|
Nadere regelgeving:
- Beleidsregels toepassing detacheringsverbod Besluit in- en
doorstroombanen
(vervallen)
- Beleidsregels vaststelling subsidie Regeling in- en doorstroombanen
voor langdurig werklozen voor het jaar 1999 en Besluit in- en
doorstroombanen voor de jaren 2000 en 2001 (vervallen)
- Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen
(vervallen)
- Regeling informatie Besluit in- en doorstroombanen
(vervallen)
- Regeling lagere vaststelling subsidie Besluit in- en doorstroombanen
(vervallen)
- Regeling uitvoering en financiering Besluit in- en doorstroombanen
(vervallen)
- Tijdelijke
aanvullende stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen (vervallen)
- Tijdelijke
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling
in- en doorstroombanen (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Invoeringswet
Wet werk en bijstand (vervallen)
- Wet werk en
bijstand
BESLUIT van 17 december
1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het
scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in
de collectieve en non-profitsector voor langdurig werklozen gericht op
instroom in het arbeidsproces en doorstroom naar andere functies in het
arbeidsproces (Besluit in- en doorstroombanen)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Op de voordracht van
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan in overeenstemming
met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, Onze
Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid en Onze
Minister van Financiën van 13 juli 1999, nr. AM/RAW/99/35349;
Gelet op artikel 3,
eerste en vierde lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
De Raad van State gehoord
(advies van 7 september 1999, nr. W12.99.033/IV);
Gezien het nader rapport
van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, Onze Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid en Onze
Minister van Financiën van 10 december 1999, nr. AM/RAW/99/78514;
Hebben goedgevonden en
verstaan:
HOOFDSTUK
1
Inleidende
bepalingen
Art. 1.
Definities
-1. In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. langdurig werkloze:
een persoon die:
1º. twaalf maanden of
langer een algemenebijstandsuitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet dan wel een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen; of
2º. een uitkering
ontvangt op grond van een wet, genoemd onder 1º, en die langer dan twaalf
maanden als werkloos werkzoekende is ingeschreven bij de Centrale
organisatie werk en inkomen;
of
3º. een dienstbetrekking
heeft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet
inschakeling werkzoekenden of een arbeidsovereenkomst heeft als bedoeld in
artikel 5 van voornoemde wet.
-2. In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder langdurig
werkloze: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f,
van de Wet inschakeling werkzoekenden, van wie de dienstbetrekking,
bedoeld in die wet, overeenkomstig de artikelen
11, onderdeel a, of 23,
eerste lid, onderdeel a, van die wet is opgezegd.
-3. In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. dienstbetrekking: een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk
Wetboek of een
publiekrechtelijke aanstelling;
b. werknemer: de
voormalig langdurig werkloze die in een dienstbetrekking werkzaam is;
c. arbeidsplaats: een
periode van één jaar waarin, bij een volledige werkweek van ten hoogste
32 uur per week, arbeid wordt verricht in dienstbetrekking op basis
waarvan de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt bepaald;
d. werkgever: een
publiekrechtelijk lichaam of een instelling als bedoeld in het vierde of vijfde
lid tot welk een langdurig werkloze in dienstbetrekking staat en die - al of
niet door het aangaan van die dienstbetrekking - ondernemer is als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet
op de ondernemingsraden;
e. onderneming: de
onderneming, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet op de
ondernemingsraden;
f.
Centrale organisatie werk en
inkomen: de Centrale
organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. vergoeding: de
vergoeding die door de gemeente aan een werkgever wordt verstrekt om een
arbeidsplaats in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig
werkloze te vervullen.
-4. In dit besluit en de
daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder instelling: een
rechtspersoon die:
a. op grond van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 niet onderworpen is aan die
belasting of op grond van de artikelen 5 of 6 van die
wet is vrijgesteld
van die belasting; of
b. op grond van de Wet op
de vennootschapsbelasting 1969 onderworpen is aan die belasting,
doch waarbij de behartiging van het algemeen belang op de
voorgrond staat en die voor de exploitatie mede afhankelijk is van
subsidies.
-5. In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder
instelling:
a. een rechtspersoon die
kinderopvang aanbiedt die voldoet aan de eisen gesteld bij of
krachtens het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang;
b. een rechtspersoon
waarbij op grond van de Circulaire beleidsregels extra arbeidsplaatsen
zorgsector 1998, nr. MEVA/ABA-98102, van 10 februari 1998,
vastgesteld door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, mede
namens Onze Minister, een arbeidsplaats in de vorm van een
dienstbetrekking met een langdurig werkloze kon worden vervuld waarvan de
kosten op grond van artikel 16 van de Regeling in- en doorstroombanen voor
langdurig werklozen, zoals deze regeling luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, tot 1 januari 2000 vergoed werden door middel van
subsidie van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of
gefinancierd werden op grond van besluiten van het Centraal orgaan
tarieven gezondheidszorg.
Art. 2.
Toepassingsgebied
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
HOOFDSTUK
2
In- en
doorstroombanen
Art. 3.
Subsidie arbeidsplaatsen en voorzieningen arbeidsinschakeling
-1. Onze Minister verstrekt subsidie aan
de gemeente voor arbeidsplaatsen voor langdurig
werklozen die in de vorm van dienstbetrekkingen bij werkgevers worden
vervuld en, voor zover de subsidie daarvoor toereikend is, andere
voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling voor werkzoekenden.
-2. Het gemeentebestuur
toetst voor de besteding van de subsidie op grond van dit besluit bij
toepassing van artikel 1, vierde lid, onderdeel b, of de daar bedoelde
rechtspersoon aan dat onderdeel voldoet.
-3. Het gemeentebestuur
stelt voor het tot stand brengen van arbeidsplaatsen op het gebied van
openbare veiligheid en toezicht een beleid vast na bespreking in het
reguliere overleg, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet
1993, tussen
de burgemeester van de gemeente waar de werkzaamheden op de
dienstbetrekkingen in belangrijke mate worden verricht, de officier van
justitie van het desbetreffende arrondissement en de korpschef van het
regionale politiekorps.
Art. 4.
Vervallen.
Art. 5.
Verklaring
langdurig werkloze
-1. Ten behoeve van de
werkgever verklaren burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
beoogde werknemer woonachtig is, voor de toepassing van artikel
6,
tweede lid, onderdeel a, zo nodig na overleg met de Centrale
organisatie werk en inkomen, in een schriftelijk
stuk dat die
persoon een langdurig werkloze
is.
-2. De verklaring, bedoeld
in het eerste lid, geeft tevens aan welk inkomen voor deze persoon
aangewezen is om te voldoen aan artikel 8 of welke arbeidsduur voor
die persoon aangewezen kan zijn in verband met bij die persoon gelegen
factoren.
-3. Burgemeester en wethouders kunnen voor
de toepassing van dit besluit personen die in vergelijkbare
omstandigheden verkeren als die bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel b, en tweede lid, gelijkstellen met een langdurig
werkloze.
HOOFDSTUK
3
Vergoeding
aan de werkgever
Art. 6.
Vereisten
vergoeding ¹
-1. Een werkgever ontvangt
van de gemeente een vergoeding voor de kosten die voortvloeien
uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze.
-2. De gemeente verstrekt
de vergoeding slechts aan de werkgever:
a. indien de
dienstbetrekking wordt aangegaan met een persoon die volgens een door het
gemeentebestuur, bedoeld in artikel 5, eerste lid, afgegeven schriftelijke
verklaring een langdurig werkloze is;
b.
indien de werkgever voor de loonkosten voortvloeiend uit het aangaan van
die dienstbetrekking geen andere subsidie ontvangt of die kosten niet op
andere wijze kan verminderen dan op grond van de hoofdstukken III en IV
van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 79b van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de artikelen
82, 82a of 97c
van de Werkloosheidswet, tenzij
een subsidie voor meerkosten als bedoeld in artikel 16 van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt ontvangen.
c. indien de
dienstbetrekking voldoet aan de vereisten van de arbeidsduur, bedoeld in
artikel 8, de vereisten van de beloning, bedoeld in de artikelen 9 en
10, en
de werkgever artikel 11 omtrent scholing in acht neemt.
1. Ingevolge artikel
78d, eerste lid, van de Wet werk en bijstand
geldt een dienstbetrekking als een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand, red.
Art. 7.
Tegengaan
verdringing en concurrentievervalsing
-1. De gemeente verstrekt
pas een vergoeding aan een werkgever voor het vervullen van
arbeidsplaatsen in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen:
a. nadat de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet
op de ondernemingsraden, voor zover die door de werkgever is ingesteld,
of het bij of krachtens de wet voor die onderneming ingestelde
medezeggenschapsorgaan, over de totstandkoming van dergelijke
arbeidsplaatsen positief heeft geadviseerd; en
b. indien bij de
werkgever in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvang
van die dienstbetrekking geen overeenkomsten of aanstellingen tot het
verrichten van arbeid die vergelijkbaar is met de arbeid in die
dienstbetrekking, zijn beëindigd op grond van bedrijfseconomische
redenen, voor zover nodig met toestemming van de Centrale
organisatie werk en inkomen, dan wel daartoe een procedure
voor ontslag om bedrijfseconomische redenen in behandeling is.
-2. De
concurrentieverhoudingen worden niet onverantwoord beïnvloed met de prijzen voor de
goederen en diensten die tengevolge van de arbeid in een
dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit worden geleverd.
Art. 8.
Arbeidsduur
De arbeidsduur per week
in een dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit bedraagt bij
aanvang van de dienstbetrekking ten minste zoveel uren dat de werknemer
niet is aangewezen op een uitkering als bedoeld in artikel
1, eerste lid,
onderdeel b, onder 1º, waarop hij recht zou hebben gehad indien met hem niet
die dienstbetrekking zou zijn aangegaan, tenzij op grond van bij de
werknemer gelegen factoren een andere arbeidsduur aangewezen is.
Art. 9.
Beloning
-1. Het loon, exclusief de
vakantiebijslag, dat aan de werknemer in de dienstbetrekking wordt
betaald en dat naar evenredigheid wordt verminderd indien de
overeengekomen arbeidsduur minder is dan de normale arbeidsduur,
bedoeld in artikel 12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
bedraagt over de overeengekomen uitbetalingstermijn niet meer dan 130% van
het bedrag, bedoeld in de artikelen 8 en 12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-2. Bij de toepassing van
het eerste lid worden buiten beschouwing gelaten de
toeslagen in verband met werk op ongebruikelijke tijdstippen die op grond
van de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of
rechtspositieregeling aan de werknemer worden betaald.
-3. Het loon, bedoeld in
het eerste lid, is het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964, verminderd met tot dat loon behorende:
a. tantièmes, gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per
jaar worden toegekend;
b. vergoedingen die
worden verleend in het kader van het Besluit tegemoetkoming
ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel en
het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel;
c. loon dat in
geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling;
d. loon ter zake waarvan
de belasting ingevolge artikel 31 van die
wet wordt geheven van de inhoudingsplichtige.
Art.
10.
Doorstroombanen
-1. De gemeente kan een
werkgever toestaan dat hij aan een werknemer een andere functie aanbiedt waarin hij een loon betaalt dat meer bedraagt dan het bedrag,
bedoeld in artikel 9, eerste lid.
-2. Op het loon, bedoeld
in het eerste lid, is artikel 9 van
toepassing, waarbij voor "130%" wordt gelezen "150%".
-3. Burgemeester en wethouders kunnen de
toestemming, bedoeld in het eerste lid, slechts geven indien voor het
tot stand komen
van de functie is voldaan aan artikel 7, eerste lid.
Art. 11.
Scholing
-1. De werkgever stelt de
werknemer in de gelegenheid scholing te volgen die bijdraagt aan
het goed vervullen van de werkzaamheden in een dienstbetrekking als
bedoeld in dit besluit en het vergroten van zijn kans op een dienstbetrekking
anders dan op grond van dit besluit, mits voor ten minste 80% van de
overeengekomen arbeidsduur werkzaamheden worden verricht.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan de voor het verrichten van werkzaamheden beschikbare
tijd minimaal 60% van de overeengekomen arbeidsduur bedragen
indien opleidingen worden gevolgd die bestaan uit een beroepsbegeleidende
leerweg als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Art. 12.
Vervallen.
HOOFDSTUK
4
Subsidie
aan de gemeente
Art. 13.
Verlening, betaling, vaststelling subsidie 2003 en
informatieverplichting
-1. Onze Minister
verleent op of omstreeks
15 mei 2003 aan de gemeente voor het jaar 2003
een subsidie voor de uitvoering van artikel 3, eerste lid, op basis van
een door burgemeester en wethouders bij wijze van aanvraag uiterlijk op
1 februari 2003 gedane opgave van het aantal feitelijk bezette
arbeidsplaatsen op 30 juni 2002.
-2. Bij toepassing van het eerste lid wordt
in aanvulling op dat lid aan de gemeenten door Onze Minister in totaal
€|45 000 000,00 extra subsidie verleend.
Deze subsidie wordt over de gemeenten verdeeld op basis van de
verdeelmaatstaf opgenomen in artikel 14, eerste lid, van het
Besluit
uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden.
-3. Gemeenten die op 30 juni 2002 geen
feitelijk bezette arbeidsplaatsen als bedoeld in het eerste lid hebben
gerealiseerd, ontvangen op of omstreeks 15 mei 2003 de subsidie, bedoeld
in het tweede lid. De subsidie wordt, in afwijking van het tweede lid,
vastgesteld volgens de bijlage bij dit besluit.
-4. De subsidie, bedoeld in het eerste lid,
wordt bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van
iedere maand als volgt betaalbaar gesteld:
a. in de maanden januari tot en met
april van het jaar 2003, in vier gelijke delen en in de maand mei in een
deel ter grootte van tweemaal het daaraan voorafgaande maandelijkse
bedrag, op basis van de verdeling van de voor het jaar 2002 toegekende
arbeidsplaatsen;
b. in de maanden juni tot en met
december van het jaar 2003, in zeven gelijke delen van de verleende
subsidie, verminderd met de eerder betaalde voorschotten.
Het voorschot voor de maand januari wordt betaalbaar gesteld ongeacht of
door burgemeester en wethouders een aanvraag is ingediend.
-5. De subsidie, bedoeld in het tweede lid,
wordt per maand bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende
dag van iedere maand betaalbaar gesteld. De laatste volzin van het derde
lid is van toepassing.
-6. Indien burgemeester en wethouders de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet of niet binnen de gestelde
termijn indienen, worden de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.
-7. Indien de betaalde voorschotten meer
bedragen dan de verleende subsidie, wordt het te veel betaalde
teruggevorderd.
-8. Burgemeester en wethouders dragen er
zorg voor dat Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de
subsidie uiterlijk op 1 juli 2004 een jaaropgave heeft ontvangen. De
jaaropgave wordt voorzien van een verklaring van een accountant belast
met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent
de juistheid van de verstrekte gegevens. Na ontvangst van de jaaropgave
stelt Onze Minister de subsidie binnen twaalf maanden vast. Indien de
jaaropgave niet is ontvangen binnen twaalf maanden na het kalenderjaar
waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring,
bedoeld in de tweede volzin, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
-9. Burgemeester en wethouders verstrekken
desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor
de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het betalen en
vaststellen van de subsidie nodig heeft en werken mee aan door of namens
Onze Minister ingesteld onderzoek dat erop gericht is Onze Minister
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van beleidsontwikkeling.
-10. Indien de inlichtingen, bedoeld in het
negende lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen
zijn ontvangen, kan Onze Minister de betaling van de voorschotten,
bedoeld in het vierde en vijfde lid, opschorten. Hervatting van de
betaling en nabetaling van de niet-betaalde voorschotten vindt zo
spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het negende lid bedoelde
gegevens.
-11. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld voor de vorm en inhoud van: [Uid]
a. de opgave, bedoeld in het eerste
lid;
b. de jaaropgave en de verklaring,
bedoeld in het achtste lid;
c. de inlichtingen die op grond van
het negende lid worden verstrekt en de wijze en het tijdstip van
verstrekking.
-12. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van artikel
4:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Art.
14.
Vervallen.
Art.
15. Vervallen.
Art.
16. Vervallen.
Art.
17. Vervallen.
HOOFDSTUK
5
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 18.
Vervallen.
Art. 19.
Overgangsbepaling bestaande dienstbetrekkingen
-1. Dienstbetrekkingen
die zijn aangegaan vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en waarop
de Regeling in- en doorstroombanen voor
langdurig werklozen van toepassing was, zoals deze regeling luidde tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, dan wel vervuld zijn bij een instelling
als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onderdeel b, worden aangemerkt als
dienstbetrekkingen als bedoeld in dit besluit.
-2. Voor bijdragen en
vergoedingen van het Rijk over tijdvakken tot de datum van
inwerkingtreding van dit besluit en ten aanzien van bezwaar en beroep tegen besluiten
betreffende deze bijdragen en vergoedingen blijft de Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurig werklozen, zoals deze regeling luidde tot de
datum van inwerkingtreding van dit besluit, van toepassing.
-3. Voor besluiten
betreffende dienstbetrekkingen bij instellingen als bedoeld in artikel
1,
vijfde lid, onderdeel b, die betrekking hebben op het tijdvak tot 1 januari
2000 en ten aanzien van bezwaar en beroep tegen dergelijke besluiten
blijven Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dan wel het
Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg na 1 januari 2000 bevoegd.
Art.
19a. Vervallen.
Art.
19b. Overgangsbepaling vereisten vergoeding
-1. Artikel 6, tweede lid, onderdeel c, zoals dit luidde vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 14 december 2001, houdende
wijziging van enkele socialezekerheidswetten (Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving) (Stb. 2001, 644), blijft van toepassing op de
door een werkgever ontvangen subsidie op grond van de artikelen
16, 17 of 18,
met uitzondering van artikel 18, derde lid, van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, artikel 13b
van de Wet
inschakeling werkzoekenden of artikel 81a van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, zoals die artikelen luidden vóór genoemd
tijdstip, voor een dienstbetrekking die vóór genoemd tijdstip is
aangegaan, welke subsidie vóór genoemd tijdstip is aangevraagd.
-2. Het Besluit in- en doorstroombanen zoals
dit luidde vóór 1 januari 2003 blijft van toepassing op vóór 1 januari
2003 aan de gemeente verleende subsidie.
Art. 20.
Vervallen.
Art. 21.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2000 en vervalt met ingang van 1 januari
2004, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is
ingediend waarin de subsidie aan de gemeente, bedoeld in dit besluit,
is geregeld.
Art. 22.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit in- en doorstroombanen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 17
december 1999
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
Uitgegeven de dertigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[17 december 1999]
Algemeen
1. Inleiding
Onder de vorige regering
is een reeks van maatregelen getroffen gericht op het verbeteren
van de werking van de arbeidsmarkt en een verruiming van de werkgelegenheid, ook met werk dat geen specifieke
kwalificaties vereist en
dat daardoor geschikt is voor langdurig werklozen om (weer) een plaats in
het arbeidsproces te verwerven. Naast meer generiek werkende
maatregelen ging het hierbij om enige specifieke maatregelen. De Regeling
extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en
1998 (Ewlw) alsmede de Regeling in- en doorstroombanen voor
langdurig werklozen (Regeling ID-banen) als voorlopers van het
onderhavige besluit maakten van deze specifieke maatregelen deel uit.
