|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1996-1997,
25 282
Het onder de
werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel (Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Inhoud en opbouw van
het algemeen deel van de toelichting |
| 1.2 |
Samenvatting van het
voorstel |
| 1.3 |
Aanleiding voor het
voorstel |
| 1.4 |
Voorgeschiedenis van
het voorstel |
| 2 |
Advisering
over het wetsvoorstel |
| 2.1 |
Inleiding inzake de
adviezen van de ROP en het Tica en overige adviezen |
| 2.2 |
Het advies van de ROP
van 17 oktober 1996 |
| 2.3 |
Het
advies van het Tica van 16 oktober 1996 |
| 2.4 |
Advies van de
Ziekenfondsraad van 24 februari 1994 |
| 2.5 |
De reactie van de
Algemene Rekenkamer van 2 januari 1995 |
| 3 |
Inhoud
van het voorstel |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
Rechten en
verplichtingen in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid |
| 3.3 |
Invoering van de WW
voor de overheidssector |
| 3.4 |
Invoering van de ZW
voor de overheidssector |
| 3.5 |
Organisatie van de
uitvoering van de WAO en WW voor de overheidssector |
| 3.6 |
Invoeringsscenario
OOW |
| 4 |
Openstelling
van de werknemersverzekeringen |
| 4.1 |
Toepassing van de
wettelijke werknemersverzekeringen |
| 4.2 |
Bovenwettelijke
regelingen |
| 5 |
Overgangsrecht |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Karakter van het
overgangsrecht |
| 5.3 |
Inhoud en strekking
van het overgangsrecht |
| 6 |
Ziektekostenverzekering
van het overheidspersoneel |
| 7 |
Controlebevoegdheden
van de Algemene Rekenkamer |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk 1, paragraaf 1 |
| xxx |
Artikel
1 |
| Hoofdstuk 1,
paragraaf 2 en
3 |
| x |
Artikelen
2, 6, 11 en 21 |
| Hoofdstuk
1, paragraaf 2, afdeling 1, en paragraaf 3, afdeling 1: de
artikelen 2 tot en met 5 en 11 tot en met 20 |
| x |
Artikelen
2 t/m 5 en 11 t/m 20 |
| Hoofdstuk 1, paragraaf 2,
afdeling 2, en paragraaf 3, afdeling 2: de artikelen 6 tot en met
9 en 21 tot en met 28 |
| x |
Artikelen
6 t/m 9 en 21 t/m 28 |
| Hoofdstuk 1, paragraaf 2,
afdeling 3, en paragraaf 3, afdeling 3: de artikelen 10 en 29 |
| x |
Artikelen
10 en 29 |
| Hoofdstuk 1, paragraaf 4:
de artikelen 30 tot en met 34 |
| x |
Artikelen
30 t/m 34 |
| Hoofdstuk 1, paragraaf 5 |
| x |
Artikelen
35 t/m 41 |
| Hoofdstuk 1, paragraaf 6 |
| x |
Artikelen
42 t/m 45 |
| Hoofdstuk 2 |
| x |
Artikelen
46 t/m 65 |
| Hoofdstuk
3 |
| x |
Artikelen
66 t/m 75 |
| Hoofdstuk
4 |
| x |
Artikelen
76 t/m 81 |
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. Inhoud en opbouw van
het algemeen deel van de toelichting
Dit deel van de
toelichting is als volgt opgebouwd.
Een samenvatting van de
strekking en inhoud van het voorliggende voorstel is opgenomen in
paragraaf 1.2.
In hoofdstuk 1 wordt
verder ingegaan op de aanleiding voor het voorstel (paragraaf
1.3)
en de voorgeschiedenis (paragraaf 1.4).
In hoofdstuk 2 wordt
ingegaan op de adviezen over het wetsvoorstel en de reactie van de
regering op die adviezen.
Hoofdstuk 3 betreft de
inhoud van het wetsvoorstel. Ingegaan wordt onder meer op de
openstelling van de werknemersverzekeringen, het overgangsrecht, het financieringsregime en de uitvoering. Tevens wordt
aandacht besteed aan de
relatie met de ziektekostenverzekering van het overheidspersoneel.
In afzonderlijke
hoofdstukken wordt ingegaan op de techniek van openstelling van de werknemersverzekeringen in het licht van de
voorgestelde gefaseerde
invoering (hoofdstuk 4), op karakter en de inhoud en strekking van
het overgangsrecht inzake de bestaande rechten (hoofdstuk 5), op de
relatie tussen het voorliggende voorstel en de Ziekenfondswet
(hoofdstuk 6) en op de gevolgen van dit voorstel voor de controlebevoegdheid van
de Algemene Rekenkamer inzake de uitvoering en financiering van de
sociale zekerheid van het overheidspersoneel (hoofdstuk 7).
1.2. Samenvatting van het
voorstel
1.2.1. Overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen
Het onderhavige
wetsvoorstel Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
(OOW) strekt tot het onder de werkingssfeer van de wettelijke
werknemersverzekeringen brengen van het rblz.|2|
overheidspersoneel.
Ingevolge dit voorstel worden de overheidswerknemers rechtstreeks opgenomen in
de kring van verzekerden op grond van de Ziektewet
(ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de
Werkloosheidswet (WW). Uit hoofde van bedoelde verzekering hebben deze
werknemers na implementatie van dit voorstel volgens de in de ZW, de
WAO en de WW opgenomen voorwaarden rechtstreeks recht op
uitkeringen en overige verstrekkingen op grond van die wetten. De in dit
verband noodzakelijke wijzigingen in de ZW, de WAO en de WW alsmede in
diverse andere wetten zijn in het onderhavige voorstel opgenomen.
Met het oog op het onder
de werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel
dient niet alleen een groot aantal wetten te worden aangepast, maar
dienen bovendien de bestaande ambtelijke rechtspositieregelingen
te worden aangepast. In de ambtelijke regelingen dient namelijk een
scheiding te worden aangebracht tussen het met de werknemersverzekeringen
overeenkomende deel van de aanspraken en het aanvullende ofwel
bovenwettelijke deel van de aanspraken. Vanaf de invoering van de OOW
zouden de ambtelijke rechtspositieregelingen in de visie van de
regering uitsluitend nog de op de werknemersverzekeringen aanvullende,
bovenwettelijke aanspraken dienen te regelen. De aanpassing van de ambtelijke regelingen is
- gelet op het arbeidsvoorwaardelijke
karakter van die regelingen - een zaak voor de sociale partners bij de overheid.
1.2.2. Aanleiding voor
het voorstel
De aanleiding voor
het
voorliggende voorstel is gelegen in het volgende.
In de eerste plaats kan
worden gewezen op het regeringsbeleid inzake de normalisering van de
arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen van het overheidspersoneel. Dit beleid houdt in dat de totstandkoming
van de arbeidsvoorwaarden
en de arbeidsverhoudingen van het overheidspersoneel gelijkgemaakt wordt met wat voor de marktsector geldt, tenzij de
bijzondere positie van de overheidswerkgever noodzaakt tot afwijkingen. Het
vorenbedoelde regeringsbeleid inzake normalisering strekt zich ook uit tot
het terrein van de sociale zekerheid van het overheidspersoneel. Zie
verder subparagraaf 1.2.3.
In de tweede plaats wordt
geconstateerd dat voor de doorvertaling van wijzigingen in de sociale
zekerheid die ook voor het overheidspersoneel gewenst zijn steeds afzonderlijke maatregelen noodzakelijk zijn. Een
voorbeeld betreft de
doorvertaling van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA). Het onder de werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel neemt de noodzaak van dergelijke
afzonderlijke maatregelen voor dat personeel weg. Wijzigingen in de sociale
zekerheid voor werknemers gelden dan zowel voor de werknemers in de
marktsector als voor het overheidspersoneel.
1.2.3. Normalisering van
de sociale zekerheid van het overheidspersoneel
De regering is van
opvatting dat de normalisering van de sociale zekerheid van het overheidspersoneel inhoudt dat hetzelfde systeem van
sociale zekerheid zal
gelden voor de overheid en de marktsector. De sociale zekerheid kent
drie hoofdelementen:
a. rechten en verplichtingen;
b. financiering; en
c. organisatie van de
uitvoering.
Deze drie elementen zijn
in het stelsel van sociale zekerheid van de marktsector nauw met
elkaar verweven. De invoering van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) versterkt nog de rblz.|3|
verwevenheid tussen de
elementen financiering en uitvoering. Dit vanwege de positie van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] dat zowel opdrachtgever
van de uitvoeringsinstellingen als beheerder van de sociale fondsen
zal zijn. De vorenbedoelde verwevenheid leidt ertoe dat een gelijkmaking tussen overheid en marktsector die beperkt
blijft tot één of twee
van de genoemde hoofdelementen een gecompliceerde situatie schept,
aangezien het element dat niet wordt gelijkgemaakt inbreuken op de andere
elementen veroorzaakt.
De normalisering die de
regering in het kader van OOW voor ogen staat, houdt dan ook een
gelijkmaking in wat alle drie hoofdelementen van de sociale zekerheid
betreft. In de opvatting van de regering is invoering van de
werknemersverzekeringen pas aan de orde op het moment dat voor de
overheid en de marktsector dezelfde rechten en verplichtingen, dezelfde
wijze van financiering en dezelfde organisatie van de uitvoering kunnen
worden ingevoerd.
1.2.4. Inhoud van het
voorstel op hoofdlijnen
Met betrekking tot de
inhoud van het
voorliggende voorstel komen in deze paragraaf de
volgende onderwerpen aan de orde:
a. de invoering van de
WAO (zie subparagraaf 1.2.4.1);
b. de invoering van de WW
(zie subparagraaf 1.2.4.2);
c. de invoering van de ZW
(zie subparagraaf 1.2.4.3);
d. het tijdstip waarop de
verschillende werknemersverzekeringen voor de verschillende groepen
overheidswerknemers worden opengesteld (het invoeringsscenario) (zie
subparagraaf 1.2.4.4).
In subparagraaf 1.2.4.5
wordt nog ingegaan op de door de regering voorgestelde wijze van
betrokkenheid van de beide kamers der Staten-Generaal bij de totstandkoming van bepaalde algemene maatregelen van
bestuur op basis van de voorgestelde OOW.
1.2.4.1. Invoering van de
WAO
De
WAO wordt met ingang
van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (waarbij wordt
uitgegaan van 1 januari 1998) opengesteld voor het overheidspersoneel.
Bij arbeidsongeschiktheid
heeft het overheidspersoneel recht op een WAO-uitkering. Voor dat
personeel gelden verder de in de WAO opgenomen overige rechten
en de in die wet opgenomen verplichtingen. Er geldt een uniform
financieringsregime voor overheid en marktsector. Dat zal het
financieringsregime zijn zoals dat beoogd wordt met de inwerkingtreding van de
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba). Het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP)
wordt alsdan opgeheven en de
financiering van de WAO-lasten van de overheid en de marktsector geschiedt
vervolgens vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds en vanuit de
Arbeidsongeschiktheidskas (voor zover geen eigenrisicodrager in de zin
van de WAO). Het Lisv is verantwoordelijk voor de uitvoering van de WAO
voor het overheidspersoneel en sluit ter zake een overeenkomst met een
uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv
1997.
1.2.4.2. Invoering van de
WW
a. Wat de
WW betreft,
stelt de regering het volgende voor. De door de regering aanvaarde nota
"Werken aan zekerheid" (WAZ-nota) is voor advies voorgelegd aan de
Sociaal-Economische Raad (SER). Er zal, met
inachtneming van de in de
WAZ-nota geformuleerde doelstelling ten aanzien van de
premiedifferentiatie in de WW, parallel onderzoek gedaan worden naar de merites
van de varianten ten aanzien van de financiering van de WW. Er zal niet
alleen worden gekeken naar de marktsector, maar rblz.|4|
er zal tevens worden
gekeken naar de overheidssector. Zo zal onder meer worden bezien op welke
wijze het financieringsregime bij werkloosheid thans functioneert binnen
de overheidssector (eigenrisicodragerschap) en welke effecten, voor-
en nadelen dat regime heeft. Daarbij is onder andere de vraag aan de
orde naar de volume-effecten van prikkels in de richting van de
werkgevers. De regering is daarnaast van mening dat voor de overheidssector in het
kader van OOW een stabiel financieringsregime WW moet worden ingevoerd
en wil niet de kans lopen dat het financieringsregime
binnen enkele jaren na de invoering daarvan op belangrijke onderdelen
gewijzigd zal moeten worden. Deze noodzakelijke stabiliteit wordt bereikt
nadat de besluitvorming naar aanleiding van het vorenvermelde onderzoek
zal hebben plaatsgevonden. Volgens planning moet dat onderzoek
uiterlijk in het eerste kwartaal van 1998 zijn afgerond. In afwachting van het
resultaat van het onderzoek naar aanleiding van de WAZ-nota en de
besluitvorming van de regering ter zake zal de WW voorlopig niet worden
ingevoerd voor het overheidspersoneel.
Over de invoering van de
integrale WW (financiering, uitvoering en aanspraken) zal worden
besloten mede op basis van de rapportage van bovengenoemd onderzoek. Indien de regering in 1998 zou beslissen dat
de huidige WW zonder
wijziging ten aanzien van het financieringsregime moet gelden voor de
overheidssector, is invoering van de WW op zijn vroegst per 1 januari
1999 mogelijk. Ingeval de regering zou besluiten het financieringsregime van
de WW te wijzigen en de aldus gewijzigde WW ook voor de overheid in
te voeren, is het tijdstip waarop die wet kan worden ingevoerd
gekoppeld aan de behandeling van het tot wijziging van de WW strekkende wetsvoorstel in combinatie met de uitvoeringstechnische
mogelijkheden.
b. Het ligt in de rede om
tot het moment dat de WW wordt ingevoerd de ambtelijke wachtgeldregelingen (ontslaguitkerings- en werkloosheidsregelingen)
te handhaven, inclusief
de voor die regelingen geldende wijze van uitvoering en
financiering.
c. Voor de volledigheid
wordt opgemerkt dat nadat de WW is ingevoerd het overheidspersoneel bij werkloosheid onder de krachtens
de WW geldende voorwaarden recht heeft op een uitkering op grond van die
wet. De in de WW
overigens opgenomen rechten van de werknemer en de uit hoofde van de
WW geldende verplichtingen gelden dan eveneens voor het
overheidspersoneel. De WW-lasten worden alsdan via de in die wet opgenomen
wijze gedragen. De uitvoering geschiedt door een
uitvoeringsinstelling in opdracht van het Lisv.
d. Wat de invoering van
de WW
betreft, stelt het regering verder de volgende aanpak voor. De
regering stelt een gefaseerde invoering van de WW voor het actieve personeel en voor de zogenoemde bestaande
wachtgelders voor. Dit
met het oog op een verdere reductie van de aan de invoering van OOW
verbonden uitvoeringstechnische risico’s. Voorgesteld wordt:
1. met ingang van de
datum waarop de WW wordt opengesteld, geldt die
wet voor het
overheidspersoneel uitgezonderd degenen die op de dag voorafgaande aan de
bedoelde datum recht hebben op een wachtgeld (de zogenoemde bestaande wachtgelders); hiervoor is reeds vermeld dat deze
datum op zijn vroegst 1
januari 1999 zal kunnen zijn;
2. met ingang van één
jaar na de datum waarop de WW gaat gelden voor het overige personeel geldt die wet ook voor de vorengenoemde
bestaande wachtgelders
(dit uiteraard voor zover hun recht op wachtgeld op het moment dat de WW
voor hen wordt ingevoerd of daaraan voorafgaand niet reeds is
verstreken); uitgaande van 1 januari 1999 als de vroegst mogelijke datum
voor invoering van de WW zal de onderhavige rblz.|5|
groep op zijn vroegst met
ingang van 1 januari 2000 onder de WW gebracht kunnen worden.
1.2.4.3. Invoering van de
ZW
a. De regering stelt voor
om de ZW in te voeren voor de overheidssector. Dit met het oog op het
bieden van een gelijk niveau van bescherming van de
arbeidsmarktpositie zowel voor zieke overheidswerknemers als voor werknemers in de
marktsector. In de opvatting van de regering kan de
beslissing over de invoering van de ZW worden losgekoppeld van de
beslissing over de invoering van de WW. Dit ondanks de relatie tussen
die beide wetten op het gebied van de techniek van de financiering. Het
voorliggende voorstel maakt het mogelijk de ZW
afzonderlijk in te
voeren. De regering stelt voor de ZW-lasten van de overheid op (materieel)
dezelfde wijze als in de marktsector te bekostigen. Indien de ZW wordt
ingevoerd op het moment dat de WW nog niet is ingevoerd voor de
overheid, zijn afzonderlijke bepalingen nodig om de beoogde marktconforme
ZW-financiering voor de overheid te realiseren.
b. Nadat de
ZW is
ingevoerd, hebben bepaalde categorieën overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers bij ziekte recht op een ziekengeld op grond van
die wet. De overheidswerkgever van de betrokkene is voor het
met dat ziekengeld overeenkomende deel van het loon niet verplicht tot
loondoorbetaling. De ZW legt bepaalde verplichtingen op aan de
ziekengeldgerechtigde en die verplichtingen gelden alsdan ook voor
overheidspersoneel dat in aanmerking komt voor een ZW-ziekengeld. De
ZW-lasten van de overheid worden deels op nationaal niveau en deels binnen de
bedrijfstak of bedrijfstakken van de overheid verevend. De uitvoering
van de ZW geschiedt door een
uitvoeringsinstelling in opdracht van het Lisv.
c. Voorgesteld wordt de
invoering van de ZW voor nieuwe en voor oude gevallen in twee
fasen te laten plaatsvinden. De reden voor deze fasering is - evenals
bij de WW - een verdere reductie van de aan de invoering van deze wet
verbonden (met name uitvoeringstechnische) risico’s.
De door de regering
voorgestelde fasering van de invoering van de ZW houdt het volgende in:
1. met ingang van een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (waarbij vooralsnog wordt
uitgegaan van 1 januari 1999) geldt
die wet voor het overheidspersoneel uitgezonderd degenen die op de dag voorafgaande
aan de bedoelde datum
recht hebben op een wachtgeld (de zogenoemde bestaande wachtgelders)
of op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte (de zogenoemde bestaande
ziektegevallen);
2. met ingang van een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (waarbij vooralsnog wordt
uitgegaan van 1 januari 2000) geldt die wet ook voor de vorengenoemde bestaande
wachtgelders en bestaande ziektegevallen (dit uiteraard voor zover hun recht op wachtgeld op het moment dat de ZW
voor hen wordt ingevoerd
of daaraan voorafgaand niet reeds is verstreken).
1.2.4.4.
Invoeringsscenario
Het voorgestelde
gefaseerde invoeringsscenario houdt in het kort het volgende in. Met ingang
van fase 1 van deze wet wordt de
WAO ingevoerd. De datum van
fase 1 is in het voorstel van de regering 1 januari 1998. Met ingang
van fase 2 van deze wet worden de WW en de ZW ingevoerd voor het
overheidspersoneel, behalve ten aanzien van de zogenoemde lopende
gevallen. Met ingang van fase 3 van deze wet worden de WW en de ZW
ingevoerd voor die lopende gevallen. De data rblz.|6|
van fase 2 en fase 3 zijn wat de WW betreft afhankelijk van de besluitvorming
van de regering na
ommekomst van de studie naar premiedifferentiatie WW naar aanleiding van de
WAZ-nota. De data van fase 2 en fase 3 zijn wat de ZW
betreft in principe vastgelegd op 1 januari 1999 onderscheidenlijk 1
januari 2000.
De terminologie van "fase 1", "fase
2" en "fase 3" brengt het faseverschil tot uitdrukking tussen:
- de invoering van de
WAO en de invoering van de WW en de ZW (fase 1 versus fase 2/3);
- de invoering van de
WW en de ZW voor nieuwe gevallen en de invoering van de WW en de
ZW voor oude gevallen (fase 2 versus fase 3).
In verband met de
afgesproken invoering van Pemba per 1 januari 1998 is de datum van 1 januari
1998 (als tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet) voor de
invoering van de
WAO in de visie van de regering een harde datum.
Ook wat het tijdstip van
aanvang van de fasen 2 en 3 van deze wet betreft, is de inzet van
de regering erop gericht om die fasen op één tijdstip te laten
aanvangen voor de gehele betrokken populatie.
Het is echter niet op
voorhand uit te sluiten dat de ZW of de WW
voor verschillende groepen
overheidswerknemers op verschillende tijdstippen moet worden ingevoerd. Dit met het oog op een optimale afstemming van
het invoeringstraject op
de uitvoeringstechnische mogelijkheden voor de betreffende
uitvoeringsinstelling alsmede ter vermijding van onnodige risico’s bij de
implementatie van OOW.
De
inwerkingtredingsbepaling van dit wetsvoorstel biedt derhalve onder meer de
mogelijkheid om
bij koninklijk besluit niet alleen het tijdstip te bepalen waarop de verschillende fasen van deze wet aanvangen, maar
tevens een verschillend
tijdstip van aanvang van die fasen vast te stellen voor verschillende
groepen overheidswerknemers.
1.2.4.5. Betrokkenheid
van de kamers der Staten-Generaal bij lagere regelgeving op basis van
dit wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel
biedt de
mogelijkheid om bij (of krachtens) algemene maatregel van bestuur van
bepaalde wetten afwijkende regels te stellen ter zake van onderwerpen zoals de financiering van de
ZW (het voorgestelde
nieuwe artikel 60a van de ZW), de kring van verzekerden op grond van de ZW en de
WW (het
voorgestelde nieuwe artikel 6a van de ZW
en het bestaande, bij dit
voorstel gewijzigde artikel 7 van de WW) en het invoeringsscenario van
OOW (artikel 81 [94] van dit voorstel juncto het vorenbedoelde
artikel 6a van de ZW en het vorenbedoelde
artikel 7 van de
WW). De reden om de
normstelling bij lagere regelgeving te laten plaatsvinden, is
enerzijds de noodzakelijke flexibiliteit en anderzijds de vermoedelijke
tijdelijkheid van de maatregelen. Teneinde het wetgevingsproces thans te kunnen laten
voortgaan en tevens de betrokkenheid van de beide kamers der
Staten-Generaal bij die lagere regels zeker te stellen, stelt de regering voor te
kiezen voor de aanpak die nu al is opgenomen in de artikelen 125 en
126
van de WW wat de totstandkoming van de op artikel 7 van de
WW gebaseerde algemene maatregel van bestuur inzake de WW-verzekering van
overheidswerknemers betreft. De in de artikelen 125 en
126 van de WW
opgenomen aanpak houdt het volgende in. Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 7
van de WW wordt bekendgemaakt in de Staatscourant. De voordracht tot de betreffende algemene
maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat twee maanden zijn
verstreken na de plaatsing van het ontwerp in de Staatscourant. Het
betreffende ontwerp wordt tegelijkertijd aan de beide kamers der
Staten-Generaal overgelegd. Binnen 30 dagen na de overlegging kan door
één
der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal
leden van één der kamers de wens te kennen rblz.|7|
gegeven worden dat het in
de maatregel geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. Alsdan
wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk
ingediend. De regering stelt voor deze aanpak ook toe te passen wat de op de
voorgestelde artikelen 6a en 60a
van de ZW
berustende algemene
maatregelen van bestuur betreft. Daartoe is in dit voorstel opgenomen dat
in
de ZW twee nieuwe artikelen worden ingevoegd, de
voorgestelde artikelen 90 en 91. Vergelijk de artikelen 46
[47] en 47
[48] van dit voorstel.
Opgemerkt wordt dat het
voorgestelde artikel 6a van de ZW en
artikel 7 van de
WW en de daarop
berustende algemene maatregelen van bestuur overbodig zullen zijn vanaf het moment dat het overheidspersoneel
volledig onder de werking
van de ZW en de WW is gebracht. Dat moment is in het voorstel
omschreven als het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet. Het
voorliggende voorstel voorziet dan ook in het vervallen van de genoemde artikelen
6a van de ZW en 7 van de WW
vanaf dat tijdstip.
1.2.5. Overgangsrecht
inzake bestaande rechten
De regering stelt voor de
werknemersverzekeringen eveneens in te voeren ten aanzien van de
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die op het moment van
invoering reeds in het genot zijn van een uitkering op grond
van een ambtelijke uitkeringsregeling.
Dit voorstel bevat
daartoe het overgangsrecht inzake de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers die op het moment van het op hen van toepassing worden van de
ZW, de
WAO of de WW reeds in
het genot zijn van een
uitkering op grond van een ambtelijke socialezekerheidsregeling.
1.2.6. Toepassing van de
Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Door de toepasselijkheid
van de werknemersverzekeringen op het overheidspersoneel ingevolge dit wetsvoorstel
gelden de
Toeslagenwet
(TW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw) ook voor dat personeel.
Het moment waarop de TW
en de Ioaw van toepassing worden, wordt bepaald door het tijdstip
waarop de werknemersverzekeringen feitelijk worden opengesteld voor
het overheidspersoneel. Zoals vermeld, houdt het voorliggende voorstel
een gefaseerde openstelling van de werknemersverzekeringen
voor het overheidspersoneel in. Vanwege die fasering en de koppeling
van de Ioaw aan de WW wordt per 1 januari 1998 voorlopig alleen de
TW van toepassing in aanvulling op het recht op een
WAO-uitkering.
1.2.7. Uitvoering van
sociale zekerheid van overheidspersoneel
De Eerste Kamer heeft
onlangs het voorstel van Osv 1997 aanvaard. Per 1 maart 1997 is de Osv
1997 in werking getreden. Die wet is van toepassing op de
uitvoering van de werknemersverzekeringen met betrekking tot het
overheidspersoneel.
1.2.8.
Ziektekostenverzekering van overheidspersoneel
Het voorliggende voorstel
brengt geen wijziging in de situatie op het terrein van de ziektekostenverzekering van het overheidspersoneel. Er
vindt met andere woorden ingevolge dit voorstel geen uitbreiding plaats van de kring van
verzekerden op grond van de Ziekenfondswet (Zfw).
Het voorliggende voorstel
vormt geen belemmering voor een eventueel separaat besluit inzake
het openstellen van de Zfw voor het overheidspersoneel.
rblz.|8|
1.2.9.
Controlebevoegdheid Algemene Rekenkamer
Het onderhavige
wetsvoorstel brengt materieel geen wijziging in de controlebevoegdheden van
de Algemene Rekenkamer inzake de uitvoering en financiering van de sociale zekerheid van het overheidspersoneel.
De controlebevoegdheid is
in grote lijnen als volgt geformuleerd:
a. door middel van een in
het onderhavige voorstel opgenomen wijziging van artikel 15 van de Wet Stichting USZO
[USZO: Uitvoeringsinstelling
Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs, met ingang van 1 januari
2002 UWV USZO, red.]
wordt bereikt dat de
Algemene Rekenkamer
bevoegd is tot controle ten aanzien van de uitvoering en
financiering [van, red.] bestaande ambtelijke regelingen totdat de werknemersverzekeringen
ingevoerd zijn;
b. nadat de
werknemersverzekeringen ingevoerd zijn, is de Algemene Rekenkamer op dezelfde
wijze als in de marktsector rechtstreeks op grond van artikel 59, eerste
lid, onderdeel d, van de Comptabiliteitswet bevoegd tot controle ten aanzien
van de uitvoering en financiering daarvan.
Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat de controlebevoegdheid van de Algemene Rekenkamer
ingevolge artikel 59, zestiende lid, van de Comptabiliteitswet geen betrekking heeft op de werkloosheidsregelingen
van onder meer de lagere publiekrechtelijke lichamen.
1.3. Aanleiding voor het
voorstel
1.3.1. Inleiding
De aanleiding voor de
regering om het onderhavige voorstel in te dienen, ligt in het volgende.
Sinds een aantal jaren is
sprake van kabinetsbeleid dat gericht is op het zoveel mogelijk gelijkmaken of gelijk behandelen van de overheidssector en de marktsector wat het
systeem van regelingen in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid betreft. De twee sporen
waarlangs dat
kabinetsbeleid zich tot nu toe heeft ontwikkeld, zijn de volgende.
1.3.2. Eerste spoor:
normalisering van de sociale zekerheid van het overheidspersoneel
Het eerste spoor betreft
het regeringsbeleid om te komen tot een normalisering van de
arbeidsverhoudingen voor het overheidspersoneel. De overheidswerknemers moeten zoveel mogelijk als normale
werknemers behandeld
worden. Voor zover er geen noodzaak is tot een afwijkende behandeling,
wordt gestreefd naar het toepassen van de normale regelingen voor
werknemers in de marktsector ten aanzien van het overheidspersoneel.
De noodzaak tot afwijking dient verband te houden met de positie van
de overheidswerkgever. Het uitgangspunt is echter steeds dat de
afwijkingen minimaal moeten zijn en in beginsel uitsluitend
gerechtvaardigd worden door de bijzondere positie van de overheidswerkgever.
De beleidslijn van
normalisering (marktconformiteit) tenzij een afwijking voortvloeit uit het
bijzondere karakter van de overheidswerkgever, heeft betrekking op structuren
en wettelijke kaders en normen voor arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en
dergelijke.
De beleidslijn van
normalisering houdt op het terrein van de primaire arbeidsvoorwaarden in dat
overheidswerkgevers hun werkgeversrol meer gewicht geven, zich
nadrukkelijker rekenschap geven van standpunten en beslissingen van werkgevers in de marktsector en afwegingen ook meer
op dezelfde wijze gaan
maken als werkgevers in de marktsector. Voor de ontwikkeling van de
salarissen betekent dit dat de overheidswerkgevers rekening houden met
enerzijds hun financiële positie en anderzijds hun positie op de
arbeidsmarkt, net zoals werkgevers in de marktsector dat rblz.|9|
doen. Met het innemen van
deze posities is niets gezegd over de materiële ontwikkelingen
van de arbeidsvoorwaarden.
Tot voor kort weken
vrijwel alle ambtelijke regelingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en
arbeidsverhoudingen af van die in de marktsector. De afwijkingen werden
gemotiveerd door te verwijzen naar het bijzondere karakter van
de overheid en haar taken. Immers, de overheidswerkgever is ook drager van een
politiek ambt ten behoeve waarvan de overheidswerknemer zijn
diensten verricht. Het normaliseringsbeleid van de regering erkent dat
het bijzondere karakter van de overheidswerkgever niet (meer) alle
verschillen tussen het overheidspersoneel en de werknemers in de
marktsector kan verklaren. Met de normalisering wordt nu beoogd de verschillen
tussen overheidswerknemers en werknemers in de marktsector waar mogelijk op te heffen. Gekozen wordt derhalve voor
marktconformiteit, tenzij
een afwijking voortvloeit uit genoemd bijzonder karakter van de
overheidswerkgever.
In dit streven naar
normalisering past het dat het overheidspersoneel onder de werkingssfeer
van de werknemersverzekeringen (ZW,
WAO en WW) gebracht wordt. Het
handhaven van uitsluitend een eigen stelsel van arbeidsvoorwaardelijke regelingen van het overheidspersoneel inzake
ziekte,
arbeidsongeschiktheid en werkloosheid past niet in het streven naar normalisering en is
niet noodzakelijk in verband met de positie van de overheidswerkgevers.
Geconstateerd wordt dat
bij de behandeling van de voorstellen die uiteindelijk hebben geleid tot de WW (toen ook wel aangeduid als de
nieuwe WW), ook is
nagegaan of die WW zou moeten worden opengesteld voor het
overheidspersoneel. In 1987 heeft de toenmalige regering op hoofdzakelijk
financiële gronden (in verband met de budgettaire gevolgen van het onder de
financiering van de WW brengen van de overheid) besloten de WW
vooralsnog niet open te stellen voor het overheidspersoneel. De
mogelijkheid werd in de WW opgenomen om dit personeel bij algemene
maatregel van bestuur alsnog onder de WW te brengen. Van die mogelijkheid is tot op heden geen gebruik gemaakt.
1.3.3. Tweede spoor:
doorvertaling van wettelijke maatregelen naar het overheidspersoneel
De
stelselherzieningen op
het terrein van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid uit de
jaren tachtig en de beginjaren negentig zijn niet alleen doorgevoerd voor
de werknemers in de marktsector. De betreffende wijzigingen in de aanspraken op grond van de
ZW, de
WAO en de WW zijn tevens
doorvertaald naar de ambtelijke regelingen inzake ziekte, arbeidsongeschiktheid en
werkloosheid. Aangezien het overheidspersoneel tot op heden niet onder
de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen
valt, zijn voor die doorvertaling steeds specifieke maatregelen
voor het overheidspersoneel nodig geweest. Indien het overheidspersoneel rechtstreeks onder de werknemersverzekeringen
zou vallen, zouden de
betreffende wijzigingen rechtstreeks gelden, hetgeen een
aanzienlijke vereenvoudiging zou betekenen. Zolang op het overheidspersoneel
eigen regelingen van sociale zekerheid van toepassing zijn, betreft
het arbeidsvoorwaardelijke regelingen. Over de inhoud en de techniek van
doorvertaling van bedoelde wijzigingen naar het overheidspersoneel
dient ingevolge de regels die gelden voor het arbeidsvoorwaardenoverleg
bij de overheid te worden overlegd met de centrales van overheidspersoneel. Het overleg met de centrales vond tot
voor kort plaats in het Centraal Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken
(CGOA), maar sinds de invoering van het zogenoemde sectorenmodel arbeidsvoorwaardenoverleg
wordt over de sociale zekerheid van het overheidspersoneel
onderhandeld tussen de centrales en de zogenoemde (gezamenlijke)
sectorwerkgevers.
Een recent voorbeeld
betreft de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
rblz.|10|
(Wet TBA). De in die wet opgenomen wijzigingen dienden naar
- toen nog - de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) en
de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) te worden doorvertaald,
hetgeen een wetgevingstechnisch complexe operatie was. Over die
wijzigingen diende vervolgens te worden overlegd met de centrales van
overheidspersoneel. De met de centrales overeengekomen reparatie van het
zogenoemde TBA-hiaat moest vervolgens in de Abp-wet en de Amp-wet
worden opgenomen.
1.4. Voorgeschiedenis van
het voorstel
1.4.1. Beslissingen in
1992
De in
paragraaf
1.3
vermelde sporen van kabinetsbeleid werden door de toenmalige regering in
1992 beleidsmatig aan elkaar geknoopt. Aan een ambtelijke werkgroep
van de ministeries van Binnenlandse Zaken en
van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid werd de opdracht verleend een rapport uit te brengen
over:
a. de financiële
consequenties van het onder de werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel, met als streefdatum 1 januari 1995;
b. de mogelijke
oplossingen voor die consequenties;
c. de aspecten en
knelpunten in verband met het onder de werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel.
De betreffende ambtelijke
werkgroep heeft haar rapport op 1 juli 1992 aan de regering aangeboden. De werkgroep gaf daarin een positief advies
over het onder de werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel
en schetste de voor de
realisatie daarvan benodigde interdepartementale projectorganisatie.
Naar aanleiding van het
vorenbedoelde rapport heeft de toenmalige regering in november 1992
besloten tot het met ingang van 1 januari 1996 in het algemeen van toepassing verklaren van het
sociaalzekerheidsregime
van de marktsector op het overheidspersoneel. Op basis van dat besluit is door de
toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken tezamen met de toenmalige
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de operatie
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (afgekort de OOW-operatie
ofwel de OOW) gestart. Daarbij is de in het
vorenbedoelde rapport omschreven projectorganisatie geïmplementeerd. De als
gevolg daarvan ingestelde projectgroep OOW heeft in het bijzonder
aandacht besteed aan de aspecten uitvoering en financiering van de
werknemersverzekeringen.
1.4.2. Beslissingen en
bericht aan de Tweede Kamer in 1993: invoering OOW per 1 januari 1996
De projectgroep
OOW heeft
haar rapport op 30 maart 1993 uitgebracht aan de regering. De
regering heeft op basis van dat rapport in juli 1993 besluiten genomen over
OOW, in het bijzonder over de uitvoering en de financiering.
Bij brief van 15 juli
1993 (Kamerstukken II 1992-1993, 22 800 VII, nr. 44) heeft de toenmalige
Minister van Binnenlandse Zaken
de Tweede Kamer op de hoogte gebracht van
de besluiten van de regering inzake de OOW-operatie. Aan de
Tweede Kamer werd onder meer het volgende model gepresenteerd.
a. De ZW, de
WAO, de WW,
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de TW en de
Ioaw
worden opengesteld voor het overheidspersoneel met ingang van 1 januari
1996.
b. De sociale zekerheid
van het overheidspersoneel wordt uitgevoerd volgens de Organisatiewet
sociale verzekeringen (Osv).
rblz.|11|
c. Vooralsnog geldt voor
de financiering van de ZW, de WAO en de WW voor het overheidspersoneel een afwijkend financieringsregime en zal
geen sprake zijn van risicoverevening met de marktsector; de beslissing over de invoering van een
uniform financieringsregime voor overheid en marktsector zou worden
genomen na evaluatie van het bonus-malusstelsel en de uitkomsten van de
parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale zekerheid
alsmede na afronding van de naar aanleiding daarvan verwachte
fundamentele discussie over het stelsel van sociale zekerheid. De verwachting
was namelijk dat in dat verband de huidige wijze van
risicoverevening voor de werknemersverzekeringen ter discussie zou worden
gesteld.
d. Voor de uitvoering van
de werknemersverzekeringen voor het overheidspersoneel richten de sociale partners in de overheid de Nieuwe
Bedrijfsvereniging voor
de Overheid (NBVO) op.
In de brief van 15 juli
1993 aan de Tweede Kamer is tevens melding gemaakt van het voornemen
tot de oprichting van een nieuwe uitvoeringsinstelling voor sociale zekerheid
van overheidspersoneel, de Stichting
Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (de Stichting
USZO ofwel de
USZO). Aan de Tweede Kamer werd gemeld dat de USZO
de werknemersverzekeringen voor het overheidspersoneel moet
kunnen uitvoeren in opdracht en onder verantwoordelijkheid van
de NBVO en dat de USZO daartoe moet voldoen aan de eisen die uit
hoofde van de Osv gesteld worden aan uitvoeringsinstellingen
in de zin van die wet.
1.4.3. Eerdere versie van
het wetsvoorstel in 1994
De werkzaamheden aan de
OOW-operatie in het kader van het genoemde project hebben
geleid tot een wetsvoorstel OOW. Dit betrof een eerdere versie
van het onderhavige wetsvoorstel, waarin het vorengenoemde model van
OOW is opgenomen dat in de vorenbedoelde brief van 15 juli 1993
aan de Tweede Kamer is gemeld. De regering is in september 1994 akkoord
gegaan met die eerdere versie.
Het CGOA heeft vervolgens
op 19 oktober 1994 ingestemd met die versie van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel is voorts voor advies
voorgelegd aan de
toenmalige Sociale Verzekeringsraad (SVr) - in verband met de opheffing
van de SVr
is het advies uiteindelijk uitgebracht door het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) (advies van 11 april
1995, nummer PB 3/51) - , de Ziekenfondsraad [zie College
voor zorgverzekeringen, red.] (advies van 2 december 1994) en
de Algemene Rekenkamer (advies van 2 januari 1995). De inhoud van de
adviezen en de wijzigingen als gevolg daarvan in het voorstel zullen, voor
zover relevant in het kader van het voorliggende wetsvoorstel, verderop in
deze toelichting aan de orde worden gesteld.
1.4.4. Beslissingen in
1995: invoering OOW per 1 januari 1998 en invoering van
WAO-conforme regeling en oprichting van de USZO per 1
januari 1996
In het voorjaar van 1995
werd duidelijk dat de invoering van OOW per 1 januari 1996 om
uitvoeringstechnische redenen onhaalbaar was. De regering heeft vervolgens
besloten de streefdatum voor invoering van deze operatie te
verschuiven naar 1 januari 1998. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd
bij de voortgangsrapportage OOW/USZO (brief van de
Minister van Binnenlandse Zaken van 9 juni 1995, Kamerstukken II
1994-1995, 23 900, nr. 37).
In die brief is tevens
aan de Tweede Kamer het voorstel aangekondigd om met ingang van 1
januari 1996, vooruitlopende op de integrale invoering van de OOW per
1 januari 1998, de zogenaamde
WAO-conforme arbeidsongeschiktheidsregeling
voor het burgerlijk overheidspersoneel in rblz.|12|
te voeren. De
privatisering van het ABP [Algemeen burgerlijk pensioenfonds, red.]
met ingang van 1 januari 1996 en het als gevolg daarvan
beëindigen van de Abp-wet en de daarin opgenomen
invaliditeitspensioenregeling, noodzaakte tot de totstandkoming van de bedoelde
WAO-conforme regeling.
De WAO-conforme regeling
is op de geplande datum ingevoerd als onderdeel van de Wet
privatisering ABP (WPA). Die regeling wordt uitgevoerd door de USZO.
Dit in opdracht en onder verantwoordelijkheid van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
(FAOP). Het FAOP heeft in relatie tot de WAO-conforme regeling een dubbelrol: enerzijds is
het FAOP als opdrachtgever vergelijkbaar met de bedrijfsverenigingen in
de marktsector, anderzijds heeft het FAOP de rol van omslagfonds voor de
bekostiging van de WAO-conforme uitgaven.
De Tweede Kamer heeft in
een motie bij de behandeling van de WPA
uitgesproken dat de
werknemersverzekeringen voor het overheidspersoneel ingevoerd moeten worden
per 1 januari 1998 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 205, nr. 14).
De totstandkoming van de
USZO is door middel van een eigen wetgevingstraject ter hand genomen. De betreffende wet, de Wet
Stichting USZO, is
tegelijk met de WPA
behandeld door de beide kamers der Staten-Generaal en is
- evenals de WPA - per 1 januari 1996 in werking getreden.
1.4.5. Rapportages over OOW
en USZO aan de Tweede Kamer
De Minister van Binnenlandse Zaken
houdt de Tweede Kamer op de hoogte van de actuele stand
van zaken van OOW, de
USZO en de uitvoering van de
WAO-conforme regeling door middel van kwartaalrapportages en tussentijdse berichten
over relevante ontwikkelingen. Gewezen wordt op de
voortgangsrapportages inzake OOW en USZO van 9 juni 1995 (Kamerstukken II
1994-1995, 23 900, nr. 37) en 1 december 1995 (Kamerstukken II 1995-1996, 24
222, nr. 12), de Eerste kwartaalrapportages inzake OOW en USZO van 26
april 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 706, nr. 1) en de Tweede Kwartaalrapportage inzake OOW en USZO van 30
augustus 1996 (Kamerstukken
II 19951-96, 24 706, nr. 4). Tussentijds verstuurde berichten zijn
met name de brieven over de wijziging van de wachtgeldregeling voor het
onderwijs en ingangsdatum van OOW (brief van 4 juni 1996,
Kamerstukken II 1995-1996, 24 706, nr. 2) en de fasering van de invoering van de OOW
(brief van 31 oktober 1996, Kamerstukken II 1996/97, 24 706, nr. 6).
1.4.6. Hervatting van de
werkzaamheden aan het wetsvoorstel en beslissingen in 1996:
aangepast voorstel van wet zoals voor advies verzonden naar de Raad van State
Als gevolg van de
werkzaamheden aan de
WAO-conforme regeling in het kader van de WPA
zijn de
werkzaamheden aan het wetsvoorstel OOW in 1995 onderbroken. Die werkzaamheden zijn begin 1996, na de
afronding van de
parlementaire behandeling van de WPA en de Wet Stichting USZO, hervat.
