|
19 december 2001/nr. AM/RAW/01/53370
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 15, zesde lid, van het Besluit
in- en doorstroombanen;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. besluit: het Besluit
in- en doorstroombanen;
c. regeling: de Regeling
uitvoering en financiering Besluit in- en doorstroombanen;
d. maatregel: het ten
opzichte van de subsidieverlening, bedoeld
in artikel 3 van het besluit, lager
vaststellen van de subsidie op grond van
artikel 15 van het besluit.
Art. 2.
Het niet vervullen
van het aantal toegekende
arbeidsplaatsen
In een geval als bedoeld in
artikel 15, vierde lid, onderdeel a, van het besluit
wordt de verleende subsidie
vastgesteld aan de hand van het aantal arbeidsplaatsen waarmee de in een
kalenderjaar vervulde
dienstbetrekkingen overeenstemmen, op basis van
de verantwoording van de
jaaropgave waarin zijn opgenomen de
kwartaaldeclaraties en die voorzien is van een verslag van de controle
waarin is opgenomen de accountantsverklaring. De vastgestelde subsidie kan
maximaal betrekking hebben op het in
de bereidverklaring door de
gemeente opgenomen aantal te
vervullen arbeidsplaatsen dan wel het
aantal arbeidsplaatsen dat door de
minister is toegekend.
Art. 3.
Het niet
verstrekken van juiste of volledige gegevens
In een geval als bedoeld in
artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van het besluit
wordt het bedrag van de
maatregel vastgesteld op het bedrag
dat gelijk is aan het verschil tussen de
subsidie die is verleend op basis van de
door de gemeente onjuist of
onvolledig verstrekte gegevens en de subsidie die zou zijn verleend indien
deze gegevens juist of volledig zouden
zijn verstrekt.
Art. 4.
Handelen in strijd
met het besluit
In een geval als bedoeld in
artikel 15, vierde lid, onderdeel c, van het besluit
wordt het bedrag van de
maatregel vastgesteld op het bedrag
dat in strijd met het bij of krachtens het
besluit bepaalde aan subsidie is
besteed.
Art. 5.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot ¹ 1 januari 2002.
1. Volgens de redactie
dient "tot" te worden vervangen door: tot en met.
Art. 6.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling lagere vaststelling
subsidie Besluit in- en doorstroombanen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 december
2001.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[19 december 2001]
1.
Algemeen
Voor de uitvoering van het
Besluit in- en doorstroombanen (Besluit ID-banen) wordt aan gemeenten subsidie verleend. In
artikel 15,
derde lid, van het besluit is bepaald dat
de
minister na afloop van het jaar de
subsidie vaststelt en in artikel 15,
vierde lid, is bepaald op welke gronden de
vastgestelde subsidie kan afwijken van de verleende en betaalde subsidie. Op
grond van het bepaalde in
artikel 15, zesde lid, van het besluit kunnen bij ministeriële regeling
regels voor de subsidievaststelling worden
gesteld. De onderhavige regeling strekt
daartoe. De regeling geeft invulling
aan de wijze waarop de minister gebruik
maakt van zijn bevoegdheid om af te
wijken van de verleende subsidie in de gevallen, bedoeld in artikel
15,
vierde lid, van het besluit, dat wil zeggen,
om de subsidie in afwijking van de
verleende en betaalde subsidie lager vast
te stellen.
Met het oog op de
vaststelling van de subsidie voor de jaren
1999, 2000 en 2001 zijn beleidsregels
vastgesteld die openbaar zijn gemaakt
door plaatsing in de Staatscourant (Stcrt.
2001, 138). Bij brief van 13 juli
2001, nr. AM/RAW/01/39998, zijn de
gemeenten in kennis gesteld van deze
beleidsregels. De beleidsregels voor de
jaren 1999 tot en met 2001 vormen
de basis voor deze regeling.
De mogelijkheid om de
subsidie in afwijking van de verleende
subsidie lager vast te stellen,
hierna te noemen de maatregel, is aan de
minister gegeven om over een effectief instrument te beschikken waarmee de
uitvoeringspraktijk kan worden bijgestuurd en in overeenstemming kan
worden gebracht met de beoogde
doelstelling. Toepassing van deze
bevoegdheid is er dan ook op gericht om de
naleving van het besluit door de gemeente te bevorderen. Daarnaast
vervult deze bevoegdheid in het
departementaal vaststellingsproces een
functie in het kader van de ministeriële
verantwoording aan het parlement waarvan
een ordelijk financieel beheer
in relatie tot de uitvoering van de rijksbegroting deel uitmaakt.
