|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit
ontheffing verplichtingen socialezekerheidswetten
- Besluit sollicitatieplicht
werknemers WW en IOW 2012
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
-
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke
boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling
vrijstelling verplichtingen socialezekerheidswetten
- Scholingsregeling WW
- Uitkeringsreglement
IOW 2009
- Vakantieregeling WW en IOW
Vervallen
nadere regelgeving:
- Inkomensbesluit Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
- Werkloosheidswet
- Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers
Inhoudsopgave
IOW
| Hoofdstuk
I |
Algemene
begrippen en algemene bepalingen |
artt.
1 - 2 |
| Hoofdstuk
II |
De
uitkering |
artt.
3 - 18 |
| §
1x |
De voorwaarden
voor het recht op uitkering |
artt.
3 - 6 |
| §
2x |
Eindigen,
herleven of wijzigen van het recht op uitkering |
artt.
7 - 9 |
| §
3x |
De hoogte van
de uitkering |
art.
10 |
| Hoofdstuk
III |
Rechten
en plichten in verband met het recht op uitkering |
artt.
11 - 18 |
| Hoofdstuk
IV |
Handhaving |
artt.
19 - 25 |
| Hoofdstuk
V |
Betaling
van de uitkering door het UWV |
artt.
26 - 39 |
| Hoofdstuk
VI |
Financiering |
art.
40 |
| Hoofdstuk
VII |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang |
artt.
41 - 47 |
| Hoofdstuk
VIII |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
48 - 51 |
| xxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2006-2007, 2007-2008, 30 819.
Handelingen II 2007-2008, blz. 5080-5089, 5114-5114.
Kamerstukken I 2007-2008, 30 819 (A, B, C, D).
Handelingen I 2007-2008, blz. 1413-1415.
Geschiedenis:
Staatsblad
2008, 340; Staatsblad 2008, 510;
Staatsblad 2009, 390; Staatsblad
2009, 580; Staatsblad 2009, 596;
Staatsblad 2010, 840;
Staatsblad 2010, 838; Staatsblad
2010, 867; Staatsblad 2011,
288; Staatsblad 2011, 618;
Staatsblad 2012, 2;
Staatsblad 2011, 645; Staatsblad
2012, 224; Staatsblad 2012,
361; Staatsblad 2012, 462;
Staatsblad 2012, 682.
WET van 19 juni 2008, Stb.
2008, 340, houdende regels voor een inkomensvoorziening voor oudere
werklozen (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen).
Inwerkingtreding: 1 december 2009 (Stb.
2008, 341). Vervalt met ingang van 1 juli 2016.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers tot
stand te brengen in verband met de wijziging van het WW-stelsel
en de bijzondere arbeidsmarktpositie van ouderen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
begrippen en algemene bepalingen
Art.
1. Algemene begrippen [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb. 2009, 390;
Stb. 2010,
838]
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
- aanvrager: de persoon die een aanvraag voor een uitkering op grond van
deze wet heeft ingediend dan wel schriftelijke toestemming heeft gegeven
om een aanvraag in te dienen;
- eerste dag van werkloosheid: de eerste dag van werkloosheid, bedoeld
in artikel 16a van de Werkloosheidswet;
- minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
- re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel een
rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
- uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een uitkering op
grond van deze wet;
- UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
- vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk
geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht;
- werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet;
- werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet;
- WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Art.
2. Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb. 2009, 596;
Stb. 2010, 840]
-1. Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde
partner;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd;
c. gehuwde: als partner
geregistreerde.
-2. Voor de toepassing van deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de
persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in
ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn
geweest of in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van
een uitkering op grond van deze wet voor de toepassing van deze wet
daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is
geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en
strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het
derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het
derde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid,
onderdeel d. [Bargh98]
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
HOOFDSTUK
2
De
uitkering
§
1. De voorwaarden
voor het recht op uitkering
Art.
3. Recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb. 2009, 390]
-1. Recht op uitkering
op grond van deze wet heeft de persoon:
a. wiens eerste dag van werkloosheid
tussen 30 september 2006 en 1 juli 2011 ligt;
b. die op die dag 60 jaar of ouder
is;
c. die op die dag voldeed aan de
voorwaarden voor duurverlenging, bedoeld in artikel
42, tweede lid, van de Werkloosheidswet; en
d. op wie geen uitsluitingsgrond van
toepassing is als bedoeld in artikel 6.
-2. Tevens heeft recht op uitkering op
grond van deze wet de persoon:
a. die ter zake van een eerder recht
op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b
en c, voldoet;
b. voor wie nadien een nieuw recht
op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan ter zake
waarvan artikel 42b van de Werkloosheidswet
toepassing heeft gevonden of ter zake waarvan voldaan is aan de
voorwaarden voor duurverlenging, bedoeld in artikel
42, tweede lid, van de Werkloosheidswet; en
c. op wie geen uitsluitingsgrond van
toepassing is als bedoeld in artikel 6.
-3.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het eerdere recht, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, geheel niet geldend is gemaakt
als gevolg van een maatregel van blijvend gehele weigering als bedoeld
in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Werkloosheidswet.
-4. Het recht op uitkering ontstaat op de
dag na de dag waarop de geldende uitkeringsduur op grond van de
Werkloosheidswet is verstreken, tenzij op de dag voorafgaand aan het
verstrijken van de uitkeringsduur een maatregel van blijvend gehele
weigering van de uitkering op grond van artikel
27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet
van toepassing is.
Art.
3a. Recht op uitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 390]
-1. Recht op een uitkering op grond van
deze wet heeft tevens de persoon:
a. voor wie tussen 31 december 2007
en 1 juli 2011 recht is ontstaan op de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering;
b. die op de dag dat het recht op de
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering ontstond 60 jaar of
ouder is; en
c. op wie geen uitsluitingsgrond als
bedoeld in artikel 6 van toepassing is.
-2. Het recht op een uitkering op grond van
dit artikel ontstaat op de dag na de dag waarop de geldende
uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is
verstreken en kan niet eerder ontstaan dan na inwerkingtreding van deze
wet.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing
indien artikel 59, derde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen toepassing heeft gevonden,
tenzij de eerste dag van de werkloosheid op grond waarvan een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet werd ontvangen
als bedoeld in dat artikel, lag op of na 1 oktober 2006 en de persoon op
die dag 60 jaar of ouder was.
Art.
4. Vaststelling recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb. 2010,
838]
-1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht
op een uitkering op grond van deze wet bestaat.
-2. Een aanvraag wordt ingediend bij het
UWV.
-3. Het recht op uitkering kan niet worden
vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag
waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend. Het UWV is bevoegd in
bijzondere gevallen af te wijken van de vorige zin.
Art.
5. Later ontstaan van het recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
Indien geen recht op uitkering is ontstaan omdat op de persoon, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, en artikel 3a,
eerste lid, één of meer uitsluitingsgronden van toepassing
waren, ontstaat alsnog recht op die uitkering op de dag dat zich geen
van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
Art.
6. Uitsluitingsgronden [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb. 2010, 840;
Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 618; Stb. 2012, 2;
Stb. 2012, 361]
-1. Voor het recht op uitkering gelden de
volgende uitsluitingsgronden:
a. het buiten Nederland wonen of
verblijf houden anders dan wegens vakantie;
b. het niet rechtmatig verblijf
houden in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000;
c. het rechtens zijn vrijheid zijn
ontnomen;
d. het
zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
e. het genieten van vakantie;
f. het bereiken of bereikt hebben van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet.
-2. Het eerste lid, onderdeel a, is
niet van toepassing ten aanzien van de persoon die gedurende het
buitenlands verblijf meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn
voor zijn inschakeling in de arbeid, mits:
a. die activiteiten niet langer
duren dan zes maanden;
b. die activiteiten blijkens een
intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een aansluitende
dienstbetrekking voor ten minste zes maanden;
c. die activiteiten plaatsvinden in
een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in
Zwitserland; en
d. het bedrag dat het UWV
is
verschuldigd ter zake van die activiteiten niet hoger is dan het op
grond van artikel 4.2, derde lid, van het
Besluit SUWI vastgestelde
bedrag.
