MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
- Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz
- Besluit maatschappelijke ondersteuning
- Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici
- Besluit SUWI
- Besluit taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Regeling financiering en verantwoording Ioaw, Ioaz en Bbz 2004
- Regeling Wwb, Ioaw en Ioaz
- Regeling statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz 2013
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling terugvordering geringe bedragen
- Regeling vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds
- Regeling vaststelling grondslagen Ioaw
- Regeling vervallen tweede maximeringsbepaling Toeslagenwet
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- SZW-intrekkingsregeling 2004

Vervallen nadere regelgeving:
- Beleidsregels financieel maatregelenbeleid Abw, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Beleidsregels financieel maatregelenbeleid Ioaw, Ioaz, Bbz 2004 en Wwik (vervallen)
- Beleidsregels verbetertraject en zelfstandig beroep (vervallen)
- Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten (vervallen)
- Besluit Inlichtingenbureau gemeenten (vervallen)
- Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Besluit uitkeringen gemeenten Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (vervallen)
- Besluit weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Inkomensbesluit Ioaw (vervallen)
- Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Ioaw, Ioaz en Bbz 2004 (vervallen voor de Ioaw)
- Regeling forfaitaire percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling frauderegistratie Abw, Ioaw, Ioaz en Wik (vervallen)
- Regeling statistiek Wwb, Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en Wik (vervallen)
- Regeling statistische gegevens Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Regeling vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen (vervallen)
- Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz (vervallen)
- Samenwerkingsbesluit SWI (vervallen)
- Samenwerkingsregeling SWI (vervallen)
- Tijdelijk besluit samenwerking CWI (vervallen)
- Uitvoeringsregeling inkoop arbeidsvoorziening door gemeenten (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Regeling SUWI
- Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
- Wet werk en bijstand

 

 

Inhoudsopgave Ioaw

Hoofdstuk I Algemene bepalingen artt. 1 - 4
Hoofdstuk II De uitkering artt. 5 - 33
§ 1x De voorwaarden voor het recht op uitkering artt. 5 - 8
§ 2x De hoogte van de uitkering artt. 9 - 10
§ 3x Het geldend maken van het recht op uitkering artt. 11 - 20a
§ 3ax Bestuurlijke boeten (vervallen) artt. 20a - 20f
§ 4x De betaling van de uitkering artt. 21 - 24
§ 5x Terugvordering artt. 25 - 33
Hoofdstuk III Rechten en plichten artt. 34 - 39
Hoofdstuk IV Uitvoering, gegevensverstrekking en informatievoorziening artt. 40 - 55
§ 1x Verantwoordelijkheid voor de uitvoering artt. 40 - 43
§ 2x Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling artt. 44 - 51
§ 3x Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders artt. 52 - 53a
§ 4x Informatie artt. 54 - 55
Hoofdstuk V Financiering artt. 56 - 59e
§ 1x Vergoeding (vervallen) artt. 56 - 57
§ 2x Uitkering (vervallen) artt. 58 - 59b
§ 3x Vaststelling (vervallen) artt. 59c - 59d
§ 4x Voorzieningen art. 59e
Hoofdstuk VI Rechtsbescherming artt. 60 - 60b
Hoofdstuk VII Strafbepalingen en overgangsbepalingen artt. 61 - 63i
Hoofdstuk VIII Slotbepalingen artt. 64 - 66
xxxxxxxxxxxxx   xxxxxxxxxxxxr

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1985-1986, 19 260.
Handelingen II 1985-1986, blz. 4304-4367, 4369-4397, 4402-4455, 4458, 4463-4489, 4515-4542, 4558-4604, 4607-4630, 4633-4644, 4699-4751, 4836-4860, UCV 62(1-75), UCV 65(1-55), 4954-4958, 5017-5023.
Kamerstukken I 1985-1986, 19 260 (198, 198a, 198b); 1986-1987, 19 260 (24, 24a, 24b, 45, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1986-1987, zie vergadering d.d. 4 november 1986.

Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 200Staatsblad 1995, 205Staatsblad 1995, 355Staatsblad 1995, 676Staatscourant 1995, 248Staatsblad 1995, 690Staatsblad, 1995, 691Staatsblad 1995, 696Staatsblad 1996, 134Staatscourant 1996, 42Staatsblad 1996, 248Staatscourant 1996, 121Staatsblad 1996, 619Staatscourant 1996, 247Staatsblad 1997, 96Staatsblad 1997, 162Staatsblad 1997, 178Staatsblad 1997, 197Staatsblad 1997, 193Staatscourant 1997, 119Staatsblad 1997, 465Staatsblad 1997, 510Staatsblad 1997, 760Staatscourant 1997, 244Staatsblad 1997, 660Staatsblad 1997, 768Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794Staatscourant 1998, 60Staatsblad 1998, 203Staatsblad 1998, 278Staatsblad 1998, 290Staatsblad 1998, 412Staatscourant 1998, 126Staatscourant 1998, 242Staatsblad 1998, 742Staatsblad 1999, 30Staatsblad 1999, 185Staatscourant 1999, 122Staatscourant 1999, 243Staatsblad 1999, 564Staatsblad 1999, 595Staatsblad 2000, 40Staatscourant 2000, 123Staatsblad 2000, 286Staatsblad 2000, 383Staatsblad 2000, 496Staatsblad 2001, 23Staatsblad 2001, 67Staatscourant 2000, 244Staatsblad 2000, 571Staatsblad 2000, 628Staatsblad 2001, 109Staatsblad 2001, 225Staatscourant 2001, 122Staatsblad 2001, 426Staatsblad 2001, 481Staatsblad 2001, 568Staatsblad 2001, 625Staatscourant 2001, 243Staatsblad 2001, 692Staatscourant 2002, 125Staatscourant 2002, 241Staatsblad 2003, 56Staatscourant 2003, 56Staatsblad 2003, 298Staatscourant 2003, 119; Staatsblad 2003, 376Staatscourant 2003, 246Staatsblad 2003, 544Staatsblad 2003, 546Staatscourant 2004, 62Staatsblad 2004, 306Staatsblad 2004, 300Staatscourant 2004, 123Staatsblad 2004, 363Staatscourant 2004, 249Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2005, 192Staatscourant 2005, 87Staatsblad 2005, 345Staatsblad 2005, 525Staatsblad 2005, 530Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 625Staatscourant 2005, 249Staatsblad 2005, 691Staatsblad 2005, 708Staatsblad 2006, 167Staatscourant 2006, 125Staatsblad 2006, 303Staatsblad 2006, 415Staatsblad 2006, 625Staatsblad 2006, 644Staatsblad 2006, 703Staatsblad 2006, 712Staatscourant 2006, 250Staatsblad 2007, 153Staatscourant 2007, 120Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555Staatscourant 2007, 249Staatsblad 2007, 564Staatsblad 2008, 197Staatscourant 2008, 117Staatsblad 2008, 284Staatsblad 2008, 312Staatsblad 2008, 510Staatscourant 2008, 253Staatsblad 2008, 590Staatsblad 2008, 595Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2009, 108Staatscourant 2009, 117Staatsblad 2009, 265Staatsblad 2009, 390Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318Staatsblad 2009, 492Staatsblad 2009, 580Staatsblad 2009, 592Staatsblad 2009, 596Staatscourant 2009, 19781Staatsblad 2010, 350Staatscourant 2010, 9818Staatsblad 2010, 840Staatsblad 2010, 838Staatscourant 2010, 21363Staatsblad 2010, 867Staatsblad 2011, 288Staatscourant 2011, 10795Staatsblad 2011, 442Staatsblad 2011, 618Staatsblad 2012, 2Staatscourant 2011, 24075Staatscourant 2011, 23515Staatsblad 2011, 645Staatsblad 2011, 650Staatscourant 2012, 13143Staatsblad 2012, 361Staatsblad 2012, 657Staatsblad 2012, 462Staatsblad 2012, 463Staatscourant 2012, 26026Staatscourant 2013, 16285Staatsblad 2013, 226Staatsblad 2013, 236Staatsblad 2013, 316Staatsblad 2013, 405Staatsblad 2013, 507Staatscourant 2013, 34787Staatsblad 2013, 578Staatscourant 2014, 17205Staatsblad 2014, 216 Staatsblad 2014, 227Staatsblad 2014, 269Staatsblad 2014, 270.

