|
BESLUIT van 24 juni 1965, houdende
voorzieningen met betrekking tot premiespaarregelingen en
winstdelingsspaarregelingen 1965 (Besluit premiespaarregelingen en
winstdelingsspaarregelingen 1965) ¹
1. Ingevolge artikel 47,
tweede lid, luidt de citeertitel: Besluit bedrijfsspaarregelingen.
Onderhavig besluit, laatstelijk gewijzigd bij Aanpassingsbesluit Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 687,
is met ingang van 1 januari 1994 vervangen door de Uitvoeringsregeling
werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen, red.
WIJ
JULIANA, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Financiën van 13 mei 1965, nr.
B5/6993, Directie Wetgeving Directe Belastingen, en van de
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 13 mei 1965,
Directie voor Sociale Voorzieningen en Arbeidsverhoudingen,
Hoofdafdeling S.V., afd. W.V., nr. 56949;
Gelet op
de artikelen 11 en 34a van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964, 521) en
artikel 6 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb.
1953, 577);
De Raad
van State gehoord (advies van 9 juni 1965, nr. 22);
Gezien het
nader rapport van de Staatssecretaris van
Financiën, van 18
juni 1965, nr. 135/8608, Directie Wetgeving Directe Belastingen,
en van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 18
juni 1965, Directie voor Sociale Voorzieningen en
Arbeidsverhoudingen, Hoofdafd. S.V., Afd. W.V., nr. 58653;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
HOOFDSTUK
I
Premiespaarregeling
Art.
1.
Een
premiespaarregeling als is bedoeld in artikel
11, vierde en vijfde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel 6, vierde en vijfde lid, van de
Coördinatiewet Sociale
Verzekering moet schriftelijk zijn vastgelegd en mede
voldoen aan het gestelde in de artikelen
2 tot en met 19 van dit besluit.
Art.
2.
-1. Een premiespaarregeling
moet voorzien in uitkeringen - hierna te noemen:
spaarpremies - die door de werkgever worden gedaan naargelang van door hem van de werknemer op diens verzoek
ingehouden besparingen - hierna te noemen: ingehouden
spaargelden.
-2. De spaarpremie mag over
ieder kalenderjaar waarin de werknemer overeenkomstig de
regeling heeft gespaard, niet meer bedragen dan ƒ750,00.
-3. Voor de berekening van het
in het tweede lid bedoelde maximum wordt de spaarpremie
toegerekend aan het kalenderjaar waarin de ingehouden
spaargelden ter zake waarvan de spaarpremie is
toegekend, op de in artikel 3, eerste lid, bedoelde spaarrekening zijn
bijgeschreven.
-4. Ingehouden spaargelden ter
zake waarvan een spaarpremie is toegekend, komen niet
nogmaals voor een spaarpremie in aanmerking.
Art.
3.
-1. De ingehouden spaargelden
moeten door de werkgever of een in de regeling
aangewezen instelling worden geadministreerd op een
bijzondere rekening - hierna te noemen: spaarrekening.
-2. Als instelling, bedoeld in
het eerste lid, kunnen worden aangewezen spaarbanken,
handelsbanken, landbouwkredietinstellingen, bouwkassen,
spaarfondsen, en daarmede vergelijkbare rechtspersonen
met volledige rechtsbevoegdheid.
Art.
4.
Ter zake van
ingehouden spaargelden mag een spaarpremie worden toegekend:
a. van ten
hoogste 50%, nadat zij gedurende ten minste vier kalenderjaren op de spaarrekening hebben gestaan;
b. van ten
hoogste 100%, nadat zij gedurende ten minste zeven kalenderjaren op de spaarrekening hebben gestaan;
c. van ten
hoogste 200%, nadat zij gedurende ten minste tien kalenderjaren op de spaarrekening hebben gestaan.
Art.
5.
-1. Voordat het in de
spaarregeling voor toekenning van een spaarpremie
bepaalde aantal kalenderjaren is vervuld, mag die
spaarpremie voorlopig worden bijgeschreven op de
spaarrekening.
-2. De werknemer mag over
voorlopig bijgeschreven spaarpremies niet beschikken.