-3. Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder intentieverklaring verstaan: een ondertekende verklaring
waarin de ondertekenaar aangeeft dat hij het voornemen heeft om een
persoon die meewerkt aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn
inschakeling in de arbeid, na afloop van die activiteiten in dienst te
nemen.
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is
niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf
of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een penitentiaire
inrichting of een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden.
[Bevsz]
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor gevallen waarin toepassing van het eerste
lid, onderdeel a tot en met e, tot onbillijkheden zou
kunnen leiden, op grond waarvan die onderdelen niet van toepassing zijn.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot: [VWI]
a. het begrip vakantie genieten,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel e;
b. de vaststelling van de periode
gedurende welke de aanvrager of uitkeringsgerechtigde in afwijking van
het eerste lid, onderdeel d, met behoud van zijn recht op
uitkering vakantie kan genieten.
§
2. Eindigen,
herleven of wijzigen van het recht op uitkering
Art.
7. Eindigen van het recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
Het recht op een uitkering eindigt:
a.
met ingang van de dag waarop er ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde
een uitsluitingsgrond van toepassing is;
b. de dag volgend op de dag waarop
de uitkeringsgerechtigde overlijdt.
Art.
8. Herleven van het recht op uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
Indien geen recht op een uitkering meer bestaat omdat op de persoon,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel
3a, eerste lid, één of meer uitsluitingsgronden als
bedoeld in artikel 6 van toepassing waren, herleeft het recht op die
uitkering op de dag dat zich ten aanzien van die persoon geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet.
Art.
9. Intrekking en herziening beschikkingen
[Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
-1. Onverminderd artikel 19 herziet het
UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen
in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet
volledig nakomen van de artikelen
12, 13, 14 of 15 en de
daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering ten onrechte is
vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog
bedrag is vastgesteld;
b. anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld;
c. het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, ertoe leidt dat niet
kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen zijn,
kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
§
3. De hoogte van
de uitkering
Art.
10. Hoogte van de uitkering [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb. 2010,
838]
-1. De uitkering bedraagt per
kalendermaand:
0,7 x (A - B)
waarbij:
A niet hoger is dan het minimumloon
en staat voor de som van:
a. 10/7 vermenigvuldigd met het totale bedrag aan uitkeringen exclusief
vakantiebijslag dat de uitkeringsgerechtigde ontving op grond van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen in de kalendermaand
voorafgaande aan de dag waarop de geldende uitkeringsduur van de
uitkering op grond van de Werkloosheidswet of van de WGA-uitkering is
verstreken; en
b. het loon uit dienstbetrekking dat de uitkeringsgerechtigde in die
maand verdiende, waarbij A wordt herzien op de wijze als bedoeld in
artikel 14 van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag"
en
wordt "B staat voor het in de desbetreffende kalendermaand
verworven inkomen"
vervangen
door "B staat voor het inkomen
per kalendermaand".
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan
inkomen dat op grond van artikel 34 van de Werkloosheidswet
geheel in mindering is gebracht op de uitkering op grond van de
Werkloosheidswet.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
worden de uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet en de Ziektewet,
bedoeld in eerste lid, onderdeel a, vermenigvuldigd met 21,75 en
vervolgens gedeeld door het aantal werkdagen in die betreffende
kalendermaand.
-4. Onder inkomen als bedoeld in het eerste
lid wordt verstaan het inkomen uit arbeid.
-5. Op de uitkering wordt overig inkomen geheel in mindering gebracht.
-6. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder
inkomen uit arbeid als bedoeld in het vierde lid en overig inkomen als
bedoeld in het vijfde lid. [Ais]
[II]
-7. Voor zover het
recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedeeltelijk is geëindigd
door het verrichten van werkzaamheden als lid van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal, van een vertegenwoordigend orgaan van een
publiekrechtelijk lichaam dat bij rechtstreekse verkiezing wordt
samengesteld of een algemeen bestuur van een waterschap, staat bij de
toepassing van het eerste lid, onder A, in afwijking in zoverre van het
eerste lid, voor het minimumloon.
