|
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen besluit, gelet op artikel 12
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en het Boetebesluit
werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering van 29 mei 2000 (Stb. 2000,
247), om boeten aan werkgevers op grond van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering op basis van de hieronder
weergegeven regels op te leggen.
HOOFDSTUK
1
Begripsomschrijving
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. wet: Coördinatiewet
Sociale Verzekering;
b. verzuim: het door de
werkgever niet, niet juist of niet
volledig voldoen aan een voor hem op grond
van artikel 10, tweede lid, van de wet
geldende verplichting zonder dat daarbij sprake is van opzet of grove
schuld;
c. vergrijp: het opzettelijk
of aan grove schuld te wijten niet,
niet juist of niet volledig voldoen
door een werkgever aan een voor hem
op grond van artikel 10, tweede
lid, van de wet
geldende
verplichting;
d. overtreding: het plegen
van een verzuim of een vergrijp;
e. loonopgaveverplichting:
elk van de op grond van artikel 10,
tweede lid, van de wet
geldende verplichtingen, omschreven in de artikelen
8, 11, 12 en
13 van het Loonadministratiebesluit;
f. boete: een boete als
bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, van
de wet;
g. boetebesluit: Boetebesluit
werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering;
h. UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
i. premieafdracht op
aangifte: systematiek van periodieke loonopgave en premieafdracht die
gehanteerd wordt in plaats van een
loonopgave- en premieafdrachtsystematiek
gebaseerd op voorlopige en definitieve premienota’s. Bij
premieafdracht op
aangifte wordt door de
aangesloten werkgevers vierwekelijks, maandelijks of anderszins opgave gedaan
van het in het afgesloten tijdvak
per werknemer verloonde bedrag of van de
relevante mutaties daarin ten opzichte van de voorgaande periode;
j. 5%-regeling: de
mededelingsverplichting als bedoeld in artikel
13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit;
k. premieloon: premieloon
conform de artikelen 4 tot en met 9 van de wet;
l. recidive: het plegen van
een tweede of meerdere overtreding
onder de voorwaarden zoals omschreven
in artikel 5, eerste lid, van het Boetebesluit
werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering.
HOOFDSTUK
2
Overtredingen
Art. 2.
-1. Een overtreding kan op de
volgende wijze gepleegd worden: door
het niet indienen van de
(jaar)loonopgave, door het niet tijdig
indienen van de (jaar)loonopgave, door
het niet nakomen van de 5%-regeling,
door het niet of niet tijdig
indienen van de tussentijdse loonopgave en
door het doen van een inhoudelijk niet juiste en/of niet volledige
(jaar)loonopgave.
-2. Overtredingen welke in
achtereenvolgende jaren zijn gepleegd en welke op hetzelfde moment worden
geconstateerd, worden beschouwd als één overtreding in dat kalenderjaar
begaan.
Art. 3.
-1. Ter zake van het niet
tijdig indienen van de jaaropgavekaarten als
bedoeld in artikel 12, eerste lid,
van het Loonadministratiebesluit is
de werkgever op 1 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop de
jaaropgavekaarten betrekking hebben in overtreding. In het geval door de
uitvoeringsinstelling ¹ een andere termijn is
gesteld voor het indienen van de jaaropgavekaarten, is de werkgever in
overtreding op de dag na de laatste dag
waarop hij deze had moeten inleveren.
-2. In het geval de werkgever
wordt verplicht tussentijds
loonopgave te doen, is hij in overtreding
op de dag na de laatste dag waarop de
loonopgave ingevolge artikel 13, tweede
lid, van het Loonadministratiebesluit nog tijdig gedaan had kunnen
worden.
1. Volgens de redactie
dient "de uitvoeringsinstelling"
te worden vervangen door: het UWV.
Art. 4.
-1. De werkgever is in
overtreding van de 5%-regeling op de dag na
de laatste dag waarop hij ingevolge artikel
13, derde lid, van het Loonadministratiebesluit
de
aldaar bedoelde mededeling had
kunnen doen.
-2. Teneinde te bepalen of
de werkgever in overtreding is met
betrekking tot de 5%-regeling worden de
premielonen van zowel de voorschotnota
als de definitieve nota gecumuleerd. Het verschil dient getoetst te
worden aan het 5%-criterium. Hiernaast dient het verschil getoetst te worden
aan het totaal aantal in de
cumulatie meegenomen premielonen maal €|2269,00.
-3. Van een mededeling in de
zin van de 5%-regeling is sprake
indien de werkgever de uitvoeringsinstelling
¹ van een loonstijging
schriftelijk, per fax of langs elektronische weg in
kennis stelt.
-4. Indiening van een melding sociale verzekeringen
(MSV) wordt niet
gezien als een mededeling in de zin
van de 5%-regeling.
-5. Indiening van een
jaarloonopgave wordt uitsluitend als een
melding in het kader van de 5%-regeling
gezien als de relevante verhoging
zich in de maand december heeft voorgedaan en de jaarloonopgave vóór 1
februari van het daaropvolgende jaar
is ingediend. Verder dient de werkgever hierbij ook een ondertekende
schriftelijke verklaring in te dienen,
inhoudende dat de stijging in december heeft plaatsgevonden.
1. Volgens de redactie
dient "de uitvoeringsinstelling"
te worden vervangen door: het UWV.
Art. 5.
Ter zake van het doen van
een inhoudelijk niet juiste en/of niet
volledige (jaar)loonopgave is de
werkgever in overtreding op de dag dat de
uitvoeringsinstelling ¹ de inhoudelijk niet juiste en/of niet volledige
(jaar)loonopgave heeft ontvangen.
1. Volgens de redactie
dient "de uitvoeringsinstelling"
te worden vervangen door: het UWV.
Art. 6.
Een handelen of nalaten van
een derde als gevolg waarvan de
werkgever een overtreding pleegt,
wordt in beginsel aan de werkgever
toegerekend. Indien de werkgever aantoont dat hij in redelijkheid niet
had hoeven te twijfelen aan een behoorlijke plichtsvervulling door de
derde, wordt de gedraging niet als
een overtreding van de werkgever aangemerkt.
HOOFDSTUK
3
Opzet of grove
schuld
Art. 7.
Het UWV
beoordeelt de vraag
of er sprake is van opzet of grove
schuld aan de hand van de volgende
criteria:
a. de mate waarin de
werkgever de termijn voor de voldoening
aan de loonopgaveverplichting heeft
overschreden;
b. de eventueel tussen de
werkgever en de uitvoeringsinstelling ¹
gemaakte afspraken omtrent de
voldoening aan de loonopgaveverplichting;
c. in hoeverre ten laste van
de werkgever ter zake van een overtreding reeds eerder ambtshalve het
verschuldigde of alsnog verschuldigde
bedrag aan premie is vastgesteld eventueel gevolgd door een
bestuurlijke boete dan wel het aantal malen dat overtredingen in de vijf jaar voorafgaande
aan de overtreding hebben
plaatsgevonden;
d. de mate waarin de
werkgever op de hoogte kan zijn van de
relevante regelingen en de wijze
waarop de uitvoeringsinstelling daaraan toepassing geeft, in het bijzonder
wanneer het een nieuwe werkgever
betreft;
e. het bestaan van een
oogmerk van benadeling alsmede de omvang
van het benadelingsbedrag.
