|
De gevolgen van de
integratie worden hieronder nader toegelicht.
4.3.3. Compensatie
werkgevers marktsector
De totale uitkeringslasten
van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering komen, zoals gezegd, ten
laste van werkgevers (marktsector en overheid). Voor de
werkgevers betekent dit dat de lasten van de huidige AAW
voor werknemers en
ambtenaren en van de huidige WAO en IP (voor zover dit het
wettelijk deel betreft) door hen moeten worden opgebracht. Voor deze
lastenverschuiving worden werkgevers gecompenseerd door een verlaging van de
overhevelingstoeslag. Deze verlaging betekent vervolgens een
verlaging van de uitkeringslasten; de overhevelingstoeslag is immers inbegrepen in
de
totale brutolasten. Per saldo is de lastenverschuiving
richting werkgevers daardoor dus geringer dan de huidige AAW/WAO-lasten voor
werknemers, zoals deze in tabel 1 zijn gepresenteerd. Daarnaast
wordt een deel van de premies opgebracht door middel van
premieheffing over uitkeringen.
Uitgangspunt voor de
compensatie is geweest de lastenverschuiving voor de werkgevers in de
marktsector; voor hen dient de operatie neutraal te verlopen. In totaal bedraagt de premielast voor werkgevers in de
marktsector ƒ14 mld. De overhevelingstoeslag, die deze werkgevers zijn verschuldigd, moet derhalve
met eenzelfde macrobedrag worden verlaagd. Vóór integratie bedroeg het totale relevante macrobedrag aan overhevelingstoeslag voor de
marktsector ƒ19 mld. Na compensatie rblz.|28|
resteert nog een bedrag van ƒ5 mld. Het overhevelingstoeslagpercentage na compensatie komt uit op
1,90%. Ten opzichte van het percentage exclusief AAW/WAO-integratie
van 9,65% dient de daling van het OT-percentage derhalve 7,75%-punt te bedragen. Deze verlaging
correspondeert met een
bedrag van ƒ14 mld. De verlaging van 7,75%-punt kan niet zonder meer worden
toegepast op de eerder genoemde grondslag; hier spelen immers ook
verschillen tussen de grondslagen vóór en ná integratie een rol.
4.3.4. Gevolgen tarief
eerste schijf
Het tarief eerste schijf
(TES) ondergaat een aantal wijzigingen. Uitgangspunt vormt het niveau vóór
AAW/WAO-integratie zoals berekend
in het CEP 1996, te weten
39,15%; dit is het niveau conform variant a van het CEP bij ongewijzigd
beleid. De hieronder geschetste veranderingen zijn louter mutaties als
gevolg van de AAW/WAO-integratie; niet meegenomen is de verhoging van de
heffingsvrije voet en de invoering van een franchise in het
werknemersdeel van de AWf-premie [AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds, red.], die het CPB heeft verondersteld ter
compensatie van de inkomenseffecten.
In de eerste plaats komt de
AAW-premie te vervallen; deze bedraagt - op lastendekkend niveau, dat
wil zeggen, zonder rekening te houden met de vermogenspositie - 6,20%.
Voor de overige premies
volksverzekeringen treedt een tweetal effecten op. In de eerste plaats
ondergaat de grondslag voor de belasting- en premieheffing eerste schijf
een tweetal wijzigingen: enerzijds wordt deze grondslag verhoogd als
gevolg van het vervallen van de aftrekbaarheid van de WAO-premie,
anderzijds ondervindt de grondslag een daling als gevolg van de daling van de
overhevelingstoeslag. Per saldo daalt de totale grondslag. In de
tweede plaats dalen (vooral) de bruto-AOW-uitkeringen als gevolg van de
netto-nettokoppeling. Beide effecten tezamen resulteren in een stijging van de overige premies volksverzekeringen
(AOW, Anw en AWBZ), in
totaal met 0,60%-punt.
Ook het belastingtarief
eerste schijf stijgt als gevolg van de grondslagversmalling. Daarnaast stijgt dit tarief
als gevolg van de financiering van jonggehandicapten en studenten uit de algemene middelen, alsmede de
compensatie voor de toename
van de loonsom voor overheidswerkgevers (hierop wordt verder nader
ingegaan). Per saldo stijgt het belastingtarief eerste schijf met
1,95%-punt.
Als gevolg van de integratie
daalt het tarief eerste schijf per saldo derhalve met -3,65%-punt (-6,20%
AAW-premie, +0,60% AOW/Anw/AWBZ, +1,95% belasting).
4.3.5. Overheid
Overheid als werkgever
Voor de totale loonsom van
de overheid als werkgever treedt een aantal effecten op. Het eerste
effect is het gevolg van de verevening van de WAO-
en IP-lasten ¹ van markt-
en overheidssector.
De AAW-lasten zijn thans al
verevend. De AAW-premie wordt zodanig vastgesteld dat de totale
AAW-lasten van alle categorieën hieruit kunnen worden gefinancierd. Na
integratie van AAW en WAO betekent dit voor wat het huidige AAW-deel van
de lasten betreft voor werknemers en ambtenaren geen wijziging
(uitgezonderd uiteraard dat de lasten voor zelfstandigen en
jonggehandicapten niet meer worden meegenomen).
Voor de WAO- en IP-lasten
verschilt de situatie na integratie van de huidige regelingen. Deze
lasten zijn thans niet verevend. De WAO-lasten worden volledig door de marktsector opgebracht, door middel van een in
beginsel lastendekkende
premie.
Met ingang van 1 januari 1995
kennen ambtenaren eenzelfde bruto-nettotraject rblz.|29|
als werknemers in de
marktsector. Hoewel de ambtenaren nog niet onder de werknemersverzekeringen vallen, zijn de premies, die worden
ingehouden op de loonsom,
qua hoogte gelijk aan die in de marktsector (de zogenaamde pseudo-premies). De overheid als werkgever houdt derhalve een
pseudo-WAO-premie in; vervolgens draagt de overheid als werkgever een premie af aan
het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP),
die in beginsel lastendekkend is voor de uitkeringslasten voor de
invaliditeitspensioenen. Deze premie is lager dan de WAO-premie. Het
verschil tussen beide premiebedragen wordt aangewend ter gedeeltelijke
compensatie van de stijging van de loonkosten als gevolg van
bovengenoemde ingevoerde operatie per 1 januari 1995.
Na integratie van AAW en WAO
tot één regeling voor werknemers en ambtenaren worden ook de
WAO- en IP-lasten volledig verevend. De nieuwe geïntegreerde
premie kan daardoor lager worden vastgesteld dan in het geval dat de
marktsector de eigen lasten zou moeten dragen. De overheid als werkgever moet
echter in de nieuwe situatie de verevende premie volledig afdragen aan
het Aof. Dit betekent dat het voordeel als gevolg van het verschil
tussen de huidige WAO- en FAOP-premie voor de overheid komt te vervallen.
De verevening tussen
werknemers en ambtenaren voor wat betreft de WAO loopt vooruit op de
operatie Overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen (OOW). In het kader van deze operatie worden
de ambtenaren onder de werknemersverzekeringen gebracht. Vanaf dat moment treedt dus volledige
verevening op voor alle werknemersverzekeringen. De beoogde invoeringsdatum
voor Pemba is 1 januari 1997. Het kabinet achtte het geen
wenselijke situatie om eerst per 1 januari 1997 de integratie van de AAW en
WAO, met alle financiële gevolgen die daaruit voortvloeien, door te voeren
om vervolgens later de verevening tussen werknemers en ambtenaren, eveneens met
financiële
consequenties gepaard gaand, in te voeren.
Logischer is het om, vooruitlopend op de OOW-operatie, de verevening
wat betreft de WAO tegelijk met Pemba te regelen.
1. Waar hierna wordt
gesproken over IP-lasten, is steeds bedoeld
het met de WAO
overeenkomende deel.
Naast de gevolgen van de
verevening treedt nog een aantal andere gevolgen voor de loonsom van
de overheid als werkgever op. In de eerste plaats is de verlaging van
de overhevelingstoeslag onvoldoende om de totale premielast voor de
overheid als werkgever te compenseren. De verlaging van de
overhevelingstoeslag betekent een voordeel van ƒ3,3 mld, de totale premielast
bedraagt ƒ3,7 mld; per saldo betekent dit een kostenpost voor de overheid
van ƒ0,4 mld.
In de tweede plaats is een
correctie opgenomen voor de interimuitkeringen. De interimuitkering is een
netto-uitkering, die wordt gebruteerd. De totale kosten aan
interimuitkeringen veranderen nagenoeg niet.
De ingeboekte verlaging van
de overhevelingstoeslag moet derhalve voor de interimuitkering worden
gecorrigeerd. Dit betekent een correctie voor de overheid van ƒ0,1 mld.
Totaal stijgt de loonsom
voor de overheid als werkgever met ƒ0,5 mld. De financiering van deze
stijging vindt plaats middels een stijging van het tarief eerste schijf.
Defensie
De financiering van de
invaliditeitspensioenen voor militairen kent een eigen regime. Evenals de
ABP-invaliditeitspensioenen kennen de militaire invaliditeitspensioenen een
AAW-onderbouw; de financiering van het AAW-deel van de uitkeringen
geschiedt op declaratiebasis door het AAf. Het bovenminimale deel van
de uitkering (inclusief het bovenwettelijke deel) komt thans ten laste
van de rijksbegroting. Op de loonsom van militairen wordt thans,
evenals dit bij het overige overheidspersoneel het rblz.|30|
geval is, een pseudo-WAO-premie ingehouden, die deels wordt
aangewend om de loonkosten
op de begroting te dekken.
Na integratie van de AAW en
WAO treden voor Defensie dezelfde gevolgen op als voor de
overige overheidswerkgevers. De totale arbeidsongeschiktheidslasten
komen voor wat betreft het wettelijke deel ten laste van het Aof. De
premie die verschuldigd is over de loonsom wordt afgedragen aan het Aof. Evenals het geval is bij de overige overheidswerkgevers zijn
deze af te dragen premies voor Defensie hoger dan de lasten voor
arbeidsongeschikte militairen. De totale lasten bedragen ca. ƒ35 mln, de af
te dragen premies ca. ƒ120 mln. Indien de volledige premie moet worden
afgedragen. zal dus ook voor Defensie een stijging van de loonkosten
optreden, met ca. ƒ0,1 mld.
Deze stijging is in de
doorrekening reeds meegenomen in de eerder genoemde totale stijging van de
loonkosten bij de overheid van ƒ0,5 mld.
Voor Defensie treedt nog een
extra complicatie op. Met ingang van 1 januari 1996 kent het ABP een
marktconforme WAO. Dit betekent dat aangegeven kan worden welk
deel van de totale invaliditeitspensioenen wettelijk en welk deel
bovenwettelijk is. Het wettelijk deel wordt gedeclareerd bij het Aof. Defensie kent
echter nog geen marktconforme WAO per 1 januari 1996. Dit betekent dat
het wettelijke deel door middel van een verdeelsleutel moet worden
benaderd. Tot de datum dat ambtenaren onder de werknemersverzekeringen worden gebracht, is vastgelegd dat
Defensie op basis van deze
verdeelsleutel de wettelijke lasten kan declareren bij het Aof.
De verdeelsleutel kan als
volgt worden bepaald.
De totale lasten uit hoofde
van arbeidsongeschiktheid op de begroting van Defensie bedragen ca. ƒ215 mln. Hiervan betreft ca.
ƒ161 mln lasten die niet conform de WAO
zijn.
Het gaat daarbij bijvoorbeeld om invaliditeitspensioenen na het 65ste jaar en
uitkeringen aan arbeidsongeschikte ex-dienstplichtigen. Van de
resterende ƒ54 mln is ƒ16 mln garantiepensioenen. In totaal ƒ38 mln betreft
derhalve arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met een WAO-karakter.
Het bedrag van ƒ38 mln is
derhalve relevant voor de vaststelling van het wettelijk deel van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van Defensie. Van deze ƒ38 mln is ca.
ƒ8 mln bovenwettelijk. Het wettelijk deel bedraagt derhalve ca. ƒ30 mln. Dit
bedrag zou door het Aof moeten worden verstrekt aan de begroting van
Defensie. Hierop moet echter nog worden gecorrigeerd vanwege de wijziging van de
premiegrondslag na de AAW/WAO-integratie. Uiteindelijk is ca. ƒ34 mln van de ƒ38
mln aan te merken als wettelijk (WAO-conform)
deel. De financiering middels het Aof bedraagt derhalve ca. 90% van de totale relevante arbeidsongeschiktheidslasten
van Defensie. Dit percentage
is in onderhavig wetsvoorstel opgenomen. De wijze van financiering
via het Aof zal via nadere regelgeving worden ingevuld. Meest voor de hand
liggend is een maandelijkse verstrekking zo nodig op basis van
declaraties/voorschotnota’s van Defensie.
De berekening van het
claimpercentage is in onderstaande tabel gepresenteerd.
rblz.|31|
Tabel 4. Vaststelling van
het wettelijk deel van de totale arbeidsongeschiktheidslasten van Defensie:
| Opbouw
ao-lasten Defensie |
(x mln gld.)
|
| 1. Begrotingsartikel |
215xx |
| 2. Niet
WAO (> 65 jaar, Wamil) |
-/- 161xx |
| 3. Invaliditeit <65 |
54xx |
| 4. Garantiepensioenen |
-/- 16xx |
| 5. Invaliditeit met WAO-deel |
38xx |
| 6. Aandeel
invaliditeitsverhoging |
-/- 5xx |
| 7. Bovenwettelijk
(WAO-gat) |
-/- 3xx |
| 8. Wettelijk deel |
30xx |
| 9. Correctie premiegrondslag |
+ 4xx |
| 10. WAO-deel |
34xx |
| x |
x |
| Claimfactor (=10./5.) |
90%xx |
Overheid totaal
Naast de genoemde gevolgen
voor de overheid als werkgever treedt nog een aantal andere
effecten op. De bruto-Abw-uitkeringen kunnen dalen als gevolg van de
daling van de overhevelingstoeslag. Weliswaar kent het
bruto-nettotraject
van de Abw formeel geen overhevelingstoeslag, echter de Abw-uitkering is
een netto-gekoppelde uitkering, waarbij bij de berekening
van het brutobedrag indirect rekening wordt gehouden met de
overhevelingstoeslag. Dit voordeel bedraagt ƒ0,3 mld en slaat neer op de begroting.
De lasten van de
jonggehandicapten komen ten laste van de algemene middelen. Bruto betekent dit
een verhoging van de begroting met ƒ2,4 mld. De belastingontvangsten
ten slotte nemen als gevolg van de stijging van
het belastingtarief eerste
schijf toe met ƒ2,5 mld.
Het saldo van de genoemde
effecten betekent een stijging van de ontvangsten voor de overheid
van ƒ0,5 mld.
Rekening houdend met de
stijging van de loonsom met ƒ0,5 mld betekent bovenstaande dat
voor de overheid in totaal de integratie van AAW
en WAO
neutraal
verloopt.
4.4. Inkomensgevolgen
4.4.1. Inleiding
In het regeerakkoord is
gesteld dat de integratie van AAW
en WAO zodanig zal worden vormgegeven dat sprake is van inkomens- en
loonkostenneutraliteit. In
de volgende paragrafen zal voor werknemers en ambtenaren enerzijds en
zelfstandigen anderzijds worden aangegeven welke veranderingen als
gevolg van de AAW/WAO-integratie van invloed zijn op de inkomens van
betrokkenen.
In de hierna volgende
paragrafen zijn louter de inkomenseffecten als gevolg van de AAW/WAO-integratie gepresenteerd. Niet is aangegeven
welke inkomenseffecten resulteren na reparatie; de reden hiervoor is dat
de concrete invulling van
het reparatiepakket wordt meegenomen in het algemene koopkrachtbeeld ten
tijde van de begrotingsvoorbereiding voor 1997.
4.4.2. Werknemers en
ambtenaren, uitkeringsgerechtigden en bejaarden
Voor werknemers en
ambtenaren, alsmede voor uitkeringsgerechtigden treedt een aantal effecten
op. De AAW- en WAO-premie komen voor hen te vervallen, hetgeen een inkomensvoordeel betekent. Hiertegenover staat
de verlaging van de overhevelingstoeslag. Daarnaast stijgt het belastingtarief
in de eerste schijf, alsmede
de overige premies volksverzekeringen.
rblz.|32|
Voor wat betreft de uitruil
van AAW-premie en verlaging van de overhevelingstoeslag verloopt deze operatie nagenoeg neutraal. De
AAW-premie heeft immers bij
de Oort-operatie zijn tegenbeeld gekregen in de overhevelingstoeslag.
Anders verloopt dit bij de uitruil van WAO-premie en verlaging van
de overhevelingstoeslag. De heffing van de WAO-premie kent thans een
franchise ter hoogte van het minimumloon. Dit betekent dat werknemers
op minimumloonniveau nu geen WAO-premie verschuldigd
zijn; zij krijgen evenwel wel te maken met de verlaging van de
overhevelingstoeslag. Dit betekent per saldo een inkomensachteruitgang voor
deze categorie.
Ook bejaarden ondervinden
een inkomensachteruitgang. Zij betalen thans geen AAW-premie, maar
ondervinden wel een stijging van het voor hen geldende tarief eerste schijf.
De inkomensgevolgen van de
AAW/WAO-integratie zijn in onderstaande tabel gepresenteerd.
Tabel 5. Inkomensgevolgen AAW/WAO-integratie voor werknemers, ambtenaren,
sociale minima en bejaarden:
| |
Werknemers |
Ambtenaren |
Uitkerings-
gerechtigden |
Bejaarden |
| |
Alleen-
staand |
Gehuwd
|
Alleen-
staand |
Gehuwd
|
Gehuwd
|
Alleen-
staand |
Gehuwd |
| Minimum |
x |
-2,8%x |
x |
2,9%x |
2,7%xxxx |
x |
x |
| Minimum
(zonder kinderen) |
-2,2%x |
x |
-2,0%x |
x |
-3,2%xxxx |
-2,8%x |
-2,9%x |
| Modaal |
1,3%x |
0,3%x |
1,3%x |
0,4%x |
x |
x |
xx |
| 2 x
Modaal |
0,8%x |
0,8%x |
x |
x |
x |
x |
xx |
| Aanvullend
pensioen ƒ10 000 |
x |
x |
x |
x |
x |
-2,8%x |
-2,9%x |
| Aanvullend
pensioen ƒ30 000 |
x |
x |
x |
x |
x |
-2,8%x |
-0,3%x |
Enkele bijzondere groepen,
zoals bijvoorbeeld VUT-ers en grensarbeiders, ondervinden eveneens
negatieve inkomenseffecten. Algemene reparatie-instrumenten
kunnen voor deze bijzondere groepen ontoereikend zijn om de negatieve
inkomenseffecten ongedaan te maken. Een volledige reparatie kan
echter niet via een generieke maatregel - dat wil zeggen voor iedereen geldend
- worden geregeld.
4.4.3. Zelfstandigen en
beroepsbeoefenaren
Ook voor zelfstandigen en
beroepsbeoefenaren leidt de intrekking van de AAW
en de introductie van
de WAZ tot inkomensgevolgen. De AAW-premie komt te
vervallen; daartegenover ondervinden zelfstandigen en beroepsbeoefenaren,
evenals werknemers, een negatief effect als gevolg van de stijging van
het belastingtarief en de premies volksverzekeringen in de eerste schijf.