 

 

WET van 6 november 1986, Stb. 1986, 565, houdende het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1995, 205. Inwerkingtreding: 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening te treffen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1997, 510Stb. 1998, 742Stb. 2000, 571Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2005, 192Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2010, 838Stb. 2014, 269Stb. 2014, 270]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 11;
c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
f. nettominimumloon: het nettominimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet werk en bijstand;
g. nettominimumjeugdloon: het nettominimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet werk en bijstand, waarbij onder het minimumloon per maand wordt verstaan het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met dien verstande dat voor de berekening, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, rekening wordt gehouden met uitsluitend de algemene heffingskorting;
h. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

 

Art. 2. [Begrip werkloze werknemer]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 1997, 178 + bisStb. 1997, 768Stb. 1998, 742Stb. 2003, 546Stb. 2005, 573Stb. 2006, 303Stb. 2006, 703Stb. 2007, 551Stb. 2010, 838Stb. 2012, 361Stb. 2014, 216]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder werkloze werknemer de persoon die werkloos is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en:
a. die:
1º. na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden;
2º. in verband met die werkloosheid recht heeft gekregen op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidwet met een duur van meer dan drie maanden; en
3º. nadien de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76 van die wet, heeft bereikt, tenzij op dat tijdstip een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is; of
b.
1º. die na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar recht heeft gekregen op een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten ¹ als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; en
2º. wiens recht op werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten nadien is geëindigd omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid niet langer ten minste 35% bedraagt.

1. Volgens de redactie dient "arbeidsongeschikten" te worden vervangen door: arbeidsgeschikten.

 

Art. 3. [Geregistreerd partnerschap; gezamenlijke huidhouding]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1997, 660 + bisStb. 2003, 544Stb. 2009, 596]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de werkloze werknemer met wie hij gehuwd is;
b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de werkloze werknemer gehuwde persoon met wie de werkloze werknemer een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het derde lid.
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 3a. [Uitbreiding begrip gegevens]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2013, 405]
In hoofdstuk IV van deze wet ¹ en de daarop berustende bepalingen wordt onder gegevens mede verstaan persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens.

1. Volgens de redactie dient "van deze wet" te vervallen.

 

Art. 4. [Begrippen thuisinwonende werkloze werknemer, alleenstaande werkloze werknemer en kind]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1997, 660Stb. 1999, 30Stb. 2003, 544Stb. 2009, 596Stb. 2010, 838Stb. 2014, 269]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. thuisinwonende werkloze werknemer: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende werkloze werknemer van 18 tot en met 20 jaar die behoort tot het huishouden van zijn ouder(s) of pleegouder(s) en die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid;
b. alleenstaande werkloze werknemer: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende werkloze werknemer die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte en die niet is een thuisinwonende werkloze werknemer;
c. kind: het kind jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de werkloze werknemer behoort en voor wie aan de werkloze werknemer op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.
-2. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de gewezen zelfstandige.

 

Art. 4a. [Begrippen arbeidsinschakeling, sociale activering en startkwalificatie]  [GeschiedenisStb. 2003, 376Stb. 2007, 564Stb. 2008, 590 + bisStb. 2008, 595Stb. 2011, 650Stb. 2014, 270]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
b. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie;
c. startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
-2. Voor de toepassing van deze wet wordt niet als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening. Voor de toepassing van de artikelen 34 tot en met 36 wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van die wet.

 

Art. 4b. Nog niet in werking getreden. [Medisch urenbeperkt]  [GeschiedenisStb. 2014, 270]

 

 

HOOFDSTUK  II

De uitkering

 