-8. Voor zover het recht op uitkering op
grond van de Werkloosheidswet gedeeltelijk is geëindigd door het
verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel
8, eerste lid, van die wet, wordt bij de
toepassing van het eerste lid voor de vaststelling van onderdeel a
van factor A uitgegaan van het bedrag aan loondervingsuitkering dat zou
zijn genoten indien die werkzaamheden niet zouden zijn verricht.
-9. Het achtste lid is van overeenkomstige
toepassing indien de loongerelateerde uitkering van de
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk
7 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, is verlaagd als gevolg van het verrichten van
werkzaamheden uit hoofde waarvan de aanvrager geen werknemer is als
bedoeld in de artikelen 8 en 9
van die wet.
HOOFDSTUK
3
Rechten en
plichten in verband met het recht op uitkering
Art.
11. Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
-1. De uitkeringsgerechtigde heeft recht op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het UWV
noodzakelijk
geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet
sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op de
arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het
verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen
2 en 7 van die wet.
Art.
11a. Algemeen geaccepteerde arbeid [Geschiedenis:
Stb.
2009, 390]
Behoudens voor de toepassing van artikel 13, tweede en
derde lid, wordt niet als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd arbeid
op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening.
Art.
12. Informatieplicht, medewerking controle en
procedurevoorschriften [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb. 2010, 840]
-1. De aanvrager, de uitkeringsgerechtigde
en de instelling waaraan op grond van artikel 30 een uitkering op grond
van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen
beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het
recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de
uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van
re-integratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet voor zover een
recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als gevolg van een
blijvend gehele weigering.
-2. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde:
a. voldoen aan elke oproep van het
UWV of van één of meer door het UWV aangewezen personen om aanwezig te
zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats voor beantwoording
van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken aan
onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van de
controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel d;
b. beantwoorden vragen die door het
UWV of door één of meer door het UWV aangewezen personen in verband met
het recht op uitkering op grond van deze wet worden gesteld;
c. werken mee
aan een voor hen gewenst onderzoek naar hun arbeidsgeschiktheid door een
arts, een psycholoog of een beroepskeuzeadviseur;
d. leven door het UWV vastgestelde
voorschriften als bedoeld in artikel 17 na.
-3. De verplichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing
ten aanzien van:
a. het re-integratiebedrijf dat in
opdracht van het UWV werkzaamheden verricht; of
b. personen die met toestemming van
het UWV zijn aangewezen door een re-integratiebedrijf als bedoeld in
onderdeel a, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering
van de bij overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen
taken.
-4. De uitkeringsgerechtigde die bij
deelname aan een re-integratietraject zijn re-integratieverplichtingen
niet naleeft, deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het
re-integratiebedrijf.
Art.
13. Plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht
op uitkering op grond van deze wet [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde gedragen zich zodanig dat zij door hun doen en
laten het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de
Toeslagenwet,
niet benadelen of zouden kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin
van dit lid is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel
12.
-2. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde voorkomen dat zij door eigen toedoen geen algemeen
geaccepteerde arbeid behouden.
-3. De aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde heeft door eigen toedoen geen algemeen
geaccepteerde arbeid behouden, indien:
a. hieraan een dringende reden ten
grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde ter zake een verwijt
gemaakt kan worden;
b. de dienstbetrekking is beëindigd
door of op verzoek van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde zonder
dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat
deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
-4. Het niet voeren van verweer door de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde tegen of het instemmen van de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde met de beëindiging van de
dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot
overtreding van de verplichting, bedoeld in het eerste of tweede lid.
Art.
14. Plichten gericht op het vergroten van mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb. 2012,
224]
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde trachten in voldoende mate de mogelijkheden tot
het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid te behouden of te
verkrijgen.
-2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in
het eerste lid, zijn de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde in elk
geval verplicht: [SW]
a. zich geneeskundig te laten
behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV
of
het re-integratiebedrijf in opdracht van het UWV, op grond van het
advies van een arts daartoe opdracht geeft en de genezing niet te
belemmeren;
b. mee te werken aan activiteiten of
werkzaamheden, gericht op inschakeling in de arbeid, die het UWV
wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van
algemeen geaccepteerde arbeid;
c. mee te werken aan aanpassing van
de arbeidsplaats en aan persoongebonden voorzieningen die het UWV
verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die
voorzieningen te verkrijgen.