De grootste inkomensgevolgen
evenwel worden veroorzaakt door de introductie van de WAZ-premie. Deze wordt geheven over de winst uit
onderneming dan wel het
overig inkomen uit arbeid in plaats van - zoals de AAW-premie - over de
belastbare som. Verticale en horizontale tariefstructuren
(aftrekposten en tariefgroepen) hebben derhalve geen invloed meer op de hoogte
van het verschuldigde premiebedrag. Wel wordt de WAZ-premie
aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.
rblz.|33|
In het oorspronkelijke
wetsvoorstel WAZ is, in lijn met de adviesaanvraag aan de
SER, aangegeven dat
de WAZ-premie wordt geheven vanaf de eerste gulden, met
een maximumpremiegrens tot ƒ55 000,-. Tezamen met de gevolgen op
het tarief eerste schijf als gevolg van de integratie van AAW
en WAO
resulteerden aanzienlijke negatieve inkomensgevolgen voor
zelfstandigen met een laag inkomen. Het kabinet achtte deze inkomensgevolgen
te onevenwichtig. Teneinde deze te mitigeren, wordt thans voorgesteld de WAZ-premie niet te heffen vanaf de
eerste gulden, maar om in
beginsel een franchise voor de premieheffing in te bouwen ter hoogte van
ƒ23 000,-; tegelijkertijd wordt de maximumpremiegrens verhoogd tot ƒ78 000,-. De
WAZ-premie komt als gevolg van de franchise uit op 8,55%.
De voorgestelde franchise is het minimale bedrag waarover geen
WAZ-premie behoeft te worden betaald. Dit bedrag kan hoger uitvallen, namelijk in die gevallen waarin naast winst uit
onderneming dan wel overig
inkomen uit arbeid ook looninkomen wordt genoten. Indien het
looninkomen hoger is dan ƒ23 000,-, geldt dit looninkomen als franchise
voor de premieheffing WAZ. Het maximumbedrag waarover WAZ-premie moet
worden betaald, blijft ƒ78 000,-. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Indien een zelfstandige alleen
ƒ50 000,- winst uit
onderneming heeft, is hij over ƒ27 000,- (ƒ50 000,- minus ƒ23 000,-) WAZ-premie
verschuldigd. Indien deze onderneming naast genoemd winstinkomen
tevens ƒ35 000,- looninkomen geniet, is hij over ƒ15 000,-
(ƒ50 000,-
minus ƒ35 000,-) WAZ-premie verschuldigd.
In onderstaande tabel zijn
de inkomenseffecten van de AAW/WAO-integratie alsmede van de invoering van
de WAZ-premie weergegeven.
Tabel 6. Inkomensgevolgen
van de AAW/WAO-integratie, alsmede de invoering van de WAZ-premie voor
zelfstandigen:
|
|
Alleenstaande |
Alleenverdiener |
|
|
Minimum |
Modaal |
2x
Modaal |
Minimum |
Modaal |
2x
Modaal |
| Inkomenseffecten
zelfstandigen:
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
| inkomenstraject
ƒ23 000-ƒ78 000 |
0,1% |
-1,4% |
-1,0% |
-2,1% |
-0,9% |
-1,0% |
4.4.4. Reparatiemaatregelen
In het
wetsvoorstel
Pemba is
de volgende passage opgenomen met betrekking tot de inkomens-
en loonkosteneffecten als gevolg van de AAW/WAO-integratie:
"Bij de vormgeving van de AAW/WAO-integratie
geldt als uitgangspunt dat
negatieve koopkrachteffecten tot en met modaal worden voorkomen, een
redelijke spreiding van de effecten over de diverse inkomenscategorieën wordt gewaarborgd en de loonkostenontwikkeling beneden modaal die van boven
modaal niet te boven gaat".
Ten tijde van de
begrotingsvoorbereiding zal de concrete invulling van het pakket reparatiemaatregelen worden vastgesteld, rekening houdend
met de genoemde uitgangspunten.
4.5. Loonkosteneffecten
De integratie van de
AAW
en
WAO heeft uiteraard gevolgen voor de loonkosten voor werkgevers.
In het regeerakkoord is daarover opgenomen dat bij de totale
operatie uitgegaan wordt van loonkostenneutraliteit. Hieronder zijn de
loonkosteneffecten gepresenteerd van de AAW/WAO-integratie. Geen
rekening is gehouden met eventuele reparatiemaatregelen. Deze
zullen, tezamen met de reparatie van de rblz.|34|
inkomenseffecten, bij het
algemene koopkrachtbeeld ten tijde van de begrotingsvoorbereiding aan
de orde komen.
Tabel 7. Loonkosteneffecten
als gevolg van de AAW/WAO-integratie:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Minimumloon |
Modaal |
2x
Modaal |
| AAW/WAO-integratie |
0,1% |
0,1% |
-0,4% |
4.6. Overige aspecten
4.6.1. Inleiding
In deze paragraaf komt een
aantal overige financiële aspecten als gevolg van dan wel in
relatie tot de AAW/WAO-integratie aan bod. In de eerste plaats betreft het de
vermogensvorming van de verschillende arbeidsongeschiktheidsfondsen.
In de tweede plaats komt de opbrengst als gevolg van het
regresrecht in de verschillende regelingen aan bod. In de derde plaats wordt
ingegaan op de gevolgen van de intrekking van het wetsvoorstel Nadere
wijziging van de AAW (Kamerstukken II 1992-1993, 22 968, nrs. 1-3) en de
verwerking van de daarin voorgestelde maatregelen in de WAZ
en Wajong. Ten slotte wordt ingegaan op de invoering van premiedifferentiatie
voor de overheid.
4.6.2. Vermogensvorming
a. Noodzakelijke
vermogensvorming Aof en WAZ-fonds
De integratie van
AAW
en
WAO, alsmede de verschuiving van de IP-lasten en de introductie
van nieuwe regelingen voor zelfstandigen en jonggehandicapten, heeft uiteraard gevolgen voor de vermogensvorming
van de desbetreffende
fondsen.
Het vermogen van het AAf
wordt aangehouden ter overbrugging van tijdelijke kastekorten. Het
totale aanwezige vermogen kan worden verdeeld in een noodzakelijk vermogen (financieringsdekking) en een
resterend vermogen (dekkingsoverschot c.q. -tekort). De financieringsdekking (het normvermogen) is
noodzakelijk om de kastekorten te kunnen opvangen. Het normvermogen
van het Aof zal om twee redenen moeten stijgen. In de eerste plaats
komen ook de huidige AAW-lasten na de integratie ten laste van het Aof; daarnaast worden de WAO-conforme uitkeringen van ambtenaren overgeheveld naar het
Aof. Voor het
WAZ-fonds zal een nieuw
normvermogen moeten worden gecreëerd.
Met betrekking tot de
wijzigingen van de normvermogens als gevolg van de overheveling van de AAW-lasten naar het Aof
c.q. het WAZ-fonds kan het normvermogen van het
AAf ultimo 1996 worden aangewend. Dit normvermogen zal worden
verdeeld over het Aof en het WAZ-fonds. Het Wajong-fonds wordt gevoed
door middel van rijksbijdragen; het systeem van bevoorschotting en
afrekeing kan zodanig worden afgestemd op het uitgavenpatroon dat
vermogensvorming niet noodzakelijk is. Als gevolg van de vermogensverdeling
wordt het noodzakelijk vermogen van het Aof en het WAZ-fonds voldoende
aangevuld c.q. gecreëerd ter overbrugging van de grotere kastekorten
als gevolg van de overheveling van de AAW-uitkeringen naar het Aof
dan wel WAZ-fonds.
Intrekking van de AAW en
toedeling van de AAW-lasten van de huidige gerechtigden aan respectievelijk het
Aof en het WAZ-fonds betekent dat het AAf-normvermogen ultimo 1996 derhalve evenredig aan de uitkeringslasten
van de desbetreffende
fondsen moet worden toebedeeld.
rblz.|35|
b. Tijdelijke tekorten WAZ-fonds
Zelfstandigen en
beroepsbeoefenaren krijgen voor de WAZ-heffing een voorlopige aanslag opgelegd.
Na afloop van het kalenderjaar wordt een definitieve aanslag vastgesteld. Op deze wijze komen tijdens een
kalenderjaar in principe
voldoende premie-inkomsten binnen ter dekking van de uitkeringslasten.
Voor zelfstandigen zal het voor het jaar 1997 echter pas halverwege het
jaar mogelijk zijn de eerste voorlopige aanslagen uit hoofde van de
WAZ op te leggen. Voor beroepsbeoefenaren kan dit pas in de loop van
1998. Dit betekent dat voor beide jaren pas na afloop van ieder jaar de definitieve
WAZ-heffing, en daarmee
premie-inning,
kan worden vastgesteld.
Vooral voor 1997 betekent dit derhalve dat in het jaar zelf te
weinig premie-inkomsten worden gegenereerd om de uitkeringslasten te
kunnen voldoen. Ook voor 1998 kan dit nog het geval zijn.
Bovenstaande betekent dat
een tijdelijke voorziening moet worden getroffen teneinde in dit
financieringsprobleem te kunnen voorzien. Hiertoe zal het
dekkingsoverschot van het AAf worden aangewend. Dit dekkingsoverschot zal
tijdelijk worden overgeheveld naar het WAZ-fonds. Op het moment dat in de
premie-inkomsten van de WAZ volledig door middel van de voorlopige
aanslag wordt voorzien, kan dit bedrag worden verdeeld over het Aof en het
WAZ-fonds conform de verdeelsleutel van het normvermogen.
Bovenomschreven oplossing
betekent dat het vermogen van het Aof in de eerste jaren lager is dan
in het geval het totale AAW-vermogen zou worden verdeeld over het Aof
en het WAZ-fonds. Dit betekent dat de WAO-premie in de
aanvangsjaren iets hoger zal moeten worden vastgesteld dan anders het geval zou
zijn geweest.
Het Tica suggereert in zijn
commentaar om de vermogensverdeling als volgt te regelen. Het stelt
voor de financieringsdekking te verdelen over het Aof en het WAZ-fonds.
Het dekkingsoverschot zou dan verdeeld kunnen worden over het Aof,
het WAZ-fonds en het Wajong-fonds.
Zoals aangegeven, heeft het
kabinet in grote lijnen dezelfde verdelingsmethodiek gehanteerd. Alleen met
betrekking tot het dekkingsoverschot is - tijdelijk - een andere aanwending gekozen.
Het Tica plaatst daarnaast
nog een aantal kanttekeningen. In de eerste plaats komen nog enige jaren
na een bepaald belastingjaar premieontvangsten over dat desbetreffende
belastingjaar binnen. Bovendien kunnen de verdeelsleutels
voor wat betreft de verdeling tussen belastingen premiedeel van de inkomsten
pas later worden vastgesteld.
Het kabinet heeft dit
onderkend. Dit maakt de liquidatie van het AAf inderdaad ingewikkelder,
maar doet niets af aan de voorgestelde verdeelsleutel.
Naar aanleiding van de
opmerking van het Tica wordt thans wel voorgesteld het AAf als kas
nog een aantal jaren te laten bestaan. De AAW-premie-inkomsten maken
deel uit van de gecombineerde heffing in de eerste schijf. Met
betrekking tot de inkomstenbelasting kunnen de inkomsten nog jaren
naijlen. Tevens is het mogelijk dat restituties optreden. Daarnaast worden
de kosten van de premie-inning vooraf verdeeld over de
belastingdienst en de volksverzekeringen op basis van verdeelsleutels. Deze
verdeelsleutels kunnen pas enige jaren na afloop van het desbetreffende
kalenderjaar precies worden bepaald; als gevolg hiervan kunnen eveneens nog
vorderingen dan wel restituties optreden. Liquidatie van het AAf per 1
januari 1997 zou betekenen dat al de genoemde vorderingen dan wel
restituties eveneens verdeeld zouden moeten worden over de
arbeidsongeschiktheidsfondsen. Dit compliceert de toch al ingewikkelde vermogensverdeling nog verder. Voorgesteld wordt
daarom het AAf tot het jaar
2000 te laten voortbestaan. In het AAf zou dan een zodanige voorziening
moeten achterblijven dat hiermee naar rblz.|36|
verwachting alle naijlende
verplichtingen van het AAf kunnen worden afgewikkeld. Daarna kan het AAf definitief worden geliquideerd.
Daarnaast
ten slotte stelt
het Tica de verdeling van de kosten van de premie-inning aan de orde.
Hierop is het kabinet in het
wetsvoorstel WAZ ingegaan. Hiernaar moge worden verwezen.
4.6.3. Regresrecht
Met de intrekking van de
AAW
komt ook het kabinetsvoornemen om een regresrecht in de AAW in
te voeren te vervallen. De nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
werknemers en
ambtenaren zal met betrekking tot het
regresrecht een bepaling kennen die ook regresrecht voor het huidige AAW-deel
van de AAW/WAO-uitkering mogelijk maakt, omdat immers de AAW wordt
ingevuld door de WAO; voor het WAO-deel bestaat thans al een recht
op regres. Dit betekent dat de besparing die was becijferd als gevolg van
de invoering van het regresrecht in de AAW voor deze bevolkingsgroepen
thans als direct gevolg van intrekking van de AAW kan worden geregeld.
Deze besparing bedraagt naar schatting ƒ145 mln.
In de WAZ en Wajong
is een
bepaling opgenomen op basis waarvan regresrecht mogelijk wordt.
Voor de WAZ betekent dit een besparing van naar schatting ƒ15 mln, voor
de Wajong van ca. ƒ5 mln.
4.6.4. Nadere wijziging van
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (22 968)
In het wetsvoorstel
nadere
wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet is voorgesteld de inkomensdervingseis in de
AAW
volledig door te voeren.
Dit wetsvoorstel ligt thans nog bij de Tweede Kamer; de voorstellen
die hierin zijn vervat, zijn echter opgenomen in de
wetsvoorstellen WAZ en Wajong. Wetsvoorstel 22 968 kan om deze reden worden
ingetrokken.
Het betrof hierbij
voornamelijk fulltime werkende zelfstandigen met een winstinkomen onder het
minimumloon en verzorgers van naaste verwanten. In afwijking van
genoemd wetsvoorstel worden studerenden thans echter wel in het
wetsvoorstel Wajong opgenomen.
In onderstaande tabellen
zijn de financiële gevolgen van de intrekking van wetsvoorstel 22 968 en
de verwerking van de voorstellen, uitgezonderd studerenden, in de WAZ en
Wajong gepresenteerd. Allereerst zijn de oorspronkelijke
besparingen gepresenteerd, uitgaande van invoering van wetsvoorstel 22 968 per
1 januari 1995 (ad 1); vervolgens is weergegeven welke besparingen becijferd
waren voor studerenden (ad 2) en welke voor de overige categorieën (ad
3).
Tabel 8. Oorspronkelijke
financiële gevolgen van wetsvoorstel 22 968 (x miljoen gulden):
|
|
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
Structureel |
| 1.
Stand van zaken wetsvoorstel 22 968 invoering 1-1-1995: |
| AAW |
-13xxx |
-25xxx |
-38xxx |
-51xxx |
-250xxx |
| TW |
-2xxx |
-4xxx |
-6xxx |
-8xxx |
-40xxx |
| Ioaz |
4xxx |
7xxx |
11xxx |
15xxx |
75xxx |
| Abw |
6xxx |
12xxx |
19xxx |
26xxx |
125xxx |
| Totaal |
-5xxx |
-10xxx |
-14xxx |
-18xxx |
-90xxx |
| 2. Aandeel studerenden
in wetsvoorstel 22 968:
|
| AAW
|
-7xxx |
-13xxx |
-20xxx |
-27xxx |
-130xxx |
| TW
|
-2xxx |
-3xxx |
-5xxx |
-6xxx |
-30xxx |
| Ioaz
|
0xxx |
0xxx |
0xxx |
0xxx |
0xxx |
| Abw
|
5xxx |
10xxx |
16xxx |
22xxx |
105xxx |
| Totaal
|
-3xxx |
-6xxx |
-8xxx |
-11xxx |
-55xxx |
| 3. (= 1. minus 2.). Aandeel
overige categorieën in wetsvoorstel 22 968:
|
| AAW
|
-6xxx |
-12xxx |
-18xxx |
-24xxx |
-120xxx |
| TW
|
-1xxx |
-1xxx |
-2xxx |
-2xxx |
-10xxx |
| Ioaz
|
4xxx |
7xxx |
11xxx |
15xxx |
75xxx |
| Abw
|
1xxx |
2xxx |
3xxx |
4xxx |
20xxx |
| Totaal
|
-2xxx |
-4xxx |
-6xxx |
-7xxx |
-35xxx |
rblz.|37|
Invoering van de voorstellen
voor de overige categorieën heeft niet per 1 januari 1995 plaatsgevonden,
maar zal met de inwerkingtreding van de WAZ en Wajong
gebeuren. Dit
uitstel met twee jaar betekent dat de besparingen voor de overige
categorieën, zoals deze zijn gepresenteerd ad 3 ook twee jaar later zullen
optreden; dit is in onderstaande tabel ad 4 weergegeven. Het
besparingsverlies (ad 5) is dan het verschil tussen beide reeksen.
Tabel 9. Besparingsverlies
als gevolg van uitstel met twee jaar van de maatregelen van wetsvoorstel 22 968,
uitgezonderd studerenden (x miljoen gulden):
|
|
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
Structureel |
| 4. Besparingen overige
categorieën invoering maatregelen 1-1-1997: |
| AAW |
0xxx |
0xxx |
-6xxx |
-12xxx |
-120xxx |
| TW |
0xxx |
0xxx |
-1xxx |
-1xxx |
-10xxx |
| Ioaz |
0xxx |
0xxx |
4xxx |
7xxx |
75xxx |
| Abw |
0xxx |
0xxx |
1xxx |
2xxx |
20xxx |
| Totaal |
0xxx |
0xxx |
-2xxx |
-4xxx |
-35xxx |
| 5. (= 3. minus 4.).
