St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

WET  OVERHEIDSPERSONEEL  ONDER  DE  WERKNEMERSVERZEKERINGEN  (OOW)
x
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

 

 

 
MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Besluit bekostiging invoering Werkloosheidswet en Ziektewet voor overheidspersoneel
- Besluit liquidatie FAOP
- Regeling bestemming eindvermogen FAOP
- Regeling toekenningsprocedure WAO bij twee of meer arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tijdens fase 1 OOW (vervallen)

Vervallen nadere regelgeving:
- Besluit buiten toepassing laten artikel 40, tweede lid, OOW voor werkgeversbetalingen in de sector Onderwijs en Wetenschappen (vervallen)
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling OOW (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Werkloosheidswet
- Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Ziektewet

 

 

Inhoudsopgave OOW

Hoofdstuk 1 Overgang naar de werknemersverzekeringen artt. 1 - 46
§ 1x Begripsomschrijvingen art. 1
§ 2x Ziekte artt. 2 - 10
§ 3x Arbeidsongeschiktheid artt. 11 - 29
Afdeling 1x Overheidswerknemers uitgezonderd beroepsmilitairen artt. 11 - 20
Afdeling 2x Beroepsmilitairen artt. 21 - 28
Afdeling 3x Risicowering arbeidsongeschiktheid art. 29
§ 4x Werkloosheid artt. 30 - 34
§ 5x De uitvoering artt. 35 - 42
§ 6x Overige bepalingen artt. 43 - 46
Hoofdstuk 2 Wijziging van wetten op het terrein van de sociale zekerheid alsmede van de Wet arbeid gehandicapte werknemers en de Wet voorzieningen gehandicapten artt. 47 - 67b
Hoofdstuk 3 Wijziging van andere wetten artt. 68 - 78
Hoofdstuk 4 Overige en slotbepalingen artt. 79 - 94
xxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxx|

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 282.
Handelingen II 1997-1998, blz. 1664-1665.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 282 (114, 114a, 114b en 114c).
Handelingen I 1997-1998, zie vergaderingen d.d. 22 en 23 december 1997.

Geschiedenis:
Staatsblad 1997, 768Staatsblad 1998, 741Staatsblad 1998, 742Staatsblad 1999, 185Staatsblad 2000, 376Staatsblad 2000, 490Staatsblad 2000, 561Staatsblad 2000, 571Staatsblad 2001, 625Staatsblad 2001, 628Staatsblad 2002, 69Staatsblad 2002, 413Staatsblad 2003, 544Staatsblad 2004, 311
Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 710Staatsblad 2005, 708Staatsblad 2006, 303Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2009, 108Staatsblad 2011, 4.

 

 

WET van 24 december 1997, Stb. 1997, 768, houdende het onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel (Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen). Inwerkingtreding OOW en fase 1: 1 januari 1998 (Stb. 1997, 769), zie artikel 94. Inwerkingtreding fase 2: 1 januari 2001 (Stb. 1999, 354); fase 3 is afgesteld (Stb. 2000, 255 en Stb. 2002, 343).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen te brengen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Overgang naar de werknemersverzekeringen

 

§ 1.  Begripsomschrijvingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2001, 625Stb. 2002, 69]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. AMAR: het Algemeen militair ambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
b. militaire pensioenbepalingen: bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
c. ARAR: het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop deze wet van toepassing wordt;
d. beroepsmilitair: de beroepsmilitair in de zin van de Amp-wet ¹;
e. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte: bezoldiging in geval van ziekte tijdens het dienstverband als bedoeld in artikel 39 van het ARAR of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, alsmede bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beëindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 42 van het ARAR of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling, anders dan een WAO-conforme uitkering;
f. deeltijdfactor: de breuk waarvan de noemer wordt gevormd door het bedrag van het salaris dat in het toepasselijke systeem zou gelden bij volledige werktijd, zo nodig vastgesteld op grond van functiewaardering, en de teller door het bedrag van het feitelijk genoten salaris;
g. dienstverband: het dienstverband van de overheidswerknemer die door een overheidswerkgever is aangesteld of in dienst is genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht;
h. FAOP: het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21 van de Wet FVP/ABP;
i. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
j. vervallen;
k. overheidswerkgever:
1º. het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dan wel het privaatrechtelijk lichaam dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont; en
2º. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de WPA uitgezonderde personen;
l. overheidswerknemer:
1º. de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA, jonger dan 65 jaar; en
2º. de beroepsmilitair; en
3º. degene die door de Koning in dienst is genomen om bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau valt, jonger dan 65 jaar;
m. pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid: een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid ingevolge de militaire pensioenbepalingen, in voorkomende gevallen verhoogd met een ingevolge die bepalingen toegekende invaliditeitsverhoging;
n. pensioengrondslag: de op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet geldende pensioengrondslag waarnaar het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid dan wel de invaliditeitsverhoging is berekend;
o. Wet TBA: de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen;
p. uitkering overeenkomstig de normen van de WAO: een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO als bedoeld in artikel 121 van het AMAR;
q. uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid: een WAO-conforme uitkering, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO of een uitkering op grond van de WAO;
r. wachtgeld: een wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop de WW ingevolge deze wet op de betreffende overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer van toepassing wordt, of een soortgelijke uitkering van een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede een wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering in de zin van de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden;
s. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
t. WAO-conforme uitkering: de met overeenkomstige toepassing van de WAO toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WPA;
u. Wet FVP/ABP: de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP ¹;
v. WPA: de Wet privatisering ABP, zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
w. WW: de Werkloosheidswet;
x. ZW: de Ziektewet.
 
1. Amp-wet: Algemene militaire pensioenwet, red.
2. ABP: Algemeen burgerlijk pensioenfonds, red.
 
 

 

§ 2.  Ziekte

 

Art. 2. [Vantoepassingverklaring ZW op gewezen overheidswerknemer]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. De ZW wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, van toepassing op de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan dat tijdstip geen wachtgeld geniet en evenmin bezoldiging of uitkering in geval van ziekte ontvangt, maar die op dat tijdstip uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als overheidswerknemer recht zou krijgen op een uitkering op grond van de WW en die niet op de dag voorafgaande aan dat tijdstip maar wel op dat tijdstip ongeschikt tot werken is wegens ziekte.
-2. De ZW wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, van toepassing op de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, recht heeft op:
a. een wachtgeld waarvan de uitkeringsduur niet op het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, verstrijkt en die op dat tijdstip ongeschikt is tot werken wegens ziekte;
b. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet op het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, verstrijkt en die op dat tijdstip ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
-3. De ZW wordt met ingang van de datum van eindiging van het dienstverband van toepassing op de gewezen overheidswerknemer:
a. die op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, bezoldiging of uitkering in geval van ziekte ontvangt;
b. wiens dienstverband eindigt op of na dat tijdstip doch vóór het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49; en
c. die op het moment van die eindiging ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
-4. De ZW wordt met ingang van de datum van het intreden van de ongeschiktheid tot werken, doch niet eerder dan met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, van toepassing op:
a. de gewezen overheidswerknemer wiens dienstverband is geëindigd in de maand voorafgaande aan genoemd tijdstip en die op de dag voorafgaande aan genoemde datum geen recht heeft op wachtgeld of op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte uit hoofde van dat dienstverband;
b. de gewezen overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld wegens het verstrijken van de ter zake geldende uitkeringsduur is geëindigd in de maand voorafgaande aan genoemd tijdstip;
c. de gewezen overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld wegens het verstrijken van de ter zake geldende uitkeringsduur is geëindigd op of na het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48, doch vóór het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49;
indien de ongeschiktheid is ontstaan binnen één maand na de bedoelde eindiging.
 
 
 
Art. 3. [Kring verplicht verzekerden ZW] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de ZW, worden de volgende personen, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot de datum waarop de ZW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hen van toepassing wordt, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW:
a. de overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b of c;
b. de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan de vorenbedoelde datum uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht hebben op:
1º. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
2º. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van die datum indien deze wet niet in werking zou zijn getreden; of
3º. een wachtgeld waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op die datum;
c. de overheidswerknemers wier dienstverband eindigt met ingang van de vorenbedoelde datum en die op grond daarvan met ingang van die datum een recht verkrijgen op een wachtgeld dan wel een uitkering op grond van de WW.
-2. Voor de vaststelling van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering, wordt de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel a, vanaf de dag van aanvang van zijn dienstverband tot de datum waarop het dienstverband is geëindigd, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW.
-3. Voor de vaststelling van het recht op ziekengeld op grond van de ZW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering, wordt de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b en c, vanaf de dag van aanvang van zijn dienstverband tot de datum waarop het recht op wachtgeld is geëindigd, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de ZW.
-4. Aan het eerste tot en met derde lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn vóór de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt.
 
 
 
Art. 4. [Recht op ZW-uitkering] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Indien hij op die datum nog niet 52 weken ongeschikt is tot werken wegens ziekte, heeft recht op ziekengeld op grond van de ZW:
a. met ingang van de datum waarop de ZW op hem van toepassing wordt, de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid;
b. met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49, de overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte:
1º. in verband met of in aansluiting op zwangerschaps- of bevallingsverlof;
2º. op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in verband met orgaandonatie;
3º. die in een situatie verkeert overeenkomstig artikel 29b, eerste lid, van de ZW.
-2. Een op grond van het eerste lid toegekend recht op ziekengeld op grond van de ZW wordt toegekend voor de duur van 52 weken van ongeschiktheid tot werken, verminderd met de periode beginnende met de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte tot en met de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer. Voor zover er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29a, vijfde lid, van de ZW, geldt in afwijking van de eerste volzin de termijn van zestien weken, bedoeld in dat vijfde lid.
-3. Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52 onderscheidenlijk zestien weken worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Voor het bepalen van de in het eerste en het tweede lid bedoelde periode van 52 onderscheidenlijk zestien weken worden steeds perioden in aanmerking genomen, gedurende welke aanspraak bestaat op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte.
 
 
 
Art. 5.
[Hoogte ZW-uitkering; dagloon] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2004, 311Stb. 2005, 708]
-1. Voor de vaststelling van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geldt als dagloon in de zin van die wet de door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide bezoldiging overeenkomstig het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, al dan niet onder toepassing van artikel 47, eerste lid, van het ARAR of daarmee vergelijkbare regelingen, zoals dit besluit luidde respectievelijk deze regelingen luidden op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokken overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer, waarnaar de bezoldiging of uitkering in geval van ziekte van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer wordt berekend op die dag, vermeerderd met de vakantie-uitkering of eindejaarsuitkering voor zover betrokkene geen recht heeft op onverminderde opbouw of doorbetaling van die uitkering.
-2. Voor de vaststelling van de hoogte van het ziekengeld op grond van de ZW voor de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt als dagloon in de zin van de ZW het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
-3. Indien het recht op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het eerste en tweede lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig deze leden wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
-4. Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
 
 
 
Art. 6.
Vervallen
[GeschiedenisMvT + bisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
 
 
 
Art. 7. Vervallen
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
 
 
 
Art. 8. Vervallen
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
 
 
 
Art. 9. Vervallen
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
 
 
 
Art. 10. [Geen weigering ZW-uitkering bij ziekte ingetreden vóór aanvang verzekering] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2011, 4]
-1. Artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de ZW is niet van toepassing op de overheidswerknemer en de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in de artikelen 2 en 3, eerste lid, die op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hem van toepassing wordt, ongeschikt is tot werken wegens ziekte.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een bepaling, overeenkomend met artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de ZW, reeds van toepassing was op de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer op de dag voorafgaande aan de datum waarop de ZW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8b van de ZW, op hem van toepassing wordt.
-3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
 
 
 
 
 

§ 3.  Arbeidsongeschiktheid

 

Afdeling 1.  Overheidswerknemers uitgezonderd beroepsmilitairen

 

Art. 11. [Vantoepassingverklaring afdeling op (gewezen) overheidswerknemers]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Deze afdeling is van toepassing op overheidswerknemers en de in deze afdeling bedoelde gewezen overheidswerknemers, uitgezonderd beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen.

 
 
 
Art. 12.
[Kring verplicht verzekerden WAO]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO, worden, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de WAO:
a. overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c of e;
b. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip recht hebben op een WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
c. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers aan wie op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip bij wijze van voorschot een WAO-conforme uitkering wordt betaald en die op of na dat tijdstip met terugwerkende kracht tot en met de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht verkrijgen op een WAO-conforme uitkering die zou hebben doorgelopen op of opnieuw zou zijn ingegaan met ingang van dat tijdstip indien deze wet niet in werking zou zijn getreden;
d. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht hebben op een wachtgeld;
e. overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer geen wachtgeld genieten;
f. gewezen overheidswerknemers die niet op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, maar wel op de dag voorafgaande aan dat tijdstip, een dienstverband hebben; en
g. de gewezen overheidswerknemers, voor zover niet bedoeld in onderdeel b, c, d, e of f, die recht zouden hebben op ziekengeld op grond van de ZW door de inwerkingtreding van artikel 4 van deze wet indien dat artikel reeds van toepassing zou zijn vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Aan het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
 
 
 
Art. 13.
[Recht op (voorlopige) WAO-uitkering; aanvang uitkeringsrecht] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. De overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO.
-2. De overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, hebben vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WAO indien aan hen op of na dat tijdstip met terugwerkende kracht tot en met de dag voorafgaande aan dat tijdstip een recht op een WAO-conforme uitkering wordt toegekend. Totdat de laatstbedoelde toekenning heeft plaatsgevonden, wordt aan hen een voorlopige uitkering op grond van de WAO betaald. Indien bij de vaststelling van het recht op een WAO-uitkering blijkt dat deze voorlopige uitkering ten onrechte is uitbetaald of op een te hoog bedrag was vastgesteld, wordt het te veel betaalde niet teruggevorderd.
-3. Voor de toepassing van de artikelen 21a, 21b, 34 juncto 36 en 61 van de WAO en de artikelen 29 en 29b van de ZW wordt de datum waarop de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, bedoelde WAO-conforme uitkering ingevolge artikel 37, negende lid, 39, zevende lid, 40, 41, 42, zesde lid, of 43, zesde lid, van de WPA is ingegaan, aangemerkt als de datum waarop het in het eerste of het tweede lid bedoelde recht op een uitkering op grond van de WAO is ingegaan.
 
 
 
Art. 14.
[Hoogte WAO-uitkering; (vervolg)dagloon] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2004, 311Stb. 2005, 708Stb. 2011, 4]
-1. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als dagloon in de zin van die wet het dagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, geldt als vervolgdagloon in de zin van die wet het vervolgdagloon waarnaar de WAO-conforme uitkering van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-3. Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
-4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het derde lid.
 
 
 
Art. 15.
[ZW-/WW-dagloon geldend als WAO-dagloon] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de in artikel 4, eerste lid, bedoelde overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers geldt als dagloon in de zin van die wet het met toepassing van artikel 5, eerste en tweede lid, vastgestelde dagloon.
-2. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
 
 
 
Art. 16.
[Mate arbeidsongeschiktheid] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer is de door het FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten aanzien van betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO-conforme uitkering, zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, bepalend.
 
 
 
Art. 17.
[Hoogte voorlopige WAO-uitkering; (vervolg)dagloon] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. Voor de vaststelling van de hoogte van de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer geldt:
a. als dagloon het dagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet;
b. als vervolgdagloon het vervolgdagloon waarnaar die WAO-conforme uitkering op grond van artikel 32 van de WPA is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-2. Voor de vaststelling van de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, ten aanzien van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer is de door het FAOP met overeenkomstige toepassing van de WAO ten aanzien van betrokkene vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de bij wijze van voorschot betaalde WAO-conforme uitkering, zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, bepalend.
-3. Voor de toepassing van hoofdstuk IV van de WAO worden de voorlopige uitkeringen op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, aangemerkt als uitkeringen op grond van de WAO als bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van die wet.
-4. Het op grond van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, betaalde bedrag aan voorlopige uitkeringen wordt verrekend met het bedrag van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, eerste volzin.
 
