|
BESLUIT van 29 december
1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 18 november 1986, Directoraat-Generaal Sociale
Zekerheid, Directie Sociale Verzekeringen, Hoofdafdeling
Werknemersverzekeringen, Afdeling Werkloosheidsregelingen, nr. SZ/SV/WV/WW/SVW/86/09598;
Gelet op artikel 10 van de
Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (Stb.
1986, 567);
De Raad van State gehoord (advies van 22
december 1986, nr. W12.86.0597);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december
1986, nr. SVW86/10736;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Begripsomschrijvingen
Art. 1.
-1. In dit besluit wordt verstaan
onder:
a. wet: Algemene
burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6);
b. lichaam: elk lichaam waarvan personeel ambtenaar is in de zin van de
wet met uitzondering van het Rijk, provinciën, gemeenten,
waterschappen, veenschappen en veenpolders;
c. werknemer: hij die in dienst is van een lichaam - tenzij hij in
dienst is van een lichaam als bedoeld in artikel
B 2 van de wet dat krachtens subsidievoorwaarden te zijnen aanzien
voorschriften toepast omtrent aanspraken bij werkloosheid of in dienst
is van een instelling als bedoeld in artikel
I-A1, onder d 7, van het Rechtspositiebesluit
onderwijspersoneel (Stb. 1985, 110) - en
ambtenaar is in de zin van de wet;
d. bestuursorgaan: het bestuur van een lichaam of het gezag dat voor dat
lichaam dit besluit uitvoert;
e. minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657), of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het
voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel
7, derde lid, en artikel
8, derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover
berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet, en
vervolgens gedeeld door 21,75.
-2. Tenzij het tegendeel blijkt, wordt onder werknemer een gewezen
werknemer begrepen.
Art. 2.
-1. In dit besluit wordt verstaan onder laatstelijk genoten bezoldiging:
het tot het ambtelijk inkomen in de zin der wet behorend bedrag dat op
de dag voorafgaande aan het ontslag vast aan de vervulling der
betrekking is verbonden, vermeerderd met het bedrag dat, indien het loon
per maand wordt betaald, in de twaalf kalendermaanden en, indien het
loon per week wordt betaald, in de 52 kalenderweken
voorafgaande aan het ontslag, gemiddeld per maand, onderscheidenlijk per
week, is toegekend aan toelage wegens ploegen- en onregelmatige dienst
en aan prestatiebeloning.
-2. Indien de bezoldiging geheel of gedeeltelijk uit wisselende
inkomsten bestaat, geldt ten aanzien van deze inkomsten als laatstelijk
genoten bezoldiging of als deel daarvan de gemiddelde bezoldiging over
de twaalf volle kalendermaanden voorafgaande aan het ontslag.
-3. Indien in de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste
en tweede lid, anders dan tengevolge van het verwerven van salarisanciënniteit
wijziging zou zijn gekomen wanneer de werknemer op die bezoldiging in
dienst zou zijn gebleven, geldt vanaf de dag van wijziging het aldus
gewijzigde bedrag als laatstelijk genoten bezoldiging.
-4. Indien de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid, meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering
sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een
dag, wordt dat meerdere niet in aanmerking genomen.
HOOFDSTUK
2
Algemene
bepalingen
Art. 3.
-1. Ten aanzien van de werknemer worden door het bestuursorgaan de
voorschriften omtrent diens aanspraken bij werkloosheid, bedoeld in de artikelen
4 tot en met 41, in acht genomen.
-2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften vinden geen toepassing
ten aanzien van de werknemer op wie een regeling betreffende aanspraken
op uitkering bij werkloosheid van het lichaam van toepassing is, voor
zover die regeling hem geen mindere aanspraken te dier zake verleent dan
de regeling overeenkomstig de voorschriften, bedoeld in de artikelen
4 tot en met 41.
HOOFDSTUK
3
Voorschriften
§
1. De voorwaarden
voor het recht op uitkering
Art. 4.
Met inachtneming van de
artikelen 5 tot en met 9 heeft de werknemer die werkloos is recht op
uitkering.
Art. 5.
-1. Werkloos is de werknemer die:
a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per
kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde
doorbetaling van zijn bezoldiging over die uren; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
-2. Onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek
wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26
kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn
verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft
verricht. Bij de bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de
eerste volzin, wordt mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin
werkzaamheden zijn verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer
wordt beschouwd.
