|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Besluit overgangsregels werkloosheidswetten stelselherziening sociale
zekerheid (vervallen)
- Besluit voorschriften inzake aanspraken bij
werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene
burgerlijke pensioenwet (vervallen)
-
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid (vervallen)
- Regeling ex artikel 48, vierde lid, Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid (vervallen)
- Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf
- SZW-intrekkingsregeling
2004
Relevante
overige regelgeving:
- Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
- Werkloosheidswet
Inhoudsopgave
IWS
| Hoofdstuk
I |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 1a |
| Hoofdstuk
II |
De
werkloosheidswetten |
artt.
2 - 38 |
| Afdeling
Ix |
Algemene bepalingen |
artt.
2 - 9 |
| Afdeling
IIx |
De personenkring |
art.
10 |
| Afdeling
IIIx |
De voorwaarden voor het
recht op uitkering |
artt.
11 - 12 |
| Afdeling
IVx |
Het geldend maken van het
recht op uitkering |
artt.
13 - 15 |
| Afdeling
Vx |
De betaling van de
uitkering |
art.
16 |
| Afdeling
VIx |
De duur van de uitkering |
artt.
17 - 21 |
| Afdeling
VIIx |
De hoogte van de
uitkering |
artt.
22 - 24 |
| Afdeling
VIIIx |
Toekenning
loonsuppletie bij werkaanvaarding tegen lager loon (vervallen) |
art.
25 |
| Afdeling
IXx |
De vrijwillige
verzekering van uitkeringen bij werkloosheid |
artt.
26 - 30 |
| Afdeling
Xx |
De uitvoeringsinstanties |
artt.
31 - 32 |
| Afdeling
XIx |
Wijziging van de Wet
Werkloosheidsvoorziening |
art.
33 |
| Afdeling
XIIx |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
34 - 38 |
|
Hoofdstuk III
|
De
arbeidsongeschiktheidswetten |
artt.
39 - 59 |
| Afdeling
Ix |
Wijzigingen van wetten |
artt.
39 - 42 |
| Afdeling
IIx |
Overgangsbepalingen |
artt.
43 - 50 |
| Afdeling
IIIx |
Aanvullende uitkeringen |
artt.
51 - 59 |
|
Hoofdstuk IV
|
De
Ziektewet |
artt.
60 - 64a |
| Afdeling
Ix |
Wijzigingen van de
wet |
artt.
60 - 61 |
| Afdeling
IIx |
Overgangsbepalingen |
artt.
62 - 64a |
|
Hoofdstuk V
|
De
Organisatiewet Sociale Verzekering |
artt.
65 - 67 |
| Afdeling
Ix |
Wijzigingen van de wet |
art.
65 |
| Afdeling
IIx |
Overgangsbepalingen |
artt.
66 - 67 |
| Hoofdstuk
VI |
De
Coördinatiewet Sociale Verzekering |
art.
68 |
| Hoofdstuk
VII |
De
Algemene Bijstandswet |
art.
69 - 72 |
| Afdeling
Ix |
Wijziging van de wet |
art.
69 |
| Afdeling
IIx |
Wijziging van het
Bijstandsbesluit landelijke normering |
art.
70 |
| Afdeling
IIIx |
Wijziging van het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria |
art.
71 |
| Afdeling
IVx |
Wijziging van het
Bijstandsbesluit krediethypotheek |
art.
72 |
| Hoofdstuk
VIII |
Overige
wetten |
artt.
73 - 77a |
| Hoofdstuk
IX |
Slotbepalingen |
artt.
78 - 82 |
| xxxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxx |
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1985-1986, 1986-1987,
19 606.
Handelingen II 1986-1987, blz.
408-419, 559.
Kamerstukken I 1986-1987, 19 606 (41,
41a, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1986-1987, zie
vergadering d.d. 4 november 1986.
Geschiedenis:
Staatsblad
1995, 200; Staatscourant 1995,
248; Staatsblad 1995, 691;
Staatscourant 1996, 43; Staatscourant
1996, 134; Staatscourant 1996,
247; Staatsblad 1996, 665;
Staatsblad 1997, 96; Staatsblad 1997,
162; Staatscourant 1997, 118;
Staatscourant 1997, 244; Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 768;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1997,
794; Staatsblad 1998, 205;
Staatscourant 1998, 244; Staatsblad 1998,
742; Staatscourant 1999, 132;
Staatscourant 1999, 242; Staatscourant
2000, 113; Staatscourant 2000,
228; Staatsblad 2000, 571;
Staatsblad 2000, 627; Staatscourant
2001, 120; Staatsblad 2001,
625; Staatscourant 2001, 248;
Staatscourant 2002, 115; Staatscourant 2002,
245; Staatscourant 2003, 54;
Staatscourant 2003, 119; Staatscourant
2003, 249; Staatscourant 2004,
57; Staatscourant. 2004, 120;
Staatsblad 2004, 311; Staatsblad 2004, 363;
Staatscourant 2004, 244; Staatsblad
2005, 192; Staatscourant
2005, 63; Staatsblad
2005, 573; Staatscourant
2005, 245; Staatsblad 2006, 167;
Staatscourant 2006, 125; Staatsblad
2006, 703; Staatscourant 2007,
35; Staatscourant 2007, 120;
Staatsblad 2007, 302; Staatscourant
2007, 247.
WET
van 6 november 1986, Stb. 1986, 567, houdende intrekking van de
Werkloosheidswet, invoering van een nieuwe Werkloosheidswet en een
aantal andere wetten, alsmede de in het kader van die intrekking en
invoering te treffen overgangsregelingen en de daarmee verband houdende
wijzigingen van een aantal wetten en regelingen (Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid). Inwerkingtreding: 1 januari
1987 (Stb. 1986, 597).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is regels te stellen met betrekking tot de intrekking van de Werkloosheidswet,
de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet,
de Toeslagenwet,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet, houdende nadere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling in verband met
verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid), de Wet, houdende
wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet-gehuwde
personen met gehuwden en de Wet, houdende wijziging van de Algemene
Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of
echtgenoten), alsmede regels te stellen met betrekking tot het in het
kader van die intrekking en invoering noodzakelijke overgangsrecht, en
voorts een aantal wetten en regelingen in verband daarmee aan te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 660 + bis; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Werkloosheidswet:
de Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) zoals die wet luidde op de
dag voorafgaande aan die
waarop de nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt;
c. Wet
Werkloosheidsvoorziening: de Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb.
1964, 485) zoals die wet
luidde op de dag voorafgaande aan die waarop
deze wet in werking treedt;
d. nieuwe Werkloosheidswet:
het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot verzekering van
werknemers tegen geldelijke gevolgen van werkloosheid (Kamerstukken II
1985-1986, 19 261), zoals dat tot wet
wordt verheven;
e. Toeslagenwet:
het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot verlening van
toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan uitkeringsgerechtigden
op grond van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen die één of meer personen
tot hun financiële last hebben (Kamerstukken II
1985-1986, 19 257), zoals dat tot wet wordt verheven;
f. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot het
treffen van een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers van
wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
is geëindigd
(Kamerstukken II 1985-1986, 19 260), zoals dat tot wet wordt verheven;
g. Wijzigingswet AAW/WAO: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober
1985 ingediende voorstel van wet
tot nadere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Kamerstukken II 1985-1986, 19 256), zoals dat tot wet wordt
verheven;
h. Wijzigingswet ABW: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Algemene Bijstandswet met betrekking tot de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen en gelijkstelling van niet-gehuwde
personen met gehuwden
(Kamerstukken II 1985-1986, 19 259), zoals dat tot wet wordt verheven;
i. Wijzigingswet AOW: het bij koninklijke boodschap van 17 oktober 1985 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Algemene
Ouderdomswet (gelijkstelling niet-gehuwde personen met gehuwden of
echtgenoten)
(Kamerstukken II 1985-1986, 19 258), zoals dat tot wet wordt verheven;
j. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
k. gemeentebestuur: burgemeester en wethouders.
-2. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen
besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde
partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
Art. 1a. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
2000, 627; Stb. 2007, 302]
HOOFDSTUK
II
De
werkloosheidswetten
AFDELING
I
Algemene bepalingen
Art.
2.
[Intrekking WW-oud]
[Geschiedenis;
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De Werkloosheidswet
wordt ingetrokken.
-2. De Werkloosheidswet
en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing op de rechten,
bevoegdheden en verplichtingen over tijdvakken gelegen vóór de dag
waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt, voor zover in deze wet of de daarop berustende
bepalingen niet anders is bepaald.
Art.
3.
[Geen nieuw recht op WWV-uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. Vanaf de dag waarop de
nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt, ontstaat geen nieuw recht op uitkering op grond van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de artikelen
9, eerste lid, 10
en hoofdstuk IIIa van die
wet.
-2. Aanvragen om uitkering op
grond van de Wet Werkloosheidsvoorziening ter zake van rechten ontstaan
vóór de in het eerste lid bedoelde dag kunnen slechts leiden tot
toekenning van uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening als bedoeld in de artikelen
9, eerste lid, 10
en hoofdstuk IIIa van die
wet indien deze aanvragen zijn ingediend vóór de
eerste dag van de zevende maand na de inwerkingtreding van de wet
waarmee dit lid werd toegevoegd aan deze wet.
Art.
4.
[Overgangsrecht WW-oud inzake oude
uitkeringsrechten]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
-1. De Werkloosheidswet
en de daarop berustende bepalingen blijven van toepassing ten aanzien
van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
had, zolang hij niet de maximumuitkeringsduur op grond van die wet
heeft bereikt.
-2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt, zolang voor hem geen
recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet
is ontstaan, gelijkgesteld de persoon die op de dag voorafgaande aan
die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt geen recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
had, omdat:
a. het recht op uitkering op grond van die wet was onderbroken door
werkaanvaarding of omdat artikel 31, eerste en tweede lid, zo nodig in
verbinding met artikel 39 van die wet op hem van toepassing was;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het
voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a of b, niet meer
op hem van toepassing is, vervolgens wel recht op uitkering op grond van
die wet zou hebben gehad indien die wet niet zou zijn ingetrokken.
-3. De Werkloosheidswet
blijft van toepassing ten aanzien van de persoon:
a. wiens werkgever op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt in staat van faillissement was verklaard, surséance
van betaling was verleend of in een toestand verkeerde als bedoeld in artikel
42a, tweede lid, van de Werkloosheidswet en die in verband daarmee
recht had op een betaling op grond van hoofdstuk IIIa van laatstgenoemde wet;
b. die op de dag voorafgaand aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op loonsuppletie op grond van hoofdstuk IIIb van de Werkloosheidswet;
voor de duur van de betaling of de duur van de loonsuppletie.
-4. Zolang de Werkloosheidswet
op hem van toepassing blijft, wordt de uitkering van de in het eerste of
tweede lid bedoelde persoon wiens uitkering niet is berekend naar het
minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a van die wet, voor de toepassing van de
Toeslagenwet
beschouwd als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-5. In afwijking van het eerste
lid is artikel
26 van de Werkloosheidswet niet van toepassing op de uitkering van
de in het eerste, het tweede of het derde lid bedoelde persoon. In dat
geval wordt deze persoon voor de toepassing van de Ziektewet
(Stb. 1967, 473) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
(Stb.
1977, 492) als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet
beschouwd, wordt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als
werkgever beschouwd en wordt deze uitkering voor de toepassing van artikel
3a, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(Stb.
1966, 64) als uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet
aangemerkt.
-6. In aansluiting op het
eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in het eerste lid, heeft de
in het eerste of tweede lid bedoelde persoon recht op uitkering op grond
van de nieuwe Werkloosheidswet,
tenzij die wet of deze wet dat verhindert.
Art.
5.
[Overgangsrecht WWV inzake oude uitkeringsrechten]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De Wet
Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen blijven
van toepassing ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande
aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking
treedt recht had op uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, zolang geen recht op uitkering op grond van de
nieuwe Werkloosheidswet
is ontstaan.
-2. Met de in het eerste lid bedoelde persoon wordt
gelijkgesteld de
persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt geen recht op uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening had, omdat:
a. het recht op uitkering op
grond van die
wet was onderbroken door werkaanvaarding of door een
omstandigheid als bedoeld in artikel
13, eerste lid, of artikel
14, eerste lid, van die
wet;
b. na het intreden van zijn werkloosheid zijn werkgever tijdens het
voortbestaan van de dienstbetrekking het loon onverminderd doorbetaalde;
doch die, zodra de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a of b, niet meer
op hem van toepassing is, vervolgens wel recht op uitkering op grond van
die wet heeft.
-3. In afwijking van het eerste en het tweede lid zijn de Wet
Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen niet meer op
de in die leden bedoelde personen van toepassing indien in de periode
gelegen twee jaar na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking is getreden geen recht op uitkering bestaat, omdat dat recht
is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel
13, eerste lid, onderdeel e tot en met n, of artikel
14, eerste lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening.
-4. De persoon die in de periode gelegen twee jaar na de dag, bedoeld in
het derde lid, geen recht op uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening heeft, omdat dat recht is onderbroken door
een omstandigheid als bedoeld in artikel
13, eerste lid, onderdeel a tot en met d bis, van die
wet, heeft na
afloop van die onderbreking recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-5. Het eerste en tweede lid gelden niet indien ten aanzien van de in
die leden bedoelde persoon tevens artikel 4 van toepassing is.
Art.
6.
[WW-nieuw van toepassing op rechthebbenden 57,5
jaar of ouder]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. In afwijking van de artikelen
4, eerste lid, en 5, eerste lid, is ten
aanzien van de persoon die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar
of ouder was en op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening, de nieuwe Werkloosheidswet
van toepassing.
-2. Artikel 4, tweede lid, en
artikel 5, tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, met dien
verstande dat voor de persoon op wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b,
of artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag
van werkloosheid wordt beschouwd de eerste dag dat hij recht op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of vanaf het bereiken van de leeftijd van 58 jaar op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening zou hebben gehad.
-3. De arbeidsverhouding van de persoon, bedoeld in het eerste en tweede
lid, aan wie door het Rijk ter zake van zijn arbeidsverhouding
invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt als dienstbetrekking in de zin
van de nieuwe Werkloosheidswet
beschouwd.
Art.
7.
[Recht op Ioaw-uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of hoofdstuk
III van de Wet
Werkloosheidsvoorziening en op de eerste dag van
werkloosheid 47,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de
uitkeringsduur, bedoeld in artikel 17 of bedoeld in de
Wet
Werkloosheidsvoorziening, recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, tenzij dat anders dan op grond van
artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 3º, van laatstgenoemde wet
wordt verhinderd.
-2. De persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening, heeft met ingang van de
dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht op uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, tenzij dat anders dan op grond van artikel
2, eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 3º, van laatstgenoemde wet
wordt verhinderd.
-3. Artikel 4, tweede lid, en
artikel 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot het eerste lid, met dien verstande dat voor de persoon op
wie artikel 4, tweede lid, onderdeel b, of
artikel 5, tweede lid,
onderdeel b, van toepassing is, als eerste dag van werkloosheid wordt
beschouwd de eerste dag dat hij recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of vanaf het bereiken van de leeftijd van 48 jaar op grond van hoofdstuk
III van de Wet
Werkloosheidsvoorziening zou hebben gehad.
