|
BESLUIT van 29 mei 2000 tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 12, zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Boetebesluit
werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 21 februari 2000, Directie Sociale Verzekeringen,
nr. SV/AVF/2000/10694;
Gelet op artikel 12, zesde lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering;
De Raad van State gehoord (advies van 6 april
2000, nr. W12.00.0063/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
van 23 mei 2000, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/AVF/00/24362;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. verzuim: het door de werkgever
niet, niet juist of niet volledig voldoen aan een voor hem op grond van artikel
10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
geldende
verplichting zonder dat daarbij sprake is van opzet of grove schuld;
b. vergrijp: het opzettelijk of aan grove schuld te wijten niet, niet
juist of niet volledig voldoen door een werkgever aan een voor hem op
grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
geldende
verplichting;
c. UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
d. boete: een verhoging als bedoeld in artikel
12, tweede en derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Art. 2.
Opzet en grove
schuld
Het UWV beoordeelt of het niet voldoen aan een op grond van
artikel 10,
tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
geldende verplichting al dan niet aan opzet of grove schuld te wijten is.
Art. 3.
Berekening boete
bij verzuim
-1. Bij een verzuim wordt een boete opgelegd die 5% van het verschuldigde
of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie
bedraagt.
-2. De in het eerste lid bedoelde boete is ten hoogste een geldboete van
de derde categorie als bedoeld in artikel
23 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Indien in de vijf jaar voorafgaand aan het plegen van een verzuim
geen boete is opgelegd of een schriftelijke waarschuwing is gegeven ter
zake van een ander verzuim of een vergrijp en het verzuim er niet toe
heeft geleid dat te weinig premie is betaald, wordt geen boete opgelegd.
Art. 4.
Berekening boete
bij vergrijp
Bij een vergrijp legt het UWV aan de werkgever een boete op die 25% van
het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of
voorschotpremie bedraagt.
Art. 5.
Recidive
-1. Wanneer binnen vijf jaar sedert het einde van het kalenderjaar
waarin, op grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, een boete is opgelegd wederom een verzuim of
een vergrijp wordt gepleegd, wordt de boete ter zake van dat verzuim of
vergrijp verhoogd met 50%.
-2. Bij toepassing van het eerste lid
wordt bij een verzuim als bedoeld in artikel 3 het in het tweede lid van
dat artikel bedoelde maximum niet overschreden.
-3. Wanneer na het opleggen van een boete aan een recidiverende werkgever
het boetebesluit ter zake van het eerste verzuim of vergrijp in bezwaar
of in beroep wordt vernietigd, restitueert het UWV
de verhoging van de boete, die op grond van dit artikel is opgelegd, aan de werkgever.
Art. 6.
Afstemming
-1. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de
gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin de werkgever
verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete, die is berekend met
toepassing van de artikelen 3, 4 of 5, door het
UWV verhoogd of
verlaagd.
-2. Bij toepassing van het eerste lid
wordt artikel 5, tweede lid, in acht genomen.
Art. 7.
Minimumboete
Een boete lager dan €|45,00 wordt niet opgelegd.
Art. 8.
Intrekking
De Regeling administratieve boeten Coördinatiewet wordt ingetrokken.
Art. 9.
Overgangsrecht
-1. De Regeling administratieve boeten Coördinatiewet zoals die luidde
op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit
blijft van toepassing op verzuimen en vergrijpen gepleegd voorafgaande
aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit.
-2. Indien voor een verzuim of een vergrijp gepleegd
vóór inwerkingtreding van dit besluit op grond van
dit besluit een lagere boete zou moeten worden opgelegd dan op grond van
de Regeling administratieve boeten Coördinatiewet, wordt dit besluit
toegepast.
Art. 10.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 29 mei 2000, Stb. 2000, 248, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2001, red.
