St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ORGANISATIEWET  SOCIALE  VERZEKERINGEN  1997

 

 

 

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1995-1996, 24 877

Wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen 1997)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Uitgangspunten
3 De uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen
3.1 De Sociale Verzekeringsbank
3.2 Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
3.3 De sectorraden
3.4 De uitvoeringsinstellingen
3.5 De relatie tussen het Lisv, de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen
3.6 Bevoegdheden van de minister ten opzichte van de SVB en het Lisv
4 Samenwerking en uitvoering in de regio
4.1 Inleiding
4.2 Wettelijk kader tot nog toe
4.3 Samenwerking in de praktijk: SWI
4.4 Rol voorliggend wetsvoorstel voor samenwerking en uitvoering in de regio
5 Het toezicht op de sociale verzekeringen
5.1 Inleiding
5.2 Aanbevelingen van de commissie-Van Zijl inzake het toezichtsmodel
5.3 Aanbevelingen van het interimbestuur van het Ctsv
5.4 Bestuursstructuur van het Ctsv
5.5 De inhoud van het toezicht door het Ctsv
5.6 Onderwerpen van toezicht
5.7 Besluiten die moeten worden voorgelegd aan het Ctsv of die de goedkeuring behoeven van het Ctsv
5.8 Toets van de mogelijkheden tot het houden van toezicht
5.9 Het toezichtsbeleid
5.10 Het afleggen van verantwoording door het Ctsv
6 De informatiehuishouding van de sector sociale verzekeringen
6.1 Inleiding
6.2 Hoofdlijnen
6.3 Berichtenverkeer tussen werkgevers, werknemers en uitvoeringsinstellingen
6.4 Verzekerdenadministratie
6.5 Gegevensuitwisseling
6.6 Informatievoorziening
6.7 Onderzoek
7 Financieel-technische aspecten
7.1 Budgettering en contractering
7.2 Begrotings- en jaarverantwoordingscyclus
7.3 Het financiële verantwoordingsproces
8 Effecten bedrijfsleven
8.1 Inleiding
8.2 Domeinafbakening
8.3 Directe effecten
8.4 Indirecte effecten
8.5 Kwantitatieve indicaties
8.6 Conclusie
8.7 Effecten voor de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid
9 Financiële aspecten
9.1 Inleiding
9.2 Effecten op de uitvoeringskosten.
9.3 Conclusie
10 Toetsing aan de concept-aanwijzingen inzake ZBO’s
xArtikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en aanwijzingsbevoegdheid van de minister (artt. 1 en 2)
Hoofdstuk 2. Het College van toezicht sociale verzekeringen (artt. 3 - 16)
||§ 1 Samenstelling van het bestuur en werkwijze (artt. 3 - 9)
||§ 2 Taak en bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen (artt. 10 - 16)
Hoofdstuk 3. De Sociale Verzekeringsbank (artt. 17 - 27)
||§ 1 Samenstelling van het bestuur en werkwijze (artt. 17 - 22)
||§ 2 Taken en bevoegdheden van de Sociale Verzekeringsbank (artt. 24 - 27)
Hoofdstuk 4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (artt. 29 - 64)
||§ 1 Samenstelling van het bestuur en werkwijze (artt. 29 - 32)
||§ 2 Taken en bevoegdheden van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (artt. 36 - 48)
||§ 3 Aansluiting van werkgevers bij sectoren (artt. 49 - 53)
||§ 4 Sectorraden (artt. 54 - 56)
||§ 5 Rechtspersonen met welke het Lisv uitvoeringsovereenkomsten kan sluiten (artt. 57 - 62)
||§ 6 De uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door overheidspensioenlichamen (artt. 63 en 64)
Hoofdstuk 5. Fondsbeheer, uitvoeringskosten en verslaglegging (artt. 65 - 84)
||§ 1 Fondsbeheer (artt. 65 - 72)
||§ 2 De uitvoeringskosten (artt. 73 - 80)
||§ 3 Verslaglegging (artt. 81 - 84)
Hoofdstuk 6. Gegevensverstrekking en geheimhouding (artt. 85 - 100)
||§ 1 Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze Minister, het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers (artt. 85 - 95)
||§ 2 Geheimhouding (artt. 96 en 97)
||§ 3 Verstrekking van gegevens en inlichtingen door het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen (artt. 98 - 100)
Hoofdstuk 7. Goedkeuring, schorsing en vernietiging (artt. 101 - 104)
Hoofdstuk 8. Strafbepalingen en andere bepalingen (artt. 105 - 113)

 
 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Een belangrijk onderdeel van het beleid op het terrein van de sociale verzekeringen is het streven om het beroep op deze sociale verzekeringen terug te dringen. Het streven is daarbij gericht op het ontwikkelen van een stelsel van sociale zekerheid waarbinnen naast bescherming ook activering een belangrijke plaats inneemt. In een dergelijk stelsel moeten de verantwoordelijkheden meer gelegd worden bij de individuele burger en het bedrijf. De mogelijkheden om het risico op het collectief af te wentelen dienen te worden verminderd. Een herijking van verantwoordelijkheden binnen het stelsel van sociale zekerheid is daarom een voorwaarde om tot een meer activerend stelsel van sociale zekerheid te kunnen komen. In dit kader zijn belangrijke wijzigingen aangebracht in de diverse socialeverzekeringswetten. Met name de recente privatisering van de Ziektewet en de onlangs bij u ingediende wijzigingen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn daarbij van belang.
     In dit wetsvoorstel zijn de voornemens uit het regeerakkoord en het kabinetsstandpunt, zoals opgenomen in de brief van 30 mei 1995 (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1), nader uitgewerkt. Deze voornemens beogen de uitvoeringsorganisatie zodanig te wijzigen dat deze beter in staat is om een bijdrage te leveren aan de beperking van het beroep op de werknemersverzekeringen.
     Bij brief van 24 juni 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 653, nr. 15) heeft de Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv [Ctsv: College van toezicht sociale verzekeringen, zie Inspectie Werk en Inkomen (IWI), red.] - ook wel de commissie-Van Zijl genoemd - het verslag aangeboden van het onderzoek dat zij op grond van de haar op 17 april 1996 gegeven opdracht heeft ingesteld. Tegen de achtergrond van de in het rapport vermelde conclusies, alsmede met het oog op de voorbereiding van de nieuwe Osv-wetgeving heeft de Commissie een aantal aanbevelingen gedaan. In deze toelichting gaat het kabinet op de relevante punten nader in.

     Daarnaast zijn in dit wetsvoorstel de gevolgen geregeld van artikel 118, eerste lid, van de huidige Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) ¹ waarin is opgenomen dat hoofdstuk IV van de Osv "Het Tijdelijk instituut rblz.|2| voor coördinatie en afstemming" (Tica) met ingang van 1 januari 1997 vervalt. In artikel 118, tweede lid, van de Osv is bepaald dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) bevordert dat uiterlijk een halfjaar vóór 1 januari 1997 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is ingediend waarin de gevolgen van het vervallen van hoofdstuk IV worden geregeld. Deze gevolgen hebben betrekking op vele onderdelen van de Osv.

1. Met "de huidige/bestaande Osv" wordt telkens bedoeld de Organisatiewet sociale verzekeringen, Stb. 1994, 790, die met ingang van 1 januari 1995 in werking is getreden en waarmee de Organisatiewet Sociale Verzekering, Stb. 1989, 119, kwam te vervallen, red.

     In dit wetsvoorstel wordt de opbouw van de Osv verbeterd en zijn inmiddels noodzakelijk gebleken reparaties in de Osv aangebracht.
     Het voorgaande heeft tot gevolg dat de tekst en de opbouw van de Osv ingrijpend worden gewijzigd. Dit is de reden dat ervoor is gekozen om een integrale nieuwe tekst van de Osv, de Osv 1997, aan u voor te leggen in plaats van een voorstel tot wijziging van de bestaande Osv. In de nieuwe tekst is voor onderdelen die ten opzichte van de Osv niet of nauwelijks gewijzigd behoeven te worden wel zoveel als mogelijk aangesloten bij de tekst van de bestaande Osv.

     De in dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen hebben in hoofdzaak betrekking op de uitvoeringsorganisatie voor de werknemersverzekeringen. Het hoofdstuk in de Osv dat betrekking heeft op de Sociale Verzekeringsbank (SVB) wordt slechts op onderdelen gewijzigd.

     De opbouw van het algemene deel van deze memorie van toelichting is als volgt. Na de inleiding worden de uitgangspunten geschetst die ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel (hoofdstuk 2). Dan volgt een schets van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (hoofdstuk 3). Daarna komt de samenwerking en de uitvoering in de regio aan de orde in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt ingegaan op het toezicht (hoofdstuk 5). Hoofdstuk 6 gaat over informatievoorziening en onderzoek. Dan volgt een schets van de effecten voor het bedrijfsleven in hoofdstuk 7. Daarna komen de financieel-technische aspecten aan de orde (hoofdstuk 8). Dan volgen de financiële effecten van dit wetsvoorstel (hoofdstuk 9). Tot slot komen de criteria voor zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) aan de orde (hoofdstuk 10).
     Dit wetsvoorstel zal nog worden gevolgd door een invoeringswet waarin de met dit wetsvoorstel verband houdende wijzigingen in andere wetten zullen worden aangebracht.

 

2. Uitgangspunten


     In het voorliggende wetsvoorstel wordt de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen ingrijpend gewijzigd met als doel de uitvoeringsorganisatie zodanig in te richten dat deze beter in staat is een bijdrage te leveren aan de beperking van het beroep op de werknemersverzekeringen. De met dit wetsvoorstel beoogde wijziging in de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen is het complement van de hiervoor in de inleiding aangeduide wijzigingen in de socialeverzekeringswetten. Op basis van dit wetsvoorstel ontstaat er voor alle betrokkenen bij de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen een existentieel belang bij een doelmatige uitvoering. Hierdoor zullen de uitvoeringsinstellingen effectiever gaan functioneren. Ook werkgevers en werknemers hebben, als diegenen die de premie voor de werknemersverzekeringen opbrengen, belang bij effectiever functionerende uitvoeringsinstellingen. Het existentiële belang van zowel de uitvoeringsinstellingen als werkgevers en werknemers zal een bijdrage leveren aan het streven om het beroep op de werknemersverzekeringen zo beperkt mogelijk te houden.

     rblz.|3| Het regeerakkoord beschrijft de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen als volgt. "In de Osv zal sectorale bestuurlijke verantwoordelijkheid zijn opgenomen in verband met de voorgestelde wijzigingen in met name de WAO. Deze verantwoordelijkheden zullen passen in een nieuwe totaalconstellatie. Deze heeft de volgende kenmerken:
- marktwerking in brede zin (uitvoering uitkeringsadministratie op contractbasis, premiedifferentiatie en de mogelijkheid tot verzekering bij particuliere verzekeraars bij arbeidsongeschiktheidsregelingen voor werknemers en sociaal geconditioneerde privatisering van de ZW) zal de verantwoordelijke besturen in staat stellen hun verantwoordelijkheid te dragen;
- er komt een van sociale partners onafhankelijke beoordeling van de aanvragen voor uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid;
- er komt een onafhankelijk toezichtsorgaan;
- er komt regionale uitvoering en integrale gevalsbehandeling. De aansluiting met de werkzaamheden van de gemeentelijke sociale diensten en de RBA’s zal moeten worden verzekerd".

     Een eerste uitwerking van de beleidsvoornemens tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie heeft plaatsgevonden in de brief van 30 mei 1995 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1). Deze brief is besproken in een algemeen overleg met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer op 29 juni 1995.

     In vervolg op het overleg met de vaste kamercommissie is op 18 juli 1995 (Stb. 1995, 372) artikel 31, derde lid, Osv in werking getreden. Op basis hiervan is de in genoemd artikel opgenomen opdracht aan de voorzitter van het Tica inzake het veranderingsproces, gericht op regionalisering van de uitvoeringsorganisatie, geëffectueerd. Deze opdracht is nader ingevuld bij brieven van 2 augustus 1995 (het veranderingsproces toekomstige uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen) en 4 september 1995 (het veranderingsproces gericht op de procesgerichte samenwerking) aan de voorzitter van het Tica. In vervolg op mijn brief van 2 augustus 1995 heeft de voorzitter van het Tica mij bij brief van 22 januari 1996 een nota aangeboden waarin de hoofdrichting wordt aangegeven van het toekomstig bestuursmodel zoals dat het volledige bestuur van het Tica voor ogen staat. De nota gaat met name in op de gewenste verhouding tussen het landelijk bestuur en de in te stellen sectorcommissies.¹ De nota van de voorzitter van het Tica heb ik bij de opstelling van dit wetsvoorstel betrokken.
     In vervolg op mijn brief van 4 september 1995 heeft de Regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) regelmatig aan mij gerapporteerd over de voortgang van SWI [zie o.m. Samenwerkingsbesluit SWI, red.]. Op 8 maart 1996 heeft de Regiegroep SWI mij het startdocument Samenwerking Werk en Inkomen toegezonden. Het startdocument heb ik aan beide Kamers gestuurd bij brief van 14 maart 1996. De Regiegroep SWI verwacht begin 1997 te rapporteren.

1. De termen landelijk bestuur en sectorcommissies worden gehanteerd in de brief van 30 mei 1995.

 

3. De uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen


3.1. De Sociale Verzekeringsbank


     Het hoofdstuk over de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is ten opzichte van het huidige hoofdstuk in de Osv slechts op een beperkt aantal onderdelen gewijzigd. In de toelichting ligt het accent daarom op de wijzigingen.


3.1.1. De taken van de SVB

     De taken van de SVB zijn:
rblz.|4| a. uitvoering van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919, de Invaliditeitswet en de Liquidatiewet Invaliditeitswetten;
b. bevorderen dat personen die een nabestaandenuitkering ontvangen op grond van de Anw worden ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en administreren van fondsen;
d. adviseren over de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften;
e. zorg dragen voor informatievoorziening in verband met de uitvoering van wetten door de SVB;
f. verrichten van andere taken waarvoor de minister toestemming heeft gegeven;
g. het opstellen van een plan van werkzaamheden voor het komende jaar.

     Ten opzichte van de huidige Osv krijgt de SVB een aantal nieuwe taken. Sinds de inwerkingtreding van de Anw dient de SVB te bevorderen dat personen die een nabestaandenuitkering ontvangen op grond van de Anw worden ingeschakeld in het arbeidsproces. Daartoe is ook voorgeschreven dat de SVB moet samenwerken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.].
     Verder is besloten dat de informatievoorzieningstaak van het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) wordt overgeheveld naar respectievelijk de SVB en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.]. In hoofdstuk 6 wordt nader toegelicht waarom de informatietaak is overgeheveld naar de SVB en het Lisv.

     Verder wordt voorgesteld om de SVB te verplichten om jaarlijks vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende jaar bij de minister in te dienen. In dit plan van werkzaamheden geeft de SVB aan op welke wijze zij de opgedragen taken denkt uit te voeren en welke prioriteiten daarbij gesteld worden. Over het concept-plan vindt overleg met de minister plaats. Nadat de SVB het plan heeft vastgesteld stuurt de minister een afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.

     Naast de hierboven beschreven nieuwe taken wordt een intensivering van de taken van de SVB voorgesteld. In het kader van de strakkere vormgeving van de verantwoordingsstructuur wordt ook van de SVB verwacht dat zij rechtmatigheidsverklaringen en doelmatigheidsrapportages gaat verstrekken aan het Ctsv met betrekking tot de door de SVB beheerde fondsen. Hierdoor wordt het Ctsv ontlast. In hoofdstuk 7 zal nader op de verantwoordingsstructuur worden ingegaan.


3.1.2. De bestuurssamenstelling van de SVB

     In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om het aantal leden van het bestuur van de SVB terug te brengen naar ten hoogste negen, plus een onafhankelijke voorzitter. Leden en voorzitter hebben ieder één stem. Verder wordt voorgesteld om geen plaatsvervangende leden meer te benoemen. Het bestuur van de SVB blijft tripartiete. Van de leden wordt één derde benoemd op voordracht van werkgeversorganisaties en één derde op voordracht van werknemersorganisaties. Eén derde, ten slotte, wordt zonder voordracht benoemd. Alle leden worden door de minister benoemd. De leden van het bestuur van de SVB stemmen zonder last.

     Het kabinet acht een bestuur van ten hoogste tien personen voldoende om de SVB te kunnen besturen. Dit aantal is vergelijkbaar met het aantal leden van andere organisaties, zoals bijvoorbeeld het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.]. In het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet rblz.|5| 1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 450, nr. 317) wordt voorgesteld dat het Centraal Bestuur uit negen leden bestaat.
     Een bestuur van tien personen is voldoende groot, om o
ok bij afwezigheid van één of twee leden besluiten te nemen. Het is daarom niet noodzakelijk dat er plaatsvervangende leden worden aangewezen. Wel dient het bestuur uit zijn leden één of meer plaatsvervangende voorzitters te benoemen.

     In afwijking van de huidige Osv wordt voorgesteld dat de minister de rechtspositie van de voorzitter van het bestuur van de SVB regelt. Thans is dit een bevoegdheid van de SVB en dient het bestuur van de SVB, op grond van de regeling van het Ctsv ex artikel 15 Osv, deze regeling ter goedkeuring voor te leggen aan het Ctsv.
     In dit wetsvoorstel is er om een aantal redenen voor gekozen om de minister de rechtspositie van de voorzitter te laten vaststellen. In de eerste plaats is het logisch dat degene die benoemt ook bepaalt welke rechtspositieregeling aan de functie gekoppeld is. Daarnaast is het wenselijk dat de rechtspositieregelingen van het bestuur van het Ctsv, de voorzitter van het Lisv en de voorzitter van de SVB op elkaar worden afgestemd. Daarom wordt voorgesteld om alle rechtspositieregelingen door de minister te laten vaststellen.
     De leden van het bestuur van de SVB hebben recht op een tijdverzuimvergoeding alsmede op een vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Het bestuur van de SVB dient ter zake een regeling op te stellen en deze ter goedkeuring aan de minister voor te leggen.

     Verder wordt voorgeschreven dat het bestuur van de SVB ten minste eenmaal per jaar een openbare vergadering houdt omtrent de vaststelling van de jaarrekeningen, de jaarverslagen en de begrotingen (van de organisatie zelf en van de fondsen die zij beheert en administreert) en dat het bestuursreglement goedkeuring van de minister behoeft en openbaar gemaakt dient te worden.

 

3.2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen


     Een belangrijk doel van herinrichting van de nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen is dat deze beter in staat is om een bijdrage te leveren aan de beperking van het beroep op de werknemersverzekeringen. De reïntegratie van uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt is daarom een centrale taak van de nieuwe uitvoeringsorganisatie. Om deze taak goed uit te kunnen voeren is het van belang dat de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen goed kan samenwerken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten, die de Algemene bijstandswet uitvoeren. Het zwaartepunt van de uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt daarom in de regio gelegd.
     Anderzijds is voor de uitvoering van de reïntegratietaak van belang dat sociale partners een bestuurlijke rol blijven vervullen. Dat betekent dat de uitvoeringsorganisatie niet alleen regionaal moet zijn ingericht, maar dat sociale partners ook bestuurlijk verantwoordelijk moeten zijn. Wat betreft het bestuursmodel van de nieuwe uitvoeringsorganisatie heeft het kabinet daarom gekozen voor een deconcentratiemodel: besturing uitsluitend op landelijk niveau, met mogelijkheden van sectorale inbreng en mandatering van de gevalsbehandeling naar het regionale niveau.

     Het Lisv krijgt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen, dat wil zeggen de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekeringen, de Toeslagenwet (TW) en de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) [zie Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), red.].
     rblz.|
6| Het Lisv wordt verplicht om de voorbereiding en uitvoering van besluiten op basis van deze wetten
door middel van overeenkomsten uit te besteden aan één of meer uitvoeringsinstellingen. Daarnaast is het Lisv bevoegd ook de beslissingsbevoegdheid aan deze uitvoeringsinstellingen te mandateren. Het kabinet is van mening dat dit in de normale situatie ook dient te gebeuren en dat het Lisv alleen in uitzonderingsgevallen zou moeten besluiten zelf de betreffende besluiten te nemen. De sectorale inbreng wordt via sectorraden ingevuld. De sectorraden hebben een adviserende bevoegdheid.

     In het kader van zijn wettelijke taakopdracht (artikel 31, derde lid, Osv) heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voorzitter van het Tica op 2 augustus 1995 gevraagd om inzicht te verschaffen in de gewenste verhoudingen tussen het landelijk bestuur en de in te stellen sectorcommissies.
     Op 22 januari 1996 heeft de voorzitter van het Tica op hoofdlijnen aangegeven hoe die verhouding vormgegeven kan worden. Deze hoofdlijnen worden gedeeld door het volledige bestuur van het Tica.

     De voorzitter van het Tica heeft geadviseerd om de nieuwe uitvoeringsorganisatie van de werknemersverzekeringen volgens de volgende hoofdlijnen ¹ in te richten.
     Het landelijk orgaan is het publieke orgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Dit orgaan bepaalt binnen wettelijke kaders, na inspraak vanuit het veld, aard en aantal te onderscheiden sectoren; het bepaalt tevens in welke sector een onderneming wordt ingedeeld. Het landelijk orgaan bepaalt binnen wettelijke kaders inzake premiedifferentiatie de wijze waarop de premies worden vastgesteld. Het landelijk orgaan is formeel de opdrachtgever voor de uitvoeringsinstellingen.

1. Het Tica hanteert in zijn adviezen de termen landelijk orgaan en sectororgaan. In dit wetsvoorstel is gekozen voor de termen Landelijk instituut sociale verzekeringen en sectorraden. Als ingegaan wordt op het Tica-advies worden de termen van het Tica gehanteerd.

     De voorzitter van het Tica stelt verder voor dat de sectorale betrokkenheid bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt verzorgd door sectororganen. De sectororganen zijn private organen van werkgevers en werknemers. Deze sectororganen adviseren het landelijk orgaan over sectorspecifieke zaken, waaronder de premiedifferentiatie en de opdrachtverlening aan de uitvoeringsinstellingen. De werkgevers en werknemers kunnen zelf bepalen of aan de sectororganen een bredere taakstelling wordt gegeven, bijvoorbeeld het laten uitvoeren van CAO-afspraken op het gebied van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden of arbeidsvoorziening.

     In het onderhavige wetsvoorstel heeft het kabinet deze hoofdlijnen in grote lijnen overgenomen. Het Lisv is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wetten en opdrachtgever van de uitvoeringsinstellingen. Het Lisv kan rechtspersonen erkennen als sectorraden, die het Lisv over sectorspecifieke aangelegenheden adviseren.
     In afwijking van het advies van de voorzitter van het Tica, blijft de minister echter verantwoordelijk voor de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren. Deze indeling vormt voor de structuur van de uitvoering van de werknemersverzekeringen zoals in dit wetsvoorstel neergelegd een zo belangrijk sturend element dat deze door de minister moet worden gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat dit geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie betreft: de indeling is sinds vele jaren een taak van de minister. Wel is het zo, zoals in paragraaf 3.3.1 wordt aangegeven, dat een wijziging van de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven na nauw overleg met het Lisv/Tica en de sociale partners zal worden vastgesteld.

rblz.|7| 
3.2.1. De taken van het Lisv

     Het Lisv krijgt de taken die op grond van de huidige Osv door de bedrijfsverenigingen en het Tica worden verricht.
     De belangrijkste taken van het Lisv zijn:
a. het laten uitvoeren van de werknemersverzekeringen door uitvoeringsinstellingen; inclusief de opdrachtverlening op basis van overeenkomsten na (eventuele) advisering door de sectorraden;
b. bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen worden ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en administreren van centrale en sectorale fondsen;
d. zorg dragen dat elke uitvoeringsinstelling een administratie voert, die voldoet aan de door het Lisv gestelde eisen;
e. in stand houden van een gemeenschappelijke verwijsindex;
f. zorg dragen voor de informatievoorziening werknemersverzekeringen;
g. uitvoeringstechnische advisering over voorgenomen beleid;
h. uitvoeren van de regeling indeling bedrijfs- en beroepsleven;
i. opstellen van een plan van werkzaamheden voor het komende jaar.


Ad a. Het laten uitvoeren van de wetten door uitvoeringsinstellingen

     In dit wetsvoorstel wordt, analoog aan artikel 57, eerste lid, van de huidige Osv, vastgelegd dat het Lisv alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van beslissingen van het Lisv omtrent prestaties en verschuldigde premies, op grond van een administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten per sector of sectoronderdeel laat verrichten door een rechtspersoon ¹ die erkend is door de minister.

1. In het wetsvoorstel is ervoor gekozen om de term uitvoeringsinstelling te definiëren als een door de minister erkende rechtspersoon, waarmee het Lisv overeenkomsten heeft gesloten.

     Op basis van dit wetsvoorstel is het Lisv verder bevoegd om de beslissingsbevoegdheid zelf aan de uitvoeringsinstellingen te mandateren. Zij zullen dan in naam en onder verantwoordelijkheid van het Lisv de beslissingen omtrent prestaties en verschuldigde premies nemen.

     Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat deze beslissingsbevoegdheid ook inderdaad aan de uitvoeringsinstellingen gemandateerd wordt. Een doelmatige uitvoering vergt in casu immers dat de beslissingen worden genomen door de instanties die ook de voorbereiding en de uitvoering van de besluiten verzorgen. Het kabinet is van mening dat slechts in uitzonderingsgevallen de eigenlijke besluitvorming door het Lisv zelf mag plaatsvinden. Te denken valt aan de situtatie waarin een uitvoeringsinstelling zijn verplichtingen niet nakomt en het Lisv overweegt de opdracht in te trekken en er nog geen nieuw contract met een andere uitvoeringsintelling is gesloten.

     Mandatering van de beslissingsbevoegdheid aan de uitvoeringsinstellingen betekent dat de uitvoeringsinstellingen, waarmee het Lisv overeenkomsten heeft gesloten feitelijk, namens het Lisv, de werknemersverzekeringen uitvoeren. De uitvoeringsinstellingen verzorgen dus de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging, de premieheffing en -inning, de reïntegratieactiviteiten en werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeentelijke sociale diensten.

     Eén van de uitgangspunten uit het regeerakkoord voor de nieuwe organisatie voor de uitvoering van werknemersverzekeringen is dat de claimbeoordeling onafhankelijk van sociale partners dient plaats te vinden.
     In het wetsvoorstel zijn hiervoor de volgende waarborgen gecreëerd:
     In de eerste plaats wordt voorgeschreven dat de voorbereiding en uitvoering van beslissingen op basis van de werknemersverzekerin
gen op rblz.|8| basis van overeenkomsten wordt uitbesteed aan de uitvoeringsinstellingen.
     Indien het Lisv van mening is dat de uitvoeringsinstelling niet handelt volgens de wettelijke normen en/of de overeenkomsten en voor bepaalde werkzaamheden de uitbesteding derhalve terug wil nemen van de gecontracteerde uitvoeringsinstelling, is het Lisv verplicht de uitvoering van deze werkzaamheden direct weer uit te besteden aan een andere erkende rechtspersoon. Het is dus niet mogelijk dat het Lisv zelf de werkzaamheden verricht die te maken hebben met de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen.
     De verplichte uitbesteding van de feitelijke werkzaamheden maakt het uit het oogpunt van een slagvaardige en flexibele uitvoering gewenst dat het Lisv de uitvoeringsinstelling ook de bevoegdheid verleent om alle beslissingen met betrekking tot prestaties en verschuldigde premies in naam van het Lisv te nemen. Door het mandateren van de beslissingsbevoegdheid aan de uitvoeringsinstelling wordt voldaan aan de wens van het kabinet dat sociale partners geen bemoeienis meer hebben met de claimbeoordeling.
     Omdat het kabinet ervan verzekerd wil zijn dat de claimbeoordeling conform de wettelijke normen plaatsvindt, zal de minister het Ctsv jaarlijks op grond van artikel 83 van de Osv vragen om een rapport uit te brengen over de wijze waarop de claimbeoordeling van de werknemersverzekeringen geschiedt. Zou uit dit rapport of uit tussentijdse signalen blijken dat het Lisv in zo grote mate zelf de beslissingen neemt dat daardoor een onrechtmatige of ondoelmatige uitvoering ontstaat, dan dient het Ctsv in te grijpen. Ook indien het Ctsv constateert dat de claimbeoordeling niet volgens de wettelijke normen plaatsvindt, zal het Ctsv moeten optreden. In eerste instantie zal het Ctsv in overleg treden met het Lisv. Indien het Lisv volhardt in het onjuist handelen, kan het Ctsv de tot zijn beschikking staande sanctiemiddelen inzetten en bijvoorbeeld het Lisv een aanwijzing geven.

     Ten aanzien van de premie-inning wordt het volgende opgemerkt. Bij diverse gelegenheden heeft de Tweede Kamer opgemerkt niet te willen uitsluiten dat de taken verbonden aan de premie-inning van de werknemersverzekeringen kunnen worden opgedragen aan de belastingdienst. Daarbij is direct opgemerkt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien blijkt dat de premie-inning efficiënter en goedkoper door de belastingdienst zou kunnen worden uitgevoerd dan door de uitvoeringsinstellingen. Om dat te kunnen beoordelen worden thans voorbereidingen getroffen om een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de effecten van de premie-inning door de belastingdienst en door de uitvoeringsinstellingen. Gelet echter op de duur van dat onderzoek en het tijdstip waarop dit wetsvoorstel in werking moet treden, zal de premie-inning vooralsnog door de uitvoeringsinstellingen worden uitgevoerd, uiteraard onder verantwoordelijkheid van het Lisv. Indien besloten zou worden dat de premie-inning van de werknemersverzekeringen uitgevoerd zal moeten gaan worden door de belastingdienst, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze dienst twee jaar voorbereidingstijd nodig heeft om deze taak ook daadwerkelijk uit te kunnen voeren.
     Nadat de resultaten van het onafhankelijke onderzoek bekend zijn, zal het kabinet zijn standpunt over de uitvoering van de premie-inning kenbaar maken aan de Tweede Kamer.

     De uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt op basis van meerjarige administratieovereenkomsten en jaarovereenkomsten neergelegd bij erkende rechtspersonen, die daardoor uitvoeringsinstellingen in de zin van de wet worden. De meerjarige administratieovereenkomst bevat het raamwerk waarbinnen het handelen van de contractspartijen zich moet begeven en bevat voorts concrete afspraken rblz.|9| die voor meerdere jaren gelden. In de wet is een aantal onderwerpen genoemd die in ieder geval in de overeenkomst geregeld moeten worden. De inhoud van met name de jaarovereenkomsten zal beïnvloed worden door het plan van werkzaamheden voor het komende jaar. De meerjarige administratieovereenkomsten moet het Lisv ter goedkeuring aan het Ctsv voorleggen, de inhoud van de concept-jaarovereenkomsten moet door het Lisv ter kennis van het Ctsv worden gebracht, waarna het Ctsv een bij ministeriële regeling te bepalen termijn heeft om zijn oordeel daarover aan het Lisv mede te delen.

     Het is de bedoeling dat het Lisv meerdere overeenkomsten sluit, namelijk voor sectoren of sectoronderdelen. De sectorraden kunnen zowel over het aantal als over de inhoud van de overeenkomsten en de te contracteren uitvoeringsinstelling adviseren. De sectorraden worden door het Lisv in de gelegenheid gesteld om voor de sector of meerdere sectoronderdelen één of meer concept-overeenkomsten op te stellen.

     In de huidige werknemersverzekeringswetten zijn de bedrijfsverenigingen en/of het Tica bevoegd om nadere regels te stellen. De bevoegdheid om nadere regels en richtlijnen voor de uitvoeringsinstellingen op te stellen wordt toegekend aan het Lisv. In de Invoeringswet Osv 1997 zullen de socialeverzekeringswetten dienovereenkomstig worden gewijzigd.


Ad b. Bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen worden ingeschakeld in het arbeidsproces

     Naast het verstrekken van uitkeringen aan personen die daar recht op hebben, is één van de kerntaken van het Lisv het reïntegreren van werkloze uitkeringsgerechtigden naar een baan. De concrete instrumenten die het Lisv voor deze taak kan doen inzetten, zijn of worden neergelegd in de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wagw. Het kabinet is voornemens om alle reïntegratiemaatregelen onder te brengen in een aparte wet en zal te zijner tijd een wetsvoorstel bij uw Kamer indienen [zie Wet Rea, red.].
     De uitvoering van de reïntegratietaken gebeurt door de uitvoeringsinstellingen.

     In het wetsvoorstel is met name ten behoeve van deze taak een aantal bepalingen opgenomen om te verzekeren dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen, voor zover dat noodzakelijk is, in de regio plaatsvindt. Met name voor de taken op het gebied van reïntegratie is het essentieel dat de uitvoeringsinstelling in de regio met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten afspraken kan maken en kan samenwerken.
     Daarom wordt voorgeschreven dat het Lisv Nederland zoveel mogelijk overeenkomstig de werkgebieden van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening (RBA’s) in regio’s indeelt. Verder wordt geëist dat het Lisv in de administratie- en jaarovereenkomsten bepaalt dat de uitvoeringsinstelling in elke Lisv-regio of combinatie van Lisv-regio’s een persoon de bevoegdheid verleent om beslissingen te nemen over de activiteiten die verband houden met de reïntegratietaak van het Lisv.

     Tot slot wordt ook voorgeschreven dat het Lisv ervoor moet zorgen dat de uitvoeringsinstelling in de woonplaats of in de nabijheid van de woonplaats van de uitkeringsgerechtigden voldoende bereikbaar is. Zie verder hoofdstuk 4.

rblz.|10| 
Ad c. Beheren en administreren van centrale en sectorale fondsen

     Het Tica beheert op dit moment de zogenaamde centrale fondsen, te weten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds. De zogenaamde sectorale fondsen, te weten de wachtgeldfondsen, worden beheerd door de bedrijfsverenigingen.
     In de onderhavige wet wordt het beheer van beide soorten fondsen opgedragen aan het Lisv.


Ad d. Zorg dragen dat elke uitvoeringsinstelling een administratie voert overeenkomstig de eisen van het Lisv

     Het kabinet is van mening dat er een uniforme en betrouwbare registratie van verzekerden (dienstverbanden), werkgevers en uitkeringsgerechtigden moet komen en is van mening dat de kwaliteit van de verzekerdenadministratie verbeterd moet worden. Het Lisv dient hierin een belangrijke taak te hebben. Daarom is deze taak expliciet aan het Lisv opgedragen.


Ad e. In stand houden van een gemeenschappelijke verwijsindex

     Onder de huidige Osv is het beheer van de Gemeenschappelijke Verwijsindex (GVI) in handen van een coöperatieve vereniging van bedrijfsverenigingen. Gezien het publieke belang van de GVI acht het kabinet het noodzakelijk dat het beheer van de GVI wordt opgedragen aan een publiekrechtelijke instelling, in casu aan het Lisv.


Ad f. Zorg dragen voor informatievoorziening werknemersverzekeringen

     In de huidige Osv is het Ctsv verantwoordelijk voor de informatievoorziening in verband met de uitvoering van de sociale verzekeringen. Thans wordt voorgesteld om deze taak over te hevelen naar het Lisv respectievelijk de SVB. In hoofdstuk 6 wordt toegelicht waarom het kabinet hiervoor gekozen heeft.


Ad g. Uitvoeringstechnische advisering over voorgenomen beleid

     Op grond van de huidige Osv kan de minister het Tica vragen om over beleidsvoornemens uitvoeringstechnisch advies uit te brengen. Deze taak wordt in dit wetsvoorstel aan het Lisv opgedragen.


Ad h. Uitvoeren van de regeling indeling bedrijfs- en beroepsleven

     Op grond van artikel 49 Osv deelt de minister het bedrijfs- en beroepsleven in. Het Lisv voert de indelingsbeschikking uit; het Lisv bepaalt namelijk welke werkgever in welke sector wordt ingedeeld.


Ad i. Opstellen van een plan van werkzaamheden voor het komende jaar

     Het kabinet stelt voor om het Lisv te verplichten om jaarlijks vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende kalenderjaar ter informatie aan de minister voor te leggen. In dit plan van werkzaamheden geeft het Lisv aan op welke wijze hij de opgedragen taken denkt uit te voeren en welke prioriteiten daarbij gesteld worden. Over het concept-plan wordt overleg gevoerd met de minister. Nadat het Lisv het plan heeft vastgesteld stuurt de minister een afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.

rblz.|11| 
3.2.2. De bestuurssamenstelling van het Lisv

     Het bestuur van het Tica bestaat uit vertegenwoordigers van (de centrales van) de werkgevers- en werknemersorganisaties en een onafhankelijke voorzitter. In het kabinetsstandpunt over de toekomstige uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1) heeft het kabinet aangegeven dat de intentie van het kabinet vooralsnog is dat de bestuurssamenstelling van het bestuur van het Lisv overeenkomt met die van het bestuur van het Tica.
     In het algemeen overleg met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 29 juni 1995 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 215, nr. 5) heeft een aantal leden van de Commissie aangegeven dat het bestuur van het Lisv tripartiete zou moeten worden samengesteld. In dat overleg heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de discussie over een andere bestuurssamenstelling met meer countervailing power zou worden gevoerd bij de behandeling van het wetsvoorstel en dat in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel het gekozen model uitgebreid zou worden gemotiveerd.

     In beginsel zijn er drie varianten denkbaar voor de samenstelling van het bestuur van het Lisv:
a. tripartiete (werkgevers, werknemers, onafhankelijke leden);
b. bipartiete (werkgevers en werknemers zonder onafhankelijke leden);
c. onafhankelijk bestuur (louter onafhankelijke leden).
     Aan de varianten a en b kan al dan niet een onafhankelijke voorzitter worden toegevoegd.

     Het kabinet kiest voor een tripartiete bestuurssamenstelling van het Lisv. Het kabinet is van mening dat er nog steeds goede redenen zijn om in de uitvoering van de werknemersverzekeringen te kiezen voor bestuursverantwoordelijkheid van sociale partners. Bij organisaties van werkgevers en werknemers is kennis en deskundigheid aanwezig die bijdragen aan een effectieve uitvoering. Werkgevers- en werknemersorganisaties beschikken over een belangrijk sociaal-economisch netwerk dat de realisering van publieke doelen en met name de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden ten goede kan komen. Voorts wordt door de medeverantwoordelijkheid van de sociale partners aan de uitvoering van de werknemersverzekeringen een existentieel belang voor die partijen gecreëerd. Tot slot worden sociale partners door participatie in het bestuur van het Lisv medeverantwoordelijk voor de publieke werknemersverzekeringen. Daarmee wordt een noodzakelijk draagvlak voor het publieke bestel gevormd.
     Bestuurlijke betrokkenheid van sociale partners heeft dus, naar de mening van het kabinet, een toegevoegde waarde. Daarnaast moet worden bedacht dat er beleidsmatig een steeds sterker accent wordt gelegd op de noodzakelijke verwevenheid van de beleidsterreinen arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorziening en sociale verzekeringen. De bestuurlijke verbinding hiertussen wordt gevormd door de organisaties van werkgevers en werknemers. Het kabinet acht het wenselijk dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid van sociale partners in de uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt gecontinueerd.
     Daarmee is het niet zozeer de vraag of, maar veeleer hoe en onder welke voorwaarden sociale partners bestuurlijk participeren. Uitgangspunt is wel dat sociale partners zich niet meer de facto bemoeien met de individuele gevalsbehandeling.

     Het kabinet stelt verder voor dat er in het bestuur van het Lisv ook onafhankelijke leden worden opgenomen. Om een aantal redenen heeft de toevoeging van onafhankelijke leden een meerwaarde. Allereerst rblz.|12| kunnen onafhankelijke leden specifiek op basis van deskundigheid c.q. persoonlijke capaciteiten worden benoemd. Daarnaast zijn zij niet gebonden aan een belangenorganisatie en kunnen zij door hun onafhankelijkheid een extra waarborg voor het dienen van het algemeen belang zijn. Ten slotte kunnen onafhankelijke leden door hun specifieke rol zorgen voor een goede, uitgebalanceerde besluitvorming.

     Voorgesteld wordt om het bestuur van het Lisv tripartiete samen te stellen met een onafhankelijke voorzitter. Naast de voorzitter bestaat het bestuur uit ten hoogste negen leden. Eén derde van deze leden wordt op voordracht van de werkgeversorganisaties benoemd. Eén derde op voordracht van de werknemersorganisaties en één derde van de leden, alsmede de voorzitter, wordt zonder voordracht benoemd. Alle leden en de voorzitter worden benoemd door de minister. Zij hebben allen één stem in het Lisv-bestuur.

