|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Besluit bevoegde uitvoeringsinstelling Wajong-uitkeringen
(vervallen)
- Besluit datumbeleid indelingen
(vervallen)
- Besluit incasso en invordering
- Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank
- Besluit melding sociale verzekeringen
- Besluit verrekeningen Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten,
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en Arbeidsongeschiktheidskas
met de uitvoeringsinstellingen
- Besluit werkgebieden Sociale Verzekeringsbank
- Financieringsregeling
Algemene Kinderbijslagwet (vervallen)
- Financieringsregeling hoofdstuk 7 Wet arbeid en
zorg
(vervallen)
- Financieringsregeling Toeslagenwet (vervallen)
- Financieringsregeling Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (vervallen)
- Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren
(vervallen)
- Regeling
rijksbijdrage sluitende aanpak WW 2001
(vervallen)
- Regeling
tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000
- Regeling vrijstelling sofinummer volksverzekeringen
(vervallen)
- Regels voor vermogensoverdracht na wijziging sectoraansluiting van
werkgevers
- Samenwerkingsbesluit SWI (vervallen)
- Samenwerkingsregeling
SWI (vervallen)
- Tijdelijk
besluit samenwerking CWI (vervallen)
- Verrekeningsbesluit
Relevante
overige regelgeving:
- Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997
(vervallen)
- Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
- Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen
Inhoudsopgave
Osv 1997
| Hoofdstuk
1 |
Begripsbepalingen
en aanwijzingsbevoegdheid van het bestuur |
artt.
1 - 2 |
| Hoofdstuk
2 |
Het
College van toezicht sociale verzekeringen |
artt.
3 - 16 |
| §
1x |
Samenstelling
van het bestuur en werkwijze |
artt.
3 - 9 |
| §
2x |
Taak
en bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen |
artt.
10 - 16 |
| Hoofdstuk
3 |
De
Sociale Verzekeringsbank |
artt.
17 - 29 |
| §
1x |
Samenstelling
van het bestuur en werkwijze |
artt.
17 - 24 |
| §
2x |
Taken
en bevoegdheden van de Sociale Verzekeringsbank |
artt.
25 - 29 |
| Hoofdstuk
4 |
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen |
artt.
30 - 66 |
| §
1x |
Samenstelling
van het bestuur en werkwijze |
artt.
30 - 37 |
| §
2x |
Taken
en bevoegdheden van het Landelijk instituut sociale verzekeringen |
artt.
38 - 50 |
| §
3x |
Aansluiting
van werkgevers bij sectoren |
artt.
51 - 55 |
| §
4x |
Sectorraden |
artt.
56 - 58 |
| §
5x |
Rechtspersonen
met welke het Landelijk instituut sociale verzekeringen
uitvoeringsovereenkomsten kan sluiten |
artt.
59 - 64 |
| §
6x |
De
uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen in de
overheidssector |
artt.
65 - 66 |
| Hoofdstuk
5 |
Fondsbeheer,
uitvoeringskosten en verslaglegging |
artt.
67 - 86 |
| §
1x |
Fondsbeheer |
artt.
67 - 74 |
| §
2x |
Uitvoeringskosten |
artt.
75 - 81 |
| §
3x |
Verslaglegging |
artt.
82 - 86 |
| Hoofdstuk
6 |
Gegevensverstrekking
en geheimhouding |
artt.
87 - 102 |
| §
1x |
Verplichtingen
tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze
Minister, het College van toezicht sociale verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers |
artt.
87 - 97 |
| §
2x |
Geheimhouding |
artt.
98 - 99 |
| §
3x |
Verstrekking
van gegevens en inlichtingen door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen |
artt.
100 - 102 |
| Hoofdstuk
7 |
Goedkeuring,
schorsing en vernietiging |
artt.
103 - 104 |
| Hoofdstuk
7a |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en in verband met
beroep bij de Centrale Raad van Beroep |
artt.
105 - 106a |
| Hoofdstuk
8 |
Strafbepalingen
en andere bepalingen |
artt.
107 - 118 |
| xxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 877.
Handelingen II 1996-1997, blz. 2500-2516, 2558-2584, 2642-2643,
2676-2680.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 877 (145, 145a, 145b, 145c, 145d,
145e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergadering d.d. 25 februari 1997.
Geschiedenis:
Staatsblad 1997,
95; Staatsblad 1997, 580;
Staatsblad 1997,
706; Staatsblad 1997, 768;
Staatsblad 1997,
789; Staatsblad 1997, 794;
Staatsblad 1998,
290; Staatsblad 1998, 411;
Staatsblad 1998, 670; Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 1999, 184;
Staatsblad 1999,
185; Staatsblad 1999, 564;
Staatsblad 1999,
595; Staatsblad 2000, 463;
Staatsblad
2000, 496; Staatsblad 2000, 561;
Staatsblad 2001, 23; Staatsblad
2000, 571; Staatsblad 2000, 627;
Staatsblad 2000, 628; Staatsblad 2001,
568; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2001, 628.
WET van 26 februari 1997, Stb.
1997, 95, tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale
verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen 1997).
Inwerkingtreding: 1 maart 1997 (Stb. 1997,
97). Vervallen met ingang van 1 januari
2002 (artikel 2, eerste lid, ISUWI).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie van de uitvoering van
de sociale verzekeringen te wijzigen;
Zo is het dat wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Begripsbepalingen
en aanwijzingsbevoegdheid
van de minister
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 290; Stb. 1998, 742
+ bis; Stb.
2000, 561; Stb.
2000, 571; Stb. 2001,
568; Stb. 2001, 625]
In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. College van
toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale
verzekeringen, genoemd
in hoofdstuk 2;
c. Sociale
Verzekeringsbank: de Sociale Verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 3;
d. Landelijk instituut
sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, genoemd
in hoofdstuk 4;
e.
sectorraad: een
sectorraad als bedoeld in artikel 56;
f.
uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling
als bedoeld in artikel 41, derde lid;
g. sociaal-fiscaal
nummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel j,
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
h. fonds:
1º. het Algemeen
Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 103 van de Werkloosheidswet;
2º. het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 72 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3º. het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 34 van de Wet
financiering volksverzekeringen;
4º. het Toeslagenfonds,
genoemd in artikel 31 van de Toeslagenwet;
5º. het Ouderdomsfonds,
genoemd in artikel 28, eerste lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen;
6º. het
Nabestaandenfonds, genoemd in artikel 28, tweede lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen;
7º. het Algemeen
Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a
van de Algemene
Kinderbijslagwet;
8º. het
Invaliditeits-
en Ouderdomsfonds, genoemd in de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet
1919;
9º. een wachtgeldfonds
als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet;
10º. het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, genoemd in artikel 63 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
11º. de
Arbeidsongeschiktheidskas, genoemd in artikel 73 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
12º. het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in artikel 78 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
13º. het
Reïntegratiefonds: het fonds, bedoeld in artikel 41 van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
14º.
het Uitvoeringsfonds voor de overheid, genoemd in artikel 104 van de Werkloosheidswet;
i. uitvoeringskosten:
de personele en materiële kosten van de uitvoering van wetten door het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, alsmede de kosten van
uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43;
j.
verzekerde: de
werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet
of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, alsmede de verzekerde
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Kinderbijslagwet of de Algemene
nabestaandenwet, voor zover hij geen uitkering of voorziening op
grond van deze wetten of de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten ontvangt;
k. werkgever: de
werkgever in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
l.
uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering of voorziening
ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria,
de Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de
Algemene nabestaandenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten of hoofdstuk 3 van de
Wet
arbeid en zorg.
Art.
2.
[Aanwijzingen minister aan Ctsv]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Onze Minister kan aan
het College van toezicht sociale
verzekeringen
aanwijzingen van algemene aard
geven betreffende de uitoefening van zijn taken.
HOOFDSTUK
2
Het
College van toezicht sociale verzekeringen
§ 1.
Samenstelling van het bestuur en werkwijze
Art. 3.
[Instelling Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Er is een
College van toezicht sociale
verzekeringen.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel op
een door
Onze Minister te bepalen plaats.
Art.
4.
[Bestuur Ctsv] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Het
College van toezicht sociale
verzekeringen
heeft een bestuur, bestaande uit drie leden onder wie de
voorzitter.
Art.
5.
[Benoeming, schorsing en ontslag bestuursleden
Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. De in
artikel 4 bedoelde leden
worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar
en kunnen, door één herbenoeming voor een periode van vier jaar of door
meer herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten
hoogste voor een periode van acht jaar bij koninklijk besluit worden
benoemd.
-2. Bij koninklijk besluit wordt een
lid aangewezen dat tevens voorzitter is en wordt een lid aangewezen dat tevens
plaatsvervangend voorzitter is.
-3. De leden kunnen door
Onze Minister
worden geschorst en bij koninklijk besluit worden ontslagen.
-4. De persoon die tussentijds als lid
wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is
benoemd, had moeten aftreden.
Art.
6.
[Incompatibiliteiten] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Onze Minister
kan regels stellen
waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet verenigbaar
zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het
College van toezicht sociale
verzekeringen.
Art.
7.
[Rechtspositie bestuur en personeel Ctsv]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625]
-1.
Onze Minister
regelt de
rechtspositie van de leden van het bestuur van het
College van toezicht sociale
verzekeringen.
-2. Het personeel van het College van
toezicht sociale verzekeringen wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht. De bepalingen van de tiende titel van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.
Art.
8.
[Bestuursreglement Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het bestuur van het
College van toezicht sociale
verzekeringen
stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement wordt in
elk geval geregeld:
a. de openbaarheid van de
vergaderingen;
b. welke taken en bevoegdheden van het
College van toezicht sociale verzekeringen door personeelsleden van
het College van toezicht sociale verzekeringen kunnen worden
uitgeoefend.
-3. Het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen houdt ten minste eenmaal per
jaar een openbare vergadering omtrent de vaststelling van de jaarrekening,
het jaarverslag en de begroting.
-4. Het
bestuursreglement behoeft goedkeuring van
Onze Minister
en wordt openbaar gemaakt door
plaatsing in de Staatscourant en door terinzagelegging bij het College van
toezicht sociale verzekeringen.
Art. 9.
[Commissies Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het bestuur van het
College van toezicht sociale
verzekeringen kan commissies instellen, waaraan ook
personen kunnen deelnemen die geen lid van het bestuur van
het College van toezicht sociale verzekeringen zijn.
-2. Het bestuur van het
College van toezicht sociale verzekeringen regelt in het bestuursreglement,
bedoeld in artikel 8, de samenstelling, taken en bevoegdheden van de
door hem ingestelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis- en
verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.
§
2.
Taak en
bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen
Art. 10.
[Taak Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Het College van toezicht sociale
verzekeringen
heeft tot taak het houden van toezicht op de
rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van wetten door de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de
uitvoeringsinstellingen.
Art. 11.
[Jaarrekeningen, jaarverslagen,
rechtmatigheidsverklaringen en rapportage Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen biedt elk jaar vóór 1 november aan
Onze Minister aan:
a. de in artikel 84
bedoelde jaarrekeningen, jaarverslagen en rechtmatigheidsverklaringen;
b. een rapportage over
de doelmatigheid van de uitvoering van de wetten door de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
in het afgelopen kalenderjaar, waarin
onder meer wordt weergegeven in welke mate de doelstellingen van de bij of krachtens de wet gestelde regels
werden
bereikt.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen biedt elk jaar vóór 1 augustus een plan van
werkzaamheden voor het komende kalenderjaar aan Onze Minister aan en
treedt hierover met Onze Minister in overleg.
-3. Onze Minister kan regels stellen
omtrent de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde rapportage.
-4. Onze Minister brengt zijn oordeel
over de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde rapportage ter kennis van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
-5. Onze Minister brengt de in het
eerste lid, onderdeel b, bedoelde rapportage en zijn oordeel daarover, alsmede het
in het tweede lid bedoelde plan, nadat hij hierover overleg heeft
gepleegd, ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
-6. Ten behoeve van de rapportage,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bieden de Sociale Verzekeringsbank,
het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
jaarlijks vóór 1 juli een rapportage over de doelmatigheid van de
uitvoering van de wetten door de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen in het afgelopen jaar aan het College
van toezicht sociale verzekeringen aan, waarin
onder meer wordt weergegeven in welke mate de doelstellingen van de bij of
krachtens de wet gestelde regels werden bereikt.