§ 1.  De voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 5. [Kring rechthebbenden; nettogrondslagen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bis + bisversie 12 april 1995Stcrt. 1995, 248Stcrt. 1996, 42Stcrt. 1996, 121Stcrt. 1996, 247Stcrt. 1997, 119Stcrt. 1997, 244Stcrt. 1998, 60Stcrt. 1998, 126Stcrt. 1998, 242Stcrt. 1999, 122Stcrt. 1999, 243Stcrt. 2000, 123Stcrt. 2000, 244Stcrt. 2001, 122Stcrt. 2001, 243Stcrt. 2002, 125Stcrt. 2002, 241Stcrt. 2003, 56Stcrt. 2003, 119Stcrt 2003, 246Stcrt. 2004, 62Stcrt. 2004, 123Stcrt. 2004, 249Stb. 2005, 192Stcrt. 2005, 87Stcrt. 2005, 249Stcrt. 2006, 125Stcrt. 2006, 250Stcrt. 2007, 120Stcrt. 2007, 249Stcrt. 2008, 117Stcrt. 2008, 253Stcrt. 2009, 117Stb. 2009, 390Stcrt. 2009, 19781Stcrt. 2010, 9818Stb. 2010, 838Stcrt. 2010, 21363Stcrt. 2011, 10795Stb. 2011, 618Stcrt. 2011, 24075Stcrt. 2012, 13143Stcrt. 2012, 26026Stcrt. 2013, 16285Stb. 2013, 236Stcrt. 2013, 34787Stcrt. 2014, 17205Stb. 2014, 216Stb. 2014, 227Stb. 2014, 269]      [JurisprudentieLJN AB1806]
-1. Recht op uitkering hebben, indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de overeenkomstig het derde tot en met zesde lid en het negende lid vastgestelde grondslag:
a. de werkloze werknemer en de echtgenoot met of zonder kinderen;
b. de alleenstaande werkloze werknemer en de thuisinwonende werkloze werknemer met één of meer kinderen;
c. de alleenstaande werkloze werknemer en de thuisinwonende werkloze werknemer zonder kinderen.
-2. Het recht op uitkering komt de werkloze werknemer en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de werkloze werknemer en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan één van hen voor het geheel.
-3. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat:
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot die beiden 21 jaar of ouder zijn, de helft van de grondslag netto gelijk is aan €|679,75;
b. deze voor de werkloze werknemer en de echtgenoot, waarvan één of elk van beiden jonger dan 21 jaar is, de som bedraagt van de grondslagen die voor elk van hen als een alleenstaande werknemer of een thuisinwonende werkloze werknemer zou gelden doch ten hoogste de grondslag als bedoeld in onderdeel a.
-4. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat deze:
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar of ouder met één of meer kinderen netto gelijk is aan €|1223,54;
b. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 23 jaar of ouder zonder kinderen netto gelijk is aan €|951,64;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 22 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan €|787,75;
d. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 21 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan €|691,42.
-5. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat deze:
a. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met één of meer kinderen netto gelijk is aan €|1179,11;
b. voor de thuisinwonende werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar met één of meer kinderen netto gelijk is aan €|883,96;
c. voor de alleenstaande werkloze werknemer van 18, 19 of 20 jaar zonder kinderen netto gelijk is aan €|655,06;
d. voor de thuisinwonende werkloze werknemer zonder kinderen netto gelijk is aan €|359,91.
-6. Indien dat lager is dan de grondslag vastgesteld op grond van het derde tot en met vijfde lid, bedraagt de grondslag, bedoeld in het eerste lid:
10/7 x A + B
waarbij:
A staat voor de uitkeringen ontvangen door de werkloze werknemer op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in de kalendermaand voorafgaande aan de dag waarop de geldende uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet of de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is verstreken;
B staat voor het loon uit dienstbetrekking dat de werkloze werknemer in die kalendermaand verdiende, waarbij A wordt herzien op de wijze als bedoeld in artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-7. Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan inkomen dat op grond van artikel 34 van de Werkloosheidswet geheel in mindering is gebracht op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
-8. Voor de toepassing van het zesde lid worden de uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet en de Ziektewet vermenigvuldigd met 21,75 en vervolgens gedeeld door het aantal werkdagen in die betreffende kalendermaand.
-9. Het zesde lid is niet van toepassing voor zover de uitkomst van de berekening op grond van dat lid minder bedroeg dan de van toepassing zijnde grondslag op grond van het derde tot en met vijfde lid als gevolg van een gedeeltelijke eindiging van een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet door het verrichten van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse verkiezing wordt samengesteld of van een algemeen bestuur van een waterschap.
-10. De in het derde lid, onderdeel a, vierde lid, onderdeel a en b, en vijfde lid, genoemde bedragen worden herzien met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wordt herzien met het percentage van deze herziening. [RvgI]
-11. De in het vierde lid, onderdeel c en d, genoemde bedragen worden herzien met ingang van de dag waarop het nettominimumjeugdloon wordt herzien met het percentage van deze herziening. [RvgI]
-12. Voor zover het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedeeltelijk is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van die wet, wordt bij de toepassing van het zesde lid voor de vaststelling van factor A uitgegaan van het bedrag aan loondervingsuitkering dat zou zijn genoten indien die werkzaamheden niet zouden zijn verricht.
-13. Het twaalfde lid is van overeenkomstige toepassing indien de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, is verlaagd als gevolg van het verrichten van werkzaamheden uit hoofde waarvan de werkloze werknemer geen werknemer is als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van die wet.
-14. Van de herziene bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

 

Art. 6. [Uitsluitingsgronden]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1997, 789Stb. 1998, 203Stb. 1998, 412Stb. 1999, 595Stb. 2000, 496 + bisStb. 2003, 376Stb. 2004, 306Stb. 2004, 363Stb. 2010, 838Stb. 2013, 236]
-1. Geen recht op uitkering heeft de werkloze werknemer die:
a. buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt;
b. niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
c. die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
d. zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
e. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die met die persoon gehuwd is, ter hoogte van het bedrag van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg van het genieten van dat verlof, tenzij belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;
f. die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
-2. Geen recht op uitkering heeft de echtgenoot indien ten aanzien van deze, dan wel ten aanzien van de werkloze werknemer, zich een omstandigheid voordoet als omschreven in het eerste lid. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een omstandigheid voordoet als omschreven in het eerste lid, wordt de werkloze werknemer aangemerkt als alleenstaande.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, recht op uitkering hebben, onverminderd de overige vereisten voor dat recht: [BgvWII]
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. [Bevsz] [Rjj]

 

Art. 7. [Herleving recht op uitkering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995]
Indien het recht op uitkering als gevolg van werkaanvaarding van de werkloze werknemer of de echtgenoot is geëindigd en vervolgens opnieuw werkloosheid ontstaat, herleeft het recht op uitkering.

 

Art. 8. [Begrip inkomen; inkomstenvrijlating]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2010, 867Stcrt. 2011, 10795Stcrt. 2011, 24075Stcrt. 2011, 23515Stb. 2011, 650Stcrt. 2012, 13143Stcrt. 2012, 26026Stcrt. 2013, 16285Stcrt. 2013, 34787Stcrt. 2014, 17205Stb. 2014, 269Stb. 2014, 270 + bis]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan:
a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en zijn echtgenoot;
b. voor de alleenstaande en de thuiswonende werkloze werknemer: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid gedurende zes aangesloten ¹ maanden tot 25% van dit inkomen, met een maximum van €|306,56 per maand, voor zover een uitkering wordt ontvangen en dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]
-4. Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het tweede lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.
-5. In afwijking van het eerste lid wordt niet als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5% van dit inkomen, met een maximum van €|202,57 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij een uitkering ontvangt, ingeval:
a. hij de volledige zorg heeft voor zijn kind tot 12 jaar;
b. de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in het tweede lid, is verstreken; en
c. dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
-6. Onze Minister herziet het bedrag, genoemd in het vijfde lid, met ingang van een door hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel r, van de Wet werk en bijstand genoemde bedrag daartoe aanleiding geeft.

