|
Nadere regelgeving:
- Beleidsregel maatregelen UWV
Vervallen
nadere regelgeving:
- Maatregelenbesluit SVB 2008 (vervallen)
BESLUIT van 23 augustus 2007,
Stb. 2007, 304, houdende regels omtrent de hoogte en duur van de op te leggen
administratieve maatregelen op grond van de socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 2 juli 2007, nr. SV/R&S/07/21943;
Gelet op de artikelen 27, tiende lid, van de
Werkloosheidswet, 45, zesde lid, van de
Ziektewet, 29, vijfde lid, van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
90, derde lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 47, vijfde lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 39, vijfde lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 14, zesde lid,
van de Toeslagenwet, 17b, zesde lid, van de
Algemene Ouderdomswet, 38,
zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet en 17, zesde lid, van de
Algemene Kinderbijslagwet;
De Raad van State gehoord (advies van 25 juli
2007, nummer W12.07.0188/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 augustus
2007, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/07/26337;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Algemene
begrippen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. maatregel: een besluit
waarmee een uitkering op grond van een in onderdeel b tot en met
m genoemde wet gedeeltelijk of geheel wordt onthouden wegens het niet
naleven van een wettelijke verplichting;
b. WW: Werkloosheidswet;
c. ZW: Ziektewet;
d. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
e. Wet WIA:
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
f. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
g. Wet Wajong: de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
h. Wazo: Wet arbeid en zorg;
i. TW: Toeslagenwet;
j. AOW: Algemene
Ouderdomswet;
k. Anw: Algemene nabestaandenwet;
l. AKW:
Algemene Kinderbijslagwet;
m. IOW: Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
n. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
o. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet SUWI;
p. SVB: Sociale verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6 van de Wet
SUWI.
Art. 2.
Hoogte en duur
van een maatregel
-1. De hoogte en duur van een, op grond van de in
artikel 1, onderdeel
b
tot en met m, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien
verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste €|25,00 bedraagt,
vastgesteld op:
a. 5 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van
afwijking tot ten minste 2 procent of ten hoogste 20 procent van het
uitkeringsbedrag, gedurende ten minste één maand bij verplichtingen uit
de eerste categorie, bedoeld in artikel 3;
b. 10 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van
afwijking tot ten minste 5 procent of ten hoogste 30 procent van het
uitkeringsbedrag, gedurende ten minste twee maanden bij verplichtingen
uit de tweede categorie, bedoeld in artikel 4;
c. 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van
afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het
uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen
uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6; of
d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit
de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van
de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden
verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is.
-2. Onder uitkering als bedoeld in het eerste lid wordt tevens verstaan
de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
2:39, eerste lid, van de Wet Wajong, de toeslag, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de TW,
het ouderdomspensioen en de toeslag, bedoeld in de artikelen 7
en 8 van de AOW, alsmede de kinderbijslag, bedoeld in
artikel 7 van de AKW.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het bedrag aan
kinderbijslag in aanmerking genomen waarop op grond van artikel 12 van
de AKW recht bestaat ten behoeve van het kind of de kinderen ten aanzien
van wie de overtreding is begaan en wordt de periode van één maand
vervangen door een periode van één kwartaal.
-4. Indien een verplichting op grond van artikel
30, eerste lid,
onderdeel a, of derde lid, van de Wet WIA
of artikel 2:32, tweede lid, van de Wet
Wajong niet is nagekomen, legt het
UWV
voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c en d, de maatregel
op over dat deel van het uitkeringsbedrag dat niet zou zijn uitbetaald
indien die verplichting wel zou zijn nagekomen.
-5. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel
d, wordt bij
overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel
24, vijfde lid, van
de WW, onder "blijvend gehele" verstaan:
a. de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde de aanspraak op
loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de dienstbetrekking zou
hebben kunnen voortduren; of
b. dat deel van de uitkering dat niet tot uitbetaling zou
komen indien
de benadelingshandeling niet had plaatsgevonden.
-6. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel
d, wordt bij
overtreding van de verplichting, bedoeld in artikel
45, eerste lid,
onderdeel j, van de ZW, onder "blijvend" verstaan: voor de duur dat de
verzekerde aanspraak op loon zou kunnen doen gelden.
-7. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel d, wordt bij overtreding van de verplichting, bedoeld
in artikel 88, eerste lid, onderdeel d,
van de Wet WIA, onder "blijvend"
verstaan: voor de duur van het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel
25, negende lid, van die wet.
-8. Indien het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 30,
derde lid, van de Wet WIA, de werknemer niet in overwegende mate kan
worden verweten, weigert het UWV de uitkering over een periode van ten
hoogste 26 weken gedeeltelijk door de uitkering te halveren.
-9. Indien het niet nakomen van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 2:32,
tweede lid, van de Wet Wajong, de
jonggehandicapte niet in overwegende mate kan worden verweten, weigert
het UWV de uitkering over een periode van ten hoogste 26 weken
gedeeltelijk door het bedrag aan uitkering te halveren.
Art. 3.
Eerste
categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1,
onderdeel b tot en met n, genoemde wetten worden ingedeeld in de eerste categorie voor zover
zij betrekking hebben op:
a. het tijdig aanvragen van de uitkering, bedoeld in de artikelen
26,
eerste lid, onderdeel b, van de WW, 34, derde lid, en
34a, vierde lid,
van de WAO, 64, derde lid, van de Wet WIA,
35, vierde lid, van de
WAZ en 28,¹ vierde lid, van de Wet
Wajong;
b. het tijdig doen van aangifte van werkloosheid en het tijdig melden
van ziekte, bedoeld in de artikelen 38a, eerste lid,
38ab, eerste lid, van de ZW;
c. het naleven van vastgestelde controlevoorschriften die noodzakelijk
zijn voor een juiste uitvoering van deze wetten, bedoeld in de artikelen
26, eerste lid, onderdeel c, van de WW,
12, tweede lid, onderdeel d, juncto 17,
eerste lid, onderdeel a, van de IOW,
45, eerste lid, onderdeel
e, van
de ZW, 28, onderdeel d, van de WAO,
27, tweede lid, onderdeel d, van de
Wet WIA, 46, onderdeel d, van de WAZ,
2:7,
tweede lid, onderdeel d, en vierde lid, en 3:38,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet
Wajong,
13 van de
TW, 15, tweede lid, van de AOW,
36, tweede lid, van de
Anw en 16, tweede lid, van de AKW, behoudens voor zover de
controlevoorschriften betrekking hebben op de in artikel 4, onderdeel a
of c, genoemde verplichtingen;
d. het binnen de vastgestelde termijn gevolg geven aan een verzoek om
alle feiten en omstandigheden mede te delen waarvan redelijkerwijs
duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering,
het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van
de uitkering, of het bedrag dat wordt betaald, bedoeld in de artikelen
25 van de WW, 12,
eerste lid, van de IOW, 31, eerste lid, en 49 van de ZW,
27, eerste lid, van de
Wet WIA, 80 van de WAO,
70 van de
WAZ, 2:7,
eerste en vierde lid, en 3:74 van de
Wet Wajong,
12 van de
TW,
49 van de AOW, 35 van de
Anw en 15 van de AKW. Onder uitkering wordt tevens verstaan toeslag als bedoeld in
artikel 11, tweede lid, van de TW, ouderdomspensioen en toeslag als
bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de AOW, alsmede
kinderbijslag als
bedoeld in artikel 7 van de AKW en onder feiten en omstandigheden wordt
onder meer verstaan informatie in het kader van re-integratie;
e. het onverwijld op verzoek inzage verstrekken in een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, van de Wet SUWI;
f. het voldoen aan de andere voorwaarden die het UWV op grond van
artikel 101, tweede lid, van de WW en artikel
17, eerste lid, onderdeel c, van de IOW
stelt, bedoeld in
artikel 26, eerste
lid, onderdeel h, van de WW en artikel
12, tweede lid, onderdeel d, juncto artikel
17, eerste lid, onderdeel c, van de IOW;
g. het opvolgen van voorschriften van het UWV in verband met het
genieten van vakantie tijdens de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in
artikel 26, eerste lid, onderdeel j, van de
WW, en op grond van de IOW, bedoeld in artikel
12, tweede lid, onderdeel d, juncto artikel
17, eerste lid, onderdeel b, van de IOW.
1. Volgens de redactie
dient "28" te worden vervangen
door: 3:28.
Art. 4.