-3. Regels gesteld op grond van artikel
16, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet (Stb.
1986, 566) zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. Voor de toepassing van dit besluit is de eerste dag van werkloosheid
de eerste dag waarop een verlies van één of meer uren, alsmede een
verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van de bezoldiging
over die uren, intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie
voordoet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
ter zake waarvan de werknemer een aanvraag om uitkering indient.
-5. Voor de toepassing van dit besluit is de maandag de eerste dag van de
kalenderweek.
Art. 6.
-1. Recht op uitkering ontstaat voor een
werknemer indien hij in de
periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft
verricht.
-2. Indien werkloosheid intreedt binnen
twaalf maanden na afloop van perioden
waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid
kon verrichten, wordt de in het eerste lid bedoelde periode van twaalf maanden met deze perioden verlengd.
-3. De in één week verrichte arbeid wordt slechts in aanmerking
genomen
voor zover zij betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de
werknemer werkloos is geworden en op één of meer dienstbetrekkingen
waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor
zover zij niet reeds eerder in aanmerking is genomen voor een recht op
uitkering.
-4. Regels gesteld op grond van artikel
17, vierde en vijfde lid, van de Werkloosheidswet zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art. 7.
-1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
a. ononderbroken een uitkering ontvangt op grond van de
Ziektewet
(Stb. 1967, 473) of een uitkering die naar
aard en strekking daarmee overeenkomt, met ingang van de dag waarop hij
deze uitkering vanaf of na het intreden van zijn werkloosheid drie
maanden heeft ontvangen;
b. een uitkering ontvangt op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of een uitkering die naar
aard en strekking daarmee overeenkomt berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van artikel
58, eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het
dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet
ongevallenwetten (Stb. 1967, 99) berekend
naar volledige arbeidsongeschiktheid;
d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb.
1972, 313) berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%
of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd
met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
e. recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn bezoldiging;
f. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. op grond van de Vreemdelingenwet
2000 kan worden uitgezet;
h. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
i. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt, heeft bereikt;
j. op grond van artikel 64 van
de Wet financiering sociale verzekeringen een
ontheffing wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid binnen drie maanden na
de datum van intrekking van een zodanige vrijstelling is aangevangen;
k. vakantie geniet;
l. werkloos is tengevolge van werkstaking of uitsluiting; of
m. werkloos is anders dan tengevolge van ontslag.
-2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
in de daar bedoelde drie maanden niet aan de werknemer is betaald wegens
voor hem geldende wachtdagen, of wegens enig handelen of nalaten dat hem
redelijkerwijs kan worden verweten, wordt zij voor de toepassing van het
eerste lid geacht te zijn ontvangen.
-3. Geen recht op uitkering heeft de werknemer over een dag waarop zijn
arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is,
dan wel een kerkelijke feestdag die ter plaatse waar de werknemer
pleegt te werken algemeen als zodanig wordt gevierd.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e,
wordt met bezoldiging gelijkgesteld het deel van de inkomsten dat de
werknemer ontvangt in verband met de eindiging van een dienstbetrekking
dat overeenkomt met het bedrag aan bezoldiging dat de werknemer zou
hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging indien
deze in acht zou zijn genomen.
-5. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de werknemer
die uitsluitend uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de
dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden in een omstandigheid
verkeert als bedoeld in het eerste lid.
-6. Regels gesteld op grond van artikel
19, zesde en achtste lid, van de Werkloosheidswet zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art. 7a. Vervallen.
Art. 8.
-1. Het recht op uitkering eindigt:
a. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;
b. indien ter zake van na het ontstaan van het recht verrichte arbeid
een nieuw recht op uitkering is ontstaan, voor zover het aantal
arbeidsuren waarnaar beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met
het resterend aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het
aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 5, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren
waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend;
c. zodra zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in
artikel 7, eerste lid;
d. zodra de voor de werknemer geldende uitkeringsduur is verstreken;
e. met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgende op die
waarin de werknemer in de zin van artikel E 1 van de wet uit hoofde van
ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard de betrekking te
vervullen waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen;
f. in afwijking van onderdeel
e eindigt het recht op uitkering indien
de werknemer uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is
verklaard voor het vervullen van de betrekking die hij gedurende de met
recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij ambtenaar
was in de zin van de wet, met ingang van de dag waarop de werknemer uit
bedoelde betrekking wordt ontslagen.