-4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon,
bedoeld in het tweede lid, die op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt geen recht had op een uitkering op grond van hoofdstuk
IIIb van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, omdat dat recht is
onderbroken door werkaanvaarding of een omstandigheid als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, doch die na afloop van die onderbreking recht zou
hebben gehad op deze uitkering indien dat hoofdstuk niet zou zijn
vervallen.
Art.
8.
[Uitsluiting uitkeringsrecht WW-nieuw]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
Ter zake van werkloosheid ontstaan vóór de dag waarop de
nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt en in verband met die werkloosheid de artikelen 4 tot
en met 7 niet van toepassing zijn, ontstaat geen recht op uitkering op
grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
Art.
9.
[Nadere regelgeving]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot deze afdeling nadere en zo
nodig afwijkende regels te stellen. [Bowssz]
AFDELING
II
De personenkring
Art.
10. [Aanspraken werkloze
overheidswerknemer]
[BvawbgaA] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 162; Stb.
1997, 768 + bis; Stb.
1998, 742; Stb. 2007, 302]
-1. Tot het tijdstip
aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, van de
nieuwe Werkloosheidswet kunnen ten aanzien van
degene die overheidswerknemer is, in de zin van artikel
1, onderdeel l, onder 1º, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot
de Stichting Pensioenfonds ABP of een lichaam als bedoeld in artikel
2 van de Wet
privatisering ABP, niet zijnde het Rijk, een provincie,
gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder, bij algemene maatregel
van bestuur voorschriften worden gegeven omtrent zijn ten laste van die
stichting of dat lichaam komende aanspraken bij werkloosheid.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op
degene die
overheidswerknemer is uit hoofde van zijn arbeidsverhouding tot een
lichaam als bedoeld in artikel
2, onderdeel b tot en met e, van de Wet
privatisering ABP, mits
zodanig lichaam krachtens subsidievoorwaarden voorschriften als bedoeld
in het eerste lid toepast.
-3. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
kunnen voorschriften worden gegeven omtrent aanspraken bij werkloosheid
ten laste van een lichaam als bedoeld in dat lid van degene die op de
dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt een aanspraak op uitkering ontleent aan de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel
6, derde lid, van de Werkloosheidswet.
AFDELING
III
De voorwaarden voor het
recht op uitkering
Art.
11.
[Referte-eis]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
De personen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden geacht te voldoen
aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
17 van de nieuwe Werkloosheidswet.
Art.
12.
[Arbeidsweken vóór inwerkingtreding WW-nieuw]
[Bowssz] [Geschiedenis;
VvW;
MvT;
Stb. 2006, 167;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid
werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet
was en die in de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel
17 van die wet, in weken gelegen vóór de dag waarop die wet in
werking treedt arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening, dan wel zijn militaire dienstplicht
of in plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld, wordt met
betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd
als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet.
-2. De persoon die op de dag
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid
werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet
was en die in de periode van 36 weken, bedoeld in artikel
17 van die wet, in weken vanaf de dag waarop die wet in werking
treedt arbeid heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan
hem door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt met
betrekking tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd
als werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet.
-3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die op
de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid
werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
was en wiens werkloosheid begint op de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt.
-4. Artikel 17a
van de nieuwe Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
-5. Ten aanzien van de persoon die op de
dag voorafgaande aan die waarop
de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als
bedoeld in artikel 51 en die op het tijdstip waarop de
arbeidsongeschiktheid intrad werknemer was in de zin van de Werkloosheidswet,
zijn het eerste en het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
-6.
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel nadere en zo
nodig afwijkende regels te stellen.
AFDELING
IV
Het geldend maken van het
recht op uitkering
Art.
13.
[Ambtshalve vaststelling uitkeringsrecht WW-nieuw]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
In afwijking van artikel 22 van de nieuwe Werkloosheidswet
stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ambtshalve vast
of de persoon, bedoeld in artikel 4, wiens recht op uitkering is geëindigd
wegens het bereiken van de maximumuitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet
of artikel 4, en de persoon, bedoeld in artikel
6, recht op uitkering op
grond van de nieuwe Werkloosheidswet hebben.
Art.
14.
[Overgangsrecht weigering uitkering bij
niet-nakoming verplichtingen]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2007, 302]
-1. Indien ten aanzien van de
persoon, bedoeld in artikel 4, op de dag voorafgaande aan die waarop de
nieuwe Werkloosheidswet
op hem van toepassing
wordt artikel 31, eerste lid, onderdeel
a tot en
met f, zo nodig in verbinding met artikel
39 van de Werkloosheidswet van toepassing was en ten aanzien van de
persoon, bedoeld in artikel 6, op dat tijdstip artikel
14 van de Wet
Werkloosheidsvoorziening van toepassing was, wordt
deze toepassing voortgezet, tenzij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met gebruikmaking van zijn bevoegdheid, bedoeld
in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, anders
beslist.
-2. Bij het gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering niet verder
weigeren en de uitkeringsduur niet verder beperken dan de mate waarin en
de duur waarover uitsluiting of verlaging van de uitkering op grond van
artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zo
nodig in verbinding
met artikel
39 van de Werkloosheidswet of artikel
14 van de Wet
Werkloosheidsvoorziening nog zou hebben plaatsgehad
indien de nieuwe Werkloosheidswet
niet in werking was getreden.
Art.
15.
[Schakelbepaling]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
De artikelen
36 en 37
van de nieuwe Werkloosheidswet
zijn van overeenkomstige toepassing
op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
AFDELING
V
De betaling van de
uitkering
Art.
16.
[Uitbetaling WWV-uitkering via gemeente]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2007, 302]
Indien aan een werknemer als bedoeld in artikel
5 of 6, uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening is toegekend over een periode waarover
recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet
bestaat, is het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de
uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die toegekende
uitkering, zonder machtiging van de werknemer, te betalen aan het
betrokken gemeentebestuur.
AFDELING
VI
De duur van de uitkering
Art.
17.
[Uitkeringsduur]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. In afwijking van artikel
42, eerste en tweede lid, en artikel
49 van de nieuwe Werkloosheidswet
is de uitkeringsduur voor de
persoon, bedoeld in artikel 4 en artikel
5, vierde lid, die op de eerste
dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie
jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande
ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van
de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van acht of meer uren
per week te hebben gestaan: een halfjaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar.
-2. Voor de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, b en c, wordt de uitkeringsduur verlengd
met een halfjaar indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan
het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande ten minste
gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van acht of meer uren
per week te hebben gestaan.
-3. Perioden waarin de persoon, bedoeld in artikel
4:
a. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van acht
of
meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. vóór of vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van acht
of
meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk
invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer;
c. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van acht
of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet
over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel a tot en met d
vóór of vanaf de dag
waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt recht had op een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of
d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar,
bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het
tweede lid.
-4. Tijdens de duur op grond van dit artikel is
artikel 34, vierde en vijfde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet
niet van
toepassing. Tevens worden, in afwijking van artikel
34, zesde lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, tijdens de duur op
grond van dit artikel, inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de
uitkering in mindering gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds
vóór het intreden van zijn werkloosheid werden genoten naast de
inkomsten uit het beroep waaruit hij werkloos is.
-5. artikel 42, vierde tot en met negende lid, van de
nieuwe Werkloosheidswet is
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de periode van twee en
een half jaar, bedoeld in het eerste lid, en de periode van drie jaar,
bedoeld in het tweede lid.
-6. De artikelen
43 en 76
van de nieuwe Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste en het
tweede lid.
Art.
18.
[Verlenging WW-uitkeringsduur]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
Indien het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
van de persoon, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, door het
verrichten van arbeid als werknemer is geëindigd en vervolgens na beëindiging
van die arbeid op een tijdstip gelegen binnen vijf jaar na
inwerkingtreding van de nieuwe Werkloosheidswet
recht op uitkering is ontstaan op grond van de nieuwe Werkloosheidswet,
zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
42, tweede lid, onderdeel a, van die wet wordt voldaan, wordt de
duur van die uitkering voor zover de werknemer ter zake van het
eerstbedoelde recht aan de in artikel 17, eerste en tweede lid, genoemde
voorwaarden voldeed, verlengd met de duur, bedoeld in die leden.
Art.
19.
[Verlenging WWV-uitkeringsduur]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
Indien het recht op uitkering op grond van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening van de persoon, bedoeld in artikel
5, eerste en
tweede lid, door het verrichten van arbeid als werknemer geheel of
gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging van die arbeid
op een tijdstip gelegen binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Werkloosheidswet
recht op uitkering is ontstaan op grond van de nieuwe Werkloosheidswet,
zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
42, tweede lid, onderdeel a, van die wet wordt voldaan, wordt de
duur van die uitkering verlengd met de duur van de uitkering op grond
van de Wet Werkloosheidsvoorziening die de werknemer als gevolg van de
eindiging van het recht op uitkering op grond van de Wet
Werkloosheidsvoorziening niet heeft ontvangen.
Art.
20.
[Eindiging uitkering bij bereiken 65-jarige
leeftijd]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
In afwijking van artikel 42, eerste en tweede lid, en
artikel
49 van de nieuwe Werkloosheidswet
eindigt de uitkeringsduur voor de
persoon, bedoeld in artikel 6, op de eerste dag van de maand waarin hij
de leeftijd van 65 jaar bereikt. Het vierde lid van artikel 17 is van
overeenkomstige toepassing.
Art.
21.
[Werknemer ex WW-nieuw]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van zijn werkloosheid werknemer in de zin van de nieuwe Werkloosheidswet
was, wordt voor de toepassing van de artikelen
17, onderdeel b, en 17b van die wet als werknemer in de zin van die wet beschouwd gedurende
de periode waarin hij:
a. vóór de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in dienstbetrekking heeft gestaan dan wel
zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst
heeft vervuld;
b. vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt een arbeidsverhouding had ter zake waarvan hem door
het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd.
-2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
12, derde en vijfde
lid, is het eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.
-3. Met betrekking tot de periode vóór de
dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt, is artikel 17, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
-4. Met betrekking tot de periode vanaf de
dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt, is artikel 17, derde lid, onderdeel b en e, van
overeenkomstige toepassing.
-5.
Onze Minister is bevoegd met betrekking tot dit artikel nadere en zo
nodig afwijkende regels te stellen.
AFDELING
VII
De hoogte van de
uitkering
Art.
22.
[Uitkeringshoogte]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. Ten aanzien van de persoon,
bedoeld in de artikelen 4, 5, vierde lid, en
6, bedraagt de uitkering
per dag 70% van het dagloon dat gold op de dag voorafgaande aan die
waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt.
-2. Indien voor de persoon, bedoeld in de artikelen
4, 5, vierde lid, en 6, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
op hem van toepassing wordt als dagloon het minimumdagloon in aanmerking
werd genomen, blijft, zodra de nieuwe Werkloosheidswet
op hem van toepassing wordt, het minimumdagloon voor hem gelden zolang
hij voldoet aan de voorwaarden zoals deze op de dag voorafgaande aan die
waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt op grond van de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening en de daarop berustende bepalingen zijn
gesteld.
-3. Indien voor de persoon, bedoeld in de artikelen
4, 5, vierde lid, en 6, op de dag voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet
op hem van toepassing wordt het minimumdagloon in aanmerking werd
genomen met toepassing van artikel 12c, derde lid, van de Werkloosheidswet of
5c,
derde lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, wordt voor het recht
op toeslag op grond van de Toeslagenwet
als dagloon aangemerkt 70% van het voor deze persoon in aanmerking
genomen minimumdagloon.
Art.
23.
[Herziening dagloon]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
In afwijking van de op grond van artikel 12a van de Werkloosheidswet
en artikel 5a van de Wet
Werkloosheidsvoorziening gestelde regels
wordt het dagloon, bedoeld in artikel 22, herzien overeenkomstig
artikel
46 van de nieuwe Werkloosheidswet.
Art.
24.
[Kopjesregeling WW-ers]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1995, 200; Stcrt.
1995, 248; Stcrt. 1996, 43;
Stcrt. 1996, 134; Stcrt.
1996, 247; Stcrt. 1997, 118;
Stcrt. 1997, 244; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 205;
Stcrt. 1998, 244; Stb.
1998, 742; Stcrt. 1999, 132;
Stcrt. 1999, 242; Stcrt.
2000, 113; Stcrt. 2000, 228;
Stb. 2000, 571; Stcrt.
2001, 120; Stcrt. 2001, 248;
Stcrt. 2002, 115; Stcrt.
2002, 245; Stcrt. 2003, 54;
Stcrt. 2003, 119; Stcrt.
2003, 249; Stcrt. 2004, 57;
Stcrt. 2004, 120; Stb.
2004, 363; Stcrt. 2004, 244;
Stb. 2005, 192; Stcrt. 2005, 63;
Stcrt. 2005, 245; Stcrt.
2006, 125; Stb. 2006, 703;
Stcrt. 2007, 35; Stcrt.
2007, 120; Stb. 2007, 302;
Stcrt. 2007, 247]
-1. De persoon die 21 jaar of
ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet
niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel
22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel
8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die
recht heeft op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of de nieuwe Werkloosheidswet
die bij de aanvang van de werkloosheid is berekend naar een dagloon dat
ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, bedoeld in
artikel 14, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, heeft recht op een
verhoging van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of bedoeld in
hoofdstuk II
van de nieuwe Werkloosheidswet, indien die uitkering per dag,
indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is,
minder bedraagt dan €|30,44, €|36,32, onderscheidenlijk
€|47,17.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen
het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond
van de Werkloosheidswet
of bedoeld in
hoofdstuk II van de nieuwe Werkloosheidswet
dan wel, indien tegelijkertijd recht
bestaat op meerdere uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet,
het totaalbedrag van die uitkeringen, doch ten hoogste het verschil
tussen het bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een
persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor
zijn leeftijd geldt op grond van artikel
7, derde lid, en artikel
8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door
Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de
bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de
Wet werk en bijstand, worden herzien, waarna de herziene
bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats
treden.
AFDELING
VIII
Toekenning
loonsuppletie bij werkaanvaarding tegen lager loon
Vervallen
Art. 25. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
AFDELING
IX
De vrijwillige
verzekering van uitkeringen bij werkloosheid
Art.
26.
[Toelatingseisen vrijwillige
werkloosheidsverzekering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen laat, op zijn verzoek,
tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering, bedoeld in hoofdstuk
III van de nieuwe Werkloosheidswet, toe de
persoon jonger dan 65 jaar die op de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt:
a. buiten Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult en
wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is; of
b. Nederlander is en die werkzaamheden verricht in een
ontwikkelingsland.
Art.
27.
[Indieningstermijn toelatingsverzoek vrijwillige
werkloosheidsverzekering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
-1. Het verzoek om toelating
tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering op grond van artikel
26
dient te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt.