Besparingsverlies uitstel maatregelen overige categorieën met twee jaren: |
| AAW
|
6xxx |
12xxx |
12xxx |
12xxx |
0xxx |
| TW
|
1xxx |
1xxx |
1xxx |
1xxx |
0xxx |
| Ioaz
|
-4xxx |
-7xxx |
-7xxx |
-8xxx |
0xxx |
| Abw
|
-1xxx |
-2xxx |
-2xxx |
-2xxx |
0xxx |
| Totaal
|
2xxx |
4xxx |
4xxx |
3xxx |
0xxx |
| 6. Reeds ingeboekte
besparingsverlies uitstel maatregelen overige categorieën met één
jaar (invoering per 1-1-1996): |
| AAW
|
6xxx |
6xxx |
6xxx |
6xxx |
0xxx |
| TW
|
1xxx |
1xxx |
1xxx |
1xxx |
0xxx |
| Ioaz
|
-4xxx |
-4xxx |
-4xxx |
-4xxx |
0xxx |
| Abw
|
-1xxx |
-1xxx |
-1xxx |
-1xxx |
0xxx |
| Totaal
|
2xxx |
2xxx |
2xxx |
2xxx |
0xxx |
| 7. Resterende
besparingsverlies uitstel maatregelen tot 1-1-1997: |
| AAW
|
0xxx |
6xxx |
6xxx |
6xxx |
0xxx |
| TW
|
0xxx |
1xxx |
1xxx |
1xxx |
0xxx |
| Ioaz
|
0xxx |
-4xxx |
-4xxx |
-4xxx |
0xxx |
| Abw
|
0xxx |
-1xxx |
-1xxx |
-1xxx |
0xxx |
| Totaal
|
0xxx |
2xxx |
2xxx |
2xxx |
0xxx |
rblz.|38|
Daarnaast betekent het
handhaven van een recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
voor studerenden een besparingsverlies. Dit is het spiegelbeeld van
de oorspronkelijk ingeboekte besparingen voor studerenden (ad 2); in onderstaande tabel is dit gepresenteerd (ad
6). Uit
deze tabel blijkt dat ten
tijde van de indiening van het wetsvoorstel nog was uitgegaan van een
structurele besparing als gevolg van de uitsluiting van studerenden van een
AAW-uitkering van ƒ130 mln. Deze besparingen moeten, als gevolg van het
alsnog toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan studerenden, als meeruitgaven in de AAW worden ingeboekt.
De becijfering van de
besparingen was gebaseerd op gegevens van de uitvoering destijds. Thans
blijkt de categorie overigen in de registratie van de uitvoering, waarvan
studerenden deel uitmaken, fors is afgenomen. Dit betekent dat de uitgaven
voor studerenden veel lager zijn; de nieuw becijferde uitgaven voor
studerenden zijn eveneens in onderstaande tabel gepresenteerd (ad 7); deze
neerwaartse bijstelling betekent derhalve weer een besparing (ad 8). Ten
slotte worden de uitgaven voor studerenden overgebracht naar de Wajong
(ad 9). Deze verschuiving betekent slechts een optische verhoging van
de begroting; voor de collectieve uitgaven verloopt deze verschuiving
neutraal.
Tabel 10. Financiële
gevolgen van het handhaven van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
voor studerenden (x miljoen gulden):
|
|
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
Structureel |
| 8. (=
-2.).
Besparingsverlies als gevolg van handhaven van studerenden in AAW (reeds ingeboekt): |
| AAW |
7xxx |
13xxx |
20xxx |
27xxx |
130xxx |
| TW |
2xxx |
3xxx |
5xxx |
6xxx |
30xxx |
| Ioaz |
0xxx |
0xxx |
0xxx |
0xxx |
0xxx |
| Abw |
-5xxx |
-10xxx |
-16xxx |
-22xxx |
-105xxx |
| Totaal |
3xxx |
6xxx |
8xxx |
11xxx |
55xxx |
| 9. Uitgaven
i.v.m.
opnemen studerenden in AAW op basis van nieuwe inzichten: |
| AAW
|
4xxx |
7xxx |
10xxx |
13xxx |
45xxx |
| 10. (= 9. minus
AAW-reeks uit 8.). Besparing AAW als gevolg van ramingsbijstelling
(reeds ingeboekt)): |
| AAW
|
-3xxx |
-6xxx |
-10xxx |
-14xxx |
-85xxx |
| 11. (= 9.). Verschuiving
studerenden van AAW naar Wajong op basis van nieuwe inzichten: |
| Wajong |
4xxx |
7xxx |
10xxx |
13xxx |
45xxx |
rblz.|39|
De totale financiële
gevolgen ten slotte zijn in onderstaande tabel gepresenteerd. Deze volgen
rechtstreeks uit de voorgaande drie tabellen (som van 5. + 6. + 8.).
Tabel 11. Totale financiële consequenties als gevolg van intrekking van
wetsvoorstel 22 968, handhaven van
studerenden in de arbeidsongeschiktheidsregeling en uitstel van de maatregelen voor de
overige categorieën met één jaar (x miljoen gulden):
|
|
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
Structureel |
Totale
financiële gevolgen:
12. (= 7. plus 8. plus 10.). Totale financiële gevolgen: |
| AAW |
10xxx |
19xxx |
22xxx |
25xxx |
45xxx |
| TW |
2xxx |
4xxx |
6xxx |
7xxx |
30xxx |
| Ioaz |
-4xxx |
-7xxx |
-7xxx |
-8xxx |
0xxx |
| Abw |
-6xxx |
-12xxx |
-18xxx |
-24xxx |
-105xxx |
| Totaal |
2xxx |
4xxx |
2xxx |
0xxx |
30xxx |
In het eerste jaar treedt,
zoals uit bovenstaande tabel blijkt, een beperkt besparingsverlies op.
Structureel treedt een besparing op van ƒ30 mln; deze is het gevolg van de
neerwaartse bijstelling van het aantal studerenden. Door het handhaven van deze
categorie treedt deze op in de arbeidsongeschiktheid;
zouden de maatregelen ook nog voor studerenden van toepassing zijn geweest,
dan zou de besparing, zij het in iets mindere mate, zich hebben voorgedaan
in de Abw.
4.6.5. Invoering
premiedifferentiatie in de overheidssector
In
de toelichting op het
wetsvoorstel Pemba is opgemerkt dat de invoering van premiedifferentiatie en eigen
risico dragen in de
WAO-conforme regeling op
basis van paragraaf 9 van de WPA
per 1 januari 1997 alleen
mogelijk is door middel van een nader uit te werken specifieke benadering
(vergelijk paragraaf 8.2 van het algemeen deel van
die toelichting, blz.
69). Tevens is daar opgemerkt dat in afwachting van meer duidelijkheid over
de mogelijkheid om premiedifferentiatie en eigen risico dragen in de WAO-conforme regeling in te voeren per 1
januari 1997, in het
wetsvoorstel Pemba uitgegaan wordt van 1 januari 1998 als de datum waarop
premiedifferentiatie en eigen risico dragen voor de overheidssector
ingevoerd zal worden.
Inmiddels bestaat er meer
duidelijkheid over de mogelijkheden en onmogelijkheden in relatie tot premiedifferentiatie binnen de overheidssector.
Twee elementen van het
voor de marktsector voorgestelde systeem van
premiedifferentiatie zijn in dit verband van belang, te weten:
- het gemiddelde risico
van de sector betreffende 1997 wordt bepaald op basis van de WAO-lasten per sector van het jaar 1995 voor zover die
lasten betrekking hebben
op de instroom per sector in de jaren 1993, 1994 en 1995;
- de korting of opslag
op de sectorale premie per werkgever betreffende 1997 wordt bepaald op
basis van de WAO-last per werkgever van rblz.|40|
het jaar 1995 voor zover
die last betrekking heeft op de instroom per werkgever in de jaren
1993, 1994 en 1995.
Toepassing van
premiedifferentiatie op de overheidssector per 1997 zou uit een oogpunt van
normalisering in beginsel moeten plaatsvinden volgens het voor de
marktsector voorgestelde, vorenomschreven, systeem.
De werkelijke
WAO-conforme lasten betreffende 1995 van zowel de sector overheid als van
de individuele overheidswerkgevers blijken echter niet te kunnen worden
bepaald, omdat in 1995 nog geen WAO-conforme regeling gold. Het is wel
mogelijk om de met de WAO overeenkomende arbeidsongeschiktheidslasten
van de sector overheid en van de individuele overheidswerkgevers
betreffende 1995 te benaderen. Aangezien in dat jaar nog geen sprake
was van een met de WAO overeenkomende arbeidsongeschiktheidsregeling,
zou de WAO-conforme last uitsluitend benaderd kunnen worden
aan de hand van de met de WAO overeenkomende lasten op basis van de AAW-claims over het jaar 1995. De in-
c.q. uitstroomgegevens per
werkgever zouden benaderd moeten worden op basis van de in- en
uitstroom uit de AAW over de jaren 1993, 1994 en 1995. De AAW-claims zijn
afgeleid van het minimumloon, terwijl de WAO-aanspraken afgeleid
zijn van het dagloon. Ter correctie dienen de AAW-claims dan ook te
worden vermenigvuldigd met een factor die uitdrukking geeft aan het
verschil tussen enerzijds WAO plus AAW en anderzijds uitsluitend
AAW. Gegevens ter vaststelling van deze correctiefactor per individuele
overheidswerkgever ontbreken. Dit betekent dat er aanzienlijke verschillen
kunnen bestaan tussen de volgens die benadering vastgestelde "WAO-conforme" lasten betreffende 1995 en de werkelijke WAO-conforme lasten in
dat jaar. De werkelijke WAO-conforme lasten (zowel van het totaal van
de overheidswerkgevers als per overheidswerkgever) kunnen pas vanaf het jaar
1996 worden vastgesteld, aangezien eerst in dat jaar de
WAO-conforme regeling van paragraaf 9 van de WPA
is ingevoerd. Met ingang
van het jaar 1998 is het dus pas mogelijk de premiedifferentiatie te
baseren op de werkelijke WAO-conforme lasten per overheidswerkgever (te
weten de lasten betreffende 1996).
Toepassing van een voor
de overheidssector gemiddelde correctiefactor in 1997 ten aanzien van
de benaderde WAO-conforme last 1995 en overschakeling per 1998
op de factor die bij de individuele overheidswerkgever hoort op basis van de
werkelijke WAO-conforme last 1996, zou in 1998 kunnen leiden tot
aanzienlijke verschuivingen in de korting of opslag per werkgever in
vergelijking met de opslag of korting in 1997. Dit vloeit in de eerste
plaats voort uit het gegeven dat de bovenvermelde factor per sector van de
overheid (bedoeld hiermee zijn de sectoren van het sectorenmodel arbeidsvoorwaarden overheidspersoneel) reeds een
aanzienlijke divergentie
laat zien ten opzichte van het totale gemiddelde. Ook de gemiddelde
premieplichtige loonsom per arbeidsvoorwaardelijke sector van de overheid
speelt hier een rol. In de tweede plaats kunnen de gemiddelde
premieplichtige loonsommen van de verschillende subsectoren binnen een
sector grote afwijkingen vertonen ten opzichte van de gemiddelde loonsom
van de sector. In de derde plaats hoeft de WAO-last niet lineair
gerelateerd te zijn aan de loonsom.
Als gevolg van genoemde
factoren geldt dat hoe groter de verschillen ter zake tussen de bedoelde (sub)sectoren zijn, des te groter de afwijking
tussen de systematiek van
de vorenvermelde specifieke benadering van de premiedifferentiatie
en de voorgeschreven systematiek conform Pemba
vanaf 1998 zal
zijn. Het kabinet is dan ook van mening dat toepassing van
premiedifferentiatie op de overheidssector per 1 januari 1997, gelet op de
verwachte verschuivingen in kortingen en opslagen op de sectorale premie per 1
januari 1998, geen aanbeveling verdient. Het kabinet ziet dan ook af
van invoering van premiedifferentiatie in de WAO-conforme regeling per
1 januari 1997. Voor de overheidssector zal de premiedifferentiatie
eerst per 1 januari 1998 worden ingevoerd.
rblz.|41|
Het kabinet is verder van
mening dat het - gelet op de in Pemba
opgenomen samenhang tussen premiedifferentiatie en eigen risico dragen -
geen aanbeveling
verdient om, vooruitlopende op de premiedifferentiatie, al wel per 1 januari 1997
de mogelijkheid van eigen risico dragen onder de WAO-conforme regeling te openen.
Eigen risico dragen voor arbeidsongeschiktheid zal derhalve voor de overheidswerkgevers
eerst vanaf 1 januari 1998 mogelijk zijn.
5. Wijzigingen in andere
wetten tengevolge van de Pemba, WAZ en Wajong
5.1. Gevolgen van de
intrekking van de AAW voor de franchise in de WAO
Bij de invoering destijds
van de AAW
is in de WAO een premievrije voet opgenomen, de zogenaamde
WAO-franchise. Achterliggende gedachte bij de introductie van de WAO-franchise is geweest dat werknemers
verzekerd werden voor
zowel de AAW als de WAO. Echter de uitkeringsrechten zijn destijds zodanig
vormgegeven dat de WAO slechts werd uitbetaald voor zover
deze de AAW overtrof. Om premietechnische redenen is deze
constructie later omgedraaid en ging de WAO voor. Indien voor het deel van de
WAO-verzekering toch premie zou worden geheven, zou in feite een
verzekering om niet, te weten zonder prestaties, zijn gecreëerd. Om dat te
voorkomen, is een premievrije voet in de WAO geïntroduceerd die
gerelateerd was aan het deel van de WAO-uitkering dat niet tot uitbetaling
zou komen, omdat tevens een recht op AAW ontstond.
De intrekking van de
AAW
per 1 januari 1997 dient dan ook gepaard te gaan met het vervallen
van de franchise in de WAO. Voor die franchise bestaat immers geen bestaansgrond meer na de intrekking van de AAW.
Die intrekking
veroorzaakt inkomenseffecten die divers uitvallen voor de verschillende
inkomensgroepen. Het vervallen van de franchise in de WAO wordt geregeld in de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Dit is opgenomen in het
onderhavige wetsvoorstel.
5.2. Wijzigingen in de
Organisatiewet sociale verzekeringen
In
dit wetsvoorstel is
tevens voorzien in de noodzakelijke wijzigingen in de huidige Organisatiewet
sociale verzekeringen die samenhangen met de wetsvoorstellen Pemba, WAZ
en Wajong. Met name betreft dit het
vervallen van het AAf en
de introductie van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten en de sectorale
arbeidsongeschiktheidskas in de WAO alsmede de gevolgen van het
vervallen van de AAW
en de introductie van de WAZ en de Wajong. Zoals eerder
opgemerkt, is in dit wetsvoorstel geabstraheerd van de voorgenomen nieuwe
Osv.
5.3. Wijzigingen in de
Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en
de Algemene bijstandwet (Abw)
Ook is een aantal
wijzigingen in de minimumbehoefteregelingen noodzakelijk. Met de Toeslagenwet wordt beoogd een zodanige aanvulling
op een
loondervingsuitkering te garanderen dat het totaal aan inkomen binnen de leefeenheid op
het niveau van het relevante sociaal minimum ligt. Een toeslag kan
thans onder meer worden gegeven op een uitkering krachtens de verplichte
verzekering op grond van de WAO en op een uitkering krachtens de
AAW. Als gevolg van de intrekking van de AAW is het noodzakelijk om te
bepalen dat een toeslag kan worden verleend rblz.|42|
wanneer betrokkene een
uitkering ontvangt op grond van de WAZ of de Wajong. Hoewel beide laatstgenoemde regelingen niet in eigenlijke zin
zijn aan te merken als loondervingsregelingen, komen zij qua karakter daarmee overeen. Door de
in
dit wetsvoorstel voorgestelde wijziging van de TW wordt bereikt dat
de bestaande uitkeringsrechten voor betrokkenen ook op dit punt worden
gegarandeerd.
De
Ioaw en Ioaz zijn
beide minimumbehoefteregelingen die door gemeenten worden uitgevoerd. De
Ioaw biedt oudere en (ook jongere)
gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers die de volledige uitkeringsduur van de
WW
hebben doorlopen een minimuminkomensvoorziening, zolang de werkloosheid
voortduurt en zo nodig tot aan het 65e levensjaar. Voorts
biedt de Ioaw een dergelijke voorziening voor jonggehandicapten die
gedeeltelijk arbeidsongeschikt en gedeeltelijk werkloos zijn. De voorgestelde kabinetsmaatregelen werken ook door
naar de Ioaw. Wat betreft
de categorie gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers is
thans vereist dat men recht op een met name genoemde gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft. Na invoering van de
mogelijkheid van uitstappen uit de WAO-verzekering kan, op gelijke wijze als
bij de TW het geval is, deze arbeidsongeschiktheidsuitkering
ook worden verkregen uit hoofde van een overeenkomst in de
zin van artikel 99 van de WAO. Dit wordt aan de huidige wetstekst
toegevoegd. Voorts wordt, waar het betreft jonggehandicapten, het
vereiste dat sprake is van een AAW-uitkering veranderd in een Wajong-uitkering.
De Ioaz biedt een
vergelijkbare inkomensbescherming als de Ioaw voor ex-zelfstandigen.
Met het oog op gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen die
in aanmerking kunnen komen voor een Ioaz-uitkering wordt het
vereiste van een AAW-uitkering veranderd in een WAZ-uitkering.
Ten slotte is in verband
met de intrekking van de AAW wijziging van een aantal bepalingen van de
Abw noodzakelijk.
5.4. Wijzigingen in de
Ziekenfondswet
Onder de huidige
regelgeving is de AAW-uitkeringsgerechtigde met een arbeidsongeschiktheidspercentage
van ten minste 45% verzekerd ingevolge de Zfw. De intrekking van de AAW noopt het kabinet ertoe zich
te beraden op de positie
van de AAW-gerechtigden voor wie de AAW-uitkering niet wordt
omgezet in een WAO-uitkering. Zonder nadere regelgeving zouden de
uitkeringsgerechtigden op grond van de WAZ en de
Wajong een verzekering
tegen ziektekosten in de private sector dienen af te sluiten. In zijn
advies van 22 juni 1995 heeft de Ziekenfondsraad
(Zfr) aandacht besteed aan de
positie van de WAZ- en Wajong-gerechtigden. Het kabinet deelt de
mening van de Zfr dat uitkeringsgerechtigden op grond van de Wajong en de
verplichte verzekering op grond van de WAZ onder de sfeer van de Zfw
moeten worden gebracht, omdat hun sociaal-economische positie niet verschilt
van de vroegere uitkeringsgerechtigden op grond van de AAW.
5.5. Overige wijzigingen
Naast de reeds in deze
memorie aan de orde gestelde wijzigingen bevat
dit wetsvoorstel nog een
aantal wijzigingen van andere wetten. Het betreft met name de volgende aanpassingen:
- wijziging van de Werkloosheidswet. Deze wijziging houdt in dat de te betalen
reïntegratie-uitkeringen ter zake van proefplaatsingen als bedoeld
in artikel 63 van de WAO ten laste komen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds en is
reeds aangekondigd in paragraaf 3.4.3.3 van
rblz.|43|
het algemeen deel van de
memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Pemba;
- wijzigingen in de Wet
financiering volksverzekeringen in verband met de intrekking van de AAW;
- wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden, ertoe strekkend dat de ondernemer verplicht
is de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen advies uit te
brengen over een voornemen tot het dragen van eigen risico voor de WAO.
Deze wijziging is reeds toegelicht in paragraaf 3.12 van het algemeen
deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Pemba;
- wijziging van de
Arbeidsomstandighedenwet, ertoe strekkend dat een werkgever zich moet laten
bijstaan door een gecertificeerde arbodienst indien een werkgever aanstellingskeuringen wil en mag laten
verrichten;
- wijzigingen van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964. Deze wijzigingen strekken ertoe dat de premies voor de
WAZ aftrekbaar zijn als
persoonlijke
verplichtingen en dat de WAZ-uitkeringen in aanmerking worden genomen als
periodieke uitkering van publieke aard;
- wijzigingen in de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP en de Wet
privatisering ABP alsmede een overgangsbepaling ten aanzien van voorzieningen die thans
nog op grond van de AAW aan ambtenaren worden verstrekt. Deze
wijzigingen houden verband met de doorwerking van het wetsvoorstel Pemba
en de intrekking van de AAW;
- wijzigingen van de
Algemene militaire pensioenwet en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, eveneens in verband met de intrekking van de AAW;
- wijziging van het Burgerlijk
Wetboek, op grond waarvan buiten twijfel wordt gesteld dat de
werkgever ter financiering van de loondoorbetalingsplicht bij ziekte of de
WAO-lasten bij eigen risico dragen geen bedrag kan inhouden op het loon van
de werknemer. In het algemeen deel van de
memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Pemba was reeds aangegeven dat de werkgever die
eigenrisicodrager is voor de WAO de kosten hiervan niet kan verhalen
op zijn werknemer (paragraaf 3.5.1). In dit wetsvoorstel wordt dit
nader geregeld. In de artikelsgewijze toelichting wordt nader op deze
wijziging ingegaan.
