|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Besluit bekostiging invoering Werkloosheidswet en Ziektewet voor
overheidspersoneel
- Besluit liquidatie FAOP
- Regeling bestemming eindvermogen FAOP
- Regeling
toekenningsprocedure WAO bij twee of meer
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tijdens fase 1 OOW
(vervallen)
Vervallen
nadere regelgeving:
- Besluit buiten toepassing laten artikel 40, tweede lid, OOW voor
werkgeversbetalingen in de sector Onderwijs en Wetenschappen
(vervallen)
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling OOW
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Werkloosheidswet
- Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Ziektewet
Inhoudsopgave
OOW
| Hoofdstuk
1 |
Overgang
naar de werknemersverzekeringen |
artt.
1 - 46 |
| §
1x |
Begripsomschrijvingen |
art.
1 |
| §
2x |
Ziekte |
artt.
2 - 10 |
| §
3x |
Arbeidsongeschiktheid |
artt.
11 - 29 |
| Afdeling
1x |
Overheidswerknemers
uitgezonderd beroepsmilitairen |
artt.
11 - 20 |
| Afdeling
2x |
Beroepsmilitairen |
artt.
21 - 28 |
| Afdeling
3x |
Risicowering
arbeidsongeschiktheid |
art.
29 |
| §
4x |
Werkloosheid |
artt.
30 - 34 |
| §
5x |
De uitvoering |
artt.
35 - 42 |
| §
6x |
Overige bepalingen |
artt.
43 - 46 |
| Hoofdstuk
2 |
Wijziging
van wetten op het terrein van de sociale zekerheid alsmede van de
Wet arbeid gehandicapte werknemers en de Wet voorzieningen
gehandicapten |
artt.
47 - 67b |
| Hoofdstuk
3 |
Wijziging
van andere wetten |
artt.
68 - 78 |
| Hoofdstuk
4 |
Overige
en slotbepalingen |
artt.
79 - 94 |
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998,
25 282.
Handelingen II 1997-1998, blz. 1664-1665.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 282 (114, 114a, 114b en 114c).
Handelingen I 1997-1998, zie vergaderingen d.d. 22 en 23 december 1997.
Geschiedenis:
Staatsblad
1997, 768; Staatsblad 1998, 741;
Staatsblad
1998, 742; Staatsblad 1999, 185;
Staatsblad 2000, 376; Staatsblad
2000, 490; Staatsblad 2000, 561;
Staatsblad 2000, 571; Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 628;
Staatsblad 2002, 69; Staatsblad 2002,
413; Staatsblad 2003, 544;
Staatsblad 2004, 311; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 710; Staatsblad 2005, 708;
Staatsblad 2006, 303; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad 2009, 108;
Staatsblad 2011, 4.
WET
van 24 december 1997, Stb. 1997, 768, houdende het onder de
werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel (Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen). Inwerkingtreding OOW en fase 1: 1 januari
1998 (Stb. 1997, 769), zie artikel
94. Inwerkingtreding fase 2: 1 januari 2001 (Stb.
1999, 354); fase 3 is afgesteld (Stb.
2000, 255 en Stb. 2002, 343).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de
wettelijke werknemersverzekeringen te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Overgang
naar de werknemersverzekeringen
§ 1.
Begripsomschrijvingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2001, 625; Stb. 2002, 69]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. AMAR: het Algemeen
militair ambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag
voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
b. militaire pensioenbepalingen: bij of krachtens de
Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
c. ARAR: het Algemeen
Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande
aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
d. beroepsmilitair: de beroepsmilitair in de zin van de
Amp-wet ¹;
e. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte: bezoldiging in geval
van ziekte tijdens het dienstverband als bedoeld in artikel 39 van het ARAR
of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling,
alsmede bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beëindiging van het
dienstverband als bedoeld in artikel 42 van het ARAR
of een
overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, anders dan een WAO-conforme uitkering;
f. deeltijdfactor: de breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het
bedrag van het salaris dat in het toepasselijke systeem zou gelden bij
volledige werktijd, zo nodig vastgesteld op grond van functiewaardering,
en de teller door het bedrag van het feitelijk genoten salaris;
g. dienstverband: het dienstverband van de overheidswerknemer die door
een overheidswerkgever is aangesteld of in dienst is genomen op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;
h. FAOP: het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel,
bedoeld in artikel 21 van de Wet
FVP/ABP;
i. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
j. vervallen;
k. overheidswerkgever:
1º. het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dan wel het
privaatrechtelijk lichaam dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten
laste van dat lichaam bezoldigt of beloont; en
2º. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede
lid, onderdeel f, van de WPA
uitgezonderde personen;
l. overheidswerknemer:
1º. de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de
WPA, jonger
dan 65 jaar; en
2º. de beroepsmilitair; en
3º. degene die door de Koning in dienst is genomen om bij de
Koninklijke Hofhouding werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de
Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van
het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van
Oranje-Nassau valt, jonger dan 65 jaar;
m. pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid: een pensioen ter zake
van arbeidsongeschiktheid ingevolge de militaire pensioenbepalingen, in
voorkomende gevallen verhoogd met een ingevolge die bepalingen
toegekende invaliditeitsverhoging;
n. pensioengrondslag: de op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet geldende pensioengrondslag waarnaar het
pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid dan wel de
invaliditeitsverhoging is berekend;
o. Wet TBA: de Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen;
p. uitkering overeenkomstig de normen van de WAO: een uitkering
overeenkomstig de normen van de WAO als bedoeld in artikel 121 van het AMAR;
q. uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid: een WAO-conforme
uitkering, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, een
uitkering overeenkomstig de normen van de WAO of een uitkering op grond
van de WAO;
r. wachtgeld: een wachtgeld in de zin van het
Rijkswachtgeldbesluit
1959, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop de
WW ingevolge deze wet op de betreffende overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer van toepassing wordt, of een soortgelijke uitkering
van een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede
een wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering in de zin van de bij
of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde bepalingen, met uitzondering van
een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig
vervroegd uittreden;
s. WAO: de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
t. WAO-conforme uitkering: de met overeenkomstige toepassing van de WAO
toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 32,
eerste lid, van de WPA;
u. Wet FVP/ABP: de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP ¹;
v. WPA: de Wet
privatisering ABP, zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
w. WW: de Werkloosheidswet;
x. ZW: de Ziektewet.
1. Amp-wet: Algemene militaire
pensioenwet, red.
2. ABP: Algemeen burgerlijk pensioenfonds, red.
§ 2.
Ziekte
Art.
2. [Vantoepassingverklaring ZW op gewezen
overheidswerknemer] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. De ZW
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 48, van toepassing op de gewezen
overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan dat tijdstip
geen wachtgeld geniet en evenmin bezoldiging of uitkering in
geval van ziekte ontvangt, maar die op dat tijdstip uit hoofde
van zijn voormalige dienstverband als overheidswerknemer recht
zou krijgen op een uitkering op grond van de
WW
en die niet op de dag voorafgaande aan dat tijdstip maar wel op
dat tijdstip ongeschikt tot werken is wegens ziekte.
-2. De ZW
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3,
bedoeld in artikel 49, van toepassing op de gewezen
overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan het tijdstip
van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, recht heeft op:
a. een wachtgeld waarvan de
uitkeringsduur niet op het tijdstip van aanvang van fase 3,
bedoeld in artikel 49, verstrijkt en die op dat tijdstip
ongeschikt is tot werken wegens ziekte;
b. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op het
tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel
49,
verstrijkt en die op dat tijdstip ongeschikt is tot werken
wegens ziekte.
-3. De ZW
wordt met ingang van de datum van eindiging van het
dienstverband van toepassing op de gewezen overheidswerknemer:
a. die op het tijdstip van
aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte ontvangt;
b. wiens dienstverband
eindigt op of na dat tijdstip doch vóór het tijdstip van
aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49; en
c. die op het moment van
die eindiging ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
-4. De ZW
wordt met ingang van de datum van het intreden van de
ongeschiktheid tot werken, doch niet eerder dan met ingang van
het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel
48, van
toepassing op:
a. de gewezen
overheidswerknemer wiens dienstverband is geëindigd in de
maand voorafgaande aan genoemd tijdstip en die op de dag
voorafgaande aan genoemde datum geen recht heeft op
wachtgeld of op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte
uit hoofde van dat dienstverband;
b. de gewezen
overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld wegens het
verstrijken van de ter zake geldende uitkeringsduur is geëindigd
in de maand voorafgaande aan genoemd tijdstip;
c. de gewezen
overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld wegens het
verstrijken van de ter zake geldende uitkeringsduur is geëindigd
op of na het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel
48, doch vóór het tijdstip van aanvang van fase 3,
bedoeld in artikel 49;
indien de ongeschiktheid is ontstaan binnen één maand na de
bedoelde eindiging.
Art. 3. [Kring
verplicht verzekerden ZW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van het
recht op ziekengeld op grond van de ZW,
alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op
grond van de ZW,
worden de volgende personen, vanaf de dag van aanvang van hun
dienstverband tot de datum waarop de ZW
op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hen van toepassing wordt, aangemerkt als
verplicht verzekerd op grond van de ZW:
a. de overheidswerknemers,
voor zover niet bedoeld in onderdeel b of c;
b. de overheidswerknemers
en gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande
aan de vorenbedoelde datum uit hoofde van hun dienstverband
als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige
dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht hebben
op:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur
niet verstrijkt op die datum;
2º. een uitkering ter
zake van arbeidsongeschiktheid die zou hebben doorgelopen
op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van die datum
indien deze wet niet in werking zou zijn getreden; of
3º. een wachtgeld
waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
c. de overheidswerknemers
wier dienstverband eindigt met ingang van de vorenbedoelde
datum en die op grond daarvan met ingang van die datum een
recht verkrijgen op een wachtgeld dan wel een uitkering op
grond van de
WW.
-2. Voor de vaststelling van het
recht op ziekengeld op grond van de ZW,
alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering, wordt
de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel
2, vierde lid,
onderdeel a, vanaf de dag van aanvang van zijn dienstverband tot
de datum waarop het dienstverband is geëindigd, aangemerkt als
verplicht verzekerd op grond van de ZW.
-3. Voor de vaststelling van het
recht op ziekengeld op grond van de ZW,
alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering, wordt
de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel
2, vierde lid,
onderdeel b en c, vanaf de dag van aanvang van zijn
dienstverband tot de datum waarop het recht op wachtgeld is geëindigd,
aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW.
-4. Aan het eerste tot en met
derde lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken
die gelegen zijn vóór de datum waarop de ZW
ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Art. 4. [Recht
op ZW-uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Indien hij op die datum nog
niet 52 weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte, heeft
recht op ziekengeld op grond van de ZW:
a. met ingang van de datum
waarop de ZW
op hem van toepassing wordt, de gewezen overheidswerknemer,
bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid;
b. met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, de
overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan dat
tijdstip recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte:
1º. in verband met of in
aansluiting op zwangerschaps- of bevallingsverlof;
2º. op grond van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in
verband met orgaandonatie;
3º. die in een situatie
verkeert overeenkomstig artikel 29b, eerste lid, van de ZW.
-2. Een op grond van het eerste
lid toegekend recht op ziekengeld op grond van de ZW wordt
toegekend voor de duur van 52 weken van ongeschiktheid tot
werken, verminderd met de periode beginnende met de eerste dag
van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tot en met de dag
voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van
toepassing wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer. Voor zover er sprake is van een situatie als
bedoeld in artikel 29a, vijfde lid, van de ZW, geldt in
afwijking van de eerste volzin de termijn van zestien weken, bedoeld
in dat vijfde lid.
-3. Voor het bepalen van de in het
eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52
onderscheidenlijk zestien weken worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Voor het bepalen van de in het
eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52
onderscheidenlijk zestien weken worden steeds perioden in aanmerking
genomen, gedurende welke aanspraak bestaat op bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte.
Art. 5. [Hoogte
ZW-uitkering; dagloon] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 708]
-1. Voor de vaststelling van de
hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, geldt als dagloon in de zin van die wet de door
het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide bezoldiging
overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, al dan niet onder
toepassing van artikel 47, eerste lid, van het ARAR
of daarmee
vergelijkbare regelingen, zoals dit besluit luidde
respectievelijk deze regelingen luidden op de dag voorafgaande
aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing
wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer, waarnaar de bezoldiging of uitkering in
geval
van ziekte van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer wordt berekend
op die dag, vermeerderd met de vakantie-uitkering of
eindejaarsuitkering voor zover betrokkene geen recht heeft op
onverminderde opbouw of doorbetaling van die uitkering.
-2. Voor de vaststelling van de
hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW voor de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond
van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op
een uitkering op grond van de
WW, geldt als dagloon in de zin
van de ZW het met toepassing van artikel 33 vastgestelde
dagloon.
-3. Indien het recht op
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte is toegekend uit een
deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het eerste en tweede
lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig deze leden wordt
verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de
deeltijdfactor.
-4. Het dagloon bedraagt ten hoogste
het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één
dag.
Art.
6. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561]
Art.
7. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
Art.
8. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
Art.
9. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
Art. 10. [Geen
weigering ZW-uitkering bij ziekte ingetreden vóór aanvang verzekering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2011, 4]
-1. Artikel
44, eerste lid, onderdeel a, van de ZW is niet van
toepassing op de overheidswerknemer en de gewezen
overheidswerknemer, bedoeld in de artikelen 2 en
3, eerste lid,
die op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW
op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hem van toepassing wordt, ongeschikt is tot
werken wegens ziekte.
-2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien een bepaling, overeenkomend met artikel
44, eerste lid, onderdeel a, van de ZW, reeds van toepassing
was op de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer op
de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW
op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hem van toepassing wordt.
-3. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere
regels
stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
§ 3.
Arbeidsongeschiktheid
Afdeling 1.
Overheidswerknemers
uitgezonderd beroepsmilitairen
Art.
11.
[Vantoepassingverklaring afdeling op
(gewezen) overheidswerknemers] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Deze afdeling is van toepassing op overheidswerknemers en de in
deze afdeling bedoelde gewezen overheidswerknemers, uitgezonderd
beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen.
Art. 12. [Kring
verplicht verzekerden WAO]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. Voor de vaststelling van het
recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de
toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO,
worden, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangemerkt als
verplicht verzekerd op grond van de WAO:
a. overheidswerknemers,
voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c of
e;
b. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan
het vorenbedoelde tijdstip recht hebben op een
WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of
opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip
indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
c. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers aan wie op de dag voorafgaande
aan het vorenbedoelde tijdstip bij wijze van voorschot een
WAO-conforme uitkering wordt betaald en die op of na dat
tijdstip met terugwerkende kracht tot en met de dag
voorafgaande aan dat tijdstip recht verkrijgen op een
WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of
opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip
indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
d. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die uit hoofde van hun
dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk
voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer
recht hebben op een wachtgeld;
e. overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die in verband met
omstandigheden als bedoeld in artikel
20, eerste lid,
onderdeel a, b, c of d, van de
WW op de dag voorafgaande
aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet uit
hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer
onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer geen wachtgeld genieten;
f. gewezen
overheidswerknemers die niet op het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet, maar wel op de dag voorafgaande
aan dat tijdstip, een dienstverband hebben; en
g. de gewezen
overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b,
c, d, e of f, die recht zouden hebben op ziekengeld op
grond van de ZW door de inwerkingtreding van artikel 4 van
deze wet indien dat artikel reeds van toepassing zou zijn
vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Aan het eerste lid kunnen
geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn
vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art. 13. [Recht op
(voorlopige) WAO-uitkering; aanvang uitkeringsrecht]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. De overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel
12, eerste
lid, onderdeel b, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO.
-2. De overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel
12, eerste
lid, onderdeel c, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO
indien aan hen op of na dat tijdstip met terugwerkende kracht
tot en met de dag voorafgaande aan dat tijdstip een recht op
een WAO-conforme uitkering wordt toegekend. Totdat de
laatstbedoelde toekenning heeft plaatsgevonden, wordt aan hen
een voorlopige uitkering op grond van de WAO betaald. Indien
bij de vaststelling van het recht op een WAO-uitkering blijkt
dat deze voorlopige uitkering ten onrechte is uitbetaald of
op een te hoog bedrag was vastgesteld, wordt het te veel
betaalde niet teruggevorderd.
-3. Voor de toepassing van de
artikelen 21a, 21b,
34 juncto 36 en
61 van de WAO
en de
artikelen 29 en 29b van de ZW wordt de datum waarop de in
artikel 12, eerste lid, onderdeel b, bedoelde WAO-conforme
uitkering ingevolge artikel 37, negende lid, 39, zevende lid,
40, 41, 42, zesde lid, of 43, zesde lid, van de WPA
is
ingegaan, aangemerkt als de datum waarop het in het eerste of
het tweede lid bedoelde recht op een uitkering op grond van de
WAO is ingegaan.
Art. 14. [Hoogte
WAO-uitkering; (vervolg)dagloon] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 708; Stb.
2011, 4]
-1. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als dagloon in de zin
van die wet het dagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van
de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op grond van
artikel 32 van de WPA
is berekend op de dag voorafgaande aan
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als vervolgdagloon in
de zin van die wet het vervolgdagloon waarnaar de WAO-conforme
uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of
c,
bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op
grond van artikel 32 van de WPA
is berekend op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet.
-3. Het dagloon bedraagt ten hoogste
het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één
dag.
-4. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels
stellen met betrekking tot het eerste tot en met het derde
lid.
Art. 15. [ZW-/WW-dagloon geldend als WAO-dagloon]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO
voor de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers geldt als dagloon in de zin van die wet
het met toepassing van artikel 5, eerste en tweede lid,
vastgestelde dagloon.
-2. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond
van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op
een uitkering op grond van de
WW, geldt als dagloon in de zin
van de WAO het met toepassing van artikel 33 vastgestelde
dagloon.
Art. 16. [Mate
arbeidsongeschiktheid]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering op grond
van de WAO, bedoeld in artikel
13, eerste of tweede lid, van de
in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer is de door het
FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten aanzien van
betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het
kader van de WAO-conforme uitkering, zoals die geldt op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet, bepalend.
Art. 17. [Hoogte
voorlopige WAO-uitkering; (vervolg)dagloon]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. Voor de vaststelling van de
hoogte van de voorlopige uitkering op grond van de WAO,
bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien
van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer geldt:
a. als dagloon het
dagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van
artikel 32 van de WPA
is berekend op de dag voorafgaande
aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
b. als vervolgdagloon het
vervolgdagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op
grond van artikel 32 van de WPA
is berekend op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet.
-2. Voor de vaststelling van de
voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel
13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in artikel
12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer is de door het FAOP met
overeenkomstige toepassing van de WAO ten aanzien van
betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het
kader van de bij wijze van voorschot betaalde WAO-conforme
uitkering, zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, bepalend.
-3. Voor de toepassing van
hoofdstuk IV van de WAO worden de voorlopige uitkeringen op
grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede
volzin, aangemerkt als uitkeringen op grond van de WAO als
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van
die wet.