Inmiddels bleek sprake te zijn van ingrijpende wijzigingen op het terrein
van de werknemersverzekeringen dan wel van voornemens tot ingrijpende
wijzigingen op dat terrein. Genoemd kunnen onder andere worden Pemba,
de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz), de
Osv
1997, de Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie (Wet Amber) en de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
(WBIA). Het wetsvoorstel OOW diende ingrijpend te worden
aangepast als gevolg van die wetgeving en andere maatregelen. Op Pemba na
zijn de bedoelde wetten inmiddels in werking getreden. In het
voorliggende wetsvoorstel wordt echter uitgegaan van rblz.|13|
het in werking zijn van
Pemba. Op het moment dat dit wetsvoorstel wordt ingediend bij de Tweede
Kamer is die wet in behandeling bij de Eerste Kamer en als werkhypothese
is ervan uitgegaan dat de Eerste Kamer akkoord zal kunnen gaan met
die wet.
Als gevolg van de Osv 1997
wordt definitief afgezien van het in het oorspronkelijke voorstel
opgenomen voornemen om de NBVO op te richten. In plaats daarvan
zullen de sociale partners binnen de overheidssector één of meer sectorraden in
de zin van de Osv 1997 oprichten.
Als gevolg van Pemba wordt
de AAW
ingetrokken. De in het kader van OOW voorgenomen openstelling
van de AAW voor overheidspersoneel zal aldus geen doorgang
behoeven te vinden. Dat voornemen is derhalve uit OOW vervallen.
Voorts moest het
wetsvoorstel OOW worden aangepast in verband met de invoering van de
WAO-conforme regeling. In de eerdere versie van het wetsvoorstel was immers
nog
sprake van de omzetting van invaliditeitspensioenen op basis van de Abp-wet
naar
de WAO. Die omzetting is door middel van de WAO-conforme
regeling materieel al geregeld.
Verder bleek het
noodzakelijk om de datum van toekenning van WW-rechten aan onderwijswerknemers met een geldend recht op
uitkering ingevolge het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Bwoo) met één jaar te
verschuiven. In de eerste helft van 1996 kwam namelijk naar voren dat
de
USZO Groningen tegelijkertijd capaciteit voor de voorbereiding op de
WW per 1 januari 1998 en voor de voorbereiding van de uitvoering van het
gewijzigde Bwoo per 1 augustus 1996 moest vrijmaken. Beide
prioriteiten konden niet tegelijkertijd worden gerealiseerd. De regering
was van mening dat prioriteit moest worden gegeven aan de uitvoering
van het gewijzigde Bwoo vanaf 1 augustus 1996. Deze
prioriteitstelling bleek noodzakelijk in verband met in hoofdzaak
informatiseringstechnische redenen. Aldus heeft de regering voorgesteld de op 31
december 1997 bestaande Bwoo-uitkeringen niet per 1 januari 1998 maar
één
jaar later (per 1 januari 1999) onder de WW te brengen. Dit voorstel is bij
brief van 4 juni 1996 van de Minister van Binnenlandse Zaken
voorgelegd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1995-1996, 24 706, nr. 2). De
Tweede Kamer heeft vervolgens met het bedoelde voorstel ingestemd
(algemeen overleg van 27 juni 1996). De
bedoelde fasering is
opgenomen in het wetsvoorstel zoals dat in juni 1996 aan de regering is
voorgelegd en aansluitend voor advies is gezonden naar onder meer de Raad van
State.
Een belangrijke wijziging
ten opzichte van de uit 1994 daterende vorige versie van het wetsvoorstel
betrof de financiering van de werknemersverzekeringen.
Bij Pemba is de
beleidsmatige keuze gemaakt een uniform financieringsregime
WAO voor
overheid en marktsector in te voeren. De invoering van de WAO
ingevolge het onderhavige wetsvoorstel sluit daarbij aan.
Ter zake van de WW werd in
het aangepaste wetsvoorstel om technische redenen uitgegaan
van een uniform financieringsregime WW voor overheid en
marktsector. Daarbij werd voorlopig uitgegaan van toepassing van het voor de
marktsector geldende stelsel op de overheid. Geconstateerd werd dat het
in beginsel mogelijk zou moeten zijn om het uniform financieringsregime
inkomens- en loonkostenneutraal en neutraal voor het financieringstekort
in te voeren. Er zou namelijk sprake zijn van meeruitgaven voor de
rijksbegroting ter compensatie van de meeruitgaven van overheidswerkgevers, waar een lastenverlichting bij de
werkgevers in de marktsector en de werknemers van grosso modo gelijke orde en grootte tegenover
zou staan. Het zou technisch mogelijk moeten zijn om binnen de
rijksbegroting zodanige verschuivingen tot stand te rblz.|14|
brengen dat de bedoelde
lastenverlichting ongedaan zou worden gemaakt door lastenverzwaringen
elders waardoor per saldo grosso modo neutraliteit ten aanzien van
het financieringstekort, de inkomens en de loonkosten zou kunnen worden
bereikt.
De toepassing van het
WW-regime zou verder inhouden dat de vangnetvoorziening ZW
voor
overheid en marktsector op dezelfde wijze zou worden gefinancierd, te weten via de
WW-fondsen.
1.4.7. Adviesaanvragen naar
Raad van State, Tica en Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid
In juli 1996 heeft de
regering de Minister van Binnenlandse Zaken
gemachtigd om het wetsvoorstel
OOW voor advies voor te leggen aan de Raad van
State, het Tica
en de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). De data waarop de
adviezen zijn ontvangen, zijn: het advies van het Tica op 16 oktober
1996, het advies van de ROP op 17 oktober 1996 en het advies van de
Raad van State op 27 november 1996. De inhoud en strekking van deze
adviezen komt verderop in deze toelichting (hoofdstuk 2) aan de orde.
Uit praktisch oogpunt is
afgezien van het opstellen van een stuk waarin de teksten zijn opgenomen
van die gedeelten van het aan de Raad van
State voorgelegde wetsvoorstel met memorie van
toelichting die na
voorlegging aan de Raad zijn gewijzigd. In plaats daarvan is de gehele oorspronkelijke tekst ter
inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie van de Tweede
Kamer.
1.4.8. Verdere fasering van
invoering OOW
In de Tweede
kwartaalrapportage inzake OOW en
USZO, daterend van 30 augustus 1996
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 706, nr. 4), heeft de Minister van Binnenlandse Zaken
reeds vermeld niet te kunnen uitsluiten dat er op grond van adequaat
beargumenteerde scherpere prioriteitstellingen en noodzaak tot
risicobeperking enige ruimte zal moeten zijn voor een fasering die verder
gaat dan de vorenbedoelde fasering van de conversie voor de lopende Bwoo-gevallen.
Bij brief van 31 oktober
1996 (Kamerstukken II 1996-1997, 24 706, nr. 6) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken
aan de Tweede Kamer in vervolg op de Tweede kwartaalrapportage gemeld dat uit een oogpunt
van reductie van de risico’s
bij de invoering van OOW een beperkte verdere fasering van de
invoering van OOW ten opzichte van de in juni 1996 aan de Tweede Kamer
gemelde Bwoo-fasering (vergelijk subparagraaf 1.3.6 [subparagraaf
1.4.6, red.]) noodzakelijk is.
Voorgesteld is om de op 31 december 1997 bestaande wachtgelden eerst
per 1 januari 1999 onder de toepassing van de WW
(en de ZW) te brengen.
Voor de overige werknemers zou de OOW wel per 1 januari 1998 worden ingevoerd. Als gevolg van deze beperkte
verdere fasering zou geen
sprake zijn van integrale invoering van OOW per 1 januari 1998. In een
overleg op 13 november 1996 heeft de Tweede Kamer geen opmerkingen
gemaakt over dit voorstel van de regering.
2. Advisering
over het wetsvoorstel
2.1. Inleiding inzake de
adviezen van de ROP en het Tica en overige adviezen
2.1.1. Algemeen
Bij brieven gedateerd 26
juli 1996 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken
rblz.|15|
de ROP en het Tica
verzocht vóór 1 oktober 1996 advies uit te brengen over het
voorliggende wetsvoorstel.
Het advies van de ROP is op
17 oktober 1996 uitgebracht en dat van het Tica op 16 oktober 1996.
In het algemeen kan worden
opgemerkt dat de inbreng van de ROP en het Tica de regering geen
aanleiding geeft tot ingrijpende wijzigingen in het
wetsvoorstel. De opmerkingen van het Tica waren hoofdzakelijk
technisch van aard, terwijl
de ROP ook enkele meer beleidsmatige kanttekeningen heeft
geplaatst bij het wetsvoorstel.
Het Tica verwees in zijn
advies naar zijn eerdere advies d.d. 11 april 1995 (PBE3/51) inzake een
eerdere versie van het wetsvoorstel.
De ROP is 18 september 1996
door de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in
Ambtenarenzaken (CGOA) gemachtigd om te adviseren over het wetsvoorstel. De CGOA heeft op 19 oktober 1994
ingestemd met een eerdere
versie van het wetsvoorstel.
Hierna zal eerst in
paragraaf 2.2 worden ingegaan op het advies van de ROP en daarna in paragraaf
2.3 op het advies van het Tica, voor zover die adviezen niet achterhaald
zijn door gewijzigde keuzen van de regering in het kader van het voorliggende voorstel.
In paragraaf 2.4 wordt
daarnaast nog ingegaan op het advies van de Ziekenfondsraad over een
eerdere versie van het wetsvoorstel en in paragraaf 2.5 wordt
ingegaan op de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer op die eerdere
versie.
2.1.2. Advisering over
artikel 26 van het wetsvoorstel zoals voor advies aan de Raad van State
voorgelegd
Het volgende wordt nog
opgemerkt. Het Tica en de ROP zijn in hun advies onder meer ingegaan
op artikel 26 van het wetsvoorstel zoals dat voor advies aan de
Raad van
State is voorgelegd. Dat artikel betrof de garantie dat de omzetting
van oude naar nieuwe rechten ingevolge dit wetsvoorstel
niet zou leiden
tot vermindering van de aanspraken wat de hoogte en duur van de
aanspraken betreft. De eventuele aanvulling bovenop de nieuwe wettelijke
rechten zou ingevolge dat artikel voor rekening van de
overheidswerkgevers dan wel de Stichting Pensioenfonds ABP komen.
In het voorliggende voorstel
komt vorenbedoeld artikel 26 niet meer
voor. Dit omdat bij nader
inzien sprake was van een onjuiste aanname bij de formulering van dat artikel. De aanname was namelijk dat de lopende
ambtelijke regelingen zouden
worden beëindigd als gevolg van het onder de werknemersverzekeringen
brengen van het overheidspersoneel.
Goed beschouwd heeft het
voorliggende wetsvoorstel evenwel niet tot gevolg dat uitkeringsregelingen worden beëindigd. In
hoofdstuk 5 van
deze toelichting wordt nog nader ingegaan op het karakter van het overgangsrecht ingevolge dit
voorstel, maar hier kan reeds worden opgemerkt dat dit voorstel
niet meer en niet minder regelt dan dat nieuwe uitkeringsrechten worden
toegekend aan personen die daarnaast al een ambtelijk uitkeringsrecht
hebben. De toekenning van het nieuwe recht leidt niet rechtstreeks tot
beëindiging van het bestaande recht. De gevolgen van dit wetsvoorstel voor de bestaande rechten worden niet
door dit voorstel geregeld,
maar behoren tot het terrein van de arbeidsvoorwaarden. De sociale partners in de
overheidssectoren onderhandelen over die gevolgen. De
invulling van de onderhavige garantie inzake hoogte en duur van de
aanspraken behoort tot hun bevoegdheid. De regering is niet voornemens
om in de bevoegdheden van de sociale partners te treden door een
bepaling als vorenbedoeld artikel 26 op te nemen in dit wetsvoorstel.
rblz.|16|
2.2. Het advies van de ROP
van 17 oktober 1996
2.2.1. De omzetting van
lopende rechten
De ROP onderschreef de met
het wetsvoorstel beoogde systeemwijziging. Tegen de achtergrond van die
systeemwijziging stemde de ROP in met de in het
wetsvoorstel opgenomen werkwijze ten aanzien van de toepassing van de werknemersverzekeringen op de lopende rechten. De
regering ziet hierin een bevestiging van de instemming van de CGOA op 19 oktober 1994 met het
toenmalige concept van het wetsvoorstel.
2.2.2. Het
financieringsregime van de werknemersverzekeringen
Binnen de ROP bestond
overeenstemming over de opvatting dat het financieringsregime voor de WW
dat in het kader van OOW zal worden ingevoerd, voor langere tijd
moet kunnen functioneren. De ROP drong met andere woorden aan op
een stabiel financieringsregime.
De
werkgeversvertegenwoordiging in de ROP verzocht de Minister van Binnenlandse Zaken
te
bevorderen dat verdere premiedifferentiatie in de WW
wordt gekoppeld aan
de
invoering van de OOW. Dit teneinde te voorkomen dat belangrijke
prikkels uit het huidige financieringssysteem verloren zouden gaan. De werkgeversvertegenwoordiging verwees
ter zake naar de voorgestelde
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Pemba), waarbij in de
WAO een systeem van
premiedifferentiatie en eigen risico voor werkgevers wordt ingevoerd.
In het voorliggende voorstel
is rekening gehouden met de opvattingen en wensen van de ROP.
Vooruitlopende op hoofdstuk 3 van deze toelichting wordt hier ter
zake reeds het volgende opgemerkt. De beslissing over de invoering
van de WW en in dat verband over de invoering van een uniform
financieringsregime WW wordt in de visie van de regering genomen nadat de
studie naar de financiering van de WW naar aanleiding van de nota
van de regering "Werken aan zekerheid" (WAZ-nota) is afgerond. In
die studie wordt ingegaan op de mogelijkheden van premiedifferentiatie als
onderdeel van de financiering van de WW. Het uiteindelijke
financieringsregime WW voor de overheid dient verder stabiel te zijn in
die zin dat het niet binnen enkele jaren na de invoering daarvan wederom op
belangrijke onderdelen gewijzigd zal moeten worden.
2.2.3. Het Sectoroverleg
Defensie
De ROP tekende voorts aan
dat hij bij zijn advisering niet het specifiek militaire gedeelte van het wetsvoorstel
heeft betrokken, aangezien dit reeds aan de orde is in het
Sectoroverleg Defensie (SOD). Opgemerkt kan worden dat het SOD begin december 1996 akkoord is gegaan met de tekst
van de betreffende
bepalingen zoals die door de Minister van Defensie per brief van 12 november 1996
aan het SOD is aangeboden (zie de artikelen 71 [73] en 72
[74] van het
voorliggende voorstel).
2.2.4. De uitvoering door de
Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO)
Aan het verzoek van de ROP
aan de Minister van Binnenlandse Zaken om een periodieke rapportage
over de stand van zaken bij de
USZO kan op de volgende wijze tegemoet worden gekomen. De Kwartaalrapportages
inzake OOW en USZO die de Minister van
Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer zendt, zullen
tevens naar de ROP worden gezonden en daarover zal desgewenst met
de ROP van gedachten worden gewisseld.
rblz.|17|
De ROP was verder de
opvatting toegedaan dat de uitvoering van de werkloosheidsregelingen
inzichtelijk dient te zijn voor opdrachtgevers en dient te voldoen aan normen
en standaarden die elders in het maatschappelijk verkeer gelden.
De regering is het met die
opvatting eens. In de eerste en tweede Kwartaalrapportages inzake OOW
en
USZO heeft de Minister van Binnenlandse Zaken
aan de
ontwikkelingen met betrekking tot de (kwaliteit van de)
uitvoering van regelingen door USZO aandacht besteed. Deze minister is voornemens
dat in de volgende kwartaalrapportages te blijven doen.
2.2.5. De uitvoering van de
WW ten aanzien van de decentrale overheden
De
werkgeversvertegenwoordigers binnen de ROP van de zijde van de decentrale
overheden stelden
dat de risico’s van uitvoering van de werkloosheidsuitkeringen per 1 januari 1998 door de
USZO die nu nog
door die
overheidsorganisaties zelf uitgevoerd worden, onaanvaardbaar groot zijn. Zij pleitten
voor invoering van OOW
voor de decentrale overheden per 1 januari
2000.
De regering neemt voorshands
aan dat met het in het voorliggende voorstel opgenomen
invoeringsscenario een adequate reductie kan worden bereikt van de invoeringsrisico’s inzake
OOW. De regering ziet op
dit moment dan ook geen
reden om het genoemde voorstel van de vertegenwoordigers van de
decentrale overheden in de ROP over te nemen. Zie verder hoofdstuk
3 van dit deel van de toelichting.
2.2.6. De indeling naar
bedrijfsvereniging/sector in relatie tot privatisering
De regering heeft kennis
genomen van de opvatting van de werknemersvertegenwoordigers
in de ROP dat indeling van de overheidswerkgevers bij één bedrijfsvereniging
aan de orde is tot het moment van privatisering. In de opvatting van die vertegenwoordigers zou de overstap
naar een andere bedrijfsvereniging pas na voltooiing van de privatisering
kunnen plaatsvinden. Die opvatting is verder niet onderbouwd.
De regering ziet op dit
moment geen aanleiding tot een wijziging van het wetsvoorstel
op dit
punt. De regering realiseert zich dat de argumentatie in de toelichting bij het
wetsvoorstel zoals dat naar de Raad van
State is
gezonden wat dit
onderwerp betreft summier is. Die argumentatie is in het voorliggende
wetsvoorstel uitgebreid (vergelijk de toelichting op artikel 77, derde lid, van dit voorstel).
2.2.7. Technische
aanpassingen
Na overleg met de ROP zijn
in het voorliggende wetsvoorstel de volgende aanpassingen van
technische aard opgenomen.
- In de toelichting op
artikel 1, onderdeel f, van het voorliggende voorstel is verduidelijkt
wat wordt bedoeld met de daarin opgenomen zinsnede "zo nodig vastgesteld op grond van
functiewaardering".
- Met het oog op de
WAO-verzekering van degene wiens recht op wachtgeld is geëindigd
vóór 1 januari 1998 maar herleeft op of na die datum is in artikel
12,
eerste lid, van het voorliggende voorstel opgenomen dat de periode
vanaf de aanvang van het dienstverband tot aan het tijdstip van
invoering van de WAO wordt aangemerkt als WAO-verzekerd.
- In de toelichting op
artikel 5, eerste lid, van het voorliggende wetsvoorstel
is verduidelijkt wat in die
bepaling bedoeld wordt met "vergelijkbare regelingen".
- In de toelichting op de
artikelen 10, tweede lid, en 29, tweede lid, van
rblz.|18|
het voorliggende
voorstel is
verduidelijkt voor welke gevallen de daar bedoelde ministeriële
regeling is bedoeld.
- In artikel 36, derde lid,
van het voorliggende voorstel is opgenomen dat bij de vaststelling van
het recht op een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen ten
aanzien van lopende gevallen geen rekening zal worden gehouden
met feiten, omstandigheden en gedragingen voor zover die feiten etcetera
niet van invloed zijn geweest op het recht op de lopende uitkering. Dit
betekent, zo is in de wettekst en de toelichting opgenomen, dat in het kader
van de vaststelling van het nieuwe recht geen sanctie zal worden
opgelegd wegens een feit, gedraging of omstandigheid uit het verleden ingeval dat feit, die gedraging of die
omstandigheid onder de oude
regeling niet tot een sanctie heeft geleid.
2.3. Het advies van het Tica
van 16 oktober 1996
2.3.1. Advies van het Tica
van 11 april 1995
Het advies van het Tica van
11 april 1995 (PB 3/51), waarnaar het Tica in zijn advies van 16 oktober
1996 verwees, is voor zover relevant verwerkt in dit
wetsvoorstel. De in
dat advies opgenomen opmerkingen betreffende het financieringsregime WW
voor de overheidssector zullen in voorkomend geval worden
meegenomen bij de feitelijke uitwerking van dat financieringsregime WW
in het kader van de algemene maatregel van bestuur op basis van het
nieuwe artikel 97a van de WW, bedoeld in artikel 52
[53] van het voorliggende
voorstel. De overige opmerkingen van het Tica in zijn eerdere advies waren
hoofdzakelijk van technische aard.
2.3.2. Daglonen - deeltijdfactor
Het Tica merkte in zijn
beschouwing op dat de keuze om voor de om te zetten gevallen het dagloon
blijvend vast te stellen met toepassing van de deeltijdfactor kan leiden
tot rechtsongelijkheid. Dit in dier voege dat twee personen die beiden in
deeltijd werken en arbeidsongeschikt raken, verschillende uitkeringen
kunnen gaan ontvangen.
De opmerking van het Tica
dat in het wetsvoorstel de deeltijdfactor gehandhaafd blijft voor de
oude gevallen heeft betrekking op de laatste zin van de toelichting op
artikel 1, onderdeel e, van het wetsvoorstel
zoals dat naar de Raad van
State is gezonden (artikel
1, onderdeel f, van het voorliggende
voorstel). Bij
nader inzien is gebleken dat die zin in de toelichting niet correct is.
Het Tica is daardoor op het verkeerde been gezet.
De toepassing van de
deeltijdfactor in het kader van het voorliggende wetsvoorstel voor de
vaststelling van daglonen op grond van de werknemersverzekeringen zal
een eenmalige zaak zijn, die namelijk uitsluitend betrekking zal
hebben op de omzetting. Na de omzetting wordt het betreffende dagloon op
basis van de indexeringssystematiek van de werknemersverzekeringen (de
systematiek van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheden)
aangepast. De deeltijdfactor speelt alsdan geen rol meer.
Indien sprake zou zijn van
een blijvende toepassing van de deeltijdfactor ten aanzien van de omgezette
oude gevallen, zou inderdaad rechtsongelijkheid kunnen ontstaan. Die
rechtsongelijkheid zal zich echter niet voordoen omdat de
deeltijdfactor slechts eenmalig toegepast zal worden.
De laatste zin van de
toelichting op artikel 1, onderdeel e, van het
wetsvoorstel zoals dat naar
de Raad van State is gezonden, is vanwege de ongewenste consequenties die
de bedoelde zin zou kunnen hebben, geschrapt.
rblz.|19|
2.3.3. Sectorindeling
overheid en onderwijs
De door het Tica
geadviseerde indeling via de lijn van de risicogroepen en wachtgeldfondsen voor de
WW is niet zonder meer toepasbaar. Dit omdat de overheid totdat de
WW wordt ingevoerd geen indeling in risicogroepen en wachtgeldfondsen op basis van de WW zal kennen.
De voor de overheid tot
stand te brengen sectorindeling in de zin van de Osv
1997 dient derhalve
vooralsnog afzonderlijk te worden bepaald. De verantwoordelijkheid voor de
sectorindeling in de zin van de Osv 1997 berust bij de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De formalisering van de
sectorindeling in de zin van de Osv 1997 van de overheid zal plaatsvinden in
de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op
basis van artikel 51 van de Osv
1997.
Het Tica vroeg nog om
bijzondere aandacht voor de thans bij de BVO en de BVG ondergebrachte
populaties van overheidspersoneel. Ter zake kan de regering het volgende
opmerken.
De bij de BVO en de BVG
ingedeelde populatie zal per 1 maart 1997 (de datum van inwerkingtreding
van de Osv
1997) worden ingedeeld naar sectoren volgens de regels van de Osv 1997 op basis van de dan
bestaande situatie. Op dit
moment is nog geen keuze gemaakt ten aanzien van de indeling van de
overheid vanaf 1998. Het is mogelijk dat de overheid in 1998 in meerdere
sectoren wordt ingedeeld, waarbij de sectoren die (vanaf 1 maart
1997) zijn voortgekomen uit de overheidspopulaties bij de BVO en de BVG
gehandhaafd blijven. Het is echter ook mogelijk dat de in 1997 ten
aanzien van de BVO en BVG tot stand gebrachte sectorindeling met
ingang van 1 januari 1998 wordt herzien. Voorkomen moet worden dat
een overheidswerkgever bij twee of meer sectoren ingedeeld is voor
zijn personeel.
Nadat de sectorindeling is
bepaald, is het aan de sectorale sociale partners om te bepalen of
zij voor hun sector een eigen sectorraad zullen oprichten. De Osv
1997 biedt
ook de mogelijkheid om een sectorraad op te richten waarin twee of
meer sectoren geclusterd zijn.
Een ander aspect in dit
verband is de keuze van de
uitvoeringsinstelling. Op basis van de vorige Osv
was in een eerdere versie van het wetsvoorstel
nog uitgegaan
van de oprichting van de NBVO. De vorige Osv bevatte een verbod op
het laten uitvoeren van regelingen door meer dan één
uitvoeringsinstelling per bedrijfsvereniging. Vandaar dat in bedoelde eerdere versie van
het wetsvoorstel werd uitgegaan van het onderbrengen van de gehele
overheidspopulatie, inclusief die van de BVO en de BVG, bij één
uitvoeringsinstelling, namelijk de
USZO. De sociale partners in het bestuur van
de NBVO in oprichting hebben dat uitgangspunt onderschreven.
Dat doen zij nu nog steeds. Zij hebben recent hun voorkeur
uitgesproken voor het zo snel mogelijk na 1 januari 1998 opdragen van de
uitvoering voor de gehele overheidspopulatie (inclusief die van de BVO en
de BVG) aan de USZO. Relevant is op te merken dat zij op de hoogte
zijn van de mogelijkheid die de Osv
1997 biedt om in situaties van
overgang van de ene naar een andere uitvoeringsinstelling meerdere
uitvoeringsinstellingen te contracteren voor de uitvoering.
2.3.4. Opheffing FAOP
Het Tica constateerde
terecht dat artikel 27 van het wetsvoorstel zoals dat naar de
Raad van
State is gezonden, moet worden aangepast in verband met de Osv
1997. De bedoelde aanpassing is in het voorliggende wetsvoorstel
opgenomen
(vergelijk artikel 41 [42] van dit
voorstel). Daarbij is rblz.|20|
materieel aangesloten bij
artikel VIII, tweede tot en met vijfde lid, van de voorgestelde Invoeringswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen.
De regering onderschrijft
verder de analyse van het Tica dat het normvermogen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds als gevolg van het overnemen van de
WAO-lasten
voor het overheidspersoneel dient te stijgen. De aanvulling van
dat normvermogen zal geschieden door een zodanige vermogensoverdracht
van het FAOP aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds
dat hiervan geen premieopdrijvend effect uitgaat. In artikel 43 [44],
vierde lid, van het voorliggende voorstel is de grondslag opgenomen voor
regels met betrekking tot de berekening van het over te dragen bedrag en
het tijdstip van die overdracht.
2.3.5. Uitvoering
WAO-conforme uitkeringen (nawerking)
De opmerking van het Tica
dat, nu vanwege de Osv 1997 de NBVO niet meer zal worden opgericht,
er niets is geregeld in het naar de Raad van
State gezonden wetsvoorstel
aangaande de verantwoordelijkheid betreffende de specifieke
uitvoering van de
WAO-conforme uitkeringen na 1 januari 1998 over de
periode vóór 1 januari 1998, wordt door de regering onderschreven. De
betreffende bepaling in het voorliggende voorstel is aangepast in die
zin dat, in navolging van hetgeen het Tica adviseert, is opgenomen dat
de uitvoering van vorenbedoelde WAO-conforme uitkeringen
onder verantwoordelijkheid van het Lisv zal plaatsvinden (vergelijk
artikel 41 [42] van dit
voorstel). De feitelijke werkzaamheden kunnen bij overeenkomst
worden opgedragen aan de
uitvoeringsinstelling die thans de WAO-conforme
regeling uitvoert, de
USZO.
2.3.6. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil)
Naar aanleiding van de
opmerking van het Tica dat onvoldoende duidelijk gemaakt wordt
waarom er voor het dienstplichtig personeel voor gekozen is de Wamil
te handhaven en de lopende uitkeringen op grond
van die wet niet omgezet
worden in uitkeringen ingevolge de ZW dan wel de
WAO, wordt opgemerkt dat één en ander in de toelichting op artikel 71
van het voorliggende wetsvoorstel
is verduidelijkt. Verwezen wordt naar de toelichting op die bepaling.
2.3.7. Bijlage bij
Tica-advies
In een bijlage bij zijn
advies maakte het Tica ook nog enkele technische opmerkingen bij het
wetsvoorstel. Naar aanleiding daarvan merkt de regering het volgende op. De
in de navolgende tussenkopjes opgenomen artikelnummers zijn op basis
van het voor advies naar de Raad van
State verzonden voorstel.
2.3.7.1. Artikel 4, derde
lid
In het kader van de
conversie van
WAO-conforme aanspraken naar WAO-aanspraken informeerde
het Tica wat er is geregeld ten aanzien van de situatie dat het FAOP de omzetting van de invaliditeitspensioenen op
basis van de bij de WPA
ingetrokken Abp-wet naar WAO-conforme aanspraken op 1 januari 1998
nog niet heeft afgerond.
Verwezen wordt naar artikel
13, derde lid, van het voorliggende wetsvoorstel. In die bepaling is de regeling opgenomen waarnaar het Tica
informeerde. In het naar de Raad van
State gezonden wetsvoorstel
was die regeling ten onrechte
niet opgenomen. Opgemerkt wordt dat de door het Tica geduide gevallen,
gelet op de stand van zaken van de rblz.|21|
WAO-conforme uitvoering,
naar alle waarschijnlijkheid klein in aantal zullen zijn.
2.3.7.2. Artikel 34,
onderdeel C, en artikelen 36 en 37
Terecht wees het Tica erop
dat de artikelen 34, onderdeel C, 36 en 37 van de voorgestelde OOW
zoals die naar de Raad van
State is gezonden nog moeten worden
aangepast aan de huidige stand van de wetgeving waar het de
verwijzing naar de AAW
betreft. In het voorliggende wetsvoorstel
betreft het dan
de artikelen 51 [52], onderdeel C, 56 [57] en
57 [58]. De in die onderdelen
bedoelde artikelen van de WW, de Ioaw
en de Wagw worden nog aangepast in
het kader van een thans in voorbereiding zijnde aanpassingswet in het
kader van de Pemba-operatie. Het voorliggende voorstel zal in
de vorenbedoelde zin worden aangepast zodra het voorstel van
bedoelde Aanpassingswet Pemba [Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.] bij de Tweede Kamer is ingediend.
2.3.7.3. Artikel 34,
onderdeel D
Artikel 34, onderdeel
D, van
de voorgestelde OOW zoals die naar de Raad van
State is gezonden,
is, zoals het Tica terecht constateert, overbodig door de handhaving
van de Wamil. Dit onderdeel is dan ook geschrapt en komt niet meer terug in
het voorliggende wetsvoorstel.
2.3.7.4. Artikelen 23 tot en
met 25, 40 [41] en algemeen
Het Tica constateerde voorts
terecht dat het wetsvoorstel zoals dat naar de
Raad van
State is gezonden nog niet is aangepast aan de Osv 1997. Zo werd in die versie van
het
wetsvoorstel nog uitgegaan van de oprichting van de NBVO en werd op
sommige onderdelen nog gesproken over het Tica in plaats van het Lisv.
Het voorliggende
wetsvoorstel is aangepast aan de Osv 1997. Tevens is in de toelichting de term
"nOsv" op de desbetreffende plaatsen vervangen door "Osv
1997".
Ook de opmerking van het Tica dat op blz. 63 van de toelichting zoals die
naar de Raad van State is gezonden (blz. 80 van de toelichting bij het
voorliggende voorstel) ten onrechte de Staatssecretaris van SZW vermeld werd en dat
daar de Minister van SZW genoemd moet worden, is in
het wetsvoorstel verwerkt.
Voorts is artikel 40
[41] van het wetsvoorstel zoals dat naar de
Raad van
State is verzonden,
aangepast overeenkomstig de opmerkingen van het Tica met betrekking tot dat
artikel. In het voorliggende voorstel wordt nu in artikel 60 [61] verwezen naar
paragraaf 6 van hoofdstuk 4 van de Osv 1997 in plaats van artikel 68a
van de Osv. Met het vervallen van de genoemde paragraaf van de Osv 1997
ingevolge artikel 60 [61] van het voorliggende voorstel
is de noodzaak van
een inhoudelijke aanpassing in de door het Tica gesuggereerde lijn
overbodig.
2.4. Advies van de
Ziekenfondsraad van 24 februari 1994
Handhaving van de bestaande
situatie ten aanzien van de toepassing van de Zfw op het
overheidspersoneel sluit - gezien de besprekingen binnen de regering - aan
bij het advies van de Ziekenfondsraad van 24 februari (uitgave
Ziekenfondsraad 1994, nr. 615). In dit advies zegt de Ziekenfondsraad dat hij van
mening is dat er in principe geen onderscheid ten aanzien van de
ziekenfondsverzekering zou moeten bestaan tussen actief en inactief
overheidspersoneel. Dit uitgangspunt betekent volgens de Ziekenfondsraad: hetzij
het overheidspersoneel, zowel actief als inactief, wordt ondergebracht in de ziekenfondsverzekering, hetzij de
thans bestaande situatie in
het kader van de ziekenfondsverzekering rblz.|22|
inzake het
overheidspersoneel, zowel actief als inactief, blijft bestaan. Verwezen wordt verder naar
hoofdstuk 6 van deze toelichting alsmede naar de toelichting op de
artikelen 73 en 74 van het voorliggende
voorstel.
2.5. De reactie van de
Algemene Rekenkamer van 2 januari 1995
Op 2 november 1994 werd het
wetsvoorstel OOW zoals dat toen luidde naar de Algemene Rekenkamer
verzonden. De Algemene Rekenkamer heeft bij brief van 2 januari 1995, kenmerk 4 R, laten weten dat het
voorgelegde wetsvoorstel
materieel geen gevolgen heeft voor de controlebevoegdheden van de
Algemene Rekenkamer.
Op de gevolgen van het
voorliggende wetsvoorstel voor de controlebevoegdheden van de Algemene Rekenkamer
wordt in deze toelichting afzonderlijk ingegaan (zie hoofdstuk
7).
3. Inhoud
van het voorstel
3.1. Inleiding
3.1.1. Algemeen
In dit hoofdstuk wordt nader
ingegaan op de hoofdlijnen van de inhoud van het voorliggende
voorstel. Het uitgangspunt hierbij is de besluitvorming van de regering van februari
1997.
3.1.2. Strekking en
betekenis van het normaliseringsbeleid op het terrein van de sociale zekerheid van
het overheidspersoneel
De regering is van opvatting
dat de normalisering van de sociale zekerheid van het overheidspersoneel inhoudt dat hetzelfde systeem van
sociale zekerheid zal gelden voor de overheid en de marktsector. De sociale zekerheid kent drie
hoofdelementen:
a. rechten en verplichtingen;
b. financiering; en
c. organisatie van de
uitvoering.
Deze drie elementen zijn in
het vigerende stelsel van sociale zekerheid van de marktsector nauw met
elkaar verweven. Een voorbeeld van deze verwevenheid betreft de rol
die het Lisv ingevolge de Osv
1997 speelt op het terrein van de sociale zekerheid. Het Lisv is op de eerste plaats
verantwoordelijk voor de
uitvoering van de wettelijke werknemersverzekeringen. De individuele
uitkeringsgerechtigde heeft een aanspraak (een recht) jegens het Lisv.
Het Lisv kan de bedoelde verantwoordelijkheid waarmaken doordat het tevens
optreedt als opdrachtgever voor de uitvoering. Het Lisv kan de
uitvoeringsinstelling bij of krachtens overeenkomst naar burgerlijk recht
aansturen en corrigeren. Het Lisv bemoeit zich daarbij niet met de
individuele gevalsbehandeling (op grond van de Osv 1997 is de
uitvoeringsinstelling gemandateerd ter zake van de individuele gevalsbehandeling). Behalve
opdrachtgever is het Lisv ook beheerder en administrateur van de
sociale fondsen.
De vorenbedoelde
verwevenheid leidt ertoe dat een gelijkmaking tussen overheid en marktsector die
beperkt blijft tot één of twee van de genoemde hoofdelementen een gecompliceerde situatie schept aangezien
het element dat niet wordt gelijkgemaakt inbreuken op de andere elementen veroorzaakt. Het
volgende voorbeeld kan dit verduidelijken. Op grond van de bestaande
wachtgeldregelingen zijn de overheidswerkgevers verantwoordelijk voor de
uitvoering en financiering van die regelingen. Zo is een aantal
overheidswerkgevers momenteel aanspreekbaar door vertegenwoordigende organen op de
werkloosheidslasten rblz.|23|
die op hun begroting
zijn opgenomen. Dit betreft in ieder geval de ministeries en de lagere
publiekrechtelijke lichamen. In de marktsector is thans het Lisv
verantwoordelijk voor de uitvoering en financiering van de WW. De inbreng van de
sociale partners is beperkt tot advisering aan het Lisv vanuit sectorraden.
Indien de huidige WW en de daaraan verbonden organisatie van de
uitvoering zou worden ingevoerd in de overheidssector onder handhaving van het
bestaande financieringsregime inzake werkloosheidslasten van de overheidssector, ontstaat een situatie waarin
afbreuk zou worden gedaan
aan de positie van:
- hetzij de
overheidswerkgevers in relatie tot vertegenwoordigende organen;
- hetzij het Lisv.
De regering is geen
voorstander van indiening van een voorstel dat de bovenvermelde of
gelijksoortige consequenties zou kunnen hebben.
De normalisering die de
regering in het kader van OOW voor ogen staat, houdt dan ook een
gelijkmaking in wat alle drie hoofdelementen van de sociale zekerheid
betreft. In de opvatting van de regering is invoering van de
werknemersverzekeringen pas aan de orde op het moment dat voor de overheid
en de marktsector dezelfde rechten en verplichtingen, dezelfde
wijze van financiering en dezelfde organisatie van de uitvoering kunnen
worden ingevoerd.
Het is in de visie van de
regering niet nodig om de ZW, de
WAO en de WW op hetzelfde moment in te
voeren. De regering meent dat die drie wetten afzonderlijk en los
van elkaar moeten kunnen worden ingevoerd.
3.1.3. Normalisering op het
terrein van de arbeidsongeschiktheid
Wat de
WAO betreft, is
volgens de regering sprake van een normalisering in de vorenbedoelde zin. In
dat verband kan worden gewezen op de beoogde implementatie van de Pemba. Pemba houdt onder meer in dat de financiering van de arbeidsongeschiktheidsregeling voor de overheid
en de marktsector wordt gelijkgemaakt. Pemba zoals dat thans bij de Eerste Kamer aanhangig is,
gaat nog uit van toepassing van het bedoelde uniforme financieringsregime
in de situatie dat er nog sprake is van een eigen WAO-conforme regeling
voor het overheidspersoneel naast de WAO. Het Lisv
is
verantwoordelijk voor de uitvoering van de WAO en het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) is verantwoordelijk voor de
uitvoering van de WAO-conforme regeling. Omdat het om twee
afzonderlijke regelingen gaat, ontstaat geen spanning tussen de positie van het
Lisv en die van het FAOP. Die spanning zou wel ontstaan indien de WAO zou
worden ingevoerd voor het overheidspersoneel onder handhaving van de verantwoordelijkheid van het FAOP
voor de uitvoering ter zake.
Vanwege de keuze voor een uniform financieringsregime WAO is
het evenwel niet mogelijk en ook niet nodig om de positie van het FAOP
te continueren. De regering is daarentegen van opvatting dat de WAO
integraal kan worden ingevoerd voor het overheidspersoneel, dat wil
zeggen de rechten en verplichtingen, de financiering en de
uitvoering zoals geregeld in de WAO (zoals die luidt na invoering van Pemba).
Het voorliggende voorstel
houdt dan ook in dat de integrale WAO (in de vorenbedoelde zin) met
ingang van de voorgenomen datum van 1 januari 1998 wordt ingevoerd voor
het overheidspersoneel.
3.1.4. Verdere inhoud van
dit hoofdstuk
In dit hoofdstuk wordt
ingegaan op:
a. het met dit voorstel
beoogde geven van dezelfde wettelijke rechten en verplichtingen aan het
overheidspersoneel bij ziekte, rblz.|24|
arbeidsongeschiktheid en werkloosheid als aan de werknemers in de marktsector
(paragraaf 3.2);
b. de invoering van de WW voor de overheidssector
(paragraaf 3.3);
c. de invoering van de ZW voor de overheidssector
(paragraaf 3.4);
d. de uitvoering van de
WAO,
de ZW en de WW voor de overheidssector (paragraaf 3.5);
e. het invoeringsscenario
van OOW (paragraaf 3.6).
3.2. Rechten en
verplichtingen in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
OOW is een stelselwijziging
waarbij de sociale zekerheid van de marktsector gaat gelden voor
het overheidspersoneel. Voor de rechten en verplichtingen in geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
betekent dit het volgende.
Het overheidspersoneel wordt
ingevolge het voorliggende voorstel onder de rechtstreekse
werking van de wettelijke werknemersverzekeringen ZW,
WAO en WW gebracht. Bij
ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid ontleent dit
personeel na invoering van dit voorstel rechtstreeks
recht op uitkeringen en verstrekkingen op grond van die wetten. De
beoordeling van bedoeld recht geschiedt volgens de regels van die wetten. Dit
betreft onder meer de entree-eisen van die wetten en de uitsluitingsgronden. De betrokken uitkeringsgerechtigde
dient zich te houden aan de verplichtingen op grond van die wetten en kan bij het niet daaraan
voldoen worden geconfronteerd met een sanctie krachtens die wetten.
Als gevolg van deze
stelselwijziging zullen toekomstige wijzigingen in de rechten en verplichtingen
op grond van de werknemersverzekeringen automatisch doorwerken naar
het overheidspersoneel. Doorvertalingen zoals naar aanleiding van de TBA-maatregelen behoren alsdan tot het
verleden.
Een ander effect is dat de
in de marktsector geldende minimumaanspraken zoals neergelegd in de TW
en
de aanspraken ingevolge de Ioaw eveneens rechtstreeks zullen gelden voor het overheidspersoneel.
In de bestaande situatie
valt dit personeel voor zijn minimumaanspraken onder hetzij
arbeidsvoorwaardelijke regelingen hetzij de Algemene
bijstandswet.
In vergelijking met de
bestaande ambtelijke regelingen bieden de wettelijke werknemersverzekeringen in de regel minder aanspraken wat
hoogte en duur betreft. Tevens is veelal sprake van een verschil in systematiek tussen de
bestaande ambtelijke regelingen en de werknemersverzekeringen.
Vanwege de vereisten van uitvoerbaarheid enerzijds en van
prikkelwerking voor de werkgevers en werknemers anderzijds verdient het
aanbeveling om de nieuwe bovenwettelijke regelingen zoveel mogelijk
naadloos te laten aansluiten bij de systematiek van de wettelijke
regelingen. Bij een keuze voor naadloze aansluiting zal wat de na invoering van
OOW toe te kennen rechten betreft in vergelijking met de pre-OOW-situatie geen
sprake kunnen zijn van neutraliteit op individueel niveau. Zo kan
het gebeuren dat op grond van verscherpte entree-eisen uit hoofde van
de werknemersverzekeringen geen uitkeringsrecht ontstaat, terwijl onder de
oude ambtelijke regeling, vanwege een minder stringente
entree-eis, wel sprake zou zijn geweest van een uitkeringsrecht. Dit is een
onvermijdelijk gevolg van de systeemwijziging die in OOW besloten ligt.