Door inzending van de
bereidverklaring geeft de gemeente te kennen arbeidsplaatsen tot stand te
willen brengen als bedoeld in het
Besluit ID-banen. Dit betekent voorts dat de gemeente ernaar streeft om
dit besluit juist uit te voeren. Het is
voor het gemeentebestuur van belang
te weten welke uitvoeringsaspecten in
het bijzonder van belang worden geacht voor een juiste uitvoering.
Voorts bevordert het kenbaar
maken van de regels inzake
lagere vaststelling van de subsidie
de rechtszekerheid en eenheid in het beleid. Enerzijds schept het
duidelijkheid naar de gemeenten. Niet
alleen weten zij waar ze aan toe zijn,
maar ook dat ze in vergelijkbare
situaties overeenkomstig zullen worden behandeld. Anderzijds is de minister
door het vastleggen van deze regels
in de onderhavige regeling
gehouden overeenkomstig de regels te handelen.
2. Uitgangspunten
In het Besluit
ID-banen is
gekozen voor een ruime mate van
beleidsvrijheid voor de gemeente om
arbeidsplaatsen te realiseren bij werkgever, met name in de collectieve
en non-profitsector en deze te doen vervullen door personen die tot de
doelgroep behoren of daaraan gelijk
zijn gesteld. Binnen de randvoorwaarden
van het besluit is het gemeentebestuur zelf verantwoordelijk voor een
rechtmatige uitvoering van het besluit. Dit houdt onder andere in dat het
gemeentebestuur zelf voortdurend zorg draagt voor de controle op de
uitvoering op basis van een getrouwe
(gecertificeerde) verantwoordingsinformatie
over de rechtmatigheid van het
uitvoeringsproces, bijvoorbeeld door middel van periodieke
managementinformatie. Dit is alleen mogelijk als de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie
zodanig is ingericht en functioneert
dat tekortkomingen tijdig worden gesignaleerd. Een goed functionerende
interne controle kan hiervoor de aangewezen
weg vormen. Hiermee worden
overigens geen beperkingen aangebracht
ten aanzien van de bron van de
signalering van de tekortkoming.
Dat de signalering
logischerwijs in de meeste gevallen uit de
gemeentelijke of aangewezen
uitvoeringsorganisatie voortkomt, neemt niet weg
dat ook anderen, zoals de
medewerkers van de regionale afdelingen
van de Inspectie Werk en Inkomen
(de Rijksconsulent Sociale Zekerheid), de bij de gemeente fungerende
accountant of een extern adviseur op
tekortkomingen kunnen wijzen.
Het is primair de
verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om
bij geconstateerde tekortkomingen tot een herstelproces te komen.
Dit houdt niet alleen in dat de
gemeente zelf daartoe het initiatief
neemt, maar dat ook tijdig doet. Teneinde
inzichtelijk te maken welke stappen het
gemeentebestuur daartoe heeft gezet, is het raadzaam dat het gemeentebestuur de
hierbij te volgen procedure,
die zal moeten leiden tot opheffing
van de tekortkomingen, alsmede het
verloop van het proces documenteert.
Op deze wijze wordt de
minister in
staat gesteld om bij de
beoordeling van de gemeentelijke uitvoering eventueel rekening te houden met de
specifieke omstandigheden van
gemeenten.
Het opleggen van een
maatregel vindt plaats bij
onrechtmatige uitvoering van de regelgeving. Gezien
de aard van de onderhavige
regelgeving vormt een maatregel geen sanctie, omdat als uitgangspunt wordt
gehanteerd dat wat niet rechtmatig is besteed, niet wordt
gesubsidieerd. Het bedrag van de maatregel
sluit derhalve aan bij het financieel
beslag van de onrechtmatigheid in de
uitvoering.
3. Toetsingskader
Op grond van artikel
15,
vierde lid, Besluit ID-banen kan van de
verleende en betaalde subsidie worden
afgeweken, indien:
a. de vervulde
dienstbetrekkingen met betrekking tot
arbeidsplaatsen niet overeenstemmen met het
aantal arbeidsplaatsen op grond
waarvan de subsidie is verleend;
b. de gemeente de gegevens,
bedoeld in dit artikel, niet juist
of niet volledig heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens
tot een andere subsidieverlening zou
hebben geleid;
c. de gemeente anderszins
handelt in strijd met het besluit.
