|
rblz.|14|
3. Activering en
re-integratie
3.1. Re-integratie van
werkloze werknemers
Met de Wet
wijziging WW-stelsel is de activerende werking van de WW versterkt en het
re-integratiebeleid en -instrumentarium verbeterd. Het karakter van de WW als brug
van werk naar werk is versterkt. Eenmaal ingestroomd in een uitkering
moeten ook oudere werkloze werknemers, net als alle andere
werknemers, via bemiddeling door het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.] of ondersteuning door het UWV, er alles aan
doen om de uitkeringsduur te beperken.
De activering en bevordering
van de arbeidsparticipatie van de oudere werklozen staan centraal in
dit wetsvoorstel. Bij de vormgeving van het re-integratiebeleid voor
deze oudere werkloze werknemers is uitgegaan van het naadloos in elkaar
laten overlopen van hetgeen in een eerste werkloosheidsfase (WW) op
het gebied van re-integratie heeft plaatsgevonden en hetgeen vervolgens in een
tweede werkloosheidsfase (IOW) nog moet gebeuren. De
perioden van WW en IOW worden dus als één werkloosheidsperiode
beschouwd.
3.1.1. De eerste
werkloosheidsfase
Bij aanvang van de
WW-uitkering beoordeelt het CWI de afstand van de WW-gerechtigde tot de
arbeidsmarkt. Het streven naar "werk boven uitkering" en klantgericht maatwerk
staan daarbij centraal. Wanneer zelfredzaamheid bij het zoeken naar werk
verwacht mag worden, wordt de uitkeringsgerechtigde door het CWI begeleid (route
A). Als de inschatting van het CWI is dat de
uitkeringsgerechtigde meer ondersteuning nodig heeft bij de
re-integratie, draagt
het CWI hem over aan het UWV (route B).
Het UWV stelt voor personen
die bij aanvang van de werkloosheid een grote(re) kans hebben op
langdurige werkloosheid een re-integratievisie ¹ op, waarin het UWV vastlegt
hoe de re-integratie voor de betrokken uitkeringsgerechtigde vorm wordt gegeven. In de
re-integratie-visie zijn daarnaast de afspraken opgenomen die
de re-integratiecoach van het UWV met de uitkeringsgerechtigde
heeft gemaakt over zijn rechten en plichten en over de consequenties van
het niet naleven van de plichten. Uitkeringsgerechtigden die
na zes tot negen maanden begeleiding door het CWI nog geen werk hebben
gevonden, worden overdragen naar het UWV voor een meer intensieve
begeleiding door een re-integratiecoach.
1. De re-integratievisie,
die het UWV opstelt, moet niet verward worden met
het re-integratieadvies van het CWI. Het CWI beoordeelt, zoals vermeld, de afstand
tot de arbeidsmarkt en adviseert het UWV met
betrekking tot moeilijk plaatsbare
werkzoekenden over de wijze waarop diens
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling verbeterd kunnen worden. Een en ander wordt tezamen met
de opvattingen van de werkzoekende
vastgelegd in het re-integratieadvies (artikel 26
Wet SUWI).
3.1.2. De tweede
werkloosheidsfase
Na afloop van de
WW-uitkering kunnen oudere werklozen die onder de reikwijdte van de IOW
vallen
een IOW-aanvraag indienen bij het UWV. De uitkeringsintake
IOW vindt
vervolgens plaats bij het UWV. Evenals de WW-uitkeringsgerechtigde
heeft de IOW-uitkeringsgerechtigde recht op ondersteuning bij de
re-integratie op de arbeidsmarkt. Ook nu staat individueel maatwerk voor de
uitkeringsgerechtigde centraal. Een belangrijke rol is hierbij weggelegd
voor de re-integratiecoach van het UWV. Deze maakt met de oudere werkloze
afspraken over de invulling van de sollicitatieplicht en de inzet van
re-integratieactiviteiten. Die afspraken sluiten aan op de inspanningen die
de betrokkene tijdens de eerste fase van werkloosheid reeds heeft
geleverd. Daarnaast worden de afspraken afgestemd op de situatie en
problematiek, de competenties en beperkingen van de cliënt.
De re-integratiecoach
bepaalt, in samenspraak met de cliënt, de in te zetten activiteiten. Die
activiteiten kunnen variëren van begeleiding door de re-integratiecoach bij
het zoeken naar een baan tot het inkopen van re-integratietrajecten,
scholing of een proefplaatsing. Ook kan de rblz.|15|
IOW-gerechtigde, evenals een
WW-gerechtigde, in aanmerking komen om te starten als zelfstandig
ondernemer. Personen die van deze re-integratievorm al gebruik
hebben gemaakt tijdens de WW-periode komen hiervoor niet in
aanmerking. Het starten als zelfstandig ondernemer is immers gedurende de
gehele werkloosheidsperiode slechts eenmaal mogelijk.
Na toestemming van het UWV
kan de IOW-gerechtigde gedurende zes maanden werkzaamheden
verrichten ten behoeve van de opgestarte eigen onderneming zonder
zijn uitkering te verliezen of te solliciteren. Bij het bepalen van de hoogte
van de uitkering worden eventuele inkomsten uit zelfstandig
ondernemerschap gerekend tot het inkomen. Op dit punt verschilt de regeling met de
WW. In de WW worden deze inkomsten verrekend worden met de WW-uitkering,
waarbij 30% wordt vrijgelaten. Een dergelijke hoge vrijlating
past niet in het karakter van de IOW als minimumuitkering. Uiteraard geldt wel de
vrijlatingsregeling voor inkomsten, zoals beschreven in paragraaf
2.5.2.
3.2. Plichten
IOW
Bij de vormgeving van de aan
de IOW-uitkering verbonden plichten is qua inhoud zoveel mogelijk
aansluiting gezocht bij de WW en de Ioaw. De oudere werkloze ontving
voorafgaand aan zijn IOW-uitkering een WW-uitkering en is reeds
bekend met het aan de WW verbonden verplichtingenkader. Het
ligt daarmee in de rede de in de WW neergelegde lijn zoveel mogelijk te
continueren. Anderzijds is rekening gehouden met het in de Ioaw vervatte
verplichtingenkader aangezien het karakter van de IOW raakvlakken
vertoont met dat van de Ioaw. Beide voorzien immers in een
werkloosheidsuitkering voor oudere werklozen. In de wettekst zijn de plichten
geredigeerd in lijn met de Wet WIA.
De aan de IOW-uitkering
verbonden plichten zijn ingedeeld in informatie- en medewerkingsplichten
(paragraaf 3.2.1), plichten ter voorkoming van ontstaan en bestaan van
recht op uitkering op grond van deze wet, plichten gericht op het
vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en plichten gericht
op inschakeling in de arbeid.
3.2.1. Informatieplicht en
meewerken aan controle
In artikel 17
[12] van de
onderliggende wet zijn verplichtingen opgenomen die onder de noemer
informatieplicht en de plicht tot medewerking aan controle en
procedurevoorschriften vallen:
- de algemene
informatieplicht aan het UWV. Uitkeringsgerechtigden moeten onder meer informatie
verstrekken over zaken als verrichte werkzaamheden, genoten
inkomsten en sollicitatieactiviteiten.
- de verplichting te
voldoen aan oproepen van het UWV of door het UWV aangewezen personen
(bijvoorbeeld het ingeschakelde re-integratiebedrijf (RIB))
om te verschijnen, vragen te beantwoorden en de door het UWV
vastgestelde controle- en vakantievoorschriften op te volgen.
- de verplichting mee te
werken aan een door het UWV of ingeschakeld RIB gewenst onderzoek.
Hierbij moet worden gedacht aan het meewerken aan een onderzoek
naar de arbeidsgeschiktheid door een arts, psycholoog of
beroepskeuzeadviseur.
- de verplichting om
onmiddellijk aan het RIB mee te delen wat de reden is van het niet naleven van
re-integratieverplichtingen bij deelname aan een re-integratietraject.
Overigens zij opgemerkt dat
de verplichting onverwijld inzage te verstrekken aan het UWV,
CWI of RIB in een geldig identificatiebewijs niet in de IOW
is geregeld omdat
dit reeds voortvloeit uit artikel 55, tweede lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).
rblz.|16|
3.2.2. Algemeen geaccepteerde
arbeid in de IOW
Bij de vormgeving van de
plichten in de artikelen 18 [13], 19 [14]
en 20 [15] is in lijn met de Ioaw
gekozen het begrip "arbeid" in te vullen als "algemeen geaccepteerde
arbeid". WW-gerechtigden
hebben de plicht te solliciteren naar passende arbeid; IOW-gerechtigden hebben de plicht te solliciteren naar algemeen geaccepteerde
arbeid.
Deze keuze is ingegeven door
een drietal overwegingen.
Ten eerste heeft de SER
in
zijn advies over de toekomstbestendigheid van de WW aanbevolen het zoeken
naar algemeen geaccepteerde arbeid centraal te stellen in de IOW. De regering kan zich in deze aanbeveling vinden.
Ten tweede heeft de
betrokkene voorafgaand aan zijn IOW-uitkering een tijd recht gehad op een
WW-uitkering. Het begrip passende arbeid krijgt - naarmate de WW-uitkering
langer duurt - steeds meer de betekenis van algemeen geaccepteerde
arbeid. Dit rechtvaardigt dat de verplichting om weer aan het werk te komen
na afloop van de WW-uitkering ziet op het verwerven van algemeen
geaccepteerde arbeid.
Ten slotte heeft de IOW,
evenals de Ioaw, het karakter van een inkomensvoorziening.
3.2.3. Plichten ter
voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van
deze wet
De onder het eerste en
tweede lid genoemde plichten van artikel 18 [13]
houden in dat de IOW-gerechtigde zich zodanig
gedraagt dat hij door zijn doen en laten het
Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Een benadelingshandeling kan
daarbij gebaseerd worden op gedragingen die dateren uit de periode
van vóór de uitkeringsperiode. Indien de betrokkene zowel de
plicht onder het eerste als de plicht onder het tweede lid heeft overtreden,
geldt in het algemeen dat sanctionering op grond van de specifiek
omschreven verplichting voorrang heeft boven de toepassing van de in meer
algemene termen omschreven benadelingshandeling. Onder omstandigheden is het,
het verzekeringskarakter van de wet in aanmerking genomen,
toegestaan om de maatregel te baseren op de in het eerste lid
algemeen omschreven verplichting.
3.2.4. Plichten gericht op
het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
Een aantal van de in artikel
19 [14] opgenomen plichten zijn overgenomen uit de
Ziektewet (ZW) en de Wet
WIA. Het betreft de plichten die op de uitkeringsgerechtigde rusten gedurende een periode
van ziekte. Een IOW-gerechtigde houdt namelijk tijdens
ziekte zijn IOW-uitkering. Dit in tegenstelling tot een WW-gerechtigde die
na een periode van dertien weken van ziekte een uitkering op
basis van de ZW ontvangt.
Specifiek voor de zieke IOW-gerechtigde zijn de verplichtingen opgenomen om tijdens ziekte een
geneeskundige behandeling te ondergaan en aanwijzingen van de arts op
te volgen.
Ook rust op de IOW-gerechtigde de plicht om zich niet schuldig te maken aan gedragingen waardoor
zijn genezing wordt belemmerd.
De IOW-gerechtigde heeft
verder de plicht mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor
de inschakeling in de arbeid en alle plichten, opgelegd in het
kader van deze activiteiten, na te komen. Onder de activiteiten die
bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid vallen onder meer het volgen van
scholing of een opleiding die noodzakelijk wordt geacht voor de
inschakeling in de arbeid en het meewerken aan een proefplaatsing.
rblz.|17|
3.2.5. Plichten gericht op
inschakeling in de arbeid
De plichten gericht op
inschakeling in de arbeid komen overeen met de verplichtingen die voor WW-gerechtigden gelden. Zo geldt de verplichting als werkzoekende
ingeschreven te staan bij het CWI, de verplichting om in voldoende mate te trachten
algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (de sollicitatieplicht) en
de verplichting om aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. De IOW-gerechtigde mag geen eisen stellen in verband met door
deze te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen
geaccepteerde arbeid belemmeren. Voorts dient de IOW-gerechtigde te
voorkomen door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen.
3.3. Rechten en plichten
partners
In de IOW
geldt, in
navolging van de Ioaw, dat de partner van de oudere werkloze in beginsel
dezelfde rechten en plichten heeft als de oudere werkloze. Dit vloeit voort
uit de in deze wet gemaakte keuze de werkloze oudere en zijn partner een
gelijkelijk recht op de IOW-uitkering te geven. Evenals de oudere werkloze
heeft daarom de partner recht op een individuele, op de persoonlijke
omstandigheden afgestemde benadering van het UWV. Alle partners
worden begeleid door een re-integratiecoach. Tijdens het intakegesprek
met deze re-integratiecoach wordt bekeken of ondersteuning noodzakelijk
is en in welke vorm, gelet op het te bereiken doel van
arbeidsinschakeling. Tevens worden afspraken gemaakt over de invulling van de
sollicitatieplicht en de te verrichten re-integratieactiviteiten.
3.4. Vrijstellingen en
ontheffingen
Net als in de WW
ligt in de IOW de nadruk op het leveren van maatwerk van het UWV. Zowel de plicht
om zo snel mogelijk weer aan het werk te komen als de inzet van
re-integratie-instrumenten worden op individuele basis ingevuld.
Het UWV krijgt in aanvulling
op het maatwerk de bevoegdheid de IOW-gerechtigde op
individuele gronden tijdelijk te kunnen ontheffen van de sollicitatieplicht. In
navolging van de WW en de Wet WIA kan dit aan de orde zijn in geval van
calamiteiten, intensieve mantelzorg en, onder voorwaarden, wanneer vrijwilligerswerk
wordt verricht. Een calamiteitenontheffing kan worden verleend wanneer
de IOW-gerechtigde wordt geconfronteerd met een
plotselinge, ernstige crisissituatie in de privésfeer. Een mantelzorgontheffing kan
worden verleend aan een uitkeringsgerechtigde die zodanig intensieve
mantelzorg verleent dat van hem tijdelijk redelijkerwijs
niet kan worden verlangd dat hij voldoet aan bijvoorbeeld de
sollicitatieplicht en de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Een
ontheffing in verband met vrijwilligerswerk kan worden verleend aan de IOW-gerechtigde met een grote afstand tot de arbeidsmarkt wanneer het
verrichten van substantieel vrijwilligerswerk, zonder te hoeven
solliciteren, er naar verwachting toe bijdraagt dat de afstand tot de arbeidsmarkt
van de betrokkene kleiner wordt.
Daarnaast zal naar analogie
van de categorale vrijstellingsregeling van de WW
en de Wet WIA (de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA) een aantal
vrijstellingen van de sollicitatieplicht worden gecreëerd voor IOW-gerechtigden. Zo
zal een vrijstelling gelden voor de persoon die op 31 december 2003 57,5
jaar of ouder was, die langer dan één jaar werkloos is en die ten
minste gedurende drie maanden minimaal 20 uur per week vrijwilligerswerk
of mantelzorgtaken verricht. Tevens zal een vrijstelling gelden tijdens
het volgen van noodzakelijke scholing, tijdens proefplaatsing en tijdens
het genieten van vakantie met behoud van uitkering.
rblz.|18|
4. Uitvoering
4.1. Inleiding
Voor de inrichting van de IOW
wordt uitgegaan van de vroegere WW-vervolguitkering, die
door het UWV werd uitgevoerd, en de huidige Ioaw, die door
gemeenten wordt uitgevoerd. Het kabinet heeft in zijn kabinetsstandpunt over de WW
en het ontslagrecht aangekondigd te zullen onderzoeken op welke
wijze de uitvoering van de IOW kan plaatsvinden. Bij dit onderzoek zijn het
UWV en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) betrokken. Na onderzoek is geconcludeerd dat uitvoering
van de IOW door het UWV de
voorkeur geniet. Paragraaf 4.2 gaat nader in op de afweging die
hierbij een rol spelen. In paragraaf 4.3 komt aan de orde hoe het UWV de
IOW gaat uitvoeren en gaat in op de uitvoeringstoets van het UWV
en het CWI.
4.2. Onderzoek naar de wijze
van uitvoering van de IOW
Bij de afweging of de
regeling door het UWV of gemeenten
zou moeten worden uitgevoerd, hebben
onder meer de volgende aspecten een rol gespeeld:
1. het streven naar één
loket voor de burger;
2. de mate waarin het
financieringsregime stimuleert tot uitstroom uit de regeling; en
3. uniformiteit en
efficiency van de uitvoering.
ad 1. Eén loket voor
burgers
Alvorens een beroep op IOW
kan worden gedaan, dient eerst de maximale uitkeringstermijn van de WW
te zijn bereikt. De werkloze werknemers die een beroep doen op de IOW zijn dus al bij het UWV als uitkeringsgerechtigde bekend. Uitvoering van de
IOW door gemeenten zou betekenen dat deze werkloze
werknemers na afloop van de WW een nieuwe aanvraag voor de IOW moeten indienen bij gemeenten. Ook zouden bij uitvoering van de
IOW door gemeenten bijvoorbeeld afspraken
moeten worden gemaakt over
re-integratietrajecten die zijn gestart tijdens de WW-periode en die voortgaan tijdens de
IOW-periode.
ad 2. Financiële prikkel
voor de uitvoeringsinstantie
De SER
heeft voorgesteld de
financiering van de IOW - analoog aan de Wwb
- onderdeel te maken
van de budgetfinanciering op grond van het Fonds Werk en Inkomen, zodat gemeenten
financieel gestimuleerd worden tot een beperking van
het beroep op de IOW.
