|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1996-1997,
25 047
Invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 (Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1xx |
Inleiding |
| 1.1 |
Overgang van de taken
van het Tica en van de bedrijfsverenigingen op het Lisv |
| 1.2 |
Verheldering positie
Ctsv |
| 2 |
Bemiddeling
arbeidsgehandicapte personen |
| 3 |
Experimenteerartikelen |
| 4 |
Inkoopartikel Veegwet |
| 5 |
Onroerend goed |
| 6 |
Afwijkende wijze
tot stand komen sectorraad sector overheid en onderwijs |
| 7 |
Overgang regelstelling
door Tica of SVB naar minister |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
2. Het Ctsv en
de SVB |
| x |
Artikelen
2 en 3 |
| Hoofdstuk
3. Het Tica, de
bedrijfsverenigingen en de vereniging GAK |
| x |
Artikelen
4 t/m 8 |
| Hoofdstuk
4. Wijziging
van bijzondere wetten |
| x |
Artikelen
9 t/m 60 |
Algemeen
1. Inleiding
In hoofdstuk 1 van de
memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende wijziging van de
uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997; Kamerstukken II 1995-1996, 24 877, nr. 3; verder af
te korten als Osv 1997) is reeds aangekondigd dat dat wetsvoorstel wordt
gevolgd door een invoeringswet, waarin de met de Osv 1997 verband
houdende wijzigingen in andere wetten worden aangebracht.
Het
voorliggende wetsvoorstel strekt hiertoe. Daarnaast is in dit wetsvoorstel een
aantal kwesties van overgangs- en invoeringsrecht geregeld.
Zeer kort samengevat,
concentreren de in het wetsvoorstel Osv 1997 neergelegde wijzigingen
zich rond een tweetal punten. Allereerst zullen de taken van het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en van de
bedrijfsverenigingen worden overgenomen door een nieuw in te stellen Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.]. Daarnaast wordt de verhouding tussen de
onafhankelijke toezichthouder, te weten het College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.], en de minister enerzijds en die tussen dat college en de
uitvoeringsorganisaties (Sociale Verzekeringsbank,
SVB), Lisv en
uitvoeringsinstellingen anderzijds, verhelderd.
1.1. Overgang van de taken
van het Tica en van de bedrijfsverenigingen op het Lisv
In het wetsvoorstel
Osv 1997 wordt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de
wettelijke
ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekeringen, de Toeslagenwet
(TW), de
Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) [zie Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), red.], alsmede de wetten
die de uitvoering van deze wetten beheersen, opgedragen aan
het Lisv. Daarnaast krijgt het Lisv onder andere de taak de
reïntegratie van personen met recht op uitkering ingevolge bovengenoemde
wetten te bevorderen.
rblz.|2|
Daarmee
vervallen de
taken van het Tica en van de bedrijfsverenigingen. Dit is in het voorliggende wetsvoorstel geregeld. Opgemerkt
wordt dat het Tica en de bedrijfsverenigingen in het voorliggende wetsvoorstel niet worden
opgeheven. Hiertoe bestaat geen aanleiding, aangezien deze
instellingen niet bij wet zijn ingesteld, maar uit particulier initiatief voortgekomen
privaatrechtelijke rechtspersonen zijn. Door het vervallen van hun
erkenning verliezen zij hun publiekrechtelijke status. Daarna blijven zij
als
privaatrechtelijke rechtspersonen voortbestaan of worden zij door middel
van particulier initiatief ontbonden.
Het
Lisv dient alle
werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van zijn
beslissingen per sector of sectoronderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven
uit te besteden aan een erkende rechtspersoon. Deze rechtspersoon wordt
daarmee een uitvoeringsinstelling. Het is nadrukkelijk de bedoeling
dat het Lisv zich niet beperkt tot het uitbesteden van de voorbereiding en
uitvoering van de beslissingen, maar daarnaast de beslissingsbevoegdheid
mandateert aan de uitvoeringsinstellingen. Slechts in uitzonderingsgevallen dient het Lisv zelf besluiten te nemen.
