|
De Staatssecretaris van
Financiën en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op de
artikelen 11 en 34a van de Wet
op de loonbelasting 1964,
artikel 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en artikel IX
van de Wet van 1 november 1993 tot wijziging van een aantal wetten
inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het
oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en winstdelings-
en spaarregelingen voor werknemers (Stb. 1993, 573);
Besluiten:
HOOFDSTUK
I
Algemeen
Art. 1.
Deze regeling geeft
uitvoering aan artikel
32 van de Wet
op de loonbelasting 1964, artikel
6 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering en artikel IX
van de Wet van 1 november 1993 tot wijziging van een aantal
wetten inzake belastingen, alsmede van een aantal andere wetten
met het oog op het bevorderen van
werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen
voor werknemers (Stb. 1993, 573).
HOOFDSTUK
II
Vervallen
Art.
2. Vervallen.
Art.
3. Vervallen.
Art.
4. Vervallen.
Art.
5. Vervallen.
Art.
6. Vervallen.
Art.
7. Vervallen.
Art.
8. Vervallen.
Art.
8a. Vervallen.
Art.
8b. Vervallen.
Art.
8c. Vervallen.
Art.
9. Vervallen.
Art.
10. Vervallen.
Art.
11. Vervallen.
Art.
12. Vervallen.
Art.
13. Vervallen.
HOOFDSTUK
III
Spaarloonregelingen
Art. 14.
-1. Het spaarloon
mag in ieder kalenderjaar waarin de werknemer
overeenkomstig de spaarloonregeling heeft gespaard, niet
meer bedragen dan het in artikel
31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet
op de loonbelasting 1964 vermelde bedrag.
-2. Deelname aan een
spaarloonregeling mag slechts open staan voor werknemers
die tot de werkgever in dienstbetrekking staan of geacht
worden te staan.
Art. 15.
-1. Het spaarloon moet door de werkgever of een in de
spaarloonregeling aangewezen instelling die het spaarloon
beheert, voor iedere werknemer - onder vermelding van het jaar
van storting - per kalenderjaar afzonderlijk worden
geadministreerd op een bijzondere rekening - hierna te noemen:
spaarloonrekening - niet zijnde een premiespaarrekening in de
zin van artikel 2, derde lid.¹
-2. Als instelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden
aangewezen spaarbanken, handelsbanken,
landbouwkredietinstellingen, bouwkassen, spaarfondsen,
verzekeringsmaatschappijen en daarmee vergelijkbare
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
-3. Het spaarloon mag door de werknemer niet worden vervreemd
of bezwaard.
1. Artikel 2
is vervallen, red.
Art. 16.
Het aan de
werknemer toekomende spaarloon mag worden omgezet in
effecten. Met betrekking tot de effecten zijn de artikelen
6 en 7
van overeenkomstige toepassing.¹ Deze effecten worden voor
toepassing van deze regeling als spaarloon aangemerkt.
1. De artikelen
6 en 7
zijn vervallen, red.
Art. 17.
Het tegoed op een
spaarloonrekening mag uitsluitend bestaan uit:
a. spaarloon;
b. op het
tegoed gekweekte inkomsten.
Art. 18.
Het verloop van het
tegoed op een spaarloonrekening moet voor iedere werknemer per
kalenderjaar waarin hij overeenkomstig de spaarloonregeling
heeft gespaard, afzonderlijk worden geadministreerd voor
zoveel betreft:
a. spaarloon;
b. op het
tegoed gekweekte inkomsten over de periode waarin het
spaarloon ingevolge de spaarloonregeling niet ter
beschikking van de werknemer komt.
Art. 19.
Spaarloon mag niet
eerder ter beschikking van de werknemer komen dan nadat het
gedurende ten minste de termijn, genoemd in artikel
32, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel
6, negende lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering,
op de spaarloonrekening heeft gestaan.
Art.
19a.
-1. In afwijking van artikel
19 mag de werknemer over het tegoed van zijn
spaarloonrekening beschikken ter zake van de verwerving
van een eigen woning als bedoeld in artikel
3.111, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 door de werknemer of zijn partner in de zin van artikel
1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-2. Rechtstreekse
betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste
lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden
gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Art.
19b.
-1. In afwijking van
artikel 19 mag de
werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening
beschikken ter voldoening van:
a. door de
werknemer te betalen premies, andere dan bijdragen
ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd
zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering
waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel
3.124, onderdeel b, en artikel
3.125, eerste lid, onderdeel a, c en d, van de
Wet
inkomstenbelasting 2001 is verzekerd bij een
verzekeraar als bedoeld in artikel
3.126 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, mits
de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van
de werknemer of dat van zijn echtgenoot en de
termijnen voor de lijfrente, behoudens in geval van
overlijden, niet eerder kunnen ingaan dan in het
vijfde jaar nadat de premies zijn voldaan;
b. premies,
andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling,
welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van
levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering bij
in leven zijn is verzekerd, en de voldane premies voor
bij dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstelling
van premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of
ongeval, mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van
het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner
in de zin van
artikel 1.2, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. door de
werknemer vrijwillig te betalen premies ingevolge een
pensioenregeling.
-2. De in het eerste
lid, onderdeel b, bedoelde overeenkomst van
levensverzekering moet:
a. voldoen
aan artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en zijn aangegaan met
een levensverzekeraar als bedoeld in onderdeel
g van dat lid;
b. door de
werknemer of zijn partner in de zin van artikel
1.2, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zijn gesloten op het leven van de werknemer, diens
partner in de zin van artikel
1.2, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 of kinderen voor wie de werknemer of zijn partner in
de zin van artikel
1.2, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 op 1 januari van het jaar waarin de premie is voldaan
recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet of die zelf recht hadden op
studiefinanciering ingevolge hoofdstuk
II van de Wet
op de studiefinanciering;
c. voor
zover het tijdstip van de uitkering niet wordt bepaald
door het overlijden van de verzekerde, voorzien in een
looptijd van ten minste vier jaren.