-3. Een voorlopig
bijgeschreven spaarpremie moet ter beschikking van de
werkgever of een in de regeling aangewezen derde komen,
zodra vaststaat dat die spaarpremie niet meer aan de
werknemer zal mogen worden toegekend.
Art.
6.
-1. Bij beëindiging van de
dienstbetrekking voordat het in de spaarregeling voor
toekenning van een spaarpremie bepaalde aantal
kalenderjaren is vervuld, mag voor elk kalenderjaar
gedurende hetwelk de ingehouden spaargelden op de
spaarrekening hebben gestaan, een evenredig deel van die
spaarpremie worden toegekend.
-2. De gehele spaarpremie mag
worden toegekend bij beëindiging van de
dienstbetrekking door of in verband met:
a. het
overlijden of de emigratie van de werknemer;
b. het
reorganiseren of het staken van de onderneming door
de werkgever.
Art.
7.
Met betrekking tot
ten laste van de spaarrekening gekochte effecten mag:
a. het in de
aankoopprijs begrepen bedrag aan ingehouden spaargelden
worden gelijkgesteld met ingehouden spaargelden op de
spaarrekening, zolang de effecten onbezwaard deel
uitmaken van het vermogen van de werknemer;
b. bij
verkoop de opbrengst tot het onder a
bedoelde bedrag, voor zover dit onverwijld wordt
teruggestort op de spaarrekening, worden gelijkgesteld
met ingehouden spaargelden.
Art.
8.
Met betrekking tot
de in artikel
7 bedoelde effecten, andere dan spaareffecten in de zin
van de Beschikking bijzondere beleggingsinstellingen (Stcrt.
1971, 249), moet:
a. de aankoop
en de verkoop geschieden door bemiddeling van een in de
regeling aangewezen instelling;
b. de
bewaring geschieden door of onder verantwoordelijkheid
van die instelling, dan wel door of onder
verantwoordelijkheid van de werkgever.
Art.
9.
-1. Met betrekking tot ten
laste van de spaarrekening voldane premies welke
verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van
levensverzekering, mag het daarin begrepen bedrag aan
ingehouden spaargelden worden gelijkgesteld met
ingehouden spaargelden op de spaarrekening, zolang de
polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de
werknemer of van dat van zijn echtgenoot.
-2. Voor de berekening van het
in de spaarregeling voor toekenning van een spaarpremie
bepaalde aantal kalenderjaren wordt alleen in aanmerking
genomen de tijd na de voldoening van de premies.
Art. 10.
-1. De in artikel 9, eerste lid, bedoelde overeenkomst van
levensverzekering moet:
a. zijn
aangegaan met een levensverzekeraar in de zin van artikel
1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of met de Sociale
verzekeringsbank;
b. voldoen
aan artikel
1, onderdeel b, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993;
c. door
de werknemer of zijn echtgenoot zijn gesloten,
hetzij op het eigen leven, hetzij op dat van zijn
echtgenoot of van de kinderen waarvoor de werknemer
ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb.
1968, 24) recht op kinderbijslag had op 1 januari
van het jaar waarin de premie is voldaan.
-2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, mag een polis worden overgedragen tot
zekerheid van een hypothecaire lening als is bedoeld in artikel
12, onderdeel b, indien is
overeengekomen dat het verzekerde bedrag zal worden
aangewend voor aflossing van die lening.
Art.
11.
Ter zake van
ingehouden spaargelden die ten laste van de spaarrekening
worden besteed ter verwerving van onroerende zaken door de
werknemer of zijn echtgenoot mag bij de besteding een
spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 50% of, indien
de spaarpremie geheel mede besteed wordt ter verwerving van
onroerende zaken, van ten hoogste 200%.
Art.
12.
