|
13 juli 2001/nr. AM/RAW/01/39998
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Besluit:
§ 1.
Beleidsregels
vaststelling subsidie Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurig werklozen (Regeling ID-banen) en
Besluit in- en doorstroombanen (Besluit ID-banen)
Beleidsregel 1. Het aantal
vervulde arbeidsplaatsen stemt niet
overeen met het aantal arbeidsplaatsen
op grond waarvan subsidie is
verleend. Grondslag artikel 14, zesde
lid, onderdeel a, van de Regeling ID-banen
en artikel 15, vierde lid,
onderdeel a, van het Besluit ID-banen
In een geval als bedoeld in
artikel 14, zesde lid, onderdeel a, van
de Regeling ID-banen voor
langdurig werklozen respectievelijk
artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van
het Besluit ID-banen wordt de
verleende subsidie voor het jaar 1999
respectievelijk 2000 en 2001 vastgesteld op basis van de verantwoording
van de kwartaaldeclaraties die in
de jaaropgave zijn opgenomen, alsmede de hierbij behorende
accountantsverklaring en het verslag van controle.
De subsidierelatie tussen Rijk
en gemeente met betrekking tot het aantal voor subsidie in aanmerking
komende arbeidsplaatsen bestaat
uitsluitend tot het maximum aantal
arbeidsplaatsen dat door de gemeente in de bereidverklaring is aangegeven, voor
zover dit aantal niet meer
bedraagt dan het aantal door de
minister toegekende arbeidsplaatsen. Bij de
vaststelling van de subsidie zal derhalve van het laagste aantal
arbeidsplaatsen worden uitgegaan.
Heeft een gemeente meer
arbeidsplaatsen gerealiseerd dan zij in de bereidverklaring heeft
aangegeven te zullen doen dan wel het
aantal dat door de minister is
toegekend, dan worden de kosten van deze
arbeidsplaatsen bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking
genomen. Bij de bepaling welke
arbeidsplaatsen dan niet voor vergoeding in
aanmerking komen, wordt uitgegaan van
die arbeidsplaatsen waarop dienstbetrekkingen zijn vervuld die als
laatste zijn gerealiseerd. Het is
van belang dat voor gemeenten
duidelijkheid bestaat, omdat verschillende
normbedragen bestaan en ik bij de
vaststelling op basis van concrete
dienstbetrekkingen moet bepalen om welke bedragen het gaat.
Beleidsregel 2. Het
verstrekken van juiste of volledige gegevens
zou hebben geleid tot een andere
subsidieverlening. Grondslag artikel 14, zesde
lid, onderdeel c, van de Regeling ID-banen respectievelijk artikel 15,
vierde lid, onderdeel b, van het Besluit ID-banen
In een geval als bedoeld in
artikel 14, zesde lid, onderdeel c, van
de Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 15, vierde lid,
onderdeel b, van het Besluit ID-banen
wordt
de verleende subsidie voor het jaar 1999 respectievelijk 2000 en 2001
lager vastgesteld met het bedrag
dat gelijk is aan het verschil tussen
de subsidie die is verleend op basis van de door de gemeente
onjuist of
onvolledig verstrekte gegevens en de subsidie die zou zijn verleend indien
deze gegevens juist of volledig zouden
zijn verstrekt.
Beleidsregel 3. Handelen in
strijd met de Regeling ID-banen
respectievelijk het Besluit ID-banen. Grondslag artikel 14, zesde
lid, onderdeel d, van de Regeling ID-banen respectievelijk artikel 15,
vierde lid, onderdeel c, van het Besluit
ID-banen
In een geval als bedoeld in
artikel 14, zesde lid, onderdeel d, van
de Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 15, vierde lid,
onderdeel c, van het Besluit ID-banen
wordt
de verleende subsidie voor het jaar 1999 respectievelijk 2000 en 2001
lager vastgesteld met het bedrag
dat in strijd met het bij de Regeling ID-banen
respectievelijk het bij of krachtens het Besluit ID-banen
bepaalde aan subsidie is verleend, voor zover de betreffende tekortkoming op
een bedrag kan worden
vastgesteld.