Art.
12.
[Inlichtingenverstrekking Ctsv aan minister]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Het
College van toezicht sociale
verzekeringen
verstrekt op verzoek van
Onze Minister
de inlichtingen die nodig
zijn voor de beoordeling van de mogelijkheden van het houden van toezicht op de
rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van beleidsvoornemens en
wettelijke voorschriften door de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de uitvoeringsinstellingen.
Art.
13.
[Melding besluiten uitvoeringsinstanties aan
Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister
kan regels stellen
waarin besluiten van de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
of een uitvoeringsinstelling
worden omschreven die overeenkomstig
die regels, binnen de in die regels gestelde termijnen, ter
kennis van het College van toezicht sociale
verzekeringen
worden gebracht.
-2. Onze Minister kan in de in het
eerste lid bedoelde regels besluiten aanwijzen die voorafgaand aan hun
inwerkingtreding ter kennis van het College van toezicht sociale verzekeringen
worden gebracht. Het College van toezicht sociale verzekeringen deelt zijn
oordeel over een aangewezen besluit binnen een door Onze Minister gestelde
termijn mede aan de rechtspersoon die het besluit heeft genomen.
-3. Onze Minister kan regels stellen
waarin besluiten van de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling worden omschreven die goedkeuring van
het College van toezicht sociale verzekeringen behoeven.
-4. Door Onze Minister
op grond van dit artikel gestelde regels treden niet in werking dan nadat deze
in de Staatscourant zijn geplaatst.
Art. 14.
[Aanwijzingen Ctsv aan SVB en Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen kan uit hoofde van zijn taak aanwijzingen
geven aan de Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. Aanwijzingen als
bedoeld in het eerste lid kunnen geen betrekking hebben op de besluitvorming
betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever.
Art. 15.
[Gegevensverstrekking Ctsv aan SER] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Het College van toezicht sociale
verzekeringen
verstrekt op verzoek aan de
Sociaal-Economische
Raad, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die deze raad meent nodig te
hebben voor de uitoefening van zijn adviserende taak.
Art. 16.
[Terbeschikkingstelling personeel Lisv en uvi's
aan Ctsv t.b.v. onderzoek] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 794; Stb. 2001,
625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen en elke uitvoeringsinstelling
stelt op verzoek van
het College van toezicht sociale
verzekeringen personeelsleden ter beschikking van
het College van toezicht sociale verzekeringen ten behoeve van
onderzoek naar de toekenning, herziening, intrekking of heropening van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen vergoedt aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en aan elke uitvoeringsinstelling die op grond van het eerste
lid personeelsleden ter beschikking van het College van toezicht sociale
verzekeringen stelt, de kosten van deze terbeschikkingstelling.
HOOFDSTUK
3
De Sociale
Verzekeringsbank
§
1.
Samenstelling van het bestuur en werkwijze
Art. 17.
[Instelling SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Er is een
Sociale Verzekeringsbank.
-2. De Sociale
Verzekeringsbank bezit rechtspersoonlijkheid en heeft haar zetel op een door
Onze Minister te bepalen plaats.
Art.
18.
[Bestuur SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 789 + bis; Stb.
2001, 625 + bis]
-1. De
Sociale Verzekeringsbank heeft
een bestuur, bestaande uit ten hoogste negen leden, twee plaatsvervangende
leden en een voorzitter.
Onze Minister
bepaalt het aantal leden.
-2. De leden en de voorzitter hebben
ieder één stem.
Art.
19.
[Benoeming, schorsing en ontslag
bestuursvoorzitter SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625 + bis]
-1. De voorzitter wordt voor een
periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister
en kan, door één
herbenoeming voor een periode van vier jaar of door meer herbenoemingen
voor perioden van minder dan vier jaar, ten hoogste voor een
periode van acht jaar door Onze Minister worden benoemd.
-2. De voorzitter kan door Onze
Minister worden geschorst en ontslagen, nadat hij het
College van toezicht sociale
verzekeringen
in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te
brengen.
-3. Het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank benoemt uit zijn leden één of meer leden tot plaatsvervangend
voorzitter voor een door dit bestuur te bepalen periode.
-4. De benoeming tot plaatsvervangend
voorzitter kan door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank worden
beëindigd.
Art.
20.
[Benoeming, schorsing en ontslag bestuursleden SVB
| Samenstelling bestuur SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625 + bis]
-1. De leden en plaatsvervangende leden
van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank worden voor een
periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister
en kunnen,
door
één herbenoeming voor een periode van vier jaar of door meer
herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten hoogste voor
een periode van acht jaar door Onze Minister worden benoemd.
-2. Een derde van het aantal leden en
één plaatsvervangend lid worden door Onze Minister benoemd op voordracht
van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale en andere representatieve
organisaties
van werkgevers.
-3. Een derde van het aantal leden en
één plaatsvervangend lid worden door Onze Minister benoemd op voordracht
van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale representatieve
organisaties van werknemers.
-4. Onze Minister bepaalt het aantal
leden dat door elke organisatie wordt voorgedragen.
-5. De leden en plaatsvervangende leden
kunnen door Onze Minister worden geschorst en ontslagen.
-6. De persoon die tussentijds als lid
of als plaatsvervangend lid wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop
degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
-7. Alvorens te oordelen omtrent
representatieve organisaties als bedoeld in het tweede en derde lid en alvorens op
grond van het vierde lid het aantal leden dat door elke organisatie wordt
voorgedragen te bepalen, stelt Onze Minister de
Sociaal-Economische
Raad in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.
Art.
21.
[Incompatibiliteiten] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Onze Minister
kan regels stellen
waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet verenigbaar
zijn met het lidmaatschap van het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank.
Art.
22.
[Rechtspositie bestuur en personeel SVB]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625 + bis]
-1.
Onze Minister
regelt de
rechtspositie van de voorzitter van het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank.
-2. Het bestuur van de Sociale
Verzekeringsbank regelt de tijdverzuimvergoeding en de vergoeding voor reis- en
verblijfkosten voor de leden. Deze regeling behoeft goedkeuring van Onze
Minister.
-3. Het personeel van de Sociale
Verzekeringsbank wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht. De bepalingen van de tiende titel van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.
Art.
23.
[Bestuursreglement SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625 + bis]
-1. Het bestuur van de
Sociale
Verzekeringsbank stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement wordt in
elk geval geregeld:
a. de openbaarheid van de
vergaderingen;
b. de wijze waarop
uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten door de
Sociale Verzekeringsbank ten aanzien van uitkeringsgerechtigden
worden uitgevoerd.
-3. De leden van het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank stemmen zonder last.
-4. Het bestuur
van de
Sociale Verzekeringsbank houdt ten minste eenmaal per jaar een openbare
vergadering omtrent de vaststelling van de jaarrekeningen, de jaarverslagen en de
begrotingen.
-5. Het
bestuursreglement behoeft goedkeuring van
Onze Minister
en wordt openbaar gemaakt door
plaatsing in de Staatscourant en door terinzagelegging bij de Sociale Verzekeringsbank.
Art. 24.
[Commissies SVB] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625 + bis]
-1.
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank kan commissies instellen, waaraan ook personen
kunnen deelnemen die geen lid zijn van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank.
-2.
Het bestuur van de
Sociale Verzekeringsbank regelt in het bestuursreglement, bedoeld in artikel
23,
de samenstelling, taken en bevoegdheden van de in het eerste
lid bedoelde commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis- en
verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.
§
2.
Taken en
bevoegdheden van de Sociale Verzekeringsbank
Art. 25.
[Taken SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. De
Sociale
Verzekeringsbank heeft tot taak: [BitSVB]
a. de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de
Algemene Kinderbijslagwet, de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919,
de
Invaliditeitswet, de Liquidatiewet invaliditeitswetten, alsmede wetten die de
uitvoering van deze wetten beheersen, uit te voeren, voor
zover die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is
opgedragen;
b. bevorderen dat
personen die een nabestaandenuitkering ontvangen op grond van de
Algemene nabestaandenwet worden ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en
administreren van de in artikel 1, onderdeel h,
subonderdeel 5 tot en met 8,
bedoelde fondsen;
d.
Onze Minister
op
zijn verzoek de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de
beoordeling van de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke
voorschriften, voor zover deze betrekking hebben op onderwerpen die
geregeld zijn in de in onderdeel a genoemde wetten;
e. zorg dragen voor
informatievoorziening in verband met de uitvoering van wetten
door de
Sociale Verzekeringsbank;
f. door Onze Minister
aangewezen algemene maatregelen van bestuur en door Onze Minister
aangewezen ministeriële regelingen uit te voeren. [Tog00]
-2. De Sociale Verzekeringsbank biedt
elk jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende
kalenderjaar aan Onze Minister aan en treedt hierover met Onze Minister
in overleg. Onze Minister brengt dit plan, nadat hij hierover overleg heeft
gepleegd, ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal. De Sociale
Verzekeringsbank brengt dit plan ter kennis van het College van toezicht sociale
verzekeringen.
-3. Onze Minister kan aan de Sociale
Verzekeringsbank schriftelijk toestemming verlenen voor het vervullen van
andere
taken dan de in dit artikel genoemde taken.
-4. Onze Minister kan aan de Sociale
Verzekeringsbank verplichtingen opleggen in verband met de uitoefening van de
taken waarvoor op grond van het derde lid toestemming is verleend
en kan die toestemming intrekken indien de Sociale Verzekeringsbank
niet handelt overeenkomstig die verplichtingen.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het vervullen van
andere taken dan de in dit artikel genoemde taken.
Art.
26.
[Samenwerking SVB met Arbvo bij
arbeidsinschakeling Anw-ers] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. De
Sociale Verzekeringsbank werkt
samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie om te bevorderen dat uitkeringsgerechtigden met een
nabestaandenuitkering
worden ingeschakeld in het
arbeidsproces.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid
bedoelde samenwerking.
Art.
27.
[Werkgebieden SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
De Sociale Verzekeringsbank deelt
Nederland in een aantal werkgebieden in. De Sociale Verzekeringsbank zorgt
ervoor dat zij in elk werkgebied voor belanghebbenden voldoende bereikbaar is.
[BwSVB]
Art.
28.
[Administratie SVB; gebruik sofinummer]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2000, 571; Stb. 2001,
625]
-1. De
Sociale Verzekeringsbank voert
een administratie ten behoeve van de uitoefening van haar taak.
-2. In de administratie van de Sociale
Verzekeringsbank wordt het sociaal-fiscaal nummer opgenomen van degene die
verzekerd of uitkeringsgerechtigd is op grond van een wet die door de
Sociale Verzekeringsbank wordt uitgevoerd.
-3. Het sociaal-fiscaal nummer van een
persoon dient tevens als registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering
van
wetten
door de Sociale
Verzekeringsbank.
-4. Voor de uitvoering
van de Algemene Kinderbijslagwet wordt in de administratie van de Sociale
Verzekeringsbank het sociaal-fiscaal nummer van het kind voor wie de
verzekerde recht op kinderbijslag heeft, opgenomen en gebruikt als registratienummer.
-5.
Onze Minister
kan
regels stellen omtrent de inrichting van de administratie van de Sociale
Verzekeringsbank. [Tog00]
-6. Onze Minister kan
regels stellen waarin wordt bepaald dat de in het tweede en vierde lid bedoelde
verplichtingen niet gelden in bijzondere gevallen die in die regels
worden omschreven. [Rvsv]
Art. 29.
[Identificatie verzekerde/uitkeringsgerechtigde]
[Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
De Sociale
Verzekeringsbank stelt bij de uitoefening van haar taak de identiteit van degene die
verzekerd of uitkeringsgerechtigd is vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, voor zover dit
noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taak.
HOOFDSTUK
4
Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen
§
1.
Samenstelling van het bestuur en werkwijze
Art. 30.
[Instelling Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Er is een
Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel op
een door
Onze Minister
te bepalen plaats.
Art. 31.
[Bestuur Lisv] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft een bestuur, bestaande uit ten hoogste negen
leden, twee plaatsvervangende leden en een voorzitter.
Onze Minister bepaalt
het aantal leden.
-2. De leden en de
voorzitter hebben ieder één stem.
