|
REGELING voor de
subsidiëring van dienstbetrekkingen in de collectieve en non-profitsector voor langdurig werklozen gericht op instroom in het arbeidsproces
respectievelijk doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces
17 december 1998/nr.
AM/RAW/98/40972
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor
Grotesteden-
en Integratiebeleid;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 8,
eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
-1. In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. langdurig werkloze: de
persoon, bedoeld in artikel 10;
c. dienstbetrekking: een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk
Wetboek of een
publiekrechtelijke aanstelling;
d. werknemer: de voormalig
langdurig werkloze die op een
dienstbetrekking werkzaam is;
e. arbeidsplaats: een
periode van één jaar waarop 32 uur per week
arbeid wordt verricht in
dienstbetrekking op basis waarvan de subsidie,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt
bepaald;
f. vergoeding: de vergoeding
die door de gemeente aan een
werkgever wordt verstrekt om een
arbeidsplaats in de vorm van een
dienstbetrekking met een langdurig werkloze te vervullen;
g. werkgever: een
publiekrechtelijk lichaam of een instelling
als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid tot welke een langdurig werkloze
in dienstbetrekking staat en
die ondernemer is als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet
op de ondernemingsraden;
h. onderneming: de
onderneming, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet
op de ondernemingsraden;
i.
Arbeidsvoorzieningsorganisatie: de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bedoeld in de
Arbeidsvoorzieningswet 1996;
-2. Onder een instelling
wordt verstaan een rechtspersoon die op
grond van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 niet onderworpen is aan
die belasting of op grond van de
artikelen 5 of 6 van die
wet is
vrijgesteld van die belasting.
-3. Het gemeentebestuur kan
voor de besteding van de subsidie op
grond van deze regeling als
instelling aanmerken een rechtspersoon die
onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, doch waarbij de behartiging
van het algemeen belang op de voorgrond staat en die voor de
exploitatie mede afhankelijk is van
overheidssubsidies.
-4. Onverminderd het tweede
en derde lid wordt voor de
toepassing van deze regeling als instelling
beschouwd de rechtspersoon die op grond
van de door de Minister Volksgezondheid, Welzijn en Sport
vastgestelde beleidsregels, genoemd in artikel 16, vergoedingen voor het aangaan van
dienstbetrekkingen met langdurig werklozen op extra arbeidsplaatsen kon
ontvangen.
Art. 2.
Totstandkoming en
aantallen arbeidsplaatsen
-1. De minister verstrekt
subsidie aan de gemeente voor de
totstandkoming van arbeidsplaatsen voor
langdurig werklozen die in de vorm van
dienstbetrekkingen bij werkgevers worden
vervuld.
-2. Het gemeentebestuur stelt
voor het tot stand brengen van
arbeidsplaatsen op het gebied van openbare
veiligheid en toezicht een beleid vast
na bespreking in het reguliere overleg
tussen de burgemeester van de gemeente waar de werkzaamheden op de dienstbetrekkingen in belangrijke mate worden
verricht, de officier van
justitie van het betreffende
arrondissement en de korpschef van het regionale
politiekorps.
-3. In bijlage I bij deze
regeling is per gemeente het aantal
arbeidsplaatsen opgenomen waarop
dienstbetrekkingen voor langdurig werklozen
kunnen worden vervuld; dit aantal betreft de som van de aan de gemeente
toegekende arbeidsplaatsen tot en met
1998 op grond van de in artikel
18 genoemde regeling en het aantal arbeidsplaatsen dat na de datum van
inwerkingtreding van deze regeling tot en met het jaar 2003 kan worden toegekend,
waarbij geen rekening is
gehouden met de op grond van de
regels van de Minister Volksgezondheid,
Welzijn en Sport tot stand gekomen
arbeidsplaatsen.
-4. Het gemeentebestuur zendt
de minister bij wijze van
aanvraag vóór 1 april 1999 een bereidverklaring voor het tot stand
brengen van de
arbeidsplaatsen, die is ingericht overeenkomstig bijlage II bij deze
regeling.
-5. Het aantal
arbeidsplaatsen, bedoeld in het derde lid, kan in de
loop van 1999 worden herzien,
rekening houdend met:
a. het aantal
dienstbetrekkingen ultimo 1998, bedoeld in artikel
1,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet
inschakeling werkzoekenden, met
uitzondering van die met jongeren als bedoeld in die
wet; of
b. het aantal arbeidsplaatsen waarop tot en met 1 januari 1999
geen dienstbetrekking met een langdurig werkloze is vervuld.
Art. 3.
Subsidiebedragen
-1. De subsidie is bestemd
voor de kosten van het realiseren van
dienstbetrekkingen voor langdurig werklozen en voor vergoedingen aan
werkgevers.
-2. De subsidie bedraagt per
kalenderjaar:
a. ƒ37 611,00 per
arbeidsplaats, voor zover die arbeidsplaats is
toegekend voor de periode tot en met 1998 en
op die arbeidsplaats tot en met 1
januari 1999 een dienstbetrekking is vervuld;
b. ƒ33 746,00 per arbeidsplaats waarop niet een dienstbetrekking
als bedoeld bij onderdeel a is vervuld
en waarop de dienstbetrekking met een
bepaalde werknemer minder dan vier
jaar duurt;
c. ƒ43 068,00 per
arbeidsplaats als bedoeld in onderdeel a, voor zover de dienstbetrekking meer dan
vier jaar duurt of vóór 1 januari
1996 is vervuld op een arbeidsplaats.
-3. In de bedragen, bedoeld
in het tweede lid, zijn ƒ4250,00 per
arbeidsplaats begrepen voor uitvoeringskosten en aanvullende kosten.
-4. Voor de bepaling van de
duur van de dienstbetrekking met een
bepaalde werknemer voor de toepassing
van het tweede lid, onderdeel b,
wordt de periode waarin die werknemer werkzaam is geweest op een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel g, van de Wet
inschakeling werkzoekenden meegeteld na
aftrek van een periode van twee
jaar.
Art. 4.
Tegengaan
verdringing en concurrentievervalsing
-1. De gemeente verstrekt pas
een vergoeding aan een werkgever voor het vervullen van dienstbetrekkingen met
langdurig werklozen op
arbeidsplaatsen:
a. nadat de ondernemingsraad
of personeelsvertegenwoordiging, voor zover die door de werkgever is
ingesteld, of het bij of krachtens de wet
voor die onderneming ingestelde medezeggenschapsorgaan, over de totstandkoming
van een dienstbetrekking
als bedoeld in deze regeling positief
heeft geadviseerd; en
b. indien bij de werkgever
in de periode van zes maanden voorafgaand
aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking geen overeenkomsten of aanstellingen tot het verrichten van
arbeid die vergelijkbaar is
met de arbeid op die
dienstbetrekking, zijn beëindigd op grond van
bedrijfseconomische redenen, voor zover nodig met toestemming van de Regionaal
Directeur voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
dan wel daartoe een procedure
voor ontslag om bedrijfseconomische
redenen in behandeling is.
-2. De
concurrentieverhoudingen worden niet onverantwoord
beïnvloed met de prijzen voor de
goederen en diensten die tengevolge
van de arbeid op de
dienstbetrekking worden geleverd.
Art. 5.
Vergoeding aan
werkgever
-1. Een werkgever ontvangt
van de gemeente een vergoeding voor
de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze.
-2. De vergoeding is ten
minste het bedrag dat noodzakelijk is
om de kosten van de werkgever te dekken
die voortvloeien uit artikel 7,
eerste en tweede lid, inclusief de loonbestanddelen, bedoeld in artikel
7, vierde
lid, voor zover de werkgever die
op grond van de voor de werkgever
geldende collectieve overeenkomst of
rechtspositieregeling verstrekt.
-3. De gemeente bepaalt bij
de verstrekking van de vergoeding bij
aanvang van de dienstbetrekking met
een bepaalde werknemer de hoogte
van de vergoeding voor volgende
jaren.
-4. De gemeente verstrekt de
vergoeding slechts aan de werkgever:
a. indien in de
dienstbetrekking arbeid wordt verricht door een persoon die volgens een door het
gemeentebestuur, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, afgegeven schriftelijke verklaring een langdurig werkloze is;
b. indien de
dienstbetrekking met de langdurig werkloze wordt
aangegaan voor onbepaalde tijd, met
als uitzondering daarop dat de
dienstbetrekking met een bepaalde werknemer slechts eenmaal kan worden
aangegaan voor een bepaalde tijd van
ten hoogste één jaar;
c. indien de werkgever voor
de loonkosten voortvloeiend uit het
aangaan van die dienstbetrekking
geen andere subsidie ontvangt of die
kosten niet op andere wijze kan verminderen
dan op grond van de hoofdstukken
III en IV van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, tenzij een subsidie wordt ontvangen op grond van
artikel 16 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten in de
vorm van een herplaatsingsbudget dan
wel tenzij een plaatsingsbudget of een
pakket op maat wordt ontvangen als
bedoeld in de artikelen 17 of 18 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten,
13b van de Wet inschakeling werkzoekenden of
81a van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, voor zover het pakket op maat niet mede omvat een
loonkostensubsidie;
d. indien de werkgever de
werknemer op die dienstbetrekking niet
ter beschikking stelt voor het
verrichten van arbeid in een andere
door een andere ondernemer of de werkgever in stand gehouden
onderneming;
e. indien de werknemer op
die dienstbetrekking werkzaamheden verricht alleen onder directe leiding
en toezicht van een persoon die indien
het niet de werkgever zelf betreft, in
dienst is bij de werkgever in dezelfde
onderneming, tenzij deze persoon wegens bijzondere omstandigheden tijdelijk
vervangen is door een persoon die
niet bij de werkgever in dienst
is;
f. indien de
dienstbetrekking voldoet aan de vereisten van de
arbeidsduur, bedoeld in artikel 6, de
vereisten van de beloning, bedoeld in
artikel 7, en de werkgever artikel 8 omtrent scholing in acht neemt.
Art. 6.
Arbeidsduur
De arbeidsduur per week in
de dienstbetrekking bedraagt bij aanvang van de dienstbetrekking ten
minste zoveel uren dat de werknemer niet
is aangewezen op een uitkering als bedoeld
in artikel 10, eerste lid,
onderdeel a, waarop hij recht zou hebben gehad indien met hem niet die
dienstbetrekking zou zijn aangegaan, tenzij
op grond van bij de werknemer
gelegen factoren een andere
arbeidsduur aangewezen is.
Art. 7.
Beloning
-1. Het loon dat aan de
werknemer op een dienstbetrekking als
bedoeld in deze regeling wordt betaald,
wordt bij aanvang van die
dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden bepaald op een bedrag van niet meer dan
het voor hem geldende minimumloon en
de vakantiebijslag, bedoeld in
de artikelen 8 en 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Van de eerste volzin kan worden
afgeweken met een algehele loonsverhoging voor zover het loon over de
overeengekomen uitbetalingstermijn met die verhoging niet meer bedraagt dan 103%
van het geldende minimumloon.
Van de eerste volzin kan daarnaast
worden afgeweken indien op basis
van de voor de werkgever geldende
collectieve overeenkomst of
rechtspositieregeling een periodieke loonsverhoging plaatsvindt binnen twaalf maanden na
aanvang van de dienstbetrekking.
-2. Het gemeentebestuur staat
bij het verstrekken van de
vergoeding toe dat van het eerste lid wordt afgeweken indien de langdurig werkloze
met het aangaan van de dienstbetrekking een loon zou ontvangen dat
minder bedraagt dan het loon dat
hij direct voorafgaande aan de
dienstbetrekking ontving in een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling
werkzoekenden.
-3. Het loon, in de zin van
de Wet op
de loonbelasting 1964,
exclusief de vakantiebijslag, dat aan de werknemer in de dienstbetrekking wordt
betaald en dat naar evenredigheid wordt verminderd indien de overeengekomen
arbeidsduur minder is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in
artikel 12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, bedraagt over de
overeengekomen uitbetalingstermijn niet meer dan 130% van het bedrag, bedoeld in artikel 8 van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, waarbij de op grond van de
van toepassing zijnde collectieve
overeenkomsten en rechtspositieregelingen
geldende toeslagen in verband met
werk op ongebruikelijke tijdstippen buiten beschouwing worden gelaten.
-4. Tot het loon, bedoeld in
het eerste en derde lid, behoren niet:
tantièmes, gratificaties en andere
beloningen die in de regel slechts eenmaal
of eenmaal per jaar worden toegekend,
en vergoedingen die worden verleend in het kader van het Besluit tegemoetkoming
ziektekosten en
inkomenstoeslag onderwijs- en
onderzoekspersoneel en het Besluit tegemoetkoming
ziektekosten rijkspersoneel.
Art. 8.
Scholing
-1. De gemeente bepleit bij
het verstrekken van de vergoeding aan de werkgever dat de werkgever
de werknemer in de gelegenheid stelt
scholing te volgen die bijdraagt aan
het goed vervullen van de
werkzaamheden op de dienstbetrekking en het
vergroten van zijn kans op een
dienstbetrekking anders dan op grond van deze
regeling, mits voor ten minste 80% van
de overeengekomen arbeidsduur
werkzaamheden worden verricht.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan de voor het verrichten van
werkzaamheden beschikbare tijd minimaal
60% van de overeengekomen
arbeidsduur bedragen indien opleidingen
worden gevolgd die bestaan uit een
beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Art. 9.
Verklaring
langdurig werkloze
-1. Voor de toepassing van
artikel 5, vierde lid, onderdeel a,
verklaart het gemeentebestuur van de gemeente waarin de betrokken persoon
woonachtig is, zo nodig na overleg met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
in een schriftelijk stuk ten behoeve van de werkgever dat die persoon
een langdurig werkloze is.
-2. De verklaring, bedoeld in
het eerste lid, geeft tevens aan welk
inkomen voor deze persoon aangewezen
is om te voldoen aan het vereiste
van artikel 6 of welke arbeidsduur voor
die persoon aangewezen kan zijn in
verband met bij die persoon gelegen
factoren.
Art. 10.
De doelgroep
-1. Langdurig werkloze als
bedoeld in deze regeling is de persoon
die geen jongere is als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inschakeling
werkzoekenden en die:
a. twaalf maanden of langer
een algemenebijstandsuitkering ontvangt
op grond van de Algemene bijstandswet, dan wel een uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; of
b. een uitkering ontvangt op
grond van een wet genoemd onder a
en die langer dan twaalf maanden
als werkloos werkzoekende is ingeschreven
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; of
c. anders dan als jongere
een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel
g,
van de Wet inschakeling werkzoekenden of een
arbeidsovereenkomst heeft
als bedoeld in artikel 5 van
voornoemde wet.
-2. Tevens wordt in deze
regeling onder een langdurig werkloze
verstaan de jongere, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inschakeling
werkzoekenden van wie de
dienstbetrekking overeenkomstig de artikelen 11, onderdeel a, en
23,
eerste lid, onderdeel a, van voornoemde
wet is opgezegd.
