|
13 december 2000/nr.
BZ/ACT/00/82170
Directie Bijstandszaken
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 8, zesde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
b. lijfrente: een aanspraak
volgens een overeenkomst van
levensverzekering op vaste en gelijkmatige
periodieke uitkeringen die eindigen
uiterlijk bij overlijden, welke
aanspraak niet kan worden afgekocht,
vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk tot voorwerp van
zekerheid kan dienen, anders dan ten
behoeve van uitstel van betaling op
grond van artikel 25, vierde lid, van
de Invorderingswet
1990. Onder
een lijfrente wordt mede verstaan de
aanspraak op winstuitkeringen voor zover die uitkeringen verband
houden met een lijfrente;
c. pensioenregeling:
1. een pensioenregeling
overeenkomstig de wettelijke bepalingen van
de loonbelasting;
2. een pensioenregeling waaraan deelneming
verplicht is op grond van de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet
op het notarisambt of de Wet
verplichte beroepspensioenregeling;
3. een regeling van een
andere mogendheid die volgens de
belastingwetten van dat land, welke naar
aard en strekking overeenkomen
met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een
pensioenregeling wordt beschouwd.
d. levensverzekering: een
overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht.
Art. 2.
De waarde van het vermogen,
bedoeld in artikel 8, tweede lid,
van de wet, wordt vastgesteld
onmiddellijk nadat het bedrijf of beroep is
beëindigd.
Art. 3.
-1. Vermogen is de waarde van
de bezittingen verminderd met
de waarde van de schulden.
-2. Bezittingen zijn:
a. onroerende zaken;
b. rechten die direct of
indirect op onroerende zaken betrekking
hebben;
c. roerende zaken die door
de gewezen zelfstandige en personen die behoren tot zijn huishouden
niet voor persoonlijke doeleinden
worden gebruikt of verbruikt
alsmede roerende zaken die voor persoonlijke
doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als
belegging dienen;
d. rechten op roerende
zaken;
e. rechten die niet op zaken
betrekking hebben, waaronder geld;
f. overige vermogensrechten
met waarde in het economisch
verkeer; en
g. goodwill.
-3. Schulden zijn:
a. verplichtingen met waarde
in het economisch verkeer;
b. verplichtingen die
voortvloeien uit de vaststelling van de
waarde van de bezittingen.
Art. 4.
Tot de bezittingen
behoren niet:
a. rechten die berusten op
een pensioenregeling;
b. rechten op uitkeringen en
verstrekkingen ter zake van invaliditeit,
ziekte of ongeval toekomende aan de
gewezen zelfstandige of zijn
echtgenoot;
c. bossen, natuurterreinen
en onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet
1928 aangewezen landgoed,
met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde
eigendommen.
Art. 5.
-1. Mits niet deel uitmakend
van het vermogen van een onderneming behoren niet tot de bezittingen:
a. rechten op lijfrenten in
het geval dat deze rechten niet zijn
verkregen door middel van het voldoen
van een koopsom of indien de
premiebetaling niet is aangevangen binnen drie jaar vóór het indienen van de
aanvraag in het kader van de wet, tenzij
deze rechten zijn verkregen door
de omzetting van de fiscale
oudedagsreserve in een lijfrente en de opbouw
van deze reserve voor de eerder
genoemde periode is aangevangen;
b. rechten op ingegane
lijfrenten, verkregen krachtens overeenkomst onder bezwarende titel en
toekomende aan de gewezen zelfstandige,
zijn echtgenoot of minderjarige kinderen, in geval van invaliditeit;
c. polissen van
levensverzekering, mits ter zake van de
verzekering geen koopsom is voldaan en deze
polissen niet dienen als basis voor
de financiering van de eigen woning;
d. een bedrag van €|116
283,00
ten behoeve van aanvullende pensioenvoorzieningen. Rechten op
lijfrenten, bedoeld in de onderdelen a of b, alsmede polissen van
levensverzekering, bedoeld in onderdeel c, worden op dit bedrag, tot ten
hoogste een bedrag van €|116 283,00, in mindering gebracht.
-2. Tot de schulden behoren
niet premies en bijdragen ter zake van
rechten welke ingevolge artikel 4,
eerste lid, onderdeel a en b, en
artikel 5, eerste lid, onderdeel a, b en c,
niet tot de bezittingen behoren.
-3. De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid herziet, met ingang van de dag waarop het nettominimumloon zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag
wijzigt, met het percentage van deze wijziging, het bedrag, genoemd in
het eerste lid, onderdeel d.