-4. Het op grond van artikel
13,
tweede lid, tweede volzin, betaalde bedrag aan voorlopige
uitkeringen wordt verrekend met het bedrag van de uitkering op
grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, eerste
volzin.
Art. 18. [Verhoging
WAO-uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. Indien de WAO-conforme
uitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 46a
van
de WAO op grond van artikel 32 van de
WPA is verhoogd, wordt
de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel
13,
eerste of tweede lid, eerste volzin, dan wel de voorlopige
uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel
13, tweede
lid, tweede volzin, vastgesteld met inachtneming van die
verhoging.
-2. Het eerste lid is van
toepassing op de betrokkene zolang hij recht zou hebben gehad
op de in dat lid bedoelde verhoging als artikel 46a
van de WAO
op grond van artikel 32, eerste lid, van de WPA
op hem nog van
overeenkomstige toepassing zou zijn geweest op het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art. 19. [Vantoepassingverklaring
overgangsrecht Wet TBA op oude gevallen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Wet TBA wordt toegepast op een ingevolge
artikel 13, eerste of
tweede lid, toegekende uitkering op grond van de WAO, met
inachtneming van het volgende:
a. de datum van ingang van
de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde
WAO-conforme uitkering geldt als de datum van ingang van de
uitkering op grond van de WAO;
b. artikel XVI van de Wet TBA
is van toepassing op de overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet artikel XX dan
wel XXIV van de Wet TBA van toepassing was, met dien verstande
dat artikel 18, zesde lid, van de WAO
niet van toepassing
is;
c. de artikelen XVII tot en
met XIX van de Wet TBA zijn van toepassing op de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op wie op
de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1
van deze wet de artikelen XXI tot en met XXIII dan wel
XXV
tot en met XXVII van de Wet TBA van toepassing waren.
Art. 20. [Voortzetting
voorzieningen, vergoedingen en toelagen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. Voorzieningen, vergoedingen
of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel 32 van de WPA
met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a
en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen,
vergoedingen en toelagen op grond van artikel
65, 65a of
65b van de WAO.
-2. Een loonsuppletie, een
loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een
opleiding of scholing die is toegekend op grond van artikel
32 van de WPA
met overeenkomstige toepassing van artikel
60, 62, 63 of
64 van de WAO, wordt met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als een
loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering
of een opleiding of scholing op grond van artikel
60, 62, 63
of 64 van de WAO.
Afdeling 2.
Beroepsmilitairen
Art.
21.
[Vantoepassingverklaring afdeling op
(gewezen) beroepsmilitairen] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 24 december 1997]
Deze afdeling is van toepassing op beroepsmilitairen en de in
deze afdeling bedoelde gewezen beroepsmilitairen.
Art. 22. [Kring
verplicht verzekerden WAO]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van het
recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de
toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO,
worden, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot aan
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangemerkt
als verplicht verzekerd op grond van de WAO:
a. beroepsmilitairen,
voor zover niet bedoeld in onderdeel b of e;
b. beroepsmilitairen die
op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit
hoofde van hun dienstverband als beroepsmilitair recht
hebben op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte,
welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien
fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden;
c. gewezen
beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het
vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun voormalige
dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op
een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, welk
recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase
1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden;
d. gewezen
beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het
vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun voormalige
dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op
een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO, welk
recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase
1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden; en
e. beroepsmilitairen en
gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan
het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun
dienstverband als beroepsmilitair onderscheidenlijk
voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht
hebben op een wachtgeld, welk recht niet zou zijn geëindigd
op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking
zou zijn getreden.
-2. Aan het eerste lid kunnen
geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn
vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art. 23. [Recht op
WAO-uitkering; aanvang uitkeringsrecht]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. De beroepsmilitair, bedoeld
in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, die op het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer
arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, de gewezen
beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, en de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in
artikel 22,
eerste lid, onderdeel d, hebben vanaf dat tijdstip recht op
een uitkering op grond van de WAO.
-2. Voor de toepassing van de
artikelen 21a, 21b,
34 juncto 36 en
61 van de WAO
en de artikelen
29 en 29b van de ZW wordt:
a. ten aanzien van de
beroepsmilitair, bedoeld in artikel
22, eerste lid,
onderdeel b, de datum waarop de periode van 52 weken
arbeidsongeschiktheid is of geacht wordt te zijn
verstreken; of
b. ten aanzien van de
gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel
22, eerste
lid, onderdeel c, de datum van ingang van het recht op een
pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid; of
c. ten aanzien van de
gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel
22, eerste
lid, onderdeel d, de datum van ingang van het recht op een
uitkering overeenkomstig de normen van de WAO;
aangemerkt als de datum van
ingang van het in het eerste lid bedoelde recht op een
uitkering op grond van de WAO.
Art. 24. [Hoogte
WAO-uitkering; (vervolg)dagloon] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 708; Stb.
2011, 4]
-1. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, voor de in artikel
22, eerste lid,
onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer
arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, geldt als dagloon
respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet
de door
het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide
pensioengrondslag, bedoeld in artikel F 6 van de Amp-wet,
respectievelijk vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel
F 6a van de Amp-wet, die voor betrokkene zou zijn vastgesteld
indien betrokkene op de dag voorafgaande aan de vorenbedoelde
datum zou zijn ontslagen met recht op een pensioen ter zake
van arbeidsongeschiktheid.
-2. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, voor de in artikel
22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde gewezen
beroepsmilitair geldt als dagloon
respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet
de voor
betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een
jaarbedrag herleide pensioengrondslag, in voorkomend geval
verhoogd met het percentage van de toeslag, bedoeld in artikel
F 7a van de Amp-wet, respectievelijk de voor betrokkene
geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag
herleide vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a
van de Amp-wet, en in voorkomend geval aangepast met het
percentage waarmee het salaris, dat overeenkomt met de
aangepaste pensioengrondslag, op grond van artikel 34 van de Wet
FVP/ABP is aangepast.
-3. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel
23, eerste lid, voor de in artikel
22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gewezen
beroepsmilitair geldt als dagloon
respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de naar
een jaarbedrag herleide en door 261 gedeelde
berekeningsgrondslag van de uitkering overeenkomstig de normen
van de WAO zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangepast op de
voet van het AMAR, zoals dat luidde op die dag,
respectievelijk de voor betrokkene geldende, door het getal
261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide
vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de
Amp-wet.
-4. Het dagloon bedraagt ten hoogste
het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één
dag.
-5. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels
stellen met betrekking tot het eerste tot en met het vierde
lid.
Art. 25. [ZW-/WW-dagloon geldend als WAO-dagloon]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO
voor de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op
grond van artikel 4, eerste lid, recht heeft gekregen op een
uitkering op grond van de ZW,
geldt als dagloon in de zin van de WAO
het met toepassing van artikel 5, eerste lid, vastgestelde
dagloon.
-2. Voor de vaststelling van de
hoogte van de uitkering op grond van de WAO
voor de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op
grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft
verkregen op een uitkering op grond van de
WW, geldt als
dagloon in de zin van de WAO
het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
Art. 26. [Mate
arbeidsongeschiktheid]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Voor de eerste vaststelling
van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid,
onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer
arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, is de door Onze Minister van Defensie
vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet,
bepalend.
-2. Ten aanzien van de in artikel
22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair
die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52
weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, ten
aanzien van wie op de dag voorafgaande aan dat tijdstip de
mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de
Amp-wet, nog niet is vastgesteld, wordt de mate van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO voor de eerste
vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO,
bedoeld in artikel 23, eerste lid, vastgesteld binnen een
termijn van drie maanden na het vorenbedoelde tijdstip.
-3. Voor de eerste vaststelling
van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid,
onderdeel c, bedoelde gewezen beroepsmilitair is de door Onze
Minister van Defensie vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet,
bepalend.
-4. Voor de eerste vaststelling
van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in
artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid,
onderdeel d, bedoelde gewezen beroepsmilitair is de mate van
arbeidsongeschiktheid, waarnaar zijn uitkering overeenkomstig
de normen van de WAO is berekend, bepalend.
Art. 27. [Vantoepassingverklaring
overgangsrecht Wet TBA op oude gevallen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Wet TBA wordt toegepast op een ingevolge
artikel 23, eerste lid,
toegekende uitkering op grond van de WAO, met inachtneming van
het volgende:
a. de datum van ingang van
het in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde
pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, dan wel van de
in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitkering
overeenkomstig de normen van de WAO, geldt als de datum van
ingang van het recht op die uitkering op grond van de WAO;
b. artikel XVI van de Wet TBA
is van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair of
gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet artikel
XXIV van de Wet TBA van toepassing was, met dien verstande dat
artikel 18, zesde lid, van de WAO niet van toepassing is;
c. de artikelen XVII tot en
met XIX van de Wet TBA zijn van overeenkomstige toepassing op de
beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair op wie op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet de artikelen XXV tot en met XXVII van de Wet TBA
van
toepassing waren.
Art. 28. [Voortzetting
voorzieningen, vergoedingen en toelagen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. Voorzieningen, vergoedingen
of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel X 5 van de
Amp-wet met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57,
57a en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen,
vergoedingen en toelagen op grond van artikel
65, 65a of
65b van de WAO.
-2. Een loonsuppletie, een
loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een
opleiding of scholing die is toegekend op grond van artikel X
6 van de Amp-wet met overeenkomstige toepassing van artikel
60, 62, 63 of
64 van de WAO, wordt met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als een
loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering
of een opleiding of scholing op grond van artikel
60, 62, 63
of 64 van de WAO.
Afdeling 3.
Risicowering
arbeidsongeschiktheid
Art.
29.
[Uitsluiting risicowerende bepalingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb.
2011, 4]
-1. De artikelen
18, tweede tot
en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, van de WAO
zijn niet van toepassing op de overheidswerknemers en de
gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel
13, en de
beroepsmilitairen en de gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in
artikel 23, alsmede op de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en de
beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel
22, eerste lid, die op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ongeschikt zijn
tot werken wegens ziekte, behoudens ingeval één of meer van de
genoemde bepalingen reeds van toepassing of van
overeenkomstige toepassing was op de betrokkene op de dag
voorafgaande aan de datum waarop de WAO
ingevolge deze wet van
toepassing wordt op de betrokkene.
-2. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels
stellen met betrekking tot het eerste lid. [RtWtmaf1O]
§ 4.
Werkloosheid
Art.
30.
[Toekenning status van werknemer] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Met ingang van de datum waarop
de
WW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur,
bedoeld in artikel
7 van de
WW, van toepassing wordt op de overheidswerknemer
wordt, vanaf de dag van aanvang van het betreffende
dienstverband, voor de vaststelling van het recht op uitkering
op grond van de WW,
alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op
grond van de WW,
aangemerkt als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
3 van de
WW:
a. het dienstverband van de
overheidswerknemer;
b. het voormalige
dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die op de
dag voorafgaande aan bedoelde datum uit hoofde van zijn
voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer in
het genot is van:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte;
2º. een uitkering ter
zake van arbeidsongeschiktheid; of
3º. een wachtgeld;
c. het voormalige
dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die in
verband met omstandigheden als bedoeld in artikel
20, eerste
lid, onderdeel a, b, c of d, van de
WW op de dag
voorafgaande aan bedoelde datum geen wachtgeld uit hoofde
van zijn voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer geniet; en
d. het voormalige
dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die niet op
bedoelde datum, maar wel op de dag voorafgaande aan die
datum, een dienstverband heeft.
-2. Aan het eerste lid kunnen geen
rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn vóór
de datum waarop de WW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Art. 31. [Recht op
WW-uitkering; aanvang uitkeringsrecht]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. De gewezen overheidswerknemer,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3º, heeft
vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht op
een uitkering op grond van de
WW indien zijn dienstverband op
het moment van ingang van zijn recht op wachtgeld aangemerkt zou
zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW indien de WW van
toepassing zou zijn geweest op de dag waarop het recht op
wachtgeld ontstond en dat recht op een uitkering op grond van
de WW zou voortduren na vorenbedoeld tijdstip.
-2. De gewezen overheidswerknemer,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, heeft recht op
een uitkering op grond van de WW
vanaf de eerste dag waarop dit recht na het tijdstip van aanvang
van fase 3 van deze wet zou zijn ontstaan of zou herleven
indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als
dienstbetrekking in de zin van de WW
indien de WW
van toepassing zou zijn geweest op de dag waarop het recht op
wachtgeld ontstond. De eerste zin is eveneens van toepassing op
de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in het eerste lid, voor
wie op het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geen
recht op uitkering op grond van de WW
ontstaat in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel
20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van die
wet.
-3. De gewezen overheidswerknemer,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel d, heeft recht op
een uitkering op grond van de WW vanaf de dag waarop dit recht
zou zijn ontstaan indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn
als dienstbetrekking in de zin van de WW.
-4. De in het eerste
onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde gewezen
overheidswerknemer heeft vanaf het tijdstip van aanvang van fase
3 van deze wet, onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid
bedoelde dag, recht op een kortdurende uitkering op grond van de
WW indien zijn dienstverband op het moment van ingang van zijn
recht op kortdurende uitkering ingevolge het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van
de WW en dat recht op een kortdurende uitkering op grond van de
WW zou voortduren na het tijdstip van aanvang van fase 3 van
deze wet onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid bedoelde
dag.
Art. 32. [Duur
(kortdurende) WW-uitkering]
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van de
duur van de uitkering op grond van de
WW, bedoeld in artikel 31,
eerste, tweede of vierde lid, wordt het recht op uitkering op
grond van de WW geacht te zijn aangevangen op het moment waarop
het in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3º, bedoelde
wachtgeld is aangevangen.
-2. Voor de vaststelling van de
duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel
31,
eerste of tweede lid, wordt, voor de toepassing van de artikelen
42, 43, 48,
49 en 50 van de
WW, de overheidswerknemer geacht te
hebben voldaan aan artikel 17 van de
WW, met dien verstande dat
er ten aanzien van de toepassing van artikel
17, onderdeel b,
onder 1º, van de
WW van uitgegaan wordt dat hij in de bedoelde
periode in vijf kalenderjaren loon heeft ontvangen over 52 of
meer dagen per jaar.
-3. Voor de vaststelling van de
duur van de kortdurende uitkering op grond van de WW, bedoeld in
artikel 31, vierde lid, geldt de duur van het recht op
kortdurende uitkering, zoals die is vastgesteld ingevolge het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling.
-4. De resterende duur van de
uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel
31, op het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet wordt bepaald door
op de krachtens het eerste tot en met derde lid vast te stellen
duur van de uitkering in mindering te brengen de tot dat
tijdstip verstreken duur van het wachtgeld.
-5. De resterende duur van de
uitkering op grond van de WW, bedoeld in het vierde lid,
bedraagt niet meer dan de duur van het wachtgeld waarop de
betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben
doorgelopen na dat tijdstip of zou hebben herleefd vanaf de in
artikel 31, tweede lid, bedoelde dag indien deze wet niet zou
hebben gegolden.
Art. 32a. [Begrip
arbeidsuren per kalenderweek, ter vaststelling omvang
arbeidsurenverlies]
[Geschiedenis:
Stb.
2000, 561]
-1. Onder de in artikel
16, eerste lid, van de
WW bedoelde arbeidsuren per
kalenderweek wordt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld
in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, verstaan het aantal
uren waarin die overheidswerknemer laatstelijk was aangesteld
respectievelijk waarvoor hij laatstelijk in dienst was genomen
in het dienstverband waarop het recht op uitkering op grond van
de
WW,
bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, betrekking
heeft.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt onder de in
artikel 16, eerste lid, van de
WW bedoelde arbeidsuren per
kalenderweek voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in
artikel 31, eerste of vierde lid, die op de dag voorafgaande aan
het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op
een uitkering op grond van het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling, verstaan het in het kader van dat recht vastgestelde
aantal arbeidsuren per kalenderweek.
-3. In afwijking van het eerste lid wordt onder de in
artikel 16, eerste lid, van de
WW bedoelde arbeidsuren per
kalenderweek voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in
artikel 31, tweede of vierde lid, wiens recht op uitkering op
grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel
20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de
WW voorafgaande
aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geëindigd
is, verstaan het in het kader van dat recht vastgestelde aantal
arbeidsuren per kalenderweek.
Art. 33. [Hoogte
WW-uitkering; dagloon | Samenloop met WAO-uitkering]
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 708]
-1. Voor de berekening van de
uitkering op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid,
geldt als dagloon de naar een jaarbedrag herleide
berekeningsgrondslag waarnaar het wachtgeld is berekend op de
dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van
deze wet, gedeeld door het getal 261.
-2. Indien het recht op wachtgeld
is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van
het eerste lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig dat lid
wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de
deeltijdfactor.
-3. In afwijking van het eerste en
tweede lid geldt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in
artikel 31, eerste of vierde lid, die op de dag voorafgaande aan
het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op
een uitkering op grond van het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling, als dagloon het in het kader van dat recht
vastgestelde dagloon.
-4. In afwijking van het eerste en
tweede lid geldt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in
artikel 31, tweede of vierde lid, wiens recht op uitkering op
grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel
20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de
WW voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze
wet geëindigd is, als dagloon het in het kader van dat recht
vastgestelde dagloon.
-5. Het dagloon van de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op het in
artikel 32, eerste lid, bedoelde moment, dan wel daarna, een
uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, dan
wel, indien het bepaalde in artikel 25,
28, 30
of 33
van de WAO op hem niet van toepassing was, zou ontvangen, of
een naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkering
ontvangt of zou ontvangen, is gelijk aan het dagloon berekend
volgens artikel 14 of artikel
24, dan wel, indien artikel 14 of
artikel 24 op hem niet van toepassing is, berekend volgens de
bij of krachtens de WAO
gestelde regels. Het met toepassing van de eerste volzin
berekende dagloon wordt evenredig verlaagd door dat dagloon te
vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd
door het verschil tussen 100 en het midden van de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin betrokkene is ingedeeld en
de noemer door het getal 100.
-6. Indien de in het vijfde lid
bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op een
tijdstip na de dagloonberekening overeenkomstig dat lid, op
grond van de WAO
wordt ingedeeld in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan
die welke bij de evenredige verlaging is gehanteerd, wordt het
krachtens de eerste volzin van dat lid berekende dagloon, in
afwijking van de tweede volzin van het desbetreffende lid,
evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een
breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen
100 en het midden van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsklasse en
de noemer door het getal 100.
-7. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer, bedoeld in het
vijfde lid, niet meer volledig wordt uitbetaald op grond van artikel
44, eerste lid, onderdeel b, van de WAO, wordt het krachtens de
eerste zin van het vijfde lid berekende dagloon evenredig
verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk
waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en
het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse, die bij de
toepassing van laatstgenoemd artikel in acht wordt genomen, en
de noemer door het getal 100.
-8. Voor de werknemer, bedoeld in
het vijfde lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel
43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de WAO, is het dagloon het
krachtens de eerste zin van het vijfde lid berekende dagloon.