1. Volgens de redactie
dient "de uitvoeringsinstelling"
te worden vervangen door: het UWV.
Art. 8.
Ter zake van het niet tijdig
indienen van de jaaropgavekaarten
neemt het UWV pas opzet of grove
schuld aan wanneer de werkgever tweemaal is gerappelleerd maar deze na
het tweede rappel de jaaropgavekaarten
niet heeft ingediend.
Art. 9.
Als na uiteindelijke
indiening van de jaaropgavekaarten en
vaststelling van de verschuldigde premie
blijkt dat de werkgever door betaling van
de voorlopige nota’s in de loop van het
afgesloten jaar meer heeft betaald dan
hij op basis van de definitieve vaststelling verschuldigd is, neemt het UWV
geen opzet of grove schuld aan.
Art. 10.
-1. Het UWV neemt opzet of
grove schuld bij overtreding van
de 5%-regeling aan indien de
werkgever in de vijf jaar voorafgaand aan
de overtreding reeds twee of meerdere bestuurlijke boeten heeft
opgelegd gekregen ter zake van het
niet nakomen van de 5%-regeling.
-2. Het UWV neemt geen opzet
of grove schuld aan als de
werkgever de 5%-regeling niet is
nagekomen doch aan de uitvoeringsinstelling
¹ wel onmiddellijk melding heeft
gemaakt van de indiensttreding van
een nieuwe werknemer of nieuwe
werknemers, welke indiensttreding geleid
heeft tot de overtreding van de
5%-regeling.
1. Volgens de redactie
dient "de uitvoeringsinstelling"
te worden vervangen door: het UWV.
Art. 11.
In het geval de werkgever
wordt verplicht tussentijds loonopgave te
doen, neemt het UWV pas opzet of
grove schuld aan wanneer de
werkgever tweemaal is gerappelleerd maar deze na het tweede rappel de
tussentijdse loonopgave niet heeft
ingediend.
Art. 12.
In het geval er een
inhoudelijke niet juiste en/of niet volledige
loonopgave wordt gedaan, neemt het UWV in ieder geval in de volgende
gevallen opzet of grove schuld aan:
a. indien op basis van een
looncontrole of een afgesloten onderzoek
van de opsporingsdienst blijkt
dat de werkgever werknemers niet
heeft verantwoord dan wel buiten de
administratie om loonbetalingen heeft
verricht én dat hij dit heeft gedaan
met de opzet over de niet-opgegeven loonbetalingen geen premie
te betalen dan wel onder bewuste
aanvaarding van de aanmerkelijke kans
dat hij door zijn handelen geen
premie over de niet-opgegeven
loonbetalingen behoeft af te dragen;
b. indien anonieme
werknemers worden opgevoerd.
Art. 13.
Van opzet of grove schuld is
geen sprake indien de werkgever
een zodanig verdedigbaar standpunt
inneemt dat hij in redelijkheid kon
menen juist te hebben gehandeld.
Art. 14.
Ingevolge het boetebesluit
bepaalt het UWV bij een overtreding de boete op grond van het volgende
schema:
| |
1e
overtreding
|
Recidive
|
| Verzuim
|
5%,
max. €|4500,-,
geen boete indien geen premienadeel |
7,5%,
max. €|4500,- |
| Vergrijp
|
25%, geen
maximumboete
|
37,5%, geen
maximumboete
|
HOOFDSTUK
4
De hoogte van de
op te leggen boete
Art. 15.
-1. Het UWV
stemt de boete
af op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging
verweten kan worden en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert. Deze
afstemming is weergegeven in het navolgende schema:
| |
1e overtreding
|
2e
overtreding
|
3e e.v. overtreding
|
| I.
Niet indienen van de
(jaar)loonopgave:
|
| Verzuimboete
|
5%, max.
€|1361,-, geen boete indien geen
premienadeel |
7,5%, max.
€|2269,- |
7,5%, max.
€|4500,- |
| Vergrijpboete
|
25%,
geen maximumbedrag |
37,5%,
geen maximumbedrag |
37,5%,
geen maximumbedrag |
|
II. Niet tijdig indienen
van de (jaar)loonopgave:
|
| Verzuimboete
|
5%, max.
€|454,-, geen boete indien geen
premienadeel |
7,5%, max.
€|1361,- |
7,5%, max.
€|4500,- |
|
Vergrijpboete
|
25%, max.
€|2269,- |
37,5% max.
€|4538,- |
37,5%,
geen maximumbedrag |
| III.
Overtreding van de 5%-regeling:
|
| Verzuimboete
|
5%, max.
€|454,-, geen boete indien geen
premienadeel |
7,5%, max.
€|1361,- |
7,5%, max.
€|4500,- |
|
Vergrijpboete
|
25%, max.
€|2269,- |
37,5%, max.
€|4538,- |
37,5%,
geen maximumbedrag |
|
IV. Niet of niet tijdig
indienen van de tussentijdse opgave:
|
| Verzuimboete
|
5%, max.
€|454,-, geen boete indien geen
premienadeel |
7,5%, max.
€|1361,- |
7,5%, max.
€|4500,- |
|
Vergrijpboete
|
25%, max.
€|2269,- |
37,5%, max.
€|4538,- |
37,5%,
geen maximumbedrag |
| V.
Doen van een inhoudelijk niet juiste en/of niet volledige loonopgave: |
|
Verzuimboete
|
5%, max.
€|1361,-, geen boete indien geen
premienadeel |
7,5%, max.
€|2269,- |
7,5%, max.
€|4500,- |
|
Vergrijpboete
|
25%,
geen maximumbedrag |
37,5%,
geen maximumbedrag |
37,5%,
geen maximumbedrag |
-2. Vervolgens vindt nadere
afstemming plaats conform één of meer
van de volgende bepalingen, met
dien verstande dat, voor zover relevant,
als maximum wordt aangehouden
hetgeen volgens de wet als maximale boete kan worden opgelegd:
a. in het geval van ernstige
en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude legt het UWV
een boete op
van 100%; er kan pas sprake zijn van
ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude indien de omvang van het
bedrag waarover de werkgever in
gebreke is 20% of meer uitmaakt van het
hoogste te verantwoorden premieloon
en €|4538,00 of meer bedraagt;
b. in het geval waarin geen
sprake is van ernstige en
verhoudingsgewijs omvangrijke fraude maar
waarin de gedraging van de werkgever
niettemin als fraude is aan te merken,
wordt de boete zoals die volgt uit
bovenstaand schema verhoogd met 50%;
c. in het geval waarin de
gedraging van de werkgever aan deze
slechts in beperkte mate verweten kan
worden, wordt de boete zoals die
volgt uit het vorige lid weergegeven schema verlaagd met 50%;
d. in het geval waarin de
werkgever niet toerekenbaar in
zodanige financiële omstandigheden verkeert dat oplegging van de boete zoals
die volgt uit het in het vorige lid weergegeven schema hem in ernstige
financiële moeilijkheden zou brengen, wordt de boete zoals die
volgt uit het in het vorige lid
weergegeven schema verlaagd met 50%.