Tweede
categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1,
onderdeel b tot en met
h, j, k, l en m, genoemde wetten worden ingedeeld in de tweede categorie
voor zover zij betrekking hebben op:
a. het meewerken aan een onderzoek, al dan niet van geneeskundige aard,
bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdeel g, van de WW,
45,
eerste lid, onderdeel c, van de ZW, 25, eerste lid, onderdeel b, van de
WAO, 27, tweede lid, onderdeel c, van de
Wet WIA, 45, eerste lid,
onderdeel b, van de WAZ, 2:7,
tweede lid, onderdeel c, en vierde lid, en 3:37,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet
Wajong, 15
van de AOW, 37 van de
Anw, 16 van de AKW
en 12, tweede lid, onderdeel c, van
de IOW;
b. het voldoen aan een voorschrift, gegeven door het UWV
of de door hem
daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of
te verblijven in een aangewezen inrichting, bedoeld in de artikelen 25,
eerste lid, onderdeel c, van de WAO, 27, vijfde lid, van de
Wet WIA, 45,
eerste lid, onderdeel c, van de WAZ en
2:7, zesde lid, en 3:37,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet
Wajong;
c. het voldoen aan elke oproep om aanwezig te zijn of het beantwoorden
van vragen die door het UWV in verband met het recht op uitkering worden
gesteld, bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, onderdeel c, van de
ZW,
25 van de WAO, 27, tweede lid,
onderdeel a en b, van de
Wet WIA, 45 van
de WAZ, 2:7,
tweede lid, onderdeel a en b, en vierde lid, en 3:37
van de Wet
Wajong,
15 van de
AOW, 16 van de AKW
en 12, tweede lid, onderdeel a en b,
van de IOW;
d. het bij deelname aan een re-integratietraject onmiddellijk
mededelen van de reden van het niet naleven van
re-integratieverplichtingen aan het re-integratiebedrijf, bedoeld in de
artikelen 26, eerste lid, onderdeel m, van de WW,
28, onderdeel k, van
de WAO, 27, vierde lid, van de Wet WIA,
46, onderdeel j, van de
WAZ, 2:7,
vijfde lid, en 3:38, eerste lid,
onderdeel j, van de Wet
Wajong en 12, vierde lid, van de IOW;
e. registratie als werkzoekende en het tijdig verlengen van
die registratie, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdeel d,
van de WW, 30, derde lid, van de ZW,
28, onderdeel a, van de
WAO, 30,
tweede lid, van de Wet WIA, 46, onderdeel a, van de
WAZ, 2:32,
eerste lid, en 3:38, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
Wajong en 15,
onderdeel a, van de IOW; of
f. het vergezeld laten gaan van de aanvraag van de uitkering van een
re-integratieverslag, bedoeld in artikel 34a, eerste lid, eerste zin,
van de WAO en artikel
65, eerste zin, van de Wet WIA,
dan wel het voldoen
aan het verzoek tot verstrekken van het re-integratieverslag aan het
UWV, bedoeld in artikel 38, tweede lid, derde volzin, van de ZW.
Art. 5.
Derde
categorie algemeen
De verplichtingen op grond van de in artikel 1,
onderdeel b tot en met
d, f, g en m, genoemde wetten worden ingedeeld in de derde categorie voor
zover zij betrekking hebben op:
a. het meewerken aan scholing, opleiding of activiteiten, bedoeld in de
hoofdstukken VI en Xa van de WW, gericht op inschakeling in de arbeid,
alsmede het beschikbaar zijn voor de voorzieningen, bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, en het meewerken
aan het verkrijgen van die voorzieningen, bedoeld in de artikelen 26,
eerste lid, onderdeel e en f, van de WW,
45, eerste lid, onderdeel l, van de ZW,
28, onderdeel g, van de
WAO, 46, onderdeel g, van de WAZ,
3:38, eerste lid, onderdeel g, van de Wet
Wajong en 14,
tweede lid, onderdeel b, van de IOW;
b. het meewerken aan het opstellen van het plan van aanpak, de
re-integratievisie, het re-integratieplan of het participatieplan, bedoeld in de artikelen 26,
eerste lid, onderdeel k, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel o, van de
ZW, 28, onderdeel i, van de WAO,
29, tweede lid, onderdeel d, van de
Wet WIA, 46, onderdeel h, van de WAZ,
2:8, tweede lid, onderdeel a, 2:31,
tweede lid, onderdeel b, en 3:38,
eerste lid, onderdeel h, van de Wet Wajong
en 14, tweede lid, onderdeel d, van
de IOW zoals dat luidde op 30 juni 2012;
c. het nakomen van de plichten die zijn opgenomen in het plan van
aanpak, de re-integratievisie of het re-integratieplan, bedoeld in de
artikelen 26, eerste lid, onderdeel l, van de WW,
45, eerste lid,
onderdeel p, van de ZW, 28, onderdeel j, van de
WAO, 29, tweede lid,
onderdeel e, van de Wet WIA, 46, onderdeel i, van de
WAZ, 2:31,
tweede lid, onderdeel c, en 3:38,
eerste lid, onderdeel i, van de Wet Wajong en 14,
tweede lid, onderdeel e, van de IOW
zoals dat luidde op 30 juni 2012;
d. het binnen redelijke termijn geneeskundige hulp inroepen en het zich
gedurende het gehele verloop van ziekte of arbeidsongeschiktheid onder
behandeling blijven stellen of de voorschriften van de behandelend arts
opvolgen, bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, onderdeel a, van de
ZW, 28, onderdeel b, van de WAO,
46, onderdeel b, van de
WAZ, 2:8,
tweede lid, onderdeel b, 2:31,
tweede lid, onderdeel a, en 3:38,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet Wajong en 14,
tweede lid, onderdeel a, van de IOW;
e. het zich niet schuldig maken ¹ aan gedragingen waardoor de genezing
wordt belemmerd of het meewerken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek
te verkrijgen, bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, onderdeel b, van
de ZW, artikel 28, onderdeel c, van de WAO,
2:31, tweede lid, onderdeel a,
en 3:38, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet Wajong; of
f. het opvolgen van door het UWV of de door hem daartoe aangewezen
deskundige gegeven voorschriften in het belang van de behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot
het verrichten van arbeid, bedoeld in de artikelen 28, onderdeel a, van
de WAO, 46, onderdeel a, van de WAZ
en 2:31, tweede lid, onderdeel a,
en 3:38, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet Wajong.
1. Volgens de redactie
dient "niet schuldig maken" te worden vervangen door: schuldig
maken.
Art. 6.
Derde
categorie aanvullend
-1. Onverminderd artikel 5 worden de verplichtingen op grond van de
WW en de IOW ingedeeld in de derde categorie voor zover zij betrekking hebben op:
a. het voorkomen werkloos te zijn of te blijven door in
onvoldoende mate te trachten passende of algemeen geaccepteerde arbeid
te verkrijgen of door in verband met de te verrichten arbeid eisen te
stellen die het aanvaarden of verkrijgen van passende of algemeen
geaccepteerde arbeid belemmeren, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten eerste en ten
vierde, van de WW en artikel
15, onderdeel b en d, van de IOW;
of
b. het nakomen van op grond van hoofdstuk VI van de
WW opgelegde
verplichtingen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel i, van
die wet.
-2. Onverminderd artikel 5
worden de verplichtingen op grond van de ZW
ingedeeld in de derde categorie voor zover zij betrekking hebben op:
a. het meewerken aan door zijn
werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn
de verzekerde in staat te stellen passende arbeid te verrichten, bedoeld
in artikel 45, eerste lid, onderdeel m,
van die wet;
b. het verrichten van voldoende
re-integratie-inspanningen in de periode voorafgaand aan de aangifte
door de werkgever van de ongeschiktheid tot werken van de verzekerde,
bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel m,
van die wet; of
c. het trachten te verkrijgen van
passende arbeid door de zieke werknemer, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, van die wet.
-3. Onverminderd artikel 5
wordt ingedeeld in de derde categorie de
verplichting op grond van artikel 28, onderdeel h, van de WAO, die
betrekking heeft op:
a. het meewerken aan door zijn werkgever of door een door die werkgever
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen
maatregelen die erop gericht zijn de belanghebbende in staat te stellen
passende arbeid te verrichten; of
b. het verrichten van voldoende
re-integratie-inspanningen in de periode voorafgaand aan de aanvraag voor
toekenning van WAO-uitkering.
-4. De verplichtingen op grond van de Wet WIA,
de IOW en de ZW worden ingedeeld in de
derde categorie voor zover zij betrekking hebben op:
a. het voorkomen van het ontstaan en bestaan van een recht op uitkering,
bedoeld in artikel 28 van de Wet WIA;
b. het vergroten van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid,
bedoeld in artikel 29 van de Wet WIA,
artikel 14, tweede lid, onderdeel c,
van de IOW en artikel
29g van de ZW; of
c. inschakeling in de arbeid, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, van de Wet WIA
en artikel 30, eerste lid, onderdeel b
en c, van de ZW.
-5. Onverminderd artikel 5
wordt ingedeeld in de derde categorie de verplichting om het bestaan van
arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid te beperken,
bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van
de Wet Wajong.
Art. 7.
Vierde
categorie
De verplichtingen op grond van de in artikel 1,
onderdeel b tot en met
h, genoemde wetten worden ingedeeld in de vierde categorie voor zover
zij betrekking hebben op:
a. het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en
laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het wachtgeldfonds, het
Uitvoeringsfonds voor de overheid of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen
benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW,
45,
eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13,
eerste lid, van de IOW;
b. het nalaten de arbeidsongeschiktheid opzettelijk te veroorzaken,
bedoeld in de artikelen 45, eerste lid, onderdeel g, van de ZW,
28,
onderdeel e, van de WAO, 28, eerste lid, juncto
88, tweede lid, van de
Wet WIA, 46, onderdeel e, van de WAZ
en 3:38, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet Wajong;
c. het zich onthouden van verwijtbaar gedrag dat aangemerkt kan worden
als een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek of het op zijn verzoek laten beëindigen van de
dienstbetrekking zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet kon worden
gevergd, door een verzekerde die recht heeft op de loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering ¹ en die arbeid in dienstbetrekking
verricht, bedoeld in artikel 30, derde lid, van de Wet WIA,,
of door een jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning en
arbeid in dienstbetrekking verricht, bedoeld in artikel
2:32, tweede lid, van de
Wet Wajong;
of
d. het tijdens het tijdvak, bedoeld
in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA,
zonder deugdelijke grond nalaten verweer te voeren tegen of instemmen
met een beëindiging van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel
88, eerste lid, onderdeel d, van de Wet WIA.