-9. Het vijfde tot en met achtste
lid zijn niet van toepassing indien en zolang bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening
wordt gehouden met de arbeid die de werknemer, na het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid, heeft verricht in de
dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden.
-10. De hoogte van de uitkering op
grond van de
WW,
bedoeld in artikel 31, eerste, tweede en vierde lid, bedraagt
niet meer dan de hoogte van het wachtgeld waarop de betrokkene
recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang
van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen of
zou hebben herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde
dag indien deze wet niet zou hebben gegolden.
-11. Het dagloon bedraagt ten hoogste
het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één
dag.
Art. 34. [Meetellen
duur ambtelijke uitkering voor recht op Ioaw-uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De in deze paragraaf bedoelde overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer die het einde van de voor hem geldende duur
van de uitkering op grond van de
WW heeft bereikt, wordt voor de
toepassing van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers geacht te hebben voldaan aan het bepaalde
in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, onderdeel
b,
onder 3º, en onderdeel c, onder 3º, van die
wet.¹
1. Gelet op het bepaalde in artikel
1.11, onderdeel A, van de Wet invoering
en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dient
volgens de redactie de zinsnede "artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, onderdeel
b,
onder 3º, en onderdeel c, onder 3º, van die
wet" te worden aangepast.
§ 5.
De uitvoering
Art.
35. [Uitvoeringsinstelling;
aanmelding; gegevensverstrekking] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb.
2001, 625]
-1. De
overheidswerknemer of de
gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 3,
12, 20 of 30,
dan wel de beroepsmilitair of de gewezen beroepsmilitair,
bedoeld in artikel 22 of 28, is verzekerd bij het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
-2. Bij het Landelijk instituut
sociale verzekeringen wordt, onder bijvoeging van alle relevante
stukken die vereist zijn voor de uitvoering van deze wet,
aangemeld:
1º. door of namens een
overheidswerkgever, een overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel
12, eerste lid, onderdeel a, d of f,
dan wel artikel 30, eerste lid;
2º. door of namens het
bestuur van het FAOP, een overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 12, eerste lid,
onderdeel b of c, of artikel
20;
3º. door of namens Onze Minister van Defensie, een beroepsmilitair of gewezen
beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of
artikel 28 dan wel, met het oog op de toepassing van artikel
26, tweede lid, een gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel
22, eerste lid, onderdeel b.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan voorschriften stellen met betrekking
tot:
a. de door de
overheidswerkgevers en het FAOP te leveren gegevens ten
behoeve van de toepassing van dit hoofdstuk;
b. het tijdstip waarop de
in onderdeel a bedoelde gegevens uiterlijk moeten zijn
aangeleverd bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-4. Bij de toepassing van dit
hoofdstuk mag het Landelijk instituut sociale verzekeringen
uitgaan van de door de overheidswerkgevers en het FAOP geleverde
gegevens.
-5. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 36. [Vaststelling
recht op uitkering | Oude feiten, omstandigheden en gedragingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2008, 600]
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt ambtshalve van iedere
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, artikel 13, eerste of tweede lid, of
artikel 31, eerste lid, en van iedere beroepsmilitair of
gewezen
beroepsmilitair als bedoeld in artikel 23, eerste lid, het recht
op uitkering of voorziening vast met inachtneming van de
artikelen 3 tot en met 34 en artikel 41.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen stelt op schriftelijke aanvraag van iedere
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in
artikel 31, tweede of derde lid, het recht op uitkering als daar
bedoeld vast met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 34
en artikel 41.
-3. Bij de in het eerste en het
tweede lid bedoelde vaststelling wordt geen rekening gehouden
met feiten, omstandigheden en gedragingen, niet zijnde een
activiteit of gedraging als bedoeld in het vijfde lid, die zich
hebben voorgedaan op enig moment vóór het tijdstip waarop fase
1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt en
die op bedoeld moment van invloed zouden zijn geweest op de
uitkering op grond van de
WW, de ZW of de
WAO, de voorziening,
vergoeding of toelage op grond van de WAO of de loonsuppletie,
de reïntegratie-uitkering of de opleiding of scholing op grond
van de WAO, indien één of meer van die wetten op betrokkene
van toepassing zouden zijn geweest, maar die niet van invloed
waren of zouden zijn geweest op een op de dag voorafgaande aan
vorenbedoeld tijdstip bestaand recht als bedoeld in artikel
3,
eerste lid, onderdeel b of c, artikel
12, eerste lid, onderdeel
b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b, c of
d, of artikel 30, eerste lid, onderdeel b.
-4. Zo nodig in afwijking van het
derde lid wordt bij de in het eerste en het tweede lid bedoelde
vaststelling een sanctie die op de dag voorafgaande aan het
tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van
toepassing wordt, ten aanzien van een bestaand recht als bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, artikel
12, eerste
lid, onderdeel b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel
b, c of d, of artikel 30, eerste lid, onderdeel
b, op betrokkene wordt
toegepast en die na dat tijdstip nog zou worden toegepast indien
deze wet niet zou hebben gegolden, onverkort toegepast op de
uitkering op grond van de WW, de ZW of de WAO, de voorziening,
vergoeding of toelage op grond van de WAO of de loonsuppletie,
de reïntegratie-uitkering of de opleiding of scholing op grond
van de WAO.
-5. Op en na het tijdstip waarop
fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing
wordt, wordt een activiteit of gedraging van betrokkene waarin
door het bevoegd gezag in het kader van een bestaand recht als
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c,
artikel 12,
eerste lid, onderdeel b of c, artikel
22, eerste lid, onderdeel
b, c of d, of artikel 30, eerste lid, onderdeel
b, is toegestemd,
niet getoetst aan de regels die voor die activiteit of gedraging
ingevolge de WW,
de ZW
of de WAO gelden of, indien die wetten op hem van toepassing zouden zijn
geweest, zouden hebben gegolden. In afwijking van de eerste zin
wordt de gegeven toestemming vanaf het tijdstip waarop fase 1, 2
of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt, niet
in aanmerking genomen indien dit tot een zodanige afwijking van
de systematiek van de WW,
de ZW
of de WAO
zou leiden dat dit een normale uitvoering van die wetten in de
weg zou staan.
-6. Onder een activiteit of
gedraging als bedoeld in het vijfde lid die de normale
uitvoering van de WW,
de ZW
of de WAO
niet in de weg staat, wordt in ieder geval verstaan:
a. deelnemen aan een
scholing of opleiding;
b. het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in artikel
8, eerste lid, van de
WW, met uitzondering van
werkzaamheden als bedoeld in het tweede en derde lid van dat
artikel;
c. niet voldoen aan de
verplichting te solliciteren;
d. niet voldoen aan de
verplichting als werkzoekende ingeschreven te zijn bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-7. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 37. [Voortzetting
loonkostensubsidie]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2001, 625 + bis]
-1. De overheidswerkgever aan wie
vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ter zake
van een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer dan
wel een beroepsmilitair of een gewezen beroepsmilitair een
loonkostensubsidie is toegekend overeenkomstig artikel 62 van de
WAO, waarvan de duur niet eindigt vóór bedoeld tijdstip, wordt
door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, met
inachtneming van artikel 20, tweede lid, of artikel
28, tweede
lid, met ingang van dat tijdstip in aanmerking gebracht voor een
loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 62 van de WAO.
-2. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 38. [Herleving
stimuleringsuitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2001, 625 + bis]
-1. Een stimuleringsuitkering als
bedoeld in artikel XIII, eerste lid, van de Wet TBA
van een
overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer als bedoeld
in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, dan wel een
beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel
b, of een gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel
22,
eerste lid, onderdeel c, d of e, die herleeft, wordt betaald
door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en komt ten
laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72
van de WAO.
-2. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 39. [Nadere
regelgeving] [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb. 2011, 4]
Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen met betrekking
tot de artikelen 35 tot en met 38.
Art. 40. [Uitbetaling
uitkering]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb.
2001, 625]
-1. Tot en met de dag waarop het
dienstverband van de betrokkene eindigt, geschiedt de
uitbetaling van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13, eerste of tweede lid, door tussenkomst van de
overheidswerkgever die aan de betrokkene bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte is verschuldigd, indien de
WAO-conforme uitkering, bedoeld in artikel 12, eerste lid,
onderdeel b of c, op de dag voorafgaande aan het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet met toepassing van artikel 47,
eerste lid, van de WPA
door tussenkomst van de
overheidswerkgever werd uitbetaald.
-2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de betrokkene uit hoofde van twee of meer
dienstverbanden recht heeft op een uitkering op grond van de
WAO.
-3. In afwijking van het tweede lid is het eerste lid van toepassing indien de betrokkene uit
hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen bij twee of meer
overheidswerkgevers behorende tot de sector Onderwijs en
Wetenschappen, bedoeld in artikel
1, onderdeel q, onder 3º, van de WPA, recht heeft op een
uitkering op grond van de WAO.
-4. Ten aanzien van de in het
derde lid bedoelde uitkering vindt de uitbetaling gesplitst
plaats door tussenkomst van de betrokken overheidswerkgevers
naar rato van het feitelijk verdiende loon uit hoofde van de
desbetreffende dienstbetrekking.
-5. Indien de in het derde lid
bedoelde overheidswerkgevers hun kosten declareren bij een ander
orgaan, geschiedt de uitbetaling achtereenvolgens door
tussenkomst van dat andere orgaan en de overheidswerkgever.
-6. De toepassing van het eerste
lid eindigt ingeval:
a. het dienstverband wordt beëindigd; dan wel
b. de betrokkene volledig
voor de voor hem in het kader van de vaststelling van de
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO
vastgestelde verdiencapaciteit wordt herplaatst in andere of
aangepaste arbeid zonder dat sprake is van beëindiging van
het dienstverband; dan wel
c. de betrokkene het Landelijk
instituut sociale verzekeringen verzoekt de
uitkering op grond van de WAO
rechtstreeks aan hemzelf of een derde uit te betalen.
-7. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 41. [Nadere
regelgeving samenloop uitkeringen en/of voorzieningen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2001,
625; Stb. 2011, 4]
-1. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid stelt tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie nadere
regels ten aanzien van de betrokkene die als
overheidswerknemer op het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van
deze wet op hem van toepassing wordt, tegelijkertijd recht heeft
op twee of meer van de navolgende uitkeringen of voorzieningen
dan wel een combinatie daarvan: [RtWtmaf1O]
a. twee of meer van de
navolgende rechten in verband met ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte:
1º. bezoldiging of
uitkering in geval van ziekte;
2º. een ziekengeld op
grond van de ZW;
b. twee of meer van de
navolgende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen:
1º. een WAO-conforme
uitkering;
2º. een pensioen ter
zake van arbeidsongeschiktheid;
3º. een uitkering op
grond van de WAO;
4º. één of meer
uitkeringen overeenkomstig de normen van de WAO in de zin
van het AMAR;
5º. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid op grond van een
wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, Aruba of
een vreemde mogendheid;
c. twee of meer van de
navolgende werkloosheidsuitkeringen:
1º. één of meer
wachtgelden;
2º. één of meer
uitkeringen op grond van de
WW;
d. twee of meer
loonsuppleties op grond van dan wel overeenkomstig artikel
60 van de WAO;
e. twee of meer reïntegratie-uitkeringen
op grond van dan wel overeenkomstig artikel 63 van de WAO.
-2. De in het eerste lid bedoelde
regels hebben in ieder geval betrekking op de bepaling van:
a. de datum waarop het in
artikel 4, eerste lid, bedoelde recht op een ziekengeld op
grond van de ZW, het in artikel 13, eerste of tweede lid, of
artikel 23, eerste lid, bedoelde recht op een uitkering op
grond van de WAO, het in artikel 20, tweede lid, of
artikel 28, tweede lid, bedoelde recht op een loonsuppletie of een
reïntegratie-uitkering op grond van de WAO, dan wel het in
artikel 31, eerste, tweede of derde lid, bedoelde recht op
een uitkering op grond van de WW, van de betrokkene ingaat;
b. de mate van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO;
c. het dagloon in de zin
van de WAO, dan wel in de zin van de WW;
d. vervallen;
e. de kostenverdeling, met
inbegrip van de uitvoeringskosten, ter zake van de in
onderdeel a bedoelde rechten.
-3. De in het eerste lid bedoelde
regels hebben tot doel te bereiken dat een hoogte en een duur
van het ingevolge deze wet aan de betrokkene toe te kennen
ziekengeld op grond van de ZW, uitkering op grond van de WAO,
loonsuppletie of reïntegratie-uitkering op grond van de WAO,
dan wel uitkering op grond van de WW, wordt vastgesteld die ten
minste evenredig is aan de hoogte en duur van het met de
betreffende werknemersverzekering overeenkomende deel van het
wachtgeld, de uitkering of de voorziening waarop de betrokkene
in zijn hoedanigheid als overheidswerknemer dan wel gewezen
overheidswerknemer recht had op de dag voorafgaande aan de datum
waarop de betreffende werknemersverzekering ingevolge deze wet
op hem van toepassing werd.
Art. 42. [Toedeling
bevoegdheden] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb.
2001, 625; Stb. 2011, 4]
-1. Vanaf het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet treedt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen in de plaats van het FAOP wat betreft de
overeenkomstige toepassing van de WAO, bedoeld in artikel
32,
eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de WPA, alsmede
wat betreft de toepassing van de AAW, bedoeld in artikel 8 van
de AAW.
-2. Onze Minister van Defensie
verricht handelingen met betrekking tot de toepassing van de
Amp-wet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, voor zover het de
toepassing van de Amp-wet tot dat tijdstip betreft.
-3. De overheidswerkgever verricht
handelingen op grond van een regeling met betrekking tot
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte dan wel wachtgeld
zoals bedoelde regeling luidde op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, voor zover het de
toepassing van bedoelde regeling tot dat tijdstip betreft.
-4. Onze Minister van Defensie en
de overheidswerkgever doen mededeling aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen van handelingen als bedoeld in
het tweede onderscheidenlijk het derde lid. De artikelen 36 tot
en met 39 zijn van overeenkomstige toepassing.
-5. Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen met betrekking tot het
eerste tot en met het vierde lid.
-6. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
§ 6.
Overige bepalingen
Art.
43. [Samenloop ambtelijke rechten met ZW-
of WW-uitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Indien de overheidswerknemer
of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel
4,
ingevolge de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling
recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte en
tegelijkertijd ter zake van hetzelfde dienstverband recht heeft
op ziekengeld op grond van de ZW, wordt het eerstbedoelde recht
verminderd met het ziekengeld.
-2. Zolang de overheidswerknemer
of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel
31,
ingevolge de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling
recht heeft op een wachtgeld en tegelijkertijd recht heeft op
een uitkering op grond van de
WW, wordt het eerstbedoelde recht
verminderd met de uitkering op grond van de WW. De eerste volzin
vindt geen toepassing in het geval de uitkering op grond van de
WW wordt genoten ter zake van een dienstverband dat ter hand is
genomen vóór de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan hem
het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is
aangevraagd, tenzij dat dienstverband ter hand is genomen
gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
voorafgaande aan bedoeld ontslag.
-3. Het eerste en tweede lid zijn
uitsluitend van toepassing indien in de op betrokkene van
toepassing zijnde rechtspositieregeling geen bepalingen zijn
opgenomen ter zake van de in die leden bedoelde samenloop van
rechten.
Art. 44. [Vermogen
FAOP]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
1998, 742; Stb.
2000, 561; Stb.
2001, 625]
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen liquideert vóór het tijdstip gelegen
twee jaar na het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet
het vermogen van het FAOP.
-2. In verband met de uitvoering
van het eerste lid gaan alle vermogensbestanddelen van het FAOP
op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet over op het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen beheert en administreert het vermogen dat
op grond van het tweede lid is overgegaan in de vorm van een
afzonderlijke rekening.
-4. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen draagt vóór het tijdstip gelegen één
jaar na het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet een
deel van het vermogen, bedoeld in het derde lid, over aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO.
-5. Het in het vierde lid bedoelde
deel van het vermogen bestaat uit:
a. een bedrag dat het
resultaat is van een breuk waarvan de teller wordt gevormd
door het aanwezige vermogen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO, vermenigvuldigd met de lasten van het
FAOP, bedoeld in
artikel 21a van de Wet
FVP/ABP, en de noemer door de lasten
van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
76,
derde lid, van de WAO; en
b. een bedrag ter dekking
van de uitgaven op grond van artikel 42, eerste lid, met
inbegrip van de uitvoeringskosten van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ter zake van de toepassing
van artikel 42, eerste lid.
-6. De toepassing van het vierde
lid geldt de aldaar genoemde aanwezige vermogens en lasten op de
dag voorafgaand aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet.
-7. Onder artikel 72
en artikel
76, derde lid, van de WAO in het vijfde lid,
onderdeel a, genoemd, wordt verstaan de artikelen 72 en
76,
derde lid, van de WAO zoals dat artikel en dat artikellid
luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet.
-8. Bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken, worden regels gesteld met betrekking tot het
vierde en het vijfde lid. [BlF]
-9. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gesteld
met betrekking tot de liquidatie van het FAOP. [BlF]
-10. Met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 45. [Vantoepassingverklaring
ZW, WAO en WW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
-1. Onverminderd het bepaalde in
deze wet zijn de ZW, de WAO en de
WW, alsmede de op die wetten
berustende bepalingen, van toepassing op het in dit hoofdstuk
bedoelde recht op uitkering op grond van die wetten, op het in
aanmerking brengen voor voorzieningen, vergoedingen of toelagen
op grond van artikel 20, eerste lid, of artikel
28, eerste lid,
en op het in aanmerking brengen voor loonsuppleties,
loonkostensubsidies, opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen
op grond van artikel 20, tweede lid, of artikel
28, tweede lid.
-2. Besluiten of uitkeringen op
grond van onderscheidenlijk artikel 4, eerste lid,
artikel 13,
eerste of tweede lid, artikel 23, eerste lid, of
artikel 31
worden beschouwd als besluiten of uitkeringen op grond van de
verplichte verzekering krachtens de ZW, de WAO onderscheidenlijk
de WW.
-3. Voorzieningen, toelagen of
vergoedingen op grond van artikel 20, eerste lid, of
artikel 28,
eerste lid, worden beschouwd als voorzieningen, toelagen of
vergoedingen op grond van de verplichte verzekering krachtens de
WAO.
-4. Loonsuppleties,
loonkostensubsidies, opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen
op grond van artikel 20, tweede lid, of artikel
28, tweede lid,
worden beschouwd als loonsuppleties, loonkostensubsidies,
opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen op grond van
de verplichte verzekering krachtens de WAO.
Art. 45a. [Overgangsrecht
1 januari 2001 Finlo-tegemoetkoming]
[Geschiedenis:
Stb.
2000, 561]
De Wet
financiering loopbaanonderbreking en de WW,
zoals deze luidden op de dag vóór het tijdstip van aanvang van
fase 2 van deze wet, blijven van toepassing op de financiële
tegemoetkoming op grond van de eerstgenoemde wet, die is
aangevangen vóór het bedoelde tijdstip van aanvang van fase 2.