Art.
15. Plichten gericht op inschakeling in de arbeid [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde:
a. staan als werkzoekende
geregistreerd en verlengen die registratie tijdig;
b. trachten in voldoende mate
algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; [BswWI12]
c. aanvaarden aangeboden algemeen
geaccepteerde arbeid;
d. stellen geen eisen in verband met
door hen te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van
algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
e. voorkomen dat zij door eigen
toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen.
Art.
16. Vrijstelling en ontheffing van verplichtingen [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb. 2010,
838]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld waarbij groepen personen worden vrijgesteld van de
verplichtingen, bedoeld in de artikelen 12, tweede
lid, onderdeel c, 14 en 15.
[Rvvs]
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan aanvragers en
uitkeringsgerechtigden in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan
worden verleend van verplichtingen hen opgelegd op grond van de artikelen
12, tweede lid, onderdeel c, 14 en 15.
[Bovs]
-3.
De artikelen 14, eerste lid, en 15
zijn niet van toepassing op de werknemer die blijkens een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep van de Wet
sociale werkvoorziening behoort.
Art.
17. Uitkeringsreglement [UI09]
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Het UWV stelt een uitkeringsreglement
vast, dat bepalingen bevat omtrent:
a. voorschriften ten behoeve van een
doelmatige controle;
b. voorschriften met betrekking tot
het genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering;
c. andere voorwaarden die aan het
ontvangen van uitkering zijn verbonden.
-2. Het op grond van het eerste lid door
het UWV vastgestelde uitkeringsreglement behoeft goedkeuring van Onze
Minister.
Art.
18. Verplichting werkgever [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
De werkgever is verplicht de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde
gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hen bij of krachtens deze
wet toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de bij of krachtens
deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de
arbeidstijd kan geschieden.
HOOFDSTUK
4
Handhaving
Art.
19. Weigering uitkering bij niet-nakoming verplichtingen
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
-1. Het UWV weigert een uitkering op grond
van deze wet blijvend geheel indien de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde de verplichting, bedoeld in artikel
13, tweede lid,
niet is nagekomen. Indien het niet nakomen van de verplichting die
persoon niet in overwegende mate kan worden verweten, weigert het UWV in
afwijking van de eerste zin de uitkering over een periode van 26 weken
gedeeltelijk door de uitkering te halveren.
-2. Het UWV weigert een uitkering op grond
van deze wet indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een
verplichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel c of e,
niet of niet behoorlijk is nagekomen blijvend naar de mate waarin die
persoon met het verrichten van de betreffende arbeid inkomen zou kunnen
hebben verwerven.
-3. Het UWV weigert een uitkering op grond
van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde een verplichting hem op grond van
de artikelen 12, 13, eerste lid, 14 of
15 onderdeel a, b
of d, of artikel 55, tweede lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid,
niet binnen de door het UWV daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-4. Een maatregel als bedoeld in het derde
lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de gedraging verweten kan worden.
Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-5. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een maatregel als bedoeld in het derde of vierde lid en volstaan met het
geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig
nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid
tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in
artikel 15, onderdeel a, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder
aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
-6. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-7. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 21 wordt opgelegd.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld met betrekking tot het derde en vierde lid.
[Mszw]
Art.
20. Maatregel bij herleving van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
Indien het UWV een maatregel als bedoeld in artikel 19 heeft opgelegd,
zet het in geval van herleving van het recht op uitkering als bedoeld in
artikel 8 een weigering van de uitkering voort.
Art.
21. Boete bij niet nakomen verplichtingen [Bbw10]
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb.