Art. 6.
-1. Bezittingen belast met
vruchtgebruik of recht van gebruik worden aangemerkt als bezittingen
van de blote eigenaar, tenzij het
een door één of beide ouders van de gewezen zelfstandige bewoonde woning betreft. In
dat geval wordt deze woning aangemerkt als bezit van de
vruchtgebruiker.
-2. Schulden die behoren tot
met vruchtgebruik belast
vermogen worden aangemerkt als schulden van
de blote eigenaar, tenzij het
schulden betreft die behoren tot een
door één of beide ouders van de
gewezen zelfstandige bewoonde woning.
Art. 7.
-1. Tot de schulden wordt
mede gerekend de inkomstenbelasting die de gewezen zelfstandige na het
begin van het kalenderjaar
verschuldigd kan worden ter zake van:
a. termijnen van in het
vermogen begrepen, niet tot het
vermogen van een onderneming behorende
rechten die ingevolge de Wet
inkomstenbelasting 2001 belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen opleveren
(stamrechten);
b. in het vermogen begrepen
aandelen, winstbewijzen, bewijzen van
deelgerechtigheid en koopopties als bedoeld in artikel 4.4 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001 die ingevolge die
wet tot een aanmerkelijk
belang behoren.
-2. De in het eerste lid
bedoelde belasting wordt gesteld op:
a. 30% van de waarde van de
stamrechten;
b. 6,25% van de waarde van
de aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigheid en
koopopties voor zover deze de verkrijgingsprijs
daarvan in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 overtreft.
Art. 8.
-1. Bezittingen en schulden
worden in aanmerking genomen voor de
waarde in het economisch verkeer.
-2. Bezittingen en schulden
die, al dan niet tezamen, in het
economisch verkeer als een eenheid plegen te
worden beschouwd, worden als
eenheid in aanmerking genomen.
-3. Bezittingen belast met
vruchtgebruik of recht van gebruik worden
in aanmerking genomen voor 80%
van de waarde, bedoeld in het
eerste lid, indien de bezitting onbezwaard zou zijn. Schulden behorende tot
het met vruchtgebruik belast
vermogen worden in aanmerking genomen voor 80% van de in de het eerste
lid bedoelde waarde.
-4. De eigen woning waarvan
de gewezen zelfstandige eigenaar is en
die tot zijn hoofdverblijf dient,
wordt gewaardeerd naar 60% van de waarde in
het economisch verkeer indien
de woning in volle eigendom en
onbezwaard (vrij) wordt opgeleverd. Hetzelfde geldt voor de eigen woning
direct gekocht na verkoop van de
bedrijfswoning.
-5. Voor de waardering van
effecten die zijn genoteerd aan de
Euronext effectenbeurs te Amsterdam
wordt voor de toepassing van het
eerste lid de waarde in het economisch verkeer gesteld op de slotnotering
die is vermeld in de Officiële
prijscourant, uitgegeven door de AEX-Data Services, die geldt naar het tijdstip
waarnaar de waarde moet worden bepaald.
-6. De veldinventaris wordt
gewaardeerd op basis van de gemaakte
kosten, waaronder begrepen
arbeidskosten.
Art. 9.
Land- en tuinbouwgrond
kan bij overdracht van ouders aan
kinderen en bij uittreding uit een
samenwerkingsverband of rechtspersoon, bij voortzetting van het bedrijf
als volwaardig bedrijf, worden gewaardeerd naar de waarde in verpachte
staat.
Art. 10.
Bij het in aanmerking
nemen van bezittingen en schulden
wordt geen rekening gehouden met:
a. wettelijk vruchtgenot,
alsmede rechten op en verplichtingen
tot periodieke uitkeringen en
verstrekkingen rechtstreeks uit het
familierecht voortvloeiend, dan wel door
ouders aan hun minderjarige
kinderen toegekend;
b. lopende termijnen van
inkomsten en verplichtingen, alsmede
termijnen van inkomsten waarvan de
grootte na de aanvang van het
kalenderjaar door de schuldenaar wordt vastgesteld, mits zij niet behoren tot de
onderneming van de gewezen zelfstandige.
Art. 11.
Indien bezittingen in het
zicht van de beëindiging van het bedrijf
of beroep zijn verkocht of
overgedragen en dit, gelet op de aard en
strekking van de wet, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, stellen
burgemeester en wethouders de waarde van
deze bezittingen vast op basis van de waarde
in het economisch verkeer bij
verkoop zonder bezwaring.