 
 
Art. 18.
[Verhoging WAO-uitkering] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. Indien de WAO-conforme uitkering met overeenkomstige toepassing van artikel 46a van de WAO op grond van artikel 32 van de WPA is verhoogd, wordt de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, eerste volzin, dan wel de voorlopige uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, tweede lid, tweede volzin, vastgesteld met inachtneming van die verhoging.
-2. Het eerste lid is van toepassing op de betrokkene zolang hij recht zou hebben gehad op de in dat lid bedoelde verhoging als artikel 46a van de WAO op grond van artikel 32, eerste lid, van de WPA op hem nog van overeenkomstige toepassing zou zijn geweest op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
 
 
 
Art. 19.
[Vantoepassingverklaring overgangsrecht Wet TBA op oude gevallen] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Wet TBA wordt toegepast op een ingevolge artikel 13, eerste of tweede lid, toegekende uitkering op grond van de WAO, met inachtneming van het volgende:
a. de datum van ingang van de in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, bedoelde WAO-conforme uitkering geldt als de datum van ingang van de uitkering op grond van de WAO;
b. artikel XVI van de Wet TBA is van toepassing op de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet artikel XX dan wel XXIV van de Wet TBA van toepassing was, met dien verstande dat artikel 18, zesde lid, van de WAO niet van toepassing is;
c. de artikelen XVII tot en met XIX van de Wet TBA zijn van toepassing op de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de artikelen XXI tot en met XXIII dan wel XXV tot en met XXVII van de Wet TBA van toepassing waren.
 
 
 
Art. 20.
[Voortzetting voorzieningen, vergoedingen en toelagen] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. Voorzieningen, vergoedingen of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel 32 van de WPA met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen, vergoedingen en toelagen op grond van artikel 65, 65a of 65b van de WAO.
-2. Een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing die is toegekend op grond van artikel 32 van de WPA met overeenkomstige toepassing van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO, wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing op grond van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO.
 
 
 
 
 

Afdeling 2.  Beroepsmilitairen

 

Art. 21. [Vantoepassingverklaring afdeling op (gewezen) beroepsmilitairen]  [GeschiedenisMvT + bisversie 24 december 1997]
Deze afdeling is van toepassing op beroepsmilitairen en de in deze afdeling bedoelde gewezen beroepsmilitairen.

 
 
 
Art. 22.
[Kring verplicht verzekerden WAO] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WAO, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO, worden, vanaf de dag van aanvang van hun dienstverband tot aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangemerkt als verplicht verzekerd op grond van de WAO:
a. beroepsmilitairen, voor zover niet bedoeld in onderdeel b of e;
b. beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun dienstverband als beroepsmilitair recht hebben op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden;
c. gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden;
d. gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden; en
e. beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen die op de dag voorafgaande aan het vorenbedoelde tijdstip uit hoofde van hun dienstverband als beroepsmilitair onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen beroepsmilitair recht hebben op een wachtgeld, welk recht niet zou zijn geëindigd op dat tijdstip indien fase 1 van deze wet niet in werking zou zijn getreden.
-2. Aan het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
 
 
 
Art. 23.
[Recht op WAO-uitkering; aanvang uitkeringsrecht] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. De beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, en de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, hebben vanaf dat tijdstip recht op een uitkering op grond van de WAO.
-2. Voor de toepassing van de artikelen 21a, 21b, 34 juncto 36 en 61 van de WAO en de artikelen 29 en 29b van de ZW wordt:
a. ten aanzien van de beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, de datum waarop de periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid is of geacht wordt te zijn verstreken; of
b. ten aanzien van de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, de datum van ingang van het recht op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid; of
c. ten aanzien van de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, de datum van ingang van het recht op een uitkering overeenkomstig de normen van de WAO;
aangemerkt als de datum van ingang van het in het eerste lid bedoelde recht op een uitkering op grond van de WAO.
 
 
 
Art. 24. [Hoogte WAO-uitkering; (vervolg)dagloon] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2004, 311Stb. 2005, 708Stb. 2011, 4]
-1. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide pensioengrondslag, bedoeld in artikel F 6 van de Amp-wet, respectievelijk vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de Amp-wet, die voor betrokkene zou zijn vastgesteld indien betrokkene op de dag voorafgaande aan de vorenbedoelde datum zou zijn ontslagen met recht op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid.
-2. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde gewezen beroepsmilitair geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de voor betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide pensioengrondslag, in voorkomend geval verhoogd met het percentage van de toeslag, bedoeld in artikel F 7a van de Amp-wet, respectievelijk de voor betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de Amp-wet, en in voorkomend geval aangepast met het percentage waarmee het salaris, dat overeenkomt met de aangepaste pensioengrondslag, op grond van artikel 34 van de Wet FVP/ABP is aangepast.
-3. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gewezen beroepsmilitair geldt als dagloon respectievelijk vervolgdagloon in de zin van die wet de naar een jaarbedrag herleide en door 261 gedeelde berekeningsgrondslag van de uitkering overeenkomstig de normen van de WAO zoals die geldt op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, aangepast op de voet van het AMAR, zoals dat luidde op die dag, respectievelijk de voor betrokkene geldende, door het getal 261 gedeelde, naar een jaarbedrag herleide vervolguitkeringsgrondslag, bedoeld in artikel F 6a van de Amp-wet.
-4. Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
-5. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het vierde lid.
 
 
 
Art. 25. [ZW-/WW-dagloon geldend als WAO-dagloon] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op grond van artikel 4, eerste lid, recht heeft gekregen op een uitkering op grond van de ZW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 5, eerste lid, vastgestelde dagloon.
-2. Voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering op grond van de WAO voor de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair die op grond van artikel 31, eerste of tweede lid, recht heeft verkregen op een uitkering op grond van de WW, geldt als dagloon in de zin van de WAO het met toepassing van artikel 33 vastgestelde dagloon.
 
 
 
Art. 26.
[Mate arbeidsongeschiktheid] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, is de door Onze Minister van Defensie vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet, bepalend.
-2. Ten aanzien van de in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, bedoelde beroepsmilitair die op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet 52 weken of langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, ten aanzien van wie op de dag voorafgaande aan dat tijdstip de mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet, nog niet is vastgesteld, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, vastgesteld binnen een termijn van drie maanden na het vorenbedoelde tijdstip.
-3. Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde gewezen beroepsmilitair is de door Onze Minister van Defensie vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6 van de Amp-wet, bepalend.
-4. Voor de eerste vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WAO, bedoeld in artikel 23, eerste lid, voor de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gewezen beroepsmilitair is de mate van arbeidsongeschiktheid, waarnaar zijn uitkering overeenkomstig de normen van de WAO is berekend, bepalend.
 
 
 
Art. 27.
[Vantoepassingverklaring overgangsrecht Wet TBA op oude gevallen] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Wet TBA wordt toegepast op een ingevolge artikel 23, eerste lid, toegekende uitkering op grond van de WAO, met inachtneming van het volgende:
a. de datum van ingang van het in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, bedoelde pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, dan wel van de in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitkering overeenkomstig de normen van de WAO, geldt als de datum van ingang van het recht op die uitkering op grond van de WAO;
b. artikel XVI van de Wet TBA is van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet artikel XXIV van de Wet TBA van toepassing was, met dien verstande dat artikel 18, zesde lid, van de WAO niet van toepassing is;
c. de artikelen XVII tot en met XIX van de Wet TBA zijn van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair op wie op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de artikelen XXV tot en met XXVII van de Wet TBA van toepassing waren.
 
 
 
Art. 28.
[Voortzetting voorzieningen, vergoedingen en toelagen] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. Voorzieningen, vergoedingen of toelagen die zijn toegekend op grond van artikel X 5 van de Amp-wet met overeenkomstige toepassing van de artikelen 57, 57a en 58 van de AAW, worden met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als voorzieningen, vergoedingen en toelagen op grond van artikel 65, 65a of 65b van de WAO.
-2. Een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing die is toegekend op grond van artikel X 6 van de Amp-wet met overeenkomstige toepassing van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO, wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet voortgezet als een loonsuppletie, een loonkostensubsidie, een reïntegratie-uitkering of een opleiding of scholing op grond van artikel 60, 62, 63 of 64 van de WAO.
 
 
 
 
 

Afdeling 3.  Risicowering arbeidsongeschiktheid

 

Art. 29. [Uitsluiting risicowerende bepalingen]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2011, 4]
-1. De artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, van de WAO zijn niet van toepassing op de overheidswerknemers en de gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 13, en de beroepsmilitairen en de gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 23, alsmede op de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en de beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ongeschikt zijn tot werken wegens ziekte, behoudens ingeval één of meer van de genoemde bepalingen reeds van toepassing of van overeenkomstige toepassing was op de betrokkene op de dag voorafgaande aan de datum waarop de WAO ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokkene.
-2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie, nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid. [RtWtmaf1O]

 
 
 
 
 

§ 4.  Werkloosheid

 

Art. 30. [Toekenning status van werknemer]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Met ingang van de datum waarop de WW op grond van deze wet of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 7 van de WW, van toepassing wordt op de overheidswerknemer wordt, vanaf de dag van aanvang van het betreffende dienstverband, voor de vaststelling van het recht op uitkering op grond van de WW, alsmede voor de toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WW, aangemerkt als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de WW:
a. het dienstverband van de overheidswerknemer;
b. het voormalige dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan bedoelde datum uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer in het genot is van:
1º. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte;
2º. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid; of
3º. een wachtgeld;
c. het voormalige dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW op de dag voorafgaande aan bedoelde datum geen wachtgeld uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als gewezen overheidswerknemer geniet; en
d. het voormalige dienstverband van de gewezen overheidswerknemer die niet op bedoelde datum, maar wel op de dag voorafgaande aan die datum, een dienstverband heeft.
-2. Aan het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend over tijdvakken die gelegen zijn vóór de datum waarop de WW ingevolge deze wet van toepassing wordt.

 
 
 
Art. 31.
[Recht op WW-uitkering; aanvang uitkeringsrecht] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. De gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3º, heeft vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht op een uitkering op grond van de WW indien zijn dienstverband op het moment van ingang van zijn recht op wachtgeld aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW indien de WW van toepassing zou zijn geweest op de dag waarop het recht op wachtgeld ontstond en dat recht op een uitkering op grond van de WW zou voortduren na vorenbedoeld tijdstip.
-2. De gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, heeft recht op een uitkering op grond van de WW vanaf de eerste dag waarop dit recht na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet zou zijn ontstaan of zou herleven indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW indien de WW van toepassing zou zijn geweest op de dag waarop het recht op wachtgeld ontstond. De eerste zin is eveneens van toepassing op de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in het eerste lid, voor wie op het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geen recht op uitkering op grond van de WW ontstaat in verband met omstandigheden als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van die wet.
-3. De gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel d, heeft recht op een uitkering op grond van de WW vanaf de dag waarop dit recht zou zijn ontstaan indien zijn dienstverband aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW.
-4. De in het eerste onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde gewezen overheidswerknemer heeft vanaf het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid bedoelde dag, recht op een kortdurende uitkering op grond van de WW indien zijn dienstverband op het moment van ingang van zijn recht op kortdurende uitkering ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling aangemerkt zou zijn als dienstbetrekking in de zin van de WW en dat recht op een kortdurende uitkering op grond van de WW zou voortduren na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet onderscheidenlijk vanaf de in het tweede lid bedoelde dag.
 
 
 
Art. 32.
[Duur (kortdurende) WW-uitkering] 
[GeschiedenisMvT + bisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Voor de vaststelling van de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, wordt het recht op uitkering op grond van de WW geacht te zijn aangevangen op het moment waarop het in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3º, bedoelde wachtgeld is aangevangen.
-2. Voor de vaststelling van de duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste of tweede lid, wordt, voor de toepassing van de artikelen 42, 43, 48, 49 en 50 van de WW, de overheidswerknemer geacht te hebben voldaan aan artikel 17 van de WW, met dien verstande dat er ten aanzien van de toepassing van artikel 17, onderdeel b, onder 1º, van de WW van uitgegaan wordt dat hij in de bedoelde periode in vijf kalenderjaren loon heeft ontvangen over 52 of meer dagen per jaar.
-3. Voor de vaststelling van de duur van de kortdurende uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, vierde lid, geldt de duur van het recht op kortdurende uitkering, zoals die is vastgesteld ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling.
-4. De resterende duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, op het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet wordt bepaald door op de krachtens het eerste tot en met derde lid vast te stellen duur van de uitkering in mindering te brengen de tot dat tijdstip verstreken duur van het wachtgeld.
-5. De resterende duur van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in het vierde lid, bedraagt niet meer dan de duur van het wachtgeld waarop de betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen na dat tijdstip of zou hebben herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde dag indien deze wet niet zou hebben gegolden.
 
 
 
Art. 32a.
[Begrip arbeidsuren per kalenderweek, ter vaststelling omvang arbeidsurenverlies] 
[GeschiedenisStb. 2000, 561]
-1. Onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, verstaan het aantal uren waarin die overheidswerknemer laatstelijk was aangesteld respectievelijk waarvoor hij laatstelijk in dienst was genomen in het dienstverband waarop het recht op uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, betrekking heeft.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, eerste of vierde lid, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op een uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, verstaan het in het kader van dat recht vastgestelde aantal arbeidsuren per kalenderweek.
-3. In afwijking van het eerste lid wordt onder de in artikel 16, eerste lid, van de WW bedoelde arbeidsuren per kalenderweek voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, tweede of vierde lid, wiens recht op uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geëindigd is, verstaan het in het kader van dat recht vastgestelde aantal arbeidsuren per kalenderweek.
 
 
 
Art. 33.
[Hoogte WW-uitkering; dagloon | Samenloop met WAO-uitkering] 
[GeschiedenisMvT + bisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2004, 311Stb. 2005, 708]
-1. Voor de berekening van de uitkering op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, geldt als dagloon de naar een jaarbedrag herleide berekeningsgrondslag waarnaar het wachtgeld is berekend op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, gedeeld door het getal 261.
-2. Indien het recht op wachtgeld is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het eerste lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, eerste of vierde lid, die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op een uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, als dagloon het in het kader van dat recht vastgestelde dagloon.
-4. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, tweede of vierde lid, wiens recht op uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet geëindigd is, als dagloon het in het kader van dat recht vastgestelde dagloon.
-5. Het dagloon van de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op het in artikel 32, eerste lid, bedoelde moment, dan wel daarna, een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, dan wel, indien het bepaalde in artikel 25, 28, 30 of 33 van de WAO op hem niet van toepassing was, zou ontvangen, of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkering ontvangt of zou ontvangen, is gelijk aan het dagloon berekend volgens artikel 14 of artikel 24, dan wel, indien artikel 14 of artikel 24 op hem niet van toepassing is, berekend volgens de bij of krachtens de WAO gestelde regels. Het met toepassing van de eerste volzin berekende dagloon wordt evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin betrokkene is ingedeeld en de noemer door het getal 100.
-6. Indien de in het vijfde lid bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer op een tijdstip na de dagloonberekening overeenkomstig dat lid, op grond van de WAO wordt ingedeeld in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die welke bij de evenredige verlaging is gehanteerd, wordt het krachtens de eerste volzin van dat lid berekende dagloon, in afwijking van de tweede volzin van het desbetreffende lid, evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsklasse en de noemer door het getal 100.
-7. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer, bedoeld in het vijfde lid, niet meer volledig wordt uitbetaald op grond van artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de WAO, wordt het krachtens de eerste zin van het vijfde lid berekende dagloon evenredig verlaagd door dat dagloon te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse, die bij de toepassing van laatstgenoemd artikel in acht wordt genomen, en de noemer door het getal 100.
-8. Voor de werknemer, bedoeld in het vijfde lid, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de WAO, is het dagloon het krachtens de eerste zin van het vijfde lid berekende dagloon.
-9. Het vijfde tot en met achtste lid zijn niet van toepassing indien en zolang bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met de arbeid die de werknemer, na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, heeft verricht in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden.
-10. De hoogte van de uitkering op grond van de WW, bedoeld in artikel 31, eerste, tweede en vierde lid, bedraagt niet meer dan de hoogte van het wachtgeld waarop de betrokkene recht had op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet en zoals dat zou hebben doorgelopen of zou hebben herleefd vanaf de in artikel 31, tweede lid, bedoelde dag indien deze wet niet zou hebben gegolden.
-11. Het dagloon bedraagt ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
 
 
 
Art. 34. [Meetellen duur ambtelijke uitkering voor recht op Ioaw-uitkering] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De in deze paragraaf bedoelde overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die het einde van de voor hem geldende duur van de uitkering op grond van de WW heeft bereikt, wordt voor de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, onderdeel b, onder 3º, en onderdeel c, onder 3º, van die wet

1. Gelet op het bepaalde in artikel 1.11, onderdeel A, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dient volgens de redactie de zinsnede "artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder 3º, onderdeel b, onder 3º, en onderdeel c, onder 3º, van die wet" te worden aangepast.
 