Art. 32.
[Benoeming, schorsing en ontslag
bestuursvoorzitter Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. De voorzitter wordt
voor een periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister en
kan, door één herbenoeming voor een periode van vier jaar of door meer
herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten hoogste
voor een periode van acht jaar door Onze Minister worden benoemd.
-2. De voorzitter kan
door Onze Minister worden geschorst en ontslagen, nadat hij het College van toezicht sociale
verzekeringen in de gelegenheid heeft gesteld hierover
advies uit te brengen.
-3. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
benoemt uit zijn leden één of meer leden tot
plaatsvervangend voorzitter voor een door dit bestuur te bepalen periode.
-4. De benoeming tot plaatsvervangend
voorzitter kan door het bestuur van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen worden beëindigd.
Art.
33.
[Benoeming, schorsing en ontslag bestuursleden
Lisv | Samenstelling bestuur Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. De leden en plaatsvervangende leden
van het bestuur van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
worden
voor een periode van ten hoogste vier jaar benoemd door
Onze Minister
en kunnen, door één
herbenoeming
voor een periode van vier jaar of door
meer herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten
hoogste voor een periode van acht jaar door Onze Minister worden
benoemd.
-2. Een derde van het aantal leden en
één plaatsvervangend lid worden door Onze Minister benoemd op voordracht
van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van
werkgevers.
-3. Een derde van het aantal leden en
één plaatsvervangend lid worden door Onze Minister benoemd op voordracht
van naar het oordeel van Onze Minister algemeen erkende centrale representatieve
organisaties van werknemers.
-4. Onze Minister bepaalt het aantal
leden dat door elke organisatie wordt voorgedragen.
-5. De leden en de plaatsvervangende leden
kunnen door Onze Minister worden geschorst en ontslagen.
-6. De persoon die tussentijds als lid
of als plaatsvervangend lid wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop
degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
-7. Alvorens te oordelen omtrent
representatieve organisaties als bedoeld in het tweede en derde lid en alvorens op
grond van het vierde lid het aantal leden dat door elke organisatie
wordt
voorgedragen te bepalen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische
Raad in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.
Art.
34.
[Incompatibiliteiten] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Onze Minister
kan regels stellen
waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet verenigbaar
zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
Art.
35.
[Rechtspositie bestuur en personeel Lisv]
[Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625]
-1.
Onze Minister
regelt de
rechtspositie van de voorzitter van het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. Het bestuur van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen regelt de tijdverzuimvergoeding en de vergoeding
voor reis- en verblijfkosten voor de leden. Deze regeling behoeft goedkeuring van Onze Minister.
-3. Het personeel van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht. De bepalingen van de tiende titel van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.
Art.
36.
[Bestuursreglement Lisv] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement wordt in elk
geval de openbaarheid van de vergaderingen geregeld.
-3. De leden van het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stemmen zonder last.
-4. Het bestuur van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen houdt ten minste eenmaal per jaar een
openbare vergadering omtrent de vaststelling van de jaarrekening, het jaarverslag
en de begroting.
-5. Het bestuursreglement behoeft
goedkeuring van
Onze Minister
en wordt openbaar gemaakt door plaatsing in de
Staatscourant en door terinzagelegging bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
Art.
37.
[Commissies Lisv] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
kan commissies instellen, waaraan ook personen kunnen
deelnemen die geen lid zijn van het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het bestuur van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen regelt in het bestuursreglement, bedoeld in
artikel 36, de samenstelling, taken en bevoegdheden van de in het eerste lid bedoelde
commissies, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis- en
verblijfkostenvergoedingen voor leden van deze commissies.
-3. Het bestuur van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt een commissie als bedoeld in het eerste
lid in waarin zitting hebben:
a. één lid van dit bestuur dat is
benoemd op voordracht van naar het oordeel van
Onze Minister
algemeen erkende centrale en andere representatieve
organisaties van werkgevers;
b. één lid van dit
bestuur dat is benoemd op voordracht van naar het oordeel van Onze
Minister algemeen erkende centrale representatieve organisaties van
werknemers;
c. één lid van dit
bestuur dat niet is benoemd op voordracht van organisaties van werkgevers of
werknemers;
d. een aantal personen
dat degenen die belang hebben bij de werkzaamheden als bedoeld in artikel
41, vierde lid, voldoende vertegenwoordigt.
-4. Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt de in het derde lid bedoelde
commissie in elk geval in de gelegenheid om aan dit bestuur:
a. haar zienswijze
kenbaar te maken omtrent overeenkomsten als bedoeld in artikel
41, vierde
lid;
b. haar zienswijze
kenbaar te maken omtrent aangelegenheden bij de uitvoering van wetten
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten aanzien van
degenen die belang hebben bij de werkzaamheden als bedoeld in artikel
41, vierde lid.
§
2.
Taken en
bevoegdheden van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
Art. 38.
[Taken Lisv]
[Bii]
[Vb] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 768; Stb. 1997, 789
+ bis; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
Stb. 1998, 411; Stb.
1998, 742; Stb. 2000, 561;
Stb. 2001,
568; Stb. 2001, 625;
Stb. 2001, 628]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen heeft tot taak:
a. uitvoering geven
aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekering, de wettelijke
werkloosheidsverzekering, de Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Toeslagenwet, de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten,
de Wet arbeid en zorg, alsmede wetten die de
uitvoering van deze wetten beheersen, voor zover
die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is
opgedragen;
b. bevorderen dat
personen die een uitkering ontvangen op grond van wetten als bedoeld in
onderdeel a, met uitzondering van
de Wet arbeid en zorg,
worden ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en
administreren van de in artikel 1, onderdeel h,
subonderdeel 1 tot en met 4 en subonderdeel 9 tot en met 14, bedoelde fondsen;
d. er zorg voor dragen
dat de uitvoeringsinstellingen
een administratie voeren die voldoet aan
de eisen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
e. inrichten van een
doelmatige en doeltreffende informatiehuishouding;
f. zorg dragen voor
informatievoorziening in verband met de uitvoering van de in onderdeel
a bedoelde wetten;
g. op verzoek van een werkgever of
werknemer een onderzoek instellen naar en een oordeel geven over het
bestaan van ongeschiktheid tot werken indien de werknemer een
geschil heeft met de werkgever over de ongeschiktheid tot werken;
h.
Onze Minister
op zijn verzoek de
inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de
uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften, voor
zover deze betrekking hebben op onderwerpen die geregeld zijn in de
in onderdeel a genoemde wetten;
i. bevorderen van concurrentie tussen
uitvoeringsinstellingen;
j. op verzoek van een werkgever
toestemming te geven als bedoeld in artikel 629, derde lid, onderdeel c,
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, tenzij de belangen van de
betrokken werknemer onevenredig worden geschaad;
k. door Onze Minister aangewezen
algemene maatregelen van bestuur en door Onze Minister aangewezen
ministeriële regelingen uit te voeren.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen deelt Nederland zoveel mogelijk overeenkomstig de werkgebieden van de
Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening in regio's in. Het besluit omtrent de indeling van de
werkgebieden wordt ter goedkeuring aan
Onze Minister voorgelegd.
-3. Bij de uitoefening van de in het
eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde taak draagt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen er onder meer zorg voor dat de uitvoeringsinstellingen aan elkaar en aan de diensten
en instellingen die werkzaamheden verrichten verband houdende met de werkzaamheden van de
uitvoeringsinstellingen, de inlichtingen verstrekken die voor een goede coördinatie van
uitvoeringswerkzaamheden nodig zijn.
-4. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen biedt elk jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het
komende kalenderjaar aan Onze Minister aan en treedt hierover met
Onze Minister in overleg. Onze Minister brengt dit plan, nadat hij hierover
overleg heeft gepleegd, ter kennis van de beide kamers der
Staten-Generaal. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen brengt dit plan ter
kennis van het College van toezicht sociale
verzekeringen.
Art. 38a.
[Begrippen overheidswerknemer en -gever | Taakoverdracht]
[Geschiedenis:
Stb. 2000, 561; Stb. 2001, 625]
-1. Voor de toepassing van dit artikel wordt
verstaan onder:
a. overheidswerknemer: de persoon:
1º. die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer als bedoeld
in artikel 1, onderdeel l, van de Werkloosheidswet;
2º. voor wie geen arbeidsmarktinstrumenten
beschikbaar zijn gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt;
en
3º. die niet een arbeidsgehandicapte is als
bedoeld in artikel 10 van de Wet op de reïntegratie
arbeidsgehandicapten;
b. overheidswerkgever: het lichaam dan wel
het orgaan van een lichaam dat:
1º. met betrekking tot het jaar 2000 een
overeenkomst heeft gesloten met een reïntegratiebedrijf met het oog op de
inschakeling in het arbeidsproces van gewezen overheidswerknemers met recht op
wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen; en
2º. die overeenkomst voortzet in het jaar 2001 ten
aanzien van overheidswerknemers als bedoeld in onderdeel a.
-2. De in artikel 38, eerste lid, onderdeel b,
bedoelde taak kan, met betrekking tot een overheidswerknemer, met inachtneming
van het derde tot en met vijfde lid, door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
worden overgedragen aan de
overheidswerkgever wiens overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
mede betrekking heeft op die overheidswerknemer. De overheidswerkgever treedt
dan voor de toepassing van de artikelen 72, 73 en
130, eerste lid, van de Werkloosheidswet
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. De in het tweede lid bedoelde taakoverdracht
vindt plaats op verzoek van de overheidswerkgever, bedoeld in dat lid. De
overheidswerkgever legt daarbij een document over waaruit blijkt dat dit verzoek
wordt gedaan met instemming van de vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties waarmee de overheidswerkgever overleg pleegt te voeren
over de arbeidsvoorwaarden en de rechtspositie van zijn personeel.
-4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
betaalt een door hem te bepalen vergoeding aan de overheidswerkgever voor de
door de overheidswerkgever op grond van dit artikel gedane uitgaven in verband
met de inschakeling in het arbeidsproces van overheidswerknemers.
-5. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan regels stellen met betrekking tot:
a. de vorm waarin en de termijn waarbinnen
het in het derde lid bedoelde verzoek wordt ingediend;
b. de vorm waarin en de termijn waarbinnen
een verzoek om een vergoeding als bedoeld in het vierde lid wordt ingediend;
c. de door de overheidswerkgever in verband
met de uitvoering van dit artikel of de Werkloosheidswet uit eigen beweging of
desgevraagd te verstrekken gegevens.
Art.
39.
[Mandatering beslissingsbevoegdheid Lisv aan één uvi per
sector(onderdeel)] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
kan zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht uitsluitend mandateren aan één uitvoeringsinstelling
per sector of
sectoronderdeel.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen zijn bevoegdheid tot het nemen
van besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht gedurende een
overgangsperiode als bedoeld in artikel 41, tweede lid, mandateren
aan twee uitvoeringsinstellingen per sector of sectoronderdeel.
Art.
40.
[Lisv-onderzoek arbeidsongeschiktheid op verzoek
van werkgever of werknemer] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
wijst een deskundige aan bij het instellen van een
het in artikel 38, eerste lid, onderdeel g,
bedoelde onderzoek.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan voor het in het eerste lid bedoelde onderzoek kosten in rekening
brengen bij de werkgever of de werknemer die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen.
-3. Indien de werkgever verzoekt het in het
eerste lid bedoelde onderzoek in te stellen, geeft het Landelijk
instituut sociale verzekeringen slechts een oordeel over het bestaan van de
ongeschiktheid tot werken van een bepaalde werknemer indien deze werknemer
bereid is zich hiertoe te laten onderzoeken.
Art.
41.
[Voorbereiding en uitvoering Lisv-besluiten door
erkende uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
laat alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en
uitvoering van zijn besluiten, voor zover het Landelijk instituut de bevoegdheid
tot het nemen van deze besluiten kan mandateren aan een uitvoeringsinstelling, per sector of sectoronderdeel als bedoeld in
artikel 51, op grond
van schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in artikel
43, verrichten
door één rechtspersoon die op grond van artikel 59 is erkend.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen de in het eerste lid bedoelde
werkzaamheden per sector of sectoronderdeel gedurende een overgangsperiode, op
grond van schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in artikel
43, laten verrichten door twee rechtspersonen die op grond van
artikel 59 zijn erkend, voor zover dit nodig is voor een goede overgang van de
werkzaamheden van de ene naar de andere rechtspersoon.