Voor de toepassing
van artikel
11 worden als besteed ter verwerving van onroerende
zaken mede aangemerkt:
a. betalingen
ter verwerving van lidmaatschappen van coöperatieve
verenigingen waarvan de leden enkel op grond van hun
lidmaatschap het recht van uitsluitend gebruik hebben
van een aan de coöperatieve vereniging in eigendom
toebehorend gebouw, dan wel van een afzonderlijk
gedeelte van een zodanig gebouw;
b. aflossingen
op hypothecaire leningen rustende op en aangegaan ter
financiering van onroerende zaken, daaronder begrepen
aflossingen door een lid van een coöperatieve
vereniging als is bedoeld onder a,
op een hypothecaire lening voor welke het onder a
bedoelde gebouw dan wel een afzonderlijk gedeelte van
een zodanig gebouw is verbonden;
c. uitgaven
ter zake van verbeteringen van een gebouw, waaronder
worden verstaan alle technische voorzieningen
aangebracht door de eigenaar van dat gebouw dan wel door
het lid van een coöperatieve vereniging als is bedoeld
onder a, waardoor het
woongerief, indien het een woning, of de gebruikswaarde,
indien het een bedrijfsruimte betreft, geacht kan worden
te zijn gestegen, met inbegrip van in rechtstreeks
verband met de verbetering uitgevoerde andere
werkzaamheden, indien de gezamenlijke kosten van deze
verbetering ten minste een bedrag van ƒ500,00 belopen.
Art.
13.
Ter zake van
ingehouden spaargelden die ten laste van de spaarrekening
zijn besteed ter voldoening van ingevolge een overeenkomst
van levensverzekering verschuldigde premies, mag bij de
besteding een spaarpremie worden toegekend van ten hoogste
50% indien de polis onbezwaard deel uitmaakt van het
vermogen van de werknemer of van dat van zijn echtgenoot.
Art.
14.
-1. De in artikel
13 bedoelde overeenkomst van levensverzekering moet,
voor zover het tijdstip van uitkering niet wordt bepaald
door het overlijden van de verzekerde, voorzien in een
looptijd van ten minste vijf jaren.
-2. Artikel
10 vindt overeenkomstige toepassing.
Art.
15.
Voor de toepassing
van artikel
13 worden als ingevolge een overeenkomst van
levensverzekering verschuldigde premies mede aangemerkt
regelmatige inleggingen bij een instelling als is bedoeld in
artikel 3, tweede lid, waartoe de werknemer of zijn echtgenoot
zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met
levensverzekering heeft verplicht, indien:
a. in de
overeenkomst, voor zover het tijdstip van uitkering niet
wordt bepaald door het overlijden van de verzekerde, een
looptijd van ten minste vijf jaren is voorzien;
b. de rechten
van de werknemer of van zijn echtgenoot uit de
overeenkomst - behoudens overeenkomstige toepassing van artikel
10, tweede lid - onbezwaard deel uitmaken van het
vermogen van de werknemer of van dat van zijn
echtgenoot;
c. de door de
instelling als is bedoeld in artikel 3, tweede lid, gesloten overeenkomst van
levensverzekering voldoet aan artikel 10, eerste lid,
onderdeel a en
b.
Art.
16.
Ter zake van
ingehouden spaargelden die van de spaarrekening zijn
opgenomen in een tijdvak dat aanvangt één jaar vóór en
eindigt drie maanden na het sluiten van het huwelijk van de
werknemer, mag na het sluiten van het huwelijk een
spaarpremie worden toegekend van ten hoogste 50%.
Art.
17.
Het tegoed op de
spaarrekening mag uitsluitend bestaan uit:
a. de
ingehouden spaargelden;
b. de
opbrengst bij verkoop van effecten, tot het in de
aankoopprijs begrepen bedrag aan ingehouden spaargelden;
c. de
voorlopig bijgeschreven spaarpremies;
d. de
ingehouden toegekende spaarpremies;
e. de op het
tegoed gekweekte rente.
Art.
18.
Het verloop van
het tegoed op de spaarrekening moet voor iedere werknemer
per kalenderjaar waarin hij overeenkomstig de regeling heeft
gespaard, afzonderlijk worden geadministreerd voor zoveel
betreft:
a. de
ingehouden spaargelden - daaronder begrepen de opbrengst
van verkochte effecten - die nog voor een spaarpremie in
aanmerking kunnen komen;
b. de
voorlopig bijgeschreven spaarpremies.