Het
Lisv wordt
verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van de fondsen, zowel de
landelijke fondsen als het Algemeen Werkloosheidsfonds en het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds als voor de wachtgeldfondsen,
bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet (WW).
In
het voorliggende wetsvoorstel zijn bepalingen in andere
wetten en wetsvoorstellen betreffende het Tica of de
bedrijfsverenigingen voor het
merendeel zo gewijzigd
dat nu naar het Lisv verwezen wordt.
Ingevolge het
wetsvoorstel Osv 1997 dient het Lisv
de uitvoering van bovengenoemde wetten per
sector of sectoronderdeel door middel van overeenkomsten met
uitvoeringsinstellingen uit te besteden. Per
sector(onderdeel) dient
een administratieovereenkomst te worden afgesloten met een duur
van één of meerdere jaren en daarnaast per jaar een jaarovereenkomst.
Indien voor de betreffende sector door werkgevers- en
werknemersvertegenwoordigers een rechtspersoon in het leven is geroepen en deze
door het Lisv als sectorraad is erkend, dient het Lisv deze sectorraad in
de gelegenheid te stellen door middel van onderhandelingen met de uitvoeringsinstellingen conceptcontracten op te
stellen. De sectorraden
hebben daarnaast een adviserende rol bij de vaststelling van de
premiepercentages voor de wachtgeldfondsen en bij andere sectorspecifieke
aangelegenheden die de uitvoering van de werknemersverzekeringen
betreffen. Aldus blijft sectorspecifieke inbreng bij de uitvoering van de
werknemersverzekeringen - echter niet via een directe invloed op de claimbeoordeling
- ook onder de nieuwe
uitvoeringsorganisatie
van deze verzekeringen mogelijk.
1.2. Verheldering positie
Ctsv
In het wetsvoorstel
Osv 1997 is een aantal wijzigingen in het takenpakket van het
Ctsv aangebracht,
opdat de positionering van de toezichthouder ten opzichte van het veld
en van de minister verhelderd wordt. Op hoofdlijnen gaat het om
de volgende wijzigingen:
- de algemene
bevoegdheid van het Ctsv om vast te stellen welke besluiten van de uitvoeringsorganisaties vooraf ter goedkeuring dan wel
ter kennisneming moeten worden voorgelegd, gaat over op de minister;
- de
verantwoordingslijn tussen het Ctsv en de minister is scherper vastgelegd.
Duidelijker
is welke toezichtsproducten het Ctsv op welke tijdstippen dient op te
leveren. Dit zal overigens gedeeltelijk nog in een informatieprotocol moeten
worden geregeld;
rblz.|3|
- de
informatievoorzieningstaak van het Ctsv wordt in het wetsvoorstel Osv 1997
overgeheveld
naar de SVB respectievelijk het Lisv. Daarnaast is de onderzoekstaak van
het
Ctsv in dat wetsvoorstel beperkt tot onderzoek dat verband houdt met de toezichtstaak;
- de regelgevende
bevoegdheid van het Ctsv is beperkt tot het stellen van die regels die
noodzakelijk zijn voor het adequaat kunnen uitoefenen van toezicht.
De meeste van
bovengenoemde wijzigingen zijn verwerkt in het wetsvoorstel Osv 1997. Voor zover het bovenstaande ook dient te leiden
tot wijzigingen in
overige wetten, is dit in het voorliggende wetsvoorstel
verwerkt.
Daarnaast wordt in het
hiernavolgende ingegaan op een aantal meer beleidsmatige punten.