     Om te waarborgen dat de leden van het bestuur niet bij voorrang het belang van de voordragende organisatie dienen, wordt in de wet voorgeschreven dat de leden van het bestuur functioneren zonder last van de voordragende organisatie. Overleg met de voordragende organisatie is natuurlijk altijd mogelijk en soms ook zeker wenselijk, maar het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de leden die voorgedragen worden door een bepaalde organisatie in opdracht van die organisatie stelling nemen.

     Met ten hoogste tien personen is het bestuur qua grootte vergelijkbaar met dat van het bestuur van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening. Een klein bestuur is efficiënter. Verder lijkt het niet noodzakelijk om apart plaatsvervangende leden te benoemen. Bij incidentele afwezigheid van een lid van het bestuur beschikt het bestuur immers nog altijd over voldoende draagkracht tot het nemen van beslissingen. Wel zullen uit de leden één of meer plaatsvervangende voorzitters moeten worden aangewezen.

 

3.3. De sectorraden


     Het Lisv laat zich bij de uitvoering van een aantal taken adviseren door sectorraden, om te bewerkstelligen dat, daar waar dat mogelijk en noodzakelijk is, de uitvoering wordt afgestemd op de verschillende sectoren of sectoronderdelen. Deze raden bestaan uit vertegenwoordigers van sectorale werkgevers- en werknemersorganisaties en adviseren het Lisv over een aantal aangelegenheden.
     Het Lisv kan ten behoeve van een bepaalde sector een rechtspersoon erkennen als sectorraad. Als er zich geen rechtspersoon beschikbaar stelt, wordt er geen sectorraad erkend en vindt er dus geen advisering aan het Lisv plaats. De activiteiten die anders aan de sectorraad zouden worden opgedragen, worden dan door het Lisv verricht.
     In de wet wordt voorgeschreven welke criteria het Lisv moet hanteren bij de erkenning van de sectorraden. De sectorraden dienen paritair samengesteld te worden uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. De minister wijst voor de betrokken sectoren representatieve organisaties aan.
     Het Lisv kan de erkenning van de sectorraad intrekken indien de sectorraad daar om verzoekt, tot ontbinding besluit, in staat van faillissement wordt verklaard, indien de kwaliteit van de advisering of de rapportages die de sectorraad maakt bij herhaling onvoldoende is of indien de sectorraad anderszins in gebreke blijft bij de uitoefening van zijn taken.

     De sectorraden adviseren het Lisv op de volgende punten:
rblz.|1
3| - de opdracht
verlening aan een uitvoeringsinstelling ten behoeve van (één of meer onderdelen van) een sector;
- de vaststelling van de sectorale premies;
- de overige sectorspecifieke aangelegenheden.

     Indien het Lisv een besluit neemt dat afwijkt van de adviezen van de sectorraad, dient het Lisv dat aan de sectorraad gemotiveerd mee te delen. Daardoor wordt de besluitvorming van het Lisv inzichtelijk.

     Om pragmatische redenen kan het ook zinvol zijn dat in opdracht van het Lisv de sectorraad (ook nadat de overeenkomst is gesloten) degene is die de reguliere contacten onderhoudt met de uitvoeringsinstellingen en het Lisv informeert over het verloop van de uitvoering van de afgesloten overeenkomst. De sectorraad kan in dat geval rapportages bij het Lisv indienen over de uitvoering van de administratie- en jaarovereenkomst door de betreffende uitvoeringsinstelling.

     Het is mogelijk dat er binnen één sector meer dan één overeenkomst wordt gesloten met verschillende uitvoeringsinstellingen. Indien er bijvoorbeeld een sector Overheid wordt samengesteld, die uit de huidige bedrijfsvereniging voor overheidspersoneel, de rijksoverheid, de gemeenten en de provincies bestaat, is het mogelijk dat er aparte contracten voor bijvoorbeeld het onderwijs, defensie of onderdelen daarvan met verschillende uitvoeringsinstellingen worden gesloten.


3.3.1. De indeling van het bedrijfs- en beroepsleven

     Omdat de sectorraden een adviserende rol krijgen richting Lisv, is het gewenst dat de samenstelling van de te vormen sectoren aansluit bij de hedendaagse organisatorische verbanden van bedrijven en brancheorganisaties. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de invulling van de taken van de sector succesvol is. Een aanpassing van de huidige indeling van het bedrijfs- en beroepsleven is hiervoor noodzakelijk.

     Het bedrijfs- en beroepsleven is voor de uitvoering van de diverse socialeverzekeringswetten verdeeld in verschillende onderdelen, ieder omvattende één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan. Elk onderdeel valt onder de werkingssfeer van een bedrijfsvereniging. De huidige ministeriële regeling stamt uit 1952 en is in de loop der jaren slechts op onderdelen gewijzigd.
     De indelingssystematiek behelst gedwongen aansluiting van werkgevers bij een bedrijfsvereniging. De indelingsbeschikking is het resultaat van historische en bedrijfsorganisatorische factoren, terwijl wat betreft de werkingssfeer van de bedrijfsverenigingen tevens een vergelijking is gemaakt met de werkingssfeer van andere voorzieningen of organisaties. Hierbij kan gedacht worden aan het ledenbestand van werkgevers- of werknemersorganisaties, de indeling voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomsten en bedrijfspensioenfondsen. Concurrentievoordelen voor bedrijven als gevolg van verschillen in af te dragen premies werden en worden aldus voorkomen.

     Op mijn verzoek heeft het Tica advies uitgebracht over de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren. Dit advies is op 23 augustus aan mij toegezonden en is als bijlage bij deze memorie gevoegd.¹ Ik ben voornemens dit advies op te volgen. Voor de indeling van het bedrijfsleven wordt de structuur van de huidige risicogroepen voor de wachtgeldfondsen rblz.|14| WW overgenomen. De onderdelen van het bedrijfsleven die thans onder het werkingsgebied van een risicogroep vallen, vormen dan een sector van het bedrijfsleven. Momenteel bestaan er 18 wachtgeldfondsen WW met daarbinnen in totaal 38 risicogroepen. Deze indeling betekent dus dat er 38 sectoren ontstaan. De mogelijkheid om per sector een sectorraad in het leven te roepen, leidt ertoe dat er maximaal 38 sectorraden kunnen worden gevormd.

1. Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

     Dit aantal kan nog stijgen, onder andere als gevolg van het onder de werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel. Daarnaast is bijvoorbeeld de bedrijfsvereniging (BV)-Hout voornemens om twee extra risicogroepen te vormen. Ook de BV Banken overweegt het vormen van een aantal extra risicogroepen.

     Aan de indeling op basis van de 38 risicogroepen is het belangrijke voordeel verbonden dat veel bestaande sociale regelingen zoals bedrijfstak-CAO’s en VUT- en pensioenregelingen wat betreft hun werkingsgebied overeenkomen met de risicogroepen binnen de wachtgeldfondsen. Een indeling in 38 sectoren sluit dus goed aan bij de bestaande sociaal-economische structuren en loopt langs de lijnen van de huidige bedrijfsverenigingen. Dit vereenvoudigt een spoedige invoering van het wetsvoorstel en voorkomt dat voor alle 330 000 werkgevers die momenteel zijn aangesloten bij een bedrijfsvereniging een duur en tijdrovend heronderzoek moet plaatsvinden. Tevens wordt vermeden dat onlangs afgesloten contracten tussen bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen, die een looptijd hebben tot 1 januari 2000, moeten worden opengebroken.

     Het feit dat er 38 sectoren gevormd worden, kan tot gevolg hebben dat er tevens 38 sectorraden gevormd gaan worden. Overigens is het niet noodzakelijk dat iedere branche/onderneming binnen de sector deelneemt aan de sectorraad. Ook is er geen plicht om voor een sector een sectorraad in het leven te roepen. Sociale partners kunnen daarnaast zelf, daar waar gewenst, initiatieven ontwikkelen om één sectorraad voor een cluster van sectoren te laten functioneren. De verwachting van het kabinet is dan ook dat het aantal sectorraden kleiner zal zijn dan 38.

 

3.4. De uitvoeringsinstellingen


     Het Lisv dient de uitvoering van de wetten neer te leggen bij door de minister erkende rechtspersonen. Het Lisv sluit ten behoeve van een sector of sectoronderdeel een meerjarige administratieovereenkomst met een uitvoeringsinstelling. Vervolgens wordt per sector of sectoronderdeel een jaarovereenkomst gesloten. De werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen op grond van de wetten worden verplicht uitbesteed aan de uitvoeringsinstelling. Als gevolg hiervan zal het Lisv in de praktijk de beslissingsbevoegdheid ter zake mandateren aan de uitvoeringsinstelling. Dat wil zeggen dat de uitvoeringsinstelling in naam en onder verantwoordelijkheid van het Lisv de wetten ten behoeve van een bepaalde sector of bepaald sectoronderdeel uit zal voeren (zie verder paragraaf 3.2.1).

     In de wet worden de minimumeisen gesteld waaraan de meerjarenovereenkomst en de jaarovereenkomst moeten voldoen.
     In ieder geval moet het Lisv in deze overeenkomsten wat betreft de reïntegratietaak afspraken maken over de noodzakelijke regionale uitvoering. Geregeld dient te worden dat de uitvoeringsinstelling op dit punt aan haar vertegenwoordiger in een regio of combinatie van regio’s voldoende bevoegdheden toekent, zodat de uitvoering ook daadwerkelijk in de regio plaatsv
indt. Dat betekent in ieder geval dat de vertegenwoordiger van de uitvoeringsinstelling in de regio bevoegd is om afspraken te maken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten in de regio.
     rblz.|1
5| Daarn
aast dienen de uitkeringsgerechtigden zich in of in de nabijheid van hun woonplaats tot een frontoffice van de uitvoeringsinstelling te kunnen wenden. Dit kan zowel een vast kantoor als een mobiel kantoor zijn. Verder kan de frontoffice zowel in een kantoor van de uitvoeringsinstelling, van het RBA of van de gemeente gesitueerd zijn.

     In de overeenkomsten dient verder geregeld te worden op welke wijze de uitkeringsgerechtigden betrokken worden bij besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten door de uitvoeringsinstelling ten aanzien van uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd, de zogeheten cliëntenparticipatie. Deze verplichting geldt ook op grond van de huidige Osv. De cliëntenparticipatie heeft met name een signaalfunctie (informerend/adviserend) ten opzichte van de beleidsbepalende en uitvoerende organen in de sociale zekerheid. De wijze waarop de cliëntenparticipatie wordt vormgegeven is overgelaten aan de organen zelf. In de modelovereenkomst (artikel 7) van het Tica is het volgende omtrent de cliëntenparticipatie vastgelegd. De uitvoeringsinstelling zal:
- in ieder geval één keer per jaar schriftelijk een enquête onder een representatieve vertegenwoordiging van uitkeringsgerechtigden organiseren, teneinde adviezen in te winnen over de wijze waarop de wetten door de uitvoeringsinstellingen dienen te worden toegepast;
- de informatie uit deze enquête bij de bespreking over de totstandkoming van het jaarplan inbrengen, teneinde daarmee bij de vaststelling ervan rekening te houden;
- verslag doen van de na de totstandkoming van het jaarplan uiteindelijk te volgen werkwijze.

     Voorts is bepaald dat de uitvoeringsinstelling gerechtigd is op een andere en/of meer uitvoerige wijze te voorzien in de betrokkenheid van uitkeringsgerechtigden bij de besluitvorming, mits aan de minimuminvloed van uitkeringsgerechtigden op de besluitvorming geen afbreuk wordt gedaan en vooraf toestemming van de bedrijfsvereniging is verkregen. Veel bedrijfsverenigingen hadden voor de invoering van het onderdeel cliëntenparticipatie in de Osv al overleg met organisaties van uitkeringsgerechtigden. Het karakter van dit contact varieerde van ad hoc tot structureel. Overigens beperkte dit contact zich tot de populatie WAO-gerechtigden. Eén van de belangrijke redenen hiervoor is dat belangenorganisaties zich in het algemeen beperken tot deze categorie uitkeringsgerechtigden.

     Inmiddels hebben alle bedrijfsverenigingen de invulling van de cliëntenparticipatie ter hand genomen. Een aantal bedrijfsverenigingen is inmiddels gestart met cliëntenparticipatie.
     De vorm waarvoor wordt geopteerd is in grote lijnen die van het klantenpanel. Periodiek vindt er een bijeenkomst met het panel plaats. De samenstelling van het panel vertoont in de praktijk enige verschillen. De verschillen zijn gelegen in het al dan niet georganiseerd zijn van de deelnemende uitkeringsgerechtigden. Sommige panels beperken zich tot de georganiseerde uitkeringsgerechtigden en hun hun belangenorganisaties. In de andere panels zijn ook de ongeorganiseerde uitkeringsgerechtigden opgenomen.
     De bedoeling van de panels is de aldus verkregen informatie bij de besluitvorming van de bedrijfsverenigingen te betrekken. De bedrijfsvereniging informeert de deelnemers uiteindelijk over de gemaakte keuzes.

     Omdat veel bedrijfsverenigingen recentelijk zijn begonnen met het invulling geven aan de verplichting uit de Osv ten aanzien van de cliëntenparticipatie, zijn er nog geen evaluaties beschikbaar naar het functioneren van de verschillende klantenpanels.
     rblz.|1
6| Ook d
e SVB wil in de sturing, aanpassing of ontwikkeling van haar uitvoering en beleid nadrukkelijk inspelen op de behoeftepatronen van haar klanten. Een goede antenne- en monitorfunctie gericht op de externe omgeving is daarvoor een belangrijke voorwaarde. Daarom heeft de SVB een Landelijke Adviesraad SVB opgericht. De Landelijke Adviesraad (LAR) adviseert de hoofddirectie over de manier waarop de SVB zich aan klanten presenteert. De leden zijn deskundigen uit de kringen van landelijk representatieve organisaties voor ouderen, vrouwen, minderheidsgroepen en werknemers. De LAR, die tweemaal per jaar bijeenkomt, is ingesteld in 1992 en heeft vanaf dat moment een veelheid van onderwerpen gerelateerd aan het klantenbeleid behandeld. Recent is door de LAR een advies uitgebracht over de opzet en werking van de toekomstige frontofficefunctie van de SVB. In augustus 1995 heeft een evaluatie plaatsgevonden naar het functioneren van de LAR. Geconcludeerd werd onder meer dat de samenwerking tussen de SVB de LAR naar tevredenheid is verlopen.


3.4.1. De erkenning

     Rechtspersonen die uitvoeringsinstellingen willen worden, worden erkend door de minister, indien zij voldoen aan de erkenningscriteria (Stcrt. 1995, 226). De erkenningscriteria die op grond van de huidige Osv zijn gesteld, worden grotendeels gehandhaafd. Dat betekent dat toegestaan wordt dat uitvoeringsinstellingen onder strikte voorwaarden onderdeel uit kunnen maken van een holding met meerdere vennootschappen. In de erkenningscriteria, die zijn toegeschreven op vennootschappen, worden juridische eisen gesteld aan de inrichting van de vennootschap/uitvoeringsinstelling en indien de uitvoeringsinstelling onderdeel is van een holding, ook aan de vennootschap/holding.
     Als de uitvoeringsinstelling een onderdeel is van een holding, dient er een strikte scheiding aangebracht te worden tussen het publieke en het private deel van de holding. Verder worden eisen gesteld aan de aandeelhouders, de raad van bestuur en de raad van commissarissen.
     Daarnaast wordt geëist dat de aandeelhouders van de uitvoeringsinstelling een overeenkomst met de Staat der Nederlanden sluiten waarin wordt verklaard dat, indien de Staat der Nederlanden de aandelen van de uitvoeringsinstelling wil hebben, deze door de aandeelhouder worden overgedragen aan een door de minister aangewezen rechtspersoon.
     In de erkenningscriteria is ook geregeld welke bedrijven onderdeel uit mogen maken van een holding waar de uitvoeringsinstelling onderdeel van is, namelijk bedrijven die activiteiten verrichten die verwant zijn aan de uitvoering van (sociale) verzekeringen.
     Eén van de activiteiten is arbeidsbemiddeling van werkzoekenden. Naar aanleiding van de motie-Van Nieuwenhoven (Kamerstukken II 1995-1996, 24 215, nr. 8) heeft het kabinet zich afgevraagd of een bemiddelingsbedrijf in de private poot van een holding de samenwerking in de regio met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten zou kunnen belemmeren. De samenwerking in de regio zou gevaar lopen als er sprake is van oneerlijke concurrentie tussen arbeidsbemiddelingsbedrijven in de holding en arbeidsbemiddelingsbedrijven buiten de holding (de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of andere particuliere bemiddelaars).
     Het kabinet vindt de ontwikkeling van de samenwerking in de regio van zo groot belang dat geen enkel risico mag worden gelopen. Het door een uitvoeringsinstelling gebruik maken van diensten van een arbeidsbemiddelingsbedrijf in de holding acht het kabinet dan ook ongewe
nst. De erkenningscriteria zullen dienovereenkomstig worden aangepast.
     rblz.|1
7| Opg
emerkt wordt nog dat het kabinet de erkenningscriteria van een zo groot belang acht dat deze zullen worden neergelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB).

     Alle rechtspersonen die voldoen aan de erkenningscriteria krijgen van de minister een erkenning en kunnen daarmee dus meedingen naar de opdrachten van het Lisv.
     De markt is dus open, zij het dat de huidige bedrijfsverenigingen in het kader van de zogenoemde ontvlechtingsoperatie contracten hebben gesloten met de huidige vier erkende uitvoeringsinstellingen, te weten GUO Uitvoeringsinstelling BV, SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekeringen NV, GAK Nederland BV en Uitvoeringsinstelling Cadans, die een looptijd hebben van vier jaar, tot het jaar 2000.
     In het kader van de ontvlechtingsoperatie is afgesproken dat, na afloop van deze contracten, aan alle op dat moment erkende uitvoeringsinstellingen een nieuwe offerte moet worden aangevraagd. Dit uitgangspunt zal ook in de ministeriële regeling op grond van artikel 41, vijfde lid, van het wetsvoorstel worden vastgelegd.
     Het Ctsv zal bij de beoordeling van de administratieovereenkomsten niet alleen toetsen op rechtmatigheid, maar ook op doelmatigheid. Eén van de aandachtspunten daarbij is het nagaan of de offerteprocedure is gevolgd. Daarnaast zal het Ctsv de overwegingen van de opdrachtgever beoordelen die ten grondslag hebben gelegen aan de keuze voor een uitvoeringsinstelling. Een belangrijke overweging zal in ieder geval moeten zijn de prijs/kwaliteitsverhouding. Op deze wijze wordt de concurrentie tussen de uitvoeringsinstellingen, zowel de bestaande als nieuw erkende rechtspersonen, optimaal bevorderd.

     Bij het toetsen of een rechtspersoon in aanmerking komt voor een erkenning, worden thans nog geen eisen gesteld aan de wijze waarop deze rechtspersoon de publieke taken zal gaan verrichten. Met ingang van het moment waarop de huidige meerjarige contracten met de uitvoeringsinstellingen aflopen en er contracten kunnen worden afgesloten met andere aanbieders, moeten naar de mening van het kabinet alle aanbieders kunnen aantonen dat zij de publieke taken op een adequate wijze kunnen uitvoeren, voordat zij voor erkenning in aanmerking kunnen komen. Eén en ander zal dan ook gelden voor de huidige erkende rechtspersonen.
     Een rechtspersoon die erkend wil worden, moet aan kunnen tonen dat de eigen organisatie zo is ingericht dat er een gerechtvaardigd vertrouwen mag bestaan dat uitkeringen op een rechtmatige en doelmatige wijze zullen worden verstrekt. Dat betekent naar de mening van het kabinet dat in ieder geval vanaf het jaar 2000 iedere erkende uitvoeringsinstelling en rechtspersoon die erkend wil worden, aantoonbaar over een goed functionerend kwaliteitszorgsysteem dient te beschikken waarop de uitvoering van de socialeverzekeringswetten en de verantwoording over de uitvoering is gebaseerd. De wettelijke mogelijkheden om inhoudelijke eisen te stellen aan de te erkennen rechtspersoon zijn in dit wetsvoorstel opgenomen. In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen dat een rechtspersoon die erkend wil worden, verplicht wordt om met een certificaat aan te tonen dat de rechtspersoon voldoet aan bij of krachtens AMvB gestelde eisen. Door het bezitten van een certificaat onderdeel van de erkenning te laten zijn, kan het adequaat functioneren van de uitvoeringsinstellingen bevorderd worden. Naar de mening van het kabinet zouden uitvoeringsinstellingen vanaf het jaar 2000 dan ook over zo’n certificaat moeten beschikken. De voorkeur van het kabinet gaat er daarbij naar uit dat betrokkenen in gezamenlijk overleg komen tot de opzet van een certificatie, die vervolgens op basis van vrijwilligheid wordt toegepast. De wet voorziet echter in de mogelijkheid om het bezit van een certificaat als voorwaarde voor erkenning te stellen.

     rblz.|18| Op de inhoud van de te stellen inhoudelijke eisen, alsmede op de manier waarop getoetst zal worden of de te erkennen rechtspersoon aan de eisen voldoet en blijft voldoen, beraadt het kabinet zich nog. De inhoud van de te stellen eisen zal echter uiterlijk in de loop van 1998 beschikbaar moeten zijn. Aan het ontwikkelen van deze eisen kunnen de uitvoeringsinstellingen, alsmede het Lisv als het Ctsv een inhoudelijke bijdrage leveren. Omdat de inhoudelijke eisen pas in het jaar 2000 in werking zullen treden, is er voldoende ruimte om deze eisen op te stellen en de implementatie ervan tijdig te realiseren.


3.4.2. Het uitvoeren van andere taken

     De uitvoeringsinstellingen kunnen ook andere taken verrichten indien zij daarvoor toestemming hebben gekregen van de minister.
     In het kader van de ontvlechtingsoperatie is het toetsingskader andere taken (Stcrt. 1995, 226) vastgesteld. In dit toetsingskader is aangegeven welke taken de uitvoeringsinstellingen mogen vervullen en onder welke voorwaarden.
     De uitvoeringsinstellingen mogen de volgende andere taken vervullen:
1. de taken die onderdeel zijn van een regeling die tot stand is gekomen in overleg tussen werknemers- en werkgevers(verenigingen) en die betrekking hebben op een bovenwettelijke aanvulling van de werknemersverzekeringen;
2. de taken die betrekking hebben op de uitvoering van een wettelijke verplichting van werkgevers, anders dan voortvloeiend uit de in artikel 1 Osv bedoelde wetgeving, om te voorzien in de verzekering van het risico van loonderving tengevolge van ziekte, arbeidsongeschiktheid en/of werkloosheid.

     Zoals in de brief van mijn ambtsvoorganger van 25 juni 1996 aan de Tweede Kamer (SV/UB/96/1761) is geschreven, zal dit toetsingskader op twee punten worden aangepast.
     De in het toetsingskader genoemde overgangstermijn voor het verrichten van taken ten behoeve van bedrijfstakeigen regelingen die niet onder punt 1 van het toetsingskader vallen, maar wel een nauwe samenhang hebben met de uitvoering van de socialeverzekeringswetten, zal worden verlengd tot het jaar 2000. Het gaat hierbij om regelingen die de uitvoeringsinstellingen al van oudsher uitvoeren, zoals VUT- en pensioenfondsen, vakantiefondsen en scholings- en vormingsfondsen. Deze verlenging geldt alleen voor de werkzaamheden op het terrein van de premieheffing en -inning. In 1998 zal besloten worden of de gezamenlijke inning in de uitvoeringsinstelling definitief verboden of onder voorwaarden toegestaan wordt.
     Daarnaast zal het toetsingskader worden aangepast om toe te staan dat de uitvoeringsinstellingen de Regeling subsidiëring vergoedingen voor huishoudelijke hulp voor de Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen, red.] kunnen uitvoeren.
     Het toetsingskader zal op grond van deze wet bij AMvB worden vastgesteld. Dit geldt eveneens voor het toetsingskader andere taken voor de SVB. Dit kader zal dezelfde uitgangspunten hanteren als de regels die voor de uitvoeringsinstellingen gelden.


3.4.3. Het uitbesteden van taken

     In het convenant ontvlechting was vastgelegd dat de uitvoeringsinstellingen bepaalde taken mochten laten verrichten door derden indien de bedrijfsverenigingen en het Ctsv daarmee instemden.
     Het Ctsv heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de huidige Osv voorgeschreven dat de uitvoeringsinstellingen verplicht zijn om besluiten om bepaalde taken uit te besteden ter goedkeuri
ng aan het Ctsv voor te leggen.
     rblz.|1
9| Ten be
hoeve van deze goedkeuring heeft het Ctsv een toetsingskader opgesteld. Dit toetsingskader verbiedt het uitbesteden van werkzaamheden die geacht worden te behoren tot het primaire proces, dat wil zeggen alle werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de distribuerende, collecterende en beherende taak van de uitvoeringsinstelling. Hiertoe worden in ieder geval gerekend de werkzaamheden met betrekking tot:
- ontvangst, opslag en beheer van gegevens;
- beoordeling, vaststelling en uitbetaling of het verstrekken van uitkeringen of voorzieningen alsmede het terugvorderen daarvan;
- beoordeling, vaststelling en inning van premies;
- reïntegratieactiviteiten; en
- beheer van gelden.
     Omdat de uitbesteding van werkzaamheden thans niet bij of krachtens de wet is geregeld, voorziet de toezichthouder daarin. Dat betekent feitelijk dat de toezichthouder door het goedkeuringsregime beleid maakt. Het kabinet acht dit een niet-wenselijke situatie. De wetgever dient de normen vast te stellen. Vandaar dat in dit wetsvoorstel het uitbesteden van taken expliciet wordt geregeld. De eerste voorwaarde is dat het Lisv toestemming dient te verlenen indien een uitvoeringsinstelling een bepaalde taak wil uitbesteden. In het wetsvoorstel is bepaald dat de minister in een ministeriële regeling aangeeft voor welke taken het Lisv toestemming mag verlenen aan de uitvoeringsinstelling om deze uit te besteden aan derden en onder welke voorwaarden. Bij het opstellen van deze ministeriële regeling zal uiteraard rekening gehouden worden met de ervaringen die opgedaan zijn in het ontvlechtingsproces.
     Omdat een besluit van het Lisv om uitbesteding van werkzaamheden door een uitvoeringsinstelling toe te staan niet dan tegen hoge kosten zal kunnen worden teruggedraaid, is het kabinet van mening dat zo’n besluit, voordat het in werking kan treden, aan het Ctsv moet worden voorgelegd. Daarom zal in de ministeriële regeling op grond van artikel 13 van de Osv [Osv 1997, red.] worden voorgeschreven dat het Lisv verplicht is een besluit waarbij het toestemming aan een uitvoeringsinstelling verleent om bepaalde werkzaamheden uit te besteden, vóór de inwerkingtreding ter kennis van het Ctsv te brengen. Het Ctsv dient zijn oordeel vervolgens binnen een in de ministeriële regeling aan te geven termijn aan het Lisv mede te delen.


3.4.4. De aanbevelingen van de commissie-Van Zijl inzake toezicht op de uitvoeringsinstelling

     Naar het oordeel van de Commissie moet bij de vormgeving van het toekomstig toezicht expliciet rekening worden gehouden met de risico’s inzake de toezichtbaarheid bij het ontstaan van publiek-private holdingconstructies en publiek-private organisatievormen op het snijvlak van de zorgsector, de sociale zekerheid en het bank- en verzekeringswezen.

     Aan de door de Commissie geschetste risico’s is in het zogenaamde ontvlechtingstraject expliciet aandacht geschonken. Ten eerste zijn in de criteria voor de erkenning van uitvoeringsinstellingen bepalingen opgenomen die de scheiding tussen het private en het publieke deel (de uitvoeringsinstelling) van de holding waarborgen. Het toezicht van het Ctsv richt zich alleen op de uitvoering van de publieke taken. Deze publieke taken worden in beginsel door de uitvoeringsinstelling zelf uitgevoerd. De bevoegdheden en de instrumenten van de toezichthouder die noodzakelijk zijn voor het goed kunnen uitoefenen van het toezicht op de uitvoeringsinstelling, zijn in het onderhavige wetsvoorstel geregeld.
     De uitvoeringsinstelling kan, indien daarvoor toestemming is verleend, bepaalde werkzaamheden uitbesteden aan derden (zowel binnen als buiten de holding). In het wetsvoorstel tot wijziging van de Osv dat verband houdt met de ontvlechting, dat op 25 juni 1996 bij de Tw
eede rblz.|20| Kamer is ingediend (Kamerstukken II 1995/96, 24 789, nrs. 1-3), is een bepaling opgenomen om de toegang van het Ctsv tot de administratie van die derde te regelen. Op deze wijze is geregeld dat het Ctsv adequaat toezicht kan houden op de kostentoerekening van derden aan de uitvoeringsinstellingen.

 

3.5. De relatie tussen het Lisv, de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen


     Op 4 april 1996 heeft de voorzitter van het Tica een nota aangeboden waarin zijn visie over de verhouding tussen het Landelijk orgaan, sectororganen en uitvoeringsinstellingen nader wordt uitgewerkt. De voorzitter van het Tica gaat in deze nota nader in op de taakverdeling tussen de drie soorten organen bij de opdrachtverlening aan de uitvoeringsinstelling, de verantwoording, het uitvoeringsbeleid en de premievaststelling/premiedifferentiatie.
     De voorzitter van het Tica stelt voor dat de taakverdeling volgens het volgende hoofdstramien wordt uitgewerkt:
1. De sectororganen voeren het bilaterale overleg met de uitvoeringsinstellingen over de opdrachtverlening, de verantwoording en het uitvoeringsbeleid. Het landelijk orgaan stelt algemene kaders (beleidsmatige en financiële) op voor dit overleg.
2. Deze kaders worden in overleg met de sectororganen en de uitvoeringsinstellingen door het landelijk orgaan opgesteld.
3. Het landelijk orgaan beoordeelt het onderhandelings- en overlegresultaat van de sectororganen aan de van tevoren vastgestelde kaders.
4. De beoordeling van het landelijk orgaan kan aanleiding zijn om de kaders in de toekomst bij te stellen.
5. Indien er zich zwaarwegende en in de kaderstelling niet voorziene omstandigheden voordoen die de aanvaarding van het onderhandelingsresultaat door het landelijk orgaan in de weg staan, zal het landelijk orgaan in overleg treden met het sectororgaan over mogelijke oplossingen.
6. De taakverdeling tussen het landelijk orgaan en het sectororgaan kan differentiëren per sectororgaan. Per sectororgaan worden afspraken gemaakt over de taakverdeling en het toe te kennen budget aan het sectororgaan.

     Het kabinet kan grotendeels met dit stramien instemmen. In paragraaf 3.5.1 wordt uitgewerkt hoe de verhouding tussen het Lisv, de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen met betrekking tot de opdrachtverlening aan de uitvoeringsinstellingen zich volgens het kabinet zou kunnen ontwikkelen.

     Met betrekking tot de verantwoording over de uitvoering van de overeenkomsten stelt het Tica het volgende voor. De uitvoeringsinstelling verstrekt kwartaalsgewijs per sector of sectoronderdeel een uitvoeringsrapportage aan zowel het landelijk orgaan als het sectororgaan.
     Bilaterale contacten tussen opdrachtverlener en uitvoeringsinstelling over de verantwoordingsinformatie vinden in eerste instantie plaats via het betrokken sectororgaan. Het landelijk orgaan speelt eventuele vragen die bij hem leven door aan het sectororgaan.
     De informatie van de uitvoeringsinstelling en de resultaten van het overleg daarover kunnen aanleiding vormen tot het formeel aanspreken van de uitvoeringsinstelling op de bepalingen uit de overeenkomsten. Ook in die situatie overlegt het sectororgaan met de uitvoeringsinstelling, waarbij het een beroep kan doen op het landelijk orgaan. Ook is het mogelijk dat het sectororgaan en het landelijk orgaan gezamenlijk in overleg treden met de uitvoeringsinstelling.
     Het landelijk orgaan blijft altijd bevoegd om rechtstreeks in overleg te treden met de uitvoeringsinstelling.

     rblz.|21| Het kabinet acht dit een denkbare lijn. Hierbij wil het kabinet echter het onderscheid tussen de positie van het Lisv en de sectorraden scherper benadrukken. Voor alle partijen moet helder zijn dat het Lisv formeel verantwoordelijk is en zo nodig zelfstandig moet kunnen ingrijpen. Het Lisv zal dan ook het initiatief moeten nemen om de sectorraden in te schakelen bij de reguliere contacten in relatie tot de uitvoering van de afgesloten overeenkomsten. Overigens dienen de sectorraden zonder meer te worden geïnformeerd over het verloop van de uitvoering van de afgesloten overeenkomst, om het Lisv adequaat te kunnen adviseren over de af te sluiten jaarovereenkomst in het komende jaar. Het Lisv zal zelf bepalen of de sectorraden de hiervoor benodigde informatie via hem verkrijgen of rechtstreeks van de uitvoeringsinstellingen. In dat laatste geval kan het Lisv afspraken over de gegevensverstrekking aan de sectorraden vastleggen in de overeenkomsten met de uitvoeringsinstellingen. Met het oog op de doelmatigheid van de informatievoorziening zal het Lisv er wel voor moeten zorgen dat zich geen dubbelingen en inconsistenties voordoen in de gegevens en informatie die de uitvoeringsinstellingen dienen te verstrekken.

     Het Lisv dient de sectorraden in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over de vaststelling van de premie voor de sectorale fondsen (de wachtgeldfondsen).

     Het Tica stelt verder voor dat de sectororganen ook een rol kunnen vervullen bij de ontwikkeling van sectorspecifieke regels of richtlijnen. Het Tica wil de sectororganen in de gelegenheid stellen om concept-regels en richtlijnen te ontwerpen.
     Een dergelijke invulling past binnen het huidige wetsvoorstel. De sectorraden kunnen het Lisv over sectorspecifieke aangelegenheden adviseren. Een dergelijk advies kan de vorm hebben van een concept-regeling of richtlijn.
     Ten aanzien van de budgettering van het sectororgaan stelt het Tica voor dat dit per sectororgaan bij convenant geregeld wordt. Het kabinet is echter van mening dat dit, aangezien het om publieke middelen gaat, in de wet moet worden geregeld. In het wetsvoorstel is daarom vastgelegd welke kosten van een sectorraad vergoed kunnen worden door het Lisv en daarmee ten laste van de fondsen kunnen worden gebracht (zie verder paragraaf 7.1).


3.5.1. De opdrachtverlening

     In de relatie tussen het Lisv, de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen speelt de overeenkomst, op basis waarvan het Lisv de uitvoeringsinstelling(en) alle werkzaamheden laat verrichten met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van beslissingen van het Lisv omtrent prestaties en verschuldigde premies, een belangrijke rol.
     Het is van groot belang dat de procedure die gevolgd wordt om tot opdrachtverlening aan een uitvoeringsinstelling te komen, zodanig wordt ingericht dat voldoende recht wordt gedaan aan de verantwoordelijkheid van het Lisv, dat concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen tot stand kan komen, dat er mogelijkheden bestaan voor het realiseren van sectorspecifieke wensen met betrekking tot de uitvoering en dat een zakelijke contractsrelatie tussen de uitvoeringsinstellingen enerzijds en de opdrachtgever anderzijds kan ontstaan.

     Het voorgaande kan volgens het kabinet worden bereikt als de opdrachtverlening langs de volgende lijnen tot stand komt:
- de relatie tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen is die van opdrachtgever en opdrachtnemer. De invloed van het Lisv op het proces bij de uitvoeringsinstellingen is, voor zover het gaat om feite
lijke rblz.|22| uitvoeringshandelingen, afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst tussen de uitvoeringsinstelling en het Lisv. Voor zover het gaat om de (gemandateerde) bevoegdheid om op basis van de wetten besluiten te nemen, is de invloed van het Lisv verzekerd door de in de wet vastgelegde bevoegdheid instructies aan de uitvoeringsinstellingen te geven;
- de sectorraden onderhandelen met de uitvoeringsinstellingen over ontwerp-overeenkomsten;
- het Lisv stelt regels op omtrent de inhoud van de overeenkomsten tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Deze regels zullen maatgevend zijn voor de onderhandelingen over de ontwerp-overeenkomsten tussen de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen. Deze regels hebben betrekking op de technische randvoorwaarden die aan de overeenkomst dienen te worden gesteld en bevatten tevens de algemene beleidsuitgangspunten waaraan een overeenkomst dient te voldoen. Essentieel is dat deze regels voldoende ruimte laten voor sectorale inbreng, waardoor reële onderhandelingen kunnen ontstaan. De hiervoor bedoelde regels van het Lisv behoeven de goedkeuring van de minister.
     Naast de door het Lisv te stellen regels worden in de wet een aantal onderwerpen genoemd die de bedoelde overeenkomsten in elk geval zullen moeten regelen. Zo zal bijvoorbeeld in de overeenkomst moeten zijn geregeld dat de overeenkomst wordt ontbonden zodra het Ctsv bekendmaakt dat de administratieovereenkomst niet wordt goedgekeurd, of indien de erkenning van de uitvoeringsinstelling wordt ingetrokken;
- de beoordeling van wat sectorspecifiek is, zal primair door de sectorraden moeten plaatsvinden. Het Lisv zal daaraan zoveel mogelijk vooraf grenzen stellen door het stellen van regels. Deze grenzen zullen worden ingegeven door de eisen die vanuit een oogpunt van een rechtmatige en doelmatige uitvoering moeten worden gesteld.
     Het ligt in de rede dat het Lisv in beginsel de overeenkomst sluit indien het onderhandelingsresultaat voldoet aan de vooraf gestelde regels. Het Lisv behoudt echter de bevoegdheid om van het advies af te wijken. Indien het Lisv hiertoe overgaat zal het Lisv dit besluit, en de onderliggende motivering, mededelen aan de sectorraad;
- doordat de sectorraad onderhandelt over de ontwerp-overeenkomst worden de uitvoeringsinstellingen in de onderhandelingsfase slechts geconfronteerd met de sectorraden en niet met het Lisv én de sectorraad;
- het Lisv is verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de overeenkomst door de uitvoeringsinstelling. Om pragmatische redenen kan het Lisv besluiten om de reguliere contacten met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst te laten verlopen via de sectorraden. In dat geval zal het Lisv ervoor zorgen dat de sectorraden over de informatie kunnen beschikken die hiervoor nodig is. Deze informatie zal onder andere verantwoordingsrapportages over de uitvoering van de overeenkomst moeten omvatten.

     Omdat er aan de overeenkomsten ook een aantal algemene aspecten verbonden zullen zijn die in alle contracten in vergelijkbare vorm zullen terugkomen, alsmede ten behoeve van het opstellen van de regels waaraan de concept-overeenkomsten zullen moeten voldoen, acht ik het waarschijnlijk dat er naast de onderhandelingen tussen de uitvoeringsinstellingen en de sectorraad ook overleg zal plaatsvinden tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Het gaat hierbij echter slechts om overleg dat het Lisv nodig heeft ten behoeve van zijn coördinerende en kaderstellende activiteiten.

     Indien de opdrachtverlening langs de hiervoor geschetste lijnen verloopt, kan tot 2000 een vorm van concurrentie tot stand komen waarbij de verantwoordelijkheid van het Lisv is gewaarborgd, sectorale inbreng rblz.|23| mogelijk is en voldoende heldere relaties ontstaan tussen het Lisv, de sectorraad en de uitvoeringsinstellingen.

     Tot dat jaar is de concurrentie beperkt, omdat tot en met 1999 reeds contracten zijn afgesloten met de huidige vier uitvoeringsinstellingen. In het jaar 2000 wordt beoogd de ruimte voor concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen volgens het opdrachtgever-/opdrachtnemermodel te vergroten. Mede naar aanleiding van het advies van de Regiegroep SWI zal worden beoordeeld op welke wijze in dit beoogde model kan worden voldaan aan regionale samenwerking en aan een doelmatige én controleerbare uitvoering.