 
 
 
 

§ 5.  De uitvoering

 

Art. 35. [Uitvoeringsinstelling; aanmelding; gegevensverstrekking]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
-1. De overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 3, 12, 20 of 30, dan wel de beroepsmilitair of de gewezen beroepsmilitair, bedoeld in artikel 22 of 28, is verzekerd bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt, onder bijvoeging van alle relevante stukken die vereist zijn voor de uitvoering van deze wet, aangemeld:
1º. door of namens een overheidswerkgever, een overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 12, eerste lid, onderdeel a, d of f, dan wel artikel 30, eerste lid;
2º. door of namens het bestuur van het FAOP, een overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, of artikel 20;
3º. door of namens Onze Minister van Defensie, een beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of artikel 28 dan wel, met het oog op de toepassing van artikel 26, tweede lid, een gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan voorschriften stellen met betrekking tot:
a. de door de overheidswerkgevers en het FAOP te leveren gegevens ten behoeve van de toepassing van dit hoofdstuk;
b. het tijdstip waarop de in onderdeel a bedoelde gegevens uiterlijk moeten zijn aangeleverd bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Bij de toepassing van dit hoofdstuk mag het Landelijk instituut sociale verzekeringen uitgaan van de door de overheidswerkgevers en het FAOP geleverde gegevens.
-5. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 36.
[Vaststelling recht op uitkering | Oude feiten, omstandigheden en gedragingen] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625 + bisStb. 2008, 600]
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 13, eerste of tweede lid, of artikel 31, eerste lid, en van iedere beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel 23, eerste lid, het recht op uitkering of voorziening vast met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 34 en artikel 41.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt op schriftelijke aanvraag van iedere overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 31, tweede of derde lid, het recht op uitkering als daar bedoeld vast met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 34 en artikel 41.
-3. Bij de in het eerste en het tweede lid bedoelde vaststelling wordt geen rekening gehouden met feiten, omstandigheden en gedragingen, niet zijnde een activiteit of gedraging als bedoeld in het vijfde lid, die zich hebben voorgedaan op enig moment vóór het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt en die op bedoeld moment van invloed zouden zijn geweest op de uitkering op grond van de WW, de ZW of de WAO, de voorziening, vergoeding of toelage op grond van de WAO of de loonsuppletie, de reïntegratie-uitkering of de opleiding of scholing op grond van de WAO, indien één of meer van die wetten op betrokkene van toepassing zouden zijn geweest, maar die niet van invloed waren of zouden zijn geweest op een op de dag voorafgaande aan vorenbedoeld tijdstip bestaand recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b, c of d, of artikel 30, eerste lid, onderdeel b.
-4. Zo nodig in afwijking van het derde lid wordt bij de in het eerste en het tweede lid bedoelde vaststelling een sanctie die op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt, ten aanzien van een bestaand recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b, c of d, of artikel 30, eerste lid, onderdeel b, op betrokkene wordt toegepast en die na dat tijdstip nog zou worden toegepast indien deze wet niet zou hebben gegolden, onverkort toegepast op de uitkering op grond van de WW, de ZW of de WAO, de voorziening, vergoeding of toelage op grond van de WAO of de loonsuppletie, de reïntegratie-uitkering of de opleiding of scholing op grond van de WAO.
-5. Op en na het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt, wordt een activiteit of gedraging van betrokkene waarin door het bevoegd gezag in het kader van een bestaand recht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 22, eerste lid, onderdeel b, c of d, of artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is toegestemd, niet getoetst aan de regels die voor die activiteit of gedraging ingevolge de WW, de ZW of de WAO gelden of, indien die wetten op hem van toepassing zouden zijn geweest, zouden hebben gegolden. In afwijking van de eerste zin wordt de gegeven toestemming vanaf het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op betrokkene van toepassing wordt, niet in aanmerking genomen indien dit tot een zodanige afwijking van de systematiek van de WW, de ZW of de WAO zou leiden dat dit een normale uitvoering van die wetten in de weg zou staan.
-6. Onder een activiteit of gedraging als bedoeld in het vijfde lid die de normale uitvoering van de WW, de ZW of de WAO niet in de weg staat, wordt in ieder geval verstaan:
a. deelnemen aan een scholing of opleiding;
b. het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW, met uitzondering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede en derde lid van dat artikel;
c. niet voldoen aan de verplichting te solliciteren;
d. niet voldoen aan de verplichting als werkzoekende ingeschreven te zijn bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-7. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 37.
[Voortzetting loonkostensubsidie] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2001, 625 + bis]
-1. De overheidswerkgever aan wie vóór het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet ter zake van een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer dan wel een beroepsmilitair of een gewezen beroepsmilitair een loonkostensubsidie is toegekend overeenkomstig artikel 62 van de WAO, waarvan de duur niet eindigt vóór bedoeld tijdstip, wordt door het Landelijk instituut sociale verzekeringen, met inachtneming van artikel 20, tweede lid, of artikel 28, tweede lid, met ingang van dat tijdstip in aanmerking gebracht voor een loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 62 van de WAO.
-2. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 38.
[Herleving stimuleringsuitkering] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2001, 625 + bis]
-1. Een stimuleringsuitkering als bedoeld in artikel XIII, eerste lid, van de Wet TBA van een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, dan wel een beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b, of een gewezen beroepsmilitair als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, d of e, die herleeft, wordt betaald door het Landelijk instituut sociale verzekeringen en komt ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO.
-2. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 39.
[Nadere regelgeving] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2011, 4]
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen met betrekking tot de artikelen 35 tot en met 38.
 
 
 
Art. 40.
[Uitbetaling uitkering] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
-1. Tot en met de dag waarop het dienstverband van de betrokkene eindigt, geschiedt de uitbetaling van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, door tussenkomst van de overheidswerkgever die aan de betrokkene bezoldiging of uitkering in geval van ziekte is verschuldigd, indien de WAO-conforme uitkering, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b of c, op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet met toepassing van artikel 47, eerste lid, van de WPA door tussenkomst van de overheidswerkgever werd uitbetaald.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstverbanden recht heeft op een uitkering op grond van de WAO.
-3. In afwijking van het tweede lid is het eerste lid van toepassing indien de betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen bij twee of meer overheidswerkgevers behorende tot de sector Onderwijs en Wetenschappen, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, onder 3º, van de WPA, recht heeft op een uitkering op grond van de WAO.
-4. Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde uitkering vindt de uitbetaling gesplitst plaats door tussenkomst van de betrokken overheidswerkgevers naar rato van het feitelijk verdiende loon uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekking.
-5. Indien de in het derde lid bedoelde overheidswerkgevers hun kosten declareren bij een ander orgaan, geschiedt de uitbetaling achtereenvolgens door tussenkomst van dat andere orgaan en de overheidswerkgever.
-6. De toepassing van het eerste lid eindigt ingeval:
a. het dienstverband wordt beëindigd; dan wel
b. de betrokkene volledig voor de voor hem in het kader van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO vastgestelde verdiencapaciteit wordt herplaatst in andere of aangepaste arbeid zonder dat sprake is van beëindiging van het dienstverband; dan wel
c. de betrokkene het Landelijk instituut sociale verzekeringen verzoekt de uitkering op grond van de WAO rechtstreeks aan hemzelf of een derde uit te betalen.
-7. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 41.
[Nadere regelgeving samenloop uitkeringen en/of voorzieningen] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625Stb. 2011, 4]
-1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Defensie nadere regels ten aanzien van de betrokkene die als overheidswerknemer op het tijdstip waarop fase 1, 2 of 3 van deze wet op hem van toepassing wordt, tegelijkertijd recht heeft op twee of meer van de navolgende uitkeringen of voorzieningen dan wel een combinatie daarvan: [RtWtmaf1O]
a. twee of meer van de navolgende rechten in verband met ongeschiktheid tot werken wegens ziekte:
1º. bezoldiging of uitkering in geval van ziekte;
2º. een ziekengeld op grond van de ZW;
b. twee of meer van de navolgende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen:
1º. een WAO-conforme uitkering;
2º. een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid;
3º. een uitkering op grond van de WAO;
4º. één of meer uitkeringen overeenkomstig de normen van de WAO in de zin van het AMAR;
5º. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, Aruba of een vreemde mogendheid;
c. twee of meer van de navolgende werkloosheidsuitkeringen:
1º. één of meer wachtgelden;
2º. één of meer uitkeringen op grond van de WW;
d. twee of meer loonsuppleties op grond van dan wel overeenkomstig artikel 60 van de WAO;
e. twee of meer reïntegratie-uitkeringen op grond van dan wel overeenkomstig artikel 63 van de WAO.
-2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben in ieder geval betrekking op de bepaling van:
a. de datum waarop het in artikel 4, eerste lid, bedoelde recht op een ziekengeld op grond van de ZW, het in artikel 13, eerste of tweede lid, of artikel 23, eerste lid, bedoelde recht op een uitkering op grond van de WAO, het in artikel 20, tweede lid, of artikel 28, tweede lid, bedoelde recht op een loonsuppletie of een reïntegratie-uitkering op grond van de WAO, dan wel het in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, bedoelde recht op een uitkering op grond van de WW, van de betrokkene ingaat;
b. de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO;
c. het dagloon in de zin van de WAO, dan wel in de zin van de WW;
d. vervallen;
e. de kostenverdeling, met inbegrip van de uitvoeringskosten, ter zake van de in onderdeel a bedoelde rechten.
-3. De in het eerste lid bedoelde regels hebben tot doel te bereiken dat een hoogte en een duur van het ingevolge deze wet aan de betrokkene toe te kennen ziekengeld op grond van de ZW, uitkering op grond van de WAO, loonsuppletie of reïntegratie-uitkering op grond van de WAO, dan wel uitkering op grond van de WW, wordt vastgesteld die ten minste evenredig is aan de hoogte en duur van het met de betreffende werknemersverzekering overeenkomende deel van het wachtgeld, de uitkering of de voorziening waarop de betrokkene in zijn hoedanigheid als overheidswerknemer dan wel gewezen overheidswerknemer recht had op de dag voorafgaande aan de datum waarop de betreffende werknemersverzekering ingevolge deze wet op hem van toepassing werd.
 
 
 
Art. 42.
[Toedeling bevoegdheden] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625Stb. 2011, 4]
-1. Vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen in de plaats van het FAOP wat betreft de overeenkomstige toepassing van de WAO, bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de WPA, alsmede wat betreft de toepassing van de AAW, bedoeld in artikel 8 van de AAW.
-2. Onze Minister van Defensie verricht handelingen met betrekking tot de toepassing van de Amp-wet zoals die wet luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, voor zover het de toepassing van de Amp-wet tot dat tijdstip betreft.
-3. De overheidswerkgever verricht handelingen op grond van een regeling met betrekking tot bezoldiging of uitkering in geval van ziekte dan wel wachtgeld zoals bedoelde regeling luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, voor zover het de toepassing van bedoelde regeling tot dat tijdstip betreft.
-4. Onze Minister van Defensie en de overheidswerkgever doen mededeling aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen van handelingen als bedoeld in het tweede onderscheidenlijk het derde lid. De artikelen 36 tot en met 39 zijn van overeenkomstige toepassing.
-5. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met het vierde lid.
-6. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
 
 

§ 6.  Overige bepalingen

 

Art. 43. [Samenloop ambtelijke rechten met ZW- of WW-uitkering]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Indien de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 4, ingevolge de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte en tegelijkertijd ter zake van hetzelfde dienstverband recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW, wordt het eerstbedoelde recht verminderd met het ziekengeld.
-2. Zolang de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 31, ingevolge de op hem van toepassing zijnde rechtspositieregeling recht heeft op een wachtgeld en tegelijkertijd recht heeft op een uitkering op grond van de WW, wordt het eerstbedoelde recht verminderd met de uitkering op grond van de WW. De eerste volzin vindt geen toepassing in het geval de uitkering op grond van de WW wordt genoten ter zake van een dienstverband dat ter hand is genomen vóór de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan hem het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd, tenzij dat dienstverband ter hand is genomen gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan bedoeld ontslag.
-3. Het eerste en tweede lid zijn uitsluitend van toepassing indien in de op betrokkene van toepassing zijnde rechtspositieregeling geen bepalingen zijn opgenomen ter zake van de in die leden bedoelde samenloop van rechten.
 
 
 
Art. 44.
[Vermogen FAOP] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 1998, 742Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen liquideert vóór het tijdstip gelegen twee jaar na het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet het vermogen van het FAOP.
-2. In verband met de uitvoering van het eerste lid gaan alle vermogensbestanddelen van het FAOP op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet over op het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen beheert en administreert het vermogen dat op grond van het tweede lid is overgegaan in de vorm van een afzonderlijke rekening.
-4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen draagt vóór het tijdstip gelegen één jaar na het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet een deel van het vermogen, bedoeld in het derde lid, over aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO.
-5. Het in het vierde lid bedoelde deel van het vermogen bestaat uit:
a. een bedrag dat het resultaat is van een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aanwezige vermogen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO, vermenigvuldigd met de lasten van het FAOP, bedoeld in artikel 21a van de Wet FVP/ABP, en de noemer door de lasten van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 76, derde lid, van de WAO; en
b. een bedrag ter dekking van de uitgaven op grond van artikel 42, eerste lid, met inbegrip van de uitvoeringskosten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen ter zake van de toepassing van artikel 42, eerste lid.
-6. De toepassing van het vierde lid geldt de aldaar genoemde aanwezige vermogens en lasten op de dag voorafgaand aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-7. Onder artikel 72 en artikel 76, derde lid, van de WAO in het vijfde lid, onderdeel a, genoemd, wordt verstaan de artikelen 72 en 76, derde lid, van de WAO zoals dat artikel en dat artikellid luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, worden regels gesteld met betrekking tot het vierde en het vijfde lid. [BlF]
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gesteld met betrekking tot de liquidatie van het FAOP. [BlF]
-10. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 45.
[Vantoepassingverklaring ZW, WAO en WW] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Onverminderd het bepaalde in deze wet zijn de ZW, de WAO en de WW, alsmede de op die wetten berustende bepalingen, van toepassing op het in dit hoofdstuk bedoelde recht op uitkering op grond van die wetten, op het in aanmerking brengen voor voorzieningen, vergoedingen of toelagen op grond van artikel 20, eerste lid, of artikel 28, eerste lid, en op het in aanmerking brengen voor loonsuppleties, loonkostensubsidies, opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen op grond van artikel 20, tweede lid, of artikel 28, tweede lid.
-2. Besluiten of uitkeringen op grond van onderscheidenlijk artikel 4, eerste lid, artikel 13, eerste of tweede lid, artikel 23, eerste lid, of artikel 31 worden beschouwd als besluiten of uitkeringen op grond van de verplichte verzekering krachtens de ZW, de WAO onderscheidenlijk de WW.
-3. Voorzieningen, toelagen of vergoedingen op grond van artikel 20, eerste lid, of artikel 28, eerste lid, worden beschouwd als voorzieningen, toelagen of vergoedingen op grond van de verplichte verzekering krachtens de WAO.
-4. Loonsuppleties, loonkostensubsidies, opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen op grond van artikel 20, tweede lid, of artikel 28, tweede lid, worden beschouwd als loonsuppleties, loonkostensubsidies, opleiding of scholing of reïntegratie-uitkeringen op grond van de verplichte verzekering krachtens de WAO.
 
 
 
Art. 45a.
[Overgangsrecht 1 januari 2001 Finlo-tegemoetkoming] 
[GeschiedenisStb. 2000, 561]
De Wet financiering loopbaanonderbreking en de WW, zoals deze luidden op de dag vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, blijven van toepassing op de financiële tegemoetkoming op grond van de eerstgenoemde wet, die is aangevangen vóór het bedoelde tijdstip van aanvang van fase 2.
 
 
 
Art. 45b.
[Meetellen duur ambtelijke uitkering voor recht op Ioaw-uitkering] 
[GeschiedenisStb. 2000, 561Stb. 2005, 573Stb. 2005, 710Stb. 2006, 303]
-1. Voor de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt onder het bereiken van de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II van de WW, mede verstaan het vóór het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet bereiken van de volledige uitkeringsduur van een wachtgeld, waarop recht is ontstaan vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet. Onder wachtgeld wordt niet verstaan de kortdurende uitkering, bedoeld in het tweede lid.
-2. Voor de toepassing van artikel 2, onderdeel b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt onder het bereiken van de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk IIb van de WW, mede verstaan het vóór het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet bereiken van de volledige uitkeringsduur van een kortdurende uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel of een met die besluiten vergelijkbare regeling, waarop recht is ontstaan vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet.
-3.
Voor de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt onder het bereiken van de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, mede verstaan het bereiken van de volledige uitkeringsduur van een wachtgeld, waarop in verband met de verlaging van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering recht is ontstaan tussen 30 september 2004 en 1 oktober 2005 voor de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer die op 31 december 2000 en op 30 september 2004 recht had op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

 
 
 
Art. 45c
. [Aanvang fase 3 bij betalingsonmacht overheidswerkgever]  [GeschiedenisStb. 2000, 561]
Indien een overheidswerkgever in staat van faillissement is verklaard, dan wel aan hem surseance van betaling is verleend, of deze anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, wordt, op verzoek van de gewezen overheidswerknemer die uit hoofde van een dienstverband met deze overheidswerkgever recht op wachtgeld heeft, welk recht is ontstaan vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet vastgesteld op het tijdstip dat de overheidswerkgever kwam te verkeren in een toestand als hiervoor bedoeld, doch niet eerder dan het tijdstip van aanvang van fase 2. De eerste zin is slechts van toepassing als de overheidswerknemer zijn verzoek doet binnen 26 weken na de dag waarop de overheidswerkgever is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in de eerste zin.
 