Art.
19.
-1. Uit de door de werkgever
gevoerde administratie moet voor iedere werknemer per
kalenderjaar waarin hij overeenkomstig de regeling heeft
gespaard, duidelijk blijken welke spaarpremies zijn
toegekend.
-2. Uit de door de werkgever
gevoerde administratie, zo nodig aangevuld met door
derden afgegeven bescheiden, moet met betrekking tot
elke premietoekenning blijken dat deze op de
spaarregeling is gegrond.
HOOFDSTUK
II
Winstdelingsspaarregelingen
Art.
20.
Een
winstdelingsspaarregeling als is bedoeld in artikel
11, vierde en zesde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel 6, vierde en zesde lid, van de
Coördinatiewet Sociale
Verzekering moet schriftelijk zijn vastgelegd en mede
voldoen aan het gestelde in de artikelen
21 tot en met 28 van dit besluit.
Art.
21.
-1. Een
winstdelingsspaarregeling moet voorzien in het op
verzoek van de werknemer in geblokkeerde vorm sparen van
uitkeringen - hierna te noemen: spaarwinstaandelen - die
hem door de werkgever worden gedaan naargelang van zijn
winst of van aan anderen toekomende uitkeringen uit zijn
winst, overeenkomstig een in de regeling aangewezen
stelsel van winstverdeling.
-2. Het spaarwinstaandeel mag
in ieder kalenderjaar waarin de werknemer overeenkomstig
de regeling een winstaandeel is toegekend, niet meer
bedragen dan ƒ750,00.
Art.
22.
-1. De spaarwinstaandelen moeten door de
werkgever of een in de regeling aangewezen instelling worden
geadministreerd op een bijzondere rekening - hierna te noemen:
spaarrekening.
-2. Als instelling, bedoeld in het eerste
lid, kunnen worden aangewezen spaarbanken, handelsbanken, landbouwkredietinstellingen, bouwkassen,
spaarfondsen, en daarmede vergelijkbare rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
Art.
23.
Spaarwinstaandelen
moeten gedurende ten minste zeven kalenderjaren geblokkeerd
worden, hetzij op de spaarrekening, hetzij in ten laste van
de spaarrekening gekochte effecten.
Art.
24.
-1. De in artikel
23 bedoelde effecten moeten onbezwaard deel uitmaken
van het vermogen van de werknemer zolang ten aanzien van
het in de aankoopprijs begrepen bedrag aan
spaarwinstaandelen de in de regeling bepaalde
blokkeringstermijn nog niet is vervuld, behoudens dat
verkoop mag zijn toegelaten indien de opbrengst tot het
vorenbedoelde bedrag, voor zover ten aanzien daarvan ten
tijde van de verkoop de blokkeringstermijn nog niet is
vervuld, onverwijld moet worden teruggestort op de
spaarrekening.
-2. Met betrekking tot de in artikel
23 bedoelde effecten vindt artikel
8 overeenkomstige toepassing.
Art.
25.
In afwijking van artikel
23 mag over spaarwinstaandelen worden beschikt:
a. indien zij
worden besteed ter verwerving van onroerende zaken door
de werknemer of zijn echtgenoot, ter voldoening van
ingevolge een overeenkomst van levensverzekering
verschuldigde premies indien de polis onbezwaard deel
uitmaakt van het vermogen van de werknemer of van dat
van zijn echtgenoot, dan wel indien zij van de
spaarrekening worden opgenomen binnen drie maanden na het
sluiten van het huwelijk van de werknemer;
b. bij beëindiging
van de dienstbetrekking door of in verband met:
1º. het
overlijden of de emigratie van de werknemer;
2º. het
reorganiseren of het staken van de onderneming door
de werkgever.
Art.
26.
Met betrekking tot
de in artikel 25, onderdeel a,
genoemde
onroerende zaken en overeenkomst van levensverzekering
vinden artikel 12, onderscheidenlijk artikel
14 en artikel
15, overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
een overeenkomst van levensverzekering moet voorzien in een
looptijd van ten minste zeven kalenderjaren.