HOOFDSTUK
5
Toepassing
boetebesluit bij premieafdracht op
aangifte
Art. 16.
De 5%-regeling is niet van
toepassing wanneer de werkgever de
systematiek van premieafdracht op
aangifte hanteert.
Art. 17.
Ter zake van het niet tijdig
of in het geheel niet indienen van de
loonopgaven kan, indien sprake is van premieafdracht op aangifte, binnen
één kalenderjaar geen sprake
zijn van recidive.
Art. 18.
Bij premieafdracht op
aangifte zijn de artikelen ter zake van niet-tijdige indiening van de jaaropgavekaarten en ter zake van het
inhoudelijk niet juist en/of niet volledig
doen van loonopgave van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
6
Slotbepalingen
Art. 19.
Dit besluit kan aangehaald
worden als: Besluit toepassing
bestuurlijke boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering 2002.
Art. 20.
Het Besluit toepassing
bestuurlijke boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering wordt ingetrokken.
Art. 21.
Indien een overtreding wordt
geconstateerd na inwerkingtreding van dit besluit, maar de overtreding
plaats heeft gevonden vóór
inwerkingtreding van dit besluit, geldt het volgende:
a. Het Besluit toepassing
administratieve boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering is van
toepassing op een overtreding gepleegd na
inwerkingtreding van dat besluit en vóór 1
januari 2001. Indien voor deze
overtreding op grond van het Besluit
toepassing bestuurlijke boeten
Coördinatiewet Sociale Verzekering of dit
besluit een lagere boete zou moeten
worden opgelegd dan op grond van
het Besluit toepassing
administratieve boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering, wordt die
lagere boete opgelegd. Indien zowel uit het Besluit
toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering als uit dit besluit een
lagere boete voortvloeit dan uit het
Besluit toepassing administratieve boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering, wordt de laagste boete opgelegd;
b. Het Besluit toepassing
bestuurlijke boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekering is van toepassing op een overtreding gepleegd na 1
januari 2001 en vóór
inwerkingtreding van dit besluit. Indien voor
deze overtreding op grond van dit besluit een lagere boete zou moeten
worden opgelegd dan op grond van
het Besluit toepassing
bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering, wordt die lagere boete
opgelegd.
Art. 22.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 april 2002.
Art. 23.
Indien het bij koninklijke boodschap van 6 april 2001 ingediende
voorstel van wet, houdende
vaststelling van regels voor de invoering van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Kamerstukken II
2000-2001, 27 665), tot wet is
verheven en in werking is getreden,
wordt in dit besluit "Landelijk
instituut sociale verzekeringen" vervangen
door:
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Amsterdam, 19 december 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[19 december 2001]
Algemeen
Dit besluit ziet het licht
om onvolkomenheden bij het Besluit toepassing bestuurlijke boeten
Coördinatiewet Sociale Verzekering te
herstellen. De onvolkomenheden waren met
name terug te voeren op een
ondoorzichtig stelsel van afstemming en
een boeteregime die in relatie tot het regime zoals neergelegd in de
Coördinatiewet Sociale Verzekering en het Boetebesluit
werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering tot een te milde bestraffing bij overtredingen leidde.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Hierin zijn enige
begripsomschrijvingen opgenomen.
Artikel 2
Zoals in de toelichting op
het
boetebesluit is aangegeven, hangt het
boetestelsel in de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) samen met
de administratieve
verplichtingen van de werkgevers ten behoeve van
de heffing en inning van
premies voor de werknemersverzekeringen. Het
niet, niet tijdig of niet volledig
voldoen aan de administratieve
verplichtingen op grond van artikel 10,
tweede lid, CSV wordt door het Lisv [Landelijk
instituut sociale verzekeringen, zie
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] met
een bestuurlijke boete bestraft.
Op de schouders van de
werkgever rusten derhalve diverse
administratieve verplichtingen, de
zogenaamde loonopgaveverplichtingen.
Deze loonopgaveverplichtingen zijn terug te vinden in respectievelijk de
artikelen 8, 11, 12 en
13 van het Loonadministratiebesluit. De verplichtingen
zijn het (tijdig) indienen van de (jaar)loonopgave, het
nakomen van de 5%-regeling, het
(tijdig) indienen van tussentijdse
loonopgave ex artikel 13 Loonadministratiebesluit
welke tussentijdse opgave
nog gevolgd moet worden door een (jaar)loonopgave en het doen
van een inhoudelijk juiste en/of
volledige (jaar)loonopgave. Het niet
nakomen van deze verplichtingen
levert een overtreding op in de zin van
dit besluit.
Voor de toepassing van dit
besluit is het van belang om te weten
wanneer een werkgever in overtreding
is. Het Lisv hecht eraan dat het
voor de uitvoering duidelijk is wanneer een werkgever de
loonopgaveverplichting overtreedt. Daarom wordt in
de artikelen 4 tot en met 7 van dit
besluit aangegeven wanneer een
werkgever in overtreding is, zodat op dat
moment dit besluit van toepassing
is.
In het tweede lid van dit
artikel is aangegeven de situatie dat
op een moment meerdere dezelfde in
achtereenvolgende jaren gepleegde
overtredingen worden geconstateerd. De werkgever heeft zich
bijvoorbeeld gedurende achtereenvolgende
jaren schuldig gemaakt aan
onjuistheden in zijn (jaar)loonopgave zonder
daar tussentijds door de uitvoeringsinstelling op te zijn gewezen. De
toepassing van het boetebesluit maakt
dat er sprake is van recidive.
Materieel gezien is hier evenwel
sprake van één overtreding. Het Lisv acht
het om deze redenen aangewezen in
deze situatie uit te gaan van één overtreding in het kalenderjaar van
constatering begaan.
Artikel 3
Op grond van
artikel 12,
eerste lid, van het Loonadministratiebesluit
is de werkgever verplicht de
jaaropgavekaarten in te leveren in de maand januari van het kalenderjaar volgende op
dat waarvoor zij gelden.
In het eerste lid van dit artikel
is aangegeven dat de werkgever op 1
februari van het opvolgende
kalenderjaar in overtreding is van dit voorschrift als hij niet vóór 1 februari
bij de uitvoeringsinstelling de jaaropgavekaarten heeft ingeleverd. Onder
bepaalde voorwaarden, doorgaans
betreft het hier eenmalige situaties van
overmacht, kan de uitvoeringsinstelling
de werkgever uitstel verlenen
voor het indienen van de
jaaropgavekaarten. De werkgever is dan in
overtreding als hij niet vóór of op de
uiterste toegestane datum de jaaropgavekaarten heeft ingediend bij de uitvoeringsinstelling.
