadat
eventuele aan derden te vergoeden kosten inzake de in het eerste lid
bedoelde acties hierop in mindering zijn gebracht, tussen de ontvanger
en het Uitvoeringsinstituut verdeeld naar rato van ieders vorderingen
inzake de loon- en omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor
aansprakelijkheid bestaat, met dien verstande dat:
a. de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut in daartoe aanleiding
gevende gevallen een afwijkende verdeling overeen kunnen komen; en
b. een eenmaal toegepaste verdeling kan worden herzien indien gegevens
die later bekend worden redelijkerwijs tot herziening aanleiding geven.
Art. 9.
Grenzen
aansprakelijkstelling
-1. Indien de aansprakelijkheid zowel loonbelasting of omzetbelasting
als premie betreft, is zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut
bevoegd de inlener, aannemer of opdrachtgever aansprakelijk te stellen
voor de ingevolge diens aansprakelijkheid te vorderen belasting,
onderscheidenlijk premie. Aansprakelijkstelling vindt plaats voor ten
hoogste het verschil tussen het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting,
omzetbelasting en premie waarvoor bij de inlener, aannemer of
opdrachtgever in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan en het
gezamenlijke bedrag van de ter zake door de inlener, aannemer of
opdrachtgever op de g-rekening van de uitlener, de onderaannemer of de
confectieaannemer gestorte bedragen. Deze bedragen komen slechts in
mindering op het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting
en premie waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan indien
aan de voorwaarden van artikel 6 is voldaan. Indien zowel de ontvanger
als het Uitvoeringsinstituut omtrent dezelfde tot aansprakelijkheid
leidende feiten daadwerkelijk tot aansprakelijkstelling overgaat,
overtreft het gezamenlijke bedrag van beide aansprakelijkstellingen niet
het bedrag waarvoor de inlener, aannemer of opdrachtgever ten hoogste
aansprakelijk kan worden gesteld.
-2. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 10.
Deblokkering
-1. De ontvanger of het Uitvoeringsinstituut
verlenen op aanvraag van de
rekeninghouder, onder door hen te stellen voorwaarden, toestemming het
saldo van de g-rekening geheel dan wel tot een bepaald bedrag voor
andere doeleinden aan te wenden dan voor de voldoening van premie,
loonbelasting en omzetbelasting, voor zover aannemelijk is dat het saldo
van de g-rekening uitgaat boven hetgeen door de rekeninghouder aan
premie, loonbelasting en omzetbelasting vermoedelijk nog verschuldigd is
of binnenkort verschuldigd zal worden.
-2. De rekeninghouder richt een verzoek tot toestemming (deblokkeringsverzoek) schriftelijk aan het Uitvoeringsinstituut of de
ontvanger.
-3. Op het verzoek wordt beslist, handelend in onderlinge
overeenstemming, door het Uitvoeringsinstituut dan wel door de
ontvanger, al naargelang aan wie het verzoek is gericht.
-4. De g-rekeninghouder verstrekt het Uitvoeringsinstituut of de
ontvanger op de door deze aangegeven wijze alle gegevens en inlichtingen
die van belang zijn voor een juiste beoordeling van het verzoek; het
verzoek wordt afgewezen indien hieraan niet of onvoldoende wordt
voldaan.
Art. 11.
Opzegging
-1. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut
zijn bevoegd een g-rekeningovereenkomst eenzijdig en zonder rechterlijke tussenkomst op te
zeggen, indien:
a. de rekeninghouder geen of op onjuiste wijze gebruik maakt van de
g-rekening;
b. de rekeninghouder niet of niet meer de hoedanigheid blijkt te
bezitten van ondernemer, uitlener of doorlener als bedoeld in artikel
2,
eerste lid;
c. het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel
2, tweede lid, is
beëindigd;
d. met de rekeninghouder meer dan één g-rekening is gesloten en de
rekeninghouder niet aannemelijk maakt dat het aanhouden van meer dan
één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is;
e. de rekeninghouder in staat van faillissement is verklaard;
f. aan de rekeninghouder surseance van betaling is verleend;
g. ten aanzien van de rekeninghouder de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is.
-2. De rekeninghouder en de betrokken kredietinstelling zijn,
onverminderd het bepaalde in het vierde lid, bevoegd de g-rekeningovereenkomst eenzijdig, zonder rechterlijke tussenkomst en
zonder opgaaf van reden op te zeggen.
-3. De opzegging geschiedt schriftelijk. Zij wordt niet eerder van
kracht dan nadat zij aan de overige partijen bij de g-rekeningovereenkomst is bekendgemaakt. De opzegging wordt voorts niet
van kracht zolang en voor zover die opzegging een belemmering zou vormen
voor de toepassing van het vierde lid.
-4. Na opzegging van de g-rekeningovereenkomst blijft die overeenkomst
niettemin van toepassing op het saldo van de g-rekening ten tijde van de
opzegging, alsmede op hetgeen nadien op die rekening wordt gestort, één
en ander voor zover daardoor geen strijdigheid ontstaat met de gevolgen
die rechtens zijn verbonden aan het in staat van faillissement verklaren
van de rekeninghouder, van het aan hem verlenen van surseance van
betaling of van het op hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
-5. Een betaling die wordt verricht op een rekening die oorspronkelijk
is geopend ingevolge een g-rekeningovereenkomst doch met betrekking
waartoe een opzegging van die overeenkomst van kracht is geworden, wordt
voor de toepassing van de artikelen 34, derde lid, of 35, vijfde lid,
van de Invorderingswet
of de artikelen 16a, vierde lid, of
16b, vijfde
lid, van de Coördinatiewet niet aangemerkt als betaling die in
mindering wordt gebracht op het bedrag aan loonbelasting of
omzetbelasting, onderscheidenlijk premie, waarvoor aansprakelijkheid is
ontstaan, tenzij die betaling deel is gaan uitmaken van het saldo op die
rekening of het gedeelte van dat saldo op die rekening waarop ondanks
die opzegging ingevolge het vierde lid het in artikel 1, onderdeel n,
bedoelde pandrecht is komen te rusten.
Art. 12.
Intrekking
regelingen en vervallen van artikelen
-1. De Uitvoeringsregeling ketenaansprakelijkheid premie
werknemersverzekeringen en de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid worden ingetrokken.
-2. De artikelen 35 tot en met 40 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 vervallen.
Art. 13.
Overgangsbepaling
G-rekeningovereenkomsten die voldoen aan de voorschriften van de
regelingen en artikelen die op grond van artikel 12 worden ingetrokken
respectievelijk vervallen, worden aangemerkt als
g-rekeningovereenkomsten,
bedoeld in deze regeling.
Art. 14.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
Art. 15.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling inleners-,
keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 15
december 2003.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.G. Wijn.
BIJLAGE
G-rekeningovereenkomst
De ondergetekenden:
- ... (naam), ... (adres,
postcode en woon- of vestigingsplaats), ingeschreven in het
Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te ... onder
nummer ... , verder te noemen de rekeninghouder;
- het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verder te noemen het
Uitvoeringsinstituut;
- de ontvanger der
rijksbelastingen, verder te noemen de ontvanger;
- de ... (naam van de
kredietinstelling), ... (adres, postcode en vestigingsplaats), verder te
noemen de kredietinstelling.
Overwegende:
- dat de rekeninghouder
inhoudingsplichtige is in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en
als zodanig bij de ontvanger bekend staat onder nummer ... en/of
werkgever is in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV)
en als zodanig bij het Uitvoeringsinstituut bekend staat onder nummer
... , dan wel op de rekeninghouder artikel 2, eerste lid, onderdeel a en
f, en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en
opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 van toepassing is;
- dat de rekeninghouder die
zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen
vergoeding uitlenen van personeel, voor de heffing van omzetbelasting
bij de ontvanger bekend staat onder nummer ... ;
- dat de rekeninghouder bij
de kredietinstelling een rekening wenst te openen waarvan de saldi,
behoudens de in punt 5 van deze overeenkomst voorziene uitzondering,
uitsluitend bestemd zijn voor betalingen als bedoeld in de artikelen 34,
derde lid, en 35, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 en de
artikelen 16a, vierde lid, en 16b, vijfde lid, van de CSV;
- dat het, teneinde te
bewerkstelligen dat de saldi van die rekening daadwerkelijk zullen
dienen tot vorenbedoelde betalingen, noodzakelijk is dat de saldi noch
door middel van verrekening, noch door middel van beslag, noch
anderszins, zullen kunnen worden gebruikt voor andere betalingen dan
vorenbedoeld;
- dat het in verband met het
vorenstaande noodzakelijk is dat de saldi van die rekening worden
verpand aan de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut gezamenlijk.
Zijn overeengekomen als
volgt:
1. De rekeninghouder opent hierbij een geblokkeerde rekening
(g-rekening) bij de kredietinstelling onder nummer ... .
2. De rekeninghouder verklaart dat de saldi van de g-rekening hierbij in
eerste onderpand worden gegeven aan de ontvanger en het
Uitvoeringsinstituut gezamenlijk voor hetgeen zij nu of te eniger tijd
van hem te vorderen hebben of zullen krijgen ter zake van de
verschuldigde belasting en premies, bedoeld in de artikelen 34, eerste
en derde lid, 35, eerste en vijfde lid, of 35a, eerste lid, van de
Invorderingswet 1990, en aan premie en voorschotpremie als bedoeld in de
artikelen 16a, eerste lid, 16b, eerste lid, en 16ba, eerste lid, van de
CSV, één en ander voor zover verband houdende met door hem aan derden ter
beschikking gestelde werknemers waarvoor hij ingevolge de Wet op de
loonbelasting 1964 als inhoudingsplichtige en in verband waarmee hij,
voor zover toepasselijk, voor de Wet op de omzetbelasting 1968 als
ondernemer wordt aangemerkt en/of waarvoor hij als werkgever in de zin
van de CSV wordt aangemerkt onderscheidenlijk met door hem aangenomen
werk waarop de g-rekening betrekking heeft, één en ander met dien
verstande dat de rente die de kredietinstelling over die saldi vergoedt
op een andere rekening van de rekeninghouder zal worden gecrediteerd.