Met betrekking tot de door
de SER voorgestelde budgettering is van belang dat van een
budgetteringsstelsel in beginsel een financiële prikkel richting gemeenten
kan
uitgaan om middelen efficiënt in te zetten door uitkeringsgerechtigden te
activeren. Deze prikkel zal bij de IOW beperkter zijn dan bij de Wwb. Dit
hangt samen met het feit dat IOW-gerechtigden moeilijker te reïntegreren
zijn en met het ontbreken van een vermogenstoets en een beperktere
partner(inkomens)toets. Gelet op de zwakke arbeidsmarktpositie van de
beoogde IOW-groep en de beperkte prikkels op het aanvaarden van werk
door het ontbreken van onder meer een vermogenstoets en
partnertoets acht ambtelijk VNG de door de SER voorgestelde budgettering voor
gemeenten
een onaanvaardbaar risico. Dit risico hangt ermee samen
dat grote gemeenten op basis van een verdeelsleutel met objectieve criteria en
kleine gemeenten op basis van historische gegevens gefinancierd
worden, terwijl het risico zich met een grote spreiding (in de tijd) kan
voordoen.
rblz.|19|
Bij uitvoering van de IOW door het UWV is budgetfinanciering voor de
IOW niet aan de orde. Bij
uitvoering door het UWV is geen sprake van prikkelwerking vanuit de
financieringsstructuur. Wel worden met het UWV jaarlijks afspraken gemaakt
over de te behalen prestaties. Deze worden vastgelegd in het jaarplan
van het UWV en door middel van rapportage via kwartaalverslagen en
prestatie-indicatoren gemonitord. Indien de IOW onder het bereik van het
UWV wordt gebracht, kan dit daarnaast een stimulans opleveren om op
snelle herintreding in de WW-periode in te zetten. Beperktere instroom
in de IOW kan in dat geval succesvolle reïntegratie in die WW-periode meer
zichtbaar maken.
ad 3. Uniformiteit en
efficiency van de uitvoering
In het voorstel van de
SER is bij de IOW sprake van aparte regimes voor 50-plussers en 60-plussers.
Het regime voor 50-plussers vertoont grote overeenkomsten met de
huidige Ioaw, maar met name het regime voor 60-plussers is voor
gemeenten sprake van een nieuw en afwijkend regime van het huidige Ioaw-regime
en de Wwb. Uitvoering van de nieuwe IOW door gemeenten zou betekenen
dat bij circa 450 gemeenten voor een beperkte groep
uitkeringsgerechtigden een van de huidige Ioaw afwijkende financieringssystematiek
(thans 75% declaratiebasis en 25% budget) en uitkeringssystematiek van toepassing zou zijn. Iedere
gemeente zou de
uitvoeringsorganisatie daarop apart dienen in te richten. De gemeentelijke
uitvoeringsorganisaties zouden daarmee onevenredig zwaar belast worden, gelet
op de beperkte populatie en de tijdelijkheid van de regeling. De VNG
heeft hier ook op gewezen en acht het dan ook
geen reële optie om
gemeenten de IOW-regeling te laten uitvoeren.
Het
UWV heeft aangegeven dat
de inhoud van de nieuwe IOW en de te toetsen criteria bekend
terrein zijn voor het UWV. Een groot deel van de voor de uitvoering van de
regeling benodigde gegevens zijn bij het UWV bekend, waardoor op dat punt
geen extra uitvraag nodig is. De conclusie van het UWV was dan ook dat
de regeling door het UWV is uit te voeren.
Bij
uitvoering van de IOW door het UWV ligt gezien de beperkte omvang van de doelgroep en de
tijdelijkheid van de regeling een gecentraliseerde uitvoering van de regeling
binnen het UWV voor de hand. De implementatiekosten en uitvoeringskosten zijn op
deze manier het laagst. Daarnaast biedt gecentraliseerde
uitvoering - gezien de beperkte omvang van de doelgroep - voordelen met
betrekking tot de uniformiteit van de uitvoering.
4.3. Uitvoering door het UWV
Gelet op de wenselijkheid
van een eenloketbenadering voor burgers, de te behalen schaalvoordelen
en uniformiteit bij centrale uitvoering door het UWV
en de beperkte prikkels
die zullen uitgaan van het door de SER voorgestelde financieringsregime, is de
conclusie dat uitvoering van de IOW door het UWV de voorkeur
geniet. Zowel het UWV als ambtelijk VNG onderschrijven deze
voorkeur.
De uitkeringsrechten en de
daaraan gekoppelde voorwaarden hebben betrekking op de werkloze
werknemer en de partner. Alvorens een beroep op IOW
kan worden gedaan,
heeft de werkloze werknemer de WW doorlopen. In verband hiermee lopen de
hoofdlijnen van het uitkeringsbeleid en het voorwaarden- en
sanctiebeleid parallel aan die van de WW. Waar wenselijk en nodig worden
met het oog op de doelgroep andere, op die groep toegespitste regels
gesteld, die overeenkomen met de huidige Ioaw. Waar dit het geval is,
is dit in de voorgaande hoofdstukken toegelicht of zal dit in de
artikelsgewijze toelichting nog nader worden aangegeven.
rblz.|20|
Voor het overige is het
mogelijk en vanwege de eenheid van uitvoering ook gewenst zoveel mogelijk
bij de in de WW opgenomen procedures aan te sluiten. Dit betreft als
hoofdpunten de procedure van aanvraag en toekenning van de uitkering,
de wijze van uitbetaling, de bezwaar- en beroepsmogelijkheden, de
terugvorderings- en verrekeningsbepalingen en het toezicht op de
uitvoering.
4.4. Uitvoeringstechnische
commentaren
Het CWI [lees: de
CWI, de Centrale organisatie werk en inkomen, red.]
en het UWV
zijn
gevraagd om de gevolgen van de regeling voor de uitvoering in kaart te
brengen. Hieronder wordt op deze commentaren nader ingegaan. Het
wetsvoorstel is ook voorgelegd aan het Uitvoeringspanel gemeenten. Daarop gaat
paragraaf 6.3, waarin de consequenties voor de Ioaw
worden genoemd,
nader in.
4.4.1. CWI-toets
Het
CWI merkt in zijn
uitvoeringstoets op dat de IOW voor hen uitvoerbaar is en dat de gevolgen voor
het CWI gering zijn. Naar aanleiding van opmerkingen van het CWI is
in het wetsvoorstel verduidelijkt dat de indiening van de aanvraag voor de
IOW-uitkering geschiedt bij het UWV, aangezien de meeste gegevens
al bij het UWV aanwezig zijn. De afweging voor een eventuele
vrijstelling van de sollicitatieplicht en andere arbeidsverplichtingen voor bepaalde categorieën
partners van oudere werklozen wordt meegenomen in de
lagere regelgeving.
4.4.2. UWV-toets
Het
UWV is in zijn
commentaar uitgebreid ingegaan op de gevolgen voor de uitvoeringsprocessen en
-systemen (organisatie, personeel en technologie) aangezien de invoering van
de IOW leidt tot een aantal voor het UWV geheel nieuwe
uitvoeringsprocessen. Ook is het UWV ingegaan op de uitvoeringskosten van de
IOW (deze zijn gepresenteerd in paragraaf 7.1). De reactie van het
UWV heeft aanleiding gegeven tot heroverweging van een aantal
uitvoeringsaspecten van dit wetsvoorstel ten aanzien van het begrip
werkloosheid in het kader van de IOW, verwijtbaarheid (de verplichting dat door
eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid wordt behouden) en
een aantal re-integratie- en sanctieaspecten. Ook is aangepast de omissie
dat door verlenging van een nieuwe WW van drie maanden
("basisuitkering" ontstaan op of na 1 oktober 2006) met een
"oud WW-recht" (ontstaan vóór 1 oktober 2006) een eventueel
IOW-recht zou
kunnen ontstaan, terwijl de bedoeling is dat zij instromen in de Ioaw.
Voor de opmerkingen op het
gebied van internationale aspecten zij hierbij kortheidshalve verwezen naar
paragraaf 6.1.
rblz.|21|
5. Financiering
Bij uitvoering van de IOW
door het UWV kan in beginsel gekozen worden voor financiering uit de
algemene middelen of voor financiering via premies van werkgevers en
werknemers.
De regering stelt in
aansluiting op het advies van de SER voor de IOW
te financieren uit de algemene
middelen. Een belangrijke overweging daarbij is dat de IOW het karakter
heeft van een minimumvoorziening bij werkloosheid en in de plaats komt van de
huidige Ioaw die ook uit de algemene middelen gefinancierd wordt.
Daarnaast is de tijdelijkheid van de regeling van belang.
Gelet hierop stelt de
regering voor geen nieuw apart fonds voor de financiering in het leven te roepen, maar
de financiering uit de algemene middelen te laten verlopen
via het Toeslagenfonds naar analogie van de constructie die destijds ook
is gekozen bij de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen nieuw
arbeidsongeschiktheidscriterium (WBIA).
rblz.|22|
6. Overige aspecten
In dit hoofdstuk komt een
aantal overige aspecten rond de IOW aan de orde. Meer specifiek wordt
ingegaan op de IOW-uitkering in internationaal perspectief (paragraaf
6.1),
het overgangsrecht bij de IOW (paragraaf 6.2) en de consequenties voor de
Ioaw (paragraaf 6.3).
6.1. Internationale aspecten
De IOW
kan worden aangemerkt
als een werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, onderdeel g, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Bepalend voor de
vraag of een bepaalde wettelijke regeling onder het toepassingsbereik
van Verordening (EEG) nr. 1408/71 valt, zijn de constitutieve elementen
van de betreffende regeling, dat wil zeggen de doelstelling, de
toekenningsvoorwaarden en de berekeningsgrondslag van de regeling. Voor wat
betreft de IOW zijn hierbij de volgende elementen van belang. Het
recht op een IOW-uitkering is beperkt tot de werkloze werknemer en, in voorkomend geval, zijn echtgenoot. Daarnaast
vervalt het recht op de IOW-uitkering zodra de gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar
heeft bereikt. Voor de werkloze werknemer ontstaat pas recht op een IOW-uitkering na het einde van het recht op de WW-uitkering. Voorts heeft
de werkloze werknemer slechts recht op de IOW-uitkering indien hij
voldoet aan de voorwaarden met betrekking tot de wederinschakeling in het
arbeidsproces, in het bijzonder het beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.
Hieruit moet worden afgeleid dat de constitutieve elementen van
de IOW nauw verband houden met het werkloosheidsrisico. Het
feit dat de IOW niet uit premieopbrengsten wordt gefinancierd, maar uit
openbare middelen, doet hieraan niets af. Hierbij kan worden verwezen
naar de uitspraak van het Hof van Justitie [Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, red.] van 2 augustus 1993,
(C-66/92) in de zaak Acciardi, waarin het Hof oordeelde dat de Ioaw
moet
worden aangemerkt als een werkloosheidsuitkering omdat de Ioaw rechtstreeks
verband houdt met het risico van werkloosheid en dat het
voortduren van de werkloosheid voorwaarde is voor het ontstaan van het
recht op de betrokken uitkering. De kenmerken van de IOW zijn voor zover
hier van belang vergelijkbaar met die van de Ioaw.
De toepasselijkheid van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft de volgende gevolgen voor de toepassing
van de IOW. In de IOW is de uitsluitingsgrond opgenomen dat de
IOW-uitkering niet wordt toegekend als de gerechtigde in het
buitenland woont of aldaar anders dan wegens vakantie verblijf houdt. Dit
betekent dat de IOW-uitkering niet naar het buitenland mag worden
geëxporteerd. Verordening (EEG) nr. 1408/71 bevat twee bepalingen op
grond waarvan de uitsluitingsgrond in de IOW buiten werking blijft en in
een grensoverschrijdende situatie toch recht op IOW kan bestaan. Het betreft
de artikelen 69 en 71 van Verordening (EEG) nr. 1408/71. Artikel 69 van
voornoemde verordening maakt het mogelijk om met behoud van de IOW-uitkering gedurende maximaal drie maanden
in een andere lidstaat van
de EU naar werk te zoeken. Gelet op de gelijke inspanningsverplichting om
werk te vinden, kan de partner van de werkloze werknemer in bepaalde
situaties niet het recht worden ontzegd om met behoud van de IOW-uitkering gedurende drie maanden in een andere
lidstaat van de EU naar werk
te zoeken. Teneinde de positie van de partner in overeenstemming te
brengen met de doelstellingen van de IOW, is daarom in de wet een
bepaling opgenomen op basis waarvan de partner van de werkloze werknemer
gedurende drie maanden in een andere lidstaat van de EU naar werk
kan zoeken met behoud van de IOW-uitkering.
rblz.|23|
Om op artikel 71 van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 een beroep te kunnen doen, moet de betrokken
werkloze tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden in de situatie
hebben verkeerd dat hij in het ene EU-land woonde terwijl hij in het
andere EU-land werkte. Afhankelijk van de omstandigheden van de
werkloze kan recht op een IOW-uitkering uit Nederland ontstaan, terwijl
hij in een andere EU-lidstaat woont.
In de uitvoeringstoets heeft
het UWV opgemerkt dat de maximering van de hoogte van de
IOW, die
gebaseerd is op de hoogte van de WW inclusief de toeslag, ook voor
bepaalde in het buitenland wonende personen van toepassing zou moeten
zijn. Het betreft de personen die in een ander EU-land wonen en op basis
van artikel 71 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 een IOW-uitkering
uit Nederland ontvangen. Het exportverbod uit de Toeslagenwet zou er
anders toe leiden dat er een ongerechtvaardigd verschil in hoogte is tussen
de in Nederland wonende IOW-gerechtigde en de migrerende werknemer. In
overeenstemming met de opmerking van het UWV is in artikel 10,
negende lid [vervallen, red.], bepaald dat, met het oog op de vaststelling van de toeslag,
de maximering van de IOW-uitkering van een persoon die tijdens de
WW-periode buiten Nederland woont, plaatsvindt als ware deze persoon in
Nederland woonachtig.
Verordening (EEG) nr.
1408/71 zal op termijn worden vervangen door Verordening (EG) nr.
883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (PbEU L
166). Gelet op het feit dat de eerste instromer in de IOW
wordt verwacht per 1
februari 2009, moet in EU-verband rekening worden gehouden met het
gegeven dat op dat moment mogelijk de nieuwe verordening van
toepassing zal zijn. Verordening (EG) nr. 883/2004 heeft voor de IOW geen
omvangrijke consequenties. Wel moet worden opgemerkt dat de maximale
termijn van drie maanden waarin met behoud van werkloosheidsuitkering in een andere lidstaat naar werk kan
worden gezocht, in de nieuwe verordening tot maximaal zes maanden kan worden verlengd.
6.2. Overgangsrecht
IOW
In de IOW
zal uitgegaan
worden van eerbiedigende werking. Dat betekent dat de werkloze werknemer
wiens eerste werkloosheidsdag tussen 30 september 2006 en 1 juli
2011 is gelegen en recht krijgt op een IOW-uitkering, dit recht
behoudt tot aan de leeftijd van 65 jaar. De IOW zal daarmee vervallen per 1 juli
2026, omdat er vanaf die datum, gelet op de doelgroep, geen IOW-gerechtigden meer zullen zijn.
6.3. Consequenties voor de
Ioaw
Er zal een aparte
Invoeringswet inkomensvoorziening werkloze werknemers (Iiow) worden opgesteld,
waarin de technische en inhoudelijke wijzigingen in andere
wetgeving geregeld worden. De huidige Ioaw is echter onlosmakelijk
verbonden met de voorgestelde IOW. De IOW 50+ heeft immers alle kenmerken
van de Ioaw en door de invoering van de IOW zullen oudere werklozen
tijdelijk niet in de Ioaw, maar in de IOW instromen. Er is daarom voor
gekozen de wijzigingen in de Ioaw in onderliggend wetsvoorstel te
verwerken.
De hier voorgestelde
wijzigingen in de Ioaw hebben betrekking op drie onderdelen.
Ten eerste wordt geregeld
dat personen die recht hebben op een IOW, geen recht kunnen krijgen op
een Ioaw-uitkering. Werknemers die 50 jaar of ouder zijn en werkloos
worden vóór 1 oktober 2006 kunnen na afloop van de WW-uitkering een
beroep doen op een Ioaw-uitkering. Oudere werknemers die tussen 30
september 2006 en 1 juli 2011 werkloos rblz.|24|
worden, kunnen na afloop van
de WW een beroep doen op IOW. Ook werknemers die 50 jaar of
ouder zijn en werkloos worden op of na 1 juli 2011 kunnen na afloop van de
WW-uitkering weer een beroep doen op Ioaw. Deze bepaling voorkomt
samenloop tussen een IOW en een Ioaw-uitkering. Het Uitvoeringspanel gemeenten heeft hierover terecht opgemerkt dat het in stand
houden van de kennis over de Ioaw bij de uitvoerende
gemeenteambtenaren, nu de invoering van de IOW betekent dat de instroom in de
Ioaw gedurende enkele jaren praktisch gezien opdroogt, een extra
investering in opleidingen betekent voor gemeenten.