-3. Voor de
toepassing van dit artikel worden mede aangemerkt als
ingevolge een overeenkomst van levensverzekering
verschuldigde premies: regelmatige inleggingen bij een
instelling als bedoeld in artikel
2, achtste lid,¹ waartoe de werknemer of zijn
partner in de zin van artikel
1.2, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met
levensverzekering heeft verplicht. Het eerste lid,
onderdeel b, en het tweede lid van dit artikel zijn van
overeenkomstige toepassing.
-4. Rechtstreekse
betalingen door de werkgever van premies als bedoeld in
het eerste lid en van inleggingen voor een
spaarovereenkomst als bedoeld in het derde lid mogen voor
de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het
beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als
bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
-5. Bedragen die
worden ingehouden op het loon als vrijwillig te betalen
premies ingevolge een pensioenregeling mogen voor de
toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met
bestedingen ten laste van de spaarloonrekening.
1. Artikel 2
is vervallen, red.
Art.
19c.
-1. In afwijking van
artikel 19 mag de
werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening
beschikken binnen zes maanden na de start van activiteiten
uit welke de werknemer vermoedelijk, als ondernemer in de
zin van artikel 3.4 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001, winst uit
onderneming als bedoeld in artikel
3.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 zal gaan
genieten. De periode van zes maanden wordt verlengd met de
periode welke ligt tussen het moment waarop door de
werknemer een beschikking als bedoeld in het tweede lid
wordt aangevraagd en het moment waarop die beschikking
wordt afgegeven door de inspecteur.
-2. De aanwezigheid
van activiteiten als bedoeld in het eerste lid moet
blijken uit een voor bezwaar vatbare beschikking die, op
verzoek van de werknemer, door de inspecteur is afgegeven.
In die beschikking moet zijn opgenomen de datum waarop de
activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart
en de datum waarop de periode van zes maanden zoals
bedoeld in het eerste lid eindigt.
-3. Voor de
toepassing van dit artikel wordt aangenomen dat de
activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart
op het moment waarop de inschrijving in het register van
de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had
moeten plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen
worden ingeschreven in het register van de Kamer van
Koophandel moet de datum waarop de activiteiten zijn
gestart, worden bepaald aan de hand van de feiten en
omstandigheden.
-4. Rechtstreekse
betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste
lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden
gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Art.
19d.
-1. In afwijking van
artikel 19 mag de
werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening
beschikken ter zake van compensatie van loon dat niet is
genoten door de werknemer als gevolg van de opname van
onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de
werknemer, mits de dienstbetrekking ten tijde van het
onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof
ongewijzigd blijft voortbestaan.
-2. Voor de
toepassing van dit artikel kan ten hoogste worden
aangemerkt als opgenomen ter compensatie van het loon dat
niet is genoten door de werknemer als gevolg van de opname
van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door
de werknemer, 50% van het bedrag waarmee het door de
werknemer genoten loon is verminderd als gevolg van de
opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald
verlof door de werknemer.
-3. Voor de
toepassing van dit artikel wordt het door de werknemer
genoten loon in aanmerking genomen met inachtneming van
het volgende:
a. artikel
11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet
op de loonbelasting 1964 vindt geen toepassing;
b. tantièmes
en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het
loon behorende aanspraken, worden niet in aanmerking
genomen.
-4. Rechtstreekse
betalingen als bedoeld in het eerste lid mogen voor de
toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het
beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als
bedoeld in het eerste lid.
Art.
19e.
-1. In afwijking van
artikel 19 mag de
werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening
beschikken:
a. ter zake
van de kosten van het volgen van een opleiding of
studie door de werknemer, met het oog op het verwerven
van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van
kosten:
1º. die
verband houden met een werk of studeerruimte,
daaronder begrepen de inrichting;
2º. van
binnenlandse reizen voor zover die meer bedragen
dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel
15b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
b. ter zake
van cursussen, congressen, seminars, symposia,
excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd door de
werknemer ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking.
-2. Rechtstreekse
betalingen door de werkgever als bedoeld in het eerste
lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden
gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de
spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
Art. 20.
In geval van
overlijden van de werknemer eindigt de deelname van de
werknemer aan de spaarloonregeling. Het gehele tegoed van zijn
spaarloonrekening mag ter beschikking van de erfgenamen van de
werknemer worden gesteld.
Art. 21.
In afwijking van artikel
19 mag de werknemer over het tegoed van zijn
spaarloonrekening beschikken bij beëindiging van de
dienstbetrekking.
Art. 22.
-1. Ingeval het spaarloon door
de werknemer of zijn erfgenamen is opgenomen bij beëindiging
van de dienstbetrekking van de werknemer, daaronder begrepen
het overlijden van de werknemer, wordt voor de toepassing van
de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Coördinatiewet
Sociale Verzekering voor elke volle maand gedurende welke
het spaarloon is opgenomen binnen de in artikel 32, eerste
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel
6, achtste lid,¹ van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering genoemde termijn, of binnen de in de
spaarloonregeling overeengekomen termijn een evenredig deel
van het spaarloon aangemerkt als loon verstrekt door de
werkgever, niet zijnde spaarloon.
-2. Spaarloon waarover door een
werknemer in strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt,
wordt voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964
en de Coördinatiewet Sociale Verzekering aangemerkt als loon
verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
-3. Het in het eerste en tweede
lid bedoelde loon wordt geacht te zijn genoten ten tijde van
het beschikken.
1. Volgens de redactie
dient "achtste lid" te worden vervangen door:
negende lid.
HOOFDSTUK
IV
Slot- en overgangsbepalingen
Art. 23.
