|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 877
Wijziging
van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitgangspunten |
| 3 |
De
uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen |
| 3.1 |
De Sociale
Verzekeringsbank |
| 3.2 |
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen |
| 3.3 |
De sectorraden |
| 3.4 |
De
uitvoeringsinstellingen |
| 3.5 |
De relatie tussen het
Lisv, de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen |
| 3.6 |
Bevoegdheden van de
minister ten opzichte van de SVB en het Lisv |
| 4 |
Samenwerking en
uitvoering in de regio |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Wettelijk kader tot
nog toe |
| 4.3 |
Samenwerking in de
praktijk: SWI |
| 4.4 |
Rol voorliggend
wetsvoorstel voor samenwerking en uitvoering in de regio |
| 5 |
Het toezicht op de
sociale verzekeringen |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Aanbevelingen van de
commissie-Van Zijl inzake het toezichtsmodel |
| 5.3 |
Aanbevelingen van het
interimbestuur van het Ctsv |
| 5.4 |
Bestuursstructuur van
het Ctsv |
| 5.5 |
De inhoud van het
toezicht door het Ctsv |
| 5.6 |
Onderwerpen van
toezicht |
| 5.7 |
Besluiten die moeten
worden voorgelegd aan het Ctsv of die de goedkeuring behoeven van
het Ctsv |
| 5.8 |
Toets van de
mogelijkheden tot het houden van toezicht |
| 5.9 |
Het toezichtsbeleid |
| 5.10 |
Het afleggen van
verantwoording door het Ctsv |
| 6 |
De
informatiehuishouding van de sector sociale verzekeringen |
| 6.1 |
Inleiding |
| 6.2 |
Hoofdlijnen |
| 6.3 |
Berichtenverkeer
tussen werkgevers, werknemers en uitvoeringsinstellingen |
| 6.4 |
Verzekerdenadministratie |
| 6.5 |
Gegevensuitwisseling |
| 6.6 |
Informatievoorziening |
| 6.7 |
Onderzoek |
| 7 |
Financieel-technische
aspecten |
| 7.1 |
Budgettering en
contractering |
| 7.2 |
Begrotings- en
jaarverantwoordingscyclus |
| 7.3 |
Het financiële
verantwoordingsproces |
| 8 |
Effecten bedrijfsleven |
| 8.1 |
Inleiding |
| 8.2 |
Domeinafbakening |
| 8.3 |
Directe effecten |
| 8.4 |
Indirecte effecten |
| 8.5 |
Kwantitatieve
indicaties |
| 8.6 |
Conclusie |
| 8.7 |
Effecten voor de
uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid |
| 9 |
Financiële aspecten |
| 9.1 |
Inleiding |
| 9.2 |
Effecten op de
uitvoeringskosten. |
| 9.3 |
Conclusie |
| 10 |
Toetsing
aan de concept-aanwijzingen inzake ZBO’s |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1.
Begripsbepalingen en aanwijzingsbevoegdheid van de minister (artt. 1 en
2) |
| Hoofdstuk
2. Het
College van toezicht sociale verzekeringen (artt. 3 - 16) |
| ||§
1 |
Samenstelling van
het bestuur en werkwijze (artt. 3 - 9) |
| ||§
2 |
Taak en
bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen (artt.
10 - 16) |
| Hoofdstuk
3. De
Sociale Verzekeringsbank (artt. 17 - 27) |
| ||§
1 |
Samenstelling van
het bestuur en werkwijze (artt. 17 - 22) |
| ||§
2 |
Taken en
bevoegdheden van de Sociale Verzekeringsbank (artt. 24 - 27) |
| Hoofdstuk
4. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (artt. 29 - 64) |
| ||§
1 |
Samenstelling van
het bestuur en werkwijze (artt. 29 - 32) |
| ||§
2 |
Taken en
bevoegdheden van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (artt. 36
- 48) |
| ||§
3 |
Aansluiting van
werkgevers bij sectoren (artt. 49 - 53) |
| ||§
4 |
Sectorraden
(artt. 54 - 56) |
| ||§
5 |
Rechtspersonen met
welke het Lisv uitvoeringsovereenkomsten kan sluiten (artt. 57 - 62) |
| ||§
6 |
De uitvoering van
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door overheidspensioenlichamen
(artt. 63 en 64) |
| Hoofdstuk
5.
Fondsbeheer, uitvoeringskosten en verslaglegging (artt. 65 - 84) |
| ||§
1 |
Fondsbeheer
(artt. 65 - 72) |
| ||§
2 |
De
uitvoeringskosten (artt. 73 - 80) |
| ||§
3 |
Verslaglegging
(artt. 81 - 84) |
| Hoofdstuk
6.
Gegevensverstrekking en geheimhouding (artt. 85 - 100) |
| ||§
1 |
Verplichtingen tot
het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze Minister, het
College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers
(artt. 85 - 95) |
| ||§
2 |
Geheimhouding
(artt. 96 en 97) |
| ||§
3 |
Verstrekking van
gegevens en inlichtingen door het College van toezicht sociale
verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen (artt. 98 - 100) |
| Hoofdstuk
7.
Goedkeuring, schorsing en vernietiging (artt. 101 - 104) |
| Hoofdstuk
8.
Strafbepalingen en andere bepalingen (artt. 105 - 113) |
Algemeen
1.
Inleiding
Een belangrijk onderdeel van het beleid op het
terrein van de sociale verzekeringen is het streven om het beroep op
deze sociale verzekeringen terug te dringen. Het streven is daarbij
gericht op het ontwikkelen van een stelsel van sociale zekerheid
waarbinnen naast bescherming ook activering een belangrijke plaats
inneemt. In een dergelijk stelsel moeten de verantwoordelijkheden meer
gelegd worden bij de individuele burger en het bedrijf. De mogelijkheden
om het risico op het collectief af te wentelen dienen te worden
verminderd. Een herijking van verantwoordelijkheden binnen het stelsel
van sociale zekerheid is daarom een voorwaarde om tot een meer
activerend stelsel van sociale zekerheid te kunnen komen. In dit kader
zijn belangrijke wijzigingen aangebracht in de diverse socialeverzekeringswetten.
Met name de recente privatisering van de Ziektewet
en de onlangs bij u ingediende wijzigingen in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn daarbij van belang.
In dit wetsvoorstel
zijn de voornemens uit het regeerakkoord en het kabinetsstandpunt, zoals
opgenomen in de brief van 30 mei 1995 (Kamerstukken II 1994-1995, 24
215, nr. 1), nader uitgewerkt. Deze voornemens beogen de
uitvoeringsorganisatie zodanig te wijzigen dat deze beter in staat is om
een bijdrage te leveren aan de beperking van het beroep op de
werknemersverzekeringen.
Bij brief van 24 juni 1996 (Kamerstukken II
1995-1996, 24 653, nr. 15) heeft de Tijdelijke commissie onderzoek Ctsv
[Ctsv: College van toezicht sociale verzekeringen, zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.] - ook wel de commissie-Van Zijl genoemd - het
verslag aangeboden van het onderzoek dat zij op grond van de haar op 17
april 1996 gegeven opdracht heeft ingesteld. Tegen de achtergrond van de
in het rapport vermelde conclusies, alsmede met het oog op de
voorbereiding van de nieuwe Osv-wetgeving heeft de Commissie een aantal
aanbevelingen gedaan. In deze toelichting gaat het kabinet op de
relevante punten nader in.
Daarnaast zijn in
dit wetsvoorstel de gevolgen geregeld van
artikel 118, eerste lid, van de huidige Organisatiewet sociale
verzekeringen (Osv) ¹ waarin is opgenomen dat hoofdstuk IV van de Osv
"Het Tijdelijk instituut rblz.|2|
voor coördinatie en afstemming" (Tica) met ingang van 1 januari
1997 vervalt. In artikel 118, tweede lid, van de Osv is bepaald dat de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) bevordert dat
uiterlijk een halfjaar vóór 1 januari 1997 een wetsvoorstel bij de
Tweede Kamer is ingediend waarin de gevolgen van het vervallen van
hoofdstuk IV worden geregeld. Deze gevolgen hebben betrekking op vele
onderdelen van de Osv.
1. Met "de
huidige/bestaande Osv" wordt telkens bedoeld de Organisatiewet
sociale verzekeringen, Stb. 1994, 790, die met ingang van 1
januari 1995 in werking is getreden en waarmee de Organisatiewet Sociale
Verzekering, Stb. 1989, 119, kwam te vervallen, red.
In
dit wetsvoorstel wordt de opbouw van de Osv
verbeterd en zijn inmiddels noodzakelijk gebleken reparaties in de Osv
aangebracht.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de tekst en
de opbouw van de Osv ingrijpend worden gewijzigd. Dit is de reden dat
ervoor is gekozen om een integrale nieuwe tekst van de Osv, de Osv 1997,
aan u voor te leggen in plaats van een voorstel tot wijziging van de
bestaande Osv. In de nieuwe tekst is voor onderdelen die ten opzichte
van de Osv niet of nauwelijks gewijzigd behoeven te worden wel zoveel
als mogelijk aangesloten bij de tekst van de bestaande Osv.
De
in
dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen hebben
in hoofdzaak betrekking op de uitvoeringsorganisatie voor de
werknemersverzekeringen. Het hoofdstuk in de Osv dat betrekking heeft op
de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) wordt slechts op onderdelen gewijzigd.
De
opbouw van het
algemene deel van deze memorie van toelichting is als volgt. Na de
inleiding worden de uitgangspunten geschetst die ten grondslag
liggen aan dit wetsvoorstel (hoofdstuk
2). Dan volgt een schets van de uitvoeringsorganisatie sociale
verzekeringen (hoofdstuk 3). Daarna komt de
samenwerking en de uitvoering in de regio aan de orde in hoofdstuk
4. Vervolgens wordt ingegaan op het toezicht (hoofdstuk 5).
Hoofdstuk 6
gaat over informatievoorziening en onderzoek. Dan volgt een schets van
de effecten voor het bedrijfsleven in hoofdstuk 7.
Daarna komen de financieel-technische aspecten aan de orde (hoofdstuk 8).
Dan volgen de financiële effecten van dit wetsvoorstel (hoofdstuk 9).
Tot slot komen de criteria voor zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s)
aan de orde (hoofdstuk 10).
Dit wetsvoorstel zal nog worden gevolgd door
een invoeringswet waarin de met dit wetsvoorstel verband houdende
wijzigingen in andere wetten zullen worden aangebracht.
2.
Uitgangspunten
In
het voorliggende
wetsvoorstel wordt de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen ingrijpend gewijzigd met als doel de
uitvoeringsorganisatie zodanig in te richten dat deze beter in staat is
een bijdrage te leveren aan de beperking van het beroep op de
werknemersverzekeringen. De met dit wetsvoorstel beoogde wijziging in de
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen is het complement van de
hiervoor in de inleiding aangeduide wijzigingen in de socialeverzekeringswetten.
Op basis van dit wetsvoorstel ontstaat er voor alle betrokkenen bij de
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen een existentieel belang
bij een doelmatige uitvoering. Hierdoor zullen de
uitvoeringsinstellingen effectiever gaan functioneren. Ook
werkgevers en werknemers hebben, als diegenen die de premie voor de
werknemersverzekeringen opbrengen, belang bij effectiever functionerende
uitvoeringsinstellingen. Het existentiële belang van zowel de
uitvoeringsinstellingen als werkgevers en werknemers zal een bijdrage
leveren aan het streven om het beroep op de werknemersverzekeringen zo
beperkt mogelijk te houden.
rblz.|3|
Het regeerakkoord beschrijft de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen als volgt. "In de Osv zal sectorale
bestuurlijke verantwoordelijkheid zijn opgenomen in verband met de
voorgestelde wijzigingen in met name de WAO.
Deze verantwoordelijkheden zullen passen in een nieuwe
totaalconstellatie. Deze heeft de volgende kenmerken:
- marktwerking in brede zin (uitvoering uitkeringsadministratie op
contractbasis, premiedifferentiatie en de mogelijkheid tot verzekering
bij particuliere verzekeraars bij arbeidsongeschiktheidsregelingen voor
werknemers en sociaal geconditioneerde privatisering van de ZW)
zal de verantwoordelijke besturen in staat stellen hun
verantwoordelijkheid te dragen;
- er komt een van sociale partners onafhankelijke beoordeling van de
aanvragen voor uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid;
- er komt een onafhankelijk toezichtsorgaan;
- er komt regionale uitvoering en integrale gevalsbehandeling. De
aansluiting met de werkzaamheden van de gemeentelijke sociale diensten
en de RBA’s zal moeten worden
verzekerd".
Een
eerste uitwerking van de beleidsvoornemens tot wijziging van de
uitvoeringsorganisatie heeft plaatsgevonden in de brief van 30 mei 1995
aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1994-1995, 24
215, nr. 1). Deze brief is besproken in een algemeen overleg met de
Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede
Kamer op 29 juni 1995.
In
vervolg op het overleg met de vaste kamercommissie is op 18 juli 1995 (Stb.
1995, 372) artikel 31, derde lid, Osv in werking getreden. Op basis
hiervan is de in genoemd artikel opgenomen opdracht aan de voorzitter
van het Tica inzake het veranderingsproces, gericht op regionalisering
van de uitvoeringsorganisatie, geëffectueerd. Deze opdracht is nader
ingevuld bij brieven van 2 augustus 1995 (het veranderingsproces
toekomstige uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen) en 4
september 1995 (het veranderingsproces gericht op de procesgerichte
samenwerking) aan de voorzitter van het Tica. In vervolg op mijn brief
van 2 augustus 1995 heeft de voorzitter van het Tica mij bij brief van
22 januari 1996 een nota aangeboden waarin de hoofdrichting wordt
aangegeven van het toekomstig bestuursmodel zoals dat het volledige
bestuur van het Tica voor ogen staat. De nota gaat met name in op de
gewenste verhouding tussen het landelijk bestuur en de in te stellen
sectorcommissies.¹ De nota van de voorzitter van het Tica heb ik bij de
opstelling van dit wetsvoorstel betrokken.
In vervolg op mijn brief van 4 september 1995
heeft de Regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) regelmatig aan
mij gerapporteerd over de voortgang van SWI [zie o.m. Samenwerkingsbesluit
SWI, red.]. Op 8 maart 1996 heeft de Regiegroep SWI mij het
startdocument Samenwerking Werk en Inkomen toegezonden. Het
startdocument heb ik aan beide Kamers gestuurd bij brief van 14 maart
1996. De Regiegroep SWI verwacht begin 1997 te rapporteren.
1. De termen landelijk
bestuur en sectorcommissies worden gehanteerd in de brief van 30 mei
1995.
3.
De uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen
3.1. De
Sociale Verzekeringsbank
Het hoofdstuk over de
Sociale Verzekeringsbank (SVB) is ten opzichte
van het huidige hoofdstuk in de Osv slechts op een beperkt aantal
onderdelen gewijzigd. In de toelichting ligt het accent daarom op de
wijzigingen.
3.1.1. De taken van de SVB
De
taken van de
SVB zijn:
rblz.|4|
a. uitvoering van de
Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet
(Anw), de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW), de Ouderdomswet 1919, de
Liquidatiewet Ouderdomswet 1919, de Invaliditeitswet en de Liquidatiewet
Invaliditeitswetten;
b. bevorderen dat personen die een nabestaandenuitkering ontvangen op
grond van de Anw worden ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en administreren van fondsen;
d. adviseren over de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke
voorschriften;
e. zorg dragen voor informatievoorziening in verband met de uitvoering
van wetten door de SVB;
f. verrichten van andere taken waarvoor de minister
toestemming heeft gegeven;
g. het opstellen van een plan van werkzaamheden voor het komende jaar.
Ten
opzichte van de huidige Osv krijgt de SVB een
aantal nieuwe taken. Sinds de inwerkingtreding van de Anw
dient de SVB te bevorderen dat personen die een nabestaandenuitkering
ontvangen op grond van de Anw worden ingeschakeld in het arbeidsproces.
Daartoe is ook voorgeschreven dat de SVB moet samenwerken met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI), red.].
Verder is besloten dat de
informatievoorzieningstaak van het College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) wordt overgeheveld naar respectievelijk de
SVB en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.]. In hoofdstuk 6
wordt nader toegelicht waarom de informatietaak is overgeheveld naar de
SVB en het Lisv.
Verder wordt voorgesteld om de SVB te
verplichten om jaarlijks vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden
voor het komende jaar bij de
minister
in te dienen. In dit plan van werkzaamheden geeft de SVB aan op welke
wijze zij de opgedragen taken denkt uit te voeren en welke prioriteiten
daarbij gesteld worden. Over het concept-plan vindt overleg met de
minister plaats. Nadat de SVB het plan heeft vastgesteld stuurt de
minister een afschrift aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Naast de hierboven beschreven nieuwe taken wordt een intensivering van
de taken van de SVB
voorgesteld. In het kader van de strakkere vormgeving van de
verantwoordingsstructuur wordt ook van de SVB verwacht dat zij
rechtmatigheidsverklaringen en doelmatigheidsrapportages gaat
verstrekken aan het Ctsv met betrekking
tot de door de SVB beheerde fondsen. Hierdoor wordt het Ctsv ontlast. In hoofdstuk 7
zal nader op de verantwoordingsstructuur worden ingegaan.
3.1.2. De bestuurssamenstelling van de SVB
In
dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om het
aantal leden van het bestuur van de SVB
terug te brengen naar ten hoogste negen, plus een onafhankelijke
voorzitter. Leden en voorzitter hebben ieder één stem. Verder wordt
voorgesteld om geen plaatsvervangende leden meer te benoemen. Het
bestuur van de SVB blijft tripartiete. Van de leden wordt één derde
benoemd op voordracht van werkgeversorganisaties en één derde op
voordracht van werknemersorganisaties.
Eén derde, ten slotte, wordt zonder voordracht benoemd. Alle leden
worden door de
minister
benoemd. De leden van het bestuur van de SVB stemmen zonder last.
Het kabinet acht een
bestuur van ten hoogste tien
personen voldoende om de SVB
te kunnen besturen. Dit aantal is vergelijkbaar met het aantal leden van
andere organisaties, zoals bijvoorbeeld het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en
inkomen (CWI), red.]. In het wetsvoorstel
Arbeidsvoorzieningswet
rblz.|5|
1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 450, nr. 317) wordt voorgesteld dat
het Centraal Bestuur uit negen leden bestaat.
Een bestuur van tien personen is voldoende
groot, om ook bij afwezigheid van één of twee
leden besluiten te nemen. Het is daarom niet noodzakelijk dat er
plaatsvervangende leden worden aangewezen. Wel dient het bestuur uit
zijn leden één of meer plaatsvervangende voorzitters te benoemen.
In
afwijking van de huidige Osv wordt voorgesteld dat de
minister
de rechtspositie van de voorzitter van het bestuur van de SVB
regelt. Thans is dit een bevoegdheid van de SVB en dient het bestuur van
de SVB, op grond van de regeling van het Ctsv
ex artikel 15 Osv, deze regeling ter goedkeuring voor te leggen aan het
Ctsv.
In dit wetsvoorstel
is er om een aantal redenen voor gekozen om de minister de rechtspositie
van de voorzitter te laten vaststellen. In de eerste plaats is het
logisch dat degene die benoemt ook bepaalt welke rechtspositieregeling
aan de functie gekoppeld is. Daarnaast is het wenselijk dat de
rechtspositieregelingen van het bestuur van het Ctsv, de voorzitter van
het Lisv en de voorzitter van de SVB op
elkaar worden afgestemd. Daarom wordt voorgesteld om alle
rechtspositieregelingen door de minister te laten vaststellen.
De leden van het bestuur van de SVB hebben
recht op een tijdverzuimvergoeding alsmede op een vergoeding voor reis-
en verblijfkosten. Het bestuur van de SVB dient ter zake een regeling op
te stellen en deze ter goedkeuring aan de minister voor te leggen.
Verder wordt voorgeschreven dat het bestuur van de SVB
ten minste eenmaal per jaar een openbare vergadering houdt omtrent de
vaststelling van de jaarrekeningen, de jaarverslagen en de begrotingen
(van de organisatie zelf en van de fondsen die zij beheert en
administreert) en dat het bestuursreglement goedkeuring van de
minister
behoeft en openbaar gemaakt dient te worden.
3.2.
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
Een belangrijk doel van herinrichting van de
nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen is dat deze beter
in staat is om een bijdrage te leveren aan de beperking van het beroep
op de werknemersverzekeringen. De reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt is daarom een centrale taak
van de nieuwe uitvoeringsorganisatie. Om deze taak goed uit te kunnen
voeren is het van belang dat de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen goed kan samenwerken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten, die de
Algemene
bijstandswet uitvoeren. Het zwaartepunt van de uitvoering van de
werknemersverzekeringen wordt daarom in de regio gelegd.
Anderzijds is voor de uitvoering van de
reïntegratietaak van belang dat sociale partners een bestuurlijke rol
blijven vervullen. Dat betekent dat de uitvoeringsorganisatie niet
alleen regionaal moet zijn ingericht, maar dat sociale partners ook
bestuurlijk verantwoordelijk moeten zijn. Wat betreft het bestuursmodel
van de nieuwe uitvoeringsorganisatie heeft het kabinet daarom gekozen
voor een deconcentratiemodel: besturing uitsluitend op landelijk niveau,
met mogelijkheden van sectorale inbreng en mandatering van de
gevalsbehandeling naar het regionale niveau.
Het
Lisv
krijgt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
werknemersverzekeringen, dat wil zeggen de wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke
ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekeringen, de Toeslagenwet
(TW) en de Wet arbeid gehandicapte werknemers
(Wagw) [zie Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), red.].
rblz.|6|
Het Lisv wordt verplicht om de voorbereiding en uitvoering van besluiten
op basis van deze wetten
door middel van overeenkomsten uit te besteden aan één of meer
uitvoeringsinstellingen. Daarnaast is het Lisv bevoegd ook de
beslissingsbevoegdheid aan deze uitvoeringsinstellingen te mandateren.
Het kabinet is van mening dat dit in de normale situatie ook dient te
gebeuren en dat het Lisv alleen in uitzonderingsgevallen zou moeten
besluiten zelf de betreffende besluiten te nemen. De sectorale inbreng
wordt via sectorraden ingevuld. De sectorraden hebben een adviserende
bevoegdheid.
In
het kader van zijn wettelijke taakopdracht (artikel 31, derde lid, Osv)
heeft de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voorzitter
van het Tica op 2 augustus 1995 gevraagd om inzicht te verschaffen in de
gewenste verhoudingen tussen het landelijk bestuur en de in te stellen
sectorcommissies.
Op 22 januari 1996 heeft de voorzitter van het
Tica op hoofdlijnen aangegeven hoe die verhouding vormgegeven kan
worden. Deze hoofdlijnen worden gedeeld door het volledige bestuur van
het Tica.
De voorzitter van het
Tica heeft geadviseerd om de nieuwe uitvoeringsorganisatie van de
werknemersverzekeringen volgens de volgende hoofdlijnen ¹ in te richten.
Het landelijk orgaan is
het publieke orgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Dit orgaan bepaalt binnen wettelijke kaders, na
inspraak vanuit het veld, aard en aantal te onderscheiden sectoren; het
bepaalt tevens in welke sector een onderneming wordt ingedeeld. Het
landelijk orgaan bepaalt binnen wettelijke kaders inzake
premiedifferentiatie de wijze waarop de premies worden vastgesteld. Het
landelijk orgaan is formeel de opdrachtgever voor de
uitvoeringsinstellingen.
1. Het Tica hanteert in zijn
adviezen de termen landelijk orgaan en sectororgaan. In dit wetsvoorstel
is gekozen voor de termen
Landelijk instituut sociale verzekeringen
en sectorraden. Als ingegaan wordt op het Tica-advies worden de termen
van het Tica gehanteerd.
De
voorzitter van het Tica stelt verder voor dat de sectorale betrokkenheid
bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt verzorgd door
sectororganen. De sectororganen zijn private organen van werkgevers en
werknemers. Deze sectororganen adviseren het landelijk orgaan over
sectorspecifieke zaken, waaronder de premiedifferentiatie en de
opdrachtverlening aan de
uitvoeringsinstellingen. De werkgevers en werknemers kunnen zelf
bepalen of aan de sectororganen een bredere taakstelling wordt gegeven,
bijvoorbeeld het laten uitvoeren van CAO-afspraken op het gebied van
arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden of arbeidsvoorziening.
In
het onderhavige
wetsvoorstel heeft het kabinet deze hoofdlijnen in grote lijnen
overgenomen. Het Lisv is verantwoordelijk
voor de uitvoering van de wetten en opdrachtgever van de
uitvoeringsinstellingen. Het Lisv kan rechtspersonen erkennen als
sectorraden, die het Lisv over sectorspecifieke aangelegenheden
adviseren.
In afwijking van het advies van de voorzitter
van het Tica, blijft de
minister
echter verantwoordelijk voor de indeling van het bedrijfs- en
beroepsleven in sectoren. Deze indeling vormt voor de structuur van de
uitvoering van de werknemersverzekeringen zoals in dit wetsvoorstel
neergelegd een zo belangrijk sturend element dat deze door de minister
moet worden gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat dit geen wijziging ten
opzichte van de huidige situatie betreft: de indeling is sinds vele
jaren een taak van de minister. Wel is het zo, zoals in paragraaf 3.3.1
wordt aangegeven, dat een wijziging van de indeling van het bedrijfs- en
beroepsleven na nauw overleg met het Lisv/Tica en de sociale partners
zal worden vastgesteld.
rblz.|7|
3.2.1. De taken van het
Lisv
Het
Lisv krijgt de taken die op grond van de
huidige Osv door de bedrijfsverenigingen en het Tica worden verricht.
De belangrijkste taken van het Lisv zijn:
a. het laten uitvoeren van de werknemersverzekeringen door
uitvoeringsinstellingen; inclusief de opdrachtverlening op basis van
overeenkomsten na (eventuele) advisering door de sectorraden;
b. bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen worden
ingeschakeld in het arbeidsproces;
c. beheren en administreren van centrale en sectorale fondsen;
d. zorg dragen dat elke uitvoeringsinstelling een administratie voert,
die voldoet aan de door het Lisv gestelde eisen;
e. in stand houden van een gemeenschappelijke verwijsindex;
f. zorg dragen voor de informatievoorziening werknemersverzekeringen;
g. uitvoeringstechnische advisering over voorgenomen beleid;
h. uitvoeren van de regeling indeling bedrijfs- en beroepsleven;
i. opstellen van een plan van werkzaamheden voor het komende jaar.
