|
Besluit van de Sociale
Verzekeringsraad van 18 juni 1987
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze regels wordt onder loon verstaan het
loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering,
met dien verstande dat hetgeen niet of niet geheel is uitbetaald
eveneens tot het loon behoort.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden geacht tot
het loon te behoren:
a. het werknemersaandeel in de pensioenpremie;
b. het rechtens geldende loon, voor zover dit niet is genoten;
c. bijdragen strekkende tot betaling van premie van een door of
voor de werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering,
tenzij op de werkgever de verplichting rust deze ook tijdens
werkloosheid te verstrekken;
d. bedragen welke zijn ingehouden als bijdrage voor aanspraken
die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge socialeverzekeringswetten,
waaronder begrepen aanspraken op grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg, of als bijdrage voor aanspraken op uitkeringen wegens
overlijden of invaliditeit tengevolge van een ongeval.
-3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden geacht niet
tot het loon te behoren:
a. aanspraken uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
10, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
b. bedragen welke de hoogte van het rechtens geldende loon te
boven gaan;
c. bedragen strekkende tot vergoeding van te maken onkosten, ook
al zijn deze niet in een afzonderlijke onkostenvergoeding vastgesteld;
d. gratificaties, tantièmes, uitkeringen ingevolge winstdeling,
uitkeringen in de vorm van aandelen en andere dergelijke uitkeringen;
e. loon bestemd voor vakantiedagen, niet zijnde vakantietoeslag,
vergoeding voor niet-genoten vakantie, alsmede, ingeval de
dienstbetrekking voortduurt, vakantietoeslag;
f. feestdagentoeslag, tenzij in het desbetreffende beroep onder
normale omstandigheden in de bedrijfstak arbeid op feestdagen wordt
verricht;
g. bedragen uitbetaald als beloning voor overwerk;
h. prestatie- en productiepremie, voor zover deze een incidenteel
of uitzonderlijk karakter dragen;
i. vergoeding voor reisuren, voor zover door het in aanmerking
nemen van deze uren de normale wekelijkse arbeidsduur volgens
arbeidsovereenkomst en toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zou
worden overschreden;
j. afzonderlijke bijdragen strekkende tot betaling van premie van
een door of voor de werknemer afgesloten verzekering;
k. uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen;
l. uitkeringen en verstrekkingen tot dekking van kosten ter zake
van ziekte, invaliditeit, bevalling en sterfgeval;
m. vrije uniform- en andere kleding;
n. kindertoeslagen;
o. afzonderlijke bijdragen strekkende tot tegemoetkoming in de
betaling van de rente van een hypotheek rustende op de woning van de
werknemer, alsmede het voordeel dat de werknemer heeft van aan hem
vanwege zijn werkgever verstrekte geldleningen waarvoor hem geen of een
lagere rente, dan wel geen of een lagere afsluitprovisie in rekening
wordt gebracht;
p. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in het gebruik
voor privédoeleinden van een auto en/of telefoon waarvan de kosten
geheel of gedeeltelijk door de werkgever worden gedragen;
q. uitkeringen die het karakter hebben van een dertiende maandloon of
een eindejaarsuitkering ingeval de dienstbetrekking voortduurt;
r. uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen toeslagen op grond van de
Toeslagenwet (Stb. 1987, 91) en uitkeringen op grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
s. periodieke uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met
uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(Stb. 1987, 89), de Ziektewet (Stb. 1987, 88),
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van
de Wet arbeid en zorg of de
Werkloosheidswet;
t. uitkeringen over tijdvakken waarin de werknemer geen arbeid verricht, indien die uitkeringen minder bedragen dan de helft van zijn
loon;
u. de waarde van door de werkgever verstrekte
aandelenoptierechten;
v. het voordeel dat voor de werknemer in de geestelijke en/of
lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg is gelegen in het gebruiken
van de maaltijd in de werktijd tezamen met de hem toevertrouwde
patiënten, pupillen of bewoners, indien hiertoe op basis van de
arbeidsovereenkomst of aanstelling een verplichting bestaat op grond van
opvoedkundige of therapeutische overwegingen of anderszins overwegingen
van resocialiserende aard;
w. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in
kinderopvang, die door of vanwege de werkgever wordt verzorgd, alsmede
een vergoeding van de werkgever in de kosten van kinderopvang;
x. vervallen;
y. het voordeel dat voor de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf is
gelegen in een gratis abonnement op een dagblad uitgegeven door dat
bedrijf.