Art. 45b. [Meetellen
duur ambtelijke uitkering voor recht op Ioaw-uitkering]
[Geschiedenis:
Stb.
2000, 561; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb.
2006, 303]
-1. Voor de toepassing van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt onder het bereiken van de
volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II
van de
WW, mede verstaan het vóór het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet bereiken van de
volledige uitkeringsduur van een wachtgeld, waarop recht is
ontstaan vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet.
Onder wachtgeld wordt niet verstaan de kortdurende uitkering,
bedoeld in het tweede lid.
-2. Voor de toepassing van artikel
2, onderdeel b, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt
onder het bereiken van de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk
IIb van de WW, mede verstaan het
vóór het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet bereiken van de
volledige uitkeringsduur van een kortdurende uitkering op grond
van het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit
beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare
regeling, waarop recht is ontstaan vóór het tijdstip van aanvang
van fase 2 van deze wet.
-3. Voor de toepassing van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt onder het bereiken van de volledige
uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II
van de
Werkloosheidswet, mede
verstaan het bereiken van de volledige uitkeringsduur van een wachtgeld, waarop in verband met de verlaging van een uitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering recht is ontstaan tussen 30 september
2004 en 1 oktober 2005 voor de overheidswerknemer of de gewezen
overheidswerknemer die op 31 december 2000 en op 30 september 2004
recht had op een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80% of meer.
Art. 45c.
[Aanvang fase 3 bij betalingsonmacht
overheidswerkgever] [Geschiedenis:
Stb.
2000, 561]
Indien een overheidswerkgever in staat van faillissement is
verklaard, dan wel aan hem surseance van betaling is verleend, of
deze anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft
opgehouden te betalen, wordt, op verzoek van de gewezen
overheidswerknemer die uit hoofde van een dienstverband met deze
overheidswerkgever recht op wachtgeld heeft, welk recht is
ontstaan vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet,
het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet vastgesteld op
het tijdstip dat de overheidswerkgever kwam te verkeren in een
toestand als hiervoor bedoeld, doch niet eerder dan het tijdstip
van aanvang van fase 2. De eerste zin is slechts van toepassing
als de overheidswerknemer zijn verzoek doet binnen 26 weken na de
dag waarop de overheidswerkgever is komen te verkeren in een
toestand als bedoeld in de eerste zin.
Art. 46. [Nadere
regelgeving] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2011, 4]
Bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze
Ministers wie het mede aangaat, kunnen ter uitvoering van dit hoofdstuk
nadere regels worden gesteld. [Bbtl40OwsOW]
[BlF]
HOOFDSTUK
2
Wijziging
van wetten op het terrein van de sociale zekerheid alsmede van de Wet
arbeid gehandicapte werknemers en de Wet voorzieningen gehandicapten
Art.
47.
[Wijziging ZW m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Ziektewet wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, komt te luiden:
a. degene, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;.
B. [MvT]
Na artikel 8a wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 8b.
-1. Tot een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip:
a. wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen; alsmede
b. is artikel 8a niet van
toepassing op degene die uitsluitend uit hoofde van één of meer
arbeidsverhoudingen als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde
van één of meer voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen
overheidswerknemer, een uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als
bedoeld in onderdeel a van dat lid, alsmede voor groepen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in onderdeel
b van dat lid, verschillend worden
vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere
en, zo nodig, tijdelijk van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
C. [MvT]
Artikel 29, eerste
lid, komt te luiden:
-1. Behoudens de artikelen 29a en 29b
wordt geen ziekengeld
uitgekeerd, indien de verzekerde:
a. uit hoofde van de
dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten,
recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde,
vierde, vijfde of achtste lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk
ontbreekt;
b. bij verhindering
wegens ziekte om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen recht
heeft op bezoldiging als bedoeld in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee
overeenkomt, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van een reden
overeenkomstig artikel 629, derde, vierde, vijfde of achtste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
D. [MvT]
Na artikel 89 worden
twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 90.
Het ontwerp van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b
wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 91.
Een voordracht tot een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b
wordt niet
gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 90 bedoelde mededeling zijn
verstreken. Gelijktijdig met de mededeling wordt het ontwerp aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de
overlegging kan door één der kamers of ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van
één der kamers de wens te kennen worden
gegeven dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt
geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo
spoedig mogelijk ingediend.
Art.
48. [Wijziging ZW m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561]
De Ziektewet
wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 61 komt te
luiden:
Art. 61.
In afwijking van artikel
60 komen de uitkeringen op grond van deze wet ten aanzien van
overheidswerknemers en degenen die op grond van artikel
7, artikel 8 of
artikel 8a werknemer zijn wegens het ontvangen van een uitkering uit hoofde
van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel 104 van de
Werkloosheidswet.
B. [MvT]
Artikel 64 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid,
onderdeel c, wordt na "om" ingevoegd: , in of buiten Nederland,.
2. Onder het vervallen
van "of" na het tweede lid, onderdeel c, en vervanging van de punt na
onderdeel d van dat lid door "; of" wordt aan het tweede lid een
onderdeel toegevoegd, luidende:
e. die Nederlander is en
buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het
Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het
kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een
internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
3. In het vierde lid
wordt "onderdeel b en c" vervangen door: onderdeel
b, c en e.
C.
Artikel 66 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid,
onderdeel e, wordt vervangen door:
e. door de in artikel 64,
tweede lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: binnen vier
weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in
artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden
verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die
werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
2. Het vierde lid,
onderdeel d, wordt vervangen door:
d. voor de in artikel 64,
tweede lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van
zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel
64, tweede
lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op
de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
D.
In artikel 46, eerste
lid, wordt "privaatrechtelijke dienstbetrekking" vervangen door:
dienstbetrekking.
Art.
49.
[Wijziging ZW m.i.v. fase 3]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet vervallen de artikelen 8b,
90 en 91 van de Ziektewet.
Art.
50. [Wijziging WAO m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 24 december 1997]
De Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, komt te luiden:
a. degene, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;.
B.
In artikel 43b wordt
na "Burgerlijk
Wetboek" toegevoegd: , dan wel op bezoldiging ingevolge
artikel XV, tweede lid, vierde volzin, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim.
C. [MvT]
Artikel 62, eerste
lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "een
privaatrechtelijke dienstbetrekking" wordt vervangen door: een
dienstbetrekking.
2. De zinsnede "of het
Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel,
bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP," vervalt.
Art.
51. [Wijziging WAO m.i.v. fase 3]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
1998, 741]
De Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 3 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Onder vervanging van
de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt vervalt
onderdeel c.
2. In onderdeel b vervalt
de zinsnede "of van een regeling als bedoeld in onderdeel c".
B. [MvT]
Artikel 10, eerste lid,
komt te luiden:
-1. Als werkgever wordt
beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onder:
a: het Landelijk
instituut sociale verzekeringen;
b: degene die door Onze
Minister als werkgever wordt aangewezen.
C. [MvT]
Artikel 13, vierde lid,
vervalt.
D. [MvT]
In artikel 66, vierde
lid, wordt de zinsnede "artikel 7, onderdeel b en c" vervangen door:
artikel 7, onderdeel b.
Art.
52. [Wijziging WW m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT;
versie 24 december 1997]
De Werkloosheidswet
wordt
met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 wordt vervangen
door:
Art. 7.
-1. Tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip wordt niet als
dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld
in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers
verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere
en, zo nodig, van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
B. [MvT]
Artikel 17b, eerste lid,
komt te luiden:
-1. Voor de toepassing van
artikel 17, onderdeel b, onder 1°, worden met dagen waarover loon is
ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover een
persoon recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op
grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend, dan wel een
uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. dagen waarover een
persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat
hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
Art.
53. [Wijziging WW m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
De Werkloosheidswet
wordt
met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Aan artikel 1 worden,
onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een
puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:
k. overheidswerkgever:
1º. het orgaan van een
publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a,
van de WPA, dan wel een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel b tot en met e, van die
wet, zoals die bepalingen
luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste
van dat lichaam bezoldigt of beloont;
2º. een
privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
f, van de WPA
of artikel 2, derde lid, van die
wet, zoals die bepalingen luidden op de
dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in
artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen,
dat zowel op die dag als op dat tijdstip op grond van één van die
bepalingen is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in
de Stichting Pensioenfonds ABP en dat de overheidswerknemer
rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont;
3º. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de
WPA uitgezonderde personen, zoals die bepaling luidde op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van
de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
l. overheidswerknemer:
1º. de
overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA
zoals die bepaling luidde op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in
artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen,
jonger dan 65 jaar;
2º. de beroepsmilitair
in de zin van de Algemene militaire pensioenwet, jonger dan 65 jaar;
3º. degene die door de
Koning in dienst is genomen om bij de Koninklijke Hofhouding
werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de
Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de
Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau valt, jonger dan
65 jaar;
m. Uitvoeringsfonds voor
de overheid: het fonds, bedoeld in artikel 104.
B.
In artikel 16, derde lid,
wordt na "artikel 672 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek"
telkens ingevoegd: , de artikelen 94 tot en met 97 van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een
soortgelijke regeling.
C.
Na artikel 22a wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 22b.
-1. De intrekking of
verlaging van een uitkering die voortvloeit uit het door de werkgever
ingesteld bezwaar of beroep vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die
waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is
gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van
intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Landelijk
instituut sociale verzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar
of beroep van de werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
D.
Onder vernummering van
artikel 35b tot artikel 35c
wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 35b.
-1. Indien de werknemer
meer dan één recht op uitkering heeft, wordt, indien ten minste één
van die rechten ontstaan is uit hoofde van een dienstbetrekking als
overheidswerknemer, voor de toepassing van de artikelen
34, 35 en 35a
een volgorde in aanmerking genomen bij de vermindering van de
uitkering.
-2. Bij de toepassing van
het eerste lid worden de inkomsten bij voorrang in mindering
gebracht op de uitkering waarmee zij de meeste samenhang hebben.
-3. Een samenhang als
bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld aan de hand van:
a. de dienstbetrekkingen
uit hoofde waarvan de werknemer recht op uitkering op grond van
deze wet heeft en die waaruit of in verband waarmee de inkomsten
worden ontvangen;
b. de bedrijfstak of
bedrijfstakken waarin de werknemer werkzaam was en die waaruit of in
verband waarmee de inkomsten worden ontvangen.
-4. Indien geen samenhang
kan worden vastgesteld, worden de inkomsten gelijkelijk in
mindering gebracht op de verschillende uitkeringen. Indien bij de toepassing
van de eerste zin een uitkering lager is dan het daarop in
mindering te brengen bedrag, wordt hetgeen aldus niet in mindering kan worden
gebracht in gelijke mate in mindering gebracht op de andere uitkeringen.
-5. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het
derde lid.
E.
Artikel 53 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid,
onderdeel c, wordt na "om" ingevoegd: , in of buiten Nederland,.
2. Onder het vervallen
van "of" na het eerste lid, onderdeel c, en vervanging van de punt na
onderdeel d van dat lid door "; of" wordt aan het eerste lid een
onderdeel toegevoegd, luidende:
e. die Nederlander is en
buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het
Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het
kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een
internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of
een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
3. In het vierde lid
wordt "onderdeel b en c" vervangen door: onderdeel
b, c en e.
F.
Artikel 54 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid,
onderdeel b, wordt vervangen door:
b. door de in artikel 53,
eerste lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: binnen vier
weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in
artikel 53, eerste lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden
verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die
werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
2. Het vierde lid,
onderdeel b, wordt vervangen door:
b. voor de in artikel 53,
eerste lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van
zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel
53, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op
de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
G.
Voor artikel 79 wordt
ingevoegd:
§ 1. Het Algemeen
Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen
Art. 78a.
-1. Deze paragraaf is niet
van toepassing op te betalen uitkeringen, te maken kosten, te heffen
premie en te ontvangen bedragen met betrekking tot overheidswerknemers,
voor zover verplicht verzekerd op grond van deze wet,
overheidswerkgevers, voor zover zij werkgever zijn van overheidswerknemers, en
degenen die uitkering op grond van de verplichte verzekering op
grond van deze wet, de Ziektewet
of de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen indien zij die uitkering uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer ontvangen.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt, indien de werknemer laatstelijk vóór het
intreden van de arbeidsongeschiktheid meer dan één dienstbetrekking had
waaronder ten minste één dienstbetrekking als overheidswerknemer, een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht te zijn genoten
uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer indien hem in de laatste maand
vóór het intreden van de
arbeidsongeschiktheid uit zijn dienstbetrekking of dienstbetrekkingen als
overheidswerknemer een groter bedrag aan loon is uitbetaald dan in
zijn dienstbetrekking of dienstbetrekkingen anders dan als
overheidswerknemer.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing op de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de
artikelen 6, derde lid,
en 7 van de Wet financiering
loopbaanonderbreking, de financiële
tegemoetkomingen op grond van die wet en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten.
H.
In artikel 89 vervallen
het tweede en derde lid alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste
lid.
I.
In artikel 92, onderdeel h, wordt aan het slot toegevoegd: , met uitzondering van hetgeen
op grond van artikel 97e ten gunste komt van het Uitvoeringsfonds voor
de overheid.
J.
In artikel 93, onderdeel i, wordt na "de daaraan verbonden uitvoeringskosten"
toegevoegd: , met
uitzondering van hetgeen op grond van artikel 97f
ten laste komt van
het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
K.
Na artikel 97 wordt een
paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 2. Het
Uitvoeringsfonds voor de overheid
Art. 97a.
De middelen tot dekking
van de uitgaven van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, alsmede de
middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een reserve in
dat fonds, worden gevonden door het in rekening brengen van de
uitgaven, bedoeld in artikel 97b, eerste lid, bij de
overheidswerkgevers en
door het heffen van premie.
Art. 97b.
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen verhaalt op de overheidswerkgever tot
wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de
overheidswerknemer de in onderdeel a bedoelde uitkering ontvangt:
a. de op grond van deze
wet te betalen uitkering aan een persoon als bedoeld in artikel 78a,
met uitzondering van de premie, bedoeld in artikel 97d, tweede lid;
b. de op grond van enige
wet over de uitkering, bedoeld in onderdeel a, door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze
uitkering in mindering kunnen worden gebracht, met uitzondering van de
premie, bedoeld in artikel 97d, tweede lid;
c. de tegemoetkoming,
bedoeld in artikel 97f, onderdeel i;
d. de vergoeding, bedoeld
in artikel 97h, die betrekking heeft op de persoon die de in
onderdeel a bedoelde uitkering ontving.
-2. Op het totaal van de
bedragen die op de overheidswerkgever op grond van het eerste lid
over enig tijdvak wordt verhaald, wordt in mindering gebracht
hetgeen het Landelijk instituut sociale verzekeringen in dat tijdvak ontvangt
door de toepassing van artikel 36 of de artikelen
6, derde lid, of 7 van de
Wet financiering loopbaanonderbreking, onder aftrek van de daarop
betrekking hebbende uitvoeringskosten, voor zover die toepassing betrekking
heeft op uitkeringen, premies en tegemoetkomingen die eerder op grond van
dat lid op de overheidswerkgever zijn verhaald.
-3. Indien hetgeen op
grond van het tweede lid in mindering wordt gebracht het totaal van
de bedragen die op de overheidswerkgever over het betrokken tijdvak
wordt verhaald, overtreft, wordt dat meerdere door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen betaald aan de overheidswerkgever.
-4. Indien de
overheidswerkgever, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat, wordt voor de
toepassing van het eerste tot en met derde lid onder overheidswerkgever
verstaan de rechtsopvolger van die overheidswerkgever. De eerste zin
is niet van toepassing met betrekking tot de rechtsopvolger na
faillissement.
-5. Het besluit waarbij de
in het eerste lid bedoelde uitkering, premies en tegemoetkomingen worden
verhaald, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moeten
worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van
tijdige betaling, overeenkomstig het zesde tot en met achtste lid zal
worden ten uitvoer gelegd.
-6. Het besluit waarbij de
in het eerste lid bedoelde uitkering, premies en tegemoetkomingen worden
verhaald, levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede
betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het achtste lid.
-7. Het besluit waarbij de
in het eerste lid bedoelde uitkering, premies en tegemoetkomingen worden
verhaald, wordt bij gebreke van tijdige betaling met toepassing
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op kosten van de
overheidswerkgever of diens rechtsopvolger betekend en ten uitvoer gelegd.
-8. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt het te verhalen bedrag verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-9. De artikelen 13 en 16
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
zijn van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot dit artikel.
-10. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking
tot het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid.
Art. 97c.
-1. De premie is
verschuldigd door de overheidswerkgever. Deze betaalt de premie aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
-2. De overheidswerkgever
mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de
overheidswerknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is
nietig.
-3. De premie wordt door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen geheven naar door hem
voor alle overheidswerkgevers gelijk vastgesteld percentage van het loon
dat, in het tijdvak waarover de betaling loopt, is genoten door de
overheidswerknemer.
-4. Op gelijke wijze als
in het derde lid bepaald, kan een vastgesteld percentage te allen tijde
worden herzien.
-5. Indien een herziening
van het in het derde lid bedoelde percentage ingaat op een ander
tijdstip dan 1 januari, stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen een
voor alle overheidswerkgevers gemiddeld percentage vast dat zal
gelden voor het gehele kalenderjaar.
Art. 97d.
-1. De overheidswerkgever
mag op het loon van de overheidswerknemer een bedrag inhouden
overeenkomstig hetgeen op grond van de artikelen
81, derde
lid, 84 en 86 verschuldigd zou zijn door de overheidswerknemer indien
die artikelen op hem van toepassing zouden zijn.
-2. Over een uitkering op
grond van deze wet, de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en over een toeslag op grond van de Toeslagenwet aan een
persoon als bedoeld in artikel 78a wordt premie geheven overeenkomstig de
artikelen 81, derde lid, 83, 84,
85, derde en vierde lid, en artikel
86, eerste, derde en vierde lid.
-3. Ingeval het Landelijk
instituut sociale verzekeringen een aan een overheidswerknemer
toegekende uitkering als bedoeld in het tweede lid aan een
overheidswerkgever betaalt met het oogmerk die uitkering door diens tussenkomst te doen
uitbetalen:
a. wordt de bedoelde
uitkering niet vermeerderd met de daarover door de werkgever
verschuldigde premie op grond van het tweede lid en wordt die uitkering verminderd
met het door de overheidswerknemer of gewezen
overheidswerknemer verschuldigde deel van de premie op grond van dat lid;
b. treedt, in afwijking
van artikel 11, vierde lid, artikel
10, derde lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel
11, derde lid, van de
Ziektewet, voor zover die artikelleden betrekking hebben op de premie, bedoeld in het
tweede lid, de overheidswerkgever niet in de plaats van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen;
c. wordt voor de
inhouding, bedoeld in het eerste lid, onder loon niet verstaan de uitkering,
bedoeld in het tweede lid.