In het Regeerakkoord 1994
was de afspraak vastgelegd om 40 000 extra arbeidsplaatsen te
realiseren in de zorg en bij gemeenten die geconfronteerd werden met een cumulatie
van problemen (Kamerstukken II
1993-1994, 23 715). Met deze arbeidsplaatsen werd beoogd structurele
nieuwe werkgelegenheid tot stand te brengen die leidt tot een
terugdringing van langdurige werkloosheid, alsmede van terugdringing
van het beroep op de uitkeringsregelingen.
Naast terugdringing van
de langdurige werkloosheid was ook verbetering en uitbreiding van de
dienstverlening aan de burger doel van de regeling. Hierbij was
gekozen voor het realiseren van arbeidsplaatsen in bepaalde delen van de
collectieve sector bij gemeenten en in sectoren bij de zorg.
Gegeven de aard van de
problematiek is ervoor gekozen de arbeidsplaatsen primair toe te wijzen aan
de grote gemeenten in het kader van het grotestedenbeleid.
In de loop der jaren is
het aantal gemeenten dat deel kon nemen stapsgewijs uitgebreid.
Uiteindelijk is met ingang van 1 januari 1998 de regeling opengesteld voor
alle gemeenten.
De gemeentelijke
arbeidsplaatsen dienden te worden gerealiseerd in de collectieve en
non-profitsector; daarbinnen konden zij bij de start van de regeling in 1995 slechts
worden vervuld in specifiek benoemde deelsectoren; in de loop
der jaren zijn hieraan andere deelsectoren toegevoegd. Met de inwerkingtreding van de
Regeling ID-banen per
1 januari 1999 zijn de beperkingen ten aanzien van de deelsectoren opgeheven.
Daarnaast konden in
onderdelen van de zorg arbeidsplaatsen worden gerealiseerd; ten aanzien
van deze plaatsen waren geen geografische beperkingen opgenomen,
zij het dat de grote steden vanaf 1996 een voorkeursbehandeling
kregen.
In algemene zin heeft de
werkgelegenheidssituatie zich de afgelopen jaren voor diverse
groepen werklozen in gunstige zin ontwikkeld; bijvoorbeeld de arbeidsmarktsituatie van jongeren, hetgeen heeft geleid
tot minder instroom van
jongeren in de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) en een snellere uitstroom uit de Wiw.
Hoewel ook langdurig
werklozen in zekere mate hebben kunnen profiteren van de
verbeterde arbeidsmarktsituatie, is voor veel langdurig werklozen in hun
situatie
geen verandering gekomen. Hierin is voldoende grond gelegen om het instrument te handhaven en zelfs uit te breiden. In
het regeerakkoord van
1998 heeft dit zijn weerslag gevonden.
Ingevolge dit akkoord zal
aan het aantal arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen van 40 000
ingevolge de Ewlw (het 40 000-banenplan van de vorige regering)
20 000 instroom-/doorstroombanen worden toegevoegd (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10).
Daarnaast is sprake van
verbreding van het instrument; deze is gelegen in het aanmerken van 10
000 arbeidsplaatsen als doorstroombanen die op een hoger niveau zullen
worden beloond en het verstrekken van een uitstroompremie bij uitstroom naar een andere,
niet-gesubsidieerde baan.
Voor de uitvoering van
deze banen is met ingang van 1 januari 1999 de Ewlw
vastgesteld. De banen worden gerealiseerd bij werkgevers in de collectieve en
non-profitsector. Op deze wijze blijven de banen bijdragen aan
verbetering van de publieke dienstverlening.
De regering is zich ervan
bewust dat een jaarlijkse bijdrage ten laste van de rijksbegroting van
deze omvang niet permanent kan worden gegrond op een ministeriële
regeling. Bij de extra arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen gaat het om
arbeidsplaatsen met een structureel karakter waarvan de financiering
ten laste van de rijksbegroting eveneens een structureel karakter dient te hebben. Bij de ontwikkelingen inzake de
stroomlijning van de financiering van het gemeentelijke arbeidsmarktbeleid
in het kader van het op
te richten Fonds Werk en Inkomen (FWI) zal de financiering van het
instrument in- en doorstroombanen eveneens worden betrokken.
Daarnaast dient in de wetgeving die voortvloeit uit het kabinetsstandpunt
Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) de samenhang tussen de
verschillende regelingen in de bepaling van de achterstand tot de
arbeidsmarkt te worden aangebracht [zie ook de Wet
SUWI,
red.]. Nu zowel de ontwikkelingen inzake de
stroomlijning als de discussie over het kabinetsstandpunt nog gaande zijn, kan
daarop met wetgeving niet worden vooruitgelopen. De
regering heeft er daarom voor gekozen de structurele regeling van de in- en
doorstroombanen tijdelijk door middel van een algemene maatregel van
bestuur vorm te geven totdat een nadere structurele inpassing in
het kader van de wetgeving die voortvloeit uit genoemd kabinetsstandpunt is gerealiseerd.
Dit besluit bouwt
inhoudelijk voort op de voormalige Regeling ID-banen. Nieuwe onderdelen zijn de regeling voor de doorstroombanen,
de uitstroompremie en de
overheveling van de zorgbanen. Het besluit bevat voorts nog enkele bepalingen in verband met de overgang van deze
zorgbanen naar de gemeenten. In de paragrafen 3 en 4 van deze nota van toelichting wordt op de
doorstroombanen, de uitstroompremie en de overheveling van de
zorgbanen nader ingegaan.
Het besluit vervangt
tevens de genoemde Regeling ID-banen. Bepaalde onderdelen daarvan zijn
vanwege de gedetailleerdheid nader uitgewerkt in een ministeriële
regeling op de wijze als in de Regeling ID-banen.
De uitgangspunten van de
Regeling ID-banen: vereenvoudiging en uniforme toepassing voor
alle sectoren zijn gehandhaafd. Ervaringen met de uitvoering van deze
regeling zijn meegenomen bij het opstellen van dit besluit.
Grotestedenbeleid
Ondanks het feit dat het
instrument van de in- en doorstroombanen met ingang van 1 januari 1998
voor alle gemeenten is opengesteld, heeft het instrument nadrukkelijk
zijn plaats behouden in het kader van het grotestedenbeleid. Het vormt een belangrijk onderdeel van de pijler
"werk
en economie". Het belang hiervan wordt onderstreept, aangezien aan de G25 (de 25
gemeenten
waarvoor het grotestedenbeleid geldt) 14 500 van de 20 000 (72%)
arbeidsplaatsen zijn toegekend. Op deze wijze kunnen de gemeenten de hun
toegewezen arbeidsplaatsen op een effectieve wijze inzetten; dit kan zowel
door het realiseren van extra werk dat toegesneden is op de doelgroep als
door in overleg met sociale partners zorg te dragen voor een bredere
inzetbaarheid van niet-gesubsidieerd werk. Economische ontwikkelingen
kunnen op deze wijze bijdragen aan het openhouden van de Regeling in- en doorstroombanen voor
langdurig werklozen in die
zin dat uitstroom naar niet-gesubsidieerde arbeid wordt bevorderd waardoor
nieuwe instroom mogelijk wordt.
In de
doorstartconvenanten tussen Rijk en de G4 (de vier grote steden: Amsterdam, Rotterdam, Den
Haag en Utrecht), respectievelijk de G21, zijn de hoofdlijnen neergelegd
waarvoor partijen zich zullen inzetten. Concrete uitwerking per gemeente
zal tot stand komen in de stadsconvenanten.
In het kader van het
grotestedenbeleid zal rekening worden gehouden met de meerjarige,
integrale en resultaatgerichte aanpak - en daardoor specifieke positie van de
G25 binnen dit besluit - bij de nadere invulling van de desbetreffende
ministeriële regelingen. De Minister voor
Grotesteden- en Integratiebeleid
zal bij de voorbereiding daarvan worden
betrokken.
Gemeentelijk
arbeidsmarktinstrumentarium
In de afgelopen jaren is
het aantal instrumenten op het terrein van het arbeidsmarkt- en
werkgelegenheidsbeleid waarover de gemeenten beschikken sterk
uitgebreid en voor de komende jaren is onder andere door de introductie
van
een sluitende aanpak van de nieuwe instroom in de werkloosheid een verdere uitbreiding voorzien. Deze uitbreiding stelt
hoge eisen aan de coördinatie, de prioritering van de inzet en de schakeling van de
verschillende instrumenten door de gemeenten binnen één samenhangend
beleidskader op lokaal niveau.
Tevens worden hoge eisen
gesteld aan de afstemming tussen enerzijds de inzet van de
gemeentelijke instrumenten en anderzijds de sectorale behoeften en instrumenten
om tot een zo goed mogelijke afstemming van vraag en aanbod op de
arbeidsmarkt en tot een optimale aanpak van de nog resterende kernen van
langdurige werkloosheid te komen. Essentieel is dat het gemeentelijk arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid
dienstbaar is aan de
verwezenlijking van deze centrale doelstellingen van het algemene
arbeidsmarktbeleid waarvoor sociale partners, gemeenten
en de instituties op de
arbeidsmarkt gezamenlijk verantwoordelijk zijn.
Het onderhavige Besluit
in- en doorstroombanen (Besluit ID-banen) is één van de
gemeentelijke arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsinstrumenten; andere zijn
de Wiw en de
Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Wat betreft de positionering
ten opzichte van elkaar is het in dit verband met name van belang in te
gaan op de verhouding tussen het Besluit ID-banen en de Wiw.
Positionering in- en
doorstroombanen
Wat betreft de
positionering van het onderhavige besluit en de Wiw, en daarbinnen dan de
werkervaringsplaats en het plaatsingsbudget in het kader van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), alsmede de
Wiw-dienstbetrekking, kan
het volgende onderscheid worden gemaakt. Bij de in- en
doorstroombanen gaat het om gesubsidieerde reguliere werkgelegenheid voor
personen die weliswaar langdurig werkloos zijn, maar die in staat zijn,
al dan niet met enige extra begeleiding in de startfase, reguliere
arbeid te verrichten. Voor de arbeidsplaatsen in het kader van het onderhavige
besluit geldt dat ze een duidelijk vraaggericht aspect hebben.
Zowel de Wiw-werkervaringsplaats als het Rea-plaatsingsbudget richten zich op werkzoekenden bij
wie de afstand tot de arbeidsmarkt op redelijk korte termijn overbrugbaar wordt geacht. Het zijn instrumenten die voor
een beperkte periode
ingezet kunnen worden. Daarna wordt betrokkene geacht normaal te functioneren binnen de arbeidsorganisatie. Voor de
werkervaringsplaatsen geldt dat ze, afhankelijk van de situatie op de arbeidsmarkt, ook een
duidelijk vraaggericht aspect hebben.
Met de Wiw-dienstbetrekking kan de gemeente
werkloze jongeren en langdurig werklozen de
kans bieden arbeidsritme en werkervaring op te doen in gevallen waarin
een arbeidsovereenkomst met een reguliere werkgever, ook in combinatie met een
werkervarings- of
plaatsingssubsidie,
geen reële optie is. Betrokkene krijgt in dergelijke gevallen een tijdelijk dienstverband
met de gemeente en wordt gedetacheerd bij een werkgever.
De
Wiw-dienstbetrekking
is primair een aanbodgericht arbeidsmarktinstrument: het is bedoeld om de
kwalificaties en inzetbaarheid van werklozen met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt te verbeteren door het opdoen van praktische
ervaring, eventueel in combinatie met een beroepsbegeleidende
scholing. Ter voorbereiding op het aanvaarden van een reguliere baan kan de
gemeente
zo nodig ook het scholings- en activeringsbudget
benutten. Ook kan bij wijze van overgang een werkervaringsplaats
worden aangeboden.
In gevallen waarin het
aanvaarden van regulier werk als vervolg op een Wiw-dienstbetrekking geen
haalbare optie is, kan aan betrokkenen een permanente detachering
worden aangeboden met een beloning die oploopt tot 120% van het
wettelijke minimumloon. In die gevallen treedt een verschuiving op van
het karakter van de Wiw-dienstbetrekking van arbeidsmarktinstrument naar een instrument voor additionele werkgelegenheid.
In beginsel gaat het bij
de in- en doorstroombanen om een volledig gesubsidieerde
uitbreiding van de reguliere werkgelegenheid in de (semi-)collectieve
sector, waarbij de arbeidsplaatsen zijn gereserveerd voor langdurig werklozen.
De hoogte van de
rijkssubsidie hangt samen met het uitgangspunt dat in beginsel sprake is van
een volledig gesubsidieerde uitbreiding van de collectieve
dienstverlening en heeft geen betrekking op de arbeidsmarktkenmerken van de werknemer die de
functie vervult. Voor deze categorie werklozen staan in eerste
instantie de Wiw-dienstbetrekking en de werkervaringsplaats open.
Dat de in- en
doorstroombanen niet zijn bestemd voor de werklozen met de grootste afstand
tot de arbeidsmarkt, blijkt eveneens uit de beloning die ingevolge
het onderhavige besluit betaald mag worden; namelijk maximaal 130%
van het wettelijk minimumloon voor instroombanen en 150% van het wettelijk
minimumloon voor doorstroombanen.
2. Grondslag besluit
Nu op grond van het
onderhavige besluit de uitvoering van de in- en doorstroombanen met
ingang van 1 januari 2000 geheel bij de gemeenten
komt te liggen, krijgt de
financiering van die activiteit steeds meer het karakter van een
specifieke uitkering waarop de Financiële-verhoudingswet
(Fvw) van toepassing is.
Specifieke uitkeringen zijn immers uitkeringen aan gemeenten ter bestrijding van in een bepaalde regeling
genoemde kosten die
gemeenten maken in het kader van een taak waarmee de gemeente op
grond van die regeling wordt belast. Vanaf 1 januari 2000 zal de
bekostiging van de in- en doorstroombanen ook geheel ten laste van de
begroting van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW)
plaatsvinden.
De systematiek van
financiering van deze banen die door de gemeenten worden gecreëerd is
vergelijkbaar met die van de voorzieningen die gemeenten verstrekken op
grond van de Wiw en de arbeid die zij creëren op grond van de
Wsw. De
doelgroep is in alle gevallen de langdurig werkloze die belemmeringen ondervindt toe te treden tot de arbeidsmarkt.
Net als de Wiw en de Wsw
is bekostiging van het gemeentelijk arbeidsmarktinstrumentarium via een aparte
regeling die betrekking heeft
op de specifieke
gemeentelijke taak aangewezen. Daarom is bij de bekostiging van de in- en
doorstroombanen door het Rijk ook sprake van een specifieke uitkering,
met dien verstande dat de gemeenten op basis van vrijwilligheid
meedoen.
De hoofdregel in de
Fvw is dat specifieke uitkeringen worden geregeld bij of krachtens de wet.
Tijdelijke specifieke uitkeringen met een structureel karakter kunnen op grond
van de Fvw bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden
geregeld, tenzij de specifieke uitkeringen een eenmalig of spoedeisend karakter hebben. Een dergelijke
AMvB vervalt
vier jaren nadat hij in
werking is getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet bij de
Staten-Generaal is ingediend waarin de specifieke uitkering is geregeld.
Specifieke uitkeringen
zijn ook subsidies als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht
(Awb).
De bepalingen van de Fvw zijn dan ook afgestemd op die van de Awb, met name
artikel 4:23 Awb, dat over de juridische grondslag van
de subsidieverstrekking gaat.
De afstemming tot de Fvw is ook tot uitdrukking gebracht in de
Kaderwet SZW-subsidies.
In artikel 3 van deze wet is bepaald dat - onverminderd hoofdstuk 3
van de Fvw
(inzake specifieke uitkeringen) - bij of krachtens AMvB of bij
ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ter zake van de verstrekking van subsidie.
In dit geval is sprake
van regeling van een specifieke uitkering (van de Minister van
SZW) die in
de toekomst een regeling bij wet krijgt. In paragraaf 1 van deze nota
van toelichting is aangegeven waarom gekozen is voor een
tijdelijke regeling vooruitlopend op een regeling bij wet. De bedoeling is
structurele financiering te garanderen. Het tijdelijke karakter heeft betrekking
op de juridische vormgeving en niet op de inhoud van de geldstroom
tussen het Rijk en de gemeenten
voor het scheppen van
arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen. Nu op grond van (artikel 17, derde
lid, van) de Fvw
bij een dergelijke tijdelijke regeling de AMvB-vorm is
aangewezen, kan deze AMvB vanwege de samenhang tussen de Fvw en de
Kaderwet SZW-subsidies gebaseerd worden op deze Kaderwet. Op grond van
(artikel 17, vierde lid, van) de Fvw
vervalt een dergelijke AMvB vier jaar
na de inwerkingtreding daarvan (of zoveel eerder bij inwerkingtreding van
de desbetreffende vervangende wettelijke regeling).
Omdat het onderhavige
besluit vanwege het doel en karakter daarvan op diverse onderdelen
afwijkt van de op de Kaderwet SZW-subsidies gebaseerde Algemene
Regeling SZW-subsidies, is, omwille van de eenvoud, (in artikel 2
van het besluit) de toepasselijkheid van laatstgenoemde
regeling uitgesloten. Het
besluit bevat derhalve een bijzondere regeling met betrekking
tot subsidieverstrekking op het terrein van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid ten opzichte van de algemene
regels die op grond van
de Algemene Regeling SZW-subsidies voor SZW-subsidies gelden.
Het besluit heeft tot
doel de aanspraken van gemeenten op financiële middelen te regelen in
verband met de kosten die voortvloeien uit het creëren van werkgelegenheid voor langdurig werklozen. De belangrijkste
kosten van de gemeenten
zijn de vergoedingen aan de werkgever voor de loonkosten van die werkgever. Daarvoor ontvangt de gemeente een
subsidie die is gebaseerd
op het aantal bezette arbeidsplaatsen. Deze vergoedingen zijn in
feite subsidies van de gemeente aan de werkgever. De voor die
subsidiestroom geldende voorwaarden zijn in dit besluit uitgewerkt, omdat die
bepalend zijn voor de besteding van de subsidie door de gemeente. Wat
geldt tussen gemeente en werkgever: hoe de vergoeding wordt
verleend, betaald en verantwoord bijvoorbeeld, is afhankelijk van de
gemeentelijke regelgeving. Hierop heeft dit besluit geen betrekking.
Daarnaast dient de subsidie nog voor overige en aanvullende kosten van de
gemeente voor het realiseren van deze arbeidsplaatsen ten
behoeve van langdurig werklozen. Deze aanvullende kosten kunnen ook bestaan
uit kosten voor de werkgever in verband met scholing en begeleiding.
De gemeente kan de werkgever hiervoor ook een bijdrage geven ten laste
van de rijkssubsidie.
Om uitstroompremies te
verstrekken, ontvangt de gemeente nog een aparte subsidie. Op de
fiscale en inkomensgevolgen van deze premies wordt in de navolgende
paragraaf nader ingegaan.
3. Doorstroombanen en
uitstroompremie
Doorstroming algemeen
In het Regeerakkoord 1998
wordt over de in- en doorstroombanen gesteld dat naarmate
meer sprake is van doorstroming vanuit de banen die op grond van de Ewlw tot stand zijn gekomen, meer ruimte voor nieuwe instroom aan
de onderkant ontstaat. Bewuste inzet op doorstroming geeft
bovendien meer perspectief aan de betrokken werknemers op hoger
gekwalificeerd werk en een daarmee samenhangend hoger inkomen. In het regeerakkoord wordt in dit verband aangegeven dat de
nagestreefde doorstroming zal worden bevorderd door - waar mogelijk - de betrokken werknemer met behulp van scholing, training en opleiding
voor hoger gekwalificeerd werk toe te rusten, waarbij ook doorstroming
naar de marktsector van belang blijft. Daarbij is aangekondigd dat gemeenten
uitbreiding krijgen van het aantal arbeidsplaatsen die voor een deel als
doorstroombanen met een wat hogere kwalificatie in de collectieve en de non-profitsector kunnen worden
gerealiseerd.