Art. 11.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Lasten
en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting
in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 29 mei 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de twintigste
juni 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[29 mei 2000]
Aanleiding
De voorliggende algemene
maatregel van bestuur is gebaseerd op artikel
12, zesde lid, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV) zoals dit is komen te luiden
na totstandkoming van de wet waarbij de Coördinatiewet Sociale
Verzekering in verband met de aanpassing van het stelsel van bestuurlijke
boeten (Stb. 1999, 550) is gewijzigd [zie Wet van 9 december
1999 tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering in verband met de aanpassing van het
stelsel van bestuurlijke boeten, red.]. Het boetestelsel in de CSV hangt samen met de
administratieve verplichtingen van werkgevers ten behoeve van de heffing en
inning van premies voor de werknemersverzekeringen. Het niet, niet tijdig of
niet volledig voldoen aan de administratieve
verplichtingen op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV
wordt door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] met een bestuurlijke boete
bestraft.
In verband met zich
ontwikkelende (internationale) jurisprudentie over de afbakening tussen het
strafrecht en het stelsel van bestuurlijke boeten moet het boetestelsel met
betrekking tot de premieheffing werknemersverzekeringen aangepast worden aan de
rechtswaarborgen zoals deze zijn vastgelegd in artikel 6 van
het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het Internationaal
verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Te denken valt
hierbij onder meer aan de onschuldpresumptie en het zwijgrecht.
Het voorgaande
CSV-boetestelsel gaat ervan uit dat een boete van ten hoogste 100% wordt opgelegd
indien een werkgever niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn verplichtingen voldoet. De boete bedraagt echter, op
grond van artikel 12, tweede
lid, CSV, maximaal 10% indien geen sprake is van opzet of grove schuld.
De boete kan in dit stelsel geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden
afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de vraag of sprake is van
recidive.
De Hoge Raad is in zijn
jurisprudentie tot het oordeel gekomen dat deze boetesystematiek strijdig is
met de onschuldpresumptie, omdat de bewijslast voor het aanwezig
zijn van omstandigheden die de boete matigen, bij de betrokkene
zelf ligt.
Uitgangspunt van het nieuwe
boetestelsel is daarom niet meer het op wettelijke verhogingen
gebaseerde kwijtscheldingsbeleid, maar een systematiek waarbij het Lisv een boete oplegt in evenredigheid met de
ernst en verwijtbaarheid van
de overtreding. In de uitvoeringspraktijk van de premieheffing
werknemersverzekering wordt al op deze wijze omgegaan met de
bewijslastverdeling. Deze nieuwe systematiek noopt tot de vaststelling van het
onderhavige Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering. De
Regeling administratieve boeten Coördinatiewet
(ABC-besluit) wordt ingetrokken.
Boetebesluit werkgevers CSV
Met dit besluit worden
regels gesteld voor de beantwoording van de vraag of en in welke mate
een boete moet worden opgelegd indien sprake is van het niet, niet tijdig
of niet volledig doen van een loonopgaaf.
In de CSV is aangegeven dat
de boete ten hoogste 10% bedraagt van de premie of de alsnog
verschuldigde premie en maximaal 100% indien opzet of grove schuld aan de
orde is. Dit systeem van procentuele maxima doet recht aan de
evenredigheidsgedachte, omdat de maximaal op te leggen boete toeneemt
al naar gelang van de omvang van het premienadeel. Omdat het bij
premiefraude om hoge bedragen kan gaan, zou een systematiek die
uitgaat van vaste boetebedragen niet altijd een adequaat antwoord betekenen
op het geconstateerde verzuim. In het onderhavige besluit is in de
artikelen 3, 4 en 5 aangegeven op welke wijze de hoogte van de boete
berekend wordt. Deze berekening dient als uitgangspunt van de
vaststelling van de hoogte van de boete. Indien de ernst van de gedraging, de
mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de
omstandigheden waarin de werkgever verkeert daartoe aanleiding
geven, wordt de boete, die berekend is met toepassing van de
artikelen 3, 4 en 5 van het onderhavige besluit, verhoogd of verlaagd. Een
afwijking van de op grond van
artikelen 3, 4 en 5 berekende boete dient
derhalve door het Lisv op deze gronden gemotiveerd te worden. Met deze
formulering is aangesloten bij de formuleringen in het boetebesluit aan de
uitkeringszijde.
Een verhoging (tot het
wettelijke maximum) kan bijvoorbeeld passend zijn indien er sprake is van
een ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude. Hiervan is sprake indien de opzet van een bedrijf gericht is op
het frustreren van de
premieheffing.