Als spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel 6,
achtste lid,¹ van de Coordinatiewet
Sociale Verzekering zijn uitgesloten, regelingen waaraan
de deelname uitsluitend is opengesteld voor:
a. een
werknemer die enig werknemer is van een vennootschap
waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is
verdeeld en waarin hij, al dan niet tezamen met zijn
partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed-
of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor
ten minste één derde gedeelte van het geplaatste
kapitaal aandeelhouder is;
b. een
werknemer die tezamen met zijn partner in de zin van artikel
1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 enig
werknemer is van een vennootschap waarvan het kapitaal
geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin
hij, al dan niet tezamen met zijn partner in de zin van artikel
1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed-
of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor
ten minste één derde gedeelte van het geplaatste
kapitaal aandeelhouder is.
1. Volgens de redactie
dient "achtste lid" te worden vervangen door:
negende lid.
Art. 24.
Deze regeling
verstaat, voor zoveel de belastingheffing betreft, onder
werkgever, de inhoudingsplichtige.
Art. 25.
-1. Indien bij of
krachtens een op 31 december 1993 bestaande
arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke regeling
een bedrijfsspaarregeling in de zin van het Besluit
bedrijfsspaarregelingen (Stb. 1965, 261) is vastgelegd,
blijven hetzij tot en met 31 december 1994, hetzij tot en
met 31 december 1995, hetzij tot en met 31 december 1996,
de op 31 december 1993 bestaande wettelijke bepalingen met
betrekking tot die bedrijfsspaarregeling van kracht indien
de werkgever in onderscheidenlijk het kalenderjaar 1994,
de kalenderjaren 1994 en 1995 of de kalenderjaren 1994,
1995 en 1996 afziet van het treffen van regelingen,
bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel h, en artikel 34a van de
Wet
op de loonbelasting 1964 zoals deze
luiden van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996.
-2. Indien met
betrekking tot een bedrijfsspaarregeling het eerste lid
toepassing vindt in het kalenderjaar 1994, in de
kalenderjaren 1994 en 1995, dan wel in de kalenderjaren
1994, 1995 en 1996, wordt met betrekking tot die
bedrijfsspaarregeling in artikel IX van de Wet van 1
november 1993 tot wijziging van een aantal wetten inzake
belastingen, alsmede van een aantal andere wetten met het
oog op het bevorderen van werknemersparticipaties en
winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers in plaats
van “op 31 december 1993 bestaande aanspraken” gelezen
onderscheidenlijk “op 31 december 1994 bestaande
aanspraken”, “op 31 december 1995 bestaande
aanspraken” of “op 31 december 1996 bestaande
aanspraken”.
Art.
25a.
-1. Op een bedrag
aan ingehouden spaargelden dat met toepassing van artikel
8, zoals dit artikel luidde op 31 december 2000, is
gelijkgesteld met ingehouden spaargelden op een
premiespaarrekening, blijft deze gelijkstelling van kracht
tot uiterlijk 1 januari 2006. In afwijking hiervan mag de
spaarpremie ter zake van deze spaargelden worden toegekend
voordat een spaartermijn van vier jaren is vervuld.
-2. Een bedrag aan
spaarloon dat met toepassing van artikel 16, tweede lid, zoals dit artikel luidde op 31
december 2000, is gelijkgesteld met spaarloon op een
spaarloonrekening, wordt met ingang van 1 januari 2001
niet langer als spaarloon aangemerkt.
Art. 25b. Vervallen.
Art.
25c.
Artikel 22, tweede lid, is niet van toepassing op spaarloon dat in
de kalenderjaren 1999 en 2000 is gespaard en waarover wordt
beschikt na 31 december 2002.
Art. 26.
-1. Deze regeling
treedt in werking met ingang van 1 januari 1994.
-2. Deze regeling
kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling
werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen.
[Slotformulier en ondertekening
ontbreken, red.]
TOELICHTING
[13 december 1993]
In
verband met de op 1
november 1993 tot stand gekomen initiatiefwet van de leden Vermeend/Vreugdenhil
tot wijziging van een aantal wetten inzake belastingen, alsmede van
een aantal andere wetten met het oog op het bevorderen van
werknemersparticipaties en winstdelings- en spaarregelingen voor
werknemers (hierna: de initiatiefwet) is het Besluit
bedrijfsspaarregelingen (hierna: het besluit) vervangen door de
Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en
winstdelingsregelingen (hierna: de regeling).
In het voorontwerp Uitvoeringsregeling bedrijfsspaarregelingen 1994 (Kamerstukken II
1992-1993, 20 291, nr. 13 herdruk, blz. 17-23) zijn reeds de
contouren geschetst van de regeling, die op hoofdlijnen is afgestemd
op het besluit. Gelet op de in de initiatiefwet aangebrachte
stroomlijning en vereenvoudiging van de bestaande gefacilieerde
spaarregelingen is in de regeling een aantal artikelen van het besluit niet overgenomen of in aangepaste vorm overgenomen.
In bijlage
1 is een transponeringstabel opgenomen die de aansluiting van
de bepalingen van de nieuwe regeling
laat zien ten opzichte van de
bepalingen van het besluit. Bijlage
2 bevat een soortgelijke tabel die de omgekeerde relatie legt en
aangeeft welke bepalingen van het besluit niet zijn overgenomen en
welke bepalingen in de regeling wel zijn overgenomen, alsmede op
welke plaats zij daar te vinden zijn. De regeling is onderverdeeld
in vier hoofdstukken. Na een algemeen hoofdstuk volgt een hoofdstuk
met betrekking tot premiespaarregelingen en een hoofdstuk over
spaarloonregelingen. In het laatste hoofdstuk zijn slot- en
overgangsbepalingen opgenomen.
In de hierna volgende
artikelsgewijze toelichting is een artikel of artikellid als nieuw
aangeduid indien de desbetreffende bepaling niet was opgenomen in het
besluit.
Artikel 1
In het nieuwe artikel
1 is vermeld aan welke delegatiebepalingen de regeling uitvoering geeft. Dit artikel kan, indien daartoe aanleiding
bestaat, worden aangepast en zal derhalve steeds de actuele
situatie weergeven.