-4. In afwijking van het eerste en derde lid, onderdeel c,
wordt voor de gehuwde buitenlandse werknemer die tijdelijk hier te lande
te werk is gesteld en wiens gezin in het buitenland verblijft, de door
de werkgever aan de werknemer verstrekte kostgeldvergoeding geacht tot
het loon te behoren.
Art. 1a.
Voor de toepassing van deze regeling wordt onder salarisbetalingsperiode
verstaan de door de werkgever gehanteerde gebruikelijke periode
waarover de werknemer zijn salaris ontvangt van ten hoogste één maand.
Art. 2.
-1. Voor de toepassing van deze regels wordt een dienstbetrekking in het
buitenland geacht in Nederland te zijn vervuld onder de op een
overeenkomstige dienstbetrekking in Nederland van toepassing zijnde
voorwaarden.
-2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet voor werknemers die hun
recht op uitkering ontlenen aan artikel 71, eerste lid, onderdeel a, onder
ii,
alsmede onderdeel b, onder ii, van de EEG-verordening 1408/71.
HOOFDSTUK
II
Dagloonberekening naar het beroep
Art. 3.
-1. Voor de werknemer die een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende,
wordt het dagloon vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende
artikelen van dit hoofdstuk.
-2. In die artikelen wordt onder beroep verstaan het in het vorige lid
bedoelde beroep, behoudens dat:
a. voor de werknemer die werkloos is als gevolg van een regeling tot
toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd, als beroep
wordt aangemerkt het beroep dat hij uitoefent in de dienstbetrekking
waarvoor de vorenbedoelde regeling geldt;
b. onverminderd het onder a bepaalde voor de
werknemer aan wie
ouderdomspensioen ter zake van door hem verrichte werkzaamheden is
toegekend en die sedert de dag van ingang van dat pensioen in ten minste
dertien weken als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet heeft gewerkt,
als beroep wordt aangemerkt het beroep dat hij na ingang van dat
pensioen laatstelijk uitoefende.
Art. 4.
-1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de
werknemer in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn
arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in
zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige
salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen waarop hij
gedurende ten minste de voor hem normale werktijd werkzaam was, met dien
verstande dat bij deze berekening:
a. indien en zodra de dienstbetrekking niet voortduurt, een evenredig
deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een
uitkering die het karakter heeft van een dertiende maandloon of een
eindejaarsuitkering, voor zover de werknemer tijdens de duur van het
dienstverband tegenover zijn werkgever recht had op deze uitkering,
wordt aangemerkt als loon dat in die periode over bedoelde dagen is
genoten;
b. indien en zodra de verplichting, bedoeld in artikel
1, tweede lid,
onderdeel c, eindigt, de werkgeversbijdrage in de premie van de
particuliere ziektekostenverzekering wordt aangemerkt als loon dat in
die periode over bedoelde dagen is genoten;
c. de dagen waarop hij tengevolge van arbeidsongeschiktheid niet tegen
zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten
loon, buiten aanmerking blijven;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt
niet meer dan vijf te bedragen;
e. onverminderd onderdeel c, dagen waarop de werknemer niet heeft
gewerkt en daarover onverminderde doorbetaling van zijn loon heeft
genoten, worden aangemerkt als dagen waarop de werknemer heeft gewerkt.
-2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als
bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon het
loon berekend dat de werkgever in de 26 kalender- of loonweken aan het
intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in
dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die
periode gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem
normale werktijd in dat beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het
eerste lid, onderdeel a tot en met e, van toepassing.
-3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de
werknemer voor wie bij het intreden van zijn arbeidsurenverlies een
regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd
geldt, worden de woorden "het intreden van zijn werkloosheid"
gelezen als: de invoering van de regeling tot toepassing van een
kortere dan de voor hem normale werktijd. Onder een regeling tot
toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd wordt niet
verstaan onbetaald verlof als bedoeld in artikel
1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet.