 

 

§ 2.  De hoogte van de uitkering

 

Art. 9. [Uitkeringshoogte]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2006, 167Stb. 2006, 303Stb. 2006, 703Stb. 2009, 390]
-1. De uitkering bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen.
-2. In de in het eerste lid bedoelde uitkering is begrepen een vakantie-uitkering ter hoogte van 8/108 van die uitkering.
-3. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid genoemde verhouding dienovereenkomstig aangepast.

 

Art. 10. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1996, 134Stb. 1997, 794Stb. 2005, 708Stb. 2011, 288Stb. 2012, 657]

 

 

§ 3.  Het geldend maken van het recht op uitkering

 

Art. 11. [Woonplaats en bevoegde gemeente]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1997, 789Stb. 2007, 551]
Het recht op uitkering bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Art. 11a. [Indiening en behandeling aanvraag]  [GeschiedenisStb. 2001, 625Stb. 2005, 530Stb. 2007, 551Stb. 2007, 555Stb. 2008, 600Stb. 2009, 592]
Een aanvraag is gericht tot burgemeester en wethouders en wordt overeenkomstig artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de overdracht van de aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan burgemeester en wethouders ingevolge artikel 30c, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld door burgemeester en wethouders.

 

Art. 12. [Domiciliegeschil]  [GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2007, 551]
-1. Indien doorzending van de aanvraag naar het college van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en deze van oordeel is dat het evenmin de aanvraag dient te behandelen, terwijl er geen zekerheid kan worden verkregen over de in artikel 11 bedoelde woonplaats, draagt het college dat de doorgezonden aanvraag heeft ontvangen er zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat het recht op uitkering jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.
-3. Het eerste lid van artikel 16 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de daar genoemde termijn begint te lopen vanaf de mededeling van die doorzending of beslissing.
-4. Uitkeringskosten verleend ingevolge het tweede lid worden vergoed door de gemeente waarvan de taak is waargenomen.

 

Art. 13. [Inlichtingenverplichting]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 1997, 193Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2004, 300Stb. 2007, 551Stb. 2007, 555]
-1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2. De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-3. Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht.
-4. Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

 

Art. 14. [Verstrekking en onderzoek gegevens]  [GeschiedenisVvW;;  MvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2007, 555Stb. 2007, 564Stb. 2008, 600Stb. 2009, 318Stb. 2009, 592Stb. 2012, 463Stb. 2013, 316Stb. 2014, 227Stb. 2014, 269]
-1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing. [BS]
-2. In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:
a. hij een werkloze werknemer is als bedoeld in artikel 5, vierde lid of vijfde lid, onderdeel a of b;
b. de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen, kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.
-3. Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een werkloze werknemer is als bedoeld in artikel 5, vierde lid of vijfde lid, onderdeel a of b:
a. kent het college de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar de helft van de grondslag, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a;
b. wordt de belanghebbende voor de toepassing van de artikelen 37a, tweede lid, en 38 niet als alleenstaande ouder aangemerkt.
-4. Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze, bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de uitkering op, niet dan nadat het college aan de belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan de belanghebbende gelegenheid is geboden.
-5. Het college doet schriftelijke mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid om aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenstemt met het verstrekte adres. Artikel 17a, vierde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
-6. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.
-7. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

 

Art. 15. [Schriftelijke aanvraag]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2007, 551]
-1. Het college stelt het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast.
-2. De uitkering wordt door de werkloze werknemer en de echtgenoot gezamenlijk aangevraagd, dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.

 

Art. 16. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1997, 510Stb. 2001, 625Stb. 2001, 692 + bisStb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 592]

 

Art. 16a. [Aanvang uitkering]  [GeschiedenisStb. 2001, 625Stb. 2001, 692 + bisStb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 592]
-1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om uitkering aan te vragen.
-2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

 

Art. 17. [Opschorting, herziening en intrekking recht op uitkering]  [GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 2001, 625Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 592]      [JurisprudentieLJN AB3076]
-1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, kan het college het recht op uitkering opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.
-3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van uitkering, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 20, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als de belanghebbende in het geval, bedoeld in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort.

 

Art. 17a. [Opschorting recht op uitkering bij afwijking adres]  [GeschiedenisStb. 2001, 67Stb. 2007, 551Stb. 2012, 463Stb. 2013, 316]
-1. Indien bij de beoordeling van het recht op uitkering blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen staat ingeschreven, schort het college de betaling van de uitkering op.
-2. Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de uitkering;
b. indien de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
-3. Het college doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en geeft daarbij de gelegenheid tot adreswijziging in de basisregistratie personen binnen een door het college te stellen termijn.
-4. De opschorting wordt beëindigd zodra het aan het college gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het derde lid gestelde termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de uitkering, of trekt het deze in, met ingang van de eerste dag waarop de betaling van de uitkering is opgeschort.

 

Art. 18. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376]

 

Art. 19. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2001, 625Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]

 

Art. 19a. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 19b. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 19c. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 19d. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 19e. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 19f. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 19g. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 19h. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 20. [Maatregelen bij verwijtbare werkloosheid en niet-nakoming verplichtingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 1997, 193 + bisStb. 1997, 760Stb. 1998, 742 + bisStb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2006, 703Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 265Stb. 2009, 592Stb. 2010, 838Stb. 2010, 867Stb. 2012, 462Stb. 2014, 270]      [JurisprudentieLJN AB3076]
-1. Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
-2. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen.
-3. Van een weigering als bedoeld in het eerste lid en een verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-4. Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het eerste lid.

 

Art. 20a. [Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting | Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in peius]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 193Stb. 1998, 742Stb. 2001, 481Stb. 2001, 625Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 265Stb. 2009, 592Stb. 2012, 462]
-1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-4. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. Het college legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-7. Het college kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-10. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-11. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.

