|
BESLUIT van 7 september
1998, houdende het buiten toepassing laten van artikel
40, tweede lid,
van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen voor
werkgeversbetalingen in de sector Onderwijs en Wetenschappen
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken in
overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 10 juli 1998, nr. AB98/U842, directoraat-generaal
Management en Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling
Uitkeringen en Pensioenen;
Gelet op artikel 46 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
De Raad van State gehoord (advies van 30 juli
1998, nr. WO4.98.0327);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgebracht in overeenstemming
met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28
augustus 1998, nr. AB98/930, directoraat-generaal Management en
Personeelsbeleid, directie Arbeidszaken Overheid, afdeling Uitkeringen
en Pensioenen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. Artikel 40, tweede lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
blijft buiten toepassing ten aanzien van de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, onder 1º, van
die wet, die werkzaam is bij
meer dan één overheidswerkgever behorende tot de sector Onderwijs en
Wetenschappen, bedoeld in artikel 1, onderdeel q, onder 3º, van de
Wet privatisering
ABP, voor zover zijn uitkeringen op 31 december 1997 op grond
van
artikel 47 van laatstgenoemde
wet reeds werden betaald door
tussenkomst van meer dan één overheidswerkgever behorende tot genoemde
sector.
-2. Ten aanzien van de in het
eerste lid bedoelde uitkeringen vindt de uitbetaling gesplitst plaats
door tussenkomst van de betrokken overheidswerkgevers naar rato van het feitelijk
verdiende loon uit hoofde van de desbetreffende
dienstverhouding, welk loon wordt vastgesteld met inbegrip van het loon dat
uitgaat boven het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste lid,
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-3. Indien de in het eerste
lid bedoelde overheidswerkgevers hun kosten ter zake van doorbetaling
van het loon wegens ziekte declareren bij een ander orgaan, geschiedt de
uitbetaling achtereenvolgens door tussenkomst van dat andere orgaan en de
overheidswerkgever.
Art. 2.
-1. Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998.
-2. Dit besluit wordt
ingetrokken met ingang van de dag waarop de wijziging van artikel 40 van
de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
in werking treedt, waarbij materieel de inhoud
van artikel 1 van dit
besluit bij wet wordt geregeld.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 7 september
1998
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
Uitgegeven de negenentwintigste
september 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[7 september 1998]
In de
Eindejaarscirculaire
van 18 december 1997, kenmerk AB97/U1595, heb ik aangekondigd dat de
praktijk van gesplitste uitbetaling van de WAO-conforme uitkering door
tussenkomst van meer dan één werkgever ten behoeve van personen die
meer dan één werkgever hebben uitsluitend binnen de sector
Onderwijs en Wetenschappen, op uitvoeringstechnische
gronden vanaf 1 januari 1998 zou worden voortgezet.
Op basis van bedoelde
circulaire kon worden vooruitgelopen op het voornemen om bij algemene
maatregel van bestuur artikel 40, tweede lid, van de
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
(OOW) voor bovengenoemde
gevallen buiten toepassing te verklaren.
Het onderhavige besluit
dient ter formalisering van deze praktijk. Op basis van artikel 46 van de
OOW is het namelijk mogelijk om, ter uitvoering van hoofdstuk 1 van de
OOW, bij algemene maatregel van
bestuur nadere en, zo nodig,
tijdelijk afwijkende regels te stellen.
De in dit besluit opgenomen
regels zijn dan ook in die zin tijdelijk dat het in het voornemen ligt om
eind 1998, begin 1999 materieel de inhoud van artikel 1 van dit besluit bij wet te regelen. Ingevolge
artikel 2, tweede
lid, van dit besluit komt
het voorliggende besluit in ieder geval te vervallen op de dag dat de
bedoelde wettelijke regeling in werking treedt.
Ter toelichting dient het
volgende.
De Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) kent een ander systeem van betaling van de
uitkering dan de WAO-conforme regeling.
Met de invoering van de WAO
voor het overheidspersoneel per 1 januari 1998 is het WAO-conforme systeem van betaling van de uitkering
vervangen door dat van de WAO. Het uitgangspunt van het WAO-systeem is dat de betaling van de
uitkering direct aan de werknemer geschiedt.