     Bij de vormgeving van het opdrachtgever-/opdrachtnemermodel vanaf het jaar 2000 zal de aanbeveling van interimbestuur Ctsv worden betrokken om de scheiding tussen privaat en publiek niet binnen de holding, maar tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te leggen

     Het is de taak van het Lisv om de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen voor te bereiden op de open markt na 2000. In ieder geval zal aan iedere uitvoeringsinstelling door de sectorraden of - bij afwezigheid van een sectorraad voor de betreffende sector of het betreffende sectoronderdeel - door het Lisv een offerte moeten worden aangevraagd. In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen krachtens welke de minister ter bevordering van de concurrentie regels kan stellen die het Lisv en de sectorraden bij het benaderen van uitvoeringsinstellingen in acht moeten nemen. Bij de creatie van deze regels zal ervoor worden gewaakt dat zij niet nodeloos bureaucratische drempels opwerpen. In deze ministeriële regeling zal in ieder geval voor de situatie rond het jaar 2000 de verplichting tot het vragen van een offerte aan alle uitvoeringsinstellingen worden opgenomen.

     Bij het realiseren van concurrentie moet bedacht worden dat concurrentie niet het ultieme doel is, maar een middel om een bijdrage te leveren aan de verbetering van de doelmatigheid van de uitvoeringsorganisatie. Met name een verbetering van de doeltreffendheid van de uitvoeringsorganisatie kan een bijdrage leveren aan de beperking van het beroep op de werknemersverzekeringen. Derhalve zal ook in het hiervoor geschetste concurrentiemodel dienen te worden voorkomen dat de uitvoering van de publieke taak in het gedrang komt. Gezien de centrale positie van het Lisv, is hierbij voor dit orgaan een speciale rol weggelegd.

 

3.6. Bevoegdheden van de minister ten opzichte van de SVB en het Lisv


     De bevoegdheid van de minister tot het geven van aanwijzingen van algemene aard aan het Ctsv kan leiden tot indirecte beïnvloeding van de SVB en het Lisv. Dit vindt evenwel zijn grens in de taak en bevoegdheden van het Ctsv. Het Ctsv kan slechts aanwijzingen geven uit hoofde van zijn taak, dat wil zeggen uit hoofde van het houden van toezicht op een rechtmatige en doelmatige uitvoering van wetten.

     Indien de SVB of het Lisv beleidswensen van de minister niet wenst over te nemen en ingrijpen van het Ctsv wegens een onrechtmatige of ondoelmatige uitvoering niet mogelijk blijkt, zal aansturing, naast overleg over eerdergenoemde plannen van werkzaamheden, plaatsvinden door middel van gebruik van bevoegdheden tot regelgeving (AMvB’s en ministeriële regelingen). Deze bevoegdheden zijn in het wetsvoorstel en in de materiewetten op diverse plaatsen, dat wil zeggen met betrekking tot specifieke onderwerpen, in het leven geroepen.

     rblz.|24| In paragraaf 5.2 is aan de hand van een drietal voorbeelden aangegeven hoe het door het kabinet gekozen toezichts- en aansturingsmodel in de praktijk uitwerkt. is aan de hand van een drietal voorbeelden aangegeven hoe het door het kabinet gekozen toezichts- en aansturingsmodel in de praktijk uitwerkt. is aan de hand van een drietal voorbeelden aangegeven hoe het door het kabinet gekozen toezichts- en aansturingsmodel in de praktijk uitwerkt.

 

4. Samenwerking en uitvoering in de regio


4.1. Inleiding


     De laatste jaren wordt steeds meer nadruk gelegd op de samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen en de gemeenten. Daarvoor zijn meerdere redenen aan te voeren.

     Allereerst hecht het kabinet een zeer groot belang aan vergroting van de werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie. Zoals reeds in hoofdstuk 1 is opgemerkt, heeft dit op het terrein van de sociale zekerheid tot een aantal belangrijke wijzigingen geleid, gericht op preventie van uitkeringsafhankelijkheid en vergroting van de reïntegratiemogelijkheden vanuit een uitkeringssituatie. Deze maatregelen zijn te onderscheiden in positieve en negatieve prikkels voor werknemers, werkgevers en uitkeringsgerechtigden enerzijds, en in de expliciete opdracht aan de uitvoeringsorganisaties van de sociale zekerheid om de reïntegratie te bevorderen anderzijds. Dit laatste heeft vorm gekregen in diverse wetsartikelen.¹ De preventie- en reïntegratietaak kan het effectiefst en efficiëntst worden vervuld in samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, die overigens voor een groot deel te maken heeft met dezelfde cliënten als de uitvoeringsorganisaties sociale zekerheid en die op het vlak van de arbeidsparticipatie vergelijkbare doelstellingen heeft, beschikt immers over vacaturebestanden, heeft inzicht in vraag en aanbod van arbeidskrachten landelijk en in de regio, kan een oordeel geven over de afstand tot de arbeidsmarkt van een bepaalde cliënt en over de in te zetten arbeidsmarktinstrumenten om deze afstand te verkleinen. Samenwerking met de gemeenten is van belang met het oog op hun poortwachtersfunctie voor de bijstandswetten: indien een cliënt immers reeds wordt gereïntegreerd op het moment dat hij nog louter in het genot is van een uitkering op basis van de werknemersverzekeringen (of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet; AAW), wordt instroom in de bijstand voorkomen. Daarnaast is samenwerking met gemeenten van belang om een soepele overdracht te bewerkstelligen van die cliënten, voor wie reïntegratie vóór de bijstandsfase niet mogelijk blijkt. Alleen al met het oog op de preventie van uitkeringsafhankelijkheid en reïntegratie van uitkeringsgerechtigden is een goede samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitvoeringsorganisaties sociale zekerheid derhalve van het grootste belang.

1. Zo kan gewezen worden op artikel 111 van de Algemene bijstandswet (Abw) en de artikelen 34 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), welke artikelen burgemeester en wethouders de verplichting opleggen reïntegratie-inspanningen te verrichten ten behoeve van bijstands-, Ioaw- en Ioaz-gerechtigden. Artikel 16 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) bevat de bemiddelings- en daarmee tevens reïntegratiataak voor bedrijfsverenigingen voor de zogenaamde Wagw-bemiddelingspopulatie, die voor het grootste gedeelte uit gedeeltelijk arbeidsgeschikten bestaat. Het in het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 554, nr. 318) voorgestelde artikel 72, eerste lid, van de WW, bevat een op bedrijfsverenigingen gerichte reïntegratietaak voor WW-gerechtigden. Ten slotte heeft ook de SVB een (lichte) reïntegratietaak gekregen toen artikel 36 van de Anw in werking trad (1 juli 1996).

     Ten tweede leidt een betere samenwerking ook tot een grotere cliëntvriendelijkheid. Zo kan daarmee bijvoorbeeld voorkomen worden dat de cliënt meerdere malen dezelfde informatie moet verstrekken of dat de ene instelling inzet van een bepaald arbeidsmarktinstrument wenselijk vindt en de andere niet.

     Ten slotte zal de samenwerking leiden tot vergroting van de efficiency. Immers, doordat werkzaamheden beter op elkaar afgestemd zullen worden, zullen dubbele activiteiten of juist omissies minder vaak optreden.

     In het vervolg van dit hoofdstuk zal eerst worden aangegeven welk wettelijk kader voor de samenwerking op dit moment reeds bestaat respectievelijk in bij het parlement aanhangige wetsvoorstellen is rblz.|25| opgenomen (paragraaf 4.2). Vervolgens wordt ingegaan op het SWI-traject [zie o.m. Samenwerkingsbesluit SWI, red.], aan de hand waarvan zal worden nagegaan of, en zo ja hoe, invulling van het wettelijke kader wenselijk is (paragraaf 4.3). In paragraaf 4.4 wordt de rol van het voorliggende wetsvoorstel binnen het eerder besproken geheel weergegeven.

 

4.2. Wettelijk kader tot nog toe


4.2.1. Samenwerkingsverplichtingen

     De wens tot vergroting van de samenwerking heeft de laatste jaren haar beslag gekregen in diverse wetten en wetsvoorstellen. De Abw (artikel 111), de Ioaw en de Ioaz (de artikelen 34) bevatten inmiddels de verplichting voor gemeenten om samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De huidige Osv (artikel 63) legt de bedrijfsverenigingen de plicht op samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten. Daarnaast is op 1 juli 1996 artikel 30a Osv in werking getreden, dat de SVB verplicht ten behoeve van Anw-gerechtigden met een nabestaandenuitkering samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Alle vier de wetten bevatten de opdracht de wijze waarop de samenwerking wordt ingevuld te verantwoorden, in de Abw, Ioaw en Ioaz via een jaarlijks plan, in de huidige Osv via een jaarlijkse rapportage aan de minister en via de verplichting gemaakte samenwerkingsafspraken ter kennis te brengen van het Tica. Ten slotte bevatten de Abw, Ioaw, Ioaz en Osv (deze laatste slechts wat betreft de samenwerking tussen de SVB en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie) nog de mogelijkheid bij (of, in het geval van artikel 30a Osv ook, krachtens) AMvB regels te stellen met betrekking tot de samenwerking.

     Het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 450, nr. 317), dat naar verwachting op 1 januari 1997 in werking zal treden, completeert het stelsel van samenwerkingsverplichtingen door in artikel 6 ook rechtstreeks de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op te dragen met het oog op inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces samen te werken met de bedrijfsverenigingen en met de gemeenten. Ook die wet zal de plicht bevatten verantwoording af te leggen over de wijze waarop dat gebeurt (opname in landelijk beleidsplan en in regionale beleidsplannen; zie de artikelen 51 en 54 van dat wetsvoorstel), alsmede de mogelijkheid bij of krachtens AMvB regels te stellen ten aanzien van de samenwerking. In het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 554, nr. 318) worden, ten slotte, de op bedrijfsverenigingen en burgemeester en wethouders gerichte samenwerkingsbepalingen in de Abw, Ioaw, Ioaz en Osv zo gestroomlijnd dat uiteindelijk voor iedere kolom de verplichting zal ontstaan met de andere twee kolommen samen te werken, terwijl tevens in iedere wet geregeld zal zijn dat bij of krachtens AMvB op dit punt regels kunnen worden gesteld.

     Overigens wordt nog opgemerkt dat - om de samenwerking in de regio gemakkelijker tot stand te doen komen - in artikel 37 van de huidige Osv de opdracht aan het Tica is opgenomen te bevorderen dat de kantoren waarin taken van de bedrijfsverenigingen door de bedrijfsverenigingen of uitvoeringsinstellingen worden uitgeoefend, zoveel mogelijk bijeen zijn geplaatst in de werkgebieden van de RBA’s.


4.2.2. Voor de samenwerking relevante financiële aspecten

     In het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996 is opgenomen dat de rijksbijdrage aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt verdeeld in een rblz.|26| basisbijdrage en een prestatiebijdrage. De basisbijdrage dient de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voornamelijk te gebruiken voor de zogenaamde basisdienstverlening. Het gaat daarbij om het inrichten en in stand houden van een landelijk gespreide organisatie voor de openbare arbeidsbemiddeling, om het registreren van werkzoekenden en van vacatures en om het "matchen" daarvan, om het verzamelen en analyseren van arbeidsmartkinformatie en om het geven van informatie en advies over arbeidsmarktvraagstukken, studie- en beroepskeuze en om-, her- of bijscholing. De prestatiebijdrage dient te worden gebruikt voor de dienstverlening ten behoeve van moeilijk plaatsbare werkzoekenden (door middel van het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en het leveren van bijzondere inspanningen voor hun arbeidsbemiddeling) en voor het leveren van diensten aan werkgevers ter vervulling van moeilijk vervulbare vacatures. Het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) verdeelt het prestatiebudget over de RBA’s. Vervolgens dienen deze RBA’s met de gemeenten in hun regio en de bedrijfsverenigingen afspraken te maken over het gedeelte van het prestatiebudget dat ten behoeve van de moeilijk plaatsbare cliënten van beide kolommen zal worden gebruikt. Aldus zal de nieuwe wijze van financiering van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie meer overleg en afstemming met de uitvoeringsorganisaties sociale verzekeringen met zich brengen.

     Onder de voorwaarde dat afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de prestatiebijdrage, zullen laatstgenoemde instanties daarnaast nog de mogelijkheid krijgen om ten behoeve van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden diensten in te kopen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Dit is neergelegd in het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996. In de zogenaamde "Veegwet" is neergelegd dat het inkoopbudget van bedrijfsverenigingen ten behoeve van moeilijk plaatsbare ontslagwerklozen met een WW-uitkering over 1997 ƒ45 mln, en over 1998 en 1999 telkens ƒ50 mln zal bedragen (steeds exclusief de door de bedrijfsverenigingen ten behoeve van de inkoop te maken uitvoeringskosten).¹

1. Zie artikel XXXVI van de Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen, Stb. 1995, 691; ook wel "Veegwet" genoemd). Overigens is er ook voor 1996 al een inkoopbudget (van ƒ50 mln). Aangezien de rijksbijdrage over het jaar 1996 niet uit twee delen bestaat, geldt voor de besteding van dit budget niet dat eerst afspraken gemaakt moeten zijn over de inzet van (een deel van) de rijksbijdrage. Het Tica heeft het inkoopbudget over 1996 verdeeld bij besluit van 15 februari 1996, goedgekeurd bij besluit van 24 april 1996 (Stcrt. 6 mei 1996, nr. 86).

 

4.3. Samenwerking in de praktijk: SWI


4.3.1. Inleiding

     Uit paragraaf 4.2 kan de conclusie worden getrokken dat in bestaande en voorgenomen regelgeving een kader is gecreëerd waarbinnen de samenwerking tussen de drie kolommen tot stand kan komen. De vraag die vervolgens rijst, is hoe tot daadwerkelijke samenwerking gekomen kan worden.

     Vooraf moet worden opgemerkt dat er in diverse regio’s reeds wordt samengewerkt en dat er op dit punt veel in ontwikkeling is. Het Instituut voor Arbeidsmarktonderzoek (IVA) ¹ heeft een inventarisatie gemaakt van de samenwerkingsprojecten die in het voorjaar van 1994 bestonden, en van de modellen die daarbij werden gebruikt. Daaruit blijkt dat de diversiteit in samenwerkingsvormen tussen regio’s en ook binnen regio’s groot is, en dat er niet steeds dezelfde samenwerkingpartners bij betrokken zijn. Het IVA concludeerde dat zes hoofdvormen van samenwerking werden gehanteerd, met in totaal 225 grotere samenwerkingsverbanden. Voor een nadere uiteenzetting over het IVA-onderzoek zij verwezen naar paragraaf 6.2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996.

1. IVA / R. Essers e.a.: Samenwerking in beweging. Een landelijke inventarisatie van de Samenwerking tussen Arbeidsvoorziening en de uitvoeringsorganisaties sociale zekerheid, Tilburg, december 1994.

     Omdat de uitvoeringspraktijk intensief bezig is met het ontwikkelen van samenwerkingsvormen, terwijl eerdere ervaringen leren dat een decentrale aanpak, dicht bij de problematiek, tot de beste resultaten leidt, acht rblz.|27| het kabinet het vooralsnog onwenselijk om centraal regels te stellen over de wijze waarop in de regio door de drie kolommen moet worden samengewerkt. In plaats daarvan is de voorzitter van het Tica verzocht samen met de voorzitter van het CBA en een vertegenwoordiger van de gemeenten een gezamenlijke taakopdracht te formuleren voor een veranderingsproces gericht op procesgerichte samenwerking tussen de drie kolommen. Daarnaast is hem opgedragen erop toe te zien dat alle bevoegdheden inzake de gevalsbehandeling bij de uitvoeringinstellingen in de regio komen te liggen, inclusief de bevoegdheden die nodig zijn voor de samenwerking. De taakopdracht heeft geleid tot een "gezamenlijke veranderingsopdracht en aanpak Tica, CBA, VNG", die bij brief van 25 augustus 1995 aan de bewindslieden van SZW is aangeboden. De uitvoering van de taakopdracht en van bijbehorend plan van aanpak zal geschieden door de Regiegroep SWI waaraan de voorzitter van het Tica, de vice-voorzitter van het CBA en een directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) deelnemen, onder leiding van eerstgenoemde. Bij brief van 4 september 1995 hebben de bewindslieden met de invulling van de taakopdracht ingestemd. Vervolgens heeft de Regiegroep voor de ondersteuning bij de uitvoering van haar taakopdracht een projectorganisatie ingericht.


4.3.2. Startdocument SWI

     Op 1 maart 1996 bracht de Regiegroep het Startdocument Werk en Inkomen uit. Dit document kan worden beschouwd als een uitwerking van de gezamenlijk veranderingsopdracht, met als doel samenwerking tussen de drie partijen in de regio op te starten dan wel een verdieping of versnelling aan te brengen bij reeds bestaande samenwerkingsverbanden. Het is op grote schaal verspreid onder lokale en regionale overheden, bedrijfsverenigingen, uitvoeringsinstellingen, RBA’s en gemeentelijke sociale diensten.¹ In het Startdocument worden betrokkenen, alsmede bestaande samenwerkingsverbanden van betrokkenen, uitgenodigd om te komen tot het opstellen van een plan van aanpak voor (verdere) samenwerking.

1. Daarnaast is het op 14 maart aan de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer aangeboden (SV/UB/96/1095).


Randvoorwaarden

     De Regiegroep wil ingevolge het Startdocument voorlopig de mogelijkheid geven om in de regio "honderd bloemen te laten bloeien", met dien verstande dat de samenwerkingsverbanden binnen de volgende vier randvoorwaarden dienen te blijven.

1. De partijen blijven ieder hun verantwoordelijkheid behouden zoals die is vastgelegd in vigerende wetgeving of in wetsvoorstellen die naar verwachting op afzienbare termijn in werking zullen treden.

2. Er vindt een gemeenschappelijke intake plaats. Deze intake bestaat uit een administratief deel en - voor degenen die niet direct bemiddelbaar zijn - een kwalificerend deel. Deze twee onderdelen hoeven niet per se in dezelfde kolom plaats te vinden. Van belang is dat de samenwerkingspartner die de administratieve intake verricht ook gegevens verzamelt die voor de andere partners van belang zijn, dat deze gegevens voor hen (voor zover relevant) beschikbaar zijn en ook door hen erkend worden. De intake mondt uit in een globale - door alle partners geaccepteerde - aanbodanalyse, waarbij onder meer wordt vastgesteld welke afstand tot de arbeidsmarkt de betrokken cliënt heeft. Uitgangspunt voor deze bepaling is het model dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie daartoe heeft ontwikkeld en dat met ingang van 1 januari 1996 door alle arbeidsbureaus [zie Centra voor werk en inkomen (CWI), red.] wordt gebruikt. Het betreft hier indeling in klantgroepen 2 (na rblz.|28| kort arbeidsinpassingstraject bemiddelbaar), 3 (na lang arbeidstraject bemiddelbaar) of 4 (nog niet bemiddelbaar).

3. De samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitkeringsorganen sociale zekerheid dient te worden ondersteund door een bij voorkeur geautomatiseerd, actueel cliëntvolgsysteem dat door alle betrokken organisaties gebruikt moet kunnen worden. Dit systeem zal allereerst de informatieoverdracht tussen de partijen moeten dienen. Daarnaast dient het het uitkeringsproces en het proces van toeleiding tot de arbeidsmarkt te ondersteunen en management/bestuursinformatie te genereren.

4. Informatie-uitwisseling over de vraagzijde van de arbeidsmarkt (regionale, sectorale en landelijke informatie over trends, ontwikkelingen en vacatures) vindt nog niet op grote schaal plaats. Toch is dit nodig, omdat er een duidelijke koppeling is met enerzijds de diagnose van de afstand tot de arbeidsmarkt, anderzijds de keuze voor investeringen in trajecten en koppeling aan mogelijkheden en instrumenten van arbeidstoeleiding. De samenwerkingsverbanden dienen er zich daarom voor in te spannen ook op dit punt een adequate informatie-uitwisseling tot stand te brengen.


Verantwoordelijkheid voor hoofdprocessen uitkeringsverzorging

     De Regiegroep SWI onderscheidt zes hoofdprocessen van uitkeringsverzorging en arbeidsmarkttoeleiding, te weten de administratieve intake, de uitkeringsverzorging, de kwalificerende intake, het opstellen van een trajectplan, het uitvoeren van het trajectplan, en de plaatsing/bemiddeling. Belangrijk is dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitkeringsorganisaties sociale zekerheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid erkennen voor het gehele arbeidsmarkttoeleidingsproces. Dit kan worden vormgegeven door middel van afspraken met elkaar, waarin onder meer wordt vastgelegd wie voor welk proces verantwoordelijk is. De Regiegroep doet daartoe in hoofdstuk 5 van haar Startdocument enkele suggesties.


Samenwerkingsvormen

     Ten slotte behandelt de Regiegroep in haar Startdocument een aantal samenwerkingsvormen, te weten het één-dossiermodel, het één-lokatiemodel en het één-loketmodel. De Regiegroep constateert dat ook combinaties van deze modellen mogelijk zijn. Zij heeft in het Startdocument niet één bepaald model aanbevolen.


4.3.3. Vervolgacties SWI

     Zoals reeds in paragraaf 4.3.2 is gemeld, worden lokale en regionale overheden, bedrijfsverenigingen, uitvoeringsinstellingen, RBA’s en gemeentelijke sociale diensten, alsmede hun bestaande samenwerkingsverbanden, in het Startdocument uitgenodigd om een plan van aanpak voor (verdere) samenwerking op te stellen en dit te zenden aan de Regiegroep SWI. Deze zal de plannen toetsen op samenwerkingsaspecten en de betrokkenen van het resultaat op de hoogte stellen (met eventueel advies over mogelijkheden tot verbetering). Daarnaast zal de Regiegroep op basis van de binnengekomen plannen en van de rapportages van de vier projectteams een actieplan opstellen, waarin onder andere zal worden aangegeven:
- welke aanvullende criteria noodzakelijk zijn voor de samenwerking;
- bij welke samenwerkingsverbanden specifieke onwikkelingprojecten mogelijk c.q. wenselijk zijn en op welke punten die worden toege
spitst (zo rblz.|29| kan het ene project worden gericht op de gemeenschappelijk intake, een volgende op het één-loketmodel, weer een ander op het tot stand brengen van een geïntegreerd cliëntvolgsysteem, etcetera);
- op welke wijze de randvoorwaarden voor samenwerking verbeterd kunnen of moeten worden;
- op welke wijze samenwerkingsverbanden kunnen worden ondersteund.

     Na terugkoppeling met het CBA, het Tica en de VNG, zal het actieplan ten uitvoer worden gebracht.


4.3.4. Eindresultaat SWI

     Dit hele proces dient eind 1996 tot meer duidelijkheid over de meest succesvolle en effectieve samenwerkingsvormen te leiden. Ook zal dan een eerste inzicht moeten bestaan over de vraag in hoeverre stroomlijning in de veelheid van samenwerkingvormen wenselijk is en of bestaande wetgeving ontoereikend dan wel belemmerend is voor de procesgerichte samenwerking. De Regiegroep verwacht begin 1997 de bewindslieden van SZW van haar bevindingen in dezen op de hoogte te kunnen stellen.

     Op grond daarvan zal het kabinet bezien hoe de samenwerking verder kan worden uitgebouwd, waar wellicht regulering nodig is en aan welke eisen de samenwerking in de structurele situatie moet voldoen.

 

4.4. Rol voorliggend wetsvoorstel voor samenwerking en uitvoering in de regio


4.4.1. Regionale uitvoering en integrale gevalsbehandeling

     Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, dient één van de kenmerken van de nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen regionale uitvoering en integrale gevalsbehandeling te zijn. De aansluiting met de werkzaamheden van de gemeenten en de RBA’s zal moeten worden verzekerd. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe deze eis in het voorliggende wetsvoorstel is ingevuld.


Samenwerking in regio

     In dit wetsvoorstel wordt onder meer geregeld dat niet meer de bedrijfsverenigingen verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen, de AAW, de TW en de Wagw, maar het Lisv. Daarbij wordt het Lisv overigens ook expliciet opgedragen te bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen op grond van bovengenoemde wetten, worden ingeschakeld in het arbeidsproces. Het Lisv wordt dan ook verantwoordelijk voor een goede inzet van de diverse reïntegratiemaatregelen. Daarnaast zal het Lisv verantwoordelijk dienen te worden gesteld voor een goed gebruik van het inkoopbudget uit de Veegwet en voor de vaststelling en besteding van het in het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 neergelegde structurele inkoopbudget.¹
     Uiteraard dient het Lisv samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten. Dit is neergelegd in artikel 43 [45] van het voorliggende wetsvoorstel [zie ook Samenwerkingbesluit SWI, red.]. In artikel 36 [38:4] wordt het Lisv de verplichting opgelegd ieder jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende jaar aan de minister aan te bieden. In dit plan dient onder meer aandacht te worden besteed aan de wijze waarop het Lisv zijn reïntegratie- en samenwerkingstaken invult.

1. In het nog op te stellen wetsvoorstel Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen (IOsv) [zie Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (IOsv 1997), red.] zullen de hierop betrekking hebbende bepalingen in de diverse wetten dienovereenkomstig worden aangepast.

     rblz.|30| Het Lisv dient de daadwerkelijke uitvoering (inclusief het bevorderen van de arbeidsinschakeling en daarmee de inzet van reïntegratiemaatregelen) per sector of sectoronderdeel door middel van een administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten te laten verrichten door een uitvoeringsinstelling. De directe samenwerkingspartners van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en gemeenten in de regio zullen dan ook de uitvoeringsinstellingen zijn. Het voorgestelde artikel 43 [45] draagt het Lisv ook op ervoor zorg te dragen dat de uitvoeringsinstellingen onder meer om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen, samenwerken met elkaar, met de gemeenten, met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en met andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten die verband houden met de taken van het Lisv. Uiteraard dient in het door het Lisv op te stellen plan van werkzaamheden niet alleen aandacht te worden besteed aan de wijze waarop het Lisv zijn reïntegratie- en samenwerkingstaak zal invullen, maar ook aan de wijze waarop de uitvoeringsinstellingen dit zullen doen.

     Met dien verstande dat de uitvoeringsinstellingen dienen te blijven binnen de samenwerkingsafspraken die door het Lisv zijn gemaakt, hebben deze instellingen de vrijheid om samen met de andere twee kolommen te bezien wat het best op landelijk en wat op regionaal niveau wordt afgesproken. Zoals in paragraaf 4.3.1 reeds werd gememoreerd, heeft de ervaring geleerd dat een regionale aanpak bij de samenwerking van groot belang is. Voorkomen dient te worden dat te veel beslissingen op landelijk niveau worden genomen. Het maken van afspraken op regionaal niveau wordt in voorliggend wetsvoorstel bevorderd doordat in artikel 41 [43], vierde lid, onderdeel e, wordt voorgeschreven dat in de tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen te sluiten overeenkomsten in ieder geval wordt geregeld dat het bestuur van iedere uitvoeringinstelling ten minste aan één persoon in iedere regio als bedoeld in artikel 36 [38], tweede lid, dan wel in meerdere van die regio’s (hierover meer in het hiernavolgende), de bevoegdheid geeft om namens dit bestuur beslissingen te nemen ter uitvoering van de reïntegratietaak. De betrokken persoon of personen fungeren daarmee ook als personen met wie het RBA (of de RBA’s) en de gemeenten in de regio (respectievelijk regio’s) samenwerkingsafspraken kunnen maken.


Aanspreekpunt cliënten in regio

     Met het oog op de benaderbaarheid voor uitkeringsgerechtigden, werknemers en werkgevers is het gewenst dat iedere uitvoeringsinstelling in de regio voldoende bereikbaar is, oftewel, dat in iedere regio een frontofficefunctie in stand wordt gehouden. Artikel 44 [46] bepaalt dan ook dat de uitvoeringsinstelling in iedere regio voor betrokkenen voldoende bereikbaar moet zijn. Niet is voorgeschreven dat de zogenaamde backofficeactiviteiten (bijvoorbeeld de berekening van de hoogte van de uitkering) in de regio moeten worden verricht. Voor de uitkeringsgerechtigde is dat namelijk minder van belang. Waar het om gaat is dat hij een contactpunt in of in de nabijheid van zijn woonplaats heeft.
     Tevens is niet voorgeschreven op welke wijze de frontofficefunctie dient te worden vormgegeven. Grotere uitvoeringsinstellingen zullen per regio waarschijnlijk meerdere kantoren in stand houden (waarin indien gewenst ook de backofficeactiviteiten zullen kunnen worden verricht, zie boven), minder grote kunnen kiezen voor een rondreizend kantoor. Kleine uitvoeringsinstellingen of uitvoeringsinstellingen met weinig cliënten in de betrokken regio, zullen er misschien voor kiezen de frontofficeactiviteiten waar te laten nemen door een andere uitvoeringsinstelling. Daarnaast is het uiteraard mogelijk - en in de ogen van het kabinet zelfs zeer gewenst - om tezamen met de arbeidsbureaus en de gemeentelijke sociale diensten frontoffices in stand te houden. Dit wordt i
n het rblz.|31| voorliggende artikel echter niet voorgeschreven. Zoals in paragraaf 4.3 is aangegeven, wil het kabinet pas een eindoordeel over de wenselijkheid van een dergelijk voorschrift vellen nadat het eindrapport van de Regiegroep SWI ter beschikking is gekomen.

     Opgemerkt wordt dat het feit dat in de wet geen voorschriften worden gegeven over de organisatie van de frontofficefunctie in de regio of over de plaats waar de backofficeactiviteiten worden verricht, niet inhoudt dat de uitvoeringsinstellingen dit zonder meer zelf kunnen bepalen. Hierover dienen afspraken te worden gemaakt met het Lisv, die in de administratieovereenkomsten of de jaarovereenkomsten worden neergelegd. Uiteraard speelt ook hierbij overigens weer het samenwerkingsaspect met de overige twee kolommen.


Regio’s

     Samengevat dient de uitvoeringsinstelling derhalve in iedere regio voldoende bereikbaar te zijn voor werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden, terwijl ten behoeve van de samenwerkingspartners in iedere regio of combinatie van regio’s een beslissingsbevoegde persoon aanwezig dient te zijn. Van belang daarbij is dat er een duidelijke regio-indeling bestaat. Met het oog hierop wordt in artikel 36 [38], tweede lid, van het voorliggende wetsvoorstel bepaald dat het Lisv Nederland in regio’s indeelt.
     Dit dient zoveel mogelijk overeenkomstig de werkgebieden van de RBA’s te geschieden. Evenals dit het geval is in artikel 37, onderdeel a, van de huidige Osv, laat dit artikel de mogelijkheid open dat in bijzondere gevallen van de RBA-indeling wordt afgeweken. Hiervoor moet het Lisv dan uiteraard wel een goede reden hebben. Gedacht kan worden aan de situatie waarin de RBA-grenzen met ingang van een bepaalde datum gewijzigd worden (al dan niet tengevolge van een toe- of afname van het aantal RBA-regio’s). Mede gezien de contractuele relaties die het Lisv met de uitvoeringsinstellingen onderhoudt, wordt het opleggen van een verplichting dergelijke wijzigingen te allen tijde direct en automatisch te volgen onwenselijk geacht.

     De regio-indeling van het Lisv geldt voor alle uitvoeringsinstellingen. Met name vanaf 2000 zal het echter kunnen voorkomen dat er uitvoeringsinstellingen zijn die slechts de uitvoering verrichten voor een deelsector van het bedrijfs- en beroepsleven die bovendien niet in alle Lisv-regio’s vertegenwoordigd is. Stel dat er bijvoorbeeld een uitvoeringsinstelling komt die louter de uitvoering voor de deelsector havens verricht. Verwacht kan worden dat het gros van de cliënten van deze uitvoeringsinstelling woont of zetelt in de Lisv-regio’s waarin de havens zijn gelegen. Het zou nu voor deze uitvoeringsinstelling te ver gaan om voor te schrijven dat in iedere Lisv-regio ten minste één persoon aanwezig dient te zijn die bevoegd is om reïntegratie- en samenwerkingsbeslissingen te nemen. In een in Limburg gelegen regio, bijvoorbeeld, zal in het gegeven voorbeeld aan zo’n persoon weinig behoefte zijn. Met het oog daarop is het artikel dan ook zo opgesteld dat ook voor een combinatie van regio’s een beslissingsbevoegde persoon kan worden aangewezen. Zo zou er in het bovenstaande voorbeeld voor kunnen worden gekozen één (of meer) beslissingsbevoegde persoon (personen) aan te wijzen voor iedere Lisv-regio waarin havens zijn gelegen en één persoon voor de rest van Nederland, oftewel voor de overige Lisv-regio’s. Dit laatste is met name van belang voor de reïntegratie-inspanningen voor die uitkeringsgerechtigden, die wonen buiten de Lisv-regio’s waarin de havens zijn gelegen.

     Iedere uitvoeringsinstelling dient wel in elke Lisv-regio voor cliënten voldoende bereikbaar te zijn. Wat dit betreft is samenvoeging van regio’s rblz.|32| dus niet mogelijk. De reden daarvan is dat het van belang is dat cliënten van uitvoeringsinstellingen in of in de nabijheid van hun woonplaats respectievelijk hun plaats van vestiging een aanspreekpunt hebben. Ook in het geval waarin de werkzaamheden van een uitvoeringsinstelling hoofdzakelijk ten behoeve van één of enkele regio’s worden verricht (zoals in het bovenstaande voorbeeld), zullen er nog wel cliënten buiten die regio’s zijn. De verplichting in iedere Lisv-regio bereikbaar te zijn voor cliënten hoeft overigens zelfs in een regio waar slechts enkele cliënten wonen niet tot problemen te leiden, aangezien er in dat geval voor gekozen kan worden de frontofficeactiviteiten door een andere uitvoeringsinstelling, die gezien haar cliëntgroepen wél goed in de betreffende regio’s vertegenwoordigd moet zijn, te laten uitvoeren.


4.4.2. Relatie met SWI

     Als gezegd acht het kabinet het niet gewenst om op dit moment door middel van regelgeving voor te schrijven hoe op regionaal niveau moet worden samengewerkt. Het kabinet wil pas naar aanleiding van de resultaten van de Regiegroep SWI bezien of invulling van de mogelijkheid bij of krachtens AMvB regels te stellen met betrekking tot de samenwerking wenselijk is dan wel of wijziging van formele wetten nodig is. Het voorliggende wetsvoorstel bevat dan ook geen elementen die het in paragraaf 4.2 beschreven kader inhoudelijk nader invullen. Gesteld kan derhalve worden dat de regelgeving in het voorliggende wetsvoorstel het SWI-traject niet belemmert. Sterker nog, het voorliggende wetsvoorstel bevordert dat traject juist doordat wordt voorgeschreven dat in iedere regio of combinatie van regio’s ten minste één persoon aanwezig dient te zijn die beslissingen kan nemen over de samenwerking in die regio(’s). Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel duidelijkheid gegeven over de wijze waarop de sectorale inbreng tot uitdrukking zal komen.

     Gezien het bovenstaande is het niet nodig om met invoering van de Osv 1997 te wachten totdat meer duidelijkheid is verkregen over de vraag of, en zo ja, hoe nadere regelgeving op het punt van de samenwerking nodig is.


4.4.3. Arbeidsbemiddeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten

     In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996 (paragraaf 6.6) en in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 (hoofdstuk 5) is aangegeven dat de uitzonderingssituatie die op dit moment geldt voor de bemiddeling van de zogenaamde "Wagw-bemiddelingspopulatie" beëindigd zal worden op het moment dat de nieuwe organisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen van kracht wordt.

     De uitzonderingssituatie bestaat daarin dat artikel 16, tweede lid, van de Wagw de bedrijfsverenigingen tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip mede verantwoordelijk stelt voor de arbeidsbemiddeling van een aantal groepen cliënten die zijn aangeduid in de ministeriële regeling van 18 december 1995, nr. SV/WV/95/5228, Stcrt. 1995, 248 (Regeling arbeidsbemiddelingstaak Wagw).
     Ruw samengevat gaat het hier om personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, met een uitkering op grond van de Ziektewet dan wel met recht op loondoorbetaling wegens ziekte, met een werkvoorziening, personen wier arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken omdat zij minder dan 15 of 25% arbeidsongeschikt zijn geworden, en alle andere personen (uitgezonderd WW-gerechtigden) die wegens ziekte of gebrek een belemmering ondervinden om tot de arbeidsmarkt toe te t
reden. rblz.|33| Gezien de bepalingen in de huidige Arbeidsvoorzieningswet staat deze verantwoordelijkheid formeel naast die van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In de wetsvoorstellen Arbeidsvoorzieningswet 1996 en Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 is, om duidelijkheid te scheppen, geregeld dat de bedrijfsverenigingen en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) totdat de bemiddelingstaak van de bedrijfsverenigingen krachtens het op artikel 16, tweede lid, Wagw te treffen koninklijk besluit vervalt, bij uitsluiting verantwoordelijk zijn voor bemiddelingsactiviteiten die uitgaan boven de basisbemiddeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Dit laat overigens onverlet dat de bedrijfsverenigingen hun arbeidsbemiddelingstaak ten aanzien van Wagw-populatie kunnen invullen door middel van inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of bij derden. Dit geschiedt ook nu overigens al.

     Het kabinet is van mening dat deze uitzonderingssituatie beëindigd moet worden. De arbeidsbemiddelingstaak dient over te gaan op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, terwijl tegelijkertijd het Lisv wel de reïntegratietaak zal moeten behouden. Dit laatste is neergelegd in het huidige wetsvoorstel: artikel 36 [38], eerste lid, onderdeel b, geeft het Lisv onder meer de taak te bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen op grond van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering, de wettelijke ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekeringen, de TW en personen die onder de Wagw vallen, worden ingeschakeld in het arbeidsproces.

     Regeling van het eerste onderdeel, namelijk de overgang van de arbeidsbemiddelingstaak op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zou - wil de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling gelijktijdig met de nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekering in werking kunnen treden - in de Invoeringswet Osv 1997 moeten geschieden. Aan de uitwerking van de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling is echter een aantal complicaties verbonden.

     De Regiegroep SWI heeft een rapport in voorbereiding over de vraag hoe de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het Lisv c.q. de uitvoeringsinstellingen in de nieuwe constellatie moet worden geregeld (Intake en Aanbodanalyse Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Het kabinet is van mening dat het van belang is het rapport van de Regiegroep af te wachten voordat tot nadere regelgeving wordt overgegaan. Mede aan de hand van het rapport zal worden bekeken hoe in het wetsvoorstel Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 de nieuwe taakverdeling zal worden vormgegeven. In ieder geval zal in dat wetsvoorstel worden geregeld dat de in de Wagw opgenomen arbeidsbemiddelingstaak vervalt.

 

5. Het toezicht op de sociale verzekeringen


5.1. Inleiding


     Bij het tot stand komen van de huidige Osv is het toezicht ¹ op de uitvoering van de sociale verzekeringen ingrijpend gewijzigd. Op dat moment is de Sociale Verzekeringsraad (SVr) vervangen door het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). De belangrijkste punten waarop het toezicht dat het Ctsv uitoefent, afwijkt van het toezicht dat door de SVr werd uitgeoefend, zijn dat het toezicht volledig onafhankelijk is van sociale partners en dat het Ctsv tot taak heeft om corrigerend toezicht uit te oefenen. Dit laatste betekent dat, indien het Ctsv constateert dat de uitvoering van de sociale verzekeringen op één of meer punten niet voldoet aan de daarvoor geldende normen, het Ctsv tot taak heeft
om de rblz.|34| uitvoering te corrigeren. De normen voor correctie van de uitvoering ontleent het Ctsv aan de eisen die vanuit rechtmatigheid en doelmatigheid aan de uitvoering gesteld worden.
     Het Ctsv beschikt voor het uitoefenen van corrigerend toezicht over het benodigde instrumentarium, zoals onder andere de mogelijkheid om uit hoofde van zijn taak een aanwijzing te geven aan de SVB en het Lisv.
     Het Ctsv is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Dat houdt in dat het een publiekrechtelijk orgaan van de centrale overheid is waaraan de uitvoering van een bestuurstaak is opgedragen zonder dat er sprake is van een hiërarchische ondergeschiktheid aan de minister. De keuze voor de uitvoering van taken door een ZBO impliceert dat bepaalde bevoegdheden en verantwoordelijkheden, die essentieel zijn voor een goede taakuitoefening, bij het ZBO worden neergelegd. Formeel kan gesteld worden dat de ministeriële verantwoordelijkheid daardoor beperkt wordt. Immers bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden niet door de minister uitgeoefend, maar zijn overgedragen. Wel is de minister gehouden om op vragen van het parlement antwoord te geven. Via deze lijn bestaat er een politieke aanspreekbaarheid van de minister.
     In het kader van de voorbereidingen van dit wetsvoorstel is het kabinet nagegaan of er voor het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen betere modellen denkbaar zijn dan het bestaande toezichtsmodel. De conclusie van het kabinet, die bij brief van 23 april 1996 aan de Tweede Kamer is medegedeeld (Kamerstukken II 1995-1996, 24 653, nr. 12), is dat het bestaande toezichtsmodel op hoofdlijnen dient te worden gehandhaafd.
     De commissie-Van Zijl doet in haar rapport "Heel het raderwerk" dat op 24 juni 1996 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 1995-1996, 24 653, nr. 15) de aanbeveling het toezichtsmodel te heroverwegen. Het kabinet geeft in het navolgende een reactie op de aanbevelingen van de commissie-Van Zijl die over het toezichtsmodel gaan.