 

 

§ 3A.  Bestuurlijke boeten

Vervallen

 

Art. 20a. Vervallen; zie artikel 20a hierboven[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 193Stb. 1998, 742Stb. 2001, 481Stb. 2001, 625Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 265Stb. 2009, 592Stb. 2012, 462]

 

Art. 20b. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265]

 

Art. 20c. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265]

 

Art. 20d. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265]

 

Art. 20e. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265]

 

Art. 20f. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 690Stb. 1996, 248Stb. 1997, 96Stb. 1997, 794Stb. 1998, 742 + bisStb. 2001, 568Stb. 2001, 625Stb. 2004, 717Stb. 2005, 530Stb. 2005, 573Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265Stb. 2009, 390Stb. 2009, 318Stb. 2009, 580Stb. 2009, 592]

 

 

§ 4.  De betaling van de uitkering

 

Art. 21. [Betaalbaarstelling uitkering en vakantietoeslag]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2007, 551Stb. 2010, 840]
-1. Het college betaalt de uitkering in het algemeen per maand.
-2. Het college is bevoegd de uitkering over een kortere periode te betalen indien voorheen over die kortere periode loon of uitkering werd ontvangen.
-3. In afwijking van het eerste lid wordt de vakantie-uitkering, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande maanden, dan wel in de maand waarin de uitkering eindigt.

 

Art. 22. [Eindiging betaling]  [GeschiedenisVvWStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2012, 2Stb. 2012, 361]
De uitkering wordt betaald tot de dag waarop de werkloze werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt.

 

Art. 23. [Overlijdensuitkering]  [GeschiedenisVvWStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1995, 696]
-1. In geval van overlijden van de echtgenoot van de werkloze werknemer wordt de uitkering tot en met één maand na de dag van het overlijden betaald naar de voordien vastgestelde grondslag.
-2. In geval van overlijden van de werkloze werknemer wordt de uitkering tot en met één maand na de dag van het overlijden betaald naar de voordien vastgestelde grondslag aan:
a. de echtgenoot van de werkloze werknemer;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, het kind of de kinderen in de zin van deze wet.

 

Art. 24. [Onvervreemdbaarheid uitkering]  [GeschiedenisVvWStb. 1995, 200versie 12 april 1995]
-1. De uitkering is onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met het eerste of tweede lid is nietig.

 

 

§ 5.  Terugvordering

 

Art. 25. [Terugvordering]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265Stb. 2009, 592Stb. 2011, 288Stb. 2012, 462]      [JurisprudentieLJN AB3076]
-1. Het college van de gemeente die de uitkering heeft verleend, vordert de uitkering terug voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, of artikel 20, anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, kan van de belanghebbende worden teruggevorderd.
-3. De uitkering kan van de belanghebbende worden teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend, later inkomsten ontvangt waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden.
-4. Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering.
-5. Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen waarvoor het college dat de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964, onderscheidenlijk de Wet financiering sociale verzekeringen, inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd voor zover deze belasting en premie niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen.
-6. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien indien de persoon van wie de uitkering wordt teruggevorderd:
a. gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-7. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien.

 

Art. 25a. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2008, 510Stb. 2009, 592]

 

Art. 25b. Vervallen[GeschiedenisStb. 1997, 789Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]

 

Art. 25c. Vervallen[GeschiedenisStb. 1998, 278 + bisStb. 2001, 625Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2009, 592]

 

Art. 25d. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 25e. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 25f. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 25g. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 25h. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 25i. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1996, 248]

 

Art. 25j. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 25k. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]

 

Art. 26. [Hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugbetaling uitkering bij verzwegen gezamenlijke huishouding]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2001, 625Stb. 2008, 600Stb. 2009, 592]
-1. Indien de uitkering met inachtneming van artikel 3 is verleend, worden voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen.
-2. Indien de uitkering met inachtneming van artikel 3 had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 13 of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden.
-3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte verleende uitkering.

 

Art. 27. [Inlichtingenverplichting inzake terugvordering]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265]
De persoon van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.

 

Art. 28. [Invordering bestuurlijke boete]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 1998, 278Stb. 2007, 551Stb. 2009, 265Stb. 2009, 592Stb. 2010, 840Stb. 2011, 645Stb. 2012, 462Stb. 2013, 236Stb. 2014, 270 + bis]
-1. Het college kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel 25, eerste, tweede en derde lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Indien degene van wie de uitkering op grond van artikel 25, eerste lid, wordt teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 20a algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, verrekent het college die uitkering en bestuurlijke boete met die algemene bijstand of uitkering.
-3. Indien degene van wie de uitkering op grond van artikel 25, tweede of derde lid, wordt teruggevorderd algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die uitkering met die algemene bijstand of uitkering.
-4. Indien degene van wie de uitkering wordt teruggevorderd dan wel verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 20a een uitkering of algemene bijstand ontvangt van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de uitkering terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd, dan wel een uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet, betaalt dat college, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van de belanghebbende, op verzoek aan het college dat besluit tot terugvordering of de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
-5. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene van wie uitkering wordt teruggevorderd.
-6. Zolang de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 20a, achtste lid, en 27, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van de onverschuldigd betaalde uitkering en de bestuurlijke boete en de bestuurlijke boete bij dwangbevel.
-7. Onverminderd het eerste tot en met het zesde lid kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 25, eerste lid.

 

Art. 29. [Verrekening bestuurlijke boete bij recidive]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1996, 248Stb. 2012, 462Stb. 2013, 236Stb. 2014, 270]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel 28, tweede lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 20a, vijfde lid, door het college, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Het college kan op verzoek van de belanghebbende besluiten het eerste lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij de betaling, bedoeld in artikel 28, vierde lid, van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 20a, vijfde lid, door een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college de bestuurlijke boete heeft opgelegd, met dien verstande dat het college van die andere gemeente de bevoegdheid heeft op verzoek van de belanghebbende bij de verrekening de beslagvrije voet in acht te nemen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. Artikel 28, tweede lid, en het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
-5. De voorgaande leden laten de verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 28, tweede en vierde lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-6. Indien als gevolg van de verrekening, bedoeld in het eerste en vierde lid, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze wet op aanvraag vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie. [Rtbbtob] [RWII]
-7. Voor de toepassing van het zesde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
-8. Het vrijgelaten deel, bedoeld in het zesde lid, is niet vatbaar voor beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

 

Art. 29a. [Geen schuldregeling bij overtreding informatieverplichtingen]  [GeschiedenisStb. 2012, 462]
Door het college wordt geen medewerking verleend aan een schuldregeling indien een vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijke nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet of niet behoorlijk nakomen van die verplichtingen aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.