Art.
27.
Het tegoed op de
spaarrekening mag uitsluitend bestaan uit:
a. de
spaarwinstaandelen;
b. de
opbrengst bij verkoop van effecten, tot het in de
aankoopprijs begrepen bedrag aan spaarwinstaandelen;
c. de op
het tegoed gekweekte rente.
Art.
28.
-1. Het verloop van het tegoed
op de spaarrekening moet voor iedere werknemer per
kalenderjaar waarin hij overeenkomstig de regeling heeft
gespaard, afzonderlijk worden geadministreerd voor
zoveel betreft de, hetzij op de spaarrekening, hetzij in
effecten, geblokkeerde spaarwinstaandelen.
-2. Uit de door de werkgever
of door een instelling als is bedoeld in artikel
22, tweede lid, gevoerde administratie, zo nodig
aangevuld met door derden afgegeven bescheiden, moet met
betrekking tot elke beëindiging van de blokkering
blijken dat deze op de spaarregeling is gegrond.
HOOFDSTUK
III
Aanwijzing als spaarregeling
Art.
29.
Als
premiespaarregeling worden hierbij aangewezen:
a. de Premiespaarregeling
Rijksambtenaren 1968 (Stb.
1968, 263), de Regeling inzake een spaarpremie als is bedoeld
in artikel 7 van de Wet op de bezoldiging van de
rechterlijke ambtenaren (Stb.
1957, 534) en het Besluit van 7 juni 1968 tot intrekking
van de Premiespaarregeling burgemeesters (Stb.
1968, 325);
b. regelingen
die door een provincie, gemeente, waterschap, veenschap
of veenpolder dan wel door een ingevolge de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Stb.
K 120) ingesteld orgaan zijn getroffen voor hun
werknemers, mits die regelingen niet op andere wijze
afwijken van de artikelen
2 tot en met 19 dan de Premiespaarregeling
Rijksambtenaren 1968;
c. regelingen
die niet op andere wijze afwijken van de artikelen
7, 9, 11
en 13
dan dat zij bepaalde door de werknemer niet met
ingehouden spaargelden ten laste van de spaarrekening
gedane periodieke betalingen gelijkstellen met zodanige
betalingen;
d. regelingen
die voorzien in een spaarpremie naargelang van het
totaal van de in een periode van ten minste vier kalenderjaren regelmatig ingehouden, in grootte niet
belangrijk verschillende besparingen, mits die
regelingen niet op andere wijze afwijken van de artikelen
2 tot en met 19 dan dat:
1º. in
afwijking van artikel 2, tweede lid, de spaarpremie niet meer bedraagt
dan zoveel maal ƒ750,00 als kalenderjaren begrepen
zijn in die periode;
2º. in
afwijking van artikel 2, derde lid, de spaarpremie wordt toegerekend
aan die periode;
3º. in
afwijking van artikel 4, een spaarpremie wordt toegekend van ten
hoogste 25, 50, 100 of 200%, indien in die
periode ten minste onderscheidenlijk vier, acht,
veertien of twintig kalenderjaren zijn begrepen;
4º. in
afwijking van artikel 6, eerste lid, bij de beëindiging van de
dienstbetrekking voordat de in de spaarregeling voor
toekenning van een spaarpremie bepaalde periode is
vervuld, voor elk vervuld kalenderjaar niet meer dan
een evenredig deel van die spaarpremie wordt
toegekend;
e. regelingen
die voorzien in het toekennen aan de werknemer aan wie
een spaarpremie ingevolge de Jeugdspaarwet (Stb.
1971, 362) is uitbetaald, van een spaarpremie die niet
hoger is dan 25% van het bedrag waarover ingevolge die
wet de spaarpremie is berekend.
Art.
29a.
Tot 1 januari 1974
worden hierbij als premiespaarregeling aangewezen de door
een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder
dan wel door een ingevolge de Wet
gemeenschappelijke regelingen ingesteld orgaan getroffen
regelingen, die vóór 1 juli 1968 als premiespaarregeling
waren aangewezen.
Art.
30.