Artikel 2
Artikel 2, eerste,
vijfde, zesde en zevende lid, van de regeling is ontleend aan artikel
2 van het besluit en bevat nadere voorschriften waaraan een
premiespaarregeling moet voldoen.
In het nieuwe tweede
lid van artikel 2 is wettelijk vastgelegd dat deelname aan
een premiespaarregeling uitsluitend openstaat voor werknemers die
in dienstbetrekking staan of geacht worden te staan tot de
werkgever. Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat deze voorwaarde
niet meebrengt dat de gewezen werknemer de op het moment van beëindiging
van zijn dienstbetrekking (bij voorbeeld in verband met
pensionering) ingehouden besparingen zou moeten opnemen. Na afloop
van de dienstbetrekking kunnen echter geen nieuwe besparingen meer
worden gedaan ingevolge een premiespaarregeling. Het ontmoet
echter geen bezwaar als gewezen werknemers nog deelnemen aan een
premiespaarregeling als de werkgever nog loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking, opgevat volgens de criteria die worden
gehanteerd bij het arbeidskostenforfait van de loon- en
inkomstenbelasting, betaalt aan uitkeringsgerechtigden.
In het derde
en het achtste lid van artikel 2 zijn voorschriften opgenomen
met betrekking tot de administratie van de ingehouden spaargelden.
Deze leden zijn ontleend aan artikel 3, eerste en tweede lid, van
het besluit. De in artikel
2, achtste lid, opgenomen opsomming van toegestane
instellingen is ten opzichte van de opsomming in artikel
3, tweede lid, van het besluit verruimd met
verzekeringsmaatschappijen. In dit verband zij opgemerkt dat
zolang deelnames aan regelingen een vrijwillig karakter hebben en
behouden, de beperkingen van artikel 1637s van het Burgerlijk
Wetboek en het daaraan gekoppelde Besluit
fondsen en spaarregelingen niet van toepassing zijn.
Het vierde
lid van artikel 2 is ontleend aan artikel
4 van het besluit en bepaalt de hoogte van de toe te kennen
spaarpremie. In de nieuwe opzet is de onder het regime van het besluit
bestaande differentiatie in toe te kennen spaarpremies
afhankelijk van de periode dat de ingehouden spaargelden op de
spaarrekening hebben gestaan, vervallen. De spaarpremie ter
grootte van 100% van de ingehouden spaargelden mag worden
toegekend nadat zij ten minste gedurende vier jaren op de
premiespaarrekening hebben gestaan.
Artikel 3
In artikel 3 van de regeling zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot
spaarpremie die voorlopig mag worden bijgeschreven op de
premiespaarrekening. Dit artikel is ontleend aan artikel
5 van het besluit. In het tweede
lid van artikel 3 is bepaald dat de werknemer over voorlopig
bijgeschreven spaarpremies niet mag beschikken. Een uitzondering
is gemaakt voor de aankoop van effecten, zolang die effecten
onbezwaard deel uitmaken van het vermogen van de werknemer. Met
betrekking tot deze effecten zijn de in artikel
7 opgenomen voorschriften van toepassing. In de tweede volzin
van artikel 3, tweede lid, is bepaald dat het in de aankoopprijs begrepen
bedrag aan voorlopig bijgeschreven spaarpremies wordt
gelijkgesteld met voorlopig bijgeschreven spaarpremies.
In geval van verkoop van
de effecten moet het in de aankoopprijs begrepen bedrag dat wordt
gelijkgesteld met voorlopig bijgeschreven spaarpremies
onmiddellijk worden teruggestort op de premiespaarrekening. Indien
de effecten met verlies zouden worden verkocht, ontmoet het geen
bezwaar uitsluitend de opbrengst op de premiespaarrekening te
storten.
Artikel
4
Artikel 4 van de regeling, dat is ontleend aan artikel
6, eerste lid, van het besluit, bepaalt op welke wijze de
toekenning van spaarpremie dient plaats te vinden bij beëindiging
van de dienstbetrekking voordat een spaartermijn van vier jaren is
vervuld. In dat geval mag voor elke volle maand gedurende welke de
ingehouden spaargelden op de premiespaarrekening hebben gestaan,
een evenredig deel van die spaarpremie worden toegekend. Ter
voorkoming van misverstand zij opgemerkt dat in de
premiespaarregeling kan worden toegestaan dat in plaats hiervan de
ingehouden spaargelden na beëindiging van de dienstbetrekking op
de premiespaarrekening mogen blijven staan. Alsdan kan na afloop
van de spaartermijn van vier jaar de volledige spaarpremie worden
toegekend.
Artikel 5
Artikel
5 bevat voorschriften met betrekking tot de toekenning van
spaarpremie ingeval ingehouden spaargelden worden besteed ter
verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning van de
werknemer of zijn echtgenoot, dan wel, ingeval de werknemer
ongehuwd is, zijn partner met wie hij duurzaam een gezamenlijke
huishouding voert. In dat geval mag ter zake van de ingehouden
spaargelden een spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 100%,
ook al hebben die spaargelden niet ten minste vier jaren op de
premiespaarrekening gestaan. Uiteraard dient hierbij het in
artikel 2, vijfde lid, van de regeling bedoelde maximum in acht te
worden genomen. Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat het hier
gehanteerde begrip eigen woning toelaat dat de
blokkeringsmogelijkheid ook geldt voor het zelf bouwen van een
eigen woning en bij de aankoop van een woonark voor eigen
bewoning.