1. WGA: werkhervatting gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, als bedoeld in hoofdstuk 7
van de Wet WIA, red.
Art. 8.
Recidive
Indien aan de belanghebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee
jaar na de bekendmaking daarvan opnieuw dezelfde verplichting niet of
niet behoorlijk wordt nagekomen, worden het percentage van de op te
leggen maatregel alsmede het minimumbedrag, genoemd in artikel
2, eerste
lid, met 50% verhoogd.
Art. 9.
Samenloop
Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer dan
één verplichting, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8, en het niet
nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak, wordt
slechts één maatregel opgelegd, bij verschil die uit de hoogste
categorie.
Art. 10.
Overgangsrecht
Het Maatregelenbesluit UWV, het Maatregelbesluit
AOW, het Maatregelbesluit Anw en het Maatregelbesluit
AKW, zoals die luidden op
de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van dit besluit,
blijven van toepassing op de niet-, niet-behoorlijke of niet-tijdige
nakoming van de desbetreffende verplichtingen, die voorafgaat aan 1 mei
2008.
Art. 11.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2008.
Art. 12.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23
augustus 2007
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
Uitgegeven de dertigste
augustus 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[23 augustus 2007]
Algemeen
1. Inleiding
Op overtreding van
verplichtingen in socialezekerheidswetten moet het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), respectievelijk de Sociale
verzekeringsbank (SVB), een maatregel of een bestuurlijke boete opleggen.
Een bestuurlijke boete wordt opgelegd bij het bewust, niet, onvolledig
of onjuist verstrekken van gegevens die (kunnen) dienen ter vaststelling
van een uitkeringsaanspraak. Bij sommige overtredingen is het UWV,
respectievelijk de SVB, bevoegd te volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing in plaats van het opleggen van een maatregel
of bestuurlijke boete. Het UWV, respectievelijk de SVB, moet een
maatregel dan wel een bestuurlijke boete ¹ afstemmen op de ernst van de
gedraging en de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende verweten
kan worden. Nadere regels over het afstemmen van de bestuurlijke boete
worden geregeld in een apart besluit, het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
1. De hoogte van de
bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert.
Tot op heden waren regels
over afstemming van de hoogte van de maatregel op de ernst van de
gedraging en de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan
worden verweten, neergelegd in besluiten van het UWV
en de SVB: op het
gebied van de volksverzekeringen in het Maatregelbesluit
AOW, het Maatregelbesluit Anw en het Maatregelbesluit
AKW van de SVB en op
het gebied van de werknemersverzekeringen in het Maatregelenbesluit
UWV.
De wetgever heeft de
regie over het handhavingsbeleid. Bij de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Wet
invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is er daarom voor
gekozen de regelgevende bevoegdheid van het UWV en de SVB met betrekking
tot nadere regels omtrent het opleggen van een maatregel naar een "hoger" regelgevingsniveau te tillen. De genoemde invoeringswetten
bevatten wijzigingen van de materiewetten waardoor in die wetten
grondslagen worden opgenomen van het treffen van een algemene maatregel
van bestuur (AMvB) op grond waarvan (nadere) regels worden gegeven over
het afstemmen van een maatregel. De werking van die wijzigingsbepalingen
was echter uitgesteld tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip. In afwachting daarvan waren het UWV en de SVB bevoegd tot het
stellen van (nadere) regels. In het onderhavige besluit is uitvoering
gegeven aan de opdracht om bij AMvB nadere regels te stellen met
betrekking tot de hoogte en de duur van de op te leggen maatregelen op
grond van de diverse socialezekerheidswetten. Direct voorafgaand aan het
onderhavige besluit is een besluit in werking getreden waarin het
tijdstip wordt bepaald waarop de delegatiebepaling wordt vervangen. Met
de inwerkingtreding van dat besluit vervalt de bevoegdheid van de
uitvoeringsorganen om (nadere) regels te stellen.
Uitgangspunten
Bij de uitwerking van dit
maatregelenbesluit is rekening gehouden met de uitkomsten van het
onderzoek "Effectiviteit van sancties bij arbeidsmarkt- en
re-integratiebeleid, Lessen uit het buitenland", SEOR, mei 2006 [SEOR:
onderzoeks- en consultancybedrijf van de Erasmus Universiteit Rotterdam,
red.]. Het
betreft een analyse van de effectiviteit van oplegging van sancties in
de sociale zekerheid in Nederland en andere landen. Uit het onderzoek
komt naar voren dat strikte en consequente toepassing effectiever is dan
bijvoorbeeld verzwaring
van sancties. Sancties werken effectiever als er maatschappelijk
draagvlak is voor een sanctiebeleid en draagvlak onder uitvoerders om
die sancties toe te passen.
Daarbij geldt hoe groter
de (ervaren) rechtvaardigheid en transparantie van toepassingen, hoe
groter de kans dat dit draagvlak er is. De wijze waarop sancties in de
praktijk toegepast worden, is van belang. Enerzijds brengen
selectiviteit en te grote variatie in toepassingsgraad risico’s mee
voor de rechtvaardigheid en geloofwaardigheid van het sanctiebeleid.
Anderzijds blijft het toepassen van sancties mensenwerk en moet er
ruimte zijn voor differentiatie in sanctietoepassing.
Het onderzoek wijst ook
op het preventieve effect van consequente sanctietoepassing, mits
cliënten goed zijn geïnformeerd over hun verplichtingen en over de
gevolgen wanneer verplichtingen niet worden nagekomen. Dit vereist,
naast gerichte voorlichting over de aan het uitkeringsrecht verbonden
plichten, ook een overzichtelijke sanctiesystematiek.
De keuze om één uniform
maatregelenbesluit te treffen voor zowel de werknemers- als de
volksverzekeringen ligt in het verlengde van deze bevindingen met de
inzet om de verscheidenheid van maatregelen te beperken met het oog op
overzichtelijkheid.
De uniformiteit houdt in
dat de plichten in de volksverzekeringen op dezelfde manier als bij de
werknemersverzekeringen ingedeeld worden naar soort. De sanctie is een
bepaald percentage van de uitkering. Door het hanteren van een gelijke
systematiek (zie paragraaf 2. Systematiek) en door de maatregel op
eenzelfde wijze te berekenen (zie paragraaf 5. Realisering van de
maatregel), streeft het besluit een uniform, rechtvaardig sanctiestelsel
na.
Bij de integratie van de
door UWV en SVB gehanteerde en vooral qua hoogte verschillende
sanctiesystematiek is voorrang gegeven aan het principe van eenvoud en
transparantie, met voldoende ruimte voor de uitvoering om de keuze voor
de op te leggen sancties af te stemmen op de ernst van het geval in
kwestie.
Toepasselijke wetten
Het onderhavige besluit
geeft regels met betrekking tot het afstemmen van hoogte en duur van de
op te leggen bestuurlijke maatregelen op grond van de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet
(ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de
Toeslagenwet (TW), de Algemene Ouderdomswet
(AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI). Het gaat om de maatregelen die het UWV, respectievelijk de
SVB,
kan opleggen als de
belanghebbende een in de genoemde wetten opgenomen plicht (verwijtbaar)
niet of niet behoorlijk nakomt. Voorts is het besluit van
overeenkomstige toepassing op de op te leggen maatregelen op grond van
hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg.
2. Systematiek
De plichten zijn
ingedeeld in een viertal naar zwaarte oplopende categorieën. Bij het
indelen is gekeken naar de soort plicht en het belang dat wordt gehecht
aan het naleven van het type plicht. Naarmate een plicht in een hogere
categorie is ingedeeld, wordt een maatregel van deze hogere categorie
opgelegd. Bij het vaststellen van de hoogte van de maatregel wordt
uitgegaan van een per categorie genoemd percentage (standaardmaatregel)
van de uitkering. Afwijking is mogelijk naar boven of naar beneden,
binnen de in het besluit vastgestelde boven- en ondergrenzen. Voor de
duur van de maatregel worden alleen ondergrenzen gesteld.
Beleidsregel
Binnen de bandbreedte
hebben het UWV en de SVB
beleidsvrijheid bij het afstemmen van de hoogte
en de duur van de maatregel. Het UWV en de SVB kunnen de overtreding van
de per categorie ingedeelde plichten binnen de gestelde kaders nader
afstemmen op de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
Door die nadere regels in een beleidsregel vast te leggen, kunnen de
uitvoeringsinstanties een inzichtelijk, kenbaar en gemotiveerd
uitvoeringsbeleid voeren.
3. De indeling van de
plichten in categorieën
De plichten in de
werknemersverzekeringen
Wat de indeling van
plichten in sanctiecategorieën betreft, lijkt het besluit op het
voormalige Maatregelenbesluit UWV, dat echter uitging van vijf
categorieën. Het onderhavige besluit gaat uit van vier categorieën.