Dit geldt in ieder geval
voor de op of na 1 januari 1998 nieuw toegekende uitkeringen. In het belang
van de continuïteit van de uitbetaling aan de betrokkene geldt voor de
lopende gevallen echter een overgangsregeling naar het WAO-systeem van
uitbetaling.
Met "lopende gevallen"
zijn hier de per 31 december 1997 bestaande uitkeringen bedoeld die op
grond van artikel 47 van de Wet
privatisering ABP (WPA) aan de overheidswerkgever werden betaald.
De overgangsregeling is
opgenomen in artikel 40 van de
OOW. Op grond van dat artikel wordt
voor de lopende gevallen de betaling van de uitkering aan de werkgever op en na 1 januari 1998 voortgezet. Dit voor
zover er sprake is van een overheidswerknemer met één (overheids)werkgever. In het tweede lid
van artikel 40
OOW is hierop een uitzondering gemaakt. Indien de
overheidswerknemer namelijk meer dan één werkgever heeft, betaalt de
uitvoeringsinstelling de WAO-uitkering aan de overheidswerknemer. Dit
geldt ook in de marktsector.
De sector Onderwijs en
Wetenschappen voorzag bij een onverkorte toepassing van dat tweede
lid evenwel grote uitvoeringstechnische problemen. In deze sector
komt het vaker voor dan gemiddeld binnen de overheid dat de werknemer
meer dan één werkgever heeft. Dit geldt zelfs voor het overgrote deel van
de werknemers binnen de onderwijssector. De WAO
wordt in alle
gevallen van meerdere werkgevers binnen de onderwijssector uitgevoerd
door de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en
onderwijs, de USZO.
Teneinde de voorzienbare
uitvoeringstechnische problemen voor deze sector te voorkomen, is
besloten te bevorderen dat artikel 40, tweede lid, van de
OOW met terugwerkende
kracht tot en met 1 januari 1998 buiten toepassing zou blijven voor zover het overheidswerknemers betreft:
a. wier per 31 december 1997
bestaande uitkeringen op grond van artikel 47 van de WPA reeds
aan de overheidswerkgever werden betaald; en
b. die meer dan één
werkgever hadden uitsluitend binnen de sector Onderwijs en Wetenschappen.
Het voorgaande betekent dat
voor deze personen de voormalige WAO-conforme praktijk van de
naar rato van het feitelijk genoten loon gesplitste uitbetaling aan meer dan één werkgever is voortgezet. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], de opdrachtgever van de
USZO wat betreft de
uitvoering van de WAO voor het overheidspersoneel, is met deze wijze van
betaling akkoord gegaan. Het stelde enkel als voorwaarde dat de splitsing
van betaling van de WAO-uitkering beperkt zou blijven tot de betaling
aan de werkgevers en er dus niet bij voorbeeld zou worden betaald aan
beslagleggers.
Het bovenstaande laat
overigens onverlet dat een werknemer die met ingang van 1 januari 1998 WAO-gerechtigde is
geworden de mogelijkheid heeft om de USZO te verzoeken de WAO-uitkering rechtstreeks aan
hemzelf of een andere derde
dan zijn werkgever te betalen. De betaling via de werkgever eindigt in
dat geval. Hiervoor is echter een specifieke actie van de betrokken
werknemer vereist.
Voor de goede orde wordt
hierna ingegaan op de specifieke situatie voor de sector Onderwijs en
Wetenschappen, met name binnen het primaire onderwijs.
Voor het primaire onderwijs
geldt dat de loonkosten (inclusief werkgeverslasten) declarabel
zijn. In die voorkomende gevallen dat de betrokken werknemer die met ingang van 1 januari 1998
WAO-gerechtigd
is geworden en aangesteld is
binnen het primair onderwijs, er niet voor kiest om de middelen aan het
Vervangingsfonds te laten betalen, zullen de middelen door de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen achteraf bij de bevoegde
gezagsorganen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. Dit op
basis van de aanvragen rijksvergoeding.
De Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
|