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel
I. Algemene
begrippen
Het eerste lid van dit
artikel bevat een aantal voor de toepassing van deze wet relevante omschrijvingen.
In het tweede lid wordt
een omschrijving van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet gegeven. Deze omschrijving geldt de
toepassing van deze wet.
Teneinde de bescherming te waarborgen van de rechten van diegenen die vóór inwerkingtreding van de WAZ en de Wajong
recht hadden op
AAW-uitkering of uitzicht op een AAW-uitkering, is de AAW omschreven in
de meest brede zin. Het gaat om die
wet inclusief alle wettelijke
bepalingen die rond de AAW zijn getroffen, zowel uitvoerende bepalingen
als overgangsrechtelijke bepalingen. Bij dat laatste kan het zowel
gaan om bepalingen die in of op grond van de AAW zijn getroffen als om
bepalingen die in of op grond van enige andere wet met betrekking tot de AAW
zijn getroffen. Met deze omschrijving wordt bewerkstelligd dat de
rechten en aanspraken van genoemde personen gestalte krijgen volgens
de AAW in deze zin. Dat betekent onder meer dat overgangsrechtelijke bepalingen die ten aanzien van
AAW-uitkeringsgerechtigden
in het verleden zijn getroffen, zoals rblz.|44|
overgangsrechtelijke
bepalingen in verband met de totstandkoming van de Wet
TBA, behoren tot
de AAW, zoals omschreven.
Artikel
II. Intrekking
AAW
Zoals in het
algemeen
gedeelte van de toelichting reeds aan de orde is gekomen, is de bestaansgrond van de
AAW
komen te vervallen. Het
eerste lid van dit
artikel regelt dan ook de intrekking van
die wet. In verband met de overgang
van rechten en aanspraken van personen is echter een beperkte
doorloop van die wet ten aanzien van bepaalde groepen gerechtigden
noodzakelijk. Deze doorloop betreft met name het waarborgen van
uitkeringsrechten gebaseerd op een grondslag anders dan in de WAZ
is neergelegd. Ook voor de garantie van beoordeling van
de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van oude arbeidsongeschiktheidscriteria
is deze doorloop van belang. Overigens zal met de inwerkingtreding
van deze wet een groot aantal bepalingen van de AAW niet langer van
toepassing zijn. In de plaats daarvan gelden WAZ- dan wel Wajong-bepalingen.
Eén en ander staat vermeld in de artikelen XIII en
XXIV. Bovendien
zullen alle oud-AAW-gerechtigden met ingang van de inwerkingtreding
van deze wet WAZ- of Wajong-gerechtigden zijn.
De intrekking van de AAW,
zoals vermeld inclusief alle met betrekking tot die wet getroffen
andere wettelijke bepalingen, geldt dan ook onverminderd hetgeen is
bepaald in een aantal volgende artikelen. Dat zijn de artikelen
IV, XIII, XIV,
XXIV en XXV.
Het tweede lid regelt dat
een tweetal algemene maatregelen van bestuur (AMvB's), gebaseerd
op de AAW, als AMvB op grond van de WAZ respectievelijk de Wajong doorlopen. Het gaat daarbij om het zgn.
Schattingsbesluit [zie ook Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.] en de
AMvB inzake samenloop van AAW-uitkering met uitkering ingevolge de
sociale wetgeving van een andere mogendheid [zie ook Besluit
voorkoming of beperking samenloop WAO-uitkering met uitkering ingevolge
de sociale wetgeving van een andere mogendheid, red.]. Het gaat hier om AMvB’s
die onder het nieuwe regime geen andere inhoud hoeven te hebben.
Hoofdstuk 2.
Overgangs-
en invoeringsbepalingen met betrekking tot de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Ziektewet en de
Werkloosheidswet
Artikel
III.
Beschikkingen inzake werkvoorzieningen
In de
artikelen 65,
65a en 65b van de WAO wordt een regeling opgenomen overeenkomstig
de artikel 57, 57a en 58 van de AAW.
In dit artikel wordt
geregeld dat beschikkingen op grond van artikel 57, met uitzondering van het
tweede lid, onderdeel b en c, van de AAW
met betrekking tot personen
die verzekerd zijn op grond van de WAO worden aangemerkt als
beschikkingen op grond van artikel 65 van de WAO. Daarmee wordt bereikt dat
met betrekking tot die personen onder het AAW-regime lopende
voorzieningen op grond van de genomen beschikkingen doorlopen als
voorzieningen onder het WAO-regime.
In artikel 65a van de WAO
wordt een regeling opgenomen overeenkomstig artikel 57a van de AAW.
Op grond van dit artikel worden beschikkingen die op
grond van artikel 57a tot stand zijn gekomen, met betrekking tot personen
die verzekerd zijn op grond van de WAO, aangemerkt als
beschikkingen op grond van artikel 65a
van de WAO. De lopende kostenvergoedingen kunnen derhalve binnen dat kader als
WAO-kostenvergoedingen doorlopen op grond van de genomen beschikkingen. Dat geldt
ook voor beschikkingen op grond van artikel 58 van de AAW
die met
betrekking tot personen die verzekerd zijn op grond van de WAO worden
aangemerkt als beschikkingen op grond van artikel 65b
van de WAO.
rblz.|45|
Artikel
IV. Beschikkingen
inzake leefvoorzieningen
De in artikel 57, tweede
lid, onderdeel b en c, van de AAW
bedoelde voorzieningen kunnen niet
worden gebaseerd op de nieuwe WAO-bepalingen, noch op
de nieuwe WAZ- en Wajong-bepalingen. Daarom is in dit
voorgestelde artikel ten aanzien van leefvoorzieningen bepaald dat de AAW
van
toepassing blijft en dat deze voorzieningen worden gefinancierd uit
het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Datzelfde geldt ten aanzien van aanvragen
die zijn gedaan voor deze voorzieningen vóór inwerkingtreding van deze wet.
Leefvoorzieningen kunnen
op basis van de AAW worden aangevraagd en verkregen, doch na
intrekking van de AAW bestaat op basis van de WAO, noch de WAZ en de Wajong de mogelijkheid om voor
leefvoorzieningen in
aanmerking te komen, noch bestaat de mogelijkheid om op grond van enige
bepaling van deze wetten een beschikking inzake een leefvoorziening te
treffen. Aangezien het wenselijk wordt geacht om op basis van de vigerende
AAW ingediende aanvragen van een leefvoorziening nog te
kunnen honoreren, is ten aanzien van deze voorzieningen niet alleen
met betrekking tot de beschikkingen, maar ook met betrekking tot de
aanvragen eerbiedigende werking voorgesteld. In verband daarmee is,
anders dan in de artikelen III en V, bepaald dat niet alleen beschikkingen,
doch ook aanvragen daartoe onder het AAW-regime blijven vallen.
De beschikkingen op deze
aanvragen worden met inachtneming van artikel 57, tweede lid, onderdeel b en c, van de
AAW
getroffen, ook al gebeurt dat na
inwerkingtreding van deze wet. De kosten van de leefvoorzieningen, ook
van voorzieningen verstrekt aan WAZ- en Wajong-verzekerden,
worden ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds gebracht.
Artikel
V. Beschikkingen
inzake vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering
In artikel
59a van de AAW
is de verplichte toelating tot de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering
geregeld voor de gewezen verzekerde die ontwikkelingswerk
verricht of gaat verrichten. Op grond van dit artikel worden alle beschikkingen
op grond van artikel 59a van de AAW
aangemerkt als
beschikkingen op grond van artikel 81, tweede lid, onderdeel b, van de WAO.
Dat betekent dat betrokken personen wat de betaling van premie
betreft en hun overige rechten en verplichtingen met betrekking tot
uitkeringsverstrekking onder het regime van de WAO
komen te vallen.
Artikel
VI. Verhoging
WAO-uitkering
Met dit artikel wordt
bewerkstelligd dat een reeds toegekende verhoging van de WAO-uitkering met het bedrag aan
AAW-uitkering dat
de WAO-uitkering
overtreft, in stand blijft. Het is niet de bedoeling om reeds toegekende, lopende
verhogingen te laten vervallen, door de intrekking van de AAW en
het daarmee vervallen van artikel 46a
van de WAO. De vraag of, en zo
ja, in welke mate recht blijft bestaan op verhoging, wordt beheerst
door de inhoud van het (vervallen) artikel 46a
WAO
en de relevante AAW-bepalingen. De verhoging wordt overigens
aangemerkt als onderdeel
van de WAO-uitkering. Met betrekking tot deze verhoging is daarmee het
premieregime ten aanzien van WAO-gerechtigden van
toepassing. Geschillen omtrent de verhoging worden procedureel
afgedaan als WAO-geschillen.
rblz.|46|
Artikel
VII. Samenloop
AAW- en WAO-uitkering vrijwillig verzekerden
De toepasselijkheid van
dit artikel richt zich op zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en
beroepsbeoefenaren die een vrijwillige verzekering op grond van de WAO
hebben afgesloten. Ten aanzien van deze personen geldt tot de datum van
inwerkingtreding van deze wet artikel 84a
van de WAO, welk artikel met
ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet vervalt. Dat artikel
gaf regels omtrent de samenloop van recht op AAW-uitkering en recht op
WAO-uitkering. Voor diegenen op wie de AAW-bepalingen van
toepassing blijven, blijft artikel 84a
van de WAO
gelden. Aangezien de
AAW-uitkering van betrokken vrijwillig verzekerden vanaf inwerkingtreding
van deze wet als WAZ-uitkering wordt aangemerkt, dient
artikel
84a ook in
deze zin te worden gelezen.
Artikel
VIII. Overgang
vermogensbestanddelen AAf en FAOP
Op grond van het eerste
lid gaan vermogensbestanddelen van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds op bij
ministeriële regeling te
bepalen wijze over op het Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen. Deze vermogensbestanddelen komen dan ten goede aan
degenen voor wie deze vermogensbestanddelen
zijn gevormd.
Met betrekking tot het
tweede tot en met vijfde lid kan het volgende worden opgemerkt. Het Aof
neemt met ingang van de inwerkingtredingsdatum van de Pemba
de
lasten van het FAOP betreffende de vóór die datum lopende WAO-conforme uitkeringen over. Ter dekking van de lasten van het Aof dient
een deel van het vermogen van het FAOP te worden overgedragen aan
het Aof.
De onderstaande formule
wordt gehanteerd om te bepalen welk deel van het vermogen van het
FAOP wordt overgedragen aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds:
x = (Y * last X) : last Y
waarbij:
a. Y = het vermogen van
het Aof per datum vóór inwerkingtreding Pemba;
b. last Y = de lasten van
het Aof per datum vóór inwerkingtreding Pemba;
c. X = het aan het Aof
over te dragen vermogen van het FAOP;
d. last X = de lasten van
het FAOP per datum vóór inwerkingtreding Pemba.
Bij algemene maatregel
van bestuur zullen regels worden gesteld met betrekking tot de bepaling van de lasten van het Aof en van het FAOP die
in de formule meegenomen dienen te worden en met betrekking tot de bepaling van het tijdstip
waarop de overdracht van het vermogen van het FAOP naar het Aof dient
plaats te vinden. In dit verband is een onderwerp van aandacht de wijze
waarop omgegaan dient te worden met de per datum vóór
inwerkingtreding Pemba openstaande vorderingen en schulden van het
FAOP. De
mogelijkheid bestaat om de overdracht van het vermogen te laten plaatsvinden op het moment waarop de vorderingen
en schulden zijn
verwerkt. Denkbaar is ook om reeds op de inwerkingtredingsdatum
vermogen over te dragen op basis van een aanname ten aanzien van
de vorderingen en de schulden, met een nacalculatie in de loop
van het jaar. In geval van een nacalculatie is een verder aandachtspunt de
wijze waarop in dit verband met eventuele rentevergoedingen omgegaan dient te worden.
rblz.|47|
Artikel
IX. Tijdelijke
wijze van heffing gedifferentieerde premie
Het kan voorkomen dat
bedrijfsverenigingen niet in alle gevallen in staat zijn de opslag dan
wel korting ter verhoging dan wel ter verlaging van het bedrijfsverenigingspercentage te bepalen, in verband met
onvoldoende gegevens omtrent de betrokken bedrijven ter bepaling van de opslag of korting. Op
grond van bij ministeriële regeling te stellen regels wordt bepaald
welke werkgevers, gedurende de eerste twee jaar, in aanmerking komen voor
heffing van gedifferentieerde premie zonder opslag of korting op het
bedrijfsverenigingspercentage.
Artikel
X. Overheveling
bedragen voor uitvoering WAZ
Ingevolge
artikel X
brengt het Tica ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jaarlijks een bedrag ten gunste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen. Deze overheveling houdt verband met de gemaakte
keuze om de lopende AAW-uitkeringen van directeuren-grootaandeelhouders om te zetten in WAZ-uitkeringen. Deze uitkeringen worden dus
gefinancierd uit de Aof-bijdrage. Deze overheveling is nader toegelicht in
paragraaf 4.6 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
WAZ.
Artikel
XI.
Overgangsbepaling inzake artikel 3 WAO
Artikel XI bepaalt dat
het nieuwe artikel 3 WAO (dat de directeur-grootaandeelhouder onder
de verplichte verzekering voor die wet brengt) niet van toepassing is op
de dag [van inwerkingtreding van deze wet
op de directeur-grootaandeelhouder, red.] die reeds een AAW-uitkering
heeft of die zich in de wachttijd voor
de AAW bevindt. Voor hen geldt namelijk dat zij met ingang van de dag van
inwerkingtreding van deze wet verzekerd zullen zijn voor de WAZ.
Zie voor dit laatste de toelichting bij de artikelen XII en
XIII.
Hoofdstuk 3.
Overgangsbepalingen met betrekking tot de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
§ 1. Overgangsrecht met
betrekking tot bestaande rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel
XII.
Personenkring WAZ
Deze bepaling regelt de
toepasselijkheid van paragraaf 1 van dit hoofdstuk
3. Deze paragraaf behelst het
materieel van toepassing blijven van een aantal relevante bepalingen van
de AAW. Deze toepasselijkheid is beperkt tot enkele categorieën
personen. Allereerst moet het gaan om personen die daags vóór
inwerkingtreding van deze wet
waren verzekerd op grond van de AAW. Voorts dienen
deze personen op die dag te verkeren in een bepaalde (uitkerings)situatie. Deze wordt beschreven in artikel
XIII. Er moet op die dag
sprake
zijn van een recht op AAW-uitkering of een situatie dat betrokkene
in de 52-wekenwachttijd van de AAW zit. Een derde situatie waarin de
betrokkene, willen de relevante bepalingen van de AAW van toepassing
blijven, moet verkeren, is de situatie dat het recht op AAW-uitkering is
geëindigd, maar op grond van AAW-bepalingen het AAW-recht weer zou kunnen
herleven indien
die wet
niet zou zijn ingetrokken. Deze situaties worden nader
toegelicht onder artikel XIII.
De situatie waarin de
betrokken persoon zich bevindt, moet verder voortkomen uit het verricht hebben van werkzaamheden die waren
gericht op het behalen
van winst of inkomsten als zelfstandige, als meewerkende echtgenoot
of als verzekerde louter in de zin van de AAW.
Ten aanzien van de
begrippen zelfstandige en meewerkende echtgenoot wordt aangehaakt aan het
regime van de AAW ten aanzien van de rblz.|48|
zelfstandige en de meewerkende echtgenoot. In het op de artikelen 6 en
10 van de AAW
gebaseerde Inkomensbesluit wordt een regeling gegeven omtrent arbeid in de
zelfstandige uitoefening van een bedrijf of beroep door een persoon dan wel
door hun meewerkende echtgenoten. Op basis van de AAW is daarmee
bepaald wie als zelfstandige dan wel als meewerkende echtgenoot
kan worden aangemerkt.
De derde categorie
personen, de verzekerde louter in de zin van de AAW, wordt gevormd door
diegenen die inkomensvormende arbeid hebben verricht en voor
wie ter zake van die arbeid geen andere wettelijke verzekering tegen
geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid bestond dan op grond van de AAW.
Te denken valt daarbij aan ingezetenen die werkzaam waren in een
arbeidsverhouding die niet als dienstbetrekking kan worden
gekwalificeerd. Bij deze groep kan onder meer worden gedacht aan huishoudelijk
personeel werkzaam op minder dan drie dagen per week en
geestelijken die niet in dienstbetrekking werkzaam zijn. Daarnaast vallen ook
directeur-grootaandeelhouders van een naamloze of besloten vennootschap
wier arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking in de zin van de WAO
werd
aangemerkt, onder de werking van dit artikel. Vanaf de datum
van inwerkingtreding van deze wet zijn als gevolg van een daartoe
strekkende wijziging van de WAO directeur-grootaandeelhouders onder de werking van
die
wet gebracht. Vanaf die datum zijn zij met
betrekking tot hun werkzaamheden verzekerd op grond van die wet. Dit geldt
evenwel niet de directeur-grootaandeelhouders op wie een situatie als
bedoeld in artikel XIII van deze wet
van toepassing is. Ten aanzien van directeur-grootaandeelhouders die vóór inwerkingtreding
van deze wet reeds AAW-uitkering ontvingen, dan wel in de wachttijd voor het recht
op uitkering op grond van de AAW verkeerden, geldt dat zij met ingang
van de dag van inwerkingtreding van deze wet verzekerd zullen zijn op
grond van de WAZ.
Het eerste lid, onderdeel c, kan verder nog van belang zijn voor personen die op grond van
het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1989 [zie ook Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.]
als AAW-verzekerden worden aangemerkt. Personen die
arbeid hebben verricht in een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking
in de zin van de WAO kan worden gekwalificeerd of in een
arbeidsverhouding in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
dan wel personen die uit hoofde van hun werkzaamheden onder de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers vallen, blijven dus
buiten de hier omschreven doelgroep.
Artikel
XIII.
Toepasselijkheid AAW- en WAZ-bepalingen op personenkring
Eerste lid
Dit artikel regelt het
van toepassing blijven van een relevant aantal AAW-bepalingen op de
groep omschreven in artikel XII. Voor alle duidelijkheid: het
betreft het materieel van toepassing blijven van die artikelen. Formeel zullen
na inwerkingtreding van deze wet de
beschikkingen die ten aanzien van de
betrokken groep zijn en worden getroffen, zijn gebaseerd op de WAZ.
Het van toepassing blijven van de AAW-bepalingen geldt uitsluitend het betrokken recht of de betrokken
aanspraak. Op de
betrokken personen moet daarvoor wel één van de navolgende situaties van
toepassing zijn.