-3. Het gemeentebestuur,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, kan
voor de toepassing van deze regeling personen gelijkstellen met een
langdurig werkloze die in vergelijkbare omstandigheden verkeren als die, bedoeld in
het eerste of tweede lid:
a. wegens de duur van de
werkloosheid;
b. wegens de duur van het
recht op een inkomensvervangende
uitkering;
c. wegens de aard van de
arbeidsverhouding waarin werkzaamheden zijn verricht; of
d. wegens het eerder op een
dienstbetrekking als bedoeld in deze regeling arbeid hebben verricht.
Art. 11.
Toezichthouders
Onverminderd het bepaalde
krachtens artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies zijn met het toezicht op de
naleving van de bij deze regeling aan
de gemeente opgelegde verplichtingen belast personen werkzaam bij
de Directie Toezicht van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 12.
Informatie- en
administratieverplichtingen
-1. Het gemeentebestuur
verstrekt desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die hij
voor de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het vaststellen,
betalen en verlenen van de subsidie nodig heeft
en werkt mee aan door of namens
de minister ingesteld onderzoek dat erop gericht is de minister
inlichtingen te verschaffen ten behoeve van
beleidsontwikkeling.
-2. De administratie van de gemeente
wordt zodanig ingericht en
gevoerd dat alle van belang zijnde
vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve
van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
juist, volledig, tijdig, zichtbaar
en controleerbaar zijn.
-3. De gegevens die op grond
van het eerste lid aan de minister
worden verstrekt, betreffen in ieder geval de
gegevens die per kalenderkwartaal
overeenkomstig het model in bijlage III worden verstrekt.
-4. Het gemeentebestuur
verstrekt de gegevens, bedoeld in het
derde lid, uiterlijk vóór de twintigste
van de tweede maand volgend op het
kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben.
Art. 13.
Verlening en
betaling subsidie
-1. De minister
verleent aan
de gemeente voor het jaar 1999
voorschotten op de subsidie, bedoeld in
artikel 3, voor het realiseren van
arbeidsplaatsen.
-2. De verleende subsidie
wordt bij wijze van voorschot per
maand op of omstreeks de vijftiende van de
maand aan de gemeente betaalbaar
gesteld.
-3. Het voorschot, bedoeld in
het tweede lid, bedraagt een twaalfde van het bedrag dat de uitkomst is van de
vermenigvuldiging van het aantal toegekende arbeidsplaatsen tot en met
1998 en voor het aantal toegekende
arbeidsplaatsen voor 1999, bedoeld in
bijlage I bij deze regeling, met de
daarbij behorende bedragen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a en b; dit voorschot wordt betaald tot
en met juni 1999.
-4. Het voorschot, bedoeld in
het tweede lid, wordt herzien met
ingang van het derde kwartaal 1999 op
basis van de opgave van het
gemeentebestuur, bedoeld in het vijfde lid,
over de dienstbetrekkingen die
vervuld zijn op de arbeidsplaatsen, bedoeld
in het derde lid, en wordt
afgestemd op de landelijk verwachte kosten
over die maand.
-5. Een opgave over een
kalenderkwartaal, ingericht conform het model
in bijlage IV bij deze
regeling, wordt ingediend tegelijk met de
gegevens, bedoeld in artikel 12, derde
lid, en wordt beschouwd als een
verzoek tot betaling van een
kwartaalvoorschot voor het betreffende
kwartaal en tevens als een verzoek tot
betaling van maandvoorschotten voor het
tweede kwartaal volgend op het
kwartaal waarop de opgave betrekking
heeft.
-6. Het kwartaalvoorschot
wordt bepaald op basis van de
opgegeven dienstbetrekkingen op de
arbeidsplaatsen met verrekening van de over dat kwartaal eerder betaalde
maandvoorschotten. Een kwartaalvoorschot wordt betaald op of
omstreeks de vijftiende van de maand volgend op de maand waarin de opgave,
bedoeld in het vijfde lid, is ontvangen.
-7. Voor de berekening van
het aantal arbeidsplaatsen waarop
dienstbetrekkingen zijn vervuld, met het oog op
de betaling van de subsidie,
bedoeld in het zesde lid, wordt een dienstbetrekking geteld:
- bij instroom tot de zestiende van de maand als een hele arbeidsplaats;
- bij instroom op de zestiende van de maand of later als een halve
arbeidsplaats;
- bij uitstroom tot de zestiende van de maand als een halve
arbeidsplaats;
- bij uitstroom op de zestiende van de maand of later als een hele
arbeidsplaats.
-8. Op verzoek van de gemeente aan wie zoals blijkt uit
bijlage
I voor een bepaald kalenderjaar niet
meer dan 8 arbeidsplaatsen zijn
toegekend, kan de subsidieverlening worden herzien indien de
dienstbetrekkingen die op de arbeidsplaatsen worden vervuld een zodanige arbeidsduur
hebben dat het aantal arbeidsplaatsen,
bedoeld in het derde lid, berekend op
jaarbasis niet voldoende is en worden
verhoogd met ten hoogste 0,5
arbeidsplaats naar het subsidiebedrag van
artikel 3, tweede lid, onderdeel b.
-9. Op verzoek van de gemeente kan het voorschot worden
verhoogd indien de gemeente een hoger
subsidiebedrag nodig heeft in verband met de vervulling van dienstbetrekkingen
op de arbeidsplaatsen.
Art. 14.
Vaststelling van
de subsidie
-1. Het gemeentebestuur
verstrekt aan de minister jaarlijks vóór
20 september, volgend op het jaar waarover
wordt verantwoord, een jaaropgave.
-2. De jaaropgave, de
verklaring en het verslag van de controle,
bedoeld in het derde lid, zijn ingericht
overeenkomstig de bij deze regeling
behorende modellen in bijlage V en VI.
-3. De jaaropgave wordt
voorzien van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213
van de Gemeentewet voorgeschreven
controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens.
-4. De verklaring, bedoeld in
het derde lid, is gebaseerd op een
controle die is uitgevoerd overeenkomstig
het bij deze regeling behorende
controle- en rapportageprotocol.
-5. Na ontvangst van de
jaaropgave stelt de minister de
subsidie binnen twaalf maanden vast.
-6. De vastgestelde subsidie
kan van de verleende en betaalde
subsidie afwijken, indien:
a. de vervulde
dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen niet
overeenstemmen met het aantal
arbeidsplaatsen op grond waarvan de subsidie is
verleend;
b. de subsidie niet of niet
geheel is besteed overeenkomstig deze
regeling;
c. de gegevens, bedoeld in
dit artikel, niet of niet volledig zijn
verstrekt;
d. de gemeente
anderszins
handelt in strijd met deze regeling.
Art. 15.
Opschorting,
terugvordering en verrekening
-1. Indien de opgaven en
bescheiden, bedoeld in artikel 12, derde
lid, 13, vijfde lid, en 14, eerste lid,
waaronder de bereidverklaring, bedoeld in
artikel 2, vierde lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde
termijnen zijn ontvangen, wordt de betaling
van het voorschot opgeschort.
-2. Zo spoedig mogelijk na
ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde gegevens wordt de voorschotbetaling
hervat en worden de niet-betaalde
voorschotten over de periode van opschorting nabetaald.
-3. De minister
kan de
onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
geheel of gedeeltelijk terugvorderen
of verrekenen met de verleende subsidie
voor het tot stand brengen van arbeidsplaatsen als bedoeld in deze regeling
in een volgend jaar.
Art. 16.
Overgangsregeling zorgbanen
-1. Tot 1 januari 2000
verstrekt de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport subsidie aan de
Stichting Arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en opleidingsfonds voor de sector zorg en welzijn en aan de Stichting
Arbeidsmarkt, werkgelegenheids- en opleidingsfonds
bejaardenoorden, voor vergoedingen die
werkgevers ontvangen van deze fondsen
voor het vervullen van
dienstbetrekkingen in de zin van deze regeling die vóór de datum van inwerkingtreding
van deze regeling met langdurig
werklozen zijn aangegaan of in 1999 worden
vervuld op aan die werkgevers tot en
met 1998 toegekende arbeidsplaatsen
op grond van de door deze minister,
mede namens de minister, vastgestelde Beleidsregels extra
arbeidsplaatsen zorgsector.
-2. Tot 1 januari 2000 is
deze regeling niet van toepassing op de
financiering van arbeidsplaatsen op basis
van besluiten van het College
tarieven gezondheidszorg waarop dienstbetrekkingen in de zin
van deze regeling vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling met
langdurig werklozen zijn vervuld of in
1999 worden vervuld op aan
werkgevers tot en met 1998 toegekende
arbeidsplaatsen op grond van de door de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, mede namens de minister, vastgestelde Beleidsregels extra
arbeidsplaatsen zorgsector.
-3. In afwijking van het
eerste en tweede lid zijn de artikelen 1, 3,
tweede, derde en vierde lid, en 4
tot en met 10, met uitzondering van artikel 5, derde lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij voor "de
gemeente",
voor zover de gemeente als subsidieontvanger wordt aangeduid, de in het
eerste lid genoemde stichtingen worden
gelezen of "het College tarieven
gezondheidszorg" wordt gelezen, voor zover deze artikelen voor de besluiten
omtrent de financiering van arbeidsplaatsen, bedoeld in het
tweede lid, van toepassing zijn.
-4. Artikel 5, vierde lid,
onderdeel d, is niet van toepassing indien
de werknemer arbeid verricht in een zorginstelling die niet zijn werkgever is,
doch op grond van een vóór 1 juli
1998 opgesteld fusieplan per 1 januari 2000 onderdeel uitmaakt van een
onderneming
die door zijn werkgever in
stand zal worden gehouden.
-5. Bij de toepassing van het
eerste en tweede lid komt de
arbeidsplaats niet meer voor financiering in aanmerking indien de werkgever
gedurende twaalf maanden aaneengesloten geen
dienstbetrekking op de arbeidsplaats heeft vervuld of indien de
werkgever daarom verzoekt, met dien verstande
dat kan worden afgeweken van de
periode van twaalf maanden indien de
periode van twaalf maanden na 1 juli
1999 en vóór 1 januari 2000 verstrijkt.
-6. De in het eerste lid
genoemde stichtingen verstrekken op
verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de
minister gegevens over de werkgevers die vergoedingen ontvangen die noodzakelijk
zijn voor het verstrekken
van vergoedingen aan werkgevers door
gemeenten na 1 januari 2000.
Art. 17.
Overgang
-1. Dienstbetrekkingen die
zijn aangegaan vóór de datum van
inwerkingtreding van deze regeling en waarop
de regeling, bedoeld in artikel 18, van toepassing was en de dienstbetrekkingen waarop
artikel 16, eerste en
tweede lid, van toepassing is,
worden aangemerkt als dienstbetrekkingen in de
zin van deze regeling.
-2. Voor besluiten genomen op
grond van de in artikel 18
genoemde regeling is deze regeling met ingang
van de datum van inwerkingtreding
van deze regeling van toepassing, met
dien verstande dat de vergoeding voor de
kosten van het vervullen van dienstbetrekkingen met een bepaalde werknemer
die aan een werkgever is
verstrekt op grond van die regeling niet
na de datum van inwerkingtreding
van deze regeling kan worden
verlaagd, voor zover deze vergoeding betrekking
heeft op kosten van de werkgever
die rechtstreeks voortvloeien uit de
dienstbetrekkingen en betrokken zijn in het subsidiebedrag, bedoeld in
artikel 3.
-3. Voor de besluiten genomen
op grond van artikel 16, eerste
en tweede lid, is het tweede lid,
onverminderd artikel 16, derde en vijfde
lid, van overeenkomstige toepassing met ingang van 1 januari 2000.
-4. Voor bijdragen en
vergoedingen van het Rijk over tijdvakken tot
de datum van inwerkingtreding van
deze regeling en ten aanzien van bezwaar
en beroep tegen besluiten
betreffende deze bijdragen en
vergoedingen blijft de in artikel 18 bedoelde regeling, zoals deze luidde tot de
datum van inwerkingtreding van deze
regeling, van toepassing en blijft de
Minister voor Grotesteden- en
Integratiebeleid bevoegd.
-5. Voor subsidies op grond
van artikel 16, eerste lid, die
betrekking hebben op het tijdvak tot 1 januari
2000 en bezwaar en beroep tegen
besluiten betreffende deze subsidies
blijft de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport na 1 januari 2000 bevoegd.
-6. Voor besluiten op grond
van artikel 16, tweede lid, die betrekking hebben op het tijdvak tot 1 januari
2000 en bezwaar en beroep tegen
die besluiten blijft het College tarieven gezondheidszorg na 1 januari 2000 bevoegd.
Art. 18.
Intrekking
regeling
De Regeling extra
werkgelegenheid voor langdurig werklozen
1996, 1997 en 1998 wordt ingetrokken.
Art. 19.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 1999.
Art. 20.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurig werklozen.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlagen, met
uitzondering van bijlage VI, in de Staatscourant worden geplaatst.¹
1. Raadpleeg voor bijlagen
III, IV en V Staatscourant 1998, 246. Bijlage VI ligt met ingang
van 1 december 1999 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie
van SZW (Stcrt. 1999, 232). Bijlagen I en
II zijn onderaan
deze pagina geplaatst, red.
’s-Gravenhage, 17 december
1998.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
TOELICHTING
[17 december 1998]
Algemeen
1. Inleiding
Onder het vorige kabinet is
een reeks van maatregelen getroffen
gericht op het verbeteren van de
werking van de arbeidsmarkt en een
verruiming van de werkgelegenheid, ook met
werk dat geen specifieke
kwalificaties vereist en dat daardoor geschikt is
voor langdurig werklozen om (weer) een
plaats in het arbeidsproces te verwerven. Naast meer generiek werkende
maatregelen ging het hierbij om enige specifieke maatregelen.
De Regeling sxtra
werkgelegenheid voor langdurig werklozen
1996, 1997 en 1998 (Ewlw) als voorloper
van deze Regeling in- en
doorstroombanen voor langdurige werklozen
maakte van deze specifieke maatregelen
deel uit.
In het Regeerakkoord 1994
was de afspraak vastgelegd om 40 000 extra arbeidsplaatsen te
realiseren in de zorg en bij gemeenten. Met deze
arbeidsplaatsen werd beoogd structurele nieuwe werkgelegenheid
(banen boven de bestaande formatie)
tot stand te brengen die leidt
tot een terugdringing van langdurige
werkloosheid, alsmede van terugdringing van het beroep op de uitkeringsregelingen.
Naast terugdringing van de
langdurige werkloosheid was ook
verbetering en uitbreiding van de
dienstverlening aan de burger doel van de
regeling. Hierbij was gekozen voor het realiseren van arbeidsplaatsen in bepaalde
delen van de collectieve sector bij
gemeenten en in sectoren bij de zorg.
De gemeentelijke
arbeidsplaatsen waren aanvankelijk bestemd
voor de grote steden. De sectoren
waarbinnen gemeentelijke
arbeidsplaatsen konden worden gerealiseerd, waren in
de regeling van 1995 beperkt
tot de sectoren openbare veiligheid,
toezicht en kinderopvang. Deze zijn in
de loop van de jaren uitgebreid met
beheer openbare ruimte, beheer publieke
monumenten, onderwijs en sport. In de
loop der jaren is het aantal deelnemende gemeenten geleidelijk
uitgebreid, totdat met ingang van 1 januari
1998 de regeling werd opengesteld
voor alle gemeenten.