1. Voor het begrip toezicht dat wordt gebruikt is aangesloten bij de definitie die de Algemene Rekenkamer hanteert. De Algemene Rekenkamer merkt het uitoefenen van toezicht aan als een proces dat uiteenvalt in de volgende stappen: het bepalen van controles, het uitvoeren van controles, treffen van maatregelen en het nagaan of maatregelen effect hebben.

 

5.2. Aanbevelingen van de commissie-Van Zijl inzake het toezichtsmodel


     De eerste aanbeveling van de Commissie is dat de wetgever zich grondig rekenschap moet geven van de vraag in hoeverre het huidige toezichtsmodel heroverweging verdient waar het gaat om de volgende samenhangende elementen: ministeriële verantwoordelijkheid, status als ZBO en reikwijdte van het toezicht. Daarbij moet de wetgever helderheid verschaffen over:
- de gewenste taakafbakening tussen ministerie en Ctsv;
- de gewenste onafhankelijkheid van het Ctsv van het ministerie;
- de wenselijkheid en inhoud van het sturend toezicht.

     In het voorliggend wetsvoorstel is sprake van een duidelijke taakafbakening tussen de minister enerzijds en het Ctsv anderzijds. Naar de mening van het kabinet zal aldus een helder systeem van "checks and balances" ontstaan. Het Ctsv beschikt over een aanwijzingsbevoegdheid, hetgeen betekent dat het college uit hoofde van zijn taak aanwijzingen zal kunnen geven aan de SVB en het Lisv.
     De minister is verantwoordelijk en dus politiek aanspreekbaar op zijn rol als (mede)wetgever, op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitgaven en op het aandeel van de uitvoering waar de minister eigen bevoegdheden heeft gehouden.

     De minister beschikt niet over instrumenten om de SVB en het Lisv rechtstreeks aan te sturen anders dan door wet- en regelgeving en door bestuurlijk overleg over concept-plannen van werkzaamheden van de SVB en het Lisv.

     rblz.|35| Het Ctsv is verantwoordelijk voor het toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de socialeverzekeringswetten door de ondertoezichtgestelden en voor het hanteren van instrumenten waarover het beschikt in het kader van het uit te oefenen toezicht.

     Het Ctsv valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid en baseert zich bij het toezicht in ieder geval op normen die het ontleent aan wet- en regelgeving. Daarnaast beschikt de minister over bijsturingsinstrumenten ten opzichte van het Ctsv, zoals de bevoegdheid om het budget van het Ctsv vast te stellen en de bevoegdheid om het Ctsv een aanwijzing van algemene aard te geven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het Ctsv niet onafhankelijk van de minister kan functioneren. Het Ctsv kan als ZBO echter wel tot onpartijdige oordeelsvorming ook ten opzichte van de minister komen.
     Op de inhoud van het toezicht wordt in de volgende paragrafen uitgebreid ingegaan.

     Aan de hand van de volgende drie voorbeelden wordt aangegeven wat de voorgestane structuur in concreto betekent.

     Indien gedurende het jaar de Tweede Kamer van mening zou zijn dat een bepaald reïntegratie-instrument, stel de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 62 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met onmiddellijke ingang veel frequenter zou moeten worden toegepast dan neergelegd in het plan van werkzaamheden van het Lisv voor het betreffende jaar, zal hierover uiteraard door de minister met het Lisv worden overlegd. Er is echter geen mogelijkheid om het Lisv te dwingen de door de Kamer voorgestane beleidswijzing direct over te nemen. Indien een eventuele weigering van het Lisv ondoelmatige uitvoering oplevert, kan wel het Ctsv ingrijpen. Indien het beleid van het Lisv gedurende het jaar niet gewijzigd wordt, zal in het overleg met het Lisv over het concept-jaarplan voor het komende jaar vervolgens (nogmaals) vanuit het ministerie worden ingezet op frequenter gebruik van de loonkostensubsidie. Zou het Lisv onverhoopt dan nog besluiten dit niet te doen, dan is er een aantal mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de Kamer, na ontvangst van het vastgestelde plan, besluit nadere actie te ondernemen. Hoewel de Kamer (anders dan door middel van initiatiefwetgeving) geen directe mogelijkheid heeft om het Lisv aan te sturen, zal de druk die op het Lisv ontstaat nadat de Kamer zich heeft uitgesproken naar verwachting zo groot zijn dat een weigering tot overname van de voorstellen van de Kamer nauwelijks denkbaar is. De tweede mogelijkheid - die overigens ook kan worden toegepast indien in de ogen van de Kamer de tijd tussen het kenbaar maken van het door de Kamer gewenste nieuwe beleid en het overleg over het jaarplan voor het komende jaar te lang duurt - is het opstellen van regelgeving. De laatste mogelijkheid is dat het Ctsv, indien vaststaat dat het in het jaarplan vastgelegde beleid in strijd is met de rechtmatigheid of doelmatigheid, een aanwijzing geeft of weigert het budget van het Lisv vast te stellen zoals op basis van het jaarplan begroot (in dat geval zal er een nieuwe begroting moeten worden ingediend, waaraan een gewijzigd jaarplan ten grondslag zal liggen). Indien het Ctsv in dit geval niet uit zichzelf ingrijpt, kan de minister het Ctsv een aanwijzing tot ingrijpen geven.

     Indien de Kamer gedurende het jaar zou constateren dat het Lisv instructies heeft doen uitgaan krachtens welke de uitkeringsinstellingen in strijd met de wet uitkeringen moeten verstrekken (en het Ctsv dit niet reeds zelf heeft geconstateerd en actie heeft ondernomen), is het aan het Ctsv om in te grijpen.
     Dit kan wél met onmiddellijke ingang geschieden. Ook indien door het Lisv veel minder op reïntegratie gerichte activiteiten zou (laten) verr
ichten rblz.|36| dan in het vigerende jaarplan opgenomen en er aldus een ondoelmatige uitvoering ontstaat, zal het Ctsv kunnen ingrijpen. Ook in deze gevallen geldt weer dat de minister zo nodig een aanwijzing tot handelen kan geven aan het Ctsv.

     Indien de Kamer een vraag heeft die betrekking heeft op het werkterrein waarvoor de drie ZBO’s bevoegd zijn, bijvoorbeeld een vraag over hoe de herkeuring van WAO-gerechtigden precies plaatsvindt, een vraag over de automatisering binnen de SVB of een vraag over het aantal personeelsleden bij het Ctsv, is de minister uiteraard, vanuit zijn politieke aanspreekbaarheid, gehouden om deze te beantwoorden. Echter, doordat gekozen is voor een systeem waarin de uitvoering en het toezicht plaatsvindt door ZBO’s tengevolge waarvan de ministeriële verantwoordelijkheid is ingeperkt, zullen deze vragen worden doorgeleid naar Lisv, SVB respectievelijk het Ctsv.

     Ten slotte nog het volgende. Indien gekozen wordt voor een herbevestiging van het geïntegreerd (corrigerend) toezicht, acht de commissie-Van Zijl het van groot belang dat bij de concrete invulling van het toezicht goede communicatie en coördinatie plaatsvindt tussen het Ctsv en de minister. De Commissie geeft daarbij aan dat het met het oog op de publieke functie van de toezichthouder valt te overwegen de minister daarover te laten rapporteren aan de Tweede Kamer.

     Om in de toekomst adequate informatie-uitwisseling tussen het Ctsv en de minister te garanderen, zullen de verantwoordingslijnen tussen het Ctsv en de minister scherper worden vastgelegd. Voor het reguliere contact tussen de minister en het Ctsv zal een gestandaardiseerde werkwijze worden uitgewerkt (informatieprotocol) die een goede uitwisseling van informatie garandeert en de eigen verantwoordelijkheid van de minister en het Ctsv respecteert. Daarnaast zal jaarlijks aan de hand van het concept-plan van werkzaamheden van het Ctsv bestuurlijk overleg plaatsvinden tussen de minister en het bestuur van het Ctsv. Het definitieve plan van werkzaamheden van het Ctsv zal aan beide kamers der Staten-Generaal worden gestuurd. Daarbij past dan om ook de definitieve plannen van werkzaamheden van de SVB en het Lisv aan deze Kamers te sturen. Ook de jaarrekeningen en de jaarverslagen van het Ctsv, de SVB en het Lisv alsmede de rechtsmatigheidsverklaringen en doelmatigheidsrapportages van het Ctsv zullen, voorzien van een oordeel van de minister, ter kennis worden gebracht van het parlement.

 

5.3. Aanbevelingen van het interimbestuur van het Ctsv


     Het interimbestuur van het Ctsv heeft in het kader van de voorbereiding van het wetsvoorstel op verzoek van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn visie gegeven op de wenselijke structuur van de uitvoering van de socialeverzekeringswetten bezien vanuit het toezicht op de uitvoering van deze wetten. Deze visie, die leidt tot een aantal aanbevelingen, is als bijlage bij dit wetsvoorstel gevoegd.
     Bij het opstellen van het wetsvoorstel zijn de aanbevelingen van het interimbestuur van het Ctsv betrokken.

     Het kabinet stemt in met de aanbeveling dat er duidelijkheid moet bestaan over het toegelaten takenpakket van de uitvoeringsinstellingen in de toekomst. Deze duidelijkheid wordt naar het oordeel van kabinet voldoende gecreëerd door het toetsingskader andere taken. Over de inhoud van het toetsingskader bent u geïnformeerd via mijn brief van 25 juni jl. (SV/UB/96/1761). De uitgangspunten van dit toetsingskader zijn dat de scheiding tussen publiek en privaat gegarandeerd moet zijn en dat geen concurrentievervalsing kan optreden ten aanzien van de uitvoering rblz.|37| van de niet-publieke taken. De aanbeveling om in de eindsituatie de scheiding tussen publiek en privaat niet binnen de holding maar tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te leggen, is een interessante suggestie, maar vereist nadere doordenking. Daarbij dient o.a. gedacht te worden aan extra risico’s in de sfeer van het EG-mededingingsrecht, het waarborgen van de privacy en het waarborgen van de toegankelijkheid van de voor het beleid noodzakelijke informatie.

     Het kabinet beraadt zich nog over de aanbevelingen met betrekking tot het in de wet opnemen van een experimenteerartikel en de mogelijkheid van het Ctsv om boetes op te leggen.

     De aanbeveling van het Ctsv om het toezicht op de uitvoering van de Abw en eventueel de Arbeidsvoorzieningswet over te hevelen naar het Ctsv, gaat naar het oordeel van het kabinet het bestek van dit wetsvoorstel te buiten. Uiteraard zal in het kader van toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen, de Abw en de Arbeidsvoorzieningswet de nodige afstemming tussen de bestaande toezichthouders moeten plaatsvinden. Dit zal in het vervolg van het SWI-traject aan de orde kunnen komen.

 

5.4. Bestuursstructuur van het Ctsv


     Ten aanzien van de bestuursstructuur van het Ctsv beveelt de commissie-Van Zijl aan dat de wetgever zich, gezien de eerdere ervaringen met het Ctsv, rekenschap geeft in hoeverre de huidige wettelijke regeling verduidelijking dan wel wijziging behoeft met het oog op een adequate interne taak- en verantwoordelijkheidsverdeling.
     Voorts beveelt de Commissie aan om de selectie van bestuursleden te laten plaatsvinden op basis van een geobjectiveerde profielschets en een zorgvuldige professionele procedure. Bij de selectie moet naar het oordeel van de Commissie vooral gelet worden op persoonlijk gezag en op bestuurlijke en vooral communicatieve vaardigheden. Materiedeskundigheid acht de Commissie daarbij minder belangrijk dan het hebben van inzicht in relevante sociaal-politieke en financieel-economische vraagstukken.
     Maatschappelijke en politieke ervaring kan naar het oordeel van de Commissie absoluut een meerwaarde hebben. Verder vraagt de Commissie aandacht voor een inwerk- en overdrachtsprocedure aan de hand van een gedegen overdrachtsdossier.

     Over een profielschets heeft het kabinet advies gevraagd aan het interimbestuur van het Ctsv. De door het interimbestuur van het Ctsv opgestelde profielschets sluit goed aan bij de elementen die de Commissie van belang acht.
     De bevoegdheden van het Ctsv zijn bij wet opgedragen aan het bestuur. Voor het bestuur bestaat de mogelijkheid bepaalde taken aan de directie dan wel de werkorganisatie te mandateren. Of, en in hoeverre, het bestuur van het Ctsv daar ook toe besluit, behoort tot de uitsluitende competentie van het bestuur.
     Een goede inwerk- en overdrachtsprocedure is uiteraard van belang. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt echter primair bij het nieuwe bestuur zelf en het Ctsv.

 

5.5. De inhoud van het toezicht door het Ctsv


     Het Ctsv heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van de wetten door de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Dit toezicht bestaat uit:
- het vergaren van toezichtsinformatie;
- het toetsen van toezichtsinformatie aan norm
en;
rblz.|
38| - het v
ellen van oordelen;
- indien het oordeel negatief is, zijn er twee mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn:
- het ligt aan de uitvoering. In dat geval moeten er maatregelen genomen worden om de gewenste situatie te bereiken en om herhaling te voorkomen (corrigeren);
- het ligt aan de wet- en regelgeving. In dat geval moet er een signaal worden afgegeven aan de minister (signaleren).

     De normen voor toetsing van de toezichtsinformatie ontleent het Ctsv aan wet- en regelgeving, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, rechtspraak, aan normen en standaarden die elders in het maatschappelijk verkeer gangbaar zijn (basale bedrijfseconomische inzichten, binnen een beroepsgroep gebruikelijke protocollen, enz.) en aan het eigen beleid van de uitvoeringsinstantie. Uiteraard toetst het Ctsv ook of de SVB en het Lisv hun plan van werkzaamheden uitvoeren. Op basis van het voorgaande kan het Ctsv onder andere eisen stellen aan bijvoorbeeld de kwaliteit van de uitvoering. Het is voor de uitvoering van belang dat vooraf inzicht bestaat in de normen en de daarop gebaseerde criteria waaraan het Ctsv de uitvoering in een concreet geval zal toetsen. Daarom is het gewenst dat het Ctsv op belangrijke onderdelen van het beleid van de uitvoering vooraf toetsingskaders opstelt. In de toetsingskaders operationaliseert het Ctsv de eerdergenoemde normen.
     De minister stemt met het Ctsv af in welke gevallen de door het Ctsv ontwikkelde toetsingskaders vooraf door het Ctsv aan hem ter kennis moeten worden gebracht of ter goedkeuring aan hem moeten worden voorgelegd.
     Het toepassen van deze toetsingskaders op de opzet en werking van de uitvoering leidt tot oordelen. Hiervoor dient het Ctsv een procedure (hoor en wederhoor) te ontwerpen (hoe kom je van bevindingen tot oordelen). Door het toepassen van toetsingskader en procedure samen komt het Ctsv tot zijn uiteindelijke oordeel. Dat kan zijn dat
- de uitvoering rechtmatig en doelmatig is; of
- de uitvoering niet rechtmatig en/of doelmatig is door een fout in de uitvoering en dat het Ctsv corrigerend dient op te treden om tot een rechtmatige en doelmatige uitvoering te komen; of
- de uitvoering niet rechtmatig of doelmatig is, maar dat een andere werkwijze onder de vigerende wet- en regelgeving niet mogelijk is, zodat de onrechtmatige/ondoelmatige uitvoering moet worden gedoogd/toegestaan, waarna het Ctsv een signaal aan de minister moet geven; of
- de uitvoering wel rechtmatig en doelmatig is, maar dat desondanks de door de wetgever beoogde effecten niet worden bereikt, waarna het Ctsv een signaal aan de minister moet geven.

     De taak van het Ctsv is dus te toetsen of de uitvoering aan de geldende normen, indien mogelijk vormgegeven in een toetsingskader, voldoet. Indien dit niet het geval is, wordt corrigerend opgetreden.
     De instrumenten die het Ctsv ten dienste staan om onregelmatigheden te (laten) corrigeren zijn:
- het voeren van overleg;
- het vaststellen van budgetten van het Lisv en de SVB;
- het onthouden van de goedkeuring aan besluiten die ter goedkeuring aan het Ctsv moeten worden voorgelegd;
- het geven van aanwijzingen;
- het vaststellen dat door het Lisv uitgaven ten laste van een fonds of een wachtgeldfonds zijn gebracht, terwijl dit niet in overeenstemming is met daaromtrent gestelde regels en daaraan redelijkerwijs te stellen eisen en aan het Lisv meedelen welke bedragen het Lisv ten laste of ten gunste van het fonds dient te bren
gen;
rblz.|
39| - het de
minister adviseren de erkenning van een uitvoeringsinstelling in te trekken;
- het voordragen van besluiten bij de minister voor schorsing en vernietiging door de Kroon.

     De mate waarin het Ctsv de inhoud van regelgeving inhoudelijk zal kunnen toetsen, is afhankelijk van de aansturing die heeft plaatsgevonden door de wet- en regelgever.
     Indien de wetgever de bevoegdheid tot het stellen van regels op een bepaald terrein aan een uitvoeringsinstantie heeft toegekend, zonder daarbij richting te geven aan de wijze waarop de uitvoeringsinstantie van deze bevoegdheid gebruik moet maken, heeft het Ctsv geen mogelijkheden om de inhoud van de regels van de uitvoeringsinstantie inhoudelijk te toetsen anders dan aan hogere regelgeving, aan met het onderwerp verband houdende rechtspraak, aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en aan de normen die elders in het maatschappelijk verkeer gangbaar zijn en aan het eigen beleid van de instantie. Indien de wet- en regelgever wel richting heeft gegeven aan de wijze waarop de uitvoeringsinstantie gebruik van de regelgevende bevoegdheid moet maken, moet het Ctsv toetsen of de uitvoeringsinstantie zich aan de aangegeven richting houdt en indien dat niet het geval is, corrigerend optreden. Voor zover de aangegeven richting nog mogelijkheden openlaat om tot nadere invulling van de aangegeven richting te komen, is de uitvoeringsinstantie waaraan de regelgevende bevoegdheid is toegekend daartoe bevoegd en niet het Ctsv.

     Over de precieze inhoud van de normen die in of bij de totstandkoming van de wet- en regelgeving, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de jurisprudentie en de normen en standaarden die elders in het maatschappelijk verkeer gangbaar zijn, zijn vastgelegd, kan verschil van mening ontstaan tussen het Ctsv en de instantie waaraan de regelgevende bevoegdheid is opgedragen. Gegeven de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de toezichthouder enerzijds en de SVB en het Lisv anderzijds, zal het oordeel van de toezichthouder de doorslag geven. De uitvoeringsinstantie kan tegen een maatregel van het Ctsv in beroep gaan volgens de geldende beroepsprocedure.
     In het geval dat er tussen de minister en het Ctsv verschil van mening ontstaat over de hantering van bevoegdheden door het Ctsv, kan de minister het Ctsv een aanwijzing van algemene aard geven. De minister corrigeert dan het Ctsv.

     Aparte aandacht verdient nog het in bepaalde gevallen mogelijk maken van contra-legemsituaties.
     De commissie-Van Zijl beveelt aan om het via een (aangepast) experimenteerartikel mogelijk te maken dat contra-legemsituaties die in redelijkheid binnen beleidsdoelstellingen vallen, voor een bepaalde duur kunnen worden toegestaan.
     In de huidige Osv en ook in het onderhavig wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen om, zo nodig in afwijking van de Osv, bij AMvB tijdelijke voorzieningen te treffen waarmee wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op de wetten die het Lisv uitvoert. Dit artikel heeft met name betrekking op afwijkingen van de Osv. Het experimenteerartikel waar de Commissie op doelt betreft echter een mogelijkheid om af te wijken van de materiewetten, bijvoorbeeld met het oog op gewenste experimenten in het kader van het volumebeleid. Met de Commissie is het kabinet van mening dat het wenselijk is experimenten onder bepaalde voorwaarden toe te kunnen staan. De discussie over experimenteerartikelen in de materiewetten past echter niet bij een discussie over de Osv 1997 zelf, maar meer in een discussie over de materiewetten. Daarom is het kabinet voornemens deze disc
ussie te rblz.|40| voeren bij de behandeling van het wetsvoorstel Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen 1997, op basis van in dat wetsvoorstel op te nemen experimenteerartikelen in de materiewetten.

     Aansturing van de uitvoering door het Ctsv in de zin van het stellen van regels behoort niet tot de taak van het Ctsv, anders dan het stellen van regels die met het oog op het adequaat kunnen verrichten van de toezichtstaak noodzakelijk zijn. Op basis hiervan wordt de regelgevende bevoegdheid van het Ctsv beperkt tot het stellen van regels die noodzakelijk zijn voor het adequaat kunnen uitoefenen van toezicht. Het Ctsv heeft de bevoegdheid deze regels te stellen op basis van de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen. Immers, een aanwijzing kan gericht zijn op een specifieke instantie of situatie (niet zijnde een beslissing in een individueel geval), maar kan ook van algemene aard zijn.

     Op basis van de Osv moet het Ctsv toezicht houden op de doelmatigheid van de uitvoering (doelmatigheid in de zin van efficiency en van doeltreffendheid). Hierbij spelen ook de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen een rol, omdat zij gehouden zijn te rapporteren over de doelmatigheid van de uitvoering. De invulling van het begrip doelmatigheid in de zin van efficiency is door de wetgever tot op dit moment voor een belangrijk deel overgelaten aan het Ctsv. Op basis hiervan heeft het Ctsv binnen de aansturing door de wetgever een redelijk grote vrijheid om normen voor de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen te ontwikkelen waaraan een efficiënte uitvoering moet voldoen. Het Ctsv zal deze normen moeten vastleggen in toetsingskaders. Het ontwikkelen van deze normen is nu nog de bevoegdheid van het Ctsv waarin de minister niet kan treden anders dan door het aanpassen c.q. ontwikkelen van wet- en regelgeving. Uiteraard kunnen ook signalen in de richting van het Ctsv worden afgegeven.
     Gezien vanuit de gewenste verdeling van verantwoordelijkheden is het minder gewenst dat het Ctsv de normen vaststelt waaraan een efficiënte uitvoering zal moeten voldoen. De normstelling moet plaatsvinden door middel van wet- en regelgeving.
     In de komende periode zal ik de daartoe bestaande mogelijkheden inventariseren. Daarbij zal ik ook betrekken dat de invulling van het toezicht op het terrein van de efficiency mede afhankelijk is van de mate waarin daadwerkelijk concurrentie tussen uitvoeringinstellingen zal ontstaan.

     Voor de invulling van het begrip doelmatigheid als het gaat om doeltreffendheid (worden de doelstellingen van de wetgever voldoende bereikt?) is de bedoeling van de wetgever van groot belang. Het Ctsv zal moeten nagaan of deze doelstellingen in voldoende mate worden bereikt. Het Ctsv kan hieraan geen eigen invulling geven. Het Ctsv zal moeten nagaan of de uitvoeringspraktijk beantwoordt aan de doelstellingen van de wet- en regelgever. Bij het uitvoeren van de toets of de doelstellingen van de wetgever in voldoende mate worden bereikt, zal het Ctsv ook moeten nagaan of zich ongewenste uitvoeringspraktijken voordoen die bij de invoering van de wet- en regelgeving niet zijn voorzien, waarna zo nodig actie wordt ondernomen richting SVB, Lisv of minister.

     Bij de beoordeling van de doelmatigheid van de uitvoering zal het Ctsv ook gebruik kunnen maken van afzonderlijk onderzoek. Dit onderzoek dient samen te hangen met de toezichthoudende taak. Vanuit andere invalshoeken zal ook onderzoek worden verricht door onder meer het Landelijk instituut, de uitvoeringsinstellingen en het ministerie.
     Gezien de specifieke onderzoekstaak van het Ctsv ligt het niet in de rede dat het College zorg draagt voor coördinatie van het onderzoek op het terrein van uitvoering van de socialeverzekeringswetten.

     rblz.|41| De commissie-Van Zijl benadrukt het belang van doelmatigheidsonderzoek, maar geeft daarbij aan dat een gedifferentieerde benadering vereist is. Het onderzoek naar doelmatigheid van beheer en organisatie vereist een andere benadering dan het onderzoek naar de doelmatigheid van het beleid.
     Het belang van doelmatigheidsonderzoek door het Ctsv en de noodzaak van een gedifferentieerde benadering van dat onderzoek worden door het kabinet onderschreven.
     De inhoud en de noodzaak van het toezicht door het Ctsv op de efficiency is mede afhankelijk van de mate waarin daadwerkelijk concurrentie tot stand komt tussen de uitvoeringsinstellingen.

     Indien het Ctsv in een concrete situatie besluit om correctiemiddelen in te zetten, moet het Ctsv aangeven dat verbeteringen in de uitvoering tot stand moeten worden gebracht. Het daadwerkelijk aanbrengen van de noodzakelijke verbeteringen en de wijze waarop dit gebeurt is de verantwoordelijkheid van de uitvoeringsinstantie.

     In het geval dat er sprake is van een ongewenste situatie in de uitvoering en het Ctsv niet kan ingrijpen omdat het in concreto niet gaat om niet-rechtmatige of niet-doelmatige uitvoering of omdat de normen daarvoor onvoldoende aangrijpingspunten bieden, kan het Ctsv de minister op de ongewenste situatie wijzen. Het is hierbij niet aan het College om in zijn rapportages of onderzoeksrapporten aanbevelingen op te nemen op welke wijze het beleid zou kunnen worden bijgesteld. Dit is voorbehouden aan de minister. Vervolgens kan de minister eventueel bevorderen dat wordt overgegaan tot wijziging van wet- en regelgeving.¹

1. Indien het Ctsv de minister op een bepaalde situatie attent maakt op basis van signalen ontleend aan toezichtsactiviteiten, kan dit niet gelijk worden gesteld met advisering van de minister door het Ctsv. Advisering heeft in het algemeen betrekking op het desgevraagd geven van een oordeel over een voorstel van de minister. Signalen ontleend aan toezichtsactiviteiten maken de minister attent op een in de uitvoering bestaande situatie waarop de minister al dan niet reageert.

 

5.6. Onderwerpen van toezicht


     Het toezicht van het Ctsv zal zich richten tot de Bank, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Het Lisv is verplicht om alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen op grond van wetten waarvan de uitvoering is opgedragen aan het Lisv, op basis van een schriftelijke overeenkomst te laten uitvoeren door een uitvoeringsinstelling. Het Lisv zal daarbij de uitvoeringsinstelling vrijwel altijd mandateren om zelf beslissingen te nemen. Het Lisv blijft, ondanks de uitbesteding van de met de uitvoering samenhangende taken en de mandatering volledig verantwoordelijk voor de uitvoering. Het toezicht van het Ctsv dat betrekking heeft op de situatie bij een uitvoeringsinstelling, zal op basis van de verantwoordelijkheid van het Lisv ook via het Lisv plaatsvinden. Op basis van het feit dat het Lisv verplicht is aanwijzingen van het Ctsv op te volgen, is in het algemeen gegarandeerd dat het Lisv de aanwijzingen van het Ctsv die betrekking hebben op de situatie bij een uitvoeringsinstelling, doorvertaalt naar de uitvoeringsinstelling.
     De uitvoeringsinstellingen moeten de door het Lisv opgedragen werkzaamheden op grond van de wet uitvoeren met inachtneming van de instructies van het Lisv. Op basis hiervan zijn de uitvoeringsinstellingen, indien zij daartoe instructie ontvangen, verplicht een aanwijzing van het Ctsv aan het Lisv op te volgen.

     In het geval dat het Lisv onverhoopt weigert om een aanwijzing op te volgen, bestaat de mogelijkheid dat het Ctsv de minister adviseert één of meerdere bestuursleden te schorsen en of te ontslaan. Het is daarnaast nog mogelijk dat de minister op basis van taakverwaarlozing bij ministeriële regeling, zo nodig in afwijking van de wet, tijdelijke voorzieningen treft om de problematiek op te lossen.
     In het geval dat een uitvoeringsinstelling niet of onvoldoende meewerkt aan het opvolgen van de instructie van het Lisv dat gehandeld
moet rblz.|42| worden overeenkomstig een aanwijzing van het Ctsv, kan dit uiteindelijk reden zijn om de erkenning van een uitvoeringsinstelling in te trekken.

     Het Ctsv zal, om te kunnen beoordelen of de verantwoording van het Lisv (inclusief verklaringen omtrent doelmatigheid en rechtmatigheid van de uitvoeringsinstellingen) aan de gestelde eisen met betrekking tot rechtmatigheid en doelmatigheid voldoet, uiteraard moeten beschikken over een onbelemmerde toegang tot de (administratie van de) uitvoeringsinstellingen. Daarnaast zal het Ctsv op verzoek kosteloos alle gegevens en inlichtingen van de uitvoeringsinstellingen moeten kunnen verkrijgen die het nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.
     Deze bevoegdheden van het Ctsv (het inzage- en informatierecht) ten opzichte van de uitvoeringsinstellingen zijn in de wet vastgelegd. In het wetsvoorstel ontvlechting dat onlangs bij de Tweede Kamer is ingediend (Kamerstukken II 1995-1996, 24 789, nrs. 1-3) wordt een voorstel opgenomen dat tot gevolg heeft dat de bevoegdheden van het Ctsv, als het om de besteding van publieke socialeverzekeringsgelden gaat, vergelijkbaar zijn met de bevoegdheden die de Algemene Rekenkamer op dit terrein heeft. Dit is ook in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen.

 

5.7. Besluiten die moeten worden voorgelegd aan het Ctsv of die de goedkeuring behoeven van het Ctsv


     De algemene bevoegdheid van het Ctsv om vast te stellen welke besluiten van de SVB en het Lisv vooraf ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan het Ctsv, wordt van het Ctsv overgeheveld naar de minister. De overheveling van deze bevoegdheid naar de minister past beter bij de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de minister en het Ctsv. De normstelling "goedkeuring vooraf is vereist" geschiedt door de wet- en regelgever in een ministeriële regeling en niet door de toezichthouder.
     Daarnaast kan de minister bepalen welke besluiten de SVB en het Lisv, al dan niet voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan, ter kennis van het Ctsv moeten brengen. De minister zal het voorgaande vastleggen in een ministeriële regeling, na raadpleging van het Ctsv, de SVB en het Lisv. De ministeriële regeling zal zo terughoudend mogelijk worden ingevuld. Een criterium dat een rol zal spelen bij deze invulling, is de mogelijkheid om de gevolgen van een eenmaal genomen besluit te redresseren, zonder dat dit gepaard gaat met hoge (maatschappelijke) kosten. Een voorbeeld van een besluit dat het Lisv of de SVB ter kennis van het Ctsv zal moeten brengen is een besluit omtrent de uitbesteding van werkzaamheden.

     Naar de mening van de commissie-Van Zijl ligt het bij een keuze voor geïntegreerd toezicht in de rede de interventiemogelijkheden zoveel mogelijk te beperken tot repressieve instrumenten, omdat de inzet van preventieve instrumenten op gespannen voet staat met de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoeringsorganen en met de onafhankelijkheid van de toezichthouder ten opzichte van de uitvoering.
     Zoals hiervoor is aangegeven, heeft het kabinet hiermee rekening gehouden.

 

5.8. Toets van de mogelijkheden tot het houden van toezicht


     Een eerste eis die aan wet- en regelgeving gesteld moet worden, is dat zij goed uitvoerbaar is. In het verlengde hiervan liggen de mogelijkheden om goed toezicht te houden. Dat is zowel van belang voor de toezichthouder als voor de onder toezicht gestelde instanties. Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden dienen duidelijk omschreven te zijn.
     Dat geldt eveneens voor de prestaties die moeten worden geleverd en de eisen die daaraan worden gesteld. Voor alle partijen moet duid
elijk zijn rblz.|43| wie waarvoor verantwoordelijk is en waarop men dus kan worden aangesproken. De aan de toezichthouder toegekende instrumenten dienen zodanig te zijn dat de uit de wet- en regelgeving voortvloeiende verantwoordelijkheid tot het houden van toezicht kan worden waargemaakt.
     Toezicht moet efficiënt en effectief uitgeoefend kunnen worden. Zoals gezegd is heldere wet- en regelgeving daarvoor een belangrijke voorwaarde. Het Ctsv beschikt over de kennis en de praktijkervaring om vooraf in te kunnen schatten of de wijze waarop het toezicht in een wetsvoorstel is geregeld adequaat genoemd kan worden. In de praktijk onderwerpt het Ctsv op verzoek van de minister nieuwe wet- en regelgeving op het gebied van de sociale verzekeringen, waarbij toezichtsaspecten een rol spelen, aan een toets tot het houden van toezicht. In dit wetsvoorstel wordt de bestaande praktijk geformaliseerd. Uiteraard behoudt de minister, ook na advisering door het Ctsv, de eindverantwoordelijkheid.

     In dit verband wordt verwezen naar de commissie-Van Zijl, die pleit voor systematische aandacht voor aspecten van uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en toezichtbaarheid van toekomstige wetgeving alsook voor reële implementatietermijnen.
     Zoals hiervoor aangegeven onderschrijft het kabinet de aanbeveling.

 

5.9. Het toezichtsbeleid


     Het is van belang dat het vooraf aan de SVB en het Lisv duidelijk is hoe het Ctsv in concreto zal omgaan met het toezicht. In dat kader is het van belang dat het Ctsv een beleid ontwikkelt. In het kader van dit beleid kan het Ctsv gebruik maken van de instrumenten die hiervoor zijn vermeld.
     In dat beleid moet het Ctsv verbanden leggen tussen enerzijds de zwaarte van de overtreding, mate van strijdigheid met rechtmatigheid en doelmatigheid, financiële schade, hardnekkigheid van de overtreder, enz. (evenredigheid) en anderzijds de soort sanctie en de zwaarte van de toegepaste sanctie (maatvoering).

     Ook moet het Ctsv een vaste procedure ontwikkelen voor de wijze waarop het Ctsv tot definitieve oordelen komt en de stappen die daaraan voorafgaan in de richting van de uitvoeringsorganisatie waarop het oordeel betrekking heeft. Zo acht het kabinet het in het algemeen wenselijk dat het Ctsv de uitvoeringsorganisatie waarop het oordeel betrekking heeft, in de gelegenheid stelt te reageren op de voorgenomen standpuntbepaling van het Ctsv (hoor en wederhoor).

     Bij een aanwijzing tot het treffen van een verbetering mag de toezichthouder niet in de verantwoordelijkheid van de uitvoerder treden. Het Ctsv constateert derhalve de tekortkoming en schrijft voor dat er verbeteringen getroffen moeten worden teneinde doelmatigheid en rechtmatigheid van de uitvoering te verzekeren en stelt daarbij een termijn. Het Ctsv ziet toe op opzet en uitvoering van de verbeteringsplannen.

     Het Ctsv brengt het toezichtsbeleid ter kennis van de minister. Het Ctsv voert het toezichtsbeleid uit en evalueert het ook. Vervolgens legt het Ctsv daarover verantwoording af aan de minister.

 

5.10. Het afleggen van verantwoording door het Ctsv


     Het Ctsv is verantwoordelijk voor het toezicht op een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de socialeverzekeringswetten. Het Ctsv is tevens een publiekrechtelijke rechtspersoon waaraan de uitvoering van een bestuurstaak (i.e. het houden van toezicht) is opgedragen. De keuze voor een uitvoering van publieke taken door een afzonderlijke rechtspers
oon rblz.|44| impliceert dat bepaalde verantwoordelijkheden en bevoegdheden, die essentieel zijn voor een goede taakuitoefening, bij die rechtspersoon zijn neergelegd.
     Een zelfstandig bestuursorgaan kan niet ter verantwoording worden geroepen door het parlement. Dat betekent dat het parlement in de praktijk zo nodig de minister ter verantwoording zal roepen over het functioneren van een zelfstandig bestuursorgaan.
     Vandaar dat het noodzakelijk is dat het zelfstandige bestuursorgaan op zijn beurt op een adequate en gestructureerde wijze verantwoording aflegt aan de minister. Voor het reguliere contact tussen de minister en het Ctsv zal met het Ctsv een gestandaardiseerde werkwijze worden uitgewerkt (informatieprotocol) die een goede uitwisseling van informatie garandeert en de eigen verantwoordelijkheden van de minister en het Ctsv respecteert.
     Het Ctsv zal moeten aantonen (meetbaar, verifieerbaar) dat:
- het proces van toezicht houden op een adequate wijze is ingericht (opzet) en in de praktijk naar behoren werkt (werking);
- de eigen organisatie van het Ctsv op een adequate wijze is opgezet en naar behoren werkt;
- er op een adequate wijze wordt geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd.

     De wet stelt nadere eisen aan de wijze waarop het Ctsv verantwoording dient af te leggen. Deze eisen zijn grotendeels ontleend aan de wijze waarop het Ctsv nu reeds invulling geeft aan de wijze waarop het toezichtsbeleid wordt ontwikkeld en in praktijk gebracht. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de beleidscyclus die het Ctsv aantoonbaar dient te doorlopen en de toezichtsproducten die dienen te worden afgeleverd.


De beleidscyclus


a. Beleidsplannen

     Bij de beleidscyclus staat centraal hoe het Ctsv toezicht gaat houden. Het (meerjarig) beleidsplan waarin het Ctsv zijn visie op toezicht en zijn beleidsuitgangspunten neerlegt, is het kader. Al naar gelang de ontwikkelingen (veranderde wetgeving, nieuwe inzichten) dient het beleidsplan aangepast te worden. In zijn beleidsplan moet het Ctsv vanuit een meerjarig perspectief duidelijk maken op welke wijze zeker gesteld wordt dat:
- de relevante informatie wordt verzameld;
- het proces van oordeelsvorming leidt tot betrouwbare oordelen (toetsingskaders en procedures);
- er een beleid met betrekking tot correctie van de SVB en het Lisv wordt ontwikkeld dat garanties biedt voor het treffen van maatregelen die in een juiste verhouding staan tot de ernst van de tekortkoming;
- eventuele tekortkomingen in het beleid grondig geanalyseerd en duidelijk toegelicht aan de beleidsmakers worden gesignaleerd;
- de uitvoering van de toezichtstaak wordt geëvalueerd en waar nodig wordt bijgestuurd;
- er een doelmatige interne organisatie wordt ingericht.

     Het beleidsplan - met name is dat van belang voor de daarin door het Ctsv vastgelegde toetsingskaders en het beleid met betrekking tot correctie - dient ter kennisneming aan de minister te worden voorgelegd. Dat biedt de minister de mogelijkheid om in een vroegtijdig stadium tot een oordeel te komen over de opzet van het toezicht en waar nodig preventief bij te sturen.
     Het kan nodig zijn bepaalde thema’s in aparte beleidsplannen uit te werken. Daarbij kan gedacht worden aan een beleidsplan over de interne organisatie, het beleid met betrekking tot correctie van het Ctsv, etc.

rblz.|45| 
b. Meerjarenprogramma en het plan van werkzaamheden voor het komende jaar

     De beleidsplannen met daarin de hierboven aangegeven uitgangspunten en richtingen worden voor de middellange termijn uitgewerkt in een meerjarenprogramma. In het plan van werkzaamheden voor het komende jaar staan de voorgenomen acties concreet omschreven.


c. Begroting

     In de begroting moet het Ctsv een duidelijke en onderbouwde relatie leggen tussen de voornemens uit het plan van werkzaamheden voor het komende jaar en de daarvoor beschikbaar te stellen capaciteit en middelen.


d. Voortgangsrapportages, jaarverslagen en uitvoeringseffectrapportages

     Over de informatie die is verzameld, de oordelen die zijn geveld, de maatregelen die zijn genomen (en de resultaten daarvan), de signalen die aan het beleid zijn afgegeven en de evaluaties die zijn uitgevoerd, dient verantwoording te worden afgelegd. Dat gebeurt in tussentijdse voortgangsrapportages, jaarverslagen en evaluatierapporten. Het doel van deze rapportages is tweeledig:
- het leveren van een bijdrage aan het aantoonbaar maken van de werking van het toezichtsproces;
- het mogelijk maken van een tijdige oordeelsvorming en zo nodig bijsturing door de minister.
     Wat inhoud en mate van detail betreft volgen deze rapportages de plannen waarover verantwoording wordt afgelegd.