Waar als gevolg van de
systeemwijziging bepaalde elementen van de ambtelijke regelingen
redelijkerwijs niet meer kunnen worden gehandhaafd, kan in het arbeidsvoorwaardenoverleg gezocht worden naar
compensatie in rechten
elders.
rblz.|25|
Het onderhavige voorstel houdt voorts in dat de stelselwijziging op dezelfde wijze geldt voor
nieuwe en bestaande gevallen. De werknemersverzekeringen worden aldus ook opengesteld
voor de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers die ten tijde van de invoering van OOW een
uitkeringsrecht hebben op grond van een ambtelijke regeling. In
hoofdstuk 5 van dit deel van de toelichting wordt afzonderlijk ingegaan op het
daartoe noodzakelijke overgangsrecht zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van
dit wetsvoorstel.
3.3. Invoering van de WW
voor de overheidssector
3.3.1. Algemeen
In het
wetsvoorstel zoals
dat voor advies naar de Raad van
State is verzonden, werd om
technische redenen uitgegaan van de invoering van een uniform financieringsregime voor de
WW voor de overheid en de
marktsector per 1 januari 1998.
De regering heeft daarbij
toen de redenering gevolgd dat het vanuit een oogpunt van consistentie
van het regeringsbeleid inzake normalisering logisch is het financieringsregime van de werknemersverzekeringen op de
overheid van toepassing te laten zijn. In zijn advies over dit wetsvoorstel
heeft de Raad van
State die redenering onderschreven. De redenering van het voorstel van toen
liet echter ruimte voor het tijdelijk op goede gronden afzien van een
uniform financieringsregime WW voor de overheid en de
marktsector.
3.3.2. Normalisering van
aanspraken, financiering en uitvoering
In subparagraaf
3.1.2 is
de opvatting van de regering vermeld dat op het terrein van de
sociale zekerheid van het overheidspersoneel eerst sprake kan zijn van normalisering indien die normalisering zowel de
rechten en verplichtingen
als de financiering als ook de uitvoering betreft. Dit vanwege de
verwevenheid tussen de genoemde drie elementen. Deze opvatting heeft ten
aanzien van de WW voor de overheid de volgende consequenties.
De vorenbedoelde
opvatting van de regering is in subparagraaf 3.1.2 uitgelegd aan de hand van
het voorbeeld van een invoering van de WW die beperkt blijft tot
het gelijkmaken van de rechten en verplichtingen en die verder een afwijkend
financieringsregime voor de overheid inhoudt. Dat voorbeeld maakt
volgens de regering duidelijk dat er in zo’n situatie een spanningsveld op het
terrein van de uitvoering ontstaat. Invoering van de WW zonder het in
die wet opgenomen financieringsregime levert scheve verhoudingen op en
leidt tot een aantasting van de verantwoordelijkheden van hetzij het Lisv,
hetzij de overheidswerkgevers.
De regering meent dan ook
dat het invoeren van de rechten en verplichtingen van de WW
voor de overheid zonder tevens het financierings- en
uitvoeringsregime van
die wet in te voeren, niet past binnen het
normaliseringsbeleid.
3.3.3. Beslissing over
invoering van WW na afronding van studie naar premiedifferentiatie WW
naar aanleiding van WAZ-nota
De door de regering
aanvaarde WAZ-nota is voor advies voorgelegd aan de Sociaal-Economische Raad (SER). Er zal, met inachtneming van de
in de WAZ-nota geformuleerde doelstelling ten aanzien van de premiedifferentiatie
in de WW, parallel onderzoek gedaan worden naar de merites van de varianten
ten aanzien van de financiering van de WW. Er rblz.|26|
zal niet alleen worden
gekeken naar de marktsector, maar er zal tevens worden gekeken naar de
overheidssector. Zo zal onder meer worden bezien op welke wijze het
financieringsregime bij werkloosheid thans functioneert binnen de
overheidssector en welke effecten, voor- en nadelen dat regime heeft. Daarbij is onder andere de vraag aan de orde
naar de volume-effecten
van prikkels in de richting van de werkgevers. De regering is daarnaast van
mening dat voor de overheidssector in het kader van OOW
een stabiel
financieringsregime WW moet worden ingevoerd en wil niet de
kans lopen dat het financieringsregime binnen enkele jaren na de
invoering daarvan op belangrijke onderdelen gewijzigd zal moeten worden.
Deze
noodzakelijke stabiliteit wordt bereikt nadat de besluitvorming naar
aanleiding van het vorenvermelde onderzoek zal hebben plaatsgevonden.
De rapportage van het
vorenbedoelde onderzoek zal uiterlijk in het eerste kwartaal van 1998
plaatsvinden. Vervolgens kan besluitvorming over het
financieringsregime WW voor de overheidssector plaatsvinden. In afwachting van het
resultaat van het onderzoek naar aanleiding van de WAZ-nota en de
besluitvorming van de regering ter zake zal de WW voorlopig niet worden
ingevoerd voor het overheidspersoneel. De besluitvorming van de
regering uit juni 1996 betreffende het financieringsregime WW in het kader van
OOW is hierdoor achterhaald.
Over de invoering van de
integrale WW (financiering, uitvoering en aanspraken) zal worden
besloten mede op basis van de rapportage van bovengenoemd onderzoek. Indien de regering in 1998 zou beslissen dat
de huidige WW zonder
wijziging ten aanzien van het financieringsregime moet gelden voor de
overheidssector, is invoering van de WW op zijn vroegst per 1 januari
1999 mogelijk. In geval van een beslissing van de regering om het
financieringsregime WW te wijzigen en die aldus gewijzigde WW ook voor de
overheid in te voeren, is invoering per 1 januari 1999 niet haalbaar. De systemen van de
USZO en de salarisadministraties
moeten alsdan aangepast
worden en dat kost tijd. De invoering van de WW zal
alsdan afhankelijk zijn van het traject met betrekking tot het
voorstel van wet tot wijziging van de WW in combinatie met de
uitvoeringstechnische mogelijkheden.
3.3.4. Kosten van
invoering uniform financieringsregime WW
In het kader van de
voorbereiding van dit wetsvoorstel is bezien wat de kosten van invoering van
een uniform regime zijn. Hierbij is uitgegaan van de huidige WW
en van invoering hiervan per 1 januari 1998. Het opnemen
in deze toelichting van
de cijfers die uit deze berekeningen resulteerden, is niet meer relevant.
Immers de invoering van de WW voor overheidspersoneel zal niet plaats vinden
per 1 januari 1998 en indien de WW zal worden ingevoerd, is op
dit moment niet duidelijk welk financieringsregime dan zal gelden.
Bij bedoelde berekeningen
is overigens gebleken dat het in beginsel mogelijk moet zijn de
OOW-operatie neutraal te laten verlopen in die zin dat slechts sprake is van
financieringsverschuivingen tussen de overheidssector en de
marktsector, waarbij het in beginsel mogelijk is één en ander
inkomensneutraal, loonkostenneutraal en neutraal voor het financieringstekort te
laten verlopen.
3.3.5. Handhaving van de
wachtgeldregelingen totdat de WW wordt ingevoerd
In
afwachting van het
resultaat van het onderzoek naar aanleiding van de WAZ-nota en de
besluitvorming van de regering ter zake zal voorlopig de WW
niet worden ingevoerd voor de overheid. Dat houdt wat de rblz.|27|
overheidssector betreft
in dat de bestaande wachtgeldregelingen (dat wil zeggen de
ontslaguitkerings- en werkloosheidsregelingen voor overheidswerknemers) voorlopig gehandhaafd
zullen worden. Dit geldt voor de elementen rechten en
verplichtingen, financiering en uitvoering. Het blijft uiteraard mogelijk dat in
deze elementen wijzigingen worden aangebracht als gevolg van afspraken
in het sectorale arbeidsvoorwaardenoverleg.
3.4. Invoering van de ZW
voor de overheidssector
In de marktsector worden,
omwille van de bescherming van de arbeidsmarktpositie van
bepaalde categorieën zieke werknemers, de ZW-lasten door middel van premieheffing omgeslagen over:
a. het landelijk
collectief (o.a. zwangerschaps- en bevallingsverlof en ZW-uitkeringen aan
ex-WAO-ers);
dan wel
b. het collectief van een
bedrijfstak of bedrijfstakonderdeel (wat de niet op landelijk niveau
verevende ZW-lasten betreft).
In beginsel geldt voor de
werkgevers in het algemeen de verplichting tot doorbetaling van het
loon bij ziekte. Voor bepaalde categorieën werknemers biedt de ZW
een vangnet door middel van een uitkering.
De techniek van
financiering in het kader van de ZW is de volgende. Aangesloten wordt bij de
fondsen van de WW.
a. De op landelijk niveau
verevende ZW-lasten komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en worden bekostigd door middel
van een opslag op het AWf-deel van de WW-premie.
b. De op bedrijfstak of
lager niveau verevende ZW-lasten komen ten laste van de wachtgeldfondsen
(wgf) van de WW en worden bekostigd
door middel van een opslag op het wgf-deel van de WW-premie.
Voorgesteld wordt om de
ZW in te voeren voor de overheidssector. Dit met het oog op het bieden
van een gelijk niveau van bescherming van de arbeidsmarktpositie zowel
voor zieke overheidswerknemers als voor werknemers in de
marktsector. In de opvatting van de regering kan de beslissing over de
invoering van de ZW worden losgekoppeld van de beslissing over de
invoering van de WW. Dit ondanks de relatie tussen die beide wetten op het
gebied van de techniek van de financiering. Het voorliggende
voorstel maakt het mogelijk de ZW afzonderlijk in te voeren. De regering stelt voor de
ZW-lasten van de overheid op (materieel) dezelfde wijze als in de marktsector te bekostigen. Indien de ZW wordt
ingevoerd op het moment
dat de WW nog niet is ingevoerd voor de overheid, zijn
afzonderlijke bepalingen nodig om de beoogde marktconforme ZW-financiering voor de
overheid te realiseren. De voorgestelde aanpak sluit aan bij de
aanbevelingen van de ROP inzake de ZW in zijn advies over de
kabinetsvoornemens ten aanzien van de ZW,
WAO en AAW
van 20 april 1995 (ROP-advies nr. 5).
De regering stelt daartoe
voor om de ZW-lasten van de overheid op de volgende wijze te
financieren ingeval de ZW wordt ingevoerd voordat de WW
wordt ingevoerd. De
ZW-lasten van de overheid die overeenkomen met de in de marktsector
ten laste van het AWf komende ZW-lasten worden alsdan eveneens
ten laste van het AWf gebracht. Voor deze lasten zal derhalve sprake zijn
van een verevening met de marktsector. De noodzakelijke premie komt
voor rekening van de overheidswerkgevers en de hoogte van die premie
is gelijk aan de hoogte van de opslag op het AWf-deel van de WW-premie
die werkgevers en werknemers tezamen in de marktsector
verschuldigd zijn.
Verder stelt de regering
voor de overige lasten van de overheid op grond van de ZW binnen de
overheidssector voor rekening te brengen van een afzonderlijk in
te stellen ZW-fonds Overheid. Indien de overheid in meerdere sectoren in
de zin van de Osv
1997 wordt ingedeeld, kan voor rblz.|28|
elk van die sectoren een
dergelijk fonds worden opgericht. De vulling van dat fonds dan wel die
fondsen zal geschieden door middel van een door de overheidswerkgevers op
te brengen en binnen de betreffende sector te verevenen premie.
De bijdrage van de
overheidswerknemers in de kosten van overheidswerkgevers met betrekking tot de ZW
zal plaatsvinden door middel van de door hen af te dragen pseudo-premie WW. In die
pseudo-premie WW is
namelijk een deel
opgenomen dat overeenkomt met het gemiddelde van de ZW-opslagen op de
WW-premie in de marktsector.
Het beheer en de
administratie van het ZW-fonds Overheid dan wel de ZW-fondsen van de
verschillende sectoren binnen de overheid zal aan het Lisv
worden opgedragen.
Vanaf het moment dat de
WW wordt ingevoerd, worden de ZW-lasten van de overheid via de
WW-fondsen gefinancierd op precies dezelfde manier als in de
marktsector.
De genoemde wijzigingen
zullen in overleg met de
USZO en de overheidsadministraties
worden voorbereid.
3.5. Organisatie van de
uitvoering van de WAO en WW voor de overheidssector
3.5.1. Uitvoering van de
WAO voor overheidspersoneel
De uitvoering van de
WAO voor overheidspersoneel zal plaatsvinden op dezelfde wijze als in de
marktsector is geregeld, dus met toepassing van de Osv
1997. De
USZO zal
mede voor deze taak een erkenning als
uitvoeringsinstelling in
de zin van de Osv 1997 dienen te verwerven. De WAO treedt voor
overheidspersoneel in werking per 1 januari 1998, zonder dat op dat moment
de WW op dat personeel van toepassing wordt (vergelijk
paragraaf 3.6).
3.5.2. Uitvoering van de
WW voor overheidspersoneel
Vanaf het moment dat de
WW wordt ingevoerd voor de overheidssector zal vanuit het uitgangspunt van de normalisering ook de
Osv
1997 van
toepassing worden op de uitvoering van de WW voor die sector.
Het element van de
financiering (via premies en fondsen) is in de marktsector nauw verbonden met het element organisatie van de
uitvoering, zoals
neergelegd in de Osv 1997. Een belangrijk kenmerk van die verbondenheid is dat
de beheerder van de fondsen, het Lisv, ook belast is met de
uitvoering van de uitkeringswetten en voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering
de integrale verantwoordelijkheid draagt. Het Lisv is dan
ook opdrachtgever van de uitvoeringsorganisaties ter uitvoering van onder
meer de WW.
Het Lisv is
verantwoordelijk voor de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering en
financiering van de WW.
3.5.3. Sectorraden voor
overheid en onderwijs
Ingevolge de
Osv
1997 wordt het bedrijfs- en beroepsleven door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid ingedeeld in sectoren (artikel 51 van die
wet) [zie Regeling indeling bedrijfs- en
beroepsleven in sectoren, red.].
Een sector omvat één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten
daarvan.
De overheid dient op
dezelfde wijze als de marktsector te worden ingedeeld in sectoren. Op
dit moment is nog niet bekend welke indeling in sectoren (aantal en omvang) zal gelden per 1 januari 1998.
rblz.|29|
Het Lisv kan per sector
een sectorraad erkennen. De mogelijkheid bestaat om een sectorraad
te erkennen die het terrein van twee of meer sectoren bestrijkt. Dit
met inachtneming van de artikelen 56 tot en met 58 van de Osv
1997. De
sectorraden hebben ingevolge de Osv
1997 tot taak de advisering aan het
Lisv over sectorale aangelegenheden en over de voor de betreffende
sector of onderdeel van die sector te sluiten uitvoeringsovereenkomst
met een
uitvoeringsinstelling.
Ook voor de overheid
kunnen één of meer sectorraden voor erkenning worden voorgedragen aan
het Lisv. Het voortouw ter zake ligt bij de sociale partners in de overheid. Het aantal en het werkterrein van die
sectorraad of sectorraden
is op dit moment nog niet aan te geven.
3.5.4. USZO als
uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv 1997
De
USZO is per 1 januari
1996 opgericht als uitvoeringsinstelling voor de
WAO-conforme regeling,
de arbeidsongeschiktheidsregeling uit hoofde van de Amp-wet en de
wachtgeldregelingen voor het overheidspersoneel. Het is de bedoeling dat
de USZO per 1 januari 1998 voldoet aan de voorwaarden voor
erkenning als
uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv 1997. Nadat de bedoelde
erkenning is verkregen, kan een uitvoeringsovereenkomst worden gesloten met de
USZO voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen
voor het overheidspersoneel inclusief de toepassing van de
onderhavige wet (het overgangsrecht). De USZO is thans bezig zich op de
bedoelde uitvoering (inclusief de uitvoering van het overgangsrecht ingevolge
OOW) voor te bereiden. Als opdrachtgever voor de uitvoering van de
WAO, de ZW en de WW zal het
Lisv optreden.
Gelet op de fasering
ingevolge dit voorstel zal sprake kunnen zijn van een drietal momenten
waarop met de USZO kan worden gecontracteerd:
a. per 1 januari 1998
voor de uitvoering van de WAO;
b. per 1 januari 1999
voor de uitvoering van de WW en de ZW ten aanzien van de zogenoemde
nieuwe gevallen (waarbij de genoemde datum wat de WW betreft
de vroegst mogelijke datum van invoering is);
c. per 1 januari 2000
voor de uitvoering van de WW en de ZW ten aanzien van de zogenoemde
oude gevallen (waarbij de genoemde datum wat de WW betreft de vroegst mogelijke datum van invoering is).
In artikel 70 van de
Invoeringswet Osv 1997 is voor de uitvoeringsinstellingen
in de marktsector een
voorziening opgenomen in geval van een faillissement of
reorganisatie als gevolg van het verlies van één of meer uitvoeringsovereenkomsten
per 1 januari 2000. De noodzakelijke kosten ten aanzien van de
betreffende uitvoeringsinstelling komen alsdan onder voorwaarden ten laste van
de sociale fondsen.
De regering stelt voor
een overeenkomstige voorziening op te nemen in het voorliggende
voorstel voor het geval de met de
USZO te sluiten uitvoeringsovereenkomst
inzake de
WAO per 1 januari 2000 wordt beëindigd (vergelijk artikel 78
van dit
voorstel). De betreffende kosten ten
aanzien van de USZO
kunnen alsdan voor rekening van de WAO-fondsen worden gebracht. Deze
voorziening strekt zich niet uit tot de WW en de ZW. Dit in verband met de
vermoedelijke datum van ingang van de op die wetten betrekking
hebbende uitvoeringsovereenkomsten en de datum waarop de bedoelde
voorziening op zijn vroegst zal kunnen eindigen.
3.6. Invoeringsscenario
OOW
3.6.1. Algemeen
De regering heeft
besloten het invoeringsscenario voor OOW aan te passen ten opzichte van
het in oktober 1996 aan de Tweede Kamer gepresenteerde scenario (brief van de
Minister van Binnenlandse Zaken van 31 oktober 1996,
Kamerstukken II 1996-1997, 24 706, nr. 6). Dit met het rblz.|30|
oog op enerzijds het
scheppen van ruimte voor verbetering van de uitvoering van de
bestaande ambtelijke regelingen en anderzijds een verdere reductie van de
aan de invoering van OOW verbonden uitvoeringstechnische
risico’s. De regering stelt voor OOW in drie fasen in te voeren.
Het volgende scenario
wordt nu voorgesteld.
3.6.1.1. Fase 1: WAO
De
WAO wordt met ingang
van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (waarbij wordt
uitgegaan van 1 januari 1998) opengesteld voor het overheidspersoneel (inclusief bepaalde groepen van gewezen overheidswerknemers).
In het wetsvoorstel wordt
dit tijdstip omschreven als "het tijdstip van aanvang van
fase 1 van deze wet" (waarbij voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat op
deze plaats en in de volgende twee subparagrafen 3.6.1.2 en
3.6.1.3 onder "deze wet" wordt verstaan de voorgestelde OOW).
3.6.1.2. Fasen 2 en 3: WW
De WW
wordt in twee fasen
ingevoerd:
1. met ingang van de
datum waarop de WW wordt opengesteld, geldt
die wet voor het
overheidspersoneel uitgezonderd degenen die op de dag voorafgaande aan de
bedoelde datum recht hebben op een wachtgeld (de zogenoemde bestaande wachtgelders); in
subparagraaf
3.3.4 van dit deel
van de toelichting is
reeds vermeld dat deze datum op zijn vroegst 1 januari 1999 zal kunnen
zijn, uitgaande van invoering van de WW zoals die thans luidt; in het
wetsvoorstel wordt de bedoelde datum omschreven als "het tijdstip van
aanvang van fase 2 van deze wet";
2. met ingang van één
jaar na de datum waarop de WW gaat gelden voor het overige personeel, geldt die wet ook voor de vorengenoemde
bestaande wachtgelders
(dit uiteraard voor zover hun recht op wachtgeld op het moment dat de WW
voor hen wordt ingevoerd of daaraan voorafgaand niet reeds is
verstreken); uitgaande van 1 januari 1999 als de vroegst mogelijke datum
voor invoering van de WW zal de onderhavige groep op zijn vroegst met
ingang van 1 januari 2000 onder de WW gebracht kunnen worden;
in het wetsvoorstel wordt de bedoelde datum omschreven als "het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet".
3.6.1.3. Fasen 2 en 3: ZW
Ook de
ZW wordt in twee
fasen ingevoerd:
1. met ingang van een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (waarbij vooralsnog wordt
uitgegaan van 1 januari 1999) geldt die wet voor het overheidspersoneel uitgezonderd degenen die op de dag voorafgaande
aan de bedoelde datum
recht hebben op een wachtgeld (de zogenoemde bestaande wachtgelders)
of op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte (de zogenoemde bestaande
ziektegevallen); in het wetsvoorstel wordt het tijdstip waarop de ZW
voor de onderhavige groep wordt ingevoerd, omschreven als "het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet";
2. met ingang van een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (waarbij vooralsnog wordt
uitgegaan van 1 januari 2000) geldt die wet ook voor de vorengenoemde bestaande
wachtgelders en bestaande ziektegevallen (dit uiteraard voor zover hun recht op wachtgeld op het moment dat de
WW voor hen wordt ingevoerd
of daaraan voorafgaand niet reeds is verstreken); in het
wetsvoorstel wordt het tijdstip waarop de ZW voor deze bestaande gevallen
wordt ingevoerd, omschreven als "het tijdstip van aanvang van fase 3
van deze wet".
rblz.|31|
3.6.1.4. Samenvatting van
de fasering
Kort samengevat houdt het
voorgestelde gefaseerde invoeringsscenario het volgende in. Met
ingang van fase 1 wordt de
WAO ingevoerd. De datum van fase 1 is in
het voorstel van de regering 1 januari 1998. Met ingang van fase 2 worden
de WW en de ZW ingevoerd voor het overheidspersoneel
behalve ten aanzien van de zogenoemde lopende gevallen. Met ingang van
fase 3 worden de WW en de ZW ingevoerd voor die lopende gevallen. De
data van fase 2 en fase 3 zijn wat de WW betreft afhankelijk van de
besluitvorming van de regering na ommekomst van de studie naar premiedifferentiatie WW naar aanleiding van de
WAZ-nota. De
vroegste data ter zake zijn 1 januari 1999 onderscheidenlijk 1 januari 2000.
Voor de data van fase 2
en fase 3 wordt wat de ZW betreft in principe uitgegaan van 1 januari
1999 onderscheidenlijk 1 januari 2000. De reden om de invoering voor de
nieuwe en de oude gevallen te laten plaatsvinden op verschillende
tijdstippen is de reductie van de invoeringsrisico’s. In de brief van de
Minister van Binnenlandse Zaken
van 21 maart 1997 betreffende de besluitvorming van de regering inzake OOW
en
USZO en de rapportage over de tweede helft van 1996
(Kamerstukken II 1996-1997,
24 706, nr. 10) zijn de
bedoelde risico’s beschreven.
De terminologie van
"fase 1", "fase 2" en "fase 3" brengt het faseverschil tot uitdrukking tussen:
- de invoering van de
WAO en de invoering van de WW
en de ZW
(fase 1 versus fase 2/3);
- de invoering van de
WW en de ZW voor nieuwe gevallen en de invoering van de WW en de
ZW voor oude gevallen (fase 2 versus fase 3).
3.6.1.5. Mogelijkheid van
verdere fasering
In verband met de
afgesproken invoering van Pemba per 1 januari 1998 is de datum van 1 januari
1998 (als tijdstip van aanvang van fase 1 van deze
wet) voor de
invoering van de
WAO in de visie van de regering een harde datum.
Ook wat het tijdstip van
aanvang van de fasen 2 en 3 van deze wet betreft, is de inzet van
de regering erop gericht om die fasen op één tijdstip te laten
aanvangen voor de gehele betrokken populatie.
Het is echter niet op
voorhand uit te sluiten dat de ZW of de WW
voor verschillende groepen
overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers op verschillende tijdstippen moet worden ingevoerd. Dit met
het oog op een optimale
afstemming van het invoeringstraject op de uitvoeringstechnische
mogelijkheden voor de betreffende
uitvoeringsinstelling alsmede ter vermijding
van onnodige risico’s bij de implementatie van OOW.
De
inwerkingtredingsbepaling van dit wetsvoorstel (artikel 81
[94]) biedt derhalve onder
meer de
mogelijkheid om bij koninklijk besluit niet alleen het tijdstip te bepalen
waarop de verschillende fasen van deze wet aanvangen, maar tevens
een verschillend tijdstip van aanvang van die fasen vast te stellen
voor verschillende groepen overheidswerknemers.
4. Openstelling
van de werknemersverzekeringen
4.1. Toepassing van de
wettelijke werknemersverzekeringen
Het voorliggende wetsvoorstel
voorziet in de openstelling van de wettelijke werknemersverzekeringen voor het overheidspersoneel. Dit
houdt in het kort het volgende in:
- de kring van
verzekerden ingevolge de wettelijke werknemersverzekeringen wordt uitgebreid met de
overheidswerknemers;
rblz.|32|
- bij ziekte,
arbeidsongeschiktheid en werkloosheid die intreedt op of na de datum van
openstelling van de betreffende wettelijke werknemersverzekering bestaat recht op
uitkeringen of verstrekkingen op grond van de
werknemersverzekeringen volgens de normen en criteria van die verzekeringen;
- ook de
overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan de datum van invoering van
de ZW, de
WAO of de WW recht hebben op een uitkering op grond van een ambtelijke sociale
zekerheidsregeling worden
met ingang van die
invoering onder de kring van verzekerden ingevolge de
werknemersverzekeringen gebracht en aan deze personen wordt bij deze wet een recht op
uitkering op grond van de werknemersverzekeringen toegekend (vergelijk
hoofdstuk 5 van dit deel van de toelichting).
Voor het onder de
werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het
overheidspersoneel zijn de volgende wettelijke bepalingen
noodzakelijk.
Ten eerste dienen de
bepalingen in de werknemersverzekeringen op grond waarvan het
overheidspersoneel thans is uitgezonderd van de wettelijke verzekeringen
inzake ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid te
vervallen. In hoofdstuk 2 van het voorliggende wetsvoorstel
zijn daartoe
strekkende bepalingen opgenomen. De voorgestelde gefaseerde
invoering van OOW heeft echter tot gevolg dat de betreffende
uitzonderingsbepalingen inzake het overheidspersoneel gehandhaafd dienen te
blijven tot aan het tijdstip waarop uiteindelijk het gehele overheidspersoneel
onder de ZW, de
WAO en de WW is gebracht. Tot dat tijdstip is in het voorliggende wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen om de kring van
verzekerden ingevolge de verschillende werknemersverzekeringen
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op basis van de
ZW, de WAO of de WW vast te stellen. De grondslag voor de bedoelde lagere regelgeving wordt ingevolge het
voorliggende wetsvoorstel
in de betreffende werknemersverzekeringen ingebracht. Zolang de WW
niet van toepassing is, dient verder de bepaling in de WAO te
worden gehandhaafd die de mogelijkheid biedt om wachtgelders te
verzekeren op grond van de WAO (artikel 7, onderdeel d, van de
WAO). Zodra het
gehele overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
is komen te vallen, voorzien weer andere bepalingen in hoofdstuk 2
van dit wetsvoorstel in het vervallen van de op het overheidspersoneel betrekking hebbende bepalingen inzake de
verzekerdenkring in de
ZW, de WAO en de WW.
De betreffende bepalingen
zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel betreffende
de wijziging van wetten op het terrein van de sociale verzekeringen.
Ten tweede dient voor de
toepassing van onder meer referteperiodes en dergelijke uit hoofde van de
werknemersverzekeringen de fictie te worden gehanteerd dat de
betreffende werknemer reeds voor OOW verplicht verzekerd is geweest op
grond van de betreffende werknemersverzekering. Zonder dergelijke ficties
kunnen de overheidswerknemers niet voldoen aan
wettelijke referte-eisen en vergelijkbare vereisten voor het recht op uitkering of
verstrekking. Aan deze fictie kunnen overigens geen rechten op
uitkeringen, verstrekkingen of wat dan ook worden ontleend betreffende de
aan OOW voorafgaande periode. Eén en ander is voor de duidelijkheid
opgenomen in de betreffende bepalingen in het hoofdstuk overgangsrecht (hoofdstuk 1 van het voorliggende voorstel, in het bijzonder de
artikelen 3, 7, 12,
22 en 30).
rblz.|33|
Opgemerkt wordt dat
voor
de openstelling van de TW en de Ioaw
in beginsel geen afzonderlijke bepalingen nodig zijn. Die regelingen zijn
rechtstreeks van
toepassing door de toepassing van de ZW, de
WAO en de WW.
4.2. Bovenwettelijke
regelingen
Het totale niveau van
rechten en verplichtingen van het overheidspersoneel in verband met
werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, zoals dat geldt op de dag
voorafgaande aan de invoering van de werknemersverzekeringen,
is in deze wet niet aan de orde. In het reguliere arbeidsvoorwaardenoverleg
dient overeenstemming te worden bereikt over de aanpassing van de
bestaande ambtelijke regelingen aan en over de invoering van nieuwe
regelingen in aanvulling op de wettelijke werknemersverzekeringen.
In aanvulling op de
nieuwe wettelijke rechten zullen de betrokken overheidswerknemers over
het algemeen nieuwe bovenwettelijke aanspraken verkrijgen. De
invulling van de bovenwettelijke aanspraken bij arbeidsongeschiktheid voor militairen wordt bij dit wetsvoorstel geregeld
(vergelijk artikel 71 [73]),
maar voor het overige bevat dit wetsvoorstel geen voorschriften op het
terrein van de bovenwettelijke rechten. De bovenwettelijke rechten dienen in
beginsel te worden neergelegd in afzonderlijke arbeidsvoorwaardelijke
regelingen, al dan niet sectoraal bepaald.
5. Overgangsrecht
5.1. Inleiding
In dit hoofdstuk wordt
ingegaan op het karakter van het overgangsrecht. Dit betreft de invloed
van het voorliggende voorstel op de bestaande ambtelijke
socialezekerheidsregelingen en de daarop gebaseerde
bestaande rechten. Ter
zake dient te worden onderscheiden tussen enerzijds de
arbeidsongeschiktheidsregelingen en anderzijds de regelingen inzake ziekte
en werkloosheid. In paragraaf 5.2 van dit deel van de toelichting worden
dit onderscheid en de reden om het hier te maken, toegelicht.
Voorts wordt ingegaan op
de inhoud en strekking van het overgangsrecht van OOW. In het
voorliggende voorstel is zoveel mogelijk aangesloten bij de wijze waarop het
overgangsrecht is geregeld inzake het onder de
werknemersverzekering brengen van het NS-personeel in het kader van de
privatisering van het Spoorwegpensioenfonds (SPF), alsmede bij het
overgangsrecht zoals dat in de WPA
is opgenomen ten aanzien van de
arbeidsongeschiktheidsregeling voor het burgerlijk overheidspersoneel. In
navolging van die eerdere trajecten is in het voorliggende voorstel
gekozen voor het in beginsel toekennen van uitkeringsrechten op
grond van de ZW en de WW
aan personen die reeds een uitkeringsrecht
hebben op grond van een ambtelijke regeling.
5.2. Karakter van het
overgangsrecht
5.2.1. Inleiding
Opgemerkt wordt dat
dit
wetsvoorstel in het algemeen geen invloed heeft op de bij de invoering van OOW reeds lopende rechten ingevolge
ambtelijke socialezekerheidsregelingen. Hierbij dient een onderscheid te
worden gemaakt tussen de arbeidsongeschiktheidsregelingen enerzijds en de regelingen inzake
ziekte en werkloosheid anderzijds.
rblz.|34|
5.2.2.
Arbeidsongeschiktheidsregelingen overheidspersoneel
Op grond van
dit voorstel
worden de rechten op
WAO-conforme uitkering en het met de
WAO overeenkomende deel van de rechten op militaire arbeidsongeschiktheidspensioenen beëindigd. Die rechten
worden daadwerkelijk omgezet in rechten op WAO-uitkering. De daarvoor noodzakelijke bepalingen
zijn opgenomen in hoofdstuk 1, paragraaf 3, van dit
wetsvoorstel.
De invloed op de
bestaande bovenwettelijke aanspraken inzake arbeidsongeschiktheid voor het burgerlijk overheidspersoneel is geen
zaak voor dit voorstel.
Het bestaande bovenwettelijke stelsel kan naar verwachting in beginsel
ongewijzigd worden voortgezet aangezien het nu reeds aansluit op de
WAO-conforme regeling.
De bovenwettelijke
aanspraken inzake arbeidsongeschiktheid van het militair personeel worden
opgenomen in de Amp-wet. De daartoe strekkende wijziging van
de Amp-wet is opgenomen in artikel 71 [73] van
dit voorstel. Artikel 72 [74] van
dit voorstel biedt het militair personeel met een bestaand recht op basis
van de Amp-wet de garantie van een ongewijzigde hoogte en duur van het
recht. Vergelijk de toelichting op die bepalingen.
5.2.3. Regelingen inzake
ziekte en werkloosheid overheidspersoneel
Dit voorstel beperkt zich
wat ziekte en werkloosheid betreft tot het toekennen van nieuwe
wettelijke uitkeringsrechten aan personen die daaraan voorafgaand reeds recht hebben op een uitkering op grond van
de toepasselijke
ambtelijke regeling.
De bestaande ambtelijke
regelingen inzake ziekte en werkloosheid en de daarop gebaseerde
bestaande rechten worden zonder nadere afspraak niet beëindigd door het
voorliggende voorstel. Aangezien het om arbeidsvoorwaardelijke
regelingen gaat, is het aan de sociale partners om te bepalen op welke wijze
die regelingen dienen te worden aangepast in verband met dit voorstel.
Overigens bevat dit voorstel in artikel 42 [43] wel een voorziening voor het
geval in de betreffende ambtelijke regelingen geen bepalingen zijn of worden
opgenomen op grond waarvan de nieuwe wettelijke rechten in
mindering worden gebracht op de lopende rechten. Dergelijke bepalingen
zijn noodzakelijk om te voorkomen dat een persoon een dubbel
uitkeringsrecht verkrijgt, te weten een nieuw wettelijk recht naast het hem reeds
toegekende ambtelijke recht. Artikel 42 [43] van
dit voorstel bevat een
vangnetbepaling die de bedoelde vermindering van het bestaande recht met
het nieuwe wettelijke recht regelt ingeval de ambtelijke regeling op
dit punt geen bepaling bevat.
5.2.4. Terminologie
overgangsrecht
Aangezien
het voorliggende voorstel in het algemeen niet ingrijpt in bestaande
rechten, is
feitelijk geen sprake van omzetting of conversie van bestaande rechten. Vandaar dat in deze toelichting is getracht die
terminologie te
vermijden. Daarentegen wordt gesproken over de toekenning van nieuwe
rechten aan personen met een bestaand recht.
5.3. Inhoud en strekking
van het overgangsrecht
5.3.1. Algemeen
Onderdeel van de
OOW-operatie is het toekennen van nieuwe rechten ingevolge de werknemersverzekeringen aan personen met een bestaand
recht op uitkering op grond van een ambtelijke regeling. De gevolgen van
die toekenning voor de
bestaande regelingen en de bestaande rechten is een zaak voor de sociale
partners bij de overheid. De regering merkt op rblz.|35|
dat omzetting van alle
oude ambtelijke rechten voor zover deze de hoogte en duur van de
werknemersverzekeringen te boven gaan, in nieuwe bovenwettelijke, op de
wettelijke rechten aanvullende rechten noodzakelijk is. Dit teneinde te
voorkomen dat de
uitvoeringsinstelling tot in lengte van jaren geconfronteerd wordt met de gevolgen van het
toepassen van eventueel
verschillende rechten-, verplichtingen- en sanctieregimes. Aldus
kunnen zogenaamde "uitsterfconstructies" worden vermeden. Bovendien is er
aldus sprake van een volledige systeemwijziging.
Indien de bestaande
ambtelijke regelingen integraal blijven bestaan naast de werknemersverzekeringen, wordt niet volledig voldaan aan de
met OOW beoogde systeemwijziging.
5.3.2. Methode van
overgangsrecht
Bij de invulling van het
overgangsrecht van OOW is in dit wetsvoorstel aansluiting gezocht bij
het overgangsrecht van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds. De privatisering van het SPF is gepaard gegaan
met het onder de werknemersverzekeringen brengen van het actieve en inactieve personeel van
de Nederlandse Spoorwegen (NS). Het overgangsrecht van de Wet
privatisering SPF inzake de reeds ingegane uitkeringen van inactief
NS-personeel is in het kader van de onderhavige operatie zoveel mogelijk
gevolgd. De SPF-systematiek is echter niet over de gehele linie gevolgd.
Rekening is gehouden met verschillen in situatie tussen NS-personeel
enerzijds en overheidspersoneel anderzijds. Een verschil is bijvoorbeeld
dat voor het burgerlijk overheidspersoneel op het moment van overgang naar
de
WAO reeds sprake is van een WAO-conforme regeling die
niet gold voor het NS-personeel toen dat personeel onder de WAO
werd gebracht. De methode van omzetting van oude rechten op basis van
de Abp-wet naar WAO-conforme rechten zoals opgenomen in de WPA
is
zoveel mogelijk ook toegepast bij de omzetting van oude rechten naar
rechten op grond van de WAO in het kader van de onderhavige wet.
Relevante afwijkingen ten
opzichte van het overgangsrecht inzake SPF zijn, waar aan de orde,
gemotiveerd in de artikelsgewijze toelichting.
5.3.3. Toepassing van de
werknemersverzekeringen ten aanzien van de oude rechten
Uitgangspunt is dat de
reeds ingegane ambtelijke uitkeringen (inclusief
WAO-conform) onder de
werknemersverzekeringen worden gebracht. Het wetsvoorstel
bevat
daartoe bepalingen met de volgende strekking:
a. WAO-conforme
uitkeringen en pensioenen van militairen ter zake van arbeidsongeschiktheid die
op 31 december 1997 bestaan, worden met ingang van 1 januari 1998
omgezet in WAO-uitkeringen;
b. aan personen met recht
op wachtgeld op 31 december 1998 worden met ingang van 1 januari
2000 mogelijk uitkeringsrechten op grond van de WW
toegekend (voor zover
voordien geen sprake is van beëindiging van uitkeringsduur); in
verband met de door de regering nog te nemen beslissingen over de
invoering van de WW (vergelijk subparagraaf 3.3.3 van dit deel van de
toelichting) betreft dit de vroegst mogelijke datum waarop de bedoelde
bestaande wachtgelders onder de WW gebracht zouden kunnen worden;
c. aan personen met recht
op 31 december 1998 op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte worden met ingang van 1 januari 2000 uitkeringsrechten op
grond van de ZW toegekend (voor zover voordien geen sprake is van
beëindiging van de uitkeringsduur);
d. voorzieningen,
toelagen, vergoedingen, loonsuppleties, loonkostensubsidies, scholing of opleiding en
reïntegratie-uitkeringen overeenkomstig rblz.|36|
de WAO op 31 december 1997 worden met ingang van 1 januari
1998 omgezet in
soortgelijke voorzieningen enzovoorts op grond van de WAO.
De
volgende categorieën
bestaande rechten blijven buiten de OOW en worden derhalve niet
onder de werknemersverzekeringen gebracht:
a. de personen die recht
hebben op een uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag;
b. de personen die recht
hebben op een uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden;
c. de personen die recht
hebben op een pensioen ter zake van ziekte of gebreken ingevolge een
vroegere militaire pensioenwet in de zin van de Amp-wet.
In subparagraaf 5.3.4 wordt
nog afzonderlijk ingegaan op de toepassing van sollicitatieverplichtingen ingevolge de
WW ten aanzien van personen
aan wie de garantie is
afgegeven dat zij in het kader van hun wachtgeld niet aan dergelijke verplichtingen behoeven te voldoen.
De onder a en b genoemde
uitkeringen missen ieder kenmerk van een uitkering ter overbrugging van een periode van inactiviteit, waarvoor de
werknemersverzekeringen bedoeld zijn. Terugkeer tot het arbeidsproces vanuit de genoemde
regelingen is niet aan de orde. Die regelingen richten zich uitsluitend op het
verstrekken van een uitkering. Elementen van reïntegratie zijn
hierbij niet aan de orde. Het onder de WW brengen van deze categorieën is dan
ook niet aan de orde. De onder c genoemde, niet om te zetten categorie
betreft de groep geïnvalideerde militairen van vóór de datum van
inwerkingtreding van de Amp-wet, die in het genot zijn van een pensioen
ter zake
van
ziekte of gebreken toegekend ingevolge artikel 2, eerste lid, onder 2, van
de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of van de Pensioenwet voor de
landmacht 1922 dan wel ingevolge artikel 2, eerste lid, onder 3, van die
wetten, voor zover de betreffende pensioenen in 1966 niet zijn omgezet in
pensioenen ter zake van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Amp-wet.
Voor deze groep is verder nooit een mate van arbeidsongeschiktheid
vastgesteld. Deze groep is ook buiten de latere stelselherzieningen
gehouden (zoals de invoering van de AAW
en de Wet
TBA). De betrokkenen
hebben inmiddels reeds meer dan dertig jaar hun pensioen ter zake van ziekte of gebreken. Het zou dan ook onredelijk
bezwarend zijn om deze
groep nu, na dertig jaar, alsnog over te zetten naar het stelsel van de
marktsector. Vergelijk artikel 72 [74], eerste tot en met derde lid, van
dit wetsvoorstel.
Afgezien van de genoemde
drie categorieën wordt nogmaals benadrukt dat alle oude rechten van
ambtelijke uitkeringen in het kader van OOW onder de werkingssfeer
van de werknemersverzekeringen worden gebracht.
Zoals reeds is vermeld in
paragraaf 4.1 van dit deel van de toelichting wordt ten behoeve van de
overgang van de reeds ingegane uitkeringen naar de werknemersverzekeringen uitgegaan van de fictie dat de
(gewezen) overheidswerknemer vanaf de datum van indiensttreding bij een overheidswerkgever
verzekerd is geweest ingevolge de werknemersverzekeringen. Voor de wijze waarop
de
reeds ingegane uitkeringen onder de
werknemersverzekeringen worden gebracht, wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting bij de verschillende artikelen van hoofdstuk 1 van deze wet.
De toekenning van rechten
op een uitkering op grond van de ZW, de
WAO of de WW geschiedt in
de regel ambtshalve. Betrokkene behoeft ter zake geen aanvraag in te dienen. De betreffende oude gevallen dienen
tijdig te worden
aangemeld bij de
uitvoeringsinstelling met bijvoeging van alle relevante
stukken. De aanmelding geschiedt door de overheidswerkgever zelf voor zover die ten
tijde van de toepassing van het rblz.|37|
onderhavige
overgangsrecht geen uitvoeringscontract met de
USZO heeft. De aanmelding
geschiedt door tussenkomst van de USZO namens de overheidswerkgever die
op dat moment wel een dergelijk contract met de USZO heeft.