In het onderhavige
besluit wordt net als in het Maatregelenbesluit UWV onderscheid gemaakt
enerzijds naar plichten die zijn gericht op het stroomlijnen van het
administratieve proces, anderzijds naar plichten die betrekking hebben
op re-integratie, werkhervatting en het voorkomen dan wel beperken van
het risico.
In het voormalige
Maatregelenbesluit UWV bevatten de eerste drie categorieën plichten
gericht op het stroomlijnen van het administratieve proces. Dit soort
plichten zijn gericht op het voorkomen van vertraging, bemoeilijking of
verhindering van het uitvoeringsproces. De eerste categorie bevatte
vooral plichten die binnen een bepaalde termijn nagekomen moesten
worden. De tweede categorie bevatte vooral plichten om voorschriften in
het kader van controle op te volgen. De derde categorie bevatte vooral
plichten betrekking hebbend op de bereikbaarheid en aanwezigheid van
betrokkenen en dergelijke. De vierde categorie bevatte plichten die
betrekking hebben op re-integratie en werkhervatting. De vijfde
categorie bevatte plichten gericht op het voorkomen dan wel beperken
van het risico.
Maatregelen in de eerste
categorie konden afhankelijk van de termijnoverschrijding zwaarder
uitpakken dan maatregelen van de tweede categorie. Dit past minder goed
in de systematiek van naar ernst oplopende sanctiecategorieën. In het
onderhavige besluit zijn daarom ten opzichte van het voormalige
Maatregelenbesluit UWV de eerste en tweede categorie plichten
samengevoegd tot één categorie.
De overige categorieën
verschuiven in die zin dat de derde categorie van het voormalige
Maatregelenbesluit UWV de tweede categorie wordt; de vierde categorie
wordt de derde categorie en de vijfde categorie wordt de vierde
categorie.
Voorts is een aantal
plichten ten opzichte van de indeling in het Maatregelenbesluit UWV naar
een lichtere of zwaardere categorie verschoven.
Eerste categorie: plichten om
(a) binnen een bepaalde termijn uitkering aan te vragen, (b) aangifte te
doen van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, (c) inlichtingen te
verstrekken, (d) zich op geldige wijze te identificeren, (e) om
voorschriften in het kader van controle en vakantie op te volgen
De plichten onder
(a) tot
en met (d) zijn, evenals zij dat waren in het Maatregelenbesluit
UWV,
opgenomen in de eerste categorie. Een te laat aangevraagde uitkering kan
binnen bepaalde grenzen met terugwerkende kracht worden toegekend. Het
te laat aangifte doen van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid of
uitkering aanvragen, heeft tot gevolg dat de aanvraag toch nog in
behandeling moet worden genomen. Het niet in acht nemen van de
aanvraagtermijn kan leiden tot een maatregel van de eerste categorie.
Aan de (tijdige) nakoming
van termijngebonden inlichtingenplichten wordt in het kader van het
stroomlijnen en controleren van het administratieve proces gehecht. Men
heeft dan ook een verzoek met een antwoordtermijn ontvangen. In dit
kader dient het verwijtbaar niet tijdig nakomen van de
inlichtingenplicht, ongeacht of benadeling is opgetreden, te leiden tot
een maatregel.
Het zich op geldige wijze
identificeren wordt in het kader van het bestrijden van
identificatiefraude en de daarbij behorende problemen van groot belang
geacht. De plichten onder (e) om de controlevoorschriften op te volgen,
zomede de vakantievoorschriften, waren in het Maatregelenbesluit UWV in
de tweede categorie ingedeeld. Door het samenvoegen van de eerste en
tweede categorie zitten deze plichten thans in de eerste categorie.
Tweede categorie: plichten
die betrekking hebben op de bereikbaarheid, aanwezigheid, meewerken aan
onderzoek, de voorgeschreven registratie bij de Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI)
Het niet nakomen van
plichten die betrekking hebben op de bereikbaarheid dan wel
aanwezigheid van uitkeringsgerechtigden dienen een betrokkene zwaarder
te worden aangerekend dan het niet nakomen van de in de eerste (voorheen
eerste en tweede) categorie(ën) ingedeelde plichten. In concreto kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan het zonder genoegzaam bericht niet komen
opdagen op een uitnodiging voor gesprek met een verzekeringsarts of
arbeidsdeskundige. Bij het streven naar een betaalbaar socialezekerheidsstelsel is het van belang dat voorkomen wordt dat schaarse
professionals als verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen nodeloos
worden ingezet. Voorts kan het ook voorkomen dat een betrokkene die
inmiddels arbeidsgeschikt is niet op gesprek bij de verzekeringsarts
verschijnt. Hierdoor blijft de uitkering ten onrechte doorlopen.
Ten opzichte van het
voormalige Maatregelenbesluit UWV is de plicht in de
WW om zich tijdig
als werkzoekende bij de CWI te laten registreren en die registratie
tijdig te doen verlengen, verschoven van de eerste naar de tweede
(voorheen derde) categorie vanwege het grote belang dat aan nakoming van
deze plicht wordt gehecht. Door een tijdige registratie komt de
betrokkene als werkzoekende in beeld. De CWI kan zijn afstand tot de
arbeidsmarkt inschatten en de betrokkene volgen bij het zoeken naar
werk. De plicht om het voorschrift op te volgen dat is gegeven tot
registratie bij de CWI is in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
bovendien in het Maatregelenbesluit UWV al in de tweede (voorheen derde)
categorie ingedeeld. Het verschuiven van eenzelfde type plicht in de WW
naar de tweede categorie sluit hier op aan. De plicht om mee te werken
aan onderzoek is ongewijzigd in de tweede (voorheen derde) categorie
ingedeeld.
Ten opzichte van het
voormalige Maatregelenbesluit UWV is de plicht om de aanvraag vergezeld
te laten gaan van een re-integratieverslag verschoven van de eerste naar
de tweede (voorheen derde) categorie.
De wijze waarop de
plichten in de derde of de vierde categorie zijn ingedeeld, heeft te
maken met de aansturing en de beschikbare vrijheid binnen de bandbreedte
bij het bepalen van hoogte en duur van de maatregel. De plichten zijn
ingedeeld in de twee hoogste categorieën vanwege het zwaarwegende
belang dat aan nakoming wordt gehecht.
Derde categorie: plichten in
het kader van re-integratie en werkhervatting
In de derde categorie
zijn ingedeeld de plichten die betrekking hebben op re-integratie en
werkhervatting.
Aan (het bevorderen van)
re-integratie en arbeidsinpassing wordt zeer groot belang gehecht.
Dit soort plichten is
ingedeeld in de derde (voorheen vierde) categorie. De bovengrens van de
derde (voorheen vierde) categorie is gelijk aan de vierde (voorheen
vijfde) categorie.
Adequate communicatie
over datgene wat iemand te doen staat in het kader van re-integratie en
arbeidsinpassing is van belang. In dat kader kunnen, gebaseerd op al
bestaande wettelijke verplichtingen, concrete afspraken gemaakt worden
met WW-, WAO-, WAZ-,
Wajong- en werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA)-gerechtigden. Deze afspraken kunnen gaan over de
eigen verantwoordelijkheid en inzet van de klant, zoals de
sollicitatieverplichtingen en re-integratie-inspanningen. Bij het
concretiseren van de sollicitatieplicht is ruimte voor een individuele
aanpak. Afspraken worden vastgelegd in de re-integratievisie of bij
inschakeling van een re-integratiebedrijf in een re-integratieplan. De
afspraken kunnen bevorderen dat uitkeringsgerechtigden weten waarop zij
kunnen worden aangesproken.
De plichten op grond van
de Wet WIA die zien op het voorkomen van verwijtbaar verlies van
passende arbeid en de plicht passende arbeid te verrichten indien de
werknemer daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, vertonen een sterke
parallel met WW-plichten.
Het gaat om drie plichten
in het kader van de WW, waarbij vanwege aanscherping van het
maatregelbeleid in de WW zelf is bepaald welke maatregel moet volgen op
niet-nakoming. Het gaat om plichten van de werknemer bij verwijtbare
werkloosheid, het door eigen toedoen niet behouden van passende arbeid
(zoals bedoeld in de artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en onderdeel
b, ten derde, van de WW) en bij het weigeren van passende arbeid (zoals
bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de
WW).
Indien een werknemer deze
plichten op grond van de WW niet nakomt, wordt zijn uitkering blijvend
geheel geweigerd, derhalve een maatregel uit de vierde (voorheen vijfde)
categorie.
Genoemde plichten op
grond van de Wet WIA moeten evenals in de WW
in principe leiden tot een
blijvend gehele weigering. Het is van belang dat het UWV
bij het opleggen
van maatregelen de parallel met de WW in acht neemt en in gevallen die
vergelijkbaar zijn aan genoemde overtredingen op grond van de WW
eveneens een gehele weigering van de uitkering als maatregel oplegt, die
qua duur gelijk is aan de duur van de vergelijkbare WW-uitkering. Het UWV
heeft aangevoerd dat de doelgroep in de Wet WIA
niet steeds op alle
fronten gelijk is en heeft gepleit voor meer mogelijkheden tot
proportionele afstemming van de maatregelen. Om die reden zijn deze
plichten ingedeeld in de derde categorie. Indeling in de derde categorie
van deze plichten maakt nuancering van de maatregel specifiek geënt op
de situatie van de gedeeltelijke arbeidsgeschikte mogelijk. De
bovengrens biedt daarbij de mogelijkheid evenals in de WW de uitkering
geheel te weigeren. Voorts kan de uitkering ook blijvend geweigerd
worden.