Ad a. Het laten uitvoeren
van de wetten door uitvoeringsinstellingen
In
dit wetsvoorstel wordt, analoog aan artikel
57, eerste lid, van de huidige Osv, vastgelegd dat het Lisv
alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van
beslissingen van het Lisv omtrent prestaties en verschuldigde premies,
op grond van een administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten per
sector of sectoronderdeel laat verrichten door een rechtspersoon ¹ die
erkend is door de
minister.
1. In het
wetsvoorstel is ervoor gekozen om de term uitvoeringsinstelling
te definiëren als een door de minister
erkende rechtspersoon, waarmee het
Lisv
overeenkomsten heeft gesloten.
Op
basis van
dit wetsvoorstel is het Lisv
verder bevoegd om de beslissingsbevoegdheid zelf aan de
uitvoeringsinstellingen te mandateren. Zij zullen dan in naam en
onder verantwoordelijkheid van het Lisv de beslissingen omtrent
prestaties en verschuldigde premies nemen.
Het
is uitdrukkelijk de bedoeling dat deze beslissingsbevoegdheid ook
inderdaad aan de
uitvoeringsinstellingen gemandateerd wordt. Een doelmatige
uitvoering vergt in casu immers dat de beslissingen worden genomen door
de instanties die ook de voorbereiding en de uitvoering van de besluiten
verzorgen. Het kabinet is van mening dat slechts in
uitzonderingsgevallen de eigenlijke besluitvorming door het Lisv
zelf mag plaatsvinden. Te denken valt aan de situtatie waarin een
uitvoeringsinstelling zijn verplichtingen niet nakomt en het Lisv
overweegt de opdracht in te trekken en er nog geen nieuw contract met
een andere uitvoeringsintelling is gesloten.
Mandatering van de beslissingsbevoegdheid aan de
uitvoeringsinstellingen betekent dat de uitvoeringsinstellingen,
waarmee het Lisv overeenkomsten heeft
gesloten feitelijk, namens het Lisv, de werknemersverzekeringen
uitvoeren. De uitvoeringsinstellingen verzorgen dus de claimbeoordeling
en de uitkeringsverzorging, de premieheffing en -inning, de
reïntegratieactiviteiten en werken samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeentelijke sociale diensten.
Eén van de
uitgangspunten uit het regeerakkoord voor de nieuwe organisatie voor de
uitvoering van werknemersverzekeringen is dat de claimbeoordeling
onafhankelijk van sociale partners dient plaats te vinden.
In het wetsvoorstel zijn
hiervoor de volgende waarborgen gecreëerd:
In de eerste plaats wordt
voorgeschreven dat de voorbereiding en uitvoering van beslissingen op basis van de
werknemersverzekeringen op
rblz.|8|
basis van overeenkomsten wordt
uitbesteed aan de
uitvoeringsinstellingen.
Indien het Lisv
van mening is dat de uitvoeringsinstelling niet handelt volgens de
wettelijke normen en/of de overeenkomsten en voor bepaalde werkzaamheden
de uitbesteding derhalve terug wil nemen van de gecontracteerde
uitvoeringsinstelling, is het Lisv verplicht de uitvoering van deze
werkzaamheden direct weer uit te besteden aan een andere erkende
rechtspersoon. Het is dus niet mogelijk dat het Lisv zelf de
werkzaamheden verricht die te maken hebben met de voorbereiding en de
uitvoering van de beslissingen.
De verplichte uitbesteding van de feitelijke
werkzaamheden maakt het uit het oogpunt van een slagvaardige en
flexibele uitvoering gewenst dat het Lisv de uitvoeringsinstelling ook
de bevoegdheid verleent om alle beslissingen met betrekking tot
prestaties en verschuldigde premies in naam van het Lisv te nemen. Door
het mandateren van de beslissingsbevoegdheid aan de
uitvoeringsinstelling wordt voldaan aan de wens van het kabinet dat
sociale partners geen bemoeienis meer hebben met de claimbeoordeling.
Omdat het kabinet ervan verzekerd wil zijn dat
de claimbeoordeling conform de wettelijke normen plaatsvindt, zal de minister
het Ctsv
jaarlijks op grond van artikel 83 van de Osv vragen om een rapport uit
te brengen over de wijze waarop de claimbeoordeling van de
werknemersverzekeringen geschiedt. Zou uit dit rapport of uit
tussentijdse signalen blijken dat het Lisv in zo grote mate zelf de
beslissingen neemt dat daardoor een onrechtmatige of ondoelmatige
uitvoering ontstaat, dan dient het Ctsv in te grijpen. Ook indien het
Ctsv constateert dat de claimbeoordeling niet volgens de wettelijke
normen plaatsvindt, zal het Ctsv moeten optreden. In eerste instantie
zal het Ctsv in overleg treden met het Lisv. Indien het Lisv volhardt in
het onjuist handelen, kan het Ctsv de tot zijn beschikking staande
sanctiemiddelen inzetten en bijvoorbeeld het Lisv een aanwijzing geven.
Ten
aanzien van de premie-inning wordt het volgende opgemerkt. Bij diverse
gelegenheden heeft de Tweede Kamer opgemerkt niet te willen uitsluiten
dat de taken verbonden aan de premie-inning van de
werknemersverzekeringen kunnen worden opgedragen aan de belastingdienst.
Daarbij is direct opgemerkt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien
blijkt dat de premie-inning efficiënter en goedkoper door de
belastingdienst zou kunnen worden uitgevoerd dan door de
uitvoeringsinstellingen. Om dat te kunnen beoordelen worden thans
voorbereidingen getroffen om een onafhankelijk onderzoek te laten
verrichten naar de effecten van de premie-inning door de belastingdienst
en door de uitvoeringsinstellingen. Gelet echter op de duur van dat
onderzoek en het tijdstip waarop dit wetsvoorstel
in werking moet treden, zal de premie-inning vooralsnog door de
uitvoeringsinstellingen worden uitgevoerd, uiteraard onder
verantwoordelijkheid van het Lisv. Indien
besloten zou worden dat de premie-inning van de werknemersverzekeringen
uitgevoerd zal moeten gaan worden door de belastingdienst, dient er
rekening mee te worden gehouden dat deze dienst twee jaar
voorbereidingstijd nodig heeft om deze taak ook daadwerkelijk uit te
kunnen voeren.
Nadat de resultaten van het onafhankelijke
onderzoek bekend zijn, zal het kabinet zijn standpunt over de uitvoering
van de premie-inning kenbaar maken aan de Tweede Kamer.
De uitvoering van de
werknemersverzekeringen wordt op basis van meerjarige
administratieovereenkomsten en jaarovereenkomsten neergelegd bij
erkende rechtspersonen, die daardoor
uitvoeringsinstellingen in de zin
van de wet worden. De meerjarige administratieovereenkomst bevat het
raamwerk waarbinnen het handelen van de contractspartijen zich moet
begeven en bevat voorts concrete afspraken rblz.|9|
die voor meerdere jaren
gelden. In de wet is een aantal onderwerpen genoemd die in ieder geval
in de overeenkomst geregeld moeten worden. De inhoud van met name de
jaarovereenkomsten zal beïnvloed worden door het plan van werkzaamheden
voor het komende jaar. De meerjarige administratieovereenkomsten moet
het Lisv
ter goedkeuring aan het Ctsv
voorleggen, de inhoud van de concept-jaarovereenkomsten moet door het
Lisv ter kennis van het Ctsv worden gebracht, waarna het Ctsv een bij
ministeriële regeling te bepalen termijn heeft om zijn oordeel daarover
aan het Lisv mede te delen.
Het
is de bedoeling dat het Lisv meerdere
overeenkomsten sluit, namelijk voor sectoren of sectoronderdelen. De
sectorraden kunnen zowel over het aantal als over de inhoud van de
overeenkomsten en de te contracteren uitvoeringsinstelling
adviseren. De sectorraden worden door het Lisv in de gelegenheid gesteld
om voor de sector of meerdere sectoronderdelen één of meer
concept-overeenkomsten op te stellen.
In
de huidige werknemersverzekeringswetten zijn de bedrijfsverenigingen
en/of het Tica bevoegd om nadere regels te stellen. De bevoegdheid om
nadere regels en richtlijnen voor de
uitvoeringsinstellingen op te stellen wordt toegekend aan het Lisv.
In de Invoeringswet Osv 1997 zullen de
socialeverzekeringswetten dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Ad b. Bevorderen dat
personen die een uitkering ontvangen worden ingeschakeld in het
arbeidsproces
Naast het verstrekken van uitkeringen aan personen die daar recht op
hebben, is één van de kerntaken van het Lisv
het reïntegreren van werkloze uitkeringsgerechtigden naar een baan. De
concrete instrumenten die het Lisv voor deze taak kan doen inzetten,
zijn of worden neergelegd in de
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en de Wagw. Het kabinet is voornemens om alle
reïntegratiemaatregelen onder te brengen in een aparte wet en zal te
zijner tijd een wetsvoorstel bij uw Kamer indienen [zie Wet
Rea,
red.].
De uitvoering van de reïntegratietaken gebeurt
door de
uitvoeringsinstellingen.
In
het wetsvoorstel is met name ten behoeve van
deze taak een aantal bepalingen opgenomen om te verzekeren dat de
uitvoering van de werknemersverzekeringen, voor zover dat noodzakelijk
is, in de regio plaatsvindt. Met name voor de taken op het gebied van
reïntegratie is het essentieel dat de uitvoeringsinstelling
in de regio met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten afspraken kan maken en kan
samenwerken.
Daarom wordt voorgeschreven dat het Lisv
Nederland zoveel mogelijk overeenkomstig de werkgebieden van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening
(RBA’s) in regio’s indeelt. Verder wordt geëist dat het Lisv in de
administratie- en jaarovereenkomsten bepaalt dat de
uitvoeringsinstelling in elke Lisv-regio of combinatie van Lisv-regio’s
een persoon de bevoegdheid verleent om beslissingen te nemen over de
activiteiten die verband houden met de reïntegratietaak van het Lisv.
Tot
slot wordt ook voorgeschreven dat het Lisv
ervoor moet zorgen dat de
uitvoeringsinstelling in de woonplaats of in
de nabijheid van de woonplaats van de uitkeringsgerechtigden voldoende
bereikbaar is. Zie verder hoofdstuk 4.
rblz.|10|
Ad c. Beheren en
administreren van centrale en sectorale fondsen
Het
Tica beheert op dit moment de zogenaamde centrale fondsen, te weten het
Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds. De
zogenaamde sectorale fondsen, te weten de wachtgeldfondsen, worden
beheerd door de bedrijfsverenigingen.
In de onderhavige wet
wordt het beheer van beide soorten fondsen opgedragen aan het Lisv.
Ad d. Zorg dragen dat elke
uitvoeringsinstelling een administratie voert overeenkomstig de eisen
van het Lisv
Het
kabinet is van mening dat er een uniforme en betrouwbare registratie van
verzekerden (dienstverbanden), werkgevers en uitkeringsgerechtigden moet
komen en is van mening dat de kwaliteit van de verzekerdenadministratie
verbeterd moet worden. Het Lisv dient
hierin een belangrijke taak te hebben. Daarom is deze taak expliciet aan
het Lisv opgedragen.
Ad e. In stand houden van
een gemeenschappelijke verwijsindex
Onder de huidige Osv is het beheer van de Gemeenschappelijke
Verwijsindex (GVI) in handen van een coöperatieve vereniging van
bedrijfsverenigingen. Gezien het publieke belang van de GVI acht het
kabinet het noodzakelijk dat het beheer van de GVI wordt opgedragen aan
een publiekrechtelijke instelling, in casu aan het Lisv.
Ad f. Zorg dragen voor informatievoorziening
werknemersverzekeringen
In
de huidige Osv is het Ctsv
verantwoordelijk voor de informatievoorziening in verband met de
uitvoering van de sociale verzekeringen. Thans wordt voorgesteld om deze
taak over te hevelen naar het Lisv
respectievelijk de SVB. In
hoofdstuk
6 wordt toegelicht waarom het kabinet hiervoor gekozen heeft.
Ad g. Uitvoeringstechnische advisering over voorgenomen beleid
Op
grond van de huidige Osv kan de
minister
het Tica vragen om over beleidsvoornemens uitvoeringstechnisch advies
uit te brengen. Deze taak wordt in dit
wetsvoorstel aan het Lisv opgedragen.
Ad h. Uitvoeren van de regeling indeling
bedrijfs- en beroepsleven
Op
grond van artikel 49 Osv deelt de
minister
het bedrijfs- en beroepsleven in. Het Lisv
voert de indelingsbeschikking uit; het Lisv bepaalt namelijk welke
werkgever in welke sector wordt ingedeeld.
Ad i. Opstellen van een
plan van werkzaamheden voor het komende jaar
Het
kabinet stelt voor om het Lisv te
verplichten om jaarlijks vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden
voor het komende kalenderjaar ter informatie aan de
minister
voor te leggen. In dit plan van werkzaamheden geeft het Lisv aan op
welke wijze hij de opgedragen taken denkt uit te voeren en welke
prioriteiten daarbij gesteld worden. Over het concept-plan wordt overleg
gevoerd met de minister. Nadat het Lisv het plan heeft vastgesteld
stuurt de minister een afschrift aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
rblz.|11|
3.2.2. De bestuurssamenstelling van het Lisv
Het
bestuur van het Tica bestaat uit vertegenwoordigers van (de centrales
van) de werkgevers- en
werknemersorganisaties en een onafhankelijke voorzitter. In het
kabinetsstandpunt over de toekomstige uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1) heeft
het kabinet aangegeven dat de intentie van het kabinet vooralsnog is dat
de bestuurssamenstelling van het bestuur van het Lisv
overeenkomt met die van het bestuur van het Tica.
In het algemeen overleg met de Vaste Commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 29 juni 1995 (Kamerstukken II
1995-1996, 24 215, nr. 5) heeft een aantal leden van de Commissie
aangegeven dat het bestuur van het Lisv tripartiete zou moeten worden
samengesteld. In dat overleg heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat
de discussie over een andere bestuurssamenstelling met meer
countervailing power zou worden gevoerd bij de behandeling van het
wetsvoorstel en dat in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel
het gekozen model uitgebreid zou worden gemotiveerd.
In
beginsel zijn er drie varianten denkbaar voor de samenstelling van het
bestuur van het Lisv:
a. tripartiete (werkgevers, werknemers, onafhankelijke leden);
b. bipartiete (werkgevers en werknemers zonder onafhankelijke leden);
c. onafhankelijk bestuur (louter onafhankelijke leden).
Aan de varianten a en b kan al dan niet een
onafhankelijke voorzitter worden toegevoegd.
Het
kabinet kiest voor een tripartiete bestuurssamenstelling van het Lisv.
Het kabinet is van mening dat er nog steeds goede redenen zijn om in de
uitvoering van de werknemersverzekeringen te kiezen voor
bestuursverantwoordelijkheid van sociale partners. Bij organisaties van
werkgevers en werknemers is kennis en deskundigheid aanwezig die
bijdragen aan een effectieve uitvoering. Werkgevers- en werknemersorganisaties
beschikken over een belangrijk sociaal-economisch netwerk dat de
realisering van publieke doelen en met name de reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden ten goede kan komen. Voorts wordt door de
medeverantwoordelijkheid van de sociale partners aan de uitvoering van
de werknemersverzekeringen een existentieel belang voor die partijen
gecreëerd. Tot slot worden sociale partners door participatie in het
bestuur van het Lisv medeverantwoordelijk voor de publieke
werknemersverzekeringen. Daarmee wordt een noodzakelijk draagvlak voor
het publieke bestel gevormd.
Bestuurlijke betrokkenheid van sociale partners
heeft dus, naar de mening van het kabinet, een toegevoegde waarde.
Daarnaast moet worden bedacht dat er beleidsmatig een steeds sterker
accent wordt gelegd op de noodzakelijke verwevenheid van de
beleidsterreinen arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden,
arbeidsvoorziening en sociale verzekeringen. De bestuurlijke verbinding
hiertussen wordt gevormd door de organisaties van werkgevers en
werknemers. Het kabinet acht het wenselijk dat de bestuurlijke
verantwoordelijkheid van sociale partners in de uitvoering van de
werknemersverzekeringen wordt gecontinueerd.
Daarmee is het niet zozeer de vraag of, maar
veeleer hoe en onder welke voorwaarden sociale partners bestuurlijk
participeren. Uitgangspunt is wel dat sociale partners zich niet meer de
facto bemoeien met de individuele gevalsbehandeling.
Het
kabinet stelt verder voor dat er in het bestuur van het Lisv
ook onafhankelijke leden worden opgenomen. Om een aantal redenen heeft
de toevoeging van onafhankelijke leden een meerwaarde. Allereerst rblz.|12|
kunnen onafhankelijke leden
specifiek op basis van deskundigheid c.q. persoonlijke capaciteiten
worden benoemd. Daarnaast zijn zij niet gebonden aan een
belangenorganisatie en kunnen zij door hun onafhankelijkheid een extra
waarborg voor het dienen van het algemeen belang zijn. Ten slotte kunnen
onafhankelijke leden door hun specifieke rol zorgen voor een goede,
uitgebalanceerde besluitvorming.
Voorgesteld wordt om het bestuur van het Lisv
tripartiete samen te stellen met een onafhankelijke voorzitter. Naast de
voorzitter bestaat het bestuur uit ten hoogste negen leden. Eén derde
van deze leden wordt op voordracht van de werkgeversorganisaties
benoemd. Eén derde op voordracht van de
werknemersorganisaties en één derde van de leden, alsmede de
voorzitter, wordt zonder voordracht benoemd. Alle leden en de voorzitter
worden benoemd door de
minister. Zij hebben allen één stem in
het Lisv-bestuur.
Om te waarborgen dat de
leden van het bestuur niet bij voorrang het belang van de voordragende
organisatie dienen, wordt in de wet voorgeschreven dat de leden van het
bestuur functioneren zonder last van de voordragende organisatie.
Overleg met de voordragende organisatie is natuurlijk altijd mogelijk en
soms ook zeker wenselijk, maar het is uitdrukkelijk niet de bedoeling
dat de leden die voorgedragen worden door een bepaalde organisatie in
opdracht van die organisatie stelling nemen.
Met ten hoogste tien
personen is het bestuur qua grootte vergelijkbaar met dat van het
bestuur van het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening. Een klein
bestuur is efficiënter. Verder lijkt het niet noodzakelijk om apart
plaatsvervangende leden te benoemen. Bij incidentele afwezigheid van een
lid van het bestuur beschikt het bestuur immers nog altijd over
voldoende draagkracht tot het nemen van beslissingen. Wel zullen uit de
leden één of meer plaatsvervangende voorzitters moeten worden
aangewezen.
3.3. De
sectorraden
Het Lisv laat
zich bij de uitvoering van een aantal taken adviseren door sectorraden,
om te bewerkstelligen dat, daar waar dat mogelijk en noodzakelijk is, de
uitvoering wordt afgestemd op de verschillende sectoren of
sectoronderdelen. Deze raden bestaan uit vertegenwoordigers van
sectorale werkgevers- en werknemersorganisaties
en adviseren het Lisv over een aantal aangelegenheden.
Het Lisv kan ten behoeve van een bepaalde
sector een rechtspersoon erkennen als sectorraad. Als er zich geen
rechtspersoon beschikbaar stelt, wordt er geen sectorraad erkend en
vindt er dus geen advisering aan het Lisv plaats. De activiteiten die
anders aan de sectorraad zouden worden opgedragen, worden dan door het
Lisv verricht.
In de wet wordt
voorgeschreven welke criteria het Lisv moet hanteren bij de erkenning
van de sectorraden. De sectorraden dienen paritair samengesteld te
worden uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties.
De
minister
wijst voor de betrokken sectoren representatieve organisaties aan.
Het Lisv kan de erkenning van de sectorraad
intrekken indien de sectorraad daar om verzoekt, tot ontbinding besluit,
in staat van faillissement wordt verklaard, indien de kwaliteit van de
advisering of de rapportages die de sectorraad maakt bij herhaling
onvoldoende is of indien de sectorraad anderszins in gebreke blijft bij
de uitoefening van zijn taken.
De
sectorraden adviseren het Lisv
op de volgende punten:
rblz.|13|
- de opdrachtverlening aan een
uitvoeringsinstelling
ten behoeve van (één of meer onderdelen van) een sector;
- de vaststelling van de sectorale premies;
- de overige sectorspecifieke aangelegenheden.
Indien het
Lisv een besluit neemt dat afwijkt van de
adviezen van de sectorraad, dient het Lisv dat aan de sectorraad
gemotiveerd mee te delen. Daardoor wordt de besluitvorming van het Lisv
inzichtelijk.
Om
pragmatische redenen kan het ook zinvol zijn dat in opdracht van het Lisv
de sectorraad (ook nadat de overeenkomst is gesloten) degene is die de
reguliere contacten onderhoudt met de
uitvoeringsinstellingen en het Lisv informeert over het verloop van
de uitvoering van de afgesloten overeenkomst. De sectorraad kan in dat
geval rapportages bij het Lisv indienen over de uitvoering van de
administratie- en jaarovereenkomst door de betreffende
uitvoeringsinstelling.
Het is mogelijk dat er
binnen één sector meer dan één overeenkomst wordt gesloten met
verschillende
uitvoeringsinstellingen. Indien er bijvoorbeeld een sector
Overheid wordt samengesteld, die uit de huidige bedrijfsvereniging voor
overheidspersoneel, de rijksoverheid, de gemeenten en de provincies
bestaat, is het mogelijk dat er aparte contracten voor bijvoorbeeld het
onderwijs, defensie of onderdelen daarvan met verschillende
uitvoeringsinstellingen worden gesloten.
3.3.1. De indeling van
het bedrijfs- en beroepsleven
Omdat de sectorraden een adviserende rol krijgen richting Lisv,
is het gewenst dat de samenstelling van de te vormen sectoren aansluit
bij de hedendaagse organisatorische verbanden van bedrijven en
brancheorganisaties. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de invulling
van de taken van de sector succesvol is. Een aanpassing van de huidige
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven is hiervoor noodzakelijk.
Het
bedrijfs- en beroepsleven is voor de uitvoering van de diverse socialeverzekeringswetten
verdeeld in verschillende onderdelen, ieder omvattende één of meer
takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan. Elk onderdeel valt
onder de werkingssfeer van een bedrijfsvereniging. De huidige
ministeriële regeling stamt uit 1952 en is in de loop der jaren slechts
op onderdelen gewijzigd.
De indelingssystematiek behelst gedwongen
aansluiting van werkgevers bij een bedrijfsvereniging. De
indelingsbeschikking is het resultaat van historische en
bedrijfsorganisatorische factoren, terwijl wat betreft de werkingssfeer
van de bedrijfsverenigingen tevens een vergelijking is gemaakt met de
werkingssfeer van andere voorzieningen of organisaties. Hierbij kan
gedacht worden aan het ledenbestand van werkgevers- of werknemersorganisaties,
de indeling voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, de
werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomsten en
bedrijfspensioenfondsen. Concurrentievoordelen voor bedrijven als gevolg
van verschillen in af te dragen premies werden en worden aldus
voorkomen.
Op
mijn verzoek heeft het Tica advies uitgebracht over de indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven in sectoren. Dit advies is op 23 augustus aan
mij toegezonden en is als bijlage bij deze memorie gevoegd.¹ Ik ben
voornemens dit advies op te volgen. Voor de indeling van het bedrijfsleven
wordt de structuur van de huidige risicogroepen voor de wachtgeldfondsen rblz.|14|
WW overgenomen. De onderdelen van het bedrijfsleven die
thans onder het werkingsgebied van een risicogroep vallen, vormen dan
een sector van het bedrijfsleven. Momenteel bestaan er 18 wachtgeldfondsen WW met daarbinnen
in totaal 38 risicogroepen. Deze indeling betekent dus dat er 38
sectoren ontstaan. De mogelijkheid om per sector een sectorraad in het
leven te roepen, leidt ertoe dat er maximaal 38 sectorraden kunnen
worden gevormd.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
Dit aantal kan nog
stijgen, onder andere als gevolg van het onder de
werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel. Daarnaast is
bijvoorbeeld de bedrijfsvereniging (BV)-Hout voornemens om twee extra
risicogroepen te vormen. Ook de BV Banken overweegt het vormen van een
aantal extra risicogroepen.
Aan
de indeling op basis van de 38 risicogroepen is het belangrijke voordeel
verbonden dat veel bestaande sociale regelingen zoals bedrijfstak-CAO’s
en VUT- en pensioenregelingen wat betreft hun werkingsgebied
overeenkomen met de risicogroepen binnen de wachtgeldfondsen. Een
indeling in 38 sectoren sluit dus goed aan bij de bestaande
sociaal-economische structuren en loopt langs de lijnen van de huidige
bedrijfsverenigingen. Dit vereenvoudigt een spoedige invoering van het wetsvoorstel
en voorkomt dat voor alle 330 000 werkgevers die momenteel zijn
aangesloten bij een bedrijfsvereniging een duur en tijdrovend
heronderzoek moet plaatsvinden. Tevens wordt vermeden dat onlangs
afgesloten contracten tussen bedrijfsverenigingen en
uitvoeringsinstellingen, die een looptijd hebben tot 1 januari 2000,
moeten worden opengebroken.
Het feit dat er 38
sectoren gevormd worden, kan tot gevolg hebben dat er tevens 38
sectorraden gevormd gaan worden. Overigens is het niet noodzakelijk dat
iedere branche/onderneming binnen de sector deelneemt aan de sectorraad.
Ook is er geen plicht om voor een sector een sectorraad in het leven te
roepen. Sociale partners kunnen daarnaast zelf, daar waar gewenst,
initiatieven ontwikkelen om één sectorraad voor een cluster van
sectoren te laten functioneren. De verwachting van het kabinet is dan
ook dat het aantal sectorraden kleiner zal zijn dan 38.
3.4. De
uitvoeringsinstellingen
Het Lisv dient de
uitvoering van de wetten neer te leggen bij
door de
minister
erkende rechtspersonen. Het Lisv sluit ten behoeve van een sector of
sectoronderdeel een meerjarige administratieovereenkomst met een uitvoeringsinstelling.
Vervolgens wordt per sector of sectoronderdeel een jaarovereenkomst
gesloten. De werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en
uitvoering van de beslissingen op grond van de wetten worden verplicht
uitbesteed aan de uitvoeringsinstelling. Als gevolg hiervan zal het Lisv
in de praktijk de beslissingsbevoegdheid ter zake mandateren aan de
uitvoeringsinstelling. Dat wil zeggen dat de uitvoeringsinstelling in
naam en onder verantwoordelijkheid van het Lisv de wetten ten behoeve
van een bepaalde sector of bepaald sectoronderdeel uit zal voeren (zie
verder paragraaf 3.2.1).