 
 
Art. 46.
[Nadere regelgeving] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2011, 4]
Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels worden gesteld. [Bbtl40OwsOW] [BlF]
 
 
 
 
 

HOOFDSTUK  2

Wijziging van wetten op het terrein van de sociale zekerheid alsmede van de Wet arbeid gehandicapte werknemers en de Wet voorzieningen gehandicapten

 

Art. 47. [Wijziging ZW m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Ziektewet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:

A.
[MvT]
Artikel 6, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. degene, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;.
B.
[MvT]
Na artikel 8a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 8b.
-1. Tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip:
a. wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen; alsmede
b. is artikel 8a niet van toepassing op degene die uitsluitend uit hoofde van één of meer arbeidsverhoudingen als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde van één of meer voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen overheidswerknemer, een uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a van dat lid, alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in onderdeel b van dat lid, verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig, tijdelijk van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
C.
[MvT]
Artikel 29, eerste lid, komt te luiden:
-1. Behoudens de artikelen 29a en 29b wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde:
a. uit hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij de arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel indien het recht op loon door toepassing van het derde, vierde, vijfde of achtste lid van dat artikel geheel of gedeeltelijk ontbreekt;
b. bij verhindering wegens ziekte om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen recht heeft op bezoldiging als bedoeld in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt, dan wel indien het recht op die bezoldiging op grond van een reden overeenkomstig artikel 629, derde, vierde, vijfde of achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
D.
[MvT]
Na artikel 89 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 90.
Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 91.
Een voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8b wordt niet gedaan dan nadat twee maanden na de in artikel 90 bedoelde mededeling zijn verstreken. Gelijktijdig met de mededeling wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de overlegging kan door één der kamers of ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

 

Art. 48. [Wijziging ZW m.i.v. fase 2]  [Geschiedenis MvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
De Ziektewet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 61 komt te luiden:
Art. 61.
In afwijking van artikel 60 komen de uitkeringen op grond van deze wet ten aanzien van overheidswerknemers en degenen die op grond van artikel 7, artikel 8 of artikel 8a werknemer zijn wegens het ontvangen van een uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel 104 van de Werkloosheidswet.
B.
[MvT]
Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel c, wordt na "om" ingevoegd: , in of buiten Nederland,.
2. Onder het vervallen van "of" na het tweede lid, onderdeel c, en vervanging van de punt na onderdeel d van dat lid door "; of" wordt aan het tweede lid een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
3. In het vierde lid wordt "onderdeel b en c" vervangen door: onderdeel b, c en e.
C.
Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel e, wordt vervangen door:
e. door de in artikel 64, tweede lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
2. Het vierde lid, onderdeel d, wordt vervangen door:
d. voor de in artikel 64, tweede lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
D.
In artikel 46, eerste lid, wordt "privaatrechtelijke dienstbetrekking" vervangen door: dienstbetrekking.

 

Art. 49. [Wijziging ZW m.i.v. fase 3]  [GeschiedenisMvT;  versie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet vervallen de artikelen 8b, 90 en 91 van de Ziektewet.

 

Art. 50. [Wijziging WAO m.i.v. fase 1]  [Geschiedenis MvTversie 24 december 1997]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 6, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. degene, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de Ambtenarenwet;.
B.
In artikel 43b wordt na "Burgerlijk Wetboek" toegevoegd: , dan wel op bezoldiging ingevolge artikel XV, tweede lid, vierde volzin, van de Wet terugdringing ziekteverzuim.
C.
[MvT]
Artikel 62, eerste lid, onderdeel a, wordt als volgt gewijzigd:
1. De zinsnede "een privaatrechtelijke dienstbetrekking" wordt vervangen door: een dienstbetrekking.
2. De zinsnede "of het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP," vervalt.

 

Art. 51. [Wijziging WAO m.i.v. fase 3]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 1998, 741]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet als volgt gewijzigd:
A
. [MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt vervalt onderdeel c.
2. In onderdeel b vervalt de zinsnede "of van een regeling als bedoeld in onderdeel c".
B
. [MvT]
Artikel 10, eerste lid, komt te luiden:
-1. Als werkgever wordt beschouwd in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onder:
a: het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
b: degene die door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
C
. [MvT]
Artikel 13, vierde lid, vervalt.
D.
[MvT]
In artikel 66, vierde lid, wordt de zinsnede "artikel 7, onderdeel b en c" vervangen door: artikel 7, onderdeel b.

 

Art. 52. [Wijziging WW m.i.v. fase 1]  [Geschiedenis MvTversie 24 december 1997]
De Werkloosheidswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 7 wordt vervangen door:
Art. 7.
-1. Tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, te bepalen tijdstip wordt niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers verschillend worden vastgesteld.
-3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere en, zo nodig, van deze wet afwijkende regels worden gesteld.
B.
[MvT]
Artikel 17b, eerste lid, komt te luiden:
-1. Voor de toepassing van artikel 17, onderdeel b, onder 1°, worden met dagen waarover loon is ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover een persoon recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend, dan wel een uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.

 

Art. 53. [Wijziging WW m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
De Werkloosheidswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Aan artikel 1 worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, drie onderdelen toegevoegd, luidende:
k. overheidswerkgever:
1º. het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de WPA, dan wel een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b tot en met e, van die wet, zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont;
2º. een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de WPA of artikel 2, derde lid, van die wet, zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, dat zowel op die dag als op dat tijdstip op grond van één van die bepalingen is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP en dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont;
3º. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de WPA uitgezonderde personen, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
l. overheidswerknemer:
1º. de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, jonger dan 65 jaar;
2º. de beroepsmilitair in de zin van de Algemene militaire pensioenwet, jonger dan 65 jaar;
3º. degene die door de Koning in dienst is genomen om bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam te zijn en die uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau valt, jonger dan 65 jaar;
m. Uitvoeringsfonds voor de overheid: het fonds, bedoeld in artikel 104.
B.
In artikel 16, derde lid, wordt na "artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek" telkens ingevoegd: , de artikelen 94 tot en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling.
C.
Na artikel 22a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 22b.
-1. De intrekking of verlaging van een uitkering die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Landelijk instituut sociale verzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
D.
Onder vernummering van artikel 35b tot artikel 35c wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 35b.
-1. Indien de werknemer meer dan één recht op uitkering heeft, wordt, indien ten minste één van die rechten ontstaan is uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, voor de toepassing van de artikelen 34, 35 en 35a een volgorde in aanmerking genomen bij de vermindering van de uitkering.
-2. Bij de toepassing van het eerste lid worden de inkomsten bij voorrang in mindering gebracht op de uitkering waarmee zij de meeste samenhang hebben.
-3. Een samenhang als bedoeld in het tweede lid wordt vastgesteld aan de hand van:
a. de dienstbetrekkingen uit hoofde waarvan de werknemer recht op uitkering op grond van deze wet heeft en die waaruit of in verband waarmee de inkomsten worden ontvangen;
b. de bedrijfstak of bedrijfstakken waarin de werknemer werkzaam was en die waaruit of in verband waarmee de inkomsten worden ontvangen.
-4. Indien geen samenhang kan worden vastgesteld, worden de inkomsten gelijkelijk in mindering gebracht op de verschillende uitkeringen. Indien bij de toepassing van de eerste zin een uitkering lager is dan het daarop in mindering te brengen bedrag, wordt hetgeen aldus niet in mindering kan worden gebracht in gelijke mate in mindering gebracht op de andere uitkeringen.
-5. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het derde lid.
E.
Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt na "om" ingevoegd: , in of buiten Nederland,.
2. Onder het vervallen van "of" na het eerste lid, onderdeel c, en vervanging van de punt na onderdeel d van dat lid door "; of" wordt aan het eerste lid een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
3. In het vierde lid wordt "onderdeel b en c" vervangen door: onderdeel b, c en e.
F.
Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, onderdeel b, wordt vervangen door:
b. door de in artikel 53, eerste lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: binnen vier weken na de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 53, eerste lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen vier weken na de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
2. Het vierde lid, onderdeel b, wordt vervangen door:
b. voor de in artikel 53, eerste lid, onderdeel b, c en e, bedoelde persoon: op de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien de in artikel 53, eerste lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;.
G.
Voor artikel 79 wordt ingevoegd:
§ 1. Het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen
Art. 78a.
-1. Deze paragraaf is niet van toepassing op te betalen uitkeringen, te maken kosten, te heffen premie en te ontvangen bedragen met betrekking tot overheidswerknemers, voor zover verplicht verzekerd op grond van deze wet, overheidswerkgevers, voor zover zij werkgever zijn van overheidswerknemers, en degenen die uitkering op grond van de verplichte verzekering op grond van deze wet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen indien zij die uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer ontvangen.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt, indien de werknemer laatstelijk vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid meer dan één dienstbetrekking had waaronder ten minste één dienstbetrekking als overheidswerknemer, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering geacht te zijn genoten uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer indien hem in de laatste maand vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid uit zijn dienstbetrekking of dienstbetrekkingen als overheidswerknemer een groter bedrag aan loon is uitbetaald dan in zijn dienstbetrekking of dienstbetrekkingen anders dan als overheidswerknemer.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de artikelen 6, derde lid, en 7 van de Wet financiering loopbaanonderbreking, de financiële tegemoetkomingen op grond van die wet en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
H.
In artikel 89 vervallen het tweede en derde lid alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid.
I.
In artikel 92, onderdeel h, wordt aan het slot toegevoegd: , met uitzondering van hetgeen op grond van artikel 97e ten gunste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
J.
In artikel 93, onderdeel i, wordt na "de daaraan verbonden uitvoeringskosten" toegevoegd: , met uitzondering van hetgeen op grond van artikel 97f ten laste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
K.
Na artikel 97 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 2. Het Uitvoeringsfonds voor de overheid
Art. 97a.
De middelen tot dekking van de uitgaven van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, alsmede de middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een reserve in dat fonds, worden gevonden door het in rekening brengen van de uitgaven, bedoeld in artikel 97b, eerste lid, bij de overheidswerkgevers en door het heffen van premie.
Art. 97b.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen verhaalt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de in onderdeel a bedoelde uitkering ontvangt:
a. de op grond van deze wet te betalen uitkering aan een persoon als bedoeld in artikel 78a, met uitzondering van de premie, bedoeld in artikel 97d, tweede lid;
b. de op grond van enige wet over de uitkering, bedoeld in onderdeel a, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, met uitzondering van de premie, bedoeld in artikel 97d, tweede lid;
c. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 97f, onderdeel i;
d. de vergoeding, bedoeld in artikel 97h, die betrekking heeft op de persoon die de in onderdeel a bedoelde uitkering ontving.
-2. Op het totaal van de bedragen die op de overheidswerkgever op grond van het eerste lid over enig tijdvak wordt verhaald, wordt in mindering gebracht hetgeen het Landelijk instituut sociale verzekeringen in dat tijdvak ontvangt door de toepassing van artikel 36 of de artikelen 6, derde lid, of 7 van de Wet financiering loopbaanonderbreking, onder aftrek van de daarop betrekking hebbende uitvoeringskosten, voor zover die toepassing betrekking heeft op uitkeringen, premies en tegemoetkomingen die eerder op grond van dat lid op de overheidswerkgever zijn verhaald.
-3. Indien hetgeen op grond van het tweede lid in mindering wordt gebracht het totaal van de bedragen die op de overheidswerkgever over het betrokken tijdvak wordt verhaald, overtreft, wordt dat meerdere door het Landelijk instituut sociale verzekeringen betaald aan de overheidswerkgever.
-4. Indien de overheidswerkgever, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat, wordt voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid onder overheidswerkgever verstaan de rechtsopvolger van die overheidswerkgever. De eerste zin is niet van toepassing met betrekking tot de rechtsopvolger na faillissement.
-5. Het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde uitkering, premies en tegemoetkomingen worden verhaald, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen deze moeten worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig het zesde tot en met achtste lid zal worden ten uitvoer gelegd.
-6. Het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde uitkering, premies en tegemoetkomingen worden verhaald, levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het achtste lid.
-7. Het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde uitkering, premies en tegemoetkomingen worden verhaald, wordt bij gebreke van tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op kosten van de overheidswerkgever of diens rechtsopvolger betekend en ten uitvoer gelegd.
-8. Bij gebreke van tijdige betaling wordt het te verhalen bedrag verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-9. De artikelen 13 en 16 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot dit artikel.
-10. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste tot en met derde lid en het vijfde lid.
Art. 97c.
-1. De premie is verschuldigd door de overheidswerkgever. Deze betaalt de premie aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. De overheidswerkgever mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de overheidswerknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.
-3. De premie wordt door het Landelijk instituut sociale verzekeringen geheven naar door hem voor alle overheidswerkgevers gelijk vastgesteld percentage van het loon dat, in het tijdvak waarover de betaling loopt, is genoten door de overheidswerknemer.
-4. Op gelijke wijze als in het derde lid bepaald, kan een vastgesteld percentage te allen tijde worden herzien.
-5. Indien een herziening van het in het derde lid bedoelde percentage ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen een voor alle overheidswerkgevers gemiddeld percentage vast dat zal gelden voor het gehele kalenderjaar.
Art. 97d.
-1. De overheidswerkgever mag op het loon van de overheidswerknemer een bedrag inhouden overeenkomstig hetgeen op grond van de artikelen 81, derde lid, 84 en 86 verschuldigd zou zijn door de overheidswerknemer indien die artikelen op hem van toepassing zouden zijn.
-2. Over een uitkering op grond van deze wet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en over een toeslag op grond van de Toeslagenwet aan een persoon als bedoeld in artikel 78a wordt premie geheven overeenkomstig de artikelen 81, derde lid, 83, 84, 85, derde en vierde lid, en artikel 86, eerste, derde en vierde lid.
-3. Ingeval het Landelijk instituut sociale verzekeringen een aan een overheidswerknemer toegekende uitkering als bedoeld in het tweede lid aan een overheidswerkgever betaalt met het oogmerk die uitkering door diens tussenkomst te doen uitbetalen:
a. wordt de bedoelde uitkering niet vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premie op grond van het tweede lid en wordt die uitkering verminderd met het door de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer verschuldigde deel van de premie op grond van dat lid;
b. treedt, in afwijking van artikel 11, vierde lid, artikel 10, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 11, derde lid, van de Ziektewet, voor zover die artikelleden betrekking hebben op de premie, bedoeld in het tweede lid, de overheidswerkgever niet in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
c. wordt voor de inhouding, bedoeld in het eerste lid, onder loon niet verstaan de uitkering, bedoeld in het tweede lid.
Art. 97e.
Ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van artikel 97b;
b. de premies op grond van artikel 97c;
c. de premies op grond van artikel 97d, tweede lid;
d. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de artikelen 27a en 36, voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 66 indien de in dat artikel bedoelde werkgever een overheidswerkgever is;
f. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van artikel 45a van de Ziektewet, voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
g. het door de overheidswerkgever verschuldigde bedrag, bedoeld in artikel 52j en in artikel 46 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
h. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door toepassing van artikel 38, vierde lid, van de Ziektewet en artikel 71a, tweede en derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering indien de in die artikelen bedoelde werkgever een overheidswerkgever is;
i. de bijdragen van de overheidswerkgever of overheidswerknemer in de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
j. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de artikelen 6, derde lid, en 7 van de Wet financiering loopbaanonderbreking, voor zover deze bedragen betrekking hebben op tegemoetkomingen die ten laste van dat fonds zijn gebracht.
Art. 97f.
Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de op grond van deze wet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 78a;
b. de op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a tot en met f, van de Ziektewet te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel 78a;
c. de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
e. de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, indien dat op verzoek van een overheidswerkgever of overheidswerknemer is ingesteld;
f. de uitvoeringskosten, voor zover betrekking hebbend op de uitvoering van de artikelen 38, vierde lid, en 39 van de Ziektewet ten aanzien van overheidswerkgevers en overheidswerknemers die niet reeds op grond van onderdeel c ten laste van dat fonds worden gebracht, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
g. de subsidies, bedoeld in artikel 69, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
h. het op grond van artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan het Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
i. de financiële tegemoetkomingen op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wet financiering loopbaanonderbreking en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
j. de op diens aanvraag aan de werkgever door het Landelijk instituut sociale verzekeringen te verlenen vergoeding van de schade die de werkgever lijdt door toepassing van artikel 22b, eerste lid, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten verbonden aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen, premies en bijdragen als bedoeld in artikel 97e;
l. uitgaven die op grond van artikel 74, vijfde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden gebracht;
m. de vergoedingen op grond van artikel 38a, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
Art. 97g.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt jaarlijks, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, een budget vast voor vergoedingen aan de gemeenten voor de voorzieningen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden waarvoor die gemeenten personen als bedoeld in artikel 78a woonachtig in die gemeenten die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa of IIb in aanmerking hebben laten komen.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen vermeldt in het plan van werkzaamheden, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, de inhoud van de overeenkomsten die dit instituut en de uitvoeringsinstellingen ter uitvoering van artikel 73, eerste lid, met gemeentebesturen hebben gesloten over het aanbod van voorzieningen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden.
Art. 97h.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen vergoedt, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, aan het Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige werknemers die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van vertrek uitkering op grond van deze wet ontvangen.
-2. De in het eerste lid bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van deze wet zouden hebben kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
-3. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
Art. 97i.
Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan een bedrag worden vastgesteld dat, in verband met de toepassing van de artikelen 85, derde en vijfde lid, 86, eerste lid, en 97d, tweede lid, op uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering volgens een bij die regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art. 97j.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan regels stellen omtrent de verrekening tussen het Uitvoeringsfonds voor de overheid enerzijds en de uitvoeringsinstellingen anderzijds van ontvangen premies en overige ontvangsten enerzijds en van verstrekte uitkeringen en gemaakte kosten anderzijds.
L.
In artikel 102, eerste lid, wordt na "Organisatiewet sociale verzekeringen 1997" ingevoegd: , met uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren,.
M.
Artikel 104 komt te luiden:
Art. 104.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 97e bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 97f, 97g en 97h, in de vorm van een Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
N.
In artikel 112 wordt "artikel 95, derde lid," vervangen door: artikel 95, derde lid, of artikel 97h, derde lid,.
O.
Artikel 124 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde besluit met betrekking tot het premiepercentage, bedoeld in artikel 97c, derde lid, behoeft goedkeuring van Onze Minister. Indien Onze Minister goedkeuring onthoudt aan het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde percentage, stelt hij het percentage zelf vast.
P.
Na artikel 129 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 129a.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 129b.
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen het verhaal, bedoeld in artikel 97b, eerste lid, kan niet zijn gegrond op de grief dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art. 129c.
Ten aanzien van besluiten waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt, zijn de artikelen 88 tot en met 88i van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van overeenkomstige toepassing.
Q.
In artikel 130, tweede en zevende lid, wordt na "het Algemeen Werkloosheidsfonds" telkens ingevoegd: en het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
R.
In artikel 130b, tweede lid, wordt "93 en 129" vervangen door: 93, 97b, 97f, 97i en 129.
S.
In artikel 130c, tweede lid, wordt na "de wachtgeldfondsen" ingevoegd: en het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