5.3.4. Omgang met
sollicitatieverplichtingen ten aanzien van garantiewachtgelden
Aan bepaalde
overheidswerknemers is in vroeger jaren een garantie gegeven dat de op hen van
toepassing zijnde wachtgeldregeling gefixeerd werd op een wachtgeldregeling zoals die gold op een bepaalde
datum
gelegen vóór de datum van aanvang van fase 3 (naar verwachting op zijn vroegst 1 januari 2000)
en aan wie het ingevolge die gefixeerde wachtgeldregeling was toegestaan dat zij
niet solliciteren of ingeschreven zijn als werkzoekende bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.]. Hierna worden deze personen aangeduid
als garantiewachtgelders.
In dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld aan deze garantiewachtgelders eveneens een WW-uitkering
toe te kennen ingeval de WW wordt ingevoerd voor het overheidspersoneel. Indien er echter niets naders
geregeld zou zijn, zou de garantiewachtgelder in een dergelijk geval voor
zijn WW wel moeten
solliciteren, terwijl hij dat voor zijn bovenwettelijke deel niet zou hoeven
doen. Dan zou de garantiewachtgelder ingevolge de WW door het
uitvoeringsorgaan moeten worden gesanctioneerd, terwijl die sancties vervolgens
uit hoofde van bovenbedoelde bovenwettelijke rechtspositieregeling
financieel wordt gecompenseerd door de werkgever. Een dergelijke situatie
is voor zowel garantiewachtgelders als het uitvoeringsorgaan
ongewenst.
Om deze reden is in
artikel 42 [43], derde lid, van dit wetsvoorstel opgenomen dat de garantiewachtgelder zolang hij recht heeft op het
gefixeerde wachtgeld is
vrijgesteld van de verplichting ingevolge de WW om te solliciteren en om
ingeschreven te zijn als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
6. Ziektekostenverzekering
van het overheidspersoneel
Met ingang van de
datum van inwerkingtreding van fase 2 van deze wet (de beoogde datum
zijnde 1 januari 1999) wordt het overheidspersoneel - uitgezonderd
bepaalde categorieën werknemers - werknemer in de zin van de ZW.
Zonder nadere bepaling zou dit personeel op grond van artikel
3, eerste
lid, onderdeel
a, van de Ziekenfondswet (Zfw) verzekerd zijn op grond van
die wet.
De regering stelt echter voor om in het kader
van de OOW-operatie vooralsnog geen verandering aan te brengen in de
situatie op het terrein van de ziektekostenverzekering voor het
overheidspersoneel.
De voorgestelde OOW beoogt dan ook geen
wijziging te brengen in de op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wet bestaande situatie op het terrein van de
ziektekostenverzekering van het overheidspersoneel.
Dit voorstel houdt onder meer in dat de
categorieën overheidswerknemers of gewezen overheidswerknemers in de
zin van dit wetsvoorstel die op die dag reeds onder de Zfw
vallen (op
grond van het Aanwijzingsbesluit verplicht verzekerden Ziekenfondswet,
afgekort Aanwijzingsbesluit), in het kader
van de onderhavige operatie onder de Zfw-verzekering blijven. Dit met
behoud van de bestaande mogelijkheid voor die personen om ontheffing te
vragen van de Zfw-verzekering. De overheidswerknemers die daarentegen
volgens de huidige regeling buiten de Zfw-verzekering vallen, blijven
daar in beginsel buiten.
rblz.|38|
Ook wat het na
inwerkingtreding van deze wet intredende nieuwe
overheidspersoneel betreft, stelt de regering voor het bestaande stelsel
van ziektekostenverzekeringen vooralsnog te handhaven.
Het
voorstel van de regering om vooralsnog in deze wet geen verandering te
brengen in de aan deze wet voorafgaande, bestaande situatie ten aanzien
van de ziektekostenverzekering voor het overheidspersoneel is gebaseerd
op de volgende overwegingen. De overweging die in het nabije verleden
tot dit voorstel leidde, was de onduidelijkheid over de toekomst van het
stelsel van ziektekostenverzekeringen op de middellange en lange
termijn. Die overweging geldt in zekere mate nog steeds.
Een andere overweging is dat de regering zich
geen volledig beeld heeft kunnen vormen van alle consequenties van
toepassing van de Zfw ten aanzien van het overheidspersoneel.
Handhaving van de bestaande situatie ten aanzien van de toepassing van
de Zfw op het overheidspersoneel sluit - gezien de besprekingen binnen
de regering - aan bij het advies van de Ziekenfondsraad van 24
februari (uitgave Ziekenfondsraad 1994, nr. 615). In dit advies zegt de
Ziekenfondsraad dat hij van mening is dat er in principe geen
onderscheid ten aanzien van de ziekenfondsverzekering zou moeten bestaan
tussen actief en inactief overheidspersoneel. Dit uitgangspunt betekent
volgens de Ziekenfondsraad: hetzij het overheidspersoneel, zowel actief
als inactief, wordt ondergebracht in de ziekenfondsverzekering, hetzij
de thans bestaande situatie in het kader van de ziekenfondsverzekering
inzake het overheidspersoneel, zowel actief als inactief, blijft
bestaan. Verwezen wordt verder naar de toelichting op de artikelen 73
en
74 van het voorliggende voorstel.
Voorgesteld wordt de voortzetting van de aan OOW
voorafgaande situatie
op het terrein van de ziektekostenverzekering van het overheidspersoneel
als volgt in te vullen.
De fasering van de openstelling van de
werknemersverzekeringen voor het overheidspersoneel, waarbij sprake is
van drie fasen, mag geen gevolgen hebben voor de ziektekostenverzekering
van het overheidspersoneel. Bij de overgang naar fase 1, van fase 1 naar
2 en van fase 2 naar 3 mag per saldo geen wijziging optreden in de
ziektekostenverzekering. Dit laat uiteraard de mogelijkheid onverlet van
een afzonderlijk besluit, buiten het kader van OOW, om in de
ziektekostenverzekering van het overheidspersoneel wijziging te brengen.
Indien zo’n besluit wordt genomen, is wellicht wijziging van de
voorgestelde OOW noodzakelijk.
De
regering stelt de volgende aanpak voor teneinde de
ziektekostenverzekering van het overheidspersoneel gedurende de drie
fasen van OOW materieel ongewijzigd te laten.
Met
ingang van de datum van fase 1 van OOW (volgens planning 1 januari 1998)
wordt de regeling in het kader van het op artikel
3, eerste lid,
onderdeel b, Zfw gebaseerde Aanwijzingsbesluit
gehandhaafd.
Vanwege de omzetting van
WAO-conforme uitkeringen en pensioenen ter zake
van arbeidsongeschiktheid op grond van de Amp-wet in uitkeringen op
grond van de WAO is een redactionele wijziging van artikel
1, onderdeel r en w, van het Aanwijzingsbesluit
noodzakelijk. Materieel blijft sprake van verplichte verzekering op
grond van de Zfw in geval van een arbeidsongeschiktheid van ten minste
45%. Niet Zfw-verzekerd zijn - conform de bestaande situatie - de
personen met een arbeidsongeschiktheid van minder dan
45%.
rblz.|39|
Met ingang van
de datum van fase 2 van OOW
(zoals gezegd 1 januari 1999) worden
de overheidswerknemers, uitgezonderd lopende gevallen van werkloosheid
en ziekte, werknemer in de zin van de ZW. Op grond van
artikel 3, eerste
lid, onderdeel a, van de Zfw
zijn deze overheidswerknemer
verzekerd op grond van de Zfw. De aan OOW voorafgaande, bestaande
uitzonderingen op de Zfw-verzekering zullen vervolgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
3, negende lid, van
de Zfw bepaald worden. Door middel van een nieuw tiende lid van
artikel 3 van de Zfw
wordt beoogd de thans bestaande mogelijkheid van het vragen
van ontheffing van de Zfw-verzekering te handhaven. De bedoeling is een
overheveling vanuit het Aanwijzingsbesluit
naar artikel 3, eerste,
negende en tiende lid, van de Zfw. De formele regeling wordt derhalve
aangepast, waarbij nogmaals wordt opgemerkt dat materieel geen wijziging
in de bestaande ziektekostenverzekering beoogd wordt. De Zfw-verzekering
ten aanzien van de lopende gevallen en de uitzonderingen daarop blijven met
ingang van fase 2 van OOW geregeld in het vorengenoemde
Aanwijzingsbesluit, met de daarin geregelde ontheffingsmogelijkheid. Dat
Aanwijzingsbesluit bevat ter zake dan uitsluitend nog een regeling met
betrekking tot deze oude gevallen. De overige categorieën worden, zoals
gezegd, geregeld door middel van artikel 3, eerste, negende en tiende
lid, van de Zfw.
Met
ingang van de datum van fase 3 van OOW (volgens planning 1 januari 2000)
komen ook de op 31 december 1998 bestaande gevallen van ziekte en
werkloosheid onder de ZW te vallen. De Zfw-verzekering kan dan volledig
via artikel 3, eerste, negende en tiende lid, van de Zfw
worden
geregeld. De bepalingen in het Aanwijzingsbesluit
betreffende het
overheidspersoneel kunnen alsdan geheel komen te vervallen.
De
regeling van de Zfw-verzekering verschuift met
andere woorden in fasen van volledig
in het Aanwijzingsbesluit
(in fase 1) naar deels in het
Aanwijzingsbesluit en deels op basis van artikel
3, eerste, negende en
tiende lid, van de Zfw (in fase 2) naar volledig op basis van
artikel 3,
eerste, negende en tiende lid, van de Zfw (in fase 3).
Volledigheidshalve wordt nogmaals benadrukt dat materieel in alle fasen
steeds hetzelfde dient te worden geregeld en dat dus uitsluitend de
formele regeling aangepast wordt.
7. Controlebevoegdheden
van de Algemene Rekenkamer
Het onderhavige
wetsvoorstel brengt materieel geen wijziging in de controlebevoegdheden
van de Algemene Rekenkamer inzake de uitvoering en financiering van de
sociale zekerheid van het overheidspersoneel. Met ingang van de
invoering van de werknemersverzekeringen ontstaat de volgende situatie.
Ingevolge artikel 59, eerste lid, onderdeel d, van de
Comptabiliteitswet is de Algemene Rekenkamer bevoegd tot controle van
rechtmatigheid en doelmatigheid van uitgaven ten aanzien van
rechtspersonen voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak
uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de
opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen.
Het voorliggende wetsvoorstel draagt de
uitvoering daarvan op aan het Lisv. Aldus is in casu sprake van een bij
de wet geregelde taak van het Lisv. De kosten van het Lisv met
betrekking tot de uitoefening van deze taak worden volgens bij of
krachtens de
WAO, de ZW en de WW
bepaalde regels bekostigd.
rblz.|40|
Totdat de WW is ingevoerd, dient de controlebevoegdheid van de Rekenkamer ten
aanzien van de Stichting USZO wat de uitvoering van de
werkloosheidsregelingen betreft, te worden gehandhaafd. Die bevoegdheid
is thans, vooruitlopende op de invoering van de WW, geregeld door middel
van artikel 15 Wet Stichting USZO. Die bepaling houdt thans echter in
dat die controlebevoegdheid vervalt op het moment dat de USZO onder de
Osv komt te vallen. Vanwege de fasering van OOW
zal per 1 januari 1998
de Osv 1997 van toepassing worden op de USZO en zal de WW op zijn
vroegst één jaar later in werking treden. De toepassing van artikel 15
van de Wet Stichting USZO dient pas te worden beëindigd in geval van
toepassing van de WW. Artikel 75 [77] van dit voorstel bevat de daartoe
noodzakelijke wijziging van bedoeld artikel.
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk 1, paragraaf 1
Artikel 1
Artikel 1 bevat de definitiebepalingen. De meeste bepalingen spreken
voor zich. Een beperkt aantal onderdelen behoeft nadere uitleg. Ter zake
van die onderdelen wordt het volgende opgemerkt.
Onderdeel f
Onder toepassing van de tot de datum van invoering van OOW
geldende
ambtelijke socialezekerheidsregelingen was het gebruikelijk dat de
aanspraken van deeltijders op basis van die regelingen afgeleid waren
van de aanspraken van voltijders. De aanspraken die de betreffende
deeltijders ontvingen, werden bepaald door de aanspraken die zij zouden
hebben gehad bij een voltijdse betrekking te vermenigvuldigen met een
factor, de zogenoemde deeltijdfactor. De deeltijdfactor drukt de
verhouding uit tussen de feitelijke aanspraken van de deeltijders en de
aanspraken bij een voltijdse betrekking. Een voorbeeld ter verduidelijking:
voor een werknemer die in een betrekking voor 20 uur een salaris
van ƒ2000,- verdient, terwijl het salaris bij een voltijdse
betrekking van 40 uur ƒ4000,- zou hebben bedragen, geldt een
deeltijdfactor van 2000/4000, dus 0,5 van het voltijdse salaris. De
aanspraken van de betreffende deeltijder worden dan als volgt bepaald:
de aanspraken in geval van een voltijdse betrekking worden
vermenigvuldigd met de genoemde factor van 0,5. Deze methode is niet
alleen toegepast voor de berekening van de salarissen van deeltijders,
maar ook voor de bepaling van hun pensioenrechten, hun rechten op
wachtgeld en hun aanspraken in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Verder zijn de tot OOW bij deeltijders ingehouden pseudo-premies inzake
ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid en de door de werkgevers
op basis van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP) aan het FAOP afgedragen invaliditeitspremies vastgesteld met
toepassing van de vorengenoemde deeltijdfactor. De deeltijdfactor
speelde dus niet alleen een rol in het kader van de aanspraken, maar ook
in het kader van de premieheffing.
In het kader van de
WAO-conforme regeling wordt
thans het WAO-dagloon gehanteerd. Dat dagloon wordt vastgesteld op basis
van de in de marktsector geldende systematiek. Artikel 32, vierde lid,
van de Wet
privatisering ABP (WPA) biedt de mogelijkheid van
dagloonregels van het FAOP waarin van de systematiek van de marktsector
wordt afgeweken. Het FAOP heeft in dergelijke [gevallen, red.] bepaald dat het
WAO-conforme dagloon ten aanzien van de werknemers uit de
onderwijssector berekend wordt met toepassing van de deeltijdfactor.
rblz.|41|
De
deeltijdfactor wordt niet gehanteerd in het systeem van de
sociale verzekeringen. Daar is het gebruikelijk om de aanspraken alsook
de premieheffing te bepalen op basis van loon per dag en het aantal
gewerkte dagen. Voor deeltijders is het dan ook nodig om vast te leggen
op hoeveel dagen van de week zij werken of gewerkt hebben. Ervan
uitgaande dat deze systematiek van de sociale verzekeringen bij de
invoering van OOW nog van kracht is, zal die in het kader van OOW ook
gaan gelden voor de overheidssector. Dit betekent dat de tot nu toe
gehanteerde systematiek van de deeltijdfactor voor de overheidssector
verlaten wordt.
Hierop geldt evenwel een uitzondering. Het is
uitvoeringstechnisch onuitvoerbaar om voor alle overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers, voor zover betrokken bij de overgang van
oude naar nieuwe rechten in het kader van deze wet, de registratie van
het loon per dag met terugwerkende kracht tot een vóór deze wet
gelegen datum in te voeren.
Het is namelijk niet mogelijk achteraf te
bepalen wat het loon per dag is geweest en op welke dagen de betrokkenen
hebben gewerkt op het moment dat hun oude recht werd toegekend. Er is
geen registratie ter zake voorhanden. Per geval zou één en ander
vastgesteld moeten worden, hetgeen een uiterst complexe en
conflictgevoelige uitvoering zou opleveren. Vandaar dat ervoor gekozen
is om de oude rechten om te zetten in nieuwe rechten onder toepassing
van de deeltijdfactor. Dit is relevant in het kader van de bepaling van
het dagloon van de aldus in nieuwe rechten omgezette oude rechten.
Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat er recent al eerder conversie
van oude naar nieuwe rechten met toepassing van de deeltijdfactor heeft
plaatsgevonden. Op grond van de WPA
zijn namelijk de
WAO-conforme
rechten met betrekking tot deeltijders die op 31 december 1995 recht
hadden op een invaliditeitspensioen op basis van de Algemene burgerlijke
pensioenwet (Abp-wet), zoals die wet luidde vóór de intrekking van die
wet bij de WPA, vastgesteld met toepassing van de ten aanzien van dat
invaliditeitspensioen geldende deeltijdfactor. Artikel
1, onderdeel
f, van het voorliggende wetsvoorstel bouwt voort op die
systematiek.
De toepassing van de deeltijdfactor in het
kader van dit wetsvoorstel voor de vaststelling van daglonen op grond
van de werknemersverzekeringen is een eenmalige zaak, die namelijk
uitsluitend betrekking zal hebben op de omzetting. Na de omzetting wordt
het betreffende dagloon op basis van de indexeringssystematiek van de
werknemersverzekeringen (de systematiek van de Wet koppeling met
afwijkingsmogelijkheden) aangepast. De deeltijdfactor speelt alsdan geen
rol meer.
In
de omschrijving van de deeltijdfactor komt de zinsnede "zo nodig
vastgesteld op grond van functiewaardering" voor. Deze zinsnede is
overgenomen uit artikel AE 1a, tweede lid, tweede volzin, van de
Abp-wet, zoals die bepaling luidde op 31 december 1995. Uit de
toelichting bij het betreffende wetsvoorstel, waarbij artikel
AE 1a
in de Abp-wet werd ingevoegd, kan het volgende worden afgeleid
(Kamerstukken II 1984-1985, 19 000, nr. 3). Indien de bezoldiging in een
bepaalde deeltijdbetrekking niet rechtstreeks kan worden afgeleid uit
een salarissysteem, dient een functiewaardering plaats te hebben.
Daarbij moet worden vastgesteld hoeveel de bezoldiging zou moeten
bedragen voor vergelijkbaar werk in een volledige betrekking. Er is
omwille van de duidelijkheid en de volledigheid voor gekozen deze meer
volledige omschrijving van het begrip deeltijdfactor te gebruiken in het
kader van de omzetting van oude rechten naar nieuwe rechten ingevolge
het onderhavige wetsvoorstel.
Onderdeel g
Er
is voor gekozen de term "dienstverband" te gebruiken in plaats van de
in de werknemersverzekeringen gebruikte termen publiekrechtelijke en rblz.|42|
privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het dienstverband betreft zowel de
ambtelijke aanstelling als de dienstverhouding op basis van een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Deze terminologie wordt hier
gebruikt teneinde onduidelijkheid over de inhoud van de begrippen te
vermijden. De onderhavige OOW-operatie heeft immers alleen
betrekking op het overheidspersoneel, waarop niet al voorafgaande aan
deze operatie de werknemersverzekeringen van toepassing zijn.
Onderdeel k
De
in dit onderdeel gekozen omschrijving van overheidswerkgever grijpt
terug op de omschrijving van artikel BE 1, BE 2 en BE 3 van de ingetrokken
Abp-wet. Kenmerk van die omschrijving is dat de overheidswerkgever een
lichaam of een onderdeel van een lichaam (een orgaan) is. In geval van
een publiekrechtelijk lichaam is de overheidswerkgever een orgaan van
dat lichaam. In geval van een privaatrechtelijk lichaam is de
overheidswerkgever dat lichaam zelf. De in dit onderdeel gekozen
omschrijving sluit nauw aan bij de omschrijving van werkgever in de zin
van de werknemersverzekeringen.
Onderdeel l
Overheidswerknemer is (naast in beginsel de beroepsmilitair in de zin
van de Amp-wet) de overheidswerknemer in de zin van artikel 2 van de WPA
die jonger is dan 65 jaar. De leeftijdsgrens van 65 jaar is overgenomen
uit de werknemersverzekeringen. Werknemers die 65 jaar of ouder zijn,
zijn niet of niet meer verzekerd uit hoofde van de
werknemersverzekeringen. De leeftijdsgrens van 65 jaar geldt momenteel
ook al voor overheidswerknemers in het kader van de
WAO-conforme
regeling.
Overheidswerknemer is voorts (met inachtneming
van de vorengenoemde leeftijdsgrens van 65 jaar) degene die in dienst is
van de Koninklijke Hofhouding. Die persoon behoort namelijk niet tot de
overheidswerknemers in de zin van artikel 2 van de WPA
(maar valt
materieel al wel onder de werking van de WAO-conforme regeling;
formalisering daarvan heeft inmiddels plaatsgevonden in de Wet
gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke
Hofhouding). De
werknemers van deze derde categorie volgen de rechtspositie van
overheidswerknemers in dienst van de sector Rijk. Laatstgenoemde
werknemers worden in het kader van OOW onder de werknemersverzekeringen
gebracht en het ligt uit een oogpunt van aansluitende rechtsposities dan
ook voor de hand dat het personeel van de Koninklijke Hofhouding
eveneens onder de werknemersverzekeringen gebracht worden. Deze
categorie dient dan ook apart te worden vermeld.
Onderdeel m
De
term pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid ingevolge de Amp-wet
omvat niet alleen het arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge die wet,
maar in voorkomend geval ook de invaliditeitsverhoging ingevolge die
wet. De definitie omvat niet de pensioenen ter zake van ziekte of
gebreken op grond van de vroegere militaire pensioenwetten in de zin van
de Amp-wet. Laatstgenoemde pensioenen zullen, zoals uiteengezet in het
algemeen deel van de toelichting, ook niet worden omgezet in uitkeringen
op grond van de
WAO. Voor de motivering ter zake wordt verwezen naar het
algemeen deel (paragraaf 4.3).
Onderdeel n
Ten
behoeve van de bepaling van het dagloon voor de vaststelling van de
uitkering ingevolge de
WAO waarop de gewezen militair met recht op rblz.|43|
pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid recht heeft, wordt gebruik
gemaakt van de voor dat pensioen geldende pensioengrondslag. Dit is de
pensioengrondslag zoals die voor de betrokkene met toepassing van de
Amp-wet is vastgesteld en geldt op de dag voorafgaande aan de datum
waarop de WAO op deze belanghebbenden van toepassing wordt ingevolge deze wet.
Onderdelen o, s, w en x
Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat met de in deze onderdelen
genoemde wetten bedoeld worden die wetten zoals zij luiden op het moment
van omzetting van een oud recht naar een op de betreffende wet gebaseerd
nieuw recht ingevolge het onderhavige wetsvoorstel en zoals zij nadien
worden gewijzigd. Dit houdt onder meer in dat wijzigingen in de bedoelde
wetten die daarin aangebracht worden op of na de datum van invoering van
het onderhavige wetsvoorstel, onder het algemene overgangsrecht van die
wijzigingen vallen. Het is derhalve niet zo dat op de omgezette rechten
de wettelijke regelingen van toepassing blijven zoals die ten tijde van
de omzetting ingevolge het onderhavige wetsvoorstel luidden.
Met
betrekking tot onderdeel s van artikel 1 wordt nog het volgende
opgenomen. Dat onderdeel betreft de
WAO zoals die luidt op het moment
dat fase 1 van de onderhavige wet in werking treedt
(i.c. per 1 januari
1998). De WAO wordt daarnaast gewijzigd in het kader van de Pemba-wetgeving. Er is in dit wetsvoorstel voor gekozen uit te gaan van
de WAO zoals die luidt met de wijzigingen ingevolge Pemba. Deze keuze is
gemaakt omdat Pemba in een vergevorderd stadium van parlementaire
behandeling verkeert en de kans derhalve groot is dat die wet op 1
januari 1998 in werking zal treden. Indien noodzakelijk zal in het
onderhavige wetsvoorstel bij nota van wijziging een voorziening worden
opgenomen voor het geval Pemba niet of niet tijdig in werking zal
treden.
Onderdeel q
De
omschrijving van uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid is
opgenomen met het oog op de toepassing van artikel
3. Het voornemen
bestaat om artikel 3 per 1 januari 1999 in werking te laten treden. In
dit voorstel wordt ervan uitgegaan dat op die datum geen sprake meer
zal zijn van
WAO-conforme uitkeringen en pensioenen ter zake van
arbeidsongeschiktheid; volgens voornemen zijn die immers per 1 januari
1998 omgezet naar uitkeringen op grond van de WAO. Desalniettemin moet
rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat er op 31 december 1998
nog sprake kan zijn van WAO-conforme uitkeringen en pensioenen ter
zake van arbeidsongeschiktheid, namelijk indien de toepassing van de WAO
niet op 1 januari 1998, maar later zou plaats vinden. In het algemeen
deel van de toelichting is op die mogelijkheid ingegaan. Waarschijnlijk
is dit niet, maar voor de zekerheid wordt in dit voorstel gekozen voor
een zodanig ruime begripsomschrijving van uitkering ter zake van
arbeidsongeschiktheid dat artikel 3 kan worden toegepast ongeacht welke
arbeidsongeschiktheidsregeling op 31 december 1998 van toepassing is.
Onderdeel r
Onder de term wachtgeld wordt hier verstaan iedere uitkering ter zake
van ontslag of werkloosheid op grond van een arbeidsvoorwaardelijke
wachtgeld- of uitkeringsregeling voor (gewezen) overheidswerknemers.
Onder wachtgeld wordt ook begrepen de suppletie die op grond van ontslag
wegens ziekte wordt toegekend in geval van gedeeltelijke rblz.|44|
arbeidsongeschiktheid en het niet volledig werkzaam zijn voor de
resterende verdiencapaciteit (werkloosheid). Tevens wordt onder
wachtgeld verstaan de uitkeringen op grond van de WW-conforme
werkloosheidsregelingen (te weten het Bwoo, het Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel (Wbdp) en het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen
bepaalde tijd (Wbbt)). Uitkeringen, al dan niet reeds ingegaan, in
verband met vrijwillig vervroegd uittreden (VUT en pre-VUT/FPU) en op
grond van functioneel leeftijdsontslag, worden niet omgezet. Die
uitkeringen zijn uitdrukkelijk uitgezonderd door ze niet te verstaan
onder de definitie van wachtgeld. Deze uitzondering is niet nodig voor
de Uitkeringswet gewezen militairen, aangezien een uitkering krachtens
die wet geen wachtgeld is in de zin van de Amp-wet.
Teneinde dit begrip wachtgeld te onderscheiden
van het begrip (bovenwettelijk) wachtgeld zoals dat na invoering van de
WW geldt en derhalve de toepassing van OOW te beperken tot die
wachtgelden die werden toegekend voorafgaande aan de gefaseerde
invoering van de WW ingevolge deze wet, is aan het slot van de
begripsomschrijving de zinsnede "zoals dat geldt tot de datum waarop de
WW ingevolge deze wet van toepassing wordt op de betrokken
overheidswerknemer".
Hoofdstuk 1,
paragraaf 2 en
3
Artikelen 2,
6,
11 en
21
Wat
ziekte (paragraaf 2) en arbeidsongeschiktheid
(paragraaf 3) betreft,
moet onderscheid worden gemaakt tussen de regelingen voor
burgerpersoneel enerzijds en die voor militair personeel anderzijds.
Sinds 1 januari 1996 geldt voor overheidswerknemers in de zin van deze wet
die werkzaam zijn in burgerlijke overheidsdienst
(overheidswerknemers in de zin van artikel 2 van de WPA
en het personeel
van de Koninklijke Hofhouding) een
WAO-conforme
arbeidsongeschiktheidsregeling. De vroegere uitkeringen op grond van de
Abp-wet zijn bij de WPA
omgezet in WAO-conforme uitkeringen. Deze
WAO-conforme uitkeringen zijn onder meer ook toegekend aan
overheidswerknemers in de zin van deze wet die langer dan 52 weken ziek
waren maar nog geen recht hadden op invaliditeitspensioen en die ten
minste 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO waren. In het kader
van de onderhavige wet worden de WAO-conforme uitkeringen omgezet in
uitkeringen op grond van de WAO. Voor het burgerpersoneel kan dan ook
worden geconstateerd dat de omzetting naar de WAO materieel reeds per 1
januari 1996 is gerealiseerd.
Voor het militair personeel geldt de
WAO-conforme regeling echter niet.
Voor dat personeel gelden aanspraken op grond van de Amp-wet, welke wet
nog uitgaat van een met de Abp-wet vergelijkbaar systeem, te weten het
systeem dat recht op een pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid of
invaliditeit eerst ontstaat nadat de beroepsmilitair blijvend ongeschikt
is verklaard uit hoofde van ziekte of gebreken en nadat hij op die grond
is ontslagen.
Geconstateerd kan worden dat in de onderhavige wet in feite de omzetting
van een ambtelijke aanspraak van beroepsmilitairen naar een aanspraak op
grond van de
WAO moet plaatsvinden, welke omzetting voor burgerpersoneel
reeds in het kader van de WAO-conforme regeling materieel is
gerealiseerd.
Het overgangsrecht voor beroepsmilitairen wijkt
derhalve af van dat voor het burgerpersoneel en is om die reden in een
aparte afdeling van paragraaf 3 opgenomen (te weten in
afdeling 2 van
die paragraaf).
Wat
de regelingen ter zake van ziekte betreft, zijn in dit voorstel voor de
duidelijkheid eveneens bepalingen voor het burgerpersoneel (afdeling 1
¹ rblz.|45|
van
paragraaf 2) en voor het militair personeel (afdeling 2 ¹ van
die paragraaf) opgenomen.
1. Ingevolge artikel I,
onderdeel A, van de Aanpassingswet OOW (Stb. 2000, 561) is in
paragraaf 2 van hoofdstuk I de verdeling in afdelingen, de nummering van die afdelingen
en de aanduiding van die afdelingen komen te vervallen, red.
Wat
de omzetting van wachtgeldaanspraken in rechten op grond van de WW
betreft, is de situatie ten aanzien van militairen en burgerpersoneel
niet zodanig verschillend dat die omzetting voor die groepen in aparte
paragrafen geregeld zou moeten worden. Vergelijk paragraaf 4 van
hoofdstuk 1.
Hoofdstuk 1, paragraaf 2,
afdeling 1, en paragraaf 3, afdeling 1: de artikelen 2 tot en met 5 en 11 tot en met 20
Deze afdelingen ¹ bevatten de bepalingen met betrekking tot de verzekering van actief en
inactief burgerpersoneel uit hoofde van de ZW
(paragraaf 2) en de
WAO (paragraaf 3), de omzetting van de lopende WAO-conforme uitkeringen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers naar uitkeringen op
grond van de WAO en overige voor de omzetting vereiste bepalingen.
1. Ingevolge artikel I,
onderdeel A, van de Aanpassingswet OOW (Stb. 2000, 561) is in
paragraaf 2 van hoofdstuk I de verdeling in afdelingen, de nummering van die afdelingen
en de aanduiding van die afdelingen komen te vervallen, red.
Artikel
3
In
het eerste lid van dit artikel is opgenomen dat de verplichte
verzekering van overheidswerknemers en bepaalde categorieën gewezen
overheidswerknemers op grond van de ZW geacht wordt te zijn aangevangen
vanaf de dag van aanvang van het dienstverband. Het uitkeringsrecht is
immers gekoppeld aan het verzekerd zijn op grond van de ZW alsmede aan
het gedurende bepaalde tijd op grond van die wet verzekerd zijn. Door
middel van het eerste lid wordt de situatie bereikt dat de toepassing
van de ZW vanaf de datum waarop die wet ingevolge deze wet
op de
betrokkene van toepassing wordt, kan plaatsvinden alsof de betrokken
werknemers reeds vóór die datum verplicht verzekerd waren op grond
van die wet. In het algemeen deel van de memorie van toelichting is
uiteengezet dat het moment waarop de ZW van toepassing wordt:
- in beginsel 1 januari 1999 is, behalve voor de overheidswerknemers
en gewezen overheidswerknemers die op 31 december 1998 recht hebben op
een wachtgeld dan wel op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte;
- 1 januari 2000 is voor de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers die op 31 december 1998 recht hebben op een
wachtgeld dan wel op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte wier
uitkering niet is beëindigd wegens het verstrijken van de duur daarvan
op of vóór 1 januari 2000.
Om iedere twijfel daaromtrent uit te sluiten, is
in het tweede lid expliciet gesteld dat aan de verleende verzekering in
de zin van de ZW geen rechten kunnen worden ontleend over perioden die
gelegen zijn vóór het tijdstip waarop de ZW ingevolge deze wet van
toepassing wordt.
Artikel
4
In
het systeem van de ZW is het recht op ziekengeld op grond van
die wet voorbehouden aan de in artikel
29, tweede lid, van die wet genoemde
verzekerden. De niet in die bepaling genoemde verzekerden hebben bij
ziekte geen recht op dat ziekengeld, maar op loondoorbetaling voor
rekening van hun werkgever.
In het kader van het onderhavige wetsvoorstel
wordt voorgesteld dit systeem open te stellen voor het
overheidspersoneel. Voor dit personeel geldt thans als hoofdregel bij
ziekte reeds een recht op loondoorbetaling voor rekening van de
werkgever. De invoering van het ZW-systeem betekent echter dat de
overheidswerknemers die werknemer zijn in de zin van artikel
29, tweede
lid, van die wet recht verkrijgen op ziekengeld
rblz.|46|
op grond van die wet.
Voor die overheidswerknemers zal in beginsel dan ook geen sprake zijn
van onverkorte loondoorbetaling voor rekening van de werkgever.
Dit recht op ziekengeld op grond van de ZW
wordt in het onderhavige voorstel ook toegekend aan de
overheidswerknemers die voorafgaande aan het van toepassing worden van
deze wet reeds ongeschikt tot werken wegens ziekte zijn, de zogenaamde
lopende gevallen. Eén en ander is geregeld in artikel
4, eerste lid, van
het voorstel.
Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de formulering van het derde
lid inhoudt dat het niet de bedoeling is dat de vaststelling van het
recht op ziekengeld op grond van de ZW, bedoeld in dat lid, geschiedt op
basis van een geneeskundig onderzoek. Voorgesteld wordt het recht op
ziekengeld op grond van het derde lid toe te kennen indien de betrokkene
als ongeschikt tot werken wegens ziekte geregistreerd staat. Op basis
van de ambtelijke rechtspositieregeling wordt ieder ziektegeval en ieder
herstel geregistreerd. In het voorstel wordt derhalve uitgegaan van de
aanname dat ieder geval dat als "ziek" geregistreerd staat, voldoet
aan de eis van ziek zijn in de zin van de ZW. Door dit zo voor te
stellen, wordt bereikt dat de toekenning van de rechten op grond van de
ZW uitvoeringstechnisch eenvoudig kan plaatsvinden. Hiermee is evenwel
niet beoogd naar de toekomst toe onmogelijk te maken dat geneeskundig
onderzoek van betrokkene plaatsvindt. Integendeel, het systeem van de ZW
geldt vanaf de datum van het van toepassing worden van deze wet en
ingevolge dat systeem heeft het uitvoeringsorgaan zelf de bevoegdheid om
ambtshalve te onderzoeken of de betrokkene nog ziek is in de zin van de
ZW (artikel 37 van die wet). Ingeval geen sprake meer blijkt te zijn van
ziekte in de zin van de ZW, zal het toegekende recht op ziekengeld
worden beëindigd.
In
het voorgestelde eerste lid van dit artikel wordt het recht op
ziekengeld op grond van de ZW toegekend aan een negental categorieën
"lopende" gevallen. Dit betreft de volgende categorieën.
a. De volgende categorieën verkrijgen een recht op ziekengeld op grond
van de ZW met ingang van de datum waarop de ZW ingevolge deze wet
van toepassing wordt, welk recht duurt tot uiterlijk de eerste dag van
de 53e week na aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte:
- de overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan de hiervoor
bedoelde datum uit hoofde van haar dienstverband als overheidswerknemer
zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet waarvan de duur niet
verstrijkt op die datum (onderdeel a, onder 1º, onderdeel (1); dit is de pendant
van artikel 29, tweede lid, onderdeel f, van de ZW) alsmede de
overheidswerknemer die in verband daarmee of in aansluiting daarop een
dergelijke uitkering geniet (pendant van artikel 29a, zevende
lid, van de ZW);
- de overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan de hiervoor
bedoelde datum uit hoofde van zijn dienstverband als overheidswerknemer
recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte waarvan de
duur niet verstrijkt op die datum, uit hoofde van ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte vanwege een orgaandonatie (onderdeel a,
onder 1º, onderdeel (2); de pendant van artikel
29, tweede lid, onderdeel e, van de ZW);
rblz.|47|
- de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer die op de dag
voorafgaande aan de hiervoor bedoelde datum uit hoofde van zijn
dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige
dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht heeft op een
wachtgeld of werkloosheidsuitkering waarvan de duur niet verstrijkt op
die datum en die op die datum ongeschikt is tot werken wegens ziekte
(onderdeel a, onder 2º, onderdeel (1); de pendant van artikel
29, tweede lid,
onderdeel d, van de ZW);
- de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer die op de dag
voorafgaande aan de hiervoor bedoelde datum uit hoofde van zijn
dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige
dienstverband als gewezen overheidswerknemer recht heeft op bezoldiging
of uitkering in geval van ziekte waarvan de duur niet verstrijkt op die
datum, uit hoofde van een situatie overeenkomstig artikel 29b,
eerste lid, van de ZW; te weten een situatie van hernieuwde uitval
wegens ziekte uit een dienstbetrekking waarin de betrokkene vanuit
arbeidsongeschiktheid dan wel vanuit arbeidsongeschiktheid van minder dan
15% na afloop van de
WAO-conforme wachttijd is hervat (onderdeel a, onder 2º,
onderdeel (2); de pendant van artikel 29, tweede lid, onderdeel g, van
de ZW);
- de gewezen overheidswerknemer met recht op bezoldiging of uitkering in
geval van ziekte uit hoofde van zijn voormalige dienstverband als
gewezen overheidswerknemer wiens dienstbetrekking is geëindigd vóór
de hiervoor bedoelde datum, terwijl hij op het moment van beëindiging
van het dienstverband nog geen 52 weken ongeschikt was tot werken wegens
ziekte en voor zover de duur van zijn recht op bezoldiging of uitkering
in geval van ziekte niet verstrijkt op die datum (onderdeel a,
onder 3º; de pendant van artikel 29, tweede lid, onderdeel c, van de ZW, terwijl aldus voorts in de situatie van
artikel 29, tweede lid,
onderdeel e, van die wet ten aanzien van gewezen werknemers
voorzien is).
b. De gewezen overheidswerknemer wiens eerste werkloosheidsdag in de zin
van de WW op of na de datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hem van
toepassing wordt, ligt en die op de dag voorafgaande aan die datum
ongeschikt is tot werken wegens ziekte, heeft vanaf de eerste
werkloosheidsdag, voor zover hij op die dag nog geen 52 weken ongeschikt
is tot werken wegens ziekte, recht op ziekengeld op grond van de ZW; dit
recht op ziekengeld eindigt op de eerste dag van de 53e week te rekenen
vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte
(onderdeel b; een pendant van artikel 29, tweede lid, onderdeel d,
van de ZW). Vanwege het recht op ziekengeld op grond van de ZW wordt het
recht van de betrokkene op uitkering op grond van de WW (met ingang van
de eerste werkloosheidsdag in de zin van die wet) direct beëindigd.
c. De overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer wiens eerste
werkloosheidsdag in de zin van de WW op de datum waarop de ZW ingevolge
deze wet op hem van toepassing wordt, ligt en die met ingang van die
datum ongeschikt is tot werken wegens ziekte, heeft met ingang van die
datum recht op een ziekengeld op grond van de ZW (onderdeel c;
eveneens een pendant van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van
de ZW). Het recht van de betrokkene op een uitkering op grond van de WW
(met ingang van de eerste werkloosheidsdag in de zin van die
wet) wordt
direct beëindigd vanwege de toekenning van het recht op ziekengeld op
grond van de ZW. Deze groep onderscheidt zich van de in onderdeel b
bedoelde groep doordat laatstgenoemde groep reeds ziek is op de dag
voorafgaande aan de datum waarop de ZW ingevolge deze wet van toepassing
wordt en de in dit onderdeel bedoelde groep eerst met ingang van die
datum. Deze groep wordt tot de oude gevallen gerekend omdat de
aanzegging van het ontslag gedaan is vóór de datum waarop de ZW
ingevolge deze wet van toepassing wordt.
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat
degene die na de datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hem van
toepassing wordt werkloos wordt en op hetzelfde moment of daarna
ongeschikt wordt tot werken wegens ziekte in de zin van de ZW, niet
gerekend wordt tot de oude gevallen. Deze persoon verkrijgt recht op een
ziekengeld op grond van de ZW met ingang van de eerste
ongeschiktheidsdag (die dan dus na de datum waarop de ZW ingevolge deze
wet van toepassing wordt). Dit onder rechtstreekse toepassing van
artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de ZW. Diens recht op
ziekengeld is dus niet gebaseerd op artikel 4, eerste lid, van dit
voorstel.
rblz.|48|
d. Met ingang van de datum waarop de ZW ingevolge deze wet op hen van
toepassing wordt, hebben de volgende categorieën recht op ziekengeld op
grond van de ZW:
- de gewezen overheidswerknemer die binnen vier weken na het einde van
zijn dienstbetrekking, waaraan hij geen recht op wachtgeld en evenmin op
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte ontleent, ongeschikt tot
werken wegens ziekte is geworden (onderdeel d, onder 1º);
- de gewezen overheidswerknemer die binnen vier weken na het einde van
zijn wachtgeld ongeschikt tot werken wegens ziekte is geworden
(onderdeel d, onder 2º) (zowel onder 1º als onder 2º is een pendant
van artikel 29, tweede lid, onderdeel b, van de ZW
juncto artikel
46 van die wet).
Bij
onderdeel d is sprake van een recht op ziekengeld op grond van
nawerking van de verzekering overeenkomstig artikel 46 van de ZW. Beoogd
is een met artikel 46 van de ZW vergelijkbare nawerking tot stand te
brengen. Omwille van de uitvoerbaarheid is gekozen voor een uniforme
termijn van vier weken waarbinnen een ziekengeld kan worden toegekend op
grond van nawerking van de ZW-verzekering. Dit betekent een kleine
verbetering in positie ten aanzien van een deel van de betrokken gewezen
werknemers.
Het
op grond van het derde lid toegekende ziekengeld eindigt zodra een
periode van 52 weken na aanvang van de ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte is verstreken. Als eerste ongeschiktheidsdag telt de eerste
ongeschiktheidsdag die is opgetreden onder toepassing van de oude
ambtelijke regeling, dus vóór de invoering van deze wet. Indien er
sprake is van een bevalling, geldt in afwijking van het vorenstaande een
termijn van zestien weken (vergelijk artikel 29a, vijfde lid, van de ZW).
Bij
de Wet
privatisering SPF is afgezien van het toekennen van een recht op
ziekengeld op grond van de ZW aan de inactieve werknemers van de NS. In
onderhavig wetsvoorstel wordt die lijn niet gekozen. Dit in verband met
de wens om het ZW-regime te kunnen toepassen op inactieve
overheidswerknemers (dit betreft onder andere de toepassing van de Wet
TZ),
alsmede met het oog op het onder de werking van de
WAO brengen van de
betrokken werknemers.
Het
recht op ziekengeld op grond van de ZW van de in het derde lid genoemde
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers duurt (met
uitzondering van de uitkering bij bevalling waarvoor een duur van
zestien weken geldt) voor zolang de periode van 52 weken wachttijd voor de
uitkering op grond van de
WAO nog niet verstreken is ten tijde van de
invoering van OOW. De periode van 52 weken wordt voor de toepassing van
deze bepaling geacht te zijn aangevangen op de eerste ziektedag onder de
bestaande ambtelijke rechtspositieregeling. Perioden waarover de
betrokkene aanspraak had op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte
tellen mee voor de berekening van de verstreken duur van het ziekengeld
onder de ZW (vergelijk het voorgestelde artikel
4, vierde lid).