3. De in punt 2 bedoelde verpanding zal geacht worden te zijn
geëffectueerd telkens op het moment dat bedragen op de g-rekening
worden gecrediteerd.
4. De kredietinstelling verklaart in verband met het vorenstaande
afstand te doen van haar recht op verrekening, van pand of enig ander
recht dat afbreuk zou kunnen doen aan het ten behoeve van de ontvanger
en het Uitvoeringsinstituut gevestigde pandrecht.
5. Betalingen ten laste van de g-rekening, andere dan die bedoeld in de
beweegreden van deze overeenkomst en andere dan terugstortingen als
bedoeld in punt 9, zullen slechts geschieden na daartoe ontvangen
schriftelijke toestemming van de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
6. De rekeninghouder verleent hierbij aan de ontvanger en het
Uitvoeringsinstituut gezamenlijk volmacht tot inning van de saldi van de
g-rekening alsmede tot verrekening van het aldus geïnde met al hetgeen
zij nu of te eniger tijd van hem te vorderen hebben of zullen krijgen
ter zake van de in punt 2 bedoelde belasting en premie.
7. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut verlenen volmacht aan de
rekeninghouder ten laste van de g-rekening bedragen over te maken naar
de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut alsmede naar andere
g-rekeningen, mits deze stortingen naar andere g-rekeningen betrekking
hebben op het verrichten van werkzaamheden door een ter beschikking
gestelde werknemer in de zin van de artikelen 16a, vijfde lid, van de
CSV en 34, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 of op aanneming van
werk in de zin van de artikelen 16b, vijfde lid, van de CSV en 35,
vijfde lid, van de Invorderingswet 1990.
8. De rekeninghouder verplicht zich hierbij tegenover de ontvanger en
het Uitvoeringsinstituut om in geval van faillissement, aanvraag tot
surseance van betaling, aanvraag tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en in het algemeen bij
opschorting van zijn betalingen uiterlijk binnen drie dagen mededeling
te doen van het saldo van de g-rekening.
9. De rekeninghouder verplicht zich hierbij tegenover de ontvanger en
het Uitvoeringsinstituut om in het geval dat op zijn g-rekening vanaf
een andere g-rekening een bedrag wordt gestort dat geen betrekking heeft
op aanneming van werk in de zin van de artikelen 35 en 35a van de
Invorderingswet 1990 en de artikelen 16b en 16ba van de CSV of op het
aan derden ter beschikking stellen van werknemers in de zin van artikel
34 van de Invorderingswet 1990 en artikel 16a van de CSV, dit bedrag
onmiddellijk terug te storten op de g-rekening van de storter, opdat de
ontvanger en het Uitvoeringsinstituut op dit bedrag jegens de storter
hun pandrecht kunnen doen gelden. Indien dit laatste niet of niet meer
mogelijk is omdat de storter inmiddels in staat van faillissement is
verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend dan wel ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is, verplicht de rekeninghouder zich om, in afwijking van de
vorige volzin, dit bedrag onder vermelding van de herkomst over te maken
aan de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut.
10. De rekeninghouder verplicht zich hierbij tegenover de ontvanger en
het Uitvoeringsinstituut om opdrachten tot betaling ten laste van de
g-rekening slechts op één aangifte of één belastingaanslag,
onderscheidenlijk slechts op één premienota, betrekking te doen hebben.
11. De kredietinstelling verklaart in verband met de in punt 9
omschreven plicht tot terugstorten op de daadwerkelijk terugstortingen
punt 4 overeenkomstig te zullen toepassen.
12. In de administratie van de kredietinstelling worden bij betalingen
ten gunste van de g-rekening de gegevens vastgelegd zoals deze op de
desbetreffende betalingsopdrachten zijn vermeld. Hetzelfde geldt voor de
gegevens die bij betalingen ten laste van de g-rekening op de
betalingsopdrachten zijn vermeld.
13. De kredietinstelling zal de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut op
een afzonderlijk tussen hen overeen te komen wijze regelmatig op de
hoogte houden van alle gegevens die op de g-rekening betrekking hebben.
De rekeninghouder verklaart zich met deze gegevensuitwisseling akkoord.
Aldus overeengekomen en
getekend te ... op ... .
De rekeninghouder,
De ontvanger,
voor deze,
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
voor deze,
De kredietinstelling,
TOELICHTING
[15 december 2003]
I. Algemeen
De
bij ministeriële regeling gegeven uitvoeringsvoorschriften rond de
inleners- en ketenaansprakelijkheid zijn tot nu toe in drie
verschillende regelingen opgenomen, te weten hoofdstuk IV van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990, de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid en de Uitvoeringsregeling ketenaansprakelijkheid premie
werknemersverzekeringen. Vanwege de
inwerkingtreding per 1 oktober 2003 van de Wet van 19 juni 2003 tot
wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en de
Invorderingswet 1990 in verband met de invoering van de
opdrachtgeversaansprakelijkheid en de kopersaansprakelijkheid in de
confectiesector en invoering van een vrijwaringsregeling in de
ketenaansprakelijkheid (Stb. 2003, 305) is aanpassing en aanvulling van de
bestaande aansprakelijkheidsregelingen nodig. Daartoe worden de
uitvoeringsvoorschriften voor de inleners- en ketenaansprakelijkheid en
die voor de opdrachtgevers- en koperaansprakelijkheid neergelegd in
één van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitgaande
uitvoeringsregeling. Door de hiervoor genoemde regelingen samen te
voegen, wordt de in de toelichting op de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid (Stcrt. 1998, 113) gedane toezegging
ter zake
gestand gedaan.
Voorts wordt in deze
regeling uitvoering gegeven aan de in onze brief van 30 november 1998
aan de voorzitter van de Vaste Commissie van Financiën uit de Tweede
Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1998-1999,
25 035, nr. 7) aangekondigde wijzigingen van het bestaande regime van de
inleners- en ketenaansprakelijkheid.
Opdrachtgeversaansprakelijkheid
en wettelijke vrijwaring in de ketenaansprakelijkheid
Per 1 oktober 2003 is het
nieuwe regime van de opdrachtgevers- en kopersaansprakelijkheid in de
confectiesector (hierna: opdrachtgeversaansprakelijkheid) en een
vrijwaringsregeling in de ketenaansprakelijkheid van kracht geworden. De
artikelen 35a en 35b van de Invorderingswet
1990 (hierna:
Invorderingswet) hebben betrekking op de hoofdelijke aansprakelijkheid
voor de opdrachtgever, de met deze gelijk te stellen bedrijfsmatig
handelende koper van nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen kleding
en de bedrijfsmatig handelende koper van reeds vervaardigde kleding voor
de loonbelasting en de premie volksverzekeringen die is toe te rekenen
aan een werk inhoudende de vervaardiging en elke daarop gerichte
handeling van kleding, andere dan schoeisel. De artikelen
16ba en 16bb van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (hierna: CSV) zien op de
hoofdelijke aansprakelijkheid voor premies werknemersverzekeringen die
ter zake van een dergelijk werk worden vastgesteld en ingevorderd door
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV). Artikel
35, vijfde lid, Invorderingswet
en artikel 16b, vijfde lid,
CSV hebben
betrekking op de wettelijke vrijwaring van aansprakelijkheid van de
(bonafide) aannemer, tot het beloop van de door hem op een zogenoemde g(eblokkeerde)-rekening van de onderaannemer gestorte bedrag.
Een belangrijk element van
het nieuwe regime van opdrachtgeversaansprakelijkheid is het bieden van
de mogelijkheid dat de opdrachtgever en de daarmee gelijk te stellen
bedrijfsmatig handelende koper van nog geheel of gedeeltelijk te
vervaardigen kleding zich tegen het risico van aansprakelijkheid kan
indekken door gebruik te maken van een g-rekening. Dat houdt, naast de
naleving van enkele administratieve voorwaarden, in dat het voor de
voldoening van de loonbelasting en socialeverzekeringspremies ter zake
van een werk door de confectieaannemer aan de opdrachtgever
onderscheidenlijk bedrijfsmatige koper van nog geheel of gedeeltelijk te
vervaardigen kleding in rekening te brengen bedrag wordt gestort op de g-rekening van de vervaardiger van die kleding (de
confectieaannemer).
De confectieaannemer zal de ter zake van dat werk verschuldigde
loonbelasting en socialeverzekeringspremies kunnen voldoen met hetgeen
op de g-rekening is betaald. Tot het beloop van het aldus gestorte
bedrag verkrijgt de opdrachtgever onderscheidenlijk de bedrijfsmatige
koper van nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen kleding dan (tenzij
sprake is van malafiditeit als bedoeld in de artikelen 35, zesde lid, Invorderingswet
en 16b, zesde lid, CSV) een wettelijke vrijwaring van
zijn aansprakelijkheid. Eén en ander is neergelegd in artikel 35a,
vierde lid, Invorderingswet, gelezen in samenhang met artikel 35, vijfde
lid, van die wet, en artikel 16b, vijfde lid,
CSV.
De bedrijfsmatig handelende
koper van reeds vervaardigde kleding kan - anders dan de opdrachtgever
of de bedrijfsmatig handelende koper van nog geheel of gedeeltelijk te
vervaardigen kleding - geen gebruik maken van de wettelijke
vrijwaringsregeling (artikel 35b Invorderingswet
en artikel
16bb CSV).