In
de wet worden de minimumeisen gesteld
waaraan de meerjarenovereenkomst en de jaarovereenkomst moeten voldoen.
In ieder geval moet het Lisv
in deze overeenkomsten wat betreft de reïntegratietaak afspraken maken
over de noodzakelijke regionale uitvoering. Geregeld dient te worden dat
de uitvoeringsinstelling op dit punt aan
haar vertegenwoordiger in een regio of combinatie van regio’s
voldoende bevoegdheden toekent, zodat de uitvoering ook daadwerkelijk in
de regio plaatsvindt. Dat betekent in ieder geval dat de vertegenwoordiger van de
uitvoeringsinstelling in de regio bevoegd is om afspraken te maken met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten in de regio.
rblz.|15|
Daarnaast dienen de
uitkeringsgerechtigden zich in of in de nabijheid van hun woonplaats tot
een frontoffice van de uitvoeringsinstelling te kunnen wenden. Dit kan
zowel een vast kantoor als een mobiel kantoor zijn. Verder kan de
frontoffice zowel in een kantoor van de uitvoeringsinstelling, van het
RBA of van de gemeente gesitueerd zijn.
In
de overeenkomsten dient verder geregeld te worden op welke wijze de
uitkeringsgerechtigden betrokken worden bij besluitvorming omtrent de
wijze waarop wetten door de uitvoeringsinstelling
ten aanzien van uitkeringsgerechtigden worden uitgevoerd, de zogeheten
cliëntenparticipatie. Deze verplichting geldt ook op grond van de
huidige Osv. De cliëntenparticipatie heeft met name een signaalfunctie
(informerend/adviserend) ten opzichte van de beleidsbepalende en
uitvoerende organen in de sociale zekerheid. De wijze waarop de
cliëntenparticipatie wordt vormgegeven is overgelaten aan de organen
zelf. In de modelovereenkomst (artikel 7) van het Tica is het volgende
omtrent de cliëntenparticipatie vastgelegd. De uitvoeringsinstelling
zal:
- in ieder geval één keer per jaar schriftelijk een enquête onder een
representatieve vertegenwoordiging van uitkeringsgerechtigden
organiseren, teneinde adviezen in te winnen over de wijze waarop de
wetten door de uitvoeringsinstellingen dienen te worden toegepast;
- de informatie uit deze enquête bij de bespreking over de
totstandkoming van het jaarplan inbrengen, teneinde daarmee bij de
vaststelling ervan rekening te houden;
- verslag doen van de na de totstandkoming van het jaarplan uiteindelijk
te volgen werkwijze.
Voorts is bepaald dat de
uitvoeringsinstelling gerechtigd is op een
andere en/of meer uitvoerige wijze te voorzien in de betrokkenheid van
uitkeringsgerechtigden bij de besluitvorming, mits aan de minimuminvloed
van uitkeringsgerechtigden op de besluitvorming geen afbreuk wordt
gedaan en vooraf toestemming van de bedrijfsvereniging is verkregen.
Veel bedrijfsverenigingen hadden voor de invoering van het onderdeel
cliëntenparticipatie in de Osv al overleg met organisaties van uitkeringsgerechtigden.
Het karakter van dit contact varieerde van ad hoc tot structureel.
Overigens beperkte dit contact zich tot de populatie WAO-gerechtigden.
Eén van de belangrijke redenen hiervoor is dat belangenorganisaties
zich in het algemeen beperken tot deze categorie uitkeringsgerechtigden.
Inmiddels hebben alle
bedrijfsverenigingen de invulling van de cliëntenparticipatie ter
hand genomen. Een aantal bedrijfsverenigingen is inmiddels gestart met
cliëntenparticipatie.
De vorm waarvoor wordt
geopteerd is in grote lijnen die van het klantenpanel. Periodiek vindt
er een bijeenkomst met het panel plaats. De samenstelling van het panel
vertoont in de praktijk enige verschillen. De verschillen zijn gelegen
in het al dan niet georganiseerd zijn van de deelnemende
uitkeringsgerechtigden. Sommige panels beperken zich tot de
georganiseerde uitkeringsgerechtigden en hun hun belangenorganisaties. In de
andere panels zijn ook de ongeorganiseerde uitkeringsgerechtigden
opgenomen.
De bedoeling van de
panels is de aldus verkregen informatie bij de besluitvorming van de
bedrijfsverenigingen te betrekken. De bedrijfsvereniging informeert de
deelnemers uiteindelijk over de gemaakte keuzes.
Omdat veel
bedrijfsverenigingen recentelijk zijn begonnen met het invulling geven
aan de verplichting uit de Osv
ten aanzien van de cliëntenparticipatie, zijn er nog geen evaluaties
beschikbaar naar het functioneren van de verschillende klantenpanels.
rblz.|16|
Ook de SVB
wil in de sturing, aanpassing of ontwikkeling van haar uitvoering en
beleid nadrukkelijk inspelen op de behoeftepatronen van haar klanten.
Een goede antenne- en monitorfunctie gericht op de externe omgeving is
daarvoor een belangrijke voorwaarde. Daarom heeft de SVB een Landelijke
Adviesraad SVB opgericht. De Landelijke Adviesraad (LAR) adviseert de
hoofddirectie over de manier waarop de SVB zich aan klanten presenteert.
De leden zijn deskundigen uit de kringen van landelijk representatieve
organisaties voor ouderen, vrouwen, minderheidsgroepen en werknemers.
De LAR, die tweemaal per jaar bijeenkomt, is ingesteld in 1992 en heeft
vanaf dat moment een veelheid van onderwerpen gerelateerd aan het
klantenbeleid behandeld. Recent is door de LAR een advies uitgebracht
over de opzet en werking van de toekomstige frontofficefunctie van de
SVB. In augustus 1995 heeft een evaluatie plaatsgevonden naar het
functioneren van de LAR. Geconcludeerd werd onder meer dat de
samenwerking tussen de SVB de LAR naar tevredenheid is verlopen.
3.4.1. De erkenning
Rechtspersonen die
uitvoeringsinstellingen willen worden, worden erkend door de minister,
indien zij voldoen aan de erkenningscriteria (Stcrt. 1995, 226).
De erkenningscriteria die op grond van de huidige Osv zijn gesteld,
worden grotendeels gehandhaafd. Dat betekent dat toegestaan wordt dat
uitvoeringsinstellingen onder strikte voorwaarden onderdeel uit kunnen
maken van een holding met meerdere vennootschappen. In de
erkenningscriteria, die zijn toegeschreven op vennootschappen, worden
juridische eisen gesteld aan de inrichting van de
vennootschap/uitvoeringsinstelling en indien de uitvoeringsinstelling
onderdeel is van een holding, ook aan de vennootschap/holding.
Als de uitvoeringsinstelling een onderdeel is
van een holding, dient er een strikte scheiding aangebracht te worden
tussen het publieke en het private deel van de holding. Verder worden
eisen gesteld aan de aandeelhouders, de raad van bestuur en de raad van
commissarissen.
Daarnaast wordt geëist dat de aandeelhouders
van de uitvoeringsinstelling een overeenkomst met de Staat der
Nederlanden sluiten waarin wordt verklaard dat, indien de Staat der
Nederlanden de aandelen van de uitvoeringsinstelling wil hebben, deze
door de aandeelhouder worden overgedragen aan een door de minister
aangewezen rechtspersoon.
In de erkenningscriteria is ook geregeld welke
bedrijven onderdeel uit mogen maken van een holding waar de
uitvoeringsinstelling onderdeel van is, namelijk bedrijven die
activiteiten verrichten die verwant zijn aan de uitvoering van (sociale)
verzekeringen.
Eén van de activiteiten is arbeidsbemiddeling
van werkzoekenden. Naar aanleiding van de motie-Van Nieuwenhoven
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 215, nr. 8) heeft het kabinet zich
afgevraagd of een bemiddelingsbedrijf in de private poot van een holding
de samenwerking in de regio met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten
zou kunnen belemmeren. De samenwerking in de regio zou gevaar lopen als
er sprake is van oneerlijke concurrentie tussen
arbeidsbemiddelingsbedrijven in de holding en
arbeidsbemiddelingsbedrijven buiten de holding (de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of andere particuliere bemiddelaars).
Het kabinet vindt de ontwikkeling van de
samenwerking in de regio van zo groot belang dat geen enkel risico mag
worden gelopen. Het door een uitvoeringsinstelling gebruik maken van
diensten van een arbeidsbemiddelingsbedrijf in de holding acht het
kabinet dan ook ongewenst. De
erkenningscriteria zullen dienovereenkomstig worden aangepast.
rblz.|17|
Opgemerkt wordt nog dat het
kabinet de erkenningscriteria van een zo groot belang acht dat deze
zullen worden neergelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB).
Alle rechtspersonen die voldoen aan de erkenningscriteria krijgen van de
minister
een erkenning en kunnen daarmee dus meedingen naar de opdrachten van het Lisv.
De markt is dus open, zij het dat de huidige
bedrijfsverenigingen in het kader van de zogenoemde
ontvlechtingsoperatie contracten hebben gesloten met de huidige vier
erkende
uitvoeringsinstellingen, te weten GUO Uitvoeringsinstelling
BV, SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale
Verzekeringen NV, GAK
Nederland BV en Uitvoeringsinstelling Cadans,
die een looptijd hebben van vier jaar, tot het jaar 2000.
In het kader van de ontvlechtingsoperatie is
afgesproken dat, na afloop van deze contracten, aan alle op dat moment
erkende uitvoeringsinstellingen een nieuwe offerte moet worden
aangevraagd. Dit uitgangspunt zal ook in de ministeriële regeling op
grond van artikel
41, vijfde lid, van het
wetsvoorstel worden vastgelegd.
Het Ctsv zal bij
de beoordeling van de administratieovereenkomsten niet alleen toetsen op
rechtmatigheid, maar ook op doelmatigheid. Eén van de aandachtspunten
daarbij is het nagaan of de offerteprocedure is gevolgd. Daarnaast zal
het Ctsv de overwegingen van de opdrachtgever beoordelen die ten
grondslag hebben gelegen aan de keuze voor een uitvoeringsinstelling.
Een belangrijke overweging zal in ieder geval moeten zijn de
prijs/kwaliteitsverhouding. Op deze wijze wordt de concurrentie tussen
de uitvoeringsinstellingen, zowel de bestaande als nieuw erkende
rechtspersonen, optimaal bevorderd.
Bij
het toetsen of een rechtspersoon in aanmerking komt voor een erkenning,
worden thans nog geen eisen gesteld aan de wijze waarop deze
rechtspersoon de publieke taken zal gaan verrichten. Met ingang van het
moment waarop de huidige meerjarige contracten met de
uitvoeringsinstellingen aflopen en er contracten kunnen worden
afgesloten met andere aanbieders, moeten naar de mening van het kabinet
alle aanbieders kunnen aantonen dat zij de publieke taken op een
adequate wijze kunnen uitvoeren, voordat zij voor erkenning in
aanmerking kunnen komen. Eén en ander zal dan ook gelden voor de
huidige erkende rechtspersonen.
Een rechtspersoon die erkend wil worden, moet
aan kunnen tonen dat de eigen organisatie zo is ingericht dat er een
gerechtvaardigd vertrouwen mag bestaan dat uitkeringen op een
rechtmatige en doelmatige wijze zullen worden verstrekt. Dat betekent
naar de mening van het kabinet dat in ieder geval vanaf het jaar 2000
iedere erkende uitvoeringsinstelling en rechtspersoon die erkend wil
worden, aantoonbaar over een goed functionerend kwaliteitszorgsysteem
dient te beschikken waarop de uitvoering van de socialeverzekeringswetten
en de verantwoording over de uitvoering is gebaseerd. De wettelijke
mogelijkheden om inhoudelijke eisen te stellen aan de te erkennen
rechtspersoon zijn in dit wetsvoorstel
opgenomen. In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen dat een
rechtspersoon die erkend wil worden, verplicht wordt om met een
certificaat aan te tonen dat de rechtspersoon voldoet aan bij of
krachtens AMvB gestelde eisen. Door het bezitten van een certificaat
onderdeel van de erkenning te laten zijn, kan het adequaat functioneren
van de uitvoeringsinstellingen bevorderd worden. Naar de mening van het
kabinet zouden uitvoeringsinstellingen vanaf het jaar 2000 dan ook over
zo’n certificaat moeten beschikken. De voorkeur van het kabinet gaat
er daarbij naar uit dat betrokkenen in gezamenlijk overleg komen tot de
opzet van een certificatie, die vervolgens op basis van vrijwilligheid
wordt toegepast. De wet voorziet echter in de mogelijkheid om het bezit
van een certificaat als voorwaarde voor erkenning te stellen.
rblz.|18|
Op de inhoud van de te stellen
inhoudelijke eisen, alsmede op de manier waarop getoetst zal worden of
de te erkennen rechtspersoon aan de eisen voldoet en blijft voldoen,
beraadt het kabinet zich nog. De inhoud van de te stellen eisen zal
echter uiterlijk in de loop van 1998 beschikbaar moeten zijn. Aan het
ontwikkelen van deze eisen kunnen de
uitvoeringsinstellingen, alsmede het Lisv
als het Ctsv
een inhoudelijke bijdrage leveren. Omdat de inhoudelijke eisen pas in
het jaar 2000 in werking zullen treden, is er voldoende ruimte om deze
eisen op te stellen en de implementatie ervan tijdig te realiseren.
3.4.2. Het uitvoeren van
andere taken
De
uitvoeringsinstellingen kunnen ook andere taken verrichten indien
zij daarvoor toestemming hebben gekregen van de
minister.
In het kader van de ontvlechtingsoperatie is
het toetsingskader andere taken (Stcrt. 1995, 226) vastgesteld.
In dit toetsingskader is aangegeven welke taken de
uitvoeringsinstellingen mogen vervullen en onder welke voorwaarden.
De uitvoeringsinstellingen mogen de volgende
andere taken vervullen:
1. de taken die onderdeel zijn van een regeling die tot stand is gekomen
in overleg tussen werknemers- en
werkgevers(verenigingen) en die betrekking hebben op een bovenwettelijke
aanvulling van de werknemersverzekeringen;
2. de taken die betrekking hebben op de uitvoering van een wettelijke
verplichting van werkgevers, anders dan voortvloeiend uit de in artikel
1 Osv bedoelde wetgeving, om te voorzien in de verzekering van het
risico van loonderving tengevolge van ziekte, arbeidsongeschiktheid
en/of werkloosheid.
Zoals in de brief van mijn ambtsvoorganger van 25 juni 1996 aan de
Tweede Kamer (SV/UB/96/1761) is geschreven, zal dit toetsingskader op
twee punten worden aangepast.
De in het toetsingskader genoemde
overgangstermijn voor het verrichten van taken ten behoeve van
bedrijfstakeigen regelingen die niet onder punt 1 van het toetsingskader
vallen, maar wel een nauwe samenhang hebben met de uitvoering van de
socialeverzekeringswetten, zal worden verlengd
tot het jaar 2000. Het gaat hierbij om regelingen die de
uitvoeringsinstellingen al van oudsher uitvoeren, zoals VUT- en
pensioenfondsen, vakantiefondsen en scholings- en vormingsfondsen. Deze
verlenging geldt alleen voor de werkzaamheden op het terrein van de
premieheffing en -inning. In 1998 zal besloten worden of de gezamenlijke
inning in de uitvoeringsinstelling definitief verboden of onder
voorwaarden toegestaan wordt.
Daarnaast zal het toetsingskader worden
aangepast om toe te staan dat de uitvoeringsinstellingen de Regeling
subsidiëring vergoedingen voor huishoudelijke hulp voor de
Ziekenfondsraad [zie College voor zorgverzekeringen,
red.] kunnen uitvoeren.
Het toetsingskader zal op grond van deze wet
bij AMvB worden vastgesteld. Dit geldt eveneens voor het toetsingskader
andere taken voor de SVB. Dit kader zal dezelfde
uitgangspunten hanteren als de regels die voor de
uitvoeringsinstellingen gelden.
3.4.3. Het uitbesteden van
taken
In
het convenant ontvlechting was vastgelegd dat de
uitvoeringsinstellingen bepaalde taken mochten laten verrichten
door derden indien de bedrijfsverenigingen en het Ctsv
daarmee instemden.
Het Ctsv heeft op grond van artikel 15, eerste
lid, van de huidige Osv voorgeschreven dat de uitvoeringsinstellingen
verplicht zijn om besluiten om bepaalde taken uit te besteden ter
goedkeuring aan het Ctsv voor
te leggen.
rblz.|19|
Ten behoeve van deze
goedkeuring heeft het Ctsv een toetsingskader opgesteld. Dit
toetsingskader verbiedt het uitbesteden van werkzaamheden die geacht
worden te behoren tot het primaire proces, dat wil zeggen alle
werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
distribuerende, collecterende en beherende taak van de
uitvoeringsinstelling. Hiertoe worden in ieder geval gerekend de
werkzaamheden met betrekking tot:
- ontvangst, opslag en beheer van gegevens;
- beoordeling, vaststelling en uitbetaling of het verstrekken van
uitkeringen of voorzieningen alsmede het terugvorderen daarvan;
- beoordeling, vaststelling en inning van premies;
- reïntegratieactiviteiten; en
- beheer van gelden.
Omdat de uitbesteding van werkzaamheden thans
niet bij of krachtens de wet is geregeld, voorziet de toezichthouder
daarin. Dat betekent feitelijk dat de toezichthouder door het
goedkeuringsregime beleid maakt. Het kabinet acht dit een
niet-wenselijke situatie. De wetgever dient de normen vast te stellen.
Vandaar dat in
dit wetsvoorstel het uitbesteden van taken
expliciet wordt geregeld. De eerste voorwaarde is dat het Lisv
toestemming dient te verlenen indien een uitvoeringsinstelling een
bepaalde taak wil uitbesteden. In het wetsvoorstel is bepaald dat de
minister
in een ministeriële regeling aangeeft voor welke taken het Lisv
toestemming mag verlenen aan de uitvoeringsinstelling om deze uit te
besteden aan derden en onder welke voorwaarden. Bij het opstellen van
deze ministeriële regeling zal uiteraard rekening gehouden worden met
de ervaringen die opgedaan zijn in het ontvlechtingsproces.
Omdat een besluit van het Lisv om uitbesteding
van werkzaamheden door een uitvoeringsinstelling toe te staan niet dan
tegen hoge kosten zal kunnen worden teruggedraaid, is het kabinet van
mening dat zo’n besluit, voordat het in werking kan treden, aan het
Ctsv moet worden voorgelegd. Daarom zal in de ministeriële regeling op
grond van artikel 13 van de Osv [Osv
1997, red.] worden voorgeschreven dat het Lisv verplicht is
een besluit waarbij het toestemming aan een uitvoeringsinstelling
verleent om bepaalde werkzaamheden uit te besteden, vóór de
inwerkingtreding ter kennis van het Ctsv te brengen. Het Ctsv dient zijn
oordeel vervolgens binnen een in de ministeriële regeling aan te geven
termijn aan het Lisv mede te delen.
3.4.4. De aanbevelingen van de commissie-Van
Zijl inzake toezicht op de uitvoeringsinstelling
Naar het oordeel van de Commissie moet bij de vormgeving van het
toekomstig toezicht expliciet rekening worden gehouden met de risico’s
inzake de toezichtbaarheid bij het ontstaan van publiek-private
holdingconstructies en publiek-private organisatievormen op het snijvlak
van de zorgsector, de sociale zekerheid en het bank- en
verzekeringswezen.
Aan
de door de Commissie geschetste risico’s is in het zogenaamde
ontvlechtingstraject expliciet aandacht geschonken. Ten eerste zijn in
de criteria voor de erkenning van
uitvoeringsinstellingen bepalingen opgenomen die de scheiding
tussen het private en het publieke deel (de uitvoeringsinstelling) van
de holding waarborgen. Het toezicht van het Ctsv
richt zich alleen op de uitvoering van de publieke taken. Deze publieke
taken worden in beginsel door de uitvoeringsinstelling zelf uitgevoerd.
De bevoegdheden en de instrumenten van de toezichthouder die
noodzakelijk zijn voor het goed kunnen uitoefenen van het toezicht op de
uitvoeringsinstelling, zijn in het onderhavige wetsvoorstel
geregeld.
De uitvoeringsinstelling kan, indien daarvoor
toestemming is verleend, bepaalde werkzaamheden uitbesteden aan derden
(zowel binnen als buiten de holding). In het wetsvoorstel tot wijziging
van de Osv dat verband houdt met de ontvlechting, dat op 25 juni 1996
bij de Tweede rblz.|20|
Kamer is
ingediend (Kamerstukken II 1995/96, 24 789, nrs. 1-3), is een bepaling
opgenomen om de toegang van het Ctsv tot de administratie van die derde te
regelen. Op deze wijze is geregeld dat het Ctsv adequaat toezicht kan houden op
de kostentoerekening van derden aan de uitvoeringsinstellingen.
3.5. De
relatie tussen het Lisv, de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen
Op 4 april 1996 heeft de voorzitter van het
Tica een nota aangeboden waarin zijn visie over de verhouding tussen het
Landelijk orgaan, sectororganen en
uitvoeringsinstellingen nader wordt uitgewerkt. De voorzitter van
het Tica gaat in deze nota nader in op de taakverdeling tussen de drie
soorten organen bij de opdrachtverlening aan de uitvoeringsinstelling,
de verantwoording, het uitvoeringsbeleid en de
premievaststelling/premiedifferentiatie.
De voorzitter van het Tica stelt voor dat de
taakverdeling volgens het volgende hoofdstramien wordt uitgewerkt:
1. De sectororganen voeren het bilaterale overleg met de
uitvoeringsinstellingen over de opdrachtverlening, de verantwoording en
het uitvoeringsbeleid. Het landelijk orgaan stelt algemene kaders
(beleidsmatige en financiële) op voor dit overleg.
2. Deze kaders worden in overleg met de sectororganen en de
uitvoeringsinstellingen door het landelijk orgaan opgesteld.
3. Het landelijk orgaan beoordeelt het onderhandelings- en
overlegresultaat van de sectororganen aan de van tevoren vastgestelde
kaders.
4. De beoordeling van het landelijk orgaan kan aanleiding zijn om de
kaders in de toekomst bij te stellen.
5. Indien er zich zwaarwegende en in de kaderstelling niet voorziene
omstandigheden voordoen die de aanvaarding van het
onderhandelingsresultaat door het landelijk orgaan in de weg staan, zal
het landelijk orgaan in overleg treden met het sectororgaan over
mogelijke oplossingen.
6. De taakverdeling tussen het landelijk orgaan en het sectororgaan kan
differentiëren per sectororgaan. Per sectororgaan worden afspraken
gemaakt over de taakverdeling en het toe te kennen budget aan het
sectororgaan.
Het
kabinet kan grotendeels met dit stramien instemmen. In paragraaf 3.5.1
wordt uitgewerkt hoe de verhouding tussen het Lisv,
de sectorraden en de
uitvoeringsinstellingen met betrekking tot de opdrachtverlening
aan de uitvoeringsinstellingen zich volgens het kabinet zou kunnen
ontwikkelen.
Met
betrekking tot de verantwoording over de uitvoering van de
overeenkomsten stelt het Tica het volgende voor. De uitvoeringsinstelling
verstrekt kwartaalsgewijs per sector of sectoronderdeel een
uitvoeringsrapportage aan zowel het landelijk orgaan als het
sectororgaan.
Bilaterale contacten tussen opdrachtverlener en
uitvoeringsinstelling over de verantwoordingsinformatie vinden in eerste
instantie plaats via het betrokken sectororgaan. Het landelijk orgaan
speelt eventuele vragen die bij hem leven door aan het sectororgaan.
De informatie van de uitvoeringsinstelling en
de resultaten van het overleg daarover kunnen aanleiding vormen tot het
formeel aanspreken van de uitvoeringsinstelling op de bepalingen uit de
overeenkomsten. Ook in die situatie overlegt het sectororgaan met de
uitvoeringsinstelling, waarbij het een beroep kan doen op het landelijk
orgaan. Ook is het mogelijk dat het sectororgaan en het landelijk orgaan
gezamenlijk in overleg treden met de uitvoeringsinstelling.
Het landelijk orgaan blijft altijd bevoegd om
rechtstreeks in overleg te treden met de uitvoeringsinstelling.
rblz.|21|
Het kabinet acht dit een
denkbare lijn. Hierbij wil het kabinet echter het onderscheid tussen de
positie van het Lisv
en de sectorraden scherper benadrukken. Voor alle partijen moet helder
zijn dat het Lisv formeel verantwoordelijk is en zo nodig zelfstandig
moet kunnen ingrijpen. Het Lisv zal dan ook het initiatief moeten nemen
om de sectorraden in te schakelen bij de reguliere contacten in relatie
tot de uitvoering van de afgesloten overeenkomsten. Overigens dienen de
sectorraden zonder meer te worden geïnformeerd over het verloop van de
uitvoering van de afgesloten overeenkomst, om het Lisv adequaat te
kunnen adviseren over de af te sluiten jaarovereenkomst in het komende
jaar. Het Lisv zal zelf bepalen of de sectorraden de hiervoor benodigde
informatie via hem verkrijgen of rechtstreeks van de
uitvoeringsinstellingen. In dat laatste geval kan het Lisv afspraken
over de gegevensverstrekking aan de sectorraden vastleggen in de
overeenkomsten met de uitvoeringsinstellingen. Met het oog op de
doelmatigheid van de informatievoorziening zal het Lisv er wel voor
moeten zorgen dat zich geen dubbelingen en inconsistenties voordoen in
de gegevens en informatie die de uitvoeringsinstellingen dienen te
verstrekken.
Het
Lisv dient de sectorraden in de
gelegenheid te stellen advies uit te brengen over de vaststelling van de
premie voor de sectorale fondsen (de wachtgeldfondsen).
Het
Tica stelt verder voor dat de sectororganen ook een rol kunnen vervullen
bij de ontwikkeling van sectorspecifieke regels of richtlijnen. Het Tica
wil de sectororganen in de gelegenheid stellen om concept-regels en
richtlijnen te ontwerpen.
Een dergelijke invulling past binnen het huidige wetsvoorstel.
De sectorraden kunnen het
Lisv over sectorspecifieke
aangelegenheden adviseren. Een dergelijk advies kan de vorm hebben van
een concept-regeling of richtlijn.
