|
REGELING
van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, M. Rutte,
van 22 april 2003, Directie Arbeidsmarktbeleid Bijzondere Groepen, nr.
ABG/GA/2003/32256, houdende regels inzake de verstrekking van een
eenmalige subsidie, in aanvulling op de op grond van de Tijdelijke
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen verstrekte subsidie
aan werkgevers in de sectoren zorg, welzijn, jeugdhulpverlening, cultuur
en kinderopvang (Tijdelijke aanvullende stimuleringsregeling regulier
maken 10 000 ID-banen)
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, M. Rutte;
Handelende in
overeenstemming met de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, de
Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, C.H.J. Van
Leeuwen, en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, K.L. Phoa;
Gelet op de artikelen 3,
eerste lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Definities
-1. In deze regeling wordt
verstaan onder de
Stimuleringsregeling: de
Tijdelijke
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen.
-2. Artikel 1 van de Stimuleringsregeling is
van overeenkomstige toepassing.
Art. 2.
Aanvullende
subsidie aan werkgever
-1. De minister verstrekt
een subsidie aan een werkgever, indien:
a. aan die werkgever een
subsidie wordt verstrekt op grond
van de Stimuleringsregeling;
b. die werkgever of de
ID-dienstbetrekking bij die werkgever
blijkens de in de door hem ingediende
aanvraag, bedoeld in artikel 4,
opgegeven sector gerekend wordt tot één
van de sectoren, genoemd in artikel 3,
eerste en tweede lid; en
c. de opgave van die
sector niet kennelijk onjuist is.
-2. De subsidie wordt
verleend onder de voorwaarde dat de in
het eerste lid bedoelde sector dezelfde
is als de door burgemeester en wethouders in de verklaring, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel b,
van de Stimuleringsregeling, op
te geven sector.
-3. Indien niet is voldaan
aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, of de voorwaarde, bedoeld in het tweede
lid, wordt de werkgever in de
gelegenheid gesteld aan te tonen tot welke
sector de werkgever of de
ID-dienstbetrekking gerekend moet worden.
Indien de werkgever dit niet binnen
drie weken na ontvangst van een
schriftelijk verzoek daartoe aantoont, wordt
geen subsidie verstrekt.
Art. 3.
Subsidieplafond
-1. Subsidies als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, worden
verstrekt voor ten hoogste:
a. 2554 aanvragen uit de
sector zorg;
b. 907 aanvragen uit de
sector welzijn;
c. 32 aanvragen uit de
sector jeugdhulpverlening.
-2. Voor de verstrekking
van de subsidies, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, voor aanvragen uit de volgende sectoren is beschikbaar:
a. cultuur: €|3
375 000,00, waarvan €|500 000,00 in het
jaar 2004;
b. kinderopvang: €|1
800 000,00.
-3. De ingevolge het
eerste en tweede lid beschikbare subsidies
worden verdeeld in volgorde van ontvangst
van de volledige aanvragen,
bedoeld in artikel 4.
Art. 4.
Subsidieaanvraag
De door de werkgever
ingediende aanvraag voor subsidie op
grond van de Stimuleringsregeling
wordt aangemerkt als een aanvraag voor een
subsidie als bedoeld in artikel 2,
eerste lid.
Art. 5.
Hoogte
subsidie, tijdvak en betaling
-1. De subsidie, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, bedraagt in
geval van een reguliere dienstbetrekking met een arbeidsduur van 32 uren
of meer per week:
a. voor de sector zorg €|3500,00;
b. voor de sector welzijn €|4000,00;
c. voor de sector
jeugdhulpverlening €|3500,00;
d. voor de sector cultuur €|9000,00;
e. voor de sector
kinderopvang €|2500,00.
-2. De subsidie, bedoeld
in het eerste lid, wordt naar rato van
32 uren verminderd wanneer de arbeidsduur
van de reguliere
dienstbetrekking minder dan 32 uren per week
bedraagt.
-3. De subsidie wordt
verleend voor een tijdvak dat eindigt
op de datum waarop het tijdvak
eindigt waarvoor de subsidie op grond van
de Stimuleringsregeling wordt verleend.