Het eerste
lid van artikel 5 is ontleend aan artikel
11 van het besluit. In het tweede lid van
artikel 5, dat is
ontleend aan artikel 12, onderdeel a en b, van
het besluit, zijn betalingen ter
verwerving van lidmaatschappen van coöperaties en aflossingen op
hypothecaire leningen aangemerkt als besteed ter verwerving van
een eigen woning. Het derde lid van artikel 5 biedt de
mogelijkheid rechtstreekse betalingen ter zake van vorenbedoelde
hypotheekaflossingen gelijk te stellen met ten laste van de
premiespaarrekening verrichte betalingen. Hierdoor kan de
inhouding van spaargelden en vervolgens de bij- en afboeking op de
premiespaarrekening worden overgeslagen. Onder het bestaande
regime zijn regelingen die hierin voorzien ingevolge artikel
29, onderdeel c, van het
besluit aangewezen als
premiespaarregeling.
Artikel 6
Artikel 6 van de regeling stemt goeddeels overeen met artikel
7 van het besluit en bevat voorschriften met betrekking tot
het zogenaamde effectensparen. Tot de in onderdeel
a van artikel 6 vermelde ,,aankoopprijs" mogen mede
worden gerekend de transactiekosten die gemoeid zijn met de
aankoop van de desbetreffende effecten. Deze kosten dienen
uiteraard uitsluitend betrekking te hebben op de effecten die met
de ingehouden spaargelden zijn gekocht.
In onderdeel
b van artikel 6 is bepaald dat bij verkoop van de effecten
niet de opbrengst van de effecten, maar het in de aankoopprijs
begrepen bedrag aan ingehouden spaargelden wordt gelijkgesteld met
de ingehouden spaargelden. Op deze wijze is het mogelijk ingeval
de van de premiespaarrekening gekochte effecten met verlies worden
verkocht, het tekort uit eigen middelen van de werknemer aan te
vullen. Deze wijziging ten opzichte van artikel
7, onderdeel b, van het
besluit betekent overigens geen
verruiming ten opzichte van de bestaande praktijk, omdat
regelingen die hierin voorzien thans plegen te worden aangewezen
als premiespaarregelingen.
Artikel 7
Artikel 7 van de regeling stemt goeddeels overeen met artikel
8 van het besluit en geeft nadere voorschriften met betrekking
tot het zogenaamde effectensparen.
Artikel 8
In artikel 8 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen
9, 10, 13,
14
en 15
van het besluit, zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot
het zogenaamde verzekeringssparen. Het eerste
lid van artikel 8 biedt de mogelijkheid de ingehouden
spaargelden op de premiespaarrekening met behoud van recht op
spaarpremie aan te wenden voor een lijfrenteovereenkomst welke
in de inkomstenbelasting is gefacilieerd. Het tweede lid voorziet
in vorenbedoelde aanwending van de ingehouden spaargelden voor een
overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering
bij in leven zijn, is verzekerd. Een overlijdensrisicoverzekering
voldoet niet aan deze omschrijving; een zogenaamde gemengde
verzekering of een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule wel.
In het derde lid zijn nadere voorschriften gegeven met betrekking
tot die overeenkomst.
Het vierde lid is
ontleend aan artikel
15 van het besluit. Het nieuwe vijfde lid strekt ertoe
rechtstreekse betalingen van levensverzekeringspremies gelijk te
stellen met ten laste van de premiespaarrekening voldane premies.
Hierdoor kan de inhouding van spaargelden en vervolgens de bij- en
afboeking op de premiespaarrekening worden overgeslagen. Onder het
bestaande regime zijn regelingen die hierin voorzien ingevolge artikel
29, onderdeel c, van het
besluit aangewezen als
premiespaarregeling.
In het zesde lid, dat is
ontleend aan artikel 10, tweede lid, van
het besluit, is bepaald dat in afwijking
van het tweede lid een polis van levensverzekering mag worden
verpand tot zekerheid van een hypothecaire lening welke rust op en
is aangegaan ter financiering van een eigen woning van de
werknemer. Het zevende lid, dat is ontleend aan artikel
13 van het besluit, biedt de mogelijkheid tot onmiddellijke
premiëring over te gaan bij het besteden van spaargelden voor
levensverzekeringspremies. De premie mag ingevolge artikel
2,
vierde lid, van de regeling niet hoger zijn dan 100% van de
ingehouden spaargelden, waarbij uiteraard het in artikel
2, vijfde lid, bedoelde maximum in acht moet worden genomen.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat onder ingehouden spaargelden
mede wordt verstaan de op grond van artikel 6, onderdeel b, van de
regeling met ingehouden spaargelden gelijkgestelde bedragen.
Artikel 9
Artikel 9 van de regeling is ontleend aan artikel
17 van het besluit en bevat een voorschrift waaruit het tegoed
op de premiespaarrekening mag bestaan.
Artikel 10
In artikel 10 van de regeling, dat is ontleend aan artikel
18 van het besluit, zijn enige administratieve voorschriften
opgenomen met betrekking tot het verloop van het tegoed op de
premiespaarrekening. In verband met de in het kader van de initiatiefwet
geïntroduceerde verhoogde rentevrijstelling (artikel
47a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)
en verhoogde dividendvrijstelling (artikel
47b, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)
zijn deze administratieve voorschriften ook van toepassing op de
op het tegoed gekweekte inkomsten over een periode van vier jaren
na inhouding van de besparing. De verhoogde rentevrijstelling en
dividendvrijstelling zijn namelijk op die inkomsten van
toepassing. Ook voor artikel 10 van de regeling
geldt dat onder
ingehouden spaargelden mede wordt verstaan de in artikel
6, onderdeel b, met ingehouden spaargelden gelijkgestelde
bedragen.
Artikel 11
Artikel 11 van de regeling stemt vrijwel overeen met artikel
19 van het besluit en bevat administratieve voorschriften met
betrekking tot de door de werkgever toegekende spaarpremies.