 

Art. 54. [Wijziging WW m.i.v. fase 3]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 1998, 742]
De Werkloosheidswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet als volgt gewijzigd:

A.
[MvT]
Artikel 7 vervalt.
B.
[MvT]
In artikel 17b, zevende lid, vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b en c verletterd tot onderdelen a en b.
C.
[MvT]
In artikel 45, vierde lid, vervalt de zinsnede "dan wel een uitkering ontvangt die naar aard en strekking daarmee overeenkomt op grond van een regeling voor de persoon, bedoeld in artikel 7, eerste lid,".
D.
[MvT]
De artikelen 125 en 126 vervallen.

 

Art. 55. [Wijziging IWS m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
In artikel 10, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de zinsnede "een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel d, van die wet" vervangen door: een lichaam als bedoeld in artikel A 1, onderdeel c, van die wet.

 

Art. 56. [Overgangsrecht 1 januari 2001 aanspraken bij werkloosheid]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
Artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luiden op de dag vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, blijven tot het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet van toepassing op de overheidswerknemer, bedoeld in dat artikel, wiens eerste dag van werkloosheid gelegen is vóór het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet.

 

Art. 57. [Wijziging Ioaw m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Artikel 2 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel c, onder 4º, komt te luiden:
4º. recht heeft op uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Liquidatiewet ongevallenwetten of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;.
2. Het derde, het vierde en het vijfde lid vervallen.

 

Art. 58. [Wijziging Wagw m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Wet arbeid gehandicapte werknemers wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:

A.
[MvT]
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel b komt te luiden:
b. gehandicapte werknemer: een werknemer:
1º. aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
2º. aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens artikel 5 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen is toegekend en die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van die wet;
3º. voor wie, met toepassing van artikel 57, eerste lid, of artikel 57a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel met toepassing van een door Onze Minister, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, met genoemde bepalingen gelijkgestelde regeling, een voorziening binnen het bedrijf is getroffen en die zonder die voorziening niet in staat is zijn arbeid te verrichten;
4º. die tengevolge van ziekte of gebreken duidelijke belemmeringen ondervindt bij het verkrijgen of verrichten van arbeid, dan wel door bijzondere maatregelen of voorzieningen in staat is gesteld arbeid te verkrijgen of te verrichten, voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen;.
2. Onderdeel g vervalt.
B.
[MvT]
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid vervalt de zinsnede "of het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel".
2. In het derde lid vervalt de zinsnede "en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel".
C.
[MvT]
Artikel 8 komt te luiden:
Art. 8.
-1. Indien de arbeidsprestatie van een werknemer in een bepaalde functie tengevolge van ziekte of gebreken duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die in de desbetreffende functie als normaal wordt beschouwd, vermindert het Landelijk instituut sociale verzekeringen op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, zo nodig in afwijking van hetgeen bij of krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag ingevolge dit artikel dient te worden gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur vervalt met ingang van 1 januari 1999.
-3. In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
D.
[MvT]
In artikel 10, onderdeel b, vervalt de zinsnede "of het Algemeen burgerlijk pensioenfonds".
E.
[MvT]
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De vaststelling en de invordering van de krachtens artikel 5, eerste lid, verschuldigde geldelijke bijdrage, alsmede de vaststelling en de uitbetaling van de krachtens artikel 5, tweede lid, verschuldigde geldelijke tegemoetkoming, geschiedt door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede en derde lid.
F.
[MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt de zinsnede "en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel hebben" vervangen door: heeft.
2. In het derde lid vervalt de zinsnede "en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel".

 

Art. 59. [Wijziging Wvg m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Artikel 10 van de Wet voorzieningen gehandicapten komt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt te luiden:
Art. 10.
Onze Minister van Defensie is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht, kosteloos, uit de door of namens hem gevoerde administratie aan de gemeentebesturen die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

 

Art. 60. [Wijziging CSV m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
In artikel 6, eerste lid, onderdeel r, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de puntkomma vervangen door een komma en wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: dan wel ter zake van één van de volgende publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen: het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland, de Interprovinciale ziektekostenregeling 1988 of het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994;.

 

Art. 61. [Wijziging Osv 1997 m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt gewijzigd:

A.
Aan artikel 1, onderdeel h, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van subonderdeel 13 door een puntkomma, een subonderdeel toegevoegd, luidende:
14º. het Uitvoeringsfonds voor de overheid, genoemd in artikel 104 van de Werkloosheidswet.
B.
In artikel 38, eerste lid, onderdeel c, wordt "subonderdeel 9 tot en met 13" vervangen door: subonderdeel 9 tot en met 14.
C.
In artikel 54, eerste lid, wordt na "wachtgeldfonds" telkens ingevoegd: of het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
D.
In artikel 58, eerste lid, onderdeel b, wordt na "de wachtgeldfondsen" ingevoegd: en het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
E.
In artikel 74, vijfde lid, wordt na "een wachtgeldfonds" ingevoegd: of het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
F.
In artikel 80, derde lid, wordt na "het Toeslagenfonds" ingevoegd: , het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
G.
Na artikel 38 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 38a.
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. overheidswerknemer: de persoon:
1º. die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Werkloosheidswet;
2º. voor wie geen arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt; en
3º. die niet een arbeidsgehandicapte is als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
b. overheidswerkgever: het lichaam dan wel het orgaan van een lichaam dat:
1º. met betrekking tot het jaar 2000 een overeenkomst heeft gesloten met een reïntegratiebedrijf met het oog op de inschakeling in het arbeidsproces van gewezen overheidswerknemers met recht op wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen; en
2º. die overeenkomst voortzet in het jaar 2001 ten aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a.
-2. De in artikel 38, eerste lid, onderdeel b, bedoelde taak kan, met betrekking tot een overheidswerknemer, met inachtneming van het derde tot en met vijfde lid door het Landelijk instituut sociale verzekeringen worden overgedragen aan de overheidswerkgever wiens overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mede betrekking heeft op die overheidswerknemer. De overheidswerkgever treedt dan voor de toepassing van de artikelen 72, 73 en 130, eerste lid, van de Werkloosheidswet in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. De in het tweede lid bedoelde taakoverdracht vindt plaats op verzoek van de overheidswerkgever, bedoeld in dat lid. De overheidswerkgever legt daarbij een document over waaruit blijkt dat dit verzoek wordt gedaan met instemming van de vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties waarmee de overheidswerkgever overleg pleegt te voeren over de arbeidsvoorwaarden en de rechtspositie van zijn personeel.
-4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen betaalt een door hem te bepalen vergoeding aan de overheidswerkgever voor de door de overheidswerkgever op grond van dit artikel gedane uitgaven in verband met de inschakeling in het arbeidsproces van overheidswerknemers.
-5. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan regels stellen met betrekking tot:
a. de vorm waarin en de termijn waarbinnen het in het derde lid bedoelde verzoek wordt ingediend;
b. de vorm waarin en de termijn waarbinnen een verzoek om een vergoeding als bedoeld in het vierde lid wordt ingediend;
c. de door de overheidswerkgever in verband met de uitvoering van dit artikel of de Werkloosheidswet uit eigen beweging of desgevraagd te verstrekken gegevens.

 

Art. 62. [Wijziging Wet TZ m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2003, 544]
-1. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet wordt in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim na de derde volzin een volzin toegevoegd, luidende: Indien de werkgever de aangifte overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op grond van artikel 85 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen overeenkomstig het eerstgenoemde artikel is voorgeschreven, wordt het in de eerste volzin bedoelde tijdvak met de duur van de vertraging verlengd.
-2. In artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim vervalt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet het zevende lid, onder vernummering van het achtste tot en met dertiende lid tot zevende tot en met twaalfde lid.

 

Art. 63. [Wijziging Wet TBA m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De artikelen XX tot en met XXVII van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen vervallen met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet.

 

Art. 64. [Wijziging WBIA m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2002, 69]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in artikel 53, wordt de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria voor de overheidswerknemers, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en de gewezen overheidswerknemers op wie de WW van toepassing wordt, als volgt gelezen:

A.
[MvT]
In artikel 1, onderdeel a, wordt na "Wet privatisering ABP" toegevoegd: , invaliditeitspensioen, bedoeld in de Spoorwegpensioenwet of de Algemene burgerlijke pensioenwet.
B.
[MvT]
Artikel 1, onderdeel b, wordt als volgt gelezen:
b. werkloze persoon: de persoon, bedoeld in artikel 2;.
C.
[MvT]
Artikel 2, tweede lid, wordt als volgt gelezen:
-2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon, bedoeld in artikel XX, XXI, XXIV of XXV van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals die wet luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, en die op 31 december 1986 de leeftijd van 35 jaar had bereikt en:
a. die door de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest, dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt; of
b. wiens recht op pensioen door toepassing van artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet dan wel de militaire pensioenbepalingen inzake het recht op pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
D.
[MvT]
Artikel 2, derde lid, wordt als volgt gelezen:
-3. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar had bereikt en die op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld op grond van de Spoorwegpensioenwet, de Algemene militaire pensioenwet of de Algemene burgerlijke pensioenwet en die vanaf 1 augustus 1993 door de toepassing van artikel 5 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel F 7 van de Spoorwegpensioenwet, artikel F 8a van de Algemene burgerlijke pensioenwet, artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet of de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor deze persoon na de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn blijven luiden, zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest of heeft verloren dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is gekomen.
E.
[MvT]
In artikel 9, eerste tot en met het derde lid, wordt "artikel 2, eerste of derde lid" vervangen door: artikel 2, eerste, tweede of derde lid.
F.
[MvT]
In artikel 9, zesde tot en met het achtste lid, wordt "artikel 2, tweede lid" vervangen door: artikel 2, tweede of derde lid.
G.
[MvT]
Onder vernummering van het negende en tiende lid van artikel 9 tot het elfde en twaalfde lid worden in dat artikel een nieuw negende en tiende lid ingevoegd, luidende:
-9. Het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, derde lid, een invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, is gelijk aan de door 261 gedeelde berekeningsgrondslag waarnaar dat pensioen was berekend. Indien op het in de eerste volzin bedoelde pensioen ingevolge artikel F 9a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel F 7a van de Spoorwegpensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor de vaststelling van het dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag verhoogd met die toeslag. Artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is van toepassing op het dagloon, bedoeld in dit lid.
-10. Indien het recht op invaliditeitspensioen is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het negende lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
H.
[MvT]
In het nieuwe twaalfde lid van artikel 9 wordt "het negende lid" vervangen door: het elfde lid.

 

Art. 65. [Wijziging WBIA m.i.v. fase 3]  [Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
De Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, bedoeld in artikel 54, als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt na "Wet privatisering ABP" toegevoegd: , invaliditeitspensioen, bedoeld in de Spoorwegpensioenwet of de Algemene burgerlijke pensioenwet.
2. Onderdeel b komt te luiden:
b. werkloze persoon: de persoon, bedoeld in artikel 2;.
B.
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon, bedoeld in artikel XX, XXI, XXIV of XXV van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals die wet luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, en die op 31 december 1986 de leeftijd van 35 jaar had bereikt en:
a. die door de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest, dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt; of
b. wiens recht op pensioen door toepassing van artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd.
2. Het derde lid komt te luiden:
-3. Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op de persoon die op 1 augustus 1993 de leeftijd van 45 jaar had bereikt en die op 31 juli 1993 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een herplaatsingstoelage of herplaatsingswachtgeld op grond van de Spoorwegpensioenwet, de Algemene militaire pensioenwet of de Algemene burgerlijke pensioenwet en die vanaf 1 augustus 1993 door de toepassing van artikel 5 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel F 7 van de Spoorwegpensioenwet, artikel F 8a van de Algemene burgerlijke pensioenwet, artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet of de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen voor deze persoon na de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn blijven luiden, zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest of heeft verloren dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt of is gekomen.
C.
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste tot en met het derde lid wordt "artikel 2, eerste of derde lid" vervangen door: artikel 2, eerste, tweede of derde lid.
2. In het zesde tot en met het achtste lid wordt "artikel 2, tweede lid" vervangen door: artikel 2, tweede of derde lid.
3. Onder vernummering van het negende en tiende lid tot het elfde en twaalfde lid worden een nieuw negende en tiende lid ingevoegd, luidende:
-9. Het dagloon dat ten grondslag ligt aan de uitkering van de werkloze persoon aan wie op de dag vóór de toepassing, bedoeld in artikel 2, derde lid, een invaliditeitspensioen wordt uitbetaald op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet, is gelijk aan de door 261 gedeelde berekeningsgrondslag waarnaar dat pensioen was berekend. Indien op het in de eerste volzin bedoelde pensioen ingevolge artikel F 9a van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel F 7a van de Spoorwegpensioenwet een toeslag was verleend, wordt voor de vaststelling van het dagloon het bedrag van de berekeningsgrondslag verhoogd met die toeslag. Artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is van toepassing op het dagloon, bedoeld in dit lid.
-10. Indien het recht op invaliditeitspensioen is toegekend uit een deeltijdbetrekking, geldt in afwijking van het negende lid als dagloon het bedrag dat overeenkomstig dat lid wordt verkregen en vervolgens is vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.
4. In het nieuwe twaalfde lid wordt "het negende lid" vervangen door: het elfde lid.
 