In genoemde situaties zal
een maatregel worden opgelegd.
Van de onder a genoemde
situatie is sprake indien de
gemeente in een jaar niet het aantal
arbeidsplaatsen heeft vervuld waarvoor zij
subsidie heeft ontvangen. Gevolg hiervan zal zijn dat de rijkssubsidie
lager zal worden vastgesteld op basis van het
aantal vervulde arbeidsplaatsen.
Bij de onder b bedoelde
situatie gaat het om het verstrekken
van niet juiste of niet volledige
gegevens op grond waarvan de subsidie
wordt vastgesteld. Het gaat
hierbij om het verstrekken van gegevens in
het kader van de financiële
verantwoording. Het enkel verstrekken van niet
juiste of onvolledige gegevens is niet
voldoende om een maatregel op te
leggen. Daartoe moet de vraag worden
beantwoord of het niet juist of niet
volledig verstrekken van de gegevens
heeft geleid tot het verlenen van
een hogere subsidie dan zou zijn
verleend bij wel juiste of volledige
verstrekking van gegevens. Is het antwoord op
deze vraag bevestigend, dan wordt
bij het vaststellen van het bedrag
van de maatregel rekening gehouden
met het hiermee gemoeide financiële
beslag.
Van de onder c bedoelde
situatie is sprake indien de gemeente
anderszins in strijd met het Besluit ID-banen
en de Regeling uitvoering en
financiering Besluit in- en doorstroombanen (Ruf ID-banen) heeft gehandeld.
Van alle hierboven genoemde tekortkomingen valt het
daarmee gemoeide financiële beslag
vast te stellen. De regeling heeft dan ook
alleen betrekking op maatregelen op basis van een financieel beslag.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Definities
In dit artikel worden enkele
in de regeling gebruikte begrippen
die nog niet zijn omschreven in het Besluit ID-banen, gedefinieerd.
Artikel
2. Het niet vervullen
van het aantal toegekende
arbeidsplaatsen
Doet zich de situatie voor
als bedoeld in artikel 15, vierde lid,
onderdeel a, van het besluit, dan wordt
de verleende subsidie vastgesteld aan de
hand van het aantal arbeidsplaatsen waarmee de in een kalenderjaar
vervulde dienstbetrekkingen overeenstemmen, op basis van de
verantwoording van de jaaropgave waarin zijn opgenomen de kwartaaldeclaraties en
die voorzien is van een verslag van de
controle waarin is opgenomen de
accountantsverklaring. De subsidierelatie tussen Rijk en gemeente
met
betrekking tot het aantal voor subsidie in
aanmerking komende arbeidsplaatsen
bestaat uitsluitend tot het maximum
aantal arbeidsplaatsen dat in de bereidverklaring van de gemeente is
opgenomen, voor zover dit aantal niet
meer bedraagt dan het aantal door
de
minister toegekende
arbeidsplaatsen. In bijlage I van de Ruf
ID-banen is het aantal arbeidsplaatsen
opgenomen waarvoor een gemeente maximaal in aanmerking kan komen. Het is
aan de gemeente te beslissen of zij
dit aantal wenst te vervullen dan wel
een lager aantal arbeidsplaatsen.
In de situatie dat een
gemeente een hoger aantal arbeidsplaatsen
tengevolge van te veel berekende
dienstbetrekkingen heeft opgegeven dan in de
bijlage is opgenomen, krijgt zij niet meer gesubsidieerd dan het aantal
dat in de bijlage is genoemd.
Heeft een gemeente zich
bereid verklaard een lager aantal
arbeidsplaatsen te vervullen, dan wordt zij
tot dit aantal gesubsidieerd.
Ook in de situatie dat een
gemeente meer arbeidsplaatsen vervult
dan is opgenomen in haar
bereidverklaring, maar minder dan in de
bijlage is opgenomen, krijgt de
gemeente niet meer vergoed dan het aantal
dat zij in haar verklaring heeft
opgenomen. Heeft een gemeente meer
arbeidsplaatsen gerealiseerd dan zij in de bereidverklaring heeft aangegeven te
zullen doen dan wel het
aantal arbeidsplaatsen dat door de
minister is toegekend, dan worden de
kosten van deze arbeidsplaatsen bij
de vaststelling van de subsidie dus niet in aanmerking genomen. Bij de
bepaling welke arbeidsplaatsen dan
niet voor vergoeding in aanmerking
komen, wordt uitgegaan van die
arbeidsplaatsen waarop dienstbetrekkingen
zijn vervuld die als laatste
zijn gerealiseerd.