-2. Op grond van het eerste lid, onderdeel a,
eindigt het recht op uitkering geheel, indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid in
dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tweede volzin, verricht dat een verlies aan
arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn
arbeidsuren, bedoeld in artikel 5;
b. beschikbaar is om arbeid in dienstbetrekking te aanvaarden voor
minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel
5.
-3. Op grond van het eerste lid, onderdeel a,
eindigt het recht op uitkering gedeeltelijk, indien de werknemer:
a. al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn
arbeidsuren arbeid in dienstbetrekking of werkzaamheden als bedoeld in artikel
5, tweede lid, tweede volzin, verricht en nog een verlies aan
arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn
arbeidsuren, bedoeld in artikel 5;
b. beschikbaar is om arbeid in dienstbetrekking te aanvaarden voor
minder arbeidsuren dan het aantal dat hij heeft verloren, doch voor ten
minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel
5.
-4. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel a,
van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het
aantal arbeidsuren dat hij de in dat lid bedoelde arbeid of
werkzaamheden verricht.
-5. Voor de werknemer op wie het derde lid, onderdeel b,
van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het
aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid.
-6. Regels, gesteld op grond van artikel
20, zesde lid, van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 9.
-1. Indien het recht op uitkering op grond van
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b of c
, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de
omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te
bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van de in het
tweede lid bedoelde regels, voor zover geen nieuw recht op uitkering
bestaat.
-2. Regels, gesteld op grond van artikel
21, tweede lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing.
§
2. Het geldend
maken van het recht op uitkering
Art. 10.
Het bestuursorgaan beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag, of het recht op uitkering
bestaat.
Art. 11.
Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen
vóór 26 weken voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om een
uitkering werd ingediend.
Art. 12.
-1. De werknemer voorkomt dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
1º. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2º. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen
toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3º. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
4º. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het
aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren;
c. wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden
verweten geen uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
b, c of d.
-2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden, indien hij:
a. zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft
moeten begrijpen dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen
hebben;
b. ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van zijn
dienstbetrekking voor hem zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze
voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
-3. Als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle
arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is
berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passende arbeid
wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet
Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967,
687).
Art. 13.
De werknemer is verplicht:
a. aan het bestuursorgaan op zijn verzoek of uit eigen beweging
onverwijld alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de
hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering
dat aan de werknemer wordt betaald; en
b. zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het
bestuursorgaan niet benadeelt of zou kunnen benadelen.
Art. 14.
-1. De werknemer is verplicht:
a. uiterlijk de eerste werkdag volgend op de eerste dag van werkloosheid
bij het bestuursorgaan aangifte te doen van zijn werkloosheid;
b. binnen één week na het intreden van zijn werkloosheid bij het
bestuursorgaan een aanvraag om een uitkering in te dienen;
c. de voorschriften op te volgen die het bestuursorgaan ten behoeve van
een doelmatige controle stelt;
d. zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te
doen inschrijven en die inschrijving tijdig te doen verlengen;
e. gevolg te geven aan een verzoek van de Centrale organisatie werk en
inkomen om inlichtingen van belang voor de uitvoering van dit besluit te
verstrekken;
f. deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing en
voldoende mee te werken aan het bereiken van een gunstig resultaat;
g. mee te werken aan een voor hem gewenst onderzoek naar zijn
arbeidsgeschiktheid door een arts, een psycholoog of een
beroepskeuzeadviseur;
h. de hem op grond van paragraaf
9 van dit hoofdstuk opgelegde verplichtingen na te komen; en
i. de voorschriften op te volgen die het bestuursorgaan stelt in verband
met het genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering.
-2. Regels gesteld op grond van artikel
26, tweede lid, van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 15.
-1. Indien de werknemer een verplichting hem op grond van
de artikelen 12, 13
en 14
opgelegd niet nakomt, is het bestuursorgaan bevoegd de uitkering
blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te
weigeren of de uitkeringsduur te beperken.
-2. Indien de werknemer bij het intreden van zijn werkloosheid een
verplichting hem op grond van de
artikelen 13 en 14
opgelegd niet nakomt, is het bestuursorgaan bevoegd de uitkering
tijdelijk geheel te weigeren vanaf de eerste dag van zijn werkloosheid.
Art. 16.