Art. 97e.
Ten gunste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ontvangt door de
toepassing van artikel 97b;
b. de premies op grond
van artikel 97c;
c. de premies op grond
van artikel 97d, tweede lid;
d. de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de
toepassing van de artikelen 27a en 36, voor zover deze bedragen betrekking
hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de
uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 indien de in dat
artikel bedoelde werkgever een overheidswerkgever is;
f. de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van
artikel 45a van de Ziektewet, voor zover deze bedragen betrekking
hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
g. het door de
overheidswerkgever verschuldigde bedrag, bedoeld in artikel 52j
en in artikel
46 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
h. de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing
van artikel 38, vierde lid, van de Ziektewet
en artikel 71a, tweede en
derde lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering indien de in die
artikelen bedoelde werkgever een overheidswerkgever is;
i. de bijdragen van de
overheidswerkgever of overheidswerknemer in de kosten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
j. de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de
artikelen 6, derde lid, en 7 van de
Wet financiering loopbaanonderbreking, voor zover deze bedragen betrekking hebben op
tegemoetkomingen die ten laste van dat fonds zijn gebracht.
Art. 97f.
Ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de op grond van deze
wet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 78a;
b. de op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a tot en met f, van de Ziektewet
te betalen
uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 78a;
c. de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b
bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige
wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
e. de kosten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, indien dat op verzoek van een
overheidswerkgever of overheidswerknemer is ingesteld;
f. de uitvoeringskosten, voor zover betrekking hebbend op de uitvoering van de
artikelen 38,
vierde lid, en 39 van de Ziektewet
ten aanzien van overheidswerkgevers en overheidswerknemers die niet reeds op grond van onderdeel c ten laste
van dat fonds worden gebracht, voor zover deze betrekking hebben op de
uitvoering van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
g. de subsidies, bedoeld
in artikel 69, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
h. het op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan het
Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
i. de financiële
tegemoetkomingen op grond van artikel 11, tweede lid, van de
Wet financiering
loopbaanonderbreking en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
j. de op diens aanvraag
aan de werkgever door het Landelijk instituut sociale verzekeringen te
verlenen vergoeding van de schade die de werkgever lijdt door
toepassing van artikel 22b, eerste lid, en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten
verbonden aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen,
premies en bijdragen als bedoeld in artikel 97e;
l. uitgaven die op grond
van artikel 74, vijfde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden gebracht;
m. de vergoedingen op
grond van artikel 38a, vierde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
Art. 97g.
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van het Uitvoeringsfonds
voor de overheid, een budget vast voor vergoedingen aan de
gemeenten voor de voorzieningen op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden waarvoor die gemeenten personen als bedoeld in artikel 78a
woonachtig in die gemeenten die recht op uitkering hebben op grond
van hoofdstuk IIa of IIb
in aanmerking hebben laten komen.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vermeldt in het plan van werkzaamheden, bedoeld in
artikel 38, vierde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, de inhoud van de overeenkomsten die dit instituut en de
uitvoeringsinstellingen ter uitvoering van artikel
73, eerste lid, met gemeentebesturen
hebben gesloten over het aanbod van voorzieningen op grond
van de Wet inschakeling werkzoekenden.
Art. 97h.
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vergoedt, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor
de overheid, aan het Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden
verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers die geen
Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren
naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op
grond van deze wet ontvangen.
-2. De in het eerste lid
bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de
in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van deze wet zouden
hebben kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van
herkomst of een ander land waren vertrokken.
-3. Onze
Minister stelt
regels met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 97i.
Bij regeling van Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan een bedrag worden vastgesteld dat, in
verband met de toepassing van de artikelen 85, derde en vijfde lid,
86, eerste
lid, en 97d, tweede lid, op
uitkeringen op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering volgens een bij die regeling te bepalen
verdeling wordt afgedragen aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel
de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art. 97j.
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan regels stellen omtrent de verrekening tussen het
Uitvoeringsfonds voor de overheid enerzijds en de
uitvoeringsinstellingen anderzijds van ontvangen premies en overige ontvangsten enerzijds en
van verstrekte uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds.
L.
In artikel 102, eerste
lid, wordt na "Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997" ingevoegd: , met
uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers
behoren,.
M.
Artikel 104 komt te
luiden:
Art. 104.
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de in
artikel 97e bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven,
bedoeld in de artikelen 97f, 97g
en
97h, in de vorm van een
Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen.
N.
In artikel 112 wordt "artikel
95, derde lid," vervangen door: artikel
95, derde lid, of artikel
97h, derde lid,.
O.
Artikel 124 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de
aanduiding "-1." geplaatst.
2. Er wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-2. Het door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vastgestelde besluit met betrekking
tot het premiepercentage, bedoeld in artikel 97c, derde lid, behoeft
goedkeuring van Onze
Minister. Indien Onze Minister goedkeuring onthoudt aan
het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
vastgestelde percentage, stelt hij het percentage zelf vast.
P.
Na artikel 129 worden
drie artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 129a.
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 129b.
Het bezwaar of beroep van
een werkgever tegen het verhaal, bedoeld in artikel 97b, eerste lid,
kan niet zijn gegrond op de grief dat de uitkering ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is vastgesteld.
Art. 129c.
Ten aanzien van besluiten
waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt, zijn de
artikelen 88 tot en met 88i van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
van overeenkomstige toepassing.
Q.
In artikel 130, tweede en
zevende lid, wordt na "het Algemeen Werkloosheidsfonds"
telkens ingevoegd: en het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
R.
In artikel 130b, tweede
lid, wordt "93 en 129" vervangen door:
93, 97b, 97f,
97i en 129.
S.
In artikel 130c, tweede
lid, wordt na "de wachtgeldfondsen" ingevoegd: en het Uitvoeringsfonds
voor de overheid.
Art.
54.
[Wijziging WW m.i.v. fase 3]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
1998, 742]
De Werkloosheidswet
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 3 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 7 vervalt.
B. [MvT]
In artikel 17b, zevende lid, vervalt onderdeel a en worden de onderdelen
b en c verletterd tot onderdelen a en b.
C. [MvT]
In artikel 45, vierde lid, vervalt de zinsnede "dan wel een uitkering
ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt op grond van een
regeling voor de persoon, bedoeld in artikel 7, eerste lid,".
D. [MvT]
De artikelen 125 en 126 vervallen.
Art.
55. [Wijziging IWS m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
In artikel 10, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase
1 van deze wet de zinsnede "een lichaam als bedoeld in artikel A 1,
onderdeel d, van die wet" vervangen door: een lichaam als bedoeld in
artikel A 1, onderdeel c, van die wet.
Art.
56. [Overgangsrecht 1 januari 2001
aanspraken bij werkloosheid] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
Artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening
sociale zekerheid en
de daarop berustende bepalingen, zoals deze luiden op de dag vóór het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, blijven tot het tijdstip
van aanvang van fase 3 van deze wet van toepassing op de
overheidswerknemer, bedoeld in dat artikel, wiens eerste dag van
werkloosheid gelegen is vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van
deze wet.
Art.
57.
[Wijziging Ioaw m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Artikel 2 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel c, onder 4º, komt te luiden:
4º. recht heeft op uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Liquidatiewet
ongevallenwetten of
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;.
2. Het derde, het vierde en het vijfde lid vervallen.
Art.
58.
[Wijziging Wagw m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Wet arbeid gehandicapte werknemers wordt met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. gehandicapte werknemer: een werknemer:
1º. aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend krachtens
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
2º. aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens artikel 5 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen is toegekend en die
geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van die
wet;
3º. voor wie, met toepassing van artikel 57, eerste lid, of artikel 57a
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel met toepassing van een
door Onze
Minister, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat,
met genoemde bepalingen gelijkgestelde regeling, een voorziening binnen
het bedrijf is getroffen en die zonder die voorziening niet in staat is
zijn arbeid te verrichten;
4º. die tengevolge van ziekte of gebreken duidelijke belemmeringen
ondervindt bij het verkrijgen of verrichten van arbeid, dan wel door
bijzondere maatregelen of voorzieningen in staat is gesteld arbeid te
verkrijgen of te verrichten, voor zover bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur aangewezen;.
2. Onderdeel g vervalt.
B.
[MvT]
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid vervalt de zinsnede "of het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel".
2. In het derde lid vervalt de zinsnede "en het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel".
C.
[MvT]
Artikel 8 komt te luiden:
Art. 8.
-1. Indien de arbeidsprestatie van een werknemer in een bepaalde functie
tengevolge van ziekte of gebreken duidelijk minder is dan de
arbeidsprestatie die in de desbetreffende functie als normaal wordt
beschouwd, vermindert het Landelijk
instituut sociale verzekeringen op
verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar
evenredigheid, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag
ingevolge dit artikel dient te worden gegeven. Deze algemene maatregel
van bestuur vervalt met ingang van 1 januari 1999.
-3. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale verzekeringen
binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
D.
[MvT]
In artikel 10, onderdeel b, vervalt de zinsnede "of het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds".
E.
[MvT]
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De vaststelling en de invordering van de krachtens artikel 5, eerste
lid, verschuldigde geldelijke bijdrage, alsmede de vaststelling en de
uitbetaling van de krachtens artikel 5, tweede lid, verschuldigde
geldelijke tegemoetkoming, geschiedt door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
-2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde
lid tot tweede en derde lid.
F.
[MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt de zinsnede "en het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel hebben" vervangen
door: heeft.
2. In het derde lid vervalt de zinsnede "en het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel".
Art.
59. [Wijziging Wvg m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Artikel 10 van de Wet voorzieningen gehandicapten komt met ingang van
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt te luiden:
Art. 10.
Onze Minister van Defensie
is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd
verplicht, kosteloos, uit de door of namens hem gevoerde administratie
aan de gemeentebesturen die gegevens te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van deze wet.
Art.
60.
[Wijziging CSV m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
In artikel 6, eerste lid, onderdeel r, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet de puntkomma vervangen door een komma en wordt een zinsnede
toegevoegd, luidende: dan wel ter zake van één van de volgende
publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen: het Instituut
Zorgverzekering Ambtenaren Nederland, de Interprovinciale
ziektekostenregeling 1988 of het Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994;.
Art.
61.
[Wijziging Osv 1997 m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561]
De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 wordt met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 1, onderdeel h, wordt, onder vervanging van de punt aan het
slot van subonderdeel 13 door een puntkomma, een subonderdeel
toegevoegd, luidende:
14º. het Uitvoeringsfonds voor de overheid, genoemd in artikel 104 van de
Werkloosheidswet.
B.
In artikel 38, eerste lid, onderdeel c, wordt "subonderdeel 9 tot
en met 13" vervangen door: subonderdeel 9 tot en met 14.
C.
In artikel 54, eerste lid, wordt na "wachtgeldfonds" telkens
ingevoegd: of het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
D.
In artikel 58, eerste lid, onderdeel b, wordt na "de
wachtgeldfondsen"
ingevoegd: en het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
E.
In artikel 74, vijfde lid, wordt na "een wachtgeldfonds" ingevoegd:
of het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
F.
In artikel 80, derde lid, wordt na "het Toeslagenfonds" ingevoegd: ,
het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
G.
Na artikel 38 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 38a.
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. overheidswerknemer: de persoon:
1º. die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangt uit
hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer als bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, van de Werkloosheidswet;
2º. voor wie geen arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op
directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt; en
3º. die niet een arbeidsgehandicapte is als bedoeld in artikel 10 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
b. overheidswerkgever: het lichaam dan wel het orgaan van een lichaam
dat:
1º. met betrekking tot het jaar 2000 een overeenkomst heeft gesloten
met een reïntegratiebedrijf met het oog op de inschakeling in het
arbeidsproces van gewezen overheidswerknemers met recht op wachtgeld als
bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen; en
2º. die overeenkomst voortzet in het jaar 2001 ten aanzien van
overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a.
-2. De in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, bedoelde taak kan, met
betrekking tot een overheidswerknemer, met inachtneming van het derde
tot en met vijfde lid door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen worden overgedragen aan de overheidswerkgever wiens overeenkomst,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mede betrekking heeft op die
overheidswerknemer. De overheidswerkgever treedt dan voor de toepassing
van de artikelen 72, 73 en
130, eerste lid, van de Werkloosheidswet
in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. De in het tweede lid bedoelde taakoverdracht vindt plaats op verzoek
van de overheidswerkgever, bedoeld in dat lid. De overheidswerkgever
legt daarbij een document over waaruit blijkt dat dit verzoek wordt
gedaan met instemming van de vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties waarmee de overheidswerkgever overleg pleegt te
voeren over de arbeidsvoorwaarden en de rechtspositie van zijn
personeel.
-4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen betaalt een door hem te
bepalen vergoeding aan de overheidswerkgever voor de door de
overheidswerkgever op grond van dit artikel gedane uitgaven in verband
met de inschakeling in het arbeidsproces van overheidswerknemers.
-5. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan regels stellen met
betrekking tot:
a. de vorm waarin en de termijn waarbinnen het in het derde lid bedoelde
verzoek wordt ingediend;
b. de vorm waarin en de termijn waarbinnen een verzoek om een vergoeding
als bedoeld in het vierde lid wordt ingediend;
c. de door de overheidswerkgever in verband met de uitvoering van dit
artikel of de Werkloosheidswet uit eigen beweging of desgevraagd te
verstrekken gegevens.
Art.
62.
[Wijziging Wet TZ m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2003, 544]
-1. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet
wordt in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim na de derde volzin een volzin toegevoegd,
luidende: Indien de werkgever
de aangifte overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet
later doet dan op grond van artikel 85 van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen overeenkomstig het eerstgenoemde
artikel is voorgeschreven, wordt het in de eerste volzin bedoelde
tijdvak met de duur van de vertraging verlengd.
-2. In artikel XV van de Wet terugdringing
ziekteverzuim vervalt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet het zevende
lid, onder vernummering van het achtste tot en met dertiende lid tot
zevende tot en met twaalfde lid.
Art.
63. [Wijziging Wet TBA m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De artikelen XX tot en met XXVII van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen vervallen met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet.
Art.
64.
[Wijziging WBIA m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2000, 561; Stb. 2002, 69]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld
in artikel 53, wordt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria voor de overheidswerknemers, bedoeld in
artikel 1, onderdeel l, en de gewezen overheidswerknemers op wie de
WW
van toepassing wordt, als volgt gelezen:
A.
[MvT]
In artikel 1, onderdeel a, wordt na "Wet
privatisering ABP"
toegevoegd: , invaliditeitspensioen, bedoeld in de Spoorwegpensioenwet of
de Algemene burgerlijke pensioenwet.
B.
[MvT]
Artikel 1, onderdeel b, wordt als volgt gelezen:
b. werkloze persoon: de persoon, bedoeld in artikel
2;.
C.
[MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt als volgt gelezen:
-2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op de persoon, bedoeld in artikel XX, XXI,
XXIV of XXV van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals
die
wet luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen, en die op 31 december 1986 de leeftijd
van 35 jaar had bereikt en:
a. die door de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18
van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest, dan wel voor een lagere
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt; of
b. wiens recht op pensioen door toepassing van artikel E 6 van de
Algemene militaire pensioenwet dan wel de militaire pensioenbepalingen
inzake het recht op pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid op een
lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
D.
[MvT]
Artikel 2, derde lid, wordt als volgt gelezen:
-3. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op de persoon die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar had bereikt
en die op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
of een herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld op grond van de
Spoorwegpensioenwet, de Algemene militaire pensioenwet of de Algemene
burgerlijke pensioenwet en die vanaf 1 augustus 1993 door de toepassing
van artikel 5 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel F 7 van
de Spoorwegpensioenwet, artikel F 8a van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet of de
toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor deze
persoon na de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn blijven luiden, zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest of heeft verloren dan wel voor
een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is
gekomen.
E.
[MvT]
In artikel 9, eerste tot en met het derde lid, wordt "artikel
2, eerste
of derde lid" vervangen door: artikel 2, eerste, tweede of derde lid.
F.
[MvT]
In artikel 9, zesde tot en met het achtste lid, wordt "artikel
2,
tweede lid" vervangen door: artikel 2, tweede of derde lid.
G.
[MvT]
Onder vernummering van het negende en tiende lid van artikel 9 tot het
elfde en twaalfde lid worden in dat artikel een nieuw negende en tiende
lid ingevoegd, luidende:
-9. Het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze
persoon aan wie op de dag vóór de toepassing, bedoeld in artikel
2,
derde lid, een invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de
Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, is gelijk
aan de door 261 gedeelde berekeningsgrondslag waarnaar dat pensioen was
berekend. Indien op het in de eerste volzin bedoelde pensioen ingevolge
artikel F 9a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel F
7a van
de Spoorwegpensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor de
vaststelling van het dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag
verhoogd met die toeslag. Artikel 15 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is van toepassing op het dagloon,
bedoeld in dit lid.
-10. Indien het recht op invaliditeitspensioen is toegekend uit een
deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het negende lid als dagloon
het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen en vervolgens is
vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
H.
[MvT]
In het nieuwe twaalfde lid van artikel 9 wordt "het negende lid"
vervangen door: het elfde lid.
Art.
65. [Wijziging WBIA m.i.v. fase 3]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561]
De Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria wordt met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet, bedoeld in artikel 54, als volgt
gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt na "Wet
privatisering ABP" toegevoegd: ,
invaliditeitspensioen, bedoeld in de Spoorwegpensioenwet of de Algemene
burgerlijke pensioenwet.
2. Onderdeel b komt te luiden:
b. werkloze persoon: de persoon, bedoeld in artikel
2;.
B.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op de persoon, bedoeld in artikel XX, XXI,
XXIV of XXV van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals die
wet luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen, en die op 31 december 1986 de leeftijd
van 35 jaar had bereikt en:
a. die door de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18
van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest, dan wel voor een lagere
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt; of
b. wiens recht op pensioen door toepassing van artikel E 6 van de
Algemene militaire pensioenwet op een lagere mate van
arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
2. Het derde lid komt te luiden:
-3. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing
op de persoon die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar had bereikt
en die op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
of een herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld op grond van de
Spoorwegpensioenwet, de Algemene militaire pensioenwet of de Algemene
burgerlijke pensioenwet en die vanaf 1 augustus 1993 door de toepassing
van artikel 5 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, artikel F 7 van
de Spoorwegpensioenwet, artikel F 8a van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet of de
toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor deze
persoon na de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn blijven luiden, zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest of heeft verloren dan wel voor
een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is
gekomen.
C.
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste tot en met het derde lid wordt "artikel
2, eerste of
derde lid" vervangen door: artikel 2, eerste, tweede of derde lid.
2. In het zesde tot en met het achtste lid wordt "artikel
2, tweede
lid" vervangen door: artikel 2, tweede of derde lid.