Daarnaast is het niet de
bedoeling dat personen die tussen 30 september 2006 en 1 juli 2011 werkloos
worden en niet voldoen aan de ontstaansvoorwaarden van de IOW, alsnog een
beroep op Ioaw zouden kunnen doen. Dit wetsvoorstel
regelt daarom dat de ontstaansvoorwaarden voor de Ioaw gestroomlijnd worden
met die van de IOW.
In de Ioaw is geregeld dat
werknemers een beroep kunnen doen op een Ioaw-uitkering indien zij 50
jaar of ouder zijn op hun eerste werkloosheidsdag en recht hebben gehad op een
loongerelateerde WW-uitkering. Vóór 1 oktober 2006
betekende dit dat de Ioaw-gerechtigde moest voldoen aan de weken- én
jareneis van de WW. Met de Wet wijziging
WW-stelsel is dit
abusievelijk gewijzigd in de bepaling dat oudere werknemers die op of na 1 oktober 2006
werkloos worden al een Ioaw-recht kunnen krijgen als zij
slechts voldoen aan de wekeneis. Immers de nieuwe WW kent alleen een
loongerelateerde uitkering. In onderhavig wetsvoorstel wordt dit gerepareerd en dat
betekent dat de Ioaw-gerechtigde, evenals de IOW-gerechtigde,
zowel aan de weken- als aan de jareneis moet voldoen om in
aanmerking te komen voor een inkomensvoorziening voor ouderen.
Ten slotte wordt de
Ioaw gewijzigd in verband met Europese regelgeving (Verordening (EEG) nr.
1408/71). Ten eerste wordt een bepaling opgenomen op basis waarvan de partner
van de werkloze gedurende maximaal drie maanden in een andere
lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland naar werk kan zoeken met behoud van de Ioaw-uitkering.
Ten tweede wordt in artikel 9 van de Ioaw geregeld dat, met het
oog op de vaststelling van de toeslag op grond van de Toeslagenwet,
de maximering van de Ioaw-uitkering van een persoon die tijdens de WW-periode buiten Nederland woonde, plaatsvindt als ware deze persoon in
Nederland woonachtig. Ook met deze punten is stroomlijning met
de IOW-bepalingen op dit gebied bewerkstelligd (zie hiervoor verder
paragraaf 6.1 internationale aspecten).
rblz.|25|
7. Financiële
gevolgen
7.1. Uitkeringslasten
Zoals eerder in deze memorie
van toelichting werd beschreven, kent de IOW, afhankelijk van de
leeftijd waarop de werkloosheid optreedt, twee verschillende
uitkeringsregimes. Werkloze werknemers die bij aanvang van hun recht op WW
tussen
de 50 en 60 jaar oud zijn, ontvangen een IOW-uitkering conform het Ioaw-regime. Dit betekent dat de instroom in de
Ioaw tussen 2009 en 2015
een daling zal laten zien omdat werklozen (die na 1 oktober 2006
werkloos zijn geworden) in de IOW stromen. Voor de uitkeringslasten maakt
dit echter niets uit, de IOW neemt gedurende de periode tussen 2009 en 2027
(een deel van) de lasten van de Ioaw over, bovendien worden beide
regelingen gefinancierd uit de algemene middelen, zodat zich per
saldo geen verandering van de uitgaven binnen het SZA-kader [SZA:
sociale zekerheid en arbeidsmarkt, red.] voordoet.
Anders ligt het voor de
mensen die bij aanvang van hun werkloosheid 60 jaar of ouder zijn. Zodra
zij voor de IOW in aanmerking komen, geldt voor hen het regime van de
vroegere WW-vervolguitkering, hetgeen inhoudt dat de toets op het
partnerinkomen niet op hen van toepassing is. Dit betekent derhalve een
soepeler regime dan het huidige Ioaw-regime. Daar zijn extra
uitkeringslasten aan verbonden. Het gaat hierbij echter om een beperkte groep werklozen
(rekening wordt gehouden met een jaarlijkse instroom in de IOW van circa
250 personen) die bovendien voor een beperkte duur in de IOW kunnen verblijven (gemiddeld
elf maanden). De extra uitkeringslasten IOW voor deze groep bedragen naar verwachting €|13
mln ten opzichte van de
Ioaw over de periode 2009-2016. Na
2016 worden de IOW-lasten
uitsluitend door de groep 50-plussers veroorzaakt en worden zij volledig
gecompenseerd door de uitgespaarde Ioaw-lasten voor deze groep. Structureel
(vanaf 2027) zijn er geen lasten aan de IOW
verbonden.
Het totale IOW-volume loopt
op van 500 in 2009 naar maximaal circa 15 000 in 2014, om daarna
geleidelijk af te nemen naar nul in 2027. Het grootste deel van dit volume
(circa 95%) heeft betrekking op de groep 50- tot 60-jarigen en leidt
derhalve niet tot extra uitkeringslasten ten opzichte van de huidige Ioaw.
7.2.
Uitvoerings- en
implementatiekosten
De uitvoeringskosten van
het UWV met betrekking tot de uitvoering van de IOW
zien op eenmalige
implementatiekosten en structurele uitvoeringskosten.
De eenmalige
implementatiekosten bedragen maximaal €|5,2 mln. Deze kosten hebben betrekking op
aanpassing van systemen, instructie en opleiding van medewerkers,
aanpassing van brochures/formulieren en voorlichting. Deze
implementatiekosten, met name die ten aanzien van de aanpassing van systemen,
zijn berekend op basis van de huidige systemen van het UWV. Het UWV kent
momenteel nog drie WW-systemen, waarin de noodzakelijke
aanpassingen voor de IOW doorgevoerd dienen te worden. Indien het aantal
WW-systemen vóór de invoering van de IOW
door het UWV wordt teruggebracht,
zullen ook de implementatiekosten naargelang dalen.
De structurele
uitvoeringskosten van het UWV hebben betrekking op de beoordeling van aanvragen IOW, de toekenning en continuering van
IOW-uitkeringen, de kosten
verbonden aan re-integratie van IOW-gerechtigden en de kosten van bezwaar en
beroep. De structurele uitvoeringskosten zijn direct afhankelijk van
de omvang van de instroom en het rblz.|26|
zittend bestand IOW. Daarbij
krijgt het UWV voor het eerst in de uitvoering van wetgeving te maken met
de re-integratie van partners.
De kosten die betrekking
hebben op re-integratie zijn met de nodige onzekerheden omgeven. Zo staat de functie
van de re-integratiecoach nog in de kinderschoenen en zal
deze functie nog nader worden ingevuld en geconcretiseerd. Voorts
kunnen in lagere regelgeving bepalingen opgenomen worden omtrent de
vrijstelling van bepaalde groepen voor re-integratie. Gezien de
bovenstaande onzekerheden zijn de kosten verbonden aan re-integratie
vooralsnog niet opgenomen in de uitvoeringskosten van de IOW.
In 2008 zal de raming voor de uitvoeringskosten geactualiseerd worden en
zullen de kosten verbonden aan re-integratie nader in kaart
gebracht worden.
Vooralsnog bedragen de
structurele uitvoeringskosten (exclusief re-integratie) €|0,8 mln
in 2009 oplopend tot €|6,0 mln in 2014. Na 2014, als het IOW-volume weer gaat
afnemen, zullen de uitvoeringskosten meedalen tot €|0,- omstreeks
2026.
Daarnaast zijn de
implementatiekosten bij de CWI
marginaal. Aangezien de IOW-aanvraag rechtstreeks
bij het UWV wordt ingediend (en niet zoals bij de Ioaw
het geval was bij de CWI),
is bij de CWI sprake van een structurele besparing op de uitvoeringskosten van
€|0,3 mln vanaf 2009.
7.3. Administratieve lasten
Het wetsvoorstel
IOW
leidt
naar verwachting niet tot extra administratieve lasten bij het bedrijfsleven
of de burger. Ten opzichte van de huidige situatie, waarin
uitkeringsgerechtigden indien zij aan het einde van hun WW-periode nog steeds
werkloos zijn onder vergelijkbare omstandigheden recht hebben op een Ioaw-uitkering, hoeven er geen extra gegevens te worden uitgevraagd. Wel
treedt er een verschuiving op van de uitkerende instantie: WW-ers
zullen hun gegevens (en die van een eventuele partner) voortaan aan het UWV
moeten aanleveren in plaats van aan het CWI
en gemeenten.
rblz.|27|
8. Evaluatie
De IOW
wordt geëvalueerd in
2010. Deze evaluatie ziet op twee punten. Op de eerste plaats zal de IOW-regeling zelf geëvalueerd worden, waarbij in ieder geval ingegaan zal
worden op de volgende onderdelen:
- het voorgestelde IOW-regime voor gewezen WW-uitkeringsgerechtigden
die bij aanvang van de werkloosheid 50 jaar of ouder zijn;
- het voorgestelde IOW-regime voor gewezen WW-uitkeringsgerechtigden
die bij aanvang van de werkloosheid 60 jaar of ouder zijn; en
- de voorgestane regeling
met betrekking tot de sollicitatieplicht in de IOW.
Op de tweede plaats zal bij
de afweging naar aanleiding van de evaluatie cruciaal zijn of er al dan
niet sprake is van voor betrokkenen reële werkgelegenheidsperspectieven
als gevolg van voldoende vraag naar arbeid. Het betreft hierbij
met andere woorden een evaluatie naar de arbeidsmarktpositie van met
name werknemers die op of na de leeftijd van 60 jaar werkloos zijn
geworden.
rblz.|28|
Artikelsgewijs
Artikel
1. Algemene begrippen
Aanvrager
In artikel 4 is bepaald dat
de aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet wordt ingediend
door de werkloze werknemer en zijn echtgenoot gezamenlijk. Maar de
uitkering kan ook door één van hen worden ingediend met schriftelijke
toestemming van de ander. In dit onderdeel wordt het begrip aanvrager dan ook
niet beperkt tot de persoon die de aanvraag heeft ingediend, maar omvat
het ook de persoon die schriftelijke toestemming voor de aanvraag heeft gegeven. Plichten die zijn opgelegd aan de
"aanvrager" richten zich
derhalve zowel tot de werkloze werknemer als tot de echtgenoot.
Artikel
2. Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden
Aangezien het inkomen van de
echtgenoot relevant kan zijn voor de hoogte van een uitkering en
aan de echtgenoot ook verplichtingen zijn opgelegd, is het van belang
dat duidelijk is wie voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld
met de echtgenoot.
Dit artikel komt overeen met
artikel 3 van de Ioaw. Voor de formulering van de bepaling is echter
aangesloten bij de Wet WIA.
Derde lid
In het derde lid wordt
aangegeven wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding. Daarvoor is
doorslaggevend of de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning. Aan het enkele feit dat één van hen elders een eigen woning
heeft, kan niet de conclusie worden verbonden dat er geen sprake
kan zijn van een gezamenlijke huishouding.
Vierde lid
In het vierde lid wordt een
aantal situaties beschreven waarbij het UWV
er in ieder geval van uit kan
gaan dat de betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren.
Vijfde lid
Op grond van het vijfde lid
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven van zorg te dragen voor een ander. Er is op grond
van deze bepaling in andere wetten nog geen algemene maatregel van bestuur getroffen. Toch is ervoor gekozen de
bepaling ook hier op te
nemen, zodat in het geval er in de toekomst nog een algemene maatregel van
bestuur wordt getroffen deze ook zijn grondslag zal hebben in deze
wet.
Zesde lid
Op grond van het zesde lid
dient bij algemene maatregel van bestuur te worden vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vierde lid. Op grond van onder meer artikel
3, vijfde lid, van de Ioaw is het Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 vastgesteld. Op grond van artikel 61 [48]
berust
die algemene maatregel van bestuur na de inwerkingtreding van deze
wet mede op artikel 2, zesde lid. Het besluit zal naar aanleiding hiervan nog
worden aangepast.
Artikel 3.
Recht op uitkering ¹
1. Het recht op IOW-uitkering
voor werknemers die tussen hun 50ste en 60ste werkloos worden, is uit
het wetsvoorstel geschrapt, red.
Eerste lid
In artikel 3 is bepaald wie
tot de doelgroep van deze wet behoort. De rblz.|29|
doelgroep bestaat uit
personen die op hun eerste dag van werkloosheid 50 jaar of ouder zijn en die
meer dan drie maanden recht hadden op een uitkering op grond van de WW. De zinsnede
"na die dag" is opgenomen
om te verduidelijken dat de
periode van ten minste drie maanden waarover WW-uitkering is genoten,
niet (deels) gelegen kan zijn vóór de dag waarop die persoon 50 werd.
Zoals aangegeven in het algemeen deel van deze
toelichting zal deze wet
alleen van toepassing zijn op personen die na de inwerkingtreding van het
wetsvoorstel wijziging WW-stelsel [zie Wet
wijziging WW-stelsel, red.] werkloos zijn
geworden. Deze personen
worden in de toelichting verder aangeduid als "werkloze werknemers".
Het kabinet heeft in zijn
reactie op het SER-advies Toekomstbestendigheid Werkloosheid aangegeven dat
in de wet een horizonbepaling zal worden opgenomen waarbij de
regeling eindigt in 2011. Daaraan is invulling gegeven door de doelgroep te
beperken tot personen van wie de eerste dag van werkloosheid tussen
30 september 2006 en 1 juli 2011 ligt. De wet werkt voor deze personen nog
door tot en met 30 juni 2026. Op 1 juli 2026 zal de IOW
op grond van
artikel 63 [50], tweede lid, dan ook vervallen.
Derde lid. [Vervallen,
red.]
Het recht op uitkering komt
de werkloze werknemer en zijn echtgenoot gezamenlijk toe. Dit
betekent dat onder de uitkeringsgerechtigde mede wordt verstaan de
echtgenoot. Alle verplichtingen die zijn opgelegd aan een uitkeringsgerechtigde
gelden daardoor ook voor de echtgenoot van de werkloze werknemer.
Vierde lid. [Zie art.
3, derde lid, IOW, red.]
Dit lid is opgenomen in
verband met de werking van artikel 42b
van de WW. Dat artikel ziet op een
situatie waarbij een recht op WW-uitkering is ontstaan en dit recht
vervolgens geheel of gedeeltelijk is geëindigd, zonder dat de duur van de
verlengde WW-uitkering volledig is gebruikt. Wanneer vervolgens een nieuw
recht op WW-uitkering ontstaat, maar er geen recht zou zijn op een
verlengde WW-uitkering omdat artikel 42, tweede lid, van de WW
niet
van toepassing is, wordt de duur van het nieuwe recht verlengd met de
duur van de verlengde uitkering van het eerdere recht voor zover
hierover geen uitkering is ontvangen. Dit betekent ook dat wanneer het eerdere
recht is ontstaan vóór 1 oktober 2006, een nieuwe uitkering die is
ontstaan na 1 oktober 2006 op grond van die oude uitkering kan worden
verlengd, terwijl niet is voldaan aan artikel 42, tweede lid, van de WW. Het
is niet de bedoeling dat in die situatie ook een recht op IOW-uitkering
bestaat. Dit lid voorkomt dat.
Artikel 4.
Vaststelling recht
op uitkering
De werkloze werknemer en de
partner hebben gelijkelijk recht op de IOW-uitkering die voor hen
gezamenlijk en de eventuele overige gezinsleden is bedoeld (zie artikel
3,
derde lid). De re-integratieverplichtingen gelden zowel voor de werkloze werknemer als voor diens partner. Daarom
is conform artikel 15,
tweede lid, van de Ioaw bepaald dat de uitkering door de werkloze werknemer
en de echtgenoot gezamenlijk moet worden aangevraagd, dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
Conform artikel 11, zevende
lid, van de TW wordt ook hier voorgesteld dat het recht op uitkering niet
wordt vastgesteld over perioden gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de
dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend.
rblz.|30|
Artikel 5.
Later ontstaan van
het recht op uitkering
Wanneer na afloop van de
WW-uitkering geen recht op uitkering is ontstaan omdat er op de
werkloze werknemer één of meer uitsluitingsgronden van toepassing waren,
ontstaat dat recht alsnog op de dag dat er geen uitsluitingsgronden
meer van toepassing zijn. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 8
ten aanzien van een recht op uitkering dat is geëindigd in verband met
het van toepassing zijn van één of meer uitsluitingsgronden.
Artikel 6.
Uitsluitingsgronden
In dit artikel is een aantal
uitsluitingsgronden opgenomen. Indien op de werkloze werknemer een
dergelijke uitsluitingsgrond van toepassing is, ontstaat, zolang deze
uitsluitingsgrond aanwezig is, geen recht op uitkering. Dit volgt uit artikel
3.
Indien de uitsluitingsgrond zich ten aanzien van de werkloze werknemer
voordoet terwijl er al een recht op uitkering bestaat, wordt dat recht
beëindigd (artikel 7). Het recht op uitkering herleeft pas wanneer geen
enkele uitsluitingsgrond meer van toepassing is (artikel
8). In artikel 11 [vervallen, red.], tweede lid, is opgenomen dat indien op de echtgenoot een uitsluitingsgrond als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a tot en met
e, van
toepassing is, de werkloze werknemer voor het bepalen van de grondslag
wordt aangemerkt als alleenstaande.