Omdat zich in de praktijk
gevallen kunnen voordoen waarbij de scheidslijn tussen nog geheel of
gedeeltelijk te vervaardigen kleding en reeds vervaardigde kleding
moeilijk te maken is, worden ter zake nadere regels gesteld die ertoe
strekken dat de bedrijfsmatig handelende koper die op termijn te leveren
kleding bestelt en niet weet, noch redelijkerwijs behoort te weten, dat
die kleding reeds is vervaardigd, de gehele order als koop van nog te
vervaardigen kleding mag beschouwen. Hierdoor staat voor deze koper de
mogelijkheid open om zich in te dekken tegen het risico van
aansprakelijkheid door gebruik te maken van het g-rekeningsysteem (zie
artikel 3 van deze regeling).
Een tweede belangrijk
element van het regime van de opdrachtgeversaansprakelijkheid is de
mogelijkheid voor de opdrachtgever en beide soorten bedrijfsmatige
handelende kopers, zich ter zake van hun aansprakelijkheid voor de ter
zake van een werk inhoudende het vervaardigen en elke daarop gerichte
handeling van kleding, andere dan schoeisel, verschuldigde loonbelasting
en socialeverzekeringspremies (gedeeltelijk) te kunnen disculperen. Met
betrekking tot deze disculpatiemogelijkheid introduceert de
opdrachtgeversaansprakelijkheid echter een belangrijk verschil tussen de
opdrachtgever en de daarmee gelijk te stellen bedrijfsmatige koper van
geheel of gedeeltelijk nog te vervaardigen kleding enerzijds en de
bedrijfsmatige koper van reeds vervaardigde kleding anderzijds. De
opdrachtgever en de bedrijfsmatig handelende koper van nog geheel of
gedeeltelijk te vervaardigen kleding is niet aansprakelijk indien
aannemelijk is dat het niet betalen van de ter zake van een werk
verschuldigde loonbelasting en socialeverzekeringspremies door de
vervaardiger (de aannemer) noch te wijten is aan die vervaardiger, noch
aan de opdrachtgever of de bedrijfsmatige handelende koper van nog
geheel of gedeeltelijk te vervaardigen kleding. Om zich met succes te
kunnen disculperen, zullen derhalve alle schakels in de vervaardigings-
en handelsketen in de beschouwing moeten worden betrokken. Is de
niet-betaling aan één van de schakels te wijten, dan zullen alle
volgende schakels in die keten zich niet kunnen disculperen. Dit laatste
geldt ook wanneer de aansprakelijke zelf niets te verwijten valt.
De bedrijfsmatig handelende
koper van reeds vervaardigde kleding is niet aansprakelijk indien
aannemelijk is dat de niet-betaling van de ter zake van een werk
verschuldigde loonbelasting en socialeverzekeringspremies niet aan deze
koper is te wijten. Bij de beoordeling van de vraag of de bedrijfsmatige
koper van reeds vervaardigde kleding zich kan disculperen, wordt
uitsluitend het handelen van de koper zelf beoordeeld.
Bij wettelijke regeling van
de opdrachtgeversaansprakelijkheid is zoveel mogelijk aangesloten bij de
regeling van de ketenaansprakelijkheid (artikel 35a Invorderingswet
en
artikel 16ba CSV). Het ligt daarom voor de hand de nadere regelgeving
rond de opdrachtgeversaansprakelijkheid, afgezien van de noodzakelijke
technische aanpassingen, in beginsel te ontlenen aan de bestaande voor
de ketenaansprakelijkheid bij ministeriële regeling gegeven
uitvoeringsvoorschriften.
Wettelijke vrijwaring
De nieuwe regeling van de
wettelijke vrijwaring in de ketenaansprakelijkheid biedt de aannemer
(ook buiten de confectiesector) vrijwaring tot het beloop van de door
hem op de g-rekening van de onderaannemer gestorte gelden. Aan de
wettelijke vrijwaring in de ketenaansprakelijkheid ligt de gedachte ten
grondslag dat deze maatregel zoveel mogelijk overeen dient te komen met
de wettelijke vrijwaringsregeling voor de inlenersaansprakelijkheid. Het
ligt daarom voor de hand de nadere regelgeving rond de wettelijke
vrijwaring in de ketenaansprakelijkheid, afgezien van de noodzakelijke
technische aanpassingen, in beginsel te ontlenen aan de bestaande voor
de inlenersaansprakelijkheid bij ministeriële regeling gegeven
uitvoeringsvoorschriften.
Overige maatregelen
In verband met het
in werking treden van het nieuwe regime van de opdrachtgeversaansprakelijkheid
bestaat er aanleiding de administratieve voorschriften om vrijwarend
gelden op een g-rekening te kunnen storten aan te passen zodat deze
voorschriften beter aansluiten op de praktijk van de confectiesector.
Vanwege het verschil tussen (met name) de bouwsector enerzijds en de
confectiesector anderzijds - in de eerstgenoemde sector kan de
aannemer toezicht houden op het personeel van de onderaannemer op de
bouwlokatie, terwijl de opdrachtgever en de bedrijfsmatig handelende
koper die mogelijkheid niet heeft met betrekking tot personeel dat
werkzaam is in confectieateliers - ligt het voor de hand de voor de
bouwsector ontwikkelde voorschriften niet onverkort op de
confectiesector toe te passen.
In de eerste plaats vervalt
indien de gefactureerde prestatie betrekking heeft op een werk
inhoudende de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van
kleding, andere dan schoeisel, de voorwaarde dat de administratie van
betrokkene een zogenoemd manurenregister dient te bevatten.
In de tweede plaats vervalt
in het regime ketenaansprakelijkheid het voorschrift dat de
overmakingsovereenkomst tussen aannemer en onderaannemer op schrift
gesteld dient te worden. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk zoals
deze tot stand is gekomen als gevolg van de wijziging per 1 juli 1998
van de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid en de Uitvoeringsregeling ketenaansprakelijkheid premie
werknemersverzekeringen.
Het in het regime van de
inlenersaansprakelijkheid geldende verbod op het zogenoemde doorstorten
van gelden van de ene g-rekening naar de andere g-rekening wordt
opgeheven. Het doorstortverbod is met name in de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid opgenomen om onjuist gebruik van de g-rekening
in het kader van de inlenersaansprakelijkheid tegen te gaan. Het
oneigenlijk gebruik ziet met name op de zogenoemde "doorleensituaties".
Aan het doorstortverbod wordt het gevolg verbonden dat de inlener die op
uitzendbasis uitzendkrachten inleent van doorleners, niet op dezelfde
wijze als degene die rechtstreeks arbeidskrachten inleent van hun
werkgever, gebruik zal kunnen maken van het g-rekeningenstelsel en dat
het zogenoemde doorstorten niet geoorloofd is. De inlener kan zijn
aansprakelijkheid ter zake van de inlening alleen verminderen door het
verrichten van vrijwarende stortingen op de g-rekening van de uitlener.
Als uitlener kan uitsluitend de (formele) werkgever van de uitgeleende
arbeidskrachten worden beschouwd.
Indien de doorlener dat
wenst, kan hij zijn risico aansprakelijk gesteld te worden voor de door
de uitlener/werkgever verschuldigde loonbelasting en socialeverzekeringspremies afdekken door een voldoende hoog bedrag te storten
op de g-rekening van de uitlener. Aan de doorlener zal de mogelijkheid
worden geboden een g-rekening te openen waarop de uiteindelijke inlener
stortingen kan doen ter afdekking van zijn aansprakelijkheidsrisico.
Door het opheffen van het
doorstortverbod wordt in de eerste plaats bewerkstelligd dat het
belangrijkste onderscheid tussen het regime van de
inlenersaansprakelijkheid en het regime van de ketenaansprakelijkheid
komt te vervallen zodat voor beide regimes kan worden volstaan met één
stelsel van uitvoeringsvoorschriften. Met de opheffing van het
doorstortverbod wordt in de tweede plaats voorkomen dat doorgestorte
bedragen in geval van inlening - of indien het in de praktijk niet
geheel duidelijk is of er sprake is van inlening of onderaanneming - door de
belastingdienst of UWV worden teruggestort op rekening van de
hoofdaannemer. In de derde plaats is het voor de (uiteindelijke) inlener
niet steeds duidelijk of hij met een doorlener of met een uitlener te
maken heeft. Indien de inlener een deel van het aan hem gefactureerde
bedrag op de g-rekening van een doorlener stort - de doorlener kan in
het kader van de ketenaansprakelijkheid als aannemer optreden en in die
hoedanigheid een g-rekening geopend hebben - kan dit bedrag niet worden
doorgestort. Eerst na deblokkering van de g-rekening van de
doorlener/aannemer kan het door inlener op die rekening gestorte bedrag
naar de rekening van de ontvanger of UWV worden overgemaakt.
Op verzoek van verschillende
belangenorganisaties, die in een overleg in 1998 hiervoor aandacht
hebben gevraagd, wordt het voor de belastingdienst en UWV mogelijk
gemaakt medewerking te verlenen aan het (eventueel voor bepaalde tijd)
openen van een g-rekening door bepaalde (rechts)personen, die in het
bestaande regime van de inleners- en ketenaansprakelijkheid buiten de
reikwijdte van het g-rekeningenstelsel vallen met name omdat zij niet het
bedrijf maken van het uitsluitend of het nagenoeg uitsluitend uitlenen
van personeel, of omdat in onderaanneming werk uitvoeren zonder dat zij
personeel in dienst te hebben. In de hiervoor genoemde brief van 30
november 1998 worden ter zake drie voorbeelden genoemd.