Art. 12.
Burgemeester en wethouders
kunnen artikel 8, derde lid, buiten
toepassing laten indien toepassing van
die waardering zal leiden tot
onbillijkheden van overwegende aard.
Art. 13.
Het Besluit van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 juni 1987, houdende nadere regels voor
de vaststelling van de waarde van het eigen vermogen bij beëindiging
van het bedrijf of beroep (Stcrt. 1987, 122), wordt ingetrokken.
Art. 14.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2001.
Art. 15.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling vermogenswaardering
Ioaz.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
‘s-Gravenhage, 13 december
2000.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[13 december 2000]
Algemeen
In het kader van de
belastingherziening 2001 wordt de Wet op de
vermogensbelasting 1964 per 1 januari 2001 ingetrokken. Dit noopt
tot intrekking van het Besluit
nadere regels voor de vaststelling
van de waarde van het eigen
vermogen bij beëindiging van het bedrijf
of beroep (hierna: de
Vermogensbeschikking Ioaz), die in belangrijke
mate verwees naar de Wet op de
vermogensbelasting 1964, en het maken van een nieuwe regeling
vermogenswaardering Ioaz.
Waar in de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is
gekozen voor een andere benadering
van het vermogen, beoogt de
Regeling vermogenswaardering Ioaz (hierna: de regeling) geen rigoureuze
inhoudelijke wijziging ten opzichte van
de Vermogensbeschikking Ioaz.
De uitgangspunten van de Vermogensbeschikking Ioaz zijn overeind gebleven.
De vermogenswaardering in
het kader van de Wet
inkomensvoorziening oudere en arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
kan plaatsvinden aan de hand van deze regeling.
Na beëindiging van het
zelfstandig bedrijf of beroep verliest
het eigen vermogen de functie van voor
het eigen bedrijf of beroep
bestemd vermogen dat onder meer dient als basis voor het opvangen van de aan
de bedrijfsuitoefening
verbonden financiële risico’s. Aangezien de
vrijkomende middelen aanzienlijk kunnen zijn, is het verantwoord in
de Ioaz, die geheel uit de algemene
middelen wordt gefinancierd, rekening
te houden met het inkomen uit
aanzienlijk vermogen.
De regeling geeft nadere
regels voor de waardering van het
vermogen zoals bedoeld in artikel 8,
zesde lid, Ioaz. Deze waardering is
noodzakelijk omdat artikel 8, tweede lid, Ioaz
bepaalt dat bij een vermogen
hoger dan €|102 554,- (ƒ226 000,-)
(jaar 2001) het inkomen uit het meerdere
vermogen wordt aangemerkt als inkomen
in de zin van de Ioaz. Het
inkomen uit vermogen is forfaitair
vastgesteld op 4% per jaar.
De waarde van het vermogen,
dit is de waarde van de bezittingen
minus de waarde van de schulden,
wordt vastgesteld op het moment
dat de zelfstandige zijn bedrijf of
beroep beëindigt. Beëindiging wil
zeggen: het liquideren van het bedrijf
of beroep, maar ook uittreden uit een
samenwerkingsverband of een rechtspersoon. Het vermogen wordt gewaardeerd
naar de waarde in het
economisch verkeer. Dit wil in het
algemeen zeggen de prijs die de meest
biedende bereid is te betalen bij
verkoop onder normale omstandigheden.
Op grond van de regeling
worden alle vermogensbestanddelen
van de gewezen zelfstandige en zijn
echtgenoot, voor zover niet uitgesloten, gewaardeerd. Als het bedrijf
is geliquideerd of verkocht, is het meestal eenvoudig de waarde van het
vermogen vast te stellen. Het
voorheen aanwezige vermogen in de onderneming heeft meestal de vorm van
liquide middelen of van vorderingen,
waarmee de waarde, mits het gaat om reële transacties, een
gegeven is. Dit geldt ook voor schulden.
Niet te gelde gemaakte vermogensbestanddelen worden overgebracht naar het
privévermogen en gewaardeerd. Het is ook mogelijk dat (een
deel) van het vermogen belegd blijft in de woning waarvan de gewezen
zelfstandige eigenaar is en die voor hem als
hoofdverblijf dient, of is belegd in
bijvoorbeeld lijfrentepolissen. Voor de waardering daarvan is deze regeling
van toepassing.