-4. De subsidies worden bij
wijze van voorschot betaalbaar
gesteld op het tijdstip, bedoeld in artikel 7,
vierde lid, van de Stimuleringsregeling.
Art. 6.
Stimuleringsregeling van overeenkomstige
toepassing
De artikelen 2, 5,
6 en 8
tot en met 14 van de Stimuleringsregeling
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 7.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt
in werking met ingang van de tweede
dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt
geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli
2006.
-2. De regeling blijft van
toepassing op de financiële
afwikkeling van de op basis van deze regeling verstrekte subsidies.
Art. 8.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke aanvullende
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 april
2003.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
TOELICHTING
[22 april 2003]
Algemeen
In het Convenant
Gesubsidieerde Arbeid 2003 van 20
december 2002 (op dezelfde datum toegezonden aan de Tweede Kamer) hebben
de sociale partners, de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.] en het ministerie
van SZW met elkaar
afgesproken dat er een tijdelijke
subsidieregeling in het leven wordt geroepen om werkgevers te stimuleren in het jaar
2003 10 000 ID-banen om te zetten in
reguliere banen. De regeling is
onder de naam
Tijdelijke
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen
gepubliceerd in de Staatscourant van
21 februari 2003 (nr. 37). De
regeling voorziet in een eenmalige subsidie
voor werkgevers die een ID-baan vóór 31
december 2003 omzetten in een reguliere dienstbetrekking. Het ministerie van
SZW verleent aan
werkgevers een subsidie van maximaal €|17
000,- indien de werkgever een
ID-baan omzet in een reguliere
baan met een reguliere
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zie
verder de vereisten zoals genoemd in de Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken
10 000 ID-banen, hierna
te noemen: de Stimuleringsregeling).
Door de verantwoordelijke bewindspersonen van VWS,
OCW en SZW zijn aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor
initiatieven om de uitstroom van
ID-werknemers naar regulier werk in de
sectoren waarvoor de ministeries
beleidsverantwoordelijkheid dragen te bevorderen. Deze middelen worden
deels ingezet in de vorm van
een aanvulling op het basisbedrag dat werkgevers die een ID-baan regulier gaan
financieren vanuit de
Stimuleringsregeling als subsidie ontvangen. De
Tijdelijke aanvullende
stimuleringsregeling regulier maken 10 000 ID-banen (Aanvullende
stimuleringsregeling) voorziet in de inzet van
dit deel van de aanvullend door de bewindspersonen beschikbaar gestelde
middelen voor de sectoren zorg,
welzijn, jeugdhulpverlening (VWS), cultuur (OCW) en
kinderopvang (SZW).
Aanvankelijk was het de
bedoeling per departement een
ministeriële regeling op te stellen op basis
waarvan de aanvullende subsidies
verstrekt zouden worden. Om praktische
redenen is besloten in plaats
daarvan één regeling tot stand te
brengen waarin de verschillende subsidiestromen gezamenlijk worden
geregeld. De Aanvullende
stimuleringsregeling is dan ook in overeenstemming met de verantwoordelijke
bewindspersonen van VWS, OCW en SZW tot
stand gekomen en hun
medeverantwoordelijkheid is tot uitdrukking
gebracht in de aanhef van de regeling.
De uitvoering van de
Aanvullende stimuleringsregeling
wordt, evenals de uitvoering van de Stimuleringsregeling,
overgelaten aan het Agentschap van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(Agentschap SZW). Voor de niet in deze
Aanvullende stimuleringsregeling genoemde sectoren zijn door de daarvoor
verantwoordelijke bewindspersonen in het kader van deze regeling
geen aanvullende middelen ter beschikking gesteld.