Artikel 12
In het nieuwe artikel 12
van de regeling is bepaald dat de deelname van de werknemer aan de
premiespaarregeling eindigt bij diens overlijden. In dat geval
mag, in afwijking van artikel 3 van de regeling, het gehele tegoed
op de premiespaarrekening ter beschikking van de erfgenamen van de
werknemer komen. Voor de mogelijke fiscale gevolgen van het
beschikken over voorlopig bijgeschreven spaarpremies die op grond
van artikel
4 niet als spaarpremie kunnen worden toegekend, zij verwezen
naar artikel 13 van de regeling.
Artikel 13
In artikel 13 van de regeling, dat is ontleend aan artikel
41 van het besluit, is in de eerste plaats bepaald wat er
gebeurt als er in strijd met een premiespaarregeling aan een
werknemer spaarpremies worden toegekend. In dat geval worden die
spaarpremies voor de toepassing van de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt door de
werkgever. Hetzelfde gevolg treedt ook op ingeval door de
werknemer in strijd met een premiespaarregeling (artikel
3, tweede lid) over voorlopig bijgeschreven spaarpremies wordt
beschikt. Als ingevolge artikel 12 van de regeling
na het
overlijden van de werknemer door diens erfgenamen over voorlopig
bijgeschreven spaarpremies wordt beschikt die op grond van artikel
4 van de regeling niet als spaarpremie kunnen worden toegekend,
wordt het deel van die voorlopig bijgeschreven spaarpremies dat
niet als spaarpremie kan worden toegekend, als loon verstrekt door
werkgever aangemerkt.
Hoofdstuk
III (Spaarloonregelingen)
In hoofdstuk
III zijn nadere voorschriften opgenomen met betrekking tot
spaarloonregelingen. Ingevolge artikel
11, eerste lid, onderdeel h, onder 2°, (nieuw) van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt onder spaarloonregeling mede begrepen
een winstdelings- of aandelenoptieregeling.
Winstdelingsregelingen
en aandelenoptieregelingen kunnen worden beschouwd als bijzondere
spaarloonregelingen, waarvoor in artikel
11, zevende en achtste lid, (nieuw) van de Wet
op de loonbelasting 1964 specifieke kenmerken zijn vermeld. Daarnaast moeten deze
regelingen voldoen aan de algemene voorwaarden van een
spaarloonregeling, zoals vervat in artikel
11, zesde lid, (nieuw) van de Wet
op de loonbelasting 1964 en
de in dit hoofdstuk opgenomen nadere voorschriften. Wat een
aandelenoptieregeling betreft, moet de regeling inhouden dat
ingeval de werknemer het recht uitoefent dan wel vervreemdt of
afkoopt, ten minste de tegenwaarde van dat optierecht op een
spaarloonrekening van de werknemer wordt gestort. De bedoelde
tegenwaarde is de tegenwaarde ten tijde van de toekenning van het
optierecht. Deze storting kan bij uitoefening desgewenst
plaatsvinden in de vorm van de verworven aandelen. In dat geval
zijn de bepalingen inzake effectensparen (artikel 16 van de
regeling) van toepassing. De blokkeringstermijn van ten minste
vier jaar vangt aan op het moment waarop de toekenning van de
opties in de heffing van loonbelasting zou zijn betrokken indien
de vrijstelling niet van toepassing zou zijn geweest. Is deze
termijn van vier jaar ten tijde van de uitoefening, vervreemding
of afkoop van het optierecht reeds verstreken, dan behoeft geen
storting op een spaarloonrekening plaats te vinden.
Artikel 14
In het eerste lid van
artikel 14 van de regeling, dat is ontleend aan artikel
21, tweede lid, en artikel
33, tweede lid, van het besluit,
is het maximaal
toegestane bedrag aan spaarloon per kalenderjaar bepaald.
Het tweede
lid van artikel 14, dat is ontleend aan artikel
33, eerste lid, van het besluit,
voorziet erin dat
deelname aan een spaarloonregeling uitsluitend openstaat voor
werknemers die in dienstbetrekking staan of geacht worden te
staan tot de werkgever. Voorts wordt verwezen naar de
toelichting op artikel 2.
Artikel 15
In artikel 15 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen
22 en 34 van
het besluit, zijn nadere voorschriften opgenomen met betrekking tot
het spaarloon. Het eerste lid bevat in de eerste plaats
administratieve voorschriften met betrekking tot het spaarloon.
Voorts is bepaald dat de werkgever en in de spaarloonregeling
aangewezen instellingen het spaarloon moeten administreren op
een spaarloonrekening. Het tweede lid geeft een opsomming van
instellingen die het spaarloon mogen beheren. Evenals voor
premiespaarregelingen is in de nieuwe opzet de limitatieve
opsomming van aangewezen instellingen voor spaarloonregelingen
uitgebreid met verzekeringsmaatschappijen. In het derde lid is
bepaald dat het spaarloon door de werknemer niet mag worden
vervreemd of bezwaard.
Artikel 16
Artikel
16 is ontleend aan de artikelen
23, 24, 25,
26
en 34 van
het besluit.
Artikel 16, eerste lid, van de regeling bevat voorschriften met
betrekking tot het omzetten van spaarloon in effecten. De artikelen
6 en 7
zijn van overeenkomstige toepassing. Duidelijkheidshalve zij
opgemerkt dat de werknemer bij verkoop van effecten (artikel
6, onderdeel b) ten hoogste de opbrengst op de
spaarloonrekening hoeft terug te storten. Indien de aandelen met
verlies zijn verkocht, betekent dit niet dat het hierdoor
ontbrekende bedrag tot het loon moet worden gerekend.
Het tweede
lid van artikel 16 voorziet in het zogenaamde
verzekeringssparen.
Artikel 17
Artikel 17 van de regeling is ontleend aan artikel
27 van het besluit en bepaalt waaruit het tegoed op de
spaarloonrekening mag bestaan.