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te
verklaren dat een verzoek om toelating, ingediend na afloop van de in
het eerste lid gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn ingekomen
indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet
geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
Art.
28.
[Gelijktijdige toelating niet-ZW-verzekerde tot
vrijwillige ZW-verzekering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
Met inachtneming van hetgeen in de Ziektewet met betrekking tot de vrijwillige verzekering op grond van
die wet
overigens is bepaald, laat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de persoon, bedoeld in artikel
26, die niet op
grond van de Ziektewet
is verzekerd, tegelijkertijd tot die verzekering toe.
Art.
29.
[In aanmerking te nemen arbeidsweken vrijwillig
verzekerde]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 2007, 302]
Met betrekking tot het recht op uitkering, bedoeld in artikel
15 van de nieuwe Werkloosheidswet, en de duur van de uitkering,
bedoeld in de artikelen
42 en 49
van de nieuwe Werkloosheidswet, van de persoon, bedoeld in
artikel 26, worden van de periode voorafgaande aan de dag waarop de
nieuwe Werkloosheidswet in werking treedt slechts in aanmerking genomen de weken waarin hij:
a. arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet;
b. arbeid heeft verricht in een arbeidsverhouding ter zake waarvan hem
door het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd;
c. zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst
heeft vervuld;
d. arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Wet
Werkloosheidsvoorziening en voor werkzaamheden buiten Nederland is
uitgezonden in het kader van ontwikkelingssamenwerking, of werkzaam is
voor een volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is dan wel
waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund.
Art.
30.
[Schakelbepaling]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 2007, 302]
Hoofdstuk
III van de nieuwe Werkloosheidswet
is, voor zover daarvan in deze
afdeling niet is afgeweken, van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering van de persoon,
bedoeld in artikel 26.
AFDELING
X
De uitvoeringsinstanties
Art.
31.
[Overgang fondsen WW-oud]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
Een wachtgeldfonds als bedoeld in
artikel 102 van de nieuwe Werkloosheidswet
respectievelijk het
Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel
103 van die wet, is een voortzetting van een fonds als bedoeld in artikel
20, tweede lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk een
voortzetting van het fonds, bedoeld in hoofdstuk
II van die wet, in de vorm van een afzonderlijk beheerd en
geadministreerd onderdeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art.
32.
[Verzekering rechthebbende 57,5 jaar of ouder bij
UWV]
[Bowssz] [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
-1. De persoon, bedoeld in
artikel 6, is verzekerd bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. Het gemeentebestuur waarvan de persoon, bedoeld in
artikel 6,
uitkering ontvangt, meldt die persoon aan bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
AFDELING
XI
Wijziging van de Wet
Werkloosheidsvoorziening
Art. 33.
[Wijziging WWV]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Wet
Werkloosheidsvoorziening wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 5b, tweede lid, wordt "als bedoeld in artikel 16a"
vervangen door: als bedoeld in artikel 16b.
B.
In artikel 5c, tweede lid, wordt de komma na "87,5% van het
minimumdagloon" vervangen door een punt en vervalt de daarop
volgende zinsnede.
C. [MvT]
Artikel 5c, vierde lid, wordt vervangen door:
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt:
a. verstaan onder pleegkind een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed;
b. als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt degene die niet
duurzaam gescheiden leeft van de man of de vrouw met wie zij of hij
gehuwd is;
c. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt niet-gehuwde
personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een
gezamenlijke huishouding voeren, tenzij
het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat;
d. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden
leeft van de man of vrouw met wie zij of hij gehuwd is.
D. [MvT]
In artikel 5c worden
het vijfde en zesde lid vernummerd tot het zesde en zevende lid, waarna
een nieuw vijfde lid wordt ingevoegd, luidende:
-5. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het vierde lid,
onderdeel c, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen
gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage
leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in
eikaars verzorging voorzien.
E. [MvT]
Onder vernummering van artikel 16a tot artikel 16b wordt
na artikel 16 een nieuw artikel 16a ingevoegd, luidende:
Art. 16a.
-1. De werknemer die 21 jaar of ouder is, doch bij de aanvang van een
kalenderjaar jonger is dan 27 jaar,
die voor de toepassing van artikel 5c niet als gehuwd wordt
aangemerkt en die op grond van deze wet recht op uitkering heeft die is
berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon,
heeft recht op een verhoging van zijn uitkering indien die uitkering per
dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is,
minder bedraagt dan ƒ47,96, ƒ55,77, onderscheidenlijk ƒ65,50.
-2. De in het eerste lid bedoelde
verhoging bedraagt het verschil tussen het bedrag, genoemd in het eerste
lid, of indien dit lager is, het dagloon en de uitkering, bedoeld in
artikel 16, met dien verstande dat indien artikel 17 wordt toegepast, in
aanmerking wordt genomen het uit te betalen bedrag van de uitkering na
toepassing van artikel 17, verhoogd met het bedrag van de in laatstgenoemd
artikel bedoelde inkomsten.
-3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door Onze
Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als
waarop de bedragen genoemd in het Bijstandsbesluit landelijke normering
(Stb. 1983, 132) worden herzien, waarna de herziene bedragen voor
de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats treden.
-4. Minimumloon als bedoeld in het eerste lid is het minimumloon per
dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of,
indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn
leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag,
bedoeld in artikel 15 van die
wet.
F.
In artikel 19 worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1. Het derde en vierde lid worden
vernummerd tot het zesde en zevende lid, waarna een nieuw derde, vierde
en vijfde lid worden ingevoegd, luidende:
-3. Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die
duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft
personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat.
-4. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien
in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-5. Onze
Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het vierde
lid.
2. In het zevende lid wordt "het derde
lid" vervangen door: het zesde lid.
G. [MvT]
Artikel 28a wordt vervangen door:
Art. 28a.
-1. Indien een werknemer recht op uitkering heeft over een periode
waarover uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of bijstand in de
algemeen noodzakelijke kosten van bestaan krachtens de Algemene
Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is verleend, is het gemeentebestuur
bevoegd de uitkering over die periode tot ten hoogste het bedrag van die
verleende uitkering of bijstand te verrekenen of de uitkering over die
periode tot ten hoogste het bedrag van die uitkering of de verleende
bijstand, zonder machtiging van de werknemer, te betalen aan het
gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt het
gemeentebestuur aan het gemeentebestuur dat de uitkering of de bijstand
verleende tevens het bedrag aan premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 55) dat ten laste is
gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand verleende.
-3. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor zover bij
de verlening van bijstand met de uitkering rekening is gehouden.
-4. Indien het gemeentebestuur
gebruikmaakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt het de
werknemer daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
H. [MvT]
Hoofdstuk lllb vervalt.
AFDELING
XII
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
34.
[Overgangsregeling 1 oktober 2006 kopjesregeling
WW-ers]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 1997, 794; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 311;
Stb. 2006, 703; Stb. 2007, 302]
Artikel 24 zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van artikel
I, onderdeel A, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 blijft van
toepassing met betrekking tot een recht op uitkering op grond van
hoofdstuk IIa of IIb van de
nieuwe Werkloosheidswet
zoals die
hoofdstukken luidden op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I,
onderdeel J, van de Wet wijziging WW-stelsel, waarvan de eerste
werkloosheidsdag is gelegen op of vóór laatstbedoelde dag.
Art. 35.
[Wijziging WW] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
Indien het bij koninklijke boodschap
van 15 december 1980 ingediende voorstel van wet tot nadere wijziging
van enige socialeverzekeringswetten, de
Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds en
enige fiscale wetten in verband met het
misbruik van rechtspersonen (Kamerstukken II 1980-1981, 16 530) tot wet
is verheven en in werking is getreden, wordt in artikel
128, tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet
de zinsnede "bedoeld in artikel 16a
en artikel 16b van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering" vervangen door: bedoeld in artikel
16a, artikel 16b en artikel
16c, eerste lid, onderdeel d, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering.
Art.
36.
[Wijziging WW, TW en Ioaw inzake
onvervreemdbaarheid uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Totdat het bij koninklijke boodschap van 4 mei 1983 ingediende voorstel
van wet houdende algemene regeling van beslag op loon, sociale
uitkeringen en andere periodieke betalingen (Kamerstukken II 1982-1983,
17 897) tot wet is verheven en in werking is getreden, luiden artikel
40, eerste lid, van de nieuwe Werkloosheidswet,
artikel 25, eerste lid, van de Toeslagenwet
en artikel 25, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers als volgt:
-1. De uitkering is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zover dit dient tot verhaal van levensonderhoud
waartoe de betrokkene volgens de wet is gehouden, niet vatbaar voor
executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag.
Art.
37.
[Rijksvergoeding WWV-kosten aan gemeente]
[Geschiedenis;
VvW;
MvT;
Stb. 1995, 691; Stb. 2007, 302]
-1.
Vanaf de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt, vindt geen vergoeding aan de
gemeente plaats van de
kosten, bedoeld in artikel
40, onderdeel e en f, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening.
-2. Het Rijk verstrekt gedurende vier perioden van twaalf maanden vanaf
de dag waarop de nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt aan de gemeente een uitkering die is gebaseerd op de
kosten die over het dienstjaar 1984 op grond van artikel
40, onderdeel e en f, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening aan de
gemeente zijn vergoed.
-3. De uitkering, bedoeld in het tweede lid, bedraagt gedurende de eerste
tot en met de vierde periode van twaalf maanden vanaf de dag waarop de
nieuwe Werkloosheidswet
in werking treedt, onderscheidenlijk 80%, 60%, 40% en 20% van de in het
tweede lid bedoelde kosten.
-4. Vanaf 1 januari 1991 verstrekt het Rijk aan de gemeente een uitkering
van ƒ1050,00 per toegewezen aanvraag.
-5.
Onze Minister is bevoegd de verstrekte uitkering, bedoeld in het
tweede en het vierde lid, gedeeltelijk terug te vorderen of te
verrekenen indien het gemeentebestuur niet of in onvoldoende mate
voldoet aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
26, eerste lid, van de Wet
Werkloosheidsvoorziening.
-6. Onze Minister is bevoegd met betrekking tot de wijze van verstrekking
van de in dit artikel bedoelde uitkeringen nadere regels te stellen.
Art.
38.
[Beslissingen o.g.v. WW-nieuw en Ioaw]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Beslissingen en uitkeringen op grond van dit hoofdstuk of de daarop
berustende bepalingen worden, voor zover de Werkloosheidswet
of de Wet
Werkloosheidsvoorziening en de op die wetten berustende bepalingen
niet van toepassing blijven, voor de toepassing van wettelijke
bepalingen beschouwd als beslissingen en uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidswet,
onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers.
HOOFDSTUK
III
De
arbeidsongeschiktheidswetten
AFDELING
I
Wijzigingen van wetten
Art. 39.
[Wijziging AAW] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980, 28)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 1 vervalt het tweede lid, waarna het derde lid
wordt vernummerd tot tweede lid.
B. [MvT]
Artikel
3, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
In
artikel 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt de
verzekerde geacht geen inkomen te hebben verworven
indien dit inkomen minder bedroeg dan 48-maal het minimumloon, bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor een
persoon van 23 jaar of ouder, zoals dat gold op de dag
waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
2. In het
tiende lid wordt "Door Onze
Minister" vervangen door:
Bij algemene maatregel van bestuur.
3. Het
elfde lid wordt vervangen door:
-11. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden
gesteld.
D. [MvT]
Artikel
10 wordt vervangen door:
Art. 10.
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de
grondslag van het minimumloon.
-2. Onder het
in het eerste lid bedoelde minimumloon
wordt verstaan
het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657) of, indien het
een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon
dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7,
derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet.
-3. Het
eerste lid is niet van toepassing op de
uitkeringsgerechtigde die in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid niet in een voor zijn beroep
normaal te achten duur arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven heeft verricht en die mede als gevolg
daarvan minder inkomen heeft verworven dan 260-maal de
grondslag, bedoeld in het eerste lid.
-4. Voor de
uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het derde lid, geldt
als grondslag voor de berekening van de uitkering
hetgeen hij in het jaar, bedoeld in het derde lid,
geacht wordt gemiddeld per dag aan inkomen te hebben
verworven.
-5. Indien
het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag wordt herzien, wordt de
grondslag, bedoeld in het vierde lid, naar evenredigheid
herzien.
-6. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het inkomen en de
arbeid van normaal te achten duur, bedoeld in het derde
en het vierde lid, en kunnen ook overigens nadere en zo
nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking
tot dit artikel.
E. [MvT]
De
artikelen 10a, 11 en 11a vervallen.
F. [MvT]
Artikel
12, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de
zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een
arbeidsongeschiktheid van:
25-35%
21% van de
grondslag;
35-45%
28% van de grondslag;
45-55%
35% van
de grondslag;
55-65%
42% van de grondslag;
65-80%
50,75, van de grondslag;
80% of meer 70% van de
grondslag.
G. [MvT]
De
artikelen 12a tot en met 12c vervallen.
H. [MvT]
In
artikel 29a worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt
"artikel 10, vijfde lid,"
vervangen door: artikel 10,
vierde lid,.
2. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid
wordt in artikel 10, derde lid, in plaats van "het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid" gelezen: de toeneming van zijn
arbeidsongeschiktheid.
I. [MvT]
In
artikel 34, eerste lid, wordt "90% van de grondslag"
vervangen door: 85% van de grondslag.
J. [MvT]
In
artikel 44 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid vervalt de zinsnede "onverminderd het
bepaalde bij of krachtens
de artikelen 12a, 12b en 12c".
2. Aan
het eerste lid, onderdeel a, wordt toegevoegd: indien de
overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde.
3. Het
tweede tot en met het vijfde lid worden vernummerd tot
het vijfde tot
en met het achtste lid, waarna een nieuw tweede, derde
en vierde lid worden
ingevoegd, luidende:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren, tenzij
het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat.
-3. Van
een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts
sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. Onze Minister kan nadere regels stellen
voor de toepassing van het derde lid.
4. In het zesde lid wordt "het eerste
en het tweede lid" vervangen door: het eerste tot en met het vijfde
lid.
5. In het zevende lid wordt "tweede
lid" vervangen door: vijfde lid.
6. In het achtste lid wordt "tweede
lid" vervangen door: vijfde lid.
K. [MvT]
In artikel 48 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het
eerste, tweede en het derde lid vervallen, waarna het
vierde, vijfde en zesde lid worden vernummerd tot
tweede, derde en vierde lid.
2. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op
grond van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of
gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te
brengen op een later te betalen uitkering op grond van
deze wet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en in de gevallen,
bedoeld in onderdeel a, b en c, op ziekengeld op grond
van de Ziektewet, waaronder in afwijking van artikel 1,
tweede lid, mede wordt verstaan uitkering voortvloeiende
uit artikel 57 van de Ziektewet, op een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet
of op een toeslag op
grond van de Toeslagenwet:
a. gedurende vijf jaren na
de dag van betaalbaarstelling indien zij door toedoen
van de persoon aan wie of de instelling aan welke
betaling plaatsvond onverschuldigd heeft betaald;
b.
gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling
in de overige gevallen waarin het de persoon aan wie of
de instelling aan welke betaling plaatsvond
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de
bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde; en
c.
gedurende twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling
indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van
een herziening van de grondslag op grond van artikel 10,
is verlaagd.