3. Onder vernummering van het negende en tiende lid tot het elfde en
twaalfde lid worden een nieuw negende en tiende lid ingevoegd, luidende:
-9. Het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze
persoon aan wie op de dag vóór de toepassing, bedoeld in artikel
2,
derde lid, een invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de
Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, is gelijk
aan de door 261 gedeelde berekeningsgrondslag waarnaar dat pensioen was
berekend. Indien op het in de eerste volzin bedoelde pensioen ingevolge
artikel F 9a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel F
7a van
de Spoorwegpensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor de
vaststelling van het dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag
verhoogd met die toeslag. Artikel 15 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is van toepassing op het dagloon,
bedoeld in dit lid.
-10. Indien het recht op invaliditeitspensioen is toegekend uit een
deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het negende lid als dagloon
het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen en vervolgens is
vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
4. In het nieuwe twaalfde lid wordt "het negende lid" vervangen door:
het elfde lid.
Art. 66. [Wijziging
Wet Pemba m.i.v. fase 1] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Wet premiedifferentiatie
en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen wordt met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel II komt te
luiden:
Art. II.
-1. Onder de uitkeringen,
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan:
a. de op grond van artikel 13, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen toegekende uitkeringen;
b. de op grond van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen bij wijze van voorschot toegekende
uitkeringen;
c. de op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen toegekende uitkeringen.
-2. Onder de
uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de
kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de artikelen
13, eerste
en tweede lid, en 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
-3. Onder de loonsuppletie,
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt mede verstaan de in artikel
20,
tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde loonsuppletie.
-4. Onder de
loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel
d, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt mede verstaan de in artikel
20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde loonkostensubsidie.
-5. Onder de kosten van
opleiding of scholing, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel
e, van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de
kosten van een opleiding of scholing als bedoeld in artikel
20,
tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of
artikel 28, tweede lid, van die wet.
-6. Onder de voorzieningen,
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in artikel
20,
tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde voorzieningen.
-7. Onder de vergoedingen,
bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in artikel
20,
tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde vergoedingen.
-8. Onder de toelagen en
vergoedingen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel h, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in
artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde
toelagen en vergoedingen.
B.
[MvT]
De artikelen III tot en
met VI vervallen.
C.
[MvT]
Artikel VII wordt als
volgt gewijzigd:
1. Telkens vervallen de
woorden "en pensioenen".
2. De zinsnede "in artikel 21a van de Wet
privatisering ABP en in
artikel IV van deze
wet," vervalt.
Art. 67. [Wijziging Inga
m.i.v. fase 1] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Invoeringswet nieuwe en
gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel VIII wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het tweede tot en met het
vijfde lid vervallen.
2. Het zesde lid wordt
vernummerd tot tweede lid.
B. [MvT]
De artikelen XLVII tot en
met LI vervallen.
Art.
67a. [Wijziging Wet Rea m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
Stb.
2000, 561]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet wordt in artikel
42, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
"het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten en het
Algemeen Werkloosheidsfonds" vervangen door: het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, het Algemeen Werkloosheidsfonds en het
Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Art.
67b. [Wijziging Finlo m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
Stb.
2000, 561]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet wordt de Wet financiering
loopbaanonderbreking als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 1 wordt,
onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een
puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. Uitvoeringsfonds voor
de overheid: het fonds, bedoeld in artikel 104 van de Werkloosheidswet.
B.
Artikel 11 komt te
luiden:
Art. 11. Algemeen
Werkloosheidsfonds en Uitvoeringsfonds voor de overheid
-1. De financiële
tegemoetkoming komt ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-2. In afwijking van het
eerste lid komt de financiële tegemoetkoming met betrekking tot een
verlofganger die wordt vervangen door een persoon met recht op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor
de overheid.
HOOFDSTUK
3
Wijziging
van andere wetten
Art.
68. [Wijziging Wet FVP/ABP m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP wordt met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 1, onderdeel j
en s, vervallen.
B. [MvT]
De artikelen 21 tot en
met 27 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 4. Het FAOP en de
financiering daarvan" vervallen.
C. [MvT]
Artikel 28 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel b, onder 3º, komt als volgt te luiden:
3º. degene die voorzitter
of lid van een waterschap is, of van een ander publiekrechtelijk lichaam,
en als zodanig geen werknemer is in de zin van de Ziektewet
en de Werkloosheidswet.
2. In het tweede lid,
onderdeel a, onder 3º, wordt de zinsnede "de artikelen 30 en
31" vervangen door:
artikel 31.
3. In het tweede lid vervalt
onderdeel b.
4. In het derde lid worden
de woorden "een WAO-conforme uitkering" vervangen
door: een
WAO-uitkering.
5. In het vierde lid vervalt
onder 1º, onder vernummering van onder 2º en 3º tot onder 1º en 2º.
D. [MvT]
Artikel 29 wordt als
volgt gewijzigd:
1. Voor het eerste lid
vervalt de aanduiding "-1" en wordt het woord "inhoudingen" vervangen
door: inhouding.
2. Het tweede lid vervalt.
E. [MvT]
Artikel 30 vervalt.
F. [MvT]
Artikel 31, eerste lid,
komt te luiden:
-1. De werkgever houdt op het
loon van de werknemer een inhouding inzake werkloosheid in ter
grootte van een percentage van de heffingsgrondslag dat overeenkomt met het
premiedeel dat op grond van artikel 86, eerste lid, van de Werkloosheidswet
wordt vastgesteld door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, voor zover dat premiedeel ten
laste wordt gebracht van de
werknemer in de zin van die wet.
G. [MvT]
Artikel 32a vervalt.
H. [MvT]
Artikel 32b vervalt.
I. [MvT]
De artikelen 44 tot en
met 49 en 51 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 8.
Nadere bepalingen inzake het FAOP" vervallen.
Art.
69. [Wijziging Wet FVP/ABP m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Artikel 28, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP komt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt te
luiden:
b. werknemer: voor zover
geen werknemer in de zin van de Ziektewet en de
Werkloosheidswet:
1º. de overheidswerknemer
in de zin van de Wet
privatisering ABP;
2º. de militair ambtenaar,
bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931, tenzij hij aanspraak heeft op zakgeld of voor eerste oefening onder
de wapenen is;
3º. degene die voorzitter
of lid van een waterschap is, of van een ander publiekrechtelijk lichaam;
4º. degene die behoort tot
het personeel van de Koninklijke Hofhouding, bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, van de Wet
gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke
Hofhouding.
Art.
70. [Wijziging Wet FVP/ABP m.i.v. fase 3]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 3 van deze wet wordt de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 28 en het
daarboven geplaatste opschrift "§ 5. De inhoudingen op het loon"
vervalt.
B.
[MvT]
Artikel 29 vervalt.
C.
[MvT]
Artikel 31 vervalt.
Art.
71. [Wijziging WPA m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Wet
privatisering ABP wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Van artikel 1 vervalt
onderdeel j.
B.
[MvT]
De artikelen 32 tot en
met 45 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 9. De
arbeidsongeschiktheidsverzekering van overheidswerknemers" vervallen.
C.
[MvT]
De artikelen 46 tot en
met 53 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 10. Nadere
bepalingen inzake de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
van overheidswerknemers"
vervallen.
D.
[MvT]
Artikel 57 vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 59 vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 60 vervalt.
G.
[MvT]
Artikel 64 vervalt.
H.
[MvT]
Artikel 67 vervalt.
I.
[MvT]
Artikel 76 vervalt.
Art.
72. [Wijziging bijlage Bw m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
In de bijlage bij de Beroepswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet bij onderdeel C ingevoegd:
20b. Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
Art.
73. [Wijziging Amp-wet m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
De Algemene militaire
pensioenwet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van
deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT
+ bis]
Artikel A 6, eerste lid,
onderdeel a, komt te luiden:
a. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen en het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld
in artikel E 6, het
verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a en
artikel E 3, vierde lid en artikel E 4, tweede lid, alsmede de
herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel E 6b;.
B.
[MvT
+ bis]
Aan artikel D 1 wordt een
nieuw lid toegevoegd, luidende:
-8. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ook andere tijd
dan genoemd in de voorgaande leden geheel of gedeeltelijk wordt gelijkgesteld met voor pensioen geldige diensttijd.
C.
[MvT
+ bis]
In artikel E 2 vervalt
het tweede lid alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid.
D.
[MvT
+ bis]
Artikel E 2a wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid wordt
de zinsnede "en artikel E 2, eerste lid, onderdeel c," vervangen door: en
artikel E 2, onderdeel c,.
2. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: en
artikel E 6a.
3. In het tweede lid wordt
de zinsnede "en artikel E 2, eerste lid, onderdeel b;" vervangen door: en
artikel E 2, onderdeel b;.
4. Na het tweede lid wordt
een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-3. Voor de toepassing van
artikel E 3, vierde lid, artikel E 4, tweede lid, artikel E 6 en artikel E
6a
wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheid: de
mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen;
b.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, vermeerderd met
de vakantie-uitkering.
E.
[MvT
+ bis]
Aan artikel E 3 worden
twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-4. De reservist aan wie als
zodanig ontslag is verleend en die arbeidsongeschikt is, heeft met ingang van de
dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit
anderen hoofde ontstaat,
recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien en voor zolang hij
aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als
bedoeld in artikel E 11a.
-5. De reservist, bedoeld in
het vierde lid, heeft van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd
van 65 jaar is of, in geval van eerder overlijden, zou zijn bereikt, indien
voor hem op dat tijdstip ten minste vijf voor pensioen geldige dienstjaren
kunnen worden aangewezen, recht op een pensioen overeenkomstig het
bepaalde in artikel E 1, onderdeel a, artikel E 6, vierde lid, artikel F 3 en
artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
F.
[MvT
+ bis]
Artikel E 4 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van artikel
E 4 wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Na het eerste lid worden
twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-2. De dienstplichtige aan
wie als zodanig ontslag is verleend en die arbeidsongeschikt is, heeft
met ingang van de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken
is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat,
recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien en
voor zolang hij aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als
bedoeld in artikel E 11a.
-3. De dienstplichtige,
bedoeld in het tweede lid, heeft van de eerste dag van de maand waarin de
leeftijd van 65 jaar is of, in geval van eerder overlijden, zou zijn
bereikt, indien op dat tijdstip ten minste vijf voor pensioen geldige dienstjaren
kunnen worden aangewezen, recht op een pensioen overeenkomstig het
bepaalde in artikel E 1, onderdeel a, artikel E 6, vierde lid, en artikel F 7,
behoudens het zevende lid van dat artikel.
G.
[MvT]
In artikel E 5 wordt de
zinsnede "of artikel E 4" vervangen door: artikel E 4, eerste en tweede lid,.
H.
[MvT
+ bis]
Artikel E 6 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste tot en met
achtste lid worden vervangen door:
-1. De beroepsmilitair,
bedoeld in de artikelen E 1, onderdeel b en c, en E 2, onderdeel
c, die arbeidsongeschikt is, heeft, indien en voor zolang hij
aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien een arbeidsongeschiktheid is
vastgesteld:
a. van 80% of meer, recht op
een arbeidsongeschiktheidspensioen met met ingang van de dag waarop
het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan
wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat;
b. tussen 15 en 80%, recht
op een arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop de
aanspraak op een uitkering krachtens de Suppletieregeling
defensiepersoneel is beëindigd.
-2. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen van de gepensioneerde beroepsmilitair die de
leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en op wie het eerste lid niet van
toepassing is, is tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd
bereikt, het in artikel E 2a, eerste lid, bedoelde pensioen, met inachtneming
van het tweede lid van dat artikel.
-3. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen van degene op wie het eerste lid van toepassing is, is
het in artikel E 2a, eerste lid, bedoelde pensioen, met inachtneming van het
tweede lid van dat artikel, indien de som van die bedragen hoger is dan de
som van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het
arbeidsongeschiktheidspensioen.
2. Het negende tot en met
twaalfde lid worden vernummerd tot vierde tot en met zevende lid.
3. In het tot vierde lid
vernummerde negende lid wordt de zinsnede "of artikel E 2, eerste lid,
onderdeel c," vervangen door: of artikel E 2, onderdeel c,.
4. In het tot vijfde lid
vernummerde tiende lid wordt de zinsnede "of artikel E 2, eerste lid,
onderdeel c," vervangen door: of artikel E 2, onderdeel c,.
I.
[MvT
+ bis]
Na artikel E 6 worden
twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. E 6a.
[MvT]
In afwijking van artikel E
6, eerste lid, heeft de beroepsmilitair bij arbeidsongeschiktheid met
dienstverband als bedoeld in artikel E 11a recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag
waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel
de dag waarop het recht uit
anderen hoofde ontstaat, en heeft betrokkene daarnaast recht op een
verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, indien het totaal van de bedragen
van:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. het
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6;
c. een pensioen als bedoeld
in artikel E 2 of artikel E 3, eerste lid, dat op dezelfde dag is ingegaan als
het pensioen, bedoeld onder b;
d. in een voorkomend geval,
de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10; en
e. in een voorkomend geval,
de uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel;
lager is dan het percentage
van de pensioengrondslag, bedoeld in artikel F 6a, dan wel F 6c.
Art. E 6b.
[MvT]
-1. Recht op een
herplaatsingstoelage heeft de beroepsmilitair, bedoeld in artikel E 6, die:
a. wordt herplaatst in één
of meer andere dienstbetrekkingen; en
b. niet volledig
arbeidsongeschikt is; en
c. zijn resterende
verdiencapaciteit volledig benut.
-2. De herplaatsingstoelage
eindigt:
a. met het einde van de
maand waarin betrokkene is overleden; of
b. met ingang van de eerste
dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt; of
c. met ingang van de eerste
dag van de maand volgende op die waarin niet meer wordt voldaan aan
de in het eerste lid genoemde voorwaarden.
J.
[MvT
+ bis]
Artikel E 7 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De beroepsmilitair,
bedoeld in de artikelen E 1, onderdeel b en c, en E 2, onderdeel
c, alsmede de
reservist die recht heeft op een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste
lid,
onderdeel c, onder 1º, hebben bij invaliditeit met dienstverband als bedoeld in
artikel E 11, zonder dat voor hen uit hoofde van die invaliditeit recht
op een pensioen krachtens deze regeling of een vroegere militaire
pensioenwet bestaat ter zake van een eerder ontslag, recht op een
invaliditeitsverhoging. Met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
beroepsmilitair de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, heeft hij recht op een in de
vorige volzin bedoelde invaliditeitsverhoging naar de berekeningswijze,
bedoeld in artikel F 7, eerste lid, onderdeel b.
2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt de zinsnede
"en artikel E 4, onderdeel a," vervangen door: en
artikel E 4, eerste lid, onderdeel a,.
3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede
"en artikel E 4, onderdeel b," vervangen door: en
artikel E 4, eerste lid, onderdeel b.
4. Het derde en vierde lid
vervallen.
K.
[MvT]
Na artikel E 9 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. E 9a.
-1. De militair aan wie als
zodanig op of na 1 januari 1998 ontslag is verleend en die recht heeft
op een pensioen ter zake van een invaliditeit met dienstverband, heeft behalve op dat pensioen recht op een bijzondere
invaliditeitsverhoging,
indien de invaliditeit:
a. ten minste 60 doch minder
dan 80 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 60 voor
de toekomst niet aannemelijk wordt geacht;
b. ten minste 40 doch minder
dan 60 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 40 voor
de toekomst niet aannemelijk wordt geacht;
c. ten minste 20 doch minder
dan 40 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 20 voor
de toekomst niet aannemelijk wordt geacht.
-2. Het recht op een
bijzondere invaliditeitsverhoging als bedoeld in het eerste lid bestaat niet of
gaat verloren indien de militair recht heeft op een bijzondere
invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 8 dan wel
artikel E 9.
L.
[MvT
+ bis]
Artikel E 11 komt te
luiden:
Art. E 11.
-1. Voor de toepassing van
dit hoofdstuk wordt onder invaliditeit met dienstverband verstaan: een
invaliditeit van ten minste 10 percent tengevolge van:
a. verwonding, ziekten of gebreken welke zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire
dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare
omstandigheden;
b. ziekten of gebreken
welke het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan de
uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee
vergelijkbare omstandigheden verbonden, dan wel welke tot uiting zijn
gekomen onder overwegende invloed van die verrichtingen of
vermoeienissen; of
c. ziekten of gebreken
welke zijn ontstaan, tot uiting zijn gekomen of verergerd mede door
inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden waaraan de beroepsmilitair
in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van
buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest.
-2. Onder uitoefening van de
militaire dienst wordt verstaan:
a. de uitvoering van
expliciet of impliciet gegeven dienstopdrachten of dienstbevelen;
b. het verrichten van
handelingen of activiteiten in het kader van algemene of bijzondere
dienstverrichtingen; of
c. activiteiten die gezien
het daaraan verbonden dienstbelang als uitoefening van die dienst
aangemerkt kunnen worden.
-3. Onder buitengewone of
daarmee vergelijkbare omstandigheden wordt verstaan:
a. een uitzonderingstoestand
in de zin van artikel 103 van de Grondwet;
b. de deelname aan operaties
ter bevordering of handhaving van de internationale rechtsorde;
c. het onder
oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen
bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of
te onderhouden, voor zover
sprake is van een verhoogd risico;
d. de verlening van
bijstand, zoals onder meer bedoeld in artikel 71 Wetboek
van Militair Strafrecht, de artikelen 58, 59 of 60 van de Politiewet
1993 en artikel 146,
tweede
lid, van het Wetboek
van Strafvordering, voor zover sprake is van een verhoogd risico; of
e. afzonderlijk door Onze
Minister te bepalen gevallen die bijzonder van aard zijn en waarbij een
verhoogd risico aanwezig is;
één en ander doordat ten
aanzien van de onderdelen c en e de normaal gebruikelijke
veiligheidsmaatregelen ter bescherming van de gezondheid geheel of gedeeltelijk door
of namens de regionale bevelhebbers der Koninklijke Marine, de
commandant van het Korps Mariniers, de bevelhebber der Land- of der
Luchtstrijdkrachten, dan wel de commandant der Koninklijke marechaussee, buiten werking zijn gesteld.
-4. Voor elke verwonding,
ziekte of gebrek wordt afzonderlijk vastgesteld of sprake is van
invaliditeit met dienstverband.
-5. Indien voor een bepaalde
verwonding, ziekte of gebrek invaliditeit met dienstverband is
vastgesteld, betekent dit dat voor die aandoening, indien die aandoening leidt
tot arbeidsongeschiktheid en die arbeidsongeschiktheid in overwegende mate zijn
oorzaak vindt in de invaliditeit met dienstverband, eveneens sprake is van arbeidsongeschiktheid met
dienstverband als bedoeld in
artikel E 6a.
-6. De militair wordt geacht
de ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste lid, te hebben opgelopen
gedurende het tijdvak van de werkelijke dienst waarin de feiten of omstandigheden zich hebben
voorgedaan welke
aanleiding hebben gegeven
tot het aannemen van verband tussen de bij hem bestaande ziekten of
gebreken en de uitoefening van de militaire dienst.