 

Art. 30. [Preferentie]  [GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995]
-1. De vorderingen ingevolge deze paragraaf zijn bevoorrecht en volgen onmiddellijk na die in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
-2. Indien de uitkeringen op verschillende tijdvakken betrekking hebben, heeft de terugvordering over het vroegste tijdvak voorrang.

 

Art. 31. [Begrip uitkering inzake terugvordering]  [GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2005, 525Stb. 2011, 288]
Onder uitkering in de zin van deze paragraaf wordt verstaan de uitkering, bedoeld in artikel 9.

 

Art. 32. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 1996, 248]

 

Art. 33. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 1996, 248]

 

 

HOOFDSTUK  III

Rechten en plichten

 

Art. 34. [Opdracht college]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 619Stb. 1997, 96Stb. 1997, 510Stb. 1998, 742Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2005, 625Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2014, 269Stb. 2014, 270]      [JurisprudentieLJN AE3262]
-1. Het college is verantwoordelijk voor:
a. het ondersteunen van personen die een uitkering op grond van deze wet ontvangen bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening; en
b. het verlenen van een uitkering aan de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 2.
-2. Het college werkt bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, samen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Het college kan de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Het college kan de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tweede en derde lid. [BS] [SaS] [SS] [StS] [TbsC]

 

Art. 35. [Verodening gemeenteraad]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1997, 465Stb. 1997, 760Stb. 1997, 789Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2008, 590Stb. 2009, 318Stb. 2009, 592Stb. 2011, 650Stb. 2014, 269Stb. 2014, 270]
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
b. de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20;
c. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer;
d. het verlagen van de uitkering, bedoeld in artikel 38, twaalfde lid.
-2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op de taken vermeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a.

 

Art. 36. [Aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2014, 270]
-1. Belanghebbenden die een uitkering ontvangen, hebben overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 36a. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 676]

 

Art. 36b. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36c. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36d. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36e. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36f. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36g. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36h. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36i. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36j. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

Art. 36k. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 355]

 

Art. 37. [Arbeidsverplichtingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1998, 290Stb. 2003, 298Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2008, 600Stb. 2011, 650]
-1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is vanaf de dag van melding, bedoeld in artikel 16a, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
f. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
-2. Indien uitkering wordt verleend aan echtgenoten, gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.

 

Art. 37a. [Ontheffing arbeidsverplichtingen]  [GeschiedenisStb. 2001, 109Stb. 2003, 376Stb. 2003, 544Stb. 2007, 551Stb. 2007, 564Stb. 2008, 595Stb. 2014, 269Stb. 2014, 270]
-1. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van één of meer verplichtingen als bedoeld in artikel 37. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
-2. De verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, geldt voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar slechts nadat het college zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene.
-3. De verplichtingen, bedoeld in artikel 37, zijn niet van toepassing op de persoon die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de Wet sociale werkvoorziening.

 

Art. 38. [Ontheffing arbeidsverplichtingen alleenstaande ouder met kind jonger dan 5 jaar]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1998, 290Stb. 2003, 376Stb. 2008, 284Stb. 2008, 590Stb. 2008, 595Stb. 2011, 650Stb. 2014, 270]
-1. Onverminderd artikel 37a, eerste lid, verleent het college aan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar op diens verzoek ontheffing van de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a tot en met d.
-2. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt eenmalig verleend.
-3. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor zover uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
-4. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, geldt zolang het jongste kind van de alleenstaande ouder de leeftijd van 5 jaar nog niet heeft bereikt. Onverminderd de eerste zin geldt de ontheffing gedurende ten hoogste vijf jaar. Bij verhuizing naar een andere woonplaats wordt op deze periode in mindering gebracht de periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande woonplaats, dan wel de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid.
-5. De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien de volledige duur van vijf jaar nog niet volledig is benut:
a. van rechtswege opgeschort met ingang van de datum waarop het jongste kind de leeftijd van 5 jaar bereikt;
b. van rechtswege opgeschort indien niet langer recht op bijstand bestaat;
c. door het college opgeschort op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder aan wie de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, is verleend; of
d. door het college ingetrokken indien uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, niet wil nakomen.
-6. Op een daartoe strekkend verzoek van de alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar beëindigt het college een opschorting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a tot en met c, indien de daarin genoemde omstandigheden niet langer van toepassing zijn.
-7. Het college stelt binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid.
-8. Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in het zevende lid, iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het van toepassing zijnde plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.
-9. Indien het heronderzoek, bedoeld in het achtste lid, daartoe aanleiding geeft, stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.
-10. Het college vult de voorziening, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van betrokkene te boven gaat.
-11. Op verzoek van de alleenstaande ouder die beschikt over een startkwalificatie en aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid vult het college de voorziening in met een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.
-12. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel d, indien het college de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, heeft ingetrokken op grond van het vijfde lid, onderdeel d. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

 

Art. 38a. [Participatieplaatsen]  [GeschiedenisStb. 2009, 318Stb. 2014, 270]
Het college kan ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, degene die uitkering op grond van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met zesde en achtste tot en met tiende lid, van de Wet werk en bijstand alsmede de regels, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel e en f, van die wet, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 39. Gereserveerd[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]

 

 

HOOFDSTUK  IV

Uitvoering, gegevensverstrekking en informatievoorziening

 

§ 1.  Verantwoordelijkheid voor de uitvoering

 

Art. 40. [Gemeenschappelijke regeling]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2003, 376Stb. 2006, 712Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van paragraaf 4 van dit hoofdstuk en paragraaf 4 van hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken colleges.

 

Art. 41. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1997, 193Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]

 

Art. 42. [Cliëntenparticipatie]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1999, 564Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551]
Het college draagt zorg voor de realisatie en vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet, met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.

 

Art. 43. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1997, 510Stb. 1998, 742Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376]

 

 

§ 2.  Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling

 

Art. 44. [Inlichtingenverplichting werkgever]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2007, 551Stb. 2007, 555Stb. 2014, 269]
-1. Ieder is verplicht desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van een persoon te wiens behoeve een uitkering is gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel voor hem arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten van een persoon van wie uitkeringen ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5, worden of kunnen worden teruggevorderd.
-2. De opgaven en inlichtingen moeten desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door het college schriftelijk te stellen termijn worden verstrekt.