Ten aanzien van de budgettering van het
sectororgaan stelt het Tica voor dat dit per sectororgaan bij convenant
geregeld wordt. Het kabinet is echter van mening dat dit, aangezien het
om publieke middelen gaat, in de wet moet worden geregeld. In het
wetsvoorstel is daarom vastgelegd welke kosten van een sectorraad
vergoed kunnen worden door het Lisv en daarmee ten laste van de fondsen
kunnen worden gebracht (zie verder paragraaf 7.1).
3.5.1. De
opdrachtverlening
In
de relatie tussen het
Lisv, de sectorraden en de
uitvoeringsinstellingen speelt de overeenkomst, op basis waarvan
het Lisv de uitvoeringsinstelling(en) alle werkzaamheden laat verrichten
met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van beslissingen
van het Lisv omtrent prestaties en verschuldigde premies, een
belangrijke rol.
Het is van groot belang dat de procedure die
gevolgd wordt om tot opdrachtverlening aan een uitvoeringsinstelling te
komen, zodanig wordt ingericht dat voldoende recht wordt gedaan aan de
verantwoordelijkheid van het Lisv, dat concurrentie tussen
uitvoeringsinstellingen tot stand kan komen, dat er mogelijkheden
bestaan voor het realiseren van sectorspecifieke wensen met betrekking
tot de uitvoering en dat een zakelijke contractsrelatie tussen de
uitvoeringsinstellingen enerzijds en de opdrachtgever anderzijds kan
ontstaan.
Het
voorgaande kan volgens het kabinet worden bereikt als de
opdrachtverlening langs de volgende lijnen tot stand komt:
- de relatie tussen het Lisv
en de
uitvoeringsinstellingen is die van opdrachtgever en opdrachtnemer.
De invloed van het Lisv op het proces bij de uitvoeringsinstellingen is,
voor zover het gaat om feitelijke rblz.|22|
uitvoeringshandelingen,
afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst tussen de
uitvoeringsinstelling en het Lisv. Voor zover het gaat om de
(gemandateerde) bevoegdheid om op basis van de wetten
besluiten te nemen, is de invloed van het Lisv verzekerd door de in de wet
vastgelegde bevoegdheid instructies aan de uitvoeringsinstellingen te
geven;
- de sectorraden onderhandelen met de uitvoeringsinstellingen over
ontwerp-overeenkomsten;
- het Lisv stelt regels op omtrent de inhoud van de overeenkomsten
tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen. Deze regels zullen
maatgevend zijn voor de onderhandelingen over de ontwerp-overeenkomsten
tussen de sectorraden en de uitvoeringsinstellingen. Deze regels hebben
betrekking op de technische randvoorwaarden die aan de overeenkomst
dienen te worden gesteld en bevatten tevens de algemene
beleidsuitgangspunten waaraan een overeenkomst dient te voldoen.
Essentieel is dat deze regels voldoende ruimte laten voor sectorale
inbreng, waardoor reële onderhandelingen kunnen ontstaan. De hiervoor
bedoelde regels van het Lisv behoeven de goedkeuring van de minister.
Naast de door het Lisv te stellen regels worden
in de wet een aantal onderwerpen genoemd die de bedoelde overeenkomsten
in elk geval zullen moeten regelen. Zo zal bijvoorbeeld in de
overeenkomst moeten zijn geregeld dat de overeenkomst wordt ontbonden
zodra het Ctsv
bekendmaakt dat de administratieovereenkomst niet wordt goedgekeurd, of
indien de erkenning van de uitvoeringsinstelling wordt ingetrokken;
- de beoordeling van wat sectorspecifiek is, zal primair door de
sectorraden moeten plaatsvinden. Het Lisv zal daaraan zoveel mogelijk
vooraf grenzen stellen door het stellen van regels. Deze grenzen zullen
worden ingegeven door de eisen die vanuit een oogpunt van een
rechtmatige en doelmatige uitvoering moeten worden gesteld.
Het ligt in de rede dat het Lisv in beginsel de
overeenkomst sluit indien het onderhandelingsresultaat voldoet aan de
vooraf gestelde regels. Het Lisv behoudt echter de bevoegdheid om van
het advies af te wijken. Indien het Lisv hiertoe overgaat zal het Lisv
dit besluit, en de onderliggende motivering, mededelen aan de
sectorraad;
- doordat de sectorraad onderhandelt over de ontwerp-overeenkomst worden
de uitvoeringsinstellingen in de onderhandelingsfase slechts
geconfronteerd met de sectorraden en niet met het Lisv én de
sectorraad;
- het Lisv is verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de
overeenkomst door de uitvoeringsinstelling. Om pragmatische redenen kan
het Lisv besluiten om de reguliere contacten met betrekking tot de
uitvoering van de overeenkomst te laten verlopen via de sectorraden. In
dat geval zal het Lisv ervoor zorgen dat de sectorraden over de
informatie kunnen beschikken die hiervoor nodig is. Deze informatie zal
onder andere verantwoordingsrapportages over de uitvoering van de
overeenkomst moeten omvatten.
Omdat er aan de overeenkomsten ook een aantal algemene aspecten
verbonden zullen zijn die in alle contracten in vergelijkbare vorm
zullen terugkomen, alsmede ten behoeve van het opstellen van de regels
waaraan de concept-overeenkomsten zullen moeten voldoen, acht ik het
waarschijnlijk dat er naast de onderhandelingen tussen de
uitvoeringsinstellingen en de sectorraad ook overleg zal
plaatsvinden tussen het Lisv en de
uitvoeringsinstellingen. Het gaat hierbij echter slechts om overleg dat
het Lisv nodig heeft ten behoeve van zijn coördinerende en
kaderstellende activiteiten.
Indien de opdrachtverlening langs de hiervoor geschetste lijnen
verloopt, kan tot 2000 een vorm van concurrentie tot stand komen waarbij
de verantwoordelijkheid van het Lisv
is gewaarborgd, sectorale
inbreng rblz.|23|
mogelijk
is en voldoende heldere relaties ontstaan tussen het Lisv, de sectorraad en de
uitvoeringsinstellingen.
Tot
dat jaar is de concurrentie beperkt, omdat tot en met 1999 reeds
contracten zijn afgesloten met de huidige vier
uitvoeringsinstellingen. In het jaar 2000 wordt beoogd de ruimte
voor concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen volgens het
opdrachtgever-/opdrachtnemermodel te vergroten. Mede naar aanleiding van
het advies van de Regiegroep SWI zal worden beoordeeld op welke wijze in
dit beoogde model kan worden voldaan aan regionale samenwerking en aan
een doelmatige én controleerbare uitvoering.
Bij
de vormgeving van het opdrachtgever-/opdrachtnemermodel vanaf het jaar
2000 zal de aanbeveling van interimbestuur Ctsv
worden betrokken om de scheiding tussen privaat en publiek niet binnen
de holding, maar tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te leggen
Het
is de taak van het
Lisv om de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen voor te bereiden op de open markt na 2000. In
ieder geval zal aan iedere uitvoeringsinstelling
door de sectorraden of - bij afwezigheid van een sectorraad voor de
betreffende sector of het betreffende sectoronderdeel - door het Lisv
een offerte moeten worden aangevraagd. In het
wetsvoorstel is een bepaling opgenomen krachtens welke de
minister
ter bevordering van de concurrentie regels kan stellen die het Lisv en
de sectorraden bij het benaderen van uitvoeringsinstellingen in acht
moeten nemen. Bij de creatie van deze regels zal ervoor worden gewaakt
dat zij niet nodeloos bureaucratische drempels opwerpen. In deze
ministeriële regeling zal in ieder geval voor de situatie rond het jaar
2000 de verplichting tot het vragen van een offerte aan alle
uitvoeringsinstellingen worden opgenomen.
Bij
het realiseren van concurrentie moet bedacht worden dat concurrentie
niet het ultieme doel is, maar een middel om een bijdrage te leveren aan
de verbetering van de doelmatigheid van de uitvoeringsorganisatie. Met
name een verbetering van de doeltreffendheid van de
uitvoeringsorganisatie kan een bijdrage leveren aan de beperking van het
beroep op de werknemersverzekeringen. Derhalve zal ook in het hiervoor
geschetste concurrentiemodel dienen te worden voorkomen dat de
uitvoering van de publieke taak in het gedrang komt. Gezien de centrale
positie van het Lisv, is hierbij voor dit
orgaan een speciale rol weggelegd.
3.6.
Bevoegdheden van de minister ten opzichte van de SVB en het Lisv
De bevoegdheid van de
minister
tot het geven van aanwijzingen van algemene aard aan het Ctsv
kan leiden tot indirecte beïnvloeding van de SVB
en het Lisv. Dit vindt evenwel zijn grens
in de taak en bevoegdheden van het Ctsv. Het Ctsv kan slechts
aanwijzingen geven uit hoofde van zijn taak, dat wil zeggen uit hoofde
van het houden van toezicht op een rechtmatige en doelmatige uitvoering
van wetten.
Indien de
SVB of het Lisv
beleidswensen van de
minister
niet wenst over te nemen en ingrijpen van het Ctsv
wegens een onrechtmatige of ondoelmatige uitvoering niet mogelijk
blijkt, zal aansturing, naast overleg over eerdergenoemde plannen van
werkzaamheden, plaatsvinden door middel van gebruik van bevoegdheden tot
regelgeving (AMvB’s en ministeriële regelingen). Deze bevoegdheden
zijn in
het wetsvoorstel en in de materiewetten
op diverse plaatsen, dat wil zeggen met betrekking tot specifieke
onderwerpen, in het leven geroepen.
rblz.|24|
In paragraaf 5.2
is aan de hand van een drietal voorbeelden aangegeven hoe het door het
kabinet gekozen toezichts- en aansturingsmodel in de praktijk uitwerkt. is
aan de hand van een drietal voorbeelden aangegeven hoe het door het
kabinet gekozen toezichts- en aansturingsmodel in de praktijk uitwerkt. is
aan de hand van een drietal voorbeelden aangegeven hoe het door het
kabinet gekozen toezichts- en aansturingsmodel in de praktijk uitwerkt.
4.
Samenwerking en uitvoering in de regio
4.1.
Inleiding
De laatste jaren wordt
steeds meer nadruk gelegd op de samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
en de gemeenten. Daarvoor zijn meerdere redenen aan te voeren.
Allereerst hecht het kabinet een zeer groot belang aan vergroting van de
werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie. Zoals reeds in hoofdstuk 1
is opgemerkt, heeft dit op het terrein van de sociale zekerheid tot een
aantal belangrijke wijzigingen geleid, gericht op preventie van
uitkeringsafhankelijkheid en vergroting van de
reïntegratiemogelijkheden vanuit een uitkeringssituatie. Deze
maatregelen zijn te onderscheiden in positieve en negatieve prikkels
voor werknemers, werkgevers en uitkeringsgerechtigden enerzijds, en in
de expliciete opdracht aan de uitvoeringsorganisaties van de sociale
zekerheid om de reïntegratie te bevorderen anderzijds. Dit laatste
heeft vorm gekregen in diverse wetsartikelen.¹ De preventie- en
reïntegratietaak kan het effectiefst en efficiëntst worden vervuld in
samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, die overigens voor een groot deel te
maken heeft met dezelfde cliënten als de uitvoeringsorganisaties
sociale zekerheid en die op het vlak van de arbeidsparticipatie
vergelijkbare doelstellingen heeft, beschikt immers over
vacaturebestanden, heeft inzicht in vraag en aanbod van arbeidskrachten
landelijk en in de regio, kan een oordeel geven over de afstand tot de
arbeidsmarkt van een bepaalde cliënt en over de in te zetten
arbeidsmarktinstrumenten om deze afstand te verkleinen. Samenwerking met
de gemeenten is van belang met het oog op hun poortwachtersfunctie voor
de bijstandswetten: indien een cliënt immers
reeds wordt gereïntegreerd op het moment dat hij nog louter in het
genot is van een uitkering op basis van de werknemersverzekeringen (of
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet; AAW), wordt instroom in de bijstand
voorkomen. Daarnaast is samenwerking met gemeenten van belang om een
soepele overdracht te bewerkstelligen van die cliënten, voor wie
reïntegratie vóór de bijstandsfase niet mogelijk blijkt. Alleen al
met het oog op de preventie van uitkeringsafhankelijkheid en
reïntegratie van uitkeringsgerechtigden is een goede samenwerking
tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitvoeringsorganisaties
sociale zekerheid derhalve van het grootste belang.
1. Zo kan gewezen worden op artikel 111
van de Algemene bijstandswet (Abw) en de
artikelen
34 van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz), welke artikelen burgemeester en
wethouders de verplichting opleggen reïntegratie-inspanningen te
verrichten ten behoeve van bijstands-, Ioaw- en Ioaz-gerechtigden.
Artikel 16 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw) bevat de
bemiddelings- en daarmee tevens reïntegratiataak voor
bedrijfsverenigingen voor de zogenaamde Wagw-bemiddelingspopulatie, die
voor het grootste gedeelte uit gedeeltelijk arbeidsgeschikten bestaat.
Het in het wetsvoorstel
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet
1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 554, nr. 318) voorgestelde artikel 72,
eerste lid, van de WW, bevat een op
bedrijfsverenigingen gerichte reïntegratietaak voor WW-gerechtigden.
Ten slotte heeft ook de SVB een (lichte)
reïntegratietaak gekregen toen artikel 36
van de Anw in werking trad (1 juli 1996).
Ten tweede leidt een
betere samenwerking ook tot een grotere cliëntvriendelijkheid.
Zo kan daarmee bijvoorbeeld voorkomen worden dat de cliënt meerdere
malen dezelfde informatie moet verstrekken of dat de ene instelling inzet
van een bepaald arbeidsmarktinstrument wenselijk vindt en de andere niet.
Ten slotte zal de
samenwerking leiden tot vergroting van de efficiency. Immers, doordat
werkzaamheden beter op elkaar afgestemd zullen worden, zullen dubbele
activiteiten of juist omissies minder vaak optreden.
In het vervolg van dit
hoofdstuk zal eerst worden aangegeven welk wettelijk kader voor de
samenwerking op dit moment reeds bestaat respectievelijk in bij het parlement aanhangige
wetsvoorstellen is rblz.|25|
opgenomen (paragraaf 4.2).
Vervolgens wordt ingegaan op het SWI-traject [zie o.m. Samenwerkingsbesluit
SWI, red.], aan de hand waarvan zal worden nagegaan of, en zo
ja hoe, invulling van het wettelijke kader wenselijk is (paragraaf 4.3).
In paragraaf
4.4 wordt de rol van het
voorliggende wetsvoorstel binnen het eerder besproken geheel
weergegeven.
4.2.
Wettelijk kader tot nog toe
4.2.1.
Samenwerkingsverplichtingen
De
wens tot vergroting van de samenwerking heeft de laatste jaren haar
beslag gekregen in diverse wetten en wetsvoorstellen. De Abw
(artikel
111), de Ioaw en de Ioaz
(de artikelen 34) bevatten inmiddels de
verplichting voor
gemeenten om samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De huidige Osv (artikel 63) legt de bedrijfsverenigingen de plicht op
samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten.
Daarnaast is op 1 juli 1996 artikel 30a Osv in werking getreden,
dat de SVB verplicht ten behoeve van
Anw-gerechtigden met een nabestaandenuitkering
samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Alle vier de
wetten bevatten de opdracht de wijze waarop de samenwerking wordt
ingevuld te verantwoorden, in de Abw, Ioaw
en Ioaz via een jaarlijks plan, in de huidige Osv via een jaarlijkse
rapportage aan de
minister
en via de verplichting gemaakte samenwerkingsafspraken ter kennis te
brengen van het Tica. Ten slotte bevatten de Abw, Ioaw, Ioaz en Osv
(deze laatste slechts wat betreft de samenwerking tussen de SVB en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie) nog de mogelijkheid bij (of, in het
geval van artikel 30a Osv ook, krachtens) AMvB regels te stellen
met betrekking tot de samenwerking.
Het
wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24
450, nr. 317), dat naar verwachting op 1 januari 1997 in werking zal
treden, completeert het stelsel van samenwerkingsverplichtingen door in
artikel 6 ook rechtstreeks de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
op te dragen met het oog op inschakeling van uitkeringsgerechtigden in
het arbeidsproces samen te werken met de bedrijfsverenigingen en met de gemeenten.
Ook die wet zal de plicht bevatten verantwoording af te leggen over de
wijze waarop dat gebeurt (opname in landelijk beleidsplan en in
regionale beleidsplannen; zie de artikelen 51 en 54 van dat
wetsvoorstel), alsmede de mogelijkheid bij of krachtens AMvB regels te
stellen ten aanzien van de samenwerking. In het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet
1996 (Kamerstukken I 1995-1996, 24 554, nr. 318) worden, ten
slotte, de op bedrijfsverenigingen en burgemeester en wethouders
gerichte samenwerkingsbepalingen in de
Abw, Ioaw, Ioaz
en
Osv zo gestroomlijnd dat uiteindelijk voor
iedere kolom de verplichting zal ontstaan met de andere twee kolommen
samen te werken, terwijl tevens in iedere wet geregeld zal zijn dat bij
of krachtens AMvB op dit punt regels kunnen worden gesteld.
Overigens wordt nog opgemerkt dat - om de samenwerking in de regio
gemakkelijker tot stand te doen komen - in artikel 37 van de huidige Osv
de opdracht aan het Tica is opgenomen te bevorderen dat de kantoren
waarin taken van de bedrijfsverenigingen door de bedrijfsverenigingen of
uitvoeringsinstellingen worden uitgeoefend, zoveel mogelijk bijeen
zijn geplaatst in de werkgebieden van de RBA’s.
4.2.2. Voor de
samenwerking relevante financiële aspecten
In het wetsvoorstel
Arbeidsvoorzieningswet 1996 is opgenomen dat de rijksbijdrage aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt verdeeld
in een rblz.|26|
basisbijdrage en een
prestatiebijdrage. De basisbijdrage dient de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voornamelijk te gebruiken voor de
zogenaamde basisdienstverlening. Het gaat daarbij om het inrichten en in
stand houden van een landelijk gespreide organisatie voor de openbare
arbeidsbemiddeling, om het registreren van werkzoekenden en van
vacatures en om het "matchen" daarvan, om het verzamelen en
analyseren van arbeidsmartkinformatie en om het geven van informatie en
advies over arbeidsmarktvraagstukken, studie- en beroepskeuze en om-,
her- of bijscholing. De prestatiebijdrage dient te worden gebruikt voor
de dienstverlening ten behoeve van moeilijk plaatsbare werkzoekenden
(door middel van het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in
het bijzonder door scholing, en het leveren van bijzondere inspanningen
voor hun arbeidsbemiddeling) en voor het leveren van diensten aan
werkgevers ter vervulling van moeilijk vervulbare vacatures. Het
Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) verdeelt het
prestatiebudget over de RBA’s. Vervolgens dienen deze RBA’s met de gemeenten
in hun regio en de bedrijfsverenigingen afspraken te maken over het
gedeelte van het prestatiebudget dat ten behoeve van de moeilijk
plaatsbare cliënten van beide kolommen zal worden gebruikt. Aldus zal
de nieuwe wijze van financiering van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
meer overleg en afstemming met de uitvoeringsorganisaties sociale
verzekeringen met zich brengen.
Onder de voorwaarde dat afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de
prestatiebijdrage, zullen laatstgenoemde instanties daarnaast nog de
mogelijkheid krijgen om ten behoeve van moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigden diensten in te kopen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Dit is neergelegd in het wetsvoorstel Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996. In de zogenaamde "Veegwet"
is neergelegd dat het inkoopbudget van bedrijfsverenigingen ten behoeve
van moeilijk plaatsbare ontslagwerklozen met een WW-uitkering
over 1997 ƒ45 mln, en over 1998 en 1999 telkens ƒ50 mln zal bedragen
(steeds exclusief de door de bedrijfsverenigingen ten behoeve van de
inkoop te maken uitvoeringskosten).¹
1. Zie artikel
XXXVI
van de Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met de wetten
TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen, Stb. 1995,
691; ook wel "Veegwet" genoemd). Overigens is er ook voor 1996
al een inkoopbudget (van ƒ50 mln). Aangezien de rijksbijdrage over het
jaar 1996 niet uit twee delen bestaat, geldt voor de besteding van dit
budget niet dat eerst afspraken gemaakt moeten zijn over de inzet van
(een deel van) de rijksbijdrage. Het Tica heeft het inkoopbudget over
1996 verdeeld bij besluit van 15 februari 1996, goedgekeurd bij besluit
van 24 april 1996 (Stcrt. 6 mei 1996, nr. 86).
4.3.
Samenwerking in de praktijk: SWI
4.3.1. Inleiding
Uit
paragraaf 4.2 kan de
conclusie worden getrokken dat in bestaande en voorgenomen
regelgeving een kader is gecreëerd waarbinnen de samenwerking tussen de
drie kolommen tot stand kan komen. De vraag die vervolgens rijst, is
hoe tot daadwerkelijke samenwerking gekomen kan worden.
Vooraf moet worden opgemerkt dat er in diverse regio’s reeds wordt
samengewerkt en dat er op dit punt veel in ontwikkeling is. Het
Instituut voor Arbeidsmarktonderzoek (IVA) ¹ heeft een inventarisatie
gemaakt van de samenwerkingsprojecten die in het voorjaar van 1994
bestonden, en van de modellen die daarbij werden gebruikt. Daaruit
blijkt dat de diversiteit in samenwerkingsvormen tussen regio’s en ook
binnen regio’s groot is, en dat er niet steeds dezelfde
samenwerkingpartners bij betrokken zijn. Het IVA concludeerde dat zes
hoofdvormen van samenwerking werden gehanteerd, met in totaal 225
grotere samenwerkingsverbanden. Voor een nadere uiteenzetting over het
IVA-onderzoek zij verwezen naar paragraaf 6.2 van de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996.
1. IVA / R. Essers e.a.:
Samenwerking in beweging. Een landelijke inventarisatie van de
Samenwerking tussen
Arbeidsvoorziening en de uitvoeringsorganisaties sociale zekerheid,
Tilburg, december 1994.
Omdat de
uitvoeringspraktijk intensief bezig is met het ontwikkelen van samenwerkingsvormen,
terwijl eerdere ervaringen leren dat een decentrale aanpak, dicht bij de
problematiek, tot de beste resultaten leidt,
acht rblz.|27|
het kabinet het vooralsnog
onwenselijk om centraal regels te stellen over de wijze waarop in de
regio door de drie kolommen moet worden samengewerkt. In plaats daarvan
is de voorzitter van het Tica verzocht samen met de voorzitter van het CBA
en een vertegenwoordiger van de gemeenten een
gezamenlijke taakopdracht te formuleren voor een veranderingsproces
gericht op procesgerichte samenwerking tussen de drie kolommen.
Daarnaast is hem opgedragen erop toe te zien dat alle bevoegdheden
inzake de gevalsbehandeling bij de
uitvoeringinstellingen
in de regio komen te liggen, inclusief de bevoegdheden die nodig zijn
voor de samenwerking. De taakopdracht heeft geleid tot een
"gezamenlijke veranderingsopdracht en aanpak Tica, CBA, VNG",
die bij brief van 25 augustus 1995 aan de bewindslieden van
SZW is aangeboden. De uitvoering van de
taakopdracht en van bijbehorend plan van aanpak zal geschieden door de
Regiegroep SWI waaraan de voorzitter van het Tica, de vice-voorzitter
van het CBA en een directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) deelnemen, onder leiding van eerstgenoemde. Bij brief van 4
september 1995 hebben de bewindslieden met de invulling van de
taakopdracht ingestemd. Vervolgens heeft de Regiegroep voor de
ondersteuning bij de uitvoering van haar taakopdracht een
projectorganisatie ingericht.
4.3.2. Startdocument SWI
Op
1 maart 1996 bracht de Regiegroep het Startdocument Werk en Inkomen uit.
Dit document kan worden beschouwd als een uitwerking van de gezamenlijk
veranderingsopdracht, met als doel samenwerking tussen de drie partijen
in de regio op te starten dan wel een verdieping of versnelling aan te
brengen bij reeds bestaande samenwerkingsverbanden. Het is op grote
schaal verspreid onder lokale en regionale overheden,
bedrijfsverenigingen,
uitvoeringsinstellingen, RBA’s en
gemeentelijke sociale diensten.¹ In het Startdocument worden
betrokkenen, alsmede bestaande samenwerkingsverbanden van betrokkenen,
uitgenodigd om te komen tot het opstellen van een plan van aanpak voor
(verdere) samenwerking.
1. Daarnaast is het op 14
maart aan de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer aangeboden (SV/UB/96/1095).
Randvoorwaarden
De Regiegroep wil
ingevolge het Startdocument voorlopig de mogelijkheid geven om in
de regio "honderd bloemen te laten bloeien", met dien verstande dat de
samenwerkingsverbanden binnen de volgende vier randvoorwaarden dienen te blijven.
1. De partijen blijven
ieder hun verantwoordelijkheid behouden zoals die is vastgelegd in
vigerende wetgeving of in wetsvoorstellen die naar verwachting op afzienbare
termijn in werking zullen treden.
2. Er vindt een
gemeenschappelijke intake plaats. Deze intake bestaat uit een
administratief deel en - voor degenen die niet direct bemiddelbaar zijn
- een kwalificerend deel. Deze twee onderdelen hoeven niet per se in
dezelfde kolom plaats te vinden. Van belang is dat de
samenwerkingspartner die de administratieve intake verricht ook gegevens
verzamelt die voor de andere partners van belang zijn, dat deze gegevens
voor hen (voor zover relevant) beschikbaar zijn en ook door hen erkend
worden. De intake mondt uit in een globale - door alle partners
geaccepteerde - aanbodanalyse, waarbij onder meer wordt vastgesteld
welke afstand tot de arbeidsmarkt de betrokken cliënt heeft.
Uitgangspunt voor deze bepaling is het model dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
daartoe heeft ontwikkeld en dat met ingang van 1 januari 1996 door alle
arbeidsbureaus [zie Centra
voor werk en inkomen (CWI), red.] wordt gebruikt. Het
betreft hier indeling in klantgroepen
2 (na rblz.|28|
kort arbeidsinpassingstraject
bemiddelbaar), 3 (na lang arbeidstraject bemiddelbaar) of 4 (nog niet
bemiddelbaar).