Het bestuursorgaan dat een uitkering heeft geweigerd of de
uitkeringsduur heeft beperkt, beslist in geval van herleving van het
recht op uitkering als bedoeld in artikel
9 opnieuw of een weigering van de uitkering of een beperking van de
uitkeringsduur wordt voortgezet.
Art. 17.
-1. Indien de Centrale organisatie werk en inkomen op grond van
duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft
dat de werknemer een verplichting hem op grond van artikel
14, eerste lid, onderdeel d, e, f of h,
opgelegd niet nakomt, geeft zij van dit oordeel of vermoeden onverwijld
schriftelijk kennis aan het bestuursorgaan, onder vermelding van de
gronden waarop het oordeel of vermoeden steunt.
-2. Onverminderd het eerste lid verschaft de Centrale organisatie werk en
inkomen aan het bestuursorgaan op zijn verzoek inlichtingen die het
bestuursorgaan voor de uitvoering van dit besluit nodig acht.
§
3. De betaling van
de uitkering
Art. 18.
Het orgaan betaalt de uitkering in de regel per maand achteraf.
Art. 19.
-1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht de inkomsten
wegens loonderving, met uitzondering van een uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel een
uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt op grond van
enige andere publiekrechtelijke regeling inzake
arbeidsongeschiktheidsuitkering, voor zover deze inkomsten geen verband
houden met de eindiging van een dienstbetrekking, alsmede inkomsten uit
ouderdomspensioen. Onder inkomsten wegens loonderving worden ook
verstaan uitkeringen op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel
op de voet van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb.
1969, 594). Onder ouderdomspensioen wordt verstaan een uit een vervulde
dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke
uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening.
-2. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, dienen betrekking te hebben
op de periode waarover de werknemer recht heeft op uitkering op grond
van dit besluit.
-3. Artikel 7, tweede lid, is van toepassing op het eerste lid.
-4. Indien de werknemer wegens eindiging van een dienstbetrekking
ouderdomspensioen ontvangt, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van
het eerste lid, de uitkering per dag niet hoger gesteld dan op het
verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn vastgesteld op de
eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het pensioen per dag
dat op die dag is ontvangen.
-5. De inkomsten, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de
inkomsten uit ouderdomspensioen worden niet in mindering gebracht indien
zij door de werknemer reeds vóór het intreden van de werkloosheid werden
ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij
werkloos is geworden. De inkomsten uit ouderdomspensioen, alsmede de
overige inkomsten, bedoeld in het eerste lid, voor zover laatstgenoemde
inkomsten worden ontvangen na het intreden van de werkloosheid, worden
niet op de uitkering in mindering gebracht voor zover zij betrekking
hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de
werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden
van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
-6. Regels gesteld op grond van artikel
34, zevende lid, van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 20.
Indien de werkloze werknemer arbeid in dienstbetrekking of werkzaamheden
als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tweede volzin, gaat verrichten gedurende minder dan
vijf en minder dan de helft van de arbeidsuren, bedoeld in artikel
5, wordt de uitkering verminderd met 70% van hetgeen hij met die
arbeid of werkzaamheden verdient.
§
4. De duur van de
uitkering
Art. 21.
-1. De uitkeringsduur is een halfjaar, te rekenen vanaf de eerste dag
waarop het recht op uitkering is ontstaan.
-2. Indien de werknemer:
a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk
voorafgaande aan het jaar waarin zijn werkloosheid is ingetreden, in ten
minste drie kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te
hebben ontvangen; of
b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid
recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel
7, eerste lid, onderdeel b, c of d;
wordt de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, bij een
arbeidsverleden van ten minste:
5 jaren, verlengd met drie maanden;
10 jaren, verlengd met een halfjaar;
15 jaren, verlengd met één jaar;
20 jaren, verlengd met anderhalf jaar;
25 jaren, verlengd met twee jaar;
30 jaren, verlengd met twee en een half jaar;
35 jaren, verlengd met drie en een half jaar; en
40 jaren, verlengd met vier en een half jaar.
-3. Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
door samentelling van het aantal kalenderjaren gelegen in de in het
tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode
waarover de werknemer aantoont over 52 of meer dagen loon te hebben
ontvangen en het aantal kalenderjaren vanaf het jaar waarin de
werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot die periode.