2. Bemiddeling
arbeidsgehandicapte personen
Op dit moment hebben de
bedrijfsverenigingen en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel
(FAOP)
op grond van artikel 16, tweede en
derde lid, Wagw mede tot taak personen met een arbeidshandicap te bemiddelen naar werk. Dit is een tijdelijke taak die op
een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip vervalt. Het kabinet is van mening dat de
arbeidsbemiddelingstaak van arbeidsgehandicapte personen bij de
inwerkingtreding van de nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
zou moeten overgaan van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.], overigens zonder dat dit
afbreuk doet aan de ruimte voor de effectieve uitoefening
van de reïntegratietaak van het Lisv. In de memorie van toelichting
bij het
wetsvoorstel Osv 1997 is aangegeven dat deze kwestie in het voorliggende wetsvoorstel
zou worden geregeld, na beschikbaar komen van het
rapport van de Regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) [zie onder
andere Samenwerkingsbesluit SWI, red.] inzake intake en aanbodanalyse gedeeltelijk
arbeidsgeschikten. Ook is
aangegeven dat het hier een complexe kwestie betreft. Inmiddels is
gebleken dat het niet mogelijk is om de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
op een verantwoorde manier in het voorliggende wetsvoorstel
te regelen en dit bovendien zo tijdig te doen dat de Raad van State in
staat zou zijn daarover te adviseren. Daarom is besloten één en ander
niet meer op te nemen in het voorliggende wetsvoorstel. Zo spoedig
mogelijk zal alsnog tot wetgeving worden overgegaan. Daarbij zal
niet alleen aandacht worden besteed aan de aanbevelingen in het
rapport van de Regiegroep SWI, maar ook aan inkooprelaties met
derden.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat bovengenoemde reïntegratietaak van
het Lisv geregeld is in in artikel
36, eerste lid, onderdeel
b, van het
wetsvoorstel Osv 1997. Daarin staat namelijk dat het Lisv de taak heeft te
bevorderen dat uitkeringsgerechtigden met een uitkering op basis van de
werknemersverzekeringen worden ingeschakeld in het arbeidsproces (een
gelijksoortige taak is in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van dat
wetsvoorstel opgenomen voor de SVB inzake de reïntegratie van
personen met een nabestaandenuitkering op basis van de Algemene
nabestaandenwet). Daarnaast is in het voorliggende wetsvoorstel
duidelijker
dan thans in artikel 16, tweede lid, Wagw is geschied, opgenomen dat
de arbeidsbemiddelingstaak van het Lisv en het FAOP een tijdelijke is.
Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zal deze taak worden
beëindigd. Met het treffen van dit koninklijk besluit zal echter worden gewacht
totdat de eerdergenoemde wetgeving waarin de nieuwe
bevoegdheidsverdeling is geregeld, in werking zal treden.
rblz.|4|
3. Experimenteerartikelen
In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Osv 1997 is in paragraaf 5.5 aangegeven
dat het kabinet voornemens is de discussie over de wenselijkheid van opname van experimenteerartikelen in de
materiewetten te voeren
bij de behandeling van voorliggend wetsvoorstel, op basis
van in dit wetsvoorstel op te nemen experimenteerartikelen.
Er is dan ook vanuit een positieve grondhouding gekeken naar de
mogelijkheid tot opname van dergelijke experimenteerartikelen in het onderhavige
wetsvoorstel. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is echter
duidelijk geworden dat het geen eenvoudige zaak is experimenteerartikelen
op te stellen die enerzijds gezien de ermee beoogde doelen voldoende
reikwijdte hebben, maar anderzijds niet een te breed vlak bestrijken.
Wat dit laatste betreft, moet bedacht worden dat het bij experimenteerartikelen gaat om het bij lagere regelgeving legitimeren
van situaties die in strijd zijn met één of meer wetten in formele zin.
Omdat daardoor de
betrokkenheid van het parlement wordt beperkt, dienen de gevallen waarin
contra legem handelen via een algemene maatregel van bestuur of
een ministeriële regeling kan worden toegestaan, zo duidelijk mogelijk te
worden ingekaderd. De materie blijkt te complex te zijn om
afdoende in het voorliggende wetsvoorstel, dat op 1 januari 1997 in werking
moet treden, geregeld te kunnen worden. Daarom is afgezien van opname
van experimenteerartikelen. In het kader van het nog op te stellen
wetsontwerp "Wet op de reïntegratie" [zie Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, red.] dan wel in het kader van de
implementatie van het eindadvies van de Regiegroep SWI zal op deze materie
worden teruggekomen.