 
 
Art. 66. [Wijziging Wet Pemba m.i.v. fase 1] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel II komt te luiden:
Art. II.
-1. Onder de uitkeringen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan:
a. de op grond van artikel 13, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen toegekende uitkeringen;
b. de op grond van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen bij wijze van voorschot toegekende uitkeringen;
c. de op grond van artikel 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen toegekende uitkeringen.
-2. Onder de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van de artikelen 13, eerste en tweede lid, en 23, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-3. Onder de loonsuppletie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt mede verstaan de in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde loonsuppletie.
-4. Onder de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt mede verstaan de in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde loonkostensubsidie.
-5. Onder de kosten van opleiding of scholing, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de kosten van een opleiding of scholing als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet.
-6. Onder de voorzieningen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde voorzieningen.
-7. Onder de vergoedingen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde vergoedingen.
-8. Onder de toelagen en vergoedingen, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden mede verstaan de in artikel 20, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of artikel 28, tweede lid, van die wet bedoelde toelagen en vergoedingen.
B.
[MvT]
De artikelen III tot en met VI vervallen.
C.
[MvT]
Artikel VII wordt als volgt gewijzigd:
1. Telkens vervallen de woorden "en pensioenen".
2. De zinsnede "in artikel 21a van de Wet privatisering ABP en in artikel IV van deze wet," vervalt.
 
 
 
Art. 67.
[Wijziging Inga m.i.v. fase 1] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel VIII wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede tot en met het vijfde lid vervallen.
2. Het zesde lid wordt vernummerd tot tweede lid.
B.
[MvT]
De artikelen XLVII tot en met LI vervallen.

 

Art. 67a. [Wijziging Wet Rea m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisStb. 2000, 561]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet wordt in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten "het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten en het Algemeen Werkloosheidsfonds" vervangen door: het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, het Algemeen Werkloosheidsfonds en het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

 

Art. 67b. [Wijziging Finlo m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisStb. 2000, 561]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet wordt de Wet financiering loopbaanonderbreking als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. Uitvoeringsfonds voor de overheid: het fonds, bedoeld in artikel 104 van de Werkloosheidswet.
B.
Artikel 11 komt te luiden:
Art. 11. Algemeen Werkloosheidsfonds en Uitvoeringsfonds voor de overheid
-1. De financiële tegemoetkoming komt ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-2. In afwijking van het eerste lid komt de financiële tegemoetkoming met betrekking tot een verlofganger die wordt vervangen door een persoon met recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

 

 

HOOFDSTUK  3

Wijziging van andere wetten

 

Art. 68. [Wijziging Wet FVP/ABP m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Wet financiële voorzieningen privatisering ABP wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 1, onderdeel j en s, vervallen.
B.
[MvT]
De artikelen 21 tot en met 27 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 4. Het FAOP en de financiering daarvan" vervallen.
C.
[MvT]
Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel b, onder 3º, komt als volgt te luiden:
3º. degene die voorzitter of lid van een waterschap is, of van een ander publiekrechtelijk lichaam, en als zodanig geen werknemer is in de zin van de Ziektewet en de Werkloosheidswet.
2. In het tweede lid, onderdeel a, onder 3º, wordt de zinsnede "de artikelen 30 en 31" vervangen door: artikel 31.
3. In het tweede lid vervalt onderdeel b.
4. In het derde lid worden de woorden "een WAO-conforme uitkering" vervangen door: een WAO-uitkering.
5. In het vierde lid vervalt onder 1º, onder vernummering van onder 2º en 3º tot onder 1º en 2º.
D.
[MvT]
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor het eerste lid vervalt de aanduiding "-1" en wordt het woord "inhoudingen" vervangen door: inhouding.
2. Het tweede lid vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 30 vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 31, eerste lid, komt te luiden:
-1. De werkgever houdt op het loon van de werknemer een inhouding inzake werkloosheid in ter grootte van een percentage van de heffingsgrondslag dat overeenkomt met het premiedeel dat op grond van artikel 86, eerste lid, van de Werkloosheidswet wordt vastgesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen, voor zover dat premiedeel ten laste wordt gebracht van de werknemer in de zin van die wet.
G.
[MvT]
Artikel 32a vervalt.
H.
[MvT]
Artikel 32b vervalt.
I.
[MvT]
De artikelen 44 tot en met 49 en 51 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 8. Nadere bepalingen inzake het FAOP" vervallen.

 

Art. 69. [Wijziging Wet FVP/ABP m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP komt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt te luiden:
b. werknemer: voor zover geen werknemer in de zin van de Ziektewet en de Werkloosheidswet:
1º. de overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP;
2º. de militair ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931, tenzij hij aanspraak heeft op zakgeld of voor eerste oefening onder de wapenen is;
3º. degene die voorzitter of lid van een waterschap is, of van een ander publiekrechtelijk lichaam;
4º. degene die behoort tot het personeel van de Koninklijke Hofhouding, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.

 

Art. 70. [Wijziging Wet FVP/ABP m.i.v. fase 3]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet wordt de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 28 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 5. De inhoudingen op het loon" vervalt.
B.
[MvT]
Artikel 29 vervalt.
C.
[MvT]
Artikel 31 vervalt.

 

Art. 71. [Wijziging WPA m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Wet privatisering ABP wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Van artikel 1 vervalt onderdeel j.
B.
[MvT]
De artikelen 32 tot en met 45 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 9. De arbeidsongeschiktheidsverzekering van overheidswerknemers" vervallen.
C.
[MvT]
De artikelen 46 tot en met 53 en het daarboven geplaatste opschrift "§ 10. Nadere bepalingen inzake de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van overheidswerknemers" vervallen.
D.
[MvT]
Artikel 57 vervalt.
E.
[MvT]
Artikel 59 vervalt.
F.
[MvT]
Artikel 60 vervalt.
G.
[MvT]
Artikel 64 vervalt.
H.
[MvT]
Artikel 67 vervalt.
I.
[MvT]
Artikel 76 vervalt.

 

Art. 72. [Wijziging bijlage Bw m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
In de bijlage bij de Beroepswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet bij onderdeel C ingevoegd:
20b. Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.

 