Artikel
3. Het niet
verstrekken van juiste of volledige gegevens
Het niet verstrekken van
juiste of volledige gegevens heeft betrekking op gegevens die de gemeente
moet verstrekken in het kader van artikel
15, vierde lid, onderdeel b, van
het besluit. Het gaat hierbij om
gegevens die onderdeel uitmaken van
de financiële verantwoording. Het enkel
verstrekken van niet juiste of niet
volledige gegevens is niet voldoende
om een maatregel op te leggen.
Alvorens hiertoe zal worden overgegaan, moet
eerst de vraag worden beantwoord
of het verstrekken van juiste of
volledige gegevens zou hebben geleid
tot een lagere subsidieverlening. Is
het antwoord op deze vraag bevestigend,
dan wordt bij de definitieve
vaststelling van de subsidie rekening gehouden met het hiermee gemoeide
financiële beslag.
Artikel
4. Handelen in strijd
met het besluit
Het opleggen van een
maatregel vindt plaats bij onrechtmatige
uitvoering van het Besluit ID-banen en
de Ruf
ID-banen. Het bedrag van de
maatregel sluit aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in
de uitvoering. Dit betekent dat onderzoek
zal moeten worden gedaan naar de omvang van de uitgaven die
in strijd met het besluit zijn gedaan. Ter bepaling hiervan zal gebruik worden
gemaakt van bevindingen van
de gemeentelijke accountant.
Het onderzoek van de accountant vindt
plaats overeenkomstig het zogenoemde controle- en rapportageprotocol.
Zoals reeds gebeurde
overeenkomstig de in het algemene deel van
deze toelichting genoemde
uitgangspunten bij de subsidievaststelling
voor de jaren 1999 tot en met 2001, wordt de subsidie ook teruggevorderd
of verrekend indien de verleende subsidie blijkens de
accountantsverklaring of het onderzoek van de
medewerkers van de regionale afdelingen
van de Inspectie Werk en Inkomen
(de Rijksconsulent Sociale Zekerheid) is gebaseerd op onjuiste
gegevens.
In paragraaf 3 van het
algemene deel van de toelichting over
het toetsingskader is reeds uiteengezet dat dienstbetrekkingen slechts
als zodanig worden aangemerkt indien
deze voldoen aan de voorwaarden die
ingevolge het besluit en daarop
gebaseerde regelgeving daaraan worden
gesteld en tot stand zijn gekomen
overeenkomstig de voorschriften zoals deze
zijn neergelegd in de
regelgeving. Wordt aan één of meer voorwaarden niet voldaan, dan heeft dit tot
gevolg dat de dienstbetrekkingen niet
voor subsidie in aanmerking komen.
Op grond van artikel
3,
eerste lid, van het besluit wordt de
subsidie aan de gemeente verstrekt voor
de totstandkoming van arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen die
in de vorm van dienstbetrekkingen
bij werkgevers worden vervuld.
Derhalve is het van belang dat de
realisatie van arbeidsplaatsen en de
dienstbetrekkingen overeenkomstig het bepaalde
in het besluit plaatsvinden,
dat de werknemers uit de doelgroep afkomstig zijn, derhalve gewezen
langdurig werklozen of daarmee
gelijkgestelden en dat de werkgevers bij wie
de arbeidsplaatsen worden
gerealiseerd eveneens voldoen aan hetgeen
daaromtrent is bepaald.