§
2. Inwerkingtreding, citeertitel
-1. Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en is
van toepassing bij de vaststelling van de subsidie Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurig werklozen
voor het jaar 1999 en het Besluit in-
en doorstroombanen voor de jaren 2000 en 2001.
-2. Dit besluit wordt
aangehaald als: Beleidsregels vaststelling
subsidie Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen
voor het jaar 1999 en Besluit in- en doorstroombanen voor de jaren 2000 en
2001.
De Beleidsregels
vaststelling subsidie Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurig werklozen
voor het jaar 1999 en Besluit in- en
doorstroombanen voor de jaren 2000 en 2001 zullen met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 13 juli
2001.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[13 juli 2001]
1. Algemeen
In 1999 is voor de
uitvoering van de Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurig werklozen
(Regeling ID-banen) en in 2000 en 2001
voor de uitvoering van het
Besluit in- en doorstroombanen (Besluit
ID-banen) aan gemeenten door het Rijk
subsidie toegekend. De uitvoering van
de ID-banen op rijksniveau is per 1
januari 1999 overgegaan van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar het
ministerie van
Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Over het
jaar 1999 dienden de gemeenten voor de eerste keer de verantwoording van
de subsidie, bestaande uit de jaaropgave ID-banen, de accountantsverklaring en het verslag van de
controle,
toe te zenden aan het ministerie
van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Op grond van
artikel 14,
vijfde lid, van de Regeling ID-banen
en
artikel 15, derde lid, van het Besluit ID-banen
wordt de subsidie binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave
vastgesteld. De vaststelling
zal geschieden door de
Rijksconsulent Sociale Zekerheid.
Voor de vaststelling van de
subsidie Regeling ID-banen voor het
jaar 1999 en de subsidie Besluit
ID-banen voor de jaren 2000 en 2001 is een
drietal beleidsregels geformuleerd. Deze beleidsregels zijn een
bekendmaking van het beleid van de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid met betrekking tot de
subsidievaststelling Regeling ID-banen onderscheidenlijk Besluit ID-banen. De
beleidsregels vermelden de
wijze waarop de minister voor het
jaar 1999 wat betreft de Regeling ID-banen en voor de jaren 2000 en 2001 wat betreft het Besluit
ID-banen toepassing geeft aan zijn bevoegdheid om af te wijken van de
verleende subsidie in de gevallen, bedoeld in
artikel 14, zesde lid, van de Regeling ID-banen
respectievelijk
artikel 15,
vierde lid, van het Besluit ID-banen.
2. Toetsingskader
Het toetsingskader ID-banen
voor de jaren 1999, 2000 en 2001 is
beperkt. Correcties op de verleende
subsidie worden uitsluitend toegepast
voor zover de tekortkomingen te herleiden zijn tot een direct te
kwantificeren financieel bedrag. In een
drietal situaties wordt de subsidie lager
vastgesteld dan is verleend.
Op grond van
artikel 14,
zesde lid, van de Regeling ID-banen
en
artikel 15, vierde lid, van het Besluit ID-banen
kan van de verleende en betaalde subsidie worden
afgeweken, indien:
1. de vervulde
dienstbetrekkingen met betrekking tot
arbeidsplaatsen niet overeenstemmen met het aantal
arbeidsplaatsen op grond waarvan de subsidie is verleend (artikel
14, zesde lid,
onderdeel a, van de Regeling ID-banen
en
artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van
het Besluit ID-banen);
2. de gemeente de gegevens,
bedoeld in
artikel 14 van de Regeling ID-banen
respectievelijk
artikel 15 van het Besluit ID-banen, niet
juist of niet volledig heeft verstrekt (artikel
14, zesde lid, onderdeel c, van
de Regeling ID-banen en
artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van het Besluit ID-banen);
3. de gemeente anderszins
handelt in strijd met genoemde regeling
respectievelijk genoemd besluit (artikel
14, zesde lid, onderdeel d, van
de Regeling ID-banen en
artikel 15, vierde lid, onderdeel
c, van het Besluit ID-banen).