-7. Onze Minister kan met
betrekking tot dit artikel nadere en, zo nodig, afwijkende regels stellen.
M.
[MvT
+ bis]
Na artikel E 11 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. E 11a.
-1. Voor de toepassing van
dit hoofdstuk wordt onder arbeidsongeschiktheid met dienstverband verstaan:
een arbeidsongeschiktheid tengevolge van ziekten of gebreken die in overwegende mate hun
oorzaak vinden in de aard
van de aan de militair opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
omstandigheden waaronder zij moesten worden verricht en niet aan
zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.
-2. Indien ingevolge het
eerste lid voor een bepaalde ziekte of gebrek arbeidsongeschiktheid met
dienstverband is aangenomen, dan geldt dit eveneens voor een
arbeidsongeschiktheid tengevolge van een andere ziekte of gebrek waarvoor
dat verband niet kan worden aangenomen.
-3. Onze
Minister kan met
betrekking tot dit artikel nadere en, zo nodig, afwijkende regelen stellen.
N.
[MvT
+ bis]
In artikel F 1, tweede
lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "ingevolge artikel F 6, vierde lid,
eerste volzin" vervangen door: ingevolge artikel F 6g, eerste lid.
O.
[MvT]
Artikel F 3 wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het vijfde lid wordt
de zinsnede "bedoeld in de artikelen E 1 en E 2, eerste lid, onderdeel
b of c,"
vervangen door: bedoeld in de artikelen E 1 en E 2, onderdeel b of
c.
2. Aan het elfde lid wordt
een nieuwe zin toegevoegd, luidende:
Genoemd zesde en achtste lid
vinden evenmin toepassing indien op grond van het bepaalde in
artikel F 7, tweede lid, onderdeel b, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt,
recht op
invaliditeitsverhoging dan wel invaliditeitspensioen bestaat.
P.
[MvT
+ bis]
Na artikel F 4 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 4a.
-1. Het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen voor de reservist en de dienstplichtige bedraagt
bij volledige arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 90,02% van de berekeningsgrondslag, overeenkomstig het bepaalde in
artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
-2. In afwijking van het
eerste lid bedraagt het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen
bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om
de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot het in het derde lid genoemde percentage van de berekeningsgrondslag,
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel F 7, behoudens het zevende lid
van dat artikel.
-3. Het in het tweede lid
bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 73,31%;
b. 55 tot 65%: 56,59%;
c. 45 tot 55%: 45,01%;
d. 35 tot 45%: 34,08%;
e. 25 tot 35%: 22,5%;
f. 15 tot 25%: 15%.
Q.
[MvT
+ bis]
De artikelen F 6 tot en
met F 6j worden vervangen door de artikelen F 6 tot en met F 6f,
luidende:
Art. F
6.
[MvT]
-1. Tenzij de toepassing van
artikel F 3 zou leiden tot een hoger pensioenbedrag, bedraagt het
arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige
arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan te vullen tot 70% van de pensioengrondslag.
-2. In afwijking van het
eerste lid bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen voor de daar bedoelde
beroepsmilitair:
a. na afloop van de in
artikel 21a van de WAO bedoelde periode, het bedrag dat nodig is om de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 65% van de
pensioengrondslag indien deze beroepsmilitair de keuze
heeft gemaakt om af te zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging
van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen in de periode, bedoeld in artikel
21b van de WAO; of
b. het bedrag dat nodig is
om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 75% van de
pensioengrondslag indien deze beroepsmilitair op het tijdstip van ingang
van het arbeidsongeschiktheidspensioen, anders dan in aansluiting op
een uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel, 55 jaar
of ouder is.
-3. In afwijking van het
eerste en het tweede lid en met inachtneming van het vierde en vijfde
lid bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid van de beroepsmilitair die in een
althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, waardoor hij geregeld
oppassing en verzorging nodig heeft, het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 100%
van de pensioengrondslag. Eén en ander voor zolang de hulpbehoevendheid duurt, doch uiterlijk tot de
eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van
65 jaar bereikt.
-4. Voor de toepassing van
het derde lid is de pensioengrondslag maximaal het bedrag van 261-maal het in het eerste lid van
artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
bedoelde maximumdagloon.
-5. Het derde lid is niet van
toepassing indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en
de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.
Art. F
6a.
[MvT]
Het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid bedraagt het bedrag dat
nodig is om de pensioenen en uitkeringen, bedoeld in
artikel E 6a, aan te vullen tot 90,02% van de pensioengrondslag.
Art. F
6b.
[MvT]
-1. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is het
bedrag dat nodig is
om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot:
a. het in het tweede lid
genoemde percentage van de pensioengrondslag; of
b. het in het derde lid
genoemde percentage van de pensioengrondslag, dat geldt na afloop van de in
artikel
21a van de
WAO bedoelde periode, indien de
beroepsmilitair de keuze heeft gemaakt om af te zien van de individuele
bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn
arbeidsongeschiktheidspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b
van de
WAO.
-2. Het in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
van:
a. 65 tot 80%: 50,75%;
b. 55 tot 65%: 42%;
c. 45 tot 55%: 35%;
d. 35 tot 45%: 28%;
e. 25 tot 35%: 21%;
f. 15 tot 25%: 14%.
-3. Het in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
van:
a. 65 tot 80%: 47,25%;
b. 55 tot 65%: 39%;
c. 45 tot 55%: 32,5%;
d. 35 tot 45%: 26%;
e. 25 tot 35%: 19,5%;
f. 15 tot 25%: 13%.
Art. F
6c.
[MvT]
-1. Het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
bedraagt het bedrag dat nodig is om de pensioenen en uitkeringen,
bedoeld in artikel E 6a, aan te vullen tot het in het tweede lid genoemde
percentage van de pensioengrondslag.
-2. Het in het eerste lid
bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 73,31%;
b. 55 tot 65%: 56,59%;
c. 45 tot 55%: 45,01%;
d. 35 tot 45%: 34,08%;
e. 25 tot 35%: 22,5%;
f. 15 tot 25%: 15%.
Art. F
6d.
[MvT]
Onze
Minister stelt nadere
regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de beroepsmilitair de in de artikelen F 6 en F
6b bedoelde
keuze, die eenmalig is,
kenbaar dient te maken.
Art. F
6e.
[MvT]
-1. Indien het
arbeidsongeschiktheidspensioen, het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen,
in voorkomend geval verhoogd met invaliditeitsverhoging en
vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering en met de daarvoor in
aanmerking komende inkomsten uit of in verband met arbeid en uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling,
per maand minder bedraagt
dan het minimumloon, wordt dat pensioen uiterlijk tot de eerste dag
van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, verhoogd
tot het bedrag van het minimumloon.
-2. De in het eerste lid
genoemde verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen enerzijds
het totaal van het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, in
voorkomend geval verhoogd
met de invaliditeitsverhoging, zonder de in het eerste lid genoemde
verhoging, en de arbeidsongeschiktheidsuitkering en anderzijds de
pensioengrondslag waarnaar het is berekend, en bedraagt tevens niet meer
dan 30% van het minimumloon.
-3. Het in het eerste lid
bedoelde arbeidsongeschiktheidspensioen, verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel de invaliditeitsverhoging
is het pensioen na toepassing van de artikelen F 6 tot en met F 6c, dan wel de
invaliditeitsverhoging na toepassing van artikel F 7.
-4. De voor de toepassing van
het eerste lid in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband
met arbeid zijn de inkomsten, bedoeld in artikel V 4.
-5. De voor de toepassing van
het eerste lid in aanmerking te nemen uitkering ingevolge een
ontslaguitkeringsregeling is de ontslaguitkering ter zake van hetzelfde ontslag als waaraan het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen
dan wel verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen wordt ontleend.
Art. F
6f.
[MvT]
-1. De herplaatsingstoelage,
bedoeld in artikel E 6b, bedraagt het nadelig verschil tussen enerzijds de
pensioengrondslag en anderzijds het totaal van de daarmee overeenkomende inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking,
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel het
verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen.
-2. Bij herplaatsing in een
dienstbetrekking op grond waarvan de gewezen beroepsmilitair
deelnemer is krachtens het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt bij de toepassing van het
eerste lid als inkomsten uit
de nieuwe dienstbetrekking aangemerkt het inkomen in de nieuwe
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3.1 van het vorengenoemde
pensioenreglement.
-3. Bij herplaatsing in een
dienstbetrekking op grond waarvan de gewezen beroepsmilitair geen
deelnemer is krachtens het in het tweede lid genoemde pensioenreglement, wordt bij de toepassing van het eerste
lid als inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking aangemerkt het inkomen dat wordt vastgesteld zoveel
mogelijk met overeenkomstige toepassing van artikel 3.1 van het
pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
-4. De loonsuppletie, bedoeld
in artikel 60 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt gerekend tot de in het
eerste lid bedoelde inkomsten uit de nieuwe
dienstbetrekking.
R.
[MvT]
Artikel F 6k wordt
gewijzigd als volgt:
1. Artikel F 6k wordt
vernummerd tot artikel F 6g.
2. In het eerste lid van het
tot artikel F 6g vernummerde artikel F 6k wordt de zinsnede
"bedoeld
in artikel E 6, negende lid," vervangen door "bedoeld in artikel E 6,
vierde lid," en vervalt de tweede volzin.
3. In het tweede lid van het
tot artikel F 6g vernummerde artikel F 6k wordt de zinsnede
"bedoeld
in artikel E 6, tweede lid" vervangen door: bedoeld in artikel E 6, eerste lid.
S.
[MvT]
Artikel F 6l wordt
gewijzigd als volgt:
1. Artikel F 6l wordt
vernummerd tot artikel F 6h.
2. In het tot artikel F 6h
vernummerde artikel F 6l wordt de zinsnede "de artikelen F 6 tot en met F
6k" vervangen door: de artikelen F6 tot en met F 6g.
T.
[MvT
+ bis]
Na artikel F 6h wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 6i.
Indien het niveau van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering een algemene neerwaartse wijziging
ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien in het sectoroverleg
Defensie
sociale partners anders
overeenkomen binnen zes
maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de
maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van het
arbeidsongeschiktheidspensioen en het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum
van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder
dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad.
U.
[MvT
+ bis]
Artikel F 7 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te
luiden:
-1. De
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 7, eerste lid, is gelijk aan het
bedrag
overeenkomende met zoveel percent van de berekeningsgrondslag als het voor de
gepensioneerde vastgestelde percentage van de invaliditeit met
dienstverband, bedoeld in artikel E 11, bedraagt, in voorkomend geval verminderd
met de som van de bedragen van:
a. indien het een
invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, eerste volzin, betreft:
1º. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
2º. het
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6, dan wel het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a;
3º. het pensioen, bedoeld
in artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º;
4º. in een voorkomend
geval, de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10; en
5º. in een voorkomend
geval, de uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel;
b. indien het een
invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, tweede volzin, betreft:
1º. het pensioen, bedoeld
in artikel E 6, tweede lid;
2º. het pensioen, bedoeld
in artikel E 6, vierde lid; en
3º. de in onderdeel a, onder 3º en 4º,
bedoelde bedragen.
2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het
invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 7, tweede lid, onderdeel b, gelijk aan
het bedrag
overeenkomende met zoveel percent van de berekeningsgrondslag als het voor hem vastgestelde percentage van de
invaliditeit met
dienstverband, bedoeld in artikel E 11, bedraagt, in voorkomend geval verminderd
met de som van de bedragen van:
1º. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; en
2º. het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 3, vierde lid, dan
wel
artikel E 4, tweede lid;
3º. het pensioen, bedoeld
in artikel E 3, vijfde lid, dan wel artikel E 4, derde lid.
3. In het derde lid
vervallen de tweede en derde volzin.
4. In het vijftiende lid
wordt de zinsnede "ingevolge de leden zestien tot en met negentien" vervangen
door: ingevolge het zestiende tot en met achttiende lid.
5. In het zestiende lid
wordt de zinsnede "artikel E 4, onderdeel b," vervangen door: artikel E 4,
eerste lid, onderdeel b.
6. In het achttiende lid
wordt "waarin artikel V 4 toepassing heeft gevonden" vervangen
door "waarin artikel V 4a toepassing heeft gevonden" en wordt "dat ingevolge artikel V 4 voor vermindering in
aanmerking komt" vervangen
door: dat ingevolge artikel V 4a voor vermindering in aanmerking
komt.
7. Het negentiende lid
vervalt.
8. Het twintigste lid wordt
vernummerd tot negentiende lid.
V.
[MvT]
Aan artikel F 8 wordt een
nieuw lid toegevoegd, luidende:
-3. Indien sprake is van een
ontslag dat is gelegen op of na 1 januari 1998, bedraagt de bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 8, 30 percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
W.
[MvT]
Artikel F 9a wordt
vervangen door:
Art. F 9a.
-1. De bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel
a, bedraagt 20
percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
-2. De bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel
b, bedraagt 10
percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
-3. De bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel
c, bedraagt 5
percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
X.
[MvT]
Artikel F 10b wordt
gewijzigd als volgt:
1. In het vijfde lid wordt
de zinsnede "als bedoeld in artikel E 6, negende lid," vervangen
door: als bedoeld in artikel E 6, vierde lid,.
2. In het zesde lid wordt de
zinsnede "als bedoeld in artikel E 6, negende lid," vervangen
door: als bedoeld in artikel E 6, vierde lid,.
Y.
[MvT]
In artikel F 11 wordt de
zinsnede "Het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, de
eventuele aanvulling, het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E
6,"
vervangen door: Het arbeidsongeschiktheidspensioen
en het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E 6, het
verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 3,
vierde lid, artikel E 4, tweede lid, en artikel E 6a,.
Z.
[MvT
+ bis]
Na artikel F 13 wordt een
nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 14.
Onze
Minister kan een
maatregel, dan wel een boete opgelegd ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op zoveel mogelijk
overeenkomstige wijze opleggen ten aanzien van een arbeidsongeschiktheidspensioen,
een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, in voorkomend geval verhoogd
met een invaliditeitsverhoging.
AA.
[MvT]
In artikel J 1, vierde
lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E
6," vervangen
door: arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in
artikel E 6, dan wel verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E
6a,.
BB.
[MvT]
Aan artikel K 2 wordt
een lid toegevoegd, luidende:
-3. Ten aanzien van de
beroepsmilitair, bedoeld in het eerste lid, voor wie de beslissing tot
handhaving in militaire dienst is genomen op of na 1 januari 1998 zijn de
artikelen E 9a, F 8, derde lid, en F 9a van overeenkomstige toepassing.
CC.
[MvT]
In artikel K 3, zesde
lid, wordt de zinsnede "de artikelen F 7a en F 9a" vervangen door: de
artikelen F 7a en F 6e.
DD.
[MvT]
Artikel R 2 wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door:
a. het ouderdomspensioen,
bedoeld in deze wet, en het pensioen van nagelaten betrekkingen,
bedoeld in artikel 28 van de Wet
privatisering ABP; alsmede.
2. In het derde lid wordt "overeenkomstig artikel F 6c, tweede
lid," vervangen door: overeenkomstig artikel F
6b, eerste lid, onderdeel b,.
EE.
[MvT]
In artikel S 2 wordt de
zinsnede "alsmede - behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel
F 6h, tweede lid - omtrent de toekenning, wijziging of intrekking van
het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6,"
vervangen door: alsmede omtrent de toekenning, wijziging of
intrekking van het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6, dan
wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a,.
FF.
[MvT]
In artikel T 5, eerste
lid, wordt de zinsnede "krachtens artikel E 2, eerste lid, onderdeel
c, of
krachtens artikel E 5, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als
bedoeld in artikel E 6," vervangen door: krachtens artikel E 2, onderdeel
c, of krachtens artikel E 5, een arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6,
dan wel een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen
als bedoeld in artikel E 6a,.
GG.
[MvT]
In artikel U 1, tweede
lid, wordt de zinsnede "krachtens artikel E 2, eerste lid, onderdeel
c,"
vervangen door: krachtens artikel E 2, onderdeel c,.
HH.
[MvT
+ bis]
Artikel U 3 komt te
luiden:
Art. U 3.
-1. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder pensioen verstaan:
a. het
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6;
b. het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a;
c. de invaliditeitsverhoging
en het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 7;
d. de bijzondere
invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 8 en E 9.
-2. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder toelage verstaan: de herplaatsingstoelage,
bedoeld in artikel E 6b.
-3. Onze
Minister beslist
over de toekenning van een pensioen of een toelage op schriftelijk
verzoek door of namens betrokkene. De bescheiden die Onze Minister nodig acht
voor de behandeling van de aanvraag dienen te worden overgelegd.
-4. Onze Minister is bevoegd
ambtshalve een pensioen of een toelage toe te kennen.
-5. Het pensioen of de
toelage gaat in op de dag waarop het recht daarop ontstaat, met dien
verstande dat het niet vroeger ingaat dan één jaar vóór de eerste dag van
de maand waarin het verzoek werd ingediend of waarin door Onze Minister
ambtshalve toekenning plaatsvond.
II.
[MvT
+ bis]
Artikel V 4 komt te
luiden:
Art. V 4.
-1. Indien de gewezen
militair die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidspensioen of een verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen inkomsten uit of in verband
met arbeid heeft, wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen
of het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen verminderd met het bedrag
waarmee de som van het arbeidsongeschiktheidspensioen,
het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de inkomsten uit of in
verband met arbeid het bedrag van de pensioengrondslag overschrijdt.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid langer
dan twee jaren vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid werden genoten en de omvang van de arbeid niet
is toegenomen.
-3. Indien ten aanzien van de
in het eerste lid bedoelde gewezen militair een invaliditeit met
dienstverband is vastgesteld, mag door toepassing van dat lid de pensioensom
niet dalen beneden een bedrag gelijk aan zoveel percent van de
berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging
is of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met dienstverband beloopt.
-4. Het eerste tot en met het
derde lid worden toegepast uiterlijk tot de eerste dag van de maand
waarin de gewezen militair de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-5. De gewezen militair voor
wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onderdeel b, of artikel E
2, onderdeel c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 4º, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen
krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid, bestaat, heeft
slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer
bedraagt dan eerder bedoeld pensioen.
-6. Onze
Minister kan met
betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid nadere en, zo nodig,
aanvullende of afwijkende regels stellen.
JJ.
[MvT
+ bis]
Artikel V 4a komt te
luiden:
Art. V 4a.
-1. Artikel V 4 is niet van
toepassing op de gepensioneerde militair die aanspraak heeft op:
a. een pensioen ter zake van
ziekte of gebreken krachtens een vroegere militaire pensioenwet;
b. een pensioen ingevolge
artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º, dan wel op een invaliditeitspensioen ingevolge artikel E 3, tweede lid, of artikel
E 4, eerste lid.
-2. Indien de gepensioneerde
militair, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, aanspraak
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt die
arbeidsongeschiktheidsuitkering
in mindering gebracht op het pensioen, de invaliditeitsverhoging of
het invaliditeitspensioen, bedoeld in het eerste lid. Bedoelde
vermindering blijft achterwege indien de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend
door duidelijk geheel andere
ziekten of gebreken is veroorzaakt dan die tot de aanspraak op dat
pensioen, die invaliditeitsverhoging of dat invaliditeitspensioen hebben
geleid.