 

Art. 45. [Inlichtingenverplichting instanties]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 676Stb. 1997, 162Stb. 1997, 197Stb. 1997, 193Stb. 1999, 185Stb. 2000, 286Stb. 2000, 496Stb. 2001, 23Stb. 2000, 628Stb. 2001, 225Stb. 2001, 426Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2003, 544Stb. 2004, 717Stb. 2005, 345Stb. 2005, 525Stb. 2005, 691Stb. 2006, 415Stb. 2006, 625Stb. 2007, 153Stb. 2007, 551Stb. 2007, 555Stb. 2008, 197Stb. 2008, 600Stb. 2009, 108Stb. 2009, 492Stb. 2010, 838Stb. 2011, 618Stb. 2013, 405Stb. 2013, 507Stb. 2013, 578]
-1. De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank;
c. de Belastingdienst;
d. het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van deze wet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamer van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000;
h. de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit;
i. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
j. Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
k. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
l. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
m. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
n. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de Wet inburgering.
-2. Het vragen door burgemeester en wethouders en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. [BIg]
-3. Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan het college kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-4. De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5;
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve een uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5.
-5. De in het eerste en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-6. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met j, genoemde instanties treffen desgevraagd met het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en inlichtingen.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het derde lid en de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid bedoelde regelingen. [BIg] [BS]
-8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen één of meer van de in het eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende personen opslaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen. [BIg] [BS]
-9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven met betrekking tot inkomen en vermogen.
-10. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
-11. Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
-12. De Belastingdienst verstrekt aan het college zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag ligt gegevens als bedoeld in het eerste lid over samenloop van een uitkering met inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf, die bij de uitvoering van een belastingwet of bij de invordering van enige rijksbelasting bekend zijn geworden, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

 

Art. 46. [Geheimhoudingsplicht]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995]
-1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
-4. Degene die op grond van de artikelen 44 tot en met 48 gegevens verstrekt, dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.

 

Art. 47. [Melding vermoeden misdrijf aan andere organen]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2007, 551]
Het college is verplicht indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van een overheidsorgaan, voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.

 

Art. 48. [Inlichtingenverplichting college]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 690Stb. 1995, 691Stb. 1997, 789 + bisStb. 1998, 742Stb. 1999, 185Stb. 2000, 496Stb. 2001, 23Stb. 2001, 426Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2004, 717Stb. 2005, 525Stb. 2005, 691Stb. 2006, 415Stb. 2006, 625Stb. 2006, 644Stb. 2007, 551Stb. 2007, 555Stb. 2008, 600Stb. 2009, 282Stb. 2009, 492Stb. 2010, 350Stb. 2010, 838Stb. 2011, 618Stb. 2011, 645Stb. 2011, 650Stb. 2013, 578Stb. 2014, 270]
-1. Het college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000, uit de administratie ter zake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde organen en derden kosteloos de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de hierbij vermelde wetten of wettelijke regelingen:
a. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, en 34, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
b. de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdeel a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen;
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
h. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de uitvoering van de Wet inburgering;
i. Onze Minister van Veiligheid en Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
-2. Het verstrekken door burgemeester en wethouders aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
-3. De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor onevenredig wordt geschaad.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt. [BS]

 

Art. 49. [Gebruik BSN]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 691Stb. 2000, 571Stb. 2001, 625Stb. 2007, 551Stb. 2009, 108Stb. 2013, 316]
-1. Bij de verstrekking van gegevens door het college, het Inlichtingenbureau en de in de artikelen 45 en 48 bedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van het burgerservicenummer.
-2. Derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen, maken gebruik van het burgerservicenummer voor zover dat noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, worden uitgevoerd.

 

Art. 50. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2000, 571Stb. 2009, 108]

 

Art. 51. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 1996, 619Stb. 1999, 564]

 

 

§ 3.  Aanwijzingsbevoegdheid en gemeentelijke toezichthouders

 

Art. 52. [Aanwijzing door minister]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2000, 383Stb. 2001, 625Stb. 2003, 56Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2011, 442]
-1. Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen vaststelt, aan het college, nadat het college gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.
-2. In de aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.

 

Art. 53. [Toezichthoudende gemeenteambtenaren]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2011, 442]
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren.

 

Art. 53a. Door vernummering vervallen[GeschiedenisStb. 2007, 551Stb. 2011, 442]

 

 

§ 4.  Informatie

 

Art. 54. [Verantwoording college; uitvoeringsbeeld]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2008, 312Stb. 2009, 592]
-1. Het college dient jaarlijks bij Onze Minister een beeld van de uitvoering in.
-2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering. [RfvIIB]

 

Art. 55. [Gegevensverstrekking aan minister][RfAIIW] [RsgII]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1995, 355Stb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2008, 312Stb. 2011, 442]
-1. Het college verstrekt desgevraagd aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die hij voor de statistiek, informatievoorziening en beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de soort informatie die het college verstrekt en de wijze waarop het college de gegevens en inlichtingen verzamelt en verstrekt, waarbij kan worden bepaald dat categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en te verstrekken. [RfvIIB] [RsWII] [RsWII13] [RsWIIW]
-3. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel 54, worden kosteloos verstrekt.

 

 

HOOFDSTUK  V

Financiering

 

§ 1.  Vergoeding

Vervallen

 

Art. 56. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2000, 383Stb. 2003, 376Stb. 2005, 525Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]

 

Art. 57. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 2000, 383 + bisStb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]

 

 

§ 2.  Uitkering

Vervallen

 

Art. 58. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2000, 383Stb. 2003, 376Stb. 2009, 592]

 

Art. 59. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 2000, 383 + bisStb. 2003, 376Stb. 2009, 592]

 

Art. 59a. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 619 + bisStb. 1997, 789Stb. 1998, 290Stb. 1999, 564Stb. 2003, 376Stb. 2009, 592]

 

Art. 59b. Vervallen[GeschiedenisStb. 2003, 376Stb. 2009, 592]

 

 

§ 3.  Vaststelling

Vervallen

 

Art. 59c. Vervallen[GeschiedenisStb. 2003, 376;;  Stb. 2008, 312Stb. 2009, 592]

 

Art. 59d. Vervallen[GeschiedenisStb. 2003, 376Stb. 2004, 363Stb. 2007, 551Stb. 2008, 312Stb. 2009, 592]

 

 

§ 4.  Voorzieningen

 

Art. 59e. [Vergoeding kosten van voorzieningen]  [GeschiedenisStb. 2003, 376Stb. 2007, 551Stb. 2009, 592]
Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de Wet participatiebudget.