-4. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de
werknemer op wie artikel 2 van het Besluit nadere regeling verlies van
arbeidsuren van toepassing is, worden de woorden "het intreden van
zijn arbeidsurenverlies" gelezen als: het eerste verlies van
arbeidsuren.
-5. Het dagloon van de werknemer op wie artikel 3 van het Besluit
nadere regeling verlies van arbeidsuren van toepassing is, wordt
vastgesteld op het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering ter
zake van zijn arbeidsurenverlies waarbij op grond van voormeld artikel
een daaropvolgend arbeidsurenverlies wordt samengeteld.
-6. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalender- of loonweken,
bedoeld in het eerste en tweede lid, worden weken, tot het maximum van
78 weken, waarin de werknemer onbetaald verlof als bedoeld in artikel
1,
onderdeel i, van de Werkloosheidswet heeft genoten, niet in aanmerking
genomen, tenzij dit leidt tot een lager verdiend loon dan wanneer die
weken wel in aanmerking zouden worden genomen.
Art. 5.
Indien het loon van de werknemer na de aanvang van de in artikel 4
bedoelde periode, doch uiterlijk op de eerste dag van het
arbeidsurenverlies krachtens een voor hem geldende regeling is of zou
zijn gewijzigd, wordt de uitkomst van de berekening ingevolge het vorige
artikel - voor zoveel nodig - herzien, alsof die wijziging reeds was
ingegaan op de eerste dag waarop hij zijn beroep uitoefende in de
bedoelde periode.
Art. 6.
-1. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen
4,
eerste lid, en 5 - gelet op het loon dat de werknemer in de volledige
salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken aan het
intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande,
gemiddeld per dag in zijn beroep placht te genieten - kennelijk geen
juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor
de toepassing van de artikelen 4,
eerste lid, en 5 uitgegaan van het
loon dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in die
periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep
heeft genoten.
-2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen
4,
tweede lid, en 5 - gelet op het loon dat de werknemer in de 52
kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies
onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag in zijn beroep placht te
genieten - kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het
dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid,
en 5 uitgegaan van het loon dat de werknemer in die periode van 52
kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten.
-3. Het eerste of tweede lid vindt in ieder geval toepassing indien de
werknemer in de 26 kalender- of loonweken, bedoeld in artikel
4, tariefverdiensten heeft genoten die, gelet op hetgeen in de
bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn. Indien de uitkomst
van de berekening overeenkomstig het eerste of tweede lid, al dan niet
op grond van de eerste volzin, gelet op de tariefverdiensten die in de
bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling
van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van
laatstgenoemde verdiensten.
-4. Indien de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de
periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste lid, niet
op ten minste twintig dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel
4, eerste
lid, geacht gelijk te zijn aan het loon dat gelijksoortige werknemers
in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een
gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of
loonweken aan het
intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk
voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in de
volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen waarop
zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens
beroep werkzaam waren. Het eerste en derde lid, artikel 4, eerste lid,
onderdeel a tot en met e, en artikel 5 zijn van overeenkomstige
toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de
gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de
werknemer arbeidsuren hadden verloren.
-5. Indien de werknemer in de periode van 52 kalender- of loonweken,
bedoeld in het tweede lid, niet op ten minste twintig dagen heeft gewerkt,
wordt het loon, bedoeld in artikel 4, tweede lid, geacht gelijk te zijn
aan het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een
gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de
26 kalender- of loonweken aan het intreden van het arbeidsurenverlies
van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld
hebben genoten over de in die weken gelegen dagen waarop zij gedurende
ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep
werkzaam waren. Het tweede en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdeel
a tot en met e, en artikel 5 zijn van overeenkomstige
toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de
gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de
werknemer arbeidsuren hadden verloren.
-6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om,
indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot
en met vijfde lid en in artikel 4, in verband met de inrichting van de
loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg
met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig
mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.
Art. 7.