In het onderhavige artikel
is het handelen in strijd met het Besluit ID-banen uitsluitend in verband
gebracht met die aspecten die een te
kwantificeren financieel beslag met zich brengen. Dit betekent in de volgende
situaties:
a. de werknemer die de
arbeidsplaats vervult, is niet een gewezen
langdurig werkloze in de zin van het
besluit of kan evenmin met een
langdurig werkloze worden gelijkgesteld (artikel
1, eerste lid, onderdeel
b, en
artikel 1, tweede lid, juncto artikel 5, derde lid, Besluit ID-banen);
b. de dienstbetrekking die
met de werknemer is aangegaan, is
geen arbeidsovereenkomst als
bedoeld in het Burgerlijk
Wetboek of
een publiekrechtelijke aanstelling (artikel 1, derde lid, onderdeel a,
Besluit ID-banen);
c. de werkgever bij wie de
arbeidsplaats wordt vervuld, is geen
werkgever respectievelijk geen
instelling in de zin van het besluit (artikel
1, derde lid, onderdeel d, en artikel
1, vierde en vijfde lid, Besluit ID-banen);
d. de gemeente heeft bij het
toepassing geven aan artikel 1, vierde lid, onderdeel b, Besluit ID-banen
niet
getoetst of de rechtspersoon voldoet aan
het bepaalde in dit onderdeel (artikel 3, derde lid, Besluit
ID-banen);
e. de gemeente heeft haar
beleid inzake openbare veiligheid en
toezicht niet vastgesteld of niet
vastgesteld na bespreking in het reguliere
overleg van burgemeester, OM en politie (artikel
3, vierde lid, Besluit
ID-banen);
f. de gemeente heeft geen
verklaring langdurig werkloze ten
behoeve van de werkgever afgegeven (artikel 5, eerste lid, Besluit ID-banen);
g. de dienstbetrekking met
de werknemer is niet aangegaan voor
onbepaalde tijd dan wel is geen gebruik gemaakt van de uitzondering (artikel
6, tweede lid, onderdeel b, Besluit
ID-banen);
h. de gemeente heeft bij het
verstrekken van een vergoeding niet
nagegaan of voldaan is aan hetgeen is
bepaald ten aanzien van de cumulatie
van subsidies (artikel 6, tweede lid, onderdeel c, Besluit
ID-banen);
i. de gemeente heeft bij het
verstrekken van een vergoeding niet
nagegaan of de beleidsregels inzake
het verbod op detachering
respectievelijk omgekeerde detachering (Staatscourant 28 december 2000,
251, pag. 55) in acht zijn genomen (artikel 6, tweede lid, onderdeel d en e, Besluit
ID-banen);
j. de gemeente heeft bij het
verstrekken van een vergoeding aan de
werkgever niet nagegaan of de
werkgever de overige in artikel 6, tweede lid, Besluit
ID-banen opgenomen vereisten
in acht heeft genomen (artikel 6, tweede lid, Besluit ID-banen);
k. de gemeente heeft de
vergoeding aan de werkgever verstrekt
zonder dat de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging over de totstandkoming van dergelijke
arbeidsplaatsen positief heeft geadviseerd (artikel
7, eerste lid,
onderdeel a, Besluit ID-banen);
l. de gemeente heeft de
vergoeding aan de werkgever verstrekt
zonder dat gebleken is dat zij zich
vergewist heeft of zich bij de werkgever
geen gevallen van beëindiging van dienstbetrekkingen hebben voorgedaan op grond
van bedrijfseconomische redenen (artikel 7, eerste lid, onderdeel b, Besluit
ID-banen);
m. de gemeente heeft bij
aanvang van de dienstbetrekking
nagelaten te toetsen of voldaan wordt aan het
bepaalde met betrekking tot de
arbeidsduur van de dienstbetrekking (artikel 8 Besluit ID-banen);
n. de gemeente heeft niet
nagegaan of het bepaalde ten aanzien van
de hoogte van het door de
werknemer te verdienen loon in acht is
genomen (artikel 9, eerste en derde
lid, Besluit ID-banen);
o. de gemeente heeft bij het
toepassing geven aan een doorstroombaan niet nagegaan of deze baan
bezet wordt door een werknemer die ten minste vijf jaar op een arbeidsplaats in de zin van het besluit
werkzaam is geweest of drie jaar op een
dergelijke arbeidsplaats werkzaam is
geweest en daaraan voorafgaande twee
jaar een dienstbetrekking in het
kader van de Wet inschakeling
werkzoekenden heeft vervuld dan wel dat
het maximaal te verdienen loon niet wordt overschreden (artikel
10,
tweede en derde lid, Besluit ID-banen);
p. de gemeente heeft
alvorens een doorstroombaan te realiseren,
nagelaten te toetsen of over deze
plaats een positief advies door de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging is uitgebracht (artikel
10,
vierde lid, Besluit ID-banen);
q. de gemeente beschikt niet
over de afschriften van de
verklaringen van de uitgestroomde werknemers ten
aanzien van wie de gemeente ten
behoeve van de belastingdienst een
verklaring heeft afgegeven met het oog
op het in aanmerking komen voor de
toetrederskorting door deze werknemers (artikel
14, tweede lid, Besluit
ID-banen).