Bovendien worden perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar opvolgen
met een onderbreking van minder dan vier weken bij elkaar opgeteld
(vergelijk het voorgestelde artikel
4, derde lid).
Over de duur van het ziekengeld op grond van de ZW
wordt nog het
volgende opgemerkt. Zolang de wachttijd van de
WAO van 52 weken nog niet
verstreken is, heeft de in het eerste lid bedoelde overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer recht op ziekengeld op grond van de ZW. De
uitbetaling van dat ziekengeld vindt plaats totdat de maximale
uitkeringsduur op grond van de ZW is verstreken. Perioden waarover de
bezoldiging of uitkering in geval van ziekte uit hoofde van de
rechtspositie als overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer genoten is, rblz.|49|
worden in
mindering gebracht op de duur van het ziekengeld
op grond van de ZW. De duur van het ziekengeld op grond van de ZW wordt
geregeld in het tweede lid van het voorgestelde
artikel 4.
De
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die ingevolge het
eerste lid recht verkrijgen op ziekengeld op grond van de ZW zijn op
die grond verplicht verzekerd op grond van de ZW. Die verzekering
vervalt bij het einde van het ziekengeld en herleeft ingeval dat
ziekengeld herleeft of wordt heropend.
Omzetting in ZW-ziekengeld vindt niet plaats in
geval van bezoldiging of
uitkering wegens ziekte langer dan 52 weken. Ter toelichting het
volgende.
Voor overheidswerknemers in de zin van de WPA
geldt sinds 1 januari 1996 een
WAO-conforme uitkering die toegekend
wordt na een wachttijd van 52 weken. In aanvulling op de WAO-conforme
uitkering hebben deze werknemers in beginsel recht op bezoldiging of
uitkering voor rekening van hun werkgever. Die bezoldiging heeft dan
niet het karakter van een met de ZW overeenkomend ziekengeld. Voor
militairen geldt de WAO-conforme regeling met bedoelde wachttijd niet.
Het kan derhalve nog voorkomen dat een militair reeds langer dan 52
weken ziek is en op dat moment arbeidsongeschikt is, maar dat een
pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid op dat moment nog niet
toegekend is. Vergelijk de toelichting op artikel 11.
De
overheidswerknemers in actieve dienst die niet behoren tot de in het
derde lid genoemde groepen hebben op grond van artikel XV van de Wet
TZ een wettelijk recht op doorbetaling van bezoldiging ten laste van hun
werkgever op het niveau van ten minste 70%. In de ambtelijke
rechtspositieregelingen is veelal geregeld dat betrokkenen aanspraak
kunnen maken op ten minste twaalf maanden 100% bezoldiging in geval van
ziekte. Alsdan hebben zij geen recht op een uitkering (ziekengeld) op
grond van de ZW, ook al zijn zij op grond van artikel 29 van
die wet wel
verplicht verzekerd op grond van die wet.
Artikel
5
Artikel 5 bevat de bepalingen inzake de vaststelling van het dagloon
voor de berekening van het ziekengeld op grond van de ZW.
Artikel
5, eerste lid, betreft de bepaling van het dagloon voor het
ziekengeld op grond van de ZW ingevolge
artikel 4, eerste lid. Het
dagloon wordt afgeleid van de bezoldiging van betrokkene. Daartoe wordt
de bezoldiging van betrokkene (een maandbedrag) tot een jaarbedrag
herleid en vermeerderd met de vakantie-uitkering en vervolgens gedeeld
door 261. Aldus wordt het loon per dag verkregen. Conform de systematiek
van de CSV is het aldus verkregen dagloon gemaximeerd op het
maximumdagloon. In dit lid is het bezoldigingsbesluit van de sector Rijk
tot voorbeeld genomen. Met de omschrijving "vergelijkbare
regelingen"
is bedoeld aan te geven dat bij deze bepaling van het dagloon het op de
betreffende betrokkene van toepassing zijnde bezoldigingsbesluit dient
te worden toegepast.
In het tweede lid is bepaald dat in geval van
een deeltijdbetrekking het dagloon bij een voltijdse betrekking
vermenigvuldigd wordt met de toepasselijke deeltijdfactor. Voor de reden
waarom de deeltijdfactor toegepast dient te worden, wordt verwezen naar
de toelichting op artikel 1, onderdeel f.
Deze wijze van bepaling van het dagloon voor de ZW
komt overeen met de methode die gehanteerd is in het kader van de WPA
om het
WAO-conforme dagloon te bepalen ten aanzien van
overheidswerknemers in de zin van die wet die ingevolge de WPA recht
verkregen op
een rblz.|50|
WAO-conforme uitkering. Vergelijk artikel 39, vierde
lid, van de WPA. In die bepaling werd overigens om praktische redenen
gebruik gemaakt van de in het kader van de Abp-wet voor het jaar 1994
vastgestelde pensioengrondslag van betrokkene. De keuze voor die
berekeningsgrondslag werd toen ingegeven door uitvoeringstechnische
overwegingen. Indien er destijds geen uitvoeringstechnische bezwaren
waren geweest, zou ook toen echter de voorkeur gegeven zijn aan het
hanteren van de bezoldiging als basis voor de bepaling van het dagloon.
Geconstateerd wordt dat de uitvoeringstechnische bezwaren van destijds
inmiddels niet meer of in ieder geval niet meer in dezelfde omvang
gelden.
Artikel
5, derde lid, betreft de toepassing van het maximumdagloon bij
de vaststelling van het dagloon van de ZW.
Artikel
12
Het
eerste lid van dit artikel komt wat de strekking en inhoud betreft
overeen met artikel 3, eerste lid. Ingevolge dit voorstel worden de
overheidswerknemers en de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers met een lopende uitkering uit hoofde van hun
dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige
dienstverband als gewezen overheidswerknemer (WAO-conform en/of
wachtgeld) vanaf het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet (1
januari 1998) verplicht verzekerd op grond van de WAO. Het eerste lid
van deze bepaling strekt ertoe de periode vanaf de aanvang van hun
dienstverband tot aan de datum waarop de WAO op hen van toepassing wordt
aan te merken als een periode waarin zij geacht worden verplicht
verzekerd te zijn geweest op grond van de WAO. Dit met het oog op het
kunnen voldoen aan referte-eisen, termijnen van verzekering en
dergelijke.
Verplicht verzekerd op grond van de
WAO zijn de overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers wier recht op uitkering uit hoofde van hun
dienstverband als overheidswerknemer onderscheidenlijk voormalige
dienstverband als gewezen overheidswerknemer ingevolge de oude
regelingen zou doorlopen of (wat de tijdelijk toegekende uitkeringen bij
arbeidsongeschiktheid van na de Wet TBA betreft) opnieuw zou ingaan op het
tijdstip van aanvang van fase 1 van OOW indien er geen OOW zou worden
ingevoerd op dat moment. Dit is conform de systematiek van de artikelen
7, 7a en 7b
van de
WAO. Verplicht verzekerd op grond van
die artikelen van de WAO zijn onder meer degenen die een uitkering
ontvangen ingevolge de verplichte verzekering op grond van de WW
of de
WAO.
Verplicht verzekerd op grond van de
WAO ingevolge de regeling op grond
van artikel 7, onderdeel d, van die wet zijn ook de
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op
wachtgeld uit hoofde van hun dienstverband als overheidswerknemer
onderscheidenlijk voormalige dienstverband als gewezen
overheidswerknemer (zie het eerste lid, onderdeel d) alsmede de
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die in artikel
30,
eerste lid, onderdeel c of d, van dit wetsvoorstel zijn
opgenomen. In het kort gaat het bij de laatstgenoemde groepen om
personen die niet op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet in
aanmerking komen voor een uitkering op grond van de WW,
maar die daarvoor
wel in aanmerking komen met ingang van het tijdstip van aanvang van fase
3 van deze wet op grond van artikel 31, tweede of derde lid, van dit
wetsvoorstel als gevolg van een situatie van herleving van aanspraken
als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c of d,
van dit wetsvoorstel.
In
het eerste lid, onderdeel c, zijn ook de overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers opgenomen wier recht op
WAO-conforme rblz.|51|
uitkering eerst op of na de datum waarop voor hen de WAO van toepassing
wordt (fase 1 van deze wet) definitief vastgesteld kan worden en die
daarop vooruitlopende bij wijze van voorschot betaald worden voor
rekening van de WAO-conforme regeling (die met andere woorden een
voorlopige WAO-conforme uitkering ontvangen). In zijn advies op dit
wetsvoorstel ging het Tica in op deze groep. Het zal hooguit kleine
aantallen gevallen kunnen betreffen. De uitvoeringsorganen van de
WAO-conforme regeling, het FAOP en de
USZO, hebben namelijk als doel
gesteld dat vóór 1 januari 1998 WAO-conforme uitkeringen zijn
vastgesteld ten aanzien van alle conversiegevallen op grond van de Wet
privatisering ABP. Op dit moment zijn er nog geen indicaties dat het
gestelde doel niet gerealiseerd zal kunnen worden.
De reden om deze groep in het eerste lid,
onderdeel c, op te nemen, is veilig te stellen dat ook zij onder
de werking van de WAO zullen vallen. Hun WAO-conforme uitkering is om
puur uitvoeringstechnische redenen nog niet definitief vastgesteld op de
dag voorafgaande aan de datum waarop de WAO van toepassing wordt
ingevolge deze wet. Hun recht op WAO-conforme uitkering staat zo goed
als vast. Dit betreft de afwikkeling van de WAO-conforme regeling.
Het
tweede lid komt wat de strekking betreft overeen met artikel
3, tweede
lid. De toelichting op laatstgenoemde bepaling kan dan ook mutatis
mutandis gelden voor de onderhavige bepaling.
Artikel
13
Het eerste lid en de
eerste volzin van het tweede lid van dit artikel betreffen het recht op
uitkering op grond van de WAO voor de overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande
aan de datum waarop de
WAO van toepassing wordt ingevolge deze wet recht had op een
WAO-conforme uitkering (vergelijk artikel 12, eerste lid, onderdeel b)
onderscheidenlijk die op of na die datum met terugwerkende kracht tot en met de dag
voorafgaande aan die datum recht verkrijgt op een WAO-conforme
uitkering (vergelijk artikel 12, eerste lid, onderdeel c). WAO-conform is nagenoeg
gelijk aan WAO, maar er zijn wel verschillen tussen WAO-conform en
WAO, met name wat het dagloon betreft alsook wat de grondslag voor de
premieheffing betreft. Onder de WAO-conforme regeling wordt nog niet gewerkt met de systematiek van een dagloon
(loon per dag), noch wat
het uitkeringsrecht, noch wat de premiegrondslag betreft. Met ingang van
OOW zal dat, in ieder geval voor de vanaf de invoering van
OOW toegekende nieuwe rechten, veranderen. Vanaf dat moment zal de
in de socialeverzekeringswetgeving gehanteerde systematiek van loon-per-dag
gehanteerd worden. De salaris- en personeelsadministraties bij de overheidswerkgevers moeten ter zake aangepast
worden. In die
administraties zal per overheidswerknemer bijgehouden moeten worden op hoeveel
dagen in de week arbeid verricht wordt. Deze registratie van gewerkte
dagen zal ook gebruikt moeten worden om in het kader van de WW-beoordeling aan de referte-eis te toetsen. Voor de ingevolge het eerste lid
en het tweede lid, eerste volzin, van dit artikel in uitkeringen op grond van
de WAO omgezette oude rechten geldt echter in afwijking van het voorgaande dat het dagloon niet bepaald zal worden op
basis van de systematiek
van loon per dag. Dat dagloon wordt in dit voorstel gebaseerd op het
dagloon zoals dat voor de WAO-conforme uitkering wordt
gehanteerd, inclusief toepassing van de deeltijdfactor in geval van een recht op
uitkering op basis van een deeltijdbetrekking. Vergelijk artikel 14 en
de toelichting op dat artikel en met name ook de toelichting op artikel 1,
onderdeel f.
Ter zake van de in het
tweede lid, eerste volzin, bedoelde gevallen (dat wil zeggen de gevallen
die tegen de verwachting in niet op 31 december rblz.|52|
1997 zijn
omgezet naar
een WAO-conforme uitkering) wordt nog het volgende opgemerkt. Het
FAOP zal op of vóór die datum een voorlopige WAO-conforme uitkering
aan hen hebben toegekend. Dat wil zeggen dat een WAO-conforme
uitkering zal zijn vastgesteld ter grootte van het op 31 december 1995 bestaande,
onder de oude Abp-wet toegekende recht van de betrokkene. Dit bedrag
wordt bij wijze van voorschot betaalt. Dit in afwachting van de definitieve vaststelling van de WAO-conforme
uitkering.
Ten aanzien van de
betreffende gevallen kan op 1 januari 1998 geen recht op een WAO-uitkering worden vastgesteld conform
artikel 13, eerste
lid, van dit voorstel.
Er is dan met andere
woorden sprake van een groep (gewezen) werknemers met een voorlopig toegekende
WAO-conforme uitkering
waarvan het recht op een WAO-conforme uitkering eerst op of na 1 januari 1998 met
terugwerkende kracht tot en met 31 december 1997 zal kunnen worden
vastgesteld. Deze vaststelling kan dan niet meer geschieden door het
FAOP,
want die instantie wordt per 1 januari 1998 opgeheven. Zoals bij de
toelichting op artikel 41 van dit voorstel wordt opgemerkt, zal de
vaststelling van de WAO-conforme aanspraken in opdracht van het Lisv
door de USZO plaatsvinden. De volgende door de USZO
ter zake te hanteren
lijn wordt voorgesteld.
Een op grond van de
WAO-conforme regeling voorlopig toegekende uitkering die op het
moment van invoering van fase 1 van dit wetsvoorstel
(1 januari 1998) nog niet
definitief vastgesteld is, dient eerst met toepassing van de
WAO-conforme regeling alsnog definitief te worden vastgesteld alvorens op
basis van artikel 13, tweede lid, eerste volzin, van het voorliggende
wetsvoorstel omzetting naar een recht op WAO-uitkering kan plaatsvinden. Deze
laatste omzetting zal met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998
geschieden.
Vooruitlopende op die
omzetting wordt voorgesteld (vergelijk artikel
13, tweede lid, tweede
volzin) dat het Lisv per 1 januari 1998 aan de betrokkene een voorlopige
uitkering op grond van de WAO zal kunnen toekennen die conform de
in dit wetsvoorstel opgenomen systematiek afgeleid is van de op 31
december 1997 bestaande voorlopige WAO-conforme uitkering.
Voor zover geen definitief recht op WAO-conforme uitkering
kan worden verleend, kan hetgeen voorlopig op grond van de WAO is
betaald op grond van het systeem van de WAO niet als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd van de betrokkene.
Deze bepaling is opgenomen teneinde te voorkomen dat de betrokken personen zonder inkomsten
komen te zitten als gevolg van het vervallen van de WAO-conforme regeling. Voor de voorgestelde wijze van bepaling
van de hoogte van de in
deze bepaling bedoelde voorlopige uitkering op grond van de WAO wordt
verwezen naar artikel 17 van dit wetsvoorstel en
de toelichting daarop.
Deze voorlopige WAO-uitkering wordt vervangen door een definitieve
zodra de WAO-conforme aanspraken vastgesteld zijn door het Lisv. De
voorlopige WAO-uitkering wordt verrekend met het vastgestelde recht op de
uitkering op grond van de WAO (vergelijk artikel
17, vierde lid, van dit
wetsvoorstel).
Aan de toekenning van de
bedoelde voorlopige uitkering kan geen recht op een uitkering op grond
van de WAO worden ontleend. Dat recht is afhankelijk van de beoordeling van het recht op de WAO-conforme
uitkering.
In
het derde lid is
geregeld dat het recht op uitkering op grond van de WAO
ingevolge het eerste
of het tweede lid voor de toepassing van een aantal bepalingen van de WAO en de
ZW geacht wordt te zijn aangevangen
op het moment waarop de WAO-conforme uitkering is ingegaan. De WAO-conforme uitkering
in het kader van de WPA
wordt op grond van artikel 37, zevende lid,
artikel 42, zesde lid, en artikel 43, zesde lid, van de rblz.|53|
WPA
weer geacht te zijn
aangevangen op het moment van toekenning van de oude, bij de WPA
in een WAO-conforme uitkering omgezette, uitkering op basis van de
ingetrokken Abp-wet. De bepalingen van de WAO die in dit lid aan de
orde zijn, zijn de bepalingen inzake de vervolguitkering van de WAO (in verband
met de bepaling van het moment waarop de
vervolguitkering geacht wordt in te gaan), inzake de duur van de toekenning van de
uitkering en het moment van herziening of heropening daarvan (in
verband met de bepaling van het moment waarop de uitkering, maar dan
als uitkering op grond van de WAO, opnieuw aangevraagd moet worden)
en inzake de toepassing van de WBIA (te weten: de reparatie van
de inkomensgevolgen van toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium
op degenen die ingevolge het Cohortenbesluit in het kader van de Wet
TBA opnieuw gekeurd worden). Wat de ZW betreft, gaat het om
de artikelen 29 (betreffende het uit hoofde van de uitkering op grond van de
WAO verplicht verzekerd zijn op grond van de ZW)
en 29b (betreffende
de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om de eventuele
werkgeversaanvulling op het ziekengeld over te nemen en uit te betalen ten laste
van de ZW ingeval de betrokken werknemer in de drie jaar voorafgaande
aan zijn dienstbetrekking recht had op onder meer een uitkering op grond
van de WAO) van die wet. Gelet op de fasering van
OOW
zal dit pas vanaf 1
januari 1999, de datum waarop de ZW wordt ingevoerd voor de
overheid, voor het eerst aan de orde zijn.
Artikel
14
Artikel 14 bevat de
bepalingen inzake de vaststelling van het dagloon voor de berekening van de
uitkering op grond van de WAO.
Artikel
14, eerste en
tweede lid, van dit voorstel betreffen de bepaling van het dagloon dan wel
het vervolgdagloon voor de uitkering op grond van de WAO
ingevolge
artikel 13, eerste en tweede lid, van dit voorstel. Het met toepassing van
paragraaf 9 van de WPA
berekende WAO-conforme dagloon
wordt ingevolge het derde lid gehanteerd als dagloon voor de WAO en
mutatis mutandis gebeurt hetzelfde met het WAO-conforme vervolgdagloon (tweede lid).
Het dagloon
WAO is
gemaximeerd tot het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
van de CSV. Dit is opgenomen in het derde lid van het voorgestelde
artikel 14. Deze maximering geldt nu ook al voor het WAO-conforme dagloon,
zodat dit lid als een formaliteit beschouwd kan worden.
De mogelijkheid om de in
artikel 14, vierde lid, bedoelde ministeriële regeling te treffen met
nadere en zo nodig tijdelijk afwijkende regels aangaande het dagloon en vervolgdagloon
WAO is noodzakelijk omdat
op voorhand niet overzien
kan worden dat met de in dit artikel opgenomen regels alle in
casu aan de orde zijnde zaken afdoende geregeld zullen zijn.
Hierbij kan onder meer gewezen worden op de bezoldigingscomponenten
die verwerkt zijn in het WAO-conforme dagloon en die ook verwerkt moeten worden in het nieuwe WAO-dagloon
teneinde een
gelijkwaardig dagloon te verzekeren, maar die zonder nadere of zo nodig
afwijkende bepaling niet vanzelf tot het WAO-dagloon zouden behoren. Aangezien
de WAO niet de mogelijkheid biedt van bijzondere dagloonregels
WAO per bedrijfsvereniging, is er in dit voorstel
voor gekozen die
bijzondere regels in een ministeriële regeling op te nemen. Voor zover sprake
is van afwijkende regels, zullen die opgenomen worden in die regeling.
rblz.|54|
Artikel
15
Deze bepaling is
opgenomen met het oog op beperking van de risico’s van het overgangsrecht.
Het volgende wordt beoogd.
Het eerste lid houdt in
dat het voor de toepassing van de ZW vastgestelde dagloon gehanteerd wordt
als WAO-dagloon ingeval aan de betreffende werknemer
eerst ingevolge artikel 4 van deze wet een ZW-uitkering wordt
toegekend en daarna ingevolge artikel 14 een WAO-uitkering.
Het tweede en het derde
lid omvatten een soortgelijke bepaling betreffende de vaststelling van het dagloon
in geval van werkloze
werknemers. Het met
toepassing van artikel 33 van deze wet vastgestelde WW-dagloon van de
WW-gerechtigde die, na vaststelling van zijn WW-recht, ziek en
vervolgens arbeidsongeschikt wordt, wordt gehanteerd als dagloon voor de
ZW-uitkering en de WAO-uitkering.
Het oogmerk van deze
bepalingen is het vereenvoudigen van de bepaling van het dagloon,
zodat de
uitvoeringsinstelling een eerder in het kader van deze wet
vastgesteld dagloon nadien kan blijven toepassen
in het kader van een andere wettelijke verzekering.
Artikel
16
Ingevolge dit artikel is
de mate van arbeidsongeschiktheid voor de berekening van de uitkering op grond van de
WAO, bedoeld in artikel
13,
eerste en tweede lid, de
mate van arbeidsongeschiktheid die door het FAOP vastgesteld is voor
de bepaling van de WAO-conforme uitkering. Er is hierbij sprake van het
ongewijzigd en zonder nieuwe schatting overnemen van de
WAO-conforme arbeidsongeschiktheidsklasse naar de WAO. Op deze wijze worden
onnodige keuringen voorkomen.
Artikel
17
Deze bepaling betreft de
vaststelling van de hoogte van de bij wijze van voorlopige uitkering te
betalen uitkering op grond van de WAO, bedoeld in
artikel 13, tweede
lid, tweede volzin, aan de overheidswerknemers en gewezen
overheidswerknemers, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c. De bedoeling
is dat deze voorlopige uitkering berekend wordt op basis van de
hoogte van het voorschot uit hoofde van de WAO-conforme regeling,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c. Dit betreft derhalve een
voorlopig vastgesteld dagloon en een voorlopig vastgestelde arbeidsongeschiktheid.
De vaststelling van de
uitkering op grond van de WAO waarop de betrokkene op grond van
artikel 13, tweede lid, eerste volzin, daadwerkelijk recht heeft nadat zijn
WAO-conforme recht definitief vastgesteld is, vindt vervolgens plaats
met inachtneming van het overigens in dit wetsvoorstel
bepaalde.
Opgemerkt wordt verder
dat indien de betrokkene geen recht verkrijgt op een WAO-conforme
uitkering en er derhalve geen uitkering op grond van de WAO wordt
toegekend of er een lagere WAO uitkering wordt
toegekend dan eerder
voorzien, alsdan het op grond van artikel 13, tweede lid, tweede
volzin, bij wijze van voorlopige uitkering betaalde bedrag ingevolge de derde
volzin gelet op de rechtszekerheid niet op de betrokkene zal kunnen
worden verhaald.
De lasten van de
voorlopige uitkering op basis van artikel 13, tweede lid, tweede volzin, komen
ingevolge het voorgestelde artikel 17, derde lid, voor rekening van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in
artikel 76,
eerste lid, van de WAO.
Daartoe worden deze voorlopige uitkeringen voor de toepassing van het financieringshoofdstuk van de
WAO, hoofdstuk IV,
rblz.|55|
aangemerkt als
uitkeringen op grond van de WAO als bedoeld in
artikel 76d, eerste lid,
onderdeel a, van die wet. Aldus worden deze voorlopige uitkeringen tot de
zogenaamde oude gevallen gerekend in de zin van de voorgestelde Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Kamerstukken II 1996-1997,
24 698, nrs. 1-2).
Het voorgestelde
artikel 17, vierde lid, voorziet in de verrekening van de betaalde voorlopige
uitkeringen met de uiteindelijk vastgestelde uitkeringen op grond van de
WAO.
Artikel
18
Ingevolge deze bepaling
dient bij de vaststelling van de uitkering op grond van de WAO, bedoeld
in artikel 13, eerste of tweede lid, van dit wetsvoorstel
rekening te worden gehouden met een eventuele verhoging
van de oorspronkelijke WAO-conforme uitkering tot AAW-niveau. Ter toelichting wordt het
volgende opgemerkt.
In dit wetsvoorstel wordt
uitgegaan van het niet invoeren van de AAW voor het overheidspersoneel in verband met
Pemba.
Voor zover de AAW
op dit moment echter een
hogere uitkering oplevert dan de WAO-conforme regeling,
wordt de WAO-conforme uitkering opgehoogd tot het niveau van de
AAW-uitkering. Deze ophoging berust op de overeenkomstige
toepassing van artikel 46a van de WAO op grond van artikel 32, eerste lid,
van de WPA. In artikel VI van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Invoeringswet) is overgangsrecht met
betrekking tot lopende verhogingen van de WAO-uitkeringen tot
AAW-niveau in de marktsector opgenomen, uitgaande van Pemba. Voor
de overheid is een vergelijkbare overgangsbepaling opgenomen in artikel
XLVIIa van de Invoeringswet. Dat overgangsrecht betreft de verhoging van
de WAO-conforme uitkering tot het AAW-niveau. Het doel van
dat overgangsrecht is het behoud van het recht op die verhoging, waarbij
die verhoging eveneens aangemerkt wordt als WAO-conforme uitkering.
Het voorgestelde artikel
18, eerste lid, bevat het overgangsrecht met betrekking tot de verhoging van de WAO-conforme uitkering tot het
AAW-niveau. De strekking
van deze bepaling is dat de WAO-uitkering vastgesteld wordt met
inachtneming van de op 31 december 1997 bestaande verhoging. Die
verhoging behoort met ingang van 1 januari 1998 tot de WAO-uitkering
van de betrokkene.
Het voorgestelde artikel
18, tweede lid, houdt het volgende in. De verhoging van de WAO-conforme uitkering zou op grond van
artikel
XLVIIa van de Invoeringswet doorlopen zolang de betrokkene recht zou hebben gehad op die
verhoging onder de overeenkomstige toepassing van artikel 46a
van de
WAO op grond van artikel 32, eerste lid, van de
WPA
zoals die bepalingen
luidden op de dag voorafgaande aan de invoering van de Invoeringswet. Deze beperking van de reikwijdte van het overgangsrecht inzake de
verhoging is in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen in het
voorgestelde artikel 18, tweede lid.
Verwezen wordt naar de
toelichting op artikel 60 wat de gevolgen van dit wetsvoorstel voor
artikel XLVIIa van de Invoeringswet betreft.
Artikel
19
Dit artikel regelt kort
gezegd dat degene die in het kader van de Wet
TBA aangemerkt is als een
zogenaamd "oud geval", aangemerkt blijft als oud geval, ook al wordt de
WAO op hem van toepassing. Het effect van deze bepaling is dat het oud
geval TBA onder de WAO-conforme regeling behandeld wordt als ware
hij of zij vanaf de datum van invoering van de Wet TBA aangemerkt geweest als
oud geval TBA onder de WAO. Voor betrokkene heeft dit materieel geen
effect.
rblz.|56|
Het overgangsrecht
ingevolge de Wet
TBA wordt rechtstreeks van toepassing op de overheidswerknemers die ingevolge
onderhavig wetsvoorstel onder de
werking van de WAO en de AAW
gebracht worden. In
artikel 19, onderdeel
b en c, wordt daarin als volgt voorzien.
Op de overheidswerknemers
op wie op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet
het
overgangsrecht van de Wet TBA van de WAO van overeenkomstige toepassing is ingevolge artikel 44 van de
WPA, is vanaf
die datum het in de Wet
TBA opgenomen overgangsrecht inzake WAO rechtstreeks van
toepassing. Dat houdt onder meer in dat de WAO, na de inwerkingtreding van
onderhavige wet, op de oude gevallen waaraan een WAO-conforme uitkering is
toegekend van toepassing is zoals die geldt ten aanzien van de oude
gevallen WAO.
Ten aanzien van de oude
gevallen WAO die dateren van na de stelselherziening van 1987 is een
arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing waarbij
verdiscontering van werkloosheid wordt uitgesloten. In het criterium algemene
invaliditeit op grond van de Abp-wet is de verdiscontering van
werkloosheid nog opgenomen geweest tot de invoering van de Wet TBA.
De verdiscontering van de werkloosheid is voor de hier bedoelde
gevallen gehandhaafd bij artikel 44 van de WPA. Het is niet de bedoeling
dat de in het kader van onderhavige wet om te zetten oude gevallen van
WAO-conforme uitkeringen alsnog onder het arbeidsongeschiktheidsbegrip
van de WAO van na de stelselherziening gebracht worden. Dat zou
betekenen dat op dit punt een herbeoordeling van het bestand zou
moeten plaatsvinden. Ter zake van de omgezette WAO-conforme uitkeringen
die teruggaan tot vóór de Wet TBA geldt derhalve ingevolge artikel
19,
onderdeel b, het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO van vóór de
stelselherziening (dus inclusief het element van de verdiscontering van
werkloosheid). Ten aanzien van de reeds toegekende invaliditeitspensioenen
uit de periode tussen 1 januari 1987 (de stelselherziening) en 1
augustus 1993 (de Wet TBA) die per laatstgenoemde datum jonger zijn dan 50
jaar en die in het kader van de WPA
omgezet zijn in WAO-conforme
uitkeringen, geldt wel dat de toepassing van het Cohortenbesluit ter
uitvoering van de Wet TBA ertoe kan leiden dat voor de tot deze categorie
behorende personen die op laatstgenoemd tijdstip jonger waren dan 45 jaar
het nieuwe arbeidsongeschiktheidsbegrip van de WAO van na de datum
van inwerkingtreding van de Wet TBA gaat gelden. Dit voor zover dat niet
reeds heeft plaatsgevonden tussen de datum van 1 januari 1994 en de datum
van inwerkingtreding van onderhavige wet.
Volledigheidshalve is in
artikel 19, onderdeel a, eveneens expliciet bepaald dat de datum van
ingang van het WAO-conforme uitkering (zoals die bepaald is bij de
WPA) wordt aangemerkt als ingangsdatum van de WAO-uitkering.
Artikel
20
Deze bepaling betreft de
omzetting van op grond van de WAO-conforme regeling toegekende:
- voorzieningen,
vergoedingen en toelagen overeenkomstig de WAO in voorzieningen, vergoedingen en toelagen rechtstreeks op grond van de
WAO (eerste lid);
- reïntegratiemaatregelen uit hoofde van de Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie (Wet Amber) overeenkomstig de WAO in reïntegratie-instrumenten uit hoofde van
de Wet Amber
rechtstreeks op grond van de WAO (tweede lid).
Materieel zal deze
omzetting niet leiden tot ingrijpend gewijzigde voorzieningen aangezien
de WAO-conforme voorzieningen materieel reeds gelijk of nagenoeg
gelijk zijn aan die op grond van de WAO. De omzetting is dan ook in
hoofdzaak een formaliteit.
rblz.|57|
Hoofdstuk 1, paragraaf 2,
afdeling 2, en paragraaf 3, afdeling 2: de artikelen 6 tot en met
9 en 21 tot en met 28
Deze afdelingen bevatten
de bepalingen met betrekking tot de verzekering van actief en inactief
militair personeel uit hoofde van de ZW (afdeling 2
¹ van paragraaf 2) en de WAO
(afdeling 2 van paragraaf 3), de omzetting van de oude
rechten van beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen op
grond van de Amp-wet naar uitkeringen op grond van de WAO, en
aanverwante bepalingen.
De voorgestelde wijze van
omzetting van de oude rechten van militair personeel komt materieel
overeen met de in paragraaf 2, afdeling 1
¹, en
paragraaf 3, afdeling 1,
van hoofdstuk 1 voorgestelde wijze van omzetting van de oude rechten van
burgerpersoneel in die zin dat voor beide groepen personeel per
saldo dezelfde aanspraken op grond van de werknemersverzekeringen
tot stand gebracht zullen worden. Een verschil is echter dat voor het
militair personeel thans nog geen WAO-conforme aanspraken gelden. Voor
dat personeel gelden nog de aanspraken op basis van de Amp-wet.
Voor het burgerpersoneel is de omzetting naar aanspraken op grond van
de WAO reeds in hoofdzaak tot stand gebracht bij de WPA, per 1 januari 1996. Vanwege het verschil in vertreksituatie
(WAO-conform voor
burgerpersoneel, Amp-wet voor militair personeel) is gekozen voor het in een
aparte paragraaf opnemen van de bepalingen betreffende de omzetting
van de oude rechten van het militair personeel naar rechten op grond van
de ZW en de WAO. Materieel resulteert deze aanpak echter niet in
verschillende rechten ingevolge OOW: voor
burger- en militair personeel gelden
met ingang van de onderscheiden data van inwerkingtreding van deze
wet dezelfde rechten en verplichtingen op grond van de genoemde werknemersverzekeringen.
1. Ingevolge artikel I,
onderdeel A, van de Aanpassingswet OOW (Stb. 2000, 561) is in
paragraaf 2 van hoofdstuk I de verdeling in afdelingen, de nummering van die afdelingen
en de aanduiding van die afdelingen komen te vervallen, red.
De
toelichting op de
artikelen 21 tot en met 27 kan dan ook kort zijn. De toelichting op de
artikelen 11 tot en met 16 en 19 geldt mutatis mutandis ook voor die artikelen:
- zie voor artikel 21
de toelichting op artikel 11;
- zie voor artikel 22
de toelichting op artikel 12;
- zie voor artikel 23
de toelichting op artikel 13;
- zie voor artikel 24
de toelichting op artikel 14;
- zie voor artikel 25
de toelichting op artikel 15;
- zie voor artikel 26
de toelichting op artikel 16;
- zie voor artikel 27
de toelichting op artikel 19.
Hoofdstuk 1, paragraaf 2,
afdeling 3, en paragraaf 3, afdeling 3: de artikelen 10 en
29
De in de WAO
en de ZW neergelegde risicowerende bepalingen zijn niet bedoeld voor een
collectieve toetreding tot de uitkeringen op grond van werknemersverzekeringen
als in casu. De voorgestelde artikelen 10, eerste lid, en
29, eerste lid,
sluiten daarom (behoudens de tweede leden van die artikelen) de toepassing
van die bepalingen uit bij het onder de werknemersverzekeringen
brengen van het overheidspersoneel.
In het kader van de
WAO-conforme regeling zijn de artikelen 18, tweede, derde en vierde lid, en
30, eerste lid, onderdeel a, van de WAO
van overeenkomstige
toepassing verklaard. Voor zover uit hoofde van die overeenkomstige
toepassing sprake is van een uitsluiting van de WAO-conforme regeling
vóór het moment van invoering van deze wet, is het uiteraard niet de
bedoeling die uitsluiting bij deze wet ongedaan te maken. Deze uitzondering
is uitgedrukt in de tenzij-formulering aan het slot van het voorgestelde
artikel 29, eerste lid.
Artikel
10, tweede lid,
en artikel 29, tweede lid, bieden de mogelijkheid van nadere en, zo nodig,
tijdelijk afwijkende regels ten aanzien van de rblz.|58|
eerste leden van die
artikelen. Deze regels kunnen nodig zijn omdat het op dit moment niet mogelijk
is precies in te schatten welke situaties aan de orde kunnen zijn. Vandaar
dat behoefte bestaat aan een zekere flexibiliteit van de regeling. Voor
zover hierbij afwijkende regels gesteld worden, zijn die van tijdelijke aard,
dat wil zeggen vooruitlopende op wetswijziging.
De bedoelde regels kunnen
onder meer betrekking hebben op de omzetting van een aantal
gevallen waarin in de pre-OOW-situatie sprake was van samenloop van uitkeringen op grond van zowel de
WAO-conforme regeling als
de WAO. Zo kunnen regels worden gesteld voor de situatie waarin
ten aanzien van één van die uitkeringen sprake is van de toepassing van een
uitsluitingsgrond, terwijl ten aanzien van de andere uitkering geen
uitsluitingsgrond is toegepast.
Verder kunnen de bedoelde
regels een procedure geven voor het vaststellen van de mate
van arbeidsongeschiktheid, het bepalen van het dagloon en de
ingangsdatum van de uitkering in de hiervoor bedoelde situaties van samenloop.
Hoofdstuk 1, paragraaf 4:
de artikelen 30 tot en met 34
Deze paragraaf bevat de
bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering op grond van
de WW alsmede de toekenning van rechten op grond van de WW aan gewezen overheidswerknemers met een recht op
wachtgeld.
Artikel
30
In dit artikel wordt aan
de overheidswerknemers en aan bepaalde groepen gewezen overheidswerknemers de status van werknemer in de
zin van de WW toegekend. Betrokkenen zijn door deze kwalificatie verplicht verzekerd voor
de WW. Wat de strekking ervan betreft, komt het eerste lid van dit
artikel overeen met de artikelen 3, eerste lid, en
12, eerste lid, van dit
voorstel.
De status van werknemer
wordt ingevolge dit artikel geacht te zijn aangevangen vanaf de dag
van aanvang van het dienstverband als overheidswerknemer. Het
verschil in formulering tussen de artikelen 3, eerste lid, en
12, eerste
lid, enerzijds en artikel 30, eerste lid, anderzijds houdt verband met het
feit dat de toegang tot de ZW en de WAO
bepaald wordt door het behoren
tot de kring van verzekerden ingevolge die wetten, terwijl voor de
WW het zijn van werknemer ingevolge die wet bepalend is. Zoals echter
gezegd, is de strekking van beide artikelen, ongeacht de verschillen in formulering, dezelfde.
Zoals reeds in
paragraaf
3.6 van het algemeen deel is opgemerkt, vindt er met betrekking tot de
toepassing van de WW een fasering plaats. Voor degenen die na het tijdstip van aanvang van fase 2 van
deze wet werkloos
worden, zal vanaf dat
tijdstip de WW gelden; voor degenen die op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet een wachtgeld genieten
waarvan de duur doorloopt, zal de WW eerst vanaf het tijdstip van aanvang
van fase 3 van deze wet van toepassing worden. Dit artikel ziet op de
kring van verzekerden ingevolge de WW. Deze kring wordt dus gefaseerd
uitgebreid. Daartoe strekt de aanhef van het eerste lid.
Met betrekking tot het
voorgestelde artikel 30, eerste lid, onderdeel c, wordt nog het volgende
opgemerkt. In dat onderdeel wordt de gewezen overheidswerknemer bedoeld die als gevolg van omstandigheden
overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de
WW geen recht op een
wachtgeld heeft op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van
fase 3 van deze wet. Deze gewezen
overheidswerknemer
rblz.|59|
heeft ingevolge
het voorgestelde artikel 31, tweede lid, recht op een uitkering op grond
van de WW met ingang van de dag dat de vorenbedoelde omstandigheid niet meer bestaat.
Ter zake van de
wachtgeldregelingen die
naar het model van de WW ingericht zijn (het Bwoo, het Wbbt en het Wbdp) is relatief eenvoudig vast te stellen dat een omstandigheid
overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of
d, van de WW bestaat,
omdat die wachtgeldregelingen een soortgelijke beëindigingsbepaling ter
zake van het recht op wachtgeld bevatten. De overige
wachtgeldregelingen kennen een beëindiging van het recht op grond van een
dergelijke
omstandigheid niet. Voor die regelingen moet derhalve vastgesteld
worden of een dergelijke omstandigheid zich feitelijk voordoet. Deze
wachtgeldregelingen kennen voorts niet de beëindiging van het recht op
wachtgeld, maar wel de vermindering van het wachtgeld indien zich een
omstandigheid als vorenbedoeld feitelijk voordoet. Het recht op wachtgeld blijft
alsdan in stand, maar het wachtgeld wordt niet of niet volledig uitbetaald.
De omschrijving "geen wachtgeld geniet(en)" in dit onderdeel omvat zowel
de situatie dat de betrokkene geen recht heeft op wachtgeld (vergelijk
de vorengenoemde regelingen Bwoo, Wbbt en Wbdp) als de situatie dat
de betaling van het recht op wachtgeld op nul gesteld is (de overige wachtgeldregelingen).
De in
artikel 20, eerste
lid, onderdeel e, van de WW bedoelde omstandigheid is niet opgenomen in dit
onderdeel. Er kan uiteraard geen sprake van zijn dat ingevolge deze wet
een recht op uitkering op grond van de WW
toegekend wordt aan de
gewezen overheidswerknemer wiens recht op wachtgeld als gevolg
van het verstrijken van de geldende uitkeringsduur eindigt op
of vóór de betreffende inwerkingtredingsdatum.
In het voorgestelde
tweede lid van artikel 30 is om iedere twijfel daaromtrent uit te sluiten expliciet gesteld dat aan het verleende
werknemerschap geen
rechten kunnen worden ontleend over perioden die gelegen zijn vóór
de datum waarop de WW ingevolge deze wet
van toepassing wordt op de
overheidswerknemer.
Artikel
31
Op grond van het eerste
lid van dit artikel ontstaat voor degene die op de dag voorafgaande aan
de datum waarop de WW ingevolge deze wet op hem van toepassing
wordt recht heeft op wachtgeld, recht op een uitkering op grond van de WW.
Hierbij wordt gekozen
voor een andere aanpak dan die in het kader van de Wet
privatisering SPF werd gevolgd. In artikel 12, eerste lid, van die
wet geldt als voorwaarde
voor omzetting van lopende wachtgelden in WW dat ook feitelijk
voldaan is aan de voorwaarden van de WW voor recht op uitkering. De NS
bevond zich op dit punt in een andere positie dan de
overheidswerkgevers bij dit wetsvoorstel. Ingevolge de rechtspositionele
aanspraken van de NS
waren in geval van onvrijwillige werkloosheid de
bepalingen van de WW reeds in grote mate van overeenkomstige toepassing. Dit in tegenstelling tot de grote variëteit die
er aan ontslaguitkeringsregelingen bestaat bij de overheid. Het stellen van
een dergelijke eis voor
de bij onderhavig wetsvoorstel beoogde omzetting zou leiden tot
vergelijking en beoordeling van ongelijksoortige aanspraken.
Bij de toekenning
ingevolge dit wetsvoorstel van een WW-uitkering aan alle lopende wachtgelden
(inclusief de arbeidsvoorwaardelijke suppletie-uitkeringen in geval van de
combinatie
van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid) worden
de volgende ficties gehanteerd:
rblz.|60|
- De dienstverhouding
van de ambtenaar waaruit het recht op wachtgeld is ontstaan, wordt geacht met ingang van de datum waarop dit
recht is ontstaan een dienstbetrekking te zijn in de zin van de WW (zie artikel
30,
eerste lid).
Deze fictie is ook in de Wet
privatisering SPF opgenomen (artikel 7,
derde lid, van die
wet).
- Er wordt in alle
gevallen waarin ten aanzien van het wachtgeld geen sanctie van kracht is,
geacht te zijn voldaan aan de voorwaarden van de WW voor het ontstaan en
het geldend maken van het recht op uitkering, zodat ter zake geen toets
verricht behoeft te worden door of namens het Lisv. Verwijtbaarheid van
de werkloosheid blijft in deze gevallen dus bijvoorbeeld buiten
beschouwing.