Ingeval het vermogen bij de
beëindiging van bedrijf of beroep (nog) niet is vast te stellen,
omdat bijvoorbeeld nog bezittingen moeten
worden verkocht, kan het nodig zijn het vermogen voorlopig te waarderen. Dit
geldt bijvoorbeeld ook bij
uittreding uit een samenwerkingsverband
of rechtspersoon omdat het
aandeel van degene die uittreedt uit een
samenwerkingsverband of rechtspersoon moet worden vastgesteld. Dit
speelt met name in het geval het
vermogen naar verwachting meer
bedraagt dan de in artikel 8 [van de Ioaz,
red.] genoemde
grens. Als de werkelijke opbrengst van
de beëindiging van het bedrijf bekend is, wordt het vermogen op grond
van deze regeling nader
vastgesteld.
Bij geruisloze overdracht
vindt de overdracht plaats tegen de
waarde zoals die voorkomt op de
fiscale balans. Dit vermogen moet
worden geherwaardeerd. Uitgangspunt
in deze regeling is immers de
waarde in het economisch verkeer.
Indien sprake is van een overdracht tegen
een lagere dan de reële waarde,
dient eveneens gewaardeerd te
worden naar de waarde in het economisch
verkeer. Dit geldt ook indien in
vergelijkbare situaties grond is verpacht
binnen drie jaar vóór het indienen
van de aanvraag ingevolge de Ioaz.
Voor gevallen waar
waardering van met (vrucht)gebruik belast
vermogen tot een kennelijke hardheid
leidt, is een hardheidsclausule
opgenomen.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Dit artikel geeft een
overzicht van de in de regeling gehanteerde
definities. De definities onder b, c en
d stemmen overeen met de Wet
IB 2001.
Bij een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen,
wezenpensioen en een arbeidsongeschiktheidspensioen.
Artikel 2
Het vermogen wordt
gewaardeerd op het moment van
bedrijfsbeëindiging. Er kan pas van
bedrijfsbeëindiging worden gesproken als de
bedrijfsvoering door de zelfstandige is gestaakt. Uit concrete feiten en
omstandigheden moet blijken dat het bedrijf wordt of zal worden
overgedragen, geliquideerd of dat de
zelfstandige uittreedt. Het moet voor de ondernemer niet meer mogelijk zijn het
bedrijf "morgen" al dan
niet in afgeslankte vorm voort te zetten,
bedrijfsactiva dienen te zijn verkocht of
overgebracht naar het privévermogen. Het staken van de
bedrijfsactiviteiten alleen is niet hetzelfde als bedrijfsbeëindiging in de zin van de
Ioaz,
omdat er sprake moet zijn
van verkoop of liquidatie en/of
uittreding uit een samenwerkingsverband.
Het kan echter in de praktijk zo
zijn dat er nog activa moeten worden
verkocht als het bedrijf is
beëindigd. Hieruit blijkt dat het begrip
bedrijfsbeëindiging in de zin van de Ioaz niet samenvalt met de begrippen
liquidatie of overdracht in fiscale
zin. Ter illustratie het volgende voorbeeld. De
slager die zijn slagerij, inclusief
toonbank en voorraden als geheel aan
een derde heeft verhuurd, heeft
zijn bedrijf niet beëindigd in de zin
van de Ioaz. Er vindt geen liquidatie
plaats, omdat het bedrijf in zijn geheel
in stand blijft: het wordt ook niet overgedragen, omdat de oorspronkelijke
ondernemer de eigendom van het bedrijf behoudt.
De slager die echter zijn
voorraad, gereedschap, inventaris e.d.
verkoopt en het pand vervolgens leeg
verhuurt, heeft zijn bedrijf wél
beëindigd. De bedrijfsuitoefening werd immers door hem gestaakt, de onderlinge
functionele band van de bedrijfsactiva
is verbroken en de activa zijn hetzij
verkocht, hetzij overgegaan naar het privévermogen van de
zelfstandige. Het is aanvaardbaar dat
bepaalde vermogensbestanddelen, bijvoorbeeld grond of gebouwen, in bezit
van de gewezen zelfstandige
blijven, voor bijvoorbeeld verhuur of verpachting. Deze bestanddelen dienen
gewaardeerd te worden naar de waarde in het economisch verkeer.