Dit laatste is geregeld in het tweede gedeelte van het
eerste lid van dit artikel.
Hetzelfde geldt voor de
verplichting als bedoeld in artikel 13,
eerste lid, van het Loonadministratiebesluit. De werkgever is verplicht over
een door het Lisv aan te geven periode de in dit artikellid genoemde
opgaven te doen. Op grond van artikel 13, tweede lid, van het
Loonadministratiebesluit is
de werkgever verplicht deze opgave te
doen binnen tien dagen na afloop
van de periode waarop deze opgaven
betrekking hebben, dan wel binnen een andere door het Lisv te
stellen termijn. In het tweede lid van dit
artikel wordt aangegeven op welk
tijdstip de werkgever in overtreding is
van de verplichting tussentijdse
loonopgave te doen.
Artikel 4
De 5%-regeling als
bedoeld in artikel 13, derde lid, van het
Loonadministratiebesluit legt de werkgever de verplichting op om "uit
eigen beweging mededeling te doen van
elke verandering in de loonsom gedurende het premiebetalingstijdvak, welke ertoe leidt dat het
feitelijk verloonde bedrag meer dan 5%, doch
ten minste een bedrag van ƒ5000,- hoger is dan het loonbedrag waarop de
voorschotnota is gebaseerd".
Met het oog op een in het
kader van dit besluit uniforme
uitvoering van de 5%-regeling door de uitvoeringsinstellingen hecht het
Lisv
er belang
aan - zoals eerder is aangegeven - dat het voor de uitvoering
duidelijk is wanneer een werkgever de 5%-regeling overtreedt en op welke
wijze bepaald dient te worden of een
werkgever in overtreding is.
Vandaar dat in het eerste
lid van dit artikel aangegeven is
wanneer de werkgever in overtreding
is. In het tweede lid van dit
artikel is aangegeven dat voor de bepaling of
een werkgever in overtreding
is van de 5%-regeling, relevant is
de afwijking tussen de gecumuleerde
premielonen die op de voorschotnota
zijn vermeld en de gecumuleerde premielonen die op de definitieve nota
zijn vermeld. Om in overtreding te zijn
van de 5%-regeling dient het
gecumuleerde bedrag betreffende de
definitieve nota meer dan 5% hoger te zijn
dan het gecumuleerde bedrag
betreffende de voorschotnota. Hiernaast dient het verschil tussen het
gecumuleerde bedrag betreffende de
definitieve nota en het gecumuleerde
bedrag betreffende de voorschotnota groter
te zijn dan het bedrag aan het
totaal in de optelling meegenomen
aantal premielonen maal €|2269,-.
Met premieloon wordt in
dit verband bedoeld het premieloon
conform de artikelen 4 tot en met 9 CSV.
Deze toepassing strookt
met de intentie van de wetgever, namelijk
het bewerkstelligen dat de
uitvoeringsinstellingen tijdig worden
geïnformeerd met betrekking tot loonsomveranderingen welke van invloed zijn op
de premieheffing. Niet het
feitelijk verloonde bedrag dient in
aanmerking te worden genomen, maar de loonsom(men) waarnaar de premies
ingevolge de
werknemersverzekeringen worden berekend.
De 5%-regeling vereist
dat de werkgever van iedere voor de
regeling relevante wijziging binnen drie
maanden melding doet. De regeling
stelt op zich geen eisen aan de
vorm waarin de melding wordt gedaan.
Het Lisv meent niettemin, omwille
van een juiste en uniforme
uitvoering van de 5%-regeling, van de
werkgever te mogen verlangen dat deze een relevante loonsomverandering
uitdrukkelijk en schriftelijk, per fax
of langs elektronische weg
doorgeeft. Zo merkt het Lisv ter zake
van een in het laatste kwartaal van
een kalenderjaar ontstane relevante
loonstijging het inzenden van de jaaropgavekaarten in januari van het
volgende kalenderjaar niet aan als een
5%-melding. Een melding sociale verzekeringen (MSV), welke dient om het
Lisv te informeren over nieuwe en
beëindigde dienstverbanden, kan niet
worden aangemerkt als een 5%-melding. In de MSV wordt immers geen
relatie gelegd met het in de
voorschotnota vermelde loonbedrag.
Vandaar dat in het vierde lid van dit
artikel is opgenomen dat een indiening van een MSV niet gezien kan
worden als een 5%-melding.
Echter in een aantal
sectoren vindt juist in december
uitbreiding van het personeel en daarmee ook
van de verloning plaats waardoor verzuim
ter zake van de 5%-regeling optreedt. Voor de sectoren die het
hier betreft, neemt het Lisv ter zake
van de meldingsplicht in het kader van de 5%-regeling genoegen met
indiening van de jaaropgaven, mits deze
indiening vóór 1 februari van het
opvolgende kalenderjaar plaatsvindt
en de werkgever tevens een ondertekende
verklaring overlegt waarmee hij aangeeft dat de 5%-overschrijding
in december plaatsvond.
Artikel 5
Zoals al eerder
aangegeven, hecht het Lisv eraan dat het voor
de uitvoering duidelijk is wanneer een
werkgever de loonopgaveverplichting
overtreedt. Vandaar dat in dit
artikel duidelijk is aangegeven
wanneer een werkgever een inhoudelijk niet juiste en/of niet volledige
(jaar)loonopgave heeft gedaan: dat is het
moment waarop de uitvoeringsinstelling de bewuste (jaar)loonopgave
heeft ontvangen.
Volledigheidshalve wordt
in dit verband verwezen naar de volgende Lisv-besluiten: Besluit
voor de vaststelling van de zelfstandigheid
van interimmanagers, Besluit vaststelling zelfstandigheid interimkraanmachinisten, Besluit
verzekeringsplicht contactdocenten, Besluit zelfstandigheid zelfstandige zonder
personeel afbouwbedrijfstakken en Besluit
verzekeringsplicht automatiseringsdeskundigen. In de toelichting op deze
besluiten is aangegeven
dat, onder de voorwaarden genoemd in de toelichting, ondanks het gegeven dat
er een inhoudelijk niet juiste
en/of niet volledige (jaar)loonopgave door de werkgever is gedaan, er
achteraf toch geen sprake is van een overtreding.
Artikel 6
De door de werkgever
ingeschakelde derde kan een externe
dienstverlener op administratief gebied
zoals een accountant of een
servicebureau zijn. Ook kan sprake zijn van
een interne gespecialiseerde
medewerker (boekhouder) van de werkgever. Uitgangspunt is dat de
gedragingen van de door de werkgever
ingeschakelde derde, al dan niet bij de
werkgever in dienst zijnde, geheel
aan de werkgever worden toegeschreven. Het uitbesteden van de
werkzaamheden bevrijdt de werkgever
niet van zijn verantwoordelijkheid voor
tijdige en correcte nakoming van
zijn administratieve verplichtingen en kan ook niet als excuus dienen
voor overtredingen. Indien het aan de derde
te wijten is dat er een
onjuiste (jaar)loonopgave is
gedaan, wordt deze overtreding aan de
werkgever toegerekend. De gedraging
van de derde kan echter niet aan
de werkgever worden toegerekend indien
de werkgever in redelijkheid
niet aan een behoorlijke
taakvervulling door de derde behoefde te
twijfelen. Wel is het aan de werkgever om
zulks aan te tonen.