Bij de uitwerking van de
recidivesystematiek in het onderhavige besluit is uitgegaan van een
systematiek waarbij de hoogte van de boete een percentage bedraagt van de
verschuldigde of alsnog verschuldigde premie. Uit het Lisv-advies
bij het onderhavige besluit is gebleken dat een recidivesystematiek die
uitgaat van verzuimreeksen, zoals ook in het vigerende ABC-besluit is
vormgegeven, ingewikkeld is en niet altijd tot de gewenste uitkomsten leidt.
Het Lisv adviseerde de recidivesystematiek te vereenvoudigen. Dit advies
is in het onderhavige besluit uitgewerkt en heeft geresulteerd in de
bepaling dat wanneer binnen vijf jaar sedert het einde van het
kalenderjaar
waarin op grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering een
boete is opgelegd, wederom een verzuim of een vergrijp wordt gepleegd, de
boete ter zake van dat verzuim of vergrijp wordt verhoogd met 50%. Het
doet er hierbij niet toe of hierbij sprake is van een boeteoplegging ter
zake eenzelfde feit of een ander feit. Anders dan in de voorgaande
systematiek wordt hier dus niet aangehaakt bij het moment waarop het eerdere
verzuim of vergrijp is gepleegd, maar bij het moment waarop een eerdere
boete is opgelegd. Deze systematiek heeft als voordeel dat de rangorde
van een verzuim of een vergrijp niet wijzigt indien een verzuim of een
vergrijp dat eerder is gepleegd maar pas na een daaropvolgend verzuim of
vergrijp geconstateerd werd, tot oplegging van een boete leidt.
Beleidsregels Lisv
De bevoegdheid van het
Lisv om een boete aan een werkgever op te leggen vloeit voort uit
artikel 12 van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering. Op grond van het zesde lid
van dat artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur nadere regels gesteld worden. Uiteraard kan het Lisv, gelet op
artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, beleidsregels vaststellen
met betrekking tot de hem bij de Coördinatiewet Sociale Verzekering en het
Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering toekomende bevoegdheid tot het opleggen
van boeten. Gelet op artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht
kunnen die beleidsregels de afweging van belangen, de vaststelling
van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het
gebruik van de bevoegdheid tot het opleggen van boeten betreffen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
Van opzet is in het algemeen
sprake indien willens en wetens een vergrijp wordt gepleegd of
de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat een vergrijp wordt gepleegd. Grove schuld is in laakbaarheid aan opzet
grenzende onachtzaamheid,
derhalve een ernstige nalatigheid of slordigheid.
Voor de vraag in welke mate
het niet voldoen aan een verplichting is te wijten aan opzet of grove
schuld kan de mate waarin de werkgever ter zake van de voldoening aan
zijn verplichting is gerappelleerd of waarin hij de termijn voor de voldoening
aan zijn verplichting heeft overschreden bepalend zijn. Als de
werkgever afspraken omtrent de voldoening aan zijn verplichtingen met het
Lisv heeft gemaakt, kan tevens de mate waarin die afspraken zijn nagekomen van
belang zijn. Ook de mate waarin de werkgever reeds eerder zijn
verplichting niet heeft nagekomen, waarna ambtshalve het verschuldigde
of alsnog verschuldigde bedrag aan premie is vastgesteld eventueel gevolgd door een boete, kan van invloed zijn op
de vraag in hoeverre de
werkgever opzet of grove schuld verweten kan worden. Uiteraard kunnen ook
overige omstandigheden van het geval van belang zijn.
Artikel 3
Op grond van
artikel 12,
tweede lid, CSV kan voor een verzuim een boete aan de werkgever
worden opgelegd van ten hoogste 10% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of
voorschotpremie. In dit
artikel is bepaald dat de "normboete" niet hoger mag zijn dan 5% van het
verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of
voorschotpremie. Omdat bij recidive de boete met 50% wordt verhoogd, wordt
bij recidive (van opnieuw een verzuim) een boete opgelegd van 7,5% van
het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie en wordt het 10%-maximum
niet overschreden. Overigens
kan met toepassing van artikel 6 de boete wel verhoogd worden tot een
bedrag van 10% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde
bedrag aan premie of voorschotpremie.