- De eerste situatie is die waarin betrokkene verkeert in de wachttijd. De wachttijd die de AAW
kent, alvorens recht kan bestaan op een AAW-uitkering, moet zijn
ingegaan vóór inwerkingtreding van deze wet. Het gaat er dan om dat
iemand vóór inwerkingtreding van het nieuwe wettelijke regime
arbeidsongeschikt is geworden, maar omdat hij in de wachttijd van 52 weken
verkeert, heeft hij nog geen recht op uitkering. Perioden van
arbeidsongeschiktheid die met minder dan vier weken rblz.|49|
worden onderbroken, worden
samengeteld voor het vervullen van de wachttijd. Indien na
afloop van de wachttijdperiode van 52 weken geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid, maar binnen vier weken treedt alsnog
arbeidsongeschiktheid in, dan valt betrokkene ook nog binnen het regime van de AAW. De met
betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering van deze persoon te
treffen beschikking is, met inachtneming van de relevante AAW-bepalingen, een beschikking gegrond op de WAZ.
- De tweede situatie is
dat betrokkene op de dag voorafgaand aan inwerkingtreding van deze
wet recht had op een AAW-uitkering. Ook op deze persoon blijven
AAW-bepalingen van toepassing. De met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van deze persoon genomen beschikking is, met
inachtneming van de relevante AAW-bepalingen, vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet een beschikking op grond van de WAZ.
- De AAW-bepalingen
blijven tevens gelden voor de persoon die op de dag voorafgaand aan
inwerkingtreding van deze wet recht had op een voorziening op grond van
artikel 57, een inkomenssuppletie op grond van artikel 59b, dan wel een
toelage of vergoeding op grond van artikel 58 van de AAW. Ook deze eerder
gegeven beschikking is vanaf de datum van inwerkingtreding van deze
wet een beschikking op grond van de WAZ. Uitzondering is de
leefvoorziening. Deze voorziening wordt niet onder de werking van dit artikel
gebracht. Voor deze voorziening is een aparte bepaling opgenomen in artikel
IV.
- De vierde situatie ten slotte waarin AAW-bepalingen van toepassing blijven, is die waarin op
de dag vóór inwerkingtreding van deze wet geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestond. Enerzijds kan dat zijn
omdat aan het einde van
de wachttijd geen sprake was van arbeidsongeschiktheid en geen uitkeringsrecht
is ontstaan. Op grond van artikel 32a wordt een uitkeringsrecht
toegekend indien binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd
arbeidsongeschiktheid intreedt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als de arbeidsongeschiktheid tot het verrichten van de
arbeid wegens ziekte.
Anderzijds kan sprake
zijn van voorafgaande eindiging van het recht op AAW-uitkering, wegens
einde van de arbeidsongeschiktheid of het dalen van de
arbeidsongeschiktheid tot beneden 25%. Wanneer de betrokken persoon op grond van
artikel 32a of 37 van de AAW, indien die
wet niet zou zijn ingetrokken, in
aanmerking zou komen voor heropening van zijn uitkering, blijft ter
zake van de te heropenen uitkering de AAW van toepassing. Op grond van
artikel 32a wordt een uitkeringsrecht toegekend indien binnen vijf jaar
na einde van de AAW-uitkering opnieuw arbeidsongeschiktheid intreedt en die
arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de oorspronkelijke, ingetrokken, uitkering is
toegekend. Op grond van artikel 37 van de AAW
bestaat recht op
heropening van de uitkering indien binnen vier weken na intrekking van
de uitkering weer arbeidsongeschiktheid intreedt, ongeacht de oorzaak van
de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid. De desbetreffende
toekennings- of heropeningsbeschikking is een
beschikking op grond van
de WAZ.
Het van toepassing
blijven van AAW-bepalingen moet op grond van hetgeen is bepaald in
artikel I, tweede lid, ruim worden opgevat. Het gaat om deze bepalingen,
inclusief eerder getroffen overgangsbepalingen waarop betrokkenen nog
recht op konden doen gelden. Het van toepassing blijven van
AAW-bepalingen betreft met name de artikelen 5 (arbeidsongeschiktheidsbegrip),
12, tweede tot en met vierde lid (verdiscontering van de werkloosheid in
het arbeidsongeschiktheidspercentage), 23 (rechterlijke
toetsing), 24 (duur toekenning uitkering) en 26 (herziening van de uitkering). De
artikelen 5, 12 en 23 van de AAW
zijn aangepast met ingang van 1 januari
1987. Krachtens artikel 52 van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid zijn deze bepalingen van toepassing gebleven op personen die
op 31 december 1986 recht hadden op een rblz.|50|
AAW-uitkering en op 1
augustus 1993 de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt. Dat betekent dat
ten aanzien van deze personen de (her)beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid aan de hand van het vóór 1 januari 1987 geldende
arbeidsongeschiktheidsbegrip plaats blijft vinden en de werkloosheid in het
arbeidsongeschiktheidspercentage blijft verdisconteerd. De
rechter kan beoordelen of een door de bedrijfsvereniging in termijn beperkte
toepassing van deze verdiscontering in overeenstemming is met de
billijkheid.
Met ingang van 1 augustus
1993 is bij gelegenheid van de Wet TBA het arbeidsongeschiktheidsbegrip
aangescherpt in die zin dat voor de bepaling van de mate van
arbeidsongeschiktheid niet langer wordt gekeken naar wat
betrokkene nog gezien ervaring en vroeger uitgeoefend beroep met passende
arbeid kan verdienen, maar naar wat betrokkene met gangbare arbeid, los
van ervaring en vroeger uitgeoefend beroep, nog kan verdienen. Voorts is
de periode van toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering,
voorheen niet in tijd beperkt, gesteld op drie jaar (vooralsnog
vijf jaar). Genoemde aanscherping, noch de beperkte periode van toekenning,
geldt evenwel diegenen die op die datum de leeftijd van 50 jaar
hebben bereikt en die reeds vóór die datum recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
hadden en degenen die als vroeggehandicapte recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering hadden. Zoals gesteld, is het materieel
handhaven van genoemde AAW-bepalingen van belang teneinde de
rechten van betrokkenen te handhaven. In het licht van deze handhaving van
rechten is het wenselijk, noch mogelijk, om op enigerlei wijze een
horizonbepaling op te nemen in deze wet die erin zou voorzien dat de
materiële toepassing van genoemde AAW-bepalingen enig moment eindigt.
Tweede en
vierde lid
Niet alle bepalingen van
de AAW
blijven van toepassing. Het van toepassing blijven van bepalingen van de
AAW betreft slechts een
beperkt aantal artikelen
van die
wet. Deze artikelen zijn evenwel van essentieel belang
teneinde te waarborgen dat betrokkenen er in hoogte en duur van de uitkering
niet op achteruitgaan. De artikelen waar het met name om gaat, zijn
hiervoor aan de orde gekomen. Ter wille van een goede uitvoering van het
arbeidsongeschiktheidsregime ten aanzien van diegenen die onder het
overgangs- en invoeringsrecht vallen, is het aantal
bepalingen van de AAW dat
van toepassing blijft, beperkt gehouden en is zoveel mogelijk een
onmiddellijke overgang naar het WAZ-regime bewerkstelligd.
Een belangrijk aantal
bepalingen van de AAW blijft derhalve niet van toepassing. Dat heeft te
maken met het feit dat een groot aantal WAZ-bepalingen
gelijkluidend is aan de overeenkomstige AAW-bepalingen. Teneinde
te voorkomen dat wellicht tot in lengte van jaren voor verschillende
groepen uitkeringsgerechtigden het geldende regime in verschillende
wetten moet worden nagelopen en om te vermijden dat eventuele
volgende wijzigingen in het wettelijk regime tevens moeten ingrijpen
in de AAW, is gekozen voor toepassing van overeenkomstige WAZ-bepalingen. Voorts is sprake van AAW-bepalingen op basis waarvan soms
technische uitvoeringsbepalingen moeten worden getroffen. Het ligt ter
wille van de overzichtelijkheid in de rede deze uitvoeringsbepalingen
uitsluitend op basis van de WAZ te regelen. De toepasselijkheid van
overeenkomstige WAZ-bepalingen wordt geregeld in het vierde lid.
Overeenkomstige regels als in het tweede en vierde lid neergelegd zijn opgenomen
met betrekking tot de verhouding tussen de AAW en de Wajong. In
artikel XXIV, tweede en vierde lid, is ten aanzien van de personen die van
het regime van de AAW overgaan op dat van de Wajong aangegeven welke
artikelen van de AAW niet langer van toepassing zijn en welke
artikelen van de Wajong ten aanzien van de rblz.|51|
betrokken groep zullen
gelden. Deze artikelen komen in hoge mate overeen met de artikelen
in het tweede en vierde lid van dit artikel genoemd.
In bijlage 1 bij deze
memorie van toelichting is een overzicht opgenomen van de bepalingen van de AAW die niet langer van
toepassing blijven en de
overeenkomstige bepalingen van de WAZ die vanaf inwerkingtreding
van die wetten zullen gelden voor de betrokken groepen. Tevens zijn in
het overzicht overeenkomstige bepalingen van de Wajong opgenomen, voor
zover deze van toepassing zullen zijn op de bij die wet betrokken
groepen.
Daarnaast is nog een
aantal artikelen van de WAZ van toepassing verklaard op diegenen op
wie het AAW-regime van toepassing blijft. Het gaat daarbij om de
artikelen 28 [29] (garantie voor oudere arbeidsongeschikten), 29
[30] (leefvoorzieningen
verband houdende met werkvoorzieningen), 39 [40]
(toekenning andere
uitkeringen op aanvraag of ambtshalve), 58 [59], eerste tot en met
achtste lid (samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met andere uitkeringen),
66 [67] (niet voor beslag vatbare verstrekkingen) en 101
[102] (buitentoepassingverklaring Algemene
termijnenwet).
Deels betreft het
bepalingen die in het kader van de Wet Amber
in de WAO
zijn opgenomen (artikel 28), deels betreft het bepalingen die in de AAW verspreid waren
opgenomen, doch waarbij het overeenkomstige WAZ-artikel
(39 [40], 66 [67]) een
gelijk regime regelt, deels gaat het om een WAZ-bepaling waarbij de
AAW omtrent het desbetreffende onderwerp geen duidelijke regel
schiep (artikel 39). Ten aanzien van artikel 101 [102]
van de WAZ
kan worden opgemerkt
dat de inhoud van het overeenkomstige artikel 99 van de AAW
nog
wel relevant kan zijn met betrekking tot artikel 6, vierde lid, van de AAW
(samentelling arbeidsongeschiktheidsperioden), reden waarom artikel 99
van de AAW
niet is opgenomen in het tweede lid. Voor diegenen die onder
het overgangsrecht vallen, geldt dat zij op basis van artikel 29 [30] van de WAZ
in aanmerking kunnen worden gebracht voor voorzieningen strekkend
tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Voor
diegenen die reeds vóór inwerkingtreding van deze wet
in aanmerking
waren gebracht voor een (leef)voorziening, die op basis van de WAZ niet langer verstrekt kan worden, geldt dat zij deze
voorzieningen kunnen
behouden, door het van toepassing blijven van artikel 57, tweede lid,
onderdeel b en c, van de AAW. Eén en ander staat vermeld in
artikel IV.
Naast de in het overzicht
vermelde bepalingen van de Wajong zijn in artikel XXIV nog andere
bepalingen van die wet van toepassing verklaard op de betrokken groep
Wajong-belanghebbenden. Op die artikelen wordt
nader ingegaan in de
toelichting bij dat artikel.
Daarnaast zijn in het
tweede lid bepaalde artikelen van de AAW niet opgenomen, terwijl zij
niettemin betekenis missen voor de betrokken doelgroep. Vanwege het
feit dat er in de WAZ geen overeenkomstige bepalingen zijn aan te
wijzen die daarvoor in de plaats zouden moeten komen, is het niet nodig
de desbetreffende AAW-artikelen in het tweede lid te noemen. Voorbeeld van
een AAW-artikel dat na invoering van het nieuwe wettelijke regime
belang mist, is artikel 4, dat de verzekerdenkring regelde.
Derde lid
Met dit lid wordt
bewerkstelligd dat het regime van de AAW
eindigt wanneer de aanspraken en
rechten, zoals genoemd in het eerste lid, op basis van die
wet niet
langer voor toekenning of heropening in aanmerking zouden kunnen
komen. Alsdan geldt het nieuwe wettelijke regime. Niettemin is bij
eerder tot stand gekomen regelgeving, zoals bij de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid en de Wet
TBA, een beschermingsregeling
getroffen voor bepaalde uitkeringsgerechtigden, waarbij vooral de uitkeringsgerechtigden van 50 jaar
of ouder kunnen rblz.|52|
worden genoemd. Deze beschermingsregeling is blijvend geregeld voor de betrokken groep. Het
is niet de bedoeling om daar met deze wet
afbreuk aan te doen.
Daarin voorziet artikel XIV.
Vijfde en
zesde lid
Het vijfde lid voorziet
in reeds vóór de dag van inwerkingtreding van deze wet
op grond van de AAW
afgegeven beschikkingen. Allereerst beschikkingen inhoudende
een toekenning van een uitkering, voorziening, toelage of vergoeding.
Teneinde de overgang naar het nieuwe regime zo vlot mogelijk te doen
verlopen, worden deze beschikkingen ten aanzien van de betrokken
personen, genoemd in het eerste lid, vanaf de datum van inwerkingtreding van
deze wet aangemerkt als beschikkingen op grond van de WAZ. Daardoor wordt het regime van de WAZ ten aanzien
van deze beschikkingen
onverkort van kracht. Een eerder op basis van de AAW gegeven beschikking
tot toekenning van een AAW-uitkering of een AAW-voorziening wordt
vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet beschouwd als
toekenning van een uitkering of voorziening op grond van de WAZ, die ten laste
komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Met de toekenning van die uitkering of voorziening wordt
een betrokkene op grond
van artikel 3, tweede lid, van de WAZ aangemerkt als
WAZ-verzekerde. Dat
artikel bepaalt dat de persoon die een uitkering ontvangt,
verzekerd is op grond van die wet. Betrokkenen vallen hiermee, voor zover van
toepassing, ook automatisch onder de werkingssfeer van bijvoorbeeld de
Toeslagenwet en de Ziekenfondswet.
Niet alleen beschikkingen inhoudende een toekenning van uitkering, maar ook AAW-beschikkingen inhoudende een intrekking van een
uitkering, voorziening,
toelage of vergoeding vallen onder de werking van het vijfde lid. Uiteraard
betreft dat niet elke AAW-beschikking getroffen vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet. Het betreft uitsluitend die beschikkingen
inhoudende intrekking of niet-toekenning van een uitkering die in een
later stadium kan worden heropend of alsnog kan worden toegekend (eerste
lid, onderdeel d). Ook beschikkingen die na inwerkingtreding van deze
wet ten aanzien van personen worden genomen met toepassing
van AAW-bepalingen worden als WAZ-beschikkingen
aangemerkt, welke beschikkingen voor zover deze financiële gevolgen
hebben, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds worden gebracht.
Het zesde lid voorziet in
de situatie dat ten aanzien van een persoon geen beschikking is getroffen, terwijl hij niettemin in een situatie verkeert
als omschreven in het
eerste lid. Dat betreft in het bijzonder de persoon die nog in de wachttijd
verkeert (eerste lid, onderdeel a). Ten aanzien van hem is immers nog geen
beschikking inzake een uitkering gegeven. Teneinde te waarborgen
dat deze persoon in aanmerking kan worden gebracht voor
bijvoorbeeld voorzieningen, regelt het zesde lid dat deze persoon als verzekerde in
de zin van de WAZ wordt aangemerkt.
Zevende lid. [Zie art.
XIII, achtste lid, Inga, red.]
Met de regeling zoals
neergelegd in het eerste tot en met vijfde lid van dit artikel kan niet worden
zeker gesteld dat het overgangsrecht voor de betrokken groepen
personen volledig zal zijn geregeld. Niet uitgesloten mag worden dat bepaalde
artikelen van de AAW
of de WAZ alsnog van toepassing dan wel juist
niet van toepassing zouden moeten zijn op één of meer groepen personen.
Ook kan niet met zekerheid worden gesteld dat met de omschrijving van
het eerste lid alle belanghebbende groepen personen zijn geduid.
Voor al deze, nu nog niet te voorziene situaties kunnen bij of krachtens
AMvB regels worden gesteld. De bedoeling van deze regels is om
adequaat te kunnen ingrijpen indien zich onbedoelde situaties voordoen, zoals
bijvoorbeeld het alsnog onder het AAW-regime rblz.|53|
brengen van personen die
daar krachtens hetgeen in het eerste lid is bepaald niet voor in
aanmerking komen. De opsomming in dit zevende lid [zie artikel
XIII, achtste lid, Inga, red.] is overigens geen
limitatieve. Met betrekking tot dit artikel kunnen ook nog andere regels
worden
gesteld.
§ 2. Overgangsrecht met
betrekking tot nieuwe rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel
XIV. Van
toepassing blijvende AAW-bepalingen
Met dit artikel wordt de
beschermingsregeling die destijds bij de Wet TBA is getroffen met
betrekking tot het arbeidsongeschiktheidscriterium ten aanzien van personen
die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 50 jaar hadden bereikt en recht
hadden op AAW-uitkering, gecontinueerd. Het gaat bij de onderhavige
beschermingsregeling om de situatie waarin iemand niet meer op het
AAW-regime kan terugvallen, maar eventueel in een later stadium als
zelfstandige, meewerkende echtgenoot of beroepsbeoefenaar recht op uitkering op
grond van de WAZ verkrijgt. Alsdan blijft de
werking van artikel 5, zoals dat
vóór 1 augustus 1993 gold, in stand. De
beschermingsregeling
betreft ook de blijvende toepassing van de artikelen 24 en 26 van de AAW. Deze artikelen regelen dat de toekenningstijdvakken en het tijdvak van een
jaar na ingang van de uitkering, waarbinnen een
herbeoordeling van het recht op uitkering dient plaats te vinden, niet van
toepassing zijn.
Op grond van het tweede
lid kan worden geregeld dat artikelen van de AAW zoals die enig
tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet luidden van
toepassing blijven op bepaalde categorieën personen. Het gaat
daarbij om een regeling voor nu nog niet te voorziene situaties ingeval de
toepassing van dit artikel onbedoelde gevolgen heeft.
§ 3. Overgangsbepalingen
ten aanzien van vrijwillig verzekerden op grond van de Ziektewet
Artikel
XV. Personenkring
In deze paragraaf wordt
een overgangsregeling getroffen ten aanzien van vrouwen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van
deze wet vrijwillig verzekerd
waren op grond van de ZW en op wie op het tijdstip van inwerkingtreding het
regime van de WAZ ten aanzien van bevallingsuitkering van toepassing wordt. Op
basis van de artikelen van deze paragraaf wordt een
regeling getroffen op basis waarvan een betrokkene uitkering op grond van de
ZW behoudt.