-1. Indien de werknemer laatstelijk vóór het intreden van zijn
arbeidsurenverlies in zijn beroep werkzaam was tegen een loon dat was
vastgesteld op een vast bedrag per dag, week, maand of jaar, wordt het
dagloon vastgesteld op respectievelijk dat vaste bedrag per dag, 1/260
van het 52-voud van het weekloon of 1/261 van het 12-voud van het
maandloon of van het jaarloon. Regelmatig verstrekte, naar tijdsruimte
vastgestelde toeslagen worden tot het vaste bedrag gerekend.
-2. Het bepaalde in artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Het in dit artikel bepaalde blijft buiten toepassing indien het -
mede gelet op het loon dat de werknemer in zijn beroep pleegt te
genieten - tot een kennelijk onjuist dagloon zou leiden.
HOODFSTUK
III
Bijzondere bepalingen
Art. 8.
Het dagloon van de werknemer wiens beroep is musicus of artiest en die
anders dan in het kader van een vaste dienstbetrekking op basis van
uitsluitend of vrijwel uitsluitend losse optredens in zijn beroep
werkzaam is geweest, wordt met uitsluiting van het bepaalde in artikel
10, eerste lid, als volgt vastgesteld:
a. indien de werknemer in het jaar aan het intreden van zijn
arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande op ten minste 130 dagen, al
dan niet als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, in zijn beroep
werkzaam is geweest, wordt het dagloon berekend op de wijze als is
aangegeven in de artikelen 4, tweede lid, en 5, met dien verstande dat
wordt uitgegaan van een periode van 52 kalender- of loonweken in plaats
van 26 en van het loon dat de werknemer in die periode in
dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten;
b. indien de werknemer in het jaar aan het intreden van zijn
arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande niet op ten minste 130
dagen als onder a bedoeld heeft gewerkt, wordt het dagloon vastgesteld
op het loon dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken aan het
intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande in
dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten, gedeeld door 130, met
dien verstande dat het dagloon niet lager wordt gesteld dan op het
wettelijk minimumloon voor een volledige werkdag.
Art. 9.
-1. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende,
wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in
de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn
arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten
over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen
dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in de
desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
-2. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende en
er in één of meer dienstbetrekkingen geen sprake is van volledige
salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in de 26
kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies
onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over de in die weken
gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale
werktijd in de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen
werkzaam was.
-3. De artikelen 4, eerste lid, onderdeel a tot en met e, en derde tot
en met zesde lid, 5 en 6, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien het arbeidsurenverlies intreedt binnen 52 kalender- of
loonweken na afloop van perioden waarin de werknemer wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, wordt bij de
overeenkomstige toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, de
periode van 52 kalender- of loonweken met deze perioden verlengd.
Art. 10.
-1. Het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon wordt
evenredig verlaagd voor de werknemer die in de periode, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, van de Werkloosheidswet, dan wel, indien voor de
werknemer op grond van artikel 16, derde lid, onderdeel b, van de
Werkloosheidswet een kortere of langere periode voor de berekening van
het aantal gewerkte arbeidsuren geldt, in die kortere of langere
periode:
a. anders dan ingevolge een regeling tot toepassing van een kortere dan
de voor hem normale werktijd of onbetaald verlof gemiddeld een geringer
dan het normale aantal uren per week werkzaam was;
b. anders dan op grond van onbetaald verlof afwisselend wel en niet
werkzaam was;
c. afwisselend wel en niet arbeid verrichtte ter zake waarvan een
verzekering ingevolge de Werkloosheidswet bestaat.
-2. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing voor zover in
verband met de in dat lid genoemde omstandigheden reeds een lager
dagloon is vastgesteld, dan wel in verband daarmede over minder dan het
normale aantal werkdagen per week uitkering wordt verstrekt.
Art. 11.
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
handelsvertegenwoordiger verstaan: degene wiens werkzaamheden bestaan in
het tegen beloning regelmatig bemiddeling verlenen bij het tot stand
komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en
een ander en die uit dien hoofde verzekerd is ingevolge artikel 3 of
artikel 4, eerste lid, onderdeel c of d, van de Werkloosheidswet.