3. In de aanhef van het eerste lid
wordt na "Werkloosheidswet" op de gebruikelijke wijze
toegevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad
waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is geplaatst.
4. In
het vierde lid wordt "het derde, het vierde en het
vijfde lid" vervangen door: het tweede en het derde
lid.
5. Aan het
artikel wordt een vijfde en zesde lid toegevoegd, luidende:
-5. Indien de betrokkene een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
ziekengeld, een werkloosheidsuitkering of een toeslag
ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de
bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is
die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging
van de betrokkene, de bedragen die teruggevorderd kunnen
worden of in mindering kunnen worden gebracht te
betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd
heeft betaald.
-6. Indien de bedrijfsvereniging
gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de
betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
L. [MvT]
Artikel
49 wordt vervangen door:
Art. 49.
-1. Indien
een persoon recht op uitkering heeft over een periode
waarover een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers
of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de
arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode tot
ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of
bijstand, zonder machtiging van die persoon, te betalen
aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van deze wet, de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste
is gekomen van het gemeentebestuur dat die uitkering of
bijstand verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
-4. Indien de bedrijfsvereniging
gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de
betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
M. [MvT]
In
artikel 53, tweede lid, vervalt "12a".
N. [MvT]
In
artikel 78, eerste lid, vervalt "diens echtgenoot".
O. [MvT]
In
artikel 79 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid, onderdeel a, wordt "in verband met het
bepaalde in artikel 11a" vervangen door: in verband met
een herziening van de grondslag op grond van artikel 10.
2. In het
tweede lid wordt "artikel 44, vierde lid" twee keer
vervangen door: artikel 44, zevende lid.
P. [MvT]
In
artikel 80 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt "artikel 44, vierde
lid"
twee keer vervangen door: artikel 44, zevende lid.
2. In het
derde lid vervalt "1, tweede lid,".
Q. [MvT]
Artikel
97 vervalt.
Art.
40. [Wijziging
WAO] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492) wordt
gewijzigd als volgt:
A.
In
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, wordt "Onze
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid"
vervangen door: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
B. [MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
Artikel 3
wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. Werknemer
is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn
dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet
als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont
en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of
gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in
Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in
Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij
door of vanwege
Onze
Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste
volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever.
-3. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat:
a. personen die buiten
Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen ook als werknemer worden
beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
-4. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het
eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien
van:
a.
vreemdelingen;
b. personen
op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van
een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke
organisatie; en
c. personen
die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of
tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
D. [MvT]
Artikel 4,
eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. In de aanhef wordt tussen de woorden
"wordt" en "beschouwd" ingevoegd: mede.
2. Onderdeel e wordt vervangen door:
e. degene die een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale
Werkvoorziening (Stb. 1967, 687);.
E. [MvT]
In
artikel 6, eerste lid, vervalt onderdeel d.
F. [MvT]
In
artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
onderdeel a wordt tussen "krachtens"
en "de Werkloosheidswet" ingevoegd
"de verplichte verzekering op grond van" en wordt na "Werkloosheidswet"
op de
gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer
van het Staatsblad waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is
geplaatst.
2.
Onderdeel b vervalt en de aanduiding van de onderdelen
c
tot en met g wordt gewijzigd in b tot en met
f.¹
3. In
onderdeel b wordt de zinsnede beginnend met "krachtens" en eindigend met
"Werkloosheidswet"
vervangen door: krachtens artikel
103 [101], tweede lid,
onderdeel e, van de Werkloosheidswet.
4. In
onderdeel f wordt "wachtgeldreglement van een
bedrijfsvereniging, van het reglement voor de
werkloosheidsverzekering" vervangen door "uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering van een
bedrijfsvereniging" en wordt "f" vervangen door:
e.
G. [MvT]
Artikel 8 wordt vervangen door:
Art. 8.
Werkgever is de natuurlijke persoon tot wie of het
lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in
dienstbetrekking staan.
H. [MvT]
In artikel 9, aanhef, wordt
de zinsnede "degene tot wie de dienstbetrekking
bestaat," vervangen door: werkgever.
I. [MvT]
In artikel 10,
eerste lid, wordt "a, b en c", "d",
"e" en "f en g" onderscheidenlijk vervangen door:
a en b, c, d, en e
en f.
J. [MvT]
In
artikel 12 vervalt het tweede lid, waarna de aanduiding
van het eerste lid vervalt.
K. [MvT]
Artikel 13, derde lid, wordt vervangen door:
-3. Degene die
krachtens de Wet
Werkloosheidsvoorziening
of krachtens
een regeling als bedoeld in artikel
7, onderdeel e,
uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover
hij die uitkering ontvangt een loon te ontvangen
gelijk aan die uitkering.
L. [MvT]
Artikel 21, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de
zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een
arbeidsongeschiktheid van:
15-25%
14% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
25-35%
21% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
35-45%
28% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
45-55%
35% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
55-65%
42% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
65-80%
50,75% van 100/107,5-maal het dagloon of het
vervolgdagloon;
80% of meer
70% van 100/108-maal het dagloon of het vervolgdagloon.
M. [MvT]
In artikel 46a, vijfde lid, wordt "de
artikelen 10a, 11a
en 12a" vervangen door:
artikel
10.
N. [MvT]
In artikel 53 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. Het tweede tot en met het vijfde lid
worden vernummerd tot het vijfde tot en met het achtste lid, waarna een nieuw tweede,
derde en vierde lid worden
ingevoegd, luidende:
-2. Voor de toepassing van het
eerste lid worden mede als echtgenoot aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk
geslacht
die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij
het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien
in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. Onze Minister kan nadere regels stellen
voor de toepassing van het derde lid.
2. In het zesde lid wordt "het eerste
en het tweede lid" vervangen door: het eerste tot en met het vijfde
lid.
3. In het zevende lid wordt "tweede
lid" vervangen door: vijfde lid.
4. In het achtste lid wordt "tweede
lid" vervangen door: vijfde lid.
O. [MvT]
Artikel 57 wordt vervangen door:
Art.
57.
-1. De bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond
van deze wet onverschuldigd is betaald geheel of
gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te
brengen op een later te betalen uitkering op grond van
deze wet of de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en in
de gevallen, bedoeld in onderdeel a, b en
c, op
ziekengeld op grond van de Ziektewet, waaronder in
afwijking van artikel 1, tweede lid, mede wordt verstaan
uitkering voortvloeiende uit artikel 57 van de Ziektewet, op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of op een toeslag op grond van de Toeslagenwet:
a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling
indien zij door toedoen van de persoon aan wie of de
instelling aan welke betaling plaatsvond onverschuldigd
heeft betaald;
b. gedurende twee jaren na de dag van
betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de
persoon aan wie of de instelling aan welke betaling
plaatsvond redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de
bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde; en
c. gedurende
twee jaren na de dag van de betaalbaarstelling indien
de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg en een
herziening als bedoeld in artikel 15 is verlaagd.
-2. Indien de
betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van deze wet of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
ziekengeld, een werkloosheidsuitkering of een toeslag
ontvangt van een andere bedrijfsvereniging dan de
bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald, is
die andere bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging
van de betrokkene, de bedragen die teruggevorderd kunnen
worden of in mindering kunnen worden gebracht te
betalen aan de bedrijfsvereniging die onverschuldigd
heeft betaald.
-3. Indien de
bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit
artikel, stelt zij de betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in
kennis.
P. [MvT]
Artikel 57a wordt vervangen door:
Art. 57a.
-1. Indien
een persoon recht op uitkering heeft over een periode
waarover een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd de
arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode tot
ten hoogste het bedrag van die verleende uitkering of
bijstand, zonder machtiging van die persoon, te betalen
aan het betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen
van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand
verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
-4. Indien de
bedrijfsvereniging gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit
artikel, stelt zij de betrokkene daarvan onverwijld schriftelijk in
kennis.
Q.
In
artikel 59b, vierde lid, wordt "artikel
53, derde
lid" twee keer vervangen door: artikel
53, zesde lid.
R. [MvT]
In
artikel 66, tweede lid, wordt "a, b en
c" vervangen door "a en b" en "f en g" vervangen door:
e en f.
S. [MvT]
In
artikel 77 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. De premie
is verschuldigd door de werknemer, behoudens dat de
premie door de werkgever verschuldigd is ten aanzien van
de werknemer wiens loon geheel bestaat uit
verstrekkingen in natura, met of zonder huisvesting en
onderricht.
2. In
het derde lid wordt "het door deze verschuldigde deel
der premie" vervangen door: de door deze verschuldigde
premie.
T. [MvT]
In
artikel 81 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e
tot en met g
gewijzigd in f tot en met h.²
2. In het eerste lid
wordt na onderdeel d een nieuw onderdeel e ingevoegd,
luidende:
e. degene wiens arbeidsverhouding op grond
van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd;.
3. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. De in het eerste lid
bedoelde verplichting bestaat eveneens ten aanzien van
de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens
verplichte verzekering is geëindigd, die buiten
Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult
en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd
is; of
b. die
Nederlander is en die werkzaamheden verricht of gaat
verrichten in een ontwikkelingsland.
4. Aan het
artikel wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3.
Onze
Minister en Onze Minister belast met de zorg voor
ontwikkelingssamenwerking
bepalen welk land als ontwikkelingsland wordt beschouwd.
U. [MvT]
Artikel
83 wordt vervangen door:
Art. 83.
-1. Het
verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering
dient te worden ingediend bij de bedrijfsvereniging:
a. door de
in artikel 81, eerste lid, onderdeel a, b en
c, en
tweede lid, onderdeel a, bedoelde personen binnen
één
maand na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de
in artikel 81, eerste lid, onderdeel f, g en
h, bedoelde
personen binnen één maand na de dagtekening van de
beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of
ingetrokken.
-2. De in het
eerste lid, onderdeel b, bedoelde personen worden geacht
een verzoek om toelating binnen één maand na de
dagtekening van de beslissing te hebben gedaan indien
dit verzoek geschiedt binnen één maand na de dag waarop
zij redelijkerwijze hebben kunnen kennisnemen van die
beslissing.
-3. De
bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een
verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering,
ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de
daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die
het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan
worden in verzuim te zijn geweest.
V. [MvT]
Na
artikel 83 wordt een nieuw artikel 83a
ingevoegd,
luidende:
Art. 83a.
Toelating
tot de vrijwillige verzekering geschiedt ten aanzien van
de persoon:
a. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging die laatstelijk het risico voor de
verplichte verzekering droeg;
b. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel b, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever zou zijn
aangesloten geweest indien de werkzaamheden ter zake
waarvan de persoon die tot de vrijwillige verzekering
wenst te worden toegelaten, in het buitenland tegen
geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid
verzekerd was, in Nederland in dienstbetrekking waren
verricht;
c. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel c, door de
bedrijfsvereniging waarbij de persoon die tot de
vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten als
werkgever zou zijn aangesloten indien voor het bedrijf
of beroep dat hij uitoefent of gaat uitoefenen
personeel in zijn dienst was;
d. bedoeld in artikel
81,
eerste lid, onderdeel d, door de bedrijfsvereniging die
het risico van de verplichte verzekering draagt;
e. bedoeld
in artikel 81, eerste lid, onderdeel e, door de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en
Huisvrouwen;
f. bedoeld in artikel
81, eerste lid,
onderdeel f, g en h, door de bedrijfsvereniging die de
beslissing met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genomen;
g. bedoeld
in artikel 81, tweede lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon
die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden
toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel heeft of zou hebben;
h. bedoeld
in artikel 81, tweede lid, onderdeel b:
1º. die in
het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in
Nederland gevestigde organisatie naar een
ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de
bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou
zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in
dienst heeft of zou hebben;
2º. die,
anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in
dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of
wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij
die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die
niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging
voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen.
W. [MvT]
Artikel 86a vervalt.
X. [MvT]
In
artikel 87, vierde lid, wordt "artikel
53, vierde
lid"
twee keer vervangen door: artikel
53, zevende lid.
Y. [MvT]
In
artikel 88, eerste lid, wordt "artikel
53, vierde
lid"
twee keer vervangen door: artikel
53, zevende lid.
1. Volgens
de redactie dient "Onderdeel b vervalt en de aanduiding van de onderdelen
c
tot en met g wordt gewijzigd in b tot en met
f" te worden vervangen door: Onderdeel b vervalt,
onder verlettering van de onderdelen
c
tot en met g tot onderdelen b tot en met
f.
2. Volgens de redactie dient "In
het eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e
tot en met g
gewijzigd in f tot en met h" te
worden vervangen door: In het eerste lid worden de
onderdelen e tot en met g verletterd tot
onderdelen f tot en met h.
Art.
41. [Wijziging
WAO] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
Met ingang
van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
datum wordt de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel
14 wordt vervangen door:
Art. 14.
-1. Voor de
berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
waarop op grond van deze wet aanspraak bestaat, wordt
als dagloon beschouwd het loon dat de werknemer in de
regel in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gemiddeld per
dag in de dienstbetrekking of de dienstbetrekkingen
waarin hij in dat jaar stond, verdiende, voor zover dat
loon in de bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast,
gegarandeerd en regelmatig verstrekt is of inherent is
aan de functie. Dit dagloon wordt aangepast aan de
herziening van het loonpeil in het beroep dat of de
beroepen die hij gewoonlijk uitoefende gedurende de
periode gelegen tussen de datum waarop hij
arbeidsongeschikt werd en de datum van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. De
Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met
betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het
tweede lid regels te stellen met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen
werknemers.
B. [MvT]
Na
artikel 14 wordt een nieuw artikel 14a
ingevoegd,
luidende:
Art. 14a.
-1. De door
de Sociale Verzekeringsraad te stellen regels op grond
van artikel 14, tweede en derde lid, behoeven de
goedkeuring van
Onze
Minister alvorens zij in werking
kunnen treden.
-2. Indien
Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in het eerste
lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in
dat lid genoemde regels door Onze Minister worden
vastgesteld.
-3. In de
Nederlandse Staatscourant worden openbaar gemaakt:
a. de
regels, bedoeld in artikel
14, tweede en derde lid;
b. de
regels, bedoeld in het tweede lid.
-4. In de
Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het
ontwerp van regels van Onze Minister, bedoeld in het
tweede lid;
b. het
ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het
onthouden of intrekken van de in het tweede lid bedoelde
goedkeuring.
-5. De
vaststelling van de regels en het besluit, bedoeld in
het tweede lid, geschiedt niet eerder dan twee maanden
na de in het vierde lid bedoelde bekendmaking in de
Nederlandse Staatscourant.
C.
In
artikel 40 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid wordt na "artikel 14" ingevoegd: en
artikel
14a.
2. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt in artikel
14,
eerste lid, in plaats van de woorden "de datum waarop
hij arbeidsongeschikt werd" telkens gelezen "de
datum
waarop zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen" en
voorts in plaats van "de datum van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering" gelezen: de datum met
ingang waarvan op grond van
artikel 40, eerste lid,
hernieuwde vaststelling van een dagloon plaatsvindt.
D.
In
artikel 46a, vijfde lid, wordt "de artikelen 14 en
15" vervangen door: de
artikelen 14, 14a
en 15.
E.
In
artikel 48, derde lid, wordt "artikel 14" vervangen
door: de artikelen 14 en
14a.
Art.
42. [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Artikel V
van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, vervalt.
AFDELING
II
Overgangsbepalingen
Art.
43.
[Recht op AAW- en TW-uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 302]
-1. Ten aanzien van de persoon
die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een grondslag als bedoeld
in artikel
10, derde en vierde lid, van die
wet, zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, worden de
wijzigingen van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 35,
onderdeel D tot en met F en Q, geacht niet te hebben plaatsgevonden zolang de betrokkene
voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10, derde of vierde lid,
in verbinding met artikel 10a, tweede en derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet
in werking treedt, doch uiterlijk tot een binnen één jaar na die dag
gelegen tijdstip waarop op grond van artikel 10a, tweede en derde lid, van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet
in werking treedt, het inkomen opnieuw zou dienen te worden vastgesteld
indien de in voornoemd artikel 10a bedoelde perioden op één jaar zouden zijn gesteld.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de persoon, bedoeld in
artikel V van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, zoals dat artikel
luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt. Ten aanzien van de in de vorige volzin bedoelde persoon blijft
de wijziging van de Wet van 29 december 1982, Stb. 1982, 737, als vervat in
artikel 42 buiten toepassing tot het tijdstip, bedoeld in het eerste
lid.
-3. Voor de persoon, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt de
toeslag op grond van de Toeslagenwet
vanaf de dag waarop de in het eerste dan wel tweede lid bedoelde
wijzigingen op hem van toepassing worden, ten minste vastgesteld op het
verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht zou
hebben bestaan indien de wijzigingen van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet als vervat in artikel 39, onderdeel D en
E, en de wijziging, bedoeld in
artikel 42, niet zouden hebben
plaatsgevonden, en de som van de uitkeringen op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-4. Het derde lid is van toepassing zolang de betrokkene voldoet aan de
voorwaarden, bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, in verbinding
met artikel 10a, tweede en derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet
in werking treedt, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop op grond van artikel
10a, tweede en derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
zoals die leden luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet
in werking treedt, het inkomen voor de eerste keer na inwerkingtreding
van deze wet opnieuw zou dienen te worden vastgesteld.
-5. De in het eerste en tweede lid bedoelde
persoon wiens grondslag was vastgesteld of zou zijn vastgesteld indien artikel
90, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet niet op hem van toepassing was geweest, met toepassing van artikel
10, derde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel
10, vierde lid, onderdeel b, van die
wet, zoals dat artikel luidde
op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt,
wordt, zolang hij ongehuwd is en een eigen kind of pleegkind heeft dat
jonger is dan 18 jaar dat tot zijn huishouden behoort of grotendeels op
zijn kosten wordt onderhouden, vanaf het in het eerste lid bedoelde
tijdstip tot een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen datum
voor de toepassing van de Toeslagenwet
als gehuwd aangemerkt.
-6. Het verschil tussen het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat op grond van het eerste en het tweede lid wordt uitbetaald en het
bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat zou worden uitbetaald
indien het eerste lid niet zou hebben gegolden, wordt volgens door
Onze Minister te stellen regels door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ten laste van het Toeslagenfonds, bedoeld in
artikel
31 van de Toeslagenwet, ten gunste gebracht van het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
34 van de Wet financiering volksverzekeringen, onderscheidenlijk het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
72 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor de
toepassing van de eerste volzin wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering verstaan zowel uitkering op grond van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet als uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-7. Het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering dat zou worden uitbetaald dan wel
meer zou worden uitbetaald indien het eerste lid niet zou hebben
gegolden, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
72 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, ten gunste
gebracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
34 van de Wet financiering volksverzekeringen.
-8. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste of tweede lid,
blijft de Toeslagenwet
buiten toepassing tot de dag waarop de in het eerste dan wel tweede lid
bedoelde wijzigingen op hem van toepassing worden.
Art.
43a.
[Vaststelling TW-uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb. 2007, 302]
-1. Voor de persoon, bedoeld in
artikel 43, tweede lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag
voorafgaande aan de dag waarop de in
artikel 43, tweede lid, bedoelde
wijziging op hem van toepassing wordt, is verhoogd met toepassing van
artikel 22 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt
de toeslag op grond van de Toeslagenwet
vanaf laatstgenoemde dag doch niet eerder dan vanaf de dag waarop geen
recht meer bestaat op de toeslag, bedoeld in
artikel 43, derde lid,
vastgesteld op het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering
waarop op de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht zou hebben bestaan
indien de wijziging, bedoeld in
artikel 42, niet zou hebben plaatsgevonden
en de uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het eerste lid is van toepassing voor zolang de betrokkene gehuwd is
dan wel een eigen kind of pleegkind heeft dat jonger is dan 18 jaar en
dat tot zijn huishouden behoort of grotendeels op zijn kosten wordt
onderhouden, doch uiterlijk zolang
artikel 22 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt
toegepast of tot het tijdstip waarop de echtgenoot van betrokkene
aanspraak verkrijgt op een ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet (Stb. 1985, 181).
-3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:
a. als ongehuwd aangemerkt
degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is;
b. als pleegkind aangemerkt een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
Art.
44.
[Verhoging grondslag AAW-uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
-1. Ten aanzien van de persoon
die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, berekend met toepassing van artikel
10, vijfde lid, van die
wet, zoals dat lid luidde op de dag
voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, en wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet op de dag waarop deze wet in werking
treedt niet wordt berekend met toepassing van artikel
10, eerste lid, van die
wet, wordt de voor hem geldende grondslag
vermenigvuldigd met de factor 8/7.
-2. Indien toepassing van het eerste lid leidt tot een
grondslag die
hoger is dan het bedrag van de grondslag, bedoeld in artikel
10, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, wordt in
afwijking van het eerste lid de grondslag vastgesteld op dat bedrag.
Art.
45.
[Hoogte AAW- en WAO-uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De uitkeringsgerechtigde op
grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering die zowel op de
dag voorafgaande aan
die waarop deze wet in werking treedt als op de dag waarop deze wet in
werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van één van die of van beide wetten, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% of 65 tot 80%, heeft, zolang hij in
dezelfde arbeidsongeschiktheidsklasse blijft ingedeeld, in afwijking van
artikel
12, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
onderscheidenlijk artikel 21, tweede lid, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die per dag, de zaterdagen
en de zondagen niet meegerekend, bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
van:
55-65%: 44% van de grondslag onderscheidenlijk van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
65-80%: 57% van de grondslag onderscheidenlijk van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt te rekenen vanaf 30
januari 1986 een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering als
bedoeld in artikel
28 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of artikel
38 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht niet
te hebben plaatsgevonden indien de uitkeringsgerechtigde binnen 48
weken na de herziening weer wordt ingedeeld in dezelfde
arbeidsongeschiktheidsklasse als vóór die herziening.
Art.
46.
[Hoogte AAW-uitkering beneden-23-jarigen]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die zowel op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt als op de dag waarop deze wet in werking treedt, recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en op laatstbedoelde dag de leeftijd van
23 jaar nog niet heeft bereikt, heeft, indien zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was berekend met toepassing van artikel
10, vijfde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dat
lid luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking
treedt, zolang hij de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een grondslag die
voor een uitkeringsgerechtigde van 18 jaar ƒ62,63, van 19 jaar ƒ72,97,
van 20 jaar ƒ83,31 en van 21 en 22 jaar ƒ93,64 bedraagt.
-2. Artikel
10, vijfde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet is op de
grondslag, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art.
47.
[Buitentoepassingverklaring wijzigingen]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Voor de toepassing van artikel
6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet worden ten aanzien van de verzekerde wiens arbeidsongeschiktheid is
ingetreden vóór de dag waarop artikel 39 in werking treedt, de
wijzigingen vervat in de onderdelen C en D van dat artikel geacht niet
te hebben plaatsgevonden.
Art.
48.
[Kopjesregeling arbeidsongeschikten]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1995, 200; Stcrt.
1995, 248; Stcrt. 1996, 43;
Stcrt. 1996, 134; Stcrt.
1996, 247; Stcrt. 1997, 118;
Stcrt. 1997, 244; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 205; Stcrt.
1998, 244; Stb. 1998, 742;
Stcrt. 1999, 132; Stcrt.
1999, 242; Stcrt. 2000, 113;
Stcrt. 2000, 228; Stb.
2000, 571; Stcrt. 2001, 120;
Stcrt. 2001, 248; Stcrt.
2002, 115; Stcrt. 2002, 245;
Stcrt. 2003, 54; Stcrt.
2003, 119; Stcrt. 2003, 249;
Stcrt. 2004, 57; Stcrt.
2004, 120; Stb. 2004, 363;
Stcrt. 2004, 244; Stb.
2005, 192; Stcrt.
2005, 63; Stb. 2005,
573; Stcrt. 2005, 245;
Stcrt. 2006, 125; Stcrt.
2007, 35; Stcrt. 2007, 120;
Stb. 2007, 302; Stcrt.
2007, 247]
-1. De persoon die 21
jaar of ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet niet als
gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene heffingskorting,
bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, maar
niet de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel 8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die recht heeft op uitkering
op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of meer
van deze wetten gezamenlijk, in verband
met een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en berekend naar een
dagloon als bedoeld in artikel 13 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel
artikel 14 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een vervolgdagloon als bedoeld in
artikel 21b van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dat ten minste gelijk is aan 70%
van het minimumloon, bedoeld in artikel
12, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
en 13, tweede lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of berekend naar een grondslag die ten minste gelijk is aan
70% van het minimumloon als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
7, tweede lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, heeft
recht op en verhoging van zijn uitkering indien zijn uitkering per dag,
indien hij 21 jaar, 22 jaar, onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder
bedraagt dan €|30,44, €|36,32, onderscheidenlijk
€|47,17.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen
het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid, en de
uitkering per dag, doch ten hoogste het verschil
tussen het voor betrokkene geldende bedrag, genoemd in het eerste lid,
en 70% van het minimumloon, zijnde het minimumloon per maand, bedoeld in
artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een
persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor
zijn leeftijd geldt op grond van artikel
7, derde lid, en artikel
8, derde lid van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder
uitkering verstaan het totaalbedrag aan uitkering
per dag op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
-4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het aanmerken
van de in het eerste lid bedoelde verhoging als een uitkering op grond
van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. [Ra48I]
-5. De bedragen, genoemd in het
eerste lid, worden door
Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op
hetzelfde tijdstip als waarop de bedragen, genoemd in
hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand, worden herzien, waarna de herziene
bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats
treden.
Art.
49.
[Recht op TW-uitkering bij niet-uitbetaling
AAW-uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
De persoon ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan die waarop
artikel 39 in werking treedt artikel
8 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet van toepassing is en
over die dag recht heeft op een uitkering op grond van die
wet, aan wie
die uitkering als gevolg van artikel 39, onderdeel D tot en met
F, niet
meer wordt betaald, wordt voor de toepassing van de Toeslagenwet
geacht een tot uitbetaling komende uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet te hebben, zolang die uitkering zou zijn
betaald indien artikel 39, onderdeel D tot en met F, niet in werking
zou zijn getreden.
Art. 50. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 789; Stb. 2007, 302]
AFDELING
III
Aanvullende uitkeringen
Art.
51.
[Begrip arbeidsongeschiktheidsuitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering een uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of beide wetten.
Art.
52.
[Arbeidsongeschiktheidscriterium AAW en WAO]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 1996, 665; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789;
Stb. 2007, 302]
-1. De artikelen
5, 12,
tweede tot en met vierde lid, en 23,
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen
18, 21,
tweede tot en met vierde lid, en 32
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die
artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de
Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt, blijven van toepassing op de
persoon die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en op die dag de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt.
-2. De artikelen
5, 12,
tweede tot en met vierde lid, en artikel
23 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die artikelen
luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO
in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon die op die dag
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
6, eerste lid, onderdeel b, van die wet.
-3. Vanaf de datum dat de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. 1993, 412) in werking is getreden,
vinden de voorgaande leden nog slechts toepassing met betrekking tot
personen die op die datum de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt.
Art.
53.
[Aanvullende uitkering bij afschatting]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, en op die dag de leeftijd van 35
jaar nog niet heeft bereikt en wiens arbeidsongeschiktheid als gevolg
van het bepaalde in de Wijzigingswet AAW/WAO met ingang van een later
gelegen dag minder bedraagt dan 80%, heeft met ingang van die later
gelegen dag recht op aanvullende uitkering.
-2. Geen recht op aanvullende uitkering heeft de persoon die niet voldoet
aan de voorwaarden voor het recht op werkloosheidsuitkering, bedoeld in
de artikelen
15 tot en met 17 van de nieuwe Werkloosheidswet, of op wie een
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel
19 van die wet van toepassing is.
-3. De duur van de aanvullende uitkering is voor de
persoon die op de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt:
a. jonger is dan 23 jaar: één jaar;
b. 23 jaar of ouder is, doch jonger dan 30 jaar: twee jaar;
c. 30 jaar of ouder is, doch jonger dan 35 jaar: drie jaar.
-4. Indien de persoon die recht
heeft op aanvullende uitkering gedurende de laatste vijf jaar vóór de
dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer, is, in afwijking van het derde lid, de duur van de
aanvullende uitkering vijf jaar.
-5. Het bedrag van de aanvullende uitkering wordt berekend met
overeenkomstige toepassing van de artikelen
44 tot en met 47 van de nieuwe Werkloosheidswet.
-6. Dit artikel is slechts van toepassing indien de later gelegen dag,
bedoeld in het eerste lid, niet later is gelegen dan binnen twee jaar na
de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt en ten aanzien
van de persoon, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, niet eerder dan
één jaar na de dag waarop de Wijzigingswet AAW/WAO in werking treedt.
Onze Minister is bevoegd voor bepaalde categorieën personen andere
tijdvakken dan als genoemd in de eerste volzin vast te stellen.
Art.
54.
[Aanvullende vervolguitkering bij afschatting]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon die recht heeft op de aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 53, heeft na het verstrijken van de daarvoor geldende
uitkeringsduur aansluitend recht op aanvullende vervolguitkering
gedurende één jaar indien hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de
artikelen
15 en 16,
alsmede 42,
tweede tot en met negende lid, of artikel 48, tweede lid, van de
nieuwe Werkloosheidswet,
en op wie geen
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel
19 van die wet van toepassing is.
-2. Het bedrag van de aanvullende vervolguitkering wordt berekend met
overeenkomstige toepassing van de artikelen
51 en 52
van de nieuwe Werkloosheidswet.
Art.
55.
[Aanvullende bepalingen aanvullende
(vervolg)uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 2007, 302]
-1. Met betrekking tot de aanvullende uitkering en de aanvullende
vervolguitkering zijn de artikelen 20, 22
tot en met 40, 76, 128
en 129
van de nieuwe Werkloosheidswet
van overeenkomstige toepassing.
-2. De persoon die in verband met werkloosheid recht heeft op
aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering, heeft ter zake
van dezelfde werkloosheid geen recht op uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-3. De aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering worden,
voor zover in deze wet of de daarop berustende bepalingen niet anders is
bepaald, voor de toepassing van wettelijke bepalingen beschouwd als
uitkering op grond van de nieuwe Werkloosheidswet.
-4. De aanvullende uitkering en de aanvullende vervolguitkering komen ten
laste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
34 van de Wet financiering volksverzekeringen, en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
72 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot de verdeling van de
lasten, bedoeld in het vierde lid, over de in dat lid genoemde fondsen.
Art.
56.
[Herleving recht op aanvullende (vervolg)uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
-1. Indien het recht op aanvullende uitkering of aanvullende
vervolguitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de
nieuwe Werkloosheidswet
geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die
tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan, zonder dat
een recht op uitkering als bedoeld in artikel
15 van die wet is ontstaan, herleeft het recht op aanvullende
uitkering of aanvullende vervolguitkering met overeenkomstige toepassing
van artikel
8 van die wet en de op grond van artikel
21, tweede lid, van die wet gestelde regels.
-2. Telkens nadat het recht op
aanvullende uitkering of aanvullende vervolguitkering na een gehele
eindiging van dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, eindigt
het recht op die uitkering zoveel later dan de in artikel
53, derde of
vierde lid, dan wel in artikel 54, eerste lid, genoemde periode als de
periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op die
uitkering heeft geduurd.
Art.
57.
[Herleving recht op aanvullende uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
-1. Indien het recht op aanvullende uitkering door het verrichten van
arbeid geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na beëindiging
van die arbeid een recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel
15 van de nieuwe Werkloosheidswet, herleeft het recht op aanvullende
uitkering, voor zover geen recht op genoemde uitkering bestaat, met
ingang van de dag waarop het recht op die uitkering is ontstaan en
overigens met ingang van de eerste dag na het verstrijken van de
uitkeringsduur, bedoeld in artikel
42 van die wet.
-2. Het eerste lid is slechts
van toepassing indien de in het eerste lid bedoelde dag is gelegen
binnen een tijdvak van:
a. twee jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
53, derde
lid, onderdeel a;
b. vier jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
53, derde
lid, onderdeel b;
c. zes jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
53, derde
lid, onderdeel c;
d. tien jaar ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
53, vierde
lid;
te rekenen vanaf de later gelegen dag, bedoeld in artikel
53, eerste
lid.
-3. Indien het recht op aanvullende uitkering na een gehele eindiging van
dat recht is herleefd op grond van het eerste lid, is de uitkeringsduur
de duur van de aanvullende uitkering die betrokkene als gevolg van die
eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen, doch ten hoogste
de duur van de periode beginnend op de dag, bedoeld in het eerste lid,
en eindigend op de laatste dag van het voor betrokkene geldende tijdvak,
bedoeld in het tweede lid.
Art.
58.
[Schakelbepaling]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
53, is artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
uitkeringsduur op grond van de nieuwe Werkloosheidswet
in aanmerking wordt genomen de uitkeringsduur op grond van deze
afdeling.
Art.
59.
[Nadere regelgeving aanvullende uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT + bis;
Stb. 2007, 302]
Onze Minister is bevoegd in verband met het recht op aanvullende
uitkering nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen met betrekking
tot de voorwaarden, bedoeld in artikel 53, tweede lid.
HOOFDSTUK
IV
De
Ziektewet
AFDELING
I
Wijzigingen van de wet
Art. 60.
[Wijziging ZW] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Ziektewet (Stb. 1967, 473) wordt gewijzigd als volgt:
A.
In
artikel 1, onderdeel a, wordt "Onze Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid" vervangen door: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
B. [MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden schepen en
luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
C. [MvT]
Artikel 3
wordt vervangen door:
Art. 3.
-1. Werknemer
is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in
privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn
dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet
als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont
en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of
gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in
Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van
zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of
gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in
Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij
door of vanwege
Onze
Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste
volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever.
-3. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat:
a. personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden
beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen;
b. personen die in Nederland wonen ook als werknemer worden
beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland
vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
-4. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het
eerste en het tweede lid worden afgeweken ten aanzien
van:
a.
vreemdelingen;
b. personen
op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering
tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van
de Nederlandse Antillen, van een andere mogendheid of
van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen
die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of
tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
D. [MvT]
Artikel 4,
eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. In de aanhef wordt tussen de woorden
"wordt" en "beschouwd" ingevoegd: mede.
2. Onderdeel e wordt vervangen
door:
e. degene die een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale
Werkvoorziening (Stb. 1967, 687);.
E. [MvT]
In
artikel 6, eerste lid, vervalt onderdeel d.
F. [MvT]
In
artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
onderdeel a wordt tussen "krachtens"
en "de Werkloosheidswet" ingevoegd
"de verplichte verzekering op grond van" en wordt na "Werkloosheidswet"
op de
gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer
van het Staatsblad waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is
geplaatst.
2.
Onderdeel b vervalt, waarna de aanduiding van de
onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in
b tot en
met d.¹
3. In
onderdeel b wordt de zinsnede beginnend met: "krachtens" en eindigend met
"Werkloosheidswet"
vervangen door: krachtens artikel
103 [101], tweede lid,
onderdeel e, van de Werkloosheidswet.
4. In
onderdeel d wordt het gestelde na "Werkloosheidswet"
vervangen door: of van het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekering van een bedrijfsvereniging.
G. [MvT]
Artikel 9
wordt vervangen door:
Art. 9.
Werkgever is
de natuurlijke persoon tot wie of het lichaam tot welk
één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking
staan.
H. [MvT]
In artikel 10, aanhef, wordt de zinsnede "degene toe wie de dienstbetrekking
bestaat,"
vervangen door: werkgever.
I. [MvT]
In
artikel 11, eerste lid, wordt "a, b
en c",
"d" en "e" onderscheidenlijk vervangen door:
a en b, c en d.
J. [MvT]
In artikel 13 vervalt het tweede lid, waarna de
aanduiding van het eerste lid vervalt.
K. [MvT]
Artikel 14,
derde lid, vervalt.
L. [MvT]
Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het
derde lid vervalt.
2. Het
vierde tot en met het achtste lid worden vernummerd tot
het derde tot en met het zevende lid.
3. In het
vijfde lid wordt "vierde lid" vervangen door: derde
lid.
4. In het
zesde lid wordt "vijfde en zesde lid" vervangen door
"vierde en vijfde lid" en "vierde lid" vervangen
door: derde lid.
M. [MvT]
De
artikelen 16 en 17 vervallen.
N. [MvT]
Artikel
33 wordt vervangen door:
Art. 33.
-1. De
bedrijfsvereniging is bevoegd hetgeen op grond van deze
wet onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk
terug te vorderen of in mindering te brengen op een
later te betalen ziekengeld op grond van deze wet, op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, op een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet
of op een toeslag op
grond van de Toeslagenwet:
a. gedurende
vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien zij
door toedoen van de verzekerde onverschuldigd heeft
betaald;
b. gedurende
twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de
overige gevallen waarin het de verzekerde redelijkerwijs
duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging
onverschuldigd betaalde.
-2. Indien de
verzekerde ziekengeld, een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, een
werkloosheidsuitkering of een toeslag ontvangt van een
andere bedrijfsvereniging dan de bedrijfsvereniging die
onverschuldigd heeft betaald, is die andere
bedrijfsvereniging bevoegd, zonder machtiging van de
verzekerde, de bedragen die teruggevorderd kunnen worden
of in mindering kunnen worden gebracht, te betalen aan
de bedrijfsvereniging die onverschuldigd heeft betaald.
-3. Indien de bedrijfsvereniging
gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de
verzekerde daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
O. [MvT]
Artikel 33a wordt vervangen door:
Art. 33a.
-1. Indien
een verzekerde recht op ziekengeld heeft over een
periode waarover een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers
of
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan
krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) is
verleend, is de bedrijfsvereniging bevoegd het
ziekengeld over die periode tot ten hoogste het bedrag
van die verleende uitkering of bijstand, zonder
machtiging van de verzekerde, te betalen aan het
betrokken gemeentebestuur.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, vergoedt de
bedrijfsvereniging aan het gemeentebestuur tevens het
bedrag aan premies op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb. 1980, 1) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1967, 655) dat ten laste is gekomen
van het gemeentebestuur dat die uitkering of bijstand
verleende.
-3. De
bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, ontbreekt voor
zover bij de verlening van bijstand met de uitkering
rekening is gehouden.
-4. Indien de bedrijfsvereniging
gebruikmaakt van haar bevoegdheid, bedoeld in dit artikel, stelt zij de
verzekerde daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
P. [MvT]
In
artikel 35 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
-1. Het tweede tot en met het vijfde lid worden
vernummerd tot het vijfde tot
en met het achtste lid, waarna een nieuw tweede, derde
en vierde lid worden ingevoegd, luidende:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of
gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren, tenzij
het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding
als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien twee
ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien
beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-4. Onze Minister kan nadere regels stellen
voor de toepassing van het derde lid.
2. In het zesde lid wordt "het eerste
en het tweede lid" vervangen door: het eerste tot en met het vijfde
lid.
3. In het zevende lid wordt "tweede
lid" vervangen door: vijfde lid.
4. In het achtste lid wordt "het
tweede en het vierde lid" vervangen door: het vijfde en het zevende
lid.
Q.
In
artikel 55, tweede lid, wordt "a, b en
c" vervangen door "a en b" en wordt "e" vervangen
door:
d.
R.
Artikel 58, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt de persoon die niet verzekerd
is uitsluitend omdat bij de 65-jarige leeftijd heeft
bereikt, met een
verzekerde gelijkgesteld.
S. [MvT]
In
artikel 64 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot
en met g gewijzigd in f tot en met h.²
2. In het
eerste lid wordt na onderdeel d een nieuw onderdeel
e
ingevoerd, luidende:
e. degene
wiens arbeidsverhouding op grond van artikel
6, eerste
lid, onderdeel c, niet als dienstbetrekking wordt
beschouwd;.
3. Het
tweede lid wordt vervangen door:
-2. De in het
eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten
aanzien van de persoon jonger dan 65 jaar:
a. wiens
verplichte verzekering is geëindigd, die buiten
Nederland woont en aldaar een dienstbetrekking vervult
en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd
is; of
b. die
Nederlander is en die werkzaamheden verricht of gaat
verrichten in een ontwikkelingsland.
4. Aan het artikel
wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4.
Onze
Minister en Onze Minister belast met de zorg voor
ontwikkelingssamenwerking bepalen welk land als
ontwikkelingsland wordt beschouwd.
T. [MvT]
Artikel 66 wordt
vervangen door:
Art. 66.
-1. Het verzoek om toelating
tot de vrijwillige verzekering dient te worden ingediend
bij de bedrijfsvereniging:
a. door de in artikel
64,
eerste lid, onderdeel a, b en c, en tweede lid,
onderdeel a, bedoelde personen binnen één maand na het
einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in
artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en
h, bedoelde
personen binnen één maand na de dagtekening van de
beslissing waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk werd toegekend, herzien of
ingetrokken.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde personen worden geacht een verzoek om toelating
binnen één maand na de dagtekening van de beslissing te
hebben gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen één
maand na de dag waarop zij redelijkerwijze hebben
kunnen kennisnemen van die beslissing.
-3. De
bedrijfsvereniging is bevoegd te verklaren dat een
verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering,
ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de
daarop berustende bepalingen gestelde termijn, geacht
wordt tijdig te zijn ingekomen indien de persoon die
het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs niet geacht kan
worden in verzuim te zijn geweest.
U. [MvT]
Artikel
69 vervalt.
V. [MvT]
Onder
vernummering van de artikelen 67 en
68 tot artikelen
68 en
69 wordt
na artikel 66 een nieuw artikel 67 ingevoegd, luidende:
Art. 67.
Toelating
tot de vrijwillige verzekering geschiedt ten aanzien van
de persoon:
a. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging die laatstelijk het risico voor de
verplichte verzekering droeg;
b. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever zou zijn
aangesloten geweest indien de werkzaamheden ter zake
waarvan de persoon die tot de vrijwillige verzekering
wenst te worden toegelaten, in het buitenland tegen
geldelijke gevolgen van ziekte verzekerd was, in
Nederland in dienstbetrekking waren verricht;
c. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel c, door de
bedrijfsvereniging waarbij de persoon die tot de
vrijwillige verzekering wenst te worden toegelaten als
werkgever zou zijn aangesloten indien voor het bedrijf
of beroep dat hij uitoefent of gaat uitoefenen
personeel in zijn dienst was;
d. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel d, door de
bedrijfsvereniging die het risico van de verplichte
verzekering draagt;
e. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel e, door de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en
Huisvrouwen;
f. bedoeld
in artikel 64, eerste lid, onderdeel f, g en
h, door de
bedrijfsvereniging die de beslissing met betrekking tot
de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genomen;
g. bedoeld
in artikel 64, tweede lid, onderdeel a, door de
bedrijfsvereniging waarbij de werkgever van de persoon
die tot de vrijwillige verzekering wenst te worden
toegelaten, is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben;
h. bedoeld
in artikel 64, tweede lid, onderdeel b:
1º. die in
het kader van ontwikkelingssamenwerking door een in
Nederland gevestigde organisatie naar een
ontwikkelingsland is of wordt uitgezonden, door de
bedrijfsvereniging waarbij die organisatie is of zou
zijn aangesloten indien zij in Nederland personeel in
dienst heeft of zou hebben;
2º. die,
anders dan in het geval, bedoeld onder 1º, in
dienstbetrekking staat tot een in Nederland wonende of
gevestigde werkgever en naar een ontwikkelingsland is of
wordt uitgezonden, door de bedrijfsvereniging waarbij
die werkgever is of zou zijn aangesloten indien hij in
Nederland personeel in dienst heeft of zou hebben; en
3º. die
niet onder 1º of 2º valt, door de Bedrijfsvereniging
voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen.
W. [MvT]
Artikel 72a vervalt.
X.
In
artikel 73 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid, onderdeel
c, vervalt de zinsnede
"op grond van het bepaalde in
artikel 64, eerste en tweede lid, en artikel 72a".
2.
In het derde lid wordt "artikel
35, vierde lid"
vervangen door: artikel 35,
zevende lid.
Y.
In
artikel 73a wordt "artikel
35, vierde lid" vervangen
door: artikel 35, zevende lid.
1. Volgens
de redactie dient "waarna de aanduiding van de
onderdelen c tot en met e wordt gewijzigd in
b tot en
met d" te worden vervangen door: waarna de
onderdelen c tot en met e worden
verletterd tot onderdelen b tot en met d.