De aanvullende subsidies
voor de in de Aanvullende
stimuleringsregeling genoemde sectoren en de
voor uit deze sectoren afkomstige
aanvragen geldende subsidieplafonds
variëren in hoogte. Deze verschillen
berusten uitdrukkelijk niet op een beleidskeuze van de ondertekenaar van
deze regeling, maar vloeien voort uit
zelfstandige afwegingen van de voor
die sectoren verantwoordelijke bewindspersonen. Factoren
die hierbij onder meer een rol hebben
gespeeld, zijn de behoefte om op
een bepaald terrein de omzetting
extra te stimuleren, de wensen van de sociale
partners op dit punt alsmede
beleidsmatige prioriteiten die de
betrokken bewindspersoon binnen een
bepaalde sector heeft gesteld.
In de oorspronkelijke
opzet van een aanvullende subsidie
zouden, zoals gezegd, door de bewindslieden van VWS, OCW en SZW
(kinderopvang) afzonderlijke
ministeriële regelingen worden opgesteld. Dit is
ook zo in de toelichting op
de Stimuleringsregeling
vermeld. Bij die opzet treden genoemde
verschillen ook op. Alleen om
pragmatische redenen (snelheid van
uniforme totstandkoming, uitvoering door het Agentschap SZW en het
ontbreken van een andere wettelijke grondslag voor een regeling voor de
sectoren welzijn en
jeugdhulpverlening) is er uiteindelijk voor gekozen
de voorschriften in één ministeriële
regeling op te nemen.
Artikelsgewijs
Artikel 2
In dit artikel wordt
aangegeven wie in aanmerking komen voor
subsidie. Die werkgevers aan wie
een stimuleringssubsidie wordt verleend op grond van de Stimuleringsregeling
ontvangen automatisch een
subsidie op grond van deze
Aanvullende stimuleringsregeling wanneer de betrokken werkgever dan wel, indien
het een gemeentelijke
werkgever betreft, de om te zetten ID-dienstbetrekking gerekend wordt tot één
van de in artikel 3, eerste en
tweede lid, genoemde sectoren en het
in deze regeling aangegeven
plafond per sector nog niet is bereikt.
De vaststelling van de
sector geschiedt op grond van de
opgave van de werkgever in het aanvraagformulier voor de subsidie op grond
van de Stimuleringsregeling
en de verklaring van de gemeente die de
werkgever binnen zes weken na de
datum van de ontvangst van de
beschikking tot subsidieverlening heeft
in te dienen bij het Agentschap SZW.
Wanneer de verklaring van
de gemeente niet overeen
blijkt te stemmen met de door de werkgever
opgegeven sector of de opgave van
de sector kennelijk onjuist is,
rust op de werkgever de
verantwoordelijkheid daaromtrent duidelijkheid
te verschaffen. De grond voor de
aanvullende subsidie vervalt wanneer
de werkgever daarin niet slaagt. In
dat geval zal de verlening van de aanvullende subsidie op grond van deze
regeling in worden getrokken.
Artikel 3
Voor de verstrekking van
de aanvullende subsidies is een beperkt
bedrag beschikbaar. Voor de sectoren zorg, welzijn en
jeugdhulpverlening geldt een subsidieplafond in de
vorm van de in dit artikel gegeven
limitering van het aantal te
honoreren aanvragen per sector. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor maximaal 32
banen in de sector
jeugdhulpverlening een aanvullende subsidie kan worden
toegekend. Daarna is het plafond
bereikt en kunnen werkgevers uit
die sector alleen nog in aanmerking
komen voor een subsidie op
grond van de Stimuleringsregeling
(op voorwaarde dat het voor die regeling
geldende subsidieplafond nog niet
is bereikt). Voor de sectoren cultuur
en kinderopvang geldt een andere
systematiek: het subsidieplafond
bestaat uit het weergegeven beschikbare
budget voor aanvragen uit de
betreffende sectoren. Dit betekent bijvoorbeeld
dat in ieder geval 720 aanvragen van
werkgevers uit de sector
kinderopvang gehonoreerd kunnen worden. Dit aantal neemt toe wanneer er
aanvragen worden gedaan voor in reguliere
dienstbetrekkingen om te zetten ID-banen die een arbeidsduur per
week behelzen van minder dan 32 uren
per week. (De subsidie wordt
immers naar rato verleend, zie
artikel 5, tweede lid).