3. De samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de uitkeringsorganen sociale zekerheid dient te worden ondersteund
door een bij voorkeur geautomatiseerd, actueel cliëntvolgsysteem dat
door alle betrokken organisaties gebruikt moet kunnen worden. Dit
systeem zal allereerst de informatieoverdracht tussen de partijen moeten
dienen. Daarnaast dient het het uitkeringsproces en het proces van
toeleiding tot de arbeidsmarkt te ondersteunen en
management/bestuursinformatie te genereren.
4. Informatie-uitwisseling
over de vraagzijde van de arbeidsmarkt (regionale, sectorale en
landelijke informatie over trends, ontwikkelingen en vacatures) vindt
nog niet op grote schaal plaats. Toch is dit nodig, omdat er een
duidelijke koppeling is met enerzijds de diagnose van de afstand tot de
arbeidsmarkt, anderzijds de keuze voor investeringen in trajecten en
koppeling aan mogelijkheden en instrumenten van arbeidstoeleiding. De
samenwerkingsverbanden dienen er zich daarom voor in te spannen ook op
dit punt een adequate informatie-uitwisseling tot stand te brengen.
Verantwoordelijkheid voor
hoofdprocessen uitkeringsverzorging
De
Regiegroep SWI onderscheidt zes hoofdprocessen van uitkeringsverzorging
en arbeidsmarkttoeleiding, te weten de administratieve intake, de
uitkeringsverzorging, de kwalificerende intake, het opstellen van een
trajectplan, het uitvoeren van het trajectplan, en de
plaatsing/bemiddeling. Belangrijk is dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitkeringsorganisaties sociale
zekerheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid erkennen voor het gehele
arbeidsmarkttoeleidingsproces. Dit kan worden vormgegeven door middel
van afspraken met elkaar, waarin onder meer wordt vastgelegd wie voor
welk proces verantwoordelijk is. De Regiegroep doet daartoe in hoofdstuk
5 van haar Startdocument enkele suggesties.
Samenwerkingsvormen
Ten
slotte behandelt de Regiegroep in haar Startdocument een aantal
samenwerkingsvormen, te weten het één-dossiermodel, het
één-lokatiemodel en het één-loketmodel. De Regiegroep constateert
dat ook combinaties van deze modellen mogelijk zijn. Zij heeft in het
Startdocument niet één bepaald model aanbevolen.
4.3.3. Vervolgacties SWI
Zoals reeds in
paragraaf
4.3.2 is gemeld, worden lokale en regionale overheden,
bedrijfsverenigingen,
uitvoeringsinstellingen, RBA’s en
gemeentelijke sociale diensten, alsmede hun bestaande
samenwerkingsverbanden, in het Startdocument uitgenodigd om een plan van
aanpak voor (verdere) samenwerking op te stellen en dit te zenden aan de
Regiegroep SWI. Deze zal de plannen toetsen op samenwerkingsaspecten en
de betrokkenen van het resultaat op de hoogte stellen (met eventueel
advies over mogelijkheden tot verbetering). Daarnaast zal de Regiegroep
op basis van de binnengekomen plannen en van de rapportages van de vier
projectteams een actieplan opstellen, waarin onder andere zal worden
aangegeven:
- welke aanvullende criteria noodzakelijk zijn voor de samenwerking;
- bij welke samenwerkingsverbanden specifieke onwikkelingprojecten
mogelijk c.q. wenselijk zijn en op welke punten die worden toegespitst
(zo rblz.|29|
kan het ene project worden
gericht op de gemeenschappelijk intake, een volgende op het
één-loketmodel, weer een ander op het tot stand brengen van een
geïntegreerd cliëntvolgsysteem, etcetera);
- op welke wijze de randvoorwaarden voor samenwerking verbeterd kunnen
of moeten worden;
- op welke wijze samenwerkingsverbanden kunnen worden ondersteund.
Na
terugkoppeling met het
CBA, het Tica en de VNG,
zal het actieplan ten uitvoer worden gebracht.
4.3.4. Eindresultaat SWI
Dit
hele proces dient eind 1996 tot meer duidelijkheid over de meest
succesvolle en effectieve samenwerkingsvormen te leiden. Ook zal dan een
eerste inzicht moeten bestaan over de vraag in hoeverre stroomlijning in
de veelheid van samenwerkingvormen wenselijk is en of bestaande
wetgeving ontoereikend dan wel belemmerend is voor de procesgerichte
samenwerking. De Regiegroep verwacht begin 1997 de bewindslieden van SZW
van haar bevindingen in dezen op de hoogte te kunnen stellen.
Op grond daarvan zal het
kabinet bezien hoe de samenwerking verder kan worden uitgebouwd,
waar wellicht regulering nodig is en aan welke eisen de samenwerking in
de structurele situatie moet voldoen.
4.4.
Rol voorliggend wetsvoorstel voor samenwerking en uitvoering in de regio
4.4.1. Regionale
uitvoering en integrale gevalsbehandeling
Zoals in
hoofdstuk 2 is aangegeven, dient één van de
kenmerken van de nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
regionale uitvoering en integrale gevalsbehandeling te zijn. De
aansluiting met de werkzaamheden van de
gemeenten en de RBA’s zal moeten
worden verzekerd. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe deze eis in het voorliggende wetsvoorstel
is ingevuld.
Samenwerking in regio
In
dit wetsvoorstel wordt onder meer geregeld
dat niet meer de bedrijfsverenigingen verantwoordelijk zijn voor de
uitvoering van de werknemersverzekeringen, de AAW,
de TW en de Wagw, maar het Lisv.
Daarbij wordt het Lisv overigens ook expliciet opgedragen te bevorderen
dat personen die een uitkering ontvangen op grond van bovengenoemde
wetten, worden ingeschakeld in het arbeidsproces. Het Lisv wordt dan ook
verantwoordelijk voor een goede inzet van de diverse
reïntegratiemaatregelen. Daarnaast zal het Lisv verantwoordelijk dienen
te worden gesteld voor een goed gebruik van het inkoopbudget uit de Veegwet
en voor de vaststelling en besteding van het in het wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
neergelegde structurele inkoopbudget.¹
Uiteraard dient het Lisv samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de
gemeenten. Dit is neergelegd in artikel 43 [45]
van het voorliggende wetsvoorstel [zie ook Samenwerkingbesluit
SWI,
red.]. In artikel 36 [38:4] wordt het
Lisv de verplichting opgelegd ieder jaar vóór 1 augustus een plan van
werkzaamheden voor het komende jaar aan de
minister
aan te bieden. In dit plan dient onder meer aandacht te worden besteed
aan de wijze waarop het Lisv zijn reïntegratie- en samenwerkingstaken
invult.
1. In het nog op te stellen
wetsvoorstel Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen (IOsv)
[zie Invoeringswet Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (IOsv 1997), red.] zullen de hierop
betrekking hebbende bepalingen in de diverse wetten dienovereenkomstig
worden aangepast.
rblz.|30|
Het Lisv
dient de daadwerkelijke uitvoering (inclusief het bevorderen van de
arbeidsinschakeling en daarmee de inzet van reïntegratiemaatregelen)
per sector of sectoronderdeel door middel van een
administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten te laten verrichten door
een uitvoeringsinstelling. De directe
samenwerkingspartners van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en gemeenten in de regio zullen dan ook de
uitvoeringsinstellingen zijn. Het voorgestelde artikel 43 [45]
draagt het Lisv ook op ervoor zorg te dragen dat de
uitvoeringsinstellingen onder meer om de inschakeling van
uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen, samenwerken
met elkaar, met de gemeenten, met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
met andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten die
verband houden met de taken van het Lisv. Uiteraard dient in het door
het Lisv op te stellen plan van werkzaamheden niet alleen aandacht te
worden besteed aan de wijze waarop het Lisv zijn reïntegratie- en
samenwerkingstaak zal invullen, maar ook aan de wijze waarop de
uitvoeringsinstellingen dit zullen doen.
Met
dien verstande dat de
uitvoeringsinstellingen dienen te blijven binnen de
samenwerkingsafspraken die door het
Lisv zijn gemaakt, hebben deze
instellingen de vrijheid om samen met de andere twee kolommen te bezien
wat het best op landelijk en wat op regionaal niveau wordt afgesproken.
Zoals in paragraaf 4.3.1 reeds werd gememoreerd,
heeft de ervaring geleerd dat een regionale aanpak bij de samenwerking
van groot belang is. Voorkomen dient te worden dat te veel beslissingen
op landelijk niveau worden genomen. Het maken van afspraken op regionaal
niveau wordt in
voorliggend wetsvoorstel bevorderd doordat in artikel 41 [43],
vierde lid, onderdeel e, wordt voorgeschreven dat in de tussen
het Lisv en de uitvoeringsinstellingen te sluiten overeenkomsten in
ieder geval wordt geregeld dat het bestuur van iedere
uitvoeringinstelling ten minste aan één persoon in iedere regio als
bedoeld in artikel 36 [38], tweede lid, dan
wel in meerdere van die regio’s (hierover meer in het hiernavolgende),
de bevoegdheid geeft om namens dit bestuur beslissingen te nemen ter
uitvoering van de reïntegratietaak. De betrokken persoon of personen
fungeren daarmee ook als personen met wie het RBA (of de RBA’s)
en de
gemeenten
in de regio (respectievelijk regio’s) samenwerkingsafspraken kunnen
maken.
Aanspreekpunt cliënten
in regio
Met
het oog op de benaderbaarheid voor uitkeringsgerechtigden, werknemers en
werkgevers is het gewenst dat iedere uitvoeringsinstelling
in de regio voldoende bereikbaar is, oftewel, dat in iedere regio een
frontofficefunctie in stand wordt gehouden. Artikel 44 [46]
bepaalt dan ook dat de uitvoeringsinstelling in iedere regio voor
betrokkenen voldoende bereikbaar moet zijn. Niet is voorgeschreven dat
de zogenaamde backofficeactiviteiten (bijvoorbeeld de berekening van de
hoogte van de uitkering) in de regio moeten worden verricht. Voor de
uitkeringsgerechtigde is dat namelijk minder van belang. Waar het om
gaat is dat hij een contactpunt in of in de nabijheid van zijn
woonplaats heeft.
Tevens is niet voorgeschreven op welke wijze de
frontofficefunctie dient te worden vormgegeven. Grotere
uitvoeringsinstellingen zullen per regio waarschijnlijk meerdere
kantoren in stand houden (waarin indien gewenst ook de
backofficeactiviteiten zullen kunnen worden verricht, zie boven), minder
grote kunnen kiezen voor een rondreizend kantoor. Kleine
uitvoeringsinstellingen of uitvoeringsinstellingen met weinig cliënten
in de betrokken regio, zullen er misschien voor kiezen de
frontofficeactiviteiten waar te laten nemen door een andere
uitvoeringsinstelling. Daarnaast is het uiteraard mogelijk - en in de
ogen van het kabinet zelfs zeer gewenst - om tezamen met de arbeidsbureaus
en de gemeentelijke sociale diensten frontoffices in stand te houden.
Dit wordt in het rblz.|31|
voorliggende artikel echter
niet voorgeschreven. Zoals in paragraaf 4.3 is
aangegeven, wil het kabinet pas een eindoordeel over de wenselijkheid
van een dergelijk voorschrift vellen nadat het eindrapport van de
Regiegroep SWI ter beschikking is gekomen.
Opgemerkt wordt dat het feit dat in de wet
geen voorschriften worden gegeven over de organisatie van de
frontofficefunctie in de regio of over de plaats waar de
backofficeactiviteiten worden verricht, niet inhoudt dat de
uitvoeringsinstellingen dit zonder meer zelf kunnen bepalen.
Hierover dienen afspraken te worden gemaakt met het Lisv,
die in de administratieovereenkomsten of de jaarovereenkomsten worden
neergelegd. Uiteraard speelt ook hierbij overigens weer het
samenwerkingsaspect met de overige twee kolommen.
Regio’s
Samengevat dient de
uitvoeringsinstelling derhalve in iedere
regio voldoende bereikbaar te zijn voor werkgevers, werknemers en
uitkeringsgerechtigden, terwijl ten behoeve van de samenwerkingspartners
in iedere regio of combinatie van regio’s een beslissingsbevoegde
persoon aanwezig dient te zijn. Van belang daarbij is dat er een
duidelijke regio-indeling bestaat. Met het oog hierop wordt in artikel
36 [38], tweede lid, van het voorliggende
wetsvoorstel bepaald dat het Lisv
Nederland in regio’s indeelt.
Dit dient zoveel mogelijk overeenkomstig de
werkgebieden van de RBA’s te geschieden.
Evenals dit het geval is in artikel 37, onderdeel a, van de huidige Osv,
laat dit artikel de mogelijkheid open dat in bijzondere gevallen van de
RBA-indeling wordt afgeweken. Hiervoor moet het Lisv dan uiteraard wel
een goede reden hebben. Gedacht kan worden aan de situatie waarin de
RBA-grenzen met ingang van een bepaalde datum gewijzigd worden (al dan
niet tengevolge van een toe- of afname van het aantal RBA-regio’s).
Mede gezien de contractuele relaties die het Lisv met de
uitvoeringsinstellingen onderhoudt, wordt het opleggen van een
verplichting dergelijke wijzigingen te allen tijde direct en automatisch
te volgen onwenselijk geacht.
De
regio-indeling van het
Lisv geldt voor alle
uitvoeringsinstellingen. Met name vanaf 2000 zal het echter kunnen
voorkomen dat er uitvoeringsinstellingen zijn die slechts de uitvoering
verrichten voor een deelsector van het bedrijfs- en beroepsleven die
bovendien niet in alle Lisv-regio’s vertegenwoordigd is. Stel dat er
bijvoorbeeld een uitvoeringsinstelling komt die louter de uitvoering
voor de deelsector havens verricht. Verwacht kan worden dat het gros van
de cliënten van deze uitvoeringsinstelling woont of zetelt in de
Lisv-regio’s waarin de havens zijn gelegen. Het zou nu voor deze
uitvoeringsinstelling te ver gaan om voor te schrijven dat in iedere
Lisv-regio ten minste één persoon aanwezig dient te zijn die bevoegd
is om reïntegratie- en samenwerkingsbeslissingen te nemen. In een in
Limburg gelegen regio, bijvoorbeeld, zal in het gegeven voorbeeld aan zo’n
persoon weinig behoefte zijn. Met het oog daarop is het artikel dan ook
zo opgesteld dat ook voor een combinatie van regio’s een
beslissingsbevoegde persoon kan worden aangewezen. Zo zou er in het
bovenstaande voorbeeld voor kunnen worden gekozen één (of meer)
beslissingsbevoegde persoon (personen) aan te wijzen voor iedere
Lisv-regio waarin havens zijn gelegen en één persoon voor de rest van
Nederland, oftewel voor de overige Lisv-regio’s. Dit laatste is met
name van belang voor de reïntegratie-inspanningen voor die
uitkeringsgerechtigden, die wonen buiten de Lisv-regio’s waarin de
havens zijn gelegen.
Iedere
uitvoeringsinstelling dient wel in elke Lisv-regio
voor cliënten voldoende bereikbaar te zijn. Wat dit betreft is
samenvoeging
van regio’s rblz.|32|
dus niet
mogelijk. De reden daarvan is dat het van belang is dat cliënten van
uitvoeringsinstellingen in of in de nabijheid van hun woonplaats
respectievelijk hun plaats van vestiging een aanspreekpunt hebben. Ook in het
geval waarin de werkzaamheden van een uitvoeringsinstelling hoofdzakelijk ten
behoeve van één of enkele regio’s worden verricht (zoals in het
bovenstaande voorbeeld), zullen er nog wel cliënten buiten die regio’s zijn.
De verplichting in iedere Lisv-regio bereikbaar te zijn voor cliënten hoeft
overigens zelfs in een regio waar slechts enkele cliënten wonen niet tot
problemen te leiden, aangezien er in dat geval voor gekozen kan worden de
frontofficeactiviteiten door een andere uitvoeringsinstelling, die gezien haar
cliëntgroepen wél goed in de betreffende regio’s vertegenwoordigd moet
zijn, te laten uitvoeren.
4.4.2. Relatie met SWI
Als
gezegd acht het kabinet het niet gewenst om op dit moment door middel
van regelgeving voor te schrijven hoe op regionaal niveau moet worden
samengewerkt. Het kabinet wil pas naar aanleiding van de resultaten van
de Regiegroep SWI bezien of invulling van de mogelijkheid bij of
krachtens AMvB regels te stellen met betrekking tot de samenwerking
wenselijk is dan wel of wijziging van formele wetten nodig is. Het voorliggende wetsvoorstel
bevat dan ook geen elementen die het in paragraaf 4.2
beschreven kader inhoudelijk nader invullen. Gesteld kan derhalve worden
dat de regelgeving in het voorliggende wetsvoorstel het SWI-traject niet
belemmert. Sterker nog, het voorliggende wetsvoorstel bevordert dat
traject juist doordat wordt voorgeschreven dat in iedere regio of
combinatie van regio’s ten minste één persoon aanwezig dient te zijn
die beslissingen kan nemen over de samenwerking in die regio(’s).
Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel duidelijkheid gegeven over de wijze
waarop de sectorale inbreng tot uitdrukking zal komen.
Gezien het bovenstaande is het niet nodig om met invoering van de Osv
1997 te wachten totdat meer duidelijkheid is verkregen over de
vraag of, en zo ja, hoe nadere regelgeving op het punt van de
samenwerking nodig is.
4.4.3. Arbeidsbemiddeling gedeeltelijk
arbeidsgeschikten
In
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet
1996 (paragraaf 6.6) en in de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
(hoofdstuk 5) is aangegeven dat de uitzonderingssituatie die op dit
moment geldt voor de bemiddeling van de zogenaamde "Wagw-bemiddelingspopulatie"
beëindigd zal worden op het moment dat de nieuwe organisatie van de
uitvoering van de sociale verzekeringen van kracht wordt.
De
uitzonderingssituatie bestaat daarin dat artikel 16, tweede lid, van de
Wagw de bedrijfsverenigingen tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip mede verantwoordelijk stelt voor de arbeidsbemiddeling van een
aantal groepen cliënten die zijn aangeduid in de ministeriële regeling
van 18 december 1995, nr. SV/WV/95/5228, Stcrt. 1995, 248
(Regeling arbeidsbemiddelingstaak Wagw).
Ruw samengevat gaat het hier om personen met
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, met een uitkering op grond van de Ziektewet
dan wel met recht op loondoorbetaling wegens ziekte, met een
werkvoorziening, personen wier arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingetrokken omdat zij minder dan 15 of 25% arbeidsongeschikt zijn
geworden, en alle andere personen (uitgezonderd WW-gerechtigden)
die wegens ziekte of gebrek een belemmering ondervinden om tot de
arbeidsmarkt toe te treden. rblz.|33|
Gezien de bepalingen in de
huidige Arbeidsvoorzieningswet staat deze verantwoordelijkheid formeel
naast die van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
In de wetsvoorstellen Arbeidsvoorzieningswet 1996 en Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
is, om duidelijkheid te scheppen, geregeld dat de bedrijfsverenigingen
en het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP)
totdat de bemiddelingstaak van de bedrijfsverenigingen krachtens het op
artikel 16, tweede lid, Wagw te treffen koninklijk besluit vervalt, bij
uitsluiting verantwoordelijk zijn voor bemiddelingsactiviteiten die
uitgaan boven de basisbemiddeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Dit laat overigens onverlet dat de bedrijfsverenigingen hun
arbeidsbemiddelingstaak ten aanzien van Wagw-populatie kunnen invullen
door middel van inkoop van diensten bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of bij derden. Dit geschiedt ook nu
overigens al.
Het
kabinet is van mening dat deze uitzonderingssituatie beëindigd moet
worden. De arbeidsbemiddelingstaak dient over te gaan op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
terwijl tegelijkertijd het Lisv wel de
reïntegratietaak zal moeten behouden. Dit laatste is neergelegd in het
huidige wetsvoorstel: artikel 36 [38],
eerste lid, onderdeel b, geeft het Lisv onder meer de taak te
bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen op grond van de
wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering, de wettelijke
ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekeringen, de TW
en personen die onder de Wagw vallen, worden ingeschakeld in het
arbeidsproces.
Regeling van het eerste onderdeel, namelijk de overgang van de
arbeidsbemiddelingstaak op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
zou - wil de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling gelijktijdig met de
nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekering in werking kunnen
treden - in de Invoeringswet Osv 1997
moeten geschieden. Aan de uitwerking van de nieuwe
verantwoordelijkheidsverdeling is echter een aantal complicaties
verbonden.
De
Regiegroep SWI heeft een rapport in voorbereiding over de vraag hoe de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en het Lisv c.q. de
uitvoeringsinstellingen in de nieuwe constellatie moet worden
geregeld (Intake en Aanbodanalyse Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Het
kabinet is van mening dat het van belang is het rapport van de
Regiegroep af te wachten voordat tot nadere regelgeving wordt
overgegaan. Mede aan de hand van het rapport zal worden bekeken hoe in
het wetsvoorstel
Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 de nieuwe
taakverdeling zal worden vormgegeven. In ieder geval zal in dat
wetsvoorstel worden geregeld dat de in de Wagw opgenomen
arbeidsbemiddelingstaak vervalt.
5.
Het toezicht op de sociale verzekeringen
5.1.
Inleiding
Bij het tot stand komen van de huidige Osv is
het toezicht ¹ op de uitvoering van de sociale verzekeringen ingrijpend
gewijzigd. Op dat moment is de Sociale Verzekeringsraad (SVr) vervangen
door het College
van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). De belangrijkste
punten waarop het toezicht dat het Ctsv uitoefent, afwijkt van het
toezicht dat door de SVr werd uitgeoefend, zijn dat het toezicht
volledig onafhankelijk is van sociale partners en dat het Ctsv tot taak
heeft om corrigerend toezicht uit te oefenen. Dit laatste betekent dat,
indien het Ctsv constateert dat de uitvoering van de sociale
verzekeringen op één of meer punten niet voldoet aan de daarvoor
geldende normen, het Ctsv tot taak heeft om
de rblz.|34|
uitvoering te corrigeren.
De normen voor correctie van de uitvoering ontleent
het Ctsv aan de eisen die vanuit rechtmatigheid en doelmatigheid aan de
uitvoering gesteld worden.
Het Ctsv beschikt voor het uitoefenen van
corrigerend toezicht over het benodigde instrumentarium, zoals onder
andere de mogelijkheid om uit hoofde van zijn taak een aanwijzing te
geven aan de SVB en het Lisv.
Het Ctsv is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO).
Dat houdt in dat het een publiekrechtelijk orgaan van de centrale
overheid is waaraan de uitvoering van een bestuurstaak is opgedragen
zonder dat er sprake is van een hiërarchische ondergeschiktheid aan de minister.
De keuze voor de uitvoering van taken door een ZBO impliceert dat
bepaalde bevoegdheden en verantwoordelijkheden, die essentieel zijn voor
een goede taakuitoefening, bij het ZBO worden neergelegd. Formeel kan
gesteld worden dat de ministeriële verantwoordelijkheid daardoor
beperkt wordt. Immers bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden niet
door de minister uitgeoefend, maar zijn overgedragen. Wel is de minister
gehouden om op vragen van het parlement antwoord te geven. Via deze lijn
bestaat er een politieke aanspreekbaarheid van de minister.
In het kader van de voorbereidingen van dit wetsvoorstel
is het kabinet nagegaan of er voor het toezicht op de uitvoering van de
sociale verzekeringen betere modellen denkbaar zijn dan het bestaande
toezichtsmodel. De conclusie van het kabinet, die bij brief van 23 april
1996 aan de Tweede Kamer is medegedeeld (Kamerstukken II 1995-1996, 24
653, nr. 12), is dat het bestaande toezichtsmodel op hoofdlijnen dient
te worden gehandhaafd.
De commissie-Van Zijl doet in haar rapport
"Heel het raderwerk" dat op 24 juni 1996 aan de Tweede Kamer
is aangeboden (Kamerstukken II 1995-1996, 24 653, nr. 15) de aanbeveling
het toezichtsmodel te heroverwegen. Het kabinet geeft in het navolgende
een reactie op de aanbevelingen van de commissie-Van Zijl die over het
toezichtsmodel gaan.
1. Voor het begrip
toezicht dat wordt gebruikt is aangesloten bij de
definitie die de Algemene Rekenkamer hanteert. De
Algemene Rekenkamer merkt het uitoefenen van toezicht aan als een proces dat
uiteenvalt in de volgende stappen: het
bepalen van controles, het uitvoeren van
controles, treffen van maatregelen en het nagaan of
maatregelen effect hebben.
5.2.
Aanbevelingen van de commissie-Van Zijl inzake het toezichtsmodel
De eerste aanbeveling van de Commissie is dat
de wetgever zich grondig rekenschap moet geven van de vraag in hoeverre
het huidige toezichtsmodel heroverweging verdient waar het gaat om de
volgende samenhangende elementen: ministeriële verantwoordelijkheid,
status als ZBO en reikwijdte van het toezicht. Daarbij moet de wetgever
helderheid verschaffen over:
- de gewenste taakafbakening tussen ministerie
en Ctsv;
- de gewenste onafhankelijkheid van het Ctsv van het ministerie;
- de wenselijkheid en inhoud van het sturend toezicht.
In
het voorliggend wetsvoorstel is sprake van
een duidelijke taakafbakening tussen de
minister
enerzijds en het Ctsv anderzijds. Naar de
mening van het kabinet zal aldus een helder systeem van "checks and
balances" ontstaan. Het Ctsv beschikt over een
aanwijzingsbevoegdheid, hetgeen betekent dat het college uit hoofde van
zijn taak aanwijzingen zal kunnen geven aan de SVB
en het Lisv.
De minister is verantwoordelijk en dus politiek
aanspreekbaar op zijn rol als (mede)wetgever, op de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de uitgaven en op het aandeel van de uitvoering waar
de minister eigen bevoegdheden heeft gehouden.
De
minister
beschikt niet over instrumenten om de SVB en
het Lisv
rechtstreeks aan te sturen anders dan door wet- en regelgeving en door
bestuurlijk overleg over concept-plannen van werkzaamheden van de SVB en
het Lisv.
rblz.|35|
Het Ctsv
is verantwoordelijk voor het toezicht op de rechtmatige en doelmatige
uitvoering van de socialeverzekeringswetten
door de ondertoezichtgestelden en voor het hanteren van instrumenten
waarover het beschikt in het kader van het uit te oefenen toezicht.