-2. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 7, wordt het dagloon van
de handelsvertegenwoordiger vastgesteld op het loon dat hij in de
volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken aan
het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in
zijn beroep gemiddeld per dag heeft genoten. Hierbij kunnen dagen
waarop hij anders dan als handelsvertegenwoordiger heeft gewerkt en
dagen waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet
heeft gewerkt, buiten beschouwing worden gelaten.
-3. Behoudens in het geval, bedoeld in artikel 7, wordt, indien er geen
sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het
tweede lid, het dagloon van de handelsvertegenwoordiger vastgesteld op
het loon dat hij in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van
zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep
gemiddeld per dag heeft genoten. Hierbij kunnen dagen waarop hij anders
dan als handelsvertegenwoordiger heeft gewerkt en dagen waarop hij als
gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, buiten
beschouwing worden gelaten.
-4. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en d, en vierde tot en met
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 12.
-1. Het dagloon van een werknemer die laatstelijk uitsluitend of vrijwel
uitsluitend in een seizoen of een gedeelte daarvan werkzaam was, wordt
vastgesteld met toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen,
met uitzondering van het bepaalde in artikel 10.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt het dagloon van de in dat lid
bedoelde werknemer over de dagen die buiten het seizoen zijn gelegen,
vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de
Werkloosheidswet die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of
loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk
voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt het loon vastgesteld dat de werknemer had
kunnen verdienen, door de som van het aantal, in de volledige
salarisbetalingsperioden in de in onderdeel a bedoelde perioden van 52
kalender- of loonweken gewerkte dagen en het aantal dagen in de
volledige salarisbetalingsperioden in die 52 kalender- of loonweken waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten
zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking niet heeft gewerkt, te
vermenigvuldigen met het loon dat hij gemiddeld heeft genoten over de in
die volledige salarisbetalingsperioden gelegen dagen waarop hij
gedurende ten minste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd
werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van
onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering
wordt gebracht:
1º. het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in de
periode van 52 kalender- of loonweken waarop de werknemer als gevolg van
omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voor zover
die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b; en
2º. de werkdagen in niet volledige salarisbetalingsperioden.
-3. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt het dagloon van de in het
eerste lid bedoelde werknemer over de dagen die buiten het seizoen zijn
gelegen, in afwijking van dat lid vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de
Werkloosheidswet die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of
loonweken aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk
voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt vastgesteld het loon dat de werknemer had
kunnen verdienen, door de som van het aantal gewerkte dagen en het
aantal dagen waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil
in de desbetreffende dienstbetrekking niet heeft gewerkt, te
vermenigvuldigen met het loon dat hij gemiddeld heeft genoten over in
die periode gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem in
die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van
onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering
wordt gebracht het aantal dagen waarop de werknemer als gevolg van
omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voor zover
die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b.
-4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de werknemer wiens dienstbetrekking naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
ertoe strekt dat al dan
niet onder handhaving van die dienstbetrekking in steeds terugkerende
perioden bij dezelfde werkgever wordt gewerkt.
-5. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en d, en vierde tot en met
zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-6. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van
de werknemer wiens beroep is musicus of artiest.
Art. 13.
-1. Het dagloon van de werknemer die in aansluiting op de vervulling
van zijn militaire dienstplicht of, in plaats daarvan, zijn vervangende
dienstplicht, arbeidsurenverlies ¹, wordt vastgesteld op de bruto wedde
per dag, doch ten minste op het minimumloon, bedoeld in
artikel 14,
tweede lid, van de Werkloosheidswet.
-2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ingeval de
werknemer op grond van door hem verrichte arbeid vóór de vervulling
van zijn militaire dienstplicht of zijn vervangende dienstplicht bij de
aanvang van die dienstplicht aanspraak op uitkering had, dan wel had
kunnen maken, indien hij op die dag arbeidsuren had verloren of zou
hebben verloren. Voor de vaststelling van het dagloon wordt alsdan
uitgegaan van het dagloon, herzien overeenkomstig het bepaalde in
artikel 46 van de Werkloosheidswet, dat aan de
uitkering als bedoeld in
de vorige volzin ten grondslag heeft dan wel zou hebben gelegen.
-3. Indien het dagloon, berekend volgens het tweede lid, lager is dan op
grond van het eerste lid, wordt het dagloon vastgesteld overeenkomstig
het bepaalde in het eerste lid.
1. Volgens de redactie dient "arbeidsurenverlies" te worden
vervangen door: arbeidsuren verliest.
Art. 13a.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde op de
dag waarop hij zijn
arbeidsuren verliest de leeftijd nog niet heeft bereikt waarop hij
recht kan doen gelden op het minimumloon als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), terwijl hij, ware hij niet werkloos, met ingang van
een daarna gelegen dag, krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals deze op de dag waarop op het
arbeidsurenverlies optreedt, luidde, aanspraak zou hebben gehad op een hoger
loon op grond van zijn leeftijd, wordt met ingang van laatstbedoelde dag
dat hogere loon aan zijn dagloon ten grondslag gelegd.
-2. Telkens alvorens het dagloon in verband met de leeftijd ingevolge
het bepaalde in het eerste lid wordt herzien, vindt ten aanzien van dit
dagloon het bepaalde bij of krachtens, dan wel met betrekking tot de
toepassing van, artikel 46 van de Werkloosheidswet overeenkomstige
toepassing, alsof bedoeld dagloon was vastgesteld op de dag
waarop het arbeidsurenverlies optrad.
-3. Het bepaalde in artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 14.
-1. Het dagloon van de werknemer die op de eerste
werkloosheidsdag, of
op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering,
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80% ontvangt of - indien het bepaalde in artikel
25, 28, 30
of 33 van die wet te zijnen aanzien niet van toepassing
was - zou
ontvangen, is gelijk aan het dagloon berekend volgens de bij en
krachtens die wet vastgestelde bepalingen. Het aldus berekende dagloon wordt
evenredig verlaagd door het dagloon te vermenigvuldigen met een breuk
waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het
midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is
ingedeeld en de noemer door het getal 100.
-2. Indien de werknemer, bedoeld in het eerste lid, op een tijdstip na
de dagloonberekening overeenkomstig dat lid op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt ingedeeld in een andere
arbeidsongeschiktheidsklasse dan die welke bij de evenredige verlaging
is gehanteerd, wordt het krachtens de eerste volzin van dat lid
berekende dagloon evenredig verlaagd door dat dagloon te
vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het
verschil tussen 100 en het midden van de nieuwe
arbeidsongeschiktheidsklasse en de noemer door het getal 100.
-3. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, op een tijdstip na de dagloonberekening
overeenkomstig dat lid niet meer volledig wordt uitbetaald op grond van
artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het krachtens de eerste zin van
het eerste lid berekende dagloon evenredig verlaagd door dat dagloon te
vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het
verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse
die bij de toepassing van laatstgenoemd artikel in acht wordt genomen
en de noemer door het getal 100.
-4. Voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op een tijdstip na de dagloonberekening
overeenkomstig dat lid wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt
uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of
artikel 44, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, is
het dagloon het krachtens de eerste zin van het eerste lid berekende
dagloon.
-5. Dit artikel is niet van toepassing indien en zolang bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt
gehouden met de arbeid die de werknemer, na het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid, heeft verricht in de dienstbetrekking waaruit hij
werkloos is geworden.
-6. Dit artikel is evenmin van toepassing indien de werknemer, bedoeld
in het eerste lid, een wachtgeld als bedoeld in artikel
1, onderdeel r,
van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen ontleent
of mede ontleent aan de dienstbetrekking waaraan hij zijn uitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
ontleent of
mede ontleent, tenzij hij aan die dienstbetrekking tevens een recht op
uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontleent.
Art. 15. Vervallen
Art. 16.