-3. De rechtspersoon die op grond van
overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 gehouden is de in dit artikel
bedoelde werkzaamheden te verrichten, is een uitvoeringsinstelling in de zin
van deze wet.
-4. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen wijst werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid aan die niet zijn
toe te rekenen aan een sector of sectoronderdeel en die dit instituut
op grond van schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 laat
verrichten door een rechtspersoon die op grond van artikel 59 is erkend.
[BbuW]
Art.
42.
[Toestemming Lisv uitbesteding uvi-werkzaamheden]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling
de in artikel 41 bedoelde
werkzaamheden niet zonder zijn schriftelijke toestemming laat verrichten door één of meer andere
rechtspersonen
of natuurlijke personen.
-2.
Onze Minister
stelt regels waarin
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 worden beschreven ten aanzien waarvan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen de in het eerste lid bedoelde toestemming onthoudt of kan
verlenen.
Art.
43.
[Administratie- en jaarovereenkomst tussen Lisv en
uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
laat de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden per sector of
sectoronderdeel verrichten op grond van een administratieovereenkomst die
voor één of meer jaren wordt aangegaan en jaarovereenkomsten die voor één
jaar worden aangegaan.
-2. Een administratieovereenkomst
behoeft goedkeuring van het College van toezicht sociale
verzekeringen.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen sluit vóór 1 december van elk jaar een jaarovereenkomst per sector
of sectoronderdeel en brengt deze onverwijld ter kennis van het College
van toezicht sociale verzekeringen.
-4. De in het eerste lid bedoelde
overeenkomsten regelen in elk geval:
a. dat de overeenkomsten worden
ontbonden zodra het College van toezicht sociale verzekeringen bekendmaakt dat hij de administratieovereenkomst niet goedkeurt;
b. dat de overeenkomsten worden
ontbonden zodra de in artikel 59 bedoelde erkenning wordt ingetrokken;
c. dat de op grond van artikel 59
erkende rechtspersoon de in artikel 41 bedoelde werkzaamheden niet zonder
schriftelijke toestemming van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen laat verrichten door andere rechtspersonen of natuurlijke personen;
d. dat de in artikel 41 bedoelde
werkzaamheden worden uitgevoerd met inachtneming van de instructies van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen; [BvAAAu]
e. dat het bestuur van de op grond van
artikel 59 erkende rechtspersoon aan ten minste één persoon in één
of meer daartoe door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen aangewezen regio's als bedoeld in artikel
38, tweede lid, de
bevoegdheid verleent om in naam van dit bestuur beslissingen te nemen
ter uitvoering van de in artikel 38, eerste lid, onderdeel b,
beschreven taak;
f. op welke wijze
uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij besluitvorming omtrent de wijze waarop
wetten
door de
uitvoeringsinstelling ten aanzien van uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd;
g. op welke wijze klachten betreffende
de wijze waarop de uitvoeringsinstelling zich in een bepaalde aangelegenheid
jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon heeft gedragen, worden behandeld.
-5. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen brengt de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten nadat deze
zijn gesloten onverwijld ter kennis van
Onze Minister.
Art.
44.
[Inbreng sectorraad vóór sluiting overeenkomst
tussen Lisv en uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Indien voor een sector een
sectorraad is erkend, stelt het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
deze sectorraad
in de gelegenheid een ontwerp van elke overeenkomst als bedoeld artikel 43 aan dit instituut aan te
bieden voordat dit instituut een
dergelijke overeenkomst sluit.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt regels waaraan het in het eerste lid bedoelde ontwerp van
een overeenkomst dient te voldoen. Deze regels behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
Art.
45.
[Samenwerking Lisv met (uitvoerings)instanties en
(uitvoerings)instanties onderling] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
werkt samen met de gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten verband
houdende met de taken van het Landelijk instituut sociale verzekeringen en zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstellingen
met deze instanties en met elkaar
samenwerken, onder meer om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het
arbeidsproces
te bevorderen.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid
bedoelde samenwerking. [SaS] [SS]
[StS] [TbsC]
Art,
46.
[Bereikbaarheid uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling
voor belanghebbenden in elke regio
als
bedoeld in artikel 38, tweede lid, voldoende bereikbaar is.
Art.
47.
[Nadere regelgeving administratie Lisv en uvi's |
Gebruik sofinummer] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2000, 571; Stb. 2001,
625]
-1.
Onze Minister
kan regels stellen
omtrent de administratie van het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de
uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen zorgt ervoor dat elke uitvoeringsinstelling overeenkomstig de in het eerste
lid
bedoelde regels een administratie voert waarin:
a. aantekening wordt gehouden van de
werkgevers, verzekerden en uitkeringsgerechtigden in elke sector
of in elk sectoronderdeel waarvoor de uitvoeringsinstelling de in artikel 41 bedoelde
werkzaamheden
verricht;
b. het sociaal-fiscaal nummer van de verzekerde en de
uitkeringsgerechtigde
wordt opgenomen.
-3. Het sociaal-fiscaal nummer van een
persoon dient tevens als registratienummer voor de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde bij de uitvoering
van wetten
door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
-4. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen zorgt ervoor dat de gegevens in de administraties van de uitvoeringsinstellingen op een doelmatige
wijze
beschikbaar zijn voor de personen en
instanties die bij of krachtens de wet over deze gegevens kunnen
beschikken.
-5.
Onze Minister
kan regels stellen
waarin wordt bepaald dat de in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid
bedoelde verplichtingen niet gelden in bijzondere gevallen die in die regels
worden omschreven.
Art.
48.
[Melding opname gegevens in administratie aan
betrokkene en verstrekking gegevensoverzicht] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling:
a. aan de verzekerde, uiterlijk binnen
twee maanden na de aanvang van zijn werkzaamheden of de aanvang
van de periode waarover loon wordt genoten, meldt dat hem betreffende gegevens in de
administratie
worden opgenomen;
b. aan de verzekerde en aan de
uitkeringsgerechtigde periodiek een overzicht verstrekt van de hem
betreffende gegevens die in de administratie zijn opgenomen.
-2.
Onze Minister
stelt regels met
betrekking tot de in het eerste lid bedoelde melding en het in het eerste lid
bedoelde overzicht.
Art.
49.
[Identificatie verzekerde/uitkeringsgerechtigde]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
zorgt ervoor dat de uitvoeringsinstelling
bij de uitoefening van haar taak de
identiteit van verzekerden en uitkeringsgerechtigden vaststelt aan de hand van een document
als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van haar taak.
Art.
50.
[Toestemming minister vervulling andere taken door
uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister
kan aan een
uitvoeringsinstelling schriftelijk toestemming verlenen voor het vervullen van andere
taken dan het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel
41.
-2. Onze Minister kan aan de
uitvoeringsinstelling waaraan de in het eerste
lid bedoelde
toestemming is verleend verplichtingen opleggen in verband met de uitoefening van
de taken waarvoor de toestemming is verleend en kan die toestemming
intrekken indien de uitvoeringsinstelling niet handelt overeenkomstig die
verplichtingen.
-3. Bij algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het
vervullen van andere taken dan het verrichten van werkzaamheden als
bedoeld in artikel 41.
§
3.
Aansluiting
van werkgevers bij sectoren
Art. 51.
[Sectorindeling] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister
deelt
het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij elke sector één of
meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat. [Ribbs]
-2. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan een sector als bedoeld in het eerste lid indelen
in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten
van één of meer werkgevers omvat.
-3. Indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen een sector in sectoronderdelen heeft ingedeeld, stelt
het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten aanzien van elke bij de betrokken
sector aangesloten werkgever vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort
of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet
verrichten, behoren.
-4. Indien Onze Minister besluit tot wijziging van de in het eerste lid bedoelde
indeling, regelt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, voor zover nodig, de gevolgen
hiervan.
Art. 52.
[Aansluiting van rechtswege bij sector]
[Bdi]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 2001,
625]
-1. Een werkgever is
van rechtswege aangesloten bij de krachtens artikel 51 vastgestelde sector
waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.
-2. Indien een
werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende
sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de
werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag
aan loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
-3. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan met betrekking tot de aansluiting van
één of
meer categorieën van werkgevers bij een sector regels stellen die
afwijken van het eerste of tweede lid. Deze regels behoeven de goedkeuring
van
Onze Minister.
Art.
53.
[Melding aansluiting en eindiging aansluiting bij
sector] [Bdi]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 2000, 627;
Stb. 2001, 625]
-1. De werkgever die ingevolge
artikel
52 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te
zijn, doet daarvan schriftelijk melding bij het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
binnen een door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen te stellen termijn.
-2. Een melding als bedoeld in het
eerste lid is geen aanvraag in de zin van artikel
1:3, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen deelt een werkgever mede bij welke
sector en vanaf welke datum hij ingevolge artikel 52 is aangesloten. Indien de
mededeling afwijkt van de melding, bedoeld in het eerste lid, geldt de
mededeling als een beschikking.
-4. In afwijking van artikel
52, tweede
lid, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd ambtshalve of op
verzoek te
besluiten dat een werkgever met ingang van een door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen aan te geven datum voor door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen aan te wijzen werkzaamheden is
aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden
behoren die hij overigens doet verrichten.
Art.
54.
[Overgang vermogen Lisv bij overgang werkgever(s)
naar andere sector] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2000, 561; Stb.
2001, 625]
-1. Indien één of meer werkgevers van
een sector overgaan naar een andere sector, kan het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit
instituut, dat betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector
afzonderlijk beheerde en geadministreerde wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid, overgaat naar het
vermogen dat betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere sector afzonderlijk
beheerd en geadministreerd wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de
overheid.
-2. Met betrekking tot het bepaalde in
het eerste lid stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen regels omtrent:
a. de gevallen waarin vermogen
overgaat;
b. de wijze van berekening van
vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en de wijze
waarop vermogen overgaat.
-3. De regels, bedoeld in het tweede
lid, behoeven goedkeuring van
Onze Minister. [Rvwsw]
Art. 55. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 2000, 627;
Stb. 2001, 625]
§
4.
Sectorraden
Art. 56.
[Erkenning sectorraad] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1998, 670; Stb. 1999, 564;
Stb. 2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan ten behoeve van elke sector als bedoeld in
artikel 51 een rechtspersoon erkennen als sectorraad indien het bestuur
van
die rechtspersoon bestaat uit een aantal leden dat is benoemd door
één of meer door
Onze Minister
aangewezen voor de betrokken
sector representatieve organisaties van werkgevers en een gelijk aantal
leden dat is benoemd door één of meer door
Onze Minister aangewezen voor de
betrokken sector representatieve organisaties van
werknemers.
-2. In afwijking van
het eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten behoeve van een
sector waartoe overheidswerkgevers behoren een rechtspersoon als sectorraad erkennen indien het bestuur van
die rechtspersoon bestaat uit een aantal leden dat is benoemd door één
of meer door Onze
Minister aangewezen rechtspersonen of bestuursorganen en een gelijk aantal
leden dat is benoemd door één of meer door Onze Minister
aangewezen voor de betrokken sector representatieve organisaties van werknemers.
-3. Alvorens een
representatieve organisatie van werkgevers of werknemers voor een sector aan te
wijzen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische
Raad in de gelegenheid
hierover advies uit te brengen.
Art. 57.
[Intrekking erkenning sectorraad] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan de erkenning van een sectorraad intrekken, indien de
sectorraad:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding
besluit;
c. in staat van
faillissement wordt verklaard;
d. de kwaliteit van de
in artikel 44 bedoelde ontwerpen of de in artikel 58 bedoelde rapportages
en adviezen bij herhaling onvoldoende is of de sectorraad anderszins
in gebreke blijft bij de uitvoering van zijn taken.
Art. 58.