r. de gemeente heeft bij het
uitkeren van de uitstroompremie het
bepaalde in artikel 4, tweede, derde
en vijfde lid, Besluit ID-banen,
alsmede artikel 4, vierde lid, Regeling uitvoering en financiering Besluit
in- en doorstroombanen, zoals deze bepalingen luidden op
31 december 2001, niet in acht heeft
genomen (artikel 19a Besluit ID-banen);
s. de werkgever heeft het
bepaalde in artikel 5, vierde lid,
onderdeel c, Regeling ID-banen respectievelijk
artikel 6, tweede lid, onderdeel
c, Besluit ID-banen inzake de anticumulatie, zoals deze bepalingen
luidden op 31 december 2001, niet in
acht genomen (artikel 19b Besluit ID-banen).
Ad
a. Blijkt de werknemer
niet een langdurig werkloze te zijn
geweest of kan hij niet met een
langdurig werkloze worden gelijkgesteld, zoals
bepaald in artikel 5 van het besluit, dan is de vervulling van de
arbeidsplaats niet overeenkomstig het besluit
geschied. Een dergelijke arbeidsplaats
komt niet voor subsidieverlening in
aanmerking. Het bedrag van de maatregel
bestaat uit het bedrag dat in strijd
met het bij of krachtens het besluit bepaalde aan subsidie voor de
arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking is verleend.
Ad
b. Blijkt de
dienstbetrekking met de werknemer niet te zijn
aangegaan in de vorm van een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk
Wetboek of van een publiekrechtelijke aanstelling, dan is er geen
sprake van een dienstbetrekking als bedoeld in het besluit. De
arbeidsplaats komt dan naar rato van de omvang
van de dienstbetrekking niet voor
subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit
het hiermee gemoeide financiële beslag.
Ad
c. Wordt de arbeidsplaats
vervuld bij een werkgever die niet
voldoet aan het bepaalde in het besluit,
dan is de vervulling van de
arbeidsplaats niet overeenkomstig het besluit geschied. Ook in die situatie komt de
arbeidsplaats naar rato van de omvang van de dienstbetrekking niet
voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel
bestaat uit het hiermee gemoeide
financiële beslag.
Ad
d. In een geval dat bij
besteding van subsidie aan een
werkgever ten aanzien van wie de gemeente toepassing geeft aan
artikel 1, vierde
lid, onderdeel b, van het besluit de gemeente niet toetst of de
rechtspersoon daaraan voldoet, komt een
dergelijke arbeidsplaats naar rato van
de omvang van de
dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in
aanmerking. Het bedrag van de maatregel
bestaat uit het hiermee gemoeide
financiële beslag.
Ad
e. Het gemeentebestuur
heeft voor het tot stand brengen van
arbeidsplaatsen op het gebied van openbare veiligheid en toezicht niet
het beleid vastgesteld of niet
vastgesteld na bespreking in het reguliere
overleg, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet
1993, tussen de
burgemeester, de officier van justitie van het
desbetreffende arrondissement en de
korpschef van het regionale politiekorps.
De arbeidsplaatsen die
desondanks op dit terrein zijn
gerealiseerd, komen niet voor subsidieverlening
in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het bedrag dat in strijd
met het bij of krachtens het besluit bepaalde aan subsidie voor
de betreffende arbeidsplaatsen
naar rato van de omvang van de
dienstbetrekking is verleend.
Ad
f. In een geval dat de
gemeente geen verklaring langdurig
werkloze heeft afgegeven ten behoeve
van de werkgever, komt de
arbeidsplaats naar rato van de omvang van
de dienstbetrekking niet voor
subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit
het hiermee gemoeide financiële beslag.
Ad
g. Blijkt de
dienstbetrekking niet te zijn aangegaan voor
onbepaalde tijd en is evenmin sprake van de
in het besluit genoemde
uitzondering, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de omvang van de
dienstbetrekking niet in aanmerking voor
subsidieverlening. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee
gemoeide financiële beslag.
Ad
h. Blijkt een werkgever
in strijd met hetgeen is bepaald in
artikel 6, tweede lid, onderdeel c, van het besluit
voor dezelfde
dienstbetrekking uit anderen hoofde eveneens subsidie te hebben ontvangen, dan is de
dienstbetrekking niet rechtmatig tot stand gekomen en komt de
arbeidsplaats naar rato van de omvang van
de dienstbetrekking niet voor
subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit
het hiermee gemoeide financiële beslag.