Daarnaast konden in
onderdelen van de zorg arbeidsplaatsen
worden gerealiseerd; ten aanzien van deze
plaatsen waren geen geografische
beperkingen opgenomen, zij het dat de
grote steden vanaf 1996 een
voorkeursbehandeling kregen.
De basis voor de
financiering van de rijksbijdrage voor deze
extra arbeidsplaatsen is op dit moment de
rijksbegroting. Wat betreft de
arbeidsplaatsen bij gemeenten zijn de middelen opgenomen in de begroting
van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en voor de arbeidsplaatsen in
de zorgsectoren op de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De
Minister van VWS heeft, in overeenstemming met de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, voor het verstrekken van de vergoedingen
beleidsregels vastgesteld en richtlijnen
gegeven voor de uitvoerende instanties
die de subsidie feitelijk verstrekken.
Inhoudelijk is aangesloten bij de regeling
voor de gemeentelijke sector.
Voortvloeiend uit het
Regeerakkoord 1998 zullen aan het aantal
arbeidsplaatsen (40 000) voor langdurig
werklozen 20 000 instroom-/doorstroombanen worden toegevoegd; in 2002 resulteert dat in een totaal
van 60 000 arbeidsplaatsen. Het kabinet
is zich ervan bewust dat een
jaarlijkse bijdrage ten laste van de
rijksbegroting voor de realisatie van uiteindelijk
een dergelijke omvang niet permanent kan
worden gegrond op de manier waarop
nu de Ewlw is ingericht,
namelijk in de vorm van een ministeriële
regeling, beleidsregels en
richtlijnen. Bij de extra arbeidsplaatsen voor
langdurig werklozen gaat het om arbeidsplaatsen
met een structureel karakter,
waarvan de financiering ten laste van
de rijksbegroting eveneens een structureel karakter dient te hebben.
In het regeerakkoord is
eveneens de afspraak neergelegd de Ewlw-regeling op onderdelen te vernieuwen, waarbij als nieuw element is
toegevoegd de bevordering van doorstroming.
2. Uitvoering op rijksniveau
Uit een oogpunt van
stroomlijning is ervoor gekozen één
instantie op rijksniveau te belasten met de
toekenning en financiering van alle Ewlw-arbeidsplaatsen en de uitbreiding met de nieuwe
ID-banen, alsmede met
het toezicht op de uitvoering
van de regeling door gemeenten. Vanwege de doelstelling van het
Ewlw-programma komt de verantwoordelijkheid inzake de financiering van
de reeds tot stand gebrachte arbeidsplaatsen en de toekenning en financiering
van de nog te realiseren arbeidsplaatsen in het kader van de nieuwe regeling
in deze kabinetsperiode te berusten bij de Minister van
SZW. Ook het
toezicht komt bij hem te liggen.
Met het oog hierop worden de
taken van de Ministers van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en van
Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS) op het terrein van de
toekenning en de financiering van de
banen alsmede het toezicht overgedragen aan de Minister van SZW.
Wat betreft de gehele
verantwoordelijkheid ten aanzien van de
gemeentelijke arbeidsplaatsen zal dit
gebeuren per 1 januari 1999; de
verantwoordelijkheid over de jaren tot en met
1998 blijft echter berusten bij
de Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid
(GSI). Per 1 januari 2000
zal de verantwoordelijkheid voor de uitvoering wat betreft de tot en met 1998
aan zorginstanties toegekende zorgbanen
overgaan van VWS naar SZW. De
verantwoordelijkheid voor de financiële afwikkeling tot en met het jaar 1999
blijft bij de Minister van
VWS berusten.
3. Vormgeving
Aangezien de huidige
ministeriële regeling (de Ewlw-regeling)
en de regels voor de zorgsector
voor de extra werkgelegenheidsbanen
feitelijk slechts gelden tot 1 januari 1999 en ook de daarin vervatte
uitvoering door de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
nadrukkelijk tot 1 januari 1999 zou lopen, moet er per genoemde datum een nieuwe
regeling worden vastgesteld.
Omdat het hier subsidies
betreft die vanaf 1999 ten laste van de SZW-begroting (en tijdelijk voor de
zorgsector ten laste van de VWS-begroting) komen, is ervoor gekozen de
regeling als een subsidieregeling
die gebaseerd is op de Kaderwet
SZW-subsidies vorm te geven. Die wet staat het
toe bij ministeriële regeling of
bij algemene maatregel van bestuur (AMvB)
nadere regels te stellen voor de
door de betrokken ministers te verstrekken subsidies. Op grond van het
in de aanhef genoemde artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies is
titel 4.2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) over subsidies ook geheel
van toepassing op de subsidieverstrekking
aan gemeenten.
De gemeenten (en tijdelijk,
de uitvoeringsinstanties in de zorg, met uitzondering van het Centraal orgaan
tarieven gezondheidszorg (COTG) [zie College tarieven gezondheidszorg, red.]) ontvangen de subsidie voor het realiseren van
arbeidsplaatsen waartoe
ze zich bij wijze van aanvraag
bereid verklaren en bestemmen die subsidie
grotendeels voor vergoedingen aan de werkgevers die langdurig werklozen in dienst nemen. Het
tot stand brengen van dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen die aan bepaalde voorwaarden
voldoen is de te
subsidiëren activiteit. Door de bestaande regelingen
te vervangen door een nieuwe
regeling wordt de uniformiteit van de
aan de rijksbijdragen te verbinden
voorwaarden zeker gesteld.
Om het structurele karakter
van de financiering te benadrukken,
zal deze regeling op korte termijn
worden gevolgd door een meer
structurele regeling.
4. Uitbreiding en
doorstroombanen
Op grond van het
Regeerakkoord 1998 zijn aan de 40 000 Ewlw-banen 20 000 ID-banen toegevoegd. Van
deze 20 000 nieuwe banen zullen
maximaal 10 000 banen als doorstroombaan worden aangemerkt.
Doorstroombanen zullen niet
apart aan gemeenten worden
toegekend. In plaats daarvan zal worden
vastgelegd dat een vast aandeel van de Ewlw-banen waarover de gemeenten beschikken, wordt aangemerkt
als doorstroombaan. Dit komt erop neer dat na toekenning van de 20 000 nieuwe banen maximaal één van
iedere zes banen waarover een gemeente beschikt als doorstroombaan
kan worden ingezet. Deze banen mogen weliswaar tot maximaal 150% van het
wettelijk minimumloon aan de werknemer worden beloond, maar de
vergoeding van het Rijk bedraagt
maximaal 130% van het wettelijk minimumloon.
Doorstroombanen zijn
toegankelijk voor werknemers die ten minste vijf jaar op een Ewlw- of
instroombaan hebben gewerkt. Vanaf het
jaar 2000 zullen de eerste doorstroombanen kunnen worden gerealiseerd,
omdat in 1995 pas de eerste instroom op een Ewlw-baan heeft
plaatsgevonden. Daarom zijn in de
onderhavige regeling geen bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de
doorstroombanen; dit zal gebeuren in het kader van de structurele
regeling. Volstaan is met het regelen
van die onderwerpen die noodzakelijk
zijn voor een juiste uitvoering
in 1999.
5. Uitvoering door gemeenten
In het kader van
vereenvoudiging van de uitvoering is ervoor
gekozen de uitvoering in haar geheel neer te
leggen bij gemeenten. Dit betreft
niet alleen de gemeentelijke Ewlw-arbeidsplaatsen,
maar ook die in de zorg.
Dit is een belangrijke wijziging ten opzichte van de afgelopen
kabinetsperiode. Aangezien het van groot
belang wordt geacht dat de
overheveling van de uitvoering van de zorginstanties
naar gemeenten zorgvuldig
plaatsvindt, is ervoor gekozen het jaar
1999 te gebruiken als een overgangsjaar. In dit jaar zal de uitvoering
van de bestaande arbeidsplaatsen in de
zorg nog bij de Minister van VWS en de
uitvoeringsinstanties in de zorg blijven. De gemeenten zullen vanaf 1
januari 1999 wel worden belast met de
realisatie van de nieuwe banen in de
zorg.
6. Gemeentelijke
beleidsvrijheid bij realiseren van
arbeidsplaatsen
Eén van de
vereenvoudigingen betreft het loslaten van de
sectoren waarbinnen arbeidsplaatsen moeten
worden gerealiseerd. Hiermee
worden de gemeenten in staat gesteld om ook in andere sectoren met
groeiperspectieven wat betreft
laaggeschoolde banen extra arbeidsplaatsen te
realiseren. Daarnaast kunnen
gemeenten initiatieven ontwikkelen ter
verbetering van de leefbaarheid in de
steden buiten de tot nu toe aangewezen
sectoren. Op deze manier wordt met de
uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen een nieuwe impuls aan het
instrument gegeven.
Met het niet langer
benoemen van sectoren is niet gezegd
dat de regeling niet langer één van de
belangrijkste pijlers van het grotestedenbeleid is. De regeling blijft nadrukkelijk daarin haar plaats behouden. In
dit verband wordt verwezen naar de voorbereiding en het sluiten van
"doorstart"-convenanten
tussen gemeenten (G25) en Rijk. Gezien het belang
van de gemeenten bij het verwezenlijken
van het grotestedenbeleid wordt ervan uitgegaan dat de gemeenten
in de voorheen benoemde sectoren (met
name toezicht, onderwijs en de
zorgsector) arbeidsplaatsen tot stand blijven brengen. Wat betreft
arbeidsplaatsen in de sfeer van toezicht hebben
de gemeenten de afgelopen jaren
overigens voortvarend met
gebruikmaking van de Ewlw toezichtsorganisaties opgezet. Eenzelfde voortvarende
inzet hebben de gemeenten getoond bij
het realiseren van
arbeidsplaatsen in het onderwijs. Gezien de
veelvuldige verzoeken van gemeenten in het
verleden om arbeidsplaatsen in de
zorg te mogen realiseren, zullen
de gemeenten de mogelijkheden om
arbeidsplaatsen in de zorg te realiseren
ongetwijfeld ten volle gaan benutten. Vanwege de
groeimogelijkheden in de komende jaren is ook de
kinderopvang een sector waar
arbeidsplaatsen gerealiseerd kunnen blijven worden.
In het regeerakkoord is
tevens afgesproken 10% van de
arbeidsplaatsen te bestemmen voor
arbeidsgehandicapten. Aan de gemeenten zal
nadrukkelijk worden gevraagd personen
uit deze doelgroep in
aanmerking te laten komen voor
arbeidsplaatsen ingevolge de regeling. In het kader
van het sluiten van de doorstartconvenanten zullen met de G25 hierover
nadere afspraken worden gemaakt.
7. Frequentie van
toekenning van de nieuwe arbeidsplaatsen
In tegenstelling tot het
toekenningsregime in de afgelopen
kabinetsperiode worden alle 20 000 nieuwe
banen in één keer toegewezen aan
de gemeenten. Van deze toewijzing dient
de gemeente overeenkomstig
de bij deze regeling behorende
bijlage een bepaald aantal
arbeidsplaatsen per jaar te realiseren. In de
bevoorschotting is hierbij aangesloten.
Aangezien bij de bezetting van
arbeidsplaatsen bevoorschotting problemen
kan opleveren voor gemeenten waaraan
een zeer gering aantal arbeidsplaatsen is toegekend, is in de
regeling de mogelijkheid opgenomen om een hogere subsidie aan te vragen.
Indien de realisatie van
het aantal arbeidsplaatsen op
jaarbasis niet wordt gehaald, is in de
regeling voorzien in de mogelijkheid tot
teruggave van de niet-bezette banen aan
het Rijk. Deze zullen dan vervolgens
worden herverdeeld over andere gemeenten.
8.
Bekostigingssystematiek
Over de beloning is in
het regeerakkoord afgesproken
om de maximumbeloning van de bestaande (instroom)banen te
verhogen tot 130% van het wettelijk
minimumloon (exclusief toeslagen voor werk op
onregelmatige uren). Daarmee passen
deze banen in de laagste
reguliere CAO-schaal van de betrokken
sectoren.
De ontwikkeling van het
huidige bestand Ewlw-banen in de
komende jaren alsmede de gedifferentieerde uitbreiding van het programma met
instroom- en
doorstroombanen, is aanleiding geweest om het bestaande
vergoedingssysteem te herzien. Er komt een viertal categorieën
in de vergoedingen aan gemeenten:
- een bedrag voor
instroombanen gedurende de eerste vier
jaar;
- een bedrag voor
instroombanen na vier jaar of een baan die
al vóór 1 januari 1996 was vervuld;
- een bedrag voor
doorstroombanen;
- een bedrag voor
instroombanen die tot en met 1998 zijn
toegekend en vóór of op 1 januari
1999 zijn bezet. Laatstgenoemde categorie
zal in de eindsituatie (uiterlijk
eind 2002) niet meer van toepassing zijn,
omdat dan voor werknemers die per 1
januari 1999 in hun
dienstbetrekking ingevolge de onderhavige regeling
zijn begonnen, de termijn van
vier jaar is verstreken. Hierna wordt
de categorie instroombanen na vier
jaar van toepassing.
Met betrekking tot de
doorstroombanen is in het regeerakkoord
vastgelegd dat het verschil tussen
de vergoeding van 130% van het
wettelijk minimumloon en de toegestane maximale beloningshoogte van 150%
van het wettelijk
minimumloon, door gemeenten c.q. werkgevers
zelf dient te worden gefinancierd.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1.
Begripsbepalingen
De banen die voor
vergoeding in aanmerking komen op grond van deze regeling worden gerealiseerd in de collectieve
en non-profitsector. Dit
is tot uitdrukking gebracht in
de definiëring van het begrip werkgever
in het eerste lid, onderdeel g.
Daarnaast wordt in het tweede en derde lid
nader inhoud gegeven aan het begrip
instelling. Evenals in de Ewlw-regeling is daarbij aangesloten bij de
belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, waarbij wordt verwezen naar de
artikelen 5 en 6 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969.
Op grond van artikel 5
van laatstgenoemde wet zijn bepaalde
rechtspersonen vrijgesteld van
vennootschapsbelasting. Het gaat hierbij om voor
de regeling belangrijke
sectoren als:
- rechtspersonen die
zich bezighouden met natuurschoon;
- toegelaten
instellingen op grond van de Woningwet;
- rechtspersonen die
zich bezighouden met het in stand houden van openbare leeszalen en
bibliotheken;
- gezondheidszorg-,
ouderenzorg- en maatschappelijke
dienstverleningsinstellingen, voor zover zij lichamen
van publiekrechtelijke aard
zijn en zo zij winst behalen deze winst
uitsluitend aanwenden ten bate van de
instelling zelf of een algemeen maatschappelijk belang.