Art. 73. [Wijziging Amp-wet m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
De Algemene militaire pensioenwet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT + bis]
Artikel A 6, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. Het arbeidsongeschiktheidspensioen en het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E 6, het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a en artikel E 3, vierde lid en artikel E 4, tweede lid, alsmede de herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel E 6b;.
B.
[MvT + bis]
Aan artikel D 1 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ook andere tijd dan genoemd in de voorgaande leden geheel of gedeeltelijk wordt gelijkgesteld met voor pensioen geldige diensttijd.
C.
[MvT + bis]
In artikel E 2 vervalt het tweede lid alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid.
D.
[MvT + bis]
Artikel E 2a wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid wordt de zinsnede "en artikel E 2, eerste lid, onderdeel c," vervangen door: en artikel E 2, onderdeel c,.
2. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: en artikel E 6a.
3. In het tweede lid wordt de zinsnede "en artikel E 2, eerste lid, onderdeel b;" vervangen door: en artikel E 2, onderdeel b;.
4. Na het tweede lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-3. Voor de toepassing van artikel E 3, vierde lid, artikel E 4, tweede lid, artikel E 6 en artikel E 6a wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheid: de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
b. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
E.
[MvT + bis]
Aan artikel E 3 worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-4. De reservist aan wie als zodanig ontslag is verleend en die arbeidsongeschikt is, heeft met ingang van de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat, recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien en voor zolang hij aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 11a.
-5. De reservist, bedoeld in het vierde lid, heeft van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar is of, in geval van eerder overlijden, zou zijn bereikt, indien voor hem op dat tijdstip ten minste vijf voor pensioen geldige dienstjaren kunnen worden aangewezen, recht op een pensioen overeenkomstig het bepaalde in artikel E 1, onderdeel a, artikel E 6, vierde lid, artikel F 3 en artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
F.
[MvT + bis]
Artikel E 4 wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van artikel E 4 wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Na het eerste lid worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende:
-2. De dienstplichtige aan wie als zodanig ontslag is verleend en die arbeidsongeschikt is, heeft met ingang van de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat, recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien en voor zolang hij aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 11a.
-3. De dienstplichtige, bedoeld in het tweede lid, heeft van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar is of, in geval van eerder overlijden, zou zijn bereikt, indien op dat tijdstip ten minste vijf voor pensioen geldige dienstjaren kunnen worden aangewezen, recht op een pensioen overeenkomstig het bepaalde in artikel E 1, onderdeel a, artikel E 6, vierde lid, en artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
G.
[MvT]
In artikel E 5 wordt de zinsnede "of artikel E 4" vervangen door: artikel E 4, eerste en tweede lid,.
H.
[MvT + bis]
Artikel E 6 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste tot en met achtste lid worden vervangen door:
-1. De beroepsmilitair, bedoeld in de artikelen E 1, onderdeel b en c, en E 2, onderdeel c, die arbeidsongeschikt is, heeft, indien en voor zolang hij aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien een arbeidsongeschiktheid is vastgesteld:
a. van 80% of meer, recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen met met ingang van de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat;
b. tussen 15 en 80%, recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop de aanspraak op een uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel is beëindigd.
-2. Het arbeidsongeschiktheidspensioen van de gepensioneerde beroepsmilitair die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en op wie het eerste lid niet van toepassing is, is tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt, het in artikel E 2a, eerste lid, bedoelde pensioen, met inachtneming van het tweede lid van dat artikel.
-3. Het arbeidsongeschiktheidspensioen van degene op wie het eerste lid van toepassing is, is het in artikel E 2a, eerste lid, bedoelde pensioen, met inachtneming van het tweede lid van dat artikel, indien de som van die bedragen hoger is dan de som van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen.
2. Het negende tot en met twaalfde lid worden vernummerd tot vierde tot en met zevende lid.
3. In het tot vierde lid vernummerde negende lid wordt de zinsnede "of artikel E 2, eerste lid, onderdeel c," vervangen door: of artikel E 2, onderdeel c,.
4. In het tot vijfde lid vernummerde tiende lid wordt de zinsnede "of artikel E 2, eerste lid, onderdeel c," vervangen door: of artikel E 2, onderdeel c,.
I.
[MvT + bis]
Na artikel E 6 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. E 6a
. [MvT]
In afwijking van artikel E 6, eerste lid, heeft de beroepsmilitair bij arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 11a recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop het ontslag ter zake van ziekten of gebreken is verleend, dan wel de dag waarop het recht uit anderen hoofde ontstaat, en heeft betrokkene daarnaast recht op een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, indien het totaal van de bedragen van:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6;
c. een pensioen als bedoeld in artikel E 2 of artikel E 3, eerste lid, dat op dezelfde dag is ingegaan als het pensioen, bedoeld onder b;
d. in een voorkomend geval, de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10; en
e. in een voorkomend geval, de uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel;
lager is dan het percentage van de pensioengrondslag, bedoeld in artikel F 6a, dan wel F 6c.
Art. E 6
b. [MvT]
-1. Recht op een herplaatsingstoelage heeft de beroepsmilitair, bedoeld in artikel E 6, die:
a. wordt herplaatst in één of meer andere dienstbetrekkingen; en
b. niet volledig arbeidsongeschikt is; en
c. zijn resterende verdiencapaciteit volledig benut.
-2. De herplaatsingstoelage eindigt:
a. met het einde van de maand waarin betrokkene is overleden; of
b. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt; of
c. met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin niet meer wordt voldaan aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden.
J.
[MvT + bis]
Artikel E 7 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De beroepsmilitair, bedoeld in de artikelen E 1, onderdeel b en c, en E 2, onderdeel c, alsmede de reservist die recht heeft op een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º, hebben bij invaliditeit met dienstverband als bedoeld in artikel E 11, zonder dat voor hen uit hoofde van die invaliditeit recht op een pensioen krachtens deze regeling of een vroegere militaire pensioenwet bestaat ter zake van een eerder ontslag, recht op een invaliditeitsverhoging. Met ingang van de eerste dag van de maand waarin de beroepsmilitair de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, heeft hij recht op een in de vorige volzin bedoelde invaliditeitsverhoging naar de berekeningswijze, bedoeld in artikel F 7, eerste lid, onderdeel b.
2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt de zinsnede "en artikel E 4, onderdeel a," vervangen door: en artikel E 4, eerste lid, onderdeel a,.
3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "en artikel E 4, onderdeel b," vervangen door: en artikel E 4, eerste lid, onderdeel b.
4. Het derde en vierde lid vervallen.
K.
[MvT]
Na artikel E 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. E 9a.
-1. De militair aan wie als zodanig op of na 1 januari 1998 ontslag is verleend en die recht heeft op een pensioen ter zake van een invaliditeit met dienstverband, heeft behalve op dat pensioen recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging, indien de invaliditeit:
a. ten minste 60 doch minder dan 80 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 60 voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht;
b. ten minste 40 doch minder dan 60 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 40 voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht;
c. ten minste 20 doch minder dan 40 percent bedraagt en daling van dit percentage beneden 20 voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht.
-2. Het recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging als bedoeld in het eerste lid bestaat niet of gaat verloren indien de militair recht heeft op een bijzondere invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 8 dan wel artikel E 9.
L.
[MvT + bis]
Artikel E 11 komt te luiden:
Art. E 11.
-1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder invaliditeit met dienstverband verstaan: een invaliditeit van ten minste 10 percent tengevolge van:
a. verwonding, ziekten of gebreken welke zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden;
b. ziekten of gebreken welke het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden verbonden, dan wel welke tot uiting zijn gekomen onder overwegende invloed van die verrichtingen of vermoeienissen; of
c. ziekten of gebreken welke zijn ontstaan, tot uiting zijn gekomen of verergerd mede door inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden waaraan de beroepsmilitair in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest.
-2. Onder uitoefening van de militaire dienst wordt verstaan:
a. de uitvoering van expliciet of impliciet gegeven dienstopdrachten of dienstbevelen;
b. het verrichten van handelingen of activiteiten in het kader van algemene of bijzondere dienstverrichtingen; of
c. activiteiten die gezien het daaraan verbonden dienstbelang als uitoefening van die dienst aangemerkt kunnen worden.
-3. Onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden wordt verstaan:
a. een uitzonderingstoestand in de zin van artikel 103 van de Grondwet;
b. de deelname aan operaties ter bevordering of handhaving van de internationale rechtsorde;
c. het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico;
d. de verlening van bijstand, zoals onder meer bedoeld in artikel 71 Wetboek van Militair Strafrecht, de artikelen 58, 59 of 60 van de Politiewet 1993 en artikel 146, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover sprake is van een verhoogd risico; of
e. afzonderlijk door Onze Minister te bepalen gevallen die bijzonder van aard zijn en waarbij een verhoogd risico aanwezig is;
één en ander doordat ten aanzien van de onderdelen c en e de normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen ter bescherming van de gezondheid geheel of gedeeltelijk door of namens de regionale bevelhebbers der Koninklijke Marine, de commandant van het Korps Mariniers, de bevelhebber der Land- of der Luchtstrijdkrachten, dan wel de commandant der Koninklijke marechaussee, buiten werking zijn gesteld.
-4. Voor elke verwonding, ziekte of gebrek wordt afzonderlijk vastgesteld of sprake is van invaliditeit met dienstverband.
-5. Indien voor een bepaalde verwonding, ziekte of gebrek invaliditeit met dienstverband is vastgesteld, betekent dit dat voor die aandoening, indien die aandoening leidt tot arbeidsongeschiktheid en die arbeidsongeschiktheid in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de invaliditeit met dienstverband, eveneens sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 6a.
-6. De militair wordt geacht de ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste lid, te hebben opgelopen gedurende het tijdvak van de werkelijke dienst waarin de feiten of omstandigheden zich hebben voorgedaan welke aanleiding hebben gegeven tot het aannemen van verband tussen de bij hem bestaande ziekten of gebreken en de uitoefening van de militaire dienst.
-7. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere en, zo nodig, afwijkende regels stellen.
M.
[MvT + bis]
Na artikel E 11 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. E 11a.
-1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder arbeidsongeschiktheid met dienstverband verstaan: een arbeidsongeschiktheid tengevolge van ziekten of gebreken die in overwegende mate hun oorzaak vinden in de aard van de aan de militair opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder zij moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.
-2. Indien ingevolge het eerste lid voor een bepaalde ziekte of gebrek arbeidsongeschiktheid met dienstverband is aangenomen, dan geldt dit eveneens voor een arbeidsongeschiktheid tengevolge van een andere ziekte of gebrek waarvoor dat verband niet kan worden aangenomen.
-3. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere en, zo nodig, afwijkende regelen stellen.
N.
[MvT + bis]
In artikel F 1, tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "ingevolge artikel F 6, vierde lid, eerste volzin" vervangen door: ingevolge artikel F 6g, eerste lid.
O.
[MvT]
Artikel F 3 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het vijfde lid wordt de zinsnede "bedoeld in de artikelen E 1 en E 2, eerste lid, onderdeel b of c," vervangen door: bedoeld in de artikelen E 1 en E 2, onderdeel b of c.
2. Aan het elfde lid wordt een nieuwe zin toegevoegd, luidende:
Genoemd zesde en achtste lid vinden evenmin toepassing indien op grond van het bepaalde in artikel F 7, tweede lid, onderdeel b, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt, recht op invaliditeitsverhoging dan wel invaliditeitspensioen bestaat.
P.
[MvT + bis]
Na artikel F 4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 4a.
-1. Het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen voor de reservist en de dienstplichtige bedraagt bij volledige arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 90,02% van de berekeningsgrondslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
-2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot het in het derde lid genoemde percentage van de berekeningsgrondslag, vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel F 7, behoudens het zevende lid van dat artikel.
-3. Het in het tweede lid bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 73,31%;
b. 55 tot 65%: 56,59%;
c. 45 tot 55%: 45,01%;
d. 35 tot 45%: 34,08%;
e. 25 tot 35%: 22,5%;
f. 15 tot 25%: 15%.
Q.
[MvT + bis]
De artikelen F 6 tot en met F 6j worden vervangen door de artikelen F 6 tot en met F 6f, luidende:
Art. F
6. [MvT]
-1. Tenzij de toepassing van artikel F 3 zou leiden tot een hoger pensioenbedrag, bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 70% van de pensioengrondslag.
-2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen voor de daar bedoelde beroepsmilitair:
a. na afloop van de in artikel 21a van de WAO bedoelde periode, het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 65% van de pensioengrondslag indien deze beroepsmilitair de keuze heeft gemaakt om af te zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO; of
b. het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 75% van de pensioengrondslag indien deze beroepsmilitair op het tijdstip van ingang van het arbeidsongeschiktheidspensioen, anders dan in aansluiting op een uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel, 55 jaar of ouder is.
-3. In afwijking van het eerste en het tweede lid en met inachtneming van het vierde en vijfde lid bedraagt het arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid van de beroepsmilitair die in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, waardoor hij geregeld oppassing en verzorging nodig heeft, het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot 100% van de pensioengrondslag. Eén en ander voor zolang de hulpbehoevendheid duurt, doch uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-4. Voor de toepassing van het derde lid is de pensioengrondslag maximaal het bedrag van 261-maal het in het eerste lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bedoelde maximumdagloon.
-5. Het derde lid is niet van toepassing indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een verzekering inzake ziektekosten komen.
Art. F
6a. [MvT]
Het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid bedraagt het bedrag dat nodig is om de pensioenen en uitkeringen, bedoeld in artikel E 6a, aan te vullen tot 90,02% van de pensioengrondslag.
Art. F
6b. [MvT]
-1. Het arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is het bedrag dat nodig is om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vullen tot:
a. het in het tweede lid genoemde percentage van de pensioengrondslag; of
b. het in het derde lid genoemde percentage van de pensioengrondslag, dat geldt na afloop van de in artikel 21a van de WAO bedoelde periode, indien de beroepsmilitair de keuze heeft gemaakt om af te zien van de individuele bijverzekering tegen de gevolgen van de verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen in de periode, bedoeld in artikel 21b van de WAO.
-2. Het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 50,75%;
b. 55 tot 65%: 42%;
c. 45 tot 55%: 35%;
d. 35 tot 45%: 28%;
e. 25 tot 35%: 21%;
f. 15 tot 25%: 14%.
-3. Het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 47,25%;
b. 55 tot 65%: 39%;
c. 45 tot 55%: 32,5%;
d. 35 tot 45%: 26%;
e. 25 tot 35%: 19,5%;
f. 15 tot 25%: 13%.
Art. F
6c. [MvT]
-1. Het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bedraagt het bedrag dat nodig is om de pensioenen en uitkeringen, bedoeld in artikel E 6a, aan te vullen tot het in het tweede lid genoemde percentage van de pensioengrondslag.
-2. Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:
a. 65 tot 80%: 73,31%;
b. 55 tot 65%: 56,59%;
c. 45 tot 55%: 45,01%;
d. 35 tot 45%: 34,08%;
e. 25 tot 35%: 22,5%;
f. 15 tot 25%: 15%.
Art. F
6d. [MvT]
Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de beroepsmilitair de in de artikelen F 6 en F 6b bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.
Art. F
6e. [MvT]
-1. Indien het arbeidsongeschiktheidspensioen, het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, in voorkomend geval verhoogd met invaliditeitsverhoging en vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering en met de daarvoor in aanmerking komende inkomsten uit of in verband met arbeid en uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling, per maand minder bedraagt dan het minimumloon, wordt dat pensioen uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, verhoogd tot het bedrag van het minimumloon.
-2. De in het eerste lid genoemde verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen enerzijds het totaal van het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, in voorkomend geval verhoogd met de invaliditeitsverhoging, zonder de in het eerste lid genoemde verhoging, en de arbeidsongeschiktheidsuitkering en anderzijds de pensioengrondslag waarnaar het is berekend, en bedraagt tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
-3. Het in het eerste lid bedoelde arbeidsongeschiktheidspensioen, verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel de invaliditeitsverhoging is het pensioen na toepassing van de artikelen F 6 tot en met F 6c, dan wel de invaliditeitsverhoging na toepassing van artikel F 7.
-4. De voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid zijn de inkomsten, bedoeld in artikel V 4.
-5. De voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking te nemen uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling is de ontslaguitkering ter zake van hetzelfde ontslag als waaraan het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen wordt ontleend.
Art. F
6f. [MvT]
-1. De herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel E 6b, bedraagt het nadelig verschil tussen enerzijds de pensioengrondslag en anderzijds het totaal van de daarmee overeenkomende inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking, de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het arbeidsongeschiktheidspensioen dan wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen.
-2. Bij herplaatsing in een dienstbetrekking op grond waarvan de gewezen beroepsmilitair deelnemer is krachtens het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt bij de toepassing van het eerste lid als inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking aangemerkt het inkomen in de nieuwe dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3.1 van het vorengenoemde pensioenreglement.
-3. Bij herplaatsing in een dienstbetrekking op grond waarvan de gewezen beroepsmilitair geen deelnemer is krachtens het in het tweede lid genoemde pensioenreglement, wordt bij de toepassing van het eerste lid als inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking aangemerkt het inkomen dat wordt vastgesteld zoveel mogelijk met overeenkomstige toepassing van artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
-4. De loonsuppletie, bedoeld in artikel 60 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt gerekend tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking.
R.
[MvT]
Artikel F 6k wordt gewijzigd als volgt:
1. Artikel F 6k wordt vernummerd tot artikel F 6g.
2. In het eerste lid van het tot artikel F 6g vernummerde artikel F 6k wordt de zinsnede "bedoeld in artikel E 6, negende lid," vervangen door "bedoeld in artikel E 6, vierde lid," en vervalt de tweede volzin.
3. In het tweede lid van het tot artikel F 6g vernummerde artikel F 6k wordt de zinsnede "bedoeld in artikel E 6, tweede lid" vervangen door: bedoeld in artikel E 6, eerste lid.
S.
[MvT]
Artikel F 6l wordt gewijzigd als volgt:
1. Artikel F 6l wordt vernummerd tot artikel F 6h.
2. In het tot artikel F 6h vernummerde artikel F 6l wordt de zinsnede "de artikelen F 6 tot en met F 6k" vervangen door: de artikelen F6 tot en met F 6g.
T.
[MvT + bis]
Na artikel F 6h wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 6i.
Indien het niveau van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien in het sectoroverleg Defensie sociale partners anders overeenkomen binnen zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidspensioen en het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad.
U.
[MvT + bis]
Artikel F 7 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 7, eerste lid, is gelijk aan het bedrag overeenkomende met zoveel percent van de berekeningsgrondslag als het voor de gepensioneerde vastgestelde percentage van de invaliditeit met dienstverband, bedoeld in artikel E 11, bedraagt, in voorkomend geval verminderd met de som van de bedragen van:
a. indien het een invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, eerste volzin, betreft:
1º. de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
2º. het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6, dan wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a;
3º. het pensioen, bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º;
4º. in een voorkomend geval, de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10; en
5º. in een voorkomend geval, de uitkering krachtens de Suppletieregeling defensiepersoneel;
b. indien het een invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7, eerste lid, tweede volzin, betreft:
1º. het pensioen, bedoeld in artikel E 6, tweede lid;
2º. het pensioen, bedoeld in artikel E 6, vierde lid; en
3º. de in onderdeel a, onder 3º en 4º, bedoelde bedragen.
2. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 7, tweede lid, onderdeel b, gelijk aan het bedrag overeenkomende met zoveel percent van de berekeningsgrondslag als het voor hem vastgestelde percentage van de invaliditeit met dienstverband, bedoeld in artikel E 11, bedraagt, in voorkomend geval verminderd met de som van de bedragen van:
1º. de arbeidsongeschiktheidsuitkering; en
2º. het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 3, vierde lid, dan wel artikel E 4, tweede lid;
3º. het pensioen, bedoeld in artikel E 3, vijfde lid, dan wel artikel E 4, derde lid.
3. In het derde lid vervallen de tweede en derde volzin.
4. In het vijftiende lid wordt de zinsnede "ingevolge de leden zestien tot en met negentien" vervangen door: ingevolge het zestiende tot en met achttiende lid.
5. In het zestiende lid wordt de zinsnede "artikel E 4, onderdeel b," vervangen door: artikel E 4, eerste lid, onderdeel b.
6. In het achttiende lid wordt "waarin artikel V 4 toepassing heeft gevonden" vervangen door "waarin artikel V 4a toepassing heeft gevonden" en wordt "dat ingevolge artikel V 4 voor vermindering in aanmerking komt" vervangen door: dat ingevolge artikel V 4a voor vermindering in aanmerking komt.
7. Het negentiende lid vervalt.
8. Het twintigste lid wordt vernummerd tot negentiende lid.
V.
[MvT]
Aan artikel F 8 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-3. Indien sprake is van een ontslag dat is gelegen op of na 1 januari 1998, bedraagt de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 8, 30 percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
W.
[MvT]
Artikel F 9a wordt vervangen door:
Art. F 9a.
-1. De bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel a, bedraagt 20 percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
-2. De bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel b, bedraagt 10 percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
-3. De bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 9a, eerste lid, onderdeel c, bedraagt 5 percent van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel F 7.
X.
[MvT]
Artikel F 10b wordt gewijzigd als volgt:
1. In het vijfde lid wordt de zinsnede "als bedoeld in artikel E 6, negende lid," vervangen door: als bedoeld in artikel E 6, vierde lid,.
2. In het zesde lid wordt de zinsnede "als bedoeld in artikel E 6, negende lid," vervangen door: als bedoeld in artikel E 6, vierde lid,.
Y.
[MvT]
In artikel F 11 wordt de zinsnede "Het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, de eventuele aanvulling, het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E 6," vervangen door: Het arbeidsongeschiktheidspensioen en het aanvullend diensttijdpensioen, bedoeld in artikel E 6, het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 3, vierde lid, artikel E 4, tweede lid, en artikel E 6a,.
Z.
[MvT + bis]
Na artikel F 13 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 14.
Onze Minister kan een maatregel, dan wel een boete opgelegd ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op zoveel mogelijk overeenkomstige wijze opleggen ten aanzien van een arbeidsongeschiktheidspensioen, een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, in voorkomend geval verhoogd met een invaliditeitsverhoging.
AA.
[MvT]
In artikel J 1, vierde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede "pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6," vervangen door: arbeidsongeschiktheidsuitkering en arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6, dan wel verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6a,.
BB.
[MvT]
Aan artikel K 2 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. Ten aanzien van de beroepsmilitair, bedoeld in het eerste lid, voor wie de beslissing tot handhaving in militaire dienst is genomen op of na 1 januari 1998 zijn de artikelen E 9a, F 8, derde lid, en F 9a van overeenkomstige toepassing.
CC.
[MvT]
In artikel K 3, zesde lid, wordt de zinsnede "de artikelen F 7a en F 9a" vervangen door: de artikelen F 7a en F 6e.
DD.
[MvT]
Artikel R 2 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door:
a. het ouderdomspensioen, bedoeld in deze wet, en het pensioen van nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel 28 van de Wet privatisering ABP; alsmede.
2. In het derde lid wordt "overeenkomstig artikel F 6c, tweede lid," vervangen door: overeenkomstig artikel F 6b, eerste lid, onderdeel b,.
EE.
[MvT]
In artikel S 2 wordt de zinsnede "alsmede - behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel F 6h, tweede lid - omtrent de toekenning, wijziging of intrekking van het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel E 6," vervangen door: alsmede omtrent de toekenning, wijziging of intrekking van het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6, dan wel het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a,.
FF.
[MvT]
In artikel T 5, eerste lid, wordt de zinsnede "krachtens artikel E 2, eerste lid, onderdeel c, of krachtens artikel E 5, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6," vervangen door: krachtens artikel E 2, onderdeel c, of krachtens artikel E 5, een arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6, dan wel een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6a,.
GG.
[MvT]
In artikel U 1, tweede lid, wordt de zinsnede "krachtens artikel E 2, eerste lid, onderdeel c," vervangen door: krachtens artikel E 2, onderdeel c,.
HH.
[MvT + bis]
Artikel U 3 komt te luiden:
Art. U 3.
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan:
a. het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6;
b. het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in artikel E 6a;
c. de invaliditeitsverhoging en het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 7;
d. de bijzondere invaliditeitsverhoging, bedoeld in artikel E 8 en E 9.
-2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder toelage verstaan: de herplaatsingstoelage, bedoeld in artikel E 6b.
-3. Onze Minister beslist over de toekenning van een pensioen of een toelage op schriftelijk verzoek door of namens betrokkene. De bescheiden die Onze Minister nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen te worden overgelegd.
-4. Onze Minister is bevoegd ambtshalve een pensioen of een toelage toe te kennen.
-5. Het pensioen of de toelage gaat in op de dag waarop het recht daarop ontstaat, met dien verstande dat het niet vroeger ingaat dan één jaar vóór de eerste dag van de maand waarin het verzoek werd ingediend of waarin door Onze Minister ambtshalve toekenning plaatsvond.
II.
[MvT + bis]
Artikel V 4 komt te luiden:
Art. V 4.
-1. Indien de gewezen militair die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidspensioen of een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft, wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen of het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen verminderd met het bedrag waarmee de som van het arbeidsongeschiktheidspensioen, het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen, de arbeidsongeschiktheidsuitkering en de inkomsten uit of in verband met arbeid het bedrag van de pensioengrondslag overschrijdt.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de inkomsten uit of in verband met arbeid langer dan twee jaren vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid werden genoten en de omvang van de arbeid niet is toegenomen.
-3. Indien ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gewezen militair een invaliditeit met dienstverband is vastgesteld, mag door toepassing van dat lid de pensioensom niet dalen beneden een bedrag gelijk aan zoveel percent van de berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met dienstverband beloopt.
-4. Het eerste tot en met het derde lid worden toegepast uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de gewezen militair de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-5. De gewezen militair voor wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onderdeel b, of artikel E 2, onderdeel c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 4º, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid, bestaat, heeft slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer bedraagt dan eerder bedoeld pensioen.
-6. Onze Minister kan met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid nadere en, zo nodig, aanvullende of afwijkende regels stellen.
JJ.
[MvT + bis]
Artikel V 4a komt te luiden:
Art. V 4a.
-1. Artikel V 4 is niet van toepassing op de gepensioneerde militair die aanspraak heeft op:
a. een pensioen ter zake van ziekte of gebreken krachtens een vroegere militaire pensioenwet;
b. een pensioen ingevolge artikel E 3, eerste lid, onderdeel c, onder 1º, dan wel op een invaliditeitspensioen ingevolge artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid.
-2. Indien de gepensioneerde militair, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, aanspraak heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het pensioen, de invaliditeitsverhoging of het invaliditeitspensioen, bedoeld in het eerste lid. Bedoelde vermindering blijft achterwege indien de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend door duidelijk geheel andere ziekten of gebreken is veroorzaakt dan die tot de aanspraak op dat pensioen, die invaliditeitsverhoging of dat invaliditeitspensioen hebben geleid.
-3. Bij een vermindering ingevolge het tweede lid blijft van het pensioen, de invaliditeitsverhoging of het invaliditeitspensioen waarop reeds aanspraak bestond onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, is ingetreden of naar het oordeel van Onze Minister in redelijkheid geacht kan worden te zijn ingetreden, een bedrag buiten de vermindering gelijk aan zoveel percent van de berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met dienstverband beloopt.
-4. Het tweede en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien aanspraak bestaat op:
a. ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet;
b. een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, Aruba of een vreemde mogendheid;
c. een door Onze Minister aangewezen uitkering welke naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of b.
-5. Indien de gepensioneerde militair, bedoeld in het eerste lid, inkomsten geniet uit of in verband met arbeid, de daaraan verbonden werkzaamheden niet een kennelijk tijdelijk karakter hebben en de som van het bedrag van het pensioen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de inkomsten omgerekend op jaarbasis de grondslag waarnaar het pensioen is berekend, overschrijdt, wordt het bedrag van die overschrijding voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het pensioen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. De eerste volzin lijdt uitzondering voor zover het betreft inkomsten uit of in verband met arbeid verricht of uitgeoefend gelijktijdig met de uitoefening van de betrekking uit hoofde waarvan recht op pensioen is ontstaan, dan wel uit of in verband met de voor die arbeid in de plaats gekomen werkzaamheden. Een uit hoofde van hetzelfde ontslag naast het pensioen toegekend wachtgeld wordt voor de toepassing van dit lid niet tot de inkomsten uit of in verband met arbeid gerekend.
-6. Indien ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gepensioneerde militair een invaliditeit met dienstverband is vastgesteld, mag door toepassing van het vijfde lid de pensioensom niet dalen beneden een bedrag gelijk aan zoveel percent van de berekeningsgrondslag waarnaar de invaliditeitsverhoging is of zou zijn berekend, als het percentage van de invaliditeit met dienstverband beloopt.
-7. Het eerste tot en met het zesde lid worden toegepast uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de gewezen militair de leeftijd van 65 jaar bereikt.
-8. De ontslagen militair voor wie naast een pensioen krachtens artikel E 1, onderdeel b, of artikel E 2, onderdeel c, met welk pensioen diensttijd als bedoeld in artikel D 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2º en 4º, is vergolden, recht op een invaliditeitspensioen krachtens artikel E 3, tweede lid, of artikel E 4, eerste lid, bestaat, heeft slechts recht op betaling van dat invaliditeitspensioen voor zoveel dat meer bedraagt dan eerder bedoeld pensioen.
-9. Bij de toepassing van dit artikel dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met het overgangsrecht behorende bij artikel V 4, zoals dat gold op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 1 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 50 van die wet.
-10. Onze Minister kan met betrekking tot het eerste tot en met het negende lid nadere en, zo nodig, aanvullende of afwijkende regels stellen.
KK.
[MvT]
In artikel X 4 wordt de zinsnede "een pensioen, een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6 eventueel verhoogd met een aanvulling als bedoeld in het zesde lid van dat artikel of een hoger zodanig pensioen of aanvulling" vervangen door: een arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6 of een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel E 6a.
LL.
[MvT]
In artikel Y 17, eerste lid, wordt artikel "V 4" vervangen door: V 4a.
MM.
[MvT]
In artikel Y 22, vijfde lid, wordt de zinsnede "artikel F 6k, tweede lid," vervangen door: artikel F 6g, tweede lid,.
NN.
[MvT]
In artikel Z 9 wordt de zinsnede "de artikelen D 5, zesde lid, en E 2, eerste lid, onderdeel c, en F 6a, eerste lid" vervangen door: de artikelen D 5, zesde lid, E 2, onderdeel c, F 6, tweede lid, en F 6b, tweede lid.