Ad
i. Blijkt niet voldaan te
zijn aan hetgeen bepaald is met
betrekking tot de detachering respectievelijk omgekeerde detachering, dan komt de
arbeidsplaats naar rato van
de omvang van de
dienstbetrekking die in strijd daarmee is
vervuld, niet voor subsidieverlening in
aanmerking. Het bedrag van de maatregel
bestaat uit het hiermee gemoeide
financiële beslag.
Ad
j. Is niet nagegaan bij
het verstrekken van een vergoeding aan de
werkgever of overigens aan het
bepaalde in het tweede lid van artikel 6
is voldaan, dan komt de arbeidsplaats
naar rato van de omvang van de
dienstbetrekking niet voor subsidieverlening
in aanmerking. De maatregel
bestaat uit het hiermee gemoeide financiële beslag.
Ad
k. Heeft de
ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging geen positief advies over het
realiseren van een arbeidsplaats bij de
werkgever uitgebracht, dan komt de arbeidsplaats naar rato van de
dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking. Het bedrag van de maatregel
bestaat uit het hiermee gemoeide
financiële beslag.
Ad
l. Alvorens de vergoeding
aan de werkgever te verstrekken
voor het vervullen van een arbeidsplaats, dient
de gemeente zich ervan te
hebben vergewist dat bij deze werkgever in de periode van zes maanden
voorafgaand aan de datum van aanvang van de dienstbetrekking geen
beëindiging van dienstbetrekkingen op
grond van bedrijfseconomische redenen
heeft plaatsgevonden (artikel 7,
eerste lid, onderdeel b, Besluit ID-banen). Heeft de gemeente aan de werkgever
een vergoeding verstrekt voor het vervullen van een arbeidsplaats zonder
dat uit de bescheiden blijkt dat de gemeente deze controle heeft
uitgevoerd, dan komt deze arbeidsplaats niet voor subsidieverlening in aanmerking.
Het bedrag van de maatregel bestaat uit het bedrag dat
in strijd met het bij of krachtens het besluit
bepaalde aan subsidie voor
de betreffende arbeidsplaats
naar rato van de omvang van de
dienstbetrekking is verleend.
Ad
m. Blijkt bij het
vaststellen van de arbeidsduur niet het
bepaalde van artikel 8 in acht te zijn
genomen, dan komt de arbeidsplaats naar
rato van de dienstbetrekking niet
voor vergoeding in aanmerking. De maatregel bestaat uit het hiermee
gemoeide financiële beslag.
Ad
n. Is het bepaalde met
betrekking tot de hoogte van het loon
dat gedurende de eerste twaalf maanden van de dienstbetrekking kan
worden verdiend niet in acht genomen, dan komt de arbeidsplaats naar
rato van de omvang van de
dienstbetrekking niet voor subsidieverlening
in aanmerking. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide
financiële beslag.
In dit verband wordt nog
gewezen op het volgende. In een
tweetal in artikel 9 omschreven
gevallen kan hiervan worden afgeweken. De
eerste afwijking betreft indien er
sprake is van een algemene
loonsverhoging voor zover het loon over de overeengekomen uitbetalingstermijn niet
meer bedraagt dan 103% van het
voor de overeengekomen arbeidsduur
geldende minimumloon. De tweede
afwijking betreft indien op basis van
de voor de werkgever geldende CAO een
periodieke loonsverhoging plaatsvindt
binnen twaalf maanden na aanvang
van de dienstbetrekking. Doen
deze afwijkingen zich voor, dan moet dit uit
de opgeslagen documentatie
blijken.
Het derde lid van artikel 9
betreft het geval dat een werknemer
die werkzaam is in een dienstbetrekking op een instroombaan, een
loon wordt betaald dat meer bedraagt
dan het maximaal te verdienen loon.
Een dergelijke arbeidsplaats komt naar rato van de omvang van de
dienstbetrekking niet voor subsidieverlening
in aanmerking. Het bedrag van
de maatregel bestaat uit het hiermee
gemoeide financiële beslag.