Eerste lid, onderdeel
a
Deze bepaling komt overeen
met artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van de WW. Ook in
artikel 6, eerste
lid, onderdeel a, van de Ioaw is een soortgelijke bepaling opgenomen. Er is
voor gekozen aan te sluiten bij de formulering zoals deze is opgenomen in
de WW zodat de werkloze werknemer gedurende de periode dat hij
recht heeft op een uitkering op grond van deze wet
met dezelfde
uitsluitingsgronden te maken heeft als gedurende de periode dat hij recht had
op een WW-uitkering. De uitsluitingsgrond is opgenomen omdat de persoon
die in het buitenland verblijft niet beschikbaar is voor de Nederlandse
arbeidsmarkt en daardoor niet aan de voorwaarden voor het recht op uitkering
kan voldoen.
In een uitspraak van de
Raad van State van 9 december 1003, JSV, 1994/27, is komen vast te staan dat
de Ioaw en Ioaz aangemerkt kunnen worden als werkloosheidsregelingen.
In lijn daarmee zal de IOW ook kunnen worden aangemerkt als
werkloosheidsregeling en dus onder de werkingssfeer van de Verordening (EEG)
1408/71 vallen. Deze verordening bevat enkele bepalingen op grond
waarvan de uitsluitingsgrond in de IOW buiten werking blijft en in grensoverschrijdende situaties binnen de EU
toch recht op IOW kan bestaan
(zie verder de paragrafen 2.6 en 6.1 van het algemeen deel van deze
toelichting.)
Eerste lid, onderdeel
b
Dit onderdeel komt overeen
met artikel 19, eerste lid, onderdeel g, van de WW. Een soortgelijke
bepaling is opgenomen in artikel 6, eerste lid, onderdeel
b, van de Ioaw.
In artikel 8b van de Vreemdelingenwet
2000 is het zogenoemde koppelingsbeginsel neergelegd: vreemdelingen
die geen verblijf genieten op grond van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet
2000 verkrijgen geen voorzieningen van overheidswege, tenzij in
de wet anders is bepaald.
Eerste lid, onderdeel
c, en vierde lid
De in dit onderdeel
opgenomen uitsluitingsgrond komt overeen met de uitsluitingsgrond zoals deze
is opgenomen in artikel 19, eerste lid, onderdeel h, van de WW
en artikel 6,
eerste lid, onderdeel c, van de Ioaw. Geen recht op uitkering heeft de
persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is rblz.|31|
ontnomen. De achterliggende
gedachte achter deze uitsluitingsgrond is dat de gedetineerde niet
beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
Het begrip
"rechtens zijn
vrijheid ontnomen" omvat niet alleen gevangenisstraf. Ook andere vormen van
"rechtens zijn vrijheid ontnomen" vallen onder deze definitie.
Hierbij kan worden gedacht aan gijzeling op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, gijzeling wegens niet-nakoming van
wettelijke verplichtingen (zoals niet-betaling van alimentatie),
dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en faillissementsbewaring.
In de kosten van het bestaan
van gedetineerden wordt voorzien door het ministerie van
Justitie. Dit
geldt zowel voor algemene als bijzondere bestaanskosten. De
financiële verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie heeft mede
betrekking op perioden van weekendverlof.
Op grond van het vierde lid
is deze uitsluitingsgrond niet van toepassing op bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt
buiten
een penitentiaire inrichting of een inrichting voor
verpleging van terbeschikkinggestelden. Op grond van onder andere de Ioaw
en
Ziektewet (ZW) is het Besluit extramurale
vrijheidsbeneming en sociale zekerheid getroffen. In dat besluit wordt voorzien in de openstelling
van de uitkering op grond van die wetten voor gedetineerden die deelnemen
aan een penitentiair programma en terbeschikkinggestelden met
proefverlof. Deze twee categorieën hebben gemeenschappelijk dat de
tenuitvoerlegging van de laatste fase van de vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel in het kader van hun structurele terugkeer naar
de maatschappij buiten de justitiële inrichting plaatsvindt. Hoewel de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel
in deze periode doorloopt, is ter bevordering van de resocialisatie
besloten om deze groepen niet van uitkering uit te sluiten. Bovendien draagt
in deze periode de Staat de kosten van het levensonderhoud niet meer.
Ook de openstelling van de uitkering op grond van de IOW
zal via dit
besluit worden geregeld.
Eerste lid, onderdeel
d
Conform de
Ioaw is een
bepaling opgenomen die inhoudt dat geen recht op uitkering bestaat als
gevolg van de vrijwillige opname van onbetaald verlof. Het moet niet zo
zijn dat iemand die vrijwillig afziet van inkomsten door onbetaald verlof op
te
nemen, dat inkomensverlies kan compenseren door een IOW-uitkering. Dit
geldt ook voor de echtgenoot. Een uitzondering is getroffen voor de
alleenstaande die onbetaald ouderschapsverlof geniet als bedoeld in
hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg. Dit omdat er een directe relatie bestaat
tussen beperkte beschikbaarstelling en de zorgtaak voor kinderen.
Eerste lid, onderdeel
e, en zesde lid
Conform
artikel 19, eerste
lid, onderdeel k, van de WW is ook het genieten van vakantie als
uitsluitingsgrond opgenomen. Op grond van het zesde lid kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot:
- het begrip vakantie
genieten;
- de vaststelling van de
periode gedurende welke de werkloze werknemer of de echtgenoot met behoud
van zijn recht op uitkering vakantie kan genieten.
Op grond van artikel 61 [48]
zal
de Vakantieregeling WW na inwerkingtreding van
deze wet ook berusten op
dit artikel.
rblz.|32|
Eerste lid, onderdeel
f
In lijn met de
Ioaw en WW wordt hier ook als uitsluitingsgrond opgenomen het bereiken of bereikt
hebben van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werkloze werknemer
de leeftijd van 65 jaar bereikt. Aansluitend bestaat recht op een AOW-uitkering.
Eerste lid, onderdeel g. [Vervallen,
red.]
De uitkering eindigt de dag
nadat de werkloze werknemer is komen te overlijden. Op grond van
artikel 37 [29], eerste lid, heeft de echtgenoot van de werkloze werknemer in plaats
daarvan recht op een overlijdensuitkering. Op grond van dat artikel is de overlijdensuitkering gelijk aan een uitkering
van vier weken, berekend
naar de hoogte van de uitkering voorafgaand aan het overlijden. Wanneer
de echtgenoot van de werkloze werknemer overlijdt, wordt de
uitkering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, op grond van het negende lid van dat
artikel, voor een periode van vier weken na de dag van overlijden betaald
naar de voordien vastgestelde grondslag. Wanneer een boete is
opgelegd aan de persoon die is overleden en deze boete was nog niet geïnd,
dan vervalt deze boete op grond van artikel 26 [21], zesde lid.
Eerste lid, onderdeel h. [Vervallen,
red.]
In artikel
5, eerste lid,
van de Ioaw is geregeld dat recht op uitkering bestaat indien het inkomen
per maand minder bedraagt dan de vastgestelde grondslag. In deze
wet is in
de vorm van een uitsluitingsgrond opgenomen dat er geen recht op uitkering is indien het inkomen per
maand evenveel of meer
bedraagt dan de vastgestelde grondslag of wanneer artikel
10, derde
lid, van toepassing is, indien het inkomen per maand evenveel of meer
bedraagt dan 70% van het minimumloon.
Eerste lid, onderdeel i. [Vervallen,
red.]
Indien de
uitkeringsgerechtigde niet langer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, eindigt het recht
op uitkering op grond van deze wet.
Tweede lid
Op grond van het eerste lid,
onderdeel a, bestaat geen recht op uitkering als een werkloze werknemer
buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.
In het derde lid wordt (conform artikel 19, tiende lid, van de WW) geregeld dat onder bepaalde voorwaarden wel
recht op uitkering bestaat
ten aanzien van de persoon die buiten Nederland verblijf houdt anders dan
vanwege vakantie. Wel wordt het recht op uitkering behouden indien
die persoon gedurende dat verblijf meewerkt aan de activiteiten die
bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid. Onder activiteiten die
bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid wordt onder meer verstaan
opleiding, scholing of proefplaatsing. Het bedrag dat het UWV
is
verschuldigd ter zake van de betreffende activiteiten mag niet hoger zijn dan het
door het UWV op grond van artikel 4.2, derde lid, van het
Besluit SUWI vastgestelde bedrag. Dat bedrag heeft betrekking op het maximale bedrag dat aan een individuele
re-integratieovereenkomst (IRO)
besteed mag worden door het UWV. Aan de betreffende activiteiten
is nog een aantal aanvullende eisen gesteld: de activiteiten mogen niet
langer duren dan zes maanden, ze moeten plaatsvinden in een lidstaat van de
Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
in Zwitserland en ze moeten
volgens een intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een
aansluitende dienstbetrekking voor ten minste zes maanden.
Derde lid
In dit lid wordt een
definitie van het begrip intentieverklaring opgenomen. Het moet gaan om een
ondertekende verklaring waarin de ondertekenaar rblz.|33|
aangeeft dat hij het
voornemen heeft om de betreffende werknemer aansluitend op het re-integratietraject in dienst te nemen voor een periode
van ten minste zes maanden.
De intentieverklaring wordt dus ondertekend door de persoon die
waarschijnlijk de nieuwe werkgever is van de betreffende werkloze werknemer of diens
partner.
Vijfde lid
Conform
artikel 19, zesde
lid, van de WW is in het vijfde lid een bepaling opgenomen die het mogelijk
maakt ingeval een uitsluitingsgrond tot onbillijkheden zou leiden,
daarvan bij ministeriële regeling af te wijken. Zo is op grond van artikel
19,
zesde lid, van de WW in 2005 een regeling tot stand gekomen in afwijking
van artikel 19, eerste lid, onderdeel f, WW
in verband met de zeebeving in
Azië (die regeling eindigt per 1 januari 2007) [zie Tijdelijke
regeling afwijking artikel 19, eerste lid, onderdeel f, WW in
verband met de zeebeving in Azië, red.].
Zevende lid. [Vervallen,
zie tweede lid,
red.]
Artikel 69 van de
Verordening (EEG) nr. 1408/71 bevat de mogelijkheid om gedurende maximaal drie
maanden in een andere EU-lidstaat naar werk te zoeken. Dit artikel richt
zich uitdrukkelijk tot de werkloze werknemer. De (samenwerkings)procedures
tussen organen van lidstaten zijn bovendien ingericht ten behoeve van
deze personen. Om deze redenen kan de echtgenoot, die zelf geen werknemer is,
maar een afgeleid recht heeft van de werkloze werknemer, geen
beroep doen op artikel 69 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71.
Gelet echter op de gelijke
inspanningsverplichting van de echtgenoot om naar werk te zoeken, is het
wenselijk dat ook de echtgenoot gebruik kan maken van de in artikel 69
van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 neergelegde mogelijkheid om in een
andere lidstaat naar werk te zoeken. Daarom zijn in dit lid
bepaalde onderdelen van artikel 69 van de genoemde Verordening op de
echtgenoot van overeenkomstige toepassing verklaard.
Dit brengt op hoofdlijnen
het volgende mee:
Om van de mogelijkheid om in
een ander EU-land naar werk te zoeken gebruik te maken, dient de
echtgenoot vóór het vertrek gedurende ten minste vier weken na de
aanvang van de werkloosheid van de werkloze als werkzoekende ingeschreven te zijn geweest en zich ter beschikking
hebben gesteld in Nederland
voor arbeidsbemiddeling. Het UWV kan de echtgenoot evenwel
toestemming geven om vóór het verstrijken van deze termijn te vertrekken. Dit
vloeit voort uit artikel 69, eerste lid, onderdeel a van de verordening.
Het recht op uitkering wordt
gehandhaafd gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden vanaf
de datum van vertrek naar de andere lidstaat (artikel 69, eerste lid,
onderdeel b, van de verordening).
Indien de echtgenoot vóór
het verstrijken van de termijn van drie maanden naar Nederland
terugkeert, blijft het recht op IOW bestaan.
Indien het verblijf in de
andere lidstaat langer duurt en de echtgenoot niet vóór het verstrijken van
de drie maanden naar Nederland terugkeert, wordt de werkloze aangemerkt
als alleenstaande. In buitengewone gevallen kan het UWV deze termijn verlengen (artikel 69, tweede lid, van
de verordening).
Tussen twee tijdvakken van
arbeid kan slechts eenmaal een beroep worden gedaan op deze
regeling (artikel 69, tweede lid, van de verordening).
Artikel 69, eerste lid,
onderdeel b, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 kan niet van overeenkomstige
toepassing worden verklaard op de echtgenoot, aangezien in deze bepaling
de te volgen procedure en samenwerkingsafspraken tussen de organen van de lidstaten ten aanzien
van de werkloze werknemer of
zelfstandige zelf zijn vastgelegd. Op basis rblz.|34|
van laatstgenoemde bepaling
dient de werkzoekende zich in te schrijven bij de diensten voor
arbeidsbemiddeling in de lidstaat naar wiens grondgebied hij zich begeeft en dient
hij zich aan het aldaar uitgeoefende toezicht te onderwerpen. Nu deze procedure, wegens het ontbreken van
afspraken daarover met
andere lidstaten, niet van toepassing kan zijn op de echtgenoot, geldt dat,
wanneer de echtgenoot zich begeeft naar een andere EU-lidstaat om daar
werk te zoeken, de relevante Nederlandse controlevoorschriften op die
persoon van toepassing blijven. Indien de echtgenoten de keuze hebben
gemaakt voor uitbetaling van de helft van de uitkering aan beiden,
betaalt het UWV de uitkering aan de echtgenoot.
Artikel 7.
Eindigen van het
recht op uitkering
Eerste lid. [Zie art.
7, onderdeel a, IOW, red.]
Op grond van dit lid hebben
de werkloze werknemer en de echtgenoot geen recht op uitkering
indien ten aanzien van de werkloze werknemer een uitsluitingsgrond van
toepassing is.
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
Indien ten aanzien van de
echtgenoot een uitsluitingsgrond als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a
tot en met e of i, van toepassing is, eindigt uitsluitend het recht op
uitkering voor die echtgenoot. Op grond van artikel 11 [vervallen, red.]
wordt de werkloze
werknemer in dat geval aangemerkt als alleenstaande. Dit laatste
heeft invloed op de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel
10,
eerste lid. Deze bepaling komt overeen met artikel
6, tweede lid, van de Ioaw.
De uitsluitingsgrond,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel h, heeft betrekking op het inkomen.
Indien de werkloze werknemer die recht heeft op een 50+-uitkering een
gehuwde persoon is, wordt voor het vaststellen van het inkomen ook het
inkomen van de echtgenoot meegenomen. Wanneer dat gezamenlijk
inkomen hoger is dan toegestaan, vervalt het recht op uitkering voor
zowel de werkloze werknemer als de echtgenoot. Indien de werkloze werknemer
recht heeft op een 60+-uitkering wordt niet naar het inkomen van de
echtgenoot gekeken en eindigt de uitkering ook niet als op de echtgenoot de
betreffende uitsluitingsgrond van toepassing is.
Artikel 8.
Herleven van het
recht op uitkering
Eerste lid. [Zie art.
8, IOW, red.]
Het recht op uitkering
herleeft wanneer zich geen uitsluitingsgrond meer voordoet. Indien
bijvoorbeeld als gevolg van werkaanvaarding het inkomen meer bedraagt dan
toegestaan op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel
h, en dat inkomen
bijvoorbeeld door hernieuwde werkloosheid vervolgens weer onder de
toegestane hoogte uitkomt, herleeft het recht op uitkering. Het is daarmee
uitgesloten dat iemand door werkaanvaarding definitief het recht op
uitkering zou verliezen.
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
In het tweede lid is de
herleving van de uitkering voor de echtgenoot geregeld indien er ten
aanzien van die echtgenoot een uitsluitingsgrond van toepassing is geweest.
Het tweede lid geldt onverminderd het eerste lid. Het recht van de
echtgenoot kan immers alleen herleven indien er ook geen uitsluitingsgrond meer
van toepassing is op de werkloze werknemer.
Artikel 9.
Intrekking en
herziening beschikkingen
Dit artikel verplicht het
UWV om een beschikking op grond van deze
wet te herzien of in te trekken
in een aantal gevallen. Het gaat hierbij niet om een sanctie, maar om een
correctie. In onderdeel a wordt de situatie rblz.|35|
beschreven waarin herziening
nodig is vanwege gedragingen of nalatigheden van de werkloze werknemer of
zijn echtgenoot. Onderdeel b is bijvoorbeeld van toepassing
wanneer het UWV een fout heeft gemaakt die moet worden hersteld.
Onderdeel c ziet op situaties waarin de werkloze werknemer of zijn echtgenoot
niet voldoet aan de informatieverplichting. Dit artikel komt overeen met
artikel 22a van de WW.
Artikel 10.
Hoogte van de uitkering
[Gewijzigd,
red.]
Eerste lid. [Gewijzigd,
red.]
De hoogte van de uitkering
is gelijk aan het verschil tussen de van toepassing zijn grondslag en het
inkomen. De van toepassing zijnde grondslag is neergelegd in artikel 11
[vervallen, red.] en
is afhankelijk van de leefsituatie van de werkloze werknemer. (50+-uitkering)
Tweede lid. [Gewijzigd,
red.]
Conform
artikel 9, vierde
lid, van de Ioaw wordt de hoogte van de 50+-uitkering gemaximeerd op
de hoogte van de voorgaande WW-uitkering, inclusief toeslag op grond
van de TW.
Derde lid. [Gewijzigd,
red.]
Er geldt een apart regime
voor gewezen WW-uitkeringgerechtigden die bij aanvang van hun werkloosheid
60 jaar of ouder zijn (60+-uitkering).