[Rapportages en adviezen sectorraad aan Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 580; Stb. 2000, 561;
Stb. 2001,
625]
-1. Indien voor een
sector een sectorraad is erkend, stelt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen deze sectorraad in de gelegenheid:
a. rapportages bij dit
instituut in te dienen omtrent de uitvoering van overeenkomsten als
bedoeld in artikel 43;
b. adviezen aan dit
instituut uit te brengen omtrent besluiten tot vaststelling van premiepercentages
ten behoeve van de wachtgeldfondsen en het Uitvoeringsfonds voor de
overheid;
c. adviezen aan dit
instituut uit te brengen omtrent sectorspecifieke aangelegenheden bij de
uitvoering van wetten door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vergoedt aan de sectorraad overeenkomstig de in
het derde lid gestelde regels uitsluitend de kosten van het tot
stand brengen van een in
artikel 44 bedoeld ontwerp van een overeenkomst en de
kosten van het tot stand brengen van de in het eerste lid bedoelde
rapportages en adviezen.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt regels omtrent de vergoeding van de in het tweede
lid bedoelde kosten. Deze regels behoeven goedkeuring van
Onze Minister.
-4. Indien het
Landelijk instituut sociale verzekeringen een besluit neemt dat afwijkt van een
ontwerp van een overeenkomst, bedoeld in artikel 44, brengt dit instituut
de reden voor die afwijking ter kennis van de betrokken sectorraad.
§
5.
Rechtspersonen met welke het Landelijk instituut sociale verzekeringen uitvoeringsovereenkomsten
kan sluiten
Art. 59.
[Erkenning uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 580; Stb. 2001,
625]
-1.
Onze Minister
kan
een rechtspersoon erkennen als rechtspersoon met welke het Landelijk instituut sociale
verzekeringen schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in
artikel
43 kan sluiten, indien:
a. de rechtspersoon
blijkens zijn statuten bij uitsluiting als doel heeft het verrichten van
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41, alsmede het vervullen van
taken waarvoor door Onze Minister schriftelijk toestemming is
verleend;
b. Onze Minister heeft
ingestemd met de statuten van deze rechtspersoon.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan Onze Minister krachtens het eerste lid een rechtspersoon slechts
kan erkennen indien aan deze rechtspersoon overeenkomstig deze regels een
certificaat is verleend en Onze Minister een erkenning kan
intrekken indien de betrokken rechtspersoon niet binnen een door Onze Minister
gestelde termijn overeenkomstig deze regels een certificaat verkrijgt.
-3. Alvorens een
rechtspersoon op grond van het eerste lid te erkennen, stelt Onze Minister het
College van toezicht sociale
verzekeringen in de gelegenheid hierover advies uit te
brengen.
-4. Een besluit tot
erkenning bepaalt de dag waarop de erkenning ingaat en wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Art.
60.
[Nadere regelgeving erkenning uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld waarin wordt bepaald aan welke
voorwaarden de statuten van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 59
ten minste
moeten voldoen om voor erkenning op grond van artikel 59
in aanmerking
te komen.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld waarin is bepaald dat een rechtspersoon
slechts voor erkenning op grond van artikel 59 in aanmerking komt indien die rechtspersoon met betrekking tot zijn
vermogensbestanddelen schriftelijk jegens de Staat verplichtingen op zich heeft genomen
overeenkomstig die regels.
-3. Indien de rechtspersoon als bedoeld
in artikel 59 een vennootschap is, wordt die vennootschap uitsluitend op
grond van artikel 59 erkend:
a. indien de aandelen in die
vennootschap zijn geplaatst bij een rechtspersoon waarvan de statuten voldoen aan regels
die zijn gesteld op grond van het vierde lid;
b. indien de rechtspersoon waarbij
aandelen in die vennootschap zijn geplaatst, met betrekking tot die
aandelen schriftelijk jegens de Staat verplichtingen op zich heeft genomen
overeenkomstig daaromtrent op grond van het vierde lid gestelde regels.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het derde lid.
Art.
61.
[Intrekking erkenning uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister
trekt de op
artikel 59 gebaseerde erkenning in, indien de erkende rechtspersoon:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van faillissement wordt
verklaard.
-2. Alvorens een erkenning op grond van
het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het
College van toezicht sociale
verzekeringen
in de gelegenheid hierover advies uit te brengen.
Art.
62.
[Intrekkingsgronden erkenning uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 580; Stb. 2001,
625]
-1.
Onze Minister
kan de op artikel 59 gebaseerde erkenning intrekken, indien de erkende rechtspersoon:
a. heeft gehandeld in strijd met bij
of krachtens de wet gestelde regels;
b. zijn statuten heeft gewijzigd
zonder voorafgaande instemming van Onze Minister;
c. zijn statuten niet
binnen een door Onze Minister gestelde termijn in overeenstemming heeft
gebracht met door Onze Minister aan hem kenbaar gemaakte
gewijzigde vereisten voor instemming met de statuten;
d. heeft gehandeld in
strijd met zijn statuten;
e. handelingen heeft
verricht die niet onder de statutaire doelstelling vallen en waarvoor
geen toestemming als bedoeld in artikel 50 verleend;
f. niet handelt
overeenkomstig instructies van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
g. werkzaamheden als
bedoeld in artikel 41 laat verrichten door één of meer andere
rechtspersonen of natuurlijke personen zonder schriftelijke toestemming van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Alvorens een
erkenning op grond van het eerste lid in te trekken, stelt Onze Minister het
College van toezicht sociale
verzekeringen in de gelegenheid hierover advies uit te
brengen.
Art. 63.
[Voorschriften rond intrekkingsbesluit] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
1998, 742; Stb. 2001,
625]
-1.
Onze Minister regelt in een besluit tot intrekking van de op artikel 59
gebaseerde erkenning,
voor zover
nodig, de gevolgen van die intrekking, nadat hij het College van toezicht sociale
verzekeringen en de Sociaal-Economische
Raad in de gelegenheid
heeft gesteld hierover advies uit te brengen.
-2. Een besluit tot
intrekking bepaalt de dag waarop de intrekking ingaat en wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Art. 64.
[Oprichting uvi door minister] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Onze Minister
kan een
rechtspersoon oprichten met welke het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
schriftelijke overeenkomsten als bedoeld in artikel 43 kan sluiten.
§
6. De uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen in de
overheidssector
Art. 65. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 768; Stb. 1997, 789;
Stb. 1997, 794; Stb.
2001, 625]
Art. 66.
[Gelijkstelling FAOP met Lisv en USZO met uvi] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 768; Stb. 1997, 794;
Stb. 2001, 625]
-1.
Voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 10,
12, 13, 14, 16,
47, 74, eerste en derde lid, 80, eerste, vierde en vijfde lid, de
artikelen in hoofdstuk 5, paragraaf 3, en de artikelen
87, 88, 89, 95,
96, 101 en 102 wordt het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel bij de uitvoering van de in artikel 46, eerste lid,
van de Wet
privatisering ABP omschreven taak gelijkgesteld met het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, alsmede wordt de Stichting
Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs,
bedoeld in artikel 2 van de Wet Stichting USZO, bij de uitvoering van de
overeenkomst, bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de Wet
privatisering ABP, voor zover die overeenkomst betrekking heeft op de in
artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, van die
wet omschreven
taak van het vorengenoemde Fonds gelijkgesteld met een uitvoeringsinstelling.
-2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, voor zover de in dat lid
genoemde artikelen de aanduiding "Onze Minister" voorkomt,
deze vervangen door:
Onze Minister, in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken.
-3.
Aanwijzingen betreffende de uitoefening van taken met betrekking tot de
toepassing van het eerste lid worden gegeven door Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
-4.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, op voordracht van Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken,
nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld worden met betrekking tot
het eerste lid.
HOOFDSTUK
5
Fondsbeheer,
uitvoeringskosten en verslaglegging
§
1.
Fondsbeheer
Art. 67.
[Fondsbeheer SVB en Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 706; Stb. 2001,
625]
-1. De
Sociale
Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen beheren en
administreren elk fonds, met uitzondering van de wachtgeldfondsen, afzonderlijk.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen beheert de wachtgeldfondsen gezamenlijk en administreert elk
wachtgeldfonds afzonderlijk.
-3. Indien met betrekking tot een fonds
de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt uit een
ander fonds.
-4. De Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen houden, elk afzonderlijk, de
financiële middelen die deel uitmaken van hun fondsen in één of meer rekeningen-courant bij
Onze Minister van Financiën.
-5. In afwijking van het vierde lid
kunnen de Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen een deel van de in het vierde lid
bedoelde financiële middelen buiten
de in het vierde lid bedoelde rekeningen-courant houden.
-6. Onze Minister van Financiën stelt
in overeenstemming met Onze Minister, na overleg met de Sociale
Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de omvang van
het in
het vijfde lid bedoelde deel van de financiële middelen vast.
-7. Onze Minister van Financiën kan in
overeenstemming met Onze Minister nadere regels stellen omtrent het
vierde tot en met het zesde lid.
Art.
68.
[Rekening-courant bij Minister van Financiën] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 706; Stb. 2001,
625]
-1. De
Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
kunnen, voor de uitvoering van hun
wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die zij in
rekening-courant bij Onze Minister van Financiën houden.
-2. Onze Minister van Financiën stelt
in overeenstemming met Onze Minister, na overleg met de Sociale
Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, regels omtrent
de rente
die over de saldi van de in artikel 67 bedoelde rekeningen-courant
wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.
-3. Onze Minister van Financiën brengt
voor het beheer van de in artikel 67 bedoelde rekeningen-courant geen
kosten in rekening.
-4. Bij een tekort aan financiële
middelen maken de Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister van Financiën
worden verleend.
Art.
69.
[Aansprakelijkheid Rijk bij betalingsonmacht SVB
of Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Indien de Sociale Verzekeringsbank of
het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
met betrekking tot verplichtingen ten
laste van een fonds niet meer tot betaling in staat is, is het Rijk tegenover degenen die recht op uitkering of
voorziening hebben op grond van wetten
waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank of het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, aansprakelijk voor de betaling
van de
uitkering of de verstrekking van de voorziening.
Art.
70.
[Jaarlijks rapportage/begroting fondsen aan
minister] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Jaarlijks vóór door
Onze Minister
vast te stellen tijdstippen zenden de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
aan Onze Minister en het College van toezicht sociale
verzekeringen
met betrekking tot elk fonds afzonderlijk:
a. een rapportage van de
ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met betrekking tot
de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de te verwachten
uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend
kalenderjaar.
-2. Onze Minister kan, na overleg met
het College van toezicht sociale verzekeringen, regels stellen omtrent de aard en
inrichting van de in het eerste lid bedoelde rapportage en van de
begroting van uitgaven.
Art.
71.
[Nadere regelgeving financiering fondsen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Onze Minister
kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, regels stellen over de wijze waarop en
de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen
die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd. [FA]
[Fh7W]
[FT] [FW] [RrsaW01]
Art.
71a.
[Wederzijdse informatieplicht minister en SVB/Lisv
t.a.v. rekeningen-courant] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 706; Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister van Financiën
informeert dagelijks de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
ten aanzien van de in artikel 67 bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of
transacties in de desbetreffende rekening-courant.
-2. De Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen informeren Onze Minister van
Financiën ten aanzien van de in artikel 67 bedoelde rekeningen-courant,
in elk
geval met betrekking tot de prognoses van de saldi van de desbetreffende
rekening-courant.
-3. Onze Minister van Financiën kan in
overeenstemming met
Onze Minister, na overleg met de Sociale
Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, nadere regels
stellen
omtrent het eerste en tweede lid.
Art.
72.
[Nadere regelgeving beheer fondsen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 706; Stb. 2001,
625]
Onze Minister
kan met betrekking tot
de door de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
beheerde fondsen regels stellen
betreffende:
a. de onderscheiding van het vermogen
van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen tot vaststelling van
de
omvang van deze bestanddelen;
b. de vorming, omvang en
instandhouding van reserves.
Art.
73.
[Rekening-courant geldelijke betrekkingen Lisv-uvi's] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
houdt een rekening-courant aan van de geldelijke betrekkingen
tussen dit instituut en de uitvoeringsinstellingen.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt regels met betrekking tot het aanhouden van de in het eerste lid
bedoelde rekening-courant.
Art.
74.
[Ctsv-controle inkomsten en uitgaven fondsen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1998, 290; Stb. 1998, 742;
Stb. 2000, 561; Stb. 2001, 625]
-1. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen
controleert of bedragen die door de Sociale
Verzekeringsbank,
het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
of een
uitvoeringsinstelling ten laste
of ten gunste van een fonds worden gebracht in
overeenstemming zijn met daaromtrent gestelde regels en daaraan redelijkerwijs te
stellen eisen.