De toezichtsproducten

     Het Ctsv legt zijn bevindingen, oordelen en acties met betrekking tot correctie vast in rapportages. Dat zijn de eigenlijke toezichtsproducten van het Ctsv. Het betreft:
- rechtmatigheidsverklaringen;
- doelmatigheidsrapportages;
- uitvoeringseffectrapportages;
- rapportages over maatregelen jegens uitvoeringsorganisaties;
- rapportages over signalen over tekortkomingen in het beleid.

     De Regeling Rechtmatigheidsverklaring van februari 1995 bevat de huidige wettelijke eisen aan de rechtmatigheidsverklaring. Vooralsnog blijven deze eisen gehandhaafd. Het voornemen bestaat om op basis van de opgedane ervaringen de regeling te gaan evalueren. Waar nodig kan dit tot aanpassingen leiden. Wel wordt voorgesteld reeds nu een beperking aan te brengen met betrekking tot de reikwijdte van de regeling. Het oordeel over de rechtmatige uitvoering van de inning van de premies volksverzekeringen door de belastingdienst zal door middel van een ander traject worden geëffectueerd (op dit punt wordt nader ingegaan in paragraaf 7.9 [paragraaf 7.3, red.]).

     Het kabinet acht het vooralsnog niet noodzakelijk om ten aanzien van de andere toezichtsproducten wettelijke eisen te stellen. Zoals eerder aangegeven zal ik de mogelijkheden inventariseren om tot meer gespecificeerde regelgeving te komen als het gaat om doelmatigheidsrapportages. Voor het overige geef ik er de voorkeur aan om hierover met het Ctsv goede afspraken te maken. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van normen en standaarden die elders in het maatschappelijk verkeer gangbaar zijn.

     rblz.|46| Op basis van de hiervoor geschetste verantwoordingslijn heeft de minister mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het beleid van het Ctsv. Deze invloed op het beleid kan onder andere betrekking hebben op het beleid dat het Ctsv voert als het gaat om corrigerend optreden en de daarbij te stellen prioriteiten. De geschetste verantwoordingslijn stelt de minister ook in staat om verantwoording in het parlement af te leggen over het functioneren van het Ctsv.

 

6. De informatiehuishouding van de sector sociale verzekeringen


6.1. Inleiding


     De sociale verzekeringen vormen een sector met een hoge informatie-intensiteit. Informatie is voor alle betrokken partijen een cruciaal productiemiddel. Dit geldt voor de uitvoeringsinstellingen, die informatie nodig hebben om de wetten uit te voeren, het Lisv en de SVB, die over informatie moeten beschikken voor hun uitvoerende, coördinerende en beheerstaken, voor de toezichthouder, die informatie nodig heeft om een oordeel te kunnen vellen over de uitvoering, en voor de centrale overheid, die informatie over het stelsel van sociale zekerheid nodig heeft om haar beleid te voeren.

     De wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie die met dit wetsvoorstel worden doorgevoerd, vergen een aanpassing van de informatiehuishouding van de sociale verzekeringen. Gegarandeerd zal moeten zijn dat alle betrokkenen kunnen beschikken over voldoende en de juiste informatie. Bovendien geven de voorgestelde wijzigingen de mogelijkheid om een verdere verbetering van de informatievoorziening te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bestuurlijk-organisatorische aspecten van de informatiehuishouding. In het invoeringstraject zullen de inhoudelijke en technische aspecten meer aandacht krijgen.
     In paragraaf 6.2 worden de hoofdlijnen van de wijzigingen van de informatiehuishouding weergegeven. In de daaropvolgende paragrafen wordt deze hoofdlijn verder uitgewerkt voor de verschillende onderdelen van de informatiehuishouding:
- berichtenverkeer tussen werkgevers, werknemers en uitvoeringsinstellingen (paragraaf 6.3);
- de opzet en inrichting van de verzekerdenadministratie (paragraaf 6.4);
- het systeem van gegevensuitwisselingen en het beheer van de Gemeenschappelijke Verwijsindex (paragraaf 6.5);
- informatievoorziening over de uitvoering van de sociale verzekeringen (paragraaf 6.6);
- onderzoek (paragraaf 6.7).

     Opgemerkt zij dat in dit onderdeel van de toelichting de meeste aandacht uitgaat naar de veranderingen op het terrein van de werknemersverzekeringen. Voor de SVB verandert er als gevolg van dit wetsvoorstel in praktische zin slechts weinig en dit geldt ook voor de informatiehuishouding van de volksverzekeringen. Waar nodig zal worden ingegaan op de positie van de SVB.

 

6.2. Hoofdlijnen


     Lange tijd was de inrichting van de administratie en de ontwikkeling van de informatiesystemen een eigen verantwoordelijkheid van de bedrijfsverenigingen. De bedrijfsverenigingen waren verantwoordelijk voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen en kozen zelf de middelen waarmee de wettelijke taken werden uitgevoerd. Sinds het midden van de jaren tachtig is deze beleidsvrijheid van de uitvoeringsinstanties kleiner geworden. In 1985 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken d
e rblz.|47| toenmalige SVr een aanwijzing gegeven, gericht op het tot stand komen van een uniforme administratie van werkgevers, verzekerden en uitkeringsgerechtigden bij bedrijfsverenigingen. Deze zogeheten verzekerdenadministratie (VZA) is in 1989 wettelijk verankerd met het van kracht worden van de Wet invoering sofinummer (Stb. 1988, 655).
     In 1993 heeft mijn ambtsvoorganger vervolgens een aanwijzing gegeven aan de SVr om zorg te dragen voor de inrichting van een Gemeenschappelijke VerwijsIndex (GVI). Ten slotte heeft het Tica in de Osv een aantal coördinerende taken ten aanzien van de administraties van de uitvoeringsinstellingen gekregen. Op grond hiervan heeft het Tica regels gesteld voor de inrichting en opzet van de VZA.

     Uniformering van de administraties is een voorwaarde voor de realisatie van beleidsdoelen als:
- bevorderen van een efficiënte en effectieve uitvoering van de werknemersverzekeringen;
- beperken van administratieve lasten van werkgevers;
- bestrijden en voorkomen van (witte) fraude door middel van gegevensuitwisseling;
- verbeteren van de beschikbaarheid van beleidsrelevante informatie.
     De met het oog hierop ontwikkelde middelen (VZA, GVI) kunnen slechts optimaal effectief zijn als de gegevensverstrekkingen aan en de administraties van de uitvoeringsinstellingen gestandaardiseerd zijn.
     Voorts is standaardisatie en uniformering van de gegevensstromen en bestanden een belangrijke voorwaarde voor de beoogde concurrentie binnen de socialeverzekeringssector. Het inschakelen van een andere uitvoeringsinstelling door een sector zal dan immers geen conversie van de gegevensbestanden meer vergen en zal geen grote aanpassingen van de salaris- en personeelsadministratie van de werkgevers nodig maken. Ook de gewenste gegevensuitwisseling tussen de socialezekerheidsinstanties en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, gericht op het bevorderen van arbeidsparticipatie (het zogeheten CliëntVolgCommunicatieStelsel), is gebaat bij de standaardisatie aan de kant van de uitvoeringsinstellingen.

     Naar het oordeel van het kabinet is ondanks de in het verleden getroffen maatregelen de gewenste uniformiteit en standaardisatie van de gegevensstromen en de gegevensbestanden nog niet bereikt. Dit blijkt onder meer uit de Structuurschets werknemersverzekeringen en het Tica-advies over elektronisch berichtenverkeer d.d. 20 maart 1996. Om deze reden meent het kabinet dat het noodzakelijk is om tot meer sturing te komen. Voorgesteld wordt om het Lisv een centrale rol te geven bij de inrichting en vormgeving van de informatiehuishouding in de sector werknemersverzekeringen. Het Lisv heeft tot taak ervoor te zorgen dat de informatiehuishouding zodanig is ingericht dat alle betrokken partijen (werkgevers, werknemers, uitvoeringsinstellingen, Lisv, de minister, Ctsv en derden) op een doelmatige wijze kunnen beschikken over de informatie die nodig is in verband met de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Onderstaand zullen de verschillende taken van het Lisv en (in minder mate) de SVB op het terrein van de informatiehuishouding aan de orde komen.

 

6.3. Berichtenverkeer tussen werkgevers, werknemers en uitvoeringsinstellingen


     Een goed geregelde gegevensverstrekking door werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden aan de uitvoerende instanties is onontbeerlijk voor een efficiënte en rechtmatige uitvoering van de werknemersverzekeringen. Verplichtingen tot het verstrekken van de noodzakelijke gegevens en inlichtingen zijn in de Osv, de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de socialeverzekeringswetten vastge
legd. In rblz.|48| aanvulling hierop wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat het Lisv voorschriften zal vaststellen omtrent de inhoud van de gegevensverstrekking, alsmede de wijze waarop en de vorm waarin werkgevers en werknemers gegevens aan de uitvoeringsinstellingen verstrekken.

     Het ligt voor de hand om het Lisv met deze taak te belasten, aangezien de vormgeving van het berichtenverkeer nauw verbonden is met de uitvoering van de wetten en de coördinatie daarvan. Het Lisv zal ervoor kunnen zorg dragen dat de vorm van gegevensverstrekkingen aansluit bij de eisen die aan de uitvoering van de werknemersverzekeringen worden gesteld.

     De voorschriften van het Lisv betreffen in ieder geval de volgende aspecten:
- standaardisatie van de inhoud van de gegevens, voor zover dit niet reeds in de socialeverzekeringswetten vastligt;
- de media waarop de gegevens worden aangeleverd;
- de technische specificaties, samenhangend met de te gebruiken media.
     De voorschriften van het Lisv zijn gericht op standaardisering en het bevorderen van het elektronische berichtenverkeer, maar hebben ook betrekking op de gegevens die op papier worden aangeleverd (formulieren). Het Lisv zal bij het vaststellen van de voorschriften zoveel mogelijk aansluiten bij de standaards die al ontwikkeld zijn (STUCON, EDIFACT).

     De voorschriften van het Lisv betreffen het gehele berichtenverkeer tussen werkgevers en werknemers en de uitvoeringsinstellingen inclusief de gegevensverstrekkingen die gebaseerd zijn op de informatiebepalingen in de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de socialeverzekeringswetten. De voorschriften hebben derhalve ook betrekking op de zogeheten melding bedrijfsvereniging die in de Osv is voorgeschreven. Op grond van de huidige Osv is de minister bevoegd om hierover regels te stellen. Deze bevoegdheid wordt overgeheveld naar het Lisv. In dit wetsvoorstel is bepaald dat de minister eisen kan stellen aan de door het Lisv te formuleren voorschriften.

     Het kabinet onderkent dat de realisatie van de standaardisatie nog enige tijd zal vergen aangezien het ontwikkelen en implementeren van de standaards de nodige aanpassingen van de werkprocessen van werkgevers en uitvoeringsinstellingen vereist.
     In reactie op het Tica-advies over elektronisch berichtenverkeer heb ik daarom aan het Tica gevraagd een implementatietraject uit te werken en aan te geven welke tijdelijke extra inzet van menskracht en middelen nodig is om per 1 januari 2000 tot algehele invoering van de standaards over te gaan.

 

6.4. Verzekerdenadministratie


     De wijze waarop uitvoeringsinstellingen gegevens over werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden verwerken, opslaan en gebruiken is van belang voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen, een efficiënte gegevensuitwisseling en de beleidsinformatievoorziening. Het hart van dit gegevensbeheer wordt gevormd door de verzekerdenadministratie (VZA) van de uitvoeringsinstellingen.

     Het belangrijkste effect van de verplichting om een verzekerdenadministratie te voeren is geweest, dat er een registratie van dienstverbanden (verzekeringsverhoudingen) is ontstaan. In het verleden hielden de bedrijfsverenigingen een registratie bij van de aangesloten werkgevers en voerden zij een administratie waarin de lopende uitkeringen rblz.|49| waren geregistreerd. De aantallen en de achtergrondkenmerken van de verzekerden waren niet bekend. Bij veel socialezekerheidsregelingen is de aard en de omvang van het dienstverband of het arbeidsverleden bepalend voor de uitkering. Hierbij kan gedacht worden aan de WW, de Abw en het vangnet ZW, die sinds het van kracht worden van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) toegankelijk is voor specifieke groepen werknemers. Om dergelijke regelingen doelmatig en rechtmatig uit te voeren is een betrouwbare bron van dienstverbandgegevens noodzakelijk.

     Geconstateerd moet worden dat de kwaliteit van de huidige registratie van dienstverbanden te wensen overlaat. Dit probleem doet zich met name voor bij snel wisselende, kort durende dienstverbanden (o.a. seizoenarbeid) en bij uitzendkrachten, freelancers e.d. Gezien de groei van de flexibele arbeid zal de registratie van dienstverbanden aan hogere eisen moeten voldoen. Een goede en actuele registratie is essentieel voor het beschermen van de rechtspositie van flexwerkers. Voorts is doelmatigheid van bijzonder belang bij de uitvoering van socialezekerheidsregelingen bij flexibele arbeid. Immers, deze dienstverbanden genereren een grote hoeveelheid informatie over tijdvakken en inkomen die van belang is voor het mogelijke recht op een uitkering. De uitkeringsgerechtigde die flexibele arbeid aanvaardt verdient het niet om met een veelheid aan formulieren te worden lastiggevallen.
     Evenmin behoort de werkgever te worden lastiggevallen met vragen door uitkeringsinstellingen als de informatie reeds door de werkgever is aangeleverd aan enige uitvoeringsinstelling. Via de registratie van dienstverbanden dient de instantie die de gegevens nodig heeft deze te kunnen uitvragen bij de uitvoeringsinstantie die de gegevens reeds bezit. Dergelijke processen dienen via elektronisch berichtenverkeer te verlopen en goeddeels automatisch te worden afgewikkeld.

     De verplichting om een VZA te voeren heeft nog niet geleid tot voldoende uniformering van de gegevensbestanden. Bij de uitwerking en invoering van de VZA is in hoge mate aansluiting gezocht bij de reeds bestaande administratieve systemen, wat er onder meer toe geleid heeft dat de VZA bij de verschillende uitvoeringsinstellingen verschillend is opgezet. De VZA is ook nog onvoldoende geïntegreerd in de uitvoeringsprocessen. De VZA functioneert veelal als een basisregistratie die slechts een deel van de gegevens over de werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden bevat. Naast de gegevens die in de VZA worden vastgelegd zijn de uitvoeringsinstellingen genoodzaakt om vele extra gegevens op te vragen als een uitkering wordt aangevraagd. Dit heeft onder meer te maken met inhoudelijke aspecten: bijvoorbeeld door de verschillen in premieloon en dagloon kunnen de uitvoeringsinstellingen bij de huidige stand van de wetgeving niet volstaan met één set gegevens die zowel voor de premieheffing als de uitkeringsverzorging kan worden gebruikt.

     Het kabinet is overtuigd van het belang van een uniforme en betrouwbare registratie van verzekerden (dienstverbanden), werkgevers en uitkeringsgerechtigden en is van mening dat de kwaliteit van de VZA dient te verbeteren en dat de positie van de VZA bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen versterkt moet worden. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1. de VZA is de authentieke bron voor gegevens over dienstverbanden en arbeidsverleden alsmede voor gegevens over uitkeringen krachtens de werknemersverzekeringen; de VZA staat ten dienste van de instanties binnen de sector, maar ook aan instanties daarbuiten, die bij of krachtens de wet daartoe geautoriseerd zijn (zie paragraaf 6.5);
2. de kwaliteit van de gegevens is van dien aard dat de VZA zijn functie als authentieke bron waarmaakt; de aanlevering, verwerking e
n het rblz.|50| gebruik van gegevens zal zodanig worden opgezet dat werkgevers, werknemers en uitvoeringsinstellingen zelf belang hebben bij een juiste registratie van de gegevens; de gegevens worden vastgelegd in de gestandaardiseerde vorm waarin zij zullen worden aangeleverd (zie paragraaf 6.3);
3. de VZA bevat een set gegevens, die in de overgrote meerderheid van de gevallen voldoende is om de uitkeringsverzorging rechtmatig uit te voeren; deze gegevens zijn verzameld in het kader van de premieheffing en de aan- en afmelding van dienstverbanden; de uitvoeringsinstellingen baseren de werkprocessen op de in de VZA vastgelegde gegevens, in principe zonder aanvullende uitvraag van gegevens bij werkgevers.

     Om de gewenste verbetering en vernieuwing van de VZA tot stand te brengen, is een gezamenlijke, gecoördineerde inspanning van de uitvoering en de overheid noodzakelijk. Het kabinet is bezig met de voorbereiding van wetswijzigingen die moeten leiden tot een vereenvoudiging van de premieheffing werknemersverzekeringen. De in het kabinetsstandpunt (Kamerstukken 1994-1995, 24 044, nr. 1) aangekondigde maatregelen zullen een aantal belangrijke voorwaarden voor de verbetering van de VZA vervullen.

     Wat betreft de uitvoeringsorganisatie stelt het kabinet de volgende maatregelen voor. Het Lisv bewerkstelligt dat de uitvoeringsinstellingen een administratie voeren die beantwoordt aan de bovengenoemde uitgangspunten. Deze verantwoordelijkheid van het Lisv gaat verder dan de huidige taak van het Tica. In lijn met de algemene uitgangspunten zal het Lisv een meer sturende rol in plaats van een coördinerende rol hebben bij de inrichting van de verzekerdenadministratie. Het Lisv zal bindende regels stellen voor de inrichting en opzet van de VZA. Tevens zal het regels stellen voor het informeren van de verzekerden over de wijze waarop zij in de VZA staan geregistreerd en over de opgebouwde verzekeringsrechten. Op grond van de huidige Osv zijn daarover ministeriële regels gesteld (Besluit registratiebericht (Stcrt. 1989, 244) en Besluit Statusoverzicht (Stcrt. 1990, 60)). De regelgevende bevoegdheid op dit terrein wordt overgeheveld naar het Lisv. De minister houdt wel de bevoegdheid om regels te stellen voor de wijze waarop het Lisv de VZA en het bijbehorende berichtenverkeer vormgeeft. In verband hiermee zal zo spoedig mogelijk een beleidskader worden vastgesteld waarin op basis van de bovenstaande uitgangspunten de visie van het kabinet op de ontwikkeling van de VZA wordt bepaald.

     De beoogde aanpassing van de VZA heeft consequenties voor de werkprocessen en de informatiesystemen van de uitvoeringsinstellingen. In lijn met hetgeen hiervoor over de standaardisering en uniformering van de VZA is gesteld, ligt het in de rede dat het Lisv bevordert dat het ontwerp van informatiesystemen en de ontwikkeling van programmatuur (voor zover dit bijdraagt aan de doelmatigheid) gecoördineerd gebeurt.

     Met het oog op de omvang en complexiteit van de gewenste vernieuwing van de VZA zal een overgangstermijn in acht moeten worden genomen. Het kabinet gaat ervan uit dat de vernieuwing van de VZA per 1 januari 2000 afgerond zal zijn. Dit geeft het Lisv en de uitvoeringsinstellingen de gelegenheid om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie.

 

6.5. Gegevensuitwisseling


     In de Osv zijn verschillende gegevensbepalingen opgenomen die de wettelijke grondslag voor het stelsel van gegevensuitwisselingen vormen. In het onderhavige wetsvoorstel zijn geen fundamentele wijzigin
gen rblz.|51| doorgevoerd in deze gegevensbepalingen. De organisaties die op grond van de huidige Osv verplicht zijn om gegevens aan de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen te verstrekken, blijven dat ook na het van kracht worden van dit wetsvoorstel. Omgekeerd zijn de socialeverzekeringsinstellingen verplicht dan wel bevoegd om gegevens en inlichtingen te verschaffen aan een aantal in of krachtens deze wet aangewezen publiekrechtelijke en privaatrechtelijke organisaties met het oog op de uitvoering van hun taken. Wel zijn op enkele onderdelen wijzigingen aangebracht, die in het artikelsgewijze deel worden toegelicht.

     De voorwaarden die aan de gegevensuitwisselingen met bestuursorganen worden gesteld, zijn in het kader van dit wetsvoorstel niet veranderd. Conform de huidige situatie is voor alle gegevensverstrekkingen bepaald dat zij geoorloofd zijn voor zover de betrokken organisaties de gegevens en inlichtingen nodig hebben voor de uitvoering van hun wettelijke taken. Deze directe relatie met de wettelijke taken stelt grenzen aan de omvang en de aard van de gegevens die kunnen worden uitgewisseld. Het is niet mogelijk om in het kader van dit wetsvoorstel vast te stellen welke gegevens voor welk doel met de socialeverzekeringsinstellingen mogen of moeten worden uitgewisseld. Het is een verantwoordelijkheid van de partijen die betrokken zijn bij de gegevensuitwisseling om in onderling overleg vast te stellen welke gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de respectieve taken. Met betrekking tot gegevensverstrekking aan private organisaties is als algemene lijn gekozen dat de socialeverzekeringsinstellingen gegevens mogen verstrekken aan private instanties indien de persoon op wie de gegevens betrekking hebben daarvoor schriftelijk toestemming verleent.

     De gegevensverstrekking aan publiekrechtelijke organisaties gebeurt kosteloos, in overeenstemming met de algemeen geldende beleidslijn ten aanzien van de gegevensuitwisseling in de openbare sector. De gegevensverstrekking aan privaatrechtelijke organisaties geschiedt tegen marktconforme prijzen.

     In verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal gegarandeerd moeten zijn dat de gegevens waarover socialeverzekeringsinstellingen beschikken niet ten onrechte aan derden worden verstrekt. De geheimhoudingsbepaling in de Osv stelt voorwaarden aan de verstrekking van gegevens aan derden. Verder meent het kabinet dat gegarandeerd moet zijn dat de socialeverzekeringsinstellingen de informatie waarover zij bij de uitoefening van hun taken beschikken niet voor andere doeleinden gebruiken dan waarvoor de informatie is verkregen. Om dit te realiseren is aan de geheimhoudingsverplichting een hierop gerichte bepaling toegevoegd. Deze zogeheten doelbinding heeft niet alleen betrekking op de tot individuele personen herleidbare gegevens, maar ook op de geaggregeerde informatie die in de volgende paragraaf aan de orde komt.

     In het onderhavige wetsvoorstel worden voorts wijzigingen voorgesteld omtrent de technische en organisatorische aspecten van het gegevensverkeer. Met het oog op het toenemende gegevensverkeer tussen bestuursorganen is sinds 1 januari 1994 de GVI operationeel. Het primaire doel van de GVI is het mogelijk maken van (elektronische) gegevensuitwisseling tussen bedrijfsverenigingen en tussen bedrijfsverenigingen en derden. In de GVI worden kerngegevens over lopende en afgesloten arbeidsverhoudingen en uitkeringsverhoudingen geregistreerd. Met behulp van deze verwijsgegevens kan achterhaald worden of een persoon bekend is bij één van de uitvoeringsinstellingen en kan beoordeeld worden of meer gegevens over de persoon moeten worden opgevraagd. De GVI is een krachtig hulpmiddel voor het voorkomen en bestrijden van rblz.|52| witte fraude en voor een correcte premieheffing en uitkeringsverzorging in het geval van samenloop van dienstverbanden.

     In de visie van het kabinet zal de GVI zo ontwikkeld moeten worden dat de gegevensuitwisseling binnen de sector en met andere sectoren vrijwel volledig elektronisch kan worden afgehandeld. Voor de elektronische gegevensuitwisseling met andere sectoren zal de GVI gaan fungeren als het elektronisch "postkantoor" van de sector werknemersverzekeringen. De aanwezigheid hiervan is noodzakelijk voor de realisering van het RINIS-concept, dat voor het kabinet uitgangspunt is bij de verdere uitbouw van het elektronische gegevensverkeer. RINIS (Routeringinstituut (Inter)nationale Informatiestromen) is een voorwaarde om te komen tot efficiënte en doeltreffende elektronische gegevensuitwisseling.

     Het kabinet ziet de GVI voorts als centrale, publieke registratie van dienstverbanden. Zoals in het voorgaande is aangegeven, is een betrouwbare, actuele registratie van dienstverbanden noodzakelijk voor een rechtmatige uitvoering van verschillende socialezekerheidsregelingen.

     Op dit moment is het beheer van de GVI in handen van een coöperatieve vereniging van bedrijfsverenigingen. Gezien het belang van de GVI acht het kabinet het noodzakelijk het beheer op te dragen aan het Lisv. Dat zal voorschriften vaststellen voor de verstrekking van gegevens door de uitvoeringsinstellingen aan de GVI en voor de wijze waarop de GVI door de uitvoeringsinstellingen in hun eigen processen wordt gebruikt. Het Lisv stimuleert het gebruik van de GVI bij de elektronische gegevensuitwisseling.

 

6.6. Informatievoorziening


     Elders in deze toelichting is uitgebreid ingegaan op de taken en verantwoordelijkheden van het Lisv, de SVB, het Ctsv en de minister. In deze paragraaf ga ik in op de informatievoorziening over de sociale verzekeringen ten behoeve van beleids-, beheers- en toezichtsprocessen.

     Op grond van de Osv is het Ctsv sinds 1 januari 1995 verantwoordelijk voor de informatievoorziening in verband met de uitvoering van de sociale verzekeringen. De informatietaak is in de Osv aan het Ctsv opgedragen met het oog op de samenhang tussen de toezichtstaak en de informatietaak. Tevens is de onafhankelijkheid van het Ctsv ten opzichte van de uitvoering als argument genoemd.

     Thans stel ik voor om de informatietaak van het Ctsv over te hevelen naar het Lisv respectievelijk de SVB. Het Lisv zal verantwoordelijk worden voor de informatievoorziening op het terrein van de werknemersverzekeringen. De SVB wordt wettelijk belast met de informatievoorziening op het terrein van de volksverzekeringen. Voor de SVB betekent dit voornamelijk een bevestiging van de bestaande situatie, aangezien de SVB de informatietaak in de praktijk reeds uitvoerde, zij het onder wettelijke verantwoordelijkheid van het Ctsv. Dat laatste zal met dit wetsvoorstel veranderen.

     De voorgestelde wijziging komt niet voort uit onvrede over de wijze waarop het Ctsv zijn informatietaak heeft uitgevoerd, maar is gebaseerd op de volgende overwegingen.

     Het kabinet is van mening dat hoewel de toezichtstaak een goede informatievoorziening vergt, dit niet hoeft te betekenen dat de toezichthouder rblz.|53| de informatietaak zelf moet uitvoeren. Indien er voldoende wettelijke waarborgen zijn dat het Ctsv alle benodigde informatie kan verkrijgen, is er veel voor te zeggen om de feitelijke uitvoering van de informatietaak in handen te leggen van de uitvoering zelf. Er bestaat immers een grote samenhang tussen enerzijds de informatietaak en anderzijds de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de wetten en de inrichting van de bijbehorende administraties. Een goede informatievoorziening is uitsluitend mogelijk als deze is afgestemd op de administraties van de SVB en het Lisv en als de administraties onderling in voldoende mate op elkaar zijn afgestemd. Met het oog hierop is het te prefereren dat de informatietaak aan die instanties wordt opgedragen die ook verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de wetten en de (coördinatie van de) inrichting van de administraties. Aangenomen wordt dat dit de kwaliteit en de flexibiliteit van de informatievoorziening ten goede komt. Zoals gezegd is dit voor de SVB in de praktijk reeds het geval.
     Voor wat betreft het Lisv zal dat met het onderhavige wetsvoorstel gebeuren. Hierbij moet worden bedacht dat het Lisv, in vergelijking met het Tica onder de huidige Osv, een grotere verantwoordelijkheid heeft voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen en meer invloed heeft op de uitvoeringsinstellingen. Hierdoor zullen de voordelen van het overhevelen van de informatietaak duidelijker aan het licht treden.

     Op grond van de huidige Osv is het Ctsv verantwoordelijk voor de informatievoorziening. Met het oog op een duidelijke scheiding van verantwoordelijkheden tussen uitvoering en toezicht verdient het de voorkeur om de informatietaak op te dragen aan de uitvoering zelf. Aangenomen wordt dat het Ctsv vanuit een onafhankelijke positie beter in staat zal zijn om zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht op de kwaliteit, de beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van de informatie waar te maken.

     Een laatste argument voor de overheveling van de informatietaak is de efficiencywinst die hiermee geboekt kan worden. Het Lisv zal een informatiebehoefte hebben die in principe een optelsom is van de informatiebehoefte van het Tica (informatie ten behoeve van advisering en coördinatie, verantwoordingsinformatie voor het financiële beheer) en die van de bedrijfsverenigingen (verantwoordings- en sturingsinformatie). De informatiebehoefte van het Lisv kan omvangrijker en gedetailleerder zijn dan die van het Ctsv.

     Indien het Ctsv verantwoordelijk zou blijven voor de informatietaak, zou het onvermijdelijk zijn dat het Lisv een eigen, aanvullende informatievoorziening zou opzetten. In dat opzicht draagt het bundelen van de informatiefunctie bij het Lisv in gunstige zin bij aan de doelmatigheid van de uitvoering. Niet alleen zullen de directe uitvoeringskosten lager zijn dan wanneer informatietaken verdeeld zijn over het Ctsv en het Lisv, ook de kosten voor de uitvoeringsinstellingen zullen lager uitvallen als zij gegevens maar aan één instantie hoeven te leveren.

     Samenvattend meent het kabinet dat de voorgestelde overheveling van de informatietaak aansluit bij de aanpassingen van de uitvoeringsorganisatie en een verdere verbetering van de informatievoorziening teweeg zal brengen.


6.6.1. Wettelijke informatietaak

     De informatievoorziening die het Lisv en de SVB op grond van deze wet verzorgen, staat primair ten dienste van de instanties die direct betrokken zijn bij de sociale verzekeringen en zal zo ingericht moeten zijn dat hun informatiebehoefte vervuld kan worden.
  
    rblz.|54| Het is met name van belang dat het Lisv en de SVB ervoor zorgen dat die informatie beschikbaar is die het Ctsv nodig heeft voor zijn toezichtstaak en die de minister nodig heeft voor zijn beleidsverantwoordelijkheid en zijn plicht om daarover verantwoording aan het parlement af te leggen. De minister en het Ctsv kunnen dan ook eisen stellen aan de inhoud en de opzet van de informatievoorziening van het Lisv en de SVB. Hierop zal in de volgende paragrafen worden ingegaan. Het spreekt voor zich dat de informatievoorziening ook ten dienste staat van de SVB en het Lisv, inclusief de sectorraden. Het Lisv en de SVB hebben de vrijheid om zelf te bepalen welk informatie zij verzamelen ten behoeve van hun wettelijke taken, mits zij daarbij de eisen van doelmatigheid in acht nemen. Het is uiteraard niet de bedoeling dat het Lisv en de SVB bij de uitvoering van de informatietaak treden in de toezichtstaak van het Ctsv of in de beleidsverantwoordelijkheid van de minister. De informatietaak staat juist ten dienste aan de toezichtstaak en de beleidsverantwoordelijkheid.

     De wettelijke informatietaak van het Lisv en de SVB heeft betrekking op informatie die een beschrijving geeft van de uitvoering en de effecten van respectievelijk de werknemersverzekeringen en de volksverzekeringen. Zonder naar volledigheid te streven kan hierbij worden gedacht aan feitelijke informatie die inzicht geeft in:
- de inrichting en het verloop van de uitvoeringsprocessen bij de uitvoeringsinstellingen, het Lisv en de SVB;
- gegevens over premies, uitkeringen en uitvoeringskosten;
- de aantallen en de achtergrondkenmerken van werkgevers, verzekerden (dienstverbanden) en uitkeringsgerechtigden;
- effecten van handhavings- en reïntegratie-inspanningen.
     De wettelijke informatietaak zal voor een belangrijk gedeelte worden ingevuld met statistische informatie: geaggregeerde, kwantitatieve informatie over de sociale verzekeringen.

     Naast het verzamelen en beschikbaar stellen van statistische informatie aan het Ctsv en de minister, omvat de wettelijke informatietaak van het Lisv en de SVB in ieder geval de volgende verplichtingen:
- het desgewenst beschikbaar stellen van niet-geaggregeerde informatie op persoonsniveau aan de minister en het Ctsv, bijvoorbeeld in de vorm van steekproeven uit de bestanden van de uitvoeringsorganen;
- het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek, red.] voorzien van alle informatie die het CBS nodig heeft om zijn taak uit te oefenen; dit omvat ook eventuele aanvullende gegevensverzamelingen uit de administraties van de uitvoeringsinstellingen;
- het beschikbaar stellen van informatie ten behoeve van wetenschappelijk en beleidsevaluerend onderzoek dat in opdracht van de minister wordt uitgevoerd; indien in dit verband aanvullende gegevens over de uitvoering nodig zijn, behoort het tot de informatietaak van het Lisv en de SVB om deze gegevensverzameling mogelijk te maken en te coördineren.

     De informatieverstrekking door de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen aan de minister, het Ctsv, het CBS en de personen en instanties die namens de minister en het Ctsv werken, geschiedt kosteloos. Het Lisv regelt in de administratieovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen op welke wijze de kosten van de structurele en incidentele gegevensverstrekkingen vergoed worden.
     De verstrekking van informatie over sociale verzekeringen aan andere personen en instanties geschiedt tegen betaling van een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de reproductie en verzending. Het is het Lisv en de SVB niet toegestaan om op verzoek of ten behoeve van derden andere informatie te verzamelen dan zij uit hoofde van hun wettelijke informatietaak reeds verzamelen.

rblz.|55| 
6.6.2. Bevoegdheden van het Ctsv

     Om te garanderen dat het Ctsv over alle benodigde informatie kan beschikken heeft het Ctsv een tweeledige bevoegdheid.
     Het Ctsv heeft, evenals de minister, een algemeen inzage- en informatierecht. Hierin is bepaald dat de uitvoeringsinstellingen, het Lisv en de SVB, overeenkomstig de door het Ctsv te stellen eisen, gegevens en inlichtingen dienen te verschaffen. Het Ctsv is tevens bevoegd om zelf gegevens bij de uitvoeringsorganen te verzamelen, bijvoorbeeld door het instellen van een eigen dossieronderzoek.
     Daarnaast kan het Ctsv gebruikmaken van zijn algemene bevoegdheid om het Lisv en de SVB aanwijzingen te geven. Deze bevoegdheid kan het Ctsv aanwenden om het Lisv en de SVB op te dragen bepaalde informatie te verzamelen, voor zover deze nodig is voor het uitoefenen van zijn toezichtstaak.

     Het is niet wenselijk om in de wet te bepalen op welke manier het Ctsv zijn informatiebehoefte invult. Voor een goede uitoefening van de toezichtstaak is van doorslaggevend belang dat het Ctsv niet wordt belemmerd bij het verzamelen en verkrijgen van de benodigde informatie. Dit neemt niet weg dat het vanuit een oogpunt van doelmatigheid wenselijk is dat het Ctsv, evenals de minister, ernaar streeft om zoveel mogelijk gebruik te maken van de informatie die het Lisv en de SVB verzamelen. Tevens verdient het aanbeveling om ervoor te zorgen dat de informatiebehoefte van de minister en het Ctsv waar mogelijk op elkaar zijn afgestemd. Het reguliere overleg tussen alle betrokken partijen zal hieraan kunnen bijdragen.


6.6.3. Bevoegdheden van de minister

     De minister heeft op grond van de Osv een algemene bevoegdheid om alle noodzakelijk geachte gegevens en inlichtingen van het Ctsv, de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen te krijgen. Tevens heeft hij het recht om personen aan te wijzen die namens de minister toegang hebben tot de administraties van de uitvoeringsorganen.

     In aanvulling op zijn inzage- en informatierecht heeft de minister krachtens dit wetsvoorstel de bevoegdheid om nadere regels te stellen omtrent de informatievoorziening. In de nog op te stellen ministeriële regeling zal worden aangegeven wat de minister van het Lisv en de SVB op het vlak van de informatievoorziening verwacht. In de regeling zullen in ieder geval de volgende aspecten worden uitgewerkt:
- de procedure voor de afstemming van de informatievoorziening van het Lisv en de SVB op de informatiebehoefte van de minister; hierbij wordt gedacht aan het inrichten van een regulier afstemmingsoverleg tussen de afnemers en leveranciers van de informatie;
- de procedure voor structurele informatieleveringen en voor de wijze waarop ad-hoc-informatie wordt opgevraagd bij het Lisv, de uitvoeringsinstellingen en de SVB;
- de procedure voor de verstrekking van gegevens en inlichtingen door de uitvoeringsinstellingen aan de minister.
     Verder zal in hoofdlijnen worden ingegaan op de volgende onderwerpen, welke nader zullen worden uitgewerkt in een bijlage bij de ministeriële regeling:
- onderwerpen waarover de minister informatie zal ontvangen;
- frequentie, periodiciteit en aggregatieniveau van de informatie;
- inhoudelijke eisen die aan de informatie worden gesteld; de informatievoorziening over de sociale verzekeringen dient waar nodig te zijn afgestemd op de informatievoorziening op aanpalende terreinen.
  
    rblz.|56| Over de inhoud van de ministeriële regeling zal de minister in overleg treden met het Lisv en de SVB. Het Ctsv zal bij deze besprekingen worden betrokken.

     De minister streeft ernaar om het merendeel van zijn beleidsinformatiebehoefte te vervullen door middel van de reguliere informatieverstrekking door het Lisv en de SVB. Bovendien is het de bedoeling om zoveel mogelijk gebruik te maken van de informatie die het Lisv en de SVB voor hun eigen taken nodig hebben. Dit principe bevordert de doelmatigheid van de informatievoorziening.

     De minister zal zijn inzage- en informatierecht uitsluitend aanwenden in uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen zijn om te (laten) achterhalen wat zich in de uitvoering afspeelt of als de uitvoeringsorganen weigeren om bepaalde informatie te leveren. De minister zal terughoudend zijn met het gebruik van zijn inzage- en informatierecht, omdat het Ctsv primair verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering.

     Op de hierboven beschreven manier is in onderhavig wetsvoorstel geregeld dat de minister kan beschikken over alle informatie die hij nodig heeft om zijn verantwoordelijkheid waar te maken. Hierbij behoort ook het informeren van het parlement over de uitvoering van de sociale verzekeringen en het daarover afleggen van verantwoording. Daarnaast kan de minister het parlement informeren over op zijn verzoek uitgevoerd onderzoek op dit terrein.
     Ook dit onderzoek heeft een onafhankelijk karakter omdat dit wordt uitbesteed aan van het ministerie onafhankelijke onderzoeksbureaus. Op deze manier kan de informatievoorziening aan het parlement zo volledig mogelijk plaatsvinden.
     Hiermee is naar de mening van het kabinet het niet nodig dat er een rechtstreekse informatievoorziening door de uitvoeringsorganen sociale verzekeringen aan het parlement bij wet wordt vastgelegd, zoals de commissie-Van Zijl aanbeveelt.

 

6.7. Onderzoek


     Het Lisv, de SVB en het Ctsv hebben vanuit hun onderscheiden taken verschillend gerichte onderzoeksbehoeften. Het ligt derhalve in de rede dat elke organisatie beschikt over eigen onderzoekscapaciteit. Het Lisv, de SVB en het Ctsv verrichten slechts onderzoek, voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige en rechtmatige uitvoering van wetten door deze rechtspersonen.

     Het onderzoek van het Lisv en de SVB is direct afleidbaar uit en blijft beperkt tot hun onderscheiden verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de socialeverzekeringswetten (daaronder begrepen de coördinatie van deze uitvoering alsmede uitvoeringstechnische advisering aan de minister).

     Voor wat het Ctsv betreft is de onderzoekstaak vervat in de toezichthoudende taak. De onderzoeksinspanningen van het Ctsv blijven derhalve beperkt tot het rechtstreeks bijdragen aan het tot stand brengen van producten van toezicht. Uiteraard verricht het Ctsv geen onderzoek gericht op vraagstellingen rond beleidsalternatieven doch richt zich uitsluitend op doel- en rechtmatigheid van activiteiten van de SVB en het Lisv.
     Voor zover noodzakelijk coördineert het Ctsv onderzoek dat rechtstreeks gerelateerd is aan het door het College uit te oefenen toezicht.
  
   rblz.|57| De aldus gespecificeerde onderzoeksfuncties zijn zowel onderling helder te onderscheiden als ten opzichte van de onderzoeksfunctie van de minister.