Artikel 3
In beginsel worden alle
onroerende en roerende zaken aangemerkt
als bezittingen. Roerende zaken worden alleen als vermogen aangemerkt
indien die roerende zaken niet door de
gewezen zelfstandige of door
personen die tot zijn huishouden behoren
voor persoonlijke doeleinden worden ge- of verbruikt. Indien de gewezen
zelfstandige in het bezit is van een
aantal voorwerpen van kunst of
wetenschap, dient beoordeeld te worden
of sprake is van een belegging. Bij de
beoordeling kan een rol spelen of het voorwerp deel uitmaakt van een
collectie of verzameling en of het
voorwerp wordt gebruikt of enkel in
een kluis is opgeborgen. Voorts kan bij
de beoordeling de waarde van de collectie
of verzameling een rol spelen.
Heeft de verzameling of collectie een zekere waarde, dan kan sprake zijn
van een belegging. Voorkomen dient
te worden dat bezittingen met het
zicht op de bedrijfsbeëindiging aan
de vermogenswaardering worden onttrokken door onderdelen van het
bezit te beleggen in voorwerpen van
kunst en wetenschap.
Onder schulden wordt
verstaan verplichtingen met waarde in
het economisch verkeer. Er dient rekening
te worden gehouden met over
gerealiseerde boekwinst verschuldigde belasting: deze wordt derhalve tot de
schulden gerekend.
Artikel 4
Tot de bezittingen behoren
niet rechten die berusten op een
pensioenregeling. Evenmin worden, in
aansluiting op de Wet
IB 2001, tot de
bezittingen gerekend bossen, natuurterreinen en onroerende zaken ingevolge
de Natuurschoonwet
1928 aangewezen landgoed. De op de
landgoederen voorkomende gebouwde
eigendommen worden wel als bezit
aangemerkt.
Artikel 5
Indien zij geen deel
uitmaken van het vermogen van een onderneming,
worden niet tot het vermogen gerekend een (niet-)ingegane
lijfrente die niet voortvloeit uit een koopsom
en een lijfrente waarvoor de
premiebetaling is aangevangen meer dan drie
jaar vóór de aanvraag ingevolge
de Ioaz. De waarde van (niet-)ingegane lijfrenten kan worden opgevraagd bij de verzekeringsmaatschappij.
Bij bedrijfsbeëindiging heeft
de gewezen zelfstandige de keuze om de
in het bedrijf of beroep opgebouwde
fiscale oudedagsreserve (FOR) om te
zetten in een lijfrente of af te
rekenen met de fiscus. Wordt de FOR
omgezet in een lijfrente, dan blijft
deze voor de vermogenswaardering buiten beschouwing. Kiest de
gewezen zelfstandige voor afrekening met de
fiscus, dan wordt, rekening houdend
met de fiscale verplichtingen,
het uit de FOR voortvloeiende vermogen
tot het vermogen gerekend.
Mits niet deel uitmakend van
het vermogen van de onderneming,
behoren niet tot de bezittingen
polissen van levensverzekering indien
daarvoor geen koopsom is voldaan en deze polissen niet dienen
als basis voor de woning waar de
gewezen zelfstandige eigenaar van is
en die hem als hoofdverblijf dient.
Aangezien pensioen niet als
deel uitmakend van het vermogen
wordt aangemerkt, worden premies en
bijdragen ter zake van rechten die
rusten op een pensioenregeling of
rechten op uitkeringen en
verstrekkingen ter zake van invaliditeit,
ziekte of ongeval die toekomen aan de
gewezen zelfstandige of zijn
echtgenoot, niet tot de schulden gerekend.
Artikel 6
Bezittingen die zijn belast
met vruchtgebruik of gebruik worden, alleen in het geval het een door
één
of beide ouders of schoonouders van
de gewezen zelfstandige bewoonde woning betreft, aangemerkt als
bezit van de (vrucht)gebruiker. In alle
andere gevallen worden deze
bezittingen aangemerkt als bezittingen van de blote eigenaar. Eveneens worden
schulden behorende tot met
vruchtgebruik belast vermogen als schulden
van de blote eigenaar aangemerkt.
Deze bezittingen worden ingevolge
artikel 8 gewaardeerd op 80% van de
waarde in het economisch verkeer.