In het
regeerakkoord
wordt uitsluitend van "doorstroming" gesproken. In feite wordt daarmee op
twee bewegingen gedoeld. In de eerste plaats op doorstroom van
werknemers binnen de regeling, vanuit instroombanen naar hoger
gekwalificeerde doorstroombanen. In de tweede plaats op doorstroom van
werknemers uit de regeling naar andere, niet op grond van dit besluit
gesubsidieerde reguliere functies in de collectieve, non-profit- en marktsector. In het laatste geval is sprake van uitstroom.
Beide bewegingen kunnen
worden gestimuleerd door de in het regeerakkoord genoemde bevordering van
scholing, training en opleiding van werknemers. Op die wijze wordt de werknemer toegerust voor hoger
gekwalificeerd werk. In
het algemeen kan worden gesteld dat - waar mogelijk - het
bevorderen van uitstroom uit de regeling voorkeur verdient boven het bevorderen van
doorstroom binnen de regeling, omdat zo het belang van de werknemer
en van de gemeente
het meest wordt gediend.
Met het oog op uitstroom
naar een andere niet-gesubsidieerde baan binnen de organisatie van
de werkgever dienen de belangen van de werknemer bij interne vacaturevervulling nadrukkelijk te worden
meegenomen. In het regeerakkoord is dit aangeduid als het verkrijgen van een voorrangspositie.
Op dit punt staat het de gemeente
vrij nadere afspraken met werkgevers
te maken.
Naast het kabinet heeft
ook de Tweede Kamer er blijk van gegeven te hechten aan doorstroming
van in- en doorstroombanen. Tijdens de behandeling van de begroting van het
ministerie van SZW voor het jaar
1999 is door de Tweede Kamer de gewijzigde motie-Kamp aangenomen (Kamerstukken II
1999-1999, 26 200 XV, nr. 32). In deze motie wordt het
kabinet verzocht te bevorderen dat met een ieder die werkzaam is in een gesubsidieerde baan (bedoeld is:
instroombaan)
regelmatig een gesprek plaatsvindt over de doorstromingsmogelijkheden. Ook met het oog op
uitvoering van deze motie kan de gemeente een belangrijke rol spelen,
door dit in contacten met werkgevers onder de aandacht te brengen en
hierover zo mogelijk tot concrete afspraken te komen.
Hoe belangrijk de
bevordering van doorstroming ook is, voorop staat dat het oorspronkelijke
karakter van het werkgelegenheidsprogramma niet verdwijnt. Het gaat
bij de in- en doorstroombanen, net als bij de voormalige Ewlw-banen, om
subsidiëring van arbeidsplaatsen die voorzien in een structurele uitbreiding van de werkgelegenheid voor
langdurig werklozen.
De arbeidsplaatsen die in
aanvang tot stand komen, nu onder de noemer instroombanen,
vormen het reguliere fundament. Daarbij geldt dat ook de functies
vervuld op instroombanen onverkort eindfuncties kunnen blijven; een werknemer kan, gegeven zijn capaciteiten, ambities
en bekwaamheden, die functie blijvend vervullen. Doorstroom en uitstroom van werknemers
op deze arbeidsplaatsen dienen echter meer bevorderd te worden. Dit
is ingegeven door het streven het perspectief voor zittende werknemers
te verbeteren en gemeenten
in staat te stellen het instrument blijvend
te benutten voor nieuwe langdurig werklozen.
Doorstroombanen
Het
tot stand komen van
doorstroombanen is een zaak waar zowel werkgever, werknemer als gemeente
bij zijn betrokken en dat zich op verschillende manieren
laat denken. Een werknemer kan in zijn huidige functie op een instroombaan al zodanig
presteren dat omzetting van de
instroombaan in een doorstroombaan een geëigende formalisering daarvan is. Toestemming
van de gemeente is hiervoor vereist. Los van de werknemer kan een
werkgever besluiten naast functies op instroombanen, functies op een wat hoger
niveau samen te stellen en na toestemming van de
gemeente deze aan te bieden aan zijn werknemers op instroombanen. In dit
geval kan een doorstroombaan bijvoorbeeld een gewenste brug slaan
tussen de instroombaan en veel hoger ingeschaalde reguliere functies binnen
de organisatie. Daarnaast kunnen op doorstroombanen door taakafsplitsing van
hogere reguliere functies ook functies terugkeren die op enig
moment uit de organisatie waren verdwenen.
De doorstroombanen, als
middel voor bevordering van de doorstroom van werknemers binnen de
regeling, komen in de artikelsgewijze toelichting nader aan de
orde. Onderstaand wordt ingegaan op stimulering van de uitstroom van werknemers uit de regeling naar ander werk.
Uitstroompremie
Ter bevordering van de
uitstroom uit de regeling heeft het kabinet besloten een uitstroompremie in het leven te roepen. Bij de beantwoording
van de vragen aan wie en
op welke wijze een premie ter beschikking zou moeten
worden gesteld, is het volgende overwogen. Werknemers zullen in het
algemeen alleen naar werk buiten de regeling uitstromen als dit
positieverbetering met zich brengt. De mogelijkheid tot positieverbetering wordt
sterk bepaald door toegenomen kwalificaties van de werknemer. Bij het
verhogen van de kwalificaties van de werknemer kunnen vier partijen
worden onderscheiden die zich daarvoor kunnen inzetten. Te
onderscheiden valt de gemeente als uitvoerder van de regeling, de huidige
werkgever, de nieuwe werkgever en de werknemer zelf. Voor elk van hen
geldt dat zij verschillende belangen en beïnvloedingsmogelijkheden hebben om een hogere
kwalificatie van de werknemer te bewerkstelligen en
daarmee de uitstroom uit de regeling te bevorderen. Onderstaand
wordt dit nader uitgewerkt.
De werknemer kan worden
beschouwd als degene met het grootste belang bij uitstroom naar
een functie buiten de regeling, gepaard gaande met positieverbetering.
Door het volgen van scholing en training kan de werknemer dit
beïnvloeden. Daarnaast staan de werknemer andere middelen ter beschikking
zoals het opbouwen van een netwerk, het actief zoeken van vacatures en
uiteraard het solliciteren. Gemeend is dat met het in het vooruitzicht
stellen van een premie kan worden bijgedragen aan het stimuleren van de
genoemde activiteiten bij de werknemer. Om die reden is ervoor gekozen
een deel van de rijkssubsidie voor uitstroombeleid rechtstreeks te bestemmen
voor de werknemer. In algemene zin ontstaat na een bepaalde verblijfsduur op een ID-dienstbetrekking voor de
werknemer het recht op
een premie als hij of zij duurzaam uitstroomt. In figuurlijke zin wordt aan
de werknemer op zeker moment een voucher - een tegoedbon - ter
beschikking gesteld. Deze kan een halfjaar na uitstroom uit de
onderhavige regeling worden verzilverd als de werknemer door middel van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd
van minimaal één jaar kan aantonen naar een andere, niet in het kader
van dit besluit gesubsidieerde baan te zijn uitgestroomd.
De premie voor de
werknemer wordt aan hem uitgekeerd door de gemeente die daarvoor
door het Rijk wordt gecompenseerd. In het besluit is de termijn dat de werknemer een baan in het kader van het besluit moet
hebben vervuld om bij uitstroom recht te hebben op een uitstroompremie bepaald op twee jaar. Bij
de bepaling van deze termijn is zowel rekening gehouden met de
wenselijkheid voor de werkgever om gedurende een minimale
duur van de diensten van de ID-werknemer gebruik te kunnen maken
als voor de werknemer om gedurende een bepaalde periode in staat
te zijn werkervaring op te doen en zich hoger te kwalificeren.
De huidige werkgever van
een ID-werknemer heeft er belang bij de werknemer perspectief te
bieden. Dat perspectief kan door de werkgever worden beïnvloed door
periodiek loopbaangesprekken te houden en het aanbieden van geëigende scholing alsmede door
contacten of afspraken
aan te gaan met
werkgevers buiten het besluit met het oog op vervulling van vacatures bij
laatstgenoemden. Deze inspanningen kunnen vooral van belang zijn voor
werkgevers wier werknemersbestand overwegend bestaat uit werknemers in
het kader van het besluit. In het zicht van uitstroompremies aan de
werkgever wordt het verlies van ervaren werknemers bij de
werkgever gecompenseerd doordat middelen ter beschikking komen voor
het extra scholen en/of begeleiden van nieuwe ID-werknemers. Voor
werkgevers met een grotere organisatie waarbinnen het aantal ID-werknemers
beperkt is, betekenen ID-werknemers een reservoir aan potentiële
kandidaten voor vervulling van reguliere vacatures binnen de eigen organisatie. In die situatie kan voor een
ID-werknemer de huidige
werkgever op eenvoudige wijze de vorm aannemen van een
werkgever voor een functie buiten de reikwijdte van dit besluit. Om het
reservoir optimaal te kunnen aanspreken, is het ook voor een werkgever met
een grotere organisatie zinvol met ID-werknemers periodiek
loopbaangesprekken te houden en hen scholing te laten volgen gericht op andere
reguliere functies en om in algemene zin tot afspraken over
personeelsbeleid met betrekking tot ID-werknemers te komen. Ook dan kan ter
beschikking komende financiële ruimte voor extra begeleiding en/of
scholing van hetzij nieuwe ID-werknemers, hetzij voormalige ID-werknemers
op andere reguliere functies werkgevers stimuleren tot bevordering van uitstroom van ID-werknemers uit een
dienstbetrekking in de zin van dit besluit.
Daarbuiten kan elke
nieuwe werkgever worden gestimuleerd in het laten vervullen van
vacatures door voormalige ID-werknemers door het beschikbaar komen van
extra middelen voor scholing en/of begeleiding in de vorm van uitstroompremies aan deze nieuwe werkgever.
Het belang en de
beïnvloedingsmogelijkheden van huidige en nieuwe werkgevers op de
uitstroom naar ander werk van ID-werknemers kan variëren en wordt door
verschillende, uiteenlopende zaken bepaald. Om die reden is ervan
afgezien op voorhand vast te leggen of, en zo ja, welke werkgever in aanmerking
komt voor uitstroompremies. Dit wordt overgelaten aan uitkomsten van
overleg tussen werkgevers en gemeenten en de door werkgevers
bereikte resultaten.
Voor de
gemeente geldt
dat de taakstelling op het gebied van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid
bestaat uit integratie van langdurig werklozen in het arbeidsproces. Hiertoe moeten onder andere voortdurend
nieuwe mogelijkheden voor
instroom in de ID-banen worden gecreëerd. Gemeenten hebben een regiefunctie bij de uitvoering van de
Regeling ID-banen. Naar aanleiding van de al eerder in deze paragraaf besproken
motie-Kamp
wordt gemeenten in dit kader reeds gevraagd bij werkgevers het belang van
regelmatige loopbaangesprekken met werknemers aan de orde te
stellen. Tevens wordt gemeenten gevraagd bij werkgevers bevordering
van doorstroming te bewerkstelligen door in onderhandelingen
afspraken te maken over vergoedingen voor scholing en training van de
desbetreffende werknemers.
In het licht van het
gegeven dat bij gemeenten het totaaloverzicht over de uitvoering van de
onderhavige regeling aanwezig is, gekoppeld aan de sturende rol die van
gemeenten wordt gevraagd in onderhandelingen met werkgevers over het
bevorderen van doorstroom binnen en uitstroom uit het besluit, is besloten
een deel van de subsidie voor uitstroombeleid beschikbaar te stellen aan de gemeenten. De gemeente kan dit instrument
naar eigen inzicht bij werkgevers inzetten, gegeven de bereidheid die werkgevers tonen in het
hoger kwalificeren van werknemers en gegeven de resultaten die daarmee
met betrekking tot uitstroom worden bereikt of de bereidheid die wordt
getoond in het in dienst nemen van voormalige ID-werknemers op functies
buiten het besluit. De gemeente kan de subsidies voor de
uitstroompremie niet voor eigen uitvoeringskosten aanwenden. De
uitstroompremie voor de werknemer is gekoppeld aan die voor de gemeente. Slechts
wanneer een werknemer uitstroomt - en voldoet aan de
vastgestelde criteria - kan de gemeente de uitstroompremie voor werknemer en
gemeente declareren.
De hoogte van de
rijkssubsidie voor uitstroompremies als instrument voor de gemeente, alsmede
de hoogte van de uitstroompremie voor de werknemer, worden nader
bij ministeriële regeling bepaald. Aansluiting zal worden gezocht bij de
hoogte van andere incentives zoals het premiebedrag per persoon
dat in de Algemene bijstandswet wordt vrijgelaten als inkomen
naast de uitkering en de hoogte van de specifieke afdrachtskorting
(afdrachtvermindering lage lonen op grond van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA)).
Het is wenselijk te
voorkomen dat de stimulerende effecten van de uitstroompremie teniet
worden gedaan door negatieve effecten op andere regelingen, zoals een
lagere aanspraak op huursubsidie. In verband hiermee is in het
onderhavige besluit bepaald dat de belasting en premie volksverzekeringen met
betrekking tot de eenmalige uitstroompremie voor rekening van de
gemeente komen en dat deze eenmalige premie niet in aanmerking hoeft te
worden genomen bij inkomensafhankelijke regelingen. De bedoelde
regeling is gebaseerd op artikel 3, vierde lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies, waarin de mogelijkheid is geschapen om bij
algemene maatregel van
bestuur te bepalen dat voor een specifieke subsidie in de vorm van
een eenmalige premie ter bevordering van uitstroom uit een
gesubsidieerde baan de daarover verschuldigde belasting en premie
volksverzekeringen voor rekening van de gemeente komen en dat deze premies
niet in aanmerking worden genomen bij inkomensafhankelijke
regelingen.
4. Overheveling zorgbanen
Naar aanleiding van het
40 000-banenplan, zoals in het voorgaande regeerakkoord verwoord,
zijn - naast banen aan gemeenten
- banen aan de zorg toegekend. Voor
deze zorgbanen werden via het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS) drie uitvoeringsinstanties in de zorg (het Centraal orgaan
tarieven gezondheidszorg (COTG) [zie College tarieven gezondheidszorg, red.], de Stichting
Arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsfonds voor de sector zorg en welzijn
(Awo) of
de Stichting Arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsfonds
bejaardenoorden (Awob)) belast met de uitvoering. Eind 1998 heeft de
regering besloten de uitvoering en het beheer van deze arbeidsplaatsen over te
hevelen van deze uitvoeringsinstanties in de zorg naar de gemeenten. Deze
overheveling heeft per 1 januari 2000 haar beslag gekregen. Daartoe
zijn eind 1999 aan gemeenten de zorgbanen toegekend die zich binnen
hun gemeentegrenzen bevinden. Deze arbeidsplaatsen worden
met ingang van 1 januari 2000 door het ministerie van SZW aan gemeenten gesubsidieerd. Hiermee is de voormalige
rol van het ministerie
van VWS als subsidieverstrekker voor de zorgbanen door het ministerie van
SZW overgenomen. Gemeenten en zorginstellingen zijn in de loop van 1999 uitgebreid geïnformeerd en voorgelicht
over deze overheveling
die gepaard ging met een procedure voor het overdragen van gegevens
benodigd voor het tot stand komen van de nieuwe formele relaties
tussen het ministerie van SZW en gemeenten, respectievelijk tussen
gemeenten en zorgwerkgevers.
De overheveling omvat
circa 14 000 arbeidsplaatsen. Deze zijn tot medio 1998 door de
uitvoeringsinstanties in de zorg aan zorginstellingen toegekend en waren voor
het overgrote deel reeds (of weer) bezet. Het aantal zorgbanen dat per gemeente
is overgeheveld, staat niet altijd in verhouding tot het aantal
in- en doorstroombanen dat onder de werking van de verschillende
ministeriële regelingen aan de betrokken gemeente was toegekend. Dit is het
gevolg van de uiteenlopende wijzen waarop in het verleden
arbeidsplaatsen aan gemeenten en zorginstellingen zijn toegekend. Ten aanzien
van gemeenten zijn in de afgelopen jaren verdeelsleutels voor de
beschikbaar komende contingenten arbeidsplaatsen gehanteerd op grond van
objectieve criteria. Aan zorginstellingen zijn arbeidsplaatsen
toegekend naar aanleiding van aanvragen (en dus de behoefte) van de
instellingen zelf. Afhankelijk van het aantal zorgbanen dat zich binnen
de gemeentegrenzen bevindt, is het resultaat daarvan dat er gemeenten
zijn die door overheveling een meer dan evenredige uitbreiding
van het aantal in- en doorstroombanen hebben gekregen. Voor andere
gemeenten geldt dat zij naar verhouding een onevenredig kleine uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen hebben
gekregen als gevolg van
de overheveling. Bij de gehanteerde wijze van toedeling is als
uitgangspunt genomen om in letterlijke zin de afstand tussen de zorginstelling
met arbeidsplaatsen en de gemeente zo klein mogelijk te houden.
Het regime waaronder de
arbeidsplaatsen in de zorg tot stand konden worden gebracht, week op
onderdelen af van het regime dat tot dusverre heeft gegolden voor de
gemeentelijke arbeidsplaatsen. Om die reden is besloten tot 2003 op
onderdelen een overgangsregime voor de zorgbanen in te stellen. Dit overgangsregime heeft vooral betrekking op de
vergoedingsbedragen die gemeenten aan zorgwerkgevers dienen te verstrekken en de mate
waarin zorgwerkgevers gelegenheid wordt geboden ontstane
vacatures te vervullen. Het ligt nadrukkelijk in de bedoeling dat de voor de
zorg tot stand gebrachte uitbreiding van de werkgelegenheid voor de
zorg behouden blijft, ook nu de uitvoering onder de verantwoordelijkheid
van gemeenten valt.
De zorgbanen die bij de
overheveling zijn betrokken, de zogenaamde "oude" zorgbanen,
dienen onderscheiden te worden van de banen die reeds vanaf 1999 door
gemeenten bij zorginstellingen tot stand konden worden gebracht op basis
van de Regeling ID-banen. Op laatstgenoemde banen, die te kwalificeren
zijn als "nieuwe" zorgbanen, is het gemeentelijke regime van toepassing.
5.
Bekostigingssystematiek
Over de beloning is in
het regeerakkoord afgesproken om de maximumbeloning van de
bestaande (instroom)banen te bepalen op 130% van het wettelijk
minimumloon (exclusief toeslagen voor werk op onregelmatige uren).
Daarmee passen deze banen in de laagste reguliere CAO-schaal van de betrokken sectoren.
Naast de bestaande
(instroom)banen is het vanaf 2000 mogelijk dat werkgevers zogenaamde
doorstroombanen creëren. Beloningstechnisch gezien is het
belangrijkste verschil tussen een instroombaan en een doorstroombaan dat de
maximale beloning voor een doorstroombaan 150% van het wettelijk
minimumloon is (exclusief toeslagen voor werk op onregelmatige uren). In
het regeerakkoord is tevens vastgelegd dat het verschil in vergoeding
van 130% van het wettelijk minimumloon en de toegestane maximale
beloningshoogte van 150% van het wettelijk minimumloon bij een
doorstroombaan door gemeenten
casu quo werkgevers zelf dient te
worden gefinancierd. Voor een nadere toelichting op doorstroombanen wordt
verwezen naar de toelichting bij artikel 10.