-2. Indien het College van toezicht
sociale verzekeringen van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde
overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen die door de Sociale
Verzekeringsbank ten laste van een fonds zijn gebracht, doet hij hiervan
mededeling aan de Sociale Verzekeringsbank.
-3. Indien het College van toezicht
sociale verzekeringen van oordeel is dat de in het eerste lid bedoelde
overeenstemming ontbreekt met betrekking tot bedragen die door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen ten laste van een fonds zijn gebracht,
doet hij hiervan mededeling aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de betrokken uitvoeringsinstelling en deelt hij aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen mede welke bedragen het Landelijk instituut
sociale verzekeringen ten laste of ten gunste van het fonds brengt.
-4. Bij de toepassing van het derde lid
kan het College van toezicht sociale verzekeringen aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen opdragen dat betalingen aan een uitvoeringsinstelling ten laste van het
desbetreffende
fonds, geheel of gedeeltelijk worden
opgeschort.
-5. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan bedragen die, in gevallen als bedoeld in het
derde lid, niet ten laste van een in artikel 1, onderdeel h,
subonderdeel 1 tot
en met 4 en 10 tot en met 13, bedoeld fonds kunnen worden gebracht, ten laste brengen van een
wachtgeldfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
§
2.
Uitvoeringskosten
Art. 75.
[Begroting uitvoeringskosten Ctsv, SVB en Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen biedt jaarlijks vóór 1 augustus een
begroting van zijn uitvoeringskosten in het eerstvolgende kalenderjaar aan
Onze Minister
aan.
-2. De
Sociale
Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen bieden jaarlijks
vóór 1 augustus een begroting van hun uitvoeringskosten, met uitzondering van
de kosten van uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel
43, in het eerstvolgende kalenderjaar aan het College van toezicht
sociale verzekeringen aan.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen informeert jaarlijks vóór 1 oktober het College
van toezicht sociale verzekeringen omtrent de inhoud van de in artikel 43
bedoelde jaarovereenkomsten en de omvang van de kosten van uitvoering van die overeenkomsten, alvorens het
Landelijk
instituut sociale
verzekeringen die overeenkomsten sluit. Het College van toezicht sociale
verzekeringen deelt zijn oordeel over deze jaarovereenkomsten en kosten binnen een
door Onze Minister te stellen termijn mede aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 76.
[Vereisten begrotingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. De in
artikel 75
bedoelde begrotingen worden ingedeeld naar de kostensoorten personeel en
materieel.
-2. De in het eerste
lid bedoelde kostensoorten worden zodanig gespecificeerd en toegelicht dat een
overzichtelijk beeld ontstaat van de samenstelling ervan, van de
samenhang met de andere kostensoort en van de relatie met het niveau
van de dienstverlening.
-3. De in
artikel 75
bedoelde begrotingen gaan vergezeld van:
a. een weergave van de
gerealiseerde uitvoeringskosten in het voorgaande kalenderjaar;
b. een analyse van de
uitvoeringskosten in het lopende kalenderjaar;
c. een onderbouwde
raming van de uitvoeringskosten in de vier jaren die volgen op het
eerstvolgende kalenderjaar.
Art. 77.
[Budget uitvoeringskosten Ctsv, SVB en Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister stelt
jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten van het
College van toezicht sociale
verzekeringen in het eerstvolgende
kalenderjaar vast.
-2. Het College van toezicht sociale
verzekeringen stelt jaarlijks vóór 1 december de budgetten voor de
uitvoeringskosten van de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen, met uitzondering van de kosten van uitvoering van
overeenkomsten als bedoeld in artikel 43, in het eerstvolgende
kalenderjaar vast.
-3. Het College van toezicht sociale
verzekeringen brengt de op grond van het tweede lid genomen besluiten ter
kennis van Onze Minister.
Art.
78.
[Wijziging budget in lopende kalenderjaar] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister
kan besluiten het
budget voor de uitvoeringskosten van het
College van toezicht sociale
verzekeringen
in het lopende kalenderjaar te
wijzigen.
-2. Het College van toezicht sociale
verzekeringen kan besluiten het budget voor de uitvoeringskosten van de
Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
in het
lopende kalenderjaar te wijzigen.
-3. Het College van toezicht sociale
verzekeringen brengt de op grond van het tweede lid genomen besluiten ter
kennis van Onze Minister.
Art.
79.
[Budgetdiscipline] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
mogen met betrekking tot het personeel en materieel geen verplichtingen aangaan of
uitgaven doen die leiden tot
overschrijden van het voor hen vastgestelde budget.
-2. Wanneer het budget voor de
uitvoeringskosten van het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale verzekeringen niet
is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, zijn het College van toezicht sociale verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale verzekeringen
bevoegd, teneinde hun activiteiten gaande te houden, te beschikken over
ten hoogste vier twaalfde gedeelten van het budget dat laatstelijk voor
hen voor een geheel jaar is vastgesteld.
-3.
Onze Minister
kan besluiten dat een
in het tweede lid bedoelde rechtspersoon, in een geval als bedoeld in het
tweede
lid, kan beschikken over meer dan vier twaalfde gedeelten van
het budget dat laatstelijk voor deze rechtspersoon voor een geheel jaar is
vastgesteld.
Art.
80.
[Toerekening uitvoeringskosten] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 185; Stb. 2000, 561;
Stb. 2001,
625]
-1. De uitvoeringskosten van het
College van toezicht sociale
verzekeringen
worden toegerekend aan
de Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen.
-2. De
uitvoeringskosten van de Sociale Verzekeringsbank worden toegerekend aan het
Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds, het Algemeen Kinderbijslagfonds en
het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds.
-3. De
uitvoeringskosten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen worden toegerekend aan
het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen,
het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, het
Reïntegratiefonds,
het Toeslagenfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de wachtgeldfondsen, alsmede aan het
College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
1a van de Ziekenfondswet, en de Sociaal-Economische
Raad.
-4.
Onze Minister
stelt
regels omtrent de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toerekening
van uitvoeringskosten.
-5. In verband met
onderzoeken die de Nationale ombudsman, bedoeld in artikel 2 van de
Wet Nationale
ombudsman, instelt naar de wijze waarop het College van
toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
zich in een bepaalde
aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon
heeft gedragen, betaalt het College van toezicht sociale verzekeringen
jaarlijks aan Onze Minister een door Onze Minister vast te stellen
bijdrage in de kosten van de Nationale ombudsman. Dit bedrag wordt aangemerkt als uitvoeringskosten van het College van
toezicht sociale
verzekeringen.
Art. 81.
Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2000, 627; Stb. 2001,
625]
§
3.
Verslaglegging
Art. 82.
[Verslaglegging] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het boekjaar van
het College van toezicht sociale
verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
loopt van 1 januari tot en met 31 december.
-2. Het College van
toezicht sociale verzekeringen stelt jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en
het jaarverslag over het verstreken boekjaar vast.
-3.
Onze Minister
kan
regels stellen omtrent de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag van
het College van toezicht sociale verzekeringen en de daarin te verwerken
gegevens.
-4. De Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen stellen
jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening en het jaarverslag over het verstreken
boekjaar vast en bieden deze aan het College van toezicht sociale
verzekeringen aan.
-5. De Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen stellen jaarlijks vóór 1 juli voor
elk fonds, met uitzondering van de wachtgeldfondsen, afzonderlijk en voor
de wachtgeldfondsen gezamenlijk de jaarrekening en het jaarverslag
over het verstreken boekjaar vast en bieden deze aan het College van
toezicht sociale verzekeringen aan. De jaarrekening en het jaarverslag
betreffende de wachtgeldfondsen wordt verbijzonderd naar elk
wachtgeldfonds.
-6. De jaarrekeningen en jaarverslagen
van de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen, met inbegrip van de in het vijfde
lid
bedoelde jaarrekeningen en jaarverslagen, worden ingericht en vastgesteld met
inachtneming van de door Onze Minister te stellen regels. Deze
regels betreffen in elk geval de grondslagen voor de waardering van
activa en passiva, alsmede voor de bepaling van het resultaat.
Art.
83.
[Accountantscontrole] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Elke rechtspersoon, bedoeld in
artikel 82, eerste lid, geeft aan een deskundige als bedoeld in artikel 393 van
Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek opdracht tot onderzoek van elke jaarrekening die de rechtspersoon
vaststelt.
De opdracht kan worden gegeven aan een
organisatie waarin deskundigen als bedoeld in de vorige volzin
samenwerken.
-2. De deskundige, bedoeld in het
eerste lid, geeft de uitslag van zijn onderzoek in een verklaring weer. De verklaring
wordt aan de jaarrekening gehecht.
Art.
84.
[Jaarrekeningen, jaarverslagen en
rechtmatigheidsverklaringen Ctsv, SVB, Lisv en uvi's] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
Stb. 1998, 411; Stb.
1998, 742; Stb. 1999, 185;
Stb. 2001, 23; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625]
-1. De jaarrekeningen en jaarverslagen
van het
College van toezicht sociale
verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de
uitvoeringsinstellingen, waaronder begrepen de
in artikel 82, vijfde lid, bedoelde
jaarrekeningen en jaarverslagen, worden door het College van toezicht sociale
verzekeringen jaarlijks vóór 1 november aan
Onze Minister
aangeboden.
-2. Het College van toezicht sociale
verzekeringen biedt jaarlijks vóór 1 november een verklaring over de
rechtmatigheid van uitgaven en ontvangsten over het afgelopen boekjaar aan
Onze
Minister aan. De verklaring wordt verbijzonderd naar de Werkloosheidswet, de
Tijdelijke wet
beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten en de Wet arbeid en zorg. Tevens biedt het
College van toezicht sociale verzekeringen jaarlijks vóór 1 november een
verklaring over de rechtmatigheid van ontvangsten betreffende de premies
Ziekenfondswet over het afgelopen boekjaar aan het College
voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a
van de Ziekenfondswet,
het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1u
van de Ziekenfondswet en
aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan.
-3. Ten behoeve van de verklaring,
bedoeld in het tweede lid, bieden de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen jaarlijks vóór 1 juli een verklaring over de
rechtmatigheid van uitgaven en
ontvangsten over het afgelopen boekjaar aan het College van toezicht sociale
verzekeringen aan. De verklaring van de Sociale Verzekeringsbank wordt
verbijzonderd naar de uitgaven en ontvangsten met betrekking tot elk
door de Sociale Verzekeringsbank beheerd fonds. De verklaring van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt verbijzonderd naar de uitgaven
en ontvangsten met betrekking tot elk door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen beheerd fonds, alsmede elk wachtgeldfonds en de uitvoeringskosten van het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
Hieronder zijn niet begrepen de kosten van uitvoering van
overeenkomsten als bedoeld in artikel 43. De verklaring van de
uitvoeringsinstelling wordt verbijzonderd naar elke wet die het Landelijk instituut sociale
verzekeringen uitvoert alsmede de Ziekenfondswet en de kosten van uitvoering van de
overeenkomsten als bedoeld in artikel 43.
-4. Onze Minister kan regels stellen
omtrent de reikwijdte en strekking die de in het tweede en derde lid bedoelde
verklaringen dienen te hebben.
-5. Onze Minister brengt zijn oordeel
over de jaarrekening en het jaarverslag van het College van toezicht sociale
verzekeringen, alsmede zijn oordeel over de in het tweede lid bedoelde
verklaring van rechtmatigheid, ter kennis van het College van toezicht
sociale verzekeringen.
-6. Onze Minister brengt de
jaarrekeningen en jaarverslagen van het College van toezicht sociale verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen, waaronder begrepen de in artikel
82,
vijfde lid, bedoelde jaarrekeningen en jaarverslagen, alsmede de in het
tweede lid bedoelde verklaring van rechtmatigheid en zijn in het vijfde
lid bedoelde oordelen, ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
85.
[Liquidatiebalans ex Invaliditeitswet door SVB] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. De
Sociale Verzekeringsbank draagt
op een door
Onze Minister
vast te stellen tijdstip zorg voor een
liquidatiebalans van de verzekeringen, geregeld in de Invaliditeitswet in
verbinding
met de Liquidatiewet invaliditeitswetten.