 

Art. 74. Vervallen[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2002, 69]

 

Art. 75. [Wijziging Zfw m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
In artikel 3, vijfde lid, van de Ziekenfondswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet de zinsnede "een arbeidsverhouding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, van artikel 6 van de Ziektewet" vervangen door: een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Ziektewet dan wel artikel 8b van die wet.

 

Art. 76. [Wijziging Zfw m.i.v. fase 2]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 1999, 185]
De Ziekenfondswet wordt met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 3, vierde lid, onderdeel a,
a. tweede gedachtestreepje, wordt aan het slot toegevoegd: niet zijnde de uitkering van een overheidswerknemer in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of van een gewezen overheidswerknemer, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
b. vierde gedachtestreepje, wordt achter de zinsnede "hoofdstuk IV van die wet" toegevoegd: , niet zijnde de uitkering van een overheidswerknemer in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of van een gewezen overheidswerknemer.
B.
Aan het slot van artikel 3 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, categorieën van personen behorende tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde personen aanwijzen die, indien zij de wens daartoe te kennen geven, niet verzekerd zijn ingevolge deze wet. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de eerste volzin.

 

Art. 77. [Intrekking Wet Stichting USZO m.i.v. fase 1]  [GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet wordt de Wet Stichting USZO ingetrokken.

 

Art. 78. [Wijziging WOR]  [Geschiedenisversie 24 december 1997]
Aan artikel 46d, onderdeel g, van de Wet op de ondernemingsraden wordt na de laatste volzin een volzin toegevoegd, luidende: De heffing wordt met toepassing van artikel 90, vijfde en zesde lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen geïnd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

 

 

HOOFDSTUK  4

Overige en slotbepalingen

 

Art. 79. [Statistische informatie]  [Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 1997, 768Stb. 2000, 561]
-1. Op verzoek van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle statistische informatie die zij wenselijk acht in verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid.
-2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen omtrent de verstrekking van de statistische informatie, bedoeld in het eerste lid.
 
 
 
Art. 80.
[Gebruik BSN] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 1997, 768Stb. 2000, 571Stb. 2009, 108]
-1. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer kan in een persoonsregistratie worden opgenomen en bij het verstrekken van gegevens daaruit worden gebruikt door een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert.
-2. De organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, gebruikt het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer slechts:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft;
b. in contacten met de personen en instanties, voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer in een persoonsregistratie.
-3. Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek, dan wel op grond van een dwingende en gewichtige reden, kan desgevraagd een burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, een sociaal-fiscaal nummer aan een derde worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerde daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
 
 
 
Art. 81.
[Bevoegdheden ARK] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 1997, 768Stb. 2002, 413]
De Algemene Rekenkamer heeft met betrekking tot de uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag en werkloosheid ten aanzien van een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, de in artikel 91 van de Comptabiliteitswet 2001 vermelde bevoegdheden.
 
 
 
Art. 82.
[Gegevensverstrekking door UWV] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 1997, 768Stb. 2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt op verzoek aan een organisatie die één of meer uitkeringsregelingen ter zake van ziekte, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle gegevens en inlichtingen die de betreffende organisatie nodig acht voor de uitvoering van de desbetreffende uitkeringsregeling.
 
 
 
Art. 83.
[Verval artikelen | Verlengde werkingsduur ZW- en WW-bepalingen | Omhanging Faseringsbesluit] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2011, 4]
-1. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, bedoeld in artikel 54, komen de artikelen 79, 80, 81 en 82 te vervallen.
-2. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden bepaald dat tot een daarin te bepalen tijdstip:
a. niet als dienstbetrekking in de zin van de WW of de ZW wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van deze wet; of
b. artikel 8a van de ZW niet van toepassing is op degene die uitsluitend uit hoofde van één of meer arbeidsverhoudingen als overheidswerknemer, dan wel uitsluitend uit hoofde van één of meer voormalige arbeidsverhoudingen als gewezen overheidswerknemer, een uitkering ontvangt op grond van de verplichte verzekering op grond van de WAO.
-3. Het in het tweede lid bedoelde tijdstip kan voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a van dat lid, alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op een uitkering op grond van de WAO als bedoeld in onderdeel b van dat lid, verschillend worden vastgesteld.
-4. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, kunnen nadere regels worden gesteld.
-5. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet berust het Faseringsbesluit overheidswerknemers onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet op het tweede tot en met vierde lid van dit artikel.
 
 
 
Art. 84.
[Statistische informatie] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561]
-1. Op verzoek van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt een organisatie die één of meer bovenwettelijke regelingen ter zake van ziekte, arbeidsongeschiktheid, ontslag of werkloosheid van overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers uitvoert, kosteloos alle statistische informatie die zij wenselijk acht in verband met zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid.
-2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen omtrent de verstrekking van de statistische informatie, bedoeld in het eerste lid.
 
 
 
Art. 85.
Vervallen
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 628]
 
 
 
Art. 86.
[Geen UWV-onderzoek tot van toepassing worden ZW] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2001, 625Stb. 2008, 600]
Artikel 32, eerste en tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is niet van toepassing op een overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, of een overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, tot het tijdstip waarop ingevolge deze wet de ZW op hem van toepassing wordt.
 
 
 
Art. 87.
[Uitvoering OOW door Lisv/UWV m.i.v. fase 1] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997Stb. 2001, 625]
-1. Onverminderd artikel 38, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van die wet, met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet tot taak uitvoering te geven aan de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. Onverminderd artikel 30, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van die wet, met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van die wet voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
 
 
 
Art. 88.
Vervallen
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
 
 
 
Art. 89.
[Premie t.g.v. Aof tot aanvang fase 2] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997]
-1. Met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet tot en met de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in artikel 53, komt de premie op grond van de WW, bedoeld in de artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW, over de uitkering op grond van de WAO van een overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, of een gewezen overheidswerknemer, in afwijking van artikel 92, onderdeel a en b, van de WW, niet ten gunste van het wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van die wet, of het Algemeen Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103 van die wet, maar van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO. De eerste volzin is slechts van toepassing indien de werkzaamheden met betrekking tot de in die volzin bedoelde uitkering worden verricht door een rechtspersoon die de in artikel 41, eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bedoelde werkzaamheden uitsluitend verricht voor één of meer sectoren of sectoronderdelen waarbij geen andere dan overheidswerkgevers als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, zijn aangesloten.
-2. Ingeval het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, of een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid, van die wet de aan een overheidswerknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, toegekende uitkering op grond van de WAO, bedoeld in artikel 10, eerste of tweede lid, van die wet, aan een overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, betaalt met het oogmerk die uitkering door diens tussenkomst te doen uitbetalen:
a. wordt, in afwijking van artikel 10, derde lid, van de WAO, voor zover dat lid betrekking heeft op de premie op grond van de artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW, de bedoelde uitkering niet vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premie op grond van de WW en wordt die uitkering verminderd met het door de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer verschuldigde deel van de premie op grond van die wet;
b. treedt, in afwijking van artikel 10, derde lid, van de WAO, voor zover dat lid betrekking heeft op de premie op grond van de artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW, de overheidswerkgever niet in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de uitvoeringsinstelling;
c. wordt, zo nodig in afwijking van artikel 28 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, voor de inhouding inzake werkloosheid, bedoeld in artikel 31 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, onder loon verstaan de op de WAO-uitkering aanvullende bezoldiging.
-3. Het eerste en het tweede lid gelden uitsluitend voor uitkeringen op grond van de WAO die betrekking hebben op de periode tot aan het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in artikel 53.
 
 
 
Art. 90.
[Vermindering/vermeerdering werkgeverspremie tot aanvang fase 2] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 376Stb. 2000, 490Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
-1. Het bedrag dat de overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet betalen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel 76a van de WAO, wordt verminderd met het door het Landelijk instituut sociale verzekeringen overeenkomstig het tweede lid vastgestelde, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO, komende bedrag dat bedoeld is om de over uitkeringen op grond van de WAO van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en gewezen overheidswerknemers verschuldigde premies op grond van de WW ten gunste te laten komen van de overheidswerkgevers. De in de eerste volzin bedoelde vermindering vindt plaats zo spoedig mogelijk na het in het tweede lid bedoelde, betreffende kalenderjaar.
-2. Het in het eerste lid bedoelde te verminderen bedrag wordt berekend door de uitkomst van een breuk waarvan:
a. de teller wordt gevormd door het totaal van de over een kalenderjaar ontvangen premies op grond van de artikelen 85, derde lid, en 86 van de WW over het totaal van de in het betreffende kalenderjaar uitbetaalde uitkeringen op grond van de WAO van overheidswerknemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, en gewezen overheidswerknemers, vermeerderd met de over dat bedrag ontvangen rente en onder aftrek van:
1º. een bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, vastgesteld bedrag dat volgens een bij die ministeriële regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan de wachtgeldfondsen, bedoeld in artikel 102 van de WW, of het Algemeen werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel 103 van de WW; en
2º. de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde uitvoeringskosten van de toepassing van artikel 89 en het eerste lid; en
b. de noemer wordt gevormd door de som van de voor het totaal van de overheidswerkgevers vastgestelde premieloon voor de heffing van de in het eerste lid bedoelde premie in het betreffende kalenderjaar gedeeld door het premieloon voor de heffing van de in het eerste lid bedoelde premie van de betreffende overheidswerkgever in dat kalenderjaar.
-3. Het bedrag dat de overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet betalen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel 76a van de WAO, wordt verminderd met het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomstig het vierde lid vastgestelde, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 72 van de WAO, komende bedrag dat bedoeld is om het na de in artikel 44, negende lid, bedoelde liquidatie van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel resterende vermogen van dat fonds ten gunste te laten komen van de overheidswerkgevers.
-4. Het in het derde lid bedoelde te verminderen bedrag wordt volgens bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 44, negende lid, te stellen regels vastgesteld. De in het derde lid bedoelde vermindering vindt niet eerder plaats dan nadat de in artikel 44, negende lid, bedoelde liquidatie van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel is afgerond en vindt, zoveel mogelijk, plaats in de maand na de maand waarin de bedoelde liquidatie is afgerond.
-5. Het bedrag dat de overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, moet betalen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in verband met de door hem verschuldigde premie, bedoeld in artikel 76a van de WAO, wordt vermeerderd met het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen overeenkomstig het zesde lid vastgestelde bedrag.
-6. Het in het vijfde lid bedoelde te vermeerderen bedrag is het door de overheidswerkgever verschuldigde door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde bedrag van de heffing, bedoeld in artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden.
-7. De in het eerste en derde lid bedoelde vermindering en de in het vijfde lid bedoelde vermeerdering vervallen met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet, bedoeld in artikel 53.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden bepaald dat het totaal van de in een kalenderjaar verschuldigde premie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, dat na aftrek van de in het tweede lid, onderdeel a, onder 1º en 2º, bedoelde bedragen resteert, in afwijking van het eerste lid geheel of gedeeltelijk kan worden gebruikt voor de bekostiging van uitgaven in verband met het onder de werkingssfeer van de WW en de ZW brengen van het overheidspersoneel. In deze algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de in de eerste volzin bedoelde bekostiging. [BbiWZo]
 
 
 
Art. 90a. [OOW-uitgaven na aanvang fase 2 t.l.v. Ufo] 
[GeschiedenisStb. 2000, 561]
Betalingen die na het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53, worden gedaan als uitgave in verband met het onder de werkingssfeer van de WW en de ZW brengen van het overheidspersoneel, komen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel 104 van de WW.
 
 
 
Art. 91.
Vervallen
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
 
 
 
Art. 92. Vervallen
[Geschiedenisversie 24 december 1997Stb. 1997, 768Stb. 2000, 561Stb. 2001, 625]
 
 
 
Art. 93. [Citeertitel] 
[Geschiedenisversie 24 december 1997]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
 
 
 
Art. 94.
[Inwerkingtreding] 
[GeschiedenisMvTversie 24 december 1997]
-1. Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Bij koninklijk besluit wordt bepaald met ingang van welk tijdstip de fase 1 van deze wet, de fase 2 van deze wet en de fase 3 van deze wet aanvangen.¹
-3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde tijdstip kan voor de verschillende artikelen, onderdelen of subonderdelen daarvan alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers verschillend worden vastgesteld.
-4. In afwijking van het eerste en tweede lid treden de artikelen 35 tot en met 42 in werking met ingang van 1 oktober 1997. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 1997, treden de in de eerste volzin genoemde artikelen in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werken zij terug tot en met 1 oktober 1997.
 
1. Bij Besluit van 24 december 1997, Stb. 1997, 769, is het tijdstip van inwerkingtreding alsmede het tijdstip van aanvang van fase 1 bepaald op 1 januari 1998; bij Besluit van 17 juli 1999, Stb. 1999, 354, is het tijdstip van aanvang van fase 2 en 3 bepaald op 1 januari 2001; bij Besluit van 6 juni 2000, Stb. 2000, 255, is het Besluit van 17 juli 1999 gewijzigd en is het tijdstip van inwerkingtreding van fase 3 bepaald op 1 januari 2003; bij Besluit van 13 juni 2002, Stb. 2002, 343, is het Besluit van 17 juli 1999 nogmaals gewijzigd en is fase 3 afgesteld.
 
 
 
 
 
     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
 
 
 
Gegeven te Het Oude Loo, 24 december 1997

 

BEATRIX

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal

De Staatssecretaris van Defensie,
J.C. Gmelich Meijling

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers

 

Uitgegeven de dertigste december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x