-4. Voor de vaststelling van het arbeidsverleden worden dagen waarover
een persoon:
a. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage ontvangt op
grond van artikel
58, eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
die al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het
dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
b. ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 80% of een toelage ontvangt die naar aard en strekking
overeenkomt met een toelage als bedoeld in onderdeel
a, die al dan niet vermeerderd met die
arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van
hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een
toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
d. na eindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
grond van de Ziektewet,
over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tiende
lid, van
die wet;
e. een uitkering ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering als bedoeld in onderdeel
a of d;
gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
-5. Kalenderjaren waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
kind verzorgt, zonder dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het
tweede lid, worden, indien het een kind betreft dat bij de aanvang van
het kalenderjaar:
a. de leeftijd van 6 jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld met
kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen;
b. de leeftijd van 6 jaar, doch die van 12 jaar nog niet heeft bereikt,
voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin 52 of meer dagen
loon is ontvangen.
-6. Het vijfde lid vindt geen toepassing, indien:
a. de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer
dan een halfjaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling
inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van
werkloosheid; of
b. de verzorging uitsluitend of vrijwel uitsluitend buiten Nederland
plaatsvindt.
-7. Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen
zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid
als verzorgende persoon van het kind beschouwd degene van deze personen
die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon
wordt aangewezen, is het orgaan bevoegd één van hen die naar zijn oordeel
als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
wijzen.
-8. Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
-9. Voor de toepassing van dit artikel wordt:
a. de persoon, bedoeld in artikel
7 van de Werkloosheidswet, geacht als werknemer in een
dienstbetrekking in de zin van die wet te staan;
b. niet als loon beschouwd een uitkering op grond van dit hoofdstuk,
alsmede een uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
c. het aantal dagen waarover loon wordt ontvangen, vastgesteld
overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van
de Wet financiering sociale verzekeringen.
-10. Regels gesteld op grond van artikel
42, tiende lid, van de Werkloosheidswet
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 22.
-1. Telkens nadat het recht op uitkering na een gehele eindiging van dat
recht is herleefd op grond van artikel 9, eindigt het recht op uitkering zoveel later dan de in
artikel 21, eerste en tweede lid, genoemde periode als de periode tussen de
eindiging en de herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.
-2. Indien het recht op uitkering, waarvan de duur wordt bepaald door
artikel 21, eerste en tweede lid, door het verrichten van arbeid als
werknemer geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens na
beëindiging van die arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan als
bedoeld in artikel
4 zonder dat aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a , wordt
voldaan, wordt de duur van die uitkering verlengd met de duur van de
verlengde uitkering, bedoeld in artikel 21, tweede lid, die de werknemer als gevolg van de eindiging van het
eerdere recht niet heeft ontvangen.
§
5. De hoogte van
de uitkering
Art. 23.
-1. De uitkering bedraagt per dag 70% van de laatstelijk genoten
bezoldiging.
-2. Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering
zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 5, niet volledig heeft verloren of wiens verlies van arbeidsuren
tijdens de duur van de uitkering wijziging ondergaat, bedraagt de
uitkering 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging, vermenigvuldigd
met het aantal uren werkloosheid per kalenderweek, gedeeld door het
aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies van
arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal arbeidsuren
voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren wordt
bepaald met toepassing van artikel 5.
-3. Het tweede lid vindt geen toepassing voor zover bij de vaststelling
van de laatstelijk genoten bezoldiging met de omstandigheden, bedoeld in
dat lid, rekening is gehouden.
§
6. De aanvullende
voorwaarden voor het recht op vervolguitkering
Art. 24.
-1. De werknemer die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
artikel 21, tweede lid, heeft bereikt, heeft recht op vervolguitkering.
-2. De werknemer die:
a. het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
21, eerste lid, heeft bereikt; en
b. voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
artikel 21, tweede lid, onderdeel a of b
, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op
verlenging van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 21, tweede
lid;
heeft recht op vervolguitkering.
§
7. De duur van de
vervolguitkering
Art. 25.
-1. De uitkeringsduur is één jaar.
-2. In afwijking van het eerste lid is de uitkeringsduur voor de
werknemer die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
drie en een half jaar.
Art. 26.
Indien het recht op de vervolguitkering vóór het einde van de in artikel
25 bedoelde uitkeringsduur is geëindigd, is artikel
22 van overeenkomstige toepassing.
§
8. De hoogte van
de vervolguitkering
Art. 27.