Het vergoedingssysteem
voor de in- en doorstroombanen aan de gemeenten bestaat uit
vier categorieën:
1. een bedrag voor
instroombanen gedurende de eerste vier jaar;
2. een bedrag voor
instroombanen na vier jaar of voor een baan die al vóór 1 januari 1996 was
vervuld;
3. een bedrag voor
doorstroombanen;
4. een bedrag voor
instroombanen die tot en met 1998 zijn toegekend en vóór of op 1 januari
1999 zijn bezet.
Laatstgenoemde categorie
zal in de eindsituatie (uiterlijk eind 2002) niet meer van toepassing zijn,
omdat voor werknemers die per 1 januari 1999 in hun dienstbetrekking
op grond van de Regeling ID-banen zijn
begonnen de termijn van
vier jaar is verstreken. Hierna is op deze werknemers de categorie instroombanen na vier jaar van toepassing.
Jaarlijks zullen de
vergoedingsbedragen worden herijkt voor de loon- en prijsontwikkelingen en de
mate waarin werkgevers gebruik maken van de afdrachtverminderingen
op grond van de hoofdstukken III en IV van de WVA. Om een juiste
inschatting te kunnen maken van het gebruik van de afdrachtvermindering lage
lonen (ook wel SPAK [specifieke afdrachtskorting, red.] genoemd) en de doorstroom afdrachtvermindering lage lonen
("doorstroomSPAK") door
werkgevers zal dit gebruik door het ministerie van SZW worden onderzocht.
6. Uitvoeringseffecten
Dit besluit heeft,
evenals de Regeling ID-banen, een aantal effecten voor de werkgelegenheid, de
uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid. Het gaat hierbij om aspecten
waaraan de regering in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit
(MDW) specifiek
aandacht besteedt. In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de belangrijkste afwegingen
die bij de desbetreffende keuzen een rol hebben gespeeld. Tevens wordt
hierbij aandacht besteed aan de MDW-toets specifieke uitkeringen,
de zogenaamde Griffioen-toets.
Effecten voor de
concurrentieverhoudingen
Op grond van de
Regeling ID-banen is de toedeling van de 20 000 extra arbeidsplaatsen voor de
periode van 1999 tot 2002 reeds bekendgemaakt aan de gemeenten; per
jaar gaat het om 5000 arbeidsplaatsen. De gemeenten krijgen aan
subsidie echter niet meer verstrekt dan overeenkomt met het aantal arbeidsplaatsen dat tot en met het desbetreffende
kalenderjaar is toegekend. Door het tijdig bekendmaken van de ontwikkeling in de te
verstrekken arbeidsplaatsen worden de gemeenten wel in staat gesteld te anticiperen op de groei in het volgende jaar. Het
vorenstaande heeft tot
gevolg dat in de jaren 2000 tot en met 2002 het aantal arbeidsplaatsen
nog met 15 000 arbeidsplaatsen zal toenemen.
Aangezien de
arbeidsplaatsen gerealiseerd worden in de collectieve en
non-profitsector, heeft
deze volumeontwikkeling consequenties voor de werkgevers in deze
sectoren. Werkgevers kunnen aanvragen voor arbeidsplaatsen bij de gemeente
(blijven) indienen.
Voorkomen moet worden dat
door het toekennen van arbeidsplaatsen in de zin van dit besluit
andere reguliere arbeidsplaatsen worden verdrongen. Daartoe is in
dit besluit opgenomen dat alleen arbeidsplaatsen waarover het medezeggenschapsorgaan van de instelling een
positief advies heeft uitgebracht voor vergoeding in aanmerking komen.
Voorts is in het besluit
de toets op recent ontslag opgenomen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen
dat arbeidsplaatsen worden toegekend aan werkgevers bij wie in een
recent verleden dienstbetrekkingen om bedrijfseconomische redenen zijn beëindigd of waarvoor een ontslagprocedure
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] loopt. De procedures inzake de beoordeling
van
het bovenformatieve karakter van de arbeidsplaatsen alsmede de toets op recent ontslag, worden afdoende geacht om
ervoor te waken dat recht
wordt gedaan aan het werkgelegenheidsaspect, namelijk uitbreiding
daarvan.
De instellingen en
publiekrechtelijke lichamen kunnen zichzelf aanmelden om in aanmerking te komen
voor arbeidsplaatsen; met andere woorden deelname is op
vrijwillige basis. Hoewel de arbeidsplaatsen alleen in de collectieve
en de non-profitsector kunnen worden gerealiseerd en derhalve het risico
voor indirecte gevolgen niet hoog wordt ingeschat, kunnen deze
zich wel voordoen, met name in de sfeer van de concurrentieverhoudingen.
De activiteiten die door de instellingen bedoeld in dit besluit
worden verricht, zijn in een aantal gevallen ook marktactiviteiten die
dus ook door andere ondernemingen in concurrentie worden verricht.
In het besluit is daartoe
opgenomen dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord mogen
worden beïnvloed met de prijzen voor de goederen en diensten die tengevolge van de arbeid in de desbetreffende dienstbetrekking worden
geleverd. Omdat het hier vooral om publiekrechtelijke instellingen gaat of
instellingen die met een taak van algemeen belang worden belast, zal
die concurrentievervalsing zich niet zo gauw voordoen; er zal immers
voor die diensten geen marktconforme prijs worden berekend. Bij de
beoordeling of een prijs concurrentievervalsend is, moet ook worden
afgewogen of het aanbieden van diensten voor een lagere prijs in het
belang van de uitoefening van de publieke taak juist verantwoord is en daarom
toetsing aan mededingingsregels niet aan de orde is. De
mededingingsregels van het EG-verdrag zijn dan in dit geval niet van toepassing. Er
is dan geen sprake van concurrentievervalsing op de gemeenschappelijke
markt of het ongunstig beïnvloeden van de handel tussen de
EG-lidstaten. Om die reden kunnen de rijksbijdragen die op grond van dit besluit
worden verstrekt en via de gemeenten
aan ondernemingen ten goede
komen, niet aangemerkt worden als steunmaatregelen waarop artikel 87 (ex
artikel 92) van het EG-verdrag van toepassing is. De
rijksbijdragen zijn op zich wel aan te merken als steunmaatregelen, omdat
niet alle ondernemingen voor vergoedingen op grond van dit besluit in
aanmerking kunnen komen. Er hoeft echter niet getoetst te worden of
deze bijdragen als steunmaatregelen verenigbaar zijn met de
gemeenschappelijke markt.
Dit neemt niet
weg dat
de gemeenten ervoor verantwoordelijk zijn dat concurrentievervalsing
wordt voorkomen. De gemeente vervult hierbij verschillende rollen.
Enerzijds bepaalt zij welke instellingen in aanmerkingen komen voor de geheel
gesubsidieerde arbeidsplaatsen. De toekenning van de daarmee
samenhangende vergoeding aan werkgevers is een subsidiebeschikking waartegen een derde belanghebbende
onderneming bezwaar kan maken indien hij daarvan tijdig op de hoogte is. Anderzijds kan de
gemeente zelf de arbeidsplaatsen realiseren bij gemeentelijke diensten.
Dat kan evenals andere marktactiviteiten van een gemeente tot benadeling
leiden, waardoor een onderneming schade kan leiden. De norm in dit
besluit dient dan als aanknopingspunt voor zo’n civiele actie.
Het is te verwachten dat
het niet zo ver zal hoeven te komen dat juridische stappen moeten
worden genomen. De gemeente heeft immers ook de verantwoordelijkheid klachten van ondernemers te behandelen.
Het wordt aan de
gemeenten overgelaten om hiervoor - zo nodig - een procedure te ontwikkelen.
Een suggestie is om de regels die de gemeenten hebben moeten stellen voor de beoordeling van klachten over
concurrentievervalsing in
het kader van de Wiw, ook op het onderhavige besluit van toepassing te verklaren. Overigens ligt het in de rede dat de
gemeenten in overleg
treden met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de regio
over de wijze waarop een klachtenprocedure vorm moet krijgen,
alsmede over de toepassing ervan.
Effecten voor de
werkgevers
De instellingen en de
organisaties die reeds deelnemen of hebben deelgenomen aan de eerder
genoemde opeenvolgende ministeriële regelingen op dit terrein, ondervinden, voor zover het betreft de gemeentelijke banen, nauwelijks
gevolgen van het onderhavige besluit. Dit besluit komt immers neer op
voortzetting van het huidige beleid.
De instellingen op het
terrein van de zorg zullen wel worden geconfronteerd met gevolgen. Tot 1
januari 2000 hadden zij hoofdzakelijk te maken met het COTG, de
Stichting Awo of de Stichting Awob. Hierbij ging het om de banen die tot en
met 1998 door deze organisaties waren toegekend; de zogenaamde "oude" zorgbanen. Voor zover de werkgevers
in de zorg
(zorginstellingen) in 1999 in aanmerking wensten te komen voor banen, dienden zij
zich al te wenden tot de gemeenten. Op grond van de
Regeling ID-banen zijn
vanaf 1 januari 1999 immers uitsluitend de gemeenten belast met de
toewijzing van de in- en doorstroombanen. Met de inwerkingtreding van
het onderhavige besluit zijn vanaf 1 januari 2000 de gemeenten echter ook
belast met de uitvoering van de oude zorgbanen en moeten derhalve de
zorginstellingen zich vanaf deze datum voor de oude zorgbanen ook tot de
gemeenten wenden.
In het algemeen hadden de
zorginstellingen tot nu toe slechts te maken met één instelling voor
de toewijzing van banen en voor de subsidieverstrekking. Met ingang van 1 januari
2000 zijn de werkgevers in de zorg voor de toewijzing van
banen en voor subsidieverstrekking afhankelijk van de gemeente(n). Het wordt
aan de instellingen zelf overgelaten of zij zich daarvoor tot één gemeente wenden dan wel tot verschillende gemeenten.
Indien zij arbeidsplaatsen krijgen toegewezen door verschillende gemeenten, zullen zij
van
verschillende gemeenten vergoedingen ontvangen en van de
besteding daarvan moeten zij zoals van iedere gemeentelijke subsidie
verantwoording afleggen. In die situatie ontstaat dan een toeneming van de
administratieve lasten.
Ingevolge het
Regeerakkoord 1998 zullen 10 000 van de 60 000 arbeidsplaatsen worden
aangemerkt als doorstroombanen, derhalve één op de zes arbeidsplaatsen. Dit
is een nieuw aspect waaraan de gemeenten invulling dienen te
geven. In paragraaf 3 van deze nota van toelichting is op dit aspect uitgebreid
ingegaan. Het creëren van doorstroombanen biedt werkgevers de
mogelijkheid om in overleg met de gemeenten te bezien of zo’n baan in
hun organisatie kan worden gerealiseerd.
Effecten voor de
werknemers
Het besluit is primair
van belang voor de doelgroep, te weten de langdurig werklozen. Het
besluit brengt in zoverre een verruiming met zich dat werknemers op
termijn in aanmerking kunnen komen voor plaatsing op een doorstroombaan. De beloning in een doorstroombaan
kan oplopen tot 150% van
het wettelijk minimumloon. De werknemer die uitstroomt van een in- of doorstroombaan naar een andere, niet ingevolge
dit besluit
gesubsidieerde baan, komt in aanmerking voor een uitstroompremie. Op deze wijze ontstaan
nieuwe instroomkansen voor langdurig werklozen en
doorstroomkansen voor andere werknemers.
Effecten voor de
uitvoering
Met ingang van 1 januari
1998 was de Ewlw opengesteld voor alle gemeenten.
Meedoen aan de regeling geschiedde op basis van vrijwilligheid. In de
praktijk blijkt slechts een zeer gering aantal gemeenten af te zien van deelname.
De inwerkingtreding van dit besluit verandert hieraan niets. Ook nu geschiedt deelname van gemeenten op basis van
vrijwilligheid. Elk jaar
moeten de gemeenten in beginsel een bereidverklaring naar het ministerie van
SZW sturen. Met deze bereidverklaring verplicht een gemeente
zich om het aantal arbeidsplaatsen dat daarin is opgenomen te realiseren.
De gemeente is dus niet gehouden het aan haar toegekende aantal
arbeidsplaatsen in zijn geheel te accepteren. Het inzenden van de
zogenaamde bereidverklaring is ook van toepassing op de oude zorgbanen die per
1 januari 2000 naar de gemeenten overgaan.
Vanaf 1 januari 2000 zijn
de gemeenten volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van de in-
en doorstroombanen, derhalve zowel voor de gemeentelijke banen als
de banen in de zorg. Dit heeft tot gevolg dat de gemeenten de
verplichtingen van de uitvoeringsinstanties in de zorg overnemen, voor zover
deze betrekking hebben op het jaar 2000 en daarna. Daarnaast geldt
voor de oude zorgbanen tot en met 2002 een op bepaalde punten afwijkend
regime ten opzichte van dat voor de gemeentelijke in- en doorstroombanen.
De hieraan verbonden financiële consequentie is door de regering onderkend. In verband hiermee zullen
de gemeenten een
compensatie ontvangen.
Over de wijze van
overheveling en de daaruit voortvloeiende consequenties is met de VNG, een
vertegenwoordiging van met name kleine(re) gemeenten en de
uitvoeringsinstanties in de zorg overleg gevoerd. Hierbij waren eveneens
de
ministeries van VWS en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) betrokken. De VNG en de geraadpleegde
gemeenten hebben te
kennen gegeven dat zij in staat en in beginsel bereid waren om de
uitvoering van de oude zorgbanen op zich te nemen. De gekozen systematiek
komt op afdoende en evenwichtige wijze tegemoet aan de negatieve
gevolgen voor uitvoeringsinstanties en gemeenten.
Effecten voortvloeiend
uit de rechtsbescherming
De
gemeenten kunnen
bezwaar maken tegen de hoogte van de subsidie die op grond
van dit besluit op basis van de aantallen arbeidsplaatsen wordt verleend. Daarna
staat beroep open.
De verleende subsidie is
afhankelijk van het aantal arbeidsplaatsen; de subsidie wordt betaald
aan de hand van de opgave van de aantallen bezette arbeidsplaatsen
door de gemeente. De subsidiebedragen worden bepaald aan de hand van
de vastgestelde totaalbedragen, inclusief de bedragen voor uitvoerings- en aanvullende kosten. Dit
betekent dat
anders dan over de mate van bezetting van de arbeidsplaatsen, over de besteding van de
subsidiebedragen geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. De conflicten
zullen dus betrekking hebben op de aantallen arbeidsplaatsen die zijn
toegekend en die in verband met de niet-bezetting kunnen
worden herzien. In het algemeen zal uitbreiding van het aantal
arbeidsplaatsen en derhalve van het aantal beslissingen leiden tot meer bezwaar en
beroep. Bij de toekenning van de jaarlijkse contingenten arbeidsplaatsen aan
gemeenten onder de werking van de voormalige verschillende
ministeriële regelingen op dit terrein is niet gebleken dat dit heeft
geleid tot een toename van bezwaar of beroep. De bezwaar- en beroepszaken
hadden vooral betrekking op de herzieningen. De verwachting is dan ook
gerechtvaardigd dat onder de werking van het onderhavige besluit het
aantal zaken van gemeenten niet zal toenemen.
Voor de uitvoering van de
zorgbanen had de Minister van VWS alleen te maken met de Stichting
Awo en de Stichting Awob. De toekenningen van het COTG gingen via
budgetbeschikkingen. Het COTG is op grond van de Wet
tarieven gezondheidszorg verantwoordelijk voor de budgetten in de gezondheidszorg. Dit
besluit zal tot gevolg kunnen hebben dat gemeenten
bezwaar hebben
tegen de aantallen zorgbanen die aan hen worden toegekend. Omdat
dit proces van overheveling van zorgbanen nauwkeurig begeleid
wordt, zal het in praktijk waarschijnlijk niet zover komen dat gemeenten
bezwaar of beroep instellen.
Tegen de besluiten van de
gemeente in het kader van het onderhavige besluit kan door de
werkgever bezwaar worden gemaakt en beroep bij de rechtbank worden
ingesteld. Bezien is welke effecten het besluit kan hebben voor de belasting
van de rechterlijke macht. Het gaat hierbij dan voornamelijk om de besluiten die de gemeente neemt over het al dan niet
toekennen van arbeidsplaatsen, om de subsidiebeschikkingen die de gemeente aan de
werkgevers afgeeft, alsmede de door de gemeente af te geven verklaringen
langdurig werkloze. De gemeenten zullen met meer werkgevers te maken krijgen. Niet te overzien is of dit tot meer bezwaar of
beroep zal leiden. Eén en ander is zeer afhankelijk van de houding van de
gemeenten ten opzichte
van de werkgevers. Tot nu toe is ook op gemeentelijk niveau inhoud gegeven aan
de regelingen op basis van vrijwilligheid en is door de gemeenten
een beroep gedaan op de bereidheid langdurig werklozen werkzaamheden
te laten verrichten. Dit betekent dat conflicten over de toepassing van de
regelingen die voorafgingen aan dit besluit niet via bezwaar of
beroep werden beslecht.
Conflicten die
voortvloeien uit de dienstbetrekking moeten worden voorgelegd aan de civiele
rechter en die welke voortvloeien uit de ambtelijke aanstelling, aan de ambtenarenrechter. Beroep tegen de
verklaring langdurig
werkloze dient te worden voorgelegd aan de bestuursrechter. Afgaande
op de ervaringen met de eerdere ministeriële regelingen gedurende de
afgelopen jaren heeft dit, voor zover bekend, niet geleid tot een
belasting voor de rechterlijke macht. De verwachting is dan ook dat als gevolg
van dit besluit niet meer dan gebruikelijk conflicten aan de rechter zullen
worden voorgelegd.
Voor het overige zal er
voor de gemeenten wat betreft de uitvoering weinig veranderen.
Effecten voor de rijksbegroting
Een nieuw instrument in
het onderhavige besluit is de uitstroompremie. De helft van de premie is
rechtstreeks bestemd voor de werknemer die aan de in het besluit
daartoe geformuleerde voorwaarde voldoet. Om de effectiviteit van het
instrument zo groot mogelijk te laten zijn, is ervoor gekozen het instrument
zodanig vorm te geven dat de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting en de
premie volksverzekeringen voor rekening komen van de
inhoudingsplichtige overheidsinstantie, in casu de gemeente. Tevens is
geregeld dat de premie buiten beschouwing wordt gelaten bij de bepaling
van de hoogte van inkomensafhankelijke publiekrechtelijke uitkeringen zoals de
huursubsidie.
Bovenstaande kan gevolgen
hebben voor de uitgaven op de rijksbegroting.
Het is echter moeilijk te
bepalen wat het effect van de uitstroompremie is op de aanspraak van
inkomensafhankelijke uitkeringen (zoals de huursubsidie). De verwachting is dat de consequenties voor de
rijksbegroting
beperkt zullen zijn
vanwege de hoogte van de premie, het feit dat de premie slechts
eenmalig aan een werknemer verstrekt kan worden en de verwachte uitstroom.
Vooralsnog wordt uitgegaan van een uitstroom van 1500 werknemers in
het jaar 2000.
MDW-toets specifieke
uitkeringen
Ingevolge een besluit van
het vorige kabinet dienden de departementen hun specifieke
uitkeringen door te lichten. Hieraan liggen de conclusies van de commissie-Griffioen en van de
MDW-werkgroep-Pennekamp ten grondslag. Doel van de
toetsing is de specifieke uitkeringen te toetsen met het oog op verlaging van
de bestuurslasten, zonder aantasting van de beleidsmatige doelstellingen. In 1999 is de
Regeling ID-banen onderwerp
van toetsing geweest. Bij
de inrichting van het besluit is rekening gehouden met de bevindingen in het kader van voormelde regeling. Voor
de systematiek van betaling op basis van declaraties, van verantwoording
via de jaaropgave en controle op basis van accountants- en controleprotocollen
is aangesloten bij hetgeen gemeenten gewend zijn op grond van andere specifieke
uitkeringen van SZW. De methodiek van vaste subsidiebedragen
vereenvoudigt de verantwoording: de wijze van besteding van onderdelen
van die bedragen hoeft niet te worden verantwoord.
Toezichthouders
De
Kaderwet SZW-subsidies
waarop dit besluit is gebaseerd, regelt dat de Minister van SZW de
toezichthouders nader kan aanwijzen. Dit is gebeurd in de op dit
besluit gebaseerde ministeriële regeling. Aangewezen worden de ambtenaren van
de Directie Toezicht van het ministerie van SZW die toezicht houden op de naleving van dit besluit op een wijze
die vergelijkbaar is met
het toezicht op de gemeentelijke uitkeringsverstrekking en toeleiding naar werk.
Het toezicht heeft betrekking op de rechtmatigheid en
doeltreffendheid van dit besluit en sluit aan bij de ontwikkelingen op het
gebied van de single audit. Dit betekent niet alleen dat het toezicht op twee
niveaus plaatsvindt - eerstelijns- en tweedelijnsuitvoeringscontrole - maar ook dat de
minister zich bij de definitieve vaststelling van de rijkssubsidie in beginsel baseert op bestuurlijke en verantwoordingsinformatie
van de gemeente. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de
uitvoering door gemeenten zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt
van de uitkomsten van de controle door de bij de gemeente fungerende
accountant. Op grond van artikel 15, vijfde lid, van dit besluit wordt
hiervoor een controle- en rapportageprotocol opgesteld.
In een latere fase kan
worden overgegaan naar een vorm van single audit waarbij de gemeente
een beleidsverslag over de uitvoeringsresultaten opstelt.
Het is niet de bedoeling
dat de gemeenten op grond van dit besluit extra informatieverplichtingen krijgen opgelegd. Het beginsel van single
audit bewerkstelligt dit.
Artikelsgewijs
Artikel 1. Definities
In het eerste lid,
onderdeel b, en het tweede lid is geregeld wie in aanmerking kunnen komen
voor een dienstbetrekking in de zin van dit besluit. Daarnaast is op
grond van artikel 5, derde lid, van dit besluit aan de gemeente de bevoegdheid gegeven personen die in vergelijkbare
omstandigheden verkeren als die bedoeld in de onderhavige artikelleden, te weten het langdurig
werkloos zijn, eveneens tot de doelgroep van dit besluit aan te merken.
De dienstbetrekking in de
zin van dit besluit betreft zowel de arbeidsovereenkomst waarop het Burgerlijk
Wetboek van toepassing is als de ambtelijke aanstelling (derde lid, onderdeel
a).
De werknemer in de zin van
dit besluit is de voormalig langdurig werkloze die in zo'n
dienstbetrekking werkzaam is op de voorwaarden die daarvoor op grond van dit
besluit gelden (derde lid, onderdeel b).
Het begrip arbeidsplaats
is vooral een rekeneenheid. De omvang komt overeen met een
dienstbetrekking met een arbeidsduur van 32 uur en niet met die met een
gebruikelijke volledige arbeidsduur, die veelal 36 uur zal bedragen. Het
subsidiebedrag voor een gemeente wordt bepaald aan de hand van de aantallen
gerealiseerde arbeidsplaatsen die tot een maximum aan de gemeente
worden toegekend (derde lid, onderdeel c).
De banen die voor
subsidiëring in aanmerking komen op grond van dit besluit worden
gerealiseerd in de collectieve en non-profitsector. Dit is tot uitdrukking gebracht in
de definiëring van het begrip werkgever in het derde lid, onderdeel d.
Daarnaast wordt in het
vierde en vijfde lid nader inhoud gegeven aan het begrip instelling.
Evenals in de Regeling ID-banen is daarbij aangesloten bij de belastingplicht
voor de vennootschapsbelasting, waarbij wordt verwezen naar de
artikelen 5 en 6 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 (vierde lid,
onderdeel a).
Op grond van artikel 5
van laatstgenoemde wet zijn bepaalde rechtspersonen vrijgesteld van
vennootschapsbelasting. Het gaat hierbij om voor dit besluit relevante
sectoren als:
- gezondheidszorg-,
ouderenzorg- en maatschappelijke dienstverleningsinstellingen, voor zover zij lichamen
van publiekrechtelijke aard zijn en voor zover ze winst
behalen, deze winst uitsluitend aanwenden ten bate van de instelling zelf of
van een algemeen maatschappelijk belang;
- rechtspersonen die
zich bezighouden met natuurschoon;
- toegelaten
instellingen op grond van de Woningwet;
- rechtspersonen die
zich bezighouden met het in stand houden van openbare leeszalen en
bibliotheken.
Wat betreft de verwijzing
naar artikel 6 geldt dat de in dat artikel genoemde instellingen
moeten aantonen dat zij een algemeen maatschappelijk belang dienen waarbij het streven naar winst geheel
ontbreekt, hetzij van
bijkomende betekenis is. Daarvoor moet de winst niet meer bedragen dan
ƒ13 000,- dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren
tezamen niet meer dan ƒ65 000,- en moet de winst uitsluitend worden
aangewend ten bate van de rechtspersoon zelf en ter behartiging van een
algemeen maatschappelijk belang.
Het kan voorkomen dat zo’n
instelling méér winst maakt dan als limiet wordt gesteld, maar wel
voldoet aan het hoofdkenmerk, dat wil zeggen dat de behartiging van
een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat. In deze
situatie is echter ook sprake van een instelling in de zin van deze regeling,
namelijk wanneer een dergelijke instelling slechts mede met
subsidies kan functioneren. Het gaat bij die subsidies om de aanspraak op enige
financiële middelen die door een bestuursorgaan worden verstrekt als bijdrage in de exploitatie van de instelling bij
de uitvoering van de activiteiten die in het algemeen belang worden verricht. Onder subsidies
worden eveneens begrepen financiële middelen voor activiteiten die
uit premies worden gefinancierd. Omdat deze mogelijkheid een
uitzondering betreft, dient de toetsing aan deze criteria onderwerp te zijn van
nadrukkelijke besluitvorming door de gemeente. Dit laatste is expliciet
geregeld in artikel 3, derde lid.
In het vijfde lid,
onderdeel a, zijn verder alle kinderopvanginstellingen die voldoen aan de
kwaliteitseisen gesteld bij of krachtens het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels
kinderopvang onder de werkingssfeer van dit besluit gebracht. Net als
bij de hierna genoemde zorginstellingen doet hier niet ter zake waar
de dienstbetrekking wordt gerealiseerd (collectief, non-profit of
particuliere sector). Op deze wijze kunnen ook niet direct door de gemeente
gesubsidieerde kinderopvanginstellingen voor de toekenning van in- en doorstroombanen in aanmerking komen. Deze
kinderopvanginstellingen moeten wel voldoen aan de kwaliteitseisen betreffende onder andere
inrichting, hygiëne, veiligheid en groepsgrootte zoals geregeld in het
hiervoor genoemde besluit. Dit is een uitbreiding van de werkingssfeer van
het besluit ten opzichte van de bestaande regeling. Deze
uitbreiding vloeit voort uit de beleidsnota kinderopvang (Kamerstukken
II 1998-1999, 26 587, nr. 2). De regering gaat ervan uit dat via de gemeenten geleidelijk
tot een gelijke verdeling van in- en doorstroombanen over alle
kinderopvanginstellingen kan worden gekomen. Op deze wijze worden ook de
concurrentieverhoudingen tussen kinderopvanginstellingen zo min mogelijk
beïnvloed. Te meer daar door het algemeen verbindend verklaren van
de CAO bij deze particuliere kinderopvanginstellingen dezelfde
arbeidsvoorwaarden gelden. Voorts zijn de tarieven voor de kinderopvang via
de Minister van VWS enigszins gereguleerd.
In het vijfde lid,
onderdeel b, worden alle rechtspersonen die op grond van de door de
Minister
van VWS, mede namens de Minister van SZW, vastgestelde Circulaire
beleidsregels extra arbeidsplaatsen zorgsector 1998 (40 000-banenplan)
¹ tot 1 januari 2000 vergoedingen voor het vervullen van dienstbetrekkingen met betrekking tot dergelijke arbeidsplaatsen
konden ontvangen, als
instelling in de zin van dit besluit beschouwd. Het betreft dienstbetrekkingen die vóór 1 januari 2000 zijn
vervuld met betrekking
tot arbeidsplaatsen die op grond van de genoemde beleidsregels
tot en met 1998 aan instellingen in de zorgsector zijn toegekend en die op
grond van artikel 16 van de voormalige
Regeling ID-banen
tot 1 januari
2000 zijn gesubsidieerd en gefinancierd onder verantwoordelijkheid van
de Minister van VWS.
Voor de vervulling van
een dergelijke dienstbetrekking doet het dus niet ter zake waar deze was
gerealiseerd (collectieve, non-profit- of particuliere sector).
Het onderhavige onderdeel
is opgenomen om te voorkomen dat de gemeenten per instelling
moeten toetsen of zij als instelling in de zin van dit besluit kunnen worden
aangemerkt. Het gaat met name om de zorginstellingen in de
zin van Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), de
Ziekenfondswet (Zfw), de jeugdhulpverlening, de maatschappelijke opvang, de verslavingszorg, de
sociaal-pedagogische diensten en
de schippersinternaten.
In de bijlage bij deze
nota van toelichting is ter nadere aanduiding van de soort instellingen die
het betreft een lijst opgenomen met de instellingen in de sectoren die
deelnamen aan de regeling extra arbeidsplaatsen zorgsector. De lijst
betekent niet dat het tot stand brengen van banen in de zorgsector beperkt moet worden tot de genoemde soort
instellingen. Voor zover
een instelling niet voorkomt op de lijst, moet getoetst worden aan het
vierde lid, onderdeel a, of kan toepassing worden gegeven aan het vierde
lid, onderdeel b.
1. Circulaire
beleidsregels extra arbeidsplaatsen zorgsector 1998 (40 000-banenplan), nr. MEVA/ABA-98102, van
10 februari 1998.
Artikel
3. Totstandkoming
en aantallen arbeidsplaatsen
Dit artikel beschrijft in
algemene zin voor welke activiteiten de gemeente
subsidie
ontvangt. De gemeente kan werkgelegenheid (arbeidsplaatsen) realiseren, omdat met de subsidie de kosten voor de
werkgever (zie artikel 6, eerste lid) die uit het aangaan van dienstbetrekkingen
met een langdurig werkloze voortvloeien, worden vergoed. Die dienstbetrekkingen moeten
aan bepaalde kenmerken voldoen (zie artikel 6, tweede lid) om de
werkgever de kosten daarvan te kunnen vergoeden.
Het
tot stand komen van
deze arbeidsplaatsen vergt ook inspanning van de gemeente waarvoor zij
kosten maakt. Daarom mag de gemeente (een deel van) deze
uitvoeringskosten financieren door (een deel van) de subsidie hiervoor aan te
wenden.
In het vierde lid wordt
(evenals in de voorafgaande regelingen) geregeld dat de gemeente een
beleid voor toezichtfuncties vaststelt dat in het driehoeksoverleg als
bedoeld in artikel 27 van de Politiewet
1993 is besproken, voordat wordt
overgegaan tot het creëren van arbeidsplaatsen op het terrein van
toezicht en openbare veiligheid.
Het vijfde lid betreft de
verdeling van het totaal van 60 000 arbeidsplaatsen over de gemeenten. In de
eerste plaats gaat het om de arbeidsplaatsen die al aan de gemeenten
zijn toegewezen op grond van de Ewlw. Deze worden niet in algemene zin herverdeeld. Bij de
verdeling van de arbeidsplaatsen in deze en de vorige regeringsperiode is
rekening gehouden met het
aandeel bijstandsgerechtigden in de beroepsbevolking van een gemeente. De uitkomsten voor de verdeling tot
2003 per gemeente zijn in bijlage I bij de op dit besluit gebaseerde ministeriële regeling
opgenomen. Dit betreft de reeds eerder toegekende Ewlw-banen van 1995 tot
en met 1998, de 20 000 nieuwe ID-banen die gelijkmatig zijn verdeeld
over de jaren 1999 tot en met 2002 op grond van (bijlage I
bij) de
voormalige Regeling ID-banen, alsmede de ongeveer 14 000 banen in de
zorgsector die op grond van het onderhavige besluit met ingang van 1 januari
2000 aan de gemeenten zijn toegekend in verband met de uitvoering
van deze banen door de gemeenten.
Er wordt van uitgegaan
dat in het jaar 2003 alle 60 000 arbeidsplaatsen zijn verdeeld en ingevuld
in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen.
Omdat de financiering van deze arbeidsplaatsen door het Rijk aan de
gemeenten structureel is gegarandeerd, zijn de gemeenten in staat de 60 000 banen ook na 2002 te bekostigen.
Het
zesde lid regelt de
bereidverklaring. Deze kan worden beschouwd als een soort aanvraag
voor subsidie. In beginsel moet de gemeente ieder jaar vóór 1 april een
bereidverklaring naar het ministerie van SZW insturen. Met deze bereidverklaring verplicht de gemeente zich om het
aantal arbeidsplaatsen
dat in de bereidverklaring is opgenomen te realiseren. De gemeente
is dus niet gehouden het aan haar voor een bepaald jaar toegekende
aantal arbeidsplaatsen in zijn geheel te accepteren. De subsidie die op grond
van artikel 13, eerste lid, wordt verleend, wordt gebaseerd op de
aantallen arbeidsplaatsen waarvoor de gemeente zich bereid verklaart. De
oude zorgbanen die per 1 januari 2000 naar de gemeenten overgaan,
worden in de overgangssituatie apart toegekend. Voor die aantallen zal de
gemeente zich ook moeten bereid verklaren. Pas nadat de gemeente de
bereidverklaring heeft ingediend, geeft zij aan de subsidie te willen
ontvangen om het door haar bepaalde aantal arbeidsplaatsen te realiseren.
Het indienen van de
verklaring geeft dus aan dat de gemeente vrijwillig kiest voor de uitvoering
van de activiteiten waarop dit besluit betrekking heeft. Zodra het
ministerie deze verklaring heeft ontvangen, verplicht de gemeente zich het aan
haar toegewezen dan wel door haar gekozen aantal arbeidsplaatsen
voortvarend te gaan realiseren. De vorm en inhoud van de bereidverklaring wordt
bij ministeriële regeling vastgesteld.
De intentie van de
gemeenten voor het realiseren van arbeidsplaatsen komt ook tot uitdrukking
in de doorstartconvenanten met de 25 grote steden (G25). In de
ontwikkelingsplannen op stadsniveau zal in ieder geval worden aangegeven dat zij
van plan zijn arbeidsplaatsen in bepaalde sectoren te realiseren.
Gestreefd wordt naar het handhaven en zo mogelijk uitbreiden van het aantal arbeidsplaatsen in de zorgsector, het
toezicht en het
onderwijs. De 25 grote steden realiseren zich het grote belang voor de zorgsector
om arbeidsplaatsen bij zorginstellingen tot stand te brengen. Om die
reden zullen de G25 zich ervoor inzetten dat een aanzienlijk deel van
het aan de G25 toegewezen quotum instroom- en doorstroombanen (van de
20 000) te bestemmen voor zorginstellingen, ook buiten de eigen
gemeentegrenzen. Bij de realisatie van deze banen zal gebruik kunnen worden
gemaakt van de expertise van regiepunten voor de zorgsector. Het Rijk
zal de voortgang met behulp van monitoring toetsen.
Daarnaast zal ook worden
afgesproken dat 10% van de banen beschikbaar moet zijn
voor arbeidsgehandicapten. Het gaat hier om inspanningsafspraken die
niet in het besluit zijn neergelegd. Overigens gaat het hier om
inspanningen op terreinen waarvoor de gemeenten zelf al voldoende aandacht
hebben. Op basis van gegevens zal door het Rijk worden nagegaan of deze
inspanningen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd.
Het vervullen van
arbeidsplaatsen in de zorgsector, het toezicht en het onderwijs alsmede het
bestemmen van 10% van het aantal arbeidsplaatsen voor
arbeidsgehandicapten, is hierboven met name in relatie gebracht tot de inzet van
de G25 op deze terreinen. Dit betekent echter niet dat de aandacht hiervoor zich beperkt tot de G25. Er wordt
van uitgegaan dat alle andere gemeenten zich eveneens inzetten om het aandeel arbeidsplaatsen in de
zorg, het toezicht en het onderwijs te handhaven en zo mogelijk uit te
breiden alsmede 10% van de arbeidsplaatsen te bestemmen voor arbeidsgehandicapten.
Op grond van het
zevende lid kan het krachtens het vijfde lid vast te stellen aantal banen dat
in beginsel voor een bepaald jaar beschikbaar is voor een gemeente, in de
loop van het desbetreffende jaar worden herzien. Allereerst vanwege onderdeel
a, omdat rekening moet worden
gehouden met het volume Wiw-dienstbetrekkingen op een bepaalde
peildatum die met
niet-jongeren zijn aangegaan. Daarbij zal nadrukkelijk rekening worden gehouden
met het aantal Wiw-dienstbetrekkingen dat is omgezet naar banen in de
zin van dit besluit en met Wiw-dienstbetrekkingen waarvan de werknemers
zijn doorgestroomd naar zo'n baan. Het is immers niet de bedoeling
dat deze omzetting dan wel doorstroming een daling van het volume Wiw-dienstbetrekkingen tot gevolg heeft. De
Wiw-dienstbetrekking moet
in voldoende mate beschikbaar blijven als een (tijdelijke)
voorziening die op de persoon van de langdurig werkloze is toegesneden om de
toegang tot het arbeidsproces te vergroten.
In onderdeel b van dit
artikellid is geregeld dat arbeidsplaatsen voor de vervulling waarvan geen
dienstbetrekkingen tot stand zijn gekomen, kunnen worden
teruggehaald.
De arbeidsplaatsen die
aldus bij gemeenten vervallen, kunnen dan worden herverdeeld onder
andere gemeenten. Het beleid voor de toepassing van dit zevende lid zal bij ministeriële regeling nader vorm
krijgen.
Artikel
4. Uitstroompremie
In dit artikel wordt geregeld dat de gemeente
een aparte rijkssubsidie kan aanwenden voor het verstrekken van
uitstroompremies. De hoogte van de subsidie en de wijze van verkrijging
van die subsidie wordt geregeld bij ministeriële regeling op grond van
artikel 13, vijfde lid, respectievelijk artikel 14, tweede lid.
Het onderhavige artikel regelt nader op welke
wijze deze subsidie ten behoeve van uitstroom uit de ID-baan besteed mag
worden. Het betreft enerzijds de uitstroompremie aan de werknemer (tweede
lid) en anderzijds de besteding voor uitstroombeleid in het algemeen (zesde
lid). In het algemeen geldt dat de subsidie voor uitstroombeleid pas kan
worden ingezet indien de dienstbetrekking op de in- en doorstroombaan
ten minste twee jaar duurt (zevende lid). De hoogte van de
uitstroompremie (voor de werknemer) wordt vastgesteld bij ministeriële
regeling. Voor het overige kan de gemeente op grond van het zesde lid
van dit artikel de verstrekte subsidie aanwenden voor algemeen
uitstroombeleid ten behoeve van de werkgever die de werknemer laat
uitstromen of ten behoeve van de nieuwe werkgever. Het is niet de
bedoeling dat de gemeente dit onderdeel van de subsidie gebruikt voor
eigen uitvoeringskosten. Voor een nadere toelichting op de besteding van
dit deel van de subsidie wordt verwezen naar paragraaf 3 van het
algemeen deel van deze nota van toelichting.
Het meest uitgewerkt is het verstrekken van een uitstroompremie aan een
werknemer die uitstroomt (tweede lid). Zoals gezegd, wordt de hoogte van
de premie bij ministeriële regeling bepaald. Het betreft hier een
eenmalige uitkering die ineens wordt verstrekt. Een werknemer komt pas
in aanmerking voor de premie indien hij is uitgestroomd door het gaan
verrichten van reguliere arbeid die al ten minste een halfjaar duurt in
één of meerdere dienstverbanden en waarbij verwacht kan worden dat het
verrichten van werkzaamheden enige continuïteit heeft. In verband met
dit laatste is bepaald dat de nieuwe arbeidsverhouding in principe dient
te worden aangegaan voor onbepaalde tijd. Overigens is daarbij wel
erkend dat het aanstellen van werknemers voor bepaalde tijd in bepaalde
sectoren gebruikelijk is. Echter die bepaalde duur dient dan wel ten
minste één jaar te bedragen. Dit artikellid sluit uit dat de
uitstroompremie ook aan de werknemer kan worden verstrekt bij
gedeeltelijke uitstroom, dat wil zeggen dat de werknemer daarnaast niet
gedeeltelijk werkzaamheden blijft verrichten op een dienstbetrekking in
de zin van dit besluit. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke
gegevens de werknemer aan de gemeente dient te
verstrekken om in aanmerking te komen voor de uitstroompremie (vijfde
lid).
Teneinde te voorkomen dat de stimulerende effecten van de
uitstroompremie teniet worden gedaan door negatieve effecten op andere
inkomensafhankelijke regelingen zoals een verminderde aanspraak op huursubsidie,
is in het derde lid van dit artikel bepaald dat de over de premie
verschuldigde loon- en inkomstenbelasting en de premie
volksverzekeringen voor rekening komen van de gemeente.
Tevens is in het vierde lid geregeld dat de premie buiten beschouwing
wordt gelaten bij de bepaling van de hoogte van inkomensafhankelijke
publiekrechtelijke uitkeringen zoals de huursubsidie. Ter uitvoering
hiervan zal de onderhavige premie door de Staatssecretaris
van Financiën worden aangewezen als uitkering in de zin van artikel
31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Hierdoor wordt de over de premie verschuldigde belasting en premie bij
wijze van eindheffing geheven van de inhoudingsplichtige
overheidsinstantie, in casu de gemeente. Eén en ander heeft tot gevolg
dat de werknemer als ontvanger van de uitstroompremie geen belasting en
premie volksverzekeringen verschuldigd is over de ontvangen premie en
dat deze premie geen deel uitmaakt van het belastbaar inkomen. In
verband met de eindheffing over de premie hoeft de werknemer de
ontvangen uitstroompremie niet aan te geven bij zijn aangifte
inkomstenbelasting. Het ontvangen van de premie heeft op de voorgestelde
wijze ook geen gevolgen voor de bepaling van inkomensafhankelijke
regelingen die zijn gebaseerd op het belastbaar inkomen.
Verder wordt de in het tweede lid bedoelde
uitstroompremie bij het bepalen van het netto besteedbare inkomen in de
kwijtscheldingsregeling buiten aanmerking gelaten. Dit is thans al
geregeld in artikel 14, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 juncto artikel 43, tweede lid,
onderdeel i, van de Algemene bijstandswet.
Uitstroompremies zijn gerechtvaardigd indien sprake is van een bepaalde
duur van de dienstbetrekking in de zin van dit besluit. Deze duur is op
grond van het zevende lid bepaald op twee jaar.
Artikel
5. Verklaring
langdurig werkloze
Om in aanmerking te komen voor een vergoeding voor de kosten voor een
dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit moet de werkgever weten of
de persoon die hij in dienst wil nemen een langdurig werkloze is.
Daarvoor heeft hij een verklaring nodig van de gemeente waarin die
persoon woonachtig is, omdat dat de gemeente is die veelal ook de
vergoeding verstrekt (eerste lid). Deze verklaring heeft veelal een
declaratoir karakter: wanneer de beoogde werknemer voldoet aan de
omschrijving, bedoeld in artikel 1, eerste of tweede lid, is de bevoegde
gemeente verplicht de verklaring af te geven. Alleen de toepassing van
het derde lid van het onderhavige artikel biedt de gemeente
afwegingsruimte. De verklaring is een momentopname.
Om in aanmerking te komen voor de
afdrachtvermindering langdurig werklozen (een korting op de af te dragen
loonheffing) op grond van de WVA
heeft de werkgever ook een verklaring
langdurig werkloze van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nodig. Het
overleg tussen het desbetreffende gemeentebestuur en Arbeidsvoorziening
waarnaar wordt verwezen in het eerste lid moet voorkomen dat beide
instanties dezelfde toetsen uitvoeren en verschillende verklaringen
afgeven. Deze situatie kan ontstaan bij personen die door de gemeente
ingevolge het derde lid van dit artikel gelijkgesteld worden met een
langdurig werkloze op grond van de duur van inschrijving als werkloos
werkzoekende, waarbij perioden van niet-inschrijving niet als
onderbreking worden aangemerkt of als perioden van inschrijving worden
aangemerkt.
Voor de gelijkstellingen heeft de gemeente
beleidsvrijheid. Wanneer een persoon gelijk wordt gesteld met een
langdurig werkloze en in dienst wordt genomen op een in- en
doorstroombaan, is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij het verstrekken
van de verklaring langdurig werkloze voor de afdrachtvermindering op
grond van de WVA volgend. Bij de gelijkstelling is de inbreng van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vooral van belang voor personen die geen
of tijdelijk geen uitkering hebben, maar wel al langdurig zijn
geregistreerd als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Onderbrekingen van die inschrijving bij Arbeidsvoorziening kunnen op
dezelfde wijze buiten beschouwing worden gelaten als de onderbrekingen,
bedoeld in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering (tijdelijk arbeid verrichten, onbetaalde arbeid verrichten, ontheffing
van verplichtingen tot inschrijving en geen arbeid verrichten wegens
ziekte). Daarnaast kan de gemeente ook overleg met Arbeidsvoorziening
voeren over de selectie van de kandidaten en de bemiddeling naar
werkgevers. De werkgevers zijn immers vrij zelf werknemers die tot de
doelgroep behoren te werven.
De inkomensgegevens, bedoeld in het tweede lid, zijn de normbedragen
voor de algemene bijstand. De gegevens zijn voor de werkgever
waarschijnlijk het meest informatief wanneer het netto uitkeringsbedrag
wordt vermeld. Er wordt op gewezen dat de gemeente
die de verklaring afgeeft een andere kan zijn dan de gemeente die de vergoeding voor de
arbeidsplaats verstrekt. Laatstbedoelde gemeente moet overigens wel
controleren of de werkgever beschikt over de vereiste verklaring.
In het derde lid zijn de omstandigheden op grond waarvan gelijkstelling
mogelijk is in algemene bewoordingen aangeduid. Dit om in geval van
grensgevallen die gemakkelijk kunnen ontstaan indien aantallen dagen of
uren worden genoemd, toch tot gelijkstelling te kunnen komen. De beoogd
werknemer die op grond van deze gelijkstelling in dienst kan worden
genomen op een in- en doorstroombaan, kan door de gemeente
die de
verklaring afgeeft, de gemeente die de baan schept of door de instelling
zijn geworven.
Bij onderdeel a gaat het enerzijds om personen die geen uitkering
ontvingen, maar wel al langdurig geen arbeid hebben verricht. Daarbij is
in eerste instantie gedacht aan herintreders. Voorts gaat het om de
omstandigheden die zijn omschreven in de toelichting bij het eerste lid
en als zodanig zijn opgenomen in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering. De belangrijkste onderbreking is die waarin
gedurende korte tijd arbeid wordt verricht. Het criterium 50 dagen of
400 uur bleek in de praktijk veel vragen op te roepen. De gemeente
heeft
hierdoor meer vrijheid gekregen om in voorkomende situaties een
individuele afweging te maken.
Onderdeel b betreft de situatie dat een persoon een andere
inkomensvervangende uitkering heeft ontvangen dan van de gemeente
of een
andere dan een bijstandsuitkering, zoals wachtgeld. Voorts wordt hierbij
gedacht aan personen die een WAO- of WW-uitkering ontvangen.
Onderdeel c betreft de situatie dat iemand tijdelijk gewerkt heeft op
een gesubsidieerde arbeidsplaats anders dan een Wiw-dienstbetrekking of
werkervaringsplaats, maar toch weer werkloos is geworden. Het is dan
niet redelijk zo’n persoon eerst een jaar te laten wachten voordat hij
in aanmerking kan komen voor een dienstbetrekking als bedoeld in dit
besluit. Hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan een baan waarbij
de werkgever subsidie ontving op grond van het Tijdelijk besluit subsidiëring
experimenten activering van uitkeringsgelden (de zogenaamde EAU of
Melkert-II-regeling). Zeker wanneer die werkzaamheden van korte duur
zijn geweest, is hij er eigenlijk niet in geslaagd uit zijn langdurige
werkloosheidspositie te komen en daarom nog steeds tot de doelgroep
behoort.
Tot slot kan een persoon werkzaam zijn geweest in een baan als bedoeld
in dit besluit en een nieuwe dienstbetrekking bij een andere werkgever
in het kader van dit besluit willen aanvaarden. Dan behoort hij ook tot
de doelgroep (onderdeel d).
Overigens bevat de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering in artikel 9, derde lid, de bepaling dat voor de
maximale duur van de afdrachtvermindering dan rekening wordt gehouden
met de afdrachtvermindering die de vorige werkgever heeft ontvangen
indien de werkzaamheden binnen drie maanden na beëindiging van de
vorige dienstbetrekking hebben plaatsgevonden. De termijn van 60 dagen
die in de voormalige Ewlw stond, zou dan ook voor de gemeenten
bij de toepassing van dit onderdeel als richtsnoer kunnen dienen.
Artikel
6. Vereisten
vergoeding
Op grond van het eerste lid ontvangt de werkgever van de gemeente
een
vergoeding voor de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking met
een langdurig werkloze.
In het tweede lid van dit artikel worden de voorwaarden genoemd waaronder
de werkgever voor de vergoeding in aanmerking komt. Het moet in de
eerste plaats gaan om een dienstbetrekking met een persoon die
langdurig werkloos was voorafgaande aan de dienstbetrekking. De
werkgever dient daartoe van de gemeente waarin de beoogde werknemer
woonachtig is een verklaring te verkrijgen (onderdeel a). Deze
verklaring is geregeld in artikel 5.
Voorts moet gewaarborgd zijn dat het
dienstverband structureel is; daarom dient het voor onbepaalde tijd te
worden aangegaan. Een uitzondering op dit voorschrift kan worden gemaakt
voor het eerste jaar van de dienstbetrekking. In bepaalde sectoren is
bij CAO of in de geldende rechtspositieregeling bepaald dat de
werknemer eerst voor bepaalde tijd dient te worden aangesteld, waarbij
de termijn van één jaar gebruikelijk is. Vandaar dat in onderdeel b
de
maximumgrens voor de (eenmalige) bepaalde duur op één jaar is gesteld.
Daarnaast mag de werkgever voor de dienstbetrekking niet al op andere
wijze extra subsidie ontvangen. Wel kan de werkgever een
herplaatsingsbudget, plaatsingsbudget of een pakket op maat (zonder
loonkostensubsidie) ontvangen in het kader van de Wet
Rea (onderdeel c).
Het gaat erom dat de in- en doorstroombaan al
niet als onderdeel van de reguliere formatie wordt gesubsidieerd of
bekostigd.
Wanneer de werkgever de lasten in geval van
(langdurige) ziekte van de werknemer heeft verzekerd en op grond van die
verzekering een uitkering ontvangt, hoeft met zo’n uitkering geen
rekening te worden gehouden. In dat geval heeft de werkgever er zelf
voor gekozen het risico van loondoorbetaling bij ziekte te herverzekeren
en zal hij deze keuze gemaakt hebben in het belang van continuïteit van
de dienstverlening die door de zieke werknemer wordt geleverd om
voldoende financiële middelen te hebben om op enigerlei wijze in
vervanging te voorzien. Dit besluit beoogt niet deze keuzevrijheid van
de werkgever ook voor werknemers in de zin van dit besluit te beperken.
In dit artikelonderdeel wordt ook niet een eventuele subsidie bedoeld
die de werkgever ontvangt ter dekking van de verzekeringspremie voor
zo’n verzekering. In dat geval gaat het niet om een op enig wettelijk
voorschrift gebaseerde subsidie.
De onderdelen d en e bevatten het - gecontinueerde - detacheringsverbod en het zogenaamde omgekeerde
detacheringsverbod. De
bedoeling hiervan is dat de werknemer in de onderneming van de
werkgever zijn werkzaamheden verricht onder diens directe leiding en
toezicht en niet gedetacheerd wordt naar een andere onderneming van een
andere of dezelfde werkgever. Die leiding en dat toezicht dienen
afkomstig te zijn van werknemers van de formele werkgever of, indien
geen andere werknemers bij die werkgever in dienst zijn, de werkgever
zelf (veelal in de persoon van een bestuurslid). De werkzaamheden moeten
deel uitmaken van de reguliere taak van de onderneming. In dit verband
wordt nog verwezen naar de Richtlijn toepassing detacheringsverbod, AM/RAW/98/147-I (Stcrt. 1997, nr. 245) [zie
Beleidsregels toepassing
detacheringsverbod Besluit in- en doorstroombanen, red.].
In onderdeel f wordt verwezen naar de vereisten omtrent de arbeidsduur en
de beloning in de artikelen 9 en 10 en naar de bepaling over de
scholing als bedoeld in artikel 11, die kenmerkend zijn voor de door het
Rijk te subsidiëren activiteit op grond van dit besluit.
De gemeente moet periodiek nagaan of de werkgever aan al deze vereisten
blijft voldoen en of de vergoeding dus nog rechtmatig wordt verstrekt.
Het resultaat van die beoordeling en de daarop betrekking hebbende
bescheiden moeten zijn opgenomen in de gemeentelijke administratie, die
moet voldoen aan de vereisten die zijn geregeld in artikel
17, tweede
lid. Dit vloeit overigens voort uit de eigen verantwoordelijkheid van de
gemeente voor de rechtmatigheid van haar uitgaven. De controle daarop
bij de gemeente is in de eerste plaats ten behoeve van de gemeenteraad.
Artikel
7. Tegengaan
verdringing en concurrentievervalsing
Voorkomen moet worden dat met het realiseren van arbeidsplaatsen in de
zin van dit besluit andere reguliere werkgelegenheid wordt verdrongen.
Vooral de in het eerste lid, onderdeel b, opgenomen toets op recent
ontslag heeft hierop betrekking. Om in aanmerking te komen voor de
afdrachtvermindering langdurig werklozen (op grond van de WVA) op de in
te houden loonheffing heeft de werkgever een verklaring nodig van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voordat aan de werkgever zo’n
verklaring langdurig werkloze kan worden afgegeven, moet de toets op
recent ontslag door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie hebben
plaatsgevonden. Wanneer daaraan niet voldaan wordt, geeft
Arbeidsvoorziening geen WVA-verklaring af op grond van artikel 10,
eerste lid, onderdeel b, van de WVA.
Toepassing van onderdeel b van dit artikel kan
betekenen dat de gemeente
ook kan nagaan of de werkgever een verklaring
langdurig werklozen op grond van de WVA zou verkrijgen. Andersom kan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wanneer de dienstbetrekking vervuld
wordt op een al eerder toegekende in- en doorstroombaan, bij de
toepassing van de WVA ervan uitgaan dat de WVA-weigeringsgrond niet aan
de orde zal zijn. Afstemming van de procedures is gewenst.
Teneinde verdringing van andere reguliere werkgelegenheid tegen te gaan,
is het voorts van belang dat de ondernemingsraad, de
personeelsvertegenwoordiging of het medezeggenschapsorgaan schriftelijk
een positief advies geeft over de totstandkoming van een
dienstbetrekking met een langdurig werkloze. Met het oog op de
acceptatie van de arbeidsplaats binnen de arbeidsorganisatie dient de
ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of het
medezeggenschapsorgaan een oordeel te geven.
Indien er geen ondernemingsraad,
personeelsvertegenwoordiging of medezeggenschapsorgaan bij de werkgever
is ingesteld, zal de accountant van die werkgever ten behoeve van de gemeente
kunnen verklaren dat geen verdringing van andere
werkgelegenheid plaats vindt. Voordat de gemeente een vergoeding aan een
werkgever verstrekt, zal zij aan de hand van deze vereisten moeten
vaststellen dat geen verdringing optreedt.
In het
tweede lid is de algemene norm opgenomen dat de prijzen voor de diensten
en goederen op grond van het feit dat de loonkosten gesubsidieerd
worden, niet concurrentievervalsend mogen zijn. Bij de prijsstelling van
goederen en diensten die door de betrokken instellingen worden
aangeboden, waarbij ook moet worden gedacht aan de hoogte van eigen
bijdragen en dergelijke, mag de subsidie voor de arbeidsplaats dus niet
worden betrokken. Deze algemene norm om concurrentievervalsing te
voorkomen, is vooral opgenomen om een handvat te bieden in een procedure
waarbij een andere onderneming zich benadeeld acht door de prijsstelling
die mogelijk wordt doordat de arbeid is gesubsidieerd. Overigens zal
daarbij, zoals in het algemene deel is aangegeven, wel een afweging
kunnen plaatsvinden ten opzichte van het algemene belang dat door de
instelling die op grond van dit besluit een publiekrechtelijk orgaan of
een non-profitinstelling is, met de dienstverlening wordt gediend.
De gemeenten
zijn ervoor verantwoordelijk dat
verdringing en concurrentievervalsing worden voorkomen, opdat
arbeidsplaatsen tot stand komen op een wijze als in dit besluit wordt
beoogd en de subsidie voor een activiteit is aangewend waarvoor die is
bedoeld. In het toezicht zal er dan ook aandacht voor zijn dat gemeenten
zich ervan vergewissen dat aan de vereisten van het eerste lid is
voldaan.
Wat betreft het tweede lid wordt ervan uitgegaan dat klachten over concurrentievervalsing primair op gemeentelijk
niveau worden afgedaan. Op grond van (artikel 6, vierde lid, van) de Wiw stellen de gemeenten regels vast voor de beoordeling van klachten
over concurrentievervalsing. Deze regels zouden, omdat zij dezelfde
achtergrond hebben, ook door de gemeente van toepassing kunnen worden
verklaard op de klachten over overtreding van het onderhavige lid. Het
ligt in de rede dat de gemeenten over het toepassen van deze
klachtenprocedures bij deze arbeidsplaatsen in overleg treden met
vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de regio waarin de
gemeente gelegen is. Daarbij moet wel bedacht worden dat de
arbeidsplaatsen ook bij gemeentelijke instellingen worden gerealiseerd.