4. Inkoopartikel Veegwet
In artikel XXXVI van de
Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten
TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen,
Stb. 1995, 691; verder Veegwet
genoemd) werd voor de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid geopend
ten behoeve van moeilijk plaatsbare ontslagwerklozen met
recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
(WW) diensten in te kopen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Het betreffende artikel,
dat voorvloeit uit afspraken in het kader van de zogenaamde
partijenovereenkomst, maakt het mogelijk dat de bedrijfsverenigingen
in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 voor een bedrag van ƒ50 000
000,-, ƒ45 000 000,-, ƒ50 000 000,- respectievelijk ƒ50 000 000,- (de
"Veegwetbudgetten") diensten inkopen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De eerste ervaringen met het Veegwetbudget 1996 wijzen uit dat de
aanbesteding bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie stroef verloopt. De kans
bestaat dat het Veegwetbudget 1996 aan het eind van 1996
niet volledig zal zijn aanbesteed. Daarom wordt het wenselijk geacht het
betreffende artikel zodanig te wijzigen dat een eventueel restant van dit
budget wordt overgeheveld naar 1997. In dat jaar zal derhalve niet
alleen kunnen worden ingekocht tot het reeds in het bestaande Veegwetartikel
neergelegde maximum van ƒ45 000 000,-, maar zal bovendien kunnen
worden ingekocht voor het eventueel niet in 1996 verplichte deel van het
Veegwetbudget 1996. Het vorenstaande is in het tweede lid van het
voorgestelde nieuwe artikel XXXVI
van de Veegwet neergelegd.
Voor de besteding van het
Veegwetbudget voor de jaren 1997, 1998 en 1999 is gekozen voor een
aanbestedingssystematiek die ten doel heeft onderuitputting voor die
jaren - en daarmee behoefte aan nieuwe overhevelingen van
restanten van het ene jaar op het andere - te voorkomen. Deze
systematiek houdt voor de Veegwetbudgetten 1998 en 1999 het volgende in:
rblz.|5|
- vóór 1 augustus
1997 respectievelijk 1998 verdeelt het Lisv
het jaarbudget 1998
respectievelijk
1999 over de sectoren en sectoronderdelen; per sector(onderdeel)
ontstaat zo een deelbudget;
- vervolgens gaan de uitvoeringsinstellingen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
onderhandelen over inkoopcontracten ten
behoeve van de doelgroep;
- vóór 1 oktober
1997 respectievelijk 1998 leggen de
uitvoeringsinstellingen de met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie gesloten contracten voor aan het Lisv en aan
de minister;
- het Lisv gaat na voor
welke sectoren of sectoronderdelen niet tot het volledige daartoe
beschikbare bedrag contracten zijn afgesloten met de Arbeidsvoorzieningorganisatie,
sommeert de restanten van deze deelbudgetten en verdeelt
deze vóór 1 november 1997 respectievelijk 1998 over de sectoren en sectoronderdelen waarvoor het deelbudget
wél volledig door
de
uitvoeringsinstellingen is aanbesteed. Vervolgens dienen de
uitvoeringsinstellingen die voor laatstgenoemde sectoren en sectoronderdelen
werken ervoor te zorgen
dat aanvullende inkoopcontracten worden gesloten met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het Lisv, waaraan de taak wordt gegeven ervoor
te zorgen dat de inkoopcontracten tot stand komen, dient hier vanuit
die taak op toe te zien.
Voor de besteding van het
Veegwetbudget 1997 is dezelfde systematiek gekozen, zij het - omdat de Osv 1997 pas met ingang van 1 januari 1997 in werking kan treden
- met andere grensdata, te weten 1 februari, 1 april en 1 mei.