Artikel
XVI. Recht op
bevallingsuitkering ZW
Is de bevalling binnen
zes weken, te rekenen vanaf de dag vóór inwerkingtreding van het
nieuwe regime, te verwachten, dan geldt dat betrokkene op de voet van
de ZW haar uitkeringsrechten behoudt. Dat geldt dus ook indien de
bevalling binnen die periode was te verwachten, doch niettemin de
bevalling later dan zes weken, te rekenen vanaf de dag vóór inwerkingtreding van
het nieuwe regime, plaatsvindt. Het uitkeringsregime van de ZW blijft ten
aanzien van de desbetreffende bevalling geheel op haar van toepassing. Gedurende dat recht heeft zij geen recht
op bevallingsuitkering op
grond van de WAZ.
rblz.|54|
Artikel
XVII. Behoud
recht op bevallingsuitkering op grond van ZW
Met dit artikel wordt
zeker gesteld dat een eenmaal ingegaan ZW-recht voortduurt, voor zolang
de uitkeringstermijn niet is verstreken. Gedurende deze uitkeringstermijn
heeft betrokkene geen recht op bevallingsuitkering op grond van de WAZ. Ten
aanzien van de vrouw die recht heeft op bevallingsuitkering op
grond van de ZW bestaat de mogelijkheid dat er sprake is van samenloop
met een andere uitkering. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan
samenloop met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met het oog op dit soort
situaties voorziet het tweede lid in de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
§ 4. Uitkeringsrecht in
verband met bevalling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
Artikel
XVIII.
Toepasselijkheid WAZ ten aanzien van bevallingsuitkering
Dit artikel regelt de
start van de WAZ ten aanzien van bevallingsuitkeringen. Op grond van deze
bepaling wordt een uitkeringsrecht verstrekt indien de
betrokken vrouw op of na de dag van inwerkingtreding van deze wet
bevalt en
zij niet verzekerd was voor de vrijwillige verzekering op grond van de ZW.
Vindt de bevalling plaats
op of na inwerkingtreding van deze wet, dan heeft betrokkene recht op
een bevallingsuitkering op grond van de WAZ. Dat recht heeft zij
gedurende de volle uitkeringsperiode van ten minste zestien weken. De vrouw die
vóór
inwerkingtreding van deze wet is bevallen, kan aan de WAZ geen recht op
bevallingsuitkering ontlenen.
Artikel
XIX.
Uitzondering
meldingsplicht
Op grond van de
WAZ dient
de vrouwelijke verzekerde uiterlijk drie maanden vóór de uitgerekende datum melding te maken van haar
zwangerschap en de datum
met ingang van welke zij het recht op bevallingsuitkering wenst
te laten ingaan. Deze melding kan een vrouw niet doen indien haar
bevalling binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze wet
is te
verwachten. Om die reden is op haar artikel 33 [34]
van de WAZ
niet van toepassing.
§ 5. Overige
invoerings-
en overgangsbepalingen met betrekking tot de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
Artikel
XX. AAW-uitkering
basis voor vakantiebijslag
Deze bepaling is
uitsluitend van belang voor de eerste keer na inwerkingtreding van deze wet
dat
vakantiebijslag wordt verstrekt aan uitkeringsgerechtigden.
Met deze bepaling wordt bereikt dat voor het recht op en de hoogte van
de vakantie-uitkering de AAW-uitkering die vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet werd betaald mede ten grondslag wordt gelegd
aan de berekening van de vakantie-uitkering die in de maand mei volgend
op de datum van inwerkingtreding wordt gedaan.
Artikel
XXI.
Toekenningsperiode WAZ-uitkering
Op grond van
artikel
XVIII van de Wet TBA is de voorlopige toekenningsperiode ten aanzien van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
gesteld op vijf jaar.
Deze regeling zal ook gelden voor personen op wie de WAZ
van toepassing is.
Daarin voorziet dit artikel.
rblz.|55|
Artikel
XXII. AAW- en
WAZ-verzekering één verzekering
Deze bepaling voorziet
erin dat een verzekering die louter door intrekking van de AAW
eindigt en vervolgens zonder onderbreking wordt
voortgezet als
verzekering op grond van de WAZ wordt aangemerkt als
één verzekering.
Deze bepaling is onder andere van belang voor de toepassing van artikel
2,
tweede lid, en 11 van de WAZ. Eerstgenoemde bepaling regelt de
berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ingeval iemand
arbeidsongeschikt is bij aanvang van de verzekering op grond van die
wet.
Artikel 11 van de WAZ regelt de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om
arbeidsongeschiktheid die reeds bij aanvang van de verzekering op grond
van de WAZ bestond buiten aanmerking te laten. Het kan echter niet de
bedoeling zijn om een persoon die vóór inwerkingtreding van de WAZ reeds werkzaam
was, bijvoorbeeld als zelfstandige, en tijdens die
werkzaamheden gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakte en de wachttijd op grond van de
AAW inging, bij aanvang van zijn WAZ-verzekering als gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt aangemerkt.
Voorts is deze bepaling
van belang in verband met het dóórlopen van wachttijdperioden. Een
wachttijdperiode doorgemaakt vóór inwerkingtreding van deze wet loopt aldus
automatisch door onder het nieuwe regime.
Hoofdstuk 4.
Overgangs-
en invoeringsbepalingen ten aanzien van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten
§ 1. Overgangsrecht met
betrekking tot bestaande rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel
XXIII.
Personenkring Wajong
Dit artikel regelt de
doelgroep die in aanmerking komt voor het overgangsrecht in het kader van de
Wajong. Het gaat hierbij om personen
op wie geen andere
wettelijke regeling tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van
toepassing was dan de AAW. Voorts geldt ten aanzien van deze personen
tevens dat zij niet onder de doelgroep van hoofdstuk 3, paragraaf
1,
vallen. Het gaat in dit geval hoofdzakelijk om vroeggehandicapten, studenten en verzorgers
van naaste verwanten op wie een situatie als omschreven
in artikel XXIV van toepassing is.
Artikel
XXIV.
Toepasselijkheid AAW- en Wajong-bepalingen op personenkring
De regeling vervat in dit
artikel komt voor een deel overeen met hetgeen is bepaald in artikel XIII. Voor een nadere toelichting kan
daarvoor mede worden
verwezen naar de toelichting bij het eerste lid van artikel
XIII. Het van
toepassing blijven van AAW-bepalingen ten aanzien van vroeggehandicapten
vertoont, zoals uit die toelichting blijkt, op een enkel punt verschil met
die welke ten aanzien van de groep personen, genoemd in artikel
XII, is
getroffen. Dat verschil vloeit vooral voort uit de Wet
TBA. Bij gelegenheid
van die wet is geregeld dat het arbeidsongeschiktheidscriterium
zoals dat is ingevoerd bij de Wet TBA niet zal gelden ten
aanzien van bestaande gevallen van vroeggehandicapten. Voor andere groepen
arbeidsongeschikten die bij invoering van de Wet TBA
jonger waren dan 50 jaar is het TBA-criterium gefaseerd gaan gelden.
Dat laatste geldt niet alleen de groep personen omschreven in artikel
XII, maar ook de groep personen omschreven in artikel
XXIII, voor zover
zij niet als vroeggehandicapte zijn aan te merken.
In de bijlage bij deze
toelichting is een overzicht van de bepalingen van de AAW opgenomen die niet
langer van toepassing blijven en - voor rblz.|56|
zover van toepassing - de overeenkomstige bepalingen van de Wajong die van toepassing
worden. Dit betreft een schematisch overzicht van hetgeen in het tweede
en vierde lid van dit artikel is bepaald.
Daarnaast is nog een
aantal artikelen van de Wajong van toepassing verklaard op diegenen op
wie het AAW-regime van toepassing blijft. Het gaat daarbij om de
artikelen 23 [24]
(leefvoorzieningen), 31 [32] (toekenning andere uitkeringen op aanvraag
of ambtshalve), 50 [51], eerste lid (regels met betrekking tot samenloop
van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van andere wetten), 58 [59]
(niet voor beslag vatbare
verstrekkingen) en 75 [76] (buiten toepassingverklaring
Algemene
termijnenwet).
Deels betreft het bepalingen die in de AAW verspreid waren
opgenomen, doch waarbij het overeenkomstige Wajong-artikel
(31 [32], 58 [59])
een gelijk regime regelt, deels gaat het om een Wajong-bepaling waarbij
de AAW omtrent het desbetreffende onderwerp geen duidelijke regel
schiep (artikel 31 [32]). Ten aanzien van artikel 75
[76] van de Wajong
kan worden
opgemerkt dat de inhoud van het overeenkomstige artikel 99 van de AAW
nog
wel relevant kan zijn met betrekking tot artikel 6, vierde lid, van de AAW,
reden waarom artikel 99 van de AAW
niet is opgenomen in het tweede
lid. Met betrekking tot het voorzieningenartikel kan het volgende worden
opgemerkt. Voor diegenen die onder het overgangsrecht vallen,
geldt dat zij op basis van de Wajong in aanmerking kunnen worden gebracht
voor voorzieningen strekkend tot behoud, herstel of bevordering
van de arbeidsgeschiktheid. Voor diegenen die reeds vóór
inwerkingtreding van deze wet
in aanmerking waren gebracht voor een (leef)voorziening die op basis van de Wajong niet langer verstrekt kan worden,
geldt dat zij deze voorzieningen kunnen behouden, door het van toepassing
blijven van artikel 57, tweede lid, onderdeel b en c, van de
AAW. Dat is
geregeld in artikel IV.
Tot slot kan met
betrekking tot de bepalingen inzake de bevoegde bedrijfsvereniging het volgende worden opgemerkt. Ten aanzien van alle
personen die onder het
regime van de Wajong komen te vallen is de Nieuwe Algemene
Bedrijfsvereniging (NAB) bevoegd. Dat geldt dus ook ten aanzien van diegenen
die vóór inwerkingtreding van deze wet hun AAW-uitkering van een
andere bedrijfsvereniging ontvingen. De overwegingen om de NAB integraal
bevoegd te doen zijn ten aanzien van zowel de oude als de nieuwe gevallen, alsmede de uitvoeringstechnische
implicaties daarvan, zijn
weergegeven in paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze toelichting. De
regeling die erin voorziet de NAB bevoegd te doen zijn, is vervat in het
tweede en vierde lid van dit artikel. In het tweede lid zijn de artikelen
32a,
derde lid, 39, 61, 62 en 63 van de AAW
niet langer van toepassing verklaard
en is in de plaats daarvan artikel 65 [66]
van de Wajong, regelende de NAB
als bevoegde bedrijfsvereniging, van toepassing verklaard.
§ 2. Overgangsrecht met
betrekking tot nieuwe rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel
XXV. Van
toepassing blijvende AAW-bepalingen
Het gaat bij de
beschermingsregeling zoals in dit artikel opgenomen om de situatie waarin
iemand niet meer op het AAW-regime kan terugvallen, maar
eventueel in een later stadium alsnog recht op uitkering op grond van de
Wajong verkrijgt. Ofschoon deze situatie zich slechts sporadisch zal voordoen,
is zij toch niet uitgesloten. Een persoon kan namelijk als
vroeggehandicapte recht op AAW-uitkering hebben gehad, vervolgens
arbeidsgeschikt zijn geworden, waardoor zijn AAW-uitkering eindigde, en meer dan
vijf jaar nadien als studerende rechthebbend worden voor de Wajong.
Alsdan blijft de werking van artikel 5, zoals dat vóór 1 augustus 1993
gold, in stand.
Op grond van het tweede
lid kan worden geregeld dat artikelen van de rblz.|57|
AAW zoals die enig
tijdstip voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet
luidden van
toepassing blijven op bepaalde categorieën personen. Het gaat
daarbij om een regeling voor nu nog niet te voorziene situaties ingeval de
toepassing van dit artikel onbedoelde gevolgen heeft.
§ 3. Overige
invoerings-
en overgangsbepalingen met betrekking tot de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel
XXVI.
AAW-uitkering basis voor vakantiebijslag
Deze bepaling is
gelijkluidend aan artikel XX. Zij is uitsluitend van belang voor de eerste
keer na inwerkingtreding van deze wet dat vakantiebijslag wordt
verstrekt aan uitkeringsgerechtigden. Met deze bepaling wordt bereikt
dat voor het recht op en de hoogte van de vakantie-uitkering de AAW-uitkering die vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet werd
betaald mede ten grondslag wordt gelegd aan de berekening van de
vakantie-uitkering die in de maand mei volgend op de datum van inwerkingtreding wordt gedaan.
Artikel
XXVII.
Toekenningsperiode Wajong-uitkering
Op grond van
artikel
XVIII van de Wet TBA is de voorlopige toekenningsperiode ten aanzien van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
gesteld op vijf jaar.
Deze regeling zal ook gelden voor personen op wie de Wajong
van toepassing is.
Daarin voorziet dit artikel.
Artikel
XXVIII.
AAW-verzekering en Wajong één verzekering
Deze bepaling voorziet
erin dat een verzekering die louter door intrekking van de AAW
eindigt en vervolgens zonder onderbreking wordt
voortgezet als
voorziening op grond van de Wajong wordt aangemerkt als
één doorlopende
verzekering. Deze bepaling is in tegenstelling tot artikel
XXII, dat een
soortgelijke bepaling bevat, niet zozeer van belang voor de toepassing van
artikel 2,
tweede lid, en 10 van de Wajong. Dit omdat de Wajong uitgaat van
arbeidsongeschiktheid die bestaat op een bepaalde dag. Dat is de dag waarop
betrokkene 17 jaar wordt, dan wel de dag waarop iemand studerende
is. Deze dag houdt dus geen verband met de aanvang van de Wajong.
Wel is deze bepaling van belang in verband met het dóórlopen van
wachttijdperioden. Een wachttijdperiode doorgemaakt vóór inwerkingtreding van
deze wet loopt aldus automatisch door onder het nieuwe regime.
Hoofdstuk 5. Wijziging
van verschillende wetten
Artikel
XXIX.
Organisatiewet sociale verzekeringen
A
In artikel 1 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) vervalt in verband met de intrekking
van de AAW
de definitie van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.
In het artikel worden definities opgenomen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten. Beide laatstgenoemde fondsen worden
afzonderlijk beheerd en geadministreerd door het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en afstemming. Tevens zijn de bovensectorale arbeidsongeschiktheidskas, die afzonderlijk beheerd en
geadministreerd door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, en de
sectorale arbeidsongeschiktheidskas, die afzonderlijk wordt beheerd en
geadministreerd door de bedrijfsvereniging, in het definitieartikel
opgenomen.
rblz.|58|
B
In artikel 17, eerste
lid, wordt het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds vervangen door twee
nieuwe centrale fondsen, te weten het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten. De sectorale arbeidsongeschiktheidskassen
worden, evenals de wachtgeldfondsen, op bedrijfstakniveau beheerd
en geadministreerd en worden daarom toegevoegd in artikel 17,
derde lid.
C
De voorgestelde
wijzigingen in artikel 18 hebben een louter technisch karakter.
D
De bedrijfsvereniging
heeft onder meer tot taak uitvoering te geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. De
WAO en de
WAZ moeten worden aangemerkt als "wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen". De Wajong is geen uit
premies gefinancierde verzekering, maar een rijksgefinancierde
voorziening. Die wet wordt daarom afzonderlijk in
artikel 56 opgenomen.
E
Dit artikel betrof de
toepassing van de Osv ten aanzien van het FAOP en de Minister van Defensie
voor zover zij de AAW
fictief uitvoerden. Dit artikel kan vervallen
vanwege de intrekking van de AAW, omdat die intrekking ook een einde
maakt aan de fictieve uitvoering van die
wet.
F
De verwijzing naar
artikel 68 dient te vervallen vanwege het in onderdeel A voorgestelde vervallen van dat artikel.
G, H,
I en J
Deze onderdelen betreffen
technische aanpassingen.
K
In het voorgestelde
artikel 100a wordt voorgeschreven dat de gegevens die zijn opgenomen in de
administraties van bedrijfsverenigingen uitsluitend mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor die gegevens
in die administraties
zijn opgenomen, tenzij bij of krachtens de wet gebruik voor een ander
doel is voorgeschreven of toegestaan. Deze doelbinding geldt zowel
voor de bedrijfsvereniging als voor de uitvoeringsinstelling die krachtens artikel 57
werkzaamheden voor de bedrijfsvereniging verricht.
L
De in dit onderdeel
voorgestelde bepaling bevat een technische aanpassing in verband met
de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid.
rblz.|59|
Artikel
XXX. Coördinatiewet Sociale Verzekering
In
artikel 9 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering vervalt het derde lid. Daarmee vervalt de
in dit artikellid geregelde "WAO-franchise".
Artikel
XXXI. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (wijziging artikel 3 van
de WAO) [zie
art. XXXII Inga, red.]
De wijziging van
artikel 3, eerste lid, van de WAO [zie
artikel 6,
eerste lid, onderdeel d, van de WAO, red.]
strekt ertoe de directeur-grootaandeelhouder (dga) onder de verplichte verzekering voor deze wet
te brengen. Deze
bestuurders worden op grond van de voorgestelde wijziging derhalve beschouwd als werknemer in de zin van de
WAO. In het algemeen deel
van deze memorie zijn de redenen voor deze wijziging uiteengezet.
In artikel 3, eerste lid,
van de WAO is het begrip "werknemer" gedefinieerd. Dit is de natuurlijke
persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat. Onder privaatrechtelijke dienstbetrekking moet
worden verstaan de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
(artikel 1637a van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek).
Bij gelegenheid van de
invoering van de WAO in 1967 heeft de wetgever beoogd te komen tot een
zo ver mogelijk doorgevoerde coördinatie tussen de Wet
op de loonbelasting 1964 enerzijds en de
sociale werknemersverzekeringen
anderzijds, waarbij aan het begrip "dienstbetrekking" dezelfde uitleg is
gegeven als door de Hoge Raad in zijn fiscale jurisprudentie. De Hoge
Raad acht het formeel aanwezig zijn van een arbeidsovereenkomst
voldoende voor het aannemen van een dienstbetrekking. De directeur van een
vennootschap, zijnde formeel ondergeschikt aan de algemene vergadering van aandeelhouders, valt in die
benaderingswijze ongeacht
de omvang van zijn aandelenbezit onder de verplichte verzekering
voor de ZW, WAO en de WW. De
Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich
geruime tijd aan deze uitleg geconformeerd.
Sinds de uitspraak van de
CRvB d.d. 4 oktober 1985, RSV 1986, nr. 21, wordt er echter voor de
toepassing van de werknemersverzekeringen van uitgegaan dat de arbeidsverhouding tussen een
directeur-grootaandeelhouder en een BV/NV in het algemeen niet als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan
worden aangemerkt en de dga mitsdien niet als
werknemer in de zin van de ZW, WAO en
WW. De CRvB acht de feitelijke en
niet de formele situatie doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag
of sprake is van een dienstbetrekking. De grootaandeelhouder heeft
de feitelijke macht in de algemene vergadering van aandeelhouders, zodat
de dga daaraan niet ondergeschikt is. Deze (materiële)
ondergeschiktheid beschouwt de CRvB als een essentieel kenmerk van een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het ontbreken van een reële gezagsverhouding leidt er volgens de jurisprudentie van de CRvB dus toe dat
geen sprake is van werknemerschap en van verplichte verzekering.
In de uitvoeringspraktijk
wordt aan de hand van een zestal richtlijnen, destijds opgesteld door
de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV), de (afwezigheid van) verzekeringsplicht van
directeur-grootaandeelhouders
vastgesteld.