Met uitsluiting van het bepaalde in de artikelen 9, 13a,
14 en 15 wordt
het dagloon van de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van
vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke
omstandigheden, berekend met toepassing van het bepaalde in de
voorgaande artikelen, echter met dien verstande dat:
a. in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 onder
beroep wordt verstaan het beroep dat de werknemer uitoefende in de
dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. bij toepassing van deze artikelen de aanhef van artikel
4, eerste
lid, en artikel 6, eerste tot en met derde lid, respectievelijk worden
vervangen door de volgende bepalingen:
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de
werknemer in de kalender- of loonweek aan het intreden van zijn
werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over in
die periode gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem
normale werktijd in zijn laatste dienstbetrekking werkzaam was.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste lid -
gelet op het loon dat de werknemer in de periode van werkloosheid in
zijn beroep zou kunnen verdienen - kennelijk geen juiste maatstaf voor
de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de vaststelling van
het dagloon berekend het loon dat gelijksoortige werknemers in
hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een
gelijksoortige gemeente in de in het eerste lid bedoelde periode in het
beroep van de werknemer gemiddeld hebben genoten over in die periode
gelegen dagen waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer
normale werktijd in diens beroep werkzaam waren.
Art. 16a.
-1. Ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer van
55 jaar of ouder op wie artikel 7 van toepassing is en die aantoont dat
zijn loon, bij dezelfde werkgever tot wie hij in dienstbetrekking stond
als bij het intreden van de werkloosheid, op de dag van het bereiken van
die leeftijd, of daarna, is verlaagd, zijn de volgende leden van dit
artikel van toepassing.
-2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. verlaging van zijn loon: verlaging van het vaste bedrag per dag,
week, maand of jaar waarop het loon was vastgesteld;
b. voorafgaande dagloon: het dagloon dat voor de werknemer zou hebben
gegolden indien zijn arbeidsurenverlies op de dag voorafgaand aan
de verlaging van zijn loon zou zijn ingetreden en hij vanaf die dag
onafgebroken werkloos zou zijn geweest.
-3. Indien het dagloon berekend op grond van de voorgaande artikelen
lager zou zijn dan het voorafgaande dagloon, wordt het dagloon
vastgesteld op een bedrag dat overeenkomt met het voorafgaande dagloon,
doch niet meer dan het dagloon vermenigvuldigd met 9/7.
-4. Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel
10,
eerste lid, van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid op
deze wijze toegepast dat het dagloon en het voorafgaande dagloon worden
vastgesteld zonder toepassing van artikel 10, eerste lid. Op het aldus
vastgestelde bedrag wordt vervolgens artikel 10, eerste lid, toegepast.
-5. Het derde lid is niet van toepassing op de werknemer op wie artikel
14 van toepassing is.
Art. 17.
-1. Met afwijking voor zoveel nodig van het bepaalde in de voorgaande
artikelen zijn ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de
werknemer die na ontslag uit een dienstbetrekking hetzij onmiddellijk,
hetzij binnen twaalf maanden na de ingang van dat ontslag, opnieuw arbeid in
dienstbetrekking heeft aanvaard, de volgende bepalingen van dit artikel
van toepassing, tenzij het bedoelde ontslag valt binnen de in het derde
lid genoemde periode van 36 maanden, welke ingevolge een eerdere
toepassing van dat lid ten aanzien van de werknemer in acht moet worden
genomen.
-2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. ontslag: iedere beëindiging van een dienstbetrekking;
b. primair ontslag: het in het vorige lid bedoelde ontslag;
c. primaire werkloosheid: de werkloosheid die in onmiddellijke
aansluiting aan het primaire ontslag is ontstaan dan wel zou ontstaan
indien de werknemer niet onmiddellijk na het ontslag arbeid had aanvaard;
d. primair dagloon: het dagloon dat voor de werknemer zou hebben
gegolden indien de primaire werkloosheid onafgebroken zou hebben
voortgeduurd.
-3. Indien het dagloon, uitsluitend berekend naar de in het eerste lid
bedoelde na het primaire ontslag aanvaarde arbeid, lager zou zijn dan
het primaire dagloon, wordt niettemin gedurende elke door ontslag
ontstane werkloosheidsperiode welke binnen 36 maanden na het primaire
ontslag aanvangt, het dagloon vastgesteld op een bedrag dat niet lager
is dan het primaire dagloon. Indien de werknemer op de datum van het
primaire ontslag 55 jaar of ouder is, is de in de vorige zin genoemde
termijn van 36 maanden niet van toepassing.