De uitkering bedraagt per dag 70% van het minimumloon.
Art. 28.
-1. Indien de uitkering op grond van artikel
21 berekend was naar een bezoldiging lager dan het minimumloon,
bedraagt de uitkering per dag 70% van die bezoldiging.
-2. Artikel 23, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat, behoudens het bepaalde in het vierde lid, in plaats van
de bezoldiging het minimumloon in aanmerking komt.
-3. Voor de werknemer die naast de uitkering op grond van dit besluit
een uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ontvangt, dan
wel een uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt op grond van enige andere publiekrechtelijke regeling inzake
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedraagt de uitkering per dag 70% van
een percentage van het minimumloon. Het percentage, bedoeld in de eerste
volzin, is gelijk aan het verschil tussen 100 en het midden van de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld.
-4. Indien de uitkering op grond van artikel
21 was berekend naar een bezoldiging lager dan het minimumloon,
wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid in plaats van het
minimumloon die bezoldiging in aanmerking genomen.
§
9. De
voorzieningen
Art. 29.
Regels gesteld op grond van artikel
75 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 30.
-1. Indien de werknemer die recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel
21 of 24
gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het orgaan
noodzakelijke opleiding of scholing, blijft het recht op uitkering op
grond van die artikelen bestaan totdat die opleiding of scholing is
beëindigd.
-2. Regels gesteld op grond van artikel
76, eerste lid, van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 31.
-1. De werknemer die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.
-2. De werknemer heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
onbeloonde activiteiten voorafgaand toestemming van het bestuursorgaan
nodig.
-3. Regels gesteld op grond van artikel
77, derde lid, van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art. 32.
De werknemer ten aanzien van wie artikel 29, 30
of 31
wordt toegepast, wordt geacht werkloos te zijn en te blijven zolang die
toepassing duurt.
Art. 33.
Regels gesteld op grond van artikel
25 van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid zijn
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werknemer in de zin
van dit besluit.
§
10. De uitkering
bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
Vervallen
Art. 34.
Vervallen.
§
11. De uitkering
aan nagelaten betrekkingen
Art. 35.
-1. Na het overlijden van degene aan wie een uitkering is toegekend,
wordt de uitkering, voor zover niet reeds betaald, tot en met de laatste
dag der tweede maand volgende op die waarin het overlijden plaatsvond,
betaald - voor zover mogelijk in een bedrag ineens -:
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet
duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de
onder a bedoelde persoon aan de
minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
c. bij ontstentenis van de
onder a en b
bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene
grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als echtgenoot
aangemerkt niet-gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht
die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft
personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
bestaat.
-3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede
lid kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien
in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van
de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
-4. Regels gesteld op grond van artikel
35, vierde lid, van de Ziektewet zijn van overeenkomstige
toepassing.
-5. Met degene aan wie een uitkering is toegekend, wordt voor de
toepassing van het eerste lid gelijkgesteld degene wiens overlijden
heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou
hebben bereikt doch vóór het bereiken van deze leeftijd, en die
uitsluitend ingevolge het in artikel 7, onderdeel i,
bepaalde over de dag van
zijn overlijden geen recht op uitkering had. De uitkering wordt alsdan
uitbetaald met ingang van de dag van het overlijden. Het bedrag van de
uitkering is gelijk aan hetgeen zou zijn toegekend indien artikel
7, onderdeel i, geen toepassing had
gevonden.
-6. Bij de toepassing van het eerste tot en met het vijfde lid wordt de
uitkering met ingang van de dag na het overlijden verhoogd tot:
a. de laatstelijk genoten bezoldiging, indien het overlijden plaatsvindt
tijdens de duur van de uitkering, bedoeld in artikel 21; of
b. het bedrag dat ten grondslag ligt aan de vervolguitkering, indien het
overlijden plaatsvindt tijdens de duur van de vervolguitkering.
-7. Indien er geen rechthebbenden als bedoeld in het eerste lid zijn,
wordt de uitkering, voor zover niet reeds betaald, na het overlijden van
degene aan wie deze is toegekend anders dan op grond van het vijfde lid
tot en met de laatste dag der maand waarin het overlijden plaatsvond,
betaald aan de persoon of de personen die daarvoor naar het oordeel van
het bestuursorgaan op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt
onderscheidenlijk komen, mits deze daartoe binnen zes maanden na het
overlijden een verzoek bij het bestuursorgaan heeft onderscheidenlijk
hebben ingediend.