In dit verband wordt nog
gewezen op het volgende. In de Regeling ID-banen
kon op een viertal gronden worden afgeweken van de
verleende en betaalde subsidie,
terwijl dit in het kader van het Besluit ID-banen
slechts op een drietal
gronden mogelijk is. In artikel 14, zesde
lid, onderdeel b, van de regeling was
bepaald dat indien de subsidie niet
of niet geheel overeenkomstig die
regeling was besteed, van de
verleende en betaalde subsidie kon worden
afgeweken. Het niet of niet geheel
overeenkomstig de regeling besteden van de subsidie had betrekking op
de besteding van het spaartegoed dat de gemeenten konden opbouwen
bij de bezetting van
arbeidsplaatsen. In de jaaropgave moesten de gemeenten van dit spaartegoed melding
maken. Nu deze grond niet langer
deel uitmaakt van de gronden die in het kader van het Besluit
ID-banen aanleiding kunnen geven tot afwijking van de verleende en betaalde
subsidie heb ik besloten bij de
vaststelling van de subsidie voor het jaar
1999 deze grond buiten beschouwing te
laten. Als gevolg van de gekozen
financieringssystematiek met betrekking tot de aan de gemeenten te verstrekken
subsidies kunnen
overschotten ontstaan. Deze kunnen worden gereserveerd voor (latere) besteding in
het kader van de ID-banen.
3. Beleidsregels
vaststelling subsidie Regeling ID-banen
respectievelijk Besluit ID-banen
Beleidsregel 1. Het aantal
vervulde arbeidsplaatsen stemt niet
overeen met het aantal arbeidsplaatsen
op grond waarvan subsidie is verleend
Een subsidierelatie tussen
Rijk en gemeente met betrekking tot
het aantal arbeidsplaatsen dat maximaal voor subsidie in aanmerking
komt, kan uitsluitend bestaan tot
het maximum aantal arbeidsplaatsen dat
in de bereidverklaring van de
gemeente, bedoeld in artikel 2, vierde
lid, van de Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 3, zesde lid, van
het Besluit ID-banen, is opgenomen, voor
zover dit aantal niet meer
bedraagt dan het aantal arbeidsplaatsen dat
door de
minister is toegekend. Mocht
de bereidverklaring een hoger
aantal arbeidsplaatsen aangeven dan
is toegekend door de minister, dan zal
bij de vaststelling het door de
minister toegekende aantal arbeidsplaatsen als maximaal te subsidiëren
arbeidsplaatsen gelden. De basis voor de vaststelling van het aantal
arbeidsplaatsen wordt gevonden in de
verantwoording van de kwartaaldeclaraties
die zijn opgenomen in de
jaaropgave en de hierbij behorende accountantsverklaring.
In geval van overrealisatie
komen die arbeidsplaatsen niet
voor vergoeding in aanmerking waarop in het betrokken jaar de laatst
gerealiseerde dienstbetrekkingen zijn vervuld. Het is van belang dat voor
gemeenten duidelijkheid bestaat, omdat verschillende normbedragen bestaan en bij
de vaststelling op basis van
concrete dienstbetrekkingen door de
minister bepaald moet worden om welke bedragen het gaat.
Bij het vaststellen van het
voor subsidie in aanmerking
komende aantal arbeidsplaatsen zal rekening
worden gehouden met het bepaalde in artikel
13, zesde lid, van
het besluit. Op grond van dit artikellid
kan op verzoek van een gemeente
waaraan niet meer dan acht
arbeidsplaatsen zijn toegekend, de
subsidieverlening worden gewijzigd indien vanwege de duur van de
dienstbetrekkingen de subsidie per
arbeidsplaats niet voldoende is.