In het algemene deel van
de toelichting is aangegeven dat de
verschillen tussen de voor de verschillende sectoren geldende subsidieplafonds
voortvloeien uit zelfstandige
beleidsmatige afwegingen van de voor
die sectoren verantwoordelijke
bewindspersonen. De verdeling van de subsidies geschiedt, in navolging
van de Stimuleringsregeling, in
volgorde van ontvangst van de volledige aanvragen. Dit betekent dat, indien
een aanvrager een onvolledige aanvraag
heeft ingediend en die
aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de
Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld die aanvraag aan
te vullen, voor de verdeling van de
subsidies de datum van ontvangst van
de (toereikende) aanvulling van de
aanvraag bepalend is.
Artikel 4
De op basis van deze
regeling te verlenen subsidies worden
verstrekt in aanvulling op de aan werkgevers in de in de sectoren zorg,
welzijn, jeugdhulpverlening, cultuur en kinderopvang op grond van de Stimuleringsregeling
verstrekte subsidies. Daarbij worden geen
aanvullende eisen gesteld. Om de
administratieve lastendruk voor de
werkgevers zo laag mogelijk te houden,
is geregeld dat een aanvraag voor
subsidie op grond van de
Stimuleringsregeling automatisch wordt aangemerkt als een aanvraag voor
subsidie op grond van de Aanvullende
stimuleringsregeling.
Artikel 5
In
artikel 5 wordt per
sector aangegeven hoeveel subsidie
aanvullend wordt verleend en op welk
moment deze wordt uitbetaald. In
het algemene deel van de toelichting
is aangegeven dat de verschillen in
hoogte van de subsidies tussen de
verschillende sectoren voortvloeien uit zelfstandige beleidsmatige afwegingen
van de voor die sectoren
verantwoordelijke bewindspersonen.
Bij de bepaling van de
hoogte van de aanvullende subsidie is
voor alle sectoren aangehaakt bij de
systematiek van de Stimuleringsregeling. In die
regeling is bepaald dat
het volledige subsidiebedrag wordt
betaald voor reguliere
dienstbetrekkingen met een arbeidsduur van 32 uren of meer per week. Wanneer het een
dienstbetrekking betreft van minder dan 32
uren per week, ontvangt de
werkgever een subsidiebedrag naar rato,
waarbij 32 uur als basis geldt.
Artikel 6
Door de in dit artikel
genoemde artikelen van de Stimuleringsregeling
van overeenkomstige toepassing te verklaren, wordt bewerkstelligd dat
onderhavige regeling naadloos
aansluit bij de Stimuleringsregeling.
In deze regeling worden dan ook geen extra
verplichtingen verbonden aan de
subsidieverlening. Zo hoeven voor bijvoorbeeld de
verantwoording over de aanvullende subsidie
geen extra stukken te worden
ingediend: als aan de eisen die de
Stimuleringsregeling ter zake stelt, is
voldaan, is daarmee ook aan de voorwaarden
voor de verantwoording op grond van de
onderhavige regeling voldaan.
Ook het toezicht vindt op
dezelfde wijze plaats als geregeld
in de Stimuleringsregeling. Het toezicht wordt overeenkomstig
artikel 13 van de Stimuleringsregeling
uitgeoefend door het Agentschap SZW
en de Accountantsdienst van het ministerie van SZW.
Artikel 7
Deze regeling treedt
later in werking dan de Stimuleringsregeling. Dit betekent
echter niet dat in die
gevallen waarin een
stimuleringssubsidie is verleend vóór de
inwerkingtreding van de Aanvullende
stimuleringsregeling geen aanvullende subsidie
wordt toegekend. Uit de
artikelen 2 en 4 vloeit voort dat ook aan
de werkgevers die reeds een beschikking
tot subsidieverlening hebben
ontvangen vóór de
inwerkingtreding van deze regeling alsnog een
aanvullende subsidie zal worden toegekend als
aan de voorwaarden van deze
regeling wordt voldaan.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
|
|