Naar verwachting wordt
met deze systematiek bereikt dat
uitvoeringsinstellingen en Arbeidsvoorzieningsorganisatie
tijdig - namelijk zoveel
mogelijk vóór het
jaar waarin de daadwerkelijke dienstverlening plaatsvindt - afspraken hebben
gemaakt over het gebruik van het Veegwetbudget in dat jaar, met als
gevolg een goede bediening van de doelgroep en daarnaast
duidelijkheid bij de betrokken uitvoeringorganisaties. Mocht desalniettemin toch
onderaanbesteding van de Veegwetbudgetten dreigen, dan zal hierover
bestuurlijk overleg plaatsvinden met het Lisv
en
zo nodig met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
5. Onroerend goed
Dit wetsvoorstel regelt
onder meer de overgang van vermogensbestanddelen van de bedrijfsverenigingen, de
Vereniging Gemeenschappelijk
Administratiekantoor
(GAK) en het Tica naar het Lisv. Een onderdeel van die
vermogensbestanddelen is het onroerend goed in eigendom van de bedrijfsverenigingen
en de Vereniging GAK. In het verleden hebben de bedrijfsverenigingen en
administratiekantoren met publieke (uit decentrale en centrale fondsen)
middelen onroerend goed aangeschaft ten behoeve van de uitvoering van hun taken. In het kader van de
ontvlechting
bedrijfsverenigingen is destijds besloten om het onroerend goed bij de huidige
eigenaren te laten en de kwestie in het kader van de Osv 1997
nader te bezien.
Met dit wetsvoorstel wordt bereikt dat het eigendom van het
onroerend goed met bijbehorende verplichtingen (tijdelijk)
gecentraliseerd wordt bij het Lisv. Het beleggen in en het beheren van onroerend
goed behoort evenwel niet tot de structurele taken van het Lisv. Het
Lisv zal dan ook tijdelijk belast worden met het beheer en de afwikkeling
van het onroerend goed.
rblz.|6|
6. Afwijkende wijze
tot stand komen sectorraad sector overheid en onderwijs
Binnen de sector
overheid
en onderwijs worden de overheidswerkgevers die tot de sectoren van
het zogenaamde sectormodel arbeidsvoorwaardenoverleg
behoren, vertegenwoordigd door het Verbond Sectorwerkgevers
Overheid (VSO). Het VSO mist evenwel rechtspersoonlijkheid en
zal op die formele grond, bij toetsing aan de door de Sociaal-Economische Raad (SER) gehanteerde richtlijnen voor
representatieve organisaties, niet aangewezen kunnen worden als voor die sector
representatieve organisatie van werkgevers, als bedoeld in artikel 54 van het
wetsvoorstel Osv 1997. Binnen die sector is er evenwel geen andere organisatie
aan werkgeverszijde die een brede afspiegeling van de werkgevers binnen
de sector vormt, zodat in het uiterste geval sprake zou kunnen zijn
van de onmogelijkheid om voor deze sector een rechtspersoon op te
richten die als sectorraad zou kunnen worden erkend. Dit is niet voorzien en
het is uiteraard niet de bedoeling. Daarom is in hoofdstuk 6 van het
wetsvoorstel een artikel opgenomen dat ertoe strekt
de oprichting van een
sectorraad voor de sector onderwijs en overheid mogelijk te maken.
Daartoe wordt voorgesteld dat het Lisv een rechtspersoon als sectorraad kan
erkennen indien het bestuur van die rechtspersoon aan werkgeverszijde
bestaat uit een aantal leden dat is benoemd door natuurlijke personen
die zijn aangewezen door de Minister van Binnenlandse Zaken als
coördinerend minister voor het overheidspersoneel.
In het voorgestelde
artikel is ten aanzien van die natuurlijke personen de term "representatief" bewust niet gehanteerd, omdat toetsing aan de
richtlijnen van de SER ter zake niet aan de orde is. De Minister van Binnenlandse
Zaken zal in het kader van de aanwijzing van de natuurlijke personen de SER ook niet hoeven te raadplegen. De
minister zal in elk geval één of meer natuurlijke personen aanwijzen die het VSO
vertegenwoordigen, maar ook andere organisaties van werkgevers binnen de
sector overheid en onderwijs zouden zich daarvoor kunnen aanmelden.
Aan werknemerszijde doen
zich binnen de betrokken sector overigens geen problemen voor ten
aanzien van de rechtspersoonlijkheid. In het voorgestelde artikel is
derhalve de desbetreffende zinsnede van artikel
54, eerste lid, van het
wetsvoorstel Osv 1997 overgenomen.