-8. Bij de toepassing van het eerste en het vijfde lid blijft het
bepaalde in de
artikelen 7, onderdeel i, 21
en 25
buiten toepassing.
-9. Bij overlijden in de periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid,
bedoeld in artikel 34, bestaat geen aanspraak op een uitkering als in dit artikel
bedoeld.
§
12. Overgangsbepalingen
Art. 36.
-1. Het bepaalde bij en krachtens artikel
6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb.
1967, 421), zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan die waarop
de Werkloosheidswet
in werking treedt, blijft van toepassing ten aanzien van de persoon die
op de dag voorafgaande aan die waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, recht op uitkering als bedoeld in het Koninklijk besluit van 4 december 1979 (Stb.
1979, 769) op
grond van dat artikel had, zolang hij niet de maximumuitkeringsduur als
bedoeld in dat besluit heeft bereikt.
-2. Voor de toepassing van artikel
19 van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt als gehuwd
aangemerkt de ongehuwde persoon die op grond van artikel
1, derde, vierde en vijfde lid, van de Toeslagenwet (Stb.
1986, 562) als gehuwd of echtgenoot wordt aangemerkt.
Art. 37.
-1. In aansluiting op het eindigen van het recht op uitkering, bedoeld in
artikel 36, heeft de in dat artikel bedoelde persoon recht op uitkering,
tenzij dit besluit dat verhindert.
-2. De
artikelen 1 tot en met 23, 34 en 35 zijn van toepassing op de
personen, bedoeld in het eerste lid.
-3. In afwijking van artikel
21, eerste en tweede lid, is de uitkeringsduur voor de in het eerste
lid bedoelde persoon die op de eerste dag van de werkloosheid:
a. jonger is dan 22,5 jaar, indien hij aantoont in de periode van drie
jaar aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande
ten minste gedurende twee en een half jaar als werknemer in de zin van
de Werkloosheidswet
(Stb. 1967, 421) of de Wet
Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485)
in een dienstbetrekking van 8 of meer uren per week te hebben gestaan:
een halfjaar;
b. 22,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 29,5 jaar: één jaar;
c. 29,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 34,5 jaar: anderhalf jaar;
d. 34,5 jaar of ouder is, doch jonger dan 57,5 jaar: twee jaar;
e. 57,5 jaar of ouder is: zeven en een
half jaar.
-4. Voor de werknemer, bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
b en c, wordt de uitkeringsduur verlengd
met een halfjaar indien hij aantoont in de periode van vijf jaar aan
het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande ten minste
gedurende drie jaar als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
(Stb. 1967, 421) of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in een dienstbetrekking van 8 of meer uren
per week te hebben gestaan.
-5. Perioden waarin de werknemer:
a. vóór de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of
meer uren per week recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. vóór of vanaf de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8 of
meer uren per week op grond waarvan hem door het Rijk
invaliditeitspensioen was verzekerd, recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer;
c. vóór de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
d. vóór de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, ter zake van een geëindigde dienstbetrekking van 8
of meer uren per week recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet
over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tiende
lid, van
die wet;
e. anders dan genoemd in onderdeel
a tot en met d, vóór of vanaf de
dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, recht had op een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel
a of d;
worden in aanmerking genomen voor de periode van twee en een half jaar,
bedoeld in het derde lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het
vierde lid.
-6. Tijdens de duur op grond van het derde lid is
artikel 19, vierde lid, niet van toepassing. Tevens worden, in afwijking van
artikel 19, vijfde lid, tijdens de duur op grond van het derde
lid
inkomsten uit ouderdomspensioen niet op de uitkering in mindering
gebracht, voor zover zij door de werknemer reeds vóór het intreden van
zijn werkloosheid werden genoten naast de inkomsten uit het beroep
waaruit hij werkloos is.
-7. Artikel 21, vierde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot de periode van twee en een half jaar, bedoeld in het
derde lid, en de periode van drie jaar, bedoeld in het vierde lid.
-8. De
artikelen 22 en 30
zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
uitkeringsduur, bedoeld in het derde en vierde lid.
-9. De in het eerste lid bedoelde personen worden geacht te voldoen aan
de voorwaarde, bedoeld in artikel 6.
Art. 38.