2012, 462]
-1. Het UWV
legt een bestuurlijke boete op
van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk
nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de
verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid. De bestuurlijke boete
is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden
opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
12,
eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is
ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de
verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, niet heeft geleid tot
een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten
hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. Het UWV kan afzien van het opleggen
van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen door de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van de
verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer
een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. Het UWV legt een bestuurlijke boete op
wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde van de verplichting, bedoeld in artikel
12, eerste
lid, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150% van het
benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand
aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke
boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere
overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is
geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld
in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, van deze wet,
12 van de Toeslagenwet, 25 van de
Werkloosheidswet, 80 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
27, eerste lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 31, eerste lid,¹ of
49 van de Ziektewet,
als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering,
ziekengeld of toeslag is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde is gestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf.
-8. Het UWV kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-11. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-12. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde wijzigen.
1. Volgens de redactie
dient ", 31, eerste
lid" te worden vervangen door: of 31, eerste
lid.
Art.
22. Nadere regels betaling van boeten [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan
worden verleend. [Rtbbtob]
Art.
23. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2012, 462]
Art.
24. Invordering bestuurlijke boete [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb.
2009, 580; Stb. 2010, 840;
Stb. 2011, 645; Stb.
2012, 462]
-1. Het UWV verrekent de bestuurlijke boete
met een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet, de
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg,
de Werkloosheidswet of
een toeslag op grond van de Toeslagenwet, die de overtreder ontvangt.
-2. De Sociale verzekeringsbank
onderscheidenlijk de gemeente betaalt het bedrag van de bestuurlijke
boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op zijn verzoek aan
het UWV indien de overtreder een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de
bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan
wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de overtreder zijn verplichting,
bedoeld in artikel 21, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd
tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de
vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet
bestuursrecht, niet bij de invordering van
een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de hoogte van het op grond van artikel
24,
eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen
waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. [Rtbbtob]
Art.
24a. Verrekening bestuurlijke boete bij
recidive [Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
24, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
21,
vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in
afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar
vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
opgelegd.
-2. Artikel 24, eerste lid, en het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel
21,
zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld
in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is
betaald.
-3. Het UWV kan op verzoek van de
overtreder besluiten het eerste en tweede lid niet of niet meer toe
te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen
daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel
24, eerste
lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze
wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van
kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden
gesteld van de leefsituatie.
Art.
25. In kennis stellen re-integratiebedrijf van
sanctieoplegging [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
Indien het UWV de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde de uitkering op
grond van deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft
geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het
UWV het re-integratiebedrijf dat ten behoeve van die persoon
werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van dat
besluit in kennis voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van
de werkzaamheden door het re-integratiebedrijf.
HOOFDSTUK
5
Betaling
van de uitkering door het UWV
Art.
26. Betaling van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
Het UWV betaalt de uitkering waarop op grond
van deze wet recht bestaat per maand achteraf.
Art.
27. Recht op vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
De
uitkeringsgerechtigde die over een maand recht heeft op een uitkering op
grond van deze wet, heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.
Art.
27a. Hoogte van de vakantie-uitkering [Geschiedenis:
Stb.
2009, 390; Stb. 2010, 840]
-1.
De vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan uitkering op
grond van deze wet waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf
maanden voorafgaande aan de maand mei.
-2.
Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het
in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt
in aanmerking genomen over de uitkering waarop op grond van deze wet
recht bestaat vanaf de dag waarop de wijziging ingaat.
-3.
Het UWV betaalt de vakantie-uitkering
jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei
geheel eindigt, in de desbetreffende maand.
-4.
De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art.
28. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb.
2011, 288]
Art.
29. Overlijdensuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb. 2010, 840;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2]
-1. Na het overlijden van de
uitkeringsgerechtigde wordt met ingang van de dag na het overlijden een
overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de echtgenoot van de
uitkeringsgerechtigde;
b. bij ontstentenis van de
echtgenoot, aan het minderjarige kind of de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene
in gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk aan
het bedrag van de uitkering over een periode van een kalendermaand, berekend
naar de hoogte van die uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag
van overlijden van de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, en artikel 3a, eerste lid.
-3. In verband met het overlijden van de
uitkeringsgerechtigde is artikel 6, eerste lid, onderdeel
f, niet
van toepassing.
-4. De overlijdensuitkering wordt
ambtshalve of op
verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste
lid, door het UWV uitbetaald.