Wat betreft de verwijzing
naar artikel 6 geldt dat de in dat
artikel genoemde instellingen moeten
aantonen dat zij een algemeen
maatschappelijk belang dienen waarbij het streven naar winst geheel ontbreekt, hetzij
van bijkomende betekenis is. Daarvoor
moet de winst niet meer bedragen
dan ƒ13 000,- dan wel in het jaar en de
daaraan voorafgaande vier jaren
tezamen niet meer dan ƒ65 000,- bedragen en moet de winst uitsluitend
worden aangewend ten bate van de
rechtspersoon zelf of een algemeen maatschappelijk belang. Het kan voorkomen
dat zo’n instelling méér winst
maakt dan als limiet wordt gesteld,
maar wel voldoet aan het hoofdkenmerk, dat
wil zeggen dat de behartiging van
een algemeen maatschappelijk belang op
de voorgrond staat. In deze situatie
is echter ook sprake van een
instelling in de zin van deze regeling,
namelijk wanneer een dergelijke instelling
slechts mede met enige
overheidssubsidies kan functioneren. Onder overheidssubsidies wordt eveneens begrepen
premiefinanciering. Omdat deze mogelijkheid een uitzondering betreft,
dient de toetsing aan deze
criteria onderwerp te zijn van nadrukkelijke
besluitvorming door de gemeente (het
derde lid).
In het vierde lid worden
de rechtspersonen die vóór 1 januari 1999
op grond van de voor de
zorgsector geldende regels vergoedingen
zouden kunnen ontvangen als instelling beschouwd. Dit om te voorkomen dat de gemeenten per
instelling moeten toetsen of zij als
instelling in de zin van deze regeling kunnen
worden aangemerkt. Het gaat met name om de
zorginstellingen in de zin van Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
en de Ziekenfondswet (Zfw), de jeugdhulpverlening, de maatschappelijke opvang, de
verslavingszorg, de sociaal-pedagogische diensten en
de schippersinternaten. In bijlage A bij deze toelichting [er is geen
bijlage A bij deze toelichting geplaatst, red.] is een lijst
opgenomen met de instellingen in de sectoren die deelnemen aan de regeling extra
arbeidsplaatsen zorgsector.
Het begrip arbeidsplaats
in het eerste lid, onderdeel e, is
vooral een rekeneenheid. De omvang komt overeen met een dienstbetrekking
met een arbeidsduur van 32 uur en
niet met die met een gebruikelijke
volledige arbeidsduur, die veelal
36 uur zal bedragen. Het subsidiebedrag voor een gemeente wordt
bepaald aan de hand van de aantallen arbeidsplaatsen die aan de gemeente
worden toegekend.
De dienstbetrekking in de
zin van deze regeling betreft
zowel de arbeidsovereenkomst waarop het Burgerlijk
Wetboek van
toepassing is als de ambtelijke
aanstelling (eerste lid, onderdeel c).
De werknemer in de zin
van deze regeling is de langdurig
werkloze die op zo’n dienstbetrekking werkzaam is op de voorwaarden die
daarvoor op grond van deze regeling
gelden (eerste lid, onderdeel d).
Artikel
2. Totstandkoming
en aantallen arbeidsplaatsen
Dit artikel beschrijft in
algemene zin voor welke activiteiten
de gemeente subsidie ontvangt. Het
gaat om het realiseren van
werkgelegenheid (arbeidsplaatsen) door de kosten te vergoeden (zie artikel
5) die uit het aangaan van
dienstbetrekkingen met een langdurig werkloze
voortvloeien. Die dienstbetrekkingen
moeten aan bepaalde kenmerken
voldoen (zie artikel 5, vierde tot en met
achtste lid) om de werkgever de kosten
daarvan te kunnen vergoeden.
Het tot stand komen van
deze arbeidsplaatsen vergt ook inspanning van
de gemeente, waarbij zij
kosten maakt. Daarom mag de gemeente
een deel van deze kosten financieren door een deel van de subsidie (zie
artikel 3, tweede lid, onderdeel a)
ook hiervoor te gebruiken.
In het tweede lid wordt,
evenals in de Ewlw-regeling, geregeld dat de gemeente een beleid
vaststelt dat in het driehoeksoverleg is
besproken, voordat wordt overgegaan tot het creëren van
arbeidsplaatsen op het terrein van toezicht en openbare
veiligheid.
Het derde lid betreft de
eerste verdeling van het totaal van 60 000
arbeidsplaatsen over de gemeenten. Dit betreft in de eerste
plaats de arbeidsplaatsen die al aan de gemeenten
zijn toegewezen op grond van
de Ewlw-regeling. Die worden niet in algemene zin herverdeeld. Bij de
verdeling van de arbeidsplaatsen in
deze en de vorige kabinetsperiode is
rekening gehouden met het aandeel
bijstandsgerechtigden. De uitkomsten voor de verdeling tot 2003 per
gemeente zijn in bijlage
I opgenomen.
Dit is de som van de reeds eerder
toegekende Ewlw-banen van 1995 tot en met 1998 en de 20 000 nieuwe ID-banen
die gelijkmatig zijn verdeeld over 1999 tot en met 2002. In bijlage
I is nog geen rekening gehouden met de ongeveer
14 500
banen in de zorgsector. Die
zorgbanen zullen per 1 januari 2000 aan
gemeenten worden overgedragen. Er
wordt van uitgegaan dat in het jaar
2003 alle 60 000 arbeidsplaatsen
zijn verdeeld en ingevuld met dienstbetrekkingen. Omdat de financiering van
deze banen door het Rijk aan de gemeenten structureel is gegarandeerd, zijn de
gemeenten in staat de 60 000 banen ook na 2002 te
bekostigen.
Het vierde lid regelt de
bereidverklaring. Deze kan worden beschouwd
als een soort aanvraag. De
gemeenten zijn niet gehouden de hun
toebedeelde arbeidsplaatsen te realiseren. Pas nadat de gemeente de
bereidverklaring heeft ingediend, geeft
zij aan de subsidie te willen
ontvangen om de arbeidsplaatsen te
realiseren. Het indienen van de verklaring geeft dus aan dat de gemeente
vrijwillig voor de uitvoering van de
regeling kiest. Zodra het Rijk deze verklaring
heeft ontvangen, moet de gemeente het haar
aantal toegewezen
arbeidsplaatsen ook voortvarend gaan
realiseren.
Er zal een uniforme
bereidverklaring worden gehanteerd volgens
bijlage II. De intentie van de
gemeenten zal ook tot uitdrukking komen in
de doorstartconvenanten met de 25 grote steden. Daarbij zal in ieder
geval worden benoemd in welke mate in
bepaalde sectoren banen zullen
kunnen worden gerealiseerd. Gestreefd
wordt naar het handhaven en zo mogelijk
uitbreiden van het huidige niveau in
de zorgsector en de inzet in het kader
van het toezicht en het
onderwijs. De 25 grote steden realiseren zich het grote belang voor de zorgsector van
het tot stand brengen van
arbeidsplaatsen bij zorginstellingen. Om die reden zullen zij zich ervoor inzetten dat
een aanzienlijk deel van het aan de G25
toegewezen quotum van in totaal 14 500 instroom- en doorstroombanen (van de
20 000) bestemd wordt
voor zorginstellingen, ook buiten de eigen
gemeentegrenzen. Bij de realisatie van
deze banen zal gebruik kunnen
worden gemaakt van de expertise
van regiepunten voor de zorgsector; zie
ook de toelichting bij artikel 16. Het Rijk zal de voortgang met behulp
van monitoring toetsen. De steden zullen
in hun ontwikkelingsplannen per
stad in het kader van het grotestedenbeleid acties voor het
realiseren van de banen in de zorg en het
onderwijs opnemen.
Daarnaast zal ook worden
afgesproken dat 10% van de banen
beschikbaar moeten zijn voor
arbeidsgehandicapten. Het gaat hier om inspanningsafspraken die nu nog niet in de
regeling zijn neergelegd.
Overigens gaat het hier om inspanningen op terreinen waarvoor de gemeenten
zelf al voldoende aandacht hebben. Op basis
van gegevens zal door het
Rijk worden nagegaan of deze
inspanningen ook daadwerkelijk
gerealiseerd worden.
Op grond van het vijfde
lid kunnen de aantallen banen die in
beginsel voor de komende periode
beschikbaar zijn voor gemeenten (vast
te stellen op grond van het derde lid) worden herzien. Allereerst vanwege
onderdeel a,
omdat rekening moet worden
gehouden met het volume Wiw-dienstbetrekkingen die met niet-jongeren
zijn aangegaan. Daarbij zal nadrukkelijk
rekening worden gehouden met het aantal Wiw-dienstbetrekkingen dat is omgezet naar banen in de zin van
deze regeling en met Wiw-dienstbetrekkingen waarvan de werknemers zijn
doorgestroomd naar zo’n baan. Het is
immers niet de bedoeling dat de
gemeente in deze gevallen minder Wiw-dienstbetrekkingen aangaat. De Wiw-dienstbetrekking moet in voldoende mate beschikbaar blijven als
een (tijdelijke) voorziening die op de
persoon van de langdurig werkloze of
jongere is toegesneden, om de toegang tot het arbeidsproces te
vergroten.
In onderdeel b is geregeld dat
arbeidsplaatsen waarop geen
dienstbetrekkingen tot stand zijn gekomen
door een gemeente op aanwijzing
van het Rijk moeten worden
teruggegeven.
De arbeidsplaatsen die
terugkomen, kunnen dan worden
herverdeeld onder gemeenten. Het
beleid voor de toepassing van dit vijfde
lid zal echter nog nader worden
vastgesteld.
Artikel
3.
Subsidiebedragen
Dit artikel regelt de
uitgangspunten bij de subsidiëring. Er
wordt uitgegaan van een lumpsumbedrag
per arbeidsplaats dat voor een belangrijk
deel bedoeld is om de kosten
van de werkgever te vergoeden. Het bedrag
is samengesteld uit een deel
dat bedoeld is voor de
uitvoeringskosten van de gemeente en aanvullende
kosten voor de werkgever, zoals
scholing (het derde lid; zie ook de
toelichting bij artikel 5). Het andere deel van de lumpsum voor het jaar 1999 is
bestemd voor vergoeding van loonkosten door de werkgever. De bedragen
zijn in het tweede lid onverdeeld al naargelang van de duur van de
dienstbetrekking in de onderdelen a, b of c.
Er wordt op gewezen dat bij het
vaststellen van de bedragen rekening is
gehouden met de gemiddelde werkgeverslasten. Bij het vaststellen van de
bedragen bij de onderdelen a en b is
tevens rekening gehouden met de
afdrachtverminderingen op grond van de
hoofdstukken III en IV van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA) waarvoor werkgevers in aanmerking
kunnen komen. Bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag
voor onderdeel c is rekening gehouden
met het vervallen na vier jaar van het
recht op de afdrachtvermindering
langdurig werklozen op grond van de WVA
en
met het feit dat de WVA pas
met ingang van 1 januari 1996 is ingevoerd en niet van toepassing is voor
vóór die datum tot stand gekomen dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen. De
bedragen, genoemd in het tweede en
derde lid, zijn voorts geïndexeerd
naar de ontwikkeling van prijzen en lonen voor 1999. De subsidie
betreft:
- bedragen voor de
bestaande dienstbetrekkingen (onderdelen a en c); of
- een bedrag voor nieuw
aangegane dienstbetrekkingen met
een bepaalde werknemer (onderdeel b).
Dit laatste bedrag wordt
geacht voldoende te zijn voor de
vergoedingen gedurende de eerste vier
jaar van het dienstverband op een ID-baan. Bij het bepalen van de termijn van vier jaar mag wel rekening worden
gehouden met de tijd die is
doorgebracht op een Wiw-dienstbetrekking,
inclusief de periode in de banenpool
(het vierde lid), evenwel na aftrek
van een termijn van twee jaar. Gedurende
de eerste twee jaar op een Wiw-dienstbetrekking mag ingevolge artikel
15,
tweede lid, Wiw immers niet meer worden betaald dan het
wettelijk minimumloon.
Artikel
4. Tegengaan
verdringing en concurrentievervalsing
Voorkomen moet
worden
dat met het realiseren van de
arbeidsplaatsen andere reguliere
werkgelegenheid wordt verdrongen. Vooral
onderdeel b van het eerste lid heeft
met de toets op recent ontslag hierop
betrekking. Deze toets zal
plaatsvinden door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
voordat aan de werkgever een
verklaring langdurig werkloze kan
worden afgegeven. Deze verklaring is nodig
om de werkgever in aanmerking
te laten komen voor de
afdrachtvermindering langdurig werklozen (op grond van de WVA) op de in te houden
loonheffing. Teneinde verdringing
tegen te gaan, is het van belang dat de
ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging schriftelijk een positief
advies geeft over de
totstandkoming van een dienstbetrekking voor een
langdurig werkloze. Indien er geen
ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging bij de werkgever is
ingesteld, zal de accountant van die werkgever ten behoeve van de gemeente
kunnen verklaren dat geen verdringing van werkgelegenheid plaats vindt. Daarnaast
is het met het oog op de
acceptatie van de arbeidsplaats binnen
de arbeidsorganisatie eveneens van belang dat
de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging een oordeel geeft. Voordat de gemeente een vergoeding
aan een werkgever
verstrekt, zal zij aan de hand van
deze vereisten moeten vaststellen dat
geen verdringing optreedt.
Voorts is in het tweede
lid de algemene norm opgenomen dat de
prijzen voor de diensten en
goederen op grond van het feit dat
de loonkosten beperkt zijn, niet concurrentievervalsend zijn. Bij de
prijsstelling van goederen en diensten die door de instellingen waaraan arbeidsplaatsen
zijn toegekend, worden
aangeboden, waarbij ook moet worden gedacht
aan de hoogte van eigen
bijdragen en dergelijke, mogen de rijksbijdragen
voor de arbeidsplaats dus niet
worden betrokken. Deze algemene norm die
betrekking heeft op het voorkomen
van concurrentievervalsing is vooral opgenomen om een handvat
te bieden in een procedure waarbij
een onderneming zich benadeeld acht door
de prijsstelling die
mogelijk wordt doordat de arbeid is
gesubsidieerd.
De gemeenten zijn ervoor
verantwoordelijk dat verdringing en
concurrentievervalsing wordt voorkomen, omdat anders geen
arbeidsplaatsen tot stand komen op een wijze
als in deze regeling wordt beoogd en
de subsidie dan voor een activiteit
is aangewend waarvoor die niet is
bedoeld. In het toezicht zal er dan ook
aandacht voor zijn dat gemeenten zich
ervan vergewissen dat aan de vereisten van
het eerste lid is voldaan. Wat betreft het tweede lid wordt ervan uitgegaan dat klachten over concurrentievervalsing primair op gemeentelijk
niveau worden afgedaan. Op grond van de Wiw (artikel
6, vierde
lid)
stellen de gemeenten regels vast
voor de beoordeling van klachten over
concurrentievervalsing. Deze regels zouden, omdat zij dezelfde achtergrond
hebben, ook door de gemeente van
toepassing kunnen worden verklaard op de
klachten over overtreding van het
tweede lid. Het ligt in de rede dat
de gemeenten over het toepassen van
deze klachtenprocedures bij deze banen in overleg treden met vertegenwoordigers van
werkgevers en werknemers
in de regio waarin de gemeente gelegen is.