In de sfeer van de
inlenersaansprakelijkheid kan worden gedacht aan samenwerkingsverbanden
in de bouwsector (veelal stichtingen) die scholing en
praktijkopleidingen verzorgen ten behoeve van die sector en uit dien
hoofde leerlingen in dienst nemen die vervolgens worden uitgeleend aan
bij het samenwerkingsverband aangesloten bedrijven. Omdat het
samenwerkingsverband hoofdzakelijk zijn bedrijf maakt van het opleiden
van leerlingen en niet van het (nagenoeg) uitsluitend uitlenen van
personeel, kan het in de bestaande situatie geen g-rekening openen.
In de sfeer van de
ketenaansprakelijkheid wordt het voorbeeld van de bouwcombinaties
genoemd. Wanneer omvangrijke (bouw)projecten worden uitgevoerd, is het
gebruikelijk dat aannemers zich verenigen in (veelal) een vennootschap
onder firma (v.o.f.) teneinde voldoende kennis, capaciteit en kapitaal
bijeen te krijgen en om mogelijke risico’s te spreiden. In de meeste
gevallen zal de opdrachtgever, veelal de overheid, optreden in de
hoedanigheid van "eigenbouwer", die voor de toepassing van de
ketenaansprakelijkheid wordt gelijkgesteld aan een aannemer. De
opdrachtgever (eigenbouwer/aannemer) sluit een overeenkomst met de
bouwcombinatie/v.o.f. die zich jegens de eerstgenoemde verbind het werk te
(laten) uitvoeren. In deze situatie kan de bouwcombinatie/v.o.f. als
onderaannemer van de eigenbouwer/aannemer worden beschouwd.
Het derde voorbeeld ziet op
de confectiesector. In die sector wordt veelal gewerkt met personen die
zich bezighouden met de organisatie van de productie of design van
kleding maar die zelf geen kleding vervaardigen. Hierbij kan worden
gedacht aan personen die hun bedrijf maken van het uitzetten van de
productie van kleding bij loonconfectiebedrijven of van het bemiddelen
ter zake. Dergelijke personen hebben veelal geen eigen personeel. In het
huidige regime van de inleners- en ketenaansprakelijkheid kunnen deze
personen geen g-rekening openen, omdat er geen sprake is van uitlenen van
personeel of van het verrichten van werk in onderaanneming. Omdat het
wenselijk is om ook voor de confectiesector de mogelijkheid te creëren
de stroom van gelden - voor zover
deze betrekking heeft op de in verband met het vervaardigen van kleding
te betalen loonbelasting en socialeverzekeringspremies - van een
grootwinkelbedrijf of inkoopcombinatie naar de uiteindelijke
vervaardiger van de kleding via het g-rekeningstelsel te leiden, kunnen
"tussenpersonen" in de confectiesector die zelf geen kleding
vervaardigen onder omstandigheden gebruik maken van een eigen g-rekening.
Administratieve lasten
Deze regeling brengt geen
structurele wijziging teweeg in de totale administratieve lastendruk
van het bedrijfsleven. De toename van de administratieve lasten voor de
confectiesector als gevolg van het gebruik van g-rekeningen (€|0,1
mln)
is gelijk aan de totale afname aan administratieve lasten voor alle
sectoren tezamen die gebruik maken van het g-rekeningensysteem (€ 0,1
mln). Die afname is het gevolg van het afschaffen van het vereiste dat
een zogenoemde overmakingsovereenkomst op schrift moet worden gesteld.
Voor de betaling op en ten laste van een g-rekening zijn de aannemer en
de onderaannemer niet meer verplicht om de gegevens, zoals de bedragen
waarvoor de aannemer op grond van de Invorderingswet
en de Coördinatiewet
aansprakelijk is, apart schriftelijk in een overeenkomst
vast te leggen.
II. Artikelsgewijs
Artikel 1.
Begripsbepalingen
De in artikel 1 opgenomen
begripsbepalingen zijn van technische aard en behoeven geen nadere
toelichting.
Artikel 2. Voorwaarden
aangaan g-rekeningovereenkomst
Artikel
2, eerste lid,
aanhef, bevat in de eerste plaats het voorschrift dat de ontvanger en UWV
schriftelijk moeten worden verzocht om medewerking te verlenen aan
de totstandkoming van een g-rekeningovereenkomst. De onderdelen b en
c
van het eerste lid komen overeen met de thans in de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 onderscheidenlijk de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid opgenomen regelingen. Op grond van onderdeel b
kunnen de ontvanger en UWV een g-rekeningovereenkomst aangaan met de
ondernemer die zich bedrijfsmatig bezighoudt met het in onderaanneming
verrichten van werk en die inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting.
Onderdeel c strekt ertoe dat alleen een professionele uitzendonderneming
die zijn bedrijf maakt van het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend tegen
vergoeding uitlenen van personeel over een g-rekening kan beschikken.
Op grond van de bestaande
regelingen van de inleners- en ketenaansprakelijkheid kunnen slechts die
ondernemers of ondernemingen voor de opening van een g-rekening in
aanmerking komen die zelf ter zake van het door het betrokken personeel
genoten loon inhoudingsplichtige voor de loonbelastingen of werkgever in
de zin van de CSV zijn en uit dien hoofde gehouden tot voldoening van de
door UWV te innen premies.
Artikel 2, eerste lid, onderdeel a en f, en het tweede lid, maken het mogelijk dat de
ontvanger en UWV een g-rekeningovereenkomst aangaan met bepaalde
ondernemers, ondernemingen of samenwerkingsverbanden van ondernemingen
die buiten de reikwijdte van de bestaande inleners- en
ketenaansprakelijkheid vallen, omdat zij niet uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend hun bedrijf maken van het uitlenen van personeel, of omdat
zij in onderaanneming werk uitvoeren, maar geen personeel in dienst
hebben.
Hierbij kan in de eerste
plaats worden gedacht aan ondernemers in de confectiesector die zich
bedrijfsmatig bezighouden met de organisatie van de productie of design
van kleding (eerste lid, onderdeel a). In de tweede plaats wordt gewezen
op ondernemers die hun bedrijf hoofdzakelijk maken van het opleiden van
leerlingen die bij hen in dienst zijn, en niet van het uitlenen van
personeel (eerste lid, onderdeel f). Hierbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan samenwerkingsverbanden die in de bouwsector scholing en
praktijkopleiding verzorgen. Het samenwerkingsverband neemt leerlingen
in dienst en plaatst de leerlingen bij de bedrijven die bij het
samenwerkingsverband zijn aangesloten. Omdat een dergelijk
samenwerkingsverband zich niet bezighoudt met het uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend uitlenen van personeel, kon in de bestaande situatie
uit dien hoofde geen g-rekening worden verkregen.
Voorts kunnen de
ontvanger en UWV een g-rekeningovereenkomst aangaan met de entiteit die
een samenwerkingsverband vormt van ondernemers die hun bedrijf maken van
het in aanneming of onderaanneming verrichten van werk en
inhoudingsplichtige zijn in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Hierbij kan worden gedacht aan de zogenoemde bouwcombinatie. Een
dergelijke bouwcombinatie, die zelf geen personeel in dienst heeft,
wordt veelal speciaal opgericht voor omvangrijke (bouw)projecten. De aan
die bouwcombinatie deelnemende ondernemers beschikken afzonderlijk over
een g-rekening en zijn als zodanig bekend bij de hiervoor genoemde
uitvoeringsorganisaties. In die situatie wordt het mogelijk gemaakt dat
met een samenwerkingsverband als bedoeld in het tweede lid van artikel 2
een g-rekeningovereenkomst wordt aangegaan. Alsdan kunnen gelden
vrijwarend op de g-rekening van het samenwerkingsverband worden gestort.
Op grond van het eerste
lid, onderdeel d, wordt het mogelijk gemaakt dat de ontvanger en UWV een
g-rekeningovereenkomst aangaan met de doorlener aan wie een werknemer ter
beschikking is gesteld en die deze werknemer vervolgens aan een derde
ter beschikking stelt om onder diens toezicht of leiding werkzaam te
zijn. De in onderdeel d neergelegde mogelijkheid houdt verband met het
opheffen van het verbod tot het doorstorten van gelden van de ene
g-rekening naar de andere g-rekening (doorstortverbod) in de
inlenersaansprakelijkheid. Het gevolg hiervan is dat de (uiteindelijke)
inlener, die arbeidskrachten inleent van een doorlener, zijn
aansprakelijkheidsrisico kan afdekken door gelden op de g-rekening van
die doorlener te storten die deze gelden vervolgens weer kan doorstorten
naar de g-rekening van de uitlener/werkgever. Indien de doorlener
tevens als aannemer optreedt en werk uitbesteedt aan één of meer
opvolgende onderaannemers en uit dien hoofde reeds over een g-rekening
beschikt, gaan de ontvanger en UWV ermee akkoord dat de reikwijdte van
de bestaande g-rekening wordt uitgebreid tot doorleensituaties. In
artikel 16a Coördinatiewet en artikel 34
Invorderingswet
wordt de
doorlener gelijkgesteld met een inlener. Hierdoor kunnen door de
doorlener wel gelden worden gestort op de g-rekening van een uitlener,
maar is het niet mogelijk dat hijzelf een g-rekeningovereenkomst kan
aangaan. Om die reden is het noodzakelijk in onderdeel d aan de
doorlener toe te staan een g-rekening te bezitten.
Uit het eerste lid,
onderdeel e, blijkt dat degene die nog niet de hoedanigheid bezit van
ondernemer, inlener of doorlener, maar, naar redelijkerwijs mag worden
aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven,
bijvoorbeeld een startende ondernemer, eveneens de medewerking van de
ontvanger en UWV zal verkrijgen om een g-rekening te openen. Deze regel
komt overeen met die welke reeds thans in de inleners- en
ketenaansprakelijkheid wordt gehanteerd.