De verwijzing naar de Wiw betekent vooral dat de gemeenten in het
overleg met werkgevers- en werknemersorganisaties ook de gevolgen van de
in- en doorstroombanen kunnen betrekken. In het kader van het toezicht op
de besteding van de subsidie door de gemeenten wordt echter niet bezien
in hoeverre de gemeente hieraan aandacht besteedt.
Artikel
8. Arbeidsduur
Het belangrijkste voorschrift omtrent de arbeidsduur bij aanvang van de
dienstbetrekking is dat die ten minste zo'n omvang heeft dat de
inkomsten die met de arbeid worden verworven aanvullende gemeentelijke
uitkering (veelal bijstandsuitkering) overbodig maken. Voor een persoon
met een bijstandsuitkering zal dat veelal rond de 30 uur zijn, tenzij
hij kostwinner is, dan is een fulltimedienstverband noodzakelijk. Er
kunnen bijzondere omstandigheden bij de persoon gelegen zijn waardoor
zo’n arbeidsduur niet haalbaar is en een aanvullende uitkering dus
noodzakelijk blijft. In die omstandigheden kan het gaan om zorgtaken van
alleenstaande ouders of beperkingen wegens medische redenen waardoor
een (bijna) volledige baan niet is op te brengen. De gemeente
die de
uitkering verstrekt, kan beoordelen om welke omvang in arbeidsduur het
gaat en kent ook de beperkingen van de beoogde werknemer in relatie tot
de verplichtingen die uit het recht op uitkering voortvloeien. In het
kader van de uitvoering van de Algemene bijstandswet stelt het
gemeentebestuur immers vast of de persoon om redenen van medische of
sociale aard is aangewezen op het verrichten van arbeid in deeltijd (op
grond van artikel 107 Algemene bijstandswet). Het is dezelfde gemeente
die in de verklaring over het langdurig werkloos zijn meteen een
indicatie geeft over arbeidsduur of deze bijzondere omstandigheden.
Een zelfde soort beoordeling moet de gemeente maken in het kader van de
toepassing van de Wiw, waarbij het om vergelijkbare omstandigheden gaat
die een kortere arbeidsduur op een Wiw-dienstbetrekking in combinatie
met een uitkering rechtvaardigen. Voor zover de gemeente die de
arbeidsplaats gesubsidieerd krijgt en de vergoedingen verstrekt niet
dezelfde is als de gemeente waar de langdurig werkloze woont, is
eerstgenoemde gemeente wat betreft arbeidsduur of omstandigheden
volgend.
Deze bepaling omtrent de arbeidsduur heeft overigens alleen betekenis
voor personen die voorafgaand aan de dienstbetrekking in de zin van dit
besluit een bijstandsuitkering ontvingen en niet voor bijvoorbeeld
herintreders die geen uitkering ontvingen of WW-gerechtigden. Op grond
van artikel 5, derde lid, kunnen herintreders wel tot de doelgroep
worden gerekend.
Een minimumarbeidsduur is niet bepaald. Dit wordt niet nodig geacht. Wil
immers een werkgever in aanmerking komen voor de vermindering langdurig
werklozen op grond van de WVA, dan mag de arbeidsduur niet minder dan 15
uur zijn. Voorts is in het algemeen een kortere arbeidsduur niet
bevorderlijk te achten voor de instroom in het arbeidsproces na een
lange periode van werkloosheid, alhoewel dat in verband met de zwaarte
van het werk in bepaalde sectoren wel wenselijk zou kunnen zijn. Het is
dus in het belang van alle partijen dat de arbeidsovereenkomsten van de
langdurig werklozen substantieel van omvang zijn.
De bepaling van de arbeidsduur heeft betrekking op de aanvang van de
dienstbetrekking. Dit sluit niet uit dat de arbeidsduur per week na
verloop van tijd kan worden verminderd, bijvoorbeeld omdat gedeeltelijk
een ander, parttimedienstverband kan worden aangegaan.
Artikel
9. Beloning
Dit artikel regelt de beloningsgrenzen. In het eerste jaar wordt niet
meer betaald dan het wettelijk geldend
minimumloon. In de jaren daarna
kan de beloning oplopen tot een maximum van 130% van het wettelijk
minimumloon, exclusief een onregelmatigheidstoeslag.
Op de beloning in het eerste jaar gelden enkele
uitzonderingen. In het eerste lid zijn genoemd:
- een algehele loonsverhoging, indien het loon dan niet hoger wordt
dan 103% van het geldende minimumloon; en/of
- een eerdere periodieke loonsverhoging op basis van een algemeen
geldende loonafspraak.
Wanneer beide uitzonderingen zich voordoen, kan
het loon dus meer bedragen dan 103% van het wettelijk minimumloon.
Daarnaast staat het tweede lid toe dat een uitzondering wordt gemaakt
voor de personen die in een Wiw-dienstbetrekking, direct voorafgaande
aan de dienstbetrekking in de zin van dit besluit, al meer verdienden
dan het wettelijk minimumloon, of voor
personen die eerder op een
dienstbetrekking in de zin van dit besluit werkzaam zijn geweest en daar
al meer verdienden dan het minimumloon.
Het derde lid regelt de grens tot 130% van het wettelijk
minimumloon. De
grensbedragen gelden per uitbetalingstermijn. Met het bij de
overeengekomen uitbetalingstermijn behorende minimumloon op grond van
artikel 8 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) moet
worden gerekend om het bedrag behorend bij de 130% te bepalen. Het
bedrag van de maximale beloning wordt, zoals op grond van artikel 12 van
de WML voor het minimumloon geldt, naar evenredigheid verlaagd indien
de overeengekomen arbeidsduur lager is dan de in de sector gebruikelijke
normale arbeidsduur (veelal 36 uur). Daarnaast heeft de werknemer recht
op de minimumvakantiebijslag.
Om te beoordelen of de grens van 130% of die van het minimumloon als
bedoeld in het eerste lid niet wordt overschreden, wordt een
onregelmatigheidstoeslag niet meegerekend. Dit is bepaald in het vierde
lid. Zo’n onregelmatigheidstoeslag is wel loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 en valt dus gewoon onder de loonheffing en moet
wel worden meegenomen om vast te stellen of aan het toetsloon op grond
van de WVA
wordt voldaan. Het kan dus voorkomen dat de werkgever voor
de werknemer met de onregelmatigheidstoeslag de afdrachtvermindering
langdurig werklozen verliest.
Daarnaast is in het vijfde lid duidelijk gemaakt dat het loon het loon
in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 is. Tot dat loon behoren
voor de toepassing van het eerste en derde lid (dus om vast te stellen
of voldaan wordt aan grenzen die daar genoemd worden) niet
eindejaarsuitkeringen en andere eenmalige uitkeringen en vergoedingen
zoals tegemoetkoming in de premie voor verzekeringen van ziektekosten.
Voorts worden niet in het loon meegenomen de bedragen die gespaard
worden op grond van een spaarloonregeling en de bedragen die onder de
eindheffing vallen (zoals de banenpooltoeslag). Deze kunnen naast het
minimumloon in het eerste jaar en het bedrag van 130% van het
minimumloon worden betaald.
Een zelfde soort uitzondering op het loonbegrip
als hier is geregeld, geldt voor de toetsing aan het toetsloon in de WVA
ten aanzien van de toepassing van de afdrachtvermindering langdurig
werklozen. Deze loonbestanddelen vallen wel gewoon onder de
belastingheffing. Elementen die op grond van de Wet op de loonbelasting
1964 niet tot het loon behoren, hoeven op die grond niet in aanmerking
te worden genomen bij de beoordeling of de grens van 130% van het
minimumloon (of de minimumloongrens) wordt overschreden.
Ten slotte wordt nog eens gewezen op het
mogelijk uiteenlopen van een landelijke ontwikkeling met betrekking tot
de vorming van CAO’s en de hieruit voortvloeiende kosten die
werkgevers voor vergoeding voorleggen aan de gemeenten. Zowel de
gemeenten als de werkgevers zijn gehouden aan het onderhavige besluit.
Dit betekent dat de eventuele rekening van aanvullende landelijke
afspraken niet bij individuele gemeenten terecht kan komen indien deze
niet zijn voorzien in het besluit, zoals wel is gedaan in het eerste
jaar voor zover de grens van 103% niet wordt overschreden.
Artikel
10. Doorstroombanen
In dit artikel komt tot uitdrukking dat pas sprake is van een
doorstroombaan indien de gemeente heeft
vastgesteld dat de eisen die
aan de functie worden gesteld een hoger beloningsniveau dan 130% van het
minimumloon rechtvaardigen. Het belangrijkste verschil tussen een
instroombaan en een doorstroombaan is immers de beloning (tot 150% van
het minimumloon).
Alleen de werknemer die al ten minste vijf jaar
op een in- en doorstroombaan werkzaam is, kan in aanmerking komen voor
een doorstroombaan. Perioden van werkzaamheden in een Wiw-dienstbetrekking (of voorheen de banenpool) of op een
Wsw-dienstbetrekking mogen voor ten hoogste twee jaar meegenomen worden
bij die periode van vijf jaar (tweede lid).
De hoger betaalde functie kan pas binnen de instelling worden gecreëerd
indien op dezelfde wijze als bij het creëren van instroombanen op grond
van artikel 7 is vastgesteld dat er geen sprake is van verdringing (het
vierde lid).
De ondernemingsraad,
personeelsvertegenwoordiging of het medezeggenschapsorgaan moet derhalve
positief hebben geadviseerd over het creëren van een doorstroombaan.
Voorts moet de toets op recent ontslag hebben uitgewezen dat wegens het
opheffen van een dergelijke functie geen ontslagen hebben
plaatsgevonden. De gemeente moet daarnaast inhoudelijk beoordelen of de
ontwikkeling in de functie en in de sector het creëren van
doorstroombanen bij bepaalde werkgevers rechtvaardigt.
Het totaal aantal doorstroombanen op het totaal van de aan de gemeente
toegekende arbeidsplaatsen is op grond van het vierde lid, onderdeel b,
voorts beperkt tot een zesde deel van het aantal arbeidsplaatsen dat
aan een gemeente in het desbetreffende jaar is toegekend. De gemeente is
evenwel niet verplicht dit zesde deel van de arbeidsplaatsen te
realiseren als doorstroombanen. Het tot stand brengen van
doorstroombanen moet gezien worden als een faciliteit voor de gemeente,
c.q. de werkgever. Bij de bepaling van het aantal arbeidsplaatsen kan op
de gebruikelijke wijze naar boven worden afgerond (dat wil zeggen boven
0,5 naar boven). Indien een gemeente minder dan zes arbeidsplaatsen
heeft toebedeeld gekregen, kan in ieder geval één arbeidsplaats worden
aangemerkt als doorstroombaan.
Artikel
11. Scholing
Om de arbeid in de dienstbetrekking beter te kunnen vervullen en om
doorstroom naar ander regulier werk te bevorderen, moet de werknemer in
staat worden gesteld scholing te volgen. Dit artikel strekt daartoe.
De werknemer valt wat betreft zijn
rechtspositie geheel onder de verantwoordelijkheid van de werkgever.
Daarom moet in de eerste plaats de werkgever uit de ter beschikking
staande middelen voor scholing van werknemers de kosten geheel of
gedeeltelijk vergoeden. Indien sprake is van aanvullende scholing
waarvoor aan de werkgever geen middelen ter beschikking staan, kan de gemeente
hiervoor uit het vergoedingsbedrag voor de aanvullende kosten
een bijdrage verstrekken of daarvoor uit andere bronnen extra middelen
verstrekken.
Bij scholing gaat het om voorzieningen die in
combinatie met het verrichten van werkzaamheden kunnen worden gevolgd.
Het is niet de bedoeling dat een groot deel van de arbeidstijd heengaat
met het volgen van scholing. Vandaar dat het vereiste is gesteld dat de
werkzaamheden die in de dienstbetrekking worden verricht ten minste 80%
van de overeengekomen arbeidsduur omvatten (eerste lid). Dit mag dan
wel over een langere periode worden bezien, bijvoorbeeld over een
kwartaal of halfjaar.
In het kader van de beroepsbegeleidende leerweg op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs is het mogelijk opleidingen te volgen
waarvan de beroepspraktijkvorming minimaal 60% van de tijd in beslag
neemt. Om het volgen van deze opleidingen niet te beperken, is het
tweede lid opgenomen. In dit verband wordt erop gewezen dat het hierbij
gaat om opleidingen die ook in het kader van een CAO kunnen worden
afgesproken en die er speciaal op gericht zijn vooral via werk in de
praktijk een beroepskwalificatie te verkrijgen. Ook hier mag dit
tijdsbeslag over een langere periode worden bezien. Omdat de structuur
van de nieuwe leerweg, met name in de gezondheidszorg, is gewijzigd, ligt
het voor de hand dat hier een termijn in acht wordt genomen die langer
is dan de duur van de opleiding.
Artikel
12. Hoogte
vergoeding
Op grond van het eerste lid dient de vergoeding aan de werkgever in ieder
geval kostendekkend te zijn voor de loonkosten in het eerste jaar. Dit
bedrag is de minimumvergoeding die een werkgever ontvangt. Op grond
van artikel 9, eerste lid, mag de werkgever in het eerste jaar niet meer
betalen dan het minimumloon. Het tweede lid van
artikel 9 bevat daarop
een uitzondering voor de personen die uit een Wiw-dienstbetrekking of
een andere in- en doorstroombaan instromen in een dienstbetrekking op
grond van dit besluit. De kostendekkendheid strekt zich in het eerste
jaar ook uit tot loonbestanddelen als eindejaarsuitkeringen die de
werkgever op grond van de CAO vanaf aanvang van de dienstbetrekking moet
verstrekken.
In de navolgende jaren heeft de gemeente
enige
beleidsvrijheid in het verhogen van de vergoeding als het gaat om de
arbeidskosten. Deze vrijheid heeft ook betrekking op de aanvullende
kosten als bedoeld in artikel 13, vierde lid. De gemeente is niet
gehouden het desbetreffende (in 1999: ƒ4250,-) te verstrekken als
een (jaarlijkse) bijdrage aan de werkgever. Als een gemeente het
bijvoorbeeld noodzakelijk acht om over een periode van een aantal jaren
in aanvang méér dan ƒ4250,- en later minder aan de werkgever te
vergoeden, is dit ook mogelijk. Wel is in artikel 18, eerste lid, in het
kader van de overgangsregeling voor de reeds vervulde arbeidsplaatsen in
de zorgsector een bijzondere bepaling opgenomen over de hoogte van de
vergoeding die de gemeente aan de zorginstelling verstrekt.
Het tweede lid schrijft voor dat over de hoogte van de vergoeding die de
gemeente
aan de werkgever betaalt vanaf de aanvang van de
dienstbetrekking met de langdurig werkloze, in overleg tussen de
gemeente en de werkgever, duidelijkheid wordt geboden. Hierbij wordt
ervan uitgegaan dat de werkgevers het loon van de werknemer (jaarlijks)
verhogen met een periodieke verhoging conform de bepalingen van de
betreffende CAO. De subsidiebedragen die de gemeente van het Rijk
ontvangt (zie artikel 13), bieden voor de gemeente de ruimte om bij de
vaststelling van de vergoeding voor de loonkosten aan de werkgever de
door de werkgever te betalen verhogingen op grond van de CAO te
verdisconteren. Deze ruimte voor de gemeente wordt mede gecreëerd door
het feit dat de beoogde uitstroom van werknemers uit en instroom van
nieuwe werknemers in de regeling in financiële zin tot effect heeft dat
"dure" werknemers worden vervangen door "goedkope" werknemers.
De gemeente hoeft bij de vergoeding aan de werkgever geen rekening te
houden met de eventuele omstandigheid dat de werkgever aan de werknemer
(binnen de grenzen van dit besluit) sneller meer loon gaat betalen dan
de periodieke verhogingen conform de betreffende CAO. Voorts hoeft bij
de vergoeding geen rekening te worden gehouden met het feit dat de
werkgever de afdrachtvermindering langdurig werklozen op grond van de WVA
zal verliezen omdat het loon door het verstrekken van
onregelmatigheidstoeslagen boven de toetsgrens van 130% minimumloon
komt.
De afspraken die de gemeente en de werkgever over de vergoeding maken,
kunnen in geen geval de maximumbeloning die dit besluit toelaat,
overschrijden. Het derde lid zal geen onderdeel uitmaken van de
rechtmatigheidstoets op de besteding van de rijkssubsidie.
Artikel
13. Subsidieverlening
en hoogte subsidie
Dit artikel regelt de uitgangspunten bij de subsidieverlening aan de gemeente. Er wordt uitgegaan van verschillende bedragen per
arbeidsplaats die voor een belangrijk deel bedoeld zijn om de kosten van
de werkgever te vergoeden. De jaarlijks te verlenen subsidie wordt aan
de hand van de bereidverklaring, bedoeld in artikel 3, zesde lid,
vastgesteld op het product van het aantal arbeidsplaatsen waarvoor de
gemeente zich bereid heeft verklaard en de verschillende van toepassing
zijnde bedragen (eerste lid). De subsidie wordt betaald aan de hand van
declaraties waarin zijn opgenomen de op de arbeidsplaatsen gerealiseerde
dienstbetrekkingen.
In het subsidiebedrag is begrepen een deel dat bedoeld is voor de
uitvoeringskosten van de gemeente en aanvullende kosten voor de
werkgever zoals begeleiding en scholing (vierde lid). Het andere deel
van het vaste bedrag voor het jaar 2000 is bestemd voor vergoeding van
loonkosten door de werkgever. Deze bedragen, bedoeld in het tweede lid,
worden onderverdeeld al naar gelang van de duur van de dienstbetrekking
en de soort dienstbetrekking (doorstroombaan) en het feit of reeds
eerder in een dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit is gewerkt (de
zogenaamde "overstappers"). Er zijn bedragen voor de op 1 januari 1999
reeds bestaande dienstbetrekkingen, voor na januari 1999 nieuw aangegane
dienstbetrekkingen met een bepaalde werknemer en een bedrag ingeval
geen rekening kan worden gehouden met de afdrachtvermindering langdurig
werklozen op grond van de WVA
waarbij ook de duur van de
dienstbetrekking bepalend is (de afdrachtvermindering langdurig
werklozen geldt maar voor vier jaar) en voor doorstroombanen.
Bij het vaststellen van de bedragen wordt
rekening gehouden met de gemiddelde werkgeverslasten. Het laagste bedrag
wordt geacht voldoende te zijn voor de vergoedingen gedurende de eerste
vier jaar van het dienstverband met betrekking tot een arbeidsplaats in
de zin van dit besluit. Bij het vaststellen van de bedragen wordt tevens
rekening gehouden met de afdrachtverminderingen op grond van de
hoofdstukken III en IV van de WVA
waarvoor werkgevers in aanmerking
kunnen komen. Voorts is er een bedrag waarbij rekening wordt gehouden
met het feit dat de WVA pas met ingang van 1 januari 1996 is ingevoerd
en niet van toepassing is op dienstbetrekkingen met betrekking tot
arbeidsplaatsen die vóór die datum tot stand zijn gekomen.
De bedragen zullen worden geïndexeerd naar de
ontwikkeling van prijzen en lonen.