     De onderzoeksfunctie van de minister betreft in het bijzonder de oriëntatie op, alsmede de onderbouwing en evaluatie van beleid en wetgeving, waaronder beleid en wetgeving gericht op aansturing van de uitvoering. Effectiviteit van beleid is in deze functie een sleutelbegrip.

     Voor afstemming tussen het uitvoeringsgeoriënteerde onderzoek enerzijds en het beleidsgerichte onderzoek anderzijds zal op initiatief van de minister worden zorggedragen.

 

7. Financieel-technische aspecten


7.1. Budgettering en contractering


     In de huidige Osv worden de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstanties gebudgetteerd om de uitvoeringsorganisatie te prikkelen efficiencyverbeteringen door te voeren. De minister stelt het budget van het Ctsv vast. Het Ctsv stelt de budgetten vast van het Tica en de SVB. Het Tica stelt de totale budgetten vast van de bedrijfsverenigingen, waarin begrepen zijn de uitvoeringskosten die verband houden met de uitbesteding van de uitvoeringstaken van de bedrijfsverenigingen aan de uitvoeringsinstellingen.

     Door het kabinet wordt geen wijziging voorgesteld in de budgetvaststelling van het Ctsv door de minister en de vaststelling door het Ctsv van de budgetten van de SVB en de rechtsopvolger van het Tica, het Lisv.
     In de uitvoeringsorganisatie kennen deze instanties geen concurrenten, waardoor geen elementen van concurrentie worden gerealiseerd. Budgettering is dan het enige instrument om de SVB en het Lisv te prikkelen efficiencyverbeteringen in hun organisatie door te voeren.

     Met het thans voorliggende wetsvoorstel wordt door het kabinet op één onderdeel wel een wijziging aangebracht in de huidige wijze van budgetvaststelling. Die wijziging houdt verband met het introduceren van concurrentieprikkels in de uitvoering van de sociale verzekeringen. Uitgangspunt hierbij is dat de uitvoeringsinstellingen worden geprikkeld zo efficiënt mogelijk te werken om de marktpositie ten opzichte van de concurrenten te behouden of te verstevigen. De concurrentieprikkels worden geconcretiseerd via de contractonderhandelingen tussen het Lisv enerzijds en de uitvoeringsinstellingen anderzijds. Deze onderhandelingen leiden uiteindelijk tot overeenkomsten waarin afspraken worden neergelegd over de door de uitvoeringsinstellingen uit te voeren taken tegen de uitonderhandelde prijzen.

     De door de sectorraden voorbereide concept-overeenkomsten worden aan het Lisv aangeboden ter beoordeling en tevens informeert het Lisv het Ctsv over de inhoud van deze overeenkomsten. Het Ctsv kan zich vervolgens een beeld vormen van de totale uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstellingen. Het Ctsv toetst de informatie van het Lisv aan de eisen van doelmatigheid. Voor de goede orde wordt hierbij uitdrukkelijk opgemerkt dat de toetsing door het Ctsv geen betrekking heeft op de inhoud van de afzonderlijke overeenkomsten. Die toetsing is aan het Lisv als contractpartner voorbehouden. Aan het Ctsv is in de wet dan ook geen goedkeuringsbevoegdheid toegekend. Bij die toetsing aan de doelmatigheidseisen wordt uiteraard ook de invloed meegewogen van de inspanningen van de uitvoeringsinstellingen op de totale uitgaven van de fondsen. Indien de toetsing door het Ctsv tot het oordeel leidt dat de rblz.|58| totale omvang van uitvoeringskosten in strijd is met die eisen van doelmatigheid, dient het Ctsv de minister en het Lisv in kennis te stellen van zijn oordeel. Het Lisv zal de onderhandelingen met de uitvoeringsinstellingen moeten heropenen - al dan niet na een aanwijzing door het Ctsv - om de uitvoeringskosten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

     Het door het kabinet voorgestane mechanisme van concurrentieprikkels biedt bovendien het voordeel dat de uitvoeringskosten door het Ctsv vooraf worden beoordeeld en mede in relatie kunnen worden gebracht tot de ontwikkeling van de uitkeringslasten.
     Immers door de toetsing op doelmatigheid vooraf kan een stijging van de uitvoeringskosten die wordt veroorzaakt doordat in meerdere mate reïntegratie-inspanningen worden verricht door de uitvoeringsinstellingen, worden afgewogen tegen het effect van die inspanningen op de uitkeringslasten. Een stijging van de uitvoeringskosten kan vooraf als doelmatig worden beoordeeld vanwege de te verwachten grotere daling van de uitkeringslasten.

     Binnen de voorgestelde uitvoeringsorganisatie stelt het kabinet voor de uitvoeringskosten van de sectorraden niet afzonderlijk te budgetteren. De sectorraden maken immers geen deel uit van de publieke uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen, maar zijn feitelijk privaatrechtelijke instanties die - indien ze door het Lisv als zodanig zijn erkend - worden ingeschakeld voor advisering.
     Het kabinet geeft er de voorkeur aan dat de diensten die door de sectorraden worden geleverd aan het Lisv per dienst tegen kostprijs worden vergoed. De vergoedingen aan de sectorraden maken in die constructie derhalve deel uit van het uitvoeringsbudget van het Lisv. Uit een oogpunt van inzichtelijkheid dienen de vergoedingen naar afzonderlijke sectorraad te worden gespecificeerd in de financiële administratie van het Lisv. In de ministeriële regeling op grond van artikel 81 [82:6] over de inrichting van de jaarrekening en het jaarverslag zullen daartoe regels worden gesteld. Het Lisv dient voorts in zijn begroting middelen te reserveren voor de inkoop van diensten bij de sectorraden. In de voorgestelde constructie worden de budgetten voor de sectorraden derhalve via het Lisv indirect gebudgetteerd door het Ctsv.

     Door het Lisv wordt voorafgaand aan de onderhandelingen tussen sectorraden en uitvoeringsinstelling een kader voor de onderhandelingen geschapen. Daarbij zal het Lisv zich op voorhand richten op de prijs/prestatieverhouding voor de te verrichten taken door de uitvoeringsinstelling. Tevens moet daarbij worden ingegaan op de omvang van de te verrichten taken. In dat kader worden de afwegingen gemaakt voor de inzet van de uitvoeringsmiddelen die voorheen de vertaling vonden in de begroting. Het gaat daarbij om de inzet voor de uitkeringsverzorging en premie-inning, intensiteit van de fraudebestrijding, de omvang van de taken in verband met de volumebeheersing aan de poort, de inzet voor de reïntegratie, enzovoorts.

     Door de introductie van de concurrentieprikkels zullen de uitvoeringsinstellingen uiterste inspanningen leveren om zo efficiënt en zo goedkoop mogelijk te werken. Immers, een uitvoeringsinstelling die efficiënter weet te werken dan de concurrent zal haar positie ten opzichte van die concurrent verbeteren. Dat kan ertoe leiden dat die uitvoeringsinstelling haar marktaandeel uitbreidt. Overigens is tot het jaar 2000 geen sprake van een open markt (zie paragraaf 3.5.1). Uitbreiding van het marktaandeel is tot dat tijdstip derhalve niet mogelijk. Evenwel, de uitvoeringsinstellingen zijn zich er terdege van bewust dat vanaf 2000 uitbreiding of verkleining van het marktaandeel mogelijk is. Reeds nu zijn tendensen rblz.|59| merkbaar dat door de uitvoeringsinstellingen efficiencyverbeteringen worden doorgevoerd om per 1 januari 2000 een zo scherp mogelijke prijs te kunnen bieden aan de sectorraden en het Lisv.

     De uitkeringsverzorging en de premie-inning zijn niet de enige terreinen waarop de concurrentie de uitvoeringsinstellingen dwingt tot een meer efficiënte bedrijfsvoering. Ook werkterreinen als reïntegratie en handhaving vormen gebieden waarop door de uitvoeringsinstelling positieverbeteringen ten opzichte van de concurrenten worden nagestreefd. Deze onderdelen van de uitvoeringsorganisatie zijn echter arbeidsintensiever dan de uitkeringsverzorging.
     Indien door een uitvoeringsinstelling meer inspanningen op deze relatief dure onderdelen van het werkpakket worden geleverd, zou dat zelfs tot een stijging van de uitvoeringskosten kunnen leiden. Het kabinet gaat er echter vanuit dat een goed en effectief beleid op het gebied van reïntegratie en fraudebestrijding zal leiden tot een daling van de uitkeringslasten die groter is dan de stijging van de uitvoeringskosten. De totale uitgaven van de socialeverzekeringsfondsen zullen derhalve dalen, waardoor een lager premieniveau resulteert. De efficiency van een uitvoeringsinstelling zal naar de mening van het kabinet dus niet alleen op de uitvoeringskosten sec moeten worden beoordeeld, maar voornamelijk op de effecten van het uitvoeringsbeleid op de totale uitgaven van de fondsen.
     Overigens is in de wet vastgelegd dat het Lisv en de uitvoeringsinstellingen afzonderlijk rapporteren over de doelmatigheid van de uitvoering.

 

7.2. Begrotings- en jaarverantwoordingscyclus


     De begrotingsvoorbereiding start in de eerste maanden van het jaar t-1 met de vaststelling van een begrotingskader door het Lisv, waarin de uitgangspunten zijn neergelegd. Dit begrotingskader, dat bestaat uit een aantal door het Lisv opgestelde regels waaraan de concept-overeenkomsten moeten voldoen, dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de minister. In maart van het jaar t-1 volgt een aanschrijving van het Lisv aan de sectorraden, waarin deze regels zijn opgenomen voor de totstandkoming van concept-overeenkomsten met uitvoeringsinstellingen. In die aanschrijving worden de beleidsmatige, financiële, technische en procedurele uitgangspunten vermeld waarmee in de voorbereiding van de overeenkomst rekening moet worden gehouden. In die voorbereiding dient onder meer aandacht te worden besteed aan de rijksgefinancierde fondsen (bijvoorbeeld de TW) en de procedureafspraken ter zake met de minister. Het ligt in de rede dat het Lisv de aanschrijving aan de sectorraden ter kennisname aan het Ctsv en de minister zendt.

     Het voorlopige onderhandelingsresultaat van de sectorraden wordt vóór 1 oktober t-1 door het Lisv aan het Ctsv voorgelegd. Het Ctsv is dan in staat een oordeel te geven over het totaal van de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstellingen.

     Het Lisv sluit uiteindelijk vóór 1 december de jaarovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen. In de periode tussen het informeren van het Ctsv over het voorlopige onderhandelingsresultaat en het afsluiten van de overeenkomst is er nog voldoende gelegenheid voor de finetuning van de overeenkomsten. Dit biedt met name een uitkomst voor de aanpassing van de overeenkomsten op de RBA-begrotingen. Indien zich tijdens de uitvoering van de overeenkomst omstandigheden voordoen die tijdens de voorbereiding van de overeenkomst niet konden worden voorzien, dan wel indien wijzigingen in wet- en regelgeving aanleiding geven tot rblz.|60| bijstellingen van de overeenkomst, stelt het Lisv een aanvullende concept-overeenkomst op, die overigens ook door de sectorraad wordt voorbereid. Ook over deze wijzigingen wordt het Ctsv, voordat de definitieve overeenkomst wordt afgesloten, door het Lisv geïnformeerd. Dit bijstellingsmoment is van belang uit een oogpunt van flexibiliteit in het uitvoeringsproces tijdens de uitvoering van de overeenkomst.

     Het Lisv legt zijn begroting van de eigen uitvoeringskosten vóór 1 augustus t-1 ter beoordeling aan het Ctsv voor. In deze kosten zijn niet de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstellingen begrepen voor het onder verantwoordelijkheid van het Lisv uitvoeren van de wetten door de uitvoeringsinstellingen. In de begroting van het Lisv zijn de naar sectorraad gespecificeerde kosten van de door de sectorraden te verlenen diensten opgenomen. De sectorraden dienen derhalve geen begroting in.
     Het Ctsv beoordeelt de begroting van het Lisv en stelt op basis daarvan vóór 1 december t-1 het budget voor het Lisv vast. Ook ten aanzien van het budget van het Lisv is voorzien in een bijstellingsmogelijkheid tijdens de begrotingsuitvoering indien onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het Lisv dient ter goedkeuring een suppletoire begroting ten aanzien van de bijstelling in bij het Ctsv.

     De SVB legt haar begroting van de uitvoeringskosten vóór 1 augustus t-1 voor aan het Ctsv ter beoordeling. Op grond van die begroting stelt het Ctsv vóór 1 december daaropvolgend het budget voor de SVB vast. Ook ten aanzien van de SVB is voorzien in een mogelijkheid tot tussentijdse bijstelling van het budget naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden.

     Het Ctsv dient zijn begroting van uitvoeringskosten vóór 1 augustus t-1 in bij de minister, die het budget vóór 1 december vaststelt. Ook het Ctsv kan, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, een suppletoire begroting ter goedkeuring indienen bij de minister.

     Ten slotte wordt opgemerkt dat de tijdstippen in de begrotingscyclus zodanig zijn gekozen dat afstemming kan plaatsvinden met de begrotingscyclus van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (de RBA’s moeten hun begroting vóór 15 september t-1 indienen, waarna overleg plaatsvindt met het CBA voordat het CBA vóór 1 november t-1 de landelijke begroting opstelt). Dit is van belang voor de inkoop van diensten door de uitvoeringsinstellingen bij de RBA’s in het kader van de reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden.

     Voor het jaar 1997 zal sprake zijn van een overgangsjaar. In de loop van 1996 zal, conform de huidige systematiek, een budget voor de uitvoeringskosten worden vastgesteld voor het Ctsv (door de minister), de SVB en het Tica (door het Ctsv) en de bedrijfsverenigingen (door het Tica). Deze budgetten zijn maatgevend voor de omvang van de uitvoeringskosten 1997. In de loop van 1997 zullen echter de volgende aanpassingen plaatsvinden:
- het budget van het Ctsv zal door de minister worden aangepast aan het nieuwe takenpakket (onder meer verlies informatietaak);
- het budget van het Lisv zal bestaan uit het budget van het Tica aangevuld met de budgetten van de bedrijfsverenigingen voor zover deze samenhangen met de secretariaatskosten, ter dekking van de kosten van de sectorraden. Tevens vindt aanpassing plaats in verband met de verruiming van het takenpakket (onder meer informatietaak);
- het budget van de SVB ondervindt, gezien de zeer geringe wijziging van de taken, geen wijziging;
- de omvang van het budget van de bedrijfsverenigingen (exclusief secretariaatskosten) komt overeen met de omvang van de voor
ziene rblz.|61| vergoedingen voor de uitvoeringsinstellingen. Deze vergoedingen zijn opgenomen in de door de bedrijfsverenigingen met de uitvoeringsinstellingen afgesloten jaarovereenkomsten. De jaarovereenkomsten gaan over naar het Landelijk instituut en de omvang van het voor de bedrijfsverenigingen vastgestelde budget (exclusief secretariaatskosten) komt derhalve overeen met de omvang van de kosten van de uitvoering van de overeenkomsten tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen.

 

7.3. Het financiële verantwoordingsproces


     In het kader van de thans voorgestelde wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie heeft het kabinet aanleiding gezien ook het financiële verantwoordingsproces aan te passen. Hoofdgedachte op basis waarvan het kabinet voorstelt het financiële verantwoordingsproces aan te passen is dat de financiële verantwoording (rechtmatigheid van de uitgaven en getrouwheid van de financiële verslaglegging) daar plaats vindt waar de uitgaven worden verricht. Dit betekent dat in een situatie waarin de uitvoeringsinstellingen als concurrenten opereren, zij afzonderlijk verantwoording afleggen over de rechtmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en de getrouwheid van de financiële administratie.

     Nader uitgewerkt stelt het kabinet ten aanzien van het financiële verantwoordingsproces het volgende voor. De uitvoeringsinstelling en de SVB leggen jaarlijks na afloop van een boekjaar aan het Ctsv verantwoording af over de (primaire) uitvoering van de socialeverzekeringswetten. De verantwoording wordt afgelegd door middel van een afzonderlijke, naar wet verbijzonderde, verantwoordingsrapportage voorzien van een verklaring van rechtmatigheid door de uitvoeringsinstelling en de SVB. De uitvoeringsinstelling en de SVB baseren zich bij die verklaring op de accountantsverklaring van de interne accountant van de uitvoeringsinstelling, die de rechtmatigheid van het financiële proces heeft getoetst. De jaarrekening wordt afzonderlijk opgemaakt en voorzien van een verklaring van getrouwheid door een externe accountant. De hiervoor genoemde verklaringen van uitvoeringsinstelling en de SVB (i.c. verantwoordingsrapportage, rechtmatigheids- en getrouwheidsverklaringen) worden aan het Ctsv gezonden en de verklaringen van de uitvoeringsinstelling in afschrift aan de partner bij de overeenkomst, het Lisv. In de voorgaande procedure is inbegrepen dat de uitvoeringsinstellingen financiële verantwoording aan het Ctsv afleggen over de premie-inning in het kader van de Ziekenfondswet.

     Het Lisv en de SVB leggen aan het Ctsv verantwoording af over de rechtmatigheid van het beheer van de fondsen en de rechtmatigheid van de eigen uitgaven en ontvangsten. De verantwoording wordt afgelegd door middel van een afzonderlijke, naar fonds verbijzonderde, verantwoordingsrapportage voorzien van een verklaring van rechtmatigheid door de besturen van het Lisv en de SVB. De besturen van het Lisv en de SVB baseren zich bij die verklaring over het oordeel over de rechtmatigheid op de accountantsverklaring van de interne accountant van het Lisv respectievelijk de SVB, die de rechtmatigheid van het financiële proces binnen de afzonderlijke fondsen heeft getoetst.
     De jaarrekening wordt afzonderlijk opgemaakt en voorzien van een verklaring van getrouwheid door een externe accountant. Daarnaast worden verklaringen van rechtmatigheid en getrouwheid overeenkomstig de hiervoor beschreven procedure aan het Ctsv gezonden omtrent de apparaatskosten van het Lisv respectievelijk de SVB als organisatie.

     Het Ctsv stelt ten slotte een geïntegreerde financiële verantwoording op die tevens betrekking heeft op de eigen uitvoeringskosten van het Ctsv, verbijzonderd naar socialeverzekeringswet. Vervolgens verzorgt het rblz.|62| Ctsv vanuit de accountantsdiscipline een verklaring omtrent de rechtmatigheid per wet en op landelijk niveau. Het geheel wordt aangeboden aan de minister. Met betrekking tot de premie-inning op grond van de Ziekenfondswet verzorgt het Ctsv een rechtmatigheidsverklaring op landelijk niveau aan de Ziekenfondsraad. Bij de opstelling van de verklaring wordt gebruik gemaakt van de verklaringen en bevindingen van en onderzoeken door de controle-instanties van de uitvoeringsinstellingen, Lisv, SVB, waarmee invulling wordt gegeven aan het principe van single audit. Het Ctsv behoudt vanuit de functie van toezichthouder uiteraard de bevoegdheid tot toezicht en controle bij de uitvoeringsinstellingen, het Lisv, en de SVB.

     De vraag of de controlerende taak van het Ctsv zich ook uitstrekt tot de werkzaamheden die zijn uitbesteed aan derden, is reeds eerder beantwoord in het wetsvoorstel "Ontvlechting" (Kamerstukken II 1995-1996, 24 789, nrs. 1-3). Zie ook paragraaf 3.4 van deze memorie. Het Ctsv dient zich in eerste instantie te richten tot de uitvoeringsinstelling. Indien uit de financiële administratie van de uitvoeringsinstelling niet te achterhalen is of de uitgaven of ontvangsten rechtmatig zijn, zal het Ctsv gebruik kunnen maken van de wettelijke bevoegdheid de publieke stroom geld te volgen die naar derden toevloeit.

     De hiervoor beschreven werkwijze laat onverlet dat in de contracten tussen uitvoeringsinstelling en Lisv eisen omtrent een rechtmatige uitvoering en een getrouwe weergave van de financiële processen worden neergelegd. Het Lisv zal als opdrachtgever en ook als uiteindelijk verantwoordelijke voor de uitvoeringstaken van de uitvoeringsinstelling, in het contract mogelijkheden tot toetsing opnemen omtrent controle op een rechtmatige uitvoering en getrouwe weergave van de financiële processen tijdens de periode waarvoor met een uitvoeringsinstelling een contract is gesloten. Het Lisv behoeft daartoe geen reviews te houden bij de uitvoeringsinstellingen. Die taak is aan het Ctsv voorbehouden. In het kader van het financiële verantwoordingsproces houdt het Ctsv immers periodieke controles op de rechtmatigheid van de uitvoering door de uitvoeringsinstellingen.
     Het Lisv kan op basis van de controles door het Ctsv zeker stellen dat de uitvoering van de contracten door de uitvoeringsinstellingen op rechtmatige wijze plaatsvindt en dat de financiële administratie de werkelijkheid getrouw weergeeft. Naar de mening van het kabinet zal dan ook een periodiek overleg tussen Ctsv en Lisv moeten plaatsvinden over de wijze van uitvoering door de uitvoeringsinstellingen.
     In dat overleg kan, ingeval het Ctsv gebreken constateert in de uitvoering door de uitvoeringsinstellingen, het Lisv wijzen op de geconstateerde gebreken bij de contractpartner van het Lisv. Het Lisv kan vervolgens maatregelen nemen tegen de in gebreke blijvende contractpartner. Indien het Lisv dit wenst, kunnen de sectorraden ten aanzien van de verantwoording over de lopende werkzaamheden een ondersteunende rol vervullen. De wijze waarop is voorgesteld het financiële verantwoordingsproces gestalte te geven, is overigens niet van invloed op de toezichtsprocedure. Het Ctsv spreekt vanuit zijn rol als toezichthouder het Lisv aan indien een uitvoeringsinstelling de socialeverzekeringswetten niet rechtmatig uitvoert of niet een getrouwe financiële administratie voert. Overigens zal een dergelijke constatering eerst in het reguliere overleg tussen Lisv en Ctsv aan de orde komen. Eerst wanneer het Ctsv constateert dat maatregelen van het Lisv richting de contractpartner uitblijven, kan op het instrument van een aanwijzing worden teruggevallen. Het Lisv onderneemt vervolgens actie richting uitvoeringsinstelling. De huidige toezichtspiramide blijft daarmee in stand.

     rblz.|63| Voorgesteld wordt het financiële verantwoordingsproces te beperken tot de inkomsten en uitgaven die verband houden met de aan de uitvoeringsinstanties opgedragen uitvoeringstaken. In verband daarmee zal het Ctsv niet langer een oordeel uitspreken over rechtmatige uitvoering van de inning van de premies volksverzekeringen. Die taak wordt immers verricht door de belastingdienst. Tot de verantwoordelijkheid van de belastingdienst en uiteindelijk de Minister van Financiën hoort dan tevens het afleggen van financiële verantwoording over de juistheid en rechtmatigheid van de premie-inning volksverzekeringen. Naar de mening van het kabinet dient in die constructie wel een vorm van overleg tot stand te komen tussen Ctsv, SVB (in de positie van fondsbeheerder) en belastingdienst om zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de aan de fondsen af te dragen premies volksverzekeringen en de in rekening te brengen perceptiekosten.

 

8. Effecten bedrijfsleven


8.1. Inleiding


     De interdepartementale werkgroep Voorgenomen Regelgeving (Stcrt. 1995, 96) heeft aangegeven dat het wetsvoorstel ter wijziging van de Osv mogelijk relevante effecten voor het bedrijfsleven met zich meebrengt. Deze effecten zouden aan de hand van de volgende vragen in kaart moeten worden gebracht.
1. Voor welke categorieën bedrijven heeft het wetsvoorstel mogelijk invloed?
2. Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met het wetsvoorstel geconfronteerd?
3. Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke aard en omvang van de kosten en baten van het wetsvoorstel?
4. Wat zijn de sociaal-economische effecten van het wetsvoorstel (voor werkgelegenheid, productie, etc.)?
     Door beantwoording van deze vragen is voor het wetsvoorstel een beperkte bedrijfseffectentoets uitgevoerd. In het onderstaande zal eerst de reikwijdte van de voorgestelde maatregelen nader worden aangegeven. De samenhang met de socialezekerheidswetgeving waarvoor de Osv de uitvoeringsorganisatie vastlegt is immers sterk (paragraaf 8.2). Vervolgens wordt stapsgewijs een antwoord gegeven op de eerste twee vragen van de bedrijfseffectentoets. Daarbij wordt een onderscheid gehanteerd tussen directe en indirecte effecten (paragraaf 8.3). De te constateren effecten van de ontwerp-regeling zijn vooral indirecte effecten en zijn daarom met veel onzekerheden omgeven. Ze worden om die reden vooral eerst kwalitatief geduid, hetgeen een antwoord geeft op de derde en vierde vraag (paragraaf 8.4). Tot slot komen enige kwantitatieve indicaties aan de orde (paragraaf 8.5).

 

8.2. Domeinafbakening


     De Osv regelt de organisatie van de uitvoering van de socialeverzekeringswetten, zowel die van de volksverzekeringen als die van de werknemersverzekeringen. In de Osv worden vooral de relaties tussen minister, toezichthouder en uitvoeringsorganen op hoofdlijnen wettelijk geregeld. Uit deze plaatsbepaling volgt reeds dat de Osv weinig directe relaties heeft met het functioneren van het bedrijfsleven als geheel. Dit geldt mutatis mutandis voor de aanpassing van de Osv die met dit wetsvoorstel aan de orde is. Ik zal in het onderstaande dus vooral over deze indirecte effecten van het wetsvoorstel tot wijziging van de Osv spreken
  
   rblz.|64| Eén uitzondering betreft de bepalingen in de Osv die enkele rechten en plichten vastleggen ten aanzien van de informatieverstrekking nodig voor een goede uitvoering van de materiewetten. Deze treffen ook bedrijven en verzekerden en zijn te beschouwen als directe effecten voor het bedrijfsleven van de regeling.

     Naast de veranderingen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel tot wijziging van de Osv, zijn er recentelijk ook tal van andere veranderingen opgetreden in de uitvoering van de socialeverzekeringswetten. Enkele daarvan houden direct verband met wijzigingen in de materiewetten. Voor de zuiverheid van de analyse wordt in het onderstaande geabstraheerd van de gevolgen die deze veranderingen voor het bedrijfsleven met zich meebrengen. Ik zal uitsluitend ingaan op de effecten van de veranderingen in de organisatie van de uitvoering.

 

8.3. Directe effecten


     Het voorliggende wetsvoorstel bevat geen uitbreiding van de informatieverplichtingen van werkgevers. Er worden juist maatregelen voorgesteld die zullen leiden tot een vermindering van de administratieve lastendruk van werkgevers. Dit betreft de maatregelen, gericht op de standaardisering van het berichtenverkeer met de uitvoeringsinstellingen (beschreven in paragraaf 6.3) en de beoogde verbetering van de VZA en in het bijzonder de registratie van dienstverbanden (zie paragraaf 6.4).

 

8.4. Indirecte effecten


     Bij het ex ante vaststellen van indirecte effecten van regelgeving bestaat uit de aard der zaak een grote marge van onzekerheid. Toch kan in tentatieve zin wel het één en ander worden vastgesteld.
     Zo volgt uit de algemene strekking van het wetsvoorstel voor de organisatie van de socialeverzekeringswetten dat het gehele Nederlandse bedrijfsleven de gevolgen ervan zal ondervinden. Verder mag worden verwacht dat deze effecten vrijwel zonder uitzondering pas op middellange termijn (drie tot zeven jaar) zichtbaar zullen worden. Enerzijds komt dat omdat het enige tijd duurt voordat de betrokken organen functioneren volgens de lijnen die in het wetsvoorstel worden uitgezet. Het duurt vervolgens nog weer enige tijd langer voordat daarvan de gevolgen voor het bedrijfsleven merkbaar zullen zijn. Anderzijds speelt een rol dat in het kader van de ontvlechting raamovereenkomsten tussen uitvoeringsinstellingen en bedrijfsverenigingen over de uitvoering zijn afgesloten. Deze overeenkomsten hebben een looptijd tot het jaar 2000, zodat de hier relevante verschuivingen in de organisatie van de uitvoering tot dat moment relatief beperkt zullen zijn.

     Hoe zijn nu deze indirecte effecten nader te kwalificeren? Ter beantwoording van die vraag moeten drie clusters van veranderingen in de uitvoeringsstructuur nader worden bekeken. Het gaat om:
(i) veranderingen in de sturing en het management van de uitvoering aan de voet;
(ii) veranderingen in de informatiehuishouding; en
(iii) veranderingen in de samenwerkingsverbanden met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten (uitvoering bijstandverlening).


8.4.1. Sturing en management aan de voet

     Door het introduceren van concurrentieprikkels zal een gereguleerde competitie tussen de uitvoeringsinstellingen ontstaan. Dit zal tot een efficiëntere uitvoering van de socialezekerheidswetten leiden, daar de rblz.|65| uitvoeringsinstelling met de beste prijs-prestatieverhouding de voorkeur zal krijgen van de opdrachtgever. Dit kan ofwel lagere uitvoeringskosten voor de sector tot gevolg hebben, ofwel een kwaliteitsverbetering in de uitvoering. In beide gevallen kan dit een daling in de premiestelling inluiden. De kwaliteitsverbetering in de uitvoering bestaat immers onder meer uit beheersing van de instroom, handhavingsbeleid en activiteiten in het kader van de reïntegratie. Het volume en daarmee het uitgavenniveau in de sociale zekerheid kan dus beter worden beheerst.

     Deze keten van oorzaak-gevolg kan in beginsel voor het totaal van de uitvoering van de sociale zekerheid gelden, in het bijzonder die van de werknemersverzekeringen. De indirecte effecten kunnen dus het gehele bedrijfsleven treffen. Omdat vanaf het jaar 2000 de keuzes in de uitbesteding van de uitvoering per sector iets kunnen verschillen, zal dit soort effecten niet geheel gelijk verdeeld zijn over de sectoren. Op voorhand valt niet in te schatten hoe een dergelijke differentiatie zal uitpakken. Volgens de ontwerp-regeling hebben vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in die branches en sectoren daar echter wel op een indirecte wijze zelf invloed op: in de beraadslagingen van hun vertegenwoordigers in de sectorraden.

     Voorts is duidelijk dat naarmate er meer reële mogelijkheden zijn om te veranderen van uitvoeringsinstelling, de concurrentie in de uitvoering meer wordt gevoeld. Daarbij speelt een rol dat de verplichting tot uitbesteding van de uitvoering van een sector als geheel aan één uitvoeringsinstelling, komt te vervallen, zodat er ruimte komt voor de uitbesteding van de uitvoering voor specifieke sectoronderdelen. De sectorraden kunnen dus adviseren om verschillende contracten voor onderdelen van hun sector af te sluiten. Daardoor kunnen sectoronderdelen ook binnen de sectoren een concurrentievoordeel behalen. Zoals in hoofdstuk 6 reeds is aangegeven, wordt deze concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen mede mogelijk gemaakt door de beoogde standaardisering en uniformering van de berichtenstromen en gegevensbestanden.

     Uit het bovenstaande blijkt dat het wetsvoorstel bijdraagt aan de beheersing van de volumina en van de uitvoeringskosten. De premies voor werkgevers en/of werknemers kunnen dientengevolge dalen. Dit kan vervolgens tot uitdrukking komen in lagere lasten voor werkgevers en/of koopkrachtverbetering voor werknemers. Op zijn beurt kan dit in de profitsectoren een impuls betekenen voor de economische ontwikkeling en dus voor de werkgelegenheid.


8.4.2. Informatiehuishouding van de sector sociale verkeringen

     De herverdeling van taken en verantwoordelijkheden op het terrein van de informatiehuishouding van de sector sociale verzekeringen zal resulteren in efficiëntere opzet van het berichtenverkeer, het gegevensbeheer en de gegevensuitwisseling. Voor bedrijven zal dit op termijn tot een vermindering van de administratieve lasten leiden.

     Tevens voorziet dit wetsvoorstel in een verschuiving van de informatietaak van het Ctsv naar het Lisv (en de SVB), wat een verlaging van de uitvoeringskosten met zich mee zal brengen. De door de werkgevers op te brengen premies kunnen daardoor op termijn iets omlaag


8.4.3. Samenwerkingsverbanden

     Het wetsvoorstel draagt het Lisv op om ervoor te zorgen dat de rblz.|66| samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten gewaarborgd wordt. Ook verplicht het wetsvoorstel de uitvoeringsinstellingen in iedere Lisv-regio of combinatie van Lisv-regio’s één of meer personen aan te wijzen die bevoegd zijn beslissingen te nemen ten aanzien van de reïntegratietaak. Op welke wijze dat doorwerkt in de contacten tussen de regionale kantoren van de uitvoeringsinstellingen en het bedrijfsleven, is niet op voorhand te bepalen. Op dit punt liggen bovendien in het SWI-traject nog nader te operationaliseren mogelijkheden besloten. Van de nieuwe samenwerkingsverbanden tussen uitvoeringsinstellingen en overige uitvoerende organen zijn de effecten voor het bedrijfsleven dus nog niet duidelijk.

 

8.5. Kwantitatieve indicaties


     Geconstateerd is dat er geen directe effecten van het wetsontwerp zijn te verwachten voor het bedrijfsleven. De omvang van de indirecte effecten kent een ruime onzekerheidsmarge. Wanneer op termijn de uitvoeringskosten maar ook de volumina beter beheerst kunnen worden, kunnen de premieafdrachten voor het bedrijfsleven relatief omlaag.

     Een eerste beperking die hier moet worden aangebracht is dat de ontwerp-regeling vooral de uitvoering van de werknemersverzekeringen raakt. Dat betekent dat de te verwachten verbeteringen in de uitvoering geen gevolgen zullen hebben voor de uitkeringsverstrekking voor de volksverzekeringen (AOW, AKW, Anw) door de SVB, waarbij jaarlijks circa ƒ44 miljard wordt uitgekeerd en voor de uitvoering ruim ƒ700 miljoen wordt besteed (Jaarverslag SVB 1994). De effecten zullen derhalve vooral merkbaar zijn voor het resterende deel van de uitvoering, dat nog altijd voor ongeveer ƒ47 miljard aan uitkeringen omvat in 1994 (ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, toeslagen), en een bedrag van ongeveer ƒ3 miljard voor uitvoeringskosten door de uitvoeringsinstellingen (Tica, 1995).

     Vanaf het jaar 2000 zal het Lisv meer ruimte krijgen voor het benaderen van verschillende uitvoeringsinstellingen, ook voor afzonderlijke branches.
     Zoals hierboven al gesteld, zal hieruit op termijn een zekere spreiding kunnen voortkomen in de premiedruk per branche of sector. Het ligt voor de hand dat dit zich vooral laat gevoelen in de thans wat grotere branches of sectoren. De volgende tabel geeft daartoe een indruk van de verdeling van de uitvoeringskosten naar bedrijfsverenigingen tot 1995.

     Ontwikkeling uitvoeringskosten sociale verzekeringen 1993-1995 (exclusief reorganisatie en vermogensopbouw), voor de vijf grootste bedrijfsverenigingen, bedragen in miljoenen guldens (Bron: Tica 1995):

Bedrijfsvereniging 1993 1994 1995
25 Bank- en Verzekeringswezen: 398 383 406
23 Gezondheid: 367 442 330
26 Nieuwe Algemene: 340 371 367
03 Bouw: 357 336 308
18 Detam: 310 309 295
Gemiddelde overigen: x98 x96 x94

 
     De tabel illustreert dat vooral het bank- en verzekeringswezen (inclusief de commerciële dienstverlening), de bouw, de detailhandel, de gezondheidszorg en de bedrijven aangesloten bij de NAB [Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, red.] gevoelig zullen zijn voor verschuivingen in de uitbesteding van de uitvoering. Differentiatie in de contracten zal voor branches binnen deze sectoren dus het sterkst tot rblz.|67| verschillen in premies voor bedrijven kunnen leiden. Per werkgever zal het hier overigens hoe dan ook gaan om bescheiden verminderingen van lasten.

     Door de verbeterde regeling van de informatievoorziening kan de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven op middellange termijn worden verminderd. Een deel van dit effect is overigens evenzeer aan bestaande inspanningen toe te rekenen als aan het ontwerp van de voorliggende regeling.

 

8.6. Conclusie


     Beantwoording van de vragen van de bedrijfseffectentoets levert het volgende beeld op.

(1) Het voorstel tot wijziging van de Osv raakt het bedrijfsleven niet direct. Langs een omweg zijn er effecten voor het gehele bedrijfsleven, voor alle branches/sectoren.

(2) Het gaat dus om alle bedrijven die werkzaam zijn in Nederland.

(3) Het gaat daarbij vooral om indirecte effecten voortvloeiend uit:
(i) veranderingen in de sturing en het management van de uitvoering aan de voet;
(ii) veranderingen in de informatiehuishouding.
     Aangezien het wetsvoorstel geen invulling geeft aan de wijze waarop de samenwerking tussen uitvoeringsinstellingen enerzijds en de gemeenten en Arbeidsvoorzieningsorganisatie in de regio anderzijds plaatsvindt, worden langs die weg geen indirecte effecten op het bedrijfsleven gesignaleerd.

     De beide andere wijzigingen culmineren binnen een termijn van drie tot zeven jaar in een vermindering van de kosten van de uitvoering, maar ook in een reductie van de volumina voor de socialeverzekeringswetten.
     Deze positieve effecten kunnen per sector meer of minder duidelijk aan de dag treden. Uiteindelijk kunnen deze resulteren in een lagere premiedruk voor het bedrijfsleven. Daarnaast zal een marginale vermindering van de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven kunnen optreden (in de orde van grootte van enkele miljoenen guldens per jaar).

     De lagere kosten voor het bedrijfsleven zullen niet evenredig over sectoren of branches gespreid optreden. Vooral bij het bank- en verzekeringswezen (inclusief de commerciële dienstverlening), maar ook bij de bouw, de detailhandel, de branches onder de BV Nieuwe Algemene en de gezondheidszorg zullen de positieve effecten op termijn vermoedelijk traceerbaar zijn.

(4) De lagere premiedruk voor werkgevers en de marginale vermindering van de administratieve lastendruk zullen in de profitsectoren kunnen leiden tot een bescheiden groei van de effectieve vraag, van de productie en van de werkgelegenheid.

     Voor alle indirecte effecten die hier zijn genoemd, geldt dat ze moeilijk uitsluitend en alleen zijn toe te schrijven aan het wetsvoorstel. Mede om deze reden zijn kwantitatieve indicaties van de effecten achterwege gebleven.

 

8.7. Effecten voor de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid


     De interdepartementale werkgroep Voorgenomen Regelgeving h
eeft rblz.|68| aangegeven dat naast de effecten voor het bedrijfsleven in beeld gebracht moet worden wat de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen van de Osv zijn als het gaat om uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de wetgeving. Dit moet gebeuren aan de hand van beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat zijn de gevolgen van de ontwerp-regelgeving voor de handhavingsinzet en de handhavingsbehoefte?
2. Wat zijn de gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht?

     Voor de beantwoording van beide vragen is van belang dat het wetsvoorstel gaat over de uitvoeringsorganisatie en in geringe mate van invloed is op de positie van individuele verzekerden of werkgevers. De gevolgen voor de handhavingsinzet, de handhavingsbehoefte en voor de rechterlijke macht zijn daarom beperkt.
     Op het al dan niet optreden van gevolgen wordt hierna ingegaan.


Ad 1. De gevolgen voor de handhavingsinzet en de handhavingsbehoefte

     Op basis van dit wetsvoorstel is het Lisv verplicht om alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van beslissingen omtrent prestaties en verschuldigde premies op grond van een administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten per sector of sectoronderdeel, te laten verrichten door een rechtspersoon die is erkend door de minister. Dit is analoog aan artikel 57 van de huidige Osv. Beide contractpartijen - het Lisv en de uitvoeringsinstelling(en) - zullen erop toe moeten zien dat het contract overeenkomstig de bedoeling wordt uitgevoerd. Dit vergt van het Lisv en de uitvoeringsinstelling(en) echter geen andere inzet dan op dit moment al door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen wordt gepleegd. Een extra inzet op dit punt is dus niet noodzakelijk.