-1. Onze Ministers van Financiën
en van Sociale Zaken en Volksgezondheid ¹ zijn bevoegd als
premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling aan te
wijzen regelingen welke naar hun oordeel slechts op
ondergeschikte punten afwijken van de artikelen
2 tot en met 19, onderscheidenlijk 21
tot en met 28.
-2. Bij de aanwijzing kunnen
zij voorwaarden stellen:
a. ter
verzekering van een juiste heffing van belastingen
en socialeverzekeringspremies;
b. ter
vergemakkelijking van de controle op de naleving van
de regeling en de daaromtrent geldende wettelijke
bepalingen.
1. Volgens de redactie dient
"van Sociale Zaken en Volksgezondheid" te worden vervangen
door: van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art.
31.
Onze Ministers van Financiën
en van Sociale Zaken en Volksgezondheid ¹ zijn
bevoegd in aanvulling op en zo nodig in afwijking van dit
besluit regelen te geven ten aanzien van aan een
spaarregeling deelnemende werknemers die overgaan in de
dienst van een andere werkgever en aldaar eveneens aan een
spaarregeling deelnemen.
1. Volgens de redactie
dient "van Sociale Zaken en Volksgezondheid" te
worden vervangen door: van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
HOOFDSTUK
IV
Spaarloonregelingen
Art.
32.
Een
spaarloonregeling als is bedoeld in artikel
34a, derde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel 6, zevende lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering
moet schriftelijk zijn vastgelegd en mede voldoen aan het
gestelde in de artikelen
33 tot en met 36 van dit besluit.
Art.
33.
-1. Een spaarloonregeling moet voorzien in het in
geblokkeerde vorm sparen van loon - hierna te noemen:
spaarloon - waartoe alle of alle onder een zelfde, bij de
regeling aangewezen, categorie vallende werknemers die tot
een werkgever in dienstbetrekking staan of geacht worden te
staan, zijn gehouden.
-2. Het spaarloon mag in ieder kalenderjaar waarin de
werknemer overeenkomstig de regeling spaart, niet meer
bedragen dan 2% van het bedrag aan loon waarover
van verzekerden ingevolge de Ziektewet
(Stb. 1952, 474), de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb.
1966, 84) en de Werkloosheidswet
(Stb. 1949, J 423) in dat jaar
ten hoogste premie wordt geheven.
Art.
34.
-1. Het spaarloon moet door een in de regeling aangewezen
instelling die de gelden beheert, voor iedere werknemer -
onder vermelding van het jaar van storting - afzonderlijk
worden geadministreerd op een bijzondere rekening - hierna
te noemen: spaarloonrekening - niet zijnde een spaarrekening
in de zin van de artikelen 3, eerste lid, of
22,
eerste lid, of een jeugdspaarrekening in de zin van
de Jeugdspaarwet.
-2. Als instelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden
aangewezen de natuurlijke personen en de rechtspersonen die
bij of krachtens artikel 1637s,
tweede lid, onderdeel c en d,
van het Burgerlijk
Wetboek tot beheer van spaargelden zijn
toegelaten.
-3. Het aan de werknemer toekomende spaarloon mag, ingeval
alle onder de regeling vallende werknemers daartoe zijn
gehouden, worden omgezet in aandelen in dan wel
schuldvorderingen op het vermogen van de werkgever en,
indien het wordt beheerd door een fonds, in op naam van de
werknemer gestelde en - behoudens vervreemding aan het fonds
na afloop van de blokkeringsverplichting - niet
verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid in dat fonds,
één en ander binnen de grenzen gesteld krachtens artikel
1637s, tweede lid, onderdeel c
en d, van het Burgerlijk
Wetboek.
Deze aandelen, schuldvorderingen en bewijzen van
deelgerechtigdheid worden voor de toepassing van de volgende
bepalingen van dit besluit aangemerkt als spaarloon.
-4. De in het derde lid bedoelde aandelen en
schuldvorderingen moeten door of onder verantwoordelijkheid
van degene die het spaarloon beheert, worden bewaard.
-5. Het spaarloon mag door de werknemer niet worden vervreemd
of bezwaard.