Ad
o. Wordt de
doorstroombaan vervuld door een werknemer die
korter dan vijf jaar werkzaam is
geweest op een arbeidsplaats in de zin
van het besluit of korter dan drie jaar in het kader van het besluit en
twee jaar een dienstbetrekking heeft
vervuld in het kader van de Wet
inschakeling werkzoekenden daaraan voorafgaande dan wel dat voor een
doorstroombaan het bepaalde met betrekking
tot het maximaal te verdienen loon niet in acht is genomen, dan komt
deze arbeidsplaats naar rato van
de omvang van de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in
aanmerking. Het bedrag van de maatregel
bestaat uit het hiermee gemoeide
financiële beslag.
Ad
p. Heeft over het
realiseren van een doorstroombaan de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging geen positief advies
uitgebracht, dan komt de arbeidsplaats
naar rato van de omvang van de
dienstbetrekking niet voor subsidieverlening
in aanmerking. Het bedrag van
de maatregel bestaat uit het hiermee gemoeide financiële beslag.
Ad
q. Beschikt de
gemeente niet over afschriften van de
verklaringen van de uitgestroomde werknemers ten
aanzien van wie de gemeente aan de belastingdienst een verklaring heeft afgegeven dat zij voldoen
aan de gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de
toetrederskorting door deze werknemers, dan
komt de gemeente niet in aanmerking
voor het gemeentelijk deel van de
uitstroompremie. Het bedrag van de maatregel bestaat uit het hiermee
gemoeide financiële beslag (artikel 14, tweede lid, Besluit ID-banen jo.
artikel 4, eerste lid, Ruf
ID-banen).
Ad
r. In
artikel
19a is het
overgangsrecht geregeld met betrekking tot
de tot 1 januari 2002 bestaande
uitstroompremie. Deze overgangsregeling houdt in dat voor werknemers
die vóór de inwerkingtreding
van het Belastingplan 2002 I -
Arbeidsmarkt en inkomensbeleid op 1
januari 2002 zijn uitgestroomd uit een
gesubsidieerde dienstbetrekking als bedoeld
in het Besluit ID-banen, de tot nu
toe geldende premieregeling op grond van dat besluit van toepassing
blijft. Derhalve mag de gemeente de
uitstroompremie ten behoeve van een werknemer slechts aanwenden indien de dienstbetrekking van de
werknemer ingevolge het Besluit
ID-banen ten minste twee jaar heeft geduurd. Wordt daaraan niet voldaan,
dan komt de gemeente niet in
aanmerking voor de uitstroompremie.
Ad
s. In
artikel
19b is het
overgangsrecht geregeld voor subsidies die
door de ID-werkgever worden
ontvangen op grond van de tot 1
januari 2002 bestaande artikelen 16, 17
of 18, met uitzondering van artikel
18,
derde lid, onderdeel a, van de Wet (re)integratie arbeidsongeschikten (Wet
Rea), artikel 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) of
artikel 81a van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, die vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 V
- Socialezekerheidswetgeving zijn aangevraagd voor dienstbetrekkingen die
vóór genoemd tijdstip zijn
aangegaan. Het betreft hier subsidies
in de vorm van een herplaatsings- of
plaatsingsbudget of pakket op maat met
uitzondering van de loonkostensubsidie in laatstgenoemd pakket op
grond van de Wet Rea. De
overgangsregeling sluit aan bij het voor
genoemde artikelen vastgestelde overgangsrecht, bedoeld in meergenoemd belastingplan. Die
regelingen houden in dat voor werkgevers die
vóór de inwerkingtreding van dat belastingplan een arbeidsgehandicapte
in dienst hebben genomen en
een plaatsings- of herplaatsingsbudget dan wel pakket op maat, met
uitzondering van een loonkostensubsidie, hebben aangevraagd, die aanvraag
wordt afgehandeld door de betreffende uitvoeringsinstelling.
De in artikel 19b
van het
onderhavige besluit opgenomen regeling
komt erop neer dat een ontvangen
subsidie op grond van de meergenoemde
bepalingen van de Wet Rea, de Wiw of de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ook na de inwerkingtreding van
het Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving geen invloed heeft op de vergoeding van de kosten
voor een ID-baan. Dit betekent dat
dit aspect bij de vaststelling van de
subsidie moet worden betrokken.
Blijkt een werkgever nog een subsidie
in de loonkosten te hebben
ontvangen in strijd met hetgeen is
bepaald in artikel 6, tweede lid, onderdeel c,
van het Besluit ID-banen, zoals dit
luidde op 31 december 2001, dan komt
zo’n arbeidsplaats naar rato van
de dienstbetrekking niet voor subsidieverlening in aanmerking.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|