-4. Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel
10, eerste lid, van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid
op deze wijze toegepast dat eerst het dagloon en het primaire
dagloon worden vastgesteld zonder toepassing van artikel
10, eerste lid.
Indien het op deze wijze berekende dagloon lager is dan het op deze
wijze berekende primaire dagloon, wordt het dagloon vastgesteld op een
bedrag dat niet lager is dan het primaire dagloon. Op vorenbedoeld
bedrag wordt vervolgens het bepaalde in artikel 10, eerste lid,
toegepast.
-5. Het in het derde lid bepaalde geldt
niet, indien:
a. de primaire werkloosheid een
verwijtbare werkloosheid is;
b. de werknemer bij de ingang van
het primaire ontslag of gedurende de werkloosheidsperiode waarover
uitkering wordt toegekend, moet worden beschouwd als een werknemer op
wie het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onderdeel b,
artikel 8,
artikel 12 of artikel 14, eerste lid, van toepassing is.
-6. De in het eerste lid genoemde termijn
van twaalf maanden wordt verlengd met in deze periode gelegen perioden van
arbeidsongeschiktheid.
Art. 17a.
-1. Indien een recht op uitkering dat is
ontstaan terwijl de dienstbetrekking niet voortduurde, herleeft in een
situatie waarin de dienstbetrekking wel voortduurt, geldt als dagloon
het dagloon dat zou hebben gegolden indien bij de oorspronkelijke
vaststelling:
a. de vakantietoeslag en uitkeringen
die het karakter hebben van een dertiende maandloon of een eindejaarsuitkering
op grond van de artikelen 1, derde lid, aanhef en onder e en q, en
4, eerste lid, onderdeel a, niet tot het loon zouden zijn gerekend;
b. de door de werkgever verstrekte
bijdrage strekkende tot betaling van premie van een door of voor de
werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering op grond van
artikel 1, tweede lid, onderdeel c, niet tot het loon zou zijn gerekend.
-2. Indien een recht op uitkering dat is
ontstaan terwijl de dienstbetrekking voortduurde, herleeft in een
situatie waarin de dienstbetrekking niet voortduurt, geldt als dagloon
het dagloon dat zou hebben gegolden indien bij de oorspronkelijke
vaststelling:
a. de vakantietoeslag en uitkeringen
die het karakter hebben van een dertiende maandloon of een
eindejaarsuitkering, in afwijking van
artikel 1, derde lid, aanhef en
onder e en q, en op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel
a, wél tot het loon zouden zijn gerekend;
b. de door de werkgever verstrekte
bijdrage strekkende tot betaling van premie van een door of voor de
werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering op grond van
artikel 1, tweede lid, onderdeel c, wél tot het loon zou zijn gerekend.
Art. 18.
-1. Ingeval het dagloon als gevolg van
toepassing van artikel 17, derde lid, een dagloon is dat aansluit bij
een regeling krachtens welke over zes dagen, onderscheidenlijk over
zeven dagen per week uitkering wordt verleend, wordt dat dagloon vermeerderd
met 1/5, onderscheidenlijk met 2/5 gedeelte.
-2. Indien aan de werknemer over zes dagen,
onderscheidenlijk over zeven dagen per week uitkering wordt verstrekt, wordt
het dagloon van deze werknemer, zoals vastgesteld volgens de voorgaande
artikelen en het eerste lid van dit artikel, verminderd met 1/6,
onderscheidenlijk 2/7 gedeelte.
HOOFDSTUK
IV
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
18a.
Artikel 17, derde lid, zoals die bepaling luidde op de
dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Regeling van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 september 2004 tot
wijziging van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid in verband met de verlaging van de leeftijdgrens in de
dagloongarantieregeling (Stcrt. 2004, 184),¹ blijft van
toepassing op de persoon wiens recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet
is ontstaan op of vóór die dag, met betrekking tot dat recht.
1. Inwerkingtreding: 1
januari 2005, red.
Art. 19.
Dit besluit treedt in werking op de tweede maandag na de dag van publicatie in de
Nederlandse Staatscourant
en werkt terug tot en met 1
januari 1987.
Art. 20.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Dagloonregels Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid.
|
|