     Het Ctsv krijgt de bevoegdheid om uit hoofde van zijn taak aanwijzingen van algemene aard te geven aan de SVB en het Lisv. Het Ctsv moet ook toezien op de naleving door de SVB en/of het Lisv van een gegeven aanwijzing. Zowel de bevoegdheid om aanwijzingen te geven als de taak om op de naleving daarvan toe te zien, zijn taken van het Ctsv die al opgenomen zijn in de bestaande Osv en brengen als zodanig geen wijziging in het takenpakket van het Ctsv op het punt van de handhaving.


Ad 2. De gevolgen voor belasting van de rechterlijke macht

     De administratieovereenkomst(en) en jaarovereenkomsten tussen het Lisv en de uitvoeringsinstelling(en) zijn op het privaatrecht gebaseerde contracten. Naleving van deze overeenkomsten kan eventueel via de burgerlijke rechter worden afgedwongen en kan langs die weg tot belasting van de rechterlijke macht leiden. Dit leidt naar verwachting echter niet tot een extra belasting van de rechterlijke macht, omdat de nu bestaande overeenkomsten tussen de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen ook al aan de burgerlijke rechter kunnen worden voorgelegd.

 

9. Financiële aspecten


9.1. Inleiding


     Het wetsvoorstel tot wijziging van de Osv leidt tot een andere positionering van taken en verantwoordelijkheden van organisaties. Deze wijzigingen hebben een effect op de uitvoeringskosten van het Ctsv, het Lisv, de sectorraden, de uitvoeringsinstellingen en (in mindere mate) de SVB.

     rblz.|69| In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de kosten die samenhangen met de verschuiving van taken en verantwoordelijkheden (in de personele sfeer). Het gaat hierbij om een schets van de structurele situatie, waarbij bedacht dient te worden dat in de overgangssituatie kosten kunnen gaan ontstaan in verband met aanpassing van de organisatie en eventuele overplaatsing van personeel. In de overgangssituatie wordt de materie verder gecompliceerd door wijzigingen in wet- en regelgeving, die een groot effect hebben op de uitvoering van de werknemersverzekeringen (onder meer introductie premiedifferentiatie WAO), alsmede de doorwerking van de wijzigingen die in het kader van de Osv hebben plaatsgevonden (met name de ontvlechtingsoperatie).

     Naar verwachting zal de nieuwe uitvoeringsstructuur, waarbij de regionale samenwerking centraal staat, op termijn ook een positieve invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de uitkeringslasten. Omdat deze effecten moeilijk zijn in te schatten en deels samenlopen met de effecten van de wijziging van de socialeverzekeringswetten, wordt bij dit wetsvoorstel afgezien van kwantificering van de effecten op de uitkeringslasten.

 

9.2. Effecten op de uitvoeringskosten.


     Primair zullen de directe gevolgen van het verschuiven van taken en verantwoordelijkheden in beeld worden gebracht. Voor elke instantie zal worden aangegeven hoe de veranderingen in personele zin doorwerken.


9.2.1. Ctsv

     De taken van het Ctsv worden toegespitst op het toezicht. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de informatietaak overgaat naar het Lisv en de SVB en dat het aantal regelgevende bevoegdheden zal worden verminderd.
     Dit leidt tot een vermindering van de formatie van het Ctsv. Met betrekking tot de informatietaak betreft het zowel de personen die zich bezighouden met het verstrekken van (beleids)informatie als de activiteiten in het kader van het optimaliseren van de informatiestromen binnen de socialeverzekeringssector. Volgens informatie van het Ctsv zouden 5 fte’s kunnen overgaan van het Ctsv naar het Lisv en de SVB (uitvoeringskosten ca. ƒ0,5 mln).


9.2.2. Lisv

     Voor een groot deel zal het apparaat van het Lisv bestaan uit personeelsleden die op dit moment bij het Tica werkzaam zijn. Het Lisv neemt immers alle taken van het Tica over. Daarnaast wordt het Lisv belast met een aantal aanvullende taken, zoals het verzorgen van rechtmatigheidsverklaringen en doelmatigheidsrapportages en de informatietaak die voorheen bij het Ctsv was gesitueerd (ca. 4,5 fte’s). Tevens wordt de coördinerende taak van het Lisv, in vergelijking met het Tica, versterkt, hetgeen eveneens een toename van de formatie tot gevolg heeft (5 à 10 fte’s; 0,5 à ƒ1 mln).
     Samenhangend met de taken van het Lisv is het beheer van de GVI. Momenteel wordt de GVI beheerd door het IDSV (Informatiedienst Sociale Verzekeringen). Het personeel van IDSV zal overgaan naar het Lisv (15 fte’s). Voor de uitvoeringskosten heeft dit geen gevolgen, omdat de kosten van IDSV momenteel reeds uit de socialeverzekeringsfondsen worden gefinancierd.

rblz.|70| 
9.2.3. Sectorraden

     De sectorraden hebben een adviestaak richting het Lisv. Qua omvang (aantal personeelsleden) zullen zij waarschijnlijk vergelijkbaar zijn met de secretariaten van de bedrijfsverenigingen. Met betrekking tot de sectorraden zal derhalve veelal sprake zijn van een verschuiving van personeelsleden en niet van uitbreiding. Naar verwachting zal de oprichting van de sectorraden, structureel, niet tot additionele uitvoeringskosten leiden ten opzichte van de huidige situatie.


9.2.4. SVB

     Het takenpakket van de SVB wordt enigszins vergroot door de activiteiten in het kader van het opstellen van de rechtmatigheidsverklaringen en de doelmatigheidsrapporten, en het toevoegen van informatieactiviteiten die thans bij het Ctsv zijn gesitueerd. Naar verwachting leidt dit tot een beperkte taakverzwaring (ca 0,5 fte).


9.2.5. Uitvoeringsinstellingen

     Momenteel zijn vier uitvoeringsinstellingen actief (GAK-UI; SFB-UO, GUO-UI en Cadans). Tengevolge van het onderhavige wetsvoorstel zal het takenpakket van de uitvoeringsinstellingen nauwelijks wijzigingen ondergaan. Wel is het zo dat de uitvoeringsinstellingen een inbreng dienen te leveren bij de verklaringen c.q. rapportages met betrekking tot de rechtmatige en doelmatige aanwending van gelden. Daarnaast wijzigt de opdrachtgever (bedrijfsvereniging versus Lisv en sectorraden). Tevens wordt meer ruimte gecreëerd voor concurrentieprikkels. Door deze wijzigingen zal naar verwachting op termijn een positief effect op het niveau van de uitvoeringskosten ontstaan.

 

9.3. Conclusie


     De directe structurele kostenconsequenties, in termen van uitvoeringskosten sociale verzekeringen, van het wetsvoorstel zijn beperkt. Het betreft veelal een verschuiving van taken tussen organisaties. Op korte termijn kan sprake zijn van (beperkte) aanpassingskosten. Op langere termijn mag een positief effect worden verwacht op het niveau van de uitvoeringskosten, omdat mede door het introduceren van concurrentieprikkels een stimulans wordt ingebouwd om te komen tot een meer efficiënt uitvoeringsproces.
     Ten aanzien van de uitkeringslasten mogen op termijn uitgavenverlagende effecten worden verwacht tegen het licht van de voorgenomen geïntensiveerde samenwerking tussen socialeverzekeringsorganen, gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De omvang van en de termijn waarop deze positieve effecten kunnen worden verwacht, is momenteel niet te voorzien.

 

10. Toetsing aan de concept-aanwijzingen inzake ZBO’s


     Op 2 mei 1995 stemde het kabinet in met de notitie "Herstel van het primaat van de politiek bij de aansturing van zelfstandige bestuursorganen" (Tweede Kamer 1994/95, 24 130, nr. 5). Deze notitie bevat het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de rapportage van de Algemene Rekenkamer over "Zelfstandige bestuursorganen en ministeriële verantwoordelijkheid", die onderdeel vormde van het jaarverslag 1994 van de Rekenkamer. In het kabinetsstandpunt wordt, met het oog op genoemd herstel van het primaat van de politiek, de ontwikkeling van een rijksbreed beleidskader voor de sturing van en het toezicht op zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) aangekondigd.

     rblz.|71| Belangrijk onderdeel van dat beleidskader is de aanvulling van de Aanwijzingen voor de regelgeving met aanwijzingen inzake ZBO’s. Het kabinet zal deze aanwijzingen dezer dagen vaststellen en naar de Tweede Kamer zenden.

     In dit wetsvoorstel is sprake van (de instelling van) een drietal ZBO’s: het Lisv, de SVB en het Ctsv. Het betreft hier geen nieuwe organen maar continuering van reeds bestaande ZBO’s onder een nieuwe naam (Lisv, rechtsopvolger Tica) en onder een nieuw wettelijk regime.
     Hieronder vindt op hoofdlijnen een toetsing van deze ZBO’s aan de concept-aanwijzingen inzake ZBO’s plaats (de vermelde nummers 124 ...etc. verwijzen naar de betreffende concept-aanwijzingen).

     Allereerst zijn het Ctsv, het Lisv en de SVB publiekrechtelijke organen, die bij wet worden ingesteld (124 b, e). Er is sprake van een nauwkeurige wettelijke taakomschrijving ("gesloten huishouding", 124 g).

     Daarnaast zijn zowel het Lisv als de zogenaamde participatie-ZBO’s, waarin in een tripartiete bestuursstructuur naast onafhankelijke leden vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en werknemers bestuurlijk deelnemen. Het betreft hier een continuering van de reeds bestaande bestuursparticipatie van sociale partners. Het kabinet is van mening dat deze participatie toegevoegde waarde heeft voor de uitvoering van de sociale verzekeringen en ziet derhalve geen aanleiding genoemde participatie te beëindigen. (124 c, i). Zoals elders in deze memorie beschreven zijn waarborgen ingebouwd om te voorkomen dat werkgevers en werknemers zich via hun bestuursparticipatie in het Lisv op gevalsniveau met de uitvoering van de claimbeoordeling gaan bezighouden.

     Vervolgens wordt de inrichting van de besturen van het Ctsv, het Lisv en de SVB (benoeming, schorsing, ontslag) in dit wetsvoorstel geregeld. In deze besturen worden geen aan de minister ondergeschikte ambtenaren benoemd. Het wetsvoorstel schrijft vaststelling van bestuursreglementen voor (124 i, j, k).

     Bovendien geeft het wetsvoorstel de minister ter effectuering van de ministeriële verantwoordelijkheid de volgende bevoegdheden:
- benoeming, schorsing en ontslag van bestuursleden;
- het regelen van de rechtspositie van de leden van het Ctsv-bestuur en van de voorzitters van het Lisv en de SVB;
- goedkeuring van de vergoeding van de overige bestuursleden van het Lisv en de SVB;
- het stellen van regels met betrekking tot onverenigbaarheid van werkzaamheden/functies van bestuursleden;
- goedkeuring van de bestuursreglementen;
- het geven van aanwijzingen van algemene aard betreffende de taakuitoefening van het Ctsv;
- het stellen van regels waarin wordt bepaald dat bepaalde besluiten van het Lisv, de SVB en/of de uitvoeringsinstellingen ter goedkeuring of ter kennisneming aan het Ctsv moeten worden voorgelegd;
- het bevorderen dat er AMvB’s met betrekking tot de samenwerking tussen respectievelijk het Lisv, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten en de SVB en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie over die samenwerking tot stand komen;
- het stellen van regels met betrekking tot de administratie en administratieve organisatie van de SVB;
- het stellen van nadere regels met betrekking tot diverse aspecten van het fondsbeheer (waaronder de begrotingen van de afzonderlijke fondse
n) door het Lisv en de SVB en het aangaan van leningen;
rblz.|
72| - het stellen van regel
s met betrekking tot de begroting (van de uitvoeringskosten) van het Ctsv, het Lisv en de SVB;
- het vaststellen van het budget voor de uitvoeringskosten van het Ctsv en het stellen van regels met betrekking tot de toerekening daarvan aan het Lisv en de SVB;
- het geven van een oordeel over de jaarverslagen en de jaarrekeningen van het Ctsv, het Lisv en de SVB en van de rechtmatigheidsverklaring van het Ctsv;
- het opvragen van alle noodzakelijke c.q. gewenste gegevens en inlichtingen aan het Ctsv, het Lisv en de SVB en het stellen van nadere regels ten aanzien van die gegevens en inlichtingen;
- het voordragen tot schorsen/vernietigen van een besluit van het Ctsv, het Lisv of de SVB wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

     Het kabinet is van mening dat het instrument "goedkeuring begroting" (124 l) geen toegevoegde waarde heeft voor de sturing van de socialeverzekeringsorganen.
     Door middel van de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel wordt immers hetzelfde doel bereikt. De bedoelde begrotingen geven inzicht in de omvang van de uitvoeringskosten van de verschillende instanties.
     Via een getrapt model worden op basis van de begroting de budgetten van het Ctsv (door de minister), het Lisv en de SVB (door het Ctsv) vastgesteld. Vooraf bestaat derhalve volledig zicht en kan volledige invloed worden uitgeoefend op de omvang van de uitvoeringskosten in het komende jaar.

     Het kabinet meent te kunnen concluderen dat middels bovenstaande bevoegdheden een effectieve invulling van de ministeriële verantwoordelijkheid gewaarborgd is (124 l, o, p, s, t).

     Voorts bevat het wetsvoorstel voor zowel het Ctsv als het Lisv en de SVB een taakverwaarlozingsregeling (124 m).
     Wat betreft Wet openbaarheid van bestuur (Wob) [zie afdeling 2.3 Awb, red.] en de Wet Nationale ombudsman (WNo) (124 q): de SVB valt reeds onder de competentie van de Nationale ombudsman en onder de werkingssfeer van de Wob.
     Ook het Ctsv valt onder de Wob (de WNo is hier niet relevant omdat het Ctsv geen directe contacten met burgers heeft). Het Lisv zal (als rechtsopvolger van het Tica) bij AMvB onder de werkingssfeer en competentie van respectievelijk de Wob en WNo gebracht worden.

     De openbaarheid van vergadering (124 r) wordt door dit wetsvoorstel bij de drie ZBO’s wettelijk bepaald voor wat betreft de vaststelling van begroting, jaarverslag en jaarrekening.

     Het onderhavige wetsvoorstel voldoet niet aan de concept-aanwijzing 124 u, die bepaalt dat arbeidsvoorwaarden en rechtspositie ambtenaarconform moeten zijn geregeld. Het betreft hier continuering van drie reeds bestaande organen. Bij het Ctsv en het Tica is het personeel in dienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het personeel van de SVB is ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet. Bij de inwerkingtreding van de huidige Osv (1 januari 1995) is aangekondigd dat het SVB-personeel met ingang van 1 januari 1998 overgaat naar een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het kabinet acht het niet opportuun op dit moment en zonder dringende reden verandering te brengen in de reeds bestaande situatie bij het Ctsv en het Tica en ook niet om de toezegging aan de SVB in te trekken.
     Ten slotte is ook voorzien in een wettelijke bepaling voor periodieke evaluatie van de doeltreffendheid en effecten van deze wet. (124 ij)

     rblz.|73| Het kabinet concludeert dat dit wetsontwerp in hoge mate spoort met de bepalingen in de concept-aanwijzingen inzake zelfstandige bestuursorganen.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en aanwijzingsbevoegdheid van de minister


Artikel 1

     In artikel 1 zijn definities opgenomen die verwijzen naar andere artikelen. In de artikelen 3, 17 en 29 [30] wordt de instelling van het Ctsv, de SVB en het Lisv geregeld. Deze instanties zijn bij wet ingestelde publiekrechtelijke rechtspersonen in de zin van artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De besturen van deze lichamen zijn bestuursorganen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
     Uitvoeringsinstellingen zijn privaatrechtelijke rechtspersonen die zijn voortgekomen uit particulier initiatief. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze rechtspersonen van toepassing.
     Door de erkenning als rechtspersoon met welke het Lisv een administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten kan sluiten en het sluiten van een dergelijke overeenkomst verkrijgt de betrokken rechtspersoon ook een publiekrechtelijke status. Door het sluiten van de administratie- en jaarovereenkomst wordt de erkende rechtspersoon een uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv 1997. Dit betekent onder meer dat het Lisv zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten kan mandateren aan deze rechtspersoon.
     De besluiten die door de uitvoeringsinstelling binnen de grenzen van de gemandateerde bevoegdheid worden genomen, gelden als besluiten van het Lisv. Het Lisv blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen en kan aan de gemandateerde uitvoeringsinstelling per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid.
     De positie van de in onderdeel h genoemde fondsen wordt toegelicht bij de artikelen in de verschillende wetten waarin die positie wordt geregeld. Deze fondsen maken deel uit van het Lisv of de SVB. De fondsen die vóór de inwerkingtreding van deze wet deel uitmaakten van het Tica gaan over naar het Lisv. Dit geldt ook voor de in onderdeel h genoemde wachtgeldfondsen die vóór de inwerkingtreding van deze wet deel uitmaakten van de bedrijfsverenigingen.
     In onderdeel m is gedefinieerd wat onder uitkeringsgerechtigde in de zin van deze wet wordt verstaan. Opgemerkt wordt dat ook degene die een uitkering ontvangt op grond van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA) uitkeringsgerechtigde is in de zin van deze wet. Dit is geregeld via artikel 3, vierde lid, van de WBIA.

 

Artikel 2

     Op grond van het voorgestelde artikel 2 kan de minister aan het Ctsv aanwijzingen van algemene aard geven betreffende de uitoefening van zijn taken. Overeenkomstig de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar 124l) rblz.|74| wordt aan de minister niet de bevoegdheid toegekend bijzondere aanwijzingen te geven.
     Op grond van artikel 14 kan het Ctsv uit hoofde van zijn taak aanwijzingen geven aan de SVB en het Lisv. Een aanwijzing heeft een verplichtend karakter. Het is geen aanbeveling met een vrijblijvend karakter. Het Ctsv, de SVB en het Lisv zijn gehouden overeenkomstig een tot hen gerichte aanwijzing te handelen.

 

Hoofdstuk 2. Het College van toezicht sociale verzekeringen


§ 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze


Artikel 3

     In artikel 3, eerste lid, is bepaald dat er een Ctsv is. In het wetsvoorstel dat de invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 zal regelen, zal worden bepaald dat het Ctsv, bedoeld in artikel 2 van de huidige Osv, als rechtspersoon wordt gehandhaafd. Intrekking van laatstbedoelde wet leidt derhalve niet tot opheffing van de in die wet ingestelde rechtspersoon.
     In het tweede lid is bepaald dat het Ctsv rechtspersoonlijkheid bezit. Hiermee is buiten twijfel gesteld dat het Ctsv een publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is.

 

Artikel 5

     In dit artikel wordt voorgesteld dat de leden van het bestuur niet voor een periode van vier jaar maar voor een periode van ten hoogste vier jaar worden benoemd. Dit biedt meer flexibiliteit bij het benoemingsbeleid. In overleg met kandidaat-bestuursleden kan een benoemingsperiode van vier jaar of minder dan vier jaar worden vastgesteld. De totale benoemingsperiode kan, ongeacht het aantal herbenoemingen, per lid niet langer zijn dan acht jaar. Bij de vaststelling van de benoemingstermijnen kan ook worden gelet op de continuïteit van het bestuur. Door benoemingstermijnen te laten verschillen, kan worden voorkomen dat bestuursleden allen tegelijkertijd aftreden.

 

Artikel 7

     De rechtspositie van de leden van het bestuur van het Ctsv wordt geregeld door de minister. Het gaat hier om bijzondere functies waarbij een bijzondere rechtspositieregeling past. De rechtspositieregeling is een algemeen verbindend voorschrift waarin de waardering van de desbetreffende publieke functie(s) tot uiting komt. Ingevolge artikel 4 van de Bekendmakingswet geschiedt de bekendmaking van bij ministeriële regeling vastgestelde algemeen verbindende voorschriften door plaatsing in de Staatscourant.
     Het personeel van het Ctsv wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel a van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden op dit personeel van toepassing verklaard in verband met artikel 1637z van het (BW). Ingevolge artikel 1637z van het BW zijn de bepalingen van genoemde titel niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, ten ware zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrek
king rblz.|75| door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening van toepassing zijn verklaard. In artikel 7 worden deze bepalingen van toepassing verklaard.

 

Artikel 8

     Het bestuur van het Ctsv moet een bestuursreglement vaststellen. In dit reglement worden zaken geregeld als wijze van oproeping van leden voor vergaderingen, quorum, wijze van indiening van stukken voor vergaderingen, wijze van stemmen, verslaglegging, vastlegging van besluiten, aantal malen per jaar dat ten minste vergaderd wordt, op wiens verzoek vergaderingen worden gehouden, etc. Deze regels zijn van groot belang voor het goed functioneren van het bestuur van het Ctsv.
     Ingevolge artikel 8, tweede lid, onderdeel b, rust op het bestuur van het Ctsv de verplichting in het bestuursreglement te regelen welke taken en bevoegdheden door personeelsleden van het Ctsv kunnen worden uitgeoefend. Als uitgangspunt geldt hierbij dat de taken en bevoegdheden die aan het Ctsv zijn toebedeeld, worden uitgeoefend door het bestuur van het Ctsv dat aan het hoofd staat van de rechtspersoon. Het bestuur van het Ctsv kan evenwel mandaat verlenen aan personeelsleden van het Ctsv die vervolgens in naam van het bestuur van het Ctsv beslissingen kunnen nemen.
     In de Wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1996, 333) die op 1 juli 1997 in werking zal treden, wordt bepaald dat een bestuursorgaan (het bestuur van het Ctsv) mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet [zie afdeling 10.1.1 Awb, red.]. Mandaat wordt in ieder geval niet verleend indien het betreft een bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften of een bevoegdheid tot het onthouden van goedkeuring aan een besluit van een ander bestuursorgaan. Het bestuur van het Ctsv moet ingevolge artikel 8 in zijn bestuursreglement de gemandateerde bevoegdheden beschrijven. Het reglement wordt in de Staatscourant geplaatst. Voor belanghebbenden zal derhalve de toedeling van bevoegdheden kenbaar zijn.

 

Artikel 9

     Evenals ten aanzien van personeelsleden van het Ctsv geldt ten aanzien van door het Ctsv ingestelde commissies dat duidelijk moet zijn welke taken en bevoegdheden deze commissies zullen uitoefenen. Daarom is in het tweede lid van artikel 9 bepaald dat die taken en bevoegdheden in het bestuursreglement moeten zijn beschreven.

 

§ 2. Taak en bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen


Artikel 10

     Het Ctsv heeft tot taak het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van wetten door de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Onder "rechtmatigheid" worden begrippen als "rechtsgelijkheid" en "rechtszekerheid" begrepen. Onder "doelmatigheid" worden begrippen als "doeltreffendheid", "beheersbaarheid", "efficiency", "zorgvuldigheid" begrepen. Deze termen zijn niet afzonderlijk in de wet opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de Comptabiliteitswet waarin eveneens de begrippen "rechtmatigheid" en "doelmatigheid" zijn gekozen met betrekking tot de controle die de Algemene Rekenkamer uitoefent.

rblz.|76| 

Artikel 11

     Naast jaarrekeningen, jaarverslagen en rechtmatigheidsverklaringen, die het Ctsv reeds op grond van artikel 89 van de huidige Osv aan de minister moest aanbieden, dient het Ctsv op grond van het voorgestelde artikel 11 ook jaarlijks een doelmatigheidsrapportage aan de minister aan te bieden.
     In het tweede lid is bepaald dat het Ctsv elk jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende jaar aan de minister dient aan te bieden. Het Ctsv treedt over dit plan in overleg met de minister. De minister brengt het plan, zoals dit is vastgesteld nadat hij hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 12

     Dit artikel geeft aan de minister de mogelijkheid het Ctsv te laten toetsen of ten aanzien van beleidsvoornemens die kunnen zijn vervat in ontwerpregels, voldoende mogelijkheden tot het houden van toezicht door het Ctsv bestaan. Deze toezichttoets kan de minister ook laten verrichten ten aanzien van geldende wettelijke voorschriften.

 

Artikel 13

     Op grond van het eerste lid van dit artikel kan de minister regels stellen waarin besluiten van de SVB, het Lisv of een uitvoeringsinstelling worden omschreven die ter kennis van het Ctsv moeten worden gebracht. De minister kan in die regels termijnen opnemen waarbinnen die voorlegging dient plaats te vinden.
     Op grond van het tweede lid kan de minister besluiten aanwijzen die reeds voorafgaand aan hun inwerkingtreding ter kennis van het Ctsv moeten worden gebracht. Het Ctsv dient binnen een door de minister gestelde termijn een oordeel over een aangewezen besluit te geven. Dit oordeel zal in de regel ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit moeten worden gegeven.
     Op grond van het derde lid kan de minister regels stellen waarin besluiten van de SVB, het Lisv of een uitvoeringsinstelling worden omschreven die goedkeuring van het Ctsv behoeven. De artikelen 101 en 102 [103 en 104] zijn hierop van toepassing.

 

Artikel 14

     Krachtens dit artikel kan het Ctsv uit hoofde van zijn taak aanwijzingen geven aan de SVB en het Lisv. In het tweede lid is bepaald dat een aanwijzing geen betrekking kan hebben op een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. Dit laat onverlet dat een aanwijzing betrekking kan hebben op een bepaalde aangelegenheid.
     Een aanwijzing heeft een verplichtend karakter. Het is geen aanbeveling met een vrijblijvend karakter. De SVB en het Lisv zijn gehouden overeenkomstig een tot hen gerichte aanwijzing te handelen.

 

Artikel 16

     Het Ctsv kan in het kader van het toezicht onderzoek verrichten naar de toekenning, herziening, intrekking of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Teneinde te kunnen voorzien in tijdelijke extra personeelsbehoeften van het Ctsv, is in artikel 16 bepaald dat het Lisv en elke rblz.|77| uitvoeringsinstelling op verzoek van het Ctsv personeelsleden ter beschikking van het Ctsv dienen te stellen ten behoeve van vorenbedoeld onderzoek. Het Ctsv kan op deze wijze een deskundig onderzoeksteam samenstellen. De personeelslasten die voortvloeien uit de terbeschikkingstelling kunnen voor het Lisv en de betrokken uitvoeringsinstellingen beperkt blijven indien het Ctsv aan het Lisv en verschillende uitvoeringsinstellingen verzoekt enkele personeelsleden ter beschikking te stellen. Voorts is van belang dat het Ctsv de kosten van de terbeschikkingstelling aan het Lisv en de betrokken uitvoeringsinstellingen dient te vergoeden. Overigens is het Ctsv vrij om in zijn extra personeelsbehoeften te voorzien buiten het Lisv en de uitvoeringsinstellingen om.
     Op grond van artikel 86 [87], tweede lid, kan het Ctsv de leden van het onderzoeksteam aanwijzen als personen die toegang hebben tot de uitvoeringsinstelling waarbij het onderzoek verricht dient te worden. Aan deze personen dient inzage te worden gegeven in alle gegevens die het Ctsv nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.

 

Hoofdstuk 3. De Sociale Verzekeringsbank


§ 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze


Artikel 17

     In dit artikel is bepaald dat er een SVB is. De SVB heeft rechtspersoonlijkheid.

 

Artikel 18

     In dit artikel is het aantal bestuursleden van de SVB gewijzigd van ten hoogste 15 leden in ten hoogste 9 leden en de voorzitter. Er zijn geen plaatsvervangende leden meer.
     Het bestuur van de SVB wordt tripartiete samengesteld. Eén derde van het aantal bestuursleden wordt op voordracht van de werkgeversorganisaties benoemd, één derde van het aantal bestuursleden wordt op voordracht van de werknemersorganisaties benoemd en één derde wordt zonder voordracht benoemd. De voorzitter van de SVB is onafhankelijk. Alle bestuursleden en de voorzitter worden door de minister benoemd.

 

Artikelen 19 en 20

     De benoemingsperioden in artikel 19, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, zijn geregeld overeenkomstig de regeling van de benoemingsperioden van de leden van het bestuur van het Ctsv in artikel 5. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 5.

 

Artikel 21. [Zie art. 22 Osv 1997, red.]

     De minister regelt de rechtspositie van de voorzitter van het bestuur van de SVB. Dit is een wijziging ten opzichte van de huidige Osv. Op deze wijze wordt een logische koppeling mogelijk tussen de benoeming en de rechtspositieregeling die aan de functie is gekoppeld. Tevens kunnen op deze wijze de rechtspositieregelingen van de besturen van de overige uitvoeringsinstanties beter op elkaar worden afgestemd.
     Het lidmaatschap van het bestuur van de SVB is geen voltijdfunctie. Aan de bestuursleden worden daarom tijdverzuimvergoedingen alsm
ede rblz.|78| reis- en verblijfskostenvergoedingen toegekend. Het bestuur van de SVB stelt ter zake een regeling op en legt deze ter goedkeuring aan de minister voor.

 

Artikel 22. [Zie art. 23 Osv 1997, red.]

     Het bestuur van de SVB is verplicht ten minste eenmaal per jaar een openbare vergadering te houden omtrent de vaststelling van de jaarrekeningen (van de SVB zelf en van de door de SVB beheerde fondsen), het jaarverslag en de begroting.
     Het bestuursreglement van het bestuur van de SVB behoeft goedkeuring van de minister en moet openbaar worden gemaakt.

 

§ 2. Taken en bevoegdheden van de Sociale Verzekeringsbank


Artikel 24. [Zie art. 25 Osv 1997, red.]

     De SVB is belast met de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919, de Invaliditeitswet, de Liquidatiewet Invaliditeitswetten, alsmede de wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen. Bij laatstgenoemde categorie wetten moet worden gedacht aan de Wet financiering volksverzekeringen, de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies en de Organisatiewet sociale verzekeringen.
     De SVB voert het beheer en de administratie van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds, het Algemeen Kinderbijslagfonds, en het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds. Deze fondsen zijn onderdelen van de SVB.
     In het derde lid van artikel 24 [25] is bepaald dat de SVB elk jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende jaar aan de minister dient aan te bieden. De SVB treedt over dit plan in overleg met de minister. De minister brengt het plan, zoals dit is vastgesteld nadat hij hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 26. [Zie art. 27 Osv 1997, red.]

     De indeling van Nederland in een aantal werkgebieden en de plaatsing van districtskantoren (in de toekomst: productievestigingen) in die werkgebieden zijn op zichzelf niet bepalend voor de zeggenschapsverhoudingen binnen de SVB. Districtskantoren, productievestigingen en eventuele andere kantoren van de SVB zijn onderdelen van de SVB en vallen derhalve volledig onder de zeggenschap van het bestuur van de SVB. Het bestuur kan bepalen welke werkzaamheden door personeelsleden van de SVB in het algemeen of per kantoor verricht dienen te worden. Wel wordt voorgeschreven dat de SVB in elk werkgebied voldoende bereikbaar is voor belanghebbenden. Hierin kan worden voorzien door het regionaal netwerk van "winkels" dat de SVB beoogt op te zetten.

 

Artikel 27. [Zie art. 28 Osv 1997, red.]

     Het is de verantwoordelijkheid van de SVB om zijn administratie en administratieve organisatie zodanig in te richten dat deze een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wettelijk opgedragen taken mogelijk rblz.|79| maakt. Tevens dient te worden gewaarborgd dat misbruik en oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk worden voorkomen.
     Het zesde lid houdt rekening met de mogelijkheid dat personen geen sociaal-fiscaal nummer hebben.

 

Hoofdstuk 4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen


§ 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze


Artikel 29. [Zie art. 30 Osv 1997, red.]

     In dit artikel is bepaald dat er een Lisv is. In het wetsvoorstel dat de invoering van dit wetsvoorstel zal regelen, zal worden bepaald dat het Lisv de rechtsopvolger van het Tica en de bedrijfsverenigingen is.

 

Artikelen 31 en 32. [Zie artt. 32 en 33 Osv 1997, red.]

     De benoemingsperioden in artikel 31 [32], eerste lid, en artikel 32 [33], eerste lid, zijn geregeld overeenkomstig de regeling van de benoemingsperioden van de leden van het bestuur van het Ctsv in artikel 5. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 5.

 

§ 2. Taken en bevoegdheden van het Landelijk instituut sociale verzekeringen


Artikel 36. [Zie art. 38 Osv 1997, red.]

     In onderdeel a van het eerste lid van dit artikel is de hoofdtaak van het Lisv beschreven. Deze taak gaat over van de bedrijfsverenigingen naar het Lisv. In onderdeel b is de reïntegratietaak van het Lisv beschreven. De bijbehorende bevoegdheden - de reïntegratie-instrumenten - ontleent het Lisv aan verschillende in onderdeel a genoemde wetten.
     Onderdeel c betreft het beheer van de fondsen die thans door het Tica worden beheerd en de wachtgeldfondsen die thans door de bedrijfsverenigingen worden beheerd.
     Onderdeel d betreft de administratie van de uitvoeringsinstellingen. Het Lisv draagt er zorg voor dat de uitvoeringsinstellingen een administratie voeren die voldoet aan een aantal minimumeisen. In artikel 45 [47] zijn hieromtrent nadere bepalingen opgenomen.
     Onderdeel g en artikel 38 [40] komen voort uit de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz).
     Het tweede lid draagt het Lisv op Nederland in regio’s in te delen. Met het oog op de samenwerking tussen het Lisv en de door hem gecontracteerde uitvoeringsinstellingen enerzijds en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten anderzijds, is voorgeschreven dat het Lisv bij zijn indeling zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij de indeling in RBA-regio’s die voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geldt.
     In het vierde lid van artikel 36 [38] is bepaald dat het Lisv elk jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende jaar aan de minister dient aan te bieden. Het Ctsv treedt over dit plan in overleg met de minister. De minister brengt het plan, zoals dat is vastgesteld nad
at hij rblz.|80| hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van beide kamers der Staten-Generaal.

 

Artikel 37. [Zie art. 39 Osv 1997, red.]

     Het Lisv kan zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten uitsluitend mandateren aan een uitvoeringsinstelling. Het Lisv kan derhalve niet mandateren aan bijvoorbeeld een sectorraad.

 

Artikel 38. [Zie art. 40 Osv 1997, red.]

     Dit artikel komt voort uit de Wulbz. Voor een toelichting op dit artikel zij verwezen naar de memorie van toelichting bij die wet.

 

Artikel 39. [Zie art. 41 Osv 1997, red.]

     Ingevolge dit artikel is het Lisv verplicht alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van zijn besluiten per sector of sectoronderdeel te laten verrichten door een door de minister erkende rechtspersoon. Dit zal er in de praktijk - uitzonderingen daargelaten - ook toe leiden dat het Lisv zijn bevoegdheid tot het nemen van de besluiten, voor zover mogelijk, zal mandateren aan deze rechtspersoon. Deze rechtspersoon bereidt de besluiten dan voor, neemt de besluiten in naam van het Lisv en voert de besluiten uit.
     In het derde lid is bepaald dat de rechtspersoon die gehouden is overeenkomsten als bedoeld in artikel 41 [43] uit te voeren, een uitvoeringsinstelling is. Dit betekent dat de wettelijke bepalingen betreffende uitvoeringsinstellingen op die rechtspersonen van toepassing zijn vanaf het moment waarop zij op grond van die overeenkomsten verplicht zijn die werkzaamheden te verrichten. Na het eindigen van die overeenkomsten zijn die rechtspersonen geen uitvoeringsinstellingen meer indien geen nieuwe overeenkomsten zijn gesloten. Het wettelijk regime voor uitvoeringsinstellingen geldt dan niet meer ten aanzien van deze rechtspersonen.

 

Artikel 40. [Zie art. 42 Osv 1997, red.]

     Aan dit artikel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de uitvoeringsinstellingen de in artikel 39 [41] bedoelde werkzaamheden zelf verrichten. De bij of krachtens de wet gestelde bepalingen met betrekking tot uitvoeringsinstellingen waarin waarborgen voor een goede uitvoering van de socialeverzekeringswetten zijn neergelegd, zouden immers gedeeltelijk hun betekenis verliezen indien de kerntaken van het Lisv niet door uitvoeringsinstellingen worden uitgevoerd.
     Dit geldt niet voor ondersteunende werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld schoonmaakwerkzaamheden of onderhoudswerkzaamheden. Deze werkzaamheden kunnen zonder bezwaar en wellicht efficiënter door andere rechtspersonen of natuurlijke personen worden uitgevoerd. Het Lisv kan daarvoor dan ook toestemming verlenen.
     In het tweede lid is bepaald dat de minister regels moet stellen waarin werkzaamheden worden beschreven ten aanzien waarvan het Lisv toestemming dient te onthouden of kan verlenen. Op grond hiervan kan de minister duidelijkheid geven omtrent de scheiding tussen de werkzaamheden die in geen geval door andere rechtspersonen of natuurlijke personen mogen worden verricht en werkzaamheden ten aanzien waarvan daartegen geen bezwaar bestaat. De werkzaamheden behoeven in die regels niet limitatief te worden opgesomd. Aan het
Lisv rblz.|81| kan beleidsvrijheid worden gelaten met betrekking tot het verlenen van de toestemming op grond van het eerste lid.
     Ingevolge artikel 41 [43], vierde lid, onderdeel c, zullen de uitvoeringsinstellingen op grond van hun overeenkomsten verplicht zijn de in artikel 39 [41] bedoelde werkzaamheden zelf te verrichten, tenzij het Lisv toestemming heeft gegeven voor het verrichten van die werkzaamheden door anderen. Het Lisv kan nakoming van die verplichting eisen en daarmee voldoen aan de door de minister gestelde regels met betrekking tot het toestemmingsvereiste.

 

Artikel 41. [Zie art. 43 Osv 1997, red.]

     Het Lisv dient administratieovereenkomsten en jaarovereenkomsten te sluiten op grond waarvan de in artikel 39 [41] bedoelde werkzaamheden worden verricht door uitvoeringsinstellingen. De administratieovereenkomst, die doorgaans voor meer jaren zal worden aangegaan, zal bepalingen van algemene aard bevatten die gedurende de looptijd van de overeenkomst niet gewijzigd behoeven te worden. In de jaarovereenkomst zullen bepalingen worden opgenomen die zijn afgestemd op feiten die zich gedurende de looptijd van de administratieovereenkomst voordoen. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van de werkzaamheden gedurende die looptijd wijzigen en dient de contractprijs daarop te worden afgestemd.
     De administratieovereenkomst behoeft goedkeuring van het Ctsv. In het vierde lid, onderdeel a, is geregeld dat in de administratie- en jaarovereenkomsten een ontbindende voorwaarde moet worden opgenomen. Deze overeenkomsten dienen te worden ontbonden zodra het Ctsv bekendmaakt dat de administratieovereenkomst niet wordt goedgekeurd. Tevens dienen deze overeenkomsten te worden ontbonden indien de ministeriële erkenning van de rechtspersoon wordt ingetrokken (onderdeel b).
     In artikel 40 [42] is geregeld dat de minister regels stelt waarin werkzaamheden worden beschreven die de uitvoeringsinstelling niet laat verrichten door andere rechtspersonen of natuurlijke personen zonder toestemming van het Lisv. Ingevolge artikel 41 [43], vierde lid, onderdeel c, zal de uitvoeringsinstelling op grond van de overeenkomst jegens het Lisv gehouden zijn de desbetreffende werkzaamheden niet door andere rechtspersonen of natuurlijke personen te laten verrichten zonder schriftelijke toestemming van het Lisv.
     Ingevolge artikel 41 [43], vierde lid, onderdeel d, zal de uitvoeringsinstelling op grond van de uitvoeringsovereenkomst verplicht zijn overeenkomstig instructies van het Lisv te handelen. Deze instructies kunnen publiekrechtelijke rechtshandelingen, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen betreffen.
     Met het oog op de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten in de regio, wordt in onderdeel e van het vierde lid voorgeschreven dat in de in het eerste lid bedoelde overeenkomsten in elk geval moet worden geregeld dat het bestuur van de uitvoeringsinstelling ten minste één persoon in één of meerdere Lisv-regio’s de bevoegdheid verleent om in zijn naam beslissingen te nemen ter uitvoering van de reïntegratietaak. De betrokken persoon of personen fungeren daarmee tevens als personen met wie het RBA (of de RBA’s) en de gemeenten in de regio (respectievelijk regio’s) samenwerkingsafspraken kunnen maken.
  
   rblz.|82| Onderdeel f van het vierde lid betreft de cliëntenparticipatie.
     Onderdeel g van het vierde lid schrijft een klachtenregeling voor. De behandeling van klachten omtrent de wijze waarop de uitvoeringsinstelling zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon heeft gedragen, kan plaatsvinden bij de betrokken uitvoeringsinstelling en/of bij het Lisv.
     In het vijfde lid is geregeld dat de minister ter bevordering van marktwerking regels kan stellen waarin aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de sectorraden verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de wijze waarop zij rechtspersonen benaderen in verband met het sluiten van overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid. Hierbij kan gedacht worden aan een verplichte openbare aanbestedingspocedure.