 

 

HOOFDSTUK  VI

Rechtsbescherming

 

Art. 60. [Gelijkstelling met besluit]  [GeschiedenisStb. 1995, 200 + bis + bisversie 12 april 1995Stb. 2013, 226]      [JurisprudentieLJN AB1806]
Voor de toepassing van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt met een besluit gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van de uitkering of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.

 

Art. 60a. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2009, 265Stb. 2009, 592]

 

Art. 60b. [Beroep in cassatie]  [GeschiedenisStb. 1997, 789]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 3, tweede tot en met zesde lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Strafbepalingen en overgangsbepalingen

 

Art. 61. [Overgangsrecht 1 januari 2010 vaststelling vergoeding, uitkering en kosten]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995Stb. 2000, 40 + bisStb. 2009, 592]
Paragraaf 3 van hoofdstuk V blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in artikel 59c, zoals dit artikel luidde vóór inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 2009, 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen vóór die van inwerkingtreding van die wet.

 

Art. 62. Vervallen[GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 1996, 248Stb. 2000, 40 + bis]

 

Art. 62a. [Verval recht tot strafvordering]  [GeschiedenisStb. 1996, 248]
Het recht tot strafvordering vervalt indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter zake van hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.

 

Art. 63. [Overgangsrecht 29 december 2005 overheveling Wajong-ers met Ioaw-uitkering naar TW] [RvtmT]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200 + bisversie 12 april 1995Stb. 2000, 40 + bisStb. 2005, 573]
-1. Onverminderd het derde lid wordt tot een bij ministeriële regeling bepaald tijdstip, dat voor verschillende groepen personen verschillend kan worden vastgesteld, onder werkloze werknemer in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op grond van artikel 2, onderdeel c of d, zoals dat luidde op die dag, werd aangemerkt als werkloze werknemer.
-2. Onder werkloze werknemer in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen werd aangemerkt als werkloze werknemer op grond van artikel 2, onderdeel c of d, en die op grond van artikel 3 van de Toeslagenwet geen recht heeft op een toeslag op grond van die wet.
-3. Artikel 7 is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 1.11, onderdeel A, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen werkloze werknemer is en de echtgenoot van die persoon.

 

Art. 63a. [Overgangsrecht 1 januari 2004 afschaffing vervolguitkering WW]  [GeschiedenisStb. 2006, 167]
Voor de toepassing van artikel 9, vierde lid, wordt, indien artikel 130h van de Werkloosheidswet op de in dat lid bedoelde uitkering van toepassing was, voor "artikel 47 of artikel 52i van de Werkloosheidswet" gelezen: artikel 52 van de Werkloosheidswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2003.

 

Art. 63b. [Overgangsrecht 1 oktober 2006 wijziging WW-stelsel]  [GeschiedenisStb. 2006, 303]
De artikelen 2 en 9 zoals deze luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel II van de Wet wijziging WW-stelsel blijven van toepassing op de persoon wiens eerste werkloosheidsdag als bedoeld in de Werkloosheidswet is gelegen op of vóór die dag.

 

Art. 63c. [Overgangsrecht 1 december 2009 uitkeringshoogte]  [GeschiedenisStb. 2009, 390]
Artikel 9, vierde en vijfde lid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet tot invoering en wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Stb. 2009, 390), blijft van toepassing met betrekking tot:
a. een recht op uitkering dat vóór 1 december 2009 is ontstaan;
b. een recht op uitkering dat vóór 1 december 2009 is ontstaan, daarna is geëindigd en na 1 december 2009 op grond van artikel 7 van die wet ¹ is herleefd; of
c. personen die vóór 1 december 2009 voldoen aan artikel 2, maar die vóór die datum geen recht hebben op een uitkering.

1. Volgens de redactie dient "artikel 7 van die wet" te worden vervangen door: artikel 7.

 

Art. 63d. [Overgangsrecht 1 januari 2010 gelijkstelling voormalige pleeg- en stiefkinderen aan eigen kinderen]  [GeschiedenisStb. 2009, 596Stb. 2010, 838]
De artikelen 3, zevende en achtste lid, en 4, tweede lid, zijn niet van toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van artikel 5 recht bestaat op een uitkering voor de werkloze werknemer en de echtgenoot, omdat de ongehuwde uitkeringsgerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als echtgenoot, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.

 

Art. 63e. Nog niet in werking getreden. [Aanpassing nettogrondslag alleenstaande woningdeler]  [GeschiedenisStb. 2010, 838Stb. 2014, 269]

 

Art. 63f. Vervallen[GeschiedenisStb. 2010, 867]

 

Art. 63g. [Overgangsrecht 1 januari 2012 ontheffing arbeidsverplichtingen alleenstaande ouder met kind jonger dan 5 jaar]  [GeschiedenisStb. 2011, 650]
De artikelen 4a, eerste lid, onderdeel c, en 38, zoals deze luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden,¹ blijven van toepassing op de alleenstaande ouder die op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden ¹ een ontheffing heeft op grond van artikel 38, gedurende de duur van de ontheffing, doch ten hoogste gedurende zes maanden na inwerkingtreding van die wet.

1. Volgens de redactie dient "Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden" te worden vervangen door: Wet van 22 december 2011 tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden (Stb. 2011, 650).

 

Art. 63h. Nog niet in werking getreden[GeschiedenisStb. 2014, 216]

 

Art. 63i. Nog niet in werking getreden[GeschiedenisStb. 2014, 216]

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Slotbepalingen

 

Art. 64. [Nadere regelgeving]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 200versie 12 april 1995]
-1. In het belang van een goede uitvoering van het bij en krachtens deze wet bepaalde kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. [BS]
-2. Onze Minister kan, wanneer hij overweegt een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur te doen en naar zijn oordeel een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening eist, overeenkomstig de in overweging zijnde maatregel regels stellen.
-3. De regeling, bedoeld in het tweede lid, blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt, doch uiterlijk tot twaalf maanden na de dag van inwerkingtreding.

 

Art. 64a. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 691Stb. 1999, 564]

 

Art. 65. [Inwerkingtreding]  [GeschiedenisVvWStb. 1995, 200versie 12 april 1995]
Deze wet treedt in werking op een bij of krachtens wet te bepalen tijdstip.¹

1. Bij Besluit van 26 november 1986, Stb. 1986, 597, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1987, red.

 

Art. 66. [Citeertitel]  [GeschiedenisVvWStb. 1995, 200versie 12 april 1995]
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 6 november 1986

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning

 

Uitgegeven de achttiende november 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING