|
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de
artikelen 9, 12 en 32 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid (Stb. 1987, 94);
Besluit:
Art. 1.
Dit besluit verstaat onder:
a. wet: Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94);
b. nWW: Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93);
c. WW: Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan die
waarop de nWW in werking treedt;
d. WWV: Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485);
e. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Stb. 1987, 92).
Art. 2.
De persoon die ter zake van een vóór 1 januari 1987 geëindigde
dienstbetrekking geen recht heeft op uitkering op grond van de WW
dan wel die vóór 1 januari 1987 de maximumuitkeringsduur op grond van
de WW
bereikt, doch vervolgens onafgebroken tot 1 januari 1987 geen recht
heeft op uitkering op grond van de WWV
uitsluitend wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste
lid, onderdeel a, b, c, e, g, h of
j, van die
wet, wordt geacht op de
dag volgend op die waarop zijn dienstbetrekking eindigde dan wel hij de
bedoelde maximumuitkeringsduur bereikt, zijn recht op uitkering op grond
van de WWV
te hebben onderbroken.
Art. 3.
De persoon die op 31 december 1986 de maximumuitkeringsduur op grond
van de WW
bereikt, heeft met ingang van 1 januari 1987 recht op uitkering op grond
van de nWW, tenzij die wet dat verhindert. De in de eerste volzin
bedoelde persoon wordt voor de toepassing van de overige bepalingen van
de wet gelijkgesteld met de persoon, bedoeld in artikel
45 van de wet.
Art. 4.
Voor de toepassing van artikel
4 van de wet wordt de persoon die op grond van
artikel
21 van de WW wegens niet onvrijwillige werkloosheid, of artikel 31,
eerste lid, onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met
artikel
39 van de WW, geheel van het recht op uitkering wordt uitgesloten,
geacht de maximumuitkeringsduur, bedoeld in artikel
4, eerste lid, van de wet, te hebben bereikt op de dag voorafgaande
aan die waarop hij van het recht op uitkering op grond van de WW
is uitgesloten.
Art. 4a.
Voor de toepassing van artikel
4 van de wet wordt de persoon die na werkaanvaarding opnieuw
werkloos wordt na 31 december 1986 en die ter zake van de nieuwe
werkloosheid uitsluitend in verband met het bepaalde bij of krachtens de
artikelen
27 of 35
van de WW geen recht op uitkering op grond van die wet heeft, zolang
voor hem geen recht op uitkering op grond van de nWW is ontstaan, geacht
de maximumuitkeringsduur, bedoeld in artikel
4 van de wet, te hebben bereikt op de dag voorafgaande aan die waarop
hij opnieuw werkloos wordt.
Art. 5.
De persoon, bedoeld in artikel
4 van de wet, wiens recht op uitkering op grond van de
WW
is onderbroken door een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, eerste
lid, onderdeel g, i of k, zo nodig in verbinding met artikel 39, eerste
lid, van die wet, wordt, indien dat recht op 1 januari 1989 nog is
onderbroken door die omstandigheid, na afloop van die onderbreking
geacht zijn maximumuitkeringsduur op grond van de WW
te hebben bereikt.
Art. 6.
-1. Met de persoon, bedoeld in artikel
4, eerste lid, van de wet, wordt gelijkgesteld de persoon wiens
dienstbetrekking vóór 1 januari 1987 is geëindigd doch onafgebroken tot
1 januari 1987 geen recht had op uitkering op grond van de WW
uitsluitend wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, eerste
lid, onderdeel g, h, i of k, zo nodig in verbinding met artikel 39,
eerste lid, van die wet.
-2. De persoon, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van wie de in dat
lid genoemde omstandigheid vóór 1 januari 1989 niet meer van toepassing
is, wordt geacht op de dag volgend op die waarop zijn dienstbetrekking
eindigde, zijn recht op uitkering op grond van de WW
te hebben onderbroken.
-3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van wie de in dat
lid genoemde omstandigheid op 1 januari 1989 nog van toepassing is,
wordt geacht na afloop van die omstandigheid de maximumuitkeringsduur
op grond van de WW
te hebben bereikt.
Art. 7.
Voor de toepassing van artikel
4 van de wet wordt een betaling op grond van hoofdstuk
IIIa van de WW
aangemerkt als een doorbetaling van het loon als bedoeld in artikel
4, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
Art. 8.
-1. Ten aanzien van de persoon die op grond van
artikel 4 van de wet of
artikel 14 van dit besluit na 31 december 1986 recht heeft op uitkering
op grond van de WW
en wiens recht eindigt wegens werkaanvaarding, wordt de termijn van 78
weken, bedoeld in artikel
22, vijfde lid, van de WW, in afwijking van het zesde lid van dat
artikel, niet geacht te zijn onderbroken door dagen van werken.
-2. De in het eerste lid bedoelde termijn van 78 weken wordt verlengd met
de vóór het einde daarvan aangevangen dagen waarop de betrokkene na een
werkaanvaarding als bedoeld in het eerste lid heeft gewerkt.
Art. 9.
De persoon, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van
de wet, wiens recht op uitkering op
grond van de WW eindigt uitsluitend wegens het ontstaan van recht op uitkering op grond
van de nWW anders dan op grond van artikel
4, zesde lid, van de wet, heeft recht op een zodanige verhoging van
het dagloon, waarnaar de laatstbedoelde uitkering wordt berekend, dat
een bedrag van 100/70 van het gemiddelde van de geëindigde uitkering in
het dagloon is inbegrepen. Bij de vaststelling van het verlies van
arbeidsuren op grond van artikel
16 van de nWW wordt mede in aanmerking genomen het verlies aan
arbeidsuren dat heeft geleid tot de eerder genoemde uitkering op grond
van de WW.
Art. 10.
Ten aanzien van de persoon, genoemd in artikel
9, is artikel
18 van de wet van overeenkomstige toepassing.
Art. 11.
De persoon, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van
de wet, wiens recht op uitkering op
grond van de WWV
eindigt uitsluitend wegens het ontstaan van recht op uitkering op grond
van de nWW, heeft recht op een zodanige verhoging van het dagloon,
waarnaar de laatstbedoelde uitkering wordt berekend, dat een bedrag van
100/70 van het gemiddelde van de geëindigde uitkering in het dagloon is
inbegrepen, gedurende de periode dat hij uitkering op grond van de WWV
zou hebben ontvangen als het recht daarop uitsluitend wegens bedoelde
omstandigheid niet was geëindigd. Bij de vaststelling van het verlies
van arbeidsuren op grond van artikel
16 van de nWW wordt mede in aanmerking genomen het verlies aan
arbeidsuren dat heeft geleid tot de eerder genoemde uitkering op grond
van de WWV.
Art. 12.
-1. Ten aanzien van de persoon die op 1 januari 1987 60 jaar of ouder is
en op 31 december 1986 recht had op uitkering op grond van de WWV,
is in afwijking van artikel 6 van de wet, ook indien die persoon op de eerste dag van
werkloosheid jonger was dan 57,5 jaar, de nWW van toepassing.
-2. De artikelen
11, 16, 20, 22
en 32
van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 13.
-1. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
5, eerste en tweede lid, van de wet, wiens recht op uitkering op
grond van artikel
19, eerste lid, onderdeel d, van de WWV
eindigt op een tijdstip
waarop die persoon 60 jaar of ouder is, is met ingang van de dag waarop
die persoon de leeftijd van 60 jaar bereikt de nWW
van toepassing.
-2. Met ingang van de dag waarop de in het eerste lid bedoelde persoon
de leeftijd van 60 jaar bereikt, zijn de artikelen
11, 16, 20, 22
en 32
van de wet van overeenkomstige toepassing.
Art. 14.
-1. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
4, eerste lid, van de wet, blijft de WW
van toepassing, zolang voor hem geen recht op uitkering op grond van de nWW
is ontstaan.
-2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
4, tweede lid, onderdeel b, van de wet, blijft
artikel
12 van de wet buiten toepassing.
-3. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 6 van
de wet, artikel
12 of artikel 13 van dit besluit, blijven dit artikel en de
artikelen
20 en 22
van de wet op hem van toepassing tot de eerste dag van de maand
waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-4. Ten aanzien van de persoon die ter zake van een eerdere werkloosheid
met ingang van een dag gelegen na het bereiken van de leeftijd van 57,5
jaar recht op uitkering op grond van de WW
of na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar recht op uitkering op
grond van de WWV
had en wiens recht op uitkering vóór 1 januari 1987 wegens
werkhervatting is geëindigd, is indien recht op uitkering op grond van
de nWW ontstaat, met betrekking tot de duur van die uitkering artikel
20 van de wet van toepassing. Het derde lid is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 15.
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in de artikelen
4, 5, vierde lid, en 6, van
de wet en de artikelen 12 en
13 van dit besluit, is, met
inachtneming van artikel 22, eerste lid, van
de wet en de artikelen 9 en
11 van dit besluit, artikel 47, tweede en derde lid, van de
nWW van
overeenkomstige toepassing.
Art. 15a.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd ten
aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 6 van
de wet en artikel 12 van
dit besluit, op wie op 31 december 1986 wegens verrichtte arbeid de
bepalingen inzake aftrek
van inkomsten van het op grond van artikel
28 van de WW vastgestelde wachtgeldreglement van toepassing of van
overeenkomstige toepassing waren, dan wel artikel
17, tweede tot en met vierde lid, van de WWV
van toepassing was,
voor de duur van die arbeid artikel 20, derde lid, van de
nWW buiten toepassing te laten en de inkomsten
uit die arbeid op de uitkering in mindering te brengen met toepassing
van de eerder bedoelde bepalingen van het wachtgeldreglement
onderscheidenlijk artikel
17 van de WWV. In afwijking van artikel
3 van de wet blijft bij de toepassing van de eerste volzin het
daarin bedoelde wachtgeldreglement van kracht.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon,
bedoeld in artikel
13, met dien verstande dat voor hem in plaats van 31 december 1986
in aanmerking wordt genomen de dag voorafgaande aan die waarop hij de
leeftijd van 60 jaar bereikt.
Art. 16.
Voor de toepassing van artikel
6 van de wet wordt een loonsuppletie als bedoeld in hoofdstuk
IIIb
van de WW
en hoofdstuk IIIa van de WWV
niet beschouwd als een uitkering op grond van de WW
onderscheidenlijk de WWV.
Art. 17.
Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
6 van de wet, op wie op 31 december 1986 artikel 31, eerste lid,
onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met artikel
39 van de WW, van toepassing was, alsmede ten aanzien van de persoon,
bedoeld in artikel 4 van dit besluit, die op grond van
artikel
21 van de WW wegens niet-onvrijwillige werkloosheid geheel van het
recht op uitkering is uitgesloten, vindt artikel
14 van de wet overeenkomstige toepassing.
Art. 18.
Met de uitkeringsduur, genoemd in artikel 7, eerste lid, van
de wet, wordt voor de toepassing van dat artikel
gelijkgesteld de duur van de uitkering vastgesteld op grond van artikel
18 of 19 van de
wet.
Art. 19.
De persoon wiens recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIIb van de
WWV als gevolg van werkaanvaarding is geëindigd en die vervolgens ter zake
van nieuw ingetreden werkloosheid recht heeft op uitkering op grond van
de nWW en die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel 42,
tweede lid, van de nWW, heeft na eindiging van die uitkering wegens het
verstrijken van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
42, eerste lid, van
de nWW, recht op uitkering op grond van de Ioaw, tenzij dat anders dan
op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, onder 2º en 3º, van laatstgenoemde wet
wordt verhinderd.
Art. 20.
-1. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
7 van de wet, is artikel
9, vierde lid, van de Ioaw van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat als uitkering op grond van artikel 52 van de
nWW wordt
beschouwd de uitkering op grond van hoofdstuk III of hoofdstuk IIIb van
de WWV of artikel
22 van de wet.
-2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
19, is artikel 9, vijfde lid, van de Ioaw
van overeenkomstige toepassing.
-3. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid is het bepaalde bij of
krachtens artikel 77, tweede tot en
met vierde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling
opslagpremies (Stb. 1989, 127) van overeenkomstige toepassing.
Art. 21.
In afwijking van artikel 32, eerste lid, van
de wet is de persoon, bedoeld in artikel 6 van
de wet en de artikelen 12 en 13 van dit besluit, verzekerd bij de
bedrijfsvereniging die voorafgaande aan de dag waarop de nWW
op hem van
toepassing wordt het laatst zijn recht op uitkering op grond van de WW
heeft beoordeeld, indien dit een andere bedrijfsvereniging is dan de
bedrijfsvereniging waarbij zijn laatste werkgever was aangesloten.
Art.
22.
Het Besluit overgangsregels werkloosheidswetten stelselherziening
sociale zekerheid, nr. SZ/SVW/86/11009, van 24 december 1986, Stcrt.
1986, 251,
en het Besluit van 25 februari 1987, nr. 87/-U-1405, Stcrt. 1987,
41, worden
ingetrokken.
Art. 23.
Dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de
Nederlandse Staatscourant zal worden geplaatst, treedt in werking met ingang van de
eerste dag na plaatsing en werkt wat de artikelen
2, 4, 5, 6, 9,
10, 11, 14
en 18
betreft terug tot en met 1 januari 1987.
Art. 24.
Dit besluit kan worden
aangehaald onder de titel: Besluit overgangsregels werkloosheidswetten
stelselherziening sociale zekerheid.
's-Gravenhage, 26 mei 1987.
De Staatssecretaris
voornoemd,
L. de Graaf.
|
|