Het voorgestelde artikel
zal slechts gedurende vier jaren gelden. Uiteindelijk is het uit een oogpunt van normalisering van de positie van de
overheidswerkgevers niet
meer dan redelijk dat het VSO rechtspersoonlijkheid verwerft teneinde te
kunnen blijven deelnemen in het bestuur van bedoelde sectorraad.
7. Overgang regelstelling
door Tica of SVB naar minister
Volgens de aanwijzingen
inzake zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), die onlangs zijn vastgesteld, kan slechts regelgevende bevoegdheid aan
ZBO’s worden toegekend
voor zover het organisatorische of technische onderwerpen betreft, of
in bijzondere gevallen mits in de bevoegdheid tot goedkeuring van de
regeling door de minister
is voorzien (aanwijzing 124f). In de sociale
verzekeringen is op nogal wat plaatsen de bevoegdheid of de
verplichting tot nadere regelgeving opgedragen aan het Tica of aan de SVB.
Bij de voorbereiding van het voorliggende wetsvoorstel
is nagegaan
in welke gevallen de bevoegdheid of de verplichting tot het
opstellen van lagere regelgeving gezien de aanwijzing over zou moeten gaan op
de overheid (regelstelling bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur of bij ministeriële regeling).
rblz.|7|
Bij deze
inventarisatie
is als uitgangspunt gehanteerd dat regelgeving die organisatorisch of
technisch van aard is of specifieke terreinen betreft bij de uitvoeringsorganisatie dient te blijven. Het opstellen van algemene,
niet specifieke regelingen waarbij het recht op, de hoogte van of de duur
van uitkeringen dan wel verstrekkingen wordt geregeld, dient echter door
of op initiatief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te geschieden. Bovengenoemde
inventarisatie heeft ertoe geleid dat in het voorliggende wetsvoorstel
is geregeld dat de volgende besluiten door of op initiatief van de
minister worden gesteld:
1. sanctiebesluiten; ¹
2. algemene
dagloonbesluiten;
3. besluit opleiding of
scholing met behoud van uitkering op grond van artikel
76, tweede lid, WW;
4. eventueel toekomstig
besluit verrichten onbeloonde activiteiten met behoud van uitkering op
grond van artikel 77, derde lid, WW.
1. De besluiten gebaseerd
op de artikelen 27, zevende lid, en 27a,
zesde lid, WW, 44, derde lid,
45,
vijfde lid, en 45a, zesde lid, Ziektewet,
29, vierde
lid, en 29a, zesde lid,
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
20, vierde lid, en 20a, zesde
lid, Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 14, vijfde lid, en
14a, zesde lid, Toeslagenwet,
17b, vijfde lid, en 17c,
zesde lid, Algemene Ouderdomswet, 17, vijfde lid, en
17a, zesde lid,
Algemene Kinderbijslagwet en 38, vijfde lid, en
39, zevende lid, Algemene
nabestaandenwet.
Bovengenoemde besluiten
zijn besluiten die de burgers raken en niet dermate technisch of
ingewikkeld van aard zijn dat zij door de uitvoering zouden moeten worden
opgesteld.
Wat betreft de vorm van
de besluiten - algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
- is uitgangpunt geweest de besluitvorming niet
hoger te leggen dan noodzakelijk, waardoor zo flexibel mogelijk met tussentijdse wijzigingen
kan worden omgegaan. Voorgesteld wordt de besluiten genoemd onder
2, 3 en 4 bij ministeriële regeling te stellen. Geregeld is tevens dat
het Lisv in deze nadere regels kan stellen. Mede gelet op het feit dat tot
invoering van de Osv 1997 deze regelgeving bij de uitvoering ligt, ligt
besluitvorming bij ministeriële regeling het meest voor de hand. Door het bij
ministeriële regeling vaststellen van dergelijke regels ligt het
initiatief bij de minister en kan nadere invulling aan de uitvoering worden
gedelegeerd. De sanctiebesluiten zullen echter bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden gesteld. Bij deze keuze heeft met name een
rol gespeeld, dat ook de sanctieregels op basis van de Algemene
bijstandswet in een algemene maatregel van bestuur zijn neergelegd.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk
2. Het Ctsv en
de SVB
Ingevolge deze wet wordt
de Osv, zoals deze luidde op de datum vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, ingetrokken. De rechtspersonen die zijn ingesteld
bij de
Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) zouden verdwijnen indien
dit niet door middel van een wettelijke regeling wordt voorkomen. Het is
wenselijk dat het Ctsv en de SVB,
die zijn ingesteld bij de Osv,
gehandhaafd worden. In de voorgestelde artikelen 2 en
3 wordt daarom
geregeld dat deze rechtspersonen gehandhaafd worden en identiek zijn
aan het Ctsv en de SVB, genoemd in respectievelijk de artikelen 3 en
17 van
de Osv 1997.