 

Artikel 42. [Zie art. 44 Osv 1997, red.]

     In dit artikel wordt het Lisv verplicht de sectorraad, indien deze voor een sector is erkend, in de gelegenheid te stellen een ontwerp van elke in artikel 41 [43] bedoelde overeenkomst aan het bestuur van het Lisv aan te bieden, voordat dit bestuur een dergelijke overeenkomst sluit. Hiermee wordt de mogelijkheid van sectorale inbreng gewaarborgd. In de ingevolge het tweede lid door het Lisv te stellen regels zullen minimumeisen worden geformuleerd waaraan de ontwerpen in elk geval dienen te voldoen. Deze regels van het Lisv behoeven goedkeuring van de minister.

 

Artikel 43. [Zie art. 45 Osv 1997, red.]

     In het eerste lid van dit artikel wordt het Lisv opgedragen samen te werken met de gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en met andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten die verband houden met de taken van het Lisv. Ook dient het Lisv ervoor te zorgen dat de uitvoeringsinstellingen met al deze instanties samenwerken. De samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten, die vooral ten doel heeft de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen, dient zowel op landelijk als op regionaal niveau plaats te vinden. Met name ter bevordering van de samenwerking op regionaal niveau is overigens in artikel 36 [38], tweede lid, bepaald dat het Lisv bij zijn indeling van Nederland in regio’s zoveel mogelijk de regio-indeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aanhoudt, terwijl in artikel 41 [43], vierde lid, onderdeel e, is voorgeschreven dat iedere uitvoeringsinstelling in iedere aldus vastgestelde regio of combinatie van regio’s ten minste één persoon moet benoemen die bevoegd is beslissingen te nemen over activiteiten gericht op reïntegratie van cliënten van die uitvoeringsinstelling in de betreffende regio(’s).
     Het tweede lid van artikel 43 [45] bevat de mogelijkheid bij of krachtens AMvB regels te stellen omtrent de samenwerking bedoeld in het eerste lid. Zoals in de paragrafen 4.3.4 en 4.4.2 van het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, zal na het ter beschikking komen van de resultaten van de Regiegroep SWI worden bezien of, en zo ja hoe, van deze mogelijkheid gebruik moet worden gemaakt.

 

Artikel 44. [Zie art. 46 Osv 1997, red.]

     Dit artikel bevat de opdracht aan het Lisv ervoor te zorgen dat de uitvoeringsinstellingen voor werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden in elke Lisv-regio voldoende bereikbaar zijn. Dit artikel leidt ertoe dat de uitvoeringsinstellingen in iedere regio een frontofficefunctie rblz.|83| dienen te kennen waarbij cliënten een uitkering kunnen aanvragen, informatie kunnen opvragen, etcetera. De wijze waarop deze functie wordt ingevuld (meerdere kantoren per regio, mobiel kantoor, kantoren samen met andere uitvoeringsinstellingen, kantoren samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of met de gemeenten in de betreffende regio) wordt in het voorliggende wetsvoorstel niet voorgeschreven. Voorwaarde is slechts dat men voldoende bereikbaar is. Ook is afgezien van centrale regeling van de wijze waarop de backofficefunctie moet worden ingevuld. Het Lisv dient in zijn contracten met de uitvoeringsinstellingen over deze twee onderwerpen afspraken te maken.

 

Artikel 45. [Zie art. 47 Osv 1997, red.]

     Het tweede lid komt overeen met artikel 59, tweede en vierde lid, van de huidige Osv. Het derde lid komt overeen met artikel 60 van laatstgenoemde wet.
     Het vierde lid stelt het Lisv verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van de gegevens in de administraties van de uitvoeringsinstellingen. Het vijfde lid houdt rekening met de mogelijkheid dat personen geen sociaal-fiscaal nummer hebben.

 

Artikel 46. [Zie art. 48 Osv 1997, red.]

     Dit artikel komt overeen met artikel 59, vijfde en zesde lid, van de huidige Osv.

 

Artikel 47. [Zie art. 49 Osv 1997, red.]

     Dit artikel komt overeen met artikel 59, derde lid, van de huidige Osv.

 

Artikel 48. [Zie art. 50 Osv 1997, red.]

     Dit artikel komt in de plaats van artikel 54 van de huidige Osv.
     In het tweede lid wordt geëxpliciteerd dat de minister aan het verlenen van toestemming aan een uitvoeringsinstelling om andere taken te vervullen, verplichtingen kan verbinden en dat hij de toestemming kan intrekken indien de uitvoeringsinstelling de andere taken niet overeenkomstig die verplichtingen verricht.

 

§ 3. Aansluiting van werkgevers bij sectoren


Artikel 49. [Zie art. 51 Osv 1997, red.]

     De indeling in sectoren op grond van het eerste lid van dit artikel is van belang voor de aansluiting van werkgevers bij die sectoren (i.v.m. de premieheffing voor de wachtgeldfondsen) en voor de uitvoering van wetten per sector door de uitvoeringsinstellingen op contractbasis. De indeling van sectoren in sectoronderdelen op grond van het tweede lid is niet van belang voor de aansluiting van werkgevers, omdat op dat niveau namelijk geen premiedifferentiatie plaatsvindt. Wel kunnen sectorraden het Lisv adviseren om voor sectoronderdelen aparte overeenkomsten met (verschillende) uitvoeringsinstellingen te sluiten.
     In artikel 39 [41] is geregeld dat het Lisv de in dat artikel bedoelde werkzaamheden per sector of sectoronderdeel laat verrichten door één erkende rechtspersoon.

rblz.|84| 

Artikel 50. [Zie art. 52 Osv 1997, red.]

     Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. In het geval dat een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, geldt de loonsom als criterium voor aansluiting. De werkgever is dan aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor de werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
     De aansluiting van een werkgever bij een sector vindt van rechtswege plaats. In het derde lid is bepaald dat de werkgever bij het Lisv schriftelijk melding dient te doen van zijn aansluiting bij die sector of de beëindiging daarvan. Dit geldt ook indien de aansluiting van een werkgever bij een sector zich wijzigt in aansluiting bij een andere sector. Het Lisv kan vervolgens de werkgever bij een sector in- of uitschrijven.
     Het Lisv stelt de termijn waarbinnen de werkgever melding van zijn aansluiting bij een sector dient te doen. Het Lisv dient te bevorderen dat deze termijn bij werkgevers bekend is.
     Los van de melding door de werkgever dient het Lisv, indien hij constateert dat een werkgever niet (langer) bij een bepaalde sector aangesloten behoort te zijn, ervoor te zorgen dat deze werkgever wordt overgeschreven naar de sector waarbij hij wel aangesloten dient te zijn. Een besluit van het Lisv, inhoudende dat de werkgever ingevolge het eerste of tweede lid bij een sector is aangesloten of dat hij ingevolge het vijfde lid naar een andere sector wordt overgeschreven, zal op grond van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht niet in werking treden voordat het is bekendgemaakt. Die bekendmaking zal dienen te geschieden door toezending of uitreiking van het besluit aan belanghebbenden. Tegen een dergelijk besluit kan de belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

 

Artikel 51. [Zie art. 53 Osv 1997, red.]

     Het kan voorkomen dat de in het eerste en tweede lid van artikel 50 [52] geregelde aansluiting van werkgevers, voor één of meer categorieën van werkgevers tot ongewenste resultaten leidt. Daarom is in artikel 51 [53], eerste lid, geregeld dat het Lisv met betrekking tot de aansluiting van één of meer categorieën van werkgevers bij een sector regels kan stellen die afwijken van het eerste en tweede lid van artikel 50 [52]. Deze regels behoeven goedkeuring van de minister.
     Bij de aansluiting van werkgevers op grond van artikel 50 [52], eerste en tweede lid, kan het zich voordoen dat een werkgever weliswaar bij sector A het grootste bedrag verloont, doch de aard van zijn werkzaamheden veeleer bij sector B behoort. In zo’n situatie kan het Lisv op grond van het derde lid, uit eigen beweging of op verzoek van de werkgever, besluiten dat de betrokken werkgever voor door het Lisv aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij sector B.

 

Artikel 52. [Zie art. 54 Osv 1997, red.]

     Indien het Lisv daartoe aanleiding ziet, kan het Lisv consequenties verbinden aan de overgang van één of meer werkgevers van de ene naar de andere sector. Wanneer met de overgang een aanmerkelijk vermogensbelang gemoeid is, ligt het in de rede dat vermogen van een wachtgeldfonds overgaat naar een ander wachtgeldfonds. Het Lisv dient hieromtrent regels te stellen. Deze regels behoeven goedkeuring van de minister.

rblz.|85| 

Artikel 53. [Zie art. 55 Osv 1997, red.]

     Een besluit van het Lisv op grond van artikel 50 [52], vijfde lid, artikel 51 [53], tweede of derde lid, of artikel 52 [54], eerste lid, zal op grond van de Algemene wet bestuursrecht niet in werking treden voordat het is bekendgemaakt. Die bekendmaking zal dienen te geschieden door toezending of uitreiking van het besluit aan belanghebbenden. Tegen een dergelijk besluit kan de belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

 

§ 4. Sectorraden


Artikel 54. [Zie art. 56 Osv 1997, red.]

     In artikel 42 [44] is geregeld dat het bestuur van het Lisv verplicht is de sectorraad, indien deze voor een sector is erkend, in de gelegenheid te stellen een ontwerp van een administratieovereenkomst en jaarovereenkomst met betrekking tot de betrokken sector aan dit bestuur aan te bieden voordat dit bestuur een dergelijke overeenkomst sluit. Hiermee is beoogd de voor de betrokken sector representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in de gelegenheid te stellen sectorspecifieke aangelegenheden in de ontwerp-overeenkomsten te laten opnemen.
     In artikel 54 [56] is de erkenning van rechtspersonen als sectorraden geregeld. De besturen van deze rechtspersonen dienen bipartiete te zijn samengesteld.

 

Artikel 56. [Zie art. 58 Osv 1997, red.]

     Naast de rol die de sectorraden op grond van artikel 42 [44] spelen bij de totstandkoming van de administratie- en jaarovereenkomsten, is in artikel 56 [58] de adviesrol van de sectorraden geregeld.
     In artikel 56 [58] wordt het Lisv verplicht tot vergoeding van bepaalde kosten van de sectorraden. Het Lisv dient hieromtrent regels vast te stellen zodat de sectorraden weten welke vergoeding aan hen wordt toegekend voordat zij kosten maken. In het tweede lid zijn de kosten genoemd die het Lisv mag en moet vergoeden. Indien de sectorraad de in het tweede lid bedoelde rapportages of adviezen of de in artikel 42 [44] bedoelde concept-overeenkomsten niet tot stand brengt, worden geen kosten vergoed.

 

§ 5. Rechtspersonen met welke het Lisv uitvoeringsovereenkomsten kan sluiten


Artikel 57. [Zie art. 59 Osv 1997, red.]

     In artikel 39 [41] is geregeld dat het Lisv alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van zijn beslissingen omtrent prestaties en verschuldigde premies per sector of sectoronderdeel op grond van schriftelijke overeenkomsten laat verrichten door één rechtspersoon die op grond van artikel 57 [59] is erkend. Op grond van artikel 39 [41], derde lid, is de rechtspersoon die is gehouden dergelijke overeenkomsten uit te voeren, een uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv 1997. Elke uitvoeringsinstelling is derhalve een door de minister erkende rechtspersoon.
     Het eerste lid van artikel 57 [59] betreft de statutaire doelstelling van de rechtspersoon. Een rechtspersoon kan door de minister worden erkend indien deze bij uitsluiting als doel heeft het uitvoeren van wetten waarvan de uitvoering aan het Lisv is opgedragen, alsmede het vervullen van
taken rblz.|86| waarvoor door de minister schriftelijk toestemming is verleend. Het gaat hier om de in artikel 48 [50] bedoelde toestemming voor het vervullen van andere taken aan de uitvoeringsinstelling.
     Het tweede lid betreft de mogelijkheid dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld dat slechts gecertificeerde rechtspersonen voor erkenning door de minister in aanmerking komen. In de desbetreffende algemene maatregel van bestuur zal ook worden geregeld dat de minister de erkenningen van de uitvoeringsinstellingen die op het moment van inwerkingtreding van deze algemene maatregel van bestuur reeds werkzaam zijn, kan intrekken indien deze rechtspersonen niet alsnog binnen een door de minister gestelde termijn een certificaat verkrijgen. Ook indien een certificaat wordt ingetrokken kan de minister een termijn stellen waarbinnen de betrokken rechtspersoon in de gelegenheid wordt gesteld alsnog een certificaat te verkrijgen. Indien het certificaat niet binnen die termijn wordt verkregen, kan de minister de erkenning intrekken.

 

Artikel 58. [Zie art. 60 Osv 1997, red.]

     In het eerste lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld waarin is bepaald aan welke minimumvoorwaarden de statuten van een rechtspersoon moeten voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen. De geldende erkenningscriteria die thans in een ministeriële regeling zijn vervat, zijn van zodanig belang dat zij op grond van het voorgestelde eerste lid bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur zullen worden vastgesteld.
     In de huidige beleidsregels van de minister zijn bijzondere bepalingen opgenomen ten aanzien van rechtspersonen die de rechtsvorm van een vennootschap hebben. Via de statuten van de vennootschap worden ook eisen gesteld aan de statuten van de aandeelhouders in de vennootschap. Tevens wordt ten aanzien van vennootschappen het zogenaamde "optierecht" van de minister geregeld. Zowel de vennootschap die wenst te worden erkend als de aandeelhouders daarin dienen een contract met de Staat te hebben gesloten. De rechtsbasis voor deze regels wordt in artikel 58 [60] geëxpliciteerd.

 

Artikelen 59 en 60. [Zie artt. 61 en 62 Osv 1997, red.]

     Artikel 59 [61] regelt de gevallen waarin de minister verplicht is de erkenning in te trekken. Artikel 60 [62] verleent aan de minister de bevoegdheid tot intrekking van de erkenning. Van deze bevoegdheid kan de minister onder meer gebruik maken indien de rechtspersoon niet handelt overeenkomstig instructies van het Lisv. Ingevolge artikel 41 [43], vierde lid, onderdeel d, dienen de werkzaamheden op grond van de administratie- en jaarovereenkomsten door de uitvoeringsinstelling te worden verricht met inachtneming van de instructies van het Lisv.

 

Artikel 62. [Zie art. 64 Osv 1997, red.]

     Indien uit particulier initiatief geen rechtspersoon zou voortkomen die in staat en bereid is tot uitvoering van de wetten voor een sector of een sectoronderdeel, kan de minister een rechtspersoon oprichten zodat de uitvoering van de wetten gewaarborgd is.

rblz.|87| 

§ 6. De uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door overheidspensioenlichamen


Artikel 63. [Zie art. 65 Osv 1997, red.]

     De overheidspensioenlichamen zijn de lichamen waaraan ten laste van het AAf [Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] de uitkering op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet verschuldigd is. Bij de vaststelling van deze uitkering dienen deze lichamen toepassing te geven aan de AAW. Deze taak stemt overeen met de taak van het Lisv tot uitvoering van de AAW. De overheidspensioenlichamen worden daarom voor de toepassing van een aantal artikelen van de Osv 1997, voor zover zij artikel 8, derde lid, van de AAW uitvoeren, gelijkgesteld met het Lisv.

 

Artikel 64. [Zie art. 66 Osv 1997, red.]

     Het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) wordt in artikel 68a van de huidige Osv voor de toepassing van een aantal artikelen gelijkgesteld met een bedrijfsvereniging. De Stichting USZO [USZO: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs, red.] wordt in dat artikel gelijkgesteld met een uitvoeringsinstelling. In het voorgestelde artikel 64 [66] wordt het FAOP gelijkgesteld met het Lisv. De gelijkstelling van de Stichting USZO met een uitvoeringsinstelling blijft gehandhaafd.

 

Hoofdstuk 5. Fondsbeheer, uitvoeringskosten en verslaglegging


§ 1. Fondsbeheer


Artikelen 65 tot en met 67. [Zie artt. 67-69 Osv 1997, red.]

     Elk in artikel 1, onderdeel h, genoemd fonds is een geheel van middelen dat deel uitmaakt van de SVB of het Lisv en afzonderlijk door de SVB of het Lisv wordt beheerd en geadministreerd.
     De ten laste van een fonds komende uitgaven worden gefinancierd door heffing van premies bij degenen die voor de desbetreffende socialeverzekeringswetten premieplichtig zijn. Het Toeslagenfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds worden echter volledig gefinancierd uit algemene middelen.
     Het niveau van de premies (premiepercentage) wordt in beginsel zodanig vastgesteld dat het fonds over voldoende middelen beschikt om in het kader van de desbetreffende socialeverzekeringswet de nodige uitgaven te doen (structureel lastendekkende premiebaten).
     Overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport van de Externe Commissie van Deskundigen van de SER [Sociaal-Economische Raad, red.] inzake informatiestromen en reservevorming in de sociale verzekeringen (COMED-rapport-SER 1979, nr. 10) betekent dit tevens dat een vermogensreserve in stand dient te worden gehouden ter dekking van de tekorten aan liquide middelen die per ultimo van het jaar (saldo van debiteuren en crediteuren) respectievelijk binnen het jaar (liquiditeitsbehoefte) ontstaan tengevolge van het asynchrone verloop van de ontvangsten en uitgaven op kasbasis (financieringsdekking). Dit asynchrone verloop is met name het gevolg van de vertraging waarmee de premieontvangsten bij de fondsen binnenkomen, die relatief groot is in verhouding tot de vertraging bij de verstrekking van uitkeringen.
  
    rblz.|88| Uitgangspunt van de financiering is dat de uitgaven van een fonds volledig uit de middelen van dat fonds worden gedekt. Dit betekent in beginsel dat geen sprake mag zijn van (tijdelijke) tekorten aan liquide middelen. Indien niettemin tengevolge van incidentele factoren bij een bepaald fonds een tekort aan liquide middelen ontstaat, kan de SVB onderscheidenlijk het Lisv besluiten dat middelen uit een ander fonds worden aangewend voor uitgaven die uit eerstbedoeld fonds gedaan moeten worden (de zogenaamde onderlinge steunverlening). Ingevolge artikel 65 [67], vijfde lid, dienen vervolgens binnen een door de minister te stellen termijn middelen van gelijke waarde, vermeerderd met rente, uit het fonds waarbij het tekort bestond, te worden overgeheveld naar het fonds waaruit middelen zijn weggenomen.
     Indien bij een bepaald fonds een tijdelijk tekort ontstaat waarvoor geen middelen uit een ander fonds kunnen worden aangewend, kan de SVB of het Lisv besluiten leningen aan te gaan. Hierbij dienen de SVB en het Lisv zich te houden aan door de minister gestelde voorwaarden.
     Indien bij een bepaald fonds een tijdelijk tekort ontstaat waarvoor geen middelen uit een ander fonds kunnen worden aangewend en waarvoor geen leningen kunnen worden aangegaan, verstrekt het Rijk leningen tegen een door het Rijk vast te stellen rente.
     In artikel 66 [68] is bepaald dat de minister nadere regels dient te stellen met betrekking tot de verstrekking van leningen door het Rijk. Deze regels betreffen in elk geval de periode gedurende welke leningen ten hoogste worden verstrekt.
     Voor de onderlinge steunverlening tussen fondsen, het aangaan van leningen en het verstrekken van leningen door het Rijk geldt in de huidige praktijk dat de duur in beginsel niet langer dan één jaar mag zijn. Deze duur kan in een systeem van omslagfinanciering waarin de premieniveaus in principe jaarlijks worden aangepast, voldoende worden geacht. Niettemin kunnen in ministeriële regels andere termijnen worden bepaald.
     Sluitstuk van de financieringsstructuur van de fondsen is de overheidsgarantie, geregeld in artikel 67 [69], die inhoudt dat het Rijk tegenover degenen die recht hebben op een uitkering c.q. verstrekking aansprakelijk is voor de betaling daarvan, wanneer de SVB of het Lisv met betrekking tot verplichtingen ten laste van een in artikel 1, onderdeel h, genoemd fonds, niet meer tot betaling in staat is.

 

Artikel 68. [Zie art. 70 Osv 1997, red.]

     De SVB en het Lisv dienen de minister op door hem vast te stellen tijdstippen per fonds te informeren over de uitputting van de financiële middelen, het verloop van de uitgaven, de begrote uitgaven en, indien van toepassing, in samenhang daarmee de hoogte van de vastgestelde premiepercentages.

 

Artikel 69. [Zie art. 71 Osv 1997, red.]

     De ministeriële bevoegdheid tot het stellen van regels over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd, moet worden gezien tegen de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rijksuitgaven.

rblz.|89| 

Artikel 70. [Zie art. 72 Osv 1997, red.]

     Omdat de ontvangsten en uitgaven van de fondsen niet synchroon lopen, moeten de fondsen over een zeker vermogen beschikken. De minister kan normen stellen omtrent de omvang van dit vermogen, ook wel de financieringsdekking genoemd. Indien het vermogen van een fonds niet overeenkomt met de vereiste financieringsdekking, kan de minister bepalen op welke termijn financieringsoverschotten of -tekorten weggewerkt moeten worden. De minister kan voorts regels stellen voor de belegging van gelden, het verstrekken van geldleningen en bijdragen uit fondsen en het opnemen van geldleningen door fondsen.

 

Artikel 71. [Zie art. 73 Osv 1997, red.]

     De uitvoeringsinstellingen dragen, onder verantwoordelijkheid van het Lisv, enerzijds zorg voor de inning van de premies die vervolgens moeten worden afgedragen aan de door het Lisv beheerde fondsen.
     Anderzijds verstrekken, onder verantwoordelijkheid van het Lisv, de uitvoeringsinstellingen uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden en hebben zij uitvoeringskosten die ten laste komen van de door het Lisv beheerde fondsen. In het kader van "de ontvlechting uitvoeringsinstellingen-bedrijfsverenigingen" is bepaald dat deze geldstromen zuiver gescheiden dienen te worden geadministreerd. Bij "de ontvlechting" is met name bepaald dat de zogenaamde grote geldstroom (premies en uitkeringen) strikt dient te worden gescheiden van de zogenaamde kleine geldstroom (vergoeding voor uitvoeringskosten). Onder de voorwaarde van strikte administratieve scheiding dient het financieel verkeer tussen Lisv en uitvoeringsinstelling zo efficiënt mogelijk te verlopen. Het instrument dat hierbij wordt gehanteerd is een rekening-courantverhouding bij het Lisv.
     De minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het betalingsverkeer tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen zal moeten plaatsvinden. In de huidige Osv is deze bevoegdheid gesitueerd bij het Ctsv. De minister zal zich bij de nadere regelgeving primair baseren op de regels die het Ctsv op basis van artikel 19 van de huidige Osv heeft gesteld (College van toezicht sociale verzekeringen, 8 maart 1996, nr. 961184, Stcrt. 1996, 56).

 

Artikel 72. [Zie art. 74 Osv 1997, red.]

     Het Ctsv neemt een centrale positie in bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inkomsten en uitgaven in het kader van de sociale verzekeringen. In artikel 72 [74] is de controlerende en signalerende rol van het Ctsv nader aangeduid. Ten aanzien van de SVB is sprake van een directe toezichtsverantwoordelijkheid, onveranderd ten opzichte van de huidige Osv. Ten aanzien van het Lisv en de uitvoeringsinstellingen is het instrumentarium van het Ctsv uitgebreider dan t.o.v. de huidige Osv omdat het Ctsv ook gebruik kan maken van de door het Lisv en de uitvoeringsinstellingen afgegeven rechtmatigheidsverklaringen.
     Indien het Ctsv constateert dat bedragen op onjuiste wijze ten laste of ten gunste van de door het Lisv beheerde fondsen zijn gebracht, kan het Ctsv deze bedragen herzien. Daarbij kan het Ctsv besluiten dat betalingen aan de betrokken uitvoeringsinstelling ten laste van het desbetreffende fonds van het Lisv, geheel of gedeeltelijk worden opgeschort. Het Lisv kan bedragen die niet ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds kunnen worden gebracht, ten laste brengen van wachtgeldfondsen als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet.

rblz.|90| 

§ 2. De uitvoeringskosten


     In deze paragraaf worden de begrotingen en de budgetten van de uitvoeringskosten van de verschillende uitvoeringsinstanties en de toezichthouder behandeld. Het systeem dat wordt gehanteerd is zodanig dat steeds een "hogere" instantie de begroting vaststelt van één of meerdere "lagere" instanties. Op deze wijze ontstaan checks en balances in het systeem van de uitvoeringskosten. Zie tevens de paragrafen 7.1 en 7.2 van het algemene deel van de memorie van toelichting.

 

Artikel 73. [Zie art. 75 Osv 1997, red.]

     Het Ctsv biedt jaarlijks vóór 1 augustus zijn begroting aan de minister aan. De SVB en het Lisv bieden een begroting van hun uitvoeringskosten aan aan het Ctsv, eveneens vóór 1 augustus.
     In artikel 1, onderdeel j, is bepaald dat de kosten van de uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 41 [43] onder het begrip "uitvoeringskosten" vallen. De bepalingen betreffende uitvoeringskosten in deze wet zijn derhalve mede van toepassing op de kosten van uitvoering van die overeenkomsten, tenzij in de wettekst expliciet is bepaald dat laatstbedoelde kosten daaronder niet worden begrepen, zoals in artikel 76 [77], tweede lid, en artikel 83 [84], vijfde lid.
     Het Lisv informeert het Ctsv afzonderlijk vóór 1 oktober omtrent de inhoud en financiële omvang van de jaarovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen.

 

Artikel 74. [Zie art. 76 Osv 1997, red.]

     De begrotingen bedoeld in artikel 73 [75] worden ingedeeld naar personele en materiële uitgaven. Onder personele uitgaven worden salarissen, sociale lasten, gratificaties e.d. beschouwd. Onder materiële uitgaven worden huisvestingskosten, automatiseringskosten, bureaukosten e.d. verstaan. Ten behoeve van de beoordeling van de begrotingen worden de verschillende kostensoorten zodanig gepresenteerd dat er inzicht bestaat in de uitgaven en daaruit voortvloeiende prestaties.

 

Artikel 75. [Vervallen, red.]

     De minister kan regels stellen omtrent de gegevens van de in artikel 73 [75] bedoelde begrotingen, alsmede omtrent de inrichting daarvan.

 

Artikel 76. [Zie art. 77 Osv 1997, red.]

     Op basis van de ingediende begroting als bedoeld in artikel 73 [75], stelt de minister jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten van het Ctsv vast. Opgemerkt wordt dat de minister het budget afwijkend van de ingediende begroting kan vaststellen. Indien het budget afwijkend van de ingediende begroting wordt vastgesteld, wordt zulks gemotiveerd medegedeeld aan het Ctsv.
     Het Ctsv stelt op basis van de ingediende begrotingen als bedoeld in artikel 73 [75], tweede lid, vóór 1 december de budgetten vast voor de uitvoeringskosten van de SVB en het Lisv. Het Ctsv kan de budgetten afwijkend vaststellen van de ingediende begrotingen. Indien het budget afwijkend van de ingediende begroting wordt vastgesteld, wordt zulks gemotiveerd medegedeeld aan de instantie die de begroting heeft ingediend.
  
   rblz.|91| Opgemerkt wordt dat onder uitvoeringskosten hier alleen de apparaatskosten worden verstaan van de SVB en het Lisv, dus zonder de kosten van het sluiten van overeenkomsten als bedoeld in artikel 41 [43].

 

Artikel 77. [Zie art. 78 Osv 1997, red.]

     Op basis van gewijzigde of onvoorziene omstandigheden is het mogelijk om de budgetten voor de uitvoeringskosten gedurende het jaar te wijzigen.

 

Artikel 78. [Zie art. 79 Osv 1997, red.]

     De vastgestelde budgetten zijn bindend. Het is de uitvoeringsinstanties en de toezichthouder niet toegestaan om de voor hen vastgestelde budgetten te overschrijden.

 

Artikel 79. [Zie art. 80 Osv 1997, red.]

     De uitvoeringskosten worden ten laste gebracht van de socialeverzekeringsfondsen. In de uitvoeringskosten van de SVB en het Lisv zijn de kosten van toezicht door het Ctsv begrepen. De minister stelt regels omtrent de wijze van toerekenen van de uitvoeringskosten.

 

Artikel 80. [Zie art. 81 Osv 1997, red.]

     Tegen besluiten inzake het vaststellen of wijzigen van budgetten op grond van de artikelen 76 [77], 77 [78], of 78 [79], derde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Hierbij is slechts beroep mogelijk in één instantie. Het begrip "belanghebbende" kan in de praktijk een ruimere strekking hebben dan de rechtstreeks in zijn belang getroffen rechtspersoon. In welke gevallen dit zal voorkomen valt overigens nog niet te voorzien. Artikel 80 [81] beoogd in elk geval geen beperking van het begrip "belanghebbende" te geven.

 

§ 3. Verslaglegging


     Deze paragraaf bevat bepalingen omtrent de wijze waarop het Ctsv, de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen verantwoording afleggen ten aanzien van de uitvoering van hun wettelijke taken. Bij de verslaglegging gaat het om de jaarverslagen en jaarrekeningen van de betreffende rechtspersonen. Zie tevens het algemene deel van de memorie van toelichting paragraaf 7.3.

 

Artikel 81. [Zie art. 82 Osv 1997, red.]

     Voor het boekjaar wordt voor alle instanties het kalenderjaar gehanteerd. Het Ctsv legt verantwoording af aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door het vaststellen van de jaarrekening en jaarverslag vóór 1 juli volgende op het verstreken boekjaar. De SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen stellen eveneens vóór 1 juli volgende op het verstreken boekjaar hun jaarrekening en jaarverslag vast en bieden deze aan het Ctsv aan.
     De SVB en het Lisv stellen jaarlijks, vóór 1 juli, als fondsbeheerders, per fonds afzonderlijk, een jaarrekening en jaarverslag van het verstreken boekjaar vast en bieden deze stukken aan het Ctsv aan.
     De minister stelt ten aanzien van de inhoud van de jaarrekeningen en jaarverslagen nadere regels.

rblz.|92| 

Artikel 82. [Zie art. 83 Osv 1997, red.]

     De jaarrekeningen als bedoeld in artikel 81 [82] moeten zijn voorzien van een accountantsverklaring. Naast het afgeven van deze verklaring omtrent de getrouwheid van cijfers in de jaarrekening, wordt ervan uitgegaan dat ook over de rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten een oordeel wordt gegeven. Dit oordeel wordt gegeven door een accountant die de administratie van de betreffende rechtspersoon controleert.

 

Artikel 83. [Zie art. 84 Osv 1997, red.]

     De door het Lisv, de SVB en de uitvoeringsinstellingen opgestelde jaarrekeningen en jaarverslagen worden door het Ctsv jaarlijks vóór 1 november aan de minister aangeboden. Het Ctsv geeft op basis van deze stukken en op basis van eigen onderzoek een oordeel over de rechtmatigheid van uitgaven en ontvangsten. Tot deze uitgaven en ontvangsten behoren ook de uitgaven en ontvangsten van het Ctsv zelf. De oordelen worden vastgelegd in een verklaring verbijzonderd naar wet. Deze verklaring wordt door het Ctsv jaarlijks vóór 1 november volgend op het verstreken boekjaar aan de minister aangeboden. De minister kan regels stellen omtrent de reikwijdte en strekking van de rechtmatigheidsverklaring van het Ctsv (alsmede van het Lisv, de uitvoeringsinstellingen en de SVB)
     De minister beoordeelt de jaarrekeningen, de jaarverslagen en de rechtmatigheidsverklaring, en brengt het Ctsv op de hoogte van zijn oordeel. Ten slotte brengt de minister aan beide kamers der Staten-Generaal ter kennis de van het Ctsv ontvangen jaarrekeningen en jaarverslagen en de rechtmatigheidsverklaring, alsmede zijn oordeel over deze stukken.

 

Artikel 84. [Zie art. 85 Osv 1997, red.]

     Dit artikel stemt overeen met artikel 90 van de huidige Osv, met dien verstande dat in dit artikel de bevoegdheid van de minister om regels te stellen is vervallen.

 

Hoofdstuk 6. Gegevensverstrekking en geheimhouding


§ 1. Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze Minister, het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers


Artikel 85. [Zie art. 87 Osv 1997, red.]

     Dit artikel komt in de plaats van artikel 10 van de huidige Osv. Het Lisv komt in de plaats van het Tica en de bedrijfsverenigingen. Omtrent de wijze waarop gegevens en inlichtingen moeten worden verstrekt en over de termijnen waarbinnen gegevens en inlichtingen worden verstrekt, kan de minister regels stellen.

 

Artikelen 86 tot en met 95. [Zie artt. 88-97 Osv 1997, red.]

     Artikel 86 [88] komt in de plaats van artikel 13 van de huidige Osv. De artikelen 87 tot en met 95 [89-97] komen in de plaats van de artikelen 91 tot en met 99 van de huidige Osv.
  
   rblz.|93| De strafbaarstelling van het niet voldoen aan hetgeen in de artikelen 90 en 91 [92 en 93] is gesteld, zal worden geregeld in de artikelen 225 tot en met 227b, 447c en 447d van het Wetboek van Strafrecht. Deze artikelen worden naar aanleiding van het wetsvoorstel Concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen (Kamerstukken I 1995-1996, 23 993, nr. 178) in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Voor een nadere toelichting wordt naar de toelichting bij de artikelen 105 tot en met 109 verwezen.
     Ten opzichte van de huidige Osv is aan artikel 92 [94] de bepaling toegevoegd dat de Minister van Justitie verplicht is om de socialeverzekeringsinstanties desgevraagd, kosteloos gegevens en inlichtingen te verstrekken over gedetineerden. Deze informatie is nodig in het kader van uitvoering van de Werkloosheidswet (controle op beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt) en de Toeslagenwet.

 

§ 2. Geheimhouding


Artikel 96. [Zie art. 98 Osv 1997, red.]

     De geheimhoudingsplicht in dit artikel komt overeen met artikel 100 van de huidige Osv.

 

Artikel 97. [Zie art. 99 Osv 1997, red.]

     In dit nieuwe artikel is voorgeschreven dat het Ctsv, de SVB, het Lisv en de uitvoeringsinstellingen de gegevens en inlichtingen waarover zij bij de uitoefening van hun taken beschikken, uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die gegevens en inlichtingen zijn verkregen. Deze "doelbinding" kan slechts worden doorbroken bij of krachtens de wet.

 

§ 3. Verstrekking van gegevens en inlichtingen door het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen


Artikelen 98 tot en met 100. [Zie artt. 100-102 Osv 1997, red.]

     Deze artikelen komen overeen met de artikelen 101 tot en met 103 van de huidige Osv, met dien verstande dat in artikel 99 [101], eerste lid, een wijziging is aangebracht ten opzichte van artikel 102, eerste lid, van de huidige Osv. Thans geldt voor de gegevensverstrekking aan pensioenfondsen en VUT-fondsen de voorwaarde dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen niet onevenredig mag worden geschaad. In dit wetsvoorstel wordt deze voorwaarde gewijzigd in een toestemmingsvereiste. De socialeverzekeringsinstellingen zijn bevoegd om gegevens aan pensioenfondsen en VUT-fondsen te verstrekken, voor zover de personen op wie de gegevens betrekking hebben daarvoor schriftelijke toestemming hebben gegeven. Hiermee is deze gegevensverstrekking op dezelfde manier geregeld als de gegevensverstrekking aan de in het tweede en derde lid van artikel 98 [100] bedoelde instanties.

 

Hoofdstuk 7. Goedkeuring, schorsing en vernietiging


Artikelen 101 tot en met 104. [Zie artt. 103 en 104 Osv 1997, red.]

     Deze artikelen komen overeen met de artikelen 104 tot en 107 van de huidige Osv, met dien verstande dat in artikel 102 [103] de termijn van drie maanden is vervangen door de termijn van acht weken [dertien weken].

rblz.|94| 

Hoofdstuk 8. Strafbepalingen en andere bepalingen


Artikelen 105 tot en met 109. [Zie artt. 107-111 Osv 1997, red.]

     De inhoud van de artikelen 105 tot en met 109 [105-109] is gelijk aan de inhoud van de artikelen 108 tot en met 113 van de "oude" Osv zoals deze zullen luiden nadat het wetvoorstel Concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen (Kamerstukken I 1995-1996, 23 993, nr. 178) is aangenomen en inwerking is getreden. Daarbij worden in het Wetboek van Strafrecht eenvormige verbodsbepalingen opgenomen betreffende de verstrekking van onjuiste gegevens anders dan door valsheid in geschrifte alsmede betreffende de schending van wettelijke verplichtingen tot informatieverstrekking onder gelijktijdige verwijdering van de desbetreffende bepalingen uit een aantal bijzondere wetten in de sfeer van de sociale zekerheid en aanverwante regelingen.
     De verschillende wijzen van frauduleuze bevoordeling worden vereenvoudigd en eenvormig in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld. Deze concentratie bevordert niet alleen de overzichtelijkheid, de volledigheid en de samenhang, maar bewerkstelligt tevens dat vergelijkbare gedragingen op identieke wijze strafbaar worden gesteld en met dezelfde straf worden bedreigd.
     Met de redactie van artikel 108 [110] is voorts de onduidelijkheid over de opsporingsbevoegdheid van opsporingsfunctionarissen bij de diverse uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen weggenomen. Deze ontlenen namelijk hun opsporingsbevoegdheid aan besluiten welke door de Minister van Justitie worden genomen terwijl volgens de oude redactie (artikel 112 Osv-oud) zij strikt genomen zouden moeten zijn aangewezen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister van Justitie.

 

Artikel 111. [Zie art. 113 Osv 1997, red.]

     Artikel 111 [113] van dit hoofdstuk, het zogenaamde "taakverwaarlozingsartikel", komt in de plaats van artikel 115 van de huidige Osv en wijkt daar van af. Op grond van het eerste lid van laatstbedoeld artikel konden slechts bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de Osv, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het Ctsv zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakwam. Op grond van het tweede lid van laatstbedoeld artikel konden slechts bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de Osv en de door de SVB en de bedrijfsverenigingen uitgevoerde materiewetten, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval de SVB, het Tica of een bedrijfsvereniging uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakwam.
     Op grond van het voorgestelde artikel 111 [113] kan de minister besluiten nemen waarmee, zo nodig in afwijking van dezelfde wetten, voor een periode van ten hoogste zes maanden voorzieningen worden getroffen in gevallen als hierboven bedoeld. In deze gevallen kan sprake zijn van een situatie die noodzaakt tot snel ingrijpen. Het tot stand brengen van een algemene maatregel van bestuur kan in die situaties zoveel tijd in beslag nemen dat de nadelige gevolgen van het niet naar behoren nakomen van verplichtingen door de betrokken instanties zwaarder wegen dan de voordelen die zijn verbonden aan de totstandkomingsprocedure van een algemene maatregel van bestuur. De besluiten waarmee de minister voorzieningen kan treffen, dient de minister terstond aan beide kamers der Staten-Generaal te zenden zodat deze Kamers, als medewetgever, geïnformeerd zijn over de eventuele afwijkingen van de wet. De minister kan zijn verantwoordelijkheid voor zijn besluiten dragen door hierover met de Kamer in overleg te treden.
  
    rblz.|95| Hierbij zij aangetekend dat de besluiten van de minister ten hoogste een periode van zes maanden kunnen betreffen. In die periode is er dan gelegenheid om zo nodig een algemene maatregel van bestuur tot stand te brengen waarmee tijdelijke voorzieningen voor de periode die intreedt na zes maanden kunnen worden getroffen. Het vierde en vijfde lid van artikel 111 [113] scheppen die mogelijkheid. Deze leden kunnen overigens ook toepassing vinden indien er geen noodzaak tot snel ingrijpen bestaat. Eventuele afwijking van de wet dient dan plaats te vinden op het niveau van een algemene maatregel van bestuur.

 

Artikel 113. [Zie art. 115 Osv 1997, red.]

     Analoog aan de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is in artikel 113 [115] een evaluatiebepaling opgenomen. De gevolgen van de voorgestelde wetgeving kunnen na elke periode van vier jaar na inwerkingtreding van deze wet op grond van een verslag van de minister op hun waarde worden geschat.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Osv 1997 | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x