-3. Bij een vermindering
ingevolge het tweede lid blijft van het pensioen, de invaliditeitsverhoging of
het invaliditeitspensioen waarop reeds aanspraak bestond onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de
arbeidsongeschiktheid,
bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, is ingetreden of naar het
oordeel van Onze
Minister in redelijkheid geacht kan worden te zijn
ingetreden, een bedrag buiten de vermindering gelijk aan zoveel percent van de
berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is of
zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met
dienstverband beloopt.
-4. Het tweede en het derde
lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien aanspraak bestaat op:
a. ziekengeld als bedoeld in
de Ziektewet;
b. een uitkering ter zake van
arbeidsongeschiktheid krachtens een wettelijke regeling van de
Nederlandse Antillen, Aruba of een vreemde mogendheid;
c. een door Onze Minister
aangewezen uitkering welke naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering als bedoeld in onderdeel a of b.
-5. Indien de gepensioneerde
militair, bedoeld in het eerste lid, inkomsten geniet uit of in
verband met arbeid, de daaraan verbonden werkzaamheden niet een
kennelijk tijdelijk karakter hebben en de som van het bedrag van het pensioen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de inkomsten omgerekend op
jaarbasis de grondslag waarnaar het pensioen is berekend,
overschrijdt, wordt het bedrag van die overschrijding voor zoveel
mogelijk in mindering gebracht op het pensioen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a. De eerste volzin lijdt uitzondering voor zover het
betreft inkomsten uit of in verband met arbeid verricht of
uitgeoefend gelijktijdig met de uitoefening van de betrekking uit hoofde
waarvan recht op pensioen is ontstaan, dan wel uit of in verband met de voor
die arbeid in de plaats gekomen werkzaamheden. Een uit hoofde van hetzelfde
ontslag naast het pensioen toegekend wachtgeld wordt voor de
toepassing van dit lid niet tot de inkomsten uit of in verband met arbeid
gerekend.
-6. Indien ten aanzien van de
in het eerste lid bedoelde gepensioneerde militair een invaliditeit
met dienstverband is vastgesteld, mag door toepassing van het vijfde
lid de pensioensom niet dalen beneden een bedrag gelijk aan zoveel
percent van de berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is
of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met
dienstverband beloopt.
-7. Het eerste tot en met het
zesde lid worden toegepast uiterlijk tot de eerste dag van de maand
waarin de gewezen militair de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-8. De ontslagen militair
voor wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onderdeel b, of artikel E
2, onderdeel c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1,
eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 4º, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen
krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid, bestaat, heeft
slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer
bedraagt dan eerder bedoeld pensioen.
-9. Bij de toepassing van dit
artikel dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met het
overgangsrecht behorende bij artikel V 4, zoals dat gold op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van
fase 1 van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 50 van
die wet.
-10. Onze Minister kan met
betrekking tot het eerste tot en met het negende lid nadere en, zo
nodig, aanvullende of afwijkende regels stellen.
KK.
[MvT]
In artikel X 4 wordt de
zinsnede "een pensioen, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6 eventueel
verhoogd met een aanvulling
als bedoeld in het zesde lid van dat artikel of een hoger zodanig pensioen
of aanvulling" vervangen door: een arbeidsongeschiktheidspensioen
als bedoeld in artikel E 6 of een verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6a.
LL.
[MvT]
In artikel Y 17, eerste
lid, wordt artikel "V 4" vervangen door: V 4a.
MM.
[MvT]
In artikel Y 22, vijfde
lid, wordt de zinsnede "artikel F 6k, tweede lid," vervangen door: artikel F
6g, tweede lid,.
NN.
[MvT]
In artikel Z 9 wordt de
zinsnede "de artikelen D 5, zesde lid, en E 2, eerste lid, onderdeel
c, en F
6a, eerste lid" vervangen door: de artikelen D 5, zesde lid, E 2,
onderdeel c, F 6, tweede lid, en F 6b, tweede lid.
Art. 74. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2002, 69]
Art.
75. [Wijziging Zfw m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
In artikel 3, vijfde lid,
van de Ziekenfondswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet de zinsnede "een arbeidsverhouding als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a en b, van artikel 6 van de Ziektewet" vervangen door:
een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a,
van de Ziektewet dan wel artikel 8b
van die
wet.
Art.
76. [Wijziging Zfw m.i.v. fase 2]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb. 1999, 185]
De Ziekenfondswet wordt met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als
volgt gewijzigd:
A.
In artikel 3, vierde lid,
onderdeel a,
a. tweede gedachtestreepje,
wordt aan het slot toegevoegd: niet zijnde de uitkering van een
overheidswerknemer in de zin van artikel 1,
onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of
van een gewezen overheidswerknemer, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
b. vierde gedachtestreepje,
wordt achter de zinsnede "hoofdstuk IV van
die wet" toegevoegd:
,
niet zijnde de uitkering van een overheidswerknemer in de zin van artikel
1,
onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen of van een gewezen overheidswerknemer.
B.
Aan het slot van artikel 3 wordt een nieuw lid
toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken,
categorieën van personen behorende tot de in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde personen aanwijzen die, indien zij de wens daartoe te kennen
geven, niet verzekerd zijn ingevolge deze wet. Onze Minister kan regels
stellen met betrekking tot de eerste volzin.
Art.
77. [Intrekking Wet Stichting USZO m.i.v.
fase 1] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet
wordt de Wet
Stichting USZO ingetrokken.
Art.
78. [Wijziging WOR] [Geschiedenis:
versie 24 december 1997]
Aan artikel 46d, onderdeel g, van de
Wet op de
ondernemingsraden wordt na de laatste
volzin
een volzin toegevoegd, luidende: De heffing wordt met
toepassing van artikel 90, vijfde en zesde lid, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen geïnd door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997.
HOOFDSTUK
4
Overige en
slotbepalingen
Art.
79. [Statistische informatie] [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
1997, 768; Stb.
2000, 561]
-1. Op verzoek van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt een
organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter zake van
ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen
overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle statistische
informatie die zij wenselijk acht in verband met zijn bestuurlijke
verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid.
-2. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen omtrent de
verstrekking van de statistische informatie, bedoeld in het eerste
lid.
Art. 80. [Gebruik BSN]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
1997, 768; Stb. 2000, 571;
Stb. 2009, 108]
-1.
Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaal nummer kan in een persoonsregistratie worden
opgenomen en bij het verstrekken van gegevens daaruit worden
gebruikt door een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen
ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers
of gewezen overheidswerknemers uitvoert.
-2. De organisatie die één of meer
uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid
van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert,
gebruikt het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
het sociaal-fiscaal nummer slechts:
a. in het verkeer met de
persoon op wie het nummer betrekking heeft;
b. in contacten met de
personen en instanties, voor zover deze zelf gemachtigd zijn
tot het opnemen van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer in een
persoonsregistratie.
-3. Ten behoeve van wetenschappelijk
onderzoek of statistiek, dan wel op grond van een dwingende en
gewichtige reden, kan desgevraagd een burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, een sociaal-fiscaal nummer aan
een derde worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer
van de geregistreerde daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Art. 81. [Bevoegdheden
ARK]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
1997, 768; Stb. 2002, 413]
De Algemene Rekenkamer heeft met betrekking tot de
uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag en werkloosheid
ten aanzien van een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen
ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers
of gewezen overheidswerknemers uitvoert, de in artikel
91 van de Comptabiliteitswet
2001 vermelde bevoegdheden.
Art. 82. [Gegevensverstrekking
door UWV]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
1997, 768; Stb.
2001, 625]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt op
verzoek aan een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter
zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of
gewezen overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle gegevens en
inlichtingen die de betreffende organisatie nodig acht voor de
uitvoering van de desbetreffende uitkeringsregeling.
Art. 83. [Verval
artikelen | Verlengde werkingsduur ZW- en WW-bepalingen | Omhanging
Faseringsbesluit] [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb. 2011, 4]
-1. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet,
bedoeld in artikel 54, komen de artikelen
79, 80, 81 en 82 te vervallen.
-2. Met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet kan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden bepaald dat tot
een daarin te bepalen tijdstip:
a. niet als dienstbetrekking
in de zin van de WW
of de ZW
wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van
deze wet; of
b. artikel 8a van de ZW
niet van toepassing is op degene die
uitsluitend uit hoofde van één of meer arbeidsverhoudingen als
overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde van één of
meer voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen
overheidswerknemer, een uitkering ontvangt op grond van de
verplichte verzekering op grond van de WAO.
-3. Het in het tweede lid bedoelde
tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in
onderdeel a van dat lid, alsmede voor groepen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op
een uitkering op grond van de WAO als bedoeld in
onderdeel b van dat lid, verschillend worden vastgesteld.
-4. Bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, kunnen nadere regels worden gesteld.
-5. Met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet berust het Faseringsbesluit
overheidswerknemers onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet
op het tweede tot en met vierde lid van dit artikel.
Art. 84. [Statistische
informatie]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561]
-1. Op verzoek van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt een
organisatie die één of meer bovenwettelijke regelingen ter zake
van ziekte, arbeidsongeschiktheid, ontslag of werkloosheid van
overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert,
kosteloos alle statistische informatie die zij wenselijk acht in
verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het
overheidspersoneelsbeleid.
-2. Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen omtrent de
verstrekking van de statistische informatie, bedoeld in het eerste
lid.
Art.
85. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb. 2001, 628]
Art. 86. [Geen
UWV-onderzoek tot van toepassing worden ZW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2001, 625; Stb. 2008, 600]
Artikel
32, eerste en tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen is niet van toepassing op
een overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, of een
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, tot het
tijdstip waarop ingevolge deze wet de ZW op hem van toepassing wordt.
Art. 87. [Uitvoering
OOW door Lisv/UWV m.i.v. fase 1]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Onverminderd artikel
38, eerste lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997
heeft het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, van die wet, met ingang van het tijdstip
van aanvang van fase 1 van deze wet tot taak uitvoering te geven
aan de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. Onverminderd artikel
30, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen treedt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van die wet, met ingang van het tijdstip van
inwerkingtreding van die
wet voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 88. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb. 2001,
625]
Art. 89. [Premie t.g.v.
Aof tot aanvang fase 2]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997]
-1. Met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet tot en met de dag voorafgaande aan
het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in
artikel 53, komt de premie op grond van de WW,
bedoeld in de artikelen 85, derde lid, en
86
van de WW, over de uitkering op grond van de WAO
van een
overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, of een
gewezen overheidswerknemer, in afwijking van artikel
92, onderdeel a en b, van de WW, niet ten
gunste van het wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van die
wet,
of het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103 van die
wet, maar van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
72 van de WAO. De
eerste volzin is slechts van toepassing indien de werkzaamheden
met betrekking tot de in die volzin bedoelde uitkering worden
verricht door een rechtspersoon die de in artikel
41, eerste lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997
bedoelde werkzaamheden uitsluitend verricht voor één of meer
sectoren of sectoronderdelen waarbij geen andere dan
overheidswerkgevers als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, zijn
aangesloten.
-2. Ingeval het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk
4 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, of een
uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel
41, derde lid, van
die wet de aan een overheidswerknemer als bedoeld in artikel
1,
onderdeel l, toegekende uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 10, eerste of tweede lid, van die wet, aan een overheidswerkgever
als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, betaalt met het oogmerk die
uitkering door diens tussenkomst te doen uitbetalen:
a. wordt, in afwijking van artikel
10, derde lid, van de WAO, voor zover dat lid
betrekking heeft op de premie op grond van de artikelen
85, derde lid, en 86
van de WW, de bedoelde uitkering niet
vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde
premie op grond van de WW
en wordt die uitkering verminderd met het door de
overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer verschuldigde
deel van de premie op grond van die wet;
b. treedt, in afwijking van artikel
10, derde lid, van de WAO, voor zover dat lid
betrekking heeft op de premie op grond van de artikelen
85, derde lid, en 86
van de WW, de overheidswerkgever niet in de
plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de
uitvoeringsinstelling;
c. wordt, zo nodig in
afwijking van artikel
28 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP,
voor de inhouding inzake werkloosheid, bedoeld in artikel
31 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP,
onder loon verstaan de op de WAO-uitkering aanvullende
bezoldiging.
-3. Het eerste en het tweede lid
gelden uitsluitend voor uitkeringen op grond van de WAO die betrekking hebben
op de periode tot aan het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze
wet, bedoeld in artikel 53.
Art. 90. [Vermindering/vermeerdering
werkgeverspremie tot aanvang fase 2]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 376; Stb. 2000, 490;
Stb.
2000, 561; Stb. 2001,
625]
-1. Het bedrag dat de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet
betalen aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
verband met de door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel
76a van de WAO, wordt
verminderd met het door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen overeenkomstig het tweede lid vastgestelde, ten
laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
72 van de WAO, komende bedrag dat bedoeld is om de over uitkeringen op grond van de WAO
van
overheidswerknemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en
gewezen overheidswerknemers verschuldigde premies op grond van de WW
ten gunste te laten komen van de overheidswerkgevers. De in de
eerste volzin bedoelde vermindering vindt plaats zo spoedig
mogelijk na het in het tweede lid bedoelde, betreffende
kalenderjaar.
-2. Het in het eerste lid bedoelde
te verminderen bedrag wordt berekend door de uitkomst van een
breuk waarvan:
a. de teller wordt gevormd
door het totaal van de over een kalenderjaar ontvangen premies
op grond van de artikelen 85, derde lid, en
86
van de WW
over het totaal van de in het
betreffende kalenderjaar uitbetaalde uitkeringen op grond van
de WAO van
overheidswerknemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en
gewezen overheidswerknemers, vermeerderd met de over dat
bedrag ontvangen rente en onder aftrek van:
1º. een bij regeling van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, in
overeenstemming met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vastgesteld bedrag dat volgens een bij
die ministeriële regeling te bepalen verdeling wordt
afgedragen aan de wachtgeldfondsen, bedoeld in artikel
102 van de WW, of het Algemeen
werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel
103 van de WW; en
2º. de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde
uitvoeringskosten van de toepassing van artikel 89 en het
eerste lid; en
b. de noemer wordt gevormd
door de som van de voor het totaal van de overheidswerkgevers
vastgestelde premieloon voor de heffing van de in het eerste
lid bedoelde premie in het betreffende kalenderjaar gedeeld
door het premieloon voor de heffing van de in het eerste lid
bedoelde premie van de betreffende overheidswerkgever in dat
kalenderjaar.
-3. Het bedrag dat de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet
betalen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
verband met de door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel
76a van de WAO, wordt
verminderd met het door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen overeenkomstig het vierde lid
vastgestelde, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
bedoeld in artikel
72 van de WAO, komende bedrag dat bedoeld is om het na de in artikel 44, negende lid,
bedoelde liquidatie van het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel resterende
vermogen van dat fonds ten gunste te laten komen van de
overheidswerkgevers.
-4. Het in het derde lid bedoelde
te verminderen bedrag wordt volgens bij of krachtens de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 44, negende lid, te
stellen regels vastgesteld. De in het derde lid bedoelde
vermindering vindt niet eerder plaats dan nadat de in artikel
44,
negende lid, bedoelde liquidatie van het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel is afgerond
en vindt, zoveel mogelijk, plaats in de maand na de maand waarin
de bedoelde liquidatie is afgerond.
-5. Het bedrag dat de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet
betalen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
verband met de door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel
76a van de WAO, wordt
vermeerderd met het door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen overeenkomstig het zesde lid vastgestelde
bedrag.
-6. Het in het vijfde lid bedoelde te vermeerderen bedrag is het door de
overheidswerkgever verschuldigde door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vastgestelde bedrag van de heffing, bedoeld in artikel
46a van de Wet
op de ondernemingsraden.
-7. De in het eerste en derde lid
bedoelde vermindering en de in het vijfde lid bedoelde
vermeerdering vervallen met ingang van het tijdstip van aanvang
van fase 2 van deze wet, bedoeld in artikel 53.
-8. Bij algemene maatregel van
bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden bepaald dat het totaal
van de in een kalenderjaar verschuldigde premie, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, dat na aftrek van de in het tweede lid,
onderdeel a, onder 1º en 2º, bedoelde bedragen resteert, in
afwijking van het eerste lid geheel of gedeeltelijk kan worden
gebruikt voor de bekostiging van uitgaven in verband met het onder
de werkingssfeer van de WW
en de ZW
brengen van het overheidspersoneel. In deze algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat bij regeling van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels kunnen
worden gesteld met betrekking tot de in de eerste volzin bedoelde
bekostiging. [BbiWZo]
Art. 90a. [OOW-uitgaven
na aanvang fase 2 t.l.v. Ufo]
[Geschiedenis:
Stb.
2000, 561]
Betalingen die na het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in
artikel 53, worden gedaan als uitgave in verband met het onder de
werkingssfeer van de WW
en de ZW brengen van het overheidspersoneel, komen ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel
104 van de WW.
Art. 91. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
2000, 561; Stb. 2001,
625]
Art.
92. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 24 december 1997; Stb.
1997, 768; Stb.
2000, 561; Stb. 2001,
625]
Art. 93. [Citeertitel]
[Geschiedenis:
versie 24 december 1997]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen.
Art. 94. [Inwerkingtreding]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 december 1997]
-1. Deze wet treedt in werking met
ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Bij koninklijk besluit wordt
bepaald met ingang van welk tijdstip de fase 1 van deze wet, de
fase 2 van deze wet en de fase 3 van deze wet aanvangen.¹
-3. Het in het eerste en tweede lid
bedoelde tijdstip kan voor de verschillende artikelen, onderdelen
of subonderdelen daarvan alsmede voor groepen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers verschillend
worden vastgesteld.
-4. In afwijking van het eerste en tweede lid treden de
artikelen 35
tot en met 42 in werking met ingang van 1 oktober 1997. Indien het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30
september 1997, treden de in de eerste volzin genoemde artikelen in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werken zij terug tot
en met 1 oktober 1997.
1. Bij Besluit van 24
december 1997, Stb. 1997, 769, is het tijdstip van
inwerkingtreding alsmede het tijdstip van aanvang van fase 1 bepaald op
1 januari 1998; bij Besluit van 17 juli 1999, Stb.
1999, 354, is het tijdstip van aanvang van fase 2 en 3 bepaald op 1
januari 2001; bij Besluit van 6 juni 2000, Stb.
2000, 255, is het Besluit van 17 juli 1999 gewijzigd en is het
tijdstip van inwerkingtreding van fase 3 bepaald op 1 januari 2003; bij Besluit
van 13 juni 2002, Stb. 2002, 343, is het Besluit van 17 juli
1999 nogmaals gewijzigd en is fase 3 afgesteld.
Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan
de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Het Oude Loo, 24 december
1997
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de dertigste
december 1997
De Minister van
Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|