Hoofdstuk
3. Het Tica, de
bedrijfsverenigingen en de vereniging GAK
Het Tica en de
bedrijfsverenigingen zijn rechtspersonen die als zodanig zijn erkend op grond van
de Osv. Bij de inwerkingtreding van de intrekking van
laatstbedoelde wet vervallen die erkenningen. Deze rechtspersonen worden
daardoor niet ontbonden. Wel verliezen zij daarmee hun
publiekrechtelijke status. Na intrekking van de Osv bestaan rblz.|8|
deze rechtspersonen niet
meer als Tica en als bedrijfsverenigingen in de zin van laatstbedoelde
wet.
De
artikelen 4 en 5
regelen de vermogensovergang onder algemene titel van het Tica, de bedrijfsverenigingen en de vereniging GAK naar het
Lisv.
De in deze artikelen
gekozen term "vermogensbestanddelen" omvat onroerende zaken,
roerende zaken, vermogensrechten (bijvoorbeeld huurrechten en
vorderingen) en verplichtingen (bijvoorbeeld betalingsverplichtingen).
Ingevolge
artikel 6 gaan
de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Tica en de
bedrijfsverenigingen over op het Lisv. Dit betekent bijvoorbeeld dat de
verplichting tot betaling van (lopende) uitkeringen op grond van wetten die het
Lisv gaat uitvoeren, na inwerkingtreding van deze wet op het Lisv
rust. Ook kan het Lisv na inwerkingtreding van deze wet verschuldigde premies
invorderen.
In
artikel 7 is geregeld
dat door het Tica en de bedrijfsverenigingen genomen besluiten in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht na inwerkingtreding van deze
wet gelden als besluiten van het Lisv. Gedacht kan worden aan besluiten
waarbij uitkeringen worden toegekend of verschuldigde premies
worden vastgesteld. Een tot het Tica of een bedrijfsvereniging
gericht verzoek om een besluit te nemen, bijvoorbeeld een uitkeringsaanvraag,
wordt op grond van het tweede lid van artikel 7 beschouwd als een verzoek
dat is gericht tot het Lisv. Dit betekent onder meer dat de datum waarop
een dergelijk verzoek werd ingediend ongewijzigd blijft voor
de vaststelling van de termijn waarbinnen op het verzoek beslist moet
worden.
Artikel 8 regelt de
overgang van de processuele positie van het Tica en de bedrijfsverenigingen
naar het Lisv. Het begrip "bestuursrechtelijke
procedures" omvat niet
alleen de rechterlijke procedures, maar ook beroeps- en
bezwaarschriftenprocedures.
Hoofdstuk
4. Wijziging
van bijzondere wetten
In de bijzondere wetten
worden de wijzigingen aangebracht die verband houden met de invoering
van de nieuwe structuur van de uitvoeringsorganisatie. De bepalingen met
betrekking tot het Tica en de bedrijfsverenigingen worden in overwegende
mate vervangen door bepalingen betreffende het Lisv.
Bevoegdheden tot het stellen van regels en bevoegdheden tot het nemen van
besluiten in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht, die in de
huidige Osv waren toegekend aan het Tica en de bedrijfsverenigingen,
worden in de Osv 1997 hoofdzakelijk toegekend aan het
Lisv. Echter, daar
waar dat voor de duidelijkheid noodzakelijk is, wordt "de
bedrijfsvereniging"
vervangen door "de uitvoeringsinstelling".
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|