Artikel 18
Artikel 18 van de regeling, dat is ontleend aan artikel
28 van het besluit, bevat administratieve voorschriften
met betrekking tot het verloop van het tegoed op de
spaarloonrekening. In verband met de in het kader van de initiatiefwet
geïntroduceerde verhoogde rentevrijstelling (artikel
47a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)
en verhoogde dividendvrijstelling (artikel
47b, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)
zijn deze administratieve voorschriften ook van toepassing op de
op het tegoed gekweekte inkomsten over de periode waarin het
spaarloon ingevolge de spaarloonregeling niet ter beschikking
van de werknemer komt. De verhoogde rentevrijstelling en
dividendvrijstelling zijn namelijk op die inkomsten van
toepassing.
Artikel 19
In artikel 19 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen
23 en 25
van het besluit, is bepaald wanneer het spaarloon ter beschikking
van de werknemer mag komen. Als regel geldt dat het spaarloon
ten minste vier jaren op de spaarloonrekening moet hebben
gestaan.
Artikel 20
Artikel 20 van de regeling, dat is ontleend aan artikel
36 van het besluit, bepaalt dat
artikel
12 (gevolgen bij overlijden van de werknemer) van
overeenkomstige toepassing is. In artikel
22 zijn de fiscale gevolgen opgenomen met betrekking tot het
beschikken over spaarloon.
Artikel 21
In artikel 21 van de regeling, dat is ontleend aan de artikelen
25, 26
en 36 van
het besluit, is met betrekking tot spaarloonregelingen bepaald dat een
werknemer onder bepaalde omstandigheden, in afwijking van
artikel 19 van de regeling, reeds voordat de spaartermijn van
ten minste vier jaren is verlopen over het tegoed op de
spaarloonrekening mag beschikken. De mogelijke fiscale gevolgen
van het beschikken over het spaartegoed zijn opgenomen in
artikel 22 van de regeling. In het eerste lid, onderdeel a, is
bepaald dat over het tegoed op de spaarloonrekening mag worden
beschikt bij beëindiging van de dienstbetrekking. Het eerste
lid, onderdeel b, en het tweede lid voorzien erin dat over het
tegoed op de spaarloonrekening mag worden beschikt voor de
aankoop van een eigen woning van de werknemer.
Artikel 22
In artikel 22 van de regeling zijn de fiscale voorschriften opgenomen met betrekking
tot het beschikken over het spaarloon. Het nieuwe eerste
lid van artikel 22 heeft betrekking op het opnemen van
spaarloon bij de beëindiging van de dienstbetrekking van de
werknemer binnen een termijn van vier jaren. Artikel
22, tweede
en derde lid, dat is ontleend aan artikel
41 van het besluit, bevat voorschriften voor de situatie
dat over het spaarloon in strijd met een spaarloonregeling wordt
beschikt.
Artikel 23
Het nieuwe artikel 23
van de regeling strekt ertoe nadere invulling te geven aan de in
artikel
11, vijfde en zesde lid, en artikel 34a, derde lid, van de
Wet
op de loonbelasting 1964 en
artikel 6, vijfde en zesde lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering opgenomen
voorwaarde dat deelname aan een premiespaarregeling,
spaarloonregeling of winstdelingsregeling als bedoeld in artikel
34a van de Wet
op de loonbelasting 1964 open dient te staan
voor ten minste driekwart van de werknemers van de
inhoudingsplichtige. Zoals is uiteengezet in de nota naar
aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II 1992-1993, 20 291,
nr. 13, blz. 8) wordt in de visie van de initiatiefnemers niet
aan deze voorwaarde voldaan als de regeling uitsluitend
openstaat voor de directeur-grootaandeelhouder die tevens enig
werknemer is. In artikel 23, aanhef en onder a, is deze uitleg van de
initiatiefnemers wettelijk vastgelegd, teneinde op dit punt
misverstanden te voorkomen. In de aanhef en onder b is
vanuit dezelfde gedachtegang bepaald dat regelingen die
uitsluitend openstaan voor de directeur-grootaandeelhouder en
zijn echtgenoot of partner, indien zij tevens de enige
werknemers zijn, eveneens zijn uitgesloten. Ten overvloede zij
nog vermeld dat geen nadere regeling nodig is geacht voor
gevallen waarin een spaarregeling of winstdelingsregeling
openstaat voor driekwart van de werknemers die onder een
collectieve arbeidsovereenkomst vallen, maar deze werknemers bij
een afzonderlijke inhoudingsplichtige geen driekwart van het
werknemersbestand uitmaken. In dat geval wordt de driekwarteis
per collectieve arbeidsovereenkomst beoordeeld.
Artikel 24
Artikel 24 van de regeling stemt overeen met artikel
42 van het besluit.
Artikel 25
In artikel 25 van de regeling zijn voorzieningen opgenomen om de overgang van het
regime dat is uitgewerkt in het besluit, naar het nieuwe regime
op grond van de artikelen
11 en 34a
van de Wet
op de loonbelasting 1964 te vergemakkelijken.
Deze voorzieningen berusten op de delegatiebevoegdheid van
artikel IX van de initiatiefwet. De in artikel 25
opgenomen voorzieningen geven de werkgever de
mogelijkheid om de huidige bedrijfsspaarregelingen in een
overgangsperiode van maximaal drie jaren te handhaven teneinde
in die periode te komen tot afspraken met betrekking tot
spaarregelingen en/of winstdelingsregelingen nieuwe stijl.
Bedrijfsspaarregelingen zijn immers veelal in overleg tussen de
sociale partners tot stand gekomen, zodat omzetting in nieuwe
regelingen opnieuw overleg vergt. Dit overleg zal in veel
gevallen niet vóór 1 januari 1994 kunnen worden afgerond. De
voorzieningen voor de overgangsperiode hebben alleen betrekking
op situaties waarin vóór 1 januari 1994 bedrijfsspaarregelingen
tot stand zijn gekomen die zijn vastgelegd in de bestaande
arbeidsovereenkomst dan wel publiekrechtelijke regeling. Bij
publiekrechtelijke regeling dient in het bijzonder te worden
gedacht aan rechtspositionele regelingen voor overheidssectoren.