Art.
35.
Het spaarloon moet
ter beschikking van de werknemer komen tot een ingevolge de
regeling te bepalen bedrag en op een ingevolge de regeling
te bepalen tijdstip, maar niet eerder dan nadat het oudste
op dat tijdstip nog aanwezige gedeelte van het
overeenkomstig de regeling gespaarde spaarloon ten minste
zeven kalenderjaren is aangehouden. Bij het ter beschikking komen
van een gedeelte van het spaarloon wordt het oudste
aanwezige spaarloon geacht het eerste ter beschikking te
zijn gekomen.
Art.
36.
-1. In afwijking
van artikel
35 moet door de werknemer of zijn rechtverkrijgenden
over het gehele spaarloon kunnen worden beschikt:
a. ingeval
de dienstbetrekking is beëindigd en:
1º. de
werknemer is overleden;
2º. de
werknemer gaat emigreren;
3º. de
werknemer voor meer dan 45% arbeidsongeschikt is
in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964;
4º. de
werknemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
5º. de
werkgever zijn onderneming heeft gestaakt en hij
tevens degene is die het spaarloon beheert;
b. binnen zes maanden nadat de werknemer of zijn echtgenoot een
overeenkomst onder bezwarende titel tot verwerving
van een eigen woning als hoofdverblijf heeft
aangegaan.
-2. Onder
verwerving van een eigen woning wordt mede verstaan de
verkrijging van het lidmaatschap van een coöperatieve
vereniging waarvan de leden enkel op grond van hun
lidmaatschap het recht van uitsluitend gebruik hebben
van een aan de coöperatieve vereniging in eigendom
toebehorend gebouw, dan wel van een afzonderlijk
gedeelte van een zodanig gebouw.
Art.
37.
Loon gespaard
overeenkomstig een spaarloonregeling in een vroegere
dienstbetrekking, waarvoor de in die regeling gestelde
spaartermijn nog niet is vervuld, mag worden aangemerkt als
loon gespaard overeenkomstig een spaarloonregeling in de
tegenwoordige dienstbetrekking in de jaren waarin het is
gespaard, mits:
a. de
beheerder van het spaarloon van de werknemer bij beide
spaarloonregelingen dezelfde is; of
b. het
spaarloon gespaard in de vroegere dienstbetrekking door
de beheerder daarvan - tezamen met de administratieve
gegevens - wordt overgedragen aan de beheerder van het
spaarloon ingevolge de spaarloonregeling in de
tegenwoordige dienstbetrekking.
HOOFDSTUK
V
Uitsluiting van spaarregelingen en spaarloonregelingen
Art.
38.
-1. Indien de
werkgever twee of meer spaarregelingen in de zin van artikel
11, vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 en artikel 6, vierde lid, van de
Coördinatiewet Sociale
Verzekering heeft getroffen, zijn daarvan die
regelingen uitgesloten die niet door Onze Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid
¹ zijn
aangewezen.
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt een regeling als is
bedoeld in artikel 29, onderdeel d en e,
aangemerkt als een zelfstandige spaarregeling.
1. Volgens de redactie
dient "van Sociale Zaken en Volksgezondheid" te
worden vervangen door: van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Art.
39.
Als spaarregeling
of spaarloonregeling zijn uitgesloten regelingen waaraan de
deelneming uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is
opengesteld voor of waarvan op grond van hun inhoud moet
worden verwacht dat daarvan uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend zal worden gebruik gemaakt door werknemers wier
jaarloon meer bedraagt dan het in artikel
64, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
(Stb. 1964, 519) vermelde bedrag aan
belastbaar inkomen, tenzij de werkgever uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend zodanige werknemers in dienst heeft en
de deelneming voor al zijn werknemers is opengesteld.
Art.
40.
Onze Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid
¹ zijn
bevoegd een regeling als premiespaarregeling,
winstdelingsspaarregeling of spaarloonregeling uit te
sluiten:
a. indien de
regeling bij herhaling niet is nageleefd;
b. indien de
met de uitvoering van de regeling verband houdende
administratie van de werkgever of instelling als is
bedoeld in het tweede lid van de artikelen
3, 22,
onderscheidenlijk 34,
onvoldoende mogelijkheid biedt tot controle op de
naleving van de regeling en van de daaromtrent geldende
wettelijke bepalingen.