Artikel
5. Vergoeding aan
werkgever
De vergoeding aan de
werkgever moet in ieder geval
kostendekkend zijn voor de loonkosten in het
eerste jaar (het tweede lid). Dit bedrag
is de minimumvergoeding die een werkgever
ontvangt. Op grond van artikel 7,
eerste lid, mag de werkgever in
het eerste jaar namelijk niet meer
betalen dan het minimumloon. Het
tweede lid van artikel 7 bevat daarop
een uitzondering voor de personen die uit
een Wiw-dienstbetrekking instromen in een dienstbetrekking op
grond van deze regeling. De
kostendekkendheid strekt zich in het eerste
jaar ook uit tot loonbestanddelen als eindejaarsuitkeringen die de werkgever op grond
van de CAO vanaf aanvang van
de dienstbetrekking moet verstrekken. In de navolgende jaren heeft de gemeente
enige beleidsvrijheid in
het verhogen van de vergoeding als het
gaat om de arbeidskosten. Deze
vrijheid heeft ook betrekking op de
aanvullende kosten. De gemeente is niet
gehouden het maximum van het bedrag
van ƒ4250,- te verstrekken als een
(jaarlijkse) bijdrage aan de werkgever. Als een gemeente het bijvoorbeeld
noodzakelijk acht om over een periode
van een aantal jaren in aanvang
méér dan ƒ4250,- en later minder
aan de werkgever te vergoeden, is dit mogelijk.
Het derde lid schrijft
echter voor dat daarover aan de werkgever
vanaf de aanvang van de
dienstbetrekking met de langdurig werkloze
duidelijkheid wordt geboden. Bij de financiering wordt ervan uitgegaan
dat de werkgevers het loon van de werknemer verhogen met een geleidelijke
periodieke verhoging waarbij in
beginsel de bepalingen van de betreffende CAO richtinggevend zijn. Dit artikellid
heeft betrekking op de hoogte van de
vergoeding die de gemeente aan de
werkgever dient te betalen. Er
wordt van uitgegaan dat de gemeente
bij de vaststelling van de hoogte van de
vergoeding aan de werkgever met de
door de werkgever te betalen
verhogingen op grond van de CAO rekening
houdt. De gemeente hoeft de
vergoeding niet te verhogen indien de werkgever aan de werknemer (binnen de
grenzen van deze regeling) sneller
meer loon gaat betalen. Voorts hoeft bij
de vergoeding geen rekening te worden
gehouden met het feit dat de
werkgever de afdrachtvermindering
langdurig werklozen zal verliezen omdat het
loon door het verstrekken van
onregelmatigheidstoeslagen boven de toetsgrens van 130% minimumloon
komt. Zo kunnen gemeente en werkgever
bijvoorbeeld afspreken dat de
vergoeding door de gemeente een
bepaald percentage van het wettelijk minimumloon niet te boven zal gaan
of dat tot het maximum van een
bepaalde CAO-schaal zal worden vergoed. Deze afspraken kunnen in geen
geval de maximumbeloning die de
regeling toelaat, overschrijden. Overigens
zal het derde lid geen onderdeel
uitmaken van de rechtmatigheidstoets.
In het vierde lid worden
de voorwaarden genoemd waaronder de werkgever voor de vergoeding in aanmerking
komt. Het moet in de
eerste plaats gaan om een dienstbetrekking met een langdurig
werkloze. De werkgever dient daartoe van de gemeente waarin de beoogde
werknemer woonachtig is een verklaring te
verkrijgen (onderdeel a). Deze
verklaring is geregeld in artikel 9.
Voorts moet gewaarborgd zijn dat het dienstverband structureel
is; daarom dient het voor onbepaalde
tijd te worden aangegaan. Een
uitzondering op dit voorschrift kan worden gemaakt voor het eerste jaar van
de dienstbetrekking. In bepaalde sectoren is bij CAO of in de geldende
rechtspositieregeling bepaald dat de werknemer eerst voor bepaalde tijd
dient te worden aangesteld, waarbij de
termijn van één jaar gebruikelijk is. Vandaar dat in onderdeel b de
maximumgrens voor de (eenmalige) bepaalde duur
op één jaar is gesteld.
Daarnaast mag de
dienstbetrekking niet op andere wijze al
gesubsidieerd zijn. Wel kan de
werkgever een herplaatsingsbudget, plaatsingsbudget of een pakket op maat
(zonder loonkostensubsidie) ontvangen in het kader van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
(onderdeel c).
De onderdelen d en e
bevatten het - gecontinueerde - detacheringsverbod en zogenaamd omgekeerde
detacheringsverbod. De bedoeling is dat de werknemer in de onderneming van de
werkgever zijn
werkzaamheden verricht onder diens directe leiding en toezicht en niet
gedetacheerd wordt naar een andere
onderneming van een andere of dezelfde
werkgever. Die leiding en dat toezicht dienen
afkomstig te zijn van werknemers
van de formele werkgever, of indien geen
andere werknemers bij die werkgever in dienst zijn, de werkgever zelf
(veelal in de persoon van een
bestuurslid). De werkzaamheden moeten deel uitmaken van de reguliere taak van de
onderneming. In dit verband wordt nog
verwezen naar de Richtlijn
toepassing detacheringsverbod, AM/RAW/98/147-I (Stcrt. 1997, 245) [zie Beleidsregels toepassing
detacheringsverbod Besluit in- en doorstroombanen, red.].
Onderdeel f bevat de
verwijzing naar de vereisten omtrent de
arbeidsduur en de beloning in de
artikelen 6 en 7 en de bepaling over de
scholing in artikel 8.
Al deze vereisten van het
vierde lid wijken inhoudelijk niet
af van de vereisten die al op grond van de Ewlw-regeling golden. Hier en daar is
gekozen voor een andere formulering ter verduidelijking en om de
regeling algemeen toegankelijker
te maken.
De gemeente moet steeds
nagaan of de werkgever aan deze
vereisten blijft voldoen en of de
vergoeding dus nog rechtmatig wordt
verstrekt. Het resultaat van die beoordeling en de
daarop betrekking hebbende
bescheiden moeten zijn opgenomen in de gemeentelijke administratie, die moet
voldoen aan de vereisten die zijn
geregeld in artikel 12, tweede lid.
Artikel
6. Arbeidsduur
Het belangrijkste
voorschrift omtrent de arbeidsduur bij
aanvang van de dienstbetrekking is dat
die ten minste zo’n omvang heeft dat
de inkomsten die met de arbeid worden
verworven, aanvullende gemeentelijke
uitkering (veelal bijstandsuitkering) overbodig maken. Voor een persoon
met bijstandsuitkering zal dat veelal rond de 30 uur zijn, tenzij hij
kostwinner is, dan is een fulltimedienstverband noodzakelijk. Er kunnen bijzondere
omstandigheden bij de persoon gelegen
zijn waardoor zo’n
arbeidsduur niet haalbaar is en een aanvullende
uitkering dus noodzakelijk blijft.
Bij die omstandigheden kan het gaan om zorgtaken voor alleenstaande
ouders, beperkingen wegens medische redenen,
waardoor een bijna volledige baan
niet is op te brengen, of het
volgen van scholing. De gemeente die de uitkering verstrekt, kan beoordelen om welke
omvang het gaat en kent
ook de beperkingen in relatie
tot de verplichtingen die uit het recht op
uitkering voortvloeien. In het
kader van de uitvoering van de Algemene
bijstandswet stelt het gemeentebestuur immers vast of de persoon om redenen
van medische of sociale aard is
aangewezen op het verrichten van arbeid
in deeltijd (op grond van artikel 107 Abw). Het is deze gemeente die in de
verklaring over het langdurig
werkloos zijn meteen een indicatie geeft over arbeidsduur of
omstandigheden.
Eenzelfde soort
beoordeling moet de gemeente maken in het
kader van de toepassing van de Wiw,
waarbij het om vergelijkbare
omstandigheden gaat die een kortere arbeidsduur op een Wiw-dienstbetrekking
in combinatie met een uitkering rechtvaardigen. Voor zover de gemeente
die de arbeidsplaats
gesubsidieerd krijgt en de vergoedingen
verstrekt, niet dezelfde is als de gemeente waar
de langdurig werkloze woont, is
eerstgenoemde gemeente wat betreft
arbeidsduur of omstandigheden volgend.
Deze bepaling omtrent de
arbeidsduur heeft dus alleen
betekenis voor personen die voorafgaand
aan de dienstbetrekking in de
zin van deze regeling een
bijstandsuitkering ontvingen en niet voor bijvoorbeeld herintreders die geen uitkering
ontvingen. Een minimumarbeidsduur is
niet bepaald. Dit wordt niet
nodig geacht. Wil immers een werkgever
in aanmerking komen voor de
vermindering langdurig werklozen op
grond van de WVA, dan mag de
arbeidsduur niet minder dan 15 uur zijn.
Voorts zal in het algemeen een kortere
arbeidsduur niet bevorderlijk zijn
voor de instroom in het arbeidsproces na
een lange periode van werkloosheid.
Het is dus in het belang van alle partijen dat de arbeidsovereenkomsten
van de langdurig werklozen substantieel
van omvang zijn.
Artikel
7. Beloning
Dit artikel regelt de
beloningsgrenzen. In het eerste jaar wordt
niet meer betaald dan het wettelijk
geldend minimumloon. In de jaren
daarna kan de beloning oplopen tot
een maximum van 130% van het
wettelijk minimumloon.
Op de beloning in het
eerste jaar gelden enkele uitzonderingen. In
het eerste lid zijn genoemd: een
eerdere periodieke loonsverhoging
op basis van een algemeen geldende loonafspraak en/of een algehele
loonsverhoging indien het loon dan niet
hoger wordt dan 103% van het
geldende minimumloon. Wanneer
beide uitzonderingen zich voordoen, kan het
loon dus meer bedragen dan
103% van het wettelijk minimumloon. Deze uitzonderingen kende de Ewlw-regeling
ook al.
Daarnaast is in het
tweede lid een uitzondering opgenomen
voor de personen die in een Wiw-dienstbetrekking direct voorafgaande aan
de dienstbetrekking in de
zin van deze regeling al meer
verdienden dan het wettelijk minimumloon.
Het derde lid regelt de
grens tot 130% van het wettelijk
minimumloon. De grensbedragen gelden
per uitbetalingstermijn. Met het bij de
overeengekomen uitbetalingstermijn
behorende minimumloon op grond van
artikel 8 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag moet worden gerekend om het bedrag behorend bij
de 130% te bepalen.
Daarnaast heeft de werknemer recht op de minimumvakantiebijslag.
Om te beoordelen of de
grens van 130% wordt overschreden,
wordt een onregelmatigheidstoeslag
niet meegerekend.
Daarnaast is in het
vierde lid nog een uitzondering gemaakt op
het brede loonbegrip in de zin van
de Wet op
de loonbelasting 1964.
Daartoe behoren niet
eindejaarsuitkeringen en andere eenmalige uitkeringen en
vergoedingen zoals tegemoetkoming in
de premie voor verzekeringen van
ziektekosten. Deze kunnen naast het
minimumloon en het bedrag van 130%
van het minimumloon worden
betaald. Eenzelfde soort
uitzondering op het loonbegrip als hier is
geregeld, geldt voor de toetsing aan het
toetsloon in de WVA
ten aanzien van de
toepassing van de
afdrachtvermindering langdurig werklozen. Overigens
moeten voor de toepassing van de WVA
de onregelmatigheidstoeslagen wel worden meegenomen.
Ten slotte wordt nog eens
gewezen op het mogelijk
uiteenlopen van een landelijke ontwikkeling
met betrekking tot de vorming van CAO’s
en de hieruit voortvloeiende kosten die werkgevers voor
vergoeding voorleggen aan de gemeenten. Zowel
de gemeenten als de
werkgevers zijn gehouden aan de
onderhavige regeling. Dit betekent dat de
eventuele rekening van aanvullende
landelijke afspraken niet bij
individuele gemeenten terecht kan komen indien
deze niet zijn voorzien in de
regeling, zoals wel is gedaan in het
eerste jaar voor zover de grens van 103% niet
wordt overschreden.
Artikel
8. Scholing
Om de arbeid op de
dienstbetrekking beter te kunnen vervullen
en om doorstroom naar ander regulier werk
te bevorderen, moet de
werknemer in staat zijn scholing te
volgen. Dit artikel heeft daarop betrekking.
De werknemer valt wat
betreft zijn rechtspositie geheel
onder de verantwoordelijkheid van de werkgever. Daarom moet in de eerste
plaats de werkgever uit de ter
beschikking staande middelen voor
scholing van het personeel de
scholingskosten geheel of gedeeltelijk
vergoeden. Indien sprake is van
aanvullende scholing waarvoor aan de werkgever
geen middelen ter beschikking
staan, kan de gemeente hiervoor uit de aanvullende kosten een bijdrage
verstrekken.
Het zal daarbij gaan om scholingsvoorzieningen die in combinatie met het verrichten van
werkzaamheden kunnen worden gevolgd.
Het is niet de bedoeling dat een groot deel van de arbeidstijd heengaat met
het volgen van scholing. Vandaar dat
het vereiste is gesteld dat op 80%
van de overeengekomen arbeidsduur werkzaamheden worden verricht. Dit mag
dan wel over een langere periode
worden bezien, bijvoorbeeld
over een kwartaal of halfjaar.
In het kader van de
beroepsbegeleidende leerweg op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs is het mogelijk opleidingen te
volgen waarvan de beroepspraktijkvorming minimaal 60% bedraagt. Om het
volgen van deze opleidingen niet
te beperken, is de uitzondering in het
tweede lid opgenomen. In dit verband
wordt erop gewezen dat het hierbij
in het algemeen gaat om opleidingen die
in het kader van een CAO worden
afgesproken en die speciaal gericht
zijn op werkenden.
Met het oog op
doorstroming in de organisatie van de
werkgever wordt het van belang geacht
dat de belangen van de werknemer bij
interne vacaturevervulling
nadrukkelijk worden meegenomen. In het
regeerakkoord is dit aangeduid als het
verkrijgen van een voorrangspositie. Over de invulling hiervan zullen
op landelijk niveau afspraken worden
gemaakt met de meest betrokkenen. Op
dit punt staat het de gemeente
vrij nadere afspraken met werkgevers
te maken.
Artikelen 9 en
10.
Langdurig werklozen
Deze artikelen regelen
wie in aanmerking kunnen komen voor een
dienstbetrekking in de zin van deze
regeling. De verklaring in artikel
9 en de doelgroepbepaling in artikel 10 zijn in essentie dezelfde als in
de Ewlw-regeling.
De werkgever moet weten
of de persoon die hij in dienst wil
nemen een langdurig werkloze is.
Daarvoor heeft hij een verklaring nodig
van de gemeente waarin die persoon woonachtig is, omdat dat de gemeente
is die veelal ook de
uitkering verstrekt. De verklaring heeft een
declaratoir karakter. Wanneer de
beoogde werknemer voldoet aan de vereisten
van artikel 10, eerste en
tweede lid, geeft de bevoegde gemeente de verklaring af. Die gemeente kan de
verklaring dan niet weigeren. Alleen
de toepassing van artikel 10, derde
lid, biedt de gemeente afwegingsruimte.