Vierde lid. [Gewijzigd,
red.]
De hoogte van de
60+-uitkering wordt gemaximeerd op de hoogte van de voorgaande WW-uitkering.
Vijfde lid. [Gewijzigd,
red.]
Indien de 60+-uitkering
minder bedraagt dan de 50+-uitkering, wordt de uitkering aangevuld tot de
hoogte van de 60+-uitkering. Hiervan kan sprake zijn wanneer de
uitkering door toepassing van de maximering onder het relevant
sociaal minimum komt. Ook wanneer de werkloze
werknemer gehuwd is, kan de
60+-uitkering onder het relevant sociaal minimum liggen. In die
gevallen wordt de uitkering aangevuld tot de hoogte van de 50+-uitkering.
Bij de vaststelling van de hoogte van de aanvulling wordt anders dan
bij de 60+-uitkering wel rekening gehouden met het inkomen in verband
met arbeid en met het inkomen van de partner. Om die reden is in
dit lid opgenomen dat de aanvulling voor de toepassing van artikel 12
[vervallen, red.] wordt aangemerkt als 50+-uitkering.
Zesde lid. [Gewijzigd,
red.]
De 60+-uitkering en de
aanvulling, bedoeld in het vijfde lid, gezamenlijk kunnen niet meer bedragen
dan de hoogte van de voorgaande WW-uitkering, inclusief toeslag op grond
van de TW.
Zevende lid. [Gewijzigd,
red.]
In een enkel geval is het
mogelijk dat zowel de oudere werkloze als de partner een WW-recht
hadden en
beiden op of na de leeftijd van 50 jaar werkloos zijn geworden. In dat geval
wordt de uitkering gemaximeerd op 50% van het sociaal minimum per
persoon.
Achtste lid. [Zie art.
10, zesde lid, IOW, red.]
Conform
artikel 9, vierde
lid, van de Ioaw is in het achtste lid bepaald dat wanneer als gevolg van het
aanvaarden van een politiek ambt het WW-recht gedeeltelijk
geëindigd is, dit niet zal leiden tot een beperkt IOW-recht.
Negende lid. [Gewijzigd,
red.]
In dit lid wordt
bewerkstelligd dat de regels met betrekking tot de berekening rblz.|36|
van de hoogte van de IOW, die gemaximeerd is op de hoogte van de WW inclusief toeslag, ook
gelden voor uitkeringsgerechtigden die in het buitenland woonden in de
periode dat zij een WW-uitkering ontvingen. Dit is nodig omdat op 5 mei
2005 de Toeslagenwet op bijlage IIbis bij Verordening
(EEG) nr. 1408/71 is
geplaatst. Als gevolg van deze vermelding op bijlage IIbis kunnen
toeslagen sinds die datum niet naar andere EU-landen worden
geëxporteerd. In gevallen waarin personen op grond van artikel 71 van de
Verordening (EEG) nr. 1408/71 een WW-uitkering ontvingen, terwijl zij in
een andere EU-lidstaat woonden, zou het exportverbod van de Toeslagenwet ertoe
kunnen leiden dat er een ongerechtvaardigd verschil is in de hoogte van
de IOW-uitkering tussen IOW-gerechtigden die in
Nederland wonen of zijn blijven wonen en migrerende werknemers. Om dit te
voorkomen, is de bepaling opgenomen dat voor de toepassing van het
tweede en zesde lid betrokkene wordt geacht de toeslag op grond van de
Toeslagenwet te hebben ontvangen, indien hij daar recht op zou hebben
gehad wanneer hij in Nederland had gewoond.
Artikel 11. Grondslag
[vervallen, red.]
Eerste lid. [Vervallen,
red.]
De grondslag zoals
neergelegd in dit artikel is gelijk aan het relevant sociaal
minimum. Het sociaal
minimum is afhankelijk van de leefsituatie van de werkloze werknemer.
Zie hierover verder paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
Wanneer op een echtgenoot
een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel
a tot
en met e of i, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering voor die
echtgenoot op grond van artikel 7, tweede lid. Het recht op uitkering eindigt in dat geval echter niet voor de werkloze
werknemer, deze wordt op
grond van dit artikellid aangemerkt als alleenstaande. Zodra zich geen
uitsluitingsgrond meer voordoet ten aanzien van de echtgenoot herleeft zijn
recht op uitkering (artikel 8, tweede lid) en wordt de werkloze werknemer
niet meer als alleenstaande aangemerkt.
Artikel 12. Begrip inkomen
[vervallen, red.]
Eerste lid. [Vervallen,
red.]
De IOW
kent twee
uitkeringsregimes voor het bepalen van de hoogte van de uitkering. Het
uitgangspunt zoals vormgegeven in artikel 10, eerste lid, is dat de uitkering het
verschil bedraagt tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen.
Daarbij wordt als inkomen aangemerkt het inkomen uit of in verband
met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. Wanneer de werkloze
werknemer een partner heeft, wordt daarbij het inkomen uit of in verband
met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van die partner opgeteld.
Wanneer de werkloze
werknemer op de eerste dag van werkloosheid 60 jaar of ouder was, bedraagt
de hoogte van de uitkering het verschil tussen 70% van het minimumloon
en
het inkomen. In dat laatste geval wordt als inkomen aangemerkt het
inkomen van de werkloze werknemer uit arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven. Inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven en
het inkomen van een eventuele partner worden hierbij buiten
beschouwing gelaten.
Tweede en derde lid. [Vervallen,
red.]
Evenals de
Ioaw kent ook de IOW een vrijlatingsregeling voor inkomsten uit arbeid. Daarvoor is
aangesloten bij de vrijlatingsregeling die is opgenomen in de Toeslagenwet.
Gedurende een periode van ten hoogste twee jaren wordt 5% van het wettelijk
minimumloon en 30% van het meerdere (met een maximum van 15% van
het wettelijk minimumloon) vrijgelaten.
rblz.|37|
De voorwaarde uit de Ioaw dat het inkomen uit arbeid moet bijdragen tot arbeidsinschakeling is in de
IOW niet overgenomen. Het meeste inkomen uit arbeid zal immers ook
bijdragen tot arbeidsinschakeling.
Vierde lid. [Vervallen,
red.]
Op grond van het vierde lid
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het inkomen,
bedoeld in het eerste lid. Daarbij kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid,
alsmede de periode waarop die vaststelling betrekking heeft. Op grond
van dit artikellid zullen regels tot stand worden gebracht waarin onder meer
wordt aangegeven wat moet worden verstaan onder "inkomen uit
arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven" en "inkomen in verband met
arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven". Deze zullen worden opgenomen in
een nieuw tot stand te komen algemeen inkomensbesluit.
Artikel 13. Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling
[zie art. 11 IOW,
red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 73 van de WW en artikel 36 van de
Ioaw. De
uitkeringsgerechtigde op grond van deze wet heeft op grond van dit artikel recht op
ondersteuning bij de re-integratie. Bij een beschikking op aanvraag om ondersteuning
zal het UWV per geval een afweging moeten maken over de aard en
omvang van de ondersteuning. Deze afweging is onder meer
afhankelijk van de individuele capaciteiten (competenties) van de
betrokkene, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of
alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de
beschikbare financiële middelen. Indien het UWV een verzoek om ondersteuning bij
arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling afwijst, zal dit besluit met redenen omkleed moeten worden. Tegen
een dergelijk besluit staat bezwaar en beroep open.
Voor de invulling van de
ondersteuning maakt het UWV gebruik van de wettelijk geregelde
re-integratie-instrumenten. De zinsnede met "inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen" maakt dit duidelijk. Dit artikel vormt geen basis
voor verstrekking van andere dan wettelijk geregelde re-integratie-instrumenten.
Vooropstaat dat de kortste weg naar werk moet worden gekozen.
Dit is het kader waarbinnen het UWV - in samenspraak met de
betrokkene - zoekt naar de mogelijkheden en het UWV de afweging over
ondersteuning maakt.
Artikel 14. Opleiding of
scholing [vervallen,
red.]
Eerste lid. [Vervallen,
red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 76 van de WW. Wanneer een uitkeringsgerechtigde gaat deelnemen aan een
opleiding, kan dat van invloed zijn op het recht op
uitkering. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de werkloze werknemer door het
volgen van de opleiding niet langer beschikbaar is om arbeid op
de arbeidsmarkt te aanvaarden. Dit artikel bepaalt dat de uitkering
niet eindigt zolang de naar het oordeel van het UWV
noodzakelijke opleiding
of scholing duurt. In de vrijstellingsregeling die op grond van artikel
21 [16],
eerste lid, tot stand zal komen, zal een vrijstelling worden opgenomen met
betrekking tot de verplichtingen gericht op de arbeidsinpassing voor
personen die op grond van dit artikel opleiding of scholing volgen. Die
vrijstelling eindigt twee maanden vóór het tijdstip waarop de opleiding of
scholing naar verwachting zal eindigen. De overige uitsluitingsgronden
van artikel 6 zijn onverkort van toepassing.
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
Op grond van het tweede lid
worden nadere regels gesteld waarbij zal rblz.|38|
worden aangegeven wat kan
worden verstaan onder noodzakelijke opleiding of scholing en aan welke
voorschriften deze opleiding of scholing moet voldoen. Op grond van
artikel 61 [48], tweede lid, zal de grondslag van de
Scholingsregeling WW worden uitgebreid met dit artikellid. Die regeling zal worden aangepast.
Artikel 15. Proefplaatsing
[vervallen, red.]
Eerste lid. [Vervallen,
red.]
Conform
artikel 76a van de
WW is ook in deze wet de mogelijkheid opgenomen om op een proefplaats bij
een werkgever gedurende maximaal drie maanden onbeloonde
werkzaamheden te verrichten. Door middel van proefplaatsing kunnen een
werkzoekende en een werkgever samen een afweging maken of de
werkzoekende de geschikte persoon is op de arbeidsplaats voordat tot
een definitieve plaatsing wordt overgegaan. Gedurende de periode van
proefplaatsing zal de betrokkene op grond van artikel 21 [16], eerste lid,
worden vrijgesteld van verplichtingen gericht op de arbeidsinpassing.
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
De
uitkeringsgerechtigde
die met toestemming werkzaamheden in het kader van een proefplaatsing
verricht, kan dit doen met behoud van uitkering gedurende de periode
waarover hij toestemming heeft verkregen om die werkzaamheden te
verrichten.
Vijfde lid. [Vervallen,
red.]
Op grond van dit lid kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de procedure rond de
proefplaatsing en de criteria om voor proefplaatsing in aanmerking te komen.
Artikel 16. Starten als
zelfstandige [vervallen,
red.]
Eerste lid. [Vervallen,
red.]
Een uitkeringsgerechtigde
kan op grond van dit artikel toestemming krijgen van het UWV
om te
starten met het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Zolang de
uitkeringsgerechtigde op grond van dit artikel toestemming heeft om
werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep te verrichten, is de uitsluitingsgrond van
artikel 6, eerste lid, onderdeel i, niet van toepassing.
Onderdeel a. [Vervallen,
red.]
De werkloze werknemer of de
echtgenoot zal, om in aanmerking te komen voor de toestemming,
bijvoorbeeld aan de hand van een plan van aanpak, aannemelijk moeten maken dat
de werkzaamheden die verricht gaan worden in de toekomst zullen
leiden tot een, al dan niet gedeeltelijke, uitstroom uit de uitkering.
Indien de betrokkene, nadat toestemming is verkregen voor het
verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, zich naar het oordeel van het
UWV onvoldoende inzet, waardoor de werkzaamheden niet kunnen leiden tot
uitstroom uit de uitkering, kan de toestemming om deze
werkzaamheden te verrichten, worden ingetrokken. De werkloze werknemer of de
echtgenoot voldoet dan immers niet langer aan de voorwaarde dat
aannemelijk is dat de werkzaamheden zullen leiden tot uitstroom uit de
uitkering. Tevens zal het UWV moeten beoordelen of de uitkeringsgerechtigde
in dat geval heeft voldaan aan zijn plicht om in voldoende mate te
trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
(sollicitatieplicht) en kan het UWV, wanneer daaraan niet is voldaan, een sanctie
opleggen.
rblz.|39|
Onderdeel b. [Vervallen,
red.]
De uitkeringsgerechtigde
komt alleen voor toestemming om werkzaamheden als zelfstandige te
verrichten in aanmerking als hij deze werkzaamheden nog niet verrichtte. Een
uitkeringsgerechtigde die bijvoorbeeld al in deeltijd werkte als
zelfstandige kan niet, indien hij ook recht heeft op een IOW-uitkering, voor dat deel
toestemming krijgen om werkzaamheden als zelfstandige te verrichten,
daar het niet om nieuw op te starten werkzaamheden gaat.
Onderdeel c. [Vervallen,
red.]
Er kan gedurende de
uitkeringsduur van de WW en de uitkeringsduur van de IOW
gezamenlijk eenmaal
van de mogelijkheid om te starten als zelfstandige gebruik gemaakt worden.
Hiermee wordt gestimuleerd dat de betrokkene zich optimaal
inzet tijdens het aangeboden traject.
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
Indien de
uitkeringsgerechtigde op grond van het eerste lid toestemming krijgt om werkzaamheden in
de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep
te verrichten, blijft het recht op uitkering bestaan zolang de
toestemming voortduurt. Inkomsten die de werknemer met deze werkzaamheden
verwerft, zullen op grond van artikel 10 in mindering worden gebracht
op de uitkering.
Artikel 17. Informatieplicht,
medewerking controle en procedurevoorschriften
[zie art. 12 IOW,
red.]
Eerste lid. [Zie art.
12, eerste lid, IOW, red.]
Dit artikellid verplicht de
aanvrager en de uitkeringsgerechtigde om alle mogelijke informatie te
verstrekken waarvan het hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van
invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of
de betaling van de uitkering.
Indien de uitkering op grond
van artikel 38 [30] aan een in dat artikel bedoelde instelling wordt uitbetaald,
geldt de het eerste lid opgenomen informatieplicht ook voor die instelling. Zo
is de betreffende instelling bijvoorbeeld verplicht door te geven of
de uitkeringsgerechtigde inmiddels is ontslagen of door een andere
instelling is opgenomen. Ook moeten gesignaleerde onregelmatigheden of fouten
in de betalingen doorgegeven worden.
De verplichting geldt niet
voor zover een recht op uitkering niet geldend kan worden gemaakt als
gevolg van een gehele weigering. Hoewel degene van wie de uitkering
blijvend geheel wordt geweigerd onder het regime van de wet blijft
vallen, zal het opleggen van een boete niet aan de orde zijn in situaties
waarin de uitkering blijvend geheel geweigerd is, omdat de inlichtingenplicht
nauwelijks inhoud zal hebben.
Tweede lid. [Zie art.
12, tweede lid, IOW, red.]
Dit lid komt overeen met
artikel 27, tweede lid, van de Wet WIA en geeft een aantal verplichtingen
aan de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde ten behoeve van de controle.
Onderdeel b. [Zie
art. 12, tweede lid, onderdeel b, IOW,
red.]
De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde dienen vragen te beantwoorden op een wijze die het
UWV of
een door het UWV aangewezen persoon aangeeft, dat wil zeggen
mondeling, schriftelijk, digitaal of anderszins.
Onderdeel c. [Zie
art. 12, tweede lid, onderdeel c, IOW,
red.]
Onder deze verplichting valt
ook de verplichting zoals opgenomen in artikel
26, eerste lid,
onderdeel g, van de WW, dat de uitkeringsgerechtigde verplicht is mee te werken
aan een voor hem gewenst onderzoek naar zijn
arbeidsgeschiktheid door een geneeskundige, een psycholoog of een beroepskeuzeadviseur.
rblz.|40|
Onderdeel d. [Zie
art. 12, tweede lid, onderdeel d, IOW,
red.]
Op grond van artikel 22
[17] wordt een uitkeringsreglement door het UWV
opgesteld. Dit
uitkeringsreglement bevat controlevoorschriften, voorschriften met betrekking tot het
genieten van vakantie tijdens de uitkeringsduur, wat de
kansen van de uitkeringsgerechtigde op de arbeidsmarkt kan
beïnvloeden en overige voorschriften. In dit onderdeel is opgenomen dat de
uitkeringsgerechtigde de door het UWV gestelde voorschriften moet opvolgen.
Derde lid. [Zie art.
12, derde lid, IOW, red.]
Het derde lid regelt
expliciet dat de informatie- en medewerkingsverplichtingen ook gelden ten opzichte van
re-integratiebedrijven die een taak hebben bij de re-integratie. De verplichtingen gelden alleen voor
zover dit noodzakelijk is
voor de taken die in opdracht van het UWV worden uitgevoerd. Onderdeel
b ziet op personen die door het re-integratiebedrijf dat in
opdracht van het UWV activiteiten verricht, zijn ingeschakeld. Gedacht kan
worden aan artsen, paramedici of arbeidskundigen.
Vierde lid. [Zie art.
12, vierde lid, IOW, red.]
Op grond van het vierde lid
dient de uitkeringsgerechtigde (conform artikel
26, eerste lid,
onderdeel m, van de WW en artikel
27, vierde lid, van de Wet WIA) de reden van
eventuele niet-naleving van zijn re-integratieverplichtingen zo spoedig mogelijk te
melden aan het re-integratiebedrijf. Dit betekent in beginsel dat
vooraf de reden van verzuim moet worden gemeld. Dit past binnen het
uitgangspunt dat de uitkeringsgerechtigde actief moet meewerken aan
zijn re-integratie en daarover verantwoording moet afleggen en daarom
gehouden is tot tijdige informatieverstrekking aan het
re-integratiebedrijf.