Door de voorgestelde
wijziging van artikel 3 van de WAO [zie
artikel 6,
eerste lid, onderdeel d, van de WAO, red.] wordt deze jurisprudentie van de
CRvB voor wat betreft bestuurders van rechtspersonen derhalve in die zin opzij
gezet dat hun zeggenschap als aandeelhouder van de rechtspersoon
buiten beschouwing blijft. Het feit dat een dga materieel niet
ondergeschikt is aan de algemene vergadering van aandeelhouders is
derhalve geen belemmering meer voor het aannemen van een
arbeidsovereenkomst en van verzekeringsplicht voor de WAO.
rblz.|60|
De directeur-grootaandeelhouder wordt alléén onder de verplichte verzekering van de
WAO gebracht. De dga wordt derhalve niet verzekerd voor
de WW en de
ZW.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat aan de overige vereisten voor het bestaan van een
arbeidsovereenkomst uiteraard moet worden voldaan, zoals de
verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten, alsmede de verplichting
tot (daadwerkelijke) betaling van loon ter zake van de bedongen arbeid.
Indien daarover twijfel bestaat, rust op de bestuurder/aandeelhouder
de plicht om aan te tonen dat daar ook daadwerkelijk sprake van
is (geweest).
De beoordeling van de
verzekeringsplicht voor de WAO van de bij de rechtspersoon werkzame
echtgenoot of echtgenote van de dga, alsmede diens familieleden tot en
met de derde graad, blijft ongewijzigd. Ingevolge de eerder genoemde
FBV-richtlijnen wordt er voor deze personen in beginsel
verzekeringsplicht aangenomen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden
die ondergeschiktheid twijfelachtig maken. Alleen in het laatste
geval vindt er nader onderzoek plaats ten behoeve van de vaststelling van
de verzekeringsplicht.
Het huidige
artikel 98a WAO bevat
een speciale regeling voor personen die verplicht verzekerd worden voor deze wet. Deze regeling is van belang
voor bestuurders van rechtspersonen die op de voet van de voorgestelde wijziging verplicht
verzekerd worden. Degenen onder hen die een particuliere
arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten die naar aard en strekking
overeenkomt met de WAO kunnen deze verzekering eenzijdig opzeggen,
ongeacht hetgeen partijen op dit punt met elkaar zijn overeengekomen. De verzekering eindigt dan met ingang van
de dag waarop de verzekeraar de opzegging ontvangt, maar niet eerder dan de dag waarop de
verplichte verzekering aanvangt. Het spreekt voor zich dat de dga bij de
opzegging bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat hij bestuurder is van een
rechtspersoon, of anderszins van het verplicht verzekerd worden. (De
genoemde particuliere verzekering die naar aard en strekking overeenkomt
met de WAO dient overigens niet te worden verward met een eventuele
particuliere verzekering ter zake van het eigen risico dragen voor
de WAO. De dga die overweegt eigenrisicodrager te worden, kan er dus niet
van uitgaan dat eerstgenoemde particuliere verzekering
in zo’n geval (ongewijzigd) kan worden voortgezet).
Ingevolge artikel 98a,
tweede lid, WAO dient de verzekeraar de eventuele vooruitbetaalde
premie naar evenredigheid terug te betalen, onder aftrek van ten hoogste 25 procent administratiekosten.
Voor bestuurders van
rechtspersonen die een vrijwillige verzekering bij de bedrijfsvereniging
hebben afgesloten op grond van hoofdstuk VI van
de WAO geldt dat de
bedrijfsvereniging deze vrijwillige verzekering beëindigt met ingang
van de dag waarop men verplicht verzekerd wordt (artikel 83b
WAO).
Artikel
XXXII. Ziektewet
[zie art. XXXIV Inga,
red.]
A. [Zie art.
XXXIV, onderdeel C, Inga, red.]
De aanpassing van
artikel
29b, eerste lid, zoals ingevoerd bij de Wet
Amber, houdt verband met
de intrekking van de AAW
en de totstandkoming van de Pemba, de WAZ
en de Wajong.
rblz.|61|
B. [Zie art.
XXXIV, onderdeel I, Inga, red.]
De persoon die verzekerd
is op grond van de WAZ wordt uitgezonderd van het in
artikel 69,
tweede lid, toegekende recht op ziekengeld, omdat in de WAZ voor deze persoon
wordt voorzien in recht op uitkering in verband met bevalling.
Artikel
XXXIII.
Werkloosheidswet [zie
art. XXXV Inga, red.]
Zoals in
paragraaf
3.4.3.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Pemba is aangegeven, wordt de financiering
van de proefplaatsing ten laste gebracht van het Algemeen Werkloosheidsfonds. Deze
wijziging van artikel 93 van de WW voorziet daarin.
Artikel
XXXIV. Wet
financiering volksverzekeringen [zie
art.
XXXVI Inga, red.]
In verband met de
intrekking van de AAW
worden in de Wet financiering volksverzekeringen de
volgende wijzigingen aangebracht.
A en B.
[Zie art. XXXVI, onderdeel A en B, Inga, red.]
In de
artikelen 1 en 2
vervallen de definities van "algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering"
en "vrijwillige
algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering".
C. [Zie art.
XXXVI, onderdeel D, Inga, red.]
In
artikel 11 vervalt de
verplichting van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming tot vaststelling van het premiepercentage voor
de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering.
D, E en
F. [Zie art.
XXXVI, onderdeel F, G en H,
Inga, red.]
In
artikel 25 vervalt de
vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de
intrekking van de AAW. In verband daarmee vervallen ook in de artikelen 26 en
27 de bepalingen omtrent de vrijwillige
algemene arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
G. [Zie art.
XXXVI, onderdeel I, J en K,
Inga, red.]
De
artikelen 34, 35 en
37
betreffen het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds,
dat door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming afzonderlijk wordt beheerd en geadministreerd en dat deel uitmaakt van
dit instituut. Deze artikelen vervallen in verband met de intrekking van de
AAW. In hoofdstuk 2, artikel VIII, eerste lid, van deze wet
wordt de
overgang van vermogensbestanddelen van het AAf geregeld.
Artikel
XXXV.
Toeslagenwet [zie
art. XXXVII Inga, red.]
Met de voorgestelde
wijziging van artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Toeslagenwet wordt
bereikt dat de Toeslagenwet in voorkomend geval ook recht op toeslag zal
geven aan degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de WAZ of de Wajong.
rblz.|62|
Artikel
XXXVI. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
[zie art. XXXVIII Inga,
red.]
De
Ioaw blijft van
toepassing op degenen die op grond van artikel
2,
eerste lid, onderdeel c,
subonderdeel 4, (tevens) recht hebben op WAO-uitkering. Met de voorgestelde wijziging van
artikel 2, eerste lid,
onderdeel d, subonderdeel 2, wordt bereikt dat de Ioaw ook van toepassing wordt op
jonggehandicapten.
Artikel
XXXVII. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
[zie art. XXXIX Inga,
red.]
A en B.
[Zie art. XXXIX, onderdeel A en B, Inga, red.]
De in deze onderdelen
voorgestelde wijzigingen van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) vloeien voort uit
de intrekking van de AAW
en de invoering van de WAZ.
C. [Zie art.
XXXIX, onderdeel E, Inga, red.]
Aan
artikel 48, eerste
lid, onderdeel b, wordt de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegevoegd, omdat
die wet, anders dan de AAW, niet kan worden
aangemerkt als een volksverzekering.
Artikel
XXXVIII. Algemene
bijstandswet [zie
art. XL Inga, red.]
De in de onderdelen A en
C [zie artikel XL, onderdeel A en C,
Inga, red.]
voorgestelde wijzigingen van de Algemene bijstandswet vloeien
voort uit de intrekking van de AAW. De wijziging van artikel
2, onderdeel
b,
van de Algemene bijstandswet houdt verband met het feit dat op grond van
de Pemba de premie voor de WAO-verzekering geen
werknemerspremie meer is.
Artikel
XXXIX. Wet arbeid
gehandicapte werknemers [zie
art. XLI Inga, red.]
Onder A
[zie artikel XLI, onderdeel A, Inga, red.] zijn wijzigingen
opgenomen die noodzakelijk zijn in verband met de intrekking van de AAW
en de inwerkingtreding van de Pemba, de WAZ
en de Wajong.
Verder zijn in artikel 1 nog enkele redactionele wijzigingen aangebracht
die samenhangen met de Wet
privatisering ABP.
Zoals aangegeven in het
algemeen deel van deze toelichting wordt in deze wet
de mogelijkheid
opgenomen dat de bedrijfsvereniging ook voorzieningen kan
verstrekken aan personen die op grond van de WAO, de WAZ en de Wajong niet
in aanmerking kunnen komen voor voorzieningen. Met name kan worden
gedacht aan bijstandsgerechtigden met een arbeidshandicap en
niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidshandicap. Door te verwijzen naar de
ministeriële regeling, bedoeld in artikel 16, derde lid, worden
laatstgenoemde groepen onder het bereik van dit artikel gebracht.
Het in onderdeel B
[zie artikel XLI, onderdeel B, Inga, red.]
opgenomen artikel 16b is deels gelijkluidend aan artikel 58 van de
AAW.
Dit artikel voorziet in de mogelijkheid van compensatie indien een
persoon als gevolg van de toepassing van revalidatiemaatregelen op
grond van artikel 16a inkomsten derft. De toepassing van de
artikelen 16a en 16b heeft met name betrekking op personen die niet
verzekerd zijn op grond van de WAO, WAZ of Wajong.
De zinsnede "geen of
slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten en uit dien hoofde inkomsten
derft" heeft onder meer betrekking op personen die een scholing volgen
die niet met behoud van een uitkering op grond van de Algemene
bijstandswet kan worden gevolgd. Alsdan kunnen deze personen op grond van dit
artikel aanspraak maken op een toelage die rblz.|63|
overeenkomt met de
bijstandsuitkering die zij zouden hebben ontvangen indien zij niet de
desbetreffende scholing zouden hebben gevolgd. Bij verdere
beleidsontwikkelingen met betrekking tot scholing zal ernaar worden gestreefd
om tot
verdere afstemming te komen tussen uitvoerders.
Voorts is in het tweede
lid van artikel 16b geregeld dat de bedrijfsvereniging de bevoegdheid heeft om
tijdens de duur van een op grond van artikel 16a toegekende voorziening een vergoeding te verlenen wegens
kosten van onderhoud en
huisvesting.
Het derde lid van artikel 16b komt overeen met het derde lid van artikel 58
AAW.
Dit artikel kan ondermeer
van belang zijn in de situatie dat de door een betrokkene gevolgde
scholing niet wordt vergoed op grond van artikel 16a. In die situatie is
er immers geen inkomstenderving als gevolg van het treffen van een
voorziening op grond van artikel 16a. Alsdan kunnen er op grond van dit derde lid
toelagen en vergoedingen worden gegeven.
In onderdeel
C [vervallen, zie onderdeel B (oud), red.], artikel
16c, wordt de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging aangewezen als uitvoerder
van de artikelen 16a en 16b.
Artikel XL. Wet op de
ondernemingsraden [zie
art. XLII Inga, red.]
In artikel 25, eerste
lid, van de Wet
op de ondernemingsraden wordt een onderdeel k ingevoegd,
waarmee wordt bereikt dat de ondernemer verplicht is de
ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over elk door hem
voorgenomen besluit tot het dragen van eigen risico in de zin van de WAO. Deze wijziging is nader toegelicht in
paragraaf 3.12 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel Pemba.
In artikel 27, eerste lid, wordt in onderdeel b "een regeling met
betrekking tot een pensioenverzekering" vervangen door: een regeling met
betrekking tot een ouderdoms- of nabestaandenpensioenverzekering. Dit betekent dat de
ondernemer niet meer de instemming van de
ondernemingsraad zal behoeven ten aanzien van hem voorgenomen besluiten tot
vaststelling, wijziging of intrekking van een invaliditeitspensioenregeling.
Artikel
XLI.
Arbeidsomstandighedenwet [zie
art. XLIII Inga, red.]
Door de toevoeging van de
aanstellingskeuringen aan de onderwerpen waarbij een werkgever
zich moet laten bijstaan door een arbodienst, wordt bewerkstelligd dat,
indien de werkgever aanstellingskeuringen wil en mag laten verrichten,
deze worden uitgevoerd door een gecertificeerde deskundige dienst. Met
onderhavige wijziging wordt uitvoering gegeven aan een aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal gedane toezegging (Kamerstukken II 1995-1996,
24 439, nr. 6, blz. 63).
Artikel
XLII.
Ziekenfondswet [zie
art. XLIV Inga, red.]
Bij brief van 21 maart
1995 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de
Ziekenfondsraad gevraagd te adviseren over de consequenties voor de
sociale ziektekostenverzekeringen van de kabinetsvoornemens inzake
privatisering van de Ziektewet en invoering van marktwerking en
premiedifferentiatie bij de uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Op 22 juni 1995 heeft de
Ziekenfondsraad zijn advies (kenmerk VERZ/24428/95) hieromtrent uitgebracht.
Daar de wijziging van de
ZW neerkomt op een uitbreiding van de bestaande
loondoorbetalingsverplichting voor de werkgever tot één jaar en het
creëren van een
vangnetvoorziening op basis van de bestaande ZW, treden er geen
wijzigingen op in de kring van verzekerden ZW en rblz.|64|
vanwege de nauwe
samenhang daarmee ook niet in de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet.
De huidige
WAO wordt met
de AAW
voor werknemers geïntegreerd tot één arbeidsongeschiktheidsverzekering, de WAO. In verband met de intrekking van de AAW zou
zonder nadere regeling de ziekenfondsverzekering van AAW-gerechtigden met
een uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45% komen te vervallen. Overeenkomstig genoemd advies van de Ziekenfondsraad
is besloten de ziekenfondsverzekering
voor de desbetreffende categorie van personen te continueren. Daartoe
wordt in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Ziekenfondswet opgenomen
dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ
of op
grond van de Wajong, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste 45%, rechtsgrond voor verplichte ziekenfondsverzekering
vormt. In artikel XIII, vijfde lid, respectievelijk
artikel XXIV, vijfde lid,
van de wet worden de bestaande uitkeringsrechten op grond van de AAW voor
zelfstandigen respectievelijk jonggehandicapten omgezet
in uitkeringsrechten die in formele zin op de WAZ respectievelijk de
Wajong zijn gebaseerd. Voor de continuering van de ziekenfondsverzekering
van deze personen is als gevolg daarvan geen afzonderlijke regeling
vereist.
De
WAZ voorziet, anders
dan de AAW, ook in een uitkering in verband met bevalling voor de
vrouwelijke zelfstandige, beroepsbeoefenaar en meewerkende echtgenoot.
Het ontvangen van deze uitkering vormt eveneens rechtsgrond voor
verplichte ziekenfondsverzekering, voor zover betrokkene op de dag
voorafgaande aan de dag waarop het recht op die uitkering ingaat reeds
ziekenfondsverzekerde was (onderdeel A [zie
artikel XLIV, onderdeel A, Inga, red.]).
In artikel 4, tweede lid,
onderdeel d, van de Ziekenfondswet wordt de aldaar vermelde
verwijzing naar de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet vervangen door een
verwijzing naar de daarvoor in de plaats komende wettelijke regelingen, te
weten de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(onderdeel B [zie artikel
XLIV, onderdeel B, Inga, red.]).
Artikel
XLIII. Wet op de
toegang tot ziektekostenverzekeringen [zie
art. XLV Inga, red.]
In artikel 16, tweede
lid, onderdeel a, van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen
(Wtz) wordt de verwijzing naar de AAW
vervangen door een
verwijzing naar een hiervoor in de plaats komende wettelijke regeling, te
weten de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
In de praktijk is
gebleken dat het vigerende artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de
Wtz, waarin de
uitzondering is geregeld van deelnemers aan een publiekrechtelijke
regeling die recht krijgen op een AAW-uitkering, en de publiekrechtelijke
ziektekostenregelingen voor ambtenaren niet goed op elkaar aansluiten als
het gaat om de positie van vroeggehandicapte gezinsleden. Deze
gezinsleden hebben bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd op eigen titel
recht op een AAW-uitkering en kunnen daarom in verband met het ontvangen
van een eigen inkomen niet langer als gezinslid aan die
publiekrechtelijke ziektekostenregelingen deelnemen. Evenwel worden zij, nu
zij op de dag voorafgaande aan de toekenning van de AAW-uitkering als
gezinslid deelnamen aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor
ambtenaren, op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de
Wtz
ook uitgesloten van ziekenfondsverzekering. Van deze gelegenheid wordt
gebruik gemaakt om overeenkomstig het door de Ziekenfondsraad
uitgebrachte advies van 23 maart 1995 (uitgave Ziekenfondsraad nr.
1995/660c) vorenbedoelde vroeggehandicapten niet langer van de
ziekenfondsverzekering uit te sluiten. Dit wordt bereikt door in bovengenoemde bepaling
alleen te verwijzen naar de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering rblz.|65|
zelfstandigen en niet tevens te verwijzen naar de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, welke wettelijke regeling
eveneens wordt getroffen ter vervanging van de AAW.
Artikel
XLIV. Wet op de
inkomstenbelasting 1964 [zie
art. XLVI Inga, red.]
In dit artikel is een
aantal wijzigingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 opgenomen teneinde
te komen tot de gewenste fiscale behandeling van premies
en uitkeringen op grond van de WAZ. Deze behandeling komt
erop
neer dat de premies aftrekbaar zijn als persoonlijke verplichtingen en dat de
uitkeringen in aanmerking worden genomen als periodieke
uitkeringen van publiekrechtelijke aard als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel
a. Teneinde te voorkomen dat deze premies en uitkeringen in de winst-
of inkomstensfeer in de heffing zouden worden betrokken en daardoor de
premiegrondslag voor de WAZ zouden beïnvloeden, zijn
hiervoor uitsluitingsbepalingen opgenomen.
Het voorgaande is wat
betreft de premieaftrek vormgegeven in de onderdelen C, E en F [zie
artikel XLVI, onderdeel C, E
en G, Inga, red.]. In
het in onderdeel C [zie artikel XLVI, onderdeel C, Inga, red.]
voorgestelde artikel 8a, eerste lid, onderdeel
d, wordt
uitdrukkelijk bepaald dat premies op grond van de WAZ bij de bepaling van
winst niet in aftrek komen; in het in onderdeel E [zie
artikel XLVI, onderdeel E, Inga, red.] voorgestelde artikel 36,
eerste lid, onderdeel o, dat dergelijke premies niet tot de aftrekbare kosten
behoren. Ingevolge het in onderdeel F [zie
artikel XLVI, onderdeel G, Inga, red.] voorgestelde artikel 45, eerste lid,
onderdeel j, komen de premies wel in aftrek als persoonlijke
verplichtingen. De als persoonlijke verplichtingen in aftrek te brengen premies behoren
ingevolge de in onderdeel A [zie
artikel XLVI, onderdeel A, Inga, red.] voorgestelde wijziging van artikel 5 verder tot de persoonlijke verminderingen en
vermeerderingen van het
onzuivere inkomen, waardoor de premies in aanmerking worden genomen
bij de echtgenoot van wie ze zijn geheven. Genoten teruggaven van
WAZ-premies worden in aanmerking genomen als negatieve
persoonlijke verplichtingen.