Er wordt op gewezen dat de gemeente die de verklaring afgeeft een
andere kan zijn dan de gemeente die de vergoeding voor de arbeidsplaats
verstrekt. Laatstbedoelde gemeente
moet overigens wel controleren of de
werkgever beschikt over de vereiste
verklaring. Om in aanmerking te komen
voor de afdrachtvermindering
langdurig werklozen (een korting op de af te dragen loonheffing) op grond van
de WVA
heeft de werkgever ook
een verklaring langdurig werkloze van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
nodig. Het overleg tussen het desbetreffende gemeentebestuur en Arbeidsvoorziening als
wordt voorgeschreven in artikel 9 moet
voorkomen dat beide instanties
dezelfde toetsen uitvoeren en verschillende verklaringen afgeven. Deze situatie
kan ontstaan bij personen die door de gemeente gelijkgesteld
worden aan langdurig werklozen (artikel 10, derde lid) op grond van de duur
van inschrijving als werkloos
werkzoekende, waarbij perioden van niet-inschrijving niet als onderbreking worden
aangemerkt of als perioden van
inschrijving worden aangemerkt.
Voor de gelijkstellingen
krijgt de gemeente meer
beleidsvrijheid dan in de Ewlw-regeling was
opgenomen. Wanneer een persoon
gelijk wordt gesteld aan een langdurig
werkloze, is de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie volgend. Bij de gelijkstelling is de inbreng
van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vooral van belang voor personen die geen of tijdelijk geen
uitkering hebben, maar wel al langdurig
zijn geregistreerd als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Onderbrekingen van die inschrijving bij Arbeidsvoorziening kunnen
op dezelfde wijze buiten beschouwing worden gelaten als wordt
geregeld in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering (tijdelijk arbeid verrichten, onbetaalde
arbeid verrichten, ontheffing van
verplichtingen tot inschrijving en geen
arbeid verrichten wegens ziekte). Daarnaast kan de gemeente ook overleg met
Arbeidsvoorziening voeren
over de selectie van de kandidaten en de bemiddeling naar
werkgevers.
In het artikel 10, derde
lid, zijn de omstandigheden op grond
waarvan gelijkstelling mogelijk
is in algemene bewoordingen aangeduid.
Dit om in geval van grensgevallen,
die gemakkelijk kunnen ontstaan indien
aantallen dagen of uren worden
genoemd, toch tot gelijkstelling te
kunnen komen. De omstandigheden zijn
overigens wel vergelijkbaar met die de Ewlw-regeling kenden.
Bij onderdeel a (de duur
van de werkloosheid) gaat het
enerzijds om personen die geen uitkering ontvingen, maar wel al langdurig
geen arbeid hebben verricht.
Daarbij is in eerste instantie gedacht
aan herintreders. Voorts gaat het om de omstandigheden die hiervoor zijn genoemd en als zodanig zijn
opgenomen in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering. De
belangrijkste onderbreking is die
waarin gedurende korte tijd arbeid wordt
verricht. Het criterium 50 dagen of 400
uur bleek in de praktijk veel vragen
op te roepen. De gemeente heeft
hierdoor meer vrijheid gekregen om in
voorkomende situaties een individuele
afweging te maken.
Onderdeel b betreft de situatie dat een persoon een andere
inkomensvervangende uitkering heeft ontvangen dan van de gemeente of
een andere dan een bijstandsuitkering, zoals wachtgeld. Voorts wordt
hierbij gedacht aan personen die
een WAO- of WW-uitkering ontvangen.
Onderdeel c betreft de situatie dat iemand tijdelijk gewerkt
heeft op een gesubsidieerde arbeidsplaats anders dan een Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats, maar
toch weer werkloos is geworden. Het
is dan niet redelijk zo’n persoon
eerst één jaar te laten wachten voordat hij
in aanmerking kan komen voor een
dienstbetrekking als bedoeld in deze
regeling. Hierbij wordt in de
eerste plaats gedacht aan een baan
waarbij de werkgever subsidie
ontving op grond van het Tijdelijk besluit
subsidiëring experimenten activering
van uitkeringsgelden (de zogenaamde EAU of Melkert II-regeling).
Zeker wanneer die werkzaamheden van
korte duur zijn geweest, is hij er
eigenlijk niet in geslaagd uit zijn
langdurige werkloosheidspositie te komen en behoort hij nog steeds tot de
doelgroep.
Tot slot kan een persoon
werkzaam zijn geweest in een baan
als bedoeld in deze regeling en een
nieuwe dienstbetrekking bij een andere werkgever
in het kader van deze regeling willen aanvaarden. Dan behoort
hij ook tot de doelgroep (onderdeel d).
Overigens bevat de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering in artikel 9, derde lid,
de bepaling dat voor de maximale duur
van de afdrachtvermindering dan
rekening wordt gehouden met de afdrachtvermindering die de vorige werkgever heeft
ontvangen indien de werkzaamheden
binnen drie maanden na
beëindiging van de vorige
dienstbetrekking hebben plaatsgevonden. De
termijn van 60 dagen die in de Ewlw-regeling stond, zou dan ook voor de
gemeenten bij de toepassing van dit
onderdeel d als richtsnoer kunnen dienen.
Artikel
11.
Toezichthouders
De Kaderwet
SZW-subsidies waarop deze regeling is
gebaseerd, regelt dat de minister de
toezichthouders nader kan aanwijzen. In dit
artikel is geregeld dat de ambtenaren van de Directie Toezicht toezicht houden
op de naleving van deze
regeling op een wijze die vergelijkbaar
is met het toezicht op de gemeentelijke
uitkeringsverstrekking en toeleiding naar werk. Het toezicht heeft
betrekking op de rechtmatigheid en
doeltreffendheid van deze regeling en
sluit aan bij de single-auditontwikkelingen. Dit betekent niet alleen dat het
toezicht op twee niveaus plaatsvindt -
eerstelijns- en tweedelijnsuitvoeringscontrole - maar ook dat de minister zich
bij de definitieve vaststelling van de
rijkssubsidie in beginsel baseert op
bestuurlijke en verantwoordingsinformatie van de gemeente. Voor de
beoordeling van de rechtmatigheid van de
uitvoering door gemeenten zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt
van de uitkomsten van de controle door de
bij de gemeente fungerende
accountant. Op grond van artikel 14,
vierde lid, wordt hiervoor een controle- en
rapportageprotocol opgesteld. In een latere
fase kan worden overgegaan
naar een vorm van single audit
waarbij de gemeente een verantwoordingsverslag over de
uitvoeringsresultaten opstelt.
De positie van de
departementale accountantsdienst bij het
toezicht op het verstrekken van
subsidies hoeft hier niet te worden
geregeld; dit is al gebeurd in de Algemene
Regeling SZW-subsidies.
Het is niet de
bedoeling
dat de gemeenten op grond van
deze regeling extra informatieverplichtingen worden opgelegd. Het
beginsel van single audit
bewerkstelligt dit.
Artikel
12. Informatie-
en administratieverplichtingen
De verplichtingen voor de
subsidieontvanger, dat wil zeggen de gemeente, die in dit artikel worden
geregeld, moeten ook in aanvulling
worden beschouwd op de algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger die aan subsidieverlening
zijn verbonden en zijn opgenomen in de Algemene
Regeling SZW-subsidies.
De informatieverplichtingen die op grond van dit artikel nader worden
geregeld, hebben vooral betrekking op de informatie in het kader van de
monitoring op de realisatie. Vandaar
dat is bepaald dat de gemeente moet
meewerken aan onderzoek dat door
of namens de minister wordt ingesteld.
Gegevens van werkgevers kunnen via
de gemeente worden gevraagd.
Dit betekent dat de gemeente bij het
verstrekken van de vergoeding aan
werkgevers, deze werkgevers ook
daarvoor relevante
informatieverplichtingen kan opleggen. Wel moet het voor de toezichthouders
mogelijk zijn ook bij de werkgever inzage te
verkrijgen in gegevens of gegevens te
vragen indien dat in verband met het
toezicht op de naleving van deze
regeling noodzakelijk is. Deze bevoegdheid van
de toezichthouder vloeit rechtstreeks voort uit de Awb. Voor een
effectief toezicht is het echter noodzakelijk dat de gemeente als
subsidieontvanger wel zodanige gegevens in de
administratie heeft dat controle op de
besteding van de subsidie ook
daadwerkelijk mogelijk is (het tweede lid).
In dit artikel is de kwartaalrapportage
nader uitgewerkt in het derde en vierde
lid. Daartoe dienen de
gemeenten het bij deze regeling gevoegde
formulier te gebruiken. De gegevens
betreffen dus in hoofdlijnen de
sectoren waarin de banen worden gerealiseerd en de gegevens over de
werknemers. Waar hiervoor in deze
toelichting wordt aangegeven dat de effectuering wordt gevolgd, gebeurt dat in
eerste instantie aan de hand van de
gegevens die via de kwartaalrapportage
worden verstrekt.
Artikel
13. Verlening en
betaling subsidie
Voor het bevoorschotten,
declareren en verantwoorden van de
subsidies is zoveel mogelijk
aangesloten bij de processen, termijnen en
vormgeving van de formulieren van sociale voorzieningen die reeds bij gemeenten
in uitvoering zijn, zoals de Abw en de Wiw.
De subsidie voor deze
regeling wordt per jaar verleend na
ontvangst van de bereidverklaring, bedoeld
in artikel 2, vierde lid. De subsidie
voor het aantal gerealiseerde
arbeidsplaatsen wordt bepaald aan de hand van
de bedragen die genoemd zijn in
artikel 3, tweede lid.
In beginsel wordt de
hoogte van het voorschot berekend aan de
hand van kwartaaldeclaraties. Op
basis van deze kwartaaldeclaraties
worden de maandvoorschotten berekend; deze worden zoveel mogelijk aangepast
aan landelijke ontwikkelingen. Dit
systeem wijkt af van de tot en met 1998
toegepaste bevoorschottingssystematiek
in het kader van de Regeling
extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen. Deze afwijking mag er
niet toe leiden dat gemeenten te maken krijgen met liquiditeitsproblemen.
Daarom is ervoor gekozen om
gedurende de eerste zes maanden van 1999 aan
de gemeenten een tijdelijk
maandvoorschot te verlenen dat gebaseerd
is op het aantal
arbeidsplaatsen zoals dit is opgenomen in bijlage
I.
Hierop heeft het derde lid betrekking.
Met ingang van het derde
kwartaal worden de
maandvoorschotten berekend aan de hand van de
kwartaaldeclaraties; dus de reguliere
bevoorschottingssystematiek. De maandvoorschotten worden
berekend op basis van deze
kwartaaldeclaraties en worden zoveel mogelijk
aangepast aan landelijke
ontwikkelingen. Hierop heeft het vierde lid betrekking. Daarnaast is in het
negende lid geregeld dat gemeenten verhoging van
het maandvoorschot kunnen vragen indien arbeidsplaatsen versneld
worden gerealiseerd.
In het vijfde lid is geregeld dat het indienen van een
kwartaaldeclaratie wordt beschouwd als een
verzoek tot betaling. Dit verzoek
heeft een dubbele doelstelling; het heeft
niet alleen betrekking op betaling
van het kwartaalvoorschot voor het kwartaal waarop de declaratie betrekking
heeft, maar ook op betaling van
de maandvoorschotten die vallen in het tweede kwartaal dat volgt op het
kwartaal waarop de declaratie betrekking heeft.
In het zesde lid is
aangegeven wanneer de bevoorschotting zal
plaats vinden. Tevens is hier geregeld
dat de maandvoorschotten worden
verrekend met de
kwartaaldeclaraties.
Met een voorbeeld zal het
vorenstaande duidelijk worden gemaakt.
De declaratie over het
eerste kwartaal 1999 moet de gemeente
vóór 20 mei 1999 hebben ingediend.
Deze declaratie zal betaalbaar worden
gesteld en gelijktijdig zullen de
verstrekte maandelijkse voorschotten over de
maanden januari tot en met maart
1999 worden verrekend. Tevens dient
de declaratie als basis voor de
berekening van de maandvoorschotten voor de maanden juli tot en met september
1999.
In het zevende lid is
geregeld hoe het aantal
arbeidsplaatsen moet worden berekend indien de
dienstbetrekking niet begint op de eerste
dan wel de zestiende van de
maand. Het ligt voor de hand dat
dienstbetrekkingen die overgaan van de ene
categorie naar een andere
categorie, bijvoorbeeld doordat de
dienstbetrekking vier jaar bestaat, niet dubbel
worden geteld voor de
declaratie. Voor de berekening van het aantal arbeidsplaatsen wordt de uitstroom
derhalve tegengesteld berekend aan
die van de instroom in de andere
categorie.
Een gemeente met maximaal acht arbeidsplaatsen kan op
basis van de toedeling van arbeidsplaatsen bij het vervullen van
dienstbetrekkingen die een arbeidsduur hebben van meer dan 32 uur per week, op
jaarbasis berekend onvoldoende subsidie
ontvangen. De verleende subsidie kan
dan op verzoek van de gemeente op grond
van het achtste lid worden
herzien met een verhoging van maximaal
0,5 arbeidsplaats. Hiervoor wordt het bedrag
van de lage lumpsum
toegepast; het te betalen voorschot wordt
op basis daarvan verhoogd. Het verzoek
hiertoe kan worden gedaan
gelijktijdig met de vierde kwartaaldeclaratie
dan wel een aanvullende declaratie
voor het vierde kwartaal. Voor dit verzoek is een aparte declaratieregel
opgenomen. Deze declaratieregel kan
uiteraard niet worden gebruikt voor declaraties
over de eerste drie kwartalen.
Artikel
14. Vaststelling
van de subsidie
Dit artikel bevat de
gebruikelijke bepalingen voor het verstrekken van
de jaaropgave en de
bepalingen omtrent de vaststelling in
afwijking van de betaalde en verleende
subsidie. De subsidie wordt
vastgesteld op grond van de gegevens in de
jaaropgave, die is gecontroleerd als in
het controle- en rapportageprotocol is
aangegeven. De termijn in het vijfde lid
is opgenomen, omdat deze afwijkt van
die op grond van de Awb. Het niet tijdig of onvolledig verstrekken van andere
informatie dan
verantwoordingsinformatie leidt niet tot vaststelling van
een ander subsidiebedrag dan is verleend. Vandaar dat in het zesde lid,
onderdeel c, alleen verwezen wordt naar de
verantwoordingsinformatie die is opgenomen in de jaaropgave en in de
bijhorende verklaring en het verslag
over de controle.
Artikel
15. Opschorting,
terugvordering en verrekening
In het eerste lid wordt
bepaald dat de betaling van het
voorschot wordt opgeschort als de
kwartaalrapportage of kwartaaldeclaratie
niet of onvolledig door de minister is ontvangen. Hetzelfde geldt indien
de bereidverklaring niet wordt ontvangen. Zodra de genoemde documenten zijn
ontvangen, wordt de betaling zo
spoedig mogelijk weer hervat en
worden de perioden waarover geen
voorschot is betaald, nabetaald (het tweede lid).
Indien na de vaststelling blijkt dat over enig
jaar te veel
subsidie is betaald, kan dit geheel
worden teruggevorderd; ook kan worden bepaald dat dit overschot kan
worden verrekend met toe te kennen
subsidie in een volgend jaar.
Artikel
16.
