|
BESLUIT
van 16 juni 1987, houdende regels met betrekking tot het inkomen als
bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Inkomensbesluit
Ioaz)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
12 maart 1987, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/BZ/ABB/BZ/87/U-2316/GvdW/RM;
Gelet op artikel 7, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 1987, 281);
De Raad van State gehoord (advies van 30 maart
1987, nr. W12.87.105);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 juni 1987,
Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, nr. SZ/DBZ/ABB/BZ/3169/GvdW/RM;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Stb. 1987, 281).
Art. 2.
-1. Voor de toepassing van artikel
5, tweede lid,
onder 2º en 3º, en derde
lid, onder 2º, van de wet wordt onder inkomen uit of in verband met arbeid in
het bedrijfs- of beroepsleven verstaan:
a. winst uit bedrijf en zelfstandig
uitgeoefend beroep;
b. de opbrengst van arbeid als bedoeld in de artikelen
3, 4, 5
en 9a
van het Inkomensbesluit Ioaw;
c. behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, inkomen in
verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven als bedoeld in artikel
7 van het Inkomensbesluit
Ioaw.
-2. Onder inkomen in verband met arbeid als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, wordt mede verstaan een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Stb. 1987, 92).
-3. Behoudens het bepaalde in artikel
3, derde lid, wordt onder inkomen
uit of in verband met arbeid als bedoeld in het eerste en tweede lid
van dit artikel niet verstaan het inkomen van de echtgenoot.
Art. 3.
-1. Onder winst, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel
a, wordt
verstaan:
a. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf
3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet, indien de gewezen zelfstandige het bedrijf of beroep heeft
uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak, maatschap, vennootschap
onder firma of commanditaire vennootschap;
b. hetgeen ingevolge het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk
II van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 als winst wordt
beschouwd indien de gewezen zelfstandige de onderneming heeft
uitgeoefend in de vorm van een naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap.
-2. Onder winst, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, worden niet verstaan de bestanddelen van de winst,
bedoeld in artikel
3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
-3. Onder winst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, worden mede
verstaan de partnervergoeding, bedoeld in artikel
3.16, vierde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, indien deze
vergoeding €|5000,00 of hoger is en de winst van de echtgenoot van
de gewezen zelfstandige indien het bedrijf of beroep mede voor rekening
van de echtgenoot wordt uitgeoefend. Onder winst, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, worden mede verstaan de betalingen die aan de
echtgenoot worden gedaan ter zake van in de onderneming verrichte
arbeid.
-4. De winst, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, wordt gecorrigeerd met alle geldelijke voor- en
nadelen voor de gewezen zelfstandige die uit diens verhouding tot de
besloten of naamloze vennootschap voortvloeien, tenzij het inkomen uit
of in verband met arbeid betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel b of c.
-5. Indien de toepassing van het eerste lid tot een kennelijk onredelijk
resultaat leidt, gelet op de aard en strekking van de
wet, corrigeren
burgemeester en wethouders de in dit lid bedoelde winst
dienovereenkomstig.
Art. 4.
-1. Voor de toepassing van artikel
8, eerste lid, van
de wet wordt
verstaan onder:
a. inkomen uit arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven: de opbrengst van
arbeid, bedoeld in de artikelen 3, 4,
5 en 5a
van het Inkomensbesluit Ioaw;
b. inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven: het
inkomen als bedoeld in artikel
7 van het Inkomensbesluit Ioaw, met uitzondering van het eerste lid,
onderdeel q, met dien verstande dat hieronder mede wordt verstaan een
uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers.
-2. Het inkomen uit of in verband met arbeid, bedoeld in het eerste lid,
wordt in de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt,
vastgesteld op het bedrag dat de gewezen zelfstandige en de echtgenoot
over die maand verwerven of redelijkerwijs geacht kunnen worden te
verwerven.
-3. Indien aannemelijk is dat een inkomensbestanddeel geen juiste
maatstaf biedt voor de bepaling van het in het eerste lid bedoelde
inkomen, wordt dat bestanddeel per maand vastgesteld op 1/3
onderscheidenlijk 1/12 van het bedrag dat over drie maanden
onderscheidenlijk één jaar is verworven.
-4. Indien de toepassing van het tweede en derde lid, gelet op het
tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk
onredelijk resultaat leidt, bepalen burgemeester en wethouders op welke
periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden over deze periode te
zijn verdeeld.
Art. 5.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1987.
Art. 6.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Inkomensbesluit Ioaz.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan
afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene
Rekenkamer.
’s-Gravenhage, 16 juni
1987
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
Uitgegeven de negenentwintigste
juni 1987
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|