Artikel 3. Bedrijfsmatig
handelende koper van op termijn te leveren kleding
Artikel 3 bevat een
zogenoemde "safe-harbourregeling" voor de ondernemer of onderneming
in de confectiesector die op termijn te leveren kleding koopt en die op
het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten
of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd. Die
ondernemer of onderneming kan zich niet vrijwaren van een
aansprakelijkstelling door storting van gelden op de g-rekening, omdat ervan moet worden uitgegaan dat de verschuldigde loonbelasting en premies
ter zake van de reeds geproduceerde kleding al is voldaan en storting op
een g-rekening dus overbodig is. Als de koper redelijkerwijs twijfelt
over de vraag of hij reeds vervaardigde kleding koopt dan wel
(gedeeltelijk) nog te vervaardigen kleding, mag hij zich voor de gehele
order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt
gelijkgesteld met een opdrachtgever als bedoeld in de artikelen 35a
Invorderingswet
en 16ba CSV. Het staat die ondernemer dan vrij om
gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een
wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn
(onder)aannemer te storten. Met deze safe-harbourregeling wordt het
door de confectiesector gesignaleerde probleem weggenomen dat het in de
praktijk niet altijd mogelijk is onderscheid te maken tussen koop van
een bestaande zaak en koop van een nog geheel of gedeeltelijk te
vervaardigen zaak.
Artikel
4. Weigeren
totstandkoming g-rekeningovereenkomst
Artikel 4 bevat de regel,
overeenkomstig de bestaande regeling in de inleners- en
ketenaansprakelijkheid, dat de ontvanger en UWV
hun medewerking aan het
openen van een g-rekeningovereenkomst kunnen weigeren als de ondernemer,
bedoeld in artikel 2, al een g-rekeningovereenkomst heeft gesloten,
tenzij die ondernemer aannemelijk maakt dat gebruikmaking van meer dan
één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is (onderdeel a)
of indien gegronde vrees bestaat dat van de g-rekening onjuist gebruik
zal worden gemaakt (onderdeel b).
Het komt in de praktijk
voor dat het bedrijf van een ondernemer is gesplitst in verschillende
(nagenoeg) zelfstandig functionerende bedrijfsonderdelen. Voor zover een
ondernemer aannemelijk maakt dat een dergelijke splitsing - en in het
verlengde daarvan het kunnen beschikken over meer dan één g-rekening -
functioneel is en uit bedrijfseconomisch oogpunt van die ondernemer
geboden, kan de ontvanger en UWV met het aanhouden door die ondernemer
van meer dan één g-rekening instemmen.
Of van gegronde vrees
voor het onjuist gebruik van een g-rekening sprake is, zal in elk
individueel geval aan de hand van de feiten en omstandigheden beoordeeld
moeten worden. Hierbij kan niet alleen worden gedacht aan door de
aanvrager van de g-rekening reeds eerder gepleegde fraude, misbruik of
oneigenlijk gebruik met belastingen of premies, maar ook aan situaties
waarin bepaalde beleidsbepalende personen actief zijn in een onderneming
terwijl zij eerder actief waren in een andere onderneming waarvan de
g-rekening wegens onjuist gebruik is opgezegd.
Artikel
5. Bewaren g-rekeningovereenkomst
Artikel 5 geeft een
regeling voor het bewaren van het origineel van de g-rekeningovereenkomst
en de verstrekking van een kopie daarvan aan de andere bij de
g-rekeningovereenkomst betrokken partijen. Deze regeling komt qua inhoud
en strekking overeen met de bestaande regeling in de
inlenersaansprakelijkheid. Op één punt is die regeling vollediger dan
de bestaande regeling in de ketenaansprakelijkheid, namelijk in die zin
dat het origineel van de g-rekeningovereenkomst moet worden bewaard
zolang de g-rekening in stand blijft.
De bij de
g-rekeningovereenkomst betrokken kredietinstelling heeft de keuze de op
schrift gestelde g-rekeningovereenkomst als zodanig te bewaren of gebruik
te maken van de mogelijkheid om, overeenkomstig het bepaalde in artikel
52, vijfde en zesde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen,
een dergelijk bescheid om te zetten in een vastlegging op een
elektronische gegevensdrager. Het vijfde lid van dat artikel bevat de
bevoegdheid gegevens van de ene gegevensdrager over te zetten op een
andere gegevensdrager; het zesde lid verbindt daaraan de eis dat
controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk moet zijn en dat
betrokkene de in dat kader benodigde medewerking behoort te verlenen. De
bewaartermijn van zeven jaren is de minimumbewaartermijn, die begint te
lopen op het tijdstip waarop de g-rekeningovereenkomst is ondertekend
door alle partijen en die ook geldt indien gedurende die zeven jaren de
g-rekening wordt opgeheven. Blijft de g-rekening langer dan zeven jaren in
stand, dan dient het origineel exemplaar van de overeenkomst dan wel de
op een elektronische gegevensdrager vastgelegde inhoud van de
overeenkomst bewaard te blijven zolang die rekening in stand blijft.
Artikel
6. Vereisten
vrijwarende betaling op de g-rekening
Artikel 6 bevat de
administratieve voorwaarden voor het verkrijgen van een wettelijke
vrijwaring door storting op de g-rekening. Zoals dit ook voor alle
andere bepalingen van deze regeling geldt, is dit artikel van toepassing
op de inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid. Voor de in
het artikel opgenomen voorschriften is aansluiting gezocht bij de
huidige wettelijke en beleidsmatige regeling voor het gebruik van de g-rekening in het kader van respectievelijk de
inleners- en
ketenaansprakelijkheid. Anderzijds is bij het ontwerp van deze regeling
gestreefd naar een administratieve lastenverlichting voor het
bedrijfsleven door de vorenbedoelde voorwaarden te vereenvoudigen en te
moderniseren.
In de eerste plaats is er
sprake van een vereenvoudiging doordat de hiervoor bedoelde
administratieve voorwaarden zijn opgenomen in één artikel en niet
langer in de in het algemeen deel van deze toelichting genoemde drie
regelingen.
Een vereenvoudiging en
verlichting van de administratieve voorwaarden vloeit in de tweede
plaats voort uit het feit dat geheel aan de betrokken partijen wordt
overgelaten in welke vorm een zogenoemde overmakingsovereenkomst wordt
gegoten en wat de inhoud daarvan zal zijn. Zo kan een dergelijke
overeenkomst niet alleen schriftelijk worden vastgelegd, maar
bijvoorbeeld ook in de vorm van een elektronisch bericht worden gegoten.
Het bestaan van een overmakingsovereenkomst kan ook blijken uit een
eenzijdige vastlegging van een mondeling aangegane overeenkomst en kan
splitsing plaatsvinden tussen een kaderovereenkomst met aanvullingen per
individuele prestatie. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande
regeling voor de inlenersaansprakelijkheid.
Een verdere
vereenvoudiging en verlichting ten opzichte van de bestaande regeling
voor de inlenersaansprakelijkheid is het schrappen van het vereiste dat
op de factuur moet worden vermeld op welk tijdstip de overeenkomst is
gesloten ingevolge welke de gefactureerde prestatie of prestaties zijn
verricht.
Tenslotte
zijn vorenbedoelde administratieve voorwaarden aangepast om deze beter
te doen aansluiten op de praktijk van de confectiesector. Zo leiden de
in de bestaande regeling voor ketenaansprakelijkheid gehanteerde
begrippen "tijdvak" en "plaats van het werk" tot problemen in de confectiesector.
Bij de handhaving van de
onderhavige aansprakelijkheidsregelingen wordt een centrale rol
toegekend aan de factuur. De factuur vormt in de praktijk de
belangrijkste verbinding tussen degene die belasting of premies is
verschuldigd en de aansprakelijke, omdat uit die factuur blijkt in
hoeverre de hoofdschuldenaar daadwerkelijk prestaties heeft geleverd aan
de aansprakelijke.
Op grond van artikel 6,
eerste lid, onderdeel a, wordt verlangd dat de factuur voldoet aan de
eisen die artikel 35 van de Wet
op de omzetbelasting 1968 (Wet OB)
daaraan stelt, alsmede de vermelding bevat van enige aanvullende
gegevens. Voor zover facturen deze gegevens in de praktijk nog niet
bevatten, wordt in genoemd onderdeel verlangd dat de factuur tevens de
vermelding bevat - indien aanwezig - van het nummer of kenmerk van
de overeenkomst op grond waarvan de uitlener, de onderaannemer of de
confectieaannemer de gefactureerde prestatie of prestaties heeft
verricht.
Wat betreft de vraag
wanneer de gefactureerde prestatie of prestaties zijn verricht, wordt de
vermelding gevraagd van het tijdvak of de tijdvakken waarin de prestatie
is verricht. Bij in termijnen te leveren prestaties: het tijdvak waarin
het gefactureerde gedeelte van de prestatie is gedaan. Ook moet de
factuur de vermelding bevatten van de benaming of een ander
onderscheidend kenmerk van het werk waarop die factuur betrekking heeft.
Voor alle duidelijkheid
wordt opgemerkt dat het niet nodig is de bedrijfsmatig handelende
verkoper van nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen kleding
afzonderlijk te noemen in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, omdat een
dergelijke verkoper wordt gelijkgesteld met een confectieaannemer.
Onderdeel b van artikel 6, eerste lid, stelt ter verkrijging van de wettelijke vrijwaring aan de
aansprakelijke de voorwaarde dat diens betaling op de g-rekening van de
uitlener, de onderaannemer of de aannemer die kleding vervaardigt of
laat vervaardigen, vergezeld gaat van het factuurnummer en, voor zover dit
nummer onvoldoende onderscheidend is om die factuur snel in de
administratie van bijvoorbeeld de inlener terug te vinden zodat de
ontvanger en UWV foutloos de verbinding kan leggen met de juiste
uitlener, van een aanvullend onderscheiden kenmerk. Bij dit laatste is
met name gedacht aan het debiteurennummer.