Als voorbeeld kan dienen
een werkgever die al vijf jaar gebruik
maakt van de diensten van dezelfde
accountant en de accountant heeft
gedurende deze periode feilloos aan alle administratieve verplichtingen die op de
werkgever rusten voldaan.
In het zesde jaar vergeet de
accountant (jaar)loonopgave in te
dienen. De werkgever heeft na
aanmaning door de uitvoeringsinstelling nog contact opgenomen met de
accountant en is ten onrechte door de
accountant gerustgesteld. In dit
geval kon de werkgever menen juist te
hebben gehandeld door te
vertrouwen op de bekwaamheid van de
accountant.
Artikel 7
Van opzet in de zin van
dit besluit is in het algemeen sprake
indien willens en wetens een overtreding
wordt gepleegd of bewust de
aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat een overtreding wordt gepleegd. Grove
schuld is de in laakbaarheid aan
opzet grenzende onachtzaamheid en dus een ernstige nalatigheid of
slordigheid.
In dit artikel zijn de
voornaamste criteria opgenomen voor de
beoordeling van de vraag of er sprake
is van opzet of grove schuld.
Indien een werkgever in
weerwil van de met hem gemaakte
afspraken (bijvoorbeeld naar aanleiding van een looncontrole) een
bepaalde overtreding pleegt, is eerder reden
om opzet of grove schuld aan te
nemen dan wanneer er geen afspraken
zijn gemaakt. De werkgever is
er door de gemaakte afspraken immers
van op de hoogte hoe hij de loonopgaveverplichting op juiste wijze kan
nakomen.
Hetzelfde geldt in het
geval een werkgever een bepaalde overtreding
reeds eerder heeft gepleegd
waarna ambtshalve het verschuldigde of het
alsnog verschuldigde bedrag aan premie is vastgesteld al dan niet
gevolgd door een bestuurlijke boete.
Ook in het geval de
werkgever - bijvoorbeeld door publicatie in
periodieken of starterspaketten - op de hoogte kan zijn van de
administratieve verplichting is er eerder reden om opzet of grove schuld aan
te nemen. Het ligt in de rede in
zijn algemeenheid terughoudender te zijn in
het aannemen van opzet of
grove schuld wanneer een kleine beginnende ondernemer de loonopgaveverplichting
niet nakomt. Aannemelijk is
dat deze werkgever ter zake geen
of nauwelijks ervaring heeft opgedaan
en doende is zijn bedrijf vorm te
geven, waaronder ook begrepen moet worden
de inrichting van een deugdelijke loonadministratie.
Ten slotte is van belang
of dan wel in hoeverre een werkgever
het oogmerk van benadeling had bij
zijn handelen en hoe groot het bedrag
is dan ten onrechte niet aan premies
is afgedragen door de werkgever.
Artikel 8
Met betrekking tot de
niet-nakoming van de verplichting tot
inzending van de jaaropgavekaarten als
bedoeld in artikel 12, eerste lid,
van het Loonadministratiebesluit is in dit artikel een grens aangegeven
waarboven opzet of grove schuld
wordt aangenomen. De werkgever dient op
grond van dit artikel vóór 1
februari van het opvolgende jaar de
jaaropgavekaarten te hebben ingediend bij
de uitvoeringsinstelling. In
het geval de werkgever dit niet heeft
gedaan en daarover tweemaal
schriftelijk is gerappelleerd (in de
praktijk zullen de rappellen in de periode
tussen 1 februari en 1 mei van
dat jaar vallen en is de werkgever medio
april een ambtshalve nota
toegestuurd) en hij alsnog geen
jaaropgavekaarten heeft ingediend, wordt
opzet of grove schuld aangenomen.
Artikel 9
Wanneer een werkgever de (jaar)loonopgave te laat
bij een uitvoeringsinstelling indient, is de schade van het
Lisv met name
gelegen in de vertraging van de
premievaststelling en het relevante
rentenadeel dat hieruit voor de socialeverzekeringsfondsen
voortvloeit. Als echter na de
uiteindelijke indiening van de (jaar)loonopgave
en vaststelling van de verschuldigde premie blijkt dat de werkgever
door betaling van de voorlopige nota’s
in de loop van het afgesloten jaar
meer heeft betaald dan hij op basis
van de definitieve vaststelling verschuldigd is, dan ondervindt het Lisv
op dit punt geen schade en bestaat er
naar het oordeel van het Lisv geen
grond om opzet of grove schuld aan
te nemen. Wel is er sprake van een
verzuim gepleegd door de
werkgever (het niet tijdig indienen van de jaaropgavekaarten) en zal op grond daarvan
een boete kunnen worden
opgelegd.
Artikel 10
In het eerste lid van dit
artikel is een grens aangegeven
waarboven sprake is van opzet of grove
schuld met betrekking tot de
niet-nakoming van de 5%-regeling. In het
geval een werkgever in de afgelopen
vijf jaar reeds twee of meerdere
malen een bestuurlijke boete
opgelegd heeft gekregen naar aanleiding
van de overtreding van de
5%-regeling, moet worden aangenomen dat hij
bekend is met de regeling. Een
verdere overtreding kan dan niet anders
gekwalificeerd worden als het willens en wetens overtreden van deze regeling.
Het tweede lid van dit
artikel geeft aan dat geen opzet of
grove schuld wordt aangenomen in het
geval de werkgever de 5%-regeling
niet is nagekomen doch aan de uitvoeringsinstelling
wel onmiddellijk melding heeft gemaakt van de indiensttreding
van nieuw personeel en
deze indiensttreding heeft geleid tot de overtreding van de 5%-regeling. De
werkgever heeft de relevante loonsomveranderingen niet middels de "5%-melding"
aan de uitvoeringsinstelling kenbaar gemaakt doch, nu hij door
de MSV de stijging kenbaar heeft
gemaakt, kan niet gesproken worden
van opzet of grove schuld. Dit
laatste is ook in lijn met de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
op dit punt.
Artikel 11
Zoals eerder aangegeven,
is van opzet in het algemeen sprake
indien willens en wetens een overtreding
wordt gepleegd of bewust de
aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat een overtreding wordt gepleegd. Grove
schuld is de in laakbaarheid aan
opzet grenzende onachtzaamheid en dus een ernstige nalatigheid of
slordigheid. Op grond van artikel 13,
eerste lid, van het Loonadministratiebesluit
is een werkgever verplicht over een van tevoren schriftelijk aan
te geven periode aan het Lisv loonopgave te doen ten aanzien van het
totaal verloonde bedrag en nadere gegevens
te verstrekken omtrent het
loon van de afzonderlijke werknemers.