2. Volgens de redactie dient "In het eerste
lid wordt de aanduiding van de onderdelen e tot
en met g gewijzigd in f tot en met h"
te worden vervangen door: In het eerste lid worden de
onderdelen e tot en met g verletterd tot
onderdelen f tot en met h.
Art.
61. [Wijziging
ZW] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
Met ingang
van een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
datum wordt de Ziektewet gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 15 wordt vervangen door:
Art. 15.
-1. Voor de
berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze
wet aanspraak bestaat, wordt als dagloon beschouwd het
loon dat de werknemer in de regel in de periode van
dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn ongeschiktheid tot werken gemiddeld per dag in de
dienstbetrekking waarvoor hij ongeschikt tot werken is
geworden, verdiende, voor zover dat loon in de
bedrijfstak algemeen gebruikelijk, vast, gegarandeerd en
regelmatig verstrekt is of inherent is aan de functie.
-2. De
Sociale Verzekeringsraad stelt nadere regels met
betrekking tot de vaststelling van het dagloon.
-3. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd in afwijking van het
tweede lid regels te stellen met betrekking tot de
vaststelling van het dagloon voor één of meer groepen
werknemers.
-4. De
bedrijfsvereniging is bevoegd, in afwijking van het
tweede en derde lid, regels te stellen met betrekking
tot de vaststelling van het dagloon voor alle of voor
één of meer groepen bij haar verzekerde werknemers.
-5. De in het
tweede, derde en vierde lid bedoelde regels kunnen
bepalingen bevatten met betrekking tot de herziening van
het dagloon bij wijziging van het loonpeil in het beroep
van de werknemer tijdens de ongeschiktheid tot werken.
B. [MvT]
Na
artikel 15 wordt een nieuw artikel 16 ingevoegd,
luidende:
Art. 16.
-1. De
Sociale Verzekeringsraad hoort alvorens regels te
stellen op grond van artikel
15, tweede en derde lid, de
bedrijfsverenigingen.
-2. De door
de Sociale Verzekeringsraad op grond van artikel 15,
tweede en derde lid, te stellen regels behoeven de
goedkeuring van
Onze
Minister alvorens zij in werking
kunnen treden.
-3. Indien
Onze Minister zijn goedkeuring, bedoeld in het tweede
lid, onthoudt of zijn goedkeuring intrekt, kunnen de in
dat lid bedoelde regels door Onze Minister worden
vastgesteld.
-4. De
bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels
op grond van artikel 15, vierde lid, de goedkeuring van
de Sociale Verzekeringsraad.
-5. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd de goedkeuring,
bedoeld in het vierde lid, in te trekken indien de in
artikel 15, tweede en derde lid, bedoelde regels
wijziging ondergaan.
-6. Regels
van een bedrijfsvereniging als bedoeld in artikel 15,
vierde lid, die afwijken van de op grond van het derde
lid door Onze Minister vastgestelde regels, van de door
Onze Minister aangewezen bepalingen of van de in artikel
15, tweede en derde lid, bedoelde regels, behoeven de
goedkeuring van Onze Minister.
-7. In de
Nederlandse Staatscourant worden openbaar gemaakt:
a. de
regels, bedoeld in artikel 15, tweede en derde lid;
b.
de regels, bedoeld in artikel
15, vierde lid;
c. de
regels, bedoeld in het derde lid.
-8. In de
Nederlandse Staatscourant worden bekendgemaakt:
a. het
ontwerp van de regels van Onze Minister, bedoeld in het
derde lid;
b. het
ontwerp van een besluit van Onze Minister tot het
onthouden of intrekken van de in het derde en zesde lid
bedoelde goedkeuring.
-9. De
vaststelling van de regels en het besluit, bedoeld in
het derde en het zesde lid, geschiedt niet eerder dan
twee maanden na de in het achtste lid bedoelde
bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.
AFDELING
II
Overgangsbepalingen
Art.
62.
[Zes weken minimumdagloon bij
arbeidsongeschiktheid]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
De persoon ten aanzien van wie op de
dag voorafgaande aan die waarop
artikel 60 in werking treedt op grond van artikel
17, eerste lid, van de Ziektewet het
minimumdagloon in aanmerking werd genomen en die op de dag van
inwerkingtreding van
artikel 60 op grond van die bepaling voor het minimumdagloon in
aanmerking zou zijn gekomen als artikel 17
van de Ziektewet niet was vervallen, wordt ten
hoogste gedurende de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken
voor het minimumdagloon in aanmerking gebracht.
Art.
63.
[Minimumdagloon bij ZW- en TW-uitkering]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. De persoon ten aanzien van
wie op de dag voorafgaande aan die waarop
artikel 60 in werking treedt
op grond van artikel 17, tweede en derde lid, van de Ziektewet het minimumdagloon in
aanmerking werd genomen en op de dag van inwerkingtreding van
artikel 60 op grond van die bepaling voor het minimumdagloon in aanmerking zou zijn
gekomen als artikel 17 van de Ziektewet niet was vervallen, wordt zolang hij
onafgebroken uitkering op grond van de Ziektewet
ontvangt voor het minimumdagloon in aanmerking gebracht. Voor de
toepassing van de eerste volzin wordt de uitkering geacht niet te zijn
onderbroken indien perioden waarover ziekengeld wordt uitgekeerd elkaar
met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-2. Indien voor de in het eerste lid bedoelde persoon op de dag
voorafgaande aan die waarop
artikel 60 in werking treedt het
minimumdagloon in aanmerking werd genomen met toepassing van artikel
17, vierde lid, van de Ziektewet, wordt voor het recht op toeslag op
grond van de Toeslagenwet
als dagloon aangemerkt 70% van het voor deze persoon in aanmerking
genomen minimumdagloon.
Art.
64.
[Begrip minimumdagloon]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Voor de toepassing van de artikelen 62 en 63 wordt onder minimumdagloon
verstaan het minimumdagloon dat zou zijn vastgesteld als artikel
16 van de Ziektewet, zoals dat artikel luidde op de
dag
voorafgaande aan die waarop
artikel 60 in werking treedt, niet was
vervallen.
Art.
64a.
[Kopjesregeling ZW-ers]
[Geschiedenis:
Stb. 1998, 205; Stcrt.
1998, 244; Stb. 1998, 742;
Stcrt. 1999, 132; Stcrt.
1999, 242; Stcrt. 2000, 113;
Stcrt. 2000, 228; Stb.
2000, 571; Stcrt. 2001, 120;
Stcrt. 2001, 248; Stcrt.
2002, 115; Stcrt. 2002, 245;
Stcrt. 2003, 54; Stcrt.
2003, 119; Stcrt. 2003, 249;
Stcrt. 2004, 57; Stcrt.
2004, 120; Stb. 2004, 363;
Stcrt. 2004, 244; Stb.
2005, 192; Stcrt.
2005, 63; Stcrt. 2005, 245;
Stcrt. 2006, 125; Stcrt.
2007, 35; Stcrt. 2007, 120;
Stb. 2007, 302; Stcrt.
2007, 247]
-1. De persoon die 21 jaar of
ouder is, die voor de toepassing van de Toeslagenwet
niet als gehuwd wordt aangemerkt en voor wie de algemene
heffingskorting, bedoeld in artikel
22 van de Wet
op de loonbelasting 1964, maar niet de alleenstaandeouderkorting, bedoeld in artikel
8.15 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van toepassing is en die
recht heeft op uitkering op grond van de Ziektewet
berekend naar een dagloon dat ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, heeft recht op een verhoging van zijn uitkering op grond
van de Ziektewet
indien die uitkering per dag, indien hij 21 jaar, 22 jaar,
onderscheidenlijk 23 jaar of ouder is, minder bedraagt dan €|30,44, €|36,32, onderscheidenlijk
€|47,17.
-2. De in het eerste lid bedoelde verhoging bedraagt het verschil tussen
het bedrag, genoemd in het eerste lid, en de uitkering per dag op grond
van de Ziektewet,
doch ten hoogste het verschil tussen het voor betrokkene geldende
bedrag, genoemd in het eerste lid, en 70% van het minimumloon, zijnde
het minimumloon per maand, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of, indien het een
persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per maand dat voor
zijn leeftijd geldt op grond van artikel
7, derde lid, en artikel
8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. Onder het in het eerste lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het
minimumloon per maand, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een persoon jonger dan 23 jaar
betreft, het minimumloon per maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond
van artikel
7, derde lid, en artikel
8, derde lid, van die
wet, beide vermeerderd met de daarover
berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel
15 van die
wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
-4. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden door
Onze Minister herzien op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip als waarop de
bedragen, genoemd in hoofdstuk 3 van de
Wet werk en bijstand, worden herzien, waarna de herziene
bedragen voor de in het eerste lid genoemde bedragen in de plaats
treden.
HOOFDSTUK
V
De
Organisatiewet Sociale Verzekering
AFDELING
I
Wijzigingen van de wet
Art. 65.
[Wijziging OSV] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De
Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1952, 344)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In onderdeel a wordt
"Onze Minister, met de
uitvoering dezer wet belast" vervangen door: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
2. In
onderdeel e wordt "hoofdstuk II" vervangen
door
"artikel 105" en wordt voorts na "Werkloosheidswet"
op de gebruikelijke wijze de jaargang en het nummer van
het Staatsblad vermeld waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is geplaatst.
3. De punt
aan het slot van het artikel wordt vervangen door een
puntkomma, waarna een nieuw onderdeel h wordt
toegevoegd, luidende:
h. Toeslagenfonds: het fonds,
bedoeld in artikel 29 [31] van de Toeslagenwet.
B. [MvT]
In
artikel 2, eerste lid, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. In onderdeel c wordt
"wachtgeld- en werkloosheidsverzekering" vervangen
door: werkloosheidsverzekering.
2. De punt
aan het slot van het lid wordt vervangen door een
puntkomma, waarna een nieuw onderdeel d wordt
toegevoegd, luidende:
d. de
wettelijke regeling met betrekking tot toeslagen op
uitkeringen op grond van de in onderdeel a tot en met
c
bedoelde verzekeringen.
C. [MvT]
In de
artikelen 2, derde en vierde lid, 4, eerste lid, onderdeel a en c, 5, eerste lid,
onderdeel
a en c, 11,
12, vierde lid, 16a, 46, tweede lid, en 48 wordt de
zinsnede "onderdeel a tot en met c, genoemde takken van
verzekering" vervangen door: onderdeel a tot en met
c,
genoemde takken van verzekering en de in onderdeel d van
dat lid bedoelde voorziening.
D. [MvT]
In de
artikelen 14, derde en zesde lid, 16 en 51, eerste lid,
wordt de zinsnede beginnend met "de wetten" en
eindigend met "geregeld" vervangen door: de wetten,
waarbij de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot en
met c, genoemde takken van verzekering en de in
onderdeel d van dat lid bedoelde voorziening zijn
geregeld.
E. [MvT]
In
artikel 23 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste, tweede en vierde lid wordt na "takken van
verzekering" ingevoegd: met inbegrip van de voorziening
met betrekking tot toeslagen.
2. In het
elfde lid word "wachtgeld- en
werkloosheidsverzekering" vervangen door:
werkloosheidsverzekering en de wettelijke regeling met
betrekking tot toeslagen.
F. [MvT]
In
artikel 27 wordt "het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds" vervangen door: het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds.
G. [MvT]
Artikel
47 wordt vervangen door:
Art. 47.
-1. De
Sociale Verzekeringsraad is, voor zover dat toezicht op
grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen
niet aan anderen is opgedragen, belast met het toezicht
op de uitvoering van deze wet, op de uitvoering van de
wetten die de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a tot
en met c, genoemde takken van verzekering en de
in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van dat lid bedoelde voorziening regelen, op
de organen die deze regelingen uitvoeren of
administreren, alsmede op de Gemeenschappelijke Medische
Dienst.
Onze
Minister is bevoegd ter zake nadere regels
te stellen.
-2. De
Sociale Verzekeringsraad is bevoegd voorschriften te
geven omtrent de samenwerking van organen die met
betrekking tot de uitvoering van deze wet of van één van
de wetten die de in artikel 2, eerste lid, onderdeel a
tot en met c, genoemde takken van verzekering en de in
artikel 2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde voorziening
regelen, een controlerende of toezichthoudende taak
uitoefenen.
H. [MvT]
In
artikel 49, eerste en tweede volzin, wordt "het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, onderscheidenlijk het
Arbeidsongeschiktheidsfonds" vervangen door: het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds.
I. [MvT]
In de
artikelen 50, 58 en 61, eerste tot en met vijfde lid,
wordt na "Arbeidsongeschiktheidsfonds" telkens
ingevoegd: het Toeslagenfonds,.
J. [MvT]
In
artikel 51, derde lid, wordt "takken der
verzekering"
vervangen door: wettelijke regelingen.
K. [MvT]
In de
artikelen 56 en 61, eerste en derde tot en met zevende
lid, en 62, tweede lid, wordt de zinsnede beginnend met
"welke" en eindigend met "regelen" vervangen door:
die de takken van verzekering, genoemd in artikel 2,
eerste lid, onderdeel a tot en met c, en de in artikel
2, eerste lid, onderdeel d, bedoelde voorziening
regelen.
AFDELING
II
Overgangsbepalingen
Art.
66.
[Voorkoming nadeel voor personeel
WWV-uitvoeringsorganen bij overgang naar UWV]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb. 2007, 302]
-1. De organen die op grond
van deze wet of de daarop berustende bepalingen zijn belast met de
uitvoering van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn gehouden in gezamenlijk overleg al datgene
te verrichten waardoor voor hun personeel mogelijke nadelige gevolgen
van de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet
worden voorkomen.
-2.
Onze Minister is bevoegd, na overleg met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, nadere regels te stellen met betrekking tot de
overgang van personeel belast met de uitvoering van de Wet
Werkloosheidsvoorziening, naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in verband met de invoering van de nieuwe Werkloosheidswet.
Art. 67.
[Wijziging OSV] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
Indien het
bij koninklijke boodschap van 16 april 1982 ingediende
voorstel van wet houdende regelen met betrekking tot de
bevordering van de deelname van gehandicapten aan het
arbeidsproces (Wet arbeid gehandicapte werknemers) (Kamerstukken II
1981-1982, 17 384) tot wet is verheven
en in werking is getreden, wordt in artikel
65,
onderdeel C, de
zinsnede "In de artikelen 2, tweede en
derde lid", vervangen door: In de artikelen 2, derde en
vierde lid,.
HOOFDSTUK
VI
De
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Art. 68.
[Wijziging CSV] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De
Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966, 64)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 1
wordt vervangen door:
Art. 1.
In deze wet
en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze
Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Sociale
Verzekeringsraad: de Sociale Verzekeringsraad, bedoeld
in hoofdstuk III van de Organisatiewet Sociale
Verzekering (Stb. 1952, 344);
c.
uitvoeringsorgaan: het op grond van de Organisatiewet
Sociale Verzekering of de daarop berustende bepalingen
aangewezen uitvoeringsorgaan; met
betrekking tot de Ziekenfondswet
(Stb. 1964, 392) wordt
onder uitvoeringsorgaan verstaan de bedrijfsvereniging
waarbij de werkgever op grond van de bepalingen van de
Organisatiewet Sociale Verzekering voor de betrokken
werknemers aangesloten is of zou zijn indien zij
verzekerd waren op grond van de Ziektewet
(Stb. 1967,
473).