Voor de maximering van de op
grond van artikel 3, eerste lid, op te leggen boete is aansluiting
gezocht bij het strafrecht, om te voorkomen dat de bestuurlijke boete hoger is
dan de maximaal, op grond van artikel 18, eerste lid CSV, op te leggen
strafrechtelijke boete.
Indien in de vijf jaar
voorafgaand aan het plegen van een verzuim geen boete is opgelegd ter zake
van een ander verzuim of een schriftelijke waarschuwing is gegeven ter
zake van een ander verzuim of een vergrijp en het verzuim er niet toe
heeft geleid dat te weinig premie is betaald, wordt geen boete opgelegd.
De bedoelde schriftelijke waarschuwing kan uiteraard steeds door het Lisv
aan de desbetreffende werkgever in de in het derde lid geschetste
situatie gegeven worden.
Artikel 4
Bij de berekening van de
boete bij een vergrijp op grond van artikel 4 van dit besluit dient het
in artikel 12, derde lid, CSV bedoelde maximum in acht te worden genomen.
Artikel 5
In dit artikel is bepaald
dat wanneer een werkgever binnen vijf jaar sedert het einde van het
kalenderjaar waarin hem een boete wegens het niet voldoen aan een voor
hem op grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering geldende verplichting is opgelegd, wederom een verzuim of een
vergrijp pleegt, de op grond van artikel 3 of 4 op te leggen boete met
50% wordt verhoogd. De verhoging met 50% vindt plaats zowel bij een
boete die is berekend met toepassing van artikel 3 (verzuim) als bij een
boete die is berekend met toepassing van artikel 4 (vergrijp). Voor toepassing
van dit artikel is niet vereist dat sprake moet zijn van twee opeenvolgende
verzuimen of twee opeenvolgende vergrijpen; ook wanneer
eerst een verzuim en daarna een vergrijp wordt gepleegd, wordt de boete voor
het vergrijp met 50% verhoogd. Dit geldt ook voor de tegenovergestelde situatie. Ter verduidelijking worden de
volgende voorbeelden uitgewerkt.
Een werkgever pleegt een
verzuim waarvoor hem in 1996 een boete wordt opgelegd. In 2000
pleegt de werkgever opnieuw een verzuim. Indien het benadelingsbedrag
van dit tweede verzuim ƒ140 000,- bedraagt, zou, ingevolge
artikel 3 van dit besluit, aan de werkgever een boete moeten worden opgelegd
van ƒ7000,-. Omdat hier sprake is van recidive als bedoeld in
artikel 5 van dit besluit, dient de boete met 50% te worden verhoogd. Omdat hier
echter sprake is van een verzuim en daarvoor ingevolge artikel
3, tweede lid een boetemaximum geldt, zal een boete van ƒ10 000,-
worden opgelegd.
Een werkgever pleegt een
vergrijp waarvoor hem in 1997 een boete wordt opgelegd. In 2001
pleegt de werkgever opnieuw een vergrijp. Indien het benadelingsbedrag van
dit tweede vergrijp ƒ80 000,- bedraagt, zou, ingevolge artikel 4 van dit
besluit, aan de werkgever een boete moeten worden opgelegd van ƒ20 000,-. Omdat hier sprake is van recidive als bedoeld in
artikel 5, wordt
de boete met 50% verhoogd en zal de werkgever een bedrag van ƒ30 000,- moeten betalen.
Een werkgever pleegt een
vergrijp waarvoor hem in 1998 een boete wordt opgelegd. In 2000
pleegt de werkgever een verzuim. Indien het benadelingsbedrag van dit
verzuim ƒ120 000,- bedraagt, zou, ingevolge artikel 3 van dit besluit,
aan de werkgever een boete moeten worden opgelegd van ƒ6000,-.
Omdat hier sprake is van recidive als bedoeld in artikel 5, wordt de boete met
50% verhoogd en zal de werkgever een bedrag van ƒ9000,- moeten
betalen.