In die gevallen kan de werkgever kiezen voor uitstel van het
regime voor de spaarregelingen en winstdelingsregelingen nieuwe
stijl tot 1 januari 1995, 1 januari 1996 of 1 januari 1997.
Indien voor uitstel tot 1 januari 1995 wordt gekozen, blijven de
oude bepalingen voor premiespaarregelingen,
winstdelingsspaarregelingen en spaarloonregelingen het gehele
kalenderjaar 1994 van toepassing. Gekozen is voor het gehele
kalenderjaar 1994, omdat het voor de uitvoeringspraktijk
bijzonder lastig zou zijn in een kalenderjaar met twee
verschillende regimes te worden geconfronteerd. Indien voor
uitstel tot 1 januari 1996 wordt gekozen, blijven in dat geval
de oude bepalingen voor premiespaarregelingen,
winstdelingsspaarregelingen en spaarloonregelingen de gehele
kalenderjaren 1994 en 1995 van toepassing. Indien voor uitstel
tot 1 januari 1997 wordt gekozen, blijven deze oude bepalingen
de gehele kalenderjaren 1994, 1995 en 1996 van toepassing.
Het van toepassing
zijn van deze oude bepalingen houdt mede in dat het maximum van
de premiespaarregeling dan nog op het oude niveau van ƒ750,-
blijft en dat het loonbelastingtarief van 15% voor
spaarloonregelingen oude stijl blijft gelden. Het is dus niet
mogelijk in de overgangsperiode de voordelen van de oude
regeling, bij voorbeeld het naast elkaar kunnen bestaan van een
winstdelingsspaarregeling en een spaarloonregeling, te
combineren met de voordelen van de nieuwe regeling zoals het
verhoogde maximum voor de premiespaarregeling of het 35%-tarief
voor winstdelingsregelingen. Om voor de nieuwe regeling in
aanmerking te komen, moet de werkgever dus afzien van de
overgangsvoorzieningen. Ten slotte is in het derde
lid van artikel 25 nog een bijzondere voorziening getroffen
om de overgang naar het nieuwe regime soepel te laten verlopen.
Premiespaarregelingen, spaarloonregelingen of niet-geblokkeerde
winstdelingsregelingen die vóór 1 juli 1994 tot stand zijn
gekomen, worden voor zoveel nodig geacht het gehele kalenderjaar
1994 te hebben bestaan.
BIJLAGE
1
Transponeringstabel
| Artikelen
Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en
winstdelingsregelingen |
Artikelen
Besluit
bedrijfsspaarregelingen |
|
1,
(nieuw)
|
|
|
2, eerste,
en derde tot en met achtste lid
|
2,
3 en 4
|
|
2, tweede lid
(nieuw
|
|
|
3
|
5
|
| 4 |
6 |
|
5
|
11 en
12
|
|
6
|
7
|
|
7
|
8
|
|
8
|
9,
10, 13,
14
en 15
|
|
9
|
17
|
|
10
|
18
|
|
11
|
19
|
|
12 (nieuw)
|
|
|
13
|
41
|
|
14, eerste lid
|
21, tweede lid
|
| |
33, tweede lid
|
|
14, tweede lid
|
33, eerste lid
|
|
15
|
22 en
34
|
|
16, eerste lid
|
23,
24 en 34
|
|
16, tweede lid
|
25, onderdeel a,
en 26
|
|
17
|
27
|
|
18
|
28
|
|
19
|
23 en
35
|
|
20
|
36, eerste lid,
onderdeel a, onder 1°
|
|
21
|
25,
26 en 36
|
|
22, eerste lid
(nieuw)
|
|
|
22, tweede en
derde lid
|
41
|
|
23 (nieuw)
|
|
|
24
|
42
|
|
25 (nieuw)
|
|
|
26 (nieuw)
|
|
BIJLAGE
2
Transponeringstabel
| Artikelen Besluit
bedrijfsspaarregelingen |
Artikelen
Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en
winstdelingsregelingen |
|
1 (vervallen)
|
|
|
2
|
2
|
|
3
|
2, derde en
achtste lid
|
|
4
|
2, vierde lid
|
|
5
|
3
|
|
6, eerste lid
|
4
|
|
6, tweede lid
(vervallen)
|
|
|
7
|
6
|
|
8
|
7
|
|
9, eerste lid
|
8
|
|
9, tweede lid
(vervallen)
|
|
|
10
|
8
|
|
11
|
5
|
|
12, onderdeel a en
b
|
5
|
|
12, onderdeel c
(vervallen)
|
|
|
13
|
8, zevende lid
|
|
14, eerste lid
|
8, derde lid,
onderdeel c
|
|
15
|
8, vierde lid
|
|
16 (vervallen)
|
|
|
17
|
9
|
|
18
|
10
|
|
19
|
11
|
|
20 (vervallen)
|
|
|
21, eerste lid
(vervallen)
|
|
|
21, tweede lid
|
14
|
|
22
|
15
|
|
23
|
16, eerste lid,
en 19
|
|
24
|
16, eerste lid
|
|
25
|
16, tweede lid,
en 21
|
|
26
|
16, tweede lid,
en 21
|
|
27
|
17
|
|
28
|
18
|
|
29 (vervallen)
|
|
|
29a
(vervallen)
|
|
|
30 (vervallen)
|
|
|
31 (vervallen)
|
|
|
32 (vervallen)
|
|
|
33, eerste lid
|
14, tweede lid
|
|
33, tweede lid
|
14, eerste lid
|
|
34
|
15
|
|
35
|
19
|
|
36
|
20 en
21
|
|
37 (vervallen)
|
|
|
38 (vervallen)
|
|
|
39 (vervallen)
|
|
|
40 (vervallen)
|
|
|
41
|
13 en
22
|
|
42
|
24
|
|
43,
44, 45 en
46
|
|
|
47 (vervallen)
|
|
|
|