Beleidsregel 2. Het
verstrekken van juiste of volledige gegevens
zou hebben geleid tot een lagere
subsidieverlening
Het betreft hier gegevens
die de gemeente moet verstrekken in
het kader van de financiële
verantwoording. In artikel 14, zesde lid,
onderdeel c, van de Regeling ID-banen
respectievelijk
artikel 15,
vierde lid, onderdeel b, van het Besluit ID-banen
is bepaald dat het hierbij
uitsluitend gaat om de in die artikelen bedoelde gegevens, dat wil
zeggen dat het gaat om gegevens en
bescheiden die van belang zijn in het
kader van de financiële verantwoording. Heeft de gemeente deze gegevens
niet juist dan wel niet volledig ingediend, dan wordt bij de vaststelling
van de subsidie rekening gehouden met het bedrag dat in geval van het
juist of volledig verstrekken van
gegevens aan subsidie zou zijn verstrekt.
De subsidie wordt verlaagd met het
bedrag dat ten onrechte is
verstrekt op grond van het door de gemeente
niet juist of niet volledig verstrekken
van gegevens.
Beleidsregel 3. Handelen in
strijd met de Regeling ID-banen
respectievelijk het Besluit ID-banen
In het kader van deze
beleidsregels is het handelen in strijd met
de Regeling ID-banen respectievelijk het
Besluit ID-banen uitsluitend in
verband gebracht met die aspecten
die een te kwantificeren bedrag met
zich brengen. Dit betekent in de volgende
situaties:
1. de werknemer die de
arbeidsplaats vervult, is niet een gewezen
langdurig werkloze in de zin van de
regeling respectievelijk het besluit (artikel 10 Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 1, eerste lid,
onderdeel b, en artikel 1, tweede lid, Besluit ID-banen);
2. de werkgever bij wie de
arbeidsplaats wordt vervuld, is niet een werkgever in de zin van de
regeling respectievelijk het besluit (artikel
1, eerste lid, onderdeel g, en artikel
1, tweede en vierde lid, Regeling ID-banen
respectievelijk artikel 1,
derde lid, onderdeel d, en artikel 1, vierde en vijfde lid, Besluit ID-banen;
3. de dienstbetrekking
voldoet niet aan de vereisten die
daarvoor zijn gesteld in artikel 5, vierde
lid, onderdeel b, Regeling ID-banen
respectievelijk artikel 6, tweede lid,
onderdeel b, Besluit ID-banen;
4. de werkgever heeft het
bepaalde in artikel 5, vierde lid,
onderdeel c, Regeling ID-banen
respectievelijk artikel 6, tweede lid,
onderdeel c, Besluit ID-banen inzake de
anticumulatie niet in acht genomen;
5. de gemeente bij het
bezetten van een doorstroombaan het
daaromtrent bepaalde in het besluit niet
in acht heeft genomen (artikel 10 Besluit ID-banen);
6. de gemeente bij het
uitkeren van de uitstroompremie het
daaromtrent bepaalde in het Besluit
ID-banen niet in acht heeft genomen (artikel
4, tweede, derde en vijfde lid, Besluit ID-banen, alsmede
artikel 4,
vierde lid, Regeling uitvoering en
financiering Besluit ID-banen);
7. de gemeente de Richtlijn
toepassing detacheringsverbod respectievelijk de Beleidsregels toepassing
detacheringsverbod Besluit in- en doorstroombanen niet in acht
heeft genomen (artikel 5, vierde
lid, onderdeel d en e, Regeling ID-banen
respectievelijk artikel 6,
tweede lid, onderdeel d en e, Besluit ID-banen.
Ad
1.
Blijkt de werknemer niet een
langdurig werkloze te zijn geweest of
is hij niet met een langdurig
werkloze gelijkgesteld overeenkomstig
artikel 9 juncto artikel 10, derde lid, van
de Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 5 van het
Besluit ID-banen, dan is de vervulling van de
arbeidsplaats niet overeenkomstig de
regeling respectievelijk het besluit
geschied. De dienstbetrekking waarvan
de vervulling niet voldoet aan artikel 9
van de Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 5 van het
Besluit ID-banen, komt niet in aanmerking voor subsidieverlening.