In het tweede lid van artikel 13 wordt de termijn gegeven
waarbinnen op grond van het eerste lid te
verstrekken gegevens moeten worden
aangeleverd.
Nu de werkgever een
schriftelijk verzoek daartoe ontvangen heeft,
moet aangenomen worden dat hij
op de hoogte is van de op hem
rustende verplichting tussentijds (jaar)loonopgave te doen. Wanneer de
werkgever nu, ondanks dat hij
daartoe tweemaal gerappelleerd is, niet
zijn verplichting nakomt, dan is er naar het
oordeel van het Lisv sprake van
opzet en/of grove schuld.
Artikel 12
Niet-juiste en/of
niet-volledige opgave van loonbetalingen is in
potentie een zware overtreding, omdat
bij dit soort typen overtredingen [dit soort overtredingen, red.],
wanneer er tevens sprake is van opzet of grove schuld, vaak doelbewust
wordt aangestuurd op premie- en belastingontduiking door niet-nakoming van de
loonopgave- en
administratieve verplichtingen. Voor zeer zware
overtredingen van de
informatieverplichtingen jegens de uitvoeringsinstelling
kan doorgaans opzet of
grove schuld worden aangenomen.
In dit artikel zijn twee
limitatief bedoelde situaties
opgenomen waarin sprake is van opzet of
grove schuld. In het geval een
werkgever werknemers ten onrechte niet heeft verantwoord dan wel buiten de
administratie om loonbetalingen heeft
verricht zonder hierop socialeverzekeringspremies in te houden en te weinig
premies sociale verzekering
worden afgedragen, moet gesproken worden van het willens en wetens plegen van een
overtreding dan wel het
bewust aanvaarden door de werkgever van de aanmerkelijke kans dat
een overtreding wordt gepleegd.
De werkgever doet een inhoudelijk niet juiste en/of niet
volledige loonopgave en slechts door het door
de uitvoeringsinstellingen verrichten van controle op de juistheid
kan de onjuistheid dan wel de
onvolledigheid geredresseerd worden. Dit
complex van gegevens rechtvaardigt de aanname dat er sprake is van
opzet of grove schuld.
Het bovenstaande geldt
ook voor het opvoeren van anonieme
werknemers. Hierdoor doet de
werkgever bij de uitvoeringsinstelling
opgave van een te laag premieloonbedrag, zodat het Lisv
een deel aan
premie-inkomsten zal derven. Daarnaast is
de uitvoeringsinstelling niet in staat de
identiteit van de betreffende
werknemers vast te stellen, hetgeen
de controle op uitkeringsfraude
frustreert.
Artikel 13
Het
Lisv hanteert als
vuistregel dat indien de werkgever een
in die mate verdedigbaar standpunt
inneemt dat hij in redelijkheid kon
menen juist te hebben gehandeld - een zogenaamd pleitbaar standpunt - er niet van opzet of grove schuld
wordt uitgegaan.
Artikel 14
Met betrekking tot de aan
werkgevers op te leggen boete zijn
in dit besluit door middel van een
schema opgenomen de in de artikelen 3 en
4
van het boetebesluit neergelegde percentages. Dit houdt in dat voor een
verzuim een boete van 5% van het
verschuldigde of alsnog verschuldigde
bedrag aan premie of
voorschotpremie wordt opgelegd. Bij een vergrijp wordt een boete van 25% opgelegd.
Indien sprake is van een eerste
overtreding (in de vijf jaar voorafgaand aan
het plegen van een verzuim is geen
boete opgelegd of een schriftelijke
waarschuwing gegeven ter zake van een
ander verzuim of een vergrijp) en het
verzuim er niet toe heeft geleid
dat te weinig premie is betaald, wordt
echter ingevolge artikel 3, derde lid, van
het
boetebesluit geen boete opgelegd.
Tevens is in het schema
toepassing gegeven aan het bepaalde
bij artikel 5 van het
boetebesluit (de
recidivebepaling). Dit houdt in dat wanneer
binnen vijf jaar sedert het einde
van het kalenderjaar waarin een
boete is opgelegd wederom een
verzuim of een vergrijp wordt gepleegd,
de op te leggen boete wordt verhoogd met
50%. Het is dus niet vereist
dat sprake moet zijn van twee
opeenvolgende verzuimen of twee
opeenvolgende vergrijpen; ook wanneer eerst een
verzuim en daarna een vergrijp
wordt gepleegd, wordt de boete
voor het vergrijp verhoogd met 50%. Dit
geldt ook in het geval er eerst een vergrijp wordt gepleegd en dan een
verzuim. In het schema is derhalve
opgenomen dat de boete bij een
verzuim, indien het een tweede
overtreding binnen de genoemde vijf jaren betreft,
7,5% bedraagt met het in het
boetebesluit genoemde maximum van
€|4538,-. De vergelijkbare boete
bij een vergrijp bedraagt 37,5%. Voor deze boete kent het boetebesluit geen
maximumbedrag. De CSV
kent in artikel 12, derde lid, wel een maximumpercentage (100%) gekoppeld aan het
verschuldigde of het
alsnog verschuldigde bedrag aan premie of
voorschotpremie.
Artikel 15
In artikel 14 van dit
besluit is aangegeven dat voor een verzuim een
boete van 5% wordt opgelegd en
dat bij een vergrijp een boete van
25% wordt opgelegd. Zoals in
artikel 2 van dit besluit is aangegeven,
kan de werkgever op een aantal wijzen in
overtreding zijn door zijn
loonopgaveverplichtingen niet na te komen. Dit kan zijn door het niet
indienen van de (jaar)loonopgave, door
het niet tijdig indienen van de
(jaar)loonopgave, door het niet nakomen van
de 5%-regeling, door het niet
of niet tijdig indienen van de tussentijdse loonopgave en door het doen van een
inhoudelijk niet juiste en/of niet volledige (jaar)loonopgave.
Artikel 6 van het
boetebesluit geeft aan het Lisv de
wettelijke opdracht de opgelegde boete nader
af te stemmen op de ernst van de
gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin de
werkgever verkeert.
Daarbij valt naar het
oordeel van het Lisv een onderscheid te
maken tussen enerzijds het in het
geheel niet indienen van de (jaar)loonopgave
en het doen van een inhoudelijk niet juiste of niet volledige
(jaar)loonopgave en anderzijds het niet
tijdig indienen van de (jaar)loonopgave, het
niet nakomen van de 5%-regeling en het
niet doen van een tussentijdse
opgave. Door het niet indienen
van de (jaar)loonopgave wordt de uitvoeringsinstelling
al dan niet opzettelijk
in het ongewisse gelaten
over het door de werkgever
verloonde loon. Door het doen van een
inhoudelijk niet juiste of niet
volledige (jaar)loonopgave wordt de
uitvoeringsinstelling al dan niet opzettelijk
door de werkgever op het verkeerde been
gezet betreffende de hoogte van
het verloonde loon. De uitvoeringsinstelling is voor een juiste
bepaling van de ten behoeve van de werknemersverzekeringen vast te stellen en door
de werkgever te betalen
premie afhankelijk van de opgave daaromtrent
door de werkgever. In beide
gevallen (het niet indienen van de
(jaar)loonopgave dan wel een onjuiste
opgave doen) komt de werkgever zijn
verplichting tot opgave niet na en
frustreert hij een juiste vaststelling
en incassering van de premie.