Indien de reden van het verzuim niet wordt gemeld of het
re-integratiebedrijf anderszins het gegronde vermoeden heeft dat de
uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking verleent aan de werkzaamheden van het
re-integratiebedrijf, dient dat op grond van het contract tussen het
re-integratiebedrijf en het UWV (zie ook artikel 4.1 van het
Besluit SUWI)
door het re-integratiebedrijf aan het UWV te worden gemeld.
Artikel 18. Plichten ter
voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond
van deze wet [zie
art. 13 IOW, red.]
Eerste lid. [Zie art.
13, eerste lid, IOW, red.]
Op grond van dit lid dienen
de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde zich zodanig te gedragen dat zij
door hun doen en laten het Toeslagenfonds niet benadelen of zouden
kunnen benadelen. Te denken valt aan het instemmen met ontslag onder
toekenning van een schadevergoeding en daardoor bepaalde
loonaanspraken prijsgeven. Dit onderdeel ziet niet alleen op "het
benadelen",
maar ook op het "zou kunnen benadelen". Het is dan ook niet vereist dat
de benadeling werkelijk is geschied; ook in de situatie dat het UWV
voortijdig een fraude ontdekt en daardoor de benadeling voorkomt, is de bepaling van
toepassing. Deze bepaling komt overeen met artikel
24,
zesde lid, van de WW.
Derde lid. [Zie art.
13, derde lid, IOW, red.]
In dit lid wordt uitgewerkt
wanneer sprake is van het door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde
arbeid behouden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ontslag op
initiatief van de werkgever (de a-grond) en ontslag door of op
verzoek van de aanvrager of uitkeringsgerechtigde (de b-grond).
Op grond van het
voorgestelde derde lid, onderdeel a, heeft de aanvrager of uitkeringsgerechtigde
door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde rblz.|41|
arbeid behouden als
zijn dienstbetrekking is beëindigd op grond van een dringende reden. De
zinsnede "en de aanvrager of uitkeringsgerechtigde ter zake een verwijt kan
worden gemaakt" is opgenomen om te voorkomen dat de aanvrager
of uitkeringsgerechtigde op grond van een dringende reden is
ontslagen, maar ter zake van de daaraan ten grondslag liggende gedraging geen
verwijt kan worden gemaakt, desondanks tegengeworpen zou krijgen dat hij door
eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid heeft behouden.
Op grond van het
voorgestelde derde lid, onderdeel b, heeft de aanvrager of uitkeringsgerechtigde
door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid behouden als de
dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de aanvrager of
uitkeringsgerechtigde, terwijl aan de voortzetting van de dienstbetrekking niet
dusdanige bezwaren waren verbonden dat een
voortzetting van de dienstbetrekking redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
Niet iedere beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de
aanvrager of uitkeringsgerechtigde valt onder het door eigen toedoen geen
algemeen geaccepteerde arbeid behouden. Als redelijkerwijs niet
verwacht kan worden van de aanvrager of uitkeringsgerechtigde dat hij zijn
dienstbetrekking voortzet, is geen sprake van het door eigen toedoen geen
algemeen geaccepteerde arbeid behouden. Dit lid komt overeen met
artikel 24, tweede lid, van de WW, waarin wordt geregeld wanneer sprake is
van verwijtbare werkloosheid.
Vierde lid. [Zie art.
13, vierde lid, IOW, red.]
Op grond van het hier
voorgestelde vierde lid leidt het niet voeren van (adequaat) verweer door de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde tegen of het instemmen van de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde met een beëindiging van de
dienstbetrekking door de werkgever niet tot overtreding van de verplichting om te
voorkomen door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid te
behouden of van de verplichting om geen zogenoemde
benadelingshandeling te verrichten. Het gaat daarbij om een verweer tegen of instemming
met de beëindiging van de dienstbetrekking als zodanig. Van de
aanvrager en de uitkeringsgerechtigde wordt wel verwacht dat zij - indien
nodig in rechte - vorderen dat bij de beëindiging van de dienstbetrekking
rekening wordt gehouden met de termijn die bij regelmatige opzegging van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever rechtens zou gelden. De
niet-verwijtbaarheid heeft dus uitsluitend betrekking op de beëindiging als
zodanig, en niet op de daaraan verbonden voorwaarden. De aanvrager of
uitkeringsgerechtigde moet dus wel in verweer komen tegen een te
vroege opzegging door de werkgever en ook bij een beëindiging met
wederzijds goedvinden voorkomen dat hij het Toeslagenfonds benadeelt.
Dit lid sluit aan bij artikel 24, zesde lid, van de WW.
Artikel 19. Plichten gericht
op het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid [zie
art. 14 IOW, red.]
In dit artikel staat een
aantal verplichtingen genoemd voor de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde.
Die verplichtingen gelden ook voor de echtgenoot van de werkloze werknemer
aangezien de uitkering hen gezamenlijk toekomt.
Eerste lid. [Zie art.
14, eerste lid, IOW, red.]
De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde dienen zowel hun medische mogelijkheden (in geval van
ziekte) als mogelijkheden die zijn gericht op competenties die vereist
zijn voor het verrichten van arbeid te vergroten. Vergroting van die
mogelijkheden verbetert de kansen op de arbeidsmarkt. In het derde lid wordt deze
verplichting verder uitgewerkt. Dit onderdeel komt overeen met
artikel 29, eerste lid, van de Wet WIA.
rblz.|42|
Tweede lid. [Zie art.
14, tweede lid, IOW, red.]
In het tweede lid wordt
aangegeven waartoe de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde op grond van het eerste lid
in ieder geval verplicht zijn.
Tweede lid, onderdeel a.
[Zie
art. 14, tweede lid, onderdeel a, IOW,
red.]
Het
UWV, maar ook een door
het UWV ingeschakeld re-integratiebedrijf, kan de aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde in geval van ziekte op grond van het advies van een arts
opdragen om een medische behandeling te ondergaan. Een aanwijzing
kan bijvoorbeeld inhouden dat de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde
zich onderwerpt aan een door de behandelend arts noodzakelijk geachte
behandeling van medische aard, die redelijkerwijs van de aanvrager dan wel
uitkeringsgerechtigde mag worden gevraagd.
Genezingsbelemmerende gedragingen kunnen de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde
verweten worden. Daarbij is niet vereist dat de genezing daadwerkelijk
belemmerd is. Voldoende is dat de handeling naar algemeen geldende medische
maatstaven de strekking heeft de genezing te belemmeren.
Tweede lid, onderdeel b.
[Zie
art. 14, tweede lid, onderdeel b, IOW,
red.]
In dit onderdeel is de
verplichting voor de aanvrager en de uitkeringsgerechtigde opgenomen om mee te werken
aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor inschakeling in de
arbeid. Het gaat daarbij om het meewerken aan de activiteiten zoals
omschreven in de artikelen 14 [vervallen, red.], 15 [vervallen, red.]
en 16 [vervallen, red.]. Dit onderdeel komt overeen met
artikel 26, eerste lid, onderdeel e, van de WW.
Onder het eerste lid kan op
grond van dit onderdeel ten minste worden begrepen dat de aanvrager en
de uitkeringsgerechtigde dienen mee te werken aan
re-integratietrajecten die het aanbod van de arbeidscapaciteit versterken en
bemiddelingstrajecten. Aanbodversterkende trajecten zijn in het algemeen trajecten
gericht op het verminderen van arbeidsbelemmeringen of het verbeteren van
competenties. Scholing en opleiding kunnen daarvan deel uitmaken. In
bepaalde gevallen mag van een aanvrager of een uitkeringsgerechtigde
worden verwacht dat hij, bijvoorbeeld door middel van scholing of
opleiding, tracht nieuwe mogelijkheden tot het verrichten van arbeid te
verkrijgen. De activiteiten die onderdeel uitmaken van een bemiddelingstraject
behelzen in het algemeen sollicitatieondersteuning en adviseren en motiveren
van cliënten, matching, bemiddeling en nazorg.
Tweede lid, onderdeel c.
[Zie
art. 14, tweede lid, onderdeel c, IOW,
red.]
Dit onderdeel houdt in dat
de aanvrager en de uitkeringsgechtigde mogelijkheden tot verkrijging van
hulpmiddelen in verband met de werkplek en mogelijkheden tot aanpassing
van de werkplek, alsmede andere persoonsgebonden
voorzieningen, moeten benutten in verband met arbeidsinschakeling. Met
andere woorden, zij moeten trachten deze hulpmiddelen te verkrijgen of deze
aanpassing van de werkplek te bewerkstelligen. Bovendien dienen zij aan een
aanbod van deze hulpmiddelen of een aanbod van aanpassing van de
werkplek medewerking te verlenen.
Tweede lid, onderdeel d en
e. [Zie art. 14,
tweede lid, onderdeel d en e, IOW,
red.]
Op grond van het nieuwe
artikel 30a van de Wet SUWI stelt het
UWV voor een ieder ten aanzien van
wie het een re-integratietaak heeft een re-integratievisie en indien
nodig een re-integratieplan op. De aanvrager of uitkeringsgerechtigde
dient hieraan mee te werken. De genoemde plicht wordt in onderdeel d
geregeld. Zo wordt tevens bereikt dat bij niet-naleving van die plichten een sanctie
kan worden opgelegd. De aanvrager en uitkeringsgerechtigde
zijn niet alleen verplicht aan het opstellen van deze re-integratievisie en
dit re-integratieplan mee te werken, maar ook de rblz.|43|
plichten die daarin zijn opgenomen na te leven. Dit laatste wordt geregeld in onderdeel e.
Artikel 20. Plichten gericht
op inschakeling in de arbeid [zie
art. 15 IOW, red.]
Eerste lid, onderdeel b.
[Zie
art. 15, onderdeel b, IOW,
red.]
De verplichting om in
voldoende mate te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, komt
overeen met de verplichting zoals opgenomen in artikel
24, eerste lid,
onderdeel b, onder 1º, van de WW. Met dien verstande dat daarin de
verplichting is opgenomen om passende arbeid te verkrijgen. In de IOW
is ervoor gekozen om als uitgangspunt algemeen geaccepteerde
arbeid te nemen. Ook in de Ioaw wordt uitgegaan van algemeen geaccepteerde
arbeid. IOW-gerechtigden hebben alvorens zij recht kregen op IOW geruime tijd recht gehad op WW. Het begrip passende arbeid uit
de WW ligt naarmate de uitkering langer duurt steeds dichter aan tegen het
begrip algemeen geaccepteerde arbeid. Daarom is ervoor gekozen om
aansluitend hierop voor de IOW algemeen geaccepteerde arbeid als
uitgangspunt te nemen. Met het begrip algemeen geaccepteerde arbeid wordt
bedoeld arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Werkzaamheden
die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie,
worden hiermee uitgesloten. Ook worden werkzaamheden uitgesloten die ingaan tegen
de integriteit van de persoon, zoals werkzaamheden die
gewetensbezwaren oproepen. Onder algemeen geaccepteerde arbeid worden
eveneens verstaan alle vormen van gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van
dienstbetrekkingen in het kader van de Wet sociale
werkvoorziening.
De verplichting om in
voldoende mate te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, geeft
aan dat de aanvrager en uitkeringsgerechtigde ook zelf actief naar werk
moeten zoeken.
Eerste lid, onderdeel c.
[Zie
art. 15, onderdeel c, IOW,
red.]
De verplichting om
aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, komt overeen met
de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 24, eerste lid,
onderdeel b, onder 2º, van de WW en artikel
37, eerste lid, onderdeel c, van
de Ioaw.
Eerste lid, onderdeel d.
[Zie
art. 15, onderdeel d, IOW,
red.]
De verplichting van de
aanvrager en de uitkeringsgerechtigde om te voorkomen dat het aanvaarden of
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid wordt belemmerd door
in verband met de door hen te verrichten arbeid eisen te stellen,
komt overeen met de verplichting zoals opgenomen in artikel
24, eerste lid,
onderdeel b, onder 4º, van de WW. Deze verplichting is opgenomen om
te voorkomen dat de betrokkene door afwijkend gedrag, het
stellen van irreële eisen of door ongebruikelijke werktijden iedere
bemiddelingspoging belemmert.
Artikel 21. Vrijstelling en
ontheffing van verplichtingen [zie
art. 16 IOW, red.]
Eerste lid. [Zie art.
16, eerste lid, IOW, red.]
Op grond van het eerste lid
kan Onze Minister regels stellen waarbij groepen personen worden
vrijgesteld van een aantal verplichtingen als bedoeld in artikel 20 [15]. Ook
in de artikelen 24, zevende lid, en 26, derde lid, van de WW
is een
vrijstellingsbevoegdheid opgenomen. De verplichtingen waarvan op grond van dit
artikel kan worden vrijgesteld, komen overeen met de
verplichtingen waarvan op grond van de artikelen van de WW
kan worden vrijgesteld.
De vrijstelling van artikel 19 [14] is conform de vrijstelling zoals opgenomen
in artikel 32, tweede lid, van de Wet
WIA. Op grond van de artikelen 24 en
26 van de WW en 32 van de
Wet WIA is de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA tot stand gekomen. rblz.|44|
De grondslag van die
regeling zal op grond van artikel 61 [48] worden verruimd, zodat ook dit
artikel aan de regeling ten grondslag zal liggen.
Tweede lid. [Zie art.
16, tweede lid, IOW, red.]
Op grond van het tweede lid
kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden
gesteld op grond waarvan aanvragers en uitkeringsgerechtigden in
individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van een
aantal verplichtingen als bedoeld in de artikelen 19 [14]
en 20 [15]. De mogelijkheid
voor ontheffing is ontleend aan de artikelen 24, negende lid en
26, zesde
lid, van de WW. In de Wet WIA is de ontheffingsbevoegdheid geregeld in artikel
32,
derde lid.
Voor een individuele
ontheffing van een aanvrager of uitkeringsgerechtigde kan bijvoorbeeld aanleiding
bestaan indien er sprake is van een calamiteit, intensieve
mantelzorg of vrijwilligerswerk. Een calamiteitenontheffing kan worden verleend wanneer
de aanvrager of uitkeringsgerechtigde wordt geconfronteerd met een
plotselinge, ernstige crisissituatie in de privésfeer, zoals
een sterfgeval in het gezin. Een mantelzorgontheffing kan worden verleend aan een
uitkeringsgerechtigde die zodanig intensieve
mantelzorg verleent dat tijdelijk redelijkerwijs niet van hem kan worden
verlangd dat
hij voldoet aan bijvoorbeeld de sollicitatieplicht en de plicht om algemeen
geaccepteerde arbeid te aanvaarden. De ontheffing in verband met
vrijwilligerswerk kan het UWV verlenen wanneer de verwachting is
dat het een tijdje verrichten van vrijwilligerswerk, zonder te hoeven solliciteren, ertoe bijdraagt dat de afstand tot de
arbeidsmarkt van de
betrokkene daardoor wordt verkleind. De ontheffingsbevoegdheid van het UWV
wordt verder
uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur.
Daarin zal aansluiting worden gezocht bij het voor de WW
en de Wet WIA geldende
ontheffingskader.
Artikel 22.
Uitkeringsreglement [zie
art. 17 IOW, red.]
Conform
artikel 101 van de
WW stelt het UWV een uitkeringsreglement inkomensvoorziening oudere
werkloze werknemers vast.
Artikel 23. Verplichting
werkgever [zie
art. 18 IOW, red.]
De noodzaak om het werk te
verzuimen, kan aanwezig zijn indien de aanvrager of
uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van het hem op grond van de Algemene wet
bestuursrecht toekomende recht om bezwaar of beroep in te stellen tegen
een beslissing van het UWV. Zowel in verband hiermee, maar ook ten
gevolge van een oproep van het UWV, bijvoorbeeld voor het verstrekken van
inlichtingen, kan een aanvrager of uitkeringsgerechtigde verplicht zijn het werk te
verzuimen. Als de werkgever hiertoe geen gelegenheid
biedt, kan de werkgever op grond van artikel 54 [46]
worden gestraft met een
geldboete van de tweede categorie of één maand hechtenis. Deze
bepaling is zowel relevant voor de werkgever van de werkloze werknemer als
voor de werkgever van de echtgenoot. Dit artikel komt overeen met de
artikelen 13 van de ZW
en de WW.
Artikel 24. Weigering
uitkering bij niet-nakoming verplichtingen
[zie art. 19 IOW,
red.]
Eerste lid. [Zie art.
19, eerste lid, IOW, red.]
Dit lid komt overeen met
artikel 27, eerste lid, van de WW en artikel
20, eerste lid, van de Ioaw.
Wanneer de aanvrager of uitkeringsgerechtigde door eigen toedoen geen
algemeen geaccepteerde arbeid behoudt, weigert het UWV
de uitkering
blijvend geheel. Wanneer het niet nakomen van die verplichting niet in
overwegende mate kan worden verweten aan de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde, wordt de uitkering voor een periode van 26 weken
gehalveerd. Daarmee wordt eveneens aangesloten bij de WW, waarbij het
uitkeringspercentage wordt gehalveerd.
rblz.|45|
Tweede lid. [Zie art.
19, tweede lid, IOW, red.]