Overgangsregeling zorgbanen
Dit artikel voorziet
erin dat tot 1 januari 2000 de
Minister van VWS de banen die in de zorg zijn
gerealiseerd, blijft financieren. Het
gaat om vergoedingen voor instellingen die tot
de datum van
inwerkingtreding van deze regeling ook als
werkgevers in de zorgsector daarvoor in aanmerking
kwamen. Daarvoor was de Ewlw-regeling niet direct van
toepassing. De Minister van VWS en de in het
eerste en tweede lid genoemde instanties
hadden daarvoor regels ter bevordering
van extra arbeidsplaatsen in de zorgsector en beleidsregels en
subsidieregels vastgesteld. Inhoudelijk kwamen die
voor wat betreft de
voorwaarden waaronder de arbeidsplaatsen konden
worden vervuld en de doelgroep
overeen met de genoemde Ewlw-regeling. In het eerste lid wordt geregeld dat de Minister van VWS de daar
genoemde stichtingen (AWO en AWOB)
blijft subsidiëren op basis van de reeds
geldende regels om aan de
werkgevers (de in artikel 1, vierde lid,
genoemde instellingen) de vergoedingen te
verstrekken voor de dienstbetrekkingen die op arbeidsplaatsen zijn
vervuld die tot en met 1998 zijn toegekend. Dit betreft:
- al in 1998 vervulde
dienstbetrekkingen die in 1999 voortduren, dienstbetrekkingen die in 1999 worden
aangegaan met werknemers op een al toegekende arbeidsplaats (vanwege het ontstaan van een
vacature daarop); en
- voor de eerste keer
vervulde dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen die tot en met 1998 aan
werkgevers zijn toegekend.
Er worden ook veel
arbeidsplaatsen in de zorgsector
toegekend op basis van beschikkingen van het
Centraal orgaan tarieven
gezondheidszorg (COTG). De vergoedingen
voor die banen komen dan
uiteindelijk ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, dat door de
Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen,
red.] wordt
beheerd. Het tweede lid heeft
betrekking op de banen die via besluiten
van het COTG aan de instellingen beschikbaar zijn gesteld. In het
overgangsjaar is deze regeling wat de
financiering betreft ook niet van toepassing
op die besluiten. Ook hier betreft het
alleen tot en met 1998 toegekende
arbeidsplaatsen.
In het derde lid is bepaald dat de inhoudelijke bepalingen
van deze regeling betreffende de
vereisten voor de dienstbetrekkingen en
omtrent de langdurig werklozen wel
van toepassing zijn. Zo wordt bewerkstelligd dat duidelijkheid bestaat
over de inhoudelijke criteria en op dat punt
in verband met de overgang per 1
januari 2000 geen onduidelijkheid
bestaat. De Minister van VWS gaat in
de bekostigingssystematiek ook uit van lumpsumbedragen. De hoogte
van die bedragen stemt overeen
met die in artikel 3, tweede lid.
Ook om de overgang naar het verstrekken van
vergoedingen door gemeenten per 1
januari 2000 goed te laten
verlopen, zijn de genoemde artikelleden van artikel 3 van overeenkomstige
toepassing verklaard. De vergoedingen aan de zorgwerkgever worden aldus verstrekt
voor dienstbetrekkingen die
tot stand zijn gekomen onder voorwaarden
van artikel 4 (tegengaan
verdringing), de kenmerken hebben als genoemd in
artikel 5 (met als uitzondering
het derde lid, dat specifiek betrekking
heeft op de verhouding
gemeente/werkgever over verschillende jaren) en voldoen aan de vereisten voor de
arbeidsduur en beloning als genoemd in de
artikelen 6 en 7. De bepalingen over de
combinatie van scholing en arbeid
als geregeld in artikel 8 gelden ook. Bij
de selectie van de werknemers moet worden
voldaan aan de vereisten als
geregeld in de artikelen 9 en 10.
Het vierde lid betreft
een uitzondering op het
detacheringsverbod. De regeling hier is een
vastlegging van een met de sector
gemaakte afspraak. De bepaling houdt in dat
het detacheringsverbod niet geldt indien een werknemer feitelijk
werkzaamheden verricht in een instelling die nu niet zijn formele werkgever
is, maar die wel met ingang van 1 januari
2000 deel zal gaan uitmaken van de
onderneming van zijn werkgever op
basis van een fusieplan dat vóór 1
juli 1998 is opgesteld.
Bij het vervullen van
dienstbetrekkingen in de zorgsector geldt in
de zorgsector het voorschrift dat de
werkgever binnen twaalf maanden een dienstbetrekking op de arbeidsplaats moet vervullen. Blijft
een langere periode een arbeidsplaats
leeg, dan wordt de financiering van
die arbeidsplaats bij die werkgever
beëindigd en komt de arbeidsplaats
voor herverdeling in aanmerking. Indien een
vacature ontstaat op een al vervulde dienstbetrekking, kan de werkgever die weer
vervullen door een dienstbetrekking aan te gaan met een
andere langdurig werkloze. Dit kan dus
alleen wanneer deze dienstbetrekking
binnen twaalf maanden nadat de vacature
is ontstaan, wordt vervuld. In het
vijfde lid is dit voorschrift opgenomen
om enerzijds duidelijk te maken dat
op tot en met 1998 toegekende
arbeidsplaatsen gedurende twaalf maanden na toekenning dienstbetrekkingen kunnen
worden vervuld waarop de
financiering via de gemeenten nog niet
van toepassing is en anderzijds te
bewerkstelligen dat na 1 januari 2000 bij
de overgang de gemeenten dit
voorschrift in acht nemen (zie artikel 17,
derde lid). Wel is bepaald dat van de
periode van twaalf maanden kan worden afgeweken indien deze periode na 1
juli 1999 en vóór 1 januari 2000
verstrijkt. Dit omdat VWS 1 juli 1999 als
peildatum kiest om vast te stellen
welke banen aan de gemeenten kunnen
worden overgedragen.
Werkgevers in de
zorgsector zullen zich voor het aanvragen
van nieuwe arbeidsplaatsen tot
gemeenten moeten richten. De werkgever
hoeft zich hierbij niet te beperken
tot de gemeente waarin de
instelling is gevestigd. Het staat gemeenten vrij banen te realiseren buiten hun
eigen gemeentegrenzen. Voor de
zorgsector zijn door sociale
partners zogenoemde regiepunten Melkertbanen
zorg ingesteld. Deze regiepunten, die
regionaal gespreid zijn, kunnen een
nuttige functie vervullen bij het realiseren van arbeidsplaatsen in de
zorg. De regiepunten kennen de sector en
werken al langer met de Ewlw-regeling. Zij fungeren als smeermiddel en kunnen daardoor een goede
bijdrage leveren aan een snelle
totstandkoming en realisatie van arbeidsplaatsen in de zorg. De regiepunten
kunnen aan verschillende onderdelen van het proces van realisatie van
arbeidsplaatsen een bijdrage leveren. Zij
kunnen de gemeenten werk uit handen
nemen. Belangrijk is wel vóóraf afspraken te maken over hetgeen de
gemeenten van de regiepunten
verlangen om misverstanden te voorkomen. De andere arbeidsplaatsen komen in
beginsel na 1 januari 2000 voor
herverdeling over gemeenten in aanmerking
Het zesde lid regelt de
gegevensverstrekking die noodzakelijk kan zijn
in verband met de overgang
van de uitvoering naar de Minister van SZW
en de gemeenten. Het COTG
kan op basis van het Besluit
gegevensverstrekking Wet tarieven
gezondheidszorg aan de Minister van VWS
desgevraagd de benodigde gegevens
verstrekken.
Artikel
17. Overgang
De
dienstbetrekkingen
die tot stand zijn gekomen onder de Ewlw-regeling en waarop een langdurig
werkloze werkzaam is of is
geweest, of dienstbetrekkingen in de zorgsector die op grond van de in artikel
16 genoemde regels worden of werden gefinancierd, worden aangemerkt als
dienstbetrekkingen als bedoeld in deze
regeling. Dit betekent dat wanneer
het werkzaam zijn geweest op een
dienstbetrekking op grond van de aan deze regeling voorafgaande
regelingen relevant is, dit wordt
aangeduid als een dienstbetrekking op
grond van deze regeling. Dit speelt
bijvoorbeeld bij de doelgroepbepalingen in deze regeling en andere
regelingen. Tevens zijn op grond van het
tweede lid de bepalingen van deze
regeling van toepassing indien voorafgaand aan 1 januari 1999 de Ewlw-regeling van toepassing was, tenzij
anders is bepaald. De in dit lid
genoemde uitzondering betreft de vergoeding aan de werkgever. De op grond
van de oude regels aan de
werkgever verstrekte vergoeding kan niet op
grond van deze regeling worden
verlaagd:
a. indien de kosten van
de werkgever waarop de vergoeding
betrekking had niet zijn gewijzigd; en
b. betrekking hebben op kosten die rechtstreeks voortvloeien
uit de dienstbetrekking (de arbeidskosten). Dit geldt dus alleen als het
al een reeds vervulde dienstbetrekking betrof. Deze uitzondering is met name
van belang voor de zorgsector. Als
de gemeente met de werkgever tot een
andere kostenverdeling komt, kan de vergoeding daarop wel worden
aangepast. Voorts kan de gemeente niet
gehouden zijn de werkgever een vergoeding te verstrekken waarop de subsidie op
grond van artikel 3 geacht
wordt geen betrekking te hebben.
In het derde lid is al bepaald dat na 1 januari 2000 deze
regeling op de wijze als in het tweede
lid is bepaald ook van toepassing wordt
voor besluiten betreffende de zorgbanen
die na 1 januari 2000 nog
doorwerken. De gemeenten dienen dan wel rekening te houden met de
voorschriften voor de termijn van vervulling
van dienstbetrekkingen op arbeidsplaatsen en de wijze waarop de
bepalingen van deze regeling al van
overeenkomstige toepassing zijn verklaard met ingang
van 1 januari 1999.
De besluiten over
vaststelling van subsidie en beslissingen
op bezwaar en beroep worden beheerst
door de regels die golden vóór de
datum van inwerkingtreding van deze
regeling (het vijfde lid). Niet
alleen die regels gelden, ook de beslissingsbevoegdheid blijft berusten bij de
minister die daarvoor bevoegd was. Dit betekent
voor de gemeentelijke banen
dat de Minister van GSI
verantwoordelijk is voor de financiële
afwikkeling over de jaren voorafgaande aan
de datum van inwerkingtreding van deze
regeling. De Minister van VWS
blijft bevoegd de subsidies en
rijksbijdragen af te wikkelen na 1 januari 2000 (het
zesde lid).
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
BIJLAGE I
[Stcrt. 1999, 232]
| Gemeentenaam |
t/m 1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
| Aa en Hunze |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Aalburg |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Aalsmeer |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Aalten |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Abcoude |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Achtkarspelen |
16x |
23x |
30x |
37x |
44x |
|
Akersloot |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Alblasserdam |
5x |
8x |
11x |
13x |
15x |
|
Albrandswaard |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Alkemade |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Alkmaar |
178x |
216x |
254x |
292x |
330x |
|
Almelo |
305x |
348x |
396x |
445x |
495x |
|
Almere |
156x |
192x |
227x |
262x |
297x |
|
Alphen-Chaam |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Alphen aan den Rijn |
30x |
31x |
32x |
32x |
32x |
|
Ambt Delden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Ambt Montfort |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Ameland |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Amerongen |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Amersfoort |
82x |
106x |
130x |
154x |
178x |
|
Amstelveen |
37x |
42x |
47x |
52x |
56x |
|
Amsterdam |
4633x |
5428x |
6307x |
7202x |
8109x |
|
Andijk |
0x |
x1x |
1x |
1x |
1x |
|
Angerlo |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Anna Paulowna |
4x |
5x |
6x |
7x |
8x |
|
Apeldoorn |
166x |
196x |
225x |
254x |
283x |
|
Appingedam |
9x |
14x |
19x |
24x |
28x |
|
Arcen en Velden |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Arnhem |
662x |
778x |
907x |
1038x |
1171x |
|
Assen |
55x |
82x |
109x |
135x |
161x |
|
Asten |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Avereest |
4x |
5x |
6x |
7x |
7x |
|
Axel |
4x |
6x |
8x |
10x |
11x |
|
Baarle-Nassau |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Baarn |
9x |
11x |
13x |
15x |
16x |
|
Barendrecht |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Barneveld |
7x |
8x |
8x |
8x |
8x |
|
Bathmen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Bedum |
3x |
4x |
5x |
6x |
6x |
|
Beek |
5x |
7x |
9x |
11x |
12x |
|
Beemster |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Beesel |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Belfeld |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Bellingwedde |
5x |
7x |
9x |
11x |
13x |
|
Bemmel |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Bennebroek |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Bergambacht |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Bergen (L) |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Bergen (NH) |
6x |
8x |
10x |
12x |
14x |
|
Bergen op Zoom |
72x |
93x |
114x |
134x |
154x |
|
Bergeyk |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Bergh |
5x |
6x |
7x |
8x |
8x |
|
Bergschenhoek |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Berkel en Rodenrijs |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Bernheze |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Bernisse |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Best |
9x |
13x |
16x |
19x |
22x |
|
Beuningen |
7x |
9x |
10x |
11x |
12x |
|
Beverwijk |
15x |
22x |
28x |
34x |
40x |
|
Binnenmaas |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Bladel |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Blaricum |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Bleiswijk |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Bloemendaal |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Boarnsterhim |
6x |
8x |
10x |
12x |
13x |
|
Bodegraven |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Boekel |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Bolsward |
5x |
8x |
11x |
14x |
16x |
|
Borculo |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Borger-Odoorn |
7x |
8x |
9x |
10x |
10x |
|
Born |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Borne |
5x |
7x |
8x |
9x |
10x |
|
Borsele |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Boskoop |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Boxmeer |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Boxtel |
9x |
11x |
12x |
13x |
14x |
|
Breda |
391x |
450x |
515x |
581x |
648x |
|
Brederwiede |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Breukelen |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Brielle |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Broekhuizen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Brummen |
6x |
7x |
8x |
9x |
9x |
|
Brunssum |
57x |
73x |
89x |
105x |
121x |
|
Bunnik |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Bunschoten |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Buren |
4x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Bussum |
12x |
16x |
20x |
23x |
26x |
|
Capelle aan den IJssel |
55x |
75x |
95x |
115x |
134x |
|
Castricum |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Coevorden |
14x |
19x |
24x |
29x |
33x |
|
Cranendonck |
7x |
8x |
9x |
9x |
9x |
|
Cromstrijen |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Cuijk |
12x |
16x |
19x |
22x |
25x |
|
Culemborg |
11x |
15x |
19x |
23x |
27x |
|
Dalfsen |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Dantumadeel |
11x |
17x |
23x |
29x |
34x |
|
De Bilt |
9x |
11x |
13x |
14x |
15x |
| De
Lier |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
De Marne |
6x |
9x |
12x |
14x |
16x |
|
De Ronde Venen |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
de Wolden |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Delft |
159x |
188x |
217x |
246x |
274x |
|
Delfzijl |
64x |
80x |
95x |
110x |
125x |
|
Den Haag |
2793x |
3115x |
3471x |
3833x |
4200x |
|
Den Ham |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Den Helder |
117x |
143x |
169x |
194x |
219x |
|
Denekamp |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Deurne |
8x |
9x |
9x |
9x |
9x |
|
Deventer |
265x |
297x |
331x |
366x |
401x |
|
Didam |
5x |
6x |
7x |
8x |
8x |
|
Diemen |
18x |
25x |
31x |
37x |
43x |
|
Diepenheim |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Dinxperlo |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Dirksland |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Dodewaard |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Doesburg |
7x |
11x |
14x |
17x |
20x |
|
Doetinchem |
32x |
40x |
48x |
56x |
63x |
|
Dongen |
7x |
9x |
10x |
11x |
12x |
|
Dongeradeel |
14x |
21x |
28x |
34x |
40x |
|
Doorn |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Dordrecht |
270x |
339x |
416x |
494x |
573x |
|
Drechterland |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Driebergen-Rijsenburg |
5x |
7x |
9x |
10x |
11x |
| Drimmelen |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Dronten |
10x |
15x |
20x |
24x |
28x |
|
Druten |
6x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Duiven |
7x |
8x |
8x |
8x |
8x |
|
Echt |
9x |
11x |
13x |
15x |
17x |
|
Echteld |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Edam-Volendam |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Ede |
58x |
69x |
79x |
89x |
99x |
|
Eemnes |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Eemsmond |
7x |
11x |
14x |
17x |
20x |
|
Eersel |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Egmond |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Eibergen |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Eijsden |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Eindhoven |
500x |