Bij het te laat indienen
van de (jaar)loonopgave voldoet
een werkgever (zij het te laat) aan de
op zijn schouders rustende
verplichting. De uitvoeringsinstelling kan
overgaan tot een juiste vaststelling
en incassering van de te betalen premie.
De 5%-regeling legt de
werkgever de verplichting op om "uit eigen
beweging mededeling te doen van
elke verandering in de loonsom gedurende
het premiebetalingstijdvak,
welke ertoe leidt dat het feitelijk
verloonde bedrag meer dan 5%, doch
ten minste een bedrag van €|2269,- hoger is dan het loonbedrag waarop de
voorschotnota is gebaseerd". Deze
regeling bewerkstelligt dat de
uitvoeringsinstellingen tijdig worden
geïnformeerd met betrekking tot
loonsomveranderingen welke van invloed zijn op
de premieheffing. Komt een werkgever de 5%-regeling niet na,
dan volgt altijd nog de
verplichting tot het doen van de (jaar)loonopgave.
Op grond van de (jaar)loonopgave
kan de uitvoeringsinstelling alsnog overgaan tot een juiste premieheffing.
Dit laatste geldt ook voor de
verplichting tot het doen van tussentijdse
(jaar)loonopgave. De uitvoeringsinstelling
houdt om hem moverende redenen bij
deze werkgever de vinger aan
de pols. Deze tussentijdse opgave moet nog gevolgd worden door de
reguliere (jaar)loonopgave. Als een
werkgever niet zijn verplichting
tot het doen van tussentijdse opgave
nakomt, kan de uitvoeringsinstelling op
grond van de (jaar)loonopgave overgaan
tot een juiste premieheffing.
Het bovenstaande maakt
dat naar het oordeel van het Lisv het
niet dan wel het onjuist en/of
onvolledig doen van de (jaar)loonopgave een
ernstiger overtreding is dan het
niet tijdig indienen van de
(jaar)loonopgave, het niet nakomen van de
5%-regeling en het niet doen van een
tussentijdse opgave. Dit verschil uit
zich in de wijze van beboeting, uitgaande van de percentages van 5% en
25%, en wel door de
differentiatie in de hoogte van de maximaal op te
leggen boete bij een (eerste)
verzuim en (eerste) vergrijp. Zo bedraagt het
maximumbedrag bij een verzuimboete voor het niet dan wel het
onjuist en/of onvolledig doen van de
(jaar)loonopgave €|1361,- en in het
geval van het niet tijdig indienen van
de (jaar)loonopgave, het niet nakomen van de
5%- regeling en het niet doen
van een tussentijdse opgave €|454,-.
De voor de vijf
overtredingen op te leggen boeten zijn
opgenomen in het schema zoals weergegeven
in artikel 15. Dit ondanks het
gegeven dat binnen de vijf overtredingen er twee regimes van beboeting te
onderscheiden zijn. Zoals al eerder
aangegeven, hecht het Lisv eraan dat
het voor de uitvoering duidelijk is
in welk geval welke boete opgelegd moet
worden. Dit schema voldoet aan
een bij de uitkeringspraktijk
levende behoefte aan duidelijkheid
hieromtrent.
De relatie tussen een
werkgever en een uitvoeringsinstelling
is in principe een continue en
langdurende relatie. Daarin wijkt deze relatie
af van die tussen een uitkeringsgerechtigde en de uitvoeringsinstelling,
welke relatie in principe meer tijdelijk van aard is. Gezien de aard van de
relatie tussen een werkgever en de uitvoeringsinstelling zal aan een werkgever pas
bij de derde overtreding geen maximumbedrag gelden voor de op
te leggen boete en gelden dan
integraal de percentages van 5 en 25. Daarbij
stijgt de hoogte van de maximaal
op te leggen boete in geval van het onjuist en/of onvolledig doen van
de (jaar)loonopgave sneller
dan in het geval van het niet tijdig
indienen van de (jaar)loonopgave, het
niet nakomen van de 5%-regeling en het niet doen van een tussentijdse
opgave. Dit daar de eerstgenoemde
overtredingen ernstiger van aard zijn
dan de tweede groep van overtredingen.
Aantekening behoeft dat,
net zoals aangegeven bij de
toelichting op artikel 14 van dit besluit, in
het schema tevens toepassing is
gegeven aan het bepaalde bij artikel 5
van het boetebesluit (de recidivebepaling).
Dit houdt in dat wanneer
binnen vijf jaar sedert het einde van het
kalenderjaar waarin een boete is
opgelegd wederom een verzuim of vergrijp
wordt gepleegd, de op te leggen
boete wordt verhoogd met 50%. Daarbij
is het dus niet vereist dat sprake
moet zijn van twee opeenvolgende
verzuimen of twee opeenvolgende
vergrijpen; ook wanneer eerst een verzuim
en daarna een vergrijp wordt gepleegd, wordt de boete voor het vergrijp
verhoogd met 50%. Dit geldt ook in het
geval er eerst een vergrijp wordt
gepleegd en dan een verzuim. Het
maakt daarbij niet uit of de eerste
overtreding (een verzuim dan wel een
vergrijp) bijvoorbeeld het te laat indienen van
de (jaar)loonopgave is en de
tweede overtreding het niet
nakomen is van de 5%-regeling. Op de
tweede overtreding (in dit voorbeeld het
niet nakomen van de 5%-regeling) is
dan de recidivebepaling van
toepassing.
De oplegging van een
boete van 100% zoals genoemd onder
a van het tweede lid van dit artikel in het geval van ernstige en
verhoudingsgewijs omvangrijke fraude vindt
zijn rechtvaardiging in de ernst van de
feiten. Van een dergelijke fraude
is sprake indien de opzet van een
bedrijf gericht is op het
frustreren van de premieheffing. Te denken
valt aan koppelbaaspraktijken,
bedrijven die blijkens hun opzet tot
doel hebben failliet te gaan,
bedrijven die in het geheel geen administratie
voeren en bedrijven die in omvangrijke mate de boekhouding vervalsen,
waaronder begrepen het betalen van zwart loon. Met dit artikel beoogt
het Lisv aan te geven wanneer fraude als
ernstig kan worden beschouwd en
wanneer deze als verhoudingsgewijs
omvangrijk kan worden beschouwd.