Vierde categorie: plichten
gericht op het beperken van het risico
In de vierde categorie
zijn ingedeeld de plichten gericht op het voorkomen dan wel beperken van
het risico.
De plichten om de
arbeidsongeschiktheid niet opzettelijk te veroorzaken of zich zodanig te
gedragen dat de fondsen niet worden benadeeld of kunnen worden
benadeeld, vallen in de vierde (voorheen vijfde) en zwaarste categorie.
Zo
moet voor overtreding van de plicht om arbeidsongeschiktheid niet
opzettelijk te veroorzaken, voldaan zijn aan het opzetvereiste. Dit is
niet licht aantoonbaar. Bij het zich zodanig gedragen dat de
belanghebbende door zijn doen of nalaten de fondsen benadeelt, gaat het
om een in meer algemene termen omschreven restcategorie
benadelingshandelingen. Als het verzekerde risico is ingetreden door een
(verwijtbare) benadelingshandeling, brengt het verzekeringskarakter van
de uitkering mee dat een op de omvang van de aan de betrokkene toe te
rekenen werkloosheid of arbeidsongeschiktheid toegesneden sanctionering
vereist is; dit is in principe een blijvende dan wel tijdelijke gehele
weigering van de uitkering. Als eenmaal sprake is van overtreding van
deze plichten, moet dit leiden tot de zwaarste maatregel.
De plichten in de
volksverzekeringen
In de volksverzekeringen
komen minder plichten voor dan in de werknemersverzekeringen.
Voorkomende plichten zijn plichten om de controlevoorschriften na te
komen en de termijngebonden informatieplichten. Deze plichten zijn
ingedeeld in de eerste categorie.
De in de
Anw, AOW en AKW voorkomende plicht dat de betrokken persoon
dan wel (in de AKW) het
betrokken kind zich op verzoek van de SVB moet onderwerpen aan een
geneeskundig onderzoek is ingedeeld in de tweede categorie. De in de
AKW en AOW voorkomende plichten te verschijnen op afspraak of na afroep
zijn eveneens in de tweede categorie ingedeeld. Indeling in de tweede
categorie geldt ook als dit soort plichten gelijktijdig deel uitmaken
van controlevoorschriften. De plichten die voorkomen in de volksverzekeringen en werknemersverzekeringen en gelijk van aard zijn,
worden dus op gelijke wijze in de maatregelcategorieën ingedeeld.
4. De zwaarte van de
maatregel
Bij het vaststellen van
de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van een per categorie genoemd
percentage van de uitkering met afwijking binnen de in het besluit
vastgestelde onder- en bovengrenzen. Voor de duur van de maatregel
worden alleen ondergrenzen gesteld. De regering acht het van belang dat
ondergrenzen worden vastgesteld. Zowel uit preventief als repressief
oogpunt moeten deze ondergrenzen hoog genoeg zijn. De kans op
financieel, economisch en/of maatschappelijk voordeel uit
regelovertreding wordt verkleind door hogere sancties. Ingeval sprake
is van (enige) verwijtbaarheid, bedraagt de hoogte van de maatregel op de
overtreden plicht ten minste de in het besluit vastgestelde ondergrens
van de categorie waarin de plicht is ingedeeld. Afgezien van de
ondergrenzen aan de duur van de maatregel worden aan de maximale duur
van de maatregel geen beperkingen gesteld. Het kan voorkomen dat een
overtreding voortduurt over een langere periode. Door het benoemen van
een minimumduur kunnen de uitvoeringsinstanties bij het afstemmen van de
maatregel al naargelang de ernst van de gedraging rekening houden met
betrokkenen die nalatig blijven.
De maatregelen dienen
enerzijds qua hoogte en duur ten minste op of boven de ondergrenzen te
liggen. In principe geldt daarbij het per categorie gefixeerde
percentage. Hierdoor wordt via een normering aangegeven hoe zwaarwegend
het niet of niet behoorlijk nakomen van de per categorie ingedeelde
plicht is. Anderzijds worden er ook bovengrenzen gesteld aan de hoogte
van de maatregelen. In de derde en de vierde categorie, waarin de
zwaarstwegende plichten zijn ingedeeld, bieden de bovengrenzen daarbij
de mogelijkheid de uitkering blijvend in zijn geheel te weigeren. Binnen
of op de onder- en bovengrenzen kunnen de uitvoeringsinstanties
afhankelijk van de ernst van de gedraging of de mate waarin de gedraging
verweten kan worden, de maatregel op maat maken. Indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt, wordt niet aan het opleggen van een maatregel
toegekomen.
Proportionaliteit
Door de wijze waarop de
wettelijke plichten zijn ingedeeld in vier naar ernst oplopende
categorieën en door de keus voor een bij elke categorie passende
standaardmaatregel (gemiddeld percentage van de uitkering) en genoemde
onder- en bovengrenzen wordt impliciet aangegeven of het niet, niet
tijdig of niet behoorlijk nakomen van een plicht als meer of minder
ernstig wordt aangemerkt. De standaardmaatregel verleent elke categorie
een normering op hoofdlijnen. In de voor het onderhavige besluit
relevante socialezekerheidswetten is bepaald dat de zwaarte van een
maatregel afgestemd moet worden op de ernst van de niet- of niet-behoorlijke nakoming en de mate waarin de gedraging verweten kan worden
aan de betrokkene. Met het beschreven systeem wordt zowel de ernst van
de niet- of niet-behoorlijke nakoming als de (proportionaliteit van de)
zwaarte van de op te leggen maatregelen in principe bepaald. Op grond
van de bestaande wetgeving kunnen het UWV en de
SVB besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien als daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn. Uit het woord "dringend" blijkt dat er dan wel iets
bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking
van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Het gaat dan om
incidentele gevallen, gebaseerd op een individuele afweging van alle
relevante omstandigheden; van algemene of categoriale afwijkingen kan
geen sprake zijn.
Samenloop
Bij samenloop van
maatregelen kan de uitvoering één maatregel opleggen. Als sprake is
van samenloop en de overtreden verplichtingen in verschillende
categorieën zijn ingedeeld, geldt in principe de maatregel in de
hoogste categorie. In het onderhavige besluit is in de
toelichting op artikel 9 aangegeven hoe in een dergelijk geval van
samenloop kan worden omgegaan met het opleggen van een maatregel.
Recidive
Onder recidive wordt in
het kader van het onderhavige besluit verstaan: de situatie dat een
betrokkene een in het besluit genoemde wettelijke plicht binnen twee
jaar opnieuw overtreedt. Recidive of herhaaldelijk recidive binnen een
bepaald tijdsbestek kan van invloed zijn op de bepaling van de ernst van
de gedraging of de mate van verwijtbaarheid en daarom reden zijn voor
verhoging van de maatregel. De vier vervallen maatregelenbesluiten op
het gebied van de sociale verzekeringen bevatten dezelfde algemene
recidiveregeling, inhoudend dat in geval van recidive binnen twee jaar
na een eerdere verwijtbare overtreding van dezelfde plicht, de in
principe op te leggen standaardmaatregel wordt verzwaard door het
percentage van de op te leggen maatregel met de helft daarvan te
verhogen. In het onderhavige besluit wordt bij het bepalen van de hoogte
van de maatregel rekening gehouden met het eerder niet naleven van
dezelfde plicht. Dit vormt een verzwarende omstandigheid, die leidt tot
een 50% zwaardere maatregel dan de maatregel die zou zijn opgelegd bij
een eerste overtreding.
5. Realisering van de
maatregel
In het onderhavige
besluit is ervoor gekozen de maatregel in de wetten op eenduidige wijze
te berekenen. De maatregel wordt gerealiseerd door het percentage van de
maatregel over de bruto verstrekte uitkering te berekenen en in
mindering te brengen op de uitkering.
Bij de realisering van de
maatregel blijft de verhoging van de uitkering bij hulpbehoevendheid,
bedoeld in de artikelen 22 van de WAO,
10 van de
WAZ, 9 van de Wajong
en
53 van de Wet WIA, buiten beschouwing.
Hieronder worden
voorbeelden gegeven van de voormalige en de nieuwe berekeningswijze bij
het opleggen van een maatregel volgens het onderhavige besluit.
In het voormalige Maatregelenbesluit
UWV werd met betrekking tot de WAO uitgegaan van een
procentuele maatregel, waarbij het uitkeringspercentage verlaagd werd
met het aantal procentpunten van de maatregel. Met betrekking tot de WW
golden twee berekeningswijzen. Aan de ene kant werd het
uitkeringspercentage van 70 gekort met het aantal procentpunten van de
maatregel en aan de andere kant werd de uitkering, bedoeld in artikel 64
van de WW, gekort met het percentage van de maatregel. Uit
hiernavolgende voorbeelden 1a/2a (verlaging van het uitkeringspercentage
met het aantal procentpunten van de maatregel) en 1b/2b (verlaging van
de uitkering met het percentage van de maatregel) kan worden afgeleid
dat verlaging van het uitkeringspercentage met het aantal procentpunten
van de maatregel leidt tot een hogere maatregel dan verlaging van de
uitkering met het percentage van de maatregel. Dit is niet beoogd, maar
wel een gevolg van de eenvoudiger systematiek. In het onderhavige
besluit is gekozen voor een verlaging van de uitkering met het
percentage van de maatregel.