Het
Ctsv valt onder de ministeriële
verantwoordelijkheid en baseert zich bij het toezicht in ieder geval op
normen die het ontleent aan wet- en regelgeving. Daarnaast beschikt de
minister
over bijsturingsinstrumenten ten opzichte van het Ctsv, zoals de
bevoegdheid om het budget van het Ctsv vast te stellen en de bevoegdheid
om het Ctsv een aanwijzing van algemene aard te geven. Het voorgaande
heeft tot gevolg dat het Ctsv niet onafhankelijk van de minister kan
functioneren. Het Ctsv kan als ZBO echter wel tot onpartijdige
oordeelsvorming ook ten opzichte van de minister komen.
Op de inhoud van het toezicht wordt in de
volgende paragrafen uitgebreid ingegaan.
Aan
de hand van de volgende drie voorbeelden wordt aangegeven wat de
voorgestane structuur in concreto betekent.
Indien gedurende het jaar de Tweede Kamer van mening zou zijn dat een
bepaald reïntegratie-instrument, stel de loonkostensubsidie als bedoeld
in
artikel 62 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), met onmiddellijke ingang veel frequenter zou moeten worden
toegepast dan neergelegd in het plan van werkzaamheden van het Lisv
voor het betreffende jaar, zal hierover uiteraard door de
minister
met het Lisv worden overlegd. Er is echter geen mogelijkheid om het Lisv
te dwingen de door de Kamer voorgestane beleidswijzing direct over te
nemen. Indien een eventuele weigering van het Lisv ondoelmatige
uitvoering oplevert, kan wel het Ctsv
ingrijpen. Indien het beleid van het Lisv gedurende het jaar niet
gewijzigd wordt, zal in het overleg met het Lisv over het
concept-jaarplan voor het komende jaar vervolgens (nogmaals) vanuit het
ministerie worden ingezet op frequenter gebruik van de
loonkostensubsidie. Zou het Lisv onverhoopt dan nog besluiten dit niet
te doen, dan is er een aantal mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is
dat de Kamer, na ontvangst van het vastgestelde plan, besluit nadere
actie te ondernemen. Hoewel de Kamer (anders dan door middel van
initiatiefwetgeving) geen directe mogelijkheid heeft om het Lisv aan te
sturen, zal de druk die op het Lisv ontstaat nadat de Kamer zich heeft
uitgesproken naar verwachting zo groot zijn dat een weigering tot
overname van de voorstellen van de Kamer nauwelijks denkbaar is. De
tweede mogelijkheid - die overigens ook kan worden toegepast indien in
de ogen van de Kamer de tijd tussen het kenbaar maken van het door de
Kamer gewenste nieuwe beleid en het overleg over het jaarplan voor het
komende jaar te lang duurt - is het opstellen van regelgeving. De
laatste mogelijkheid is dat het Ctsv, indien vaststaat dat het in het
jaarplan vastgelegde beleid in strijd is met de rechtmatigheid of
doelmatigheid, een aanwijzing geeft of weigert het budget van het Lisv
vast te stellen zoals op basis van het jaarplan begroot (in dat geval
zal er een nieuwe begroting moeten worden ingediend, waaraan een
gewijzigd jaarplan ten grondslag zal liggen). Indien het Ctsv in dit
geval niet uit zichzelf ingrijpt, kan de minister het Ctsv een
aanwijzing tot ingrijpen geven.
Indien de Kamer gedurende het jaar zou constateren dat het Lisv
instructies heeft doen uitgaan krachtens welke de uitkeringsinstellingen
in strijd met de wet uitkeringen moeten verstrekken (en het Ctsv
dit niet reeds zelf heeft geconstateerd en actie heeft ondernomen), is
het aan het Ctsv om in te grijpen.
Dit kan wél met onmiddellijke ingang
geschieden. Ook indien door het Lisv veel minder op reïntegratie
gerichte activiteiten zou (laten) verrichten rblz.|36|
dan in het vigerende jaarplan
opgenomen en er aldus een ondoelmatige uitvoering ontstaat, zal het Ctsv
kunnen ingrijpen. Ook in deze gevallen geldt weer dat de minister
zo nodig een aanwijzing tot handelen kan geven aan het Ctsv.
Indien de Kamer een vraag heeft die betrekking heeft op het werkterrein
waarvoor de drie ZBO’s bevoegd zijn, bijvoorbeeld een vraag over hoe
de herkeuring van WAO-gerechtigden precies
plaatsvindt, een vraag over de automatisering binnen de
SVB of een vraag over het aantal
personeelsleden bij het
Ctsv, is de
minister
uiteraard, vanuit zijn politieke aanspreekbaarheid, gehouden om deze te
beantwoorden. Echter, doordat gekozen is voor een systeem waarin de
uitvoering en het toezicht plaatsvindt door ZBO’s tengevolge waarvan
de ministeriële verantwoordelijkheid is ingeperkt, zullen deze vragen
worden doorgeleid naar Lisv, SVB
respectievelijk het Ctsv.
Ten
slotte nog het volgende. Indien gekozen wordt voor een herbevestiging
van het geïntegreerd (corrigerend) toezicht, acht de commissie-Van Zijl
het van groot belang dat bij de concrete invulling van het toezicht
goede communicatie en coördinatie plaatsvindt tussen het Ctsv
en de
minister. De Commissie geeft daarbij aan
dat het met het oog op de publieke functie van de toezichthouder valt te
overwegen de minister daarover te laten rapporteren aan de Tweede Kamer.
Om
in de toekomst adequate informatie-uitwisseling tussen het Ctsv
en de
minister
te garanderen, zullen de verantwoordingslijnen tussen het Ctsv en de
minister scherper worden vastgelegd. Voor het reguliere contact tussen
de minister en het Ctsv zal een gestandaardiseerde werkwijze worden
uitgewerkt (informatieprotocol) die een goede uitwisseling van
informatie garandeert en de eigen verantwoordelijkheid van de minister
en het Ctsv respecteert. Daarnaast zal jaarlijks aan de hand van het
concept-plan van werkzaamheden van het Ctsv bestuurlijk overleg
plaatsvinden tussen de minister en het bestuur van het Ctsv. Het
definitieve plan van werkzaamheden van het Ctsv zal aan beide kamers der
Staten-Generaal worden gestuurd. Daarbij past dan om ook de definitieve
plannen van werkzaamheden van de SVB en het Lisv
aan deze Kamers te sturen. Ook de jaarrekeningen en de jaarverslagen van
het Ctsv, de SVB en het Lisv alsmede de rechtsmatigheidsverklaringen en
doelmatigheidsrapportages van het Ctsv zullen, voorzien van een oordeel
van de minister, ter kennis worden gebracht van het parlement.
5.3.
Aanbevelingen van het interimbestuur van het Ctsv
Het interimbestuur van het Ctsv
heeft in het kader van de voorbereiding van
het wetsvoorstel op verzoek van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
zijn visie gegeven op de wenselijke structuur van de uitvoering van de socialeverzekeringswetten
bezien vanuit het toezicht op de uitvoering van deze wetten. Deze visie,
die leidt tot een aantal aanbevelingen, is als bijlage bij dit
wetsvoorstel gevoegd.
Bij het opstellen van het wetsvoorstel zijn de
aanbevelingen van het interimbestuur van het Ctsv betrokken.
Het
kabinet stemt in met de aanbeveling dat er duidelijkheid moet bestaan
over het toegelaten takenpakket van de
uitvoeringsinstellingen in de toekomst. Deze duidelijkheid wordt
naar het oordeel van kabinet voldoende gecreëerd door het
toetsingskader andere taken. Over de inhoud van het toetsingskader bent
u geïnformeerd via mijn brief van 25 juni jl. (SV/UB/96/1761). De
uitgangspunten van dit toetsingskader zijn dat de scheiding tussen
publiek en privaat gegarandeerd moet zijn en dat geen
concurrentievervalsing kan optreden ten aanzien van de uitvoering rblz.|37|
van
de niet-publieke taken. De aanbeveling om in de eindsituatie de scheiding
tussen publiek en privaat niet binnen de holding maar tussen opdrachtgever en
opdrachtnemer te leggen, is een interessante suggestie, maar vereist nadere
doordenking. Daarbij dient o.a. gedacht te worden aan extra risico’s in de
sfeer van het EG-mededingingsrecht, het waarborgen van de privacy en het
waarborgen van de toegankelijkheid van de voor het beleid noodzakelijke
informatie.
Het
kabinet beraadt zich nog over de aanbevelingen met betrekking tot het in de wet
opnemen van een experimenteerartikel en de mogelijkheid van het Ctsv
om boetes op te leggen.
De
aanbeveling van het
Ctsv om het toezicht op de uitvoering van
de Abw en eventueel de
Arbeidsvoorzieningswet over te hevelen naar het Ctsv, gaat naar het
oordeel van het kabinet het bestek van dit wetsvoorstel
te buiten. Uiteraard zal in het kader van toezicht op de uitvoering van
de sociale verzekeringen, de Abw en de Arbeidsvoorzieningswet de nodige
afstemming tussen de bestaande toezichthouders moeten plaatsvinden. Dit
zal in het vervolg van het SWI-traject aan de orde kunnen komen.
5.4.
Bestuursstructuur van het Ctsv
Ten aanzien van de bestuursstructuur van het Ctsv
beveelt de commissie-Van Zijl aan dat de wetgever zich, gezien de
eerdere ervaringen met het Ctsv, rekenschap geeft in hoeverre de huidige
wettelijke regeling verduidelijking dan wel wijziging behoeft met het
oog op een adequate interne taak- en verantwoordelijkheidsverdeling.
Voorts beveelt de Commissie aan om de selectie
van bestuursleden te laten plaatsvinden op basis van een geobjectiveerde
profielschets en een zorgvuldige professionele procedure. Bij de
selectie moet naar het oordeel van de Commissie vooral gelet worden op
persoonlijk gezag en op bestuurlijke en vooral communicatieve
vaardigheden. Materiedeskundigheid acht de Commissie daarbij minder
belangrijk dan het hebben van inzicht in relevante sociaal-politieke en
financieel-economische vraagstukken.
Maatschappelijke en politieke ervaring kan naar
het oordeel van de Commissie absoluut een meerwaarde hebben. Verder
vraagt de Commissie aandacht voor een inwerk- en overdrachtsprocedure
aan de hand van een gedegen overdrachtsdossier.
Over een profielschets heeft het kabinet advies gevraagd aan het
interimbestuur van het Ctsv. De door het
interimbestuur van het Ctsv opgestelde profielschets sluit goed aan bij
de elementen die de Commissie van belang acht.
De bevoegdheden van het Ctsv zijn bij wet
opgedragen aan het bestuur. Voor het bestuur bestaat de mogelijkheid
bepaalde taken aan de directie dan wel de werkorganisatie te mandateren.
Of, en in hoeverre, het bestuur van het Ctsv daar ook toe besluit,
behoort tot de uitsluitende competentie van het bestuur.
Een goede inwerk- en overdrachtsprocedure is
uiteraard van belang. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt echter
primair bij het nieuwe bestuur zelf en het Ctsv.
5.5.
De inhoud van het toezicht door het Ctsv
Het Ctsv
heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van de wetten
door de SVB, het
Lisv
en de
uitvoeringsinstellingen. Dit toezicht bestaat uit:
- het vergaren van toezichtsinformatie;
- het toetsen van toezichtsinformatie aan normen;
rblz.|38|
- het vellen van oordelen;
- indien het oordeel negatief is, zijn er twee mogelijkheden. Deze
mogelijkheden zijn:
- het ligt aan de uitvoering. In dat geval moeten er maatregelen genomen
worden om de gewenste situatie te bereiken en om herhaling te voorkomen
(corrigeren);
- het ligt aan de wet- en regelgeving. In dat geval moet er een signaal
worden afgegeven aan de
minister (signaleren).
De
normen voor toetsing van de toezichtsinformatie ontleent het Ctsv
aan wet- en regelgeving, algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
rechtspraak, aan normen en standaarden die elders in het maatschappelijk
verkeer gangbaar zijn (basale bedrijfseconomische inzichten, binnen een
beroepsgroep gebruikelijke protocollen, enz.) en aan het eigen beleid
van de uitvoeringsinstantie. Uiteraard toetst
het Ctsv ook of de SVB en het Lisv
hun plan van werkzaamheden uitvoeren. Op basis van het voorgaande kan
het Ctsv onder andere eisen stellen aan bijvoorbeeld de kwaliteit van de
uitvoering. Het is voor de uitvoering van belang dat vooraf inzicht
bestaat in de normen en de daarop gebaseerde criteria waaraan het Ctsv
de uitvoering in een concreet geval zal toetsen. Daarom is het gewenst
dat het Ctsv op belangrijke onderdelen van het beleid van de uitvoering
vooraf toetsingskaders opstelt. In de toetsingskaders operationaliseert
het Ctsv de eerdergenoemde normen.
De
minister
stemt met het Ctsv af in welke gevallen de door het Ctsv ontwikkelde
toetsingskaders vooraf door het Ctsv aan hem ter kennis moeten worden
gebracht of ter goedkeuring aan hem moeten worden voorgelegd.
Het toepassen van deze toetsingskaders op de
opzet en werking van de uitvoering leidt tot oordelen. Hiervoor dient
het Ctsv een procedure (hoor en wederhoor) te ontwerpen (hoe kom je van
bevindingen tot oordelen). Door het toepassen van toetsingskader en
procedure samen komt het Ctsv tot zijn uiteindelijke oordeel. Dat kan
zijn dat
- de uitvoering rechtmatig en doelmatig is; of
- de uitvoering niet rechtmatig en/of doelmatig is door een fout in de
uitvoering en dat het Ctsv corrigerend dient op te treden om tot een
rechtmatige en doelmatige uitvoering te komen; of
- de uitvoering niet rechtmatig of doelmatig is, maar dat een andere
werkwijze onder de vigerende wet- en regelgeving niet mogelijk is, zodat
de onrechtmatige/ondoelmatige uitvoering moet worden gedoogd/toegestaan,
waarna het Ctsv een signaal aan de minister moet geven; of
- de uitvoering wel rechtmatig en doelmatig is, maar dat desondanks de
door de wetgever beoogde effecten niet worden bereikt, waarna het Ctsv
een signaal aan de minister moet geven.
De
taak van het
Ctsv is dus te toetsen of de uitvoering
aan de geldende normen, indien mogelijk vormgegeven in een
toetsingskader, voldoet. Indien dit niet het geval is, wordt corrigerend
opgetreden.
De instrumenten die het Ctsv ten dienste staan
om onregelmatigheden te (laten) corrigeren zijn:
- het voeren van overleg;
- het vaststellen van budgetten van het Lisv
en de SVB;
- het onthouden van de goedkeuring aan besluiten die ter goedkeuring aan
het Ctsv moeten worden voorgelegd;
- het geven van aanwijzingen;
- het vaststellen dat door het Lisv uitgaven ten laste van een fonds of
een wachtgeldfonds zijn gebracht, terwijl dit niet in overeenstemming is
met daaromtrent gestelde regels en daaraan redelijkerwijs te stellen
eisen en aan het Lisv meedelen welke bedragen het Lisv ten laste of ten
gunste van het fonds dient te brengen;
rblz.|39|
- het de
minister adviseren de erkenning van een uitvoeringsinstelling
in te trekken;
- het voordragen van
besluiten bij de minister voor schorsing en vernietiging door de
Kroon.
De
mate waarin het
Ctsv de inhoud van regelgeving
inhoudelijk zal kunnen toetsen, is afhankelijk van de aansturing die
heeft plaatsgevonden door de wet- en regelgever.
Indien de wetgever de bevoegdheid tot het
stellen van regels op een bepaald terrein aan een
uitvoeringsinstantie heeft toegekend, zonder daarbij richting te
geven aan de wijze waarop de uitvoeringsinstantie van deze bevoegdheid
gebruik moet maken, heeft het Ctsv geen mogelijkheden om de inhoud van
de regels van de uitvoeringsinstantie inhoudelijk te toetsen anders dan
aan hogere regelgeving, aan met het onderwerp verband houdende
rechtspraak, aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en aan de
normen die elders in het maatschappelijk verkeer gangbaar zijn en aan
het eigen beleid van de instantie. Indien de wet- en regelgever wel
richting heeft gegeven aan de wijze waarop de uitvoeringsinstantie
gebruik van de regelgevende bevoegdheid moet maken, moet het Ctsv
toetsen of de uitvoeringsinstantie zich aan de aangegeven richting houdt
en indien dat niet het geval is, corrigerend optreden. Voor zover de
aangegeven richting nog mogelijkheden openlaat om tot nadere invulling
van de aangegeven richting te komen, is de uitvoeringsinstantie waaraan
de regelgevende bevoegdheid is toegekend daartoe bevoegd en niet het
Ctsv.
Over de precieze inhoud van de normen die in of bij de totstandkoming
van de wet- en regelgeving, de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, de jurisprudentie en de normen en standaarden die elders in het
maatschappelijk verkeer gangbaar zijn, zijn vastgelegd, kan verschil van
mening ontstaan tussen het
Ctsv en de instantie waaraan de
regelgevende bevoegdheid is opgedragen. Gegeven de verdeling van
verantwoordelijkheden tussen de toezichthouder enerzijds en de SVB
en het
Lisv anderzijds, zal het oordeel van de
toezichthouder de doorslag geven. De
uitvoeringsinstantie kan tegen een maatregel van het Ctsv in
beroep gaan volgens de geldende beroepsprocedure.
In het geval dat er tussen de
minister
en het Ctsv verschil van mening ontstaat over de hantering van
bevoegdheden door het Ctsv, kan de minister het Ctsv een aanwijzing van
algemene aard geven. De minister corrigeert dan het Ctsv.
Aparte aandacht verdient nog het in bepaalde gevallen mogelijk maken van
contra-legemsituaties.
De commissie-Van Zijl beveelt aan om het via
een (aangepast) experimenteerartikel mogelijk te maken dat
contra-legemsituaties die in redelijkheid binnen beleidsdoelstellingen
vallen, voor een bepaalde duur kunnen worden toegestaan.
In de huidige Osv en ook in het onderhavig wetsvoorstel
is de mogelijkheid opgenomen om, zo nodig in afwijking van de Osv, bij
AMvB tijdelijke voorzieningen te treffen waarmee wordt bevorderd dat zo
min mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op de wetten
die het Lisv
uitvoert. Dit artikel heeft met name betrekking op afwijkingen van de
Osv. Het experimenteerartikel waar de Commissie op doelt betreft echter
een mogelijkheid om af te wijken van de materiewetten, bijvoorbeeld met
het oog op gewenste experimenten in het kader van het volumebeleid. Met
de Commissie is het kabinet van mening dat het wenselijk is experimenten
onder bepaalde voorwaarden toe te kunnen staan. De discussie over
experimenteerartikelen in de materiewetten past echter niet bij een
discussie over de Osv 1997 zelf, maar meer in een discussie over de
materiewetten. Daarom is het kabinet voornemens deze discussie
te rblz.|40|
voeren
bij de behandeling
van het wetsvoorstel Invoeringswet organisatiewet sociale
verzekeringen 1997, op basis van in dat wetsvoorstel op te nemen experimenteerartikelen in de materiewetten.
Aansturing van de uitvoering door het Ctsv
in de zin van het stellen van regels behoort niet tot de taak van het
Ctsv, anders dan het stellen van regels die met het oog op het adequaat
kunnen verrichten van de toezichtstaak noodzakelijk zijn. Op basis
hiervan wordt de regelgevende bevoegdheid van het Ctsv beperkt tot het
stellen van regels die noodzakelijk zijn voor het adequaat kunnen
uitoefenen van toezicht. Het Ctsv heeft de bevoegdheid deze regels te
stellen op basis van de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen.
Immers, een aanwijzing kan gericht zijn op een specifieke instantie of
situatie (niet zijnde een beslissing in een individueel geval), maar kan
ook van algemene aard zijn.
Op
basis van
de Osv moet het Ctsv
toezicht houden op de doelmatigheid van de uitvoering (doelmatigheid in
de zin van efficiency en van doeltreffendheid). Hierbij spelen ook de
SVB, het Lisv en
de
uitvoeringsinstellingen een rol, omdat zij gehouden zijn te
rapporteren over de doelmatigheid van de uitvoering. De invulling van
het begrip doelmatigheid in de zin van efficiency is door de wetgever
tot op dit moment voor een belangrijk deel overgelaten aan het Ctsv. Op
basis hiervan heeft het Ctsv binnen de aansturing door de wetgever een
redelijk grote vrijheid om normen voor de SVB, het Lisv en de
uitvoeringsinstellingen te ontwikkelen waaraan een efficiënte
uitvoering moet voldoen. Het Ctsv zal deze normen moeten vastleggen in
toetsingskaders. Het ontwikkelen van deze normen is nu nog de
bevoegdheid van het Ctsv waarin de
minister
niet kan treden anders dan door het aanpassen c.q. ontwikkelen van wet-
en regelgeving. Uiteraard kunnen ook signalen in de richting van het
Ctsv worden afgegeven.
Gezien vanuit de gewenste verdeling van
verantwoordelijkheden is het minder gewenst dat het Ctsv de normen
vaststelt waaraan een efficiënte uitvoering zal moeten voldoen. De
normstelling moet plaatsvinden door middel van wet- en regelgeving.
In de komende periode zal ik de daartoe
bestaande mogelijkheden inventariseren. Daarbij zal ik ook betrekken dat
de invulling van het toezicht op het terrein van de efficiency mede
afhankelijk is van de mate waarin daadwerkelijk concurrentie tussen
uitvoeringinstellingen zal ontstaan.
Voor de invulling van het begrip doelmatigheid als het gaat om
doeltreffendheid (worden de doelstellingen van de wetgever voldoende
bereikt?) is de bedoeling van de wetgever van groot belang. Het
Ctsv zal moeten nagaan of deze
doelstellingen in voldoende mate worden bereikt. Het Ctsv kan hieraan
geen eigen invulling geven. Het Ctsv zal moeten nagaan of de
uitvoeringspraktijk beantwoordt aan de doelstellingen van de wet- en
regelgever. Bij het uitvoeren van de toets of de doelstellingen van de
wetgever in voldoende mate worden bereikt, zal het Ctsv ook moeten
nagaan of zich ongewenste uitvoeringspraktijken voordoen die bij de
invoering van de wet- en regelgeving niet zijn voorzien, waarna zo nodig
actie wordt ondernomen richting SVB, Lisv
of
minister.
Bij
de beoordeling van de doelmatigheid van de uitvoering zal het Ctsv
ook gebruik kunnen maken van afzonderlijk onderzoek. Dit onderzoek dient
samen te hangen met de toezichthoudende taak. Vanuit andere invalshoeken
zal ook onderzoek worden verricht door onder meer het
Landelijk instituut, de
uitvoeringsinstellingen en het ministerie.
Gezien de specifieke onderzoekstaak van het
Ctsv ligt het niet in de rede dat het College zorg draagt voor
coördinatie van het onderzoek op het terrein van uitvoering van de socialeverzekeringswetten.
rblz.|41|
De commissie-Van Zijl
benadrukt het belang van doelmatigheidsonderzoek, maar geeft daarbij aan
dat een gedifferentieerde benadering vereist is. Het onderzoek naar
doelmatigheid van beheer en organisatie vereist een andere benadering
dan het onderzoek naar de doelmatigheid van het beleid.
Het belang van doelmatigheidsonderzoek door het Ctsv
en de noodzaak van een gedifferentieerde benadering van dat onderzoek
worden door het kabinet onderschreven.
De inhoud en de noodzaak van het toezicht door
het Ctsv op de efficiency is mede afhankelijk van de mate waarin
daadwerkelijk concurrentie tot stand komt tussen de
uitvoeringsinstellingen.
Indien het
Ctsv in een concrete situatie besluit om
correctiemiddelen in te zetten, moet het Ctsv aangeven dat verbeteringen
in de uitvoering tot stand moeten worden gebracht. Het daadwerkelijk
aanbrengen van de noodzakelijke verbeteringen en de wijze waarop dit
gebeurt is de verantwoordelijkheid van de uitvoeringsinstantie.
In
het geval dat er sprake is van een ongewenste situatie in de uitvoering
en het Ctsv
niet kan ingrijpen omdat het in concreto niet gaat om niet-rechtmatige
of niet-doelmatige uitvoering of omdat de normen daarvoor onvoldoende
aangrijpingspunten bieden, kan het Ctsv de
minister
op de ongewenste situatie wijzen. Het is hierbij niet aan het College om
in zijn rapportages of onderzoeksrapporten aanbevelingen op te nemen op
welke wijze het beleid zou kunnen worden bijgesteld. Dit is voorbehouden
aan de minister. Vervolgens kan de minister eventueel bevorderen dat
wordt overgegaan tot wijziging van wet- en regelgeving.¹
1. Indien het Ctsv
de
minister op een bepaalde situatie attent maakt op basis van
signalen ontleend aan toezichtsactiviteiten, kan dit niet gelijk worden
gesteld met advisering van de minister door het Ctsv. Advisering heeft
in het algemeen betrekking op het desgevraagd geven van een oordeel over
een voorstel van de minister. Signalen ontleend aan
toezichtsactiviteiten maken de minister attent op een in de uitvoering
bestaande situatie waarop de minister al dan niet reageert.
5.6.
Onderwerpen van toezicht
Het toezicht van het Ctsv
zal zich richten tot de Bank, het Lisv
en de
uitvoeringsinstellingen. Het Lisv is verplicht om alle werkzaamheden
met betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen
op grond van wetten waarvan de uitvoering is
opgedragen aan het Lisv, op basis van een schriftelijke overeenkomst te
laten uitvoeren door een uitvoeringsinstelling. Het Lisv zal daarbij de
uitvoeringsinstelling vrijwel altijd mandateren om zelf beslissingen te
nemen. Het Lisv blijft, ondanks de uitbesteding van de met de uitvoering
samenhangende taken en de mandatering volledig verantwoordelijk voor de
uitvoering. Het toezicht van het Ctsv dat betrekking heeft op de
situatie bij een uitvoeringsinstelling, zal op basis van de
verantwoordelijkheid van het Lisv ook via het Lisv plaatsvinden. Op
basis van het feit dat het Lisv verplicht is aanwijzingen van het Ctsv
op te volgen, is in het algemeen gegarandeerd dat het Lisv de
aanwijzingen van het Ctsv die betrekking hebben op de situatie bij een
uitvoeringsinstelling, doorvertaalt naar de uitvoeringsinstelling.
De uitvoeringsinstellingen moeten de door het
Lisv opgedragen werkzaamheden op grond van de wet
uitvoeren met inachtneming van de instructies van het Lisv. Op basis
hiervan zijn de uitvoeringsinstellingen, indien zij daartoe instructie
ontvangen, verplicht een aanwijzing van het Ctsv aan het Lisv op te
volgen.