Opgemerkt wordt dat de WW
uitgaat van een voortdurende toets of voldaan wordt aan de
voorwaarden voor het recht op WW dan wel voor het geldend maken van dat recht. Dit impliceert dat een in het kader van
onderhavig wetsvoorstel
toegekend wachtgeld na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet
kan worden ingetrokken onder het regime van de WW, dan wel dat er daarop
een sanctie toegepast wordt. Het is derhalve niet zo dat een eenmaal
ingevolge dit wetsvoorstel toegekend wachtgeld na het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet, onaantastbaar is geworden.
- De ingangsdatum van
het wachtgeld wordt geacht ook de ingangsdatum van de WW-uitkering te
zijn. Voor zover de wettelijke duur van de WW, teruggerekend tot de datum van aanvang van het wachtgeld, niet
afgelopen is op het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, ontvangt betrokkene nog een
uitkering op grond van de WW (vergelijk het voorgestelde artikel
32).
Ter zake van het
voorgestelde artikel 31, tweede lid, zij het volgende opgemerkt. Artikel 19 van
de WW geeft een aantal situaties aan waarin geen recht op
WW-uitkering bestaat. Dit betreft situaties waarin de
betrokkene wegens arbeidsongeschiktheid, verblijf in het buitenland of detentie niet beschikbaar
is voor de Nederlandse arbeidsmarkt.
Ten aanzien van personen
op wie de WW van toepassing is, wordt het recht op uitkering geheel
of gedeeltelijk beëindigd op het moment dat de betrokkene niet meer als
werknemer kan worden beschouwd, niet meer werkloos is, omdat hij
niet geheel of gedeeltelijk beschikbaar is voor de arbeidsmarkt of er een
uitsluitingsgrond geldt. Dit is geregeld in artikel 20 van de WW.
Artikel 21 van
die wet biedt de mogelijkheid om een aldus geëindigd recht te doen
herleven.
Voor een aantal situaties
is de mogelijkheid tot herleving aan een termijn gebonden, in andere gevallen geldt geen termijn. Het voorgestelde
artikel 31, tweede lid,
voorziet nu in analoge toepassing van artikel 21 van de WW. Het strekt
ertoe dat in de in dit wetsvoorstel aan de orde zijnde gevallen recht
ontstaat op uitkering op hetzelfde moment als waarop een geëindigd
WW-recht zou hebben kunnen herleven. Wat betreft de periode tussen
het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet en die herleving bestaat
er dus geen recht op WW.
Het voorgestelde
artikel 31, derde lid, geldt in situaties waarin een overheidswerknemer op de
dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet
in een publiek- of privaatrechtelijk dienstverband met een overheidswerkgever heeft, maar niet meer op dat
tijdstip. Die persoon
heeft ingevolge artikel 31, derde lid, recht op een uitkering krachtens de
WW vanaf de dag waarop dit recht zou zijn ontstaan indien dat
dienstverband als dienstbetrekking in de zin van die wet zou zijn aangemerkt.
Het vierde lid is in dit
artikel opgenomen om een ongewenst gevolg van de bovengenoemde ficties
te vermijden. OOW beoogt het totale niveau van rechten en verplichtingen van het overheidspersoneel in verband met
rblz.|61|
werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, zoals dat geldt op de dag
voorafgaande aan het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, bij onderhavige
systeemwijziging wat hoogte en duur betreft gelijk te laten blijven. Dat wil dus
zeggen dat betrokkenen er bij onderhavige systeemwijziging wat hoogte en duur
betreft niet benadeeld mogen worden, maar ook niet bevoordeeld.
De betrokkene wordt een
kortdurende uitkering in plaats van een loongerelateerde uitkering toegekend indien de betrokkene in de 39
weken onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als
werknemer arbeid heeft verricht, maar niet voldoet aan de
4-uit-5-eis. De wachtgeldregelingen kennen de kortdurende uitkering
niet, behalve de WW-conforme regelingen: het Bwoo, het
Wbbt en het Wbdp. Doordat er in onderhavig wetsvoorstel noodzakelijkerwijs van uitgegaan moet worden dat alle gevallen waarin
ten aanzien van het
wachtgeld geen sanctie van kracht is, geacht worden te hebben voldaan aan de
voorwaarden van de WW voor het ontstaan en het geldend maken van het
recht op uitkering, wordt aan de betrokkenen met een kortdurende
uitkering ingevolge een WW-conforme regeling, wanneer er niet
gecorrigeerd zou worden, enkel door die fictie een loongerelateerde uitkering ingevolge de WW toegekend. Het is om deze
reden dat aan degenen met
een kortdurende uitkering ingevolge een WW-conforme regeling een
kortdurende uitkering ingevolge de WW wordt toegekend.
Artikelen 32 en
33
Deze artikelen bepalen
welke rechten na het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet
aan
de WW kunnen worden ontleend.
Artikel
32
De strekking van het
eerste lid van artikel 32 is dat de betrokkenen die recht hebben op een
wachtgeld op het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet
wat betreft de
duur dezelfde rechten op WW-uitkering krijgen als zij zouden hebben gehad
als de bepalingen van de WW vanaf het begin op hen van toepassing
waren geweest.
Het tweede lid is een
uitvloeisel van het uitgangspunt van dit wetsvoorstel
dat betrokkene in alle gevallen waarin ten aanzien van zijn
wachtgeld geen sanctie
van kracht is, geacht wordt te hebben voldaan aan de voorwaarden van de WW
voor het ontstaan en geldend maken van het recht op WW-uitkering.
Sinds 1 maart 1995 is de toets aan de zogenaamde 4-uit-5-eis echter niet
alleen bepalend voor de duur van de WW-uitkering, maar ook voor het recht
zelf. Wanneer namelijk niet aan die eis wordt voldaan, bestaat geen
recht op een loongerelateerde uitkering, maar, voor zover wel aan de overige
vereisten is voldaan, uitsluitend op een kortdurende WW-uitkering. Gelet op genoemd uitgangspunt wordt
derhalve uitgegaan van de
fictie dat iedere wachtgelder voldoet aan de voorwaarden voor een
loongerelateerde WW-uitkering (dat wil zeggen werkloos + voldaan aan de
referte-eis + voldaan aan de 4-uit-5-eis).
Hieraan is de fictie
toegevoegd dat de overheidswerknemer een feitelijk arbeidsverleden heeft van
vijf jaren. Dit betekent weliswaar een beperkt voordeel voor de
wachtgelders die de facto drie of vier jaren feitelijk arbeidsverleden hebben,
maar dat weegt niet op tegen de kosten voor de uitvoering indien van
elke wachtgelder getoetst moet worden wat zijn of haar feitelijk
arbeidsverleden is geweest. Deze beperkte uitbreiding van rechten wordt bovendien
ondervangen doordat in het vijfde lid (wat betreft de duur), en
artikel 33, zesde lid, wat betreft de hoogte), uitdrukkelijk is bepaald dat de duur
van het recht op een WW-uitkering niet meer kan bedragen dan de aan
de betrokkene toegekende duur van het recht op rblz.|62|
wachtgeld
onderscheidenlijk dat de WW-uitkering niet hoger kan zijn dan de hoogte van het recht
op wachtgeld dat de betrokkene had.
In het derde lid is de
uitzondering op het tweede lid opgenomen. Indien een wachtgelder recht
heeft op een kortdurende uitkering ingevolge de zogenaamde WW-conforme
regelingen (Bwoo, Wbbt en Wbdp) geldt als duur van de WW-uitkering de duur zoals die is vastgesteld op grond
van de betreffende WW-conforme regeling. Voor deze categorie is een uitzondering gemaakt,
omdat van dit personeel uit de aard der zaak al bekend is dat het voldoet
aan de toetredingseisen van de WW, behalve de 4-uit-5-eis. Materieel is
er geen verschil tussen de WW-conforme kortdurende uitkering en
de kortdurende uitkering op grond van de WW. Wanneer deze correctie
niet zou zijn opgenomen, zouden alle betrokkenen met een WW-conforme
kortdurende uitkering door het enkele feit dat deze fictie wordt
gehanteerd
een recht op een loongerelateerde uitkering verkrijgen.
Op grond van het vierde
lid wordt de tot het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet
verstreken duur van het wachtgeld op de uitkeringsduur van de WW-uitkering in mindering gebracht. Een mogelijk te ruime interpretatie
van de eerste drie leden wordt door de expliciete regeling van het vierde
lid van dit artikel voorkomen.
In het vijfde lid is
bovenbedoelde maximering van de toe te kennen WW-duur aangebracht. Het
is namelijk niet de bedoeling dat betrokkene door het enkele feit dat er een systeemwijziging wordt
uitgevoerd, een
langere uitkeringsduur
krijgt toebedeeld dan hij zou hebben gehad als er geen OOW
zou zijn
geweest. De maximering bestaat daarin dat de betrokkene een
WW-uitkering wordt toegekend met ten hoogste de duur waarop hij met zijn
oorspronkelijke wachtgeld uitzicht had.
Artikel
33
In het eerste lid van dit
artikel wordt bepaald dat het dagloon voor de WW
gelijk is aan de naar
een jaarbedrag herleide berekeningsgrondslag van de ambtelijke
uitkering, gedeeld door het getal 261. Een dergelijke berekening is ook voor de
betrokkenen ingevolge het Bwoo, het Wbbt en het Wbdp nodig. Deze
besluiten kennen weliswaar reeds een dagloonbegrip dat overeenkomt met de
WW, maar elk besluit kent zijn eigen uitzondering(en) op het
dagloonbegrip van de WW. Vandaar dat in dit lid niet kan worden
aangegeven dat voor deze categorie als dagloon geldt het dagloon ingevolge het
besluit dat op de betreffende betrokkene van toepassing is.
In het tweede lid is
geregeld op welke wijze het dagloon vastgesteld wordt ingeval de betrokken overheidswerknemer het wachtgeld geniet uit
een deeltijdbetrekking.
Het dagloon wordt alsdan vermenigvuldigd met de voor hem vastgestelde
deeltijdfactor.
De formulering van het
eerste lid geeft een probleem ingeval er sprake is van samenloop van een
WW-uitkering op grond van deze wet
met een WAO-uitkering. Wanneer
sprake is van een dergelijke samenloop maakt de arbeidsongeschiktheidscomponent deel uit van vorenbedoelde
berekeningsgrondslag. Dit
leidt ertoe dat de WW-uitkering van de gewezen
overheidswerknemer onbedoeld hoger wordt en zelfs boven de laatstgenoten bezoldiging
kan uitstijgen. Dit is uiteraard niet de bedoeling.
Om te voorkomen dat de
WW-uitkering van een overheidswerknemer tot een te hoog dagloon
wordt vastgesteld, zijn het derde en het vierde lid van dit artikel in onderhavig wetsvoorstel opgenomen. Die bepalingen zijn
afgeleid van artikel 14, eerste en tweede lid, van de
rblz.|63|
Dagloonregels Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid. Evenals die bepaling strekken het derde en het
vierde lid ertoe dat het WW-dagloon gelijk is aan het WAO-dagloon (in
geval van een uitkering op grond van de WAO gedurende de
loondervingsfase) dan wel het WAO-vervolgdagloon (in geval van een
uitkering op grond van de WAO gedurende de vervolgfase). Dit voor zover betrokkene
op de ingangsdatum van de WW-uitkering, bedoeld in
het voorgestelde artikel 32, eerste lid, recht had of ingevolge
artikel 13,
derde lid, dan wel artikel 23, tweede lid, van dit
voorstel geacht wordt te
hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten aanzien van de
WAO-uitkering op grond van genoemde artikelen wordt een fictie
gehanteerd wat de ingangsdatum van die uitkering betreft. Het aldus
berekende WW-dagloon wordt evenredig verlaagd teneinde rekening te houden
met de uitkering op grond van de WAO. De evenredige verlaging
geschiedt volgens het systeem van artikel 14 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en is
omschreven in de tweede volzin van het derde en van het vierde lid.
Van artikel 14 van de
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid dient het vierde lid
buiten toepassing te blijven. De reden hiervoor is dat ook in het geval een
herplaatste overheidswerknemer met recht op een WAO-conforme arbeidsongeschiktheidsuitkering wachtgeld geniet, niet de
berekeningsgrondslag van het wachtgeld wordt verlaagd vanwege de samenloop met de
WAO-conforme uitkering, maar het bedrag van het wachtgeld zelf.
Het vijfde lid ziet erop
dat de dagloonberekening kan worden aangepast in geval van indeling in
een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.
In het zesde lid is de
pendant van artikel 32, vijfde lid, opgenomen: de maximering van de hoogte
van de toe te kennen WW-uitkering. Ook ten aanzien van de hoogte
geldt dat het niet de bedoeling is dat betrokkenen door het enkele feit dat
er een systeemwijziging wordt uitgevoerd, meer ontvangen dan zij zouden
hebben gehad als er geen OOW zou zijn geweest. De maximering
bestaat daarin dat de betrokkene een WW-uitkering wordt
toegekend met ten hoogste het bedrag waarop hij met zijn oorspronkelijke
wachtgeld uitzicht had. Dat wil dus ook zeggen dat het bedrag aan WW-uitkering niet is gefixeerd op het bedrag aan
wachtgeld op de dag
voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, maar dat
dat bedrag "meegaat" met reguliere dalingen in percentages. Bijvoorbeeld wanneer een
Bwoo-uitkering overgaat van de loongerelateerde naar de
vervolguitkeringsfase.
Het
voorgestelde zevende
lid betreft de maximering van het ingevolge de voorgaande leden
bepaalde dagloon WW. Ingevolge dit lid is het dagloon WW van de gewezen overheidswerknemer, net als die van de
gewezen werknemer in de
marktsector, gemaximeerd op het maximumdagloon, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de CSV.
Artikel
34
Voor het recht op
uitkering krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) geldt als voorwaarde dat
de volledige uitkeringsduur van de WW moet zijn doorlopen. Aan deze voorwaarde voldoet niet
degene die vóór het
tijdstip van aanvang van
fase 3 van deze wet werkloos is geworden en van een
overheidswerkgever een wachtgeld ontving.
Door dit artikel wordt bereikt dat voor de toetsing aan de entree-eisen van de Ioaw de duur van
de ambtelijke uitkering meetelt als WW-uitkeringsduur.
rblz.|64|
Hoofdstuk 1, paragraaf 5
In deze paragraaf zijn
bepalingen van administratieve aard opgenomen.
Artikel
35
Eén van de uitgangspunten
bij de OOW-operatie is dat de uitvoering van de uit die operatie
voortvloeiende rechten op uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringen wordt opgedragen aan de uitvoeringsorganisatie
van de sociale
verzekeringen. Uitgaande van de invoering van de Osv
1997 zal dat het Lisv zijn. Het eerste lid van dit artikel strekt hiertoe.
Het tweede lid van dit
artikel betreft de aanmelding bij het Lisv van zowel degenen die in
actieve dienst zijn als van de inactieven. De aanmelding van de
actieven en inactieven in het kader van OOW, zoals die uit het tweede lid volgt,
kan geschieden aan de hand van door het Lisv vastgestelde modellen en
formulieren. Het Lisv kan aangeven dat gegevens van een bepaalde
soort en inhoud dienen te worden geleverd. Verder kunnen
vormvereisten worden gesteld aan de aan te leveren gegevens, zoals eisen
betreffende geautomatiseerde gegevensaanlevering.
Het derde lid, onderdeel
a, bevat een grondslag voor door het Lisv
vast te stellen administratieve voorschriften ter zake waarbij de vorenbedoelde
zaken kunnen worden
geregeld. Het gaat hier om zuiver uitvoeringstechnische voorschriften ter
regeling van, maar niet noodzakelijkerwijze beperkt tot, het
vorenstaande. In de bedoelde voorschriften kan verder worden opgenomen vóór
welk tijdstip de gevraagde gegevens uiterlijk aangeleverd moeten zijn.
Dit teneinde te bereiken dat de voor de omzetting van de oude
rechten benodigde gegevens tijdig beschikbaar zullen zijn.
In artikel 81 [94], vierde
lid, van dit wetsvoorstel wordt voorgesteld onder meer artikel 35 in
werking te laten treden met ingang van 1 oktober 1997. Het doel daarvan is een
termijn te scheppen van ten minste drie maanden voor de vergaring van de noodzakelijke gegevens ten behoeve van de
toekenning van de nieuwe
wettelijke rechten.
Artikel
36
In het voorgestelde
artikel 36, eerste lid, is bepaald dat het Lisv
ambtshalve het recht op
uitkering of voorziening vaststelt van iedere overheidswerknemer of
gewezen overheidswerknemer (inclusief beroepsmilitairen) die op
grond van de onderhavige wet een uitkeringsrecht ingevolge de WAO, de
ZW of de WW toegekend krijgt. In het eerste lid zijn daartoe de
desbetreffende artikelen van deze wet genoemd. Het Lisv zal dat recht
vaststellen met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 34 en artikel 40
[41]
van
deze wet.
Omwille van de
uitvoerbaarheid dienen enkele uitzonderingen te worden gemaakt op de
ambtshalve toekenning. Deze uitzonderingen zijn opgenomen in het tweede
lid van deze bepalingen en betreffen de volgende gevallen.
De in artikel 4, eerste
lid, onderdeel d, artikel 8, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gevallen van
ziekte alsmede de in artikel 31, derde lid, bedoelde gevallen van werkloosheid
zijn niet op voorhand bekend bij de huidige uitvoeringsinstelling
USZO en evenmin is bij die instelling bekend of de bedoelde personen in de
in die bepalingen bedoelde omstandigheden verkeren. Het is
uitvoeringstechnisch bezwaarlijk en ook risicovol om deze gevallen ambtshalve een
recht toe te kennen in het kader van OOW. De rblz.|65|
toekenning
van een
dergelijk recht dient dan ook op aanvraag van de betrokkene te geschieden.
Deze toekenning op aanvraag is opgenomen in het tweede lid. Voor zover
een betrokkene via de uitvoeringsinstelling USZO bij het Lisv
bekend
is, kan de betrokkene uiteraard individueel geïnformeerd worden door
die instelling over de mogelijkheid om onder omstandigheden als
bedoeld in de onderhavige bepalingen de bedoelde aanvraag te doen.
De in artikel 31, tweede
lid, bedoelde gevallen van werkloosheid zijn wel bekend, maar op voorhand
is daarvan niet bekend op welk moment de in die bepaling bedoelde situatie optreedt. De toekenning van WW aan deze
gevallen zal dienen te
geschieden op aanvraag van de betrokken (gewezen)
overheidswerknemers. Dit is eveneens geregeld in het tweede lid.
Ter toelichting op het
derde lid van dit artikel wordt het volgende opgemerkt.
Bij de vaststelling van
het recht op WW wordt uitgegaan van de situatie op het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet. Dat betekent dus
bijvoorbeeld dat er ten
tijde van genoemde vaststelling geen herbeoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid plaatsvindt. Dat betekent ook dat bij de vaststelling,
bedoeld in het eerste of tweede lid, geen rekening wordt gehouden met
feiten, omstandigheden of gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet. Wanneer een betrokkene bijvoorbeeld
één maand vóór het tijdstip van aanvang van fase 3 van
deze wet is ontslagen en uit dien hoofde recht heeft op wachtgeld, is
voor de vaststelling van diens recht op WW-uitkering enkel van
belang dat betrokkene op de dag voorafgaande aan dat tijdstip recht
had op wachtgeld. Voor deze vaststelling is bijvoorbeeld niet van belang
dat betrokkene vóór dat tijdstip niet zou hebben voldaan aan de
voorwaarden van de WW doordat hij zich bijvoorbeeld verwijtbaar in de zin
van
de WW heeft gedragen. Verwijtbaarheid van de werkloosheid in de zin
van de WW blijft in deze gevallen buiten beschouwing.
Het bovenstaande geldt
overigens ook wanneer een overheidswerknemer die is ontslagen vóór
het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet, na dat tijdstip
een aanvraag indient met betrekking tot het recht op wachtgeld uit hoofde
van dat ontslag, bijvoorbeeld na twee jaar, maar in ieder geval binnen de
in de ambtelijke regeling voor indiening gestelde termijn. In een dergelijk
geval zal het recht op wachtgeld per de ontslagdatum worden vastgesteld door
of namens de ex-werkgever. Vervolgens zal het Lisv
het recht op
WW vaststellen met inachtneming van artikel 31.
Artikel
37
Loonkostensubsidie is een
aanspraak van een werkgever bij het in dienst nemen van een
bepaalde werknemer. Wat betreft de overheidswerkgevers worden die loonkostensubsidies tot het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet toegekend overeenkomstig
artikel 62 van de WAO. De
WAO-conforme
regeling vervalt op dat tijdstip. Met ingang van dit tijdstip verandert
aldus de rechtsgrond, zodat de loonkostensubsidie opnieuw moet worden
toegekend. Het is echter niet de bedoeling dat de toegekende loonsubsidie
door het enkele feit van de systeemwijziging ingevolge deze wet ter
discussie wordt gesteld. Zoals ook bepaald in artikel 20 en
28 van deze wet, wordt het reeds overeenkomstig de WAO toegekende recht op loonkostensubsidie voortgezet als een loonkostensubsidie
op grond van de WAO. Om die reden is er wat betreft de loonkostensubsidies
gekozen voor een gebonden beslissing in de trant van artikel 38 van de WPA. Bij de vaststelling door het Lisv op grond van het onderhavige artikel
wordt derhalve geen rekening gehouden met feiten, omstandigheden of
gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór rblz.|66|
het tijdstip
van aanvang
van fase 1 van deze wet. Vergelijk de toelichting op artikel
36, derde lid.
Deze gebonden beslissing doet er overigens niet aan af dat vanaf dat
vaststellingsmoment de WAO op de opnieuw vastgestelde
loonkostensubsidie volledig van toepassing is.
Artikel
38
Dit artikel regelt dat,
voor zover een in het kader van de Wet TBA toegekende stimuleringsuitkering
herleeft, de uitbetaling daarvan geschiedt door het Lisv
voor rekening van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds van de WAO (het
Aof). Dit is conform de
regeling inzake de betaling en financiering van (herlevende)
stimuleringsuitkeringen in de marktsector.
Artikel 40. [Zie
art. 41 OOW, red.]
In
artikel 4, eerste lid,
artikel 8, eerste lid, artikel 13, eerste en tweede lid,
artikel 23, eerste lid,
en artikel 31 zijn algemene regels opgenomen hoe de toekenning plaatsvindt
van een ziekengeld op grond van de ZW, een uitkering op grond van de
WAO dan wel de WW in de situatie dat sprake
is van één enkel oud
recht. Deze toekenningsregels schieten tekort in de situatie waarin een
belanghebbende meerdere rechten heeft in verband met ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte, meerdere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of meerdere
werkloosheidsuitkeringen geniet uit hoofde van zowel een
betrekking als overheidswerknemer als een betrekking in de marktsector dan wel uit hoofde van meerdere betrekkingen
als overheidswerknemer. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een situatie
van samenloop van bezoldiging of uitkering in geval van ziekte als
overheidswerknemer naast een ziekengeld op grond van de ZW, een
WAO-conforme uitkering naast een WAO-uitkering of samenloop van een
wachtgeld als (gewezen) overheidswerknemer met een WW-uitkering.
De systematiek van de WAO
houdt in dat er slechts één arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van die wet kan worden toegekend. Dit ongeacht
het aantal dienstbetrekkingen ter zake waarvan uitval in verband met arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden. De
systematiek van de WW
laat daarentegen in bepaalde gevallen wel meerdere uitkeringen op
grond van die wet toe. Dit geldt mutatis mutandis ook voor de ZW.
Teneinde de ZW-ziekengelden, de WAO- en de WW-uitkering te kunnen vaststellen ten aanzien
van personen met meerdere rechten in verband met ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, meerdere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
meerdere werkloosheidsuitkeringen of een combinatie van die
uitkeringen, kan via nadere en, zo nodig, tijdelijk van de wettelijke regels (met
inbegrip van bepalingen van hoofdstuk 1) afwijkende regels worden
afgeweken van de "reguliere" toekenning aan betrokkene van rechten
ingevolge deze wet. Alsdan zal bijvoorbeeld het op basis van die nadere
regels berekende dagloon uitgangspunt zijn voor de uitvoering in plaats van
artikel 5, 9, 14,
15, 24, 25 of
33. Voor zover in
dit kader afwijkende
regels gesteld worden, zijn die van tijdelijke aard; dat wil zeggen,
vooruitlopende op wetswijziging. Die tijdelijkheid van de regels doet derhalve niet
af aan de rechtsgeldigheid van uitvoeringsbeslissingen die in die periode op
basis van die tijdelijk afwijkende regels zijn genomen.
De in dit artikel
bedoelde regels dienen eveneens betrekking te hebben op de omzetting van
bestaande loonsuppleties dan wel reïntegratie-uitkeringen naar een nieuw recht op
loonsuppletie dan wel reïntegratie-uitkering in die situaties waarin betrokkene daarop recht heeft op grond
van zowel de ambtelijke arbeidsongeschiktheidsregeling (uit hoofde van zijn status als
overheidswerknemer) als de WAO (uit hoofde van status als werknemer in particuliere
dienst).
rblz.|67|
De vaststelling
van deze
regels inzake omzetting of toekenning ingevolge deze wet
kan
het beste worden neergelegd in een ministeriële regeling van de meest
betrokken ministers. Dit omdat wijziging van die regels op basis van
ervaringsgegevens uit de praktijk dan eenvoudig en op korte termijn, dus
flexibel, te realiseren is.
Ingevolge het tweede lid
hebben de nader te stellen regels in ieder geval betrekking op de
bepaling van de ingangsdatum, de mate van arbeidsongeschiktheid,
het dagloon in de zin van de WAO en de WW, de bevoegde
uitvoeringsinstelling en de kostenverdeling tussen de betrokken fondsen (met inbegrip van
de uitvoeringskosten).
De bedoeling van het
derde lid is dat bij in de hierboven bedoelde ministeriële regeling wordt bewerkstelligd dat er voor de belanghebbenden
een evenredige uitkomst
wordt bereikt. Dat wil zeggen dat ernaar wordt gestreefd dat de
nieuwe aanspraken wat betreft hoogte en duur evenredig zijn aan de
aanspraak of aanspraken van vóór de toekenning. Echter, gelet op het feit
dat ingevolge dit wetsvoorstel uitsluitend uitkeringen op grond van
werknemersverzekeringen worden toegekend, is het bereik van dit
artikellid in die zin beperkt dat het streven erop gericht is de nieuwe aanspraak
of
aanspraken wat hoogte en duur betreft evenredig te laten zijn
aan het met de betreffende werknemersverzekering overeenkomende deel van
de vroegere aanspraken. Het overige deel van de vroegere aanspraken is
de verantwoordelijkheid van de sociale partners.
Een soortgelijke bepaling
is destijds ook opgenomen in de WPA
(artikel 52, tweede lid), zij het
dat die alleen zag op de overgang naar de WAO-conforme uitkering.
Artikel 41. [Zie
art. 42 OOW, red.]
Het is zeer
waarschijnlijk dat na het tijdstip van aanvang van een fase van deze wet
nog
beslissingen genomen zullen moeten worden en lopende bezwaar- en beroepsprocedures zullen moeten worden afgerond
inzake WAO-conforme uitkeringen, pensioenen ter zake van arbeidsongeschiktheid
of invaliditeitspensioen
in de zin van de Amp-wet, wachtgelden,
voorzieningen en dergelijke.
Indien het met betrekking
tot een dergelijke regeling beslissingsbevoegde lichaam nog bestaat, kan
dat lichaam ook na genoemde datum nog de bedoelde
beslissing nemen en aan de daaruit voortvloeiende gevolgen uitvoering geven
(zie het tweede en derde lid). Indien dat lichaam per het tijdstip
van aanvang van een fase echter niet meer bestaat, zoals het FAOP,
dient een ander lichaam te worden aangewezen dat bevoegd is die
beslissingen na die datum te nemen. Het eerste lid geeft aan dat het Lisv
vanaf dat tijdstip verantwoordelijk is voor de afdoening van nalopende
of aanhangige en nog niet door het FAOP afgewerkte zaken
betreffende de WAO-conforme regeling. Het Lisv treedt in de plaats van het FAOP,
doch uitsluitend wat betreft de uitvoering van de WAO-conforme regeling.
In artikel 77 [87] van dit wetsvoorstel is bepaald dat de toepassing van dit
overgangsrecht wordt aangemerkt als een wettelijke taak van het Lisv in de zin van
artikel 38 van de
Osv
1997, ter
zake waarvan een uitvoeringsovereenkomst moet worden gesloten op grond van
artikel 39 van
die wet met een
uitvoeringsinstelling.
Aangezien het FAOP op
grond van artikel 46 van de WPA
de uitvoering van de WAO-conforme
regeling heeft opgedragen aan de
USZO, is de kennis ter zake van de WAO-conforme regeling reeds bij de USZO
aanwezig. Het ligt dan
ook voor de hand dat het Lisv voor de toepassing van het eerste lid
gebruik maakt van de diensten van de USZO. Dit op basis van een ter zake
tussen partijen afzonderlijk te sluiten contract dan rblz.|68|
wel als
onderdeel van een
ander tussen partijen te sluiten contract in het kader van de uitvoering
van OOW.
Niet is gekozen voor de
optie om de beslissingsbevoegdheid inzake de WAO-conforme regeling op
grond van dit wetsvoorstel over te laten gaan naar de
uitvoeringsinstelling van de sector waarbij de werkgever is
ingedeeld na het tijdstip van aanvang van fase 1 van onderhavig wetsvoorstel. Niet
uitgesloten moet immers worden dat er werkgevers zijn die vóór dat
tijdstip als overheidswerkgever zijn aangesloten bij het FAOP, maar vanaf dat
tijdstip niet ingedeeld zullen zijn bij dezelfde sector als de meeste overige
overheidswerkgevers, maar bij een andere sector. Nadeel van deze optie is
evenwel dat dan de mogelijkheid ontstaat dat de WAO-conforme regeling zou
moeten worden uitgevoerd door een
uitvoeringsinstelling die
geen kennis heeft met betrekking tot die regeling.
Voor de toekenning
ingevolge deze wet van aanspraken dient het betreffende lichaam het
Lisv op de hoogte te brengen van de door hem genomen beslissingen en
dient dat lichaam de betreffende casus aan te melden bij het Lisv met
het oog op bedoelde toekenning. Het Lisv neemt vervolgens ambtshalve een
beslissing over het recht onder de werkingssfeer van de
werknemersverzekeringen. Het vierde lid bevat de grondslag ter zake.
Hoofdstuk 1, paragraaf 6
Artikel 42. [Zie
art. 43 OOW, red.]
Het onderhavige
wetsvoorstel beëindigt geen lopende rechten inzake ziekte of werkloosheid.
Er worden rechten toegekend op uitkeringen op grond van de ZW
of de WW aan personen die op de dag voorafgaande aan de datum waarop de
betreffende werknemersverzekering ingevolge deze wet op hen van
toepassing wordt, een recht hebben op grond van hun ambtelijke
rechtspositie. De samenloop van de nieuwe, op de werknemersverzekeringen
gebaseerde rechten en de oude, op de ambtelijke rechtspositie
gebaseerde rechten is een zaak die in die ambtelijke rechtspositie geregeld dient te worden.
In het onderhavige
artikel is een voorziening opgenomen voor het geval een ambtelijke rechtspositieregeling wat de samenloop van rechten
betreft met ingang van
de datum waarop de betreffende werknemersverzekering ingevolge deze wet
op het
betreffende overheidspersoneel van toepassing wordt,
niet (of nog niet) is aangepast aan onderhavige wet. Het doel van dit
artikel is te voorkomen dat ter zake van dezelfde ziekte of dezelfde
werkloosheid een dubbel recht op uitkering ontstaat, dat wil zeggen een nieuw
recht naast een ongekort oud recht. Het nieuwe recht wordt ingevolge het
eerste en tweede lid van dit artikel in mindering gebracht op het oude
recht. Dit uiteraard uitsluitend voor zover dat oude recht niet verstrijkt
vóór de dag waarop de betreffende werknemersverzekering ingevolge deze wet op het
betreffende overheidspersoneel van toepassing wordt.
Wat betreft de
ZW (eerste
lid) is er bovendien alleen sprake van samenloop in de zin van
deze bepaling indien het dezelfde ziekte betreft. Het tweede lid bepaalt
niet dat het dezelfde werkloosheid moet betreffen, maar ziet op elke
samenloop van het wachtgeld met WW, zolang betrokkene recht heeft op
wachtgeld. Het onderscheid met het eerste lid is daarin gelegen dat wat
betreft het ziekengeld nog wel te achterhalen is of dat betrekking heeft op
hetzelfde dienstverband ter zake waarvan de betrokkene ook recht
heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte. Bij het herleven van WW
is dat ook nog wel mogelijk, maar dat is erg lastig in geval van opbouw
van nieuwe WW-rechten, terwijl er sprake is rblz.|69|
van
meerdere voormalige
dienstverbanden. Indien er in een dergelijk geval nog steeds niets is
geregeld in de betreffende rechtspositieregeling, doet het vorenomschreven
ongewenste gevolg zich toch voor. Om die reden is ervoor gekozen
de werking van dit lid te koppelen aan de duur van het wachtgeld.
Het tweede lid ziet niet
alleen op de situatie dat een ambtelijke rechtspositie niet tijdig aan dit
wetsvoorstel is aangepast. Het ziet ook op
de situatie waarin aan
een categorie overheidspersoneel in vroeger jaren een garantie is gegeven
dat de op hem van toepassing zijnde wachtgeldregeling zoals die gold op een
bepaalde datum gelegen vóór het tijdstip van aanvang van fase 3
van deze wet op hem van toepassing zou blijven. Door die fixatie hebben
latere wijzigingen in de rechtspositieregeling geen invloed op zijn
wachtgeld. Vanwege deze garantie wordt de betreffende groep hierna aangeduid
als garantiewachtgelders.
Doordat die
wachtgeldregeling als het ware is bevroren, heeft deze categorie wachtgelders,
als er in deze wet niets naders zou worden geregeld, als gevolg van
de toekenning ingevolge deze wet vanaf het tijdstip van aanvang van
fase 3 van deze wet tegelijkertijd recht op een wachtgeld én (op grond
van onderhavige wet) een uitkering ingevolge de WW. Deze consequentie is
ongewenst.
Een vergelijkbare
situatie deed zich voor in het kader van de WPA
bij de samenloop loondoorbetaling van bezoldiging of uitkering wegens ziekte
en WAO-conforme uitkering. In artikel 60 WPA
is toen opgenomen dat in een dergelijk geval van
samenloop het recht op loondoorbetaling van bezoldiging of uitkering
wegens ziekte verminderd wordt met de WAO-conforme uitkering.
Voor onderhavige categorie wachtgelders is nu in het tweede lid een
overeenkomstige regeling getroffen.
Indien het tweede lid
echter ongeclausuleerd zou zien op elke samenloop van het wachtgeld met
WW, zolang betrokkene recht heeft op
wachtgeld, zou dat leiden
tot een ongewenst groot bereik van deze bepaling. Op grond van de garantiewachtgeldregelingen worden namelijk
niet verrekend met het wachtgeld neveninkomsten die de betrokkene ontving uit of in verband
met arbeid die de betrokkene ter hand had genomen voordat hij werd
ontslagen uit het dienstverband ter zake waarvan hij het wachtgeld
geniet. Een WW-uitkering geldt als inkomsten in verband met arbeid.
Aangezien het tweede lid niet beoogt verandering te brengen in de
anticumulatiebepaling van de garantiewachtgeldregelingen, is hier een uitzondering
noodzakelijk. De omschrijving onder wat
voor omstandigheden neveninkomsten worden aangemerkt als
neveninkomsten voor ontslag (bijvoorbeeld niet die ter hand zijn genomen in de
periode van verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag), is die welke sinds jaar en dag
geldt voor de wachtgeldregelingen.
Het derde lid ziet
specifiek op de garantiewachtgelder die het ingevolge zijn garantiewachtgeldregeling is toegestaan dat hij niet solliciteert of
ingeschreven is als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Indien er niets geregeld
zou zijn, zou de garantiewachtgelder in een dergelijk geval voor zijn WW
wel moeten solliciteren, terwijl hij dat voor zijn bovenwettelijke deel
niet zou hoeven doen. Dan zou de garantiewachtgelder ingevolge de WW door het
uitvoeringsorgaan moeten worden gesanctioneerd,
terwijl die sancties vervolgens uit hoofde van bovenbedoelde bovenwettelijke rechtspositieregeling financieel wordt
gecompenseerd door de werkgever. Een dergelijke situatie is voor zowel garantiewachtgelders als
het uitvoeringsorgaan ongewenst. Om deze reden is in het derde lid
opgenomen dat de garantiewachtgelder zolang hij recht heeft op het
bedoelde wachtgeld is vrijgesteld van de verplichting ingevolge de
WW om te solliciteren en om ingeschreven te zijn als werkzoekende bij
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
rblz.|70|
Met deze bepaling is
overigens niet bedoeld aan te geven dat van de garantiewachtgelder
helemaal niet meer wordt verwacht dat hij voorkomt dat hij werkloos blijft
in de zin van de WW. Wanneer bijvoorbeeld de garantiewachtgelder hem
aangeboden passende arbeid weigert te aanvaarden, kan hij wel
worden gesanctioneerd op grond van de WW. Van een dergelijke
verplichting is de garantiewachtgelder niet uitgesloten. Bovendien kennen de
betreffende garantiewachtgeldregelingen deze verplichting veelal ook.
Ingevolge het vierde lid
zijn het eerste tot en met het derde lid niet van toepassing indien de
ambtelijke rechtspositieregeling bepalingen bevat met betrekking tot de bedoelde samenloop. Hierbij is niet van belang wat
die bepalingen materieel
inhouden. Met andere woorden, als de sociale partners voor deze
samenloop een eigen voorziening hebben opgenomen in de betreffende
rechtspositieregeling, dan heeft deze voorrang boven dit artikellid.
Dit artikel is van
toepassing op zowel de overheidswerknemers in burgerlijke dienst als de
beroepsmilitairen. In het eerste lid worden de beroepsmilitairen en de
gewezen beroepsmilitairen afzonderlijk vermeld, omdat zij niet behoren
tot de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers,
bedoeld in artikel 3 van dit wetsvoorstel. Vergelijk de
toelichting op artikel
2 van dit wetsvoorstel. De beroepsmilitairen behoren weer wel tot de
overheidswerknemers, bedoeld in artikel 30 van dit
wetsvoorstel.
Artikel 43. [Zie
art. 44 OOW, red.]
Op het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet wordt het FAOP opgeheven. Vanaf die
datum worden de op de aan die datum voorafgaande dag bestaande arbeidsongeschiktheidslasten van het FAOP
overgenomen door het Aof.
Ter dekking van die lasten van het Aof dient een deel van het vermogen
van het FAOP te worden overgedragen aan het Aof. In de
onderhavige bepaling zijn uitgangspunten opgenomen inzake de vaststelling
van het deel van het vermogen dat van het FAOP moet overgaan op het Aof.
In het kader van Pemba is, vooruitlopende op OOW, ter zake reeds een
regeling getroffen, namelijk via artikel VIII, tweede tot en met vijfde
lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Voorgesteld wordt die regeling in de onderhavige bepaling van
de voorgestelde OOW op te nemen en daarmee derhalve de in
het kader van Pemba gemaakte keuzen te handhaven. Dit is
opgenomen in het eerste tot en met het vierde lid van het onderhavige artikel
van de OOW.
Nadat ingevolge het
eerste lid is vastgesteld welk deel van het vermogen van het FAOP
overgaat op het Aof, resteert het deel van het vermogen van het FAOP dat
niet overgaat op het Aof. Het FAOP wordt opgeheven, zodat de
bestemming van dat deel van dat vermogen moet worden bepaald. Op dit
moment is nog geen keuze gemaakt ten aanzien van de bestemming van het
resterende vermogen van het FAOP. Gedacht zou kunnen worden aan
restitutie aan de overheidswerkgevers van door hen aan het FAOP
afgedragen premies. Voorgesteld wordt derhalve die bestemming niet in deze
wet zelf op te nemen, maar bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen.
Artikel 44. [Zie
art. 45 OOW, red.]
Dit artikel regelt
uitdrukkelijk het van toepassing zijn van de in dit artikel genoemde wetten en
uitvoeringsmaatregelen, zodra op grond van de onderhavige wet een recht op uitkering ingevolge de verplichte verzekering
krachtens de in dit
artikel genoemde wetten wordt verleend. Zulks rblz.|71|
onverminderd
de in
onderhavig wetsvoorstel voorkomende specifieke bepalingen. Voorts is
geregeld dat de in het kader van deze wet genomen beslissingen en
uitkeringen worden aangemerkt als beslissingen en uitkeringen ingevolge de
desbetreffende wetten, te weten de ZW, de WAO,
dan wel de
WW. Eén en
ander is op gelijke wijze geregeld met betrekking tot de op
grond van deze wet verleende voorzieningen en reïntegratie-instrumenten.
Artikel 45. [Zie
art. 46 OOW, red.]
Gelet op de
gevarieerdheid van de gevallen die bij de feitelijke uitvoering van deze wet
naar voren kunnen komen en die op voorhand niet zijn voorzien, is
het gewenst om bij de overgang naar de werknemersverzekeringen en de aanverwante
regelingen de mogelijkheid te hebben waar noodzakelijk bij
algemene maatregel van bestuur nadere en tijdelijk afwijkende regels te
stellen. Indien het noodzakelijk is om tijdelijk van de wet afwijkende regels te
stellen, dient zo spoedig mogelijk daarna wetswijziging te worden
geïnitieerd. Dit artikel strekt daartoe. Een dergelijke algemene
maatregel van bestuur zal in voorkomend geval op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken
tot stand worden gebracht. Die voordracht
zal geschieden in overeenstemming met de meest betrokken minister
of ministers. Dat zijn in ieder geval:
- voor zover de
bedoelde regels betrekking hebben op de toepassing van de werknemersverzekeringen ten aanzien van de betrokken
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers, de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
- voor zover de
bedoelde regels specifiek betrekking hebben op het militair personeel, de
Minister van Defensie;
- voor zover de
bedoelde regels betrekking hebben op de relatie met of de toepassing van de
Zfw in het kader van OOW ten aanzien van het overheidspersoneel, de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Hoofdstuk 2
De wijzigingen van de in
dit hoofdstuk genoemde wetten op het terrein van de sociale verzekeringen worden doorgevoerd met ingang van de
datum van aanvang van
hetzij fase 1 van deze wet, hetzij fase 2 van deze wet, hetzij fase 3 van
deze wet. In paragraaf 3.6 van het algemeen deel van de toelichting is
uiteengezet dat het kabinet er in beginsel van uitgaat dat de drie fasen van
deze wet op de volgende tijdstippen zullen aanvangen: fase 1 per 1
januari 1998, fase 2 wat de ZW betreft per 1 januari 1999 en wat de
WW betreft op zijn vroegst per 1 januari 1999 en fase 3 wat de ZW betreft
per 1 januari 2000 en wat de WW betreft op zijn vroegst per 1 januari
2000. Zoals echter bij de toelichting op de inwerkingtredingsbepaling
van dit wetsvoorstel (artikel 81
[94]) wordt opgemerkt, houdt het
kabinet er rekening mee dat het noodzakelijk zou kunnen zijn het tijdstip
van aanvang van de verschillende fasen van deze wet verschillend vast te
stellen voor groepen van overheidswerknemers. Dit teneinde de inwerkingtreding van deze wet optimaal te kunnen
afstemmen op de uitvoeringstechnische mogelijkheden.