De
ontvanger en UWV steunen bij de handhaving van de in onderhavige
regeling opgenomen aansprakelijkheidsregelingen in belangrijke mate op
de administratie van met name de aansprakelijke. In artikel
6, eerste
lid, onderdeel c, is nader uitgewerkt aan welke eisen de administratie
van de aansprakelijke in het kader van de inleners-, keten- en
opdrachtgeversaansprakelijkheid moet voldoen. Deze eisen zijn ontleend
aan de huidige voor de inlenersaansprakelijkheid geldende regeling. De
administratie dient zodanig te zijn ingericht en zodanig te worden
gevoerd dat daarin bij de controle terstond of vrijwel terstond kan
worden teruggevonden de (inhoud van de) overeenkomst krachtens welke de
uitlener, de onderaannemer of de aannemer die kleding vervaardigt of
laat vervaardigen de gefactureerde prestatie heeft geleverd (artikel
6,
eerste lid, onderdeel c). Uit artikel 6, eerste lid, onderdeel c, onder
2º, volgt dat in de administratie van de inlener, de aannemer en de
opdrachtgever eveneens terstond of vrijwel terstond moeten kunnen worden
teruggevonden de gegevens inzake de nakoming van de overeenkomst, met
inbegrip van, naar de eisen van het bedrijf van de aansprakelijke, een
registratie van de personen die zijn ingeleend of werk in
(onder)aanneming hebben verricht in verband waarmee voor de inlener en
aannemer aansprakelijkheid bestaat ingevolge de artikelen 34 Invorderingswet
en 16a Coördinatiewet
onderscheidenlijk artikelen 35 Invorderingswet
en 16b Coördinatiewet. De goede toegankelijkheid van de
administratie geldt eveneens, zo volgt uit artikel 6, eerste lid,
onderdeel c, onder 3º, voor de betalingen die in verband met de
nakoming van de overeenkomst in kwestie aan de uitlener, de
onderaannemer of de confectieaannemer. Tot die betalingen behoren die
welke door de inlener, de aannemer en de opdrachtgever in verband met
één en ander op de g-rekening van de uitlener, de onderaannemer of de
confectieaannemer.
De zinsnede "naar de eisen van hun bedrijf" in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, onder 2º, heeft dezelfde strekking als de vrijwel
gelijkluidende zinsnede die in de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid was opgenomen. Deze zinsnede vormt een
nuancering ten gunste van het bedrijfsleven van de verplichting tot het
voeren van de zogenoemde schaduwloonadministratie door inleners (artikel
16a, achtste lid, Coördinatiewet
in verbinding met artikel 10 van die
wet). Een gelijke verplichting geldt in de ketenaansprakelijkheid voor
aannemers (artikel 16b, achtste lid,
Coördinatiewet
in verbinding met
artikel 10 van die wet). Deze verplichting houdt in dat de
aansprakelijke een administratie dient te voeren aan de hand waarvan het
door de ingeleende arbeidskracht of het door degene die in
(onder)aanneming werk verricht genoten loon kan worden vastgesteld. Een
volstrekt letterlijke toepassing daarvan is in de praktijk veelal niet
goed mogelijk. Wel kan worden verlangd, zoals nu is uitgewerkt in artikel
6, eerste lid, onderdeel c, onder 2º, dat er goede
aanknopingspunten in de administratie van de aansprakelijke aanwezig
zijn om tot een verantwoorde toerekening te komen van het bedrag aan
loonbelasting - en voor zover van toepassing omzetbelasting - en
premie, in de concrete gevallen van inlening van arbeidskrachten en van
(onder)aanneming. Wat van de aansprakelijke wordt geëist, is mede
afhankelijk van hetgeen gezien de omvang en aard van de onderneming van
de individuele aansprakelijke kan worden gevergd. Van een onderneming
met een verfijnde, verregaand geautomatiseerde administratie mag in het
algemeen meer worden verwacht dan van een kleine zelfstandige zonder
geautomatiseerde administratie. Een met de hiervoor aangehaalde zinsnede
overeenstemmend element kan zowel worden aangetroffen in de
civielrechtelijke administratieplicht (artikel 2:10, eerste lid, BW) als
in de fiscale administratieplicht (artikel 52, eerste lid, Awr [Algemene
wet inzake rijksbelastingen, red.]).
Vanwege de bijzondere
kenmerken van de confectiesector bestaat er aanleiding de voor de
overige sectoren van het bedrijfsleven ontwikkelde administratieve
voorwaarden niet onverkort toe te passen op de confectiesector. Een
belangrijk verschil tussen de confectiesector en de overige sectoren is
bijvoorbeeld dat in de overige sectoren de aannemer toezicht op het
personeel kan houden dat op de lokatie van die aannemer werkzaam is,
terwijl de opdrachtgever die mogelijkheid niet heeft, omdat in de
confectiesector het personeel in het algemeen op een andere lokatie - in het confectieatelier
- werkzaam is. De eerste aanpassing van de
administratieve voorwaarden ten behoeve van de confectiesector heeft
betrekking op de factuur van de confectieaannemer met betrekking tot de
door die aannemer aan diens opdrachtgever gefactureerde prestatie of
prestaties. Op grond van artikel 6, tweede lid, kan op een dergelijke
factuur de vermelding van het tijdvak of de tijdvakken waarin de
gefactureerde prestatie of prestaties zijn verricht achterwege blijven
indien de factuur melding maakt van de datum waarop de order tot het
geheel of gedeeltelijk vervaardigen van kleding is geplaatst en van de
datum waarop deze kleding is of zal worden afgenomen. Omdat het in de
confectiesector niet ongebruikelijk is dat facturering vooraf
plaatsvindt, waardoor het niet mogelijk is op de factuur de datum te
vermelden waarop de kleding is afgeleverd, zijn in het tweede lid de
woorden "zal worden"
opgenomen. Verwacht wordt dat met een dergelijke specificatie van het
begrip "tijdvak" voldoende gegevens beschikbaar zijn voor de
controle door UWV en de belastingdienst. De tweede aanpassing van de
administratieve voorwaarden ten behoeve van de confectiesector is
neergelegd in het derde lid van artikel
6. Dit lid bepaalt dat de
administratie van de aannemer, bedoeld in artikel
6, eerste lid,
onderdeel c, of van de opdrachtgever geen registratie behoeft te
bevatten van de personen die zijn ingeleend of werk in (onder)aanneming
hebben verricht en van de dagen waarop en de uren gedurende welke die
personen werkzaamheden hebben verricht (manurenregister) indien de
gefactureerde prestatie of prestaties verband houden met het
vervaardigen of het laten vervaardigen van kleding.
Artikel 7. Vereisten
betaling ten laste van de g-rekening
In artikel
7, eerste lid,
worden de gegevens genoemd die de uitlener, de onderaannemer of de
confectieaannemer naast de gebruikelijke gegevens zoals zijn naam,
adres en woonplaats, het nummer van de rekening en de hoogte van het
over te maken bedrag, bij betalingen ten laste van de g-rekening op de
betalingsopdracht dient vast te leggen. Op grond van het tweede lid van
artikel 7 dienen de onderaannemer, de confectieaannemer of de verkoper
bij betalingen ten laste van de g-rekening naast de in het eerste lid
genoemde gegevens nog aanvullende gegevens op de betalingsopdracht te
vermelden. Deze regeling komt overeen met die welke in het huidige
regime van de ketenaansprakelijkheid geldt.
Ten aanzien van het op de
betalingsopdracht te vermelden tijdvak (tweede lid) wordt opgemerkt dat
in de confectiesector kan worden volstaan met de vermelding van datum
waarop de order tot het geheel of gedeeltelijk vervaardigen van kleding
is geplaatst en van de datum waarop deze kleding is of zal worden
afgenomen.
Artikel
8. Verdeling
tussen ontvanger en Uitvoeringsinstituut bij
uitwinning pandrecht en andere acties voor
gezamenlijke rekening
Artikel 8 geeft een
nadere uitwerking aan de onderlinge
verhouding tussen de bij de toepassing van de
in deze regeling opgenomen
aansprakelijkheidsregelingen betrokken
bestuursorganen: de ontvanger en UWV. Het
gaat in de eerste plaats om de uitoefening
van het ten behoeve van deze
bestuursorganen op het saldo van de
g-rekening van de uitlener, de onderaannemer of de
confectieaannemer gevestigde pandrecht. Het uitwinnen van het
pandrecht op het saldo van de g-rekening dient,
zo volgt uit artikel 8, eerste lid,
voor gezamenlijke rekening te geschieden.
Hiermee wordt veilig gesteld dat de
ontvanger en UWV zich op de g-gelden
kunnen verhalen dan wel voor de schade tengevolge van het onjuist gebruik van
g-gelden in de vorm van een schadevergoeding gecompenseerd kunnen worden. Uit een
oogpunt van doelmatigheid is het
gewenst dat de beide hiervoor genoemde
bestuursorganen niet (formeel)
onafhankelijk van elkaar opereren, maar dat
elk van hen voor gezamenlijke
rekening handelt.
Voor de verdeling van de
opbrengst van de uitoefening van
het pandrecht of van één van de andere in het
eerste lid van artikel 8 genoemde acties
kan geen vaste verdeelsleutel worden
gegeven. In de praktijk kan immers de
mate waarin de ontvanger is voldaan
waarvoor hij de aansprakelijke
aansprakelijk kan stellen, afwijken van de mate
waarin UWV is voldaan. Daarom bepaalt artikel 8, tweede lid, in de eerste plaats
dat de verdeling van de opbrengsten van de uitwinning van het pandrecht en de
andere mogelijke acties
geschiedt naar evenredigheid van ieders vorderingen.