Een werkgever pleegt een
verzuim waarvoor hem in 1998 een boete wordt opgelegd. In 2002
pleegt de werkgever een vergrijp. Indien het benadelingsbedrag van dit
vergrijp ƒ100 000,- bedraagt, zou, ingevolge artikel 4 van dit besluit,
aan de werkgever een boete moeten worden opgelegd van ƒ25 000,-.
Omdat hier sprake is van recidive als bedoeld in artikel 5, wordt de boete met
50% verhoogd en zal de werkgever een bedrag van ƒ37 500,-
moeten betalen.
Bij de genoemde voorbeelden
dient rekening te worden gehouden met het feit dat op grond van
artikel 6 van dit besluit de op te leggen boete, met inachtneming van de in
artikel 12 CSV en in dit besluit bedoelde
boetemaxima en -minima, kan
worden verhoogd of verlaagd.
Het besluit waarbij eerder
een boete wegens een verzuim of een vergrijp werd opgelegd, welke boete bepalend is voor de vraag of sprake
is van recidive, behoeft
niet onherroepelijk te zijn. Als, nadat wegens recidive de boete voor het
"tweede" verzuim of vergrijp met 50% is verhoogd, blijkt dat een
bezwaar of beroep tegen het eerdere boetebesluit is gehonoreerd, wordt het
te veel aan boete betaalde bedrag voor het "tweede" verzuim of
vergrijp door het Lisv terugbetaald. Het moet daarbij gaan om de gehele
vernietiging van het bestreden boetebesluit. Deze restitutie vindt ook plaats
wanneer het boetebesluit voor het "tweede" verzuim reeds formele
rechtskracht heeft verkregen.
Om te kunnen vaststellen of
er sprake is van recidive moet het Lisv een periode van vijf jaar sedert
het einde van het kalenderjaar waarin een boete werd opgelegd, in ogenschouw nemen. Deze termijn sluit aan bij de
termijn die gehanteerd wordt
bij het vaststellen van de verjaring van een verzuim of een vergrijp en
bij de termijn waarbinnen in de regel een reguliere looncontrole plaatsvindt.
Het feit dat recidive in
principe moet leiden tot een bepaalde verhoging van de normboete, maakt het
noodzakelijk dat het Lisv een zodanige vastlegging van besluiten inzake boeteoplegging inricht dat onderkenning
van recidive feitelijk ook
mogelijk is.
Artikel 6
Dit artikel bevestigt de
wettelijke opdracht aan het Lisv om de boete, die is berekend met toepassing
van de artikelen 3, 4 en 5, nader af te stemmen op de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de
gedraging verweten kan
worden en de omstandigheden waarin de werkgever verkeert. Deze
afstemming kan leiden tot een verhoging of verlaging van de boete.
Hierbij dient het Lisv wel de in artikel 12, tweede en derde lid, CSV
en in
artikel 3, tweede lid, van dit besluit bedoelde boetemaxima in ogenschouw
te nemen. Uiteraard moet in de motivering van de beschikking waarbij
de boete wordt opgelegd tot uitdrukking worden gebracht op welke
wijze tot de vaststelling van het boetebedrag is gekomen.
Overigens bepaalt
artikel 12, vierde lid, CSV dat van het opleggen van een boete wordt
afgezien
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Artikel 7
Op grond van
artikel 12,
vierde lid, CSV is de ernst van de gedraging medebepalend voor de hoogte
van de boete. Als voor een gedraging een boete van ƒ100,- of minder zou moeten worden opgelegd, wordt
verondersteld dat de ernst
van de gedraging zo gering is dat geen boete wordt opgelegd.
Artikel 9
Dit besluit heeft
eerbiedigende werking, dat wil zeggen dat ten aanzien van verzuimen gepleegd
vóór
de inwerkingtreding van dit besluit de Regeling administratieve boeten Coördinatiewet blijft gelden.
Wanneer voor een verzuim of
een vergrijp gepleegd vóór inwerkingtreding van dit besluit, ingevolge
dit besluit een lagere boete zou moeten worden opgelegd dan ingevolge de
Regeling administratieve boeten
Coördinatiewet, is dit
besluit van toepassing. Deze eis vloeit mede voort uit internationale
verdragen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|