Indien de werkloze werknemer
of de partner aangeboden arbeid niet aanvaardt of door eigen
toedoen geen arbeid verkrijgt, wordt de uitkering blijvend geweigerd naar de
mate waarin de werkloze werknemer of de partner met het verrichten
van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven. Hierbij is
aangesloten bij artikel 20, tweede lid, van de
Ioaw.
Derde lid. [Zie art.
19, derde lid, IOW, red.]
Op grond van dit lid weigert
het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk
indien de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde één van de volgende
verplichtingen niet nakomt:
- de algemene
informatieplicht;
- het voldoen aan elke
oproep van het UWV, door het UWV aangewezen personen of het
re-integratiebedrijf;
- het beantwoorden van
vragen die door het UWV, door het UWV aangewezen personen of het
re-integratiebedrijf worden gesteld;
- het meewerken door zich
te laten onderzoeken door het UWV, door het UWV aangewezen personen of
het re-integratiebedrijf;
- het naleven van door het
UWV gestelde voorschriften;
- het melden van de reden
indien de uitkeringsgerechtigde bij deelname aan een re-integratietraject
zijn re-integratieverplichtingen niet naleeft;
- het geregistreerd staan
als werkzoekende bij het CWI;
- het in voldoende mate
trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
- het in voldoende mate
behouden of verkrijgen van de mogelijkheden tot het verrichten van
algemeen geaccepteerde arbeid;
- het meewerken aan de
activiteiten die bevorderlijk zijn voor inschakeling in de arbeid;
- het zich zodanig
gedragen dat zij het Toeslagenfonds niet benadelen;
- het voorkomen dat zij
het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
belemmeren door in verband met door hen te verrichten arbeid eisen te
stellen;
- het verstrekken van
inzage in een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht.
Vierde lid. [Zie art.
19, vierde lid, IOW, red.]
De omvang van de maatregel
moet door het UWV worden afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de aanvrager of uitkeringsgerechtigde de gedraging verweten kan
worden. Dit lid komt overeen met artikel 27, vierde lid, van
de WW en artikel 20, vierde lid, van de
Ioaw.
Vijfde lid. [Zie art.
19, vijfde lid, IOW, red.]
Indien het niet tijdig
nakomen van de algemene informatieplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte
of het tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of indien de
verplichting geregistreerd te staan als werkzoekende niet is nagekomen, kan worden
afgezien van het opleggen van een maatregel en kan worden volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing. Dit kan echter niet wanneer
het niet of niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar nadat er eerder een waarschuwing is
gegeven.
Dit lid komt overeen met
artikel 27, vijfde lid, van de WW en artikel
20, vijfde lid, van de Ioaw.
Zesde lid. [Zie art.
19, zesde lid, IOW, red.]
Dit lid komt overeen met
artikel 27, zesde lid, van de WW en artikel
20, zesde lid, van de Ioaw. Het
biedt de mogelijkheid om in het geval van dringende redenen af te zien
van het opleggen van een maatregel.
Zevende lid. [Zie art.
19, zevende lid, IOW, red.]
In dit lid wordt geregeld
dat het opleggen van een maatregel door het rblz.|46|
UWV
achterwege blijft als
voor dezelfde gedraging een boete als bedoeld in artikel 26 [21]
wordt
opgelegd. Dit lid ziet op situaties waarbij de aanvrager of uitkeringsgerechtigde
voor dezelfde gedraging zowel een maatregel als een boete zou moeten worden
opgelegd. Dit lid komt overeen met artikel 27, zevende lid, van de WW.
Artikel 25. Maatregel bij
herleving van de uitkering [zie
art. 20 IOW, red.]
Conform
artikel 28 van de
WW is in dit artikel de verplichting voor het UWV
opgenomen om een
maatregel als bedoeld in artikel 24 [19] voort te zetten in geval van
herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel
8.
Artikel 26. Boete bij
niet-nakoming verplichtingen [zie
art. 21 IOW, red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 27a van de WW. In het eerste lid wordt voorgesteld dat het
UWV verplicht is een boete op te leggen als de aanvrager of
uitkeringsgerechtigde de algemene informatieplicht, bedoeld artikel 17 [12], eerste lid, niet
nakomt. Conform artikel 27a van de WW is hier sprake van een verplichting
voor het UWV. Het UWV moet afzien van het opleggen van een boete
wanneer elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en kan afzien van het
opleggen van een boete wanneer het niet nakomen van de informatieplicht niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
uitkering of als daarvoor dringende redenen zijn. Op grond van het
zevende lid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en
tweede lid. In artikel 61 [48] wordt voorgesteld het
Boetebesluit socialezekerheidswetten mede te baseren op dit zevende lid.
Artikel 27. Zwijgrecht en
kennisgeving voornemen boeteoplegging
[vervallen, red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 27b van de WW. Het artikel beschrijft de rechten van de aanvrager
en de uitkeringsgerechtigde bij het opleggen van een boete door het UWV.
Artikel 28. Voorschriften
rond boetebeschikking [vervallen,
red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 27c van de WW. Op grond van artikel
27c van de
WW is het Besluit
Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten
en onverschuldigde betaalde uitkering [Regeling betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde
betalingen, red.] getroffen. Op grond van
artikel 61 [48] zal die regeling na de inwerkingtreding van
deze wet ook op dit
artikel rusten.
Artikel 29. Niet-oplegging
van boete [vervallen,
red.]
Dit artikel sluit het
opleggen van een bestuurlijke boete uit in gevallen waarin ter zake van
hetzelfde feit een strafvervolging is ingesteld en de procedure is gevorderd tot
de aanvang van de terechtzitting dan wel waarin een transactie heeft
plaatsgehad. De boeteoplegging wordt opgeschort indien het openbaar
ministerie de gedraging onderzoekt. In het derde lid is voor het
openbaar ministerie een verplichting opgenomen om informatie te verstrekken
aan het UWV.
Artikel 30. Termijnstelling
van boete [vervallen,
red.]
Het eerste lid bepaalt dat
de boete moet worden opgelegd binnen één jaar nadat de betrokken persoon
zijn zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Dit is een
redelijke termijn die ook de uitvoering voldoende armslag biedt. De termijn
van één jaar laat onverlet dat het opleggen van een boete binnen een
redelijke termijn moet plaatsvinden. In het tweede rblz.|47|
lid is vanuit het oogpunt
van rechtszekerheid bepaald dat een boete niet meer kan worden opgelegd
indien de overtreding vijf jaar of langer geleden is. Dit artikel komt
overeen met artikel 27e van de WW.
Artikel 31. Afwijking van
artikel 8:69 Awb
[zie art. 23 IOW,
red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 27f van de WW. Het voorgestelde artikel bepaalt dat de
rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is
vastgesteld ook ten nadele van de betrokken persoon wijzigen. Conform de
WW moet
het ook hier de rechter vrijstaan om binnen de grenzen van de
wettelijke bepalingen een andere boete op te leggen dan welke het
uitvoeringsorgaan heeft opgelegd, indien daartoe naar het oordeel van de
rechter gronden zijn.
Artikel 32. Boetebeschikking
executoriale titel [vervallen,
red.]
Het besluit van het
UWV waarbij een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit artikel is opgenomen om
te voorkomen dat, afhankelijk van de executiemogelijkheden, het
besluit die status nu eens wel en dan weer niet zou hebben. Voorts kan
in de gevallen dat moet worden gevreesd dat de latere executie zou
worden gefrustreerd omdat vermogensbestanddelen dan niet meer aanwezig
zouden zijn, dit worden voorkomen door direct tot executie over te
gaan. Ten slotte wordt ook het voeren van dubbele procedures hierdoor
tegengegaan. Dit artikel komt overeen met artikel
27g van de WW.
Artikel 33. In kennis stellen
re-integratiebedrijf van sanctieoplegging
[zie art. 25 IOW,
red.]
Op grond van het hier
voorgestelde artikel dient het UWV indien het een aanvrager of
uitkeringsgerechtigde een maatregel of boete heeft opgelegd, het re-integratiebedrijf dat
werkzaamheden ten behoeve van betrokkene verricht daarvan op de
hoogte te stellen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de
re-integratiewerkzaamheden door het re-integratiebedrijf. Zeker
wanneer het re-integratiebedrijf heeft gemeld dat betrokkene niet aan zijn
verplichtingen heeft voldaan, is deze terugkoppeling van belang. Maar wanneer een
dergelijke melding niet is gedaan, kan de informatie dat een
sanctie is opgelegd van belang zijn voor de re-integratiewerkzaamheden.
Ook in die gevallen dient daarom de terugkoppeling plaats te vinden.
Terugkoppeling over het resultaat naar de consulent van het
re-integratiebedrijf versterkt enerzijds het draagvlak voor de regelgeving en
bevordert anderzijds het leereffect. Op deze wijze wordt tevens een snelle
aanpak bevorderd. Omdat de terugkoppeling alleen hoeft plaats te vinden indien dit noodzakelijk is voor het verrichten
van de werkzaamheden door
het re-integratiebedrijf, zal niet in alle gevallen het opleggen van een sanctie worden gemeld. In sommige
gevallen kan door een geheel
van gedragingen zowel een maatregel als een boete zijn opgelegd en
zijn beide gegevens van belang voor het re-integratiebedrijf. Dit
artikel komt overeen met artikel 27h
van de WW.
Artikel 34. Ingangsdatum
uitbetaling van de uitkering [zie
art. 26 IOW, red.]
Het
UWV begint zo spoedig
mogelijk met het betalen van de uitkering. De termijn van één maand is
een termijn van orde, aan het overschrijden van de termijn zijn geen
rechtsgevolgen verbonden.
rblz.|48|
Artikel 35. Betaling van de
uitkering [zie
art. 27 IOW, red.]
Eerste lid. [Zie art.
27, eerste lid, IOW, red.]
De betaalperiode van de
uitkering komt overeen met de WW, de uitkering wordt vierwekelijks of
maandelijks achteraf betaald.
Tweede lid. [Zie art.
27, tweede lid, IOW, red.]
Het tweede lid maakt het
voor het UWV mogelijk om de betaling van de uitkering aan te laten
sluiten bij het voorgaande betalingspatroon. Op grond van artikel 33 van de
WW heeft het UWV die bevoegdheid ook ten aanzien van de
WW-uitkering.
Het ligt in de rede dat wanneer er ten aanzien van de WW gebruik is
gemaakt van die mogelijkheid, hetzelfde betalingspatroon bij de IOW
wordt voortgezet.
Derde lid. [Zie art.
27, derde lid, IOW, red.]
In het derde lid wordt de
betaling van de vakantiebijslag geregeld. Het uitbetalingstijdstip is
gesteld op de maand mei, daarmee wordt aangesloten bij de WW.
Vierde lid. [Zie art.
27, vierde lid, IOW, red.]
In dit lid wordt voorgesteld
om een wijziging van het percentage van de vakantietoeslag, bedoeld in
artikel 15 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, automatisch door te laten werken naar het in
deze wet geregelde
percentage. Deze bepaling komt overeen met artikel
33, vierde lid van de
WW en
artikel 9, derde lid, van de Ioaw.
Artikel 36. Inhouding
vereveningsbijdrage [zie
art. 28 IOW, red.]
Op grond van dit artikel
wordt op de uitkering een bedrag ingehouden gelijk aan het bedrag van de
premie die een werkgever op grond van hoofdstuk 3 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen op het loon van een werknemer inhoudt. Op
die wijze wordt een netto-nettokoppeling van het nettominimumloon
benaderd. De op deze wijze ingehouden premie wordt aangeduid als de
vereveningsbijdrage. De vereveningsbijdrage is uitsluitend een correctie op
het brutoniveau en wordt niet aan een fonds afgedragen. Dit artikel komt
overeen met artikel 10 van de Ioaw.
Artikel 37.
Overlijdensuitkering [zie
art. 29 IOW, red.]
Op grond van
artikel 6,
eerste lid, onderdeel g, vervalt het recht op uitkering in geval van overlijden van
de werkloze werknemer.
Conform artikel 74 van de
Wet WIA wordt hier een overlijdensuitkering voorgesteld. In artikel 23
van de Ioaw is voor een andere constructie gekozen, daarbij wordt
uitgegaan van een voortgezette uitkering. In dit artikel is echter gekozen
voor een overlijdensuitkering zoals deze gebruikelijk is bij de
werknemersverzekeringen, aangezien het UWV bekend is met dergelijke uitkeringen.
Zie ook de toelichting bij
artikel 6, eerste lid, onderdeel g, voor meer aspecten van de gevolgen van
het overlijden van de werkloze werknemer voor de uitkering.
Artikel 38. Betaling aan
instellingen [zie
art. 30 IOW, red.]
Op grond van het eerste lid
kan het UWV de uitkering tot het bedrag van de eigen bijdrage in de
verpleegkosten op grond van de AWBZ zonder machtiging van de
uitkeringsgerechtigde betalen aan het College van zorgverzekeraars [College
voor zorgverzekeringen, red.] (vergelijk
artikel 39 van de WW). Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor het UWV om
de uitkering in plaats van aan de uitkeringsgerechtigde, te betalen aan een
inrichting waar hij is opgenomen of aan het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente die de
rblz.|49|
desbetreffende opnamekosten
betaalt. Die mogelijkheid bestaat indien de uitkeringsgerechtigde niet
in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van de uitkering. Betaling
vindt echter eerst plaats nadat een daartoe strekkend verzoek is gedaan
door de inrichting of de betrokken gemeente. Voor het na toepassing van
het eerste lid resterende bedrag kan het tweede lid nog toepassing
vinden. In het vierde lid is de toepasselijkheid van de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgesloten.
Artikel 39. Verjaringstermijn
[zie art. 31 IOW,
red.]
Conform
artikel 32
van de WW wordt
hier voorgesteld dat uitkeringen op grond van deze
wet die niet in
ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd binnen drie maanden na de
dag van betaalbaarstelling niet meer worden betaald. In incidentele
gevallen zou dat tot onbillijkheden kunnen leiden, daarom is opgenomen dat het
UWV in bijzondere gevallen ten gunste van de werkloze werknemer of de
echtgenoot kan afwijken van de termijn van drie maanden.
Artikel 40. Voorschot
[zie art. 32 IOW,
red.]
De uitkering wordt door het
UWV betaald, over tijdvakken van telkens vier weken of per maand. Het kan
voorkomen dat het UWV heeft vastgesteld dat recht op uitkering
bestaat, maar dat nog niet kan worden vastgesteld welk bedrag aan uitkering
moet worden betaald. In verband daarmee heeft het UWV op grond van
dit artikel de mogelijkheid om de uitkering bij wijze van voorschot te
verlenen. Dit voorschot wordt dan naderhand verrekend met het definitief
vastgestelde uitkeringsbedrag.
Artikel 41. Opschorting en
schorsing van de betaling [zie
art. 33 IOW, red.]
Eerste lid. [Zie art.
33, eerste lid, IOW, red.]
In een drietal situaties
gaat het UWV over tot opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering. Dat is het geval wanneer het op grond van duidelijke aanwijzingen
van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat geen recht (meer)
bestaat op uitkering, dan wel recht op een lagere uitkering of dat de
verzekerde één van de verplichtingen, genoemd in de artikelen
8, 17 [12], eerste of tweede lid, 19 [14]
of 20 [15], niet is nagekomen. Wanneer vaststaat dat
één
van die verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, leidt dat op grond
van artikel 24 [19] tot een maatregel. Tot het opschorten of schorsen van
de betaling van de uitkering mag het UWV niet lichtvaardig overgaan.
Er moeten duidelijke aanwijzingen of gegronde vermoedens bestaan dat zich
één van de omstandigheden, genoemd in dit lid, voordoet. Het
voorgaande neemt overigens niet weg dat ook indien het UWV de uitkering
opschort of schorst, wel een voorschot betaald kan worden. Dit wordt beoogd met
de toevoeging van de passage "Onverminderd artikel 40 [32]". Dit lid komt
overeen met artikel 30, tweede lid, van de WW.
Tweede lid. [Zie art.
33, tweede lid, IOW, red.]
Op grond van het
Besluit SUWI is het UWV
verplicht in het contract met een re-integratiebedrijf of
arbodienst op te nemen dat dat bedrijf indien zij het gegronde vermoeden
heeft dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt bevorderd
(waaronder vergroting van mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid moet worden begrepen) onvoldoende medewerking verleent aan de
re-integratiewerkzaamheden, dit op verzoek of uit eigen beweging aan
het UWV meldt. Indien het UWV een dergelijke melding krijgt, is het, op
grond van het hier voorgestelde lid, verplicht een besluit te nemen omtrent de
gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering aan de betrokkene. Een dergelijk rblz.|50|
besluit kan voor een duur
van ten hoogste acht weken worden genomen. In deze periode blijft het
recht op uitkering bestaan en dient het UWV te onderzoeken of de melding
van het re-integratiebedrijf moet leiden tot het opleggen van een sanctie aan
betrokkene (maatregel of boete). Aanleiding voor gehele opschorting of
schorsing van de betaling van de uitkering kan zijn dat een persoon blijkt
heimelijk (zwart, clandestien) te werken en daardoor in het geheel niet
tracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of dat blijkt dat
een persoon de hem opgedragen specifieke sollicitatieactiviteiten niet of niet behoorlijk verricht. Tot gehele opschorting
of schorsing van de betaling
van de uitkering is het UWV verplicht op grond van het eerste lid. Van opschorting van de betaling van de uitkering
is sprake indien de
uitkering is aangevraagd en is toegekend, maar nog geen betaling van de uitkering heeft plaatsgevonden. Van schorsing is
sprake indien de betaling
van een lopende uitkering wordt stopgezet. Het besluit om al dan niet op
te
schorten of te schorsen is een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Dit houdt in dat het UWV voorafgaand aan de beschikking een
belangenafweging dient te maken. Dat wil zeggen dat het UWV het
belang van het niet naleven van de verplichtingen door de betrokkene dient
af
te wegen tegen het belang van het tijdelijk opschorten of
schorsing in verband met het te starten onderzoek naar de noodzaak van het
opleggen van een sanctie aan betrokkene. Benadrukt wordt dat bij dit
besluit dus nog geen belangenafweging betreffende die eventuele
sanctieoplegging hoeft te worden gemaakt. Tegen de beslissing tot
opschorten of schorsing staat bezwaar en beroep open. Dit artikellid komt
overeen met artikel 30, derde lid, van de WW.