Voorbeelden WW:
Gemiddeld dagloon
bedraagt €|91,00.
Gemiddelde uitkering per
dag €|63,70.
De werkloze werknemer
overtreedt voor de tweede keer de controlevoorschriften van het UWV
(de
eerste keer is volstaan met een waarschuwing).
Op basis van het
voormalige Maatregelenbesluit UWV wordt een maatregel opgelegd van de
tweede categorie wegens overtreding van de controlevoorschriften ter grootte
van 5% gedurende vier weken (zie voorbeeld 1a); volgens het onderhavige
besluit wordt een maatregel opgelegd van de eerste categorie wegens
overtreding van de controlevoorschriften ter grootte van 5% van de
uitkering gedurende ten minste één maand (zie voorbeeld 1b voor
verlaging van de uitkering met een percentage van de maatregel).
Voorbeeld 1a:
Op basis van het
voormalige Maatregelenbesluit UWV wordt een maatregel van de
tweede categorie opgelegd van 5% gedurende vier weken (= 20 uitkeringsdagen).
Uitkering zonder
maatregel:
€|91,00 x 70% x 20
dagen = €|1274,00
Uitkering met maatregel:
€|91,00 x (70% - 5% =) 65%
x 20 dagen = €|1183,00
Bedrag maatregel:
€|1274,00 - €|1183,00 = €|91,00
Voorbeeld 1b:
Op basis van het
onderhavige besluit wordt een maatregel van de eerste categorie opgelegd ter
grootte van 5% van de uitkering gedurende ten minste één maand.
Uitkering zonder
maatregel:
€|63,70 x 21,75 dagen = €|1385,48 per maand
Uitkering met maatregel:
€|63,70 x 95%x 21,75
dagen = €|1316,20 per maand
Bedrag maatregel:
€|1385,48 - €|1316,20 = €|69,28
Voorbeeld WW:
In hetzelfde voorbeeld
solliciteert de werkloze niet of te weinig.
Belanghebbende wordt een
maatregel opgelegd van de vierde categorie volgens het voormalige Maatregelenbesluit
UWV ter grootte van 20% gedurende zestien weken (= 80
uitkeringsdagen) (zie voorbeeld 2a); volgens het onderhavige besluit
wordt een maatregel opgelegd van de derde categorie ter grootte van 25%
van de uitkering gedurende vier maanden (zie voorbeeld 2b voor verlaging
van de uitkering met percentage van de maatregel)
Voorbeeld 2a: verlaging van het
uitkeringspercentage met het aantal procentpunten van de maatregel
Uitkering zonder
maatregel:
€|91,00 x 70% x 80 dagen = €|5096,00
Uitkering met maatregel:
€|91,00 x (70% - 20% =)
50% x 80 dagen = €|3640,00 (berekeningswijze van het voormalige
Maatregelenbesluit UWV)
Bedrag van de maatregel:
€|5096,00 - €|3640,00 = €|1456,00
Voorbeeld 2b: verlaging van de
uitkering met percentage van de maatregel
Volgens de nieuwe
berekeningswijze bedraagt de uitkering na maatregel:
Uitkering zonder
maatregel:
€|63,70 x 21,75 dagen = €|1385,48
Uitkering met maatregel:
€|63,70 x (100% - 25%
=) 75% x 21, 75 = €|1039,11
Bedrag van de maatregel:
€|1385,48 - €1039,11
= €|346,37 x 4 maanden = €|1385,48
Voorbeeld AOW:
Belanghebbende heeft een
partner jonger dan 65 jaar en ontvangt volledige toeslag. De SVB
voert
een herhalingsonderzoek uit waarbij belanghebbende niet tijdig
reageert. Uiteindelijk blijkt het inkomen van de partner ongewijzigd.
Belanghebbenden wordt een maatregel opgelegd. De maatregel is volgens
het voormalige Maatregelbesluit
AOW een vast bedrag ter grootte van €|22,00 (zie voorbeeld 3a); volgens het onderhavige besluit een maatregel van
de eerste categorie ter grootte van 5% van de uitkering en ten minste €|25,00
(zie voorbeeld 3b).
Voorbeeld 3a: verlaging met een vast
bedrag
Er wordt eenmalig een
vast bedrag van €|22,00 op het netto-uitkeringsbedrag (pensioen,
tegemoetkoming en toeslag) in mindering gebracht.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x |
€
1283,04x |
| Af: |
x |
x |
| - loonheffing |
€
98,16x| |
|
| -
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw |
€
83,39 + |
€
181,55 - |
| Netto |
x |
€
1101,49x |
| Netto-uitkering na
maatregel |
x |
€
1079,49x |
| Bedrag van de maatregel
netto: |
x |
€
22,00x |
Voorbeeld 3b: verlaging met een
percentage van de uitkering
De uitkering wordt gedurende één maand
verminderd met 5% (het besluit kent mogelijkheden tot andere percentages
en een andere duur).
| AOW-pensioen |
€
636,69x| |
| Tegemoetkoming AOW-ers |
€
9,66x| |
| Onverminderde AOW-toeslag |
€
636,69 + |
| Bruto-uitkering zonder
maatregel |
€
1283,04x| |
| Bruto-uitkering na
maatregel |
€
1218,89x| |
| Bedrag van de maatregel
bruto: 0,05 * €|1283,04
= |
€
64,15x| |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x |
6. Financiële gevolgen
In het SVB-domein heeft
de overgang van een vast bedrag naar een percentage van de uitkering
geen substantiële financiële effecten tot gevolg. De percentages zijn
dusdanig gekozen dat uitgaande van een gemiddelde uitkering de
boetebedragen [lees: maatregelbedragen, red.] grosso modo op hetzelfde uitkomen. Ook ten aanzien van de
uitvoeringskosten worden de financiële effecten op niet substantieel
geraamd.
De financiële effecten
in het UWV domein zijn voorlopig geraamd op een besparing van €|0,5
miljoen.
7. Toetsing op
uitvoerbaarheid en toezichtbaarheid
De SVB
en het UWV geven beide aan dat het onderhavige besluit goed uitvoerbaar is. Het besluit
geeft de IWI [Inspectie Werk en Inkomen, red.]
geen aanleiding tot het maken van opmerkingen over de toezichtbaarheid.
Artikelsgewijs
Op grond van
artikel 3:16, eerste lid, onderdeel f en g, en
3:27, eerste lid, onderdeel
e
en f, van de Wet arbeid en zorg zijn de in die artikelen genoemde
bepalingen van de ZW en de WAZ
van overeenkomstige toepassing in het
kader van de Wet arbeid en zorg.
Dit betekent dat het
onderhavige besluit van overeenkomstige toepassing is, in het bijzonder
de artikelen 3, onderdeel b tot en met f,
4, onderdeel a tot en met
d,
en 7, onderdeel a.
De
verplichtingen op grond van de verschillende materiewetten zijn
in het onderhavige besluit ingedeeld per categorie. Per categorie is
steeds een algemene omschrijving gegeven van de verplichtingen die in
die categorie vallen. Achter iedere omschrijving is aangegeven in welk
wetsartikel de desbetreffende verplichting is terug te vinden.
Gelijksoortige verplichtingen worden in de verschillende materiewetten
vaak op enigszins verschillende wijze geformuleerd. Derhalve is per
artikelonderdeel steeds een zodanige algemene omschrijving van de
verplichtingen gegeven dat alle gelijksoortige verplichtingen in de in
dat onderdeel genoemde bepalingen daaronder vallen.
Artikel
2. Hoogte en duur
van de maatregel
Eerste lid
Dit artikel regelt per
categorie de hoogte en de duur van de maatregel indien de belanghebbende
een verplichting niet, niet behoorlijk of niet tijdig nakomt. Daartoe
wordt in het eerste lid een kader geformuleerd waarbinnen de
uitvoeringsinstanties ruimte hebben nadere invulling aan de hoogte en
duur van de maatregel te geven. Uitgangspunt voor vaststelling van de
hoogte van de maatregel is het in artikel 2 eerstgenoemde percentage van
de categorie waarin de verplichting valt. Binnen de in artikel 2
genoemde bandbreedte per categorie kan gemotiveerd worden afgeweken van
het in artikel 2 eerstgenoemde percentage. Ten aanzien van de duur van
de maatregel is in dit besluit per categorie slechts de minimumduur van
de op te leggen maatregel bepaald.
Binnen de genoemde
bandbreedte en met inachtneming van dit minimum wordt de maatregel, op
grond van de desbetreffende wet, afgestemd op de ernst van de gedraging
en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden.
Dit laat onverlet dat, zoals is neergelegd in artikel
27, zesde lid,
van de WW, artikel 45, tweede lid, van de ZW,
artikel 29, eerste lid,
van de WAO, artikel 47, eerste lid, van de WAZ,
artikel 39, eerste lid,
van de Wajong, artikel
90, eerste lid, van de
Wet WIA, artikel 14,
tweede lid, van de TW, artikel
17b, tweede lid, van de
AOW, artikel 38,
tweede lid, van de
Anw en artikel 17, tweede lid, van de AKW, van het opleggen
van een maatregel wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt. Op grond van deze bepaling kan het UWV
bijvoorbeeld ook
beslissen geen maatregel op te leggen ten aanzien van overtredingen als
bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b,
ten eerste en ten vierde, of artikel
26 van de WW in de perioden waarin de belanghebbende met inachtneming
van de voorschriften, bedoeld in artikel 101, tweede lid, onderdeel b,
juncto artikel 26, eerste lid, onderdeel j, van de WW, vakantie geniet.