Daarbij dienen beide
bestuursorganen bij hun invorderingsacties in
beginsel uitsluitend uit te gaan van de
formeel vastgestelde loonbelasting-,
omzetbelasting- en premieschulden. Daartegen kan de
belasting- of premieschuldige
bezwaar maken en beroep instellen bij
de daarvoor bevoegde rechter.
Eenzelfde mogelijkheid heeft de aansprakelijk
gestelde met betrekking tot de voor
bezwaar vatbare beschikking waarbij de
aansprakelijkstelling is geschied.
Omdat niet steeds op de
definitieve vaststelling van de
belasting- en premieschuld kan worden gewacht
alvorens verhaal wordt genomen op
het saldo van de g-rekening of wordt
opgetreden tegen het oneigenlijk gebruik
van g-gelden, is in artikel 8, tweede lid,
onderdeel a, opgenomen dat de
ontvanger en UWV in onderling overleg kunnen
uitgaan van een geschat beloop van de
materiële belasting- en
premieschulden in zoverre in afwijking van de
formele schuldbedragen. Blijkt achteraf dat de
definitief vastgestelde belasting-
en premiebedragen afwijken van die waarop
een eerdere verdeling was gebaseerd,
dan kan verrekening plaatsvinden op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel b.
In de aanhef van het
tweede lid van artikel 8 is neergelegd
dat de verdeling plaatsvindt na aftrek van
aan derden te vergoeden kosten. Die
kosten zullen veelal bestaan uit kosten
die door een advocaat in rekening
zullen worden gebracht in verband met
acties wegens wanprestatie of
onrechtmatige daad, na aftrek van het bedrag van
een eventuele door de rechter
toegekende tegemoetkoming daarin ten laste van de
ontvanger of UWV. Het is
uitdrukkelijk niet de bedoeling dat ontvanger
en UWV elkaar onderling kosten in
rekening brengen.
De in artikel 8 opgenomen
regeling komt overeen met die
welke in het huidige regime voor de inleners-
en ketenaansprakelijkheid wordt gehanteerd.
Artikel
9. Grenzen
aansprakelijkstelling
Artikel
9, eerste lid,
dat zich in de eerste plaats richt tot de ontvanger en UWV, geeft aan binnen welke
grenzen aansprakelijkstelling van de inlener, aannemer of opdrachtgever kan
plaatsvinden. Daarmee beoogt het
artikel duidelijkheid en rechtszekerheid ten
behoeve van het bedrijfsleven te
scheppen. De in dit artikel opgenomen bepalingen
houden in de eerste plaats verband met
het wettelijk vrijwarend karakter dat
een storting van een aansprakelijke op de
g-rekening van de hoofdschuldenaar
heeft. De vrijwaringsregeling in de artikelen 34, derde lid, en 35, vijfde lid,
van de Invorderingswet
en in de artikelen 16a,
vierde lid, en 16b, vijfde lid,
van de Coördinatiewet steunt immers op het
uitgangspunt dat de stortingen op de
g-rekening bestemd zijn zowel voor
de voldoening van loon- en
omzetbelasting als van premie. Het gezamenlijke
bedrag aan stortingen op de
g-rekening komt in mindering op het
gezamenlijk bedrag waarvoor in eerste aanleg
aansprakelijkheid is ontstaan van zowel de
loon- en omzetbelasting als
premie. Het verschil tussen die twee
gezamenlijke bedragen vormt dus, bezien vanuit
de vrijwaringsregeling, het maximale bedrag
waarvoor de inlener, de aannemer
of de opdrachtgever door de ontvanger en UWV
kan worden aangesproken.
Daarnaast geldt uiteraard
tevens als maximum het bedrag dat de
ontvanger onderscheidenlijk UWV van
de betrokken hoofdschuldenaar nog te
vorderen heeft met betrekking tot
de loon- en omzetbelasting en de
premie. Met andere woorden: de omvang van
het bedrag waarvoor aansprakelijk
wordt gesteld, kan nooit meer zijn dan
het nog openstaande bedrag.
Het hiervoor omschreven
maximale bedrag waarvoor - bezien vanuit de vrijwaringsregeling - de inlener, aannemer of opdrachtgever met
betrekking tot bepaalde feiten
aansprakelijk kan worden gesteld, is deels toe te
rekenen aan de loon- en
omzetbelasting waarvoor de inlener, aannemer of
opdrachtgever aansprakelijk is en deels aan de premie waarvoor de inlener,
aannemer of opdrachtgever
aansprakelijk is. Echter, om te weten hoe groot dat
bedrag nu is, dient de ontvanger niet
alleen te weten tot welk bedrag aan
loonbelasting en aan omzetbelasting in eerste
aanleg bij die inlener, aannemer of
opdrachtgever aansprakelijkheid is ontstaan, maar ook op welk bedrag in het
desbetreffende geval de in eerste aanleg
verschuldigde premie gesteld moet worden,
terwijl voor UWV het omgekeerde geldt. De
ontvanger en UWV zullen voor de
beantwoording van de in concrete gevallen ter zake rijzende vragen voor elkaar de in
dit verband noodzakelijke hand-en
spandiensten moeten verrichten. Alleen
op die wijze wordt jegens de inlener,
aannemer of opdrachtgever recht
gedaan aan de wettelijke vrijwaringsregeling. Dit
geldt ook in gevallen waarin hetzij
de ontvanger, hetzij UWV meent niets
meer te vorderen te hebben van de
hoofdschuldenaar, de uitlener, de
onderaannemer of de confectieaannemer en dus zelf niet
overweegt tot aansprakelijkstelling
over te gaan.
Als de aansprakelijke
inlener, aannemer of opdrachtgever wel
stortingen op de g-rekening heeft
gedaan, doch die gelden niet zijn gebruikt
voor voldoening van de belasting- en
premieschuld van de uitlener, de
onderaannemer of de confectieaannemer
terwijl die schulden ook niet op andere wijze
zijn voldaan, heeft dat tot gevolg dat - in verband met de wettelijke vrijwaring
bij storting op de g-rekening - het
gezamenlijke bedrag van de door de ontvanger
of UWV uit te brengen
aansprakelijkstelling lager is dan het gezamenlijk
bedrag van de bij die
uitvoeringsorganisaties openstaande posten. Dit vloeit voort
uit de vrijwaringsregeling, waarin besloten ligt dat
de bonafide aansprakelijke
niet verantwoordelijk is voor de wijze waarop
de houder van de g-rekening
met de saldi van die rekening omgaat.
In dit geval dienen de ontvanger en
UWV de omvang van de aan de
aansprakelijke inlener, aannemer of
opdrachtgever uit te brengen
aansprakelijkstellingen dus te beperken tot een zodanig
bedrag dat de bovengrens die uit de
vrijwaringsregeling voortvloeit, niet wordt
overschreden. De onderlinge afstemming
van de bedragen waarvoor de
inlener, aannemer of opdrachtgever door de
ontvanger of UWV aansprakelijk kan
worden gesteld, dient te geschieden aan
de hand van een redelijke verdeelsleutel.
Een vaste sleutel kan niet gegeven worden,
omdat in de praktijk veel verschillen
optreden in de mate waarin hetzij de
ontvanger, hetzij UWV is voldaan. De
bedragen waarvoor de schulden in de boeken
van de ontvanger respectievelijk UWV nog
openstaan, voor zover althans de
inlener, aannemer of opdrachtgever daarvoor
aansprakelijk is, vormen in beginsel de
meest voor de hand liggende
verdeelsleutel. Om dezelfde redenen als die
welke zijn toegelicht inzake artikel 8, tweede
lid, dient onder omstandigheden van
die verdeelsleutel afgeweken te kunnen worden.
In artikel 9, tweede lid,
wordt daarom het tweede lid van artikel 8 van overeenkomstige toepassing verklaard.
De werking van artikel 9,
eerste lid, willen we illustreren aan
de hand van twee voorbeelden.
Voorbeeld 1
Het op de g-rekening van
de uitlener gestorte bedrag is in
zijn geheel aangewend ter voldoening van hetzij
de ontvanger, hetzij UWV.
Onderaannemer A voert een werk uit voor
aannemer B voor een bedrag van 1000.
In dit bedrag zijn begrepen 350 aan
belastingen en 150 aan premies. Aannemer B
stort ter zake slechts 150 op de
g-rekening van onderaannemer A. Dit bedrag wordt door
A in zijn geheel aangewend om
de premies te voldoen.
Onderaannemer A gaat
vervolgens failliet. De ontvanger
wil B aansprakelijk stellen voor de onbetaald
gebleven belastingschuld van A, zijnde 350.
Alvorens tot aansprakelijkstelling
over te gaan, informeert de ontvanger
bij UWV wat de premieschuld van A is in
verband met het uitgevoerde werk en
in hoeverre deze schuld reeds is voldaan.
In dit voorbeeld zijn de premies reeds
geheel voldaan. Voor UWV is er dus geen
aanleiding om tot aansprakelijkstelling
over te gaan. Het
bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is
ontstaan (voor het gezamenlijke bedrag van
350 + 150 = 500), minus het
vrijwarende, op de g-rekening gestorte bedrag ad 150,
leidt - vanuit de
vrijwaringsregeling bezien - tot een bedrag waarvoor
ten hoogste aansprakelijkstelling kan
plaatsvinden ad 350. Deze 350
correspondeert in dit geval geheel met het
bedrag dat in de administratie van de
ontvanger nog open staat inzake de
belastingschuld van A waarvoor B aansprakelijk
is. De ontvanger kan B dus voor het gehele
openstaande bedrag van 350
aansprakelijk stellen.