B. [MvT]
In
artikel 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In
onderdeel b wordt na "Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering" ingevoegd: (Stb.
1977, 492).
2. In
onderdeel c wordt na "Werkloosheidswet" op de
gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer
van het Staatsblad waarin de nieuwe
Werkloosheidswet is
geplaatst.
C. [MvT]
Voor de
tekst van artikel 3a
wordt de aanduiding "-1." geplaatst,
waarna aan het artikel een tweede lid wordt toegevoegd,
luidende:
-2. De werknemer die een uitkering ontvangt uit hoofde van de
verplichte verzekering op grond van de Ziektewet
of de
verplichte verzekering dan wel hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet, wordt tijdens de duur van die uitkering
geacht in dienstbetrekking te staan tot het
uitvoeringsorgaan dat die uitkering verstrekt.
D. [MvT]
In
artikel 6, eerste lid, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1. De onderdelen e en
f worden vervangen
door:
e.
uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen toeslagen op
grond van de Toeslagenwet, behoudens uitkeringen uit
hoofde van de verplichte verzekering op grond van de
Ziektewet en uitkeringen uit hoofde van de verplichte
verzekering en hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet
en
de daarop verleende toeslagen op grond van de
Toeslagenwet;
f.
periodieke uitkeringen die naar aard en strekking
overeenkomen met uitkeringen op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, behoudens indien het
betreft een aanvulling op een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op grond
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1980,
28) of op grond van beide wetten;
2. Aan het
slot van onderdeel h wordt de puntkomma vervangen door
een komma, waarna wordt toegevoegd: behoudens indien het
betreft een aanvulling op een uitkering op grond van de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet tezamen;.
E. [MvT]
Artikel 6, lid 1a, vervalt.
HOOFDSTUK
VII
De
Algemene Bijstandswet
AFDELING
I
Wijziging van de wet
Art. 69.
[Wijziging ABW] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Algemene
Bijstandswet (Stb. 1963, 284) wordt gewijzigd als volgt:
Na artikel 84d een nieuw artikel 84g ¹ ingevoegd,
luidende:
Art. 84g.¹
Indien
bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan wordt verleend over een periode waarover een
voorschot is ontvangen met toepassing van artikel
31,
tweede lid, van de Werkloosheidswet, al dan niet met
gelijktijdige toepassing van artikel
15 [17], eerste lid, van
de Toeslagenwet, en dit voorschot wordt teruggevorderd,
kan deze bijstand zonder machtiging van de rechthebbende
tot het bedrag van dit voorschot aan de
bedrijfsvereniging worden betaald.
1. Volgens de redactie dient
"84g" te worden vervangen door: 84e.
AFDELING
II
Wijziging van het
Bijstandsbesluit landelijke normering
Art. 70.
[Wijziging Bln] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
Het
Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132)
wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 1 wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van artikel 1 wordt de
aanduiding "-1." geplaatst.
2. De onderdelen b, c en d
van het eerste lid worden vervangen door:
b. echtpaar: de in gezinsverband levende gehuwden alsmede de niet
met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die
duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft
personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat;
c. eenoudergezin: de man of vrouw met één of meer kinderen die
niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon
dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend
bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
d. alleenstaande:
1º. de persoon van 21 jaar of ouder zonder kinderen die niet duurzaam
een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een
gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de
eerste of tweede graad;
2º. de persoon van 18 tot 21 jaar zonder kinderen die niet in het
gezinsverband van zijn ouder(s) leeft en die niet duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een
gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de
tweede graad, werknemer is in de zin van de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers en voor wie geen recht bestaat op kinderbijslag
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;.
3. Toegevoegd worden een tweede en derde
lid, luidende:
-2. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, c en d, kan slechts sprake zijn indien
twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien
beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-3. Onze Minister kan nadere regels stellen
voor de toepassing van het tweede lid.
B. [MvT]
Artikel 9a wordt vervangen door:
Art. 9a.
Artikel 11,
eerste lid, is niet van toepassing op de inkomsten van
een alleenstaande van 18 jaar.
C. [MvT]
In artikel 11 worden het tweede en derde lid vervangen
door:
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
de netto-uitkering op grond van de Ziektewet indien deze uitkering
betrekking heeft op de in dat lid bedoelde inkomsten.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op het inkomen uit bedrijf
of beroep van de persoon die als zelfstandige bijstand ontvangt.
D.
[MvT]
In artikel 18 worden de
onderdelen a en c vervangen door:
a. voor een
echtpaar waarvan ten minste één der echtelieden de
65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en waarvoor de
in artikel 16, derde lid, genoemde inkomensvrijlating
niet van toepassing is, ƒ15 900,00;
c. voor een
echtpaar waarvan beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn
of waarvoor de in artikel 16, derde lid, genoemde
inkomensvrijlating van toepassing is, ƒ9600,00;.
AFDELING
III
Wijziging van het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria
Art. 71.
[Wijziging Bld] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
Het
Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria (Stb.
1980, 87) wordt gewijzigd als volgt:
In artikel 1
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Voor de tekst van artikel 1 wordt
de aanduiding "-1." geplaatst.
2. De
onderdelen c, d en e van het eerste lid worden vervangen door:
c.
echtpaar: de in gezinsverband levende gehuwden alsmede de niet met
elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam
een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen
wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;
d. eenoudergezin: de man of vrouw met één of meer
kinderen die niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een
andere persoon dan wel een gezamenlijke huishouding voert met
uitsluitend bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
e. alleenstaande:
1º. de persoon van 21 jaar of ouder zonder kinderen die
niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon
dan wel een gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend
bloedverwanten in de eerste of tweede graad;
2º. de persoon van 18 tot 21 jaar zonder kinderen die
niet in het gezinsverband van zijn ouder(s) leeft en die niet duurzaam
een gezamenlijke huishouding voert met een andere persoon dan wel een
gezamenlijke huishouding voert met uitsluitend bloedverwanten in de
tweede graad, werknemer is in de zin van de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers of zelfstandige in de zin van de Rijksgroepsregeling
zelfstandigen, of arbeidsongeschikte in de zin van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
3. De aanduiding van de onderdelen f,
g en h van het
eerste lid wordt gewijzigd in g, h en i, waarna een nieuw onderdeel
f
wordt ingevoegd, luidende:
f. kind: het in het gezinsverband levende en ten laste
van zijn ouder(s) komende minderjarige kind;.
4. Toegevoegd worden een tweede en derde lid,
luidende:
-2. Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, d en e, kan slechts sprake zijn indien twee
ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien
beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-3. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van het
tweede lid.
1. Volgens
de redactie dient "De
aanduiding van de onderdelen f, g en h
van het eerste lid wordt gewijzigd in
g, h en i, waarna" te worden vervangen door: Onder
verlettering van de onderdelen f, g en h
tot onderdelen g, h en i, wordt.
AFDELING
IV
Wijziging van het
Bijstandsbesluit krediethypotheek
Art. 72.
[Wijziging Bkh] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
Het Bijstandsbesluit
krediethypotheek (Stb. 1983, 602) wordt gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 7, tweede lid, wordt vervangen door:
-2. Uitstel van betaling wordt verleend voor zover de verschuldigde
rente en aflossing het bedrag overschrijdt dat bij overeenkomstige
toepassing van de Beschikking individuele huursubsidie op het inkomen
van betrokkene aan woonkosten meer ten laste blijft dan bij het voor
betrokkene geldende minimuminkomen. Het uitstel heeft bij voorrang
betrekking op de aflossing.
B.
Na artikel 7, tweede lid, wordt, onder vernummering van het derde en
vierde lid
tot vierde en vijfde lid, toegevoegd een nieuw derde lid, luidende als volgt:
-3. Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid stelt nadere regelen ter berekening van het in het
vorige lid bedoelde bedrag.
HOOFDSTUK
VIII
Overige
wetten
Art.
73. [Wijziging BW] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
A. [MvT]
In
artikel 1638c van het Burgerlijk
Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het
eerste lid wordt tussen "korten tijd" en
"wanneer"
ingevoegd: doch ten minste voor een periode van zes
weken op het voor hem geldende wettelijk
minimumloon.
2. Het
zevende lid wordt vervangen door:
-7. Van de
bepalingen van dit artikel mag alleen bij schriftelijk
aangegane overeenkomst of bij reglement worden
afgeweken, met dien verstande dat de arbeider in het
geval, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval over
een periode van zes weken aanspraak heeft op het voor
hem geldende wettelijk minimumloon.
B. [MvT]
Artikel 1639l wordt gewijzigd als volgt:
In het derde lid wordt
na "leefde" ingevoegd: , dan wel de daarmee op grond
van een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
arbeidsongeschiktheidsverzekering ter zake van de
uitkering bij overlijden gelijkgestelde persoon,.
Art.
74. [Wijziging
Wet IB 1964] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
In artikel 37, tweede lid, van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1964, 519) vervalt ", alsmede
inkomsten in de vorm van uitkeringen ingevolge de
Werkloosheidswet".
Art.
75. [Wijziging
Wet LB] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
In artikel
17, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964, 521) vervalt ", alsmede loon in de vorm van
uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet".
Art.
76. [Wijziging
Wamil] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972,
313) wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In
artikel 8 wordt na "Coördinatiewet Sociale Verzekering" ingevoegd: alsmede van de
afdelingen II en
III van hoofdstuk III en van afdeling II van hoofdstuk
IV van de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid.
B. [MvT]
Artikel 9
wordt vervangen door:
Art. 9.
Artikel 34
van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot uitkeringen, anders dan bedoeld in dat
artikel, die worden ontleend aan een andere wettelijke
regeling.
C.
In de
artikelen 10 en 18 wordt "Onze Ministers van Defensie
en van Sociale Zaken" vervangen door: Onze Ministers
van Defensie en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Art.
77. [Wijziging
WSF] [Geschiedenis:
VvW;
MvT; Stb. 2007, 302]
De Wet
op de studiefinanciering (Stb. 1986, 252)
wordt gewijzigd als volgt:
A.
In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Onderdeel f wordt vervangen door:
f. partner van een studerende:
1º. degene met wie de studerende is gehuwd en van wie hij niet duurzaam
gescheiden leeft;
2º. de niet met de studerende gehuwde persoon van verschillend of
gelijk geslacht met wie de studerende duurzaam een gezamenlijke
huishouding voert, tenzij het betreft personen tussen wie
bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
2. Onderdeel l wordt vervangen door:
l. partner van de debiteur:
1º. degene met wie de debiteur is gehuwd en van wie hij niet duurzaam
gescheiden leeft;
2º. de niet met de debiteur gehuwde persoon van verschillend of gelijk
geslacht met wie de debiteur duurzaam een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de
eerste of tweede graad bestaat.
3. Onder aanduiding van de bestaande tekst
van artikel 1 als eerste lid worden twee leden toegevoegd, luidende:
-2. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel f, onder 2º, en onderdeel I, onder 2º, kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien
in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in eikaars verzorging voorzien.
-3. Onze Minister en Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels
stellen voor de toepassing van het tweede lid.
2. Toegevoegd wordt een tweede onderdeel, luidende:
B.
In artikel 26 wordt het derde lid, onderdeel a, vervangen door:
a. een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (Stb.
1963, 284), de Toeslagenwet
(Stb. ...), dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Stb.
...); en.
Art.
77a. [Wijziging
Wagw] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 302]
Artikel 8, eerste lid, van de
Wet arbeid gehandicapte werknemers (Stb. 1986, 300) wordt
vervangen door:
-1. Indien de arbeidsprestatie van een werknemer in een bepaalde functie
ten gevolge van ziekte of gebreken duidelijk minder is dan de
arbeidsprestatie die in de desbetreffende functie als normaal wordt
beschouwd, dan wel indien artikel 33a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
artikel 44a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
of beide artikelen worden toegepast dan wel indien beide situaties zich
voordoen, vermindert Onze Minister op
verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar
evenredigheid, zo nodig in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657) is bepaald.
HOOFDSTUK
IX
Slotbepalingen
Art.
78.
[Vermelding vindplaats TW, Ioaw en WW-nieuw]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. In de artikelen 36, eerste lid, van de
nieuwe Werkloosheidswet, 48,
eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 57,
eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
33,
eerste lid, van de Ziektewet, 1,
onderdeel h, van de Organisatiewet Sociale Verzekering, 6,
eerste lid, onderdeel e, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
9,
vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en 26,
derde lid, onderdeel a, van de Wet
op de studiefinanciering, zoals
deze luiden op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na
"Toeslagenwet"
op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het
Staatsblad waarin de Toeslagenwet
is geplaatst.
-2. In de artikelen 37, eerste lid, van de
nieuwe Werkloosheidswet,
21,
eerste lid, van de Toeslagenwet, 49,
eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 57a,
eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
33a,
eerste lid, van de Ziektewet en 26,
derde lid, onderdeel a, van de Wet
op de studiefinanciering, zoals
deze luiden op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na
"Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en
het nummer van het Staatsblad waarin de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers is geplaatst.
-3. In de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, 1,
eerste lid, onderdeel d, van de Toeslagenwet, zoals deze luiden op
de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na "Werkloosheidswet"
op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het
Staatsblad waarin de nieuwe Werkloosheidswet
is geplaatst.
Art.
79.
[Nummering artikelen; tekstplaatsing IWS]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. Waar in deze wet
nummeringen van artikelen en van leden van artikelen en aanduidingen van
onderdelen van artikelen worden aangehaald van:
a. de nieuwe Werkloosheidswet;
b. de Toeslagenwet;
c. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers;
d. de Wijzigingswet AAW/WAO;
e. de Wijzigingswet ABW;
worden deze door
Onze Minister in overeenstemming gebracht met de
nummering en de aanduiding zoals deze komen te luiden indien de
voorstellen van de onder a tot en met e bedoelde wetten tot wet zijn
verheven.
-2. De tekst van deze wet
zoals die luidt na toepassing van het eerste lid wordt door Onze
Minister van Justitie in het Staatsblad geplaatst.
Art.
80.
[Nadere regelgeving]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt door
Onze Minister geregeld.
Art.
81.
[Inwerkingtreding]
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
Stb. 2007, 302]
-1. Deze wet, met uitzondering
van artikel 40, onderdeel S, de nieuwe Werkloosheidswet, de
Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wijzigingswet AAW/WAO, de Wijzigingswet ABW en de
Wijzigingswet AOW treden in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende wetten en artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
-2. Artikel 40, onderdeel
S, treedt in werking op 1 januari 1987.
1. Bij Besluit van 26 november 1986, Stb.
1986, 597, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1987, red.
Art.
82.
[Citeertitel]
[Geschiedenis:
VvW;
Stb. 2007, 302]
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 november
1986
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de achttiende
november 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
MEMORIE VAN TOELICHTING
|
|