Anders dan in het Maatregelenbesluit UWV is dit dus niet expliciet
geregeld.
Met betrekking tot de aan
het UWV en de SVB toekomende bevoegdheid om binnen de in dit besluit
genoemde bandbreedten maatregelen op te leggen, kunnen deze
bestuursorganen beleidsregels vaststellen op grond waarvan in
voorkomende gevallen gemotiveerd kan worden afgeweken van de in artikel 2
eerstgenoemde percentages per categorie. Hierin kunnen zij een
gedetailleerde beschrijving van de verplichtingen opnemen met daaraan
gekoppeld een, binnen de bandbreedte, vastgesteld kortingspercentage op
het uitkeringsbedrag.
De hoogte van de
maatregel wordt vastgesteld als een percentage van het
bruto-uitkeringsbedrag. Dit systeem wijkt voor veel wetten af van de
systematiek die werd gehanteerd vóór inwerkingtreding van dit besluit.
Voor de WW, ZW, TW,
WAO, WAZ en Wajong
golden (deels) afwijkende
berekeningsmethoden en voor de AKW, AOW
en
Anw werden vaste bedragen
opgelegd. De maatregelen werken in veel gevallen derhalve enigszins
anders uit. Daarentegen heeft de nieuwe systematiek als voordeel dat
deze eenvoudiger en uniform is: zie hiertoe ook paragraaf 6 van het
algemeen deel van deze nota van toelichting.
Tweede lid
Dit lid is opgenomen
teneinde buiten twijfel te stellen dat ook de op grond van de in dit lid
genoemde wetten ontvangen bedragen, hoewel zij strikt genomen geen
"uitkering" heten, kunnen worden gekort. Ten aanzien van de AOW
wordt
opgemerkt dat, indien van toepassing, het kortingspercentage steeds
wordt berekend over het ouderdomspensioen, de toeslag en de
tegemoetkoming gezamenlijk. Immers, op grond van artikel
8, tweede lid,
van de AOW wordt onder ouderdomspensioen mede verstaan de in het eerste
lid van dat artikel bedoelde toeslag. In artikel
33b, tweede lid, van
die wet is voorts bepaald dat voor de toepassing van artikel
17b de
tegemoetkoming als ouderdomspensioen wordt beschouwd. Waar in artikel
17b van de AOW over ouderdomspensioen wordt gesproken, wordt daaronder
dus tevens verstaan de toeslag en de tegemoetkoming.
Derde lid
Dit lid maakt duidelijk
dat steeds bezien moet worden ten aanzien van welk(e) kind(eren) de
overtreding is begaan. Wanneer in een gezin van vier kinderen ten
aanzien van twee kinderen de informatieverplichting niet wordt
nagekomen, dient dus ten aanzien van twee kinderen een maatregel
opgelegd te worden. Bij ontbreken van dit lid zou de maatregel over het
gehele bedrag aan kinderbijslag (voor alle kinderen van het gezin)
moeten worden opgelegd en zouden grote gezinnen voor eenzelfde
overtreding onevenredig zwaarder worden gesanctioneerd dan kleine
gezinnen. Daarnaast is in dit lid bepaald dat de maatregel met
betrekking tot de kinderbijslag niet wordt opgelegd over perioden van
één of meerdere maanden, maar over één of meerdere kwartalen. De
kinderbijslag wordt immers per kwartaal uitbetaald. Bij het bepalen van
het kortingspercentage is rekening gehouden met het feit dat de korting
plaatsvindt over de langere periode van een kwartaal.
Vierde lid
Indien een verzekerde
recht heeft op een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet WIA,
(hierna: WGA-uitkering), kan het zijn dat hij voor een beperkt aantal uren per
week in de gelegenheid wordt gesteld passende arbeid te verrichten, maar
nalaat deze arbeid te verrichten of, voor zover hij recht heeft op een
loongerelateerde uitkering, dat hij nalaat te voorkomen dat hij passende
arbeid van beperkte omvang verliest. In dergelijke gevallen is het niet
redelijk als de maatregel zich zou uitstrekken over de gehele uitkering
terwijl de gedraging slechts invloed heeft op een deel van de uitkering.
Derhalve is, op gelijksoortige wijze als in artikel
27, tweede lid, van
de WW, bepaald dat de maatregel zich uitstrekt over dat deel van de
uitkering dat niet zou zijn uitbetaald wanneer de verplichting wel zou
zijn nagekomen.
Vijfde en zesde lid
Het opleggen van een
maatregel van de vierde categorie houdt in dat de uitkering blijvend
geheel wordt geweigerd. Wat onder de begrippen "blijvend" en
"geheel" moet worden verstaan, is in dit artikel met betrekking tot een
tweetal verplichtingen nader ingevuld, namelijk de verplichtingen op
grond van artikel 24, vijfde lid, van de WW en
artikel 45, eerste lid,
onderdeel j, van de ZW. Daarbij is aansluiting gezocht bij
artikel 7 van
het huidige Maatregelenbesluit UWV, zij het dat het in
artikel 7, eerste
lid, onderdeel d, en tweede lid, van dat besluit gemaakte onderscheid
naar de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid niet in
het onderhavige besluit is overgenomen.
Zevende lid
De inhoud van dit lid
komt overeen met artikel 27, eerste lid, tweede volzin, van de WW. In een
vergelijkbare situatie dient, evenals ten aanzien van de WW-gerechtigde,
ook voor de WGA-uitkeringsgerechtigde matiging van de maatregel tot de
mogelijkheden te behoren. Zie ook de toelichting op artikel
7, onderdeel
c.
Artikel
3. Eerste
categorie
In deze categorie vallen
verplichtingen die betrekking hebben op het tijdig verrichten van
handelingen. Het betreft hier verplichtingen opgenomen in de WW,
ZW, WAO, Wet WIA,
WAZ en Wajong. Daarnaast zijn in deze categorie
hoofdzakelijk verplichtingen ingedeeld om binnen een bepaalde termijn
inlichtingen te verstrekken alsmede verplichtingen in het kader van
controle. Het betreft hier verplichtingen opgenomen in de WW, ZW, WAO, Wet WIA, WAZ,
Wajong, TW, AOW,
Anw, AKW en de Wet SUWI.
Artikel
4. Tweede
categorie
In de tweede categorie
zijn hoofdzakelijk verplichtingen ingedeeld om mee te werken aan
onderzoek, te verschijnen op afspraak en om zich als zieke of verminderd
arbeidsgeschikte als werkzoekende te registreren bij de CWI. Het betreft
hier verplichtingen opgenomen in de WW, ZW,
WAO, Wet WIA, WAZ,
Wajong, AOW,
Anw en AKW.
Onderdeel
a ziet op de
verplichting om mee te werken aan onderzoek. Dit kan onder meer
onderzoek door een arts, psycholoog of beroepskeuzeadviseur betreffen.
Deze verplichting wordt genoemd in de artikelen 26, eerste lid,
onderdeel g, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel c, van de
ZW, 25,
eerste lid, onderdeel b, van de WAO, 45, eerste lid, onderdeel b, van de
WAZ, 37, eerste lid, onderdeel b, van de
Wajong, 27, tweede lid,
onderdeel c, van de Wet WIA en 37 van de
Anw. Tevens betreft het de
verplichtingen op grond van de artikelen 15 van de AOW
en 16 van de AKW,
voor zover de in die artikelen bedoelde controlevoorschriften zien op
het meewerken aan een onderzoek, al dan niet van geneeskundige aard.
Onderdeel
c betreft de
verplichting om, na oproep, te verschijnen. Deze verplichting is
opgenomen in de artikelen 45, eerste lid, onderdeel c, van de ZW
(dat
op grond van artikel 27, vierde lid, van de WW ook van toepassing is op
zieke werklozen), 25, onderdeel a, van de WAO,
27, tweede lid, onderdeel
a, van de Wet WIA, 45 van de WAZ
en 37 van de Wajong.
Artikel 27, tweede
lid, onderdeel b, van de Wet WIA valt hier ook onder voor zover het
beantwoorden van vragen betreft nadat betrokkene is opgeroepen te
verschijnen. Tevens betreft het de verplichtingen op grond van de
artikelen 15 van de AOW en
16 van de AKW, voor zover de in die artikelen
bedoelde controlevoorschriften zien op de verplichting om, na oproep, te
verschijnen.
Onderdeel
e betreft de
verplichting van de werkloze, de zieke of de verminderd
arbeidsgeschikte, indien het UWV dat voorschrijft, zich te laten
registreren als werkzoekende bij de CWI en deze registratie tijdig te
doen verlengen. De verplichting in de WW om zich te laten registreren
als werkzoekende was in het Maatregelenbesluit UWV
opgenomen in
de eerste categorie en wordt in dit besluit opgenomen in de tweede
categorie. Dit is toegelicht in paragraaf 4 van het algemeen deel van
deze nota van toelichting betreffende de verplichtingen in de tweede
categorie.