In
het geval dat het
Lisv
onverhoopt weigert om een aanwijzing op te volgen, bestaat de
mogelijkheid dat het Ctsv
de minister
adviseert één of meerdere bestuursleden te schorsen en of te ontslaan.
Het is daarnaast nog mogelijk dat de minister op basis van
taakverwaarlozing bij ministeriële regeling, zo nodig in afwijking van de wet,
tijdelijke voorzieningen treft om de problematiek op te lossen.
In het geval dat een uitvoeringsinstelling
niet of onvoldoende meewerkt aan het opvolgen van de instructie van het
Lisv dat gehandeld
moet rblz.|42|
worden
overeenkomstig een aanwijzing van het Ctsv, kan dit uiteindelijk reden zijn om
de erkenning van een uitvoeringsinstelling in te
trekken.
Het
Ctsv zal, om te kunnen beoordelen of de
verantwoording van het Lisv
(inclusief verklaringen omtrent doelmatigheid en rechtmatigheid van de
uitvoeringsinstellingen) aan de gestelde eisen met betrekking tot
rechtmatigheid en doelmatigheid voldoet, uiteraard moeten beschikken
over een onbelemmerde toegang tot de (administratie van de)
uitvoeringsinstellingen. Daarnaast zal het Ctsv op verzoek kosteloos
alle gegevens en inlichtingen van de uitvoeringsinstellingen moeten
kunnen verkrijgen die het nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.
Deze bevoegdheden van het Ctsv (het inzage- en
informatierecht) ten opzichte van de uitvoeringsinstellingen zijn in de wet
vastgelegd. In het wetsvoorstel ontvlechting dat onlangs bij de Tweede
Kamer is ingediend (Kamerstukken II 1995-1996, 24 789, nrs. 1-3) wordt
een voorstel opgenomen dat tot gevolg heeft dat de bevoegdheden van het
Ctsv, als het om de besteding van publieke socialeverzekeringsgelden
gaat, vergelijkbaar zijn met de bevoegdheden die de Algemene Rekenkamer
op dit terrein heeft. Dit is ook in het voorliggende wetsvoorstel
opgenomen.
5.7.
Besluiten die moeten worden voorgelegd aan het Ctsv of die de
goedkeuring behoeven van het Ctsv
De algemene bevoegdheid van het Ctsv
om vast te stellen welke besluiten van de SVB
en het Lisv vooraf ter goedkeuring moeten
worden voorgelegd aan het Ctsv, wordt van het Ctsv overgeheveld naar de
minister. De overheveling van deze
bevoegdheid naar de minister past beter bij de verdeling van
verantwoordelijkheden tussen de minister en het Ctsv. De normstelling
"goedkeuring vooraf is vereist" geschiedt door de wet- en
regelgever in een ministeriële regeling en niet door de toezichthouder.
Daarnaast kan de minister bepalen welke
besluiten de SVB en het Lisv, al dan niet voorafgaand aan de
inwerkingtreding ervan, ter kennis van het Ctsv moeten brengen. De
minister zal het voorgaande vastleggen in een ministeriële regeling, na
raadpleging van het Ctsv, de SVB en het Lisv. De ministeriële regeling
zal zo terughoudend mogelijk worden ingevuld. Een criterium dat een rol
zal spelen bij deze invulling, is de mogelijkheid om de gevolgen van een
eenmaal genomen besluit te redresseren, zonder dat dit gepaard gaat met
hoge (maatschappelijke) kosten. Een voorbeeld van een besluit dat het
Lisv of de SVB ter kennis van het Ctsv zal moeten brengen is een besluit
omtrent de uitbesteding van werkzaamheden.
Naar de mening van de commissie-Van Zijl ligt het bij een keuze voor
geïntegreerd toezicht in de rede de interventiemogelijkheden zoveel
mogelijk te beperken tot repressieve instrumenten, omdat de inzet van
preventieve instrumenten op gespannen voet staat met de eigen
verantwoordelijkheid van de uitvoeringsorganen en met de
onafhankelijkheid van de toezichthouder ten opzichte van de uitvoering.
Zoals hiervoor is aangegeven, heeft het kabinet
hiermee rekening gehouden.
5.8.
Toets van de mogelijkheden tot het houden van toezicht
Een eerste eis die aan wet- en regelgeving
gesteld moet worden, is dat zij goed uitvoerbaar is. In het verlengde
hiervan liggen de mogelijkheden om goed toezicht te houden. Dat is zowel
van belang voor de toezichthouder als voor de onder toezicht gestelde
instanties. Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden dienen
duidelijk omschreven te zijn.
Dat geldt eveneens voor de prestaties die
moeten worden geleverd en de eisen die daaraan worden gesteld. Voor alle
partijen moet duidelijk zijn rblz.|43|
wie waarvoor verantwoordelijk
is en waarop men dus kan worden aangesproken. De aan de toezichthouder
toegekende instrumenten dienen zodanig te zijn dat de uit de wet- en
regelgeving voortvloeiende verantwoordelijkheid tot het houden van
toezicht kan worden waargemaakt.
Toezicht moet efficiënt en effectief
uitgeoefend kunnen worden. Zoals gezegd is heldere wet- en regelgeving
daarvoor een belangrijke voorwaarde. Het Ctsv
beschikt over de kennis en de praktijkervaring om vooraf in te kunnen
schatten of de wijze waarop het toezicht in een wetsvoorstel is geregeld
adequaat genoemd kan worden. In de praktijk onderwerpt het Ctsv op
verzoek van de minister nieuwe wet- en
regelgeving op het gebied van de sociale verzekeringen, waarbij
toezichtsaspecten een rol spelen, aan een toets tot het houden van
toezicht. In dit wetsvoorstel wordt de
bestaande praktijk geformaliseerd. Uiteraard behoudt de minister, ook na
advisering door het Ctsv, de eindverantwoordelijkheid.
In
dit verband wordt verwezen naar de commissie-Van Zijl, die pleit voor
systematische aandacht voor aspecten van uitvoerbaarheid,
handhaafbaarheid en toezichtbaarheid van toekomstige wetgeving alsook
voor reële implementatietermijnen.
Zoals hiervoor aangegeven onderschrijft het
kabinet de aanbeveling.
5.9.
Het toezichtsbeleid
Het is van belang dat het vooraf aan de SVB
en het Lisv
duidelijk is hoe het Ctsv in concreto zal
omgaan met het toezicht. In dat kader is het van belang dat het Ctsv een
beleid ontwikkelt. In het kader van dit beleid kan het Ctsv gebruik
maken van de instrumenten die hiervoor zijn vermeld.
In dat beleid moet het Ctsv verbanden leggen
tussen enerzijds de zwaarte van de overtreding, mate van strijdigheid
met rechtmatigheid en doelmatigheid, financiële schade, hardnekkigheid
van de overtreder, enz. (evenredigheid) en anderzijds de soort sanctie
en de zwaarte van de toegepaste sanctie (maatvoering).
Ook
moet het
Ctsv een vaste procedure ontwikkelen voor
de wijze waarop het Ctsv tot definitieve oordelen komt en de stappen die
daaraan voorafgaan in de richting van de uitvoeringsorganisatie waarop
het oordeel betrekking heeft. Zo acht het kabinet het in het algemeen
wenselijk dat het Ctsv de uitvoeringsorganisatie waarop het oordeel
betrekking heeft, in de gelegenheid stelt te reageren op de voorgenomen
standpuntbepaling van het Ctsv (hoor en wederhoor).
Bij
een aanwijzing tot het treffen van een verbetering mag de toezichthouder
niet in de verantwoordelijkheid van de uitvoerder treden. Het Ctsv
constateert derhalve de tekortkoming en schrijft voor dat er
verbeteringen getroffen moeten worden teneinde doelmatigheid en
rechtmatigheid van de uitvoering te verzekeren en stelt daarbij een
termijn. Het Ctsv ziet toe op opzet en uitvoering van de
verbeteringsplannen.
Het
Ctsv brengt het toezichtsbeleid ter
kennis van de
minister. Het Ctsv voert het
toezichtsbeleid uit en evalueert het ook. Vervolgens legt het Ctsv
daarover verantwoording af aan de minister.
5.10.
Het afleggen van verantwoording door het Ctsv
Het Ctsv
is verantwoordelijk voor het toezicht op een rechtmatige en doelmatige
uitvoering van de socialeverzekeringswetten.
Het Ctsv is tevens een publiekrechtelijke rechtspersoon waaraan de
uitvoering van een bestuurstaak (i.e. het houden van toezicht) is
opgedragen. De keuze voor een uitvoering van publieke taken door een
afzonderlijke rechtspersoon rblz.|44|
impliceert dat bepaalde
verantwoordelijkheden en bevoegdheden, die essentieel zijn voor een
goede taakuitoefening, bij die rechtspersoon zijn neergelegd.
Een zelfstandig bestuursorgaan kan niet ter
verantwoording worden geroepen door het parlement. Dat betekent dat het
parlement in de praktijk zo nodig de minister
ter verantwoording zal roepen over het functioneren van een zelfstandig
bestuursorgaan.
Vandaar dat het noodzakelijk is dat het
zelfstandige bestuursorgaan op zijn beurt op een adequate en
gestructureerde wijze verantwoording aflegt aan de minister. Voor het
reguliere contact tussen de minister en het Ctsv zal met het Ctsv een
gestandaardiseerde werkwijze worden uitgewerkt (informatieprotocol) die
een goede uitwisseling van informatie garandeert en de eigen
verantwoordelijkheden van de minister en het Ctsv respecteert.
Het Ctsv zal moeten aantonen (meetbaar,
verifieerbaar) dat:
- het proces van toezicht houden op een adequate wijze is ingericht
(opzet) en in de praktijk naar behoren werkt (werking);
- de eigen organisatie van het Ctsv op een adequate wijze is opgezet en
naar behoren werkt;
- er op een adequate wijze wordt geëvalueerd en waar nodig bijgestuurd.
De wet
stelt nadere eisen aan de wijze waarop het Ctsv
verantwoording dient af te leggen. Deze eisen zijn grotendeels ontleend
aan de wijze waarop het Ctsv nu reeds invulling geeft aan de wijze
waarop het toezichtsbeleid wordt ontwikkeld en in praktijk gebracht.
Onderscheid kan worden gemaakt tussen de beleidscyclus die het Ctsv
aantoonbaar dient te doorlopen en de toezichtsproducten die dienen te
worden afgeleverd.
De beleidscyclus
a. Beleidsplannen
Bij
de beleidscyclus staat centraal hoe het Ctsv
toezicht gaat houden. Het (meerjarig) beleidsplan waarin het Ctsv zijn
visie op toezicht en zijn beleidsuitgangspunten neerlegt, is het kader.
Al naar gelang de ontwikkelingen (veranderde wetgeving, nieuwe
inzichten) dient het beleidsplan aangepast te worden. In zijn
beleidsplan moet het Ctsv vanuit een meerjarig perspectief duidelijk
maken op welke wijze zeker gesteld wordt dat:
- de relevante informatie wordt verzameld;
- het proces van oordeelsvorming leidt tot betrouwbare oordelen
(toetsingskaders en procedures);
- er een beleid met betrekking tot correctie van de SVB
en het Lisv wordt ontwikkeld dat
garanties biedt voor het treffen van maatregelen die in een juiste
verhouding staan tot de ernst van de tekortkoming;
- eventuele tekortkomingen in het beleid grondig geanalyseerd en
duidelijk toegelicht aan de beleidsmakers worden gesignaleerd;
- de uitvoering van de toezichtstaak wordt geëvalueerd en waar nodig
wordt bijgestuurd;
- er een doelmatige interne organisatie wordt ingericht.
Het
beleidsplan - met name is dat van belang voor de daarin door het Ctsv
vastgelegde toetsingskaders en het beleid met betrekking tot correctie -
dient ter kennisneming aan de
minister
te worden voorgelegd. Dat biedt de minister de mogelijkheid om in een
vroegtijdig stadium tot een oordeel te komen over de opzet van het
toezicht en waar nodig preventief bij te sturen.
Het kan nodig zijn bepaalde thema’s in aparte
beleidsplannen uit te werken. Daarbij kan gedacht worden aan een
beleidsplan over de interne organisatie, het beleid met betrekking tot
correctie van het Ctsv, etc.
rblz.|45|
b. Meerjarenprogramma en het plan van
werkzaamheden voor het komende jaar
De beleidsplannen met
daarin de hierboven aangegeven uitgangspunten en richtingen worden voor
de middellange termijn uitgewerkt in een meerjarenprogramma.
In het plan van werkzaamheden voor het komende jaar staan de
voorgenomen acties concreet omschreven.
c. Begroting
In
de begroting moet het
Ctsv een duidelijke en onderbouwde
relatie leggen tussen de voornemens uit het plan van werkzaamheden voor
het komende jaar en de daarvoor beschikbaar te stellen capaciteit en
middelen.
d. Voortgangsrapportages, jaarverslagen en
uitvoeringseffectrapportages
Over de informatie die is verzameld, de oordelen die zijn geveld, de
maatregelen die zijn genomen (en de resultaten daarvan), de signalen die
aan het beleid zijn afgegeven en de evaluaties die zijn uitgevoerd,
dient verantwoording te worden afgelegd. Dat gebeurt in tussentijdse
voortgangsrapportages, jaarverslagen en evaluatierapporten. Het doel van
deze rapportages is tweeledig:
- het leveren van een bijdrage aan het aantoonbaar maken van de werking
van het toezichtsproces;
- het mogelijk maken van een tijdige oordeelsvorming en zo nodig
bijsturing door de
minister.
Wat inhoud en mate van detail betreft volgen
deze rapportages de plannen waarover verantwoording wordt afgelegd.
De toezichtsproducten
Het
Ctsv legt zijn bevindingen, oordelen en
acties met betrekking tot correctie vast in rapportages. Dat zijn de
eigenlijke toezichtsproducten van het Ctsv. Het betreft:
- rechtmatigheidsverklaringen;
- doelmatigheidsrapportages;
- uitvoeringseffectrapportages;
- rapportages over maatregelen jegens uitvoeringsorganisaties;
- rapportages over signalen over tekortkomingen in het beleid.
De
Regeling Rechtmatigheidsverklaring van februari 1995 bevat de huidige
wettelijke eisen aan de rechtmatigheidsverklaring. Vooralsnog blijven
deze eisen gehandhaafd. Het voornemen bestaat om op basis van de
opgedane ervaringen de regeling te gaan evalueren. Waar nodig kan dit
tot aanpassingen leiden. Wel wordt voorgesteld reeds nu een beperking
aan te brengen met betrekking tot de reikwijdte van de regeling. Het
oordeel over de rechtmatige uitvoering van de inning van de premies
volksverzekeringen door de
belastingdienst zal door middel van een
ander traject worden geëffectueerd (op dit punt wordt nader ingegaan in
paragraaf 7.9 [paragraaf 7.3, red.]).
Het
kabinet acht het vooralsnog niet noodzakelijk om ten aanzien van de
andere toezichtsproducten wettelijke eisen te stellen. Zoals eerder
aangegeven zal ik de mogelijkheden inventariseren om tot meer
gespecificeerde regelgeving te komen als het gaat om
doelmatigheidsrapportages. Voor het overige geef ik er de voorkeur aan
om hierover met het Ctsv
goede afspraken te maken. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van normen
en standaarden die elders in het maatschappelijk verkeer gangbaar zijn.
rblz.|46|
Op basis van de hiervoor
geschetste verantwoordingslijn heeft de minister
mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het beleid van het Ctsv.
Deze invloed op het beleid kan onder andere betrekking hebben op het
beleid dat het Ctsv voert als het gaat om corrigerend optreden en de
daarbij te stellen prioriteiten. De geschetste verantwoordingslijn stelt
de minister ook in staat om verantwoording in het parlement af te leggen
over het functioneren van het Ctsv.
6.
De informatiehuishouding van de sector sociale verzekeringen
6.1.
Inleiding
De sociale verzekeringen vormen een sector met
een hoge informatie-intensiteit. Informatie is voor alle betrokken
partijen een cruciaal productiemiddel. Dit geldt voor de
uitvoeringsinstellingen, die informatie nodig hebben om de wetten
uit te voeren, het Lisv en de SVB,
die over informatie moeten beschikken voor hun uitvoerende,
coördinerende en beheerstaken, voor de toezichthouder, die informatie
nodig heeft om een oordeel te kunnen vellen over de uitvoering, en voor
de centrale overheid, die informatie over het stelsel van sociale
zekerheid nodig heeft om haar beleid te voeren.
De
wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie die met dit wetsvoorstel
worden doorgevoerd, vergen een aanpassing van de informatiehuishouding
van de sociale verzekeringen. Gegarandeerd zal moeten zijn dat alle
betrokkenen kunnen beschikken over voldoende en de juiste informatie.
Bovendien geven de voorgestelde wijzigingen de mogelijkheid om een
verdere verbetering van de informatievoorziening te realiseren. In dit
hoofdstuk wordt ingegaan op de bestuurlijk-organisatorische aspecten van
de informatiehuishouding. In het invoeringstraject zullen de
inhoudelijke en technische aspecten meer aandacht krijgen.
In paragraaf 6.2 worden
de hoofdlijnen van de wijzigingen van de informatiehuishouding
weergegeven. In de daaropvolgende paragrafen wordt deze hoofdlijn verder
uitgewerkt voor de verschillende onderdelen van de
informatiehuishouding:
- berichtenverkeer tussen werkgevers, werknemers en
uitvoeringsinstellingen (paragraaf
6.3);
- de opzet en inrichting van de verzekerdenadministratie (paragraaf
6.4);
- het systeem van gegevensuitwisselingen en het beheer van de
Gemeenschappelijke Verwijsindex (paragraaf
6.5);
- informatievoorziening over de uitvoering van de sociale verzekeringen
(paragraaf
6.6);
- onderzoek (paragraaf
6.7).
Opgemerkt zij dat in dit onderdeel van de toelichting de meeste aandacht
uitgaat naar de veranderingen op het terrein van de
werknemersverzekeringen. Voor de SVB verandert
er als gevolg van dit wetsvoorstel in
praktische zin slechts weinig en dit geldt ook voor de
informatiehuishouding van de volksverzekeringen. Waar nodig zal worden
ingegaan op de positie van de SVB.
6.2.
Hoofdlijnen
Lange tijd was de
inrichting van de administratie en de ontwikkeling van de informatiesystemen een
eigen verantwoordelijkheid van de bedrijfsverenigingen. De bedrijfsverenigingen
waren verantwoordelijk voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen en kozen zelf de middelen
waarmee de wettelijke
taken werden uitgevoerd. Sinds het midden van de jaren tachtig is deze
beleidsvrijheid van de uitvoeringsinstanties kleiner geworden. In 1985 heeft
de Staatssecretaris van Sociale Zaken de rblz.|47|
toenmalige SVr een aanwijzing
gegeven, gericht op het tot stand komen van een uniforme administratie
van werkgevers, verzekerden en uitkeringsgerechtigden bij
bedrijfsverenigingen. Deze zogeheten verzekerdenadministratie (VZA) is
in 1989 wettelijk verankerd met het van kracht worden van de Wet
invoering sofinummer (Stb. 1988, 655).
In 1993 heeft mijn ambtsvoorganger vervolgens
een aanwijzing gegeven aan de SVr om zorg te dragen voor de inrichting
van een Gemeenschappelijke VerwijsIndex (GVI). Ten slotte heeft het Tica
in de Osv een aantal coördinerende taken ten aanzien van de
administraties van de uitvoeringsinstellingen gekregen. Op grond hiervan
heeft het Tica regels gesteld voor de inrichting en opzet van de VZA.
Uniformering van de administraties is een voorwaarde voor de realisatie
van beleidsdoelen als:
- bevorderen van een efficiënte en effectieve uitvoering van de
werknemersverzekeringen;
- beperken van administratieve lasten van werkgevers;
- bestrijden en voorkomen van (witte) fraude door middel van
gegevensuitwisseling;
- verbeteren van de beschikbaarheid van beleidsrelevante informatie.
De met het oog hierop ontwikkelde middelen (VZA,
GVI) kunnen slechts optimaal effectief zijn als de
gegevensverstrekkingen aan en de administraties van de uitvoeringsinstellingen
gestandaardiseerd zijn.
Voorts is standaardisatie en uniformering van
de gegevensstromen en bestanden een belangrijke voorwaarde voor de
beoogde concurrentie binnen de socialeverzekeringssector. Het
inschakelen van een andere uitvoeringsinstelling door een sector zal dan
immers geen conversie van de gegevensbestanden meer vergen en zal geen
grote aanpassingen van de salaris- en personeelsadministratie van de
werkgevers nodig maken. Ook de gewenste gegevensuitwisseling tussen de
socialezekerheidsinstanties en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
gericht op het bevorderen van arbeidsparticipatie (het zogeheten
CliëntVolgCommunicatieStelsel), is gebaat bij de standaardisatie aan de
kant van de uitvoeringsinstellingen.
Naar het oordeel van het kabinet is ondanks de in het verleden getroffen
maatregelen de gewenste uniformiteit en standaardisatie van de
gegevensstromen en de gegevensbestanden nog niet bereikt. Dit blijkt
onder meer uit de Structuurschets werknemersverzekeringen en het
Tica-advies over elektronisch berichtenverkeer d.d. 20 maart 1996. Om
deze reden meent het kabinet dat het noodzakelijk is om tot meer sturing
te komen. Voorgesteld wordt om het Lisv
een centrale rol te geven bij de inrichting en vormgeving van de
informatiehuishouding in de sector werknemersverzekeringen. Het Lisv
heeft tot taak ervoor te zorgen dat de informatiehuishouding zodanig is
ingericht dat alle betrokken partijen (werkgevers, werknemers,
uitvoeringsinstellingen, Lisv, de
minister,
Ctsv en derden) op een doelmatige wijze
kunnen beschikken over de informatie die nodig is in verband met de
uitvoering van de werknemersverzekeringen. Onderstaand zullen de
verschillende taken van het Lisv en (in minder mate) de SVB
op het terrein van de informatiehuishouding aan de orde komen.
6.3.
Berichtenverkeer tussen werkgevers, werknemers en
uitvoeringsinstellingen
Een goed geregelde gegevensverstrekking door
werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden aan de uitvoerende
instanties is onontbeerlijk voor een efficiënte en rechtmatige
uitvoering van de werknemersverzekeringen. Verplichtingen tot het
verstrekken van de noodzakelijke gegevens en inlichtingen zijn in de Osv,
de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV) en de socialeverzekeringswetten vastgelegd.
In rblz.|48|
aanvulling hierop wordt in dit wetsvoorstel
geregeld dat het Lisv
voorschriften zal vaststellen omtrent de inhoud van de
gegevensverstrekking, alsmede de wijze waarop en de vorm waarin
werkgevers en werknemers gegevens aan de
uitvoeringsinstellingen verstrekken.
Het
ligt voor de hand om het Lisv met deze
taak te belasten, aangezien de vormgeving van het berichtenverkeer nauw
verbonden is met de uitvoering van de wetten
en de coördinatie daarvan. Het Lisv zal ervoor kunnen zorg dragen dat
de vorm van gegevensverstrekkingen aansluit bij de eisen die aan de
uitvoering van de werknemersverzekeringen worden gesteld.
De
voorschriften van het
Lisv betreffen in ieder geval de volgende
aspecten:
- standaardisatie van de inhoud van de gegevens, voor zover dit niet
reeds in de socialeverzekeringswetten
vastligt;
- de media waarop de gegevens worden aangeleverd;
- de technische specificaties, samenhangend met de te gebruiken media.
De voorschriften van het Lisv zijn gericht op
standaardisering en het bevorderen van het elektronische
berichtenverkeer, maar hebben ook betrekking op de gegevens die op
papier worden aangeleverd (formulieren). Het Lisv zal bij het
vaststellen van de voorschriften zoveel mogelijk aansluiten bij de
standaards die al ontwikkeld zijn (STUCON, EDIFACT).
De
voorschriften van het
Lisv betreffen het gehele
berichtenverkeer tussen werkgevers en werknemers en de
uitvoeringsinstellingen inclusief de gegevensverstrekkingen die
gebaseerd zijn op de informatiebepalingen in de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV) en de socialeverzekeringswetten.
De voorschriften hebben derhalve ook betrekking op de zogeheten melding
bedrijfsvereniging die in de Osv is voorgeschreven. Op grond van de
huidige Osv is de
minister
bevoegd om hierover regels te stellen. Deze bevoegdheid wordt
overgeheveld naar het Lisv. In dit wetsvoorstel
is bepaald dat de minister eisen kan stellen aan de door het Lisv te
formuleren voorschriften.
Het
kabinet onderkent dat de realisatie van de standaardisatie nog enige
tijd zal vergen aangezien het ontwikkelen en implementeren van de
standaards de nodige aanpassingen van de werkprocessen van werkgevers en
uitvoeringsinstellingen vereist.
In reactie op het Tica-advies over elektronisch
berichtenverkeer heb ik daarom aan het Tica gevraagd een
implementatietraject uit te werken en aan te geven welke tijdelijke
extra inzet van menskracht en middelen nodig is om per 1 januari 2000
tot algehele invoering van de standaards over te gaan.
6.4.
Verzekerdenadministratie
De wijze waarop
uitvoeringsinstellingen gegevens over werkgevers, werknemers en
uitkeringsgerechtigden verwerken, opslaan en gebruiken is van belang
voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen, een efficiënte
gegevensuitwisseling en de beleidsinformatievoorziening. Het hart van
dit gegevensbeheer wordt gevormd door de verzekerdenadministratie (VZA)
van de uitvoeringsinstellingen.
Het belangrijkste effect
van de verplichting om een verzekerdenadministratie te voeren is geweest, dat
er een registratie van dienstverbanden (verzekeringsverhoudingen)
is ontstaan. In het verleden hielden de bedrijfsverenigingen een registratie bij van de aangesloten
werkgevers en voerden zij
een administratie waarin de lopende uitkeringen rblz.|49|
waren geregistreerd. De
aantallen en de achtergrondkenmerken van de verzekerden waren niet
bekend. Bij veel socialezekerheidsregelingen
is de aard en de omvang van het dienstverband of het arbeidsverleden
bepalend voor de uitkering. Hierbij kan gedacht worden aan de WW,
de
Abw en het vangnet ZW,
die sinds het van kracht worden van de Wet
uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte
(Wulbz) toegankelijk is voor specifieke groepen werknemers. Om
dergelijke regelingen doelmatig en rechtmatig uit te voeren is een
betrouwbare bron van dienstverbandgegevens noodzakelijk.