Deze mogelijkheid tot
nadere differentiatie van het tijdstip waarop de verschillende fasen van
deze wet aanvangen, zal geen rol spelen in relatie tot de artikelen van dit
hoofdstuk. Immers, de wijziging van de hierin opgenomen wetten kan niet
anders dan op één moment geschieden. Het kabinet is derhalve
voornemens om in het inwerkingtredingsbesluit, bedoeld in artikel 81
[94],
tweede en derde lid, van deze wet de artikelen van dit hoofdstuk in werking
te laten treden op de vorengenoemde tijdstippen.
rblz.|72|
Artikel 46, onderdeel A.
[Zie
art. 47, onderdeel A, OOW, red.]
De
Wamil blijft van
toepassing op dienstplichtige militairen. De uitzondering op het begrip dienstbetrekking voor deze groep in
artikel 6,
onderdeel b, van de ZW blijft dan ook gehandhaafd. Eveneens gehandhaafd blijft de in dat
onderdeel opgenomen uitzondering ten aanzien van de vrijwilligers die
werkzaamheden verrichten voor de gemeentelijke brandweer of de politie
of in het kader van de landsverdediging.
Artikel 46, onderdeel B.
[Zie
art. 47, onderdeel B, OOW, red.]
In het
algemeen deel van
deze toelichting is reeds uiteengezet dat de openstelling van de ZW
voor het overheidspersoneel niet op één moment zal plaats vinden, maar
gefaseerd. Volgens voornemen zal de ZW per 1 januari 1999 worden
opengesteld voor het overheidspersoneel. Dat is het overheidspersoneel
inclusief de WAO-gerechtigde overheidswerknemers en WAO-gerechtigde
gewezen overheidswerknemers. Dit laatste betekent dat de ZW niet eerder dan
per 1 januari 1999 wordt opengesteld voor overheidswerknemers die
een uitkering ontvangen op grond van de verplichte verzekering
van de WAO.
Daarnaast wordt de ZW op
1 januari 1999 nog niet opengesteld voor de overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers die op 31 december 1998 recht
hebben op een wachtgeld dan wel op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte. Deze groep van lopende wachtgelders en ziektegevallen wordt,
voor zover niet in de loop van 1999 sprake is van beëindiging van de
uitkeringsduur, met ingang van 1 januari 2000 onder de ZW gebracht.
Op dit moment is niet te
voorzien of het vorenomschreven scenario volledig kan worden
gerealiseerd. Op een later moment zou namelijk sprake kunnen zijn van nieuwe ontwikkelingen of nieuwe inzichten die
ertoe zouden kunnen
leiden dat het oorspronkelijk voorgenomen en in dit
wetsvoorstel opgenomen
invoeringstraject ten aanzien van de ZW moet worden herzien. Het bij
dit wetsvoorstel rechtstreeks in de ZW opnemen van dat invoeringstraject
leidt dan ook tot inflexibiliteit. Een dergelijke aanpak zou er immers toe
kunnen leiden dat de wettekst moet worden gewijzigd in geval van een
heroverweging van het invoeringstraject. Vandaar dat het kabinet voorstelt om het tempo van de openstelling van
de ZW niet rechtstreeks
in de ZW maar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op
basis van de ZW te regelen. Als grondslag voor die lagere regeling kan
het voorgestelde nieuwe artikel 6a van de ZW
dienen.
Het voorgestelde artikel 6a
van de ZW
biedt de mogelijkheid deze materie desgewenst in een
ministeriële regeling te regelen. Bovendien kan het tijdstip met
betrekking tot de toepassing van de ZW desgewenst verschillend worden
vastgesteld voor verschillende groepen van overheidswerknemers.
Artikel 46, onderdeel C.
[Zie
art. 47, onderdeel C, OOW, red.]
In
artikel 29, eerste
lid, van de ZW is bepaald dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd indien
de verzekerde uit hoofde van zijn dienstbetrekking recht heeft op loon als
bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Hetzelfde dient te gelden voor de overheidswerknemer die bij verhindering
wegens ziekte om zijn dienst te verrichten of zijn ambt te vervullen
recht heeft op doorbetaling van zijn bezoldiging.
Artikel 46, onderdeel
E. [Zie
art. 47, onderdeel D, OOW, red.]
De voorgestelde
artikelen
90 en 91 van de ZW bevatten
procedurele
rblz.|73|
bepalingen met betrekking
tot de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
voorgestelde artikel 6a van de ZW (vergelijk artikel
46, onderdeel B, van dit
wetsvoorstel) [zie artikel 47, onderdeel B, OOW, red.]. Deze procedurele bepalingen zijn ontleend aan de
artikelen
125 en 126 van de WW, welke artikelen procedurele bepalingen
bevatten met betrekking tot de op artikel 7 van die wet berustende algemene
maatregel van bestuur. Het doel van dit onderdeel is te bereiken
dat voor de bedoelde algemene maatregelen van bestuur, die beide
materieel hetzelfde onderwerp regelen, dezelfde procedurele bepalingen
gelden.
Artikel 47, onderdeel A.
[Zie
art. 48, onderdeel A, OOW,
red.]
In het
algemeen deel van
deze toelichting is reeds uiteengezet dat de financiering van de ZW-lasten van de overheid materieel op dezelfde wijze zal geschieden als in de
marktsector. Daarbij is tevens ingegaan op de hoofdlijnen van de
daarbij te hanteren techniek van premie-inning. Om formele redenen (te weten
het vooralsnog niet van toepassing zijn van het financieringsregime WW)
zijn bijzondere bepalingen nodig om materieel dezelfde techniek van
premie-inning ZW voor overheid en marktsector te bereiken. Beargumenteerd
is verder waarom voorgesteld wordt één en ander niet in de ZW zelf
te regelen, maar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op
grond van het voorgestelde nieuwe artikel 60a van de ZW.
Ter aanvulling op het
gestelde in het algemeen deel kan nog het volgende worden opgemerkt
over het voorgestelde artikel 60a van de ZW.
De beoogde datum van
inwerkingtreding van de bedoelde algemene maatregel van bestuur en
de daarop berustende lagere regelingen is 1 januari 1999.
Het eerste lid houdt in
dat het tijdstip waarop de op artikel 60a
van de ZW
gebaseerde bijzondere
bepalingen voor de overheid komen te vervallen en er dus
sprake zal zijn van dezelfde techniek van premie-inning voor de ZW voor overheid
en marktsector, bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan worden vastgesteld. Indien mogelijk zal het bedoelde tijdstip
in de algemene maatregel van bestuur zelf worden opgenomen. Het is
echter niet uitgesloten dat het bedoelde tijdstip nog niet bekend
is op het moment dat die algemene maatregel van bestuur tot stand
gebracht wordt en gepubliceerd wordt. In dat geval moet het mogelijk zijn
dat het bedoelde tijdstip in een op die algemene maatregel van bestuur
berustende ministeriële regeling wordt opgenomen. De
voorgestelde formulering van artikel 60a, eerste lid, van de ZW
biedt daartoe de
mogelijkheid.
De inhoudelijke regeling
van de bekostiging van de uitgaven op grond van de ZW
ten aanzien van
overheidswerknemers wordt bij of krachtens de bedoelde algemene maatregel van bestuur bepaald. Dit is opgenomen
in het tweede lid.
Materieel houdt het
voorgestelde financieringsregime, zoals dat bij of krachtens de bedoelde
algemene maatregel van bestuur zal worden vormgegeven, in dat de ZW-lasten van de overheid die in de marktsector
op grond van artikel 93
van de WW op landelijk niveau via het AWf worden bekostigd (zoals
de lasten van zwangerschaps- en bevallingsverlof), eveneens ten laste van
het AWf zullen worden gebracht. Wat het ten laste van het AWf
gefinancierde deel van de ZW-lasten van de overheid betreft, zal een
afzonderlijke premie vanuit de overheidssector worden afgedragen aan het
AWf. De ZW-lasten van de overheid die in de marktsector per bedrijfstak worden bekostigd ten laste van de wachtgeldfondsen
van de WW zullen eveneens binnen de bedrijfstak overheid en onderwijs door middel van
een omslagfonds worden bekostigd. Wat het binnen de bedrijfstak
overheid en onderwijs gefinancierde deel van de ZW-lasten betreft, zal op
het niveau van de bedrijfstak overheid en rblz.|74|
onderwijs of, desgewenst
op het niveau van onderdelen binnen die bedrijfstak, een
afzonderlijk ZW-fonds worden opgericht, te beheren en te administreren door het
Lisv. Dit ZW-fonds of, in geval van fondsvorming per onderdeel van deze
bedrijfstak, die ZW-fondsen zullen worden gevoed met een binnen de overheidssector op te brengen premie.
Opgemerkt wordt dat een
eventueel besluit tot invoering van een uniform financieringsregime WW voor overheid en marktsector in het
kader van de besluitvorming naar aanleiding van de resultaten van de in de nota Werken aan
zekerheid aangekondigde studie naar de mogelijkheden van premiedifferentiatie
als onderdeel van de financiering van de WW, tot gevolg zal kunnen
hebben dat de ZW-financiering ten aanzien van de overheid alsnog
volledig kan worden ingebed in de wijze waarop de ZW-financiering in de
marktsector is geregeld. Alsdan zal geen behoefte bestaan aan regeling bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur. Eén en ander zal dan
namelijk rechtstreeks in artikel 60 van de ZW zijn opgenomen.
De voordracht voor de
bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen met de
Minister van Binnenlandse Zaken. De op die algemene maatregel van
bestuur berustende ministeriële regeling of regelingen worden tot
stand gebracht door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 47, onderdeel B.
[Zie
art. 48, onderdeel B, OOW,
red.]
De in de voorgestelde
artikelen 90 en 91 van de ZW opgenomen voorhangprocedure dient
eveneens te gelden met betrekking tot de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het voorgestelde artikel 60a
van de ZW. Vergelijk subparagraaf 1.4.6 van het algemeen deel van deze toelichting. Het
onderhavige onderdeel voorziet hierin.
Artikel 48. [Zie
art. 49 OOW, red.]
Met ingang van de datum
van fase 3 (voor zover thans voorzien: 1 januari 2000) zal het
overheidspersoneel in zijn geheel onder de verplichte verzekering op grond van
de ZW vallen. Artikel 6a
van de ZW
en de daarop berustende lagere
regelingen dienen dan te vervallen. Hierin wordt voorzien door
onderdeel A.
De in de voorgestelde
artikelen 90 en 91 van de ZW opgenomen voorhangprocedure heeft
daarna uitsluitend nog betrekking op de algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in het voorgestelde artikel 60a
van de ZW. Onderdeel B voorziet in de daarvoor noodzakelijke aanpassing van de bedoelde
artikelen.
Artikel 49, onderdeel A.
[Zie
art. 50, onderdeel A, OOW,
red.]
De
Wamil blijft van
toepassing op dienstplichtige militairen. De uitzondering op het begrip dienstbetrekking voor deze groep in
artikel 6,
onderdeel b, van de WAO blijft dan ook gehandhaafd. Eveneens gehandhaafd blijft de in dat
onderdeel opgenomen uitzondering ten aanzien van de vrijwilligers die
werkzaamheden verrichten voor de gemeentelijke brandweer of de politie
of in het kader van de landsverdediging.
Artikel 49, onderdeel
D. [Zie
art. 50, onderdeel C, OOW,
red.]
Op grond van
artikel 62,
eerste lid, van de WAO kan een loonkostensubsidie worden toegekend aan een
werkgever die een privaatrechtelijke dienstbetrekking aangaat
met een persoon die door het Lisv of het FAOP rblz.|75|
is bemiddeld. Dit artikel
dient thans uiteraard ook toepassing te kunnen vinden op een werkgever
die een publiekrechtelijke dienstbetrekking aangaat. In verband
hiermee wordt het woord "privaatrechtelijke" in artikel
62, eerste lid,
van de WAO geschrapt.
Verder is
artikel 62,
eerste lid, van de WAO aangepast in verband met de in
het onderhavige
wetsvoorstel voorgestelde opheffing van het FAOP.
Artikel 50. [Zie
art. 51 OOW, red.]
Met ingang van de datum
van fase 1 van deze wet (1 januari 1998) wordt de WAO
door middel
van het onderhavige wetsvoorstel opengesteld voor het volledige overheidspersoneel en bepaalde categorieën
gewezen
overheidspersoneel. In artikel 7 WAO is de verplichte verzekering op grond van de WAO
geregeld met betrekking tot werkloze werknemers. Onderdeel a van die
bepaling betreft de personen die recht hebben op een WW-uitkering op grond van
de verplichte verzekering WW. Vanwege het voorstel om de invoering
van de WW te verschuiven naar het tijdstip van aanvang van fase 2 van
deze wet voor nieuwe gevallen van werkloosheid en naar het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet voor lopende wachtgelden, is artikel
7, onderdeel a, WAO per het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet
(1 januari 1998) voor het overheidspersoneel niet aan de orde. Tot het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet (op zijn vroegst 1 januari 2000)
blijft sprake van wachtgelden in plaats van WW-uitkeringen. Dit
betekent dat artikel 7, onderdeel d, betreffende de
WAO-verzekering van
overheidswerknemers die in het genot zijn van een wachtgeld, tot het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet gehandhaafd zal moeten blijven.
Gelet
op de beoogde fasering van de invoering van de WW zal de met
ingang van het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet van kracht
wordende, nog te treffen ministeriële regeling op basis van artikel
7,
onderdeel d, WAO op het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet alsook op
het tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet telkens moeten worden
aangepast. Per saldo zal vanwege de geleidelijke overgang naar de WW
tevens sprake zijn van een geleidelijke overgang van doelgroep van
volledig op basis van artikel 7, onderdeel d, WAO
(fase 1 van deze wet) naar
deels op basis van artikel 7, onderdeel a, WAO
en deels op basis van
artikel 7, onderdeel d, WAO (fase 2 van deze wet) naar volledig op basis van
artikel 7, onderdeel a, WAO (fase 3 van deze wet).
Artikel 7, onderdeel d,
van de WAO kan met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van
deze wet vervallen, omdat de WW op die datum ook op het volledige overheidspersoneel van toepassing wordt. Alsdan
zullen werkloze overheidswerknemers die recht hebben op een WW-uitkering op grond van
de verplichte verzekering WW eveneens verplicht verzekerd zijn
op grond van de WAO op basis van artikel 7, onderdeel a, van de WAO.
Onderdeel A van deze bepaling voorziet in het vervallen van het oude
onderdeel d van artikel 7 van de WAO. In het tot onderdeel d
verletterde
onderdeel e kan voorts de verwijzing naar onderdeel d (oud) vervallen. De verwijzing naar de
Wet
Werkloosheidsvoorziening dient overigens gehandhaafd te worden zolang
die wet nog bestaat.
De overige onderdelen van
deze bepaling betreffen de aanpassing van enkele overige artikelen
van de WAO aan het vervallen van artikel 7, onderdeel d (oud), van
die wet.
Artikel 51, onderdeel B.
[Zie
art. 52, onderdeel A, OOW, red.]
In
het algemeen deel van
deze toelichting is reeds uiteengezet dat de openstelling van de WW
voor het overheidspersoneel niet op één moment zal plaats vinden,
maar gefaseerd. Volgens voornemen zal de WW met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet (op
zijn
rblz.|76|
vroegst
per 1
januari 1999) worden opengesteld voor het overheidspersoneel. Dat is het
overheidspersoneel inclusief de WAO-gerechtigde overheidswerknemers en
WAO-gerechtigde gewezen overheidswerknemers. Dit laatste betekent dat
de WW niet eerder dan met ingang van het tijdstip van
aanvang van fase 2 van deze wet wordt opengesteld voor overheidswerknemers
die een uitkering ontvangen op grond van de verplichte verzekering
van de WAO.
Daarnaast wordt de WW op
het tijdstip van aanvang van fase 2 van deze wet nog niet opengesteld
voor de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers die
op de dag voorafgaande aan de datum van fase 2 van deze wet (uitgaande
van 1 januari 1999 als tijdstip van aanvang van fase 2 betreft het hier
dan 31 december 1998) recht hebben op een wachtgeld. Deze groep van
lopende wachtgelders wordt, voor zover niet in de loop van het jaar
waarin fase 2 van deze wet aanvangt sprake is van beëindiging van de
uitkeringsduur, met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 3 van
deze wet (op zijn vroegst met ingang van 1 januari 2000) onder de WW
gebracht.
Op dit moment is niet te
voorzien of het vorenomschreven scenario volledig kan worden
gerealiseerd. Op een later moment zou namelijk sprake kunnen zijn van nieuwe ontwikkelingen of nieuwe inzichten die
ertoe zouden kunnen
leiden dat het oorspronkelijk voorgenomen en in dit
wetsvoorstel opgenomen
invoeringstraject ten aanzien van de WW moet worden herzien. Het bij
dit wetsvoorstel rechtstreeks in de WW opnemen van dat invoeringstraject
leidt dan ook tot inflexibiliteit. Een dergelijke aanpak zou er immers toe
kunnen leiden dat de wettekst moet worden gewijzigd in geval van een
heroverweging van het invoeringstraject. Vandaar dat het kabinet voorstelt om het tempo van de openstelling van
de WW niet rechtstreeks
in de WW maar bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op
basis van de WW te regelen. Als grondslag voor die lagere regeling kan
gebruik worden gemaakt van het voorgestelde nieuwe artikel 7 van de WW.
Dit voorstel houdt in dat
artikel 7 van de WW gehandhaafd kan blijven. Dit tot het tijdstip van
aanvang van fase 3 van deze wet, het tijdstip waarop het overheidspersoneel volledig onder de werking van de WW zal
zijn gebracht. Het tot dat tijdstip handhaven van artikel 7 van de WW
betekent dat de in de
artikelen 125 en 126 van de WW opgenomen procedure inzake de
betrokkenheid van de beide kamers der Staten-Generaal bij de
totstandkoming van de op artikel 7 van die wet gebaseerde algemene
maatregel van bestuur eveneens gehandhaafd kan blijven tot het genoemde
tijdstip. Met het oog op de noodzakelijke flexibiliteit wordt
voorgesteld enkele wijzigingen ten opzichte van de bestaande tekst van dit
artikel aan te brengen. Die wijzigingen houden in hoofdzaak in dat de
mogelijkheid wordt geboden deze materie in een ministeriële regeling te
regelen. Bovendien is het noodzakelijk dat het tijdstip met betrekking
tot de toepassing van de WW desgewenst verschillend kan worden vastgesteld voor verschillende groepen van
overheidswerknemers.
Voorts is de redactie van artikel 7 van de WW aangepast aan de
invoering van de WAO.
Artikel 51, onderdeel C.
[Zie
art. 52, onderdeel B, OOW, red.]
Deze bepaling dient te
worden aangepast in verband met de invoering van de WAO
voor het
overheidspersoneel.
In artikel 17b, eerste
lid, van de WW komt nog een verwijzing voor naar artikel 58, eerste en
derde lid, van de AAW. Die verwijzing wordt in verband met de voorgenomen intrekking van de
AAW
als onderdeel van
Pemba aangepast bij de voorgenomen Aanpassingswet
Pemba [Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.]. Zodra het voorstel van
Aanpassingswet Pemba bij de Tweede Kamer is ingediend, rblz.|77|
zal
dit onderdeel van
het
voorliggende wetsvoorstel, bij nota van wijziging dan wel bij het voorstel
van Aanpassingswet Pemba, worden aangepast.
Artikel 52. [Zie
art. 53 OOW, red.]
Ter zake van het
voorgestelde nieuwe artikel 97a van de WW
kan het volgende worden
opgemerkt.
Indien de regering na
afronding van de studie naar premiedifferentiatie naar aanleiding van de
nota Werken aan zekerheid (WAZ) zou besluiten om de WW
in te voeren
voor de overheidssector, betekent de in dit
voorstel opgenomen
fasering van de invoering van de WW met betrekking tot de op 31
december 1998 bestaande wachtgelden dat er twee momenten zouden zijn
waarop sprake zou zijn van invoering van het uniforme financieringsregime van de WW. Te weten per de datum van
fase 2 voor de zogenoemde
nieuwe gevallen en per de datum van fase 3 voor de zogenoemde oude gevallen. Het verdient echter de voorkeur om
het uniforme
financieringsregime WW op één moment in te voeren. Alsdan kan worden
voorkomen dat kort na elkaar tweemaal een invoeringstraject ter
zake moet worden doorlopen met de daaraan gekoppelde budgettaire en
uitvoeringstechnische maatregelen. De regering stelt dan ook
voor om het uniforme financieringsregime WW op één tijdstip in te
voeren voor alle overheidswerknemers, inclusief de zogenoemde oude gevallen.
Aangezien die oude
gevallen volgens planning één jaar na de nieuwe gevallen onder de WW
worden gebracht, dient te kunnen worden bepaald dat een vast te stellen
deel van de lasten ter zake van de oude wachtgelden, vooruitlopende op de
toepassing van de WW, reeds ten laste van de WW-fondsen kan worden
gebracht. Het voorgestelde eerste lid van artikel 97a
van de WW
voorziet in die mogelijkheid.
Ook ingeval het tijdstip
van invoering van de WW voor de verschillende sectoren van de overheid
verschillend zou moeten worden vastgesteld in verband met de uitvoeringstechnische mogelijkheden, kan met toepassing
van artikel 97a, eerste
lid, van de WW toch worden bereikt dat op één tijdstip het uniforme
financieringsregime WW kan worden ingevoerd.
Ingevolge het tweede lid
kunnen bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur regels en nadere regels worden gesteld met het
oog op het toepassen van
de WW-financiering ten aanzien van bovengenoemde oude gevallen. Dit
betreft onder meer de interpretatie van begrippen uit de WW en de
vertaling daarvan tegen de achtergrond van de oude wachtgelden.
In het derde lid is
bepaald dat, als die regels worden gesteld, die regels in ieder geval betreffen
de wijze waarop het deel van de uitgaven dat betrekking heeft op de wachtgelden van de lopende
gevallen wordt
vastgesteld alsmede de
vaststelling van de hoogte en de verplichting tot betaling van de premie
die noodzakelijk is voor de financiering van dat deel van die uitgaven.
Artikel 53. [Zie
art. 54 OOW, red.]
Met ingang van het
tijdstip van aanvang van fase 3 van deze wet zal het overheidspersoneel in
zijn geheel onder de verplichte verzekering op grond van de WW
vallen.
Artikel 7 van de WW en de daarop berustende lagere regelingen kunnen vanaf dat tijdstip dan ook vervallen. Verder
kunnen de verwijzingen
naar artikel 7 van de WW in enkele andere bepalingen van
die wet
vervallen.
De in de artikelen 125 en
126 van de WW opgenomen voorhangprocedure heeft na het vervallen
van artikel 7 geen functie meer, zodat deze artikelen
kunnen vervallen.
rblz.|78|
Artikel 54. [Zie
art. 55 OOW, red.]
Bij de
Aanpassingswet
privatisering ABP is een redactionele aanpassing van artikel 10 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) in verband met de
intrekking van de Abp-wet aangebracht. Bij nader inzien is daarbij een
verkeerde verwijzing opgenomen. In plaats van artikel A 1, onderdeel d, van de
Abp-wet had moeten worden verwezen naar artikel A 1, onderdeel c,
van die wet. De onderhavige bepaling strekt tot het herstellen van deze
onjuiste verwijzing.
Artikel 55. [Zie
art. 56 OOW, red.]
Artikel
10, eerste en
tweede lid, van de IWS en de daarop gebaseerde algemene maatregel van
bestuur voorzien in een minimumaanspraak bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de
Abp-wet. Dat is na de
toepassing van de WW op de betrokken groepen niet meer nodig.
Artikel 10, derde lid, van de IWS regelt (door middel van voornoemde algemene
maatregel van bestuur) het overgangsrecht per 1 januari 1987 voor deze
minimumaanspraak bij werkloosheid. Gezien het feit dat het
overgangsrecht in paragraaf 4 van hoofdstuk 1 ook van toepassing is op de
personen waarop artikel 10 van de IWS op de dag vóór de datum van fase
3 van deze wet (1 januari 2000) van toepassing is, kan ook de overgangsregeling op basis van
artikel 10, derde lid, van de
IWS vervallen vanaf die datum. Ingevolge hoofdstuk 1, paragraaf
4, van
onderhavig wetsvoorstel
wordt de uitkering op grond van artikel 10 van de IWS omgezet in een
WW-uitkering.
Artikel 56. [Zie
art. 57 OOW, red.]
Aangezien het
overheidspersoneel ingevolge deze wet verzekerd zal zijn voor de werknemersverzekeringen, komt het bij arbeidsongeschiktheid in
aanmerking voor een WAO-uitkering en bij werkloosheid voor een
WW-uitkering. Via de
uitkering op grond van de WW heeft de betrokkene toegang tot de bijzondere
bepalingen in artikel 2 van de Ioaw met betrekking tot
overheidspersoneel. Het derde, het vierde en het vijfde lid kunnen dan ook komen te
vervallen, zonder dat het overheidspersoneel daarmee buiten het bereik
van de Ioaw komt. Het met die leden beoogde resultaat wordt materieel
bereikt door artikel 34 van dit wetsvoorstel.
Artikel 57. [Zie
art. 58 OOW, red.]
Met betrekking tot
onderdeel A [zie artikel 58, onderdeel A, OOW, red.]
wordt het volgende opgemerkt.
Aangezien het
overheidspersoneel ingevolge deze wet verzekerd zal zijn voor de werknemersverzekeringen, komt het bij arbeidsongeschiktheid
voor een WAO-uitkering in
aanmerking en behoort op grond daarvan tot de doelgroep van de Wet
arbeid gehandicapte werknemers (Wagw). Het vervallen van de
categorie werknemers aan wie een WAO-conforme uitkering of een pensioen
ter zake van arbeidsongeschiktheid krachtens de Amp-wet is toegekend uit
de doelgroep van de Wagw (artikel 1, onderdeel b, onder 2º, van die wet)
heeft derhalve geen consequentie voor het van toepassing zijn van de Wagw op overheidspersoneel. Ook komt dit personeel (indien nodig)
in aanmerking voor voorzieningen op grond van de artikelen
65, 65a en
65b van de WAO.
Met de onderdelen B tot
en met F [zie artikel 58, onderdeel B-F, OOW, red.]
worden de overige artikelen in de Wagw in overeenstemming
gebracht met onderdeel A [zie artikel 58, onderdeel
A, OOW, red.].
In onderdeel F
[zie artikel 58, onderdeel F, OOW, red.]
is verder
een aanpassing van artikel 16 van de Wagw opgenomen in verband met
de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde opheffing van het FAOP.
rblz.|79|
Artikel 58. [Zie
art. 59 OOW, red.]
Artikel 10 van de
Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) dient te worden aangepast in
verband met de in het kader van het onderhavige voorstel voorgenomen
opheffing van het FAOP in verband met de invoering van de WAO
met
ingang van het tijdstip van fase 1 (1 januari 1998).
Artikel 59. [Zie
art. 60 OOW, red.]
De overheidswerknemers in
de sectoren Provincies, Politie en op een enkele uitzondering na in
de sectoren Gemeenten en Waterschappen zijn verzekerd ingevolge één
van de volgende publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen: het Instituut
Zorgverzekering Ambtenaren Nederland, de Interprovinciale ziektekostenregeling 1988 of het
Besluit
geneeskundige verzorging politie 1994.
Een kenmerk van deze regelingen is dat de betreffende werkgever
verplicht is een werkgeversdeel van de premie voor die regelingen te
betalen.
Zonder nadere aanpassing
in artikel 6, eerste lid, onderdeel r, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering zou er onduidelijkheid kunnen bestaan of de werkgeversbijdrage
ter zake van genoemde publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen
tot het premieloon dient te worden gerekend. Dit terwijl de
werkgeversbijdrage ter zake van de particuliere ziektekostenverzekeringen
daartoe uitdrukkelijk
niet wordt gerekend. Ter bevordering van de duidelijkheid op
dit punt wordt voorgesteld genoemde publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen
expliciet op te nemen in artikel 6, eerste lid, onderdeel r,
en aldus te bereiken dat de betreffende werkgeversbijdragen buiten het loonbegrip van
de CSV worden gehouden.
Artikel 60. [Zie
art. 61 OOW, red.]
De
WAO-conforme regeling
komt met ingang van de datum van inwerkingtreding van fase
1 van deze wet (1 januari 1998) te vervallen, zodat ook het toezicht op
de uitvoering daarvan, opgenomen in paragraaf 6 van hoofdstuk 4 van de Osv
1997, vanaf dat moment niet langer noodzakelijk is. Dit
onderdeel voorziet in het vervallen van die paragraaf.
Artikel 61. [Zie
art. 62 OOW, red.]
In
artikel XV, zevende
lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim is geregeld dat overheidspersoneel bij
zwangerschaps- en bevallingsverlof
volledig in het genot van de bezoldiging, dan wel van hetgeen daarmee overeenkomt, blijft. Deze
bepaling is niet langer nodig nu met ingang van de datum van
inwerkingtreding van fase 2 van deze wet (1 januari
1999) ook artikel 29a van de
ZW op overheidspersoneel van toepassing wordt dat het ziekengeld bij
zwangerschaps- en bevallingsverlof regelt.
Artikel 62. [Zie
art. 63 OOW, red.]
De
in dit artikel
genoemde artikelen van de Wet
TBA zijn de overgangsbepalingen van die wet betreffende
invaliditeitspensioenen c.a. uit hoofde van de Abp-wet en de Amp-wet. Met de
inwerkingtreding van fase 1 van deze wet worden de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van die wetten omgezet in
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WAO. Ingevolge de
artikelen 19 en 27 van dit wetsvoorstel worden de personen die thans onder
deze artikelen vallen onder de overeenkomstige overgangsbepalingen Wet TBA
betreffende de oude WAO-gevallen gebracht. Genoemde
overgangsbepalingen kunnen dan ook komen te vervallen.
rblz.|80|
Artikel 63. [Zie
art. 64 OOW, red.]
De in de
Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA) neergelegde maatregelen worden
met dit artikel ook
opengesteld voor het overheidspersoneel. Dit met ingang van de datum van
inwerkingtreding van fase 1 van deze wet (1 januari 1998).
Anders dan voor de andere
regelingen is de omzetting van oude rechten voor wat betreft
de WBIA
niet geregeld in hoofdstuk 1 van de voorgestelde OOW,
maar in het onderhavige artikel. Enerzijds vloeit dit voort uit het feit
dat voor het burgerlijk overheidspersoneel thans nog geen wettelijke regeling
bestaat overeenkomende met de WBIA. Een dergelijke regeling is
wel neergelegd in artikel 8.9 van het pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP (SPABP). Anderzijds zou een dergelijke scheiding
tussen openstelling van de regeling voor nieuwe gevallen en omzetting van
oude rechten wetstechnisch erg lastig zijn, gelet op het feit dat in
de WBIA thans wel een regeling is opgenomen voor de arbeidsongeschikte overheidswerknemer die werk heeft gevonden in
de marktsector en
vervolgens zijn invaliditeitspensioen geheel of gedeeltelijk verliest bij
een herbeoordeling.
Gelet op het feit dat
overheidswerknemers na de inwerkingtreding van fase 2 dan wel, in geval
van oude gevallen van wachtgeld, fase 3 van deze wet als werknemer in de
zin van de WW zullen worden aangemerkt, kan het vereiste van een
dergelijk werknemerschap in het tweede lid van artikel 2 van de WBIA
vervallen. Aangezien de artikelen XX tot en met XXVII van de Wet
TBA worden
geschrapt (zie artikel 42 [44]), dient in het tweede lid van
artikel 2 van de WBIA
verwezen te worden naar de Wet
TBA zoals deze luidde vóór de
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel.
Door de introductie van
de - aangepaste - term arbeidsongeschiktheidsuitkering in artikel
2, tweede lid,
onderdeel a, van de WBIA wordt zowel het verlies of de verlaging van een
WAO-conforme uitkering of pensioen op
grond van de Amp-wet als
van een WAO-uitkering als criterium in dat lid opgenomen. Daarmee regelt
dit lid de openstelling van de WBIA voor gevallen die zich vóór
en die zich na de toepassing van de WAO op het overheidspersoneel
voordoen.
Het vorenstaande geldt
mutatis mutandis voor het derde lid waar ook de situatie van het
verlies of de verlaging van een invaliditeitspensioen op grond van de Abp-wet is
geregeld. Dit omdat het derde lid ziet op situaties die zich vanaf 1 augustus
1993 kunnen voordoen. Eerst vanaf 1 januari 1996 zijn dergelijke
pensioenen omgezet in WAO-conforme uitkeringen.
Overigens ontstaat geen
recht op WBIA-uitkering ter zake van een verlaging of verlies van
herplaatsingswachtgeld of herplaatsingstoelage. Weliswaar kunnen
dergelijke uitkeringen alleen worden verstrekt aan arbeidsongeschikten en
kunnen zij deswege een voorloper zijn van een invaliditeitspensioen, de
hoogte van het herplaatsingswachtgeld houdt echter geen verband met
de mate van arbeidsongeschiktheid en de herplaatsingstoelage is
niet vergelijkbaar met een WAO-uitkering. De herplaatsingstoelage
behelst een aanvulling op het salaris van een arbeidsongeschikte
overheidswerknemer die voor zijn volledige restcapaciteit aan het werk
gaat, om diens salaris en
arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan te vullen tot het oude salaris.
De wijzigingen in de
artikelen 1 en 9 van de WBIA
hangen samen met die van artikel 2 van de WBIA.
Ten aanzien van
overheidswerknemers die vóór de datum van inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel voldeden aan het thans voorgestelde tweede of
derde lid van artikel 2 van de WBIA ontstaat recht op
WBIA-uitkering op de
datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. rblz.|81|
Dit uiteraard voor zover
op die datum wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor het
recht op WBIA-uitkering.
Artikel 64 en
65. [Zie
artt. 66 en 67 OOW,
red.]
Deze artikelen betreffen
de aanpassing van Pemba en de Invoeringswet in verband met de datum
van inwerkingtreding van fase 1 van deze wet (1 januari 1998).
Er kunnen zich op die
datum in theorie de volgende drie situaties voordoen:
- situatie 1: OOW treedt eerder in werking dan
Pemba;
- situatie 2: Pemba
treedt eerder in werking dan OOW;
- situatie 3: Pemba en
OOW treden op hetzelfde moment in werking.
Situatie 3 wordt door het
kabinet beoogd. In geval van situatie 1 of situatie 2 is sprake van
omstandigheden die aanleiding geven tot aparte invoeringsdata voor beide
trajecten.
Situatie 1 dient te
leiden tot een wijziging van de op dat moment nog niet in werking getreden
Pemba bij OOW. De omschrijving van de oude gevallen van arbeidsongeschiktheid in
artikel II van
de Pemba dient te
worden aangepast
aangezien het vanaf de invoering van OOW niet meer gaat om oude WAO-conforme
of oude Amp-wet-gevallen, maar om WAO-uitkeringen. Vanwege
de stand van de parlementaire behandeling van Pemba is het niet
waarschijnlijk dat situatie 1 zich zal voordoen. Het ligt dan ook niet voor de
hand om in OOW van deze situatie uit te gaan.
Situatie 2 is vanuit
Pemba gezien thans reeds in Pemba geregeld. Een aanpassing van Pemba is
niet noodzakelijk totdat OOW in werking treedt. Tot de datum van inwerkingtreding van fase 1 van dit wetsvoorstel
behoeven de artikelen II
tot en met VII van de Pemba dan ook niet te worden gewijzigd. Op het moment
dat de oude uitkeringen ingevolge OOW omgezet worden in
uitkeringen op grond van de WAO, dient echter ook in deze situatie de
omschrijving van de ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
komende oude gevallen daaraan te worden aangepast. De betreffende
wijziging van artikel II van de Pemba
dient in OOW te worden opgenomen en
gaat in op de datum van inwerkingtreding van fase 1 van deze wet (1
januari 1998). Met ingang van die datum dienen verder de artikelen III
tot en met VI van de Pemba
te vervallen en dient artikel VII van de Pemba
te worden
aangepast in verband met het vervallen van de WAO-conforme regeling en
de beperking van de Amp-wet tot de bovenwettelijke
aanspraken.
Ook in situatie 3 dient
een aangepaste omschrijving van de oude gevallen in het kader van Pemba
te worden opgenomen in artikel II van die wet. Evenals in
situatie 1 betreft dit een aanpassing die tegelijk met de inwerkingtreding van
Pemba ingaat. Wat de artikelen III tot en met VII van de Pemba
betreft, zijn
overeenkomstige aanpassingen als beschreven bij situatie 2 ook nodig in
geval van situatie 3.
In alle drie genoemde
situaties is dus een aanpassing van de artikelen II tot en met VII van
de Pemba
noodzakelijk. De aanpassing van artikel II van de Pemba
is opgenomen in het
voorgestelde artikel 64, onderdeel A [zie artikel
66, onderdeel A, OOW, red.]. Dit betreft zoals gezegd de
aanpassing van de omschrijving van de oude gevallen van
arbeidsongeschiktheid binnen de overheid die met ingang van de datum van
inwerkingtreding van Pemba
voor rekening van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
komen.
Bij de voorgestelde
nieuwe redactie van dat artikel II wordt nog het volgende opgemerkt. In de
marktsector geldt als een oud geval WAO voor rblz.|82|
de toepassing van Pemba
de op 31 december 1997 bestaande WAO-uitkering. Indien dat
criterium zou worden toegepast op de overheid, zou het
volgende probleem optreden. De uitkeringen, verstrekkingen en voorzieningen op grond
van de WAO van op 31 december 1997 bestaande gevallen binnen
de overheid worden ingevolge OOW per 1 januari 1998 toegekend.
Ingevolge Pemba zouden deze WAO-uitkeringen aangemerkt worden als
nieuwe gevallen WAO. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Voorgesteld wordt dan ook de kwalificatie van oud geval
WAO bij de overheid te koppelen aan de op 31 december 1997 bestaande situatie en niet aan het
feit dat de WAO-uitkering per de datum van fase 1 van deze wet (1 januari
1998) toegekend wordt. Eén en ander wordt ingevuld door middel van
het voorgestelde nieuwe artikel II van de Pemba.
Ter toelichting op
artikel 64, onderdeel B, van het onderhavige wetsvoorstel
[zie artikel 66, onderdeel B, OOW, red.] wordt het volgende opgemerkt. De
artikelen III tot en met VI
van de Pemba
betreffende de zogenaamde nieuwe gevallen van arbeidsongeschiktheid
bij de overheid kunnen vervallen. Die bepalingen betreffen de financiering van de
zogenaamde nieuwe gevallen van de WAO-conforme regeling en
de Amp-wet. In verband met de invoering van de WAO bij het
onderhavige wetsvoorstel zullen die nieuwe gevallen in ieder geval niet meer
optreden. Er zal sprake zijn van het ontstaan van nieuwe gevallen rechtstreeks op grond van de WAO. De lasten van die
nieuwe gevallen komen op grond van artikel 76f
van de WAO
voor rekening van de
Arbeidsongeschiktheidskas. Dit geldt ook voor de lasten in verband met
reïntegratiemaatregelen.
In artikel
64, onderdeel C, van het onderhavige wetsvoorstel
[zie artikel 66, onderdeel C, OOW, red.] is het volgende opgenomen.
Artikel VII van de Pemba
dient te worden aangepast in verband met het op grond
van artikel 66, onderdeel B, van het onderhavige wetsvoorstel
[zie artikel 68, onderdeel B, OOW, red.]
vervallen
van artikel 21a van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP. (Artikel VII van de Pemba
bevat op dit punt overigens een onjuiste
verwijzing: verwezen wordt naar artikel 21a van de Wet
privatisering ABP,
maar de correcte verwijzing is artikel 21a van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP). Voorts dient de verwijzing in die
bepaling naar de pensioenen op grond van de Amp-wet te vervallen in verband
met de invoering van de WAO voor het militair personeel; de pensioenen
op grond van de Amp-wet vormen daarna immers het
bovenwettelijke deel en dat deel valt niet onder de toepassing van de Pemba.
Met betrekking tot het
voorgestelde artikel 65, onderdeel A [zie artikel
67, onderdeel A, OOW, red.], wordt het volgende opgemerkt.
Artikel VIII, tweede tot en met vijfde lid, van de Invoeringswet
betreft de
vermogensoverdracht van het FAOP aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds
in het kader van Pemba. Deze vermogensoverdracht was in dat verband
beperkt tot de oude gevallen. In het kader van OOW
dient ook een
vermogensoverdracht van het FAOP naar de Arbeidsongeschiktheidskas
plaats te vinden in verband met de nieuwe gevallen. Deze beide
vermogensoverdrachten worden geregeld door artikel 43 [44] van
het onderhavige wetsvoorstel. Artikel VIII, tweede tot en met
vijfde lid, van de Invoeringswet
is daarmee enerzijds overbodig en anderzijds onvolledig.
Voorgesteld wordt derhalve die bepaling te laten vervallen.
Ter zake van onderdeel B
van het voorgestelde artikel 65 [zie artikel 67, onderdeel
B, OOW, red.] wordt nog het volgende opgemerkt. De
daarin genoemde bepalingen van de Invoeringswet
zijn
overbodig geworden in verband met dan wel achterhaald door de invoering van de
WAO in het kader van de onderhavige
wet. De genoemde
bepalingen van de Invoeringswet dienen dan ook te vervallen.
rblz.|83|
Met betrekking
tot
artikel XLVII van de Invoeringswet wordt opgemerkt dat in de
artikelen 20,
eerste lid, en 28, eerste lid, van dit
wetsvoorstel het overgangsrecht is
opgenomen met betrekking tot de op 31 december 1997 met overeenkomstige toepassing van de artikelen
65, 65a en
65b lopende
voorzieningen, toelagen
en vergoedingen. Die worden namelijk omgezet in voorzieningen,
toelagen en vergoedingen rechtstreeks op grond van de artikelen
65, 65a en
65b van de WAO. Artikel XLVII van de Invoeringswet
omvat een vergelijkbare
overgangsbepaling en die is overbodig naast de genoemde bepalingen van dit
wetsvoorstel. Vandaar dat voorgesteld wordt artikel XLVII van
de Invoeringswet te laten vervallen.
Verder wordt ten aanzien
van het artikel XLVIIa van de Invoeringswet
het volgende voorgesteld.
In die bepaling is opgenomen dat de verhoging van de WAO-conforme uitkering
tot AAW-niveau (voor zover het
WAO-conforme niveau
beneden dat AAW-niveau ligt) ook na de datum van inwerkingtreding van Pemba
gehandhaafd blijft. Die verhoging tot AAW-niveau wordt alsdan
aangemerkt als WAO-conforme uitkering. Het spreekt voor zich dat de
met die bepaling beoogde situatie van ophoging van de WAO-conforme
uitkering ook toegepast dient te worden ingeval op de datum van inwerkingtreding van Pemba tevens de omzetting naar
WAO-uitkeringen plaatsvindt. Daartoe is in het onderhavige wetsvoorstel
artikel 18 opgenomen, dat
materieel een met artikel XLVIIa van de
Invoeringswet
vergelijkbare situatie, uitgaande van invoering van de WAO, beoogt te scheppen.
Vergelijk de toelichting op het voorgestelde artikel 18 van dit
wetsvoorstel.