Bij het vaststellen van de termijn voor de hoogte van het subsidiebedrag
wordt wel rekening gehouden met de tijd die is doorgebracht op een Wiw-dienstbetrekking, inclusief de periode in de banenpool, evenwel na
aftrek van een termijn van twee jaar (derde lid). De reden hiervoor is
dat ingevolge artikel 15, tweede lid, Wiw gedurende de eerste twee jaar
op een Wiw-dienstbetrekking immers niet meer mag worden betaald dan het
wettelijk minimumloon.
Op grond van het vijfde lid wordt de hoogte van het subsidiebedrag voor
de uitstroompremies vastgesteld. Dit bedrag is dus zowel bestemd voor de
uitstroompremie voor de werknemer als voor een andere bestemming die de gemeente
daaraan in het kader van uitstroombeleid geeft.
Een gemeente met een gering aantal arbeidsplaatsen kan op basis van de
toedeling van arbeidsplaatsen bij het vervullen van dienstbetrekkingen
die een arbeidsduur hebben van meer dan 32 uur per week, op jaarbasis
berekend onvoldoende subsidie ontvangen. Dit kan zich ook voordoen in
het kader van de overheveling van de "oude" zorgbanen naar de
gemeenten. De verleende subsidie kan dan op verzoek van de gemeente op
grond van het zesde lid worden verhoogd. Met betrekking tot deze
wijzigingsmogelijkheid zullen op grond van het zevende lid nog nadere
regels worden vastgesteld. Op grond van deze regels kan de verhoging in
bepaalde omstandigheden beperkt worden en eventueel anders ingevuld
worden in verband met de overgang van zorgbanen.
Artikel
14. Betaling
subsidie
Voor het bevoorschotten, declareren en verantwoorden van de subsidies is
zoveel mogelijk aangesloten bij de processen, termijnen en vormgeving
van de formulieren van sociale voorzieningen die reeds bij gemeenten
in
uitvoering zijn, zoals de Abw en de Wiw.
In beginsel wordt de hoogte van het voorschot
berekend aan de hand van de opgaven, dat wil zeggen de
kwartaaldeclaraties (eerste lid). Voor de bevoorschotting van de
zorgbanen is bij de start van dit besluit nog geen kwartaaldeclaratie
beschikbaar. Om die reden wordt het eerste halfjaar van 2000 op een
andere, bij ministeriële regeling te bepalen wijze het voorschot voor
die banen vastgesteld. Hiervoor zal een soortgelijke regeling worden
getroffen als in artikel 13, derde en vierde lid, van de voormalige
Regeling in- en doorstroombanen voor
langdurig werklozen was opgenomen.
Op basis van de kwartaaldeclaraties worden de
maandvoorschotten berekend. Het indienen van een kwartaaldeclaratie
wordt beschouwd als een aanvraag voor een voorschotbeschikking zoals
bedoeld in artikel 4:54 Awb. De aanvraag heeft een dubbele
doelstelling:
deze heeft niet alleen betrekking op betaling van het kwartaalvoorschot
voor het kwartaal waarop de declaratie betrekking heeft, maar ook op
betaling van de maandvoorschotten die vallen in het tweede kwartaal dat
volgt op het kwartaal waarop de declaratie betrekking heeft.
De subsidie voor de uitstroompremie wordt betaald op aanvraag van de gemeente
(tweede lid). Dit betekent dat de gemeente deze subsidie
slechts ontvangt nadat zij heeft aangegeven deze in te zetten voor
uitstroombeleid. Er wordt van uitgegaan dat de gemeente deze subsidie
via een apart declaratieformulier aanvraagt (wel gelijktijdig met de
andere declaraties) vanaf het moment dat daadwerkelijk besteding van
deze subsidie ten behoeve van uitstroombeleid (voor werknemers en
werkgevers) aan de orde is. Vandaar dat in de aanvraag het aantal
uitgestroomde werknemers moet worden gemeld. Het model van de aanvraag
wordt vastgesteld bij de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde
lid.
Daarnaast is in het derde lid geregeld dat gemeenten
verhoging van het
maandvoorschot kunnen vragen indien arbeidsplaatsen versneld worden
gerealiseerd.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, zal één
formulier worden vastgesteld voor zowel de aanvraag van de subsidie voor
de uitstroompremie als voor de declaratie. Daarnaast zal in ieder geval
worden geregeld hoe het aantal arbeidsplaatsen moet worden berekend
indien de dienstbetrekking niet begint op de eerste dan wel de zestiende
van de maand.
Artikel
15. Vaststelling
van de subsidie
Dit artikel bevat de gebruikelijke bepalingen voor het verstrekken van
de jaaropgave en de bepalingen omtrent de vaststelling in afwijking van
de betaalde en verleende subsidie. Op deze wijze geeft Onze Minister
in
zijn specifieke wettelijke voorschriften inhoud aan de algemene
bepalingen in de Awb. De subsidie wordt vastgesteld op grond van de
gegevens in de jaaropgave die is gecontroleerd zoals in het controle-
en rapportageprotocol is aangegeven (eerste en tweede lid).
De termijn in het derde lid is opgenomen om daarmee inhoud te geven aan
de beslistermijn. Deze termijn is vrij lang, maar noodzakelijk om op
zorgvuldige wijze tot vaststelling te komen aan de hand van de
verstrekte gegevens. Wordt de jaaropgave of het verslag van de controle
van de gegevens niet binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop zij
betrekking heeft ontvangen, dan wordt de subsidie ambtshalve
vastgesteld.
In artikel 4:46, tweede lid, Awb worden in algemene zin de
omstandigheden aangeduid op grond waarvan de subsidie lager kan worden
vastgesteld dan de verleende subsidie. Het vierde lid, onderdeel a, van
dit artikel (indien het aantal vervulde dienstbetrekkingen op
arbeidsplaatsen niet overeenstemt met het aantal arbeidsplaatsen op
grond waarvan de subsidie is verleend) is in feite een voor de subsidie
waarop dit besluit betrekking heeft nadere invulling van onderdeel a van
genoemd artikellid van de Awb ("indien de activiteiten waarvoor de
subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden"). Ook
de overige in het vierde lid genoemde gronden sluiten aan bij de
relevante bepaling in de Awb. Het niet juist of onvolledig verstrekken
van ándere informatie dan verantwoordingsinformatie leidt niet tot
vaststelling van een ander subsidiebedrag dan is verleend. Vandaar dat
in het vierde lid, onderdeel b, alleen verwezen wordt naar de
verantwoordingsinformatie die is opgenomen in de jaaropgave en in de
bijbehorende verklaring en het verslag over de controle als bedoeld in
het tweede lid.
Op grond van het zesde lid kunnen voor de
toepassing van het vierde lid nadere regels worden gesteld. Het gaat
hier om het zogenaamde maatregelenbeleid.
Artikel
16. Opschorting,
terugvordering en verrekening
In het eerste lid wordt bepaald dat de betaling van het voorschot kan
worden opgeschort als de opgaven zoals de kwartaalrapportage of
kwartaaldeclaratie niet of onvolledig door de minister
is ontvangen. Dit
geldt, mede op basis van artikel 19, tweede lid, ook indien gegevens
over het vierde kwartaal van 1999 of het jaar 1999 niet of onvolledig
zijn ontvangen. Dat de betaling van het voorschot kan worden opgeschort,
geldt ook indien de bereidverklaring niet wordt ontvangen. Zodra de
genoemde documenten zijn ontvangen, wordt de betaling zo spoedig mogelijk
weer hervat en worden de perioden waarover geen voorschot is betaald,
nabetaald (tweede lid).
Indien na de vaststelling blijkt dat over enig
jaar te veel subsidie is betaald, kan dit - op grond van artikel 4:57
Awb - binnen vijf jaar na de dag waarop de subsidie is vastgesteld geheel worden teruggevorderd; ook kan worden bepaald dat dit overschot
kan worden verrekend met toe te kennen subsidie in een volgend jaar (derde lid). Hoewel de bevoegdheid tot terugvordering reeds voortvloeit
uit het genoemde artikel van de Awb, is dit artikellid met name
opgenomen in verband met de mogelijkheid tot verrekening.
Artikel
17. Informatie-
en administratieverplichtingen
De informatieverplichtingen die op grond van dit artikel worden
geregeld, hebben vooral betrekking op de informatie in het kader van de
monitoring op de realisatie. Vandaar dat in het eerste lid is bepaald dat
de gemeente moet meewerken aan onderzoek dat door of namens de minister
wordt ingesteld. Gegevens van werkgevers kunnen via de gemeente worden
gevraagd. Dit betekent dat de gemeente bij het verstrekken van de
vergoeding aan werkgevers deze werkgevers ook daarvoor relevante
informatieverplichtingen kan opleggen. Wel moet het voor de
toezichthouders (die op grond van de Kaderwet
SZW-subsidies bij besluit
van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt geplaatst, worden
aangewezen) mogelijk zijn ook bij de werkgever inzage te verkrijgen in
gegevens of gegevens te vragen indien dat in verband met het toezicht op
de naleving van deze regeling noodzakelijk is. Deze bevoegdheid van de
toezichthouder vloeit rechtstreeks voort uit de Awb. Voor een effectief
toezicht is het echter noodzakelijk dat de gemeente als
subsidieontvanger wel zodanige gegevens in de administratie heeft dat
controle op de gerealiseerde dienstbetrekkingen en de besteding van de
subsidie ook daadwerkelijk mogelijk is (tweede lid).
In de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, zal met name de
kwartaalrapportage nader worden uitgewerkt. Daartoe dienen de gemeenten
een vastgesteld formulier te gebruiken. De gegevens betreffen in
hoofdlijnen de sectoren waarin de banen worden gerealiseerd en de
gegevens over de werknemers. Waar hiervoor in deze nota van toelichting
wordt aangegeven dat de effectuering wordt gevolgd, gebeurt dat in
eerste instantie aan de hand van de gegevens die via de
kwartaalrapportage worden verstrekt. Bij de omvang van deze nader te
regelen informatieverplichting zal rekening worden gehouden met de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Rijk en de gemeenten. Het doel
is met name vast te stellen in hoeverre deze banen bijdragen aan het
oplossen van langdurige werkloosheid.
Artikel
18. Overgang
dienstbetrekkingen bij instellingen zorgsector
In verband met de overheveling van de zorgbanen worden in dit artikel
een aantal bijzondere bepalingen opgenomen waaraan de gemeente
zich bij
het verstrekken van vergoedingen aan werkgevers in de zorgsector heeft
te houden.
Het gaat hier om het verstrekken van
vergoedingen aan werkgevers voor de kosten van dienstbetrekkingen die
worden vervuld met betrekking tot arbeidsplaatsen die tot en met 1998
zijn toegekend op grond van de door de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, vastgestelde Circulaire beleidsregels extra
arbeidsplaatsen zorgsector. Deze kosten werden ingevolge artikel 16 van
de voormalige Regeling ID-banen tot 1 januari 2000 vergoed door middel
van subsidie van de Minister van VWS dan wel gefinancierd op basis van
besluiten van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg.
Het eerste lid heeft betrekking op de hoogte van de vergoeding die aan
de werkgever wordt betaald voor de kosten die voortvloeien uit de
dienstbetrekking die met een bepaalde werknemer is aangegaan vóór de
datum van inwerkingtreding van dit besluit, te weten 1 januari 2000.
Uitgangspunt is dat de werkgever tot drie jaar na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit niet minder voor de kosten van die
dienstbetrekking van de gemeente ontvangt dan hij van de
uitvoeringsinstelling van de zorg (de Stichtingen Awo en Awob) of via
het
COTG ontving. Daartoe is bepaald dat de gemeente in het jaar 2000
het gehele subsidiebedrag verstrekt, dat wil zeggen het maximale bedrag
voor vergoeding van de loonkosten inclusief het bedrag voor de
aanvullende kosten (in 1999 vastgesteld op ƒ4250,-) en in de jaren
2001 en 2002 het maximale bedrag voor de vergoeding van de loonkosten,
doch wat betreft het bedrag voor de aanvullende kosten echter alleen
voor zover de werkgever kan aantonen dat hij deze kosten (voor scholing
of begeleiding) heeft gemaakt. Vanaf 2003 wordt de vergoeding aan de
werkgever door de gemeente bepaald op basis van het gemeentelijk beleid.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat op de
zogenaamde "nieuwe" zorgbanen, te weten de arbeidsplaatsen die vanaf
1999 door de gemeenten zijn toegekend, het gemeentelijke regime van
toepassing is.
Het tweede lid betreft een uitzondering op het detacheringsverbod. De
regeling hier is een vastlegging van een met de sector gemaakte
afspraak. De bepaling houdt in dat het detacheringsverbod niet geldt
indien een werknemer feitelijk werkzaamheden verricht in een instelling
die nu niet zijn formele werkgever is, maar die wel met ingang van 1
januari 2000 deel uitmaakt van de onderneming van zijn werkgever op
basis van een fusieplan dat vóór 1 juli 1998 is opgesteld.
Bij het vervullen van dienstbetrekkingen in de zorgsector gold in die
sector het voorschrift dat de werkgever binnen twaalf maanden een
arbeidsplaats in de vorm van een dienstbetrekking moest vervullen. Bleef
een arbeidsplaats een langere periode leeg, dan verviel de aanspraak op
financiering van die arbeidsplaats bij de desbetreffende werkgever en
kwam de arbeidsplaats voor herverdeling in aanmerking. Indien een
vacature ontstond met betrekking tot een al vervulde dienstbetrekking,
dan kon de werkgever die weer vervullen door een dienstbetrekking aan te
gaan met een andere langdurig werkloze. Dit kon in de zorgsector dus
alleen wanneer deze dienstbetrekking binnen twaalf maanden nadat de vacature
was ontstaan, werd vervuld.
In het jaar 1999 kunnen vacatures zijn ontstaan
met betrekking tot deze dienstbetrekkingen. Het derde lid bewerkstelligt
dat de gemeente in het jaar 2000 in verband met die vacature deze
periode van twaalf maanden in acht neemt en de aanspraak op vergoeding
voor de werkgever niet eindigt voordat die periode is verstreken. Op die
wijze wordt de werkgever de tijd gegund de vacature bij de eigen
instelling te vervullen. De gemeente kan de arbeidsplaats na het
verstrijken van deze periode van twaalf maanden terugnemen. Het staat de
gemeente echter ook vrij nog nadere afspraken te maken met de
zorginstelling voor de invulling van de arbeidsplaats.
Verder bevat dit besluit geen regels voor de beëindiging
van de aanspraak op vergoeding indien de arbeidsplaats niet wordt
vervuld. Wel kan het niet vervullen van de arbeidsplaats uiteindelijk
gevolgen hebben voor het aantal arbeidsplaatsen dat aan een gemeente
wordt toegekend. Daarbij wordt niet uitgegaan van een periode van twaalf
maanden, maar van een peildatum. Voor de vacatures die na 1 januari
2000 ontstaan met betrekking tot zorgbanen wordt ervan uitgegaan dat de
gemeenten zorgvuldig handelen en niet zonder overleg een veel kortere
periode hanteren voor (her)bezetting dan die van twaalf maanden waaraan
men in de zorgsector gewend was. De arbeidsmarktsituatie in de
zorgsector kan ook een langere termijn rechtvaardigen.
Het vierde lid betreft de overhevelingsbijdrage. De gemeenten
ontvangen
in 2000 eenmalig een extra subsidie per over te dragen arbeidsplaats in
de zorgsector, omdat deze arbeidsplaatsen bij de overgang tot extra
uitvoeringskosten bij de gemeenten leiden. In de ministeriële regeling
zal geregeld worden wat de hoogte van deze bijdrage is, voor welke
periode die verstrekt wordt en op welke wijze deze extra subsidie wordt
verleend en betaald.
Artikel
19. Overgangsregeling
bestaande dienstbetrekkingen
De dienstbetrekkingen die tot stand zijn gekomen op grond van de
voormalige Ewlw en waarin een langdurig werkloze werkzaam is of
is geweest, of dienstbetrekkingen in de zorgsector die op grond van de
eerdergenoemde beleidsregels voor de zorgsector worden of werden
gefinancierd onder verantwoordelijkheid van de Minister van
VWS, zijn
aangemerkt als dienstbetrekkingen als bedoeld in de voormalige Regeling ID-banen. Dit is ook de strekking van de overgangsbepaling in het eerste
lid. Dit betekent dat wanneer het werkzaam zijn geweest op een
dienstbetrekking op grond van de aan dit besluit voorafgaande regelingen
relevant is, dit wordt aangeduid als een dienstbetrekking op grond van
dit besluit. Dit speelt bijvoorbeeld bij de doelgroepbepalingen in dit
besluit en andere regelingen.
De besluiten over vaststelling van subsidie en beslissingen op bezwaar
en beroep worden beheerst door de regels die golden vóór de datum van
inwerkingtreding van dit besluit (tweede lid). Dit was geregeld in
artikel 17, tweede lid, van de voormalige Regeling ID-banen. Daarop
voortgaand is nu in het tweede lid geregeld dat op die besluiten de Regeling ID-banen
van toepassing blijft. Niet alleen die regels gelden,
ook de beslissingsbevoegdheid blijft berusten bij de minister die
daarvoor bevoegd was (derde lid). Dit betekent voor de gemeentelijke
banen dat de Minister voor Grotesteden- en
Integratiebeleid verantwoordelijk is voor de financiële
afwikkeling over de jaren voorafgaande aan 1 januari 1999. De Minister
van VWS blijft bevoegd na 1 januari 2000 de subsidies en rijksbijdragen
af te wikkelen die betrekking hebben op de periode tot en met 31
december 1999.
Artikel
20. Intrekking
regeling
Naast deze algemene maatregel van bestuur zal ook een daarop gebaseerde
ministeriële regeling worden vastgesteld. Tezamen bevatten deze
regelingen al hetgeen de Regeling ID-banen
voor langdurig werklozen
regelt. Die regeling kan dus worden ingetrokken.
BIJLAGE
bij de nota van toelichting
Lijst van instellingen
zorgsector (voor de toepassing van artikel 1, vijfde lid, onderdeel b):
1. Ziekenhuizen.
2. Academische ziekenhuizen.
3. Epilepsie-inrichtingen.
4. Dialysecentra.
5. Audiologische centra.
6. Radiotherapeutische centra.
7. Psychiatrische ziekenhuizen.
8. Instellingen voor psychiatrische deeltijdbehandeling.
9. Verpleeghuizen (inclusief kloosterbejaardenoorden).
10. Zwakzinnigeninrichtingen (inclusief debieleninternaten,
kortverblijftehuizen).
11. Instellingen voor zintuiglijk gehandicapten.
12. "Het Dorp".
13. Instellingen die thuiszorg leveren (conform artikel 15 van het
Besluit zorgaanspraken Bijzondere
Ziektekostenverzekering).
14. Bloedbanken.
15. Regionale instellingen voor ambulante geestelijke
gezondheidszorg.
16. Huisartsenlaboratoria.
17. Regionale instellingen voor beschermd wonen.
18. Instellingen voor revalidatie.
19. Instellingen die werkzaamheden verrichten in het kader van de te
leveren gezondheidsprestatie voor instellingen die vallen onder het
Besluit werkingssfeer Wtg nummers A1 t/m A30 (o.a. centrale
ziekenhuisapotheken/-laboratoria).
20. Verzorgingshuizen.
21. Dagverblijven en tehuizen voor gehandicapten.
22. Jeugdhulpverlening.
23. Maatschappelijke opvang.
24. Schippersinternaten.
25. Medische kinderdagverblijven en medische kindertehuizen.
26. Sociaal pedagogische diensten.
27. Verslavingszorg.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
|