1. Volgens de redactie
dient "van Sociale Zaken en Volksgezondheid" te
worden vervangen door: van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
HOOFDSTUK
VI
Uitbetalingen welke in afwijking van de spaarregeling of de
spaarloonregeling worden gedaan
Art.
41.
-1. Indien in
strijd met een premiespaarregeling aan een werknemer
spaarpremies worden uitgekeerd, dan wel door een
werknemer over voorlopig bijgeschreven spaarpremies
wordt beschikt, worden die spaarpremies voor de
toepassing van de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt
door de werkgever.
-2. Indien in
strijd met een winstdelingsspaarregeling door een
werknemer over op de spaarrekening of in effecten
geblokkeerde spaarwinstaandelen wordt beschikt, dan wel
aan een werknemer geblokkeerde effecten worden
afgegeven, worden de daarin geblokkeerde bedragen voor
de toepassing van de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt
door de werkgever.
-3. Spaarloon
waarover door een werknemer in strijd met een
spaarloonregeling wordt beschikt, wordt voor de
toepassing van de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Coördinatiewet
Sociale Verzekering aangemerkt als loon, niet zijnde
spaarloon, verstrekt door de werkgever die het laatst
spaarloon aan hem heeft toegekend.
-4. Het in de
vorige leden bedoelde loon wordt geacht te zijn genoten
ten tijde van het uitkeren onderscheidenlijk het
beschikken.
Art.
42.
Dit besluit
verstaat, voor zoveel de belastingheffing betreft, onder
werkgever de inhoudingsplichtige.
HOOFDSTUK
VII
Slotbepalingen
Art.
43.
Onze Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid
¹ zijn
bevoegd voor de duur van ten hoogste vijf jaar als
premiespaarregeling of winstdelingsspaarregeling aan te
wijzen op 1 januari 1962 bestaande regelingen, mits deze
naar hun oordeel slechts afwijkingen van de artikelen
2 tot en met 19, onderscheidenlijk 21
tot en met 28, vertonen die tijdelijk bij wijze van
overgang kunnen worden aanvaard. Zij verbinden aan deze
aanwijzing de verplichting de regeling binnen een door hen
te stellen termijn en in door hen aan te geven mate aan te
passen aan de artikelen
2 tot en met 19, onderscheidenlijk 21
tot en met 28.
1. Volgens de redactie
dient "van Sociale Zaken en Volksgezondheid" te
worden vervangen door: van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Art.
44.
Regelingen die
krachtens het Besluit van 22 december 1961 (Stb.
1961, 460) door Onze Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid
¹ als premiespaarregeling of
winstdelingsspaarregeling zijn aangewezen, worden aangemerkt
als door hen te zijn aangewezen krachtens dit besluit.
1. Volgens de redactie
dient "van Sociale Zaken en Volksgezondheid" te
worden vervangen door: van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Art.
45.
In afwijking van artikel
26 behoeft een overeenkomst van levensverzekering die is
afgesloten vóór 1 januari 1973 slechts te voorzien in een
looptijd van ten minste vijf jaren.
Art.
46.
-1. Het Besluit
premiespaarregelingen en winstdelingsspaarregelingen (Stb.
1961, 460) wordt ingetrokken.
-2. Het in het
eerste lid bedoelde besluit blijft van toepassing met
betrekking tot tijdvakken welke zijn geëindigd vóór 1
juli 1965.
Art.
47.
-1. Dit besluit
treedt in werking met ingang van 1 juli 1965.
-2. Dit besluit
kan worden aangehaald als: Besluit
bedrijfsspaarregelingen.
Onze Ministers van
Financiën en van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn, ieder
voor zoveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit
besluit, dat in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 24 juni 1965
JULIANA
De Staatssecretaris van Financiën,
W. Hoefnagels
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de eerste juli 1965
De Minister van Justitie,
Samkalden
|