Ad
2.
Indien de arbeidsplaats
wordt vervuld bij een werkgever die niet
voldoet aan het bepaalde in de Regeling ID-banen
respectievelijk het Besluit ID-banen, dan is de vervulling van de
arbeidsplaats niet overeenkomstig de
regeling respectievelijk het besluit
geschied.
Ad
3. Blijkt de dienstbetrekking
niet te zijn aangegaan voor onbepaalde
tijd en is evenmin sprake van de in de
regeling respectievelijk het besluit
genoemde uitzondering, dan komt zo’n
dienstbetrekking niet in aanmerking voor subsidieverlening.
Ad
4.
Blijkt een werkgever nog een
subsidie in de loonkosten te hebben
ontvangen in strijd met hetgeen is
bepaald in artikel 5, vierde lid,
onderdeel c, van de Regeling ID-banen
respectievelijk artikel 6, tweede lid,
onderdeel c, van het Besluit ID-banen
ten
aanzien van de cumulatie, dan komt zo’n
dienstbetrekking niet in aanmerking voor subsidieverlening.
Ad
5. Een doorstroombaan kan
slechts worden bezet door een
werknemer die voldoet aan het bepaalde in
artikel 10, tweede lid, van het Besluit ID-banen. Voldoet de werknemer daaraan niet, dan komt zo’n
dienstbetrekking niet in aanmerking voor subsidieverlening.
Ad
6. In artikel
4, vijfde lid,
van het Besluit ID-banen
is bepaald dat de gemeente
de uitstroompremie ten
behoeve van een werknemer slechts mag aanwenden indien de dienstbetrekking
van de werknemer ingevolge de Regeling ID-banen
respectievelijk het Besluit ID-banen ten
minste twee jaar
heeft geduurd. Wordt daaraan niet
voldaan, dan komt de gemeente niet in aanmerking voor de
uitstroompremie zoals bedoeld in artikel 4, eerste
lid,
van het Besluit ID-banen.
Ad
7.
Ingevolge het bepaalde in
artikel 5, vierde lid, onderdeel d en e, van de Regeling ID-banen
respectievelijk artikel 6, tweede lid, onderdeel d en e, van het
Besluit ID-banen verstrekt de gemeente
de vergoeding
aan de werkgever slechts indien
geen sprake is van detachering dan wel
zogenaamde omgekeerde detachering. In
onderdeel d is opgenomen dat de
werkgever de werknemer in die dienstbetrekking niet ter
beschikking stelt voor het verrichten
van arbeid in een andere door een andere
ondernemer of de werkgever in stand
gehouden onderneming (verbod op detachering). In onderdeel e is bepaald dat de werknemer in die
dienstbetrekking alleen onder directe leiding
en toezicht van een persoon die, indien
het niet de werkgever zelf
betreft, in dienst is bij de werkgever
in dezelfde onderneming (verbod op
omgekeerde detachering). In de Gewijzigde richtlijn toepassing
detacheringsverbod respectievelijk de Beleidsregels toepassing
detacheringsverbod Besluit in- en doorstroombanen ¹ wordt
hierop nader ingegaan.
Wordt hieraan niet voldaan,
dan komt deze dienstbetrekking
niet voor subsidieverlening in
aanmerking. Ten aanzien van de aspecten
1 tot en met 5 en 7 geldt dat de
definitieve vaststelling van het maximum
aantal gerealiseerde
arbeidsplaatsen plaatsvindt op basis van het
aantal voor subsidieverlening in
aanmerking komende dienstbetrekkingen.
1. Gewijzigde richtlijn
toepassing detacheringsverbod, Stcrt. 1997, 245,
en Beleidsregels toepassing
detacheringsverbod Besluit in- en doorstroombanen, Stcrt. 28 december
2000, 251, pag. 55.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|