Hoofdstuk 3
Artikel 66.
[Zie
art. 68 OOW,
red.]
In de
Wet
FVP/ABP zijn
bepalingen opgenomen betreffende het FAOP als zelfstandige rechtspersoon alsmede betreffende de financiering van de
uitgaven van het FAOP. Deze bepalingen dienen, gezien de opheffing van het FAOP en het daarvoor
in de plaats treden van het Lisv, te vervallen. Daartoe strekken de
artikelen 66 tot en met 68 [68-70].
Artikelen 67 en
68. [Zie
artt. 69 en 70 OOW,
red.]
De voorgestelde artikelen
67 [69] en 68 [70] betreffen de wijzigingen in de paragraaf inhoudingen van
de Wet
FVP/ABP in verband met de invoering van de WW. Het is de bedoeling dat de regeling van de inhouding ter zake
van werkloosheid
opgenomen wordt in de regelgeving op basis van het voorgestelde artikel
97a van de WW (vergelijk artikel 52 [53] van
dit wetsvoorstel). Gelet op de fasering
waarbij vanaf fase 2 de overheidswerknemers uitgezonderd de lopende
gevallen van wachtgeld onder de WW worden gebracht en eerst vanaf
fase 3 de lopende gevallen van wachtgeld onder de WW worden gebracht,
zal sprake moeten zijn van een gefaseerde overgang van regeling van
de inhouding in de Wet FVP/ABP naar regeling van de inhouding in de vorenbedoelde regelgeving op basis van het
nieuwe artikel 97a van de WW. In concreto houdt dit in dat de doelgroep van paragraaf 5 van de
Wet
FVP/ABP vanaf fase 2 beperkt dient te worden tot de vorenbedoelde oude
wachtgelders. Voor de overige overheidswerknemers zal de inhouding ter zake
van werkloosheid opgenomen zijn in de regelgeving op
basis van het nieuwe artikel 97a van de WW. Vanaf fase 3 zal die inhouding
voor alle overheidswerknemers opgenomen zijn in de regelgeving op basis van het nieuwe
artikel
97a van de WW. Alsdan
kan de paragraaf 5 van de Wet
FVP/ABP met ingang van fase 3 komen te vervallen.
rblz.|84|
Artikel 69. [Zie
art. 71 OOW, red.]
In de
WPA zijn de
aanspraken ter zake van arbeidsongeschiktheid opgenomen van het burgerlijk overheidspersoneel dat ambtenaar is in de
zin van die wet. Deze aanspraken worden, zoals eerder gesteld, omgezet in het kader van de
OOW-operatie. De bepalingen in de WPA ter zake van de WAO-conforme uitkering
en de uitvoering daarvan, met inbegrip van verwijzingen naar het
FAOP en de Stichting USZO, kunnen dan ook vervallen. Dit is
opgenomen in dit artikel.
Artikel 70. [Zie
art. 72 OOW, red.]
Door aanvulling van de
bijlage bij de Beroepswet staat hoger beroep open bij de
Centrale Raad
van Beroep. De Raad is daarvoor het meest aangewezen, aangezien het
in onderhavige wet rechten betreft ingevolge socialezekerheidsregelingen. De invoeging als nummer 20b, in plaats van toevoeging aan het einde
van de reeks in het onderdeel C, heeft rechtsgevolgen voor de werking van de
uitspraken in eerste aanleg en het griffierecht. Op grond
van artikel 19 van de Beroepswet wordt de werking van een uitspraak in
eerste aanleg met betrekking tot een besluit, genomen op grond van een
wettelijk voorschrift dat is opgenomen in onderdeel C, onder 1 tot
en met 24, van de bijlage bij de Beroepswet, opgeschort totdat
de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien
hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist. Ingevolge
artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht en
artikel 22 van de
Beroepswet bedraagt het griffierecht in eerste aanleg door deze aanvulling
ƒ50,- en in hoger beroep ƒ150,-.
Artikel 71, algemeen. [Zie
art. 73 OOW, red.]
In het
algemeen gedeelte
van deze toelichting is al aangegeven dat bij het van toepassing worden
van de WAO op het militair personeel de Amp-wet zal worden aangepast. Het onderhavige artikel strekt daartoe. De
betreffende bepalingen
van de Amp-wet die betrekking hebben op het pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid voor de beroepsmilitair worden zodanig aangepast
dat bedoeld pensioen wordt omgezet in een op de WAO-uitkering "bovenwettelijk" aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen.
Er is qua inhoud dezelfde systematiek gevolgd als voor het
burgerlijk overheidspersoneel. Alleen de vormgeving wijkt af. Het recht op
een aanvullend invaliditeitspensioen voor het burgerlijk
overheidspersoneel is neergelegd in het pensioenreglement van de Stichting
Pensioenfonds ABP. De Abp-wet is in verband met de privatisering ingetrokken. Dit geldt
niet voor de Amp-wet. De Amp-wet voor het militair personeel blijft
voorshands gehandhaafd. Om die reden wordt met dit
wetsvoorstel tevens de
door het van toepassing worden van de WAO noodzakelijke
aanpassingen in de Amp-wet aangebracht.
Met betrekking tot de
Wamil wordt het volgende opgemerkt. De Wamil moet niet worden gezien
als een socialeverzekeringswet. Het betreft een door de overheid getroffen wettelijke voorziening met een eigen karakter
en een eigen financieringsregime voor dienstplichtigen die op het moment van
dienstverlating ziek dan wel arbeidsongeschikt zijn.
Kenmerkend voor de Wamil is dat die wet drie voorzieningen voor dienstplichtigen biedt.
Het betreft namelijk een ziekengeld overeenkomstig de ZW, een arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de
normen van de WAO en een collectieve reparatie van het zogenaamde
WAO-hiaat. De Wamil
voorziet dus niet alleen in de zogenaamde "wettelijke uitkeringen", maar ook in een
"bovenwettelijke" aanvulling (dat wil zeggen in een
aanvullende voorziening ter zake van arbeidsongeschiktheid die in het systeem van de
marktsector als bovenwettelijke rblz.|85|
voorziening zou worden
aangemerkt). Daarnaast geldt de door de dienstplichtige genoten
wedde niet als basis voor de uitkeringen ingevolge de Wamil. Er
zijn voor de dagloonvaststelling in het kader van de Wamil specifieke
dagloonregels vastgesteld. Voor de vaststelling van het dagloon in de zin van
de Wamil wordt uitgegaan van het loon dat de dienstplichtige vóór
zijn dienstplichttijd verdiende dan wel, indien hij voordien niet heeft
gewerkt, had kunnen verdienen, gezien zijn opleiding en ervaring. De
ziekengelduitkering ingevolge de Wamil gaat in op het moment dat de dienstplichtige de werkelijke dienst verlaat en dus niet op
het moment van de eerste daadwerkelijke ziektedag. De feitelijke uitvoering van de Wamil
is momenteel geconcentreerd bij één districtskantoor van het GAK.
De uitkeringslasten van
de Wamil komen voor rekening van de Defensiebegroting. De keuze voor die financieringswijze is gelegen in de
bijzondere
verantwoordelijkheid van de overheid voor de positie van de dienstplichtigen. Kortom,
de Wamil is een voorziening waarvan de basis weliswaar conform de ZW
en de WAO is, maar die tevens een aantal specifieke elementen
bevat met het oog op een goede aansluiting op de positie van de
dienstplichtige.
Vanwege de afschaffing
van de opkomstplicht is in figuurlijke zin sprake van een uitstervend
bestand van uitkeringsgerechtigde gewezen dienstplichtigen op grond van de
Wamil. Naar verwachting zullen zich
geen nieuwe gevallen op
grond van de Wamil meer voordoen. De reden om de lopende
Wamil-uitkeringen niet om te zetten naar uitkeringen op grond van de ZW of de WAO
is dat het kabinet kiest voor handhaving van het bestaande
financieringsregime van de Wamil. Zoals hiervoor is opgemerkt, houdt dat
financieringsregime in dat de Wamil-uitkeringen vanwege de bijzondere
verantwoordelijkheid van de overheid voor de dienstplichtigen voor rekening van de Defensiebegroting komen.
In het kader van de
besluitvorming rond de Pemba is om dezelfde redenen ook al besloten
geen wijziging aan te brengen in de financiering van de Wamil. De uitkeringslasten van de Wamil blijven ook na de
invoering van de Pemba voor rekening komen van de Defensiebegroting. Ter
zake wordt evenmin
premie afgedragen aan het fonds van de WAO. Voorgesteld wordt
die besluitvorming te handhaven in het kader van de voorgestelde OOW.
Gezien deze overwegingen
wordt voorgesteld de Wamil in stand te laten.
Behoudens de reparatie
van het zogenaamde WAO-hiaat, die in de Wamil zelf is neergelegd,
worden de bovenwettelijke aanspraken voor de dienstplichtigen in de Amp-wet neergelegd. Tevens wordt voor de
gewezen dienstplichtige
die in het genot is van een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen
een ouderdoms- en nabestaandenpensioen gecreëerd.
Bij deze wijziging wordt
tevens uitvoering gegeven aan een enkele jaren geleden genomen
kabinetsbesluit inzake een heroverweging van de zogenaamde militaire invaliditeitspensioenen (de invaliditeitsverhoging
voor de beroepsmilitairen
en de invaliditeitspensioenen voor de dienstplichtigen). Dit militaire
invaliditeitspensioen staat los van een eventuele arbeidsongeschiktheid van
de militair. Dit pensioen kan worden getypeerd als een soort smartegeld
voor de medische beperkingen die de militair tengevolge van een hem in en
door de uitoefening van de militaire dienst overkomen ongeval
ondervindt. De toegangscriteria tot dit pensioen worden bij dit
wetsvoorstel aangescherpt. Het invaliditeitspensioen wordt
nu gereserveerd voor ziekten of gebreken ontstaan in oorlogs- of vergelijkbare
omstandigheden, internationale vredesmissies en militaire oefeningen daaronder
begrepen. Het niveau van het invaliditeitspensioen wordt niet aangetast. De
huidige aanspraken op dat terrein blijven gehandhaafd. Wel vindt
een verrekening plaats met een eventueel rblz.|86|
onderliggende WAO-uitkering en het bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen.
Voor de zogenaamde
bedrijfsongevallen in vredestijd wordt een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen geïntroduceerd, zoals dat ook
voorkomt in de rechtspositie van burgerlijke overheidswerknemers.
Artikel 71, onderdeel A
tot en met D. [Zie
art. 73, onderdeel A-D, OOW,
red.]
De
wijzigingen van de
artikelen A 6, E 2 en E 2a van de Amp-wet houden verband met het
feit dat door het van toepassing worden van de WAO
op het militair
personeel het pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid uit de Amp-wet verdwijnt.
Daarvoor komt in de plaats een op de WAO-uitkering
aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen. De terminologie in deze
artikelen wordt daartoe aangepast. Wijzigingen in de mate van
arbeidsongeschiktheid vastgesteld in het kader van de WAO werken automatisch door
naar de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Toepassing van
artikel 44
van de WAO werkt eveneens door naar die
bovenwettelijke uitkeringen.
Artikel 71, onderdeel E
en F. [Zie art. 73,
onderdeel E en F, OOW,
red.]
In de artikelen E 3 en E
4 van de Amp-wet wordt voor de reservist respectievelijk de dienstplichtige de aanspraak neergelegd op een
verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen indien sprake is van
arbeidsongeschiktheid met dienstverband als
bedoeld in het nieuwe artikel E 11a van die wet. Tevens wordt
voor de reservist respectievelijk de dienstplichtige in die situatie een
ouderdomspensioen geïntroduceerd indien sprake is van ten minste
vijf voor pensioen geldige dienstjaren, één en ander overeenkomstig de
bestaande systematiek voor de beroepsmilitair.
Artikel 71, onderdeel H. [Zie
art. 73, onderdeel H, OOW, red.]
De voorgestelde wijziging
van artikel E 6 omvat de kern van de systeemwijziging van de
Amp-wet door het van toepassing worden van de WAO
op het militair
personeel. De huidige aanspraak op een (integraal) pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid wordt omgezet in een aanspraak op een
arbeidsongeschiktheidspensioen dat aanvullend werkt op de onderliggende
WAO-uitkering en dat afhankelijk is van een uitkering krachtens die
wet. Het
arbeidsongeschiktheidspensioen komt alleen tot uitkering indien de
arbeidsongeschiktheid is ontstaan tengevolge van ziekten of gebreken
ontstaan tijdens de militaire dienst. Indien sprake is van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer in de zin van de WAO,
bestaat vanaf het moment
van ontslag van de militair aanspraak op een arbeidsongeschiktheidspensioen.
Indien sprake is van een
arbeidsongeschiktheid tussen de 15 en 80%, ontstaat de aanspraak op
een arbeidsongeschiktheidspensioen eerst nadat de uitkeringsduur ingevolge de Suppletieregeling defensiepersoneel
is verstreken.
In het nieuwe tweede en
derde lid van artikel E 6 van de Amp-wet is de garantie neergelegd van
het inverdiende diensttijdpensioen. Indien het diensttijdpensioen hoger
is dan het arbeidsongeschiktheidspensioen, wordt het
diensttijdpensioen als het arbeidsongeschiktheidspensioen aangemerkt.
Artikel 71, onderdeel I. [Zie
art. 73, onderdeel I, OOW, red.]
In het nieuwe artikel E
6a van de Amp-wet is de aanspraak neergelegd rblz.|87|
op een verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen voor de beroepsmilitair indien sprake is van
arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in artikel E 11a
van die wet. In tegenstelling tot het bepaalde in artikel E 6 van de
Amp-wet gaat in een dergelijke situatie het arbeidsongeschiktheidspensioen,
ongeacht de mate van arbeidsongeschiktheid, altijd in op het moment
van ontslag ter zake van ziekten of gebreken. Bovendien
bestaat naast dat arbeidsongeschiktheidspensioen recht op een verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen indien de som van de
onderliggende aanspraken lager is dan het bij de arbeidsongeschiktheid met dienstverband
behorende uitkeringspercentage.
In artikel E
6b van de
Amp-wet is de aanspraak voor de beroepsmilitair neergelegd op een
herplaatsingstoelage. Er moet sprake zijn van een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, terwijl de resterende verdiencapaciteit
volledig ingevuld moet zijn.
Artikel 71, onderdeel J. [Zie
art. 73, onderdeel J, OOW, red.]
Artikel E 7 van de
Amp-wet blijft de basis voor de aanspraak op de invaliditeitsverhoging
indien sprake is van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in artikel E
11 van die wet. De wijziging van het eerste lid van artikel E 7, mede in
relatie met de wijziging van artikel F 7 van de Amp-wet (zie artikel 71,
onderdeel T [zie artikel 73, onderdeel U, OOW, red.]), is het gevolg van de introductie van een gelaagde opbouw van de
WAO-uitkering, het arbeidsongeschiktheidspensioen, het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen en de invaliditeitsverhoging,
terwijl de invaliditeitsverhoging ook een zelfstandige aanspraak is
die tot uitbetaling kan komen.
Artikel 71, onderdeel K. [Zie
art. 73, onderdeel L, OOW, red.]
Zoals bij dit artikel
onder "algemeen" al is aangegeven, wordt in deze wetgevingsoperatie
eveneens de heroverweging van de militaire invaliditeitsaanspraken
in de Amp-wet neergelegd. Uitgangspunt van de heroverweging vormt de
aanscherping van het criterium invaliditeit met dienstverband tot die
situaties waarin duidelijk sprake is van (in vergelijking met het burgerlijk
overheidspersoneel) verhoogd risico. Daarnaast wordt in de Amp-wet een
aanvullende uitkering geïntroduceerd indien sprake is van
arbeidsongeschiktheid tengevolge van een bedrijfsongeval, zoals dat reeds voorkomt
in de rechtspositievoorschriften van het burgerlijke
overheidspersoneel (het voorgestelde artikel E 11a, zie artikel
71, onderdeel L [zie artikel 73, onderdeel M, OOW, red.]). Zoals
gezegd, betreft de heroverweging alleen een aanscherping van de toelatingscriteria tot de invaliditeitsaanspraken. Het
niveau van die invaliditeitsaanspraken blijft ongewijzigd.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat de militaire invaliditeitsaanspraken een geheel ander karakter
hebben dan het burgerlijke invaliditeitspensioen.
Dit laatste pensioen kan als een arbeidsongeschiktheidspensioen
worden gekarakteriseerd dat uitgaat van een wegens
arbeidsongeschiktheid niet meer aanwezige of verminderde verdiencapaciteit. De
militaire invaliditeitsaanspraken daarentegen moeten worden gekarakteriseerd als een soort smartegeld voor de in en
door de uitoefening van
de militaire dienst ontstane medische beperkingen, los van een al of niet
verminderde verdiencapaciteit. Ingevolge vaste jurisprudentie
wordt het begrip invaliditeit in de Amp-wet als volgt gedefinieerd:
"invaliditeit is een in een percentage uit te drukken mate van lichamelijke en
geestelijke tekortkomingen en beperkingen welke de belanghebbende in
verhouding tot een geheel valide persoon van gelijke leeftijd in het dagelijks
leven in het algemeen ondervindt".
rblz.|88|
Centraal in het
voorgestelde artikel E 11 staan de definities van "uitoefening van de
militaire dienst" en "buitengewone of daarmee vergelijkbare
omstandigheden". De aanscherping van het toelatingscriterium vindt plaats door de
definitie van dit laatste begrip. Primair is daarbij aansluiting
gezocht bij artikel 103 van de Grondwet, waar gesproken wordt over
uitzonderingstoestand. Het betreft hier de staat van oorlog en de staat van
beleg en de toestand van verhoogde waakzaamheid en
burgerlijke uitzonderingstoestand. Daarnaast wordt het deelnemen aan operaties
ter bevordering of handhaving van de internationale rechtsorde en het
verlenen van bijstand aan bijvoorbeeld politie onder deze definitie gebracht. Ook
de militaire oefening is onder de definitie gebracht. Daarbij geldt echter als
voorwaarde dat de normale veiligheidsmaatregelen ter bescherming van de
gezondheid geheel of gedeeltelijk door het bevoegde gezag buiten
werking zijn gesteld. Bovendien is de mogelijkheid geschapen om in afzonderlijk te bepalen gevallen, die bijzonder van
aard zijn en waarbij eveneens sprake is van een verhoogd risico en waarbij de
normale
veiligheidsmaatregelen buiten werking zijn gesteld, onder het begrip buitengewone of
daarmee vergelijkbare omstandigheden te brengen. Deze bepaling is
opgenomen aangezien niet alle situaties waarbij sprake is van een
verhoogd risico tot in detail in de wetgeving kunnen worden geregeld.
Deze bepaling dient echter zeer restrictief te worden uitgelegd. Het is
zeker niet de bedoeling de onderdelen a tot en met d van het derde lid
uit te hollen. Een voorbeeld van een dergelijke situatie zou kunnen zijn
het inzetten van militair personeel bij reddingsactiviteiten in vredestijd.
Artikel 71, onderdeel L. [Zie
art. 73, onderdeel M, OOW, red.]
In het nieuwe artikel E
11a van de Amp-wet is de definitie neergelegd van arbeidsongeschiktheid
met dienstverband. Deze definitie is overgenomen uit de bestaande
rechtspositievoorschriften van het burgerlijk overheidspersoneel. Er is
ten aanzien van het militair personeel voor gekozen dit aspect niet
in de rechtspositievoorschriften neer te leggen, zoals bij het burgerlijk
overheidspersoneel, maar in de Amp-wet, aangezien de aanspraak op
een invaliditeitsverhoging daarin reeds is verankerd. Is eenmaal
arbeidsongeschiktheid met dienstverband vastgesteld voor een
bepaalde ziekte of gebrek, dan wordt dat verband ingevolge het bepaalde in
het tweede lid eveneens aangenomen voor een andere ziekte of gebrek.
Artikel 71, onderdeel M. [Zie
art. 73, onderdeel N, OOW, red.]
Deze wijziging is van
redactionele aard en komt voort uit de vervanging van artikel F 6, vierde
lid, eerste volzin, door artikel F 6g, eerste lid, ingevolge dit
wetsvoorstel (zie artikel 71, onderdeel O [zie artikel
73, onderdeel P, OOW, red.]).
Artikel 71, onderdeel O. [Zie
art. 73, onderdeel P, OOW, red.]
In het nieuw toegevoegde
artikel F 4a van de Amp-wet is de berekeningssystematiek neergelegd voor het verhoogd
arbeidsongeschiktheidspensioen
indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband voor de
dienstplichtige en de reservist. Hieruit blijkt duidelijk
de aanvullende werking van dat pensioen op de onderliggende Wamil-uitkering.
Artikel 71, onderdeel P. [Zie
art. 73, onderdeel Q, OOW, red.]
In de nieuwe artikelen F
6 en F 6b van de Amp-wet is de nieuwe berekeningssystematiek
neergelegd van het arbeidsongeschiktheidspensioen voor de beroepsmilitair
in aanvulling op de onderliggende rblz.|89|
WAO-uitkering. Er wordt
daarbij onderscheid gemaakt tussen volledige en gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid en het wel of niet bijverzekerd zijn ter zake van het
zogenaamde WAO-hiaat. In artikel F 6a en F 6c van de Amp-wet is de
berekeningswijze neergelegd van het verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen
indien sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband bij
gehele dan wel gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In
artikel F 6e is de minimumgarantie van het arbeidsongeschiktheidspensioen
neergelegd.
Artikel F
6f voorziet in
de berekeningswijze van de hoogte van de herplaatsingstoelage.
Artikel 71, onderdeel S. [Zie
art. 73, onderdeel T, OOW, red.]
In artikel F
6i van de
Amp-wet is de formule neergelegd die met de centrales van overheidspersoneel is afgesproken over het niet automatisch
repareren van verlagingen
in de wettelijke onderbouw in de bovenwettelijke
aanspraken.
Artikel 71, onderdeel T. [Zie
art. 73, onderdeel U, OOW, red.]
Artikel F 7 van de
Amp-wet wordt zodanig gewijzigd dat de invaliditeitsverhoging voor de beroepsmilitair
en het invaliditeitspensioen voor de dienstplichtige en de reservist tot uitbetaling komen onder aftrek van de
eventueel onderliggende uitkeringen/pensioenen. Eén en ander is zo geredigeerd dat de
invaliditeitsverhoging dan wel het invaliditeitspensioen ook zelfstandig tot
uitbetaling kan komen.
Artikel 71, onderdeel
X. [Zie
art. 73, onderdeel Z, OOW, red.]
In het voorgestelde
artikel F 14 is de bevoegdheid neergelegd om de op grond van de WAO
toegepaste sancties met betrekking tot de WAO-uitkering eveneens
toe te passen op de op die uitkering aanvullende uitkeringen op grond van
de Amp-wet. Deze bepaling heeft tot doel te voorkomen dat een in het
kader van de WAO toegepaste sanctie wordt tenietgedaan via de
Amp-wet.
Artikel 71, onderdeel
EE.
[Zie art. 73, onderdeel
HH, OOW, red.]
Artikel U 3 van de
Amp-wet is opnieuw geredigeerd in verband met de nieuwe systematiek van het
arbeidsongeschiktheidspensioen. Tevens is dit artikel tekstueel aanzienlijk
vereenvoudigd.
Artikel 71, onderdeel FF
en GG. [Zie art. 73,
onderdeel II en JJ, OOW,
red.]
Artikel V 4 van de
Amp-wet is tekstueel aanzienlijk vereenvoudigd en voorziet alleen in
anticumulatie van eventuele neveninkomsten naast de verschillende uitkeringen
en pensioenen. Het oude artikel V 4 voorzag ook in regels indien sprake
was van samenloop met onder andere een WAO-uitkering en een pensioen ter zake van
arbeidsongeschiktheid. Die samenloop kan zich echter in de nieuwe
situatie niet meer voordoen, gezien de gelaagde opbouw.
Aangezien die samenloop
zich nog kan voordoen ten aanzien van de pensioenen ter zake van
ziekte of gebreken op grond van een vroegere militaire pensioenwet in
de zin van de Amp-wet die in het kader van het onderhavige wetsvoorstel
niet zal worden omgezet in een uitkering op grond van de WAO, alsmede
ten aanzien van de invaliditeitspensioenen van dienstplichtigen, is
in het voorgestelde artikel V 4a de systematiek van het oude artikel V 4
gehandhaafd voor de genoemde groepen.
rblz.|90|
Artikel 72. [Zie
art. 74 OOW, red.]
Zoals in het algemeen
gedeelte al is aangegeven, vindt een omzetting plaats van lopende
pensioenen ter zake van arbeidsongeschiktheid en invaliditeitspensioenen
van beroepsmilitairen naar een WAO-uitkering. Voor het dienstplichtig
personeel blijft echter de Wamil van kracht. Dit betekent dat de
systematiek van het invaliditeitspensioen voor dienstplichtigen niet wordt gewijzigd. Ook
de pensioenen ter zake van ziekte of gebreken krachtens de
vroegere militaire pensioenwetten blijven buiten de conversie naar de WAO,
aangezien voor die pensioenen nimmer een arbeidsongeschiktheidspercentage
in de zin van de WAO is vastgesteld. Daarom wordt in het
eerste lid bepaald dat de bij dit wetsvoorstel
gewijzigde artikelen van
de Amp-wet van kracht blijven voor de gepensioneerden krachtens de vroegere
militaire pensioenwetten en de dienstplichtigen.
In het tweede lid wordt
bepaald dat het oude artikel E 11 van de Amp-wet van toepassing
blijft voor de vaststelling van invaliditeit met dienstverband voor gebeurtenissen welke hebben plaatsgevonden
vóór
de inwerkingtreding van deze wet. Leidt een dergelijke gebeurtenis tot het aanvaarden van
invaliditeit met dienstverband, dan wordt ingevolge het derde lid onder dit
dienstverband verstaan het begrip invaliditeit met dienstverband, zoals dat
is neergelegd in het nieuwe artikel E 11. Anders gezegd, in die situatie
wordt de invaliditeit met dienstverband geacht voort te vloeien uit het
nieuwe artikel E 11, met als gevolg dat het nieuwe regime van de Amp-wet van
toepassing is.
In het vierde lid wordt
de omzetting geregeld naar het nieuwe bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen
en invaliditeitsverhoging voor diegenen die ingevolge
artikel 23 van dit wetsvoorstel recht krijgen op een WAO-uitkering.
Het vijfde lid
[biedt, red.] de
garantie dat de som van de WAO-uitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen,
eventueel verhoogd met de invaliditeitsverhoging, nooit lager kan zijn dan
het bedrag van het vóór de inwerking van deze wet
ingegane arbeidsongeschiktheidspensioen, eventueel
verhoogd met de
invaliditeitsverhoging, van betrokkene voor zolang zijn mate van
arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk zijn invaliditeitspercentage niet wijzigt.
Ten slotte is in het zesde
lid bepaald dat de invaliditeit met dienstverband, vastgesteld ingevolge het
oude artikel E 11 van de Amp-wet, voor de lopende invaliditeitsverhogingen van het gewezen beroepspersoneel
geacht wordt te zijn vastgesteld ingevolge het nieuwe artikel E 11 van die wet. Dit
betekent eveneens dat ingevolge het vijfde lid van het nieuwe artikel E 11
indien de invaliditeit met dienstverband leidt tot arbeidsongeschiktheid,
sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld
in artikel E 6a, met als gevolg dat de betrokkene in aanmerking kan komen
voor een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van het
voorgestelde artikel F 4a.
Artikelen 73 en
74. [Zie
artt. 75 en 76 OOW,
red.]
Artikel
3, vijfde lid,
van de Zfw dient redactioneel te worden aangepast in verband met de
wijziging van artikel 6 van de ZW ingevolge artikel
46, onderdeel A, van
het
onderhavige wetsvoorstel [zie artikel 47, onderdeel
A, OOW, red.], alsmede in verband met de toevoeging van het
nieuwe artikel 6a van de ZW ingevolge artikel
46, onderdeel B, van
dit wetsvoorstel [zie artikel 47, onderdeel
B, OOW, red.]. De bedoelde redactionele aanpassing is opgenomen in artikel 73
[75]
van dit voorstel. De in onderdeel A van artikel 74
van
dit voorstel [zie artikel
76, onderdeel A, OOW, red.] opgenomen wijzigingen behelzen het buiten
aanmerking
rblz.|91|
laten voor het
vaststellen van de loongrens van inkomenscomponenten die vergelijkbaar zijn
met de inkomenscomponenten die thans ook buiten aanmerking blijven.
Hiermee wordt bereikt dat bij het toetsen aan de loongrens Zfw
voor een
overheidswerknemer in beginsel geen wijziging optreedt.
De categorieën
overheidswerknemers die thans op grond van het Aanwijzingsbesluit
verplicht verzekerden Ziekenfondswet (Aanwijzingsbesluit)
verzekerd zijn ingevolge de Zfw hebben ingevolge artikel
2, tiende lid, van het
Aanwijzingsbesluit de mogelijkheid van het vragen van ontheffing van die
verzekering. De door het kabinet voorgestelde overgang van formele
regeling bij het Aanwijzingsbesluit (in fase 1) naar formele regeling in
artikel 3, eerste en negende lid, van de Zfw
(in fase 3), zoals uiteengezet in het
algemeen deel van de toelichting, mag er niet toe leiden dat de huidige
ontheffingsmogelijkheid vervalt ten aanzien van degenen waarop ingevolge
dit wetsvoorstel artikel
3, eerste en negende lid, van de Zfw
van
toepassing wordt. Om die reden is onderdeel B van het onderhavige artikel
[zie artikel
76, onderdeel B, OOW, red.]
opgenomen, dat voorziet in een nieuw tiende lid van artikel 3 van de
Zfw
betreffende de ontheffingsmogelijkheid.
Artikel 75. [Zie
art. 77 OOW, red.]
Artikel 15 van de Wet
Stichting USZO regelt de bevoegdheid van de Algemene Rekenkamer ten
opzichte van de Stichting USZO wat de wachtgeldregelingen
betreft in de periode voordat de USZO onder de Osv 1997 komt te vallen. Bij
de totstandkoming van de Wet Stichting USZO werd nog uitgegaan van
het gelijktijdig openstellen van de WW en het toepassen van de
Osv.
Inmiddels is echter sprake van het voorstel om te komen tot een fasering
van OOW, waarbij per
1 januari 1998 sprake zal zijn van toepassing van de Osv
1997 op
de USZO en op zijn vroegst per 1 januari 1999 in het kader van het van
toepassing worden van fase 2 de WW wordt opengesteld voor het overheidspersoneel. In het kader van het van toepassing
worden van fase 3 zal de WW ook ten aanzien van de lopende wachtgelden van toepassing worden.
Het tijdstip waarop de WW van toepassing wordt, is op
dit moment nog niet bekend. Op zijn vroegst met ingang van 1 januari 1999
(uitgaande van die datum als vroegste datum voor de invoering van de
WW) respectievelijk 1 januari 2000 zal de Algemene Rekenkamer
ingevolge artikel 59, eerste lid, onderdeel d, Comptabiliteitswet
bevoegd zijn tot controle ten aanzien van de WW voor de overheid. Tot het
tijdstip van aanvang van fase 3 (op zijn vroegst 1 januari 2000) dient
artikel 15 Wet Stichting USZO derhalve van kracht te blijven. De
controlebevoegdheid van de Algemene Rekenkamer op de
USZO gaat niet zover dat
deze ziet op provincies, gemeenten,
Kamers van Koophandel en Fabrieken,
waterschappen en andere in artikel 59, zestiende lid, van de
Comptabiliteitswet bedoelde organen.
Hoofdstuk 4
Dit hoofdstuk bevat een
aantal overige bepalingen in verband met de toepassing van de
werknemersverzekeringen die niet in één van de vorige hoofdstukken thuishoren,
alsmede de bepaling met de citeertitel van deze wet
en de
inwerkingtredingsbepaling
Artikel 76. [Zie
art. 86 OOW, red.]
Door het van toepassing
worden van de WAO wordt artikel 71a
van de
WAO inzake de indiening
van arbeidsongeschiktheidsplannen en het daarbij behorende sanctieregime van toepassing op de overheidswerkgevers.
Artikel 71a van WAO bouwt
evenwel voort op de uitvoering van onder meer artikel 38
van de ZW. In dat laatste artikel is onder andere geregeld wanneer de
werkgever overgaat tot het aanmelden van een rblz.|92|
zieke
werknemer bij de
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is van belang dat de WAO vanaf
fase 1 van deze wet van toepassing wordt doch de ZW
eerst later. De
inwerkingtreding van de ZW vindt afhankelijk van de situatie plaats op het
tijdstip waarop fase 2 of fase 3 van deze wet aanvangt. Tot dat moment
is voor de toepassing van artikel 71a
van de WAO
artikel 38 van de ZW van overeenkomstige toepassing.
Artikel 77. [Zie
art. 87 OOW, red.]
Deze bepaling houdt in
dat de toepassing van het overgangsrecht op grond van hoofdstuk 1 van dit
wetsvoorstel wordt aangemerkt als een wettelijke taak van het Lisv
in de zin van artikel 38 van de Osv
1997, ter
zake waarvan een uitvoeringsovereenkomst moet worden gesloten op grond van
artikel 39 van
die wet met een
uitvoeringsinstelling.
Wat betreft de indeling
van de overheidswerkgevers naar sectoren en naar uitvoeringsinstellingen wordt in
dit voorstel voor een andere aanpak
gekozen dan in het kader
van artikel 17, vierde lid, van de Wet
privatisering SPF. Daarin is opgenomen
dat de bedrijfsvereniging voor het Vervoer de bevoegde bedrijfsvereniging is
in geval van een vóór de datum
van privatisering van het
SPF bestaande samenloop van enerzijds een invaliditeitspensioen op
grond van de Spoorwegpensioenwet en anderzijds een uitkering
op grond van de WAO. Het oogmerk van die bepaling was één
instantie aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de toepassing van het
overgangsrecht ingevolge de Wet
privatisering SPF.
Wat OOW betreft, stelt de
regering de volgende aanpak voor. De Osv
1997 houdt onder meer in
dat de overheidswerkgevers in één of meer sectoren van het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld moeten worden. Iedere sector wordt
bediend door één of meer uitvoeringsinstellingen in de zin van de Osv 1997.
Ingeval sprake is van
één sector overheid en onderwijs, zal het bij die aanwijzing om één
enkele uitvoeringsinstelling kunnen gaan, maar het kunnen er ook meer dan
één zijn. Gelet op de complexiteit van het overgangsrecht kan de
regering zich voorstellen dat het Lisv als opdrachtgever voor de uitvoering
daarvan het aantal uitvoeringsinstellingen dat het bedoelde
overgangsrecht zou moeten toepassen zo klein mogelijk zou willen laten.
Wat de bevoegde
uitvoeringsinstelling betreft, kan nog het volgende worden opgemerkt. Er
kunnen goede redenen zijn om overheidswerkgevers bij een andere sector van
het bedrijfs- en beroepsleven in te delen. Indeling bij een
andere sector betekent dat in beginsel een andere uitvoeringsinstelling
bevoegd zal zijn tot uitvoering van OOW. Denkbaar is dat een
overheidsorganisatie die op het moment van invoering van OOW nog niet geprivatiseerd
is maar naar verwachting wel geprivatiseerd zal zijn binnen één jaar na
het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet, bij de sector wordt
ingedeeld waartoe die organisatie behoort zodra de bedoelde privatisering is
afgerond. Bedoelde overheidsorganisaties zullen op het tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet reeds bij de betreffende
uitvoeringsinstelling ingedeeld kunnen worden waar zij na voltooiing van de
privatisering ingedeeld zullen worden. Die andere uitvoeringsinstelling zal
ten aanzien van de betrokken werknemers het overgangsrecht op grond
van OOW dienen toe te passen.
Het kan echter in de
opvatting van de regering niet de bedoeling zijn om in alle gevallen waarin
sprake is van een privatisering, vooruitlopend op de voltooiing daarvan tot
indeling bij een andere sector en dus bij een andere
uitvoeringsinstelling over te gaan. Daartoe zou in beginsel alleen overgegaan kunnen worden
in de volgende situatie:
rblz.|93|
a.
de privatisering zal
naar alle waarschijnlijkheid binnen één jaar na het tijdstip van aanvang
van fase 1 van deze wet worden afgerond; en
b. het niet bij de andere
uitvoeringsinstelling indelen van de betrokken organisatie kan vanwege
het met die indeling samenhangende geheel van lasten en baten ter zake
van arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid leiden tot
concurrentieverstoring in relatie tot de overige aanbieders op de markt waarop die
organisatie actief is.
Aan deze criteria lijkt
tot op heden te worden voldaan in het geval van twee lopende privatiseringen. Dit betreft enerzijds
openbaarvervoerbedrijven
en anderzijds gemeentelijke zorginstellingen.
Privatiseringen die niet
aan de vorengenoemde criteria voldoen, leiden in beginsel niet tot een
afwijkende indeling naar sector en daarmee evenmin tot een
afwijkende indeling naar bevoegde
uitvoeringsinstelling op basis van dit
wetsvoorstel.
Artikel 78.
[Vervallen, red.]
In verband met het
vervallen van de overhevelingstoeslag regelt de Wet
gevolgen brutering uitkeringsregelingen een brutering van onder andere de WAO-uitkeringen. Dit
artikel heeft tot doel die brutering op dezelfde wijze plaats te laten
vinden op de WAO-uitkeringen die als gevolg van deze wet
vanaf 1 januari
1998 ontstaan. De Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen is
daartoe van overeenkomstige toepassing verklaard op de
WAO-daglonen en -uitkeringen die op grond van deze wet worden vastgesteld.
Artikel 79.
[Vervallen, red.]
Het
Lisv kan een administratieovereenkomst die op 1
januari 1996 is ingegaan tussen een bedrijfsvereniging en een
uitvoeringsinstelling opzeggen. Wanneer dat
vóór 1 januari 1999 gebeurt, kunnen ingevolge artikel 70 van de Invoeringswet
Osv 1997 de financiële gevolgen van liquidatie of een redelijke
afvloeiingsregeling als gevolg van verlies van een
administratieovereenkomst
die daaruit voortvloeien, als uitvoeringskosten ten laste worden gebracht
van bepaalde sociale fondsen.
De achterliggende
gedachte van dat artikel is de volgende.
Weliswaar behoort het
risico van het beëindigen en niet verlengen van een
administratieovereenkomst in beginsel tot de normale bedrijfsrisico’s,
maar dit risico kan wel
het bestaan van de uitvoeringsinstelling bedreigen. De uitvoeringsinstellingen, maar ook externe financiers zullen
dit risico willen
afdekken op basis van aanwezige zekerheden. Het eigen vermogen zal vrijwel
nooit geheel voldoende zijn voor de dekking van dit risico. Om te voorkomen
dat er een grote risico-opslag op de prijzen wordt berekend met de
daardoor te verwachten ongewenste effecten op de premies, is gekozen
voor een tijdelijke collectieve garantieregeling op basis waarvan een aantal
specifieke kosten die met een verlies van een administratieovereenkomst
samenhangen, worden vergoed uit de sociale fondsen. Na afloop van de
eerste contractperiode (31 december 1999) kunnen opdrachtgever en
opdrachtnemer zelf afspraken maken over het opvangen van het beëindigingsrisico en is de garantieregeling niet meer
van kracht.
Deze garantieregeling
ziet niet op
USZO. In onderhavig artikel wordt voorgesteld deze
garantieregeling overeenkomstig toe te passen op USZO.
Per het tijdstip van
aanvang van fase 1 van deze wet gaat USZO de WAO
uitvoeren voor het
overheidspersoneel, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van dit
wetsvoorstel. De lasten hiervan zullen per dat tijdstip worden gedragen door het
Aof (dat per dat tijdstip ook van overheidszijde rblz.|94|
gefinancierd
wordt
door middel van WAO-premies). Gelet op het doel van de
garantieregeling in de marktsector, op de positie en omstandigheden van USZO en op de
overweging dat USZO is ontstaan en gefinancierd op basis van
een kabinetsbesluit, ligt het voor de hand dat er een garantieregeling voor
USZO in dit wetsvoorstel wordt opgenomen voor de WAO. Het tweede
lid voorziet hierin.
Wat betreft de periode
gedurende welke de garantieregeling voor
USZO zou moeten gelden, is
door het kabinet nog geen keuze gemaakt. Aan de ene kant zou de voor de uitvoeringsinstellingen
in de markt geldende
datum 1 januari 2000 voor
USZO betekenen dat USZO veel minder tijd heeft om vermogen op te
bouwen, hetgeen wellicht de effecten heeft op de hoogte van de premie
die men in de markt nu wilde voorkomen. In dat geval heeft het Lisv
bovendien slechts maximaal één jaar (1998) om te beslissen of het de
administratieovereenkomst met USZO inzake de WAO
opzegt of niet. Aan de
andere kant betekent een garantieregeling met een duur na 1 januari 2000
dat USZO zich na 1 januari 2000 wat dit betreft niet zal bevinden in een
met
de andere uitvoeringsinstellingen gelijke positie. Gelet op deze
overwegingen is ervoor gekozen om een beslissing te nemen met betrekking tot de
einddatum van de garantieregeling voor USZO op een moment waarop de
situatie wat betreft USZO bekend zal zijn. Een dergelijk besluit,
bedoeld in het tweede lid, kan worden genomen bij ministeriële regeling.
Aangezien er per het
tijdstip van aanvang van fase 1 van deze wet slechts een uniform
financieringsregime is wat betreft de WAO en de garantieregeling ziet op
een vergoeding vanuit de sociale fondsen, kan een garantieregeling voor
USZO vooralsnog slechts zien op het beëindigingsrisico met betrekking tot de
WAO. In het derde lid is bepaald dat deze garantieregeling ook
zal gelden wat betreft de ZW of de WW
voor overheidswerknemers
wanneer het Lisv de administratieovereenkomst met
USZO opzegt nadat het
financieringsregime van (één van) die regelingen ook op de
overheid van toepassing is geworden.
Artikel 81. [Zie
art. 94 OOW, red.]
In het
algemeen deel van
deze toelichting is uiteengezet welke gedachten het kabinet thans heeft met betrekking tot het tempo van de
invoering van de
voorgestelde OOW. Kortheidshalve wordt ter
zake verwezen naar paragraaf 3.6 van het algemeen deel van deze toelichting.
Gelet op de noodzakelijke
flexibiliteit met betrekking tot het invoeringstempo van deze wet
wordt
voorgesteld deze wet in werking te laten treden in drie fasen. Het tijdstip waarop elk van die drie fasen in werking
treedt, kan bij
koninklijk besluit worden bepaald, waarbij ingevolge het derde lid van dit artikel
voor de artikelen of onderdelen daarvan alsmede voor groepen van
overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers verschillende tijdstippen
van inwerkingtreding van die drie fasen kunnen worden
vastgesteld.
rblz.|95|
Het voornemen
bestaat
verder de artikelen 35 tot en met 41
[35-42], alsmede artikel
77 [87], derde lid,
inzake de voorbereiding van de uitvoering van deze wet, in werking te laten
treden op 1 oktober 1997. Derhalve vooruitlopende op de inwerkingtreding
van fase 1 van deze wet. In de toelichting op die artikelen is
aangegeven waarom dat tijdstip voor die artikelen voorgesteld wordt.
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Staatssecretaris van
Defensie,
J.C. Gmelich Meijling
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|