-1. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van zijn werkloosheid werknemer in de zin van dit besluit was en die in
de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 6, in
weken gelegen vóór de dag waarop de
Werkloosheidswet
in werking treedt, arbeid als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
(Stb. 1967, 421) of de Wet
Werkloosheidsvoorziening ¹, dan wel zijn militaire dienstplicht of in
plaats daarvan vervangende dienst heeft vervuld, wordt met betrekking
tot de weken waarin hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd als
werknemer in de zin van dit besluit.
-2. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van zijn werkloosheid werknemer in de zin van dit besluit was en die in
de periode van twaalf maanden, bedoeld in artikel 6, in weken vanaf de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van die
wet of in een arbeidsverhouding ter zake waarvan hem door het Rijk
invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt met betrekking tot de weken
waarin hij deze arbeid heeft verricht, beschouwd als werknemer in de zin
van dit besluit.
-3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die op
de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid werknemer in de zin van het Koninklijk
besluit van 4
december 1979 (Stb. 1979, 769) op grond van artikel
6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb.
1967, 421) was en wiens werkloosheid begint op de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt.
-4. Artikel 6, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
-5. Regels gesteld op grond van artikel
12, zesde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid
zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Volgens de redactie dient
na "Wet Werkloosheidsvoorziening" te worden ingevoegd: heeft
verricht.
Art. 39.
-1. De persoon die op de dag onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van zijn werkloosheid werknemer in de zin van dit besluit was, wordt
voor de toepassing van de artikelen
21 en 24
als werknemer in de zin van dit besluit beschouwd gedurende de periode
waarin hij:
a. vóór de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
(Stb. 1967, 421) of de Wet
Werkloosheidsvoorziening in dienstbetrekking heeft gestaan dan wel
zijn militaire dienstplicht of in plaats daarvan vervangende dienst
heeft vervuld;
b. vanaf de dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, werknemer was in de zin van die wet of een
arbeidsverhouding had ter zake waarvan hem door het Rijk
invaliditeitspensioen was verzekerd.
-2. Ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel
38, derde lid, is het eerste lid, onderdeel a,
van overeenkomstige toepassing.
-3. Met betrekking tot de periode voor de
dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, is artikel 37, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
-4. Met betrekking tot de periode vanaf de
dag waarop de Werkloosheidswet
in werking treedt, is artikel 37, vijfde lid, onderdeel b en e,
van overeenkomstige toepassing.
-5. Regels gesteld op grond van artikel
21, vijfde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 40.
Ten aanzien van de persoon die 21 jaar of ouder is en voor de toepassing
van de Toeslagenwet
niet als gehuwd zou worden aangemerkt indien die wet op hem van
toepassing zou zijn geweest en op grond van dit besluit in aanmerking
komt voor een werkloosheidsuitkering berekend naar een bezoldiging
welke ten minste gelijk is aan 70% van het minimumloon, is het bepaalde
bij en krachtens artikel
24 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid van
overeenkomstige toepassing.
Art. 40a.
Voor de toepassing van de artikelen
19 en 20
wordt bij de inkomsten, het ouderdomspensioen en de verdiensten, in die
artikelen bedoeld, de overhevelingstoeslag op die inkomsten, dat
ouderdomspensioen en op die verdiensten, bedoeld in artikel
1 van de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies (Stb.
1989, 128), buiten beschouwing gelaten.
§
13. Garantieregeling
Art. 41.
Ten aanzien van:
a. de werknemer die ontslagen wordt op of na de dag waarop dit besluit
in werking treedt; en
b. de in artikel 37, eerste lid, bedoelde
persoon;
geldt dat hem nimmer
minder voordelen toekomen dan wanneer de Werkloosheidswet
en de Toeslagenwet
op hem van toepassing zouden zijn geweest.
HOOFDSTUK
4
Slotbepalingen
Art. 42.
De uit de
artikelen 4 tot en met 41 voortvloeiende kosten komen ten laste van
het bestuursorgaan.
Art. 43.
De Algemene
termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van
toepassing op de termijnen gesteld in de
artikelen 34, eerste lid, en 35.
Art. 44.
Dit besluit treedt in werking
met ingang van 1 januari 1987. Indien het Staatsblad
waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december
1986, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt terug tot ¹ 1 januari 1987.
1. Volgens de redactie dient
"tot" te worden vervangen door: tot en met.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
's-Gravenhage, 29 december 1986
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de dertigste
december 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals
Altes
|
|