Artikel 7
Bij de bedrijfsbeëindiging
komen de fiscale consequenties van de
opgebouwde reserves, zoals de
oudedagsreserve, vast te staan. In deze
regeling wordt rekening gehouden met over stamrechten, waaronder
lijfrente, verschuldigde inkomstenbelasting. Omdat stamrechten pas bij de
uitbetaling ervan door de fiscus worden belast, dient daarmee bij het
vaststellen van het vermogen rekening te worden gehouden. Eveneens wordt
rekening gehouden met over
aandelen, winstbewijzen en dergelijke,
die tot een aanmerkelijk belang
behoren, verschuldigde
inkomstenbelasting. De percentages, genoemd in het
tweede lid, hebben een forfaitair
karakter.
Artikel 8
De eigen woning waarvan de
gewezen zelfstandige eigenaar is en
die tot zijn hoofdverblijf dient, wordt
gewaardeerd op 60% van de waarde in het economisch verkeer indien
de woning vrij en onbezwaard wordt
opgeleverd. Deze waardering geldt ook
voor de in waarde vergelijkbare woning
die de gewezen zelfstandige koopt
direct na verkoop van de
bedrijfswoning. Daarbij dient het te gaan om
een woning met een waarde die
niet aanzienlijk hoger is dan de verkochte bedrijfswoning.
De waarde van de woning in
het economisch verkeer is
bepalend, niet de waarde vastgesteld in het
kader van de Wet onroerend
zaakbelasting (WOZ) [Wet
waardering onroerende zaken, red.]. In deze regeling geldt de waarde in het economisch
verkeer, aangezien de regeling
voorschrijft dat de waarde van het vermogen
wordt vastgesteld onmiddellijk
nadat het bedrijf of beroep is beëindigd. De waardevaststelling in het
kader van de WOZ vindt maar eenmaal
per vijf jaar plaats en voldoet
daarmee niet aan het vereiste dat de
vermogenswaardering plaatsvindt onmiddellijk na beëindiging van het
bedrijf of beroep.
In het vijfde lid is bepaald dat voor
de waardering van effecten die
zijn genoteerd aan de Euronext
effectenbeurs te Amsterdam, de waarde in
het economisch verkeer wordt gesteld op de slotnotering die is vermeld
in de Officiële prijscourant
uitgegeven door AEX-Dataservices die geldt
naar het tijdstip waarnaar de waarde
moet worden bepaald, dat wil zeggen de
datum van bedrijfsbeëindiging. De
noteringen van de AEX-dataservices zijn voor een breed publiek kenbaar,
omdat ze onder meer worden
gepubliceerd in de landelijke dagbladen.
De veldinventaris wordt
gewaardeerd op basis van gemaakte
kosten. Tot deze kosten behoren ook
de arbeidskosten van de
(gewezen) zelfstandige.
Artikel 9
Met voortzetting van het
volwaardig bedrijf wordt bedoeld dat
het bedrijf moet dienen als
bestaansvoorziening voor degene die het bedrijf
overneemt. Als het bedrijf wordt voortgezet als nevenactiviteit, is er
geen sprake van voortzetting van het
bedrijf zoals in deze regeling
bedoeld.
Heeft de gewezen
zelfstandige de keuze bij beëindiging van
het bedrijf de grond te verpachten dan
wel te verkopen, dan dient
gewaardeerd te worden naar de verkoopwaarde
in het economisch verkeer. Dit
geldt eveneens voor grond die
binnen drie jaar voorafgaand aan het
indienen van de aanvraag is verpacht.
Artikel 11
Op grond van dit artikel
kunnen burgemeester en wethouders de vermogensbestanddelen waarderen die in
het zicht van de
bedrijfsbeëindiging zodanig zijn overgedragen of verkocht dat daarmee de inkomenstoets geheel of gedeeltelijk wordt
ontweken. Dit kan het geval zijn
indien de eigendom is overgedragen,
waarbij het vruchtgebruik is
voorbehouden. Het vermogen wordt dan nader
vastgesteld naar de waarde in het
economisch verkeer bij overdracht
zonder bezwaring. Voorts kan correctie nodig zijn indien
vermogensbestanddelen zijn verkocht voor een niet-reële prijs.
Artikel 12
Dit artikel is opgenomen met
het oog op die gevallen waarin de
waardering van de vermogensbestanddelen
belast met vrucht(gebruik) op basis
van de vermogensgrondslag van artikel 8, derde lid, voor de
gewezen
zelfstandige kennelijk onbillijk zou zijn. In
dergelijke gevallen kan de waardering
van deze vermogensbestanddelen lager
worden vastgesteld dan wel, indien
hiertoe in bijzondere gevallen
aanleiding bestaat, achterwege blijven.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|