-5. Het bedrag van de overlijdensuitkering
wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na het overlijden
gelegen dagen reeds is uitbetaald.
-6. De overlijdensuitkering is niet vatbaar
voor beslag.
-7. De overlijdensuitkering wordt in een
bedrag ineens uitbetaald.
Art.
30. Betaling aan instellingen [BbzmC]
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde
aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een
bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het UWV
bevoegd de uitkering
tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de
uitkeringsgerechtigde zonder diens machtiging uit te betalen aan het College
voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel
60, eerste lid, van
de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de uitkeringsgerechtigde in een
inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is
opgenomen en het UWV van de desbetreffende inrichting of van het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de
opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de uitkering aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat
verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid toepassing vindt,
heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het
gedeelte van de uitkering op grond van deze wet dat niet aan het
College voor zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
-4. Een herziening van de uitkering op
grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art.
31. Verjaringstermijn [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
De uitkering op grond van deze wet die niet in ontvangst is genomen of
is ingevorderd binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling wordt niet
meer betaald.
Art.
32. Voorschot [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op de uitkering beschouwd als een uitkering op grond van deze
wet.
Art.
33. Opschorting en schorsing van de betaling
[Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Onverminderd artikel 32 schort het
UWV de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien het op
grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde
vermoedens heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of
niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering
bestaat; of
c. de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in de artikelen
12,
eerste of tweede lid, 13, 14 of 15 niet is nagekomen.
-2. Indien een re-integratiebedrijf aan het
UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een aanvrager of
een uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleent aan de op hem
betrekking hebbende werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, neemt
het UWV een besluit omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of
schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur
van ten hoogste acht weken.
-3. Het UWV stelt het re-integratiebedrijf
in kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in
het tweede lid.
Art.
34. Terugvordering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
-1. Een uitkering die op grond van deze wet
onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als
bedoeld in artikel 9 of 19 door het
UWV onverschuldigd is betaald of
verstrekt, wordt door het UWV teruggevorderd.
-2. De uitkering wordt van de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde teruggevorderd indien blijkt dat deze over dezelfde
periode waarover een uitkering op grond van deze wet is verleend later
inkomsten ontvangt waarmee bij de vaststelling van de uitkering rekening
zou zijn gehouden.
-3. De persoon van wie wordt teruggevorderd,
verstrekt desgevraagd aan het UWV de inlichtingen die voor de
terugvordering van belang zijn.
Art.
35. Afzien van terugvordering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2012, 462]
-1. In afwijking van artikel
34, eerste en
derde lid, kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere
terugvordering af te zien, indien de persoon van wie wordt
teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten,
alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 12, eerste lid.
-3. De in het eerste lid, onderdeel a en
b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddelde inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 12, eerste lid.
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
-5. In afwijking van artikel
34, eerste en
derde lid, kan het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te
vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag
niet te boven gaat. [Rtbbtob]
[Rtgb]
Art.
35a. Schuldregeling [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
-1. In afwijking van artikel
34, eerste en derde lid, kan het UWV, op
verzoek van de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden
te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het UWV wegens
onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het UWV
betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een
schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de
belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 12,
eerste lid, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel
21 is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond
van het Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn schuld aan
het UWV niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
35b. Preferentie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
Een vordering van het UWV als bedoeld in artikel
34 en 35a is bevoorrecht en
volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
36. Executoriale titel beschikking tot terugvordering
[Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Het UWV kan de onverschuldigd betaalde
uitkering, bedoeld in artikel 34, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 24 is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddelde inkomen van de
belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het UWV de aflossingsbedragen
lager vaststelt.
Art.
37. [Nadere regelgeving terugvordering] [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de artikelen 34, 35 en 36 alsmede omtrent de termijn waarvoor
uitstel van betaling kan worden verleend van hetgeen onverschuldigd is
betaald. [Rtbbtob]
Art.
38. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
Art.
39. Onvervreemdbaarheid [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Een uitkering op grond van deze wet is
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
uitkering op grond van deze wet onder welke vorm of benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elke beding strijdig met dit artikel
is nietig.
HOOFDSTUK
6
Financiering
Art.