-2. In elk kalenderjaar
draagt de Sociale Verzekeringsbank zorg voor een balans van het
Invaliditeits- en Ouderdomsfonds.
Art. 86.
[Nadere regelgeving rijksbijdrage voor bijzondere
uitvoeringskosten SVB] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 794; Stb. 2001,
625]
Indien in de middelen
tot dekking van de uitgaven verbonden aan de uitvoering van een door de
Sociale Verzekeringsbank uit te voeren regeling wordt voorzien door het
Rijk, anders dan door storting in een fonds, kunnen bij ministeriële regeling
regels worden
gesteld ten aanzien van het beheer van gelden, uitvoeringskosten en verslaglegging als bedoeld in dit
hoofdstuk. [Tog00]
HOOFDSTUK
6
Gegevensverstrekking
en geheimhouding
§
1.
Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze Minister, het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, de
uitvoeringsinstellingen en werkgevers
Art. 87.
[Gegevensverstrekking aan minister] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 2001, 625]
-1. Op verzoek van
Onze Minister
verstrekken het
College van toezicht sociale
verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen,
de
uitvoeringsinstellingen
en de sectorraden kosteloos alle door Onze
Minister gevraagde gegevens en inlichtingen.
-2. Op verzoek van Onze
Minister verlenen het College van toezicht sociale verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
uitvoeringsinstellingen aan door Onze Minister aangewezen personen
toegang tot en inzage in alle gegevens met betrekking tot de wetten
die zij
uitvoeren.
-3. Onze Minister kan
regels stellen omtrent de verstrekking van gegevens en inlichtingen als
bedoeld in het eerste en tweede lid.
Art. 88.
[Gegevensverstrekking aan Ctsv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Op verzoek van het
College van toezicht sociale
verzekeringen verstrekken de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen
en de sectorraden, overeenkomstig de
daarbij door het
College van toezicht sociale verzekeringen gestelde eisen en binnen de daarbij
door het College van toezicht sociale verzekeringen gestelde termijn,
kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die het College van toezicht sociale verzekeringen nodig acht voor de uitoefening
van zijn taak.
-2. Op verzoek van het
College van toezicht sociale verzekeringen verlenen de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de
uitvoeringsinstellingen en
andere rechtspersonen die werkzaamheden als bedoeld in artikel
41 verrichten
aan door het College van toezicht sociale verzekeringen aangewezen personen toegang tot en inzage
in alle gegevens die het College van
toezicht sociale verzekeringen nodig acht voor de uitoefening van zijn
taak.
Art.
89.
[Inlichtingenverplichting jegens sv-instellingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Een ieder verstrekt op verzoek aan
het
College van toezicht sociale
verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
of een uitvoeringsinstelling, kosteloos, alle gegevens en
inlichtingen
die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van wetten
door de desbetreffende rechtspersoon ten opzichte van:
a. hemzelf;
b. hem in wiens dienst dan wel ten
behoeve van wie hij werkt of gewerkt heeft;
c. hem die in zijn dienst dan wel te
zijnen behoeve werkt of gewerkt heeft.
-2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens en inlichtingen worden op verzoek verstrekt in schriftelijke vorm, of in
een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een termijn
die schriftelijk wordt gesteld bij het in het eerste lid bedoelde verzoek.
-3. Een ieder geeft op verzoek aan een
rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid inzage in alle bescheiden
en andere gegevensdragers, stelt deze op verzoek ter beschikking voor het nemen van afschrift en verleent
de ter zake verlangde medewerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wetten door de
desbetreffende rechtspersoon.
-4. Een ieder verstrekt op verzoek
onverwijld aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen inzage in een op hem
betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit redelijkerwijs nodig is
voor de uitvoering van wetten door de desbetreffende
rechtspersoon.
Art.
90.
[Inlichtingenverplichting werkgever jegens uvi |
Identificatie werknemer] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2000, 463; Stb. 2001,
625]
-1. De werkgever voert
een zodanige administratie dat hij aan de uitvoeringsinstelling
de inlichtingen kan verstrekken die
noodzakelijk zijn voor het verrichten van de in artikel
41 bedoelde werkzaamheden door de
uitvoeringsinstelling.
-2. De werkgever verlangt van de
verzekerde alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het
verrichten van de in artikel
41 bedoelde werkzaamheden door de uitvoeringsinstelling ten aanzien van de
verzekerde
zelf en verstrekt deze gegevens en
inlichtingen aan de uitvoeringsinstelling.
-3. De werkgever stelt bij de
uitvoering van zijn verplichting, bedoeld in het tweede lid, de identiteit van de
verzekerde vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht en neemt daarvan de aard, het nummer en
een afschrift op in de administratie.
-4. De werkgever treft in zijn bedrijf
zodanige maatregelen dat de daar werkzame personen gedurende de arbeidstijd aan
de verplichting, bedoeld in artikel 89, vierde lid, kunnen voldoen.
-5.
De werkgever verstrekt een afschrift van het document, bedoeld in het
derde lid, aan de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Wet arbeid
vreemdelingen, indien de verzekerde ten behoeve van
die werkgever een vreemdeling is als bedoeld in genoemde wet. Het
afschrift wordt onverwijld verstrekt na de aanvang van de arbeid door de
vreemdeling.
Art.
91.
[Melding werkgever aan uvi aanvang, beëindiging
en wijziging dienstbetrekking] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. De werkgever deelt de aanvang of
beëindiging van werkzaamheden door een verzekerde, alsmede de wijziging
in de arbeidsverhouding met de verzekerde, mede aan de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van hem
de in
artikel
41 bedoelde
werkzaamheden verricht.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
stelt regels omtrent het eerste lid.
Art.
92.
[Inlichtingenverplichting verzekerde jegens
werkgever] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. De verzekerde verstrekt op verzoek
aan de werkgever de door deze op grond van artikel 90, tweede lid,
verlangde gegevens en inlichtingen.
-2. De verzekerde verstrekt een op hem
betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht aan de werkgever
ter inzage en stelt hem in de
gelegenheid een afschrift van dit document te maken.
-3. Indien de verzekerde weigert de op
grond van artikel 90, tweede lid, verlangde gegevens en inlichtingen aan de
werkgever te verstrekken, doet de werkgever hiervan mededeling aan de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van hem de in
artikel
41 bedoelde werkzaamheden verricht.
Art.
93.
[Melding verzekerde aan uvi onjuiste
gegevensverstrekking werkgever] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Indien de melding of het overzicht,
bedoeld in artikel 48, gegevens bevat die niet juist of niet volledig zijn,
doet de verzekerde of de uitkeringsgerechtigde hiervan binnen één maand na
ontvangst van deze melding of dit overzicht schriftelijk mededeling
aan de uitvoeringsinstelling die ten aanzien van hem de in
artikel
41 bedoelde werkzaamheden verricht.
-2. Indien de verzekerde de in artikel
48 bedoelde melding niet binnen de in dat lid bedoelde periode heeft
ontvangen en redelijkerwijs kon weten dat hij deze melding had behoren te
ontvangen, doet hij hiervan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de
uitvoeringsinstelling.
-3. Indien de verzekerde weet of
redelijkerwijs kon weten dat de werkgever niet of niet op de juiste wijze
voldoet aan een hem in artikel 90, tweede lid, of artikel 91 opgelegde verplichting,
doet hij hiervan uit eigen beweging mededeling aan de
uitvoeringsinstelling.
Art.
94.
[Nadere regelgeving gegevensverstrekking] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Met betrekking tot de
artikelen 90
tot en met 93 stelt
Onze Minister
regels, na overleg met Onze Minister van
Financiën. [Bmsv]
-2. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
stelt nadere regels omtrent de inhoud van de gegevens die
ingevolge de artikelen 89, 90 en 91 aan de uitvoeringsinstellingen
verstrekt
worden en omtrent de vorm waarin die gegevens worden verstrekt.
Art.
95.
[Gegevensverstrekking overige instellingen en
personen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1999, 184; Stb. 1999, 185;
Stb. 1999, 595; Stb.
2000, 496; Stb. 2001, 23;
Stb. 2000, 628; Stb.
2001, 625]
-1. Alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
wetten
door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
of de
uitvoeringsinstellingen
worden aan het College van toezicht
sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen op
verzoek, kosteloos, verstrekt door:
a. de gemeentebesturen, de
belastingdienst alsmede degene aan wie op grond van artikel 20 van de
Arbeidsomstandighedenwet
1998 een certificaat als bedoeld in artikel
14, derde lid, van die
wet is verleend, het College voor
zorgverzekeringen,
genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet,
het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1u
van de Ziekenfondswet, de
ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld
in
artikel 4 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen,
risicofondsen,
stichtingen tot uitvoering van een
regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast
met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens
artikel 6 van de Toeslagenwet als inkomen worden aangemerkt;
c. de Kamers van Koophandel en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
d. de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet
2000;
e. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
f. de door
Onze Minister
aangewezen
ambtenaren als bedoeld in artikel 14 van de Wet
arbeid vreemdelingen,
artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en artikel 116 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
-2. Onze Minister van Justitie
verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, onverwijld
en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht op
een uitkering, aan de Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, waarbij hij gebruik kan
maken
van het
sociaal-fiscaal nummer.
Art. 96.
[Gegevensverstrekking griffiers rechtswezen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Griffiers van
colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, verstrekken op verzoek, kosteloos,
aan het College van toezicht sociale
verzekeringen, de
Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de uitvoeringsinstellingen
alle gegevens, inlichtingen en uittreksels uit of afschriften van uitspraken,
registers en andere stukken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
wetten
door de desbetreffende rechtspersoon.
Art. 97.
[Gegevensverstrekking werkgever aan verzekerde] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 794; Stb. 2001,
625]
De werkgever maakt aan
zijn verzekerden bekend:
a. de sector waarbij
hij is aangesloten of het sectoronderdeel waartoe hij behoort;
b. de naam en het
adres van de uitvoeringsinstelling
die ten aanzien van zijn verzekerden
werkzaamheden als bedoeld in artikel 41 verricht;
c. het percentage van
het loon dat ter zake van de premiebetaling voor de Werkloosheidswet wordt
ingehouden.
§
2.
Geheimhouding
Art. 98.
[Geheimhoudingsplicht] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Een ieder die is
betrokken bij de uitvoering van wetten
door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling en daarbij de beschikking
krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit
hoofde van ambt,
beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een
geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens,
behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht,
uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit dan wel bij of krachtens deze wet gestelde regels hem mededeling
toestaan.
-2. Het eerste lid is
mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame
personen die door het College van toezicht sociale verzekeringen,
de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen
of een uitvoeringsinstelling worden betrokken bij de uitvoering van
hun taken, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame
personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen.
Art. 99.
[Gebruik gegevens] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de uitvoeringsinstellingen
gebruiken
de gegevens en inlichtingen waarover zij bij de uitoefening van hun taken
beschikken
uitsluitend voor het doel waarvoor die gegevens en inlichtingen zijn verkregen, tenzij
bij of krachtens de wet gebruik voor een ander doel is voorgeschreven
of toegestaan.
§
3.
Verstrekking van gegevens en inlichtingen door het College van toezicht sociale verzekeringen,
de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
Art.
100. [Melding
sv-instellingen aan verzekerde en opsporingsambtenaren vermoeden
beloning onder minimumloon] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Indien het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
of een uitvoeringsinstelling
bij de uitvoering
van
een wet het gegronde vermoeden heeft dat het uitbetaalde loon en de
vakantiebijslag van een verzekerde minder bedragen dan waarop hij
ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag als minimumloon aanspraak heeft, doet het
College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of de uitvoeringsinstelling hiervan mededeling aan de verzekerde en
de ambtenaren, bedoeld in artikel 18b van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art.