Onderdeel
f betreft de
verplichting van de verzekerde om zijn aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
of de Wet WIA vergezeld te laten gaan door een
re-integratieverslag. Tevens ziet dit
onderdeel op de verplichting op grond van artikel
38, tweede lid, derde
zin, van de ZW. Dit betreft de verplichting voor de
werknemer wiens
dienstbetrekking eindigt en die aanspraak op ziekengeld maakt, om op
verzoek van het UWV het re-integratieverslag aan het UWV te verstrekken.
Artikel 5 en
6. Derde
categorie
De verplichtingen die
zijn ingedeeld in de derde categorie zien over het algemeen op
re-integratie en tewerkstelling. Het betreft verplichtingen op grond van
de WW, ZW, WAO,
Wet WIA, WAZ en de Wajong. Deze derde categorie omvat
een vrij groot aantal verplichtingen. Niet al deze verplichtingen komen
algemeen voor in genoemde wetten en sommige daarvan gelden slechts heel
specifiek voor een enkele wet. In verband met de overzichtelijkheid zijn
zij verdeeld over twee artikelen. Artikel 5 ziet op de verplichtingen
die algemeen voorkomen in de WW, ZW, WAO, WAZ en Wajong, terwijl artikel
6 de verplichtingen bevat die specifiek in één van de daar genoemde
wetten te vinden zijn alsmede de verplichtingen op grond van de Wet WIA.
Dit laatste heeft te maken met het feit dat de verplichtingen in de Wet
WIA anders zijn omschreven en op een andere manier zijn gegroepeerd dan
in de overige wetten en derhalve moeilijk zijn onder te brengen in
artikel 5.
Derde categorie
aanvullend (artikel 6)
Bij overtreding van de in
het tweede lid van dit artikel genoemde verplichting tot het verkrijgen
van passende arbeid door de zieke werknemer wordt op grond van artikel
45, eerste lid, onderdeel k, van de ZW overigens slechts een maatregel
opgelegd indien artikel 30, tweede lid, van de ZW
niet van toepassing
is. Indien artikel 30, tweede lid, van de ZW, wordt toegepast omdat de
werknemer weigert zonder deugdelijke grond passende arbeid te
verrichten, dan stelt het UWV het ziekengeld op het
bedrag waarmee het
dagloon het loon overtreft dat de werknemer zou hebben ontvangen indien
hij deze arbeid wel had verricht. In dat geval wordt niet ook nog een
maatregel opgelegd.
Met "onverminderd" in
het eerste, tweede en derde lid wordt bedoeld: in aanvulling op.
Artikel
7. Vierde
categorie
In de vierde categorie
zijn hoofdzakelijk verplichtingen ingedeeld die zien op het beperken van
het risico. Het betreft verplichtingen op grond van de WW,
ZW, WAO, Wet WIA,
WAZ en de Wajong.
Onderdeel c ziet op de
verplichting, bedoeld in artikel 30, derde lid, van de
Wet WIA. In de WW
levert overtreding van deze zelfde verplichting (artikel
24, eerste lid,
onderdeel a) op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW
een blijvend
gehele weigering op. In de Wet WIA is niet gespecificeerd welke
maatregel opgelegd dient te worden naar aanleiding van overtreding van
deze verplichting. Om die reden is het noodzakelijk de hoogte van die
maatregel in het onderhavige besluit te regelen. Evenals bij de WW
(op
grond van artikel 27, eerste lid, tweede volzin) bestaat er ook ten
aanzien van de overtreder in de Wet WIA de mogelijkheid om de maatregel
te matigen. Dat is geregeld in artikel 2, zevende lid, van dit besluit.
Artikel
8. Recidive
Op grond van dit artikel
wordt bij recidive opnieuw een maatregel opgelegd. In dat geval wordt
bij het bepalen van de hoogte van de maatregel rekening gehouden met het
feit dat eenzelfde verplichting reeds eerder niet is nageleefd. Dit is
een verzwarende omstandigheid die een zwaardere maatregel rechtvaardigt.
De zwaardere maatregel houdt in dat de op te leggen maatregel met 50%
wordt verhoogd ten opzichte van een maatregel die bij een eerste
overtreding zou zijn opgelegd. Daarnaast kan ook de duur van de
maatregel worden verlengd, want artikel 2, eerste lid, geeft slechts een
minimumduur van de op te leggen maatregel. Indien dat nodig is, kan,
teneinde tot een verhoging met 50% te komen, de bovengrens van de
bandbreedte worden verhoogd.
Voor alle duidelijkheid
wordt opgemerkt dat onder het niet naleven van "dezelfde
verplichting"
ook valt elke niet-, niet-behoorlijke of niet-tijdige nakoming van een
verplichting die heeft plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar
voorafgaande aan de inwerkingtreding van het onderhavige besluit.
Immers, het naleven van de verplichting vloeit voort uit de wet, en
bestond dus ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.
Er is sprake van recidive
wanneer met betrekking tot één wet door één van de personen op wie
de verplichting rust dezelfde verplichting die eerder al niet werd
nageleefd, niet wordt nageleefd. Dat kan bijvoorbeeld dus ook de
echtgenoot van een pensioengerechtigde in het kader van de AOW
zijn. Met
andere woorden: het is hier niet van belang wie van deze personen ten
aanzien van dit recht de verplichting de eerste keer niet is nagekomen.
Daarbij wordt aangetekend dat op grond van de desbetreffende materiewet
dient te worden beoordeeld of, bij niet nakoming door anderen dan de
verzekerde, daadwerkelijk een maatregel kan worden opgelegd. Dit is
namelijk niet altijd het geval. Voorts wordt opgemerkt dat nakoming van
door de uitvoeringsorganen opgestelde controlevoorschriften als één
verplichting in algemene zin wordt beschouwd. Dit houdt in dat
overtreding van verschillende controlevoorschriften een "zelfde
verplichting" in de zin van dit artikel inhoudt en dus de in dat
artikel genoemde verhoging van de maatregel dient te worden toegepast.
Artikel
9. Samenloop
In dit artikel wordt de
eendaadse samenloop geregeld. Daarnaast valt ook de meerdaadse samenloop
onder de reikwijdte van artikel 9, voor zover de verschillende
gedragingen voortkomen uit één oorzaak. Bij dit laatste kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat een WW-gerechtigde zowel
zijn controleverplichtingen als zijn sollicitatieverplichtingen
gedurende een bepaalde periode niet nakomt. Als reden daarvoor voert hij
aan dat zijn partner ziek is geweest. In deze situaties zal het
onverkort opleggen van een afzonderlijke maatregel voor iedere
overtreding, voor zover al sprake is van verwijtbaarheid, leiden tot een
onevenredig resultaat.
In een dergelijk geval
legt het UWV of de SVB slechts één maatregel op. Als de overtredingen
in verschillende categorieën vallen, wordt een maatregel opgelegd uit de
zwaarste van toepassing zijnde categorie. Bij het bepalen van de hoogte
van de maatregel kan indien daartoe aanleiding bestaat, binnen de
bandbreedte van de van toepassing zijnde categorie, wel rekening
gehouden worden met het feit dat meerdere verplichtingen geschonden
zijn.
Een ander voorbeeld van
samenloop is de situatie dat één gedraging leidt tot het opleggen van
een maatregel op grond van twee wetten: iemand met een recht op een
WGA-uitkering gaat naast zijn uitkering passende arbeid in deeltijd
verrichten. Vervolgens verliest hij deze arbeid, terwijl uit hoofde van
het verlies van die arbeid recht is ontstaan op een WW-uitkering. De
WGA-uitkering wordt dan gekort met de inkomsten die ten grondslag lagen
aan het recht op WW-uitkering. Als nu komt vast te staan dat sprake is
van een verwijtbaar verlies van arbeid, levert dit zowel schending van
een verplichting op grond van de Wet WIA als schending van een
verplichting op grond van de WW (artikel
24, eerste lid, onderdeel a) op
en zou, zonder toepassing van artikel 9, zowel de WGA- als de
WW-uitkering gekort dienen te worden. In het onderhavige voorbeeld zou
kunnen worden volstaan met een blijvend gehele weigering van de
WW-uitkering, terwijl de WGA-uitkering ongemoeid wordt gelaten.
Artikel
10.
Overgangsrecht
Dit besluit heeft
eerbiedigende werking, dat wil zeggen voor zover de niet-, niet-behoorlijke of
niet-tijdige nakoming van verplichtingen, genoemd in het
onderhavige besluit, heeft plaatsgevonden vóór 1 mei 2008, geldt het
bepaalde in het Maatregelenbesluit UWV, het
Maatregelbesluit AOW, het Maatregelbesluit
Anw en het Maatregelbesluit AKW.
Artikel
11.
Inwerkingtreding
Het onderhavige besluit
treedt in werking met ingang van 1 mei 2008.
Zoals in de memories van
toelichting bij de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Wet
invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is aangegeven, was de regelgevende bevoegdheid met
betrekking tot het opleggen van maatregelen tijdelijk, tot een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bij de uitvoeringsorganen
gelaten.
De regelgevende
bevoegdheid van de uitvoeringsorganen komt als gevolg van de
inwerkingtreding, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het
onderhavige besluit, van het Besluit tot vaststelling van het tijdstip
ter vervanging van enige bepalingen uit de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen alsmede de Wet
invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen te vervallen en
wordt in plaats daarvan vormgegeven in het onderhavige maatregelenbesluit.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb
|
|