587x |
684x |
782x |
882x |
|
Elburg |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Elst |
6x |
8x |
10x |
11x |
12x |
|
Emmen |
156x |
188x |
220x |
252x |
283x |
|
Enkhuizen |
6x |
8x |
10x |
11x |
12x |
|
Enschede |
576x |
667x |
768x |
870x |
974x |
|
Epe |
7x |
8x |
8x |
8x |
8x |
|
Ermelo |
6x |
7x |
8x |
8x |
8x |
|
Etten-Leur |
13x |
17x |
20x |
23x |
26x |
|
Ferwerderadiel |
4x |
6x |
8x |
10x |
12x |
|
Franekeradeel |
8x |
11x |
14x |
17x |
20x |
|
Gaasterlân-Sleat |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Geertruidenberg |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Geldermalsen |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Geldrop |
14x |
19x |
23x |
27x |
31x |
|
Geleen |
68x |
82x |
96x |
110x |
123x |
|
Gemert-Bakel |
8x |
10x |
12x |
13x |
14x |
|
Gendringen |
7x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Gendt |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Genemuiden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Gennep |
5x |
6x |
7x |
8x |
8x |
|
Giessenlanden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Gilze en Rijen |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Goedereede |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Goes |
17x |
24x |
31x |
37x |
43x |
|
Goirle |
5x |
6x |
7x |
8x |
8x |
|
Goor |
4x |
6x |
7x |
8x |
9x |
|
Gorinchem |
18x |
26x |
34x |
41x |
48x |
| Gorssel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Gouda |
58x |
81x |
104x |
126x |
148x |
|
Graafstroom |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Graft-De Rijp |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Gramsbergen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Grave |
3x |
4x |
5x |
6x |
6x |
|
’s-Graveland |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
’s-Gravendeel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
’s-Gravenzande |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Groenlo |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Groesbeek |
8x |
12x |
15x |
18x |
21x |
|
Groningen |
717x |
905x |
1112x |
1323x |
1537x |
|
Grootegast |
4x |
6x |
8x |
10x |
11x |
|
Grubbenvorst |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Gulpen-Wittem |
3x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Haaksbergen |
7x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Haaren |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Haarlem |
244x |
292x |
346x |
400x |
455x |
|
Haarlemmerliede c.a. |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Haarlemmermeer |
39x |
44x |
49x |
54x |
59x |
|
Haelen |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Haldenberge |
8x |
9x |
9x |
9x |
9x |
|
Hardenberg |
7x |
8x |
8x |
8x |
8x |
|
Harderwijk |
12x |
15x |
18x |
21x |
23x |
|
Hardinxveld-Giessendam |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Haren |
5x |
6x |
7x |
8x |
8x |
|
Harenkarspel |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Harlingen |
12x |
20x |
28x |
36x |
43x |
|
Harmelen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Hasselt |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Hattem |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Heel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Heemskerk |
17x |
27x |
37x |
47x |
57x |
|
Heemstede |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Heerde |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Heerenveen |
58x |
69x |
80x |
91x |
101x |
|
Heerhugowaard |
14x |
18x |
22x |
26x |
29x |
|
Heerjansdam |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Heerlen |
267x |
329x |
398x |
468x |
539x |
|
Heeze-Leende |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Heiloo |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Heino |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Helden |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Hellendoorn |
8x |
9x |
9x |
9x |
9x |
|
Hellevoetsluis |
31x |
39x |
47x |
55x |
62x |
|
Helmond |
175x |
216x |
262x |
308x |
355x |
|
Hendrik-Ido-Ambacht |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Hengelo (Gld) |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Hengelo
(O) |
238x |
268x |
302x |
336x |
371x |
|
’s-Hertogenbosch |
402x |
448x |
500x |
552x |
605x |
|
Het Bildt |
6x |
10x |
14x |
17x |
20x |
|
Heteren |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Heumen |
5x |
7x |
8x |
9x |
10x |
|
Heusden |
15x |
18x |
21x |
24x |
26x |
|
Heythuysen |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Hillegom |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Hilvarenbeek |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Hilversum |
55x |
73x |
91x |
109x |
127x |
|
Hoevelaken |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Holten |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Hontenisse |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Hoogeveen |
36x |
44x |
52x |
60x |
68x |
|
Hoogezand-Sappemeer |
66x |
83x |
99x |
115x |
131x |
|
Hoorn |
68x |
94x |
120x |
146x |
172x |
|
Horst |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Houten |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Huissen |
4x |
6x |
8x |
9x |
10x |
|
Huizen |
16x |
21x |
26x |
31x |
36x |
|
Hulst |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Hummelo en Keppel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Hunsel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
IJsselham |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| IJsselmuiden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
IJsselstein |
6x |
7x |
8x |
9x |
10x |
|
Jacobswoude |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Kampen |
18x |
25x |
32x |
39x |
46x |
|
Kapelle |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Katwijk |
7x |
8x |
8x |
8x |
8x |
|
Kerkrade |
97x |
121x |
145x |
168x |
191x |
|
Kessel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Kesteren |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Kollumerland c.a. |
7x |
10x |
13x |
16x |
18x |
|
Korendijk |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Krimpen aan den IJssel |
7x |
8x |
9x |
9x |
9x |
|
Laarbeek |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Landerd |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Landgraaf |
86x |
96x |
105x |
114x |
123x |
|
Landsmeer |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Langedijk |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Laren |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Leek |
6x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Leerdam |
7x |
8x |
9x |
9x |
9x |
|
Leersum |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Leeuwarden |
234x |
304x |
382x |
461x |
541x |
|
Leeuwarderadeel |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Leiden |
218x |
261x |
309x |
358x |
407x |
|
Leiderdorp |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Leidschendam |
7x |
9x |
11x |
13x |
15x |
|
Lelystad |
139x |
175x |
211x |
247x |
282x |
|
Lemsterland |
6x |
9x |
12x |
15x |
18x |
|
Leusden |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Lichtenvoorde |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Liemeer |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Liesveld |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Limmen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Lingewaal |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Lisse |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Lith |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Littenseradiel |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Lochem |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Loenen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Loon op Zand |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Loosdrecht |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Lopik |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Loppersum |
5x |
7x |
9x |
10x |
11x |
|
Losser |
6x |
7x |
8x |
9x |
9x |
|
Maarn |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Maarssen |
14x |
16x |
18x |
20x |
21x |
|
Maartensdijk |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Maasbracht |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Maasbree |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Maasdonk |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Maasdriel |
5x |
10x |
10x |
10x |
10x |
|
Maasland |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Maassluis |
16x |
23x |
30x |
37x |
44x |
|
Maastricht |
352x |
412x |
479x |
547x |
616x |
|
Margraten |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Markelo |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Marum |
3x |
4x |
5x |
5x |
5x |
|
Medemblik |
0x |
1x |
2x |
3x |
4x |
|
Meerlo-Wanssum |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Meerssen |
6x |
7x |
8x |
9x |
10x |
|
Meijel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Menaldumadeel |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Menterwolde |
6x |
9x |
12x |
15x |
18x |
|
Meppel |
14x |
21x |
27x |
33x |
39x |
|
Middelburg |
32x |
43x |
54x |
64x |
74x |
|
Middelharnis |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Middenveld |
0x |
1x |
2x |
2x |
2x |
|
Mierlo |
3x |
4x |
5x |
6x |
6x |
|
Mill en Sint Hubert |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Millingen aan de Rijn |
2x |
4x |
5x |
6x |
7x |
|
Moerdijk |
8x |
9x |
9x |
9x |
9x |
|
Monster |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Montfoort |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Mook en Middelaar |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Moordrecht |
2x |
3x |
4x |
5x |
5x |
|
Muiden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Naaldwijk |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Naarden |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Nederhorst den Berg |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Nederlek |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Nederweert |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Neede |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Neerijnen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Niedorp |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Nieuw-Lekkerland |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Nieuwegein |
37x |
46x |
54x |
62x |
70x |
|
Nieuwerkerk aan den
IJssel |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Nieuwkoop |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Nieuwleusen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Nijefurd |
4x |
6x |
8x |
9x |
10x |
|
Nijkerk |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Nijmegen |
635x |
787x |
956x |
1127x |
1301x |
|
Noord-Beveland |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Noordenveld |
7x |
8x |
8x |
8x |
8x |
|
Noorder-Koggenland |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Noordoostpolder |
18x |
26x |
34x |
41x |
48x |
|
Noordwijk |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Noordwijkerhout |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Nootdorp |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Nuenen c.a. |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Nunspeet |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Nuth |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Obdam |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Oegstgeest |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Oirschot |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Oisterwijk |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
| Oldebroek |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Oldenzaal |
15x |
23x |
30x |
37x |
44x |
| Olst |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Ommen |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
| Onderbanken |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Oostburg |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
| Oosterhout |
31x |
38x |
45x |
52x |
59x |
| Oostflakkee |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Ooststellingwerf |
12x |
19x |
26x |
33x |
40x |
| Oostzaan |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Ootmarsum |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Opmeer |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Opsterland |
11x |
15x |
19x |
23x |
27x |
| Oss |
87x |
100x |
113x |
126x |
139x |
| Oud-Beijerland |
5x |
6x |
7x |
7x |
7x |
| Ouder-Amstel |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Ouderkerk |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Oudewater |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Papendrecht |
9x |
11x |
13x |
14x |
15x |
| Pekela |
8x |
12x |
16x |
20x |
24x |
| Pijnacker |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
| Purmerend |
46x |
59x |
72x |
85x |
98x |
| Putten |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
| Raalte |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
| Ravenstein |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Reeuwijk |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
| Reiderland |
5x |
8x |
11x |
14x |
16x |
| Reimerswaal |
6x |
7x |
8x |
8x |
8x |
| Renkum |
12x |
16x |
19x |
22x |
25x |
| Renswoude |
1x |
0x |
2x |
2x |
2x |
|
Reusel-de Mierde |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Rheden |
29x |
38x |
47x |
56x |
64x |
|
Rhenen |
6x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Ridderkerk |
16x |
20x |
24x |
28x |
32x |
|
Rijnsburg |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Rijnwaarden |
3x |
4x |
5x |
6x |
6x |
|
Rijnwoude |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Rijssen |
6x |
7x |
8x |
8x |
8x |
|
Rijswijk |
31x |
40x |
49x |
58x |
67x |
|
Roerdalen |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Roermond |
105x |
130x |
155x |
179x |
203x |
|
Roggel en Neer |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Roosendaal |
41x |
50x |
59x |
68x |
76x |
|
Rotterdam |
4400x |
5035x |
5737x |
6452x |
7176x |
|
Rozenburg |
7x |
10x |
13x |
16x |
18x |
|
Rozendaal |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Rucphen |
7x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Ruurlo |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Sas van Gent |
4x |
5x |
6x |
7x |
8x |
|
Sassenheim |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Schagen |
6x |
8x |
10x |
12x |
14x |
|
Scheemda |
6x |
8x |
9x |
10x |
11x |
|
Schermer |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Scherpenzeel |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Schiedam |
157x |
194x |
235x |
277x |
320x |
|
Schiermonnikoog |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Schijndel |
6x |
7x |
7x |
7x |
7x |
|
Schinnen |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Schipluiden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Schoonhoven |
3x |
5x |
7x |
8x |
9x |
|
Schoorl |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Schouwen-Duiveland |
8x |
10x |
11x |
12x |
13x |
|
Sevenum |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Simpelveld |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Sint Anthonis |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Sint-Michielsgestel |
5x |
6x |
6x |
6x |
6x |
|
Sint-Oedenrode |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Sittard |
106x |
141x |
176x |
211x |
245x |
|
Skarsterlân |
8x |
9x |
10x |
11x |
12x |
|
Sliedrecht |
8x |
11x |
14x |
17x |
20x |
|
Slochteren |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Sluis-Aardenburg |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Smallingerland |
96x |
119x |
142x |
164x |
186x |
|
Sneek |
57x |
72x |
87x |
101x |
115x |
|
Soest |
12x |
14x |
16x |
17x |
18x |
|
Someren |
3x |
4x |
4x |
4x |
4x |
|
Son en Breugel |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
| Spijkenisse |
71x |
94x |
117x |
140x |
162x |
|
Stad Delden |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Stadskanaal |
19x |
28x |
36x |
44x |
52x |
|
Staphorst |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Stede Broec |
5x |
6x |
7x |
8x |
8x |
|
Steenbergen |
5x |
6x |
7x |
8x |
9x |
|
Steenderen |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Steenwijk |
16x |
24x |
31x |
38x |
45x |
|
Stein |
8x |
9x |
9x |
9x |
9x |
|
Strijen |
0x |
1x |
1x |
1x |
1x |
|
Susteren |
4x |
5x |
6x |
6x |
6x |
|
Swalmen |
3x |
4x |
5x |
6x |
7x |
|
Tegelen |
8x |
11x |
13x |
15x |
17x |
|
Ten Boer |
2x |
3x |
4x |
4x |
4x |
|
Ter Aar |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Terneuzen |
29x |
38x |
46x |
54x |
62x |
| Terschelling |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Texel |
2x |
3x |
4x |
4x |
4x |
|
Tholen |
6x |
7x |
8x |
8x |
8x |
|
Thorn |
1x |
2x |
2x |
2x |
2x |
|
Tiel |
33x |
43x |
53x |
63x |
72x |
|
Tilburg |
558x |
641x |
732x |
825x |
919x |
|
Tubbergen |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Tytsjerksteradiel |
10x |
13x |
16x |
18x |
20x |
|
Ubbergen |
4x |
6x |
8x |
10x |
12x |
|
Uden |
15x |
20x |
24x |
28x |
32x |
|
Uitgeest |
2x |
3x |
3x |
3x |
3x |
|
Uithoorn |
4x |
5x |
5x |
5x |
5x |
|
Urk |
2x |
3x |
4x |
5x |
6x |
|
Utrecht |
1217x |
1363x |
1524x |
1688x |
1854x |
|
Vaals |
5x |
8x |
11x |
13x |
15x |
|
Valburg |
3x |
4x |
4x |
| |