Derde lid. [Zie art.
33, derde lid, IOW, red.]
Op grond van het hier
voorgestelde derde lid dient het UWV het
re-integratiebedrijf naar
aanleiding van wiens melding een beschikking tot opschorting of schorsing
als bedoeld in het tweede lid is genomen, in kennis te stellen van die
beschikking. Indien het UWV meent dat het opleggen van een sanctie aan
betrokkene noodzakelijk is, dient het UWV het re-integratiebedrijf dat
ten behoeve van die uitkeringsgerechtigde werkzaamheden gericht op
vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op
inschakeling in arbeid verricht, van de sanctieoplegging in kennis te stellen. Dit
artikel komt overeen met artikel 30, vierde lid, van de WW.
Artikel 42. Opschorting in
verband met onjuiste adresgegevens
[vervallen, red.]
Door middel van dit artikel
wordt voorgesteld een koppeling aan te brengen tussen de aanspraak
op de uitkering en het adres van de betrokkene volgens de gemeentelijke
basisadministratie (GBA). In dit artikel worden de consequenties
geregeld die verbonden moeten worden aan een constatering dat het
door de aanvrager of uitkeringsgerechtigde opgegeven adres niet
correspondeert met het adres dat in de GBA is opgenomen. Het afhankelijk
maken van de uitkering aan een juiste inschrijving in de GBA wordt
voorgesteld omdat de hoogte van de uitkering mede afhankelijk kan zijn
van het inkomen van de partner en het al dan niet hebben van een kind
dat niet tot het huishouden van een ander behoort. Dit artikel komt overeen met
artikel 17a van de Ioaw.
Artikel 43. Terugvordering
[zie art. 34 IOW,
red.]
Eerste lid. [Zie art.
34, eerste lid, IOW, red.]
Dit artikel komt inhoudelijk
overeen met artikel 36 van de WW en artikel 25 van de
Ioaw. In dit artikel
is de verplichting neergelegd tot terugvordering van al hetgeen
onverschuldigd is betaald. Het gaat om een terugvordering van de persoon aan wie de
uitkering is betaald. Dat betekent een terugvordering niet alleen van de
uitkeringsgerechtigde zelf, maar ook van andere rblz.|51|
personen en instellingen die
in plaats van de uitkeringsgerechtigde een uitkering hebben ontvangen
op grond van deze wet. Een terugvordering van willekeurige derden die
bijvoorbeeld als gevolg van een foutieve overboeking gelden hebben
ontvangen, kan niet op grond van dit artikel plaatsvinden. In die
situatie is immers geen sprake van betaling of verstrekkingen op grond van
deze wet. In dat geval zal op grond van het Burgerlijk
Wetboek [titel 4, afdeling 2, van Boek
6, red.] terugvordering van onverschuldigde betaling moeten plaatsvinden. Terugvordering
vindt plaats van achteraf onverschuldigd betaalde uitkeringen. Door
deze beslissing komt de rechtsgrond aan een uitkering geheel of
gedeeltelijk te ontvallen. Het kan bij een dergelijke beslissing gaan om zowel de
inhoudelijke aspecten van de uitkering, zoals het recht op uitkering en de
verlaging van de uitkering bij wege van maatregel, als om vergissingen, zoals
rekenfouten. Beide leiden tot herstel van de toekenningsbeschikking.
Ook in gevallen waarin achteraf, als gevolg van een rechterlijke
uitspraak, wijziging in het recht op of de hoogte van de uitkering optreedt, dient
terugvordering plaats te vinden.
Het voorgaande is ook van
toepassing op voorzieningen en kosten van voorzieningen die
onverschuldigd zijn verstrekt. Indien het om voorzieningen in natura gaat en er geen
mogelijkheid is om die als zodanig terug te halen, worden de kosten
van die voorzieningen teruggevorderd.
Tweede lid. [Zie art.
34, tweede lid, IOW, red.]
In de
Ioaw is een bepaling
opgenomen dat verrekening van opgegeven inkomsten over ten hoogste
drie maanden voorafgaand aan de betaalperiode mogelijk is zonder dat
sprake is van en formele actie tot terugvordering. Wel is het daarbij van
belang dat de inkomsten worden toegerekend aan de maand waarop zij
betrekking hadden, dus niet aan de maand waarin de inkomsten zijn
uitbetaald. Voorgesteld wordt deze bepaling ook hier op te nemen.
Derde lid. [Zie art.
34, derde lid, IOW, red.]
Het voorgestelde derde lid
biedt de mogelijkheid tot terugvordering van onverschuldigde betalingen
na situaties van ongeoorloofde samenloop.
Vierde lid. [Vervallen,
red.]
De terugvordering is niet
alleen gericht op de werkloze werknemer, maar ook op zijn echtgenoot. Dit
lid komt overeen met artikel 26, eerste lid, van de
Ioaw.
Vijfde lid. [Vervallen,
red.]
Dit lid biedt de
mogelijkheid om indien het voeren van een gezamenlijke huishouding niet of niet
tijdig is gemeld, de uitkering terug te vorderen van de niet of niet tijdig
gemelde partner. Dit lid komt overeen met artikel
26, tweede lid, van de Ioaw.
Zesde lid. [Vervallen,
red.]
In dit lid is geregeld dat
de in het vijfde lid genoemde personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de
terugbetaling van de ten onrechte genoten uitkering. Dit betekent dat
het UWV het gehele bedrag van de ten onrechte genoten uitkering kan
terugvorderen van de persoon die het beste "verhaal" biedt.
Zevende lid. [Zie art.
34, vijfde lid, IOW, red.]
Evenals bij een beschikking
tot boeteoplegging, zal in een terugvorderingsbeschikking
informatie moeten worden verstrekt over de wijze van tenuitvoerlegging
van die beschikking. Het zevende lid voorziet daarin.
rblz.|52|
Artikel 44. Afzien van
terugvordering [zie
art. 35 IOW, red.]
Eerste lid. [Zie art.
35, eerste lid, IOW, red.]
Conform
artikel 36, tweede
lid, van de WW en artikel
25c, eerste lid, van de Ioaw kan het
UWV in een
viertal specifieke situaties een terugvordering stopzetten of laten afkopen.
Dit geldt ook ten aanzien van fraudeschulden. Het is niet de bedoeling dat
in die situaties in alle gevallen moet worden afgezien van
terugvordering. Het moet om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden. In dit lid wordt voorgesteld
dat kan worden afgezien van terugvordering of verdere terugvordering,
wanneer:
- de persoon gedurende
vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
- gedurende vijf jaar niet
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover
verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten,
alsnog heeft betaald;
- gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
- een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
Tweede lid. [Zie art.
35, tweede lid, IOW, red.]
De termijn, genoemd in het
eerste lid, is drie jaar indien het gemiddelde inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet niet te boven is gegaan en de
terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van
de algemene informatieplicht.
Derde lid. [Zie art.
35, derde lid, IOW, red.]
Toepassing van dringende
redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet alleen
aan financiële omstandigheden te worden gedacht. Ook immateriële
omstandigheden kunnen een rol spelen.
Vierde lid. [Zie art.
35, vierde lid, IOW, red.]
Op grond van onder meer
artikel 36, zevende lid, van de WW en artikel
25b van de Ioaw is de Regeling
terugvordering geringe bedragen tot stand gebracht. Deze
regeling zal na inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 61 [48]
mede
worden gebaseerd op dit artikellid.
Artikel 45. Executoriale
titel beschikking tot terugvordering
[zie art. 36 IOW,
red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 36a van de WW en artikel 28 van de
Ioaw. De beschikking tot
terugvordering levert een executoriale titel op.
Artikel 46. Nadere
regelgeving terugvordering [zie
art. 37 IOW, red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 36b van de WW. Op grond van dit artikel kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de artikelen 43 [34], 44
[35] en 45 [36]. Op grond van
artikel 36b van de WW is het
Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en
tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betaalde uitkering [Regeling betaling,
terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde
betalingen, red.] getroffen. Op grond van artikel 61 [48]
zal dat besluit na de inwerkingtreding van deze
wet ook op dit artikel rusten.
Artikel 47. Bepaling hoogte
uitkering bij terugvordering [zie
art. 38 IOW, red.]
Dit artikel komt overeen met
artikel 31 van de Ioaw.
rblz.|53|
Artikel 48.
Onvervreemdbaarheid [zie
art. 39 IOW, red.]
Teneinde te bereiken dat de
op basis van deze wet verleende uitkeringen zoveel mogelijk beantwoorden
aan het doel waarvoor zij worden verstrekt, te weten een
inkomensvoorziening, wordt in dit artikel (in navolging van de artikelen
40 van de
WW en 24 van de Ioaw) bepaald dat de uitkering niet in eigendom
kan worden overgedragen of kan worden beleend dan wel verpand. Ook
met een beding kan hiervan niet worden afgeweken.
Artikel 49. Financiering
[zie art. 40 IOW,
red.]
De IOW
wordt gefinancierd
uit algemene middelen, gelet op het voorzieningenkarakter van de IOW. Gegeven de tijdelijkheid van de regeling ligt de oprichting van een
apart IOW-fonds niet voor de hand en wordt aangesloten bij het
Toeslagenfonds.
Artikel 50. Algemene
beslistermijnen [zie
art. 41 IOW, red.]
Als algemene regel blijft
(naast de bijzondere regels in artikel 51 [42]) gelden dat het
UWV binnen een
redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag dient te beslissen. De
redelijke beslistermijn bedraagt acht weken. Indien niet binnen deze termijn van
acht weken kan worden besloten, kan op grond van het derde lid de
beslistermijn worden verlengd met een redelijke termijn. Wat dan een
redelijke termijn is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval
en zal door het UWV in zijn verlengingsbericht moeten worden aangeven.
Daarnaast maakt het vierde lid het mogelijk om de beslistermijn
met ten hoogste zes maanden te verlengen indien de termijn van acht
weken niet kan worden gehaald omdat gewacht moet worden op
vanuit het buitenland aan te leveren informatie. Het vierde lid is te
beschouwen als een bijzonder geval van het derde lid. Dit artikel komt overeen met
artikel 127 van de WW.
Artikel 51. Bijzondere
beslistermijnen [zie
art. 42 IOW, red.]
Eerste lid. [Zie art.
42, eerste lid, IOW, red.]
De termijn waarbinnen een
beschikking over de betaling van een voorschot moet worden gegeven, is
conform artikel 127a van de WW vier weken.
Tweede lid. [Zie art.
42, tweede lid, IOW, red.]
Mocht het niet mogelijk zijn
binnen de gestelde beslistermijn te beslissen, dan stelt het UWV
de
aanvrager daarvan schriftelijk in kennis en vermeldt daarbij een zo kort
mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 52. Afzien van horen
belanghebbende [zie
art. 43 IOW, red.]
In artikel 7:2 van de
Awb is
geregeld dat een bestuursorgaan voordat het op bezwaar beslist,
belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord. In artikel
7:3, onderdeel c, van de Awb is geregeld dat van het horen van
belanghebbenden kan worden afgezien in een aantal limitatief opgesomde
gevallen. Van het horen kan onder meer worden afgezien indien de
belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te
worden gehoord. Indien belanghebbende dit niet heeft verklaard, wordt hij
opgeroepen om te worden gehoord. Het kan daarbij voorkomen dat de
belanghebbenden niet op de hoorzitting verschijnen, hetgeen
betekent dat er onnodig kosten zijn gemaakt.
Efficiencywinst kan worden
gemaakt door te regelen dat in afwijking van artikel 7:3 van de
Awb, van
het horen van de belanghebbende kan worden rblz.|54|
afgezien indien de
belanghebbende niet binnen een door het UWV
gestelde redelijke termijn
verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Een
dergelijke bepaling is onder meer opgenomen in artikel 128 van de WW.
Voorgesteld wordt een artikel met een dergelijke strekking ook in deze
wet op
te nemen.
Artikel 53. Beslistermijn in
bezwaar [zie
art. 44 IOW, red.]
Voor het gehele terrein van
de sociale verzekeringen geldt, in afwijking van de Awb, een termijn van
dertien weken voor het nemen van een beslissing op bezwaar. Dit
artikel komt overeen met artikel 129 van de WW.
Artikel 55. Beroep in
cassatie [zie
art. 47 IOW, red.]
Conform
artikel 60b van de Ioaw
is in dit artikel de mogelijkheid opgenomen tot het instellen van beroep
in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter
zake van schending of verkeerde toepassing van artikel
2, tweede tot en
met zesde lid, en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 57.
Wijziging van
artikel 2 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[vervallen, red.]
De Ioaw
hangt zo nauw samen
met de IOW dat vooruitlopend op de invoerings- en
aanpassingswet van de IOW hier nu al de wijzigingen in de Ioaw worden meegenomen.
De hier voorgestelde
wijziging heeft tot gevolg dat voor het verkrijgen van een Ioaw-recht moet zijn
voldaan aan zowel de weken- als de jareneis van de WW. Met de
Wet wijziging WW-stelsel is abusievelijk geregeld dat oudere werknemers die op of
na 1 oktober 2006 werkloos worden al een Ioaw-recht kunnen krijgen
als zij alleen voldoen aan de wekeneis. Met de onderhavige wijziging wordt
dat gecorrigeerd.
Door als eis op te nemen dat
een recht op WW-uitkering moet zijn verkregen met een duur van
meer dan drie maanden is gegarandeerd dat is voldaan aan de jareneis.
Op grond van artikel 42 van de WW bedraagt de uitkering in principe
drie maanden en wordt deze uitkeringsduur alleen verlengd als is voldaan aan
de jareneis. Op grond van artikel 42b
van de WW kan de uitkeringsduur ook
worden verlengd wanneer niet wordt voldaan aan de jareneis,
maar dat bij een eerdere uitkering wel het geval was en de uitkeringsduur
toen niet is volgemaakt. Omdat bij de eerdere uitkering wel was voldaan
aan de jareneis, is ook indien de verlenging op grond artikel
42b van de WW
tot stand kwam recht op een Ioaw-uitkering. In de
WW is ook
overgangsrecht opgenomen voor de situatie waarin het eerdere recht vóór 1 oktober 2006 is ontstaan. Ook in dat geval is verlenging alleen
mogelijk wanneer ten aanzien van de eerdere uitkering is voldaan aan de jareneis.
Artikel 58.
Wijziging van
artikel 6 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[vervallen, red.]
Eerste lid. [Vervallen,
red.]
In het eerste lid van dit
artikel wordt geregeld dat er geen samenloop kan plaatsvinden tussen de IOW
en de Ioaw. Wanneer er recht bestaat op een uitkering op grond van de
IOW, kan er geen recht bestaan op een uitkering op grond van de Ioaw.
rblz.|55|
Tweede lid. [Vervallen,
red.]
Deze wijziging komt overeen
met de bepaling die is opgenomen in artikel 6, zevende lid [vervallen,
zie tweede lid, red.], van de IOW.
Artikel 59. Wijziging van
artikel 9 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[vervallen, red.]
Het lid dat aan
artikel 9
van de Ioaw wordt toegevoegd, komt overeen met de bepaling die is opgenomen
in artikel 10, negende lid, van de IOW.
Artikel 60. Wijziging van
artikel 10 van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[vervallen, red.]
Gebleken is dat er geen
behoefte is aan het stellen van afwijkende regels op grond van artikel
10,
derde lid, van de Ioaw. Een dergelijke bepaling is dan ook niet overgenomen in
de IOW en voorgesteld wordt het derde lid van artikel 10 van de
Ioaw te laten vervallen.
Artikel 63. Inwerkingtreding
[zie art. 50 IOW,
red.]
Mede in het perspectief van
komende ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de aankomende vergrijzing
wordt de IOW als een tijdelijk arrangement gezien. Daartoe is een
horizonbepaling opgenomen, waarbij de regeling vervalt met ingang
van 1 juli 2026 omdat er vanaf die datum, gelet op de doelgroep, geen
uitkeringsgerechtigden meer zullen zijn. Gelet op het tijdstip van
inwerkingtreding zal een aparte aanpassingswet worden gemaakt waarin andere
wetten worden aangepast aan de IOW. Er is niet voor gekozen die
wijzigingen als onderdeel van deze wet op te nemen omdat er niet
van uit
kan worden gegaan dat de te wijzigen wetteksten op het moment van
inwerkingtreding nog hetzelfde luiden.
De wijziging van
artikel 2
van de Ioaw zal eerder in werking treden dan de rest van
deze wet. In
verband daarmee is de mogelijkheid opgenomen om verschillende artikelen op
een verschillend moment in werking te laten treden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|