101. [Gegevensverstrekking
sv-instellingen aan o.m. pensioen-, VUT- en risicofondsen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 1999, 184;
Stb. 2000, 628; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628]
-1. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
zijn bevoegd op
verzoek uit de door hen of in hun opdracht gevoerde administratie aan:
a.
bedrijfstakpensioenfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
Pensioen- en
spaarfondsenwet, ondernemingspensioenfondsen als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet, verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde lid,
onderdeel b, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en beroepspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel f, van de
Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling,
die pensioenregelingen uitvoeren, de gegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die
pensioenregelingen, voor zover de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de
gegevens betrekking hebben daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
b. stichtingen die
regelingen inzake vervroegd uittreden ingevolge een algemeen verbindend
voorschrift uitvoeren, de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van die regelingen, voor zover de
persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben
daardoor niet onevenredig wordt geschaad;
c. risicofondsen of
bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen of collectieve
voorzieningen voor werknemers, de gegevens te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de statuten en
reglementen van die fondsen of van die bij collectieve arbeidsovereenkomst
aangewezen instellingen of voorzieningen, voor zover de persoon
op wie de gegevens betrekking hebben daartoe schriftelijk
toestemming heeft verleend. Deze schriftelijke toestemming kan schriftelijk worden
ingetrokken.
-2.
Het College van
toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
verstrekken op verzoek aan degene aan wie op grond van artikel 20 van de
Arbeidsomstandighedenwet
1998 een certificaat als bedoeld in artikel 14, derde lid, van
die
wet is
verleend de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 indien degene op wie de gegevens
betrekking hebben daartoe schriftelijk toestemming heeft verleend.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit de
door hen of in hun opdracht gevoerde administratie aan derden de gegevens
te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 72 van de
Werkloosheidswet.
Art.
102. [Nadere
regelgeving gegevensverstrekking sv-instellingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Bij algemene
maatregel van bestuur wordt geregeld in welke gevallen het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
verplicht of
bevoegd
zijn tot verstrekking van gegevens aan bestuursorganen en
uitvoeringsinstellingen en in hoeverre kosten voor de verstrekking van die gegevens in
rekening mogen worden gebracht.
-2. De in het eerste
lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats voor zover het belang
van die gegevensverstrekking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degene
op wie de gegevens
betrekking hebben.
-3. In de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen gevallen worden
beschreven waarin het belang van verstrekking van gegevens opweegt tegen het
belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
HOOFDSTUK
7
Goedkeuring,
schorsing en vernietiging
Art.
103.
[Onthoudingsgronden goedkeuring besluit
sv-instelling] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 580; Stb. 2001,
625]
-1.
Indien een besluit
goedkeuring behoeft ingevolge een wet die wordt uitgevoerd door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling,
kan de goedkeuring
worden onthouden op de grond dat het besluit in
strijd met het recht of met het algemeen belang is, of niet voldoet aan eisen van
doelmatigheid.
-2.
Indien ingevolge
een wet, bedoeld in het eerste lid, een handeling de instemming behoeft van
Onze Minister, zijn de artikelen 10:28 tot en met
10:31 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
Art.
104. [Schorsing
en vernietiging besluit sv-instelling]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 580; Stb. 2001,
625]
-1.
Een besluit van het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen of een uitvoeringsinstelling
kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.
-2. Indien een besluit
naar het oordeel van het College van toezicht sociale verzekeringen voor
vernietiging in aanmerking komt, doet het College daarvan binnen twee
dagen nadat het besluit te zijner kennis is gekomen mededeling aan
Onze Minister. Het College geeft hiervan tegelijkertijd kennis aan het bestuursorgaan dat het besluit
nam en zo nodig aan het
orgaan dat met de
uitvoering van het besluit is belast.
-3. Het College van
toezicht sociale verzekeringen draagt zorg voor de totstandkoming van stukken waaruit de
gronden voor zijn in het tweede lid bedoelde oordeel
blijken en zendt deze stukken binnen één week na de in het tweede lid
bedoelde mededeling aan Onze Minister.
-4. Een besluit ten
aanzien waarvan het tweede lid is toegepast, wordt niet of niet verder
uitgevoerd voordat van Onze Minister de mededeling is ontvangen dat voor schorsing of
vernietiging geen gronden bestaan. Indien het besluit niet binnen vier weken na dagtekening van de in het tweede lid
bedoelde mededeling is
geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.
-5. Indien een
bekendgemaakt besluit niet is vernietigd binnen de tijd waarvoor het is geschorst,
wordt dit door de rechtspersoon die het besluit heeft genomen,
bekendgemaakt.
-6. Het koninklijk
besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging
wordt in het Staatsblad geplaatst.
HOOFDSTUK
7A
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en in verband met beroep
bij de Centrale Raad van Beroep
Art.
105. [Algemene
beslistermijnen aanvraag]
[Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 580; Stb. 1997, 789;
Stb. 2000, 627; Stb.
2001, 625]
-1.
Onverminderd artikel 105a worden beschikkingen op grond van deze
wet en de daarop berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke
termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een
persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking
niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
x
x
Art.
105a.
[Bijzondere beslistermijnen aanvraag] [Geschiedenis:
Stb. 2000, 627; Stb.
2001, 625]
-1. Een beschikking op grond van artikel
53, derde of vierde lid, wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst
van de aanvraag dan wel van de in artikel 53, derde lid, bedoelde
melding.
-2. Indien een beschikking als bedoeld in
het eerste lid niet binnen dertien weken kan worden gegeven, wordt dit
schriftelijk aan de aanvrager onderscheidenlijk degene die een melding
als bedoeld in artikel 53, derde lid, heeft gedaan, medegedeeld onder
vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
-3. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid informatie is gevraagd aan een
persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking
niet binnen dertien weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
x
x
Art.
106.
[Beslistermijn bezwaar] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 580; Stb. 2000,
627; Stb. 2001, 625]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
binnen dertien weken na ontvangst
van het bezwaarschrift.
x
x
Art.
106a.
[Beroep bij CRvB] [Geschiedenis:
Stb. 2000, 627; Stb.
2001, 625]
Tegen een besluit op grond van hoofdstuk 4, paragraaf 3, en op grond van
artikel 77, 78 of 79, derde lid, kan een belanghebbende beroep instellen
bij de Centrale Raad van Beroep.
x
x
HOOFDSTUK
8
Strafbepalingen
en andere bepalingen
Art.
107. [Strafbepaling
schending inlichtingenverplichting]
[Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 290; Stb. 1998, 742; Stb.
2001, 625]
Overtreding van de
artikelen 53, eerste lid, 89 en 97 van deze wet,
27a, vierde lid, en
36, vierde lid, van de
Werkloosheidswet, 33, vierde lid, en
45a, vierde lid, van de
Ziektewet, 29a,
vierde lid, en 57, vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48, vierde lid, en
63, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, 40, vierde lid, en 55, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 14a, vierde lid, en 20, vierde lid,
van de Toeslagenwet, 17b, vierde lid, en
24, vierde lid, van de
Algemene
Ouderdomswet, 17a, vierde lid, 24, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en
21, vierde lid, 35, vijfde lid, en
46, vierde lid, van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand of geldboete van de tweede categorie.
Art.
108.
[Strafbepaling schending artikel 90 en 91] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Overtreding van
artikel 90 of 91
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van
de derde categorie.
-2. Indien overtreding van artikel 90
of 91 opzettelijk geschiedt, wordt dit gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren en geldboete van de vierde categorie, hetzij met één
van deze straffen.
Art.
109.
[Misdrijf en overtredingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Het in
artikel 108, tweede lid,
strafbaar gestelde feit is een misdrijf.
-2. De in artikel 107 en
108, eerste
lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Art.
110.
[Aanwijzing en taken opsporingsfunctionarissen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. Met de opsporing van feiten die
zijn strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens
wetten
waarvan de uitvoering bij of krachtens deze wet is opgedragen aan
de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de
uitvoeringsinstellingen
alsmede, voor zover het feit voor de
toepassing van deze wet, onderscheidenlijk de andere hiervoor genoemde wetten,
van belang is, van de feiten omschreven in de artikelen 225
tot en met 227b, 447b, 447c en 447d van het Wetboek
van Strafrecht zijn, onverminderd artikel 141 van
het Wetboek van
Strafvordering, belast
de personen, aangewezen bij besluit van Onze Minister van
Justitie. Deze
personen zijn tevens belast met de opsporing van feiten, strafbaar
gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek
van Strafrecht, voor zover deze feiten
betrekking
hebben op een bevel, vordering of
handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
-2. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Art.
111.
[Binnentreden door opsporingsfunctionarissen] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1. De in
artikel 110 bedoelde personen
hebben toegang tot alle plaatsen indien de betreding van die plaatsen
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
-2. Wordt aan de in artikel 110
bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of wordt niet geantwoord op
hun aanmelding tot toelating, dan verschaffen zij zich toegang, desnoods
met inroeping van de sterke arm.
Art.
112.
[Nadere regelgeving tijdelijke voorzieningen
beperking instroom] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen
worden getroffen waarmee wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep behoeft
te worden gedaan op
wetten
die het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
uitvoert.
-2. Tijdelijke voorzieningen als
bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op samenwerking
tussen het Landelijk instituut sociale verzekeringen en:
a. één of meer Regionale Besturen
voor de Arbeidsvoorziening;
b. één of meer gemeenten;
c. één of meer diensten of
instellingen die werkzaamheden verrichten verband houdende met de werkzaamheden
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art.
113.
[Nadere regelgeving tijdelijke voorzieningen bij
taakverwaarlozing Ctsv, SVB of Lisv] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
-1.
Onze Minister
kan besluiten nemen
waarmee, zo nodig in afwijking van deze wet, voor een periode van ten
hoogste zes maanden voorzieningen worden getroffen voor het geval het
College van toezicht sociale
verzekeringen
uit de wet voortvloeiende
verplichtingen niet naar behoren nakomt.
-2. Onze Minister kan besluiten nemen
waarmee, zo nodig in afwijking van deze wet en de wetten
die zijn bedoeld
in de artikelen 25, eerste lid, onderdeel a, en
38, eerste lid, onderdeel
a,
voor een periode van ten hoogste zes maanden voorzieningen worden
getroffen voor het geval de Sociale Verzekeringsbank of het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
uit de wet voortvloeiende verplichtingen
niet naar behoren nakomt.
-3. Onze Minister zendt besluiten als
bedoeld in het eerste en tweede lid onverwijld aan beide kamers der
Staten-Generaal.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen
worden getroffen voor het geval het College van toezicht sociale verzekeringen uit de wet voortvloeiende
verplichtingen
niet naar behoren nakomt.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet en de wetten die zijn bedoeld
in de artikelen 25, eerste lid, onderdeel a, en
38, eerste lid, onderdeel
a,
tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval de Sociale
Verzekeringsbank of het Landelijk instituut sociale verzekeringen uit de wet
voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
Art. 114. Vervallen.
[Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 1999, 564;
Stb. 2000, 627 + bis;
Stb. 2001, 625]
Art.
115.
[Evaluatiebepaling] [Geschiedenis:
MvT; versie 26 februari 1997;
Stb.
2001, 625]
Onze Minister
zendt na elke periode
van vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de beide kamers der
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
deze wet.
Art.
116.
[Nadere regelgeving i.v.m. inwerkingtreding
liquidatiewetten en WAO] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
-1. In afwijking voor zover nodig van
hetgeen te dien aanzien elders is bepaald, kunnen bij ministeriële regeling ten
aanzien van personeel van de Sociale
Verzekeringsbank, de bedrijfsverenigingen en het op grond van
artikel 51 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen, zoals deze luidde op de datum vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, erkende Gemeenschappelijk
Administratiekantoor in verband met de inwerkingtreding van de Liquidatiewet
invaliditeitswetten, de Liquidatiewet
ongevallenwetten en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering regels worden vastgesteld met betrekking tot
indienstneming, ontslag, wachtgeld en overige rechten en verplichtingen.
-2. De uitgaven die voortvloeien uit de
op grond van het eerste lid gestelde regels, alsmede wachtgelden die
anders dan krachtens vorenbedoelde regels worden uitbetaald aan personeel
dat is ontslagen door de in het eerste lid genoemde instanties in
verband met de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wetten,
komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
-3. Het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen
kan nadere regels stellen omtrent het eerste en tweede lid.
Art.
117.
[Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
1. Bij Besluit
van 26 februari 1997, Stb. 1997, 97, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 maart 1997, met uitzondering van
artikel 22, derde lid, dat in werking treedt met ingang van 1 januari
1998, red.
Art.
118.
[Citeertitel] [Geschiedenis:
versie 26 februari 1997; Stb.
2001, 625]
Deze wet wordt aangehaald als:
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 26 februari
1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de zevenentwintigste
februari 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE VAN
TOELICHTING
|
|