Voorbeeld 2
Het op de g-rekening
gestorte bedrag wordt slechts ten dele
aangewend ter voldoening van de
ontvanger en UWV.
In dit voorbeeld stelt
uitlener A arbeidskrachten ter
beschikking aan inlener B voor een bedrag
van 1000. In dit bedrag zijn begrepen
350 aan belastingen en 150 aan premies en
stort inlener B ter zake slechts
150 op de g-rekening van A. Uitlener A wendt
van dit bedrag 50 aan voor de
voldoening van de met deze uitlening
verband houdende premies, 50 voor de met
de uitlening verband
houdende belastingen (en 50 doorgestort naar
uitlener C). Uitlener A laat vervolgens de
belasting- en premieschulden onbetaald
en gaat failliet. UWV wil B aansprakelijk
stellen voor de onbetaald
gebleven premieschuld van A, zijnde 100 (150
minus 50). Alvorens tot aansprakelijkstelling over te gaan, informeert
UWV bij de ontvanger wat de
belastingschuld is van A in verband met de
uitlening aan B en in hoeverre deze schuld
reeds is voldaan. Er blijkt bij de
ontvanger nog 300 open te staan (350 minus 50),
waarvoor de ontvanger inlener B
aansprakelijk wil stellen. Omdat dus sprake
is zowel van een openstaande
belastingschuld als van een openstaande
premieschuld van A, is er zowel voor UWV als
voor de ontvanger aanleiding om tot
aansprakelijkstelling van B over te gaan. In
verband daarmee moeten zij hun
aansprakelijkstellingen op elkaar afstemmen. In
dat kader stellen zij
enerzijds vast dat het gezamenlijke bedrag van
de door ieder van hen aan B uit te
brengen aansprakelijkstellingen, bezien vanuit de vrijwaringsregeling, maximaal 350 kan
bedragen (het
gezamenlijke bedrag van de
aansprakelijkheidsschulden in eerste aanleg ad 500 (350 + 150)
minus het op de g-rekening gestorte
bedrag ad 150). Anderzijds stellen zij
vast dat dit totaalbedrag van 350 lager is dan het
gezamenlijke bedrag van hetgeen
openstaat in de administratie van
de ontvanger (300) en in de
administratie van de uitvoeringsinstelling (100) ad in totaal 400. Een deel daarvan, groot
50, mag dus niet in de
aansprakelijkstellingen van inlener B worden betrokken.
Oftewel: er is sprake van een "tekort" van
50. De ontvanger en UWV zullen dit tekort
van 50 moeten verdelen over ieders
aansprakelijkstelling, of, anders gezegd, zij
moeten hun aansprakelijkstelling
beperken naar rato van ieders vordering op
A. UWV kan B aansprakelijk stellen
voor 100/400 x 350 = 87,5. De ontvanger kan
B aansprakelijk stellen voor 300/400 x
350 = 262,5. Samen dus tot een bedrag
van 350.
Artikel
10. Deblokkering
Deblokkeren van een
g-rekening houdt in dat de ontvanger en UWV
toestemming verlenen het op de
g-rekening aanwezige saldo of een
deel daarvan te gebruiken voor een ander
doel dan de voldoening van de loon-
en omzetbelasting en de premie welke
verband houdt met de
terbeschikkingstelling van arbeidskrachten of met
het in (onder)aanneming uitvoeren van
een werk als bedoeld in de artikelen
35, eerste lid, en 35a, eerste lid, Invorderingswet
en de artikelen 16b, eerste
lid, en 16ba, eerste lid, Coördinatiewet.
Daartoe kan aanleiding bestaan indien de inlener, aannemer of opdrachtgever in
verband met de vrijwarende werking van
een storting op de g-rekening
veiligheidshalve te hoge bedragen hebben gestort
op die rekening. Ook kan het zijn dat, om
welke reden dan ook, de belasting- en
premieschulden van de uitlener,
onderaannemer of aannemer als bedoeld in
de artikelen 35a Invorderingswet
en 16ba
Coördinatiewet reeds geheel of ten dele
door hem vanaf een vrije rekening zijn
voldaan. Enerzijds is het mogelijk dat er
rechtstreekse stortingen zijn gedaan
waarmee de belasting- of premieschuld waarvoor
in beginsel
aansprakelijkheid bestaat, is voldaan. Anderzijds is
van belang - dat geldt met name voor de
loon- en omzetbelasting - dat er enige tijd
verloopt tussen het ontstaan van
de materiële schuld en de
formalisering daarvan, terwijl op grond van ervaring het
vermoeden bestaat dat binnenkort
een loon- of omzetbelastingschuld
invorderbaar zal worden. Zolang en voor zover niet aannemelijk is dat het op een bepaald tijdstip op de g-rekening
aanwezig saldo min of meer duurzaam
overtollig is uit het oogpunt van de
bestemming van de saldi op die rekening,
zal de ontvanger of UWV een
deblokkeringsverzoek niet honoreren. Onder
omstandigheden kan daarvan worden afgeweken,
bijvoorbeeld doordat zekerheid wordt
gesteld door middel van een
bankgarantie of compensatie wordt geboden door
verrekening van een te deblokkeren
bedrag met andere vorderingen. Op het
laatste zien de woorden 'onder door hen
te stellen voorwaarden" in artikel 10, eerste lid. Ter voorkoming van
problemen rond de bewijslast van het al dan
niet hebben gedaan van een deblokkeringsverzoek is voorgeschreven dat het
deblokkeringsverzoek schriftelijk moet worden gedaan.
Het verzoek kan worden
ingediend hetzij bij de ontvanger,
hetzij bij UWV. Het bestuursorgaan waar
het verzoek binnenkomt, handelt het
verzoek af, tot en met de bekendmaking
van de beslissing op het verzoek aan de
desbetreffende rekeninghouder. Materieel
beslissen de ontvanger en UWV
gezamenlijk ("in onderlinge
overeenstemming"). De afhandelende
uitvoeringsorganisatie is ook die welke de
verzoeker vraagt de nodige gegevens te
verstrekken, veelal door middel van een
daartoe ontworpen formulier. Wordt de
gevraagde informatie niet of niet in de
gevraagde vorm verschaft, dan wordt het
verzoek afgewezen. Voor alle duidelijkheid
wordt opgemerkt dat de in de
bestaande aansprakelijkheidsregelingen opgenomen verplichting om de
beslissing op het deblokkeringsverzoek aan
de g-rekeninghouder bekend te maken, is geschrapt, omdat deze
verplichting reeds voortvloeit uit artikel
3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel
11. Opzegging g-rekeningovereenkomst
In artikel 11 zijn de
regels opgenomen met betrekking tot de
opzegging van de g-rekeningovereenkomst. Het eerste lid van artikel 11
komt inhoudelijk overeen met de bestaande
wettelijke regels inzake opzegging
van de g-rekeningovereenkomst in het kader van de
inlenersaansprakelijkheid. Ter voorkoming van bewijsproblemen is in artikel 11, derde lid,
bepaald dat opzegging schriftelijk geschiedt.
Voorts vermeldt het derde lid
dat een opzegging niet eerder van kracht
wordt dan nadat de opzegging aan de
overige bij de g-rekeningovereenkomst betrokken partijen is bekendgemaakt. De
opzegging zal voorts niet van kracht
zijn zolang en voor zover die opzegging
een belemmering zou vormen van de
toepassing van het vierde lid van artikel 11. In dit lid is namelijk met het oog op
de rechtszekerheid en de rechtsbescherming
neergelegd dat opzegging niet kan
verhinderen dat de g-rekeningovereenkomst, dus ook het pandrecht van de
ontvanger en UWV, van toepassing blijft op
het saldo van de g-rekening ten tijde van
de opzegging. Hetzelfde geldt ook voor
hetgeen nadien op die rekening wordt
gestort in verband met de aansprakelijkheid
met betrekking tot de loonbelasting of
de omzetbelasting en premie waarvoor de inlener, de aannemer of de opdrachtgever
aansprakelijk is. Eén en ander is
echter niet van toepassing voor zover daardoor strijd
zou ontstaan met de gevolgen
die rechtens zijn verbonden aan het in
staat van faillissement verklaren van de
rekeninghouder, het hem verlenen van
surseance van betaling of het op hem
van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Aan
de andere kant, zo bepaalt artikel 11, vijfde lid, kunnen er geen
vrijwarende stortingen meer gedaan worden op de
g-rekening van de uitlener, de
onderaannemer of de aannemer als bedoeld in
de artikelen 35a Invorderingswet
en 16ba
Coördinatiewet indien daarop niet het
pandrecht van de ontvanger en UWV komt te
rusten. Dit is met name van belang in
het geval die uitlener, onderaannemer
of aannemer failliet wordt verklaard.
Artikel
12. Intrekking
regelingen
Nu de
uitvoeringsvoorschriften voor de inleners- en
ketenaansprakelijkheid alsmede die voor de
opdrachtgevers- en kopersaansprakelijkheid
in de confectiesector worden samengebracht in
één gezamenlijke
uitvoeringsregeling, wordt de Uitvoeringsregeling
inlenersaansprakelijkheid en de Uitvoeringsregeling ketenaansprakelijkheid premie
werknemersverzekeringen ingetrokken en komen de artikelen 35 tot
en met 40 van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 te vervallen.
Artikel
13.
Overgangsbepaling
Artikel 13 bevat de regel
dat g-rekeningovereenkomsten die voldoen aan de voorschriften die
zijn neergelegd in de bestaande
regelingen voor de inleners- en ketenaansprakelijkheid
worden aangemerkt als een g-rekeningovereenkomst als bedoeld in deze regeling. Deze regel
beoogt duidelijkheid en rechtszekerheid ten
behoeve van zowel het
bedrijfsleven als de ontvanger en UWV te scheppen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn.
|
|