In de toelichting op
artikel 90 van de WAZ is opgemerkt dat de premievervangende inkomstenbelasting die
wordt geheven van gemoedsbezwaarden voor
onder meer de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan worden beschouwd als
premie op grond van de WAZ. Dit houdt in dat deze premievervangende
belasting in de inkomstenbelasting op eenzelfde wijze wordt behandeld als
premies ingevolge de WAZ. Bij buitenlandse belastingplichtigen
worden de WAZ-premies als persoonlijke verplichtingen in aanmerking genomen op
de voet van het voorgestelde artikel 48, derde lid, onderdeel b,
van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (onderdeel G [zie
artikel XLVI, onderdeel I, Inga, red.]).
Met betrekking tot
WAZ-uitkeringen wordt in het in onderdeel B [zie
artikel XLVI, onderdeel B, Inga, red.] voorgestelde artikel 8,
eerste lid, onderdeel h, uitdrukkelijk bepaald dat deze niet tot de winst
behoren. De Wet op de inkomstenbelasting 1964 is verder zodanig vormgegeven dat indien een inkomensbestanddeel onder meer dan
één inkomstenbron kan worden gerangschikt, deze behoort tot de bron die het eerste is
genoemd; de zogenoemde rangorderegeling. Deze rangorderegeling
houdt eveneens in dat uitkeringen die in de winstsfeer zijn
vrijgesteld, tenzij uitdrukkelijk anders geregeld, ook niet bij een later in die wet
genoemde inkomstenbron in aanmerking kunnen worden genomen.
WAZ-uitkeringen behoren derhalve ook niet tot de inkomsten uit andere
arbeid als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b.
In het in onderdeel D [zie
artikel XLVI, onderdeel D, Inga, red.] voorgestelde artikel 30a, derde lid, wordt genoemde rangorderegeling
evenwel uitdrukkelijk doorbroken. In dit lid wordt bepaald dat
WAZ-uitkeringen in afwijking in zoverre van de aanhef van artikel 30, eerste
lid, - waar de rangorderegeling is neergelegd - steeds behoren tot de in
artikel 30, eerste lid, onderdeel a, bedoelde inkomsten in de vorm van
bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke van
publiekrechtelijke aard zijn. WAZ-uitkeringen genoten door de verzekerde die
buitenlands belastingplichtige is, worden in de rblz.|66|
heffing betrokken op de
voet van het bestaande artikel 49, eerste lid, onderdeel b, onder
6º,
van de wet.
De uitkeringen op grond
van de WAZ zullen verder, ter vergemakkelijking van de belastingheffing,
bij algemene maatregel van bestuur worden opgenomen in het
op artikel 34 van de Wet
op de loonbelasting 1964 gebaseerde artikel
11 van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965. Hiermee wordt bereikt dat
over de uitkeringen loonheffing kan worden geheven. Ingevolge het
tweede lid van genoemd artikel 11 worden de WAZ-uitkeringen alsdan
aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
Artikel
XLV. Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP [zie
art. XLVII Inga, red.]
Dit artikel bevat een
aantal wijzigingen van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP), zoals deze wet luidt na invoering van de Pemba. Artikel
21, tweede lid, van de Wet
FVP/ABP dient te worden aangepast in
verband met het vervallen van de (fictieve uitvoering van de) AAW
in het kader
van de Pemba (onderdeel A).
Het oude artikel 23 van
de Wet
FVP/ABP is redactioneel gesplitst over de voorgestelde nieuwe
artikelen 21a en 21c van die
wet. De tekst is tevens aangepast in verband met
de scheiding tussen oude en nieuwe gevallen in het kader van Pemba.
Uitsluitend de nieuwe gevallen komen nog ten laste van het FAOP.
Inhoudelijk is verder geen wijziging beoogd ten opzichte van artikel 23
oud. Artikel 21c nieuw is verder ontleend aan het in Pemba voorgestelde nieuwe
artikel 76e van de WAO betreffende de sectorale kas (onderdeel
B).
De in onderdeel C
neergelegde vervanging van de artikelen 23 tot en met 26 (oud) van de Wet
FVP/ABP door de artikelen 23 tot en met 26a (nieuw) volgt uit de
splitsing van de huidige invaliditeitspremie in twee componenten: de aan het
Aof verschuldigde basispremie voor de oude gevallen WAO
en de aan
het FAOP zelf toekomende sectorale premie voor de nieuwe gevallen. Beide
premies zijn verschuldigd door de overheidswerkgevers. De basispremie en het ter
zake geldende percentage worden vastgesteld volgens de in
artikel 77 e.v. van de WAO vastgelegde procedures en regels.
Uitsluitend het deel van de sectorale premie en het ter zake geldende
percentage worden nog vastgesteld volgens de in de Wet
FVP/ABP vastgelegde
procedures en regels. De heffingsgrondslag voor de aan het FAOP
verschuldigde premie (inclusief het deel basispremie) wordt inhoudelijk niet
gewijzigd in
dit voorstel. Zo is het oude artikel 25 materieel
gehandhaafd als nieuw artikel 26a, tweede en derde lid. In artikel 24, derde
tot en met achtste lid, (nieuw) is het oude artikel 26 materieel gehandhaafd.
Het oude artikel 24 is materieel zoveel mogelijk gehandhaafd als het
nieuwe artikel 26, eerste en tweede lid.
Artikel 29, tweede lid,
van de Wet
FVP/ABP (oud) betrof de toepassing van de franchise in de
werknemerspremie WAO ten aanzien van de inhouding inzake
arbeidsongeschiktheid (artikel 30). De bedoelde franchise komt te
vervallen bij invoering van de Pemba en derhalve dient ook artikel 29,
tweede lid, te vervallen (onderdeel D).
De inhouding ter zake van
arbeidsongeschiktheid op het loon van de overheidswerknemers,
bedoeld in artikel 30 van de Wet
FVP/ABP, is beleidsmatig gekoppeld
aan de werknemerspremie WAO. Aangezien de werknemerspremie WAO
wordt afgeschaft bij de Pemba en die wet verder een in de WAO
opgenomen verbod inhoudt voor werkgevers om de door hen aan het Aof
en de sectorale kassen verschuldigde premies te verhalen op hun
werknemers, dient de inhouding van artikel 30 eveneens te vervallen (onderdeel
E).
rblz.|67|
Artikel 49, tweede lid,
onderdeel b, is aangepast in verband met het feit dat het onderdeel
basispremie van de invaliditeitspremie niet meer door het FAOP wordt
vastgesteld, maar door het Tica. Het premievoorstel van het FAOP waarover
overeenstemming bereikt moet worden met de Minister van Binnenlandse
Zaken en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid betreft uitsluitend het
onderdeel sectorale premie, bedoeld in het voorgestelde nieuwe
artikel 23, eerste lid, onderdeel a.
Artikel
XLVI. Wet
privatisering ABP [zie
art. XLVIII Inga, red.]
Het eerste lid van
artikel 32 WPA wordt gewijzigd omdat ook de artikelen 88a
en 88b van de WAO
in het kader van de WAO-conforme
regeling op
overeenkomstige wijze dienen te worden toegepast als onderdeel van die
regeling. De aangehaalde artikelen worden in de WAO ingevoegd bij de Pemba.
De wijziging van artikel
33, eerste lid, WPA
is een redactionele als gevolg van de
Pemba.
De voorzieningen c.a. voor werknemers worden bij de Pemba
vanuit de AAW
naar de WAO verplaatst. Op basis van artikel 32,
eerste lid, WPA zijn de (nieuwe) artikelen 65,
65a en 65b
van de WAO
van
overeenkomstige toepassing. De AAW wordt op grond van artikel II van
dit wetsvoorstel ingetrokken en derhalve dient ook in artikel 33 van de
WPA de verwijzing naar de AAW te worden geschrapt.
De wijzigingen van de
artikelen 32, 46, eerste lid, en 63 vloeien voort uit de voorgestelde intrekking van de AAW.
Artikel
XLVII.
Voorzieningen op grond van Wet privatisering ABP [zie
art. XLIX Inga, red.]
Deze wijziging betreft
overgangsrecht in het kader van de WAO-conforme regeling in verband met de voorgestelde vervanging van
de zogenaamde AAW-conforme voorzieningen door de WAO-conforme voorzieningen. De
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die per 1 januari 1996 in
aanmerking is gebracht voor een AAW-conforme voorziening op grond van
artikel 38 WPA, wordt ingevolge deze bepaling vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet in aanmerking gebracht voor een
WAO-conforme voorziening op grond van artikel 32, eerste lid, WPA. Dit uiteraard voor zover de duur van de AAW-conforme
voorziening niet op die
datum eindigt of reeds eerder is geëindigd.
Artikel
XLVIII. Algemene
militaire pensioenwet [zie
art. LI Inga, red.]
In artikel X 5 van de
Algemene militaire pensioenwet is de bevoegdheid van de Minister van
Defensie neergelegd om met overeenkomstige toepassing van de
desbetreffende bepalingen van de AAW
voorzieningen toe te kennen aan het
(gewezen) militair personeel. Nu de AAW wordt ingetrokken en de
bevoegdheid tot toekenning van voorzieningen in de WAO
is neergelegd, dient
artikel X 5 te worden aangepast. In het voorgestelde nieuwe
eerste lid van artikel X 5 worden de desbetreffende bepalingen van de WAO van
overeenkomstige toepassing verklaard. Het betreft dus een wijziging
van technische aard.
De in onderdeel B
neergelegde wijziging van artikel X 6 is van puur technische aard en houdt
verband met de toevoeging van een drietal paragrafen aan hoofdstuk IIa
van de
WAO.
Artikel
XLIX. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen [zie
art. LII Inga, red.]
Door het intrekken van de AAW
dient voor het gewezen dienstplichtig militair personeel de
mogelijkheid om voorzieningen te kunnen treffen te worden neergelegd in de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen. Daarom wordt
aan het eerste lid van artikel 5 toegevoegd dat hoofdstuk IIa
van de WAO
van overeenkomstige toepassing is.
rblz.|68|
Artikel L. Burgerlijk
Wetboek [zie
art. LIII Inga, red.]
Na de invoering van de
Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) is de vraag opgekomen of een werkgever ter financiering
van zijn
loondoorbetalingsplicht bij ziekte een bedrag kan inhouden op het loon van de werknemer, al
dan niet via fondsvorming als bedoeld in het huidige artikel 7a:1637s,
tweede lid, van het Burgerlijk
Wetboek. Deze vraag moet ontkennend
worden beantwoord. Ingevolge artikel 1638c, eerste lid, BW
rust op
de werkgever de verplichting bij ziekte ten minste 70% van het loon door te
betalen. Deze bepaling is van dwingend recht. Afwijking hiervan in voor
de werknemer ongunstige zin is niet toegestaan, behoudens de in het
achtste lid opgenomen mogelijkheid dat twee wachtdagen kunnen worden
overeengekomen. Het wordt daarnaast onwenselijk geacht dat de
werknemer op enigerlei wijze financieel bijdraagt in de
loondoorbetaling bij ziekte; met de Wulbz wordt immers beoogd dit risico
volledig bij de werkgever te leggen.
Het vorenstaande geldt in
gelijke zin ten aanzien van het in het wetsvoorstel Pemba
geïntroduceerde eigen risico dragen voor de
WAO.
Het nieuwe artikel 75 WAO bepaalt dat op de werkgever/eigenrisicodrager de verplichting rust
gedurende vijf jaren de uitkering te betalen. Het is niet de
bedoeling dat de werknemer daaraan direct of indirect bijdraagt,
ongeacht of de werkgever een particuliere verzekering heeft gesloten.
Teneinde op dit punt
volstrekte duidelijkheid te scheppen, is dit in de artikelen 629 en 631 van
het Burgerlijk
Wetboek, zoals deze artikelen komen te luiden na inwerkingtreding van de vaststelling van titel 7.10, met
zoveel woorden bepaald.
Het nieuwe artikel 629 BW
bevat de regeling inzake loondoorbetaling bij ziekte van de werknemer
(thans is deze materie nog geregeld in artikel 1638c). De voorgestelde eerste zin van het vierde lid van artikel 629
bepaalt - voor zover
hier van belang - dat het door de werkgever bij ziekte door te betalen loon
alleen wordt verminderd met uitkeringen uit een fonds waaraan de
werknemer niet heeft bijgedragen. Ingevolge het achtste lid van artikel
629 kan hiervan niet worden afgeweken.
Het verbod van gedwongen
loonbesteding (artikel 1637s BW) wordt met de vaststelling van titel
7.10 neergelegd in artikel 631 (tweede lid). Een dergelijk beding is
nietig. Van dit verbod is onder meer uitgezonderd het beding waarbij de
werknemer zich verbindt deel te nemen aan enig fonds, mits dat fonds voldoet
aan de voorwaarden bij algemene maatregel van bestuur gesteld (derde
lid, onderdeel c). Aan dit derde lid wordt een zin toegevoegd die inhoudt
dat daaronder niet verstaan wordt een fonds dat tot doel heeft het doen
van uitkeringen die verband houden met de wettelijke plicht tot loondoorbetaling tijdens ziekte of met wettelijke plicht
tot betaling van
WAO-uitkering in geval van eigen risico dragen. De werknemer kan zich dus
niet verbinden deel te nemen in een fonds met een dergelijke
doelstelling. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de voorgestelde wijziging
uiteraard niet ziet op bovenwettelijke arbeidsvoorwaardelijke afspraken.
Deze wijzigingen van het Burgerlijk
Wetboek strekken er dus toe buiten twijfel te stellen dat op
het loon van de werknemer geen inhoudingen mogelijk zijn ter zake van
de wettelijke loondoorbetalingsplicht bij ziekte of van de wettelijke
plicht tot betaling van WAO-uitkering uit hoofde van het eigen risico
dragen.
Deze verplichtingen rusten op de werkgever en deze kan niet met zijn
werknemers overeenkomen dat zij daaraan op enigerlei wijze
bijdragen.
rblz.|69|
Hoofdstuk 6.
Slotbepalingen
Artikel LI.
Inwerkingtreding
[zie art. LVII Inga, red.]
Dit artikel regelt de
inwerkingtreding van deze wet, die zo nodig gefaseerd kan plaatsvinden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
rblz.|70|
BIJLAGE
1
Overzicht van
AAW-bepalingen die niet langer van toepassing blijven en overeenkomstige
bepalingen van de WAZ en de Wajong die vanaf inwerkingtreding van die
wetten zullen gelden voor de betrokken groepen
| AAW-artikel |
WAZ-artikel
|
Wajong-artikel
|
Onderwerp
|
| 3a |
93 |
67 |
Begrip
belanghebbende |
| 10,
tweede, vijfde, zevende en achtste lid |
8,
zesde, zevende en achtste lid |
7 |
Grondslag(herziening) |
| 12 |
9 |
8 |
Percentage
ao-uitkering |
| 13 |
10 |
9 |
Verhoging
ao-uitkering |
| 14 |
40 |
32 |
Oproep/onderzoek
bedrijfsvereniging |
| 15 |
42 |
34 |
Voorschriften
med./adm. aard |
| 16 |
44 |
36 |
Gevolgen
weigeren onderzoek |
| 17 |
41 |
33 |
Vergoeding
kosten |
| 18 |
43 |
35 |
Controlevoorschriften |
| 19 |
45 |
37 |
Niet-naleving
voorschriften |
| 20 |
46 |
38 |
Afstemming
maatregel/gedraging |
| 20a |
47 |
39 |
Boete
i.v.m. inlichtingenverplichting |
| 20b |
48 |
40 |
Voorschriften
voornemen boete |
| 20c |
49 |
41 |
Voorschriften
boetebesluit |
| 20d |
50 |
42 |
Niet-oplegging
van boete |
| 20e |
51 |
43 |
Termijnstelling
van boete |
| 20f |
52 |
44 |
Afwijking
8:69
Awb |
| 20g |
53 |
45 |
Boetebesluit
executoriale titel |
| 25 |
35 |
28 |
Ingangsdatum
uitkering |
| 26a |
18;
30 |
16;
24 |
Overige
gronden herziening/intrekking |
| 27 |
13 |
12 |
Herziening bij minder
dan 45% ao |
| 28 |
14 |
13 |
Herziening bij 45% ao
of meer |
| 29 |
15 |
14 |
Herziening
uitkering
zonder wachttijd |
| 29a |
16 |
15 |
Herziening toename
ao binnen 5 jaar |
| 30 |
36,
eerste en tweede lid |
29,
eerste en tweede lid |
Herziening,
aanvraag/ambtshalve |
| 31 |
37 |
30 |
Ingang
herziening/heropening |
| 32 |
19;
12,
vijfde lid |
17;
11,
vijfde lid |
Einde ao-uitkering |
| 32a |
20;
84 |
18;
65 |
Toekenning binnen 5 jaar |
| 33 |
57 |
49 |
Inkomsten uit
arbeid |
| 37 |
21;
36,
derde lid |
19;
29,
derde lid |
Heropening van de uitkering |
| 39 |
85 |
65 |
Bevoegde
bedrijfsvereniging bij
heropening |
| 40 |
19 |
17 |
Einde
ao-uitkering |
| 41 |
54 |
46 |
Betaalbaarstelling |
| 41a |
55 |
47 |
Vereveningsbijdrage |
| 43 |
58,
negende lid |
50,
vierde lid |
Samenloop met
ao-uitkering |
| 44 |
60;
26 |
52;
22 |
Overlijdensuitkering |
| 45 |
56 |
48 |
Betaling aan
instellingen |
| 47 |
61 |
53 |
Verjaringstermijn |
| 48 |
62 |
54 |
Terugvordering |
| 48a |
63 |
55 |
Besluit als
executoriale titel |
| 48b |
64 |
56 |
Nadere regels
terugvordering |
| 50 |
65 |
57 |
Onvervreemdbaarheid |
| 52 |
24;
26 |
20;
22 |
Recht op
vakantie-uitkering |
| 53 |
25;
59 |
21;
51 |
Hoogte,
betaling vakantie-uitkering |
| 55 |
59,
tweede lid |
51,
tweede lid |
Betaling
vakantie-uitkering |
| 56 |
59,
eerste lid |
51,
eerste lid |
Betaling
vakantie-uitkering |
| 57
(excl. tweede lid, onderdeel a) |
29 |
23 |
Voorzieningen |
| 58 |
31 |
25 |
Toelage en
vergoeding |
| 59b |
27 |
--- |
Inkomenssuppletie |
| 61 |
81 |
65 |
Bevoegde
bedrijfsvereniging |
| 62 |
83 |
65 |
Bevoegde
bedrijfsvereniging bij
herziening |
| 63 |
86 |
65 |
Bevoegde
bedrijfsvereniging bij reïntegratiemaatregel |
| 65 |
32 |
26 |
Melding
gedurende wachttijd |
| 78 |
69 |
61 |
Inlichtingenverplichting |
| 86 |
98 |
72 |
Strafbepaling |
| 87 |
99 |
73 |
Verval recht
strafvordering |
| 88 |
100 |
74 |
Overtredingen |
| xxxxxxxxxxxxxx |
xxxxxxxxxxx |
xxxxxxxxxxxxx |
x |
|