In absolute zin ernstige
fraude is fraude waarmee een
aanzienlijk benadelingsbedrag gemoeid is. Verhoudingsgewijs
omvangrijke fraude wil zeggen dat het niet-verantwoorde premieloonbedrag een
aanzienlijk gedeelte van de te verantwoorden totale premieloonsom van de werkgever vormt.
Het Lisv hanteert voor het begrip "verhoudingsgewijs omvangrijk" een
percentage van 20 van het totale
over het kalenderjaar te
verantwoorden premieloonsom. Gelet op de positie van de kleine werkgevers die
snel tot een overschrijding van de
20%-grens komen, wordt een ondergrens gehanteerd van €|4538,-. In de
praktijk zal een dergelijke
constatering met name voortvloeien uit
looninspectie van de boeken van de werkgever
of uit opsporingsonderzoeken.
Onder c van lid twee van
dit artikel kunnen tal van situaties
vallen. Te denken valt bijvoorbeeld
aan de startende werkgever die nog minder bekend is met alle op hem rustende
verplichtingen of de
werkgever die om legitieme redenen niet
aan de nakoming van zijn
loonopgaveverplichting is toegekomen. Indien
echter élke verwijtbaarheid ontbreekt, dient op grond van artikel 12
CSV
van het opleggen van een boete te
worden afgezien.
Het kan zijn dat een
werkgever die buiten zijn schuld
financiële problemen heeft door het op grond
van dit besluit opleggen van een
boete nog verder in de problemen
komt, waardoor de continuïteit van zijn
bedrijf in gevaar zou kunnen
komen. Vandaar dat in dit
artikel opgenomen is dat de boete in dat
geval gehalveerd wordt indien de
oplegging van die boete de werkgever in
ernstige financiële problemen zou brengen. Zoals boven reeds is
aangegeven, ligt het op de weg van de
werkgever om te stellen en te bewijzen
dat dit artikellid op hem van toepassing is.
De stelplicht en
bewijslast met betrekking tot hetgeen onder a en b
van tweede lid van dit
artikel is opgenomen, rust op het Lisv. De
stelplicht en bewijslast met betrekking
tot hetgeen onder c en d van het tweede lid van dit artikel is opgenomen, rust
op de werkgever.
Artikel 16
De 5%-regeling vereist
dat de werkgever van iedere voor de
regeling relevante wijziging binnen drie
maanden melding doet. De
5%-regeling heeft ten doel het Lisv zo snel mogelijk, in ieder geval binnen drie
maanden, van relevante loonwijzigingen
in kennis te stellen teneinde de
premievaststelling zoveel mogelijk daarmee
in de pas te laten lopen.
In het geval sprake is
van een premieheffingssystematiek van premieafdracht op aangifte doet een
werkgever periodiek loonopgave en premieafdracht.
Vierwekelijks, maandelijks of anderszins wordt door
de werkgever opgave gedaan
van het in het afgesloten tijdvak per werknemer verloonde bedrag of van
de relevante mutaties daarin ten
opzichte van de voorgaande periode. De
laatste systematiek maakt dat de 5%-regeling
zijn betekenis verliest omdat
vierwekelijks, maandelijks of anderszins
opgave van daadwerkelijk verloonde
bedragen wordt gedaan. Dit maakt dat de aanpassing van de voorlopige nota’s binnen drie maanden overbodig is
nu de uitvoeringsinstelling
over actuele gegevens beschikt. Bovendien kent
de premieheffingssystematiek van premieafdracht op
aangifte geen voorlopige nota.
Artikel 17
Zoals boven aangegeven,
doet een werkgever in het geval
sprake is van een premieheffingssystematiek van premieafdracht op
aangifte periodiek loonopgave en premieafdracht. Vierwekelijks,
maandelijks of anderszins wordt door de werkgever opgave gedaan van het in het
afgesloten tijdvak per werknemer verloonde
bedrag of van de relevante
mutaties daarin ten opzichte van de
voorgaande periode. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat een
werkgever in één jaar, in tegenstelling
tot een premieheffingssysteem gebaseerd op voorlopige en definitieve premienota’s,
meerdere keren te laat is
met het indienen van zijn
loonopgave en dus ook meerdere keren een boete opgelegd kan krijgen. Deze
werkgevers zouden dan onevenredig
zwaar getroffen kunnen worden.
Om deze onevenredigheid weg te
nemen, is in dit artikel opgenomen dat ten aanzien van het niet tijdig
indienen van loonopgaven in het kader van de premieafdracht op aangifte binnen één
kalenderjaar geen sprake
kan zijn van recidive.
Artikel 18
In het geval van een
premieheffingssystematiek van premieafdracht op aangifte doet een
werkgever vierwekelijks, maandelijks of anderszins
opgave en premieafdracht van het in het afgesloten tijdvak per
werknemer verloonde bedrag alsmede, indien
daar sprake van is, opgave van
de relevante mutaties daarin ten
opzichte van de voorgaande periode.
Ook in deze situatie kan een
werkgever zich niet houden aan de op zijn schouders rustende loonopgaveverplichtingen.
Om geen onduidelijkheid
te laten bestaan dat dit besluit
ook van toepassing is bij een premieheffingssystematiek van
premieafdracht op
aangifte, is in dit
artikel opgenomen dat dit besluit ter zake
van niet-tijdige indiening van de
jaaropgavekaarten dan wel het inhoudelijk
niet juist en/of niet
volledige doen van loonopgave bij premieafdracht op aangifte overeenkomstig
van toepassing is. Voor het niet tijdig
indienen van de jaaropgavekaarten
dient dan bij een
premieheffingssystematiek van premieafdracht op aangifte gelezen te worden het niet tijdig
doen van de vierwekelijks,
maandelijkse dan wel andere periodieke opgave.
Artikel 19
Dit artikel regelt de
citeertitel van het besluit.
Artikel 20
Dit artikel vermeldt dat
het vorige Lisv-besluit wordt
ingetrokken.
Artikel 21
Dit artikel bevat de
overgangsbepalingen. De datum van het plegen
van de overtreding is in
principe leidend voor het toepasselijke boeteregime. Het Besluit toepassing administratieve boeten Coördinatiewet
Sociale Verzekeringen en het
Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering blijven in beginsel van toepassing op overtredingen gepleegd
onder hun regime. Vindt de
constatering van de overtreding plaats ten
tijde van het regime van een later
besluit, dan dient dit regime mede
betrokken te worden bij het bepalen
van de hoogte van de toepasselijke
boete. Indien een later Lisv-besluit inzake
de toepassing van de bestuurlijke
boeten op grond van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering tot een
lagere boete zou leiden dan het besluit
dat in beginsel op de overtreding van
toepassing is, wordt die lagere boete opgelegd. Leiden twee latere
besluiten (dan het in beginsel van
toepassing zijnde besluit) tot lagere
boeten, dan moet de laagste boete worden
opgelegd.
Artikel 22
Dit artikel spreekt voor
zich.
Artikel 23
Dit artikel spreekt voor
zich.
Amsterdam, 19 december
2001.
J.F. Buurmeijer,
voorzitter.
|
|