40. Financiering [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390; Stb.
2011, 288]
-1. De op grond van deze wet te betalen
uitkeringen, de door het
UWV verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen
ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in artikel 31 van de
Toeslagenwet.
-2. Ter dekking van de uitkeringen en de
kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt het Toeslagenfonds voorzien van
middelen van het Rijk alsmede van de met de toepassing van artikel 21
verkregen boeten.
-3. Het UWV beheert en administreert
afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het
eerste lid, in de vorm van een onderdeel van het Toeslagenfonds.
HOOFDSTUK
7
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
Art.
41. Algemene beslistermijnen [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Onverminderd artikel 42 worden
beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een
persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking
niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
Art.
42. Bijzondere beslistermijnen [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb. 2010, 840]
-1. Een beschikking over de betaling van
een voorschot op grond van artikel 4:95 van de
Algemene wet
bestuursrecht wordt gegeven binnen vier weken na ontvangst van de
aanvraag.
-2. Indien een beschikking als bedoeld in
het eerste lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven,
wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van
een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
Art.
43. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008; Stb.
2012, 682]
Art.
44. Beslistermijn in bezwaar [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht beslist het UWV binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.
Art.
45. Delegatiebepaling bezwaar medische besluiten [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan
een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art.
46. Strafbaar feit [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008]
-1. De werkgever die zijn verplichting als
bedoeld in artikel 18 niet nakomt, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
-2. Het in het eerste lid omschreven
strafbare feit is een overtreding.
Art.
47. Beroep in cassatie [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad
van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter
zake
van schending of verkeerde toepassing van artikel 2, tweede tot en met
zesde lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van
een gerechtshof.
HOOFDSTUK
8
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
48. Verruiming grondslag lagere regelgeving [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008; Stb.
2009, 390]
-1. De volgende algemene maatregelen van
bestuur berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de
desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die maatregelen
genoemde artikelen van deze wet:
a. het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998: artikel
2, zesde lid;
b. het Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid: artikel
6, vierde lid;
c. het Boetebesluit
socialezekerheidswetten: artikel 21, vijfde lid;
d. het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten: artikel 19,
achtste lid;
e. het Besluit
ontheffing verplichtingen WW en Wet WIA: artikel 16, tweede lid.
-2. De volgende ministeriële regelingen
berusten met ingang van de dag van inwerkingtreding van de
desbetreffende bepalingen van deze wet mede op de bij die regelingen
genoemde artikelen van deze wet:
a. de Regeling
tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde
betalingen: artikel 22 en artikel
37;
b. de Regeling
terugvordering geringe bedragen: artikel 35, vierde lid;
c. de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA: artikel 16, eerste lid;
d. Scholingsregeling
WW: artikel 14,
tweede lid.
Art.
48a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
Art.
48b. Overgangsbepaling in verband met de re-integratievisie
en het re-integratieplan [Geschiedenis:
Stb.
2012, 224]
-1. De
verplichtingen die zijn opgenomen in de re-integratievisie en het
re-integratieplan zoals die zijn opgesteld vóór de dag waarop artikel
III, onderdeel A, van de Wet van 21 mei
2012 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen in verband met aanpassing van de dienstverlening van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan werkgevers en
werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor werk en inkomen als
publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en van de
Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de beëindiging
van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van
loonkostensubsidies inwerking is getreden, blijven van toepassing op
de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde.
-2. Dit artikel vervalt vijf jaar na de dag
waarop artikel III, onderdeel A, van de Wet
van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de
dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor werk en
inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en
van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de beëindiging
van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van
loonkostensubsidies in werking is getreden.
Art.
49. Evaluatie [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008]
Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
50. Inwerkingtreding [Geschiedenis:
MvT; versie
19 juni 2008]
-1. Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Deze wet vervalt met ingang van 1 juli
2016.
1. Bij Besluit
van 18 augustus 2008, Stb. 2008, 341, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 december 2009, red.
Art.
51. Citeertitel [Geschiedenis:
versie
19 juni 2008]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
19 juni 2008
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achtentwintigste
augustus 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
MEMORIE VAN TOELICHTING
|
|