Geconstateerd moet worden dat de kwaliteit van de huidige registratie
van dienstverbanden te wensen overlaat. Dit probleem doet zich met name
voor bij snel wisselende, kort durende dienstverbanden (o.a.
seizoenarbeid) en bij uitzendkrachten, freelancers e.d. Gezien de groei
van de flexibele arbeid zal de registratie van dienstverbanden aan
hogere eisen moeten voldoen. Een goede en actuele registratie is
essentieel voor het beschermen van de rechtspositie van flexwerkers.
Voorts is doelmatigheid van bijzonder belang bij de uitvoering van socialezekerheidsregelingen
bij flexibele arbeid. Immers, deze dienstverbanden genereren een grote
hoeveelheid informatie over tijdvakken en inkomen die van belang is voor
het mogelijke recht op een uitkering. De uitkeringsgerechtigde die
flexibele arbeid aanvaardt verdient het niet om met een veelheid aan
formulieren te worden lastiggevallen.
Evenmin behoort de werkgever te worden
lastiggevallen met vragen door uitkeringsinstellingen als de informatie
reeds door de werkgever is aangeleverd aan enige uitvoeringsinstelling.
Via de registratie van dienstverbanden dient de instantie die de
gegevens nodig heeft deze te kunnen uitvragen bij de
uitvoeringsinstantie die de gegevens reeds bezit. Dergelijke processen
dienen via elektronisch berichtenverkeer te verlopen en goeddeels
automatisch te worden afgewikkeld.
De
verplichting om een VZA te voeren heeft nog niet geleid tot voldoende
uniformering van de gegevensbestanden. Bij de uitwerking en invoering
van de VZA is in hoge mate aansluiting gezocht bij de reeds bestaande
administratieve systemen, wat er onder meer toe geleid heeft dat de VZA
bij de verschillende
uitvoeringsinstellingen verschillend is opgezet. De VZA is ook nog
onvoldoende geïntegreerd in de uitvoeringsprocessen. De VZA
functioneert veelal als een basisregistratie die slechts een deel van de
gegevens over de werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden bevat.
Naast de gegevens die in de VZA worden vastgelegd zijn de
uitvoeringsinstellingen genoodzaakt om vele extra gegevens op te vragen
als een uitkering wordt aangevraagd. Dit heeft onder meer te maken met
inhoudelijke aspecten: bijvoorbeeld door de verschillen in premieloon en
dagloon kunnen de uitvoeringsinstellingen bij de huidige stand van de
wetgeving niet volstaan met één set gegevens die zowel voor de
premieheffing als de uitkeringsverzorging kan worden gebruikt.
Het
kabinet is overtuigd van het belang van een uniforme en betrouwbare
registratie van verzekerden (dienstverbanden), werkgevers en
uitkeringsgerechtigden en is van mening dat de kwaliteit van de VZA
dient te verbeteren en dat de positie van de VZA bij de uitvoering van
de werknemersverzekeringen versterkt moet worden. Hierbij worden de
volgende uitgangspunten gehanteerd:
1. de VZA is de authentieke bron voor gegevens over dienstverbanden en
arbeidsverleden alsmede voor gegevens over uitkeringen krachtens de
werknemersverzekeringen; de VZA staat ten dienste van de instanties
binnen de sector, maar ook aan instanties daarbuiten, die bij of
krachtens de wet daartoe geautoriseerd zijn
(zie
paragraaf 6.5);
2. de kwaliteit van de gegevens is van dien aard dat de VZA zijn functie
als authentieke bron waarmaakt; de aanlevering, verwerking en
het rblz.|50|
gebruik van gegevens zal
zodanig worden opgezet dat werkgevers, werknemers en
uitvoeringsinstellingen zelf belang hebben bij een juiste
registratie van de gegevens; de gegevens worden vastgelegd in de
gestandaardiseerde vorm waarin zij zullen worden aangeleverd (zie paragraaf 6.3);
3. de VZA bevat een set gegevens, die in de overgrote meerderheid van de
gevallen voldoende is om de uitkeringsverzorging rechtmatig uit te
voeren; deze gegevens zijn verzameld in het kader van de premieheffing
en de aan- en afmelding van dienstverbanden; de uitvoeringsinstellingen
baseren de werkprocessen op de in de VZA vastgelegde gegevens, in
principe zonder aanvullende uitvraag van gegevens bij werkgevers.
Om
de gewenste verbetering en vernieuwing van de VZA tot stand te brengen,
is een gezamenlijke, gecoördineerde inspanning van de uitvoering en de
overheid noodzakelijk. Het kabinet is bezig met de voorbereiding van
wetswijzigingen die moeten leiden tot een vereenvoudiging van de
premieheffing werknemersverzekeringen. De in het kabinetsstandpunt
(Kamerstukken 1994-1995, 24 044, nr. 1) aangekondigde maatregelen zullen
een aantal belangrijke voorwaarden voor de verbetering van de VZA
vervullen.
Wat
betreft de uitvoeringsorganisatie stelt het kabinet de volgende
maatregelen voor. Het
Lisv bewerkstelligt dat de
uitvoeringsinstellingen een administratie voeren die beantwoordt
aan de bovengenoemde uitgangspunten. Deze verantwoordelijkheid van het
Lisv gaat verder dan de huidige taak van het Tica. In lijn met de
algemene uitgangspunten zal het Lisv een meer sturende rol in plaats van
een coördinerende rol hebben bij de inrichting van de
verzekerdenadministratie. Het Lisv zal bindende regels stellen voor de
inrichting en opzet van de VZA. Tevens zal het regels stellen voor het
informeren van de verzekerden over de wijze waarop zij in de VZA staan
geregistreerd en over de opgebouwde verzekeringsrechten. Op grond van de
huidige Osv zijn daarover ministeriële regels gesteld (Besluit
registratiebericht (Stcrt. 1989, 244) en Besluit Statusoverzicht
(Stcrt. 1990, 60)). De regelgevende bevoegdheid op dit terrein
wordt overgeheveld naar het Lisv. De
minister
houdt wel de bevoegdheid om regels te stellen voor de wijze waarop het
Lisv de VZA en het bijbehorende berichtenverkeer vormgeeft. In verband
hiermee zal zo spoedig mogelijk een beleidskader worden vastgesteld
waarin op basis van de bovenstaande uitgangspunten de visie van het
kabinet op de ontwikkeling van de VZA wordt bepaald.
De
beoogde aanpassing van de VZA heeft consequenties voor de werkprocessen
en de informatiesystemen van de
uitvoeringsinstellingen. In lijn met hetgeen hiervoor over de
standaardisering en uniformering van de VZA is gesteld, ligt het in de
rede dat het Lisv bevordert dat het
ontwerp van informatiesystemen en de ontwikkeling van programmatuur
(voor zover dit bijdraagt aan de doelmatigheid) gecoördineerd gebeurt.
Met
het oog op de omvang en complexiteit van de gewenste vernieuwing van de
VZA zal een overgangstermijn in acht moeten worden genomen. Het kabinet
gaat ervan uit dat de vernieuwing van de VZA per 1 januari 2000 afgerond
zal zijn. Dit geeft het Lisv en de
uitvoeringsinstellingen de gelegenheid om zich voor te bereiden op
de nieuwe situatie.
6.5.
Gegevensuitwisseling
In de Osv zijn verschillende gegevensbepalingen
opgenomen die de wettelijke grondslag voor het stelsel van
gegevensuitwisselingen vormen. In het onderhavige wetsvoorstel
zijn geen fundamentele wijzigingen
rblz.|51|
doorgevoerd in deze
gegevensbepalingen. De organisaties die op grond van de huidige Osv
verplicht zijn om gegevens aan de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen
te verstrekken, blijven dat ook na het van kracht worden van dit
wetsvoorstel. Omgekeerd zijn de socialeverzekeringsinstellingen
verplicht dan wel bevoegd om gegevens en inlichtingen te verschaffen aan
een aantal in of krachtens deze wet aangewezen publiekrechtelijke en
privaatrechtelijke organisaties met het oog op de uitvoering van hun
taken. Wel zijn op enkele onderdelen wijzigingen aangebracht, die in het
artikelsgewijze deel worden toegelicht.
De
voorwaarden die aan de gegevensuitwisselingen met bestuursorganen worden
gesteld, zijn in het kader van dit wetsvoorstel
niet veranderd. Conform de huidige situatie is voor alle
gegevensverstrekkingen bepaald dat zij geoorloofd zijn voor zover de
betrokken organisaties de gegevens en inlichtingen nodig hebben voor de
uitvoering van hun wettelijke taken. Deze directe relatie met de
wettelijke taken stelt grenzen aan de omvang en de aard van de gegevens
die kunnen worden uitgewisseld. Het is niet mogelijk om in het kader van
dit wetsvoorstel vast te stellen welke gegevens voor welk doel met de
socialeverzekeringsinstellingen mogen of moeten worden uitgewisseld. Het
is een verantwoordelijkheid van de partijen die betrokken zijn bij de
gegevensuitwisseling om in onderling overleg vast te stellen welke
gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de respectieve taken.
Met betrekking tot gegevensverstrekking aan private organisaties is als
algemene lijn gekozen dat de socialeverzekeringsinstellingen gegevens
mogen verstrekken aan private instanties indien de persoon op wie de
gegevens betrekking hebben daarvoor schriftelijk toestemming verleent.
De gegevensverstrekking
aan publiekrechtelijke organisaties gebeurt kosteloos, in overeenstemming met de algemeen geldende beleidslijn ten
aanzien van de gegevensuitwisseling in de openbare sector. De gegevensverstrekking
aan privaatrechtelijke
organisaties geschiedt tegen marktconforme prijzen.
In
verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zal
gegarandeerd moeten zijn dat de gegevens waarover
socialeverzekeringsinstellingen beschikken niet ten onrechte aan derden
worden verstrekt. De geheimhoudingsbepaling in de Osv stelt voorwaarden
aan de verstrekking van gegevens aan derden. Verder meent het kabinet
dat gegarandeerd moet zijn dat de socialeverzekeringsinstellingen de
informatie waarover zij bij de uitoefening van hun taken beschikken niet
voor andere doeleinden gebruiken dan waarvoor de informatie is
verkregen. Om dit te realiseren is aan de geheimhoudingsverplichting een
hierop gerichte bepaling toegevoegd. Deze zogeheten doelbinding heeft
niet alleen betrekking op de tot individuele personen herleidbare
gegevens, maar ook op de geaggregeerde informatie die in de volgende paragraaf
aan de orde komt.
In
het onderhavige
wetsvoorstel worden voorts wijzigingen voorgesteld omtrent de
technische en organisatorische aspecten van het gegevensverkeer. Met het
oog op het toenemende gegevensverkeer tussen bestuursorganen is sinds 1
januari 1994 de GVI operationeel. Het primaire doel van de GVI is het
mogelijk maken van (elektronische) gegevensuitwisseling tussen
bedrijfsverenigingen en tussen bedrijfsverenigingen en derden. In de GVI
worden kerngegevens over lopende en afgesloten arbeidsverhoudingen en
uitkeringsverhoudingen geregistreerd. Met behulp van deze
verwijsgegevens kan achterhaald worden of een persoon bekend is bij
één van de
uitvoeringsinstellingen en kan beoordeeld worden of meer gegevens
over de persoon moeten worden opgevraagd. De GVI is een krachtig
hulpmiddel voor het voorkomen en bestrijden
van rblz.|52|
witte fraude en voor een
correcte premieheffing en uitkeringsverzorging in het geval van
samenloop van dienstverbanden.
In
de visie van het kabinet zal de GVI zo ontwikkeld moeten worden dat de
gegevensuitwisseling binnen de sector en met andere sectoren vrijwel
volledig elektronisch kan worden afgehandeld. Voor de elektronische
gegevensuitwisseling met andere sectoren zal de GVI gaan fungeren als
het elektronisch "postkantoor" van de sector
werknemersverzekeringen. De aanwezigheid hiervan is noodzakelijk voor de
realisering van het RINIS-concept, dat voor het kabinet uitgangspunt is
bij de verdere uitbouw van het elektronische gegevensverkeer. RINIS
(Routeringinstituut (Inter)nationale Informatiestromen) is een
voorwaarde om te komen tot efficiënte en doeltreffende elektronische
gegevensuitwisseling.
Het
kabinet ziet de GVI voorts als centrale, publieke registratie van
dienstverbanden. Zoals in het voorgaande is aangegeven, is een
betrouwbare, actuele registratie van dienstverbanden noodzakelijk voor
een rechtmatige uitvoering van verschillende socialezekerheidsregelingen.
Op
dit moment is het beheer van de GVI in handen van een coöperatieve
vereniging van bedrijfsverenigingen. Gezien het belang van de GVI acht
het kabinet het noodzakelijk het beheer op te dragen aan het
Lisv. Dat zal voorschriften vaststellen
voor de verstrekking van gegevens door de
uitvoeringsinstellingen aan de GVI en voor de wijze waarop de GVI
door de uitvoeringsinstellingen in hun eigen processen wordt gebruikt.
Het Lisv stimuleert het gebruik van de GVI bij de elektronische
gegevensuitwisseling.
6.6.
Informatievoorziening
Elders in deze toelichting is uitgebreid
ingegaan op de taken en verantwoordelijkheden van het Lisv,
de SVB, het
Ctsv en de
minister. In deze paragraaf ga ik in op de
informatievoorziening over de sociale verzekeringen ten behoeve van
beleids-, beheers- en toezichtsprocessen.
Op
grond van de Osv is het Ctsv sinds 1
januari 1995 verantwoordelijk voor de informatievoorziening in verband
met de uitvoering van de sociale verzekeringen. De informatietaak is in
de Osv aan het Ctsv opgedragen met het oog op de samenhang tussen de
toezichtstaak en de informatietaak. Tevens is de onafhankelijkheid van
het Ctsv ten opzichte van de uitvoering als argument genoemd.
Thans stel ik voor om de informatietaak van het Ctsv
over te hevelen naar het
Lisv respectievelijk de
SVB. Het Lisv zal verantwoordelijk worden voor
de informatievoorziening op het terrein van de werknemersverzekeringen.
De SVB wordt wettelijk belast met de informatievoorziening op het
terrein van de volksverzekeringen. Voor de SVB betekent dit voornamelijk
een bevestiging van de bestaande situatie, aangezien de SVB de
informatietaak in de praktijk reeds uitvoerde, zij het onder wettelijke
verantwoordelijkheid van het Ctsv. Dat laatste zal met dit wetsvoorstel
veranderen.
De
voorgestelde wijziging komt niet voort uit onvrede over de wijze waarop
het Ctsv
zijn informatietaak heeft uitgevoerd, maar is gebaseerd op de volgende
overwegingen.
Het kabinet is van mening
dat hoewel de toezichtstaak een goede informatievoorziening
vergt, dit niet hoeft te betekenen dat de toezichthouder rblz.|53|
de informatietaak zelf moet
uitvoeren. Indien er voldoende wettelijke waarborgen zijn dat het Ctsv
alle benodigde informatie kan verkrijgen, is er veel voor te zeggen om
de feitelijke uitvoering van de informatietaak in handen te leggen van
de uitvoering zelf. Er bestaat immers een grote samenhang tussen
enerzijds de informatietaak en anderzijds de verantwoordelijkheden voor
de uitvoering van de wetten en de inrichting
van de bijbehorende administraties. Een goede informatievoorziening is
uitsluitend mogelijk als deze is afgestemd op de administraties van de SVB
en het
Lisv
en als de administraties onderling in voldoende mate op elkaar zijn
afgestemd. Met het oog hierop is het te prefereren dat de informatietaak
aan die instanties wordt opgedragen die ook verantwoordelijk zijn voor
de uitvoering van de wetten en de (coördinatie van de) inrichting van
de administraties. Aangenomen wordt dat dit de kwaliteit en de
flexibiliteit van de informatievoorziening ten goede komt. Zoals gezegd
is dit voor de SVB in de praktijk reeds het geval.
Voor wat betreft het Lisv zal dat met het onderhavige wetsvoorstel
gebeuren. Hierbij moet worden bedacht dat het Lisv, in vergelijking met
het Tica onder de huidige Osv, een grotere verantwoordelijkheid heeft
voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen en meer invloed heeft
op de
uitvoeringsinstellingen. Hierdoor zullen de voordelen van het
overhevelen van de informatietaak duidelijker aan het licht treden.
Op
grond van de huidige Osv is het Ctsv
verantwoordelijk voor de informatievoorziening. Met het oog op een
duidelijke scheiding van verantwoordelijkheden tussen uitvoering en
toezicht verdient het de voorkeur om de informatietaak op te dragen aan
de uitvoering zelf. Aangenomen wordt dat het Ctsv vanuit een
onafhankelijke positie beter in staat zal zijn om zijn
verantwoordelijkheid voor het toezicht op de kwaliteit, de
beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van de informatie waar te maken.
Een
laatste argument voor de overheveling van de informatietaak is de
efficiencywinst die hiermee geboekt kan worden. Het
Lisv zal een informatiebehoefte hebben
die in principe een optelsom is van de informatiebehoefte van het Tica
(informatie ten behoeve van advisering en coördinatie,
verantwoordingsinformatie voor het financiële beheer) en die van de
bedrijfsverenigingen (verantwoordings- en sturingsinformatie). De
informatiebehoefte van het Lisv kan omvangrijker en gedetailleerder zijn
dan die van het Ctsv.
Indien het
Ctsv verantwoordelijk zou blijven voor de
informatietaak, zou het onvermijdelijk zijn dat het
Lisv een eigen, aanvullende
informatievoorziening zou opzetten. In dat opzicht draagt het bundelen
van de informatiefunctie bij het Lisv in gunstige zin bij aan de
doelmatigheid van de uitvoering. Niet alleen zullen de directe
uitvoeringskosten lager zijn dan wanneer informatietaken verdeeld zijn
over het Ctsv en het Lisv, ook de kosten voor de
uitvoeringsinstellingen zullen lager uitvallen als zij gegevens
maar aan één instantie hoeven te leveren.
Samenvattend meent het
kabinet dat de voorgestelde overheveling van de informatietaak
aansluit bij de aanpassingen van de uitvoeringsorganisatie en een verdere
verbetering van de informatievoorziening teweeg zal brengen.
6.6.1. Wettelijke
informatietaak
De
informatievoorziening die het
Lisv
en de SVB op grond van
deze wet verzorgen, staat primair ten
dienste van de instanties die direct betrokken zijn bij de sociale
verzekeringen en zal zo ingericht moeten zijn dat hun informatiebehoefte
vervuld kan worden.
rblz.|54|
Het is met name van belang dat
het Lisv en de SVB ervoor zorgen dat die informatie beschikbaar is die
het
Ctsv
nodig heeft voor zijn toezichtstaak en die de
minister
nodig heeft voor zijn beleidsverantwoordelijkheid en zijn plicht om
daarover verantwoording aan het parlement af te leggen. De minister en
het Ctsv kunnen dan ook eisen stellen aan de inhoud en de opzet van de
informatievoorziening van het Lisv en de SVB. Hierop zal in de volgende
paragrafen worden ingegaan. Het spreekt voor zich dat de
informatievoorziening ook ten dienste staat van de SVB en het Lisv,
inclusief de sectorraden. Het Lisv en de SVB hebben de vrijheid om zelf
te bepalen welk informatie zij verzamelen ten behoeve van hun wettelijke
taken, mits zij daarbij de eisen van doelmatigheid in acht nemen. Het is
uiteraard niet de bedoeling dat het Lisv en de SVB bij de uitvoering van
de informatietaak treden in de toezichtstaak van het Ctsv of in de
beleidsverantwoordelijkheid van de minister. De informatietaak staat
juist ten dienste aan de toezichtstaak en de
beleidsverantwoordelijkheid.
De
wettelijke informatietaak van het
Lisv en de SVB
heeft betrekking op informatie die een beschrijving geeft van de
uitvoering en de effecten van respectievelijk de werknemersverzekeringen
en de volksverzekeringen. Zonder naar volledigheid te streven kan
hierbij worden gedacht aan feitelijke informatie die inzicht geeft in:
- de inrichting en het verloop van de uitvoeringsprocessen bij de
uitvoeringsinstellingen, het Lisv en de SVB;
- gegevens over premies, uitkeringen en uitvoeringskosten;
- de aantallen en de achtergrondkenmerken van werkgevers, verzekerden
(dienstverbanden) en uitkeringsgerechtigden;
- effecten van handhavings- en reïntegratie-inspanningen.
De wettelijke informatietaak zal voor een
belangrijk gedeelte worden ingevuld met statistische informatie:
geaggregeerde, kwantitatieve informatie over de sociale verzekeringen.
Naast het verzamelen en beschikbaar stellen van statistische informatie
aan het Ctsv
en de
minister, omvat de wettelijke
informatietaak van het
Lisv en de SVB
in ieder geval de volgende verplichtingen:
- het desgewenst beschikbaar stellen van niet-geaggregeerde informatie
op persoonsniveau aan de minister en het Ctsv, bijvoorbeeld in de vorm
van steekproeven uit de bestanden van de uitvoeringsorganen;
- het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek,
red.] voorzien van alle informatie die het CBS nodig heeft om
zijn taak uit te oefenen; dit omvat ook eventuele aanvullende
gegevensverzamelingen uit de administraties van de
uitvoeringsinstellingen;
- het beschikbaar stellen van informatie ten behoeve van
wetenschappelijk en beleidsevaluerend onderzoek dat in opdracht van de
minister wordt uitgevoerd; indien in dit verband aanvullende gegevens
over de uitvoering nodig zijn, behoort het tot de informatietaak van het
Lisv en de SVB om deze gegevensverzameling mogelijk te maken en te
coördineren.
De
informatieverstrekking door de SVB, het
Lisv en de
uitvoeringsinstellingen aan de
minister, het
Ctsv, het CBS
en de personen en instanties die namens de minister en het Ctsv werken,
geschiedt kosteloos. Het Lisv regelt in de administratieovereenkomsten
met de uitvoeringsinstellingen op welke wijze de kosten van de
structurele en incidentele gegevensverstrekkingen vergoed worden.
De verstrekking van informatie over sociale
verzekeringen aan andere personen en instanties geschiedt tegen betaling
van een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de
reproductie en verzending. Het is het Lisv en de SVB niet toegestaan om
op verzoek of ten behoeve van derden andere informatie te verzamelen dan
zij uit hoofde van hun wettelijke informatietaak reeds verzamelen.
rblz.|55|
6.6.2. Bevoegdheden van het Ctsv
Om
te garanderen dat het
Ctsv over alle benodigde informatie kan
beschikken heeft het Ctsv een tweeledige bevoegdheid.
Het Ctsv heeft, evenals de
minister, een algemeen inzage- en
informatierecht. Hierin is bepaald dat de
uitvoeringsinstellingen, het
Lisv en de SVB,
overeenkomstig de door het Ctsv te stellen eisen, gegevens en
inlichtingen dienen te verschaffen. Het Ctsv is tevens bevoegd om zelf
gegevens bij de uitvoeringsorganen te verzamelen, bijvoorbeeld door het
instellen van een eigen dossieronderzoek.
Daarnaast kan het Ctsv gebruikmaken van zijn
algemene bevoegdheid om het Lisv en de SVB aanwijzingen te geven. Deze
bevoegdheid kan het Ctsv aanwenden om het Lisv en de SVB op te dragen
bepaalde informatie te verzamelen, voor zover deze nodig is voor het
uitoefenen van zijn toezichtstaak.
Het
is niet wenselijk om in de wet te bepalen op
welke manier het Ctsv
zijn informatiebehoefte invult. Voor een goede uitoefening van de
toezichtstaak is van doorslaggevend belang dat het Ctsv niet wordt
belemmerd bij het verzamelen en verkrijgen van de benodigde informatie.
Dit neemt niet weg dat het vanuit een oogpunt van doelmatigheid
wenselijk is dat het Ctsv, evenals de
minister, ernaar streeft om zoveel mogelijk
gebruik te maken van de informatie die het
Lisv en de SVB
verzamelen. Tevens verdient het aanbeveling om ervoor te zorgen dat de
informatiebehoefte van de minister en het Ctsv waar mogelijk op elkaar
zijn afgestemd. Het reguliere overleg tussen alle betrokken partijen zal
hieraan kunnen bijdragen.
6.6.3. Bevoegdheden van de
minister
De
minister
heeft op grond van de Osv een algemene bevoegdheid om alle noodzakelijk
geachte gegevens en inlichtingen van het Ctsv,
de SVB, het
Lisv en de
uitvoeringsinstellingen te krijgen. Tevens heeft hij het recht om
personen aan te wijzen die namens de minister toegang hebben tot de
administraties van de uitvoeringsorganen.
In
aanvulling op zijn inzage- en informatierecht heeft de
minister
krachtens dit wetsvoorstel
de bevoegdheid om nadere regels te stellen omtrent de
informatievoorziening. In de nog op te stellen ministeriële regeling
zal worden aangegeven wat de minister van het
Lisv en de SVB
op het vlak van de informatievoorziening verwacht. In de regeling zullen
in ieder geval de volgende aspecten worden uitgewerkt:
- de procedure voor de afstemming van de informatievoorziening van het
Lisv en de SVB op de informatiebehoefte van de minister; hierbij wordt
gedacht aan het inrichten van een regulier afstemmingsoverleg tussen de
afnemers en leveranciers van de informatie;
- de procedure voor structurele informatieleveringen en voor de wijze
waarop ad-hoc-informatie wordt opgevraagd bij het Lisv, de
uitvoeringsinstellingen en de SVB;
- de procedure voor de verstrekking van gegevens en inlichtingen door de
uitvoeringsinstellingen aan de minister.
Verder zal in hoofdlijnen worden ingegaan op de
volgende onderwerpen, welke nader zullen worden uitgewerkt in een
bijlage bij de ministeriële regeling:
- onderwerpen waarover de minister informatie zal ontvangen;
- frequentie, periodiciteit en aggregatieniveau van de informatie;
- inhoudelijke eisen die aan de informatie worden gesteld; de
informatievoorziening over de sociale verzekeringen dient waar nodig te
zijn afgestemd op de informatievoorziening op aanpalende terreinen.
rblz.|56|
Over de inhoud van de
ministeriële regeling zal de minister in overleg treden met het Lisv en
de SVB. Het Ctsv
zal bij deze besprekingen worden betrokken.
De
minister
streeft ernaar om het merendeel van zijn beleidsinformatiebehoefte te
vervullen door middel van de reguliere informatieverstrekking door het
Lisv en de SVB.
Bovendien is het de bedoeling om zoveel mogelijk gebruik te maken van de
informatie die het Lisv en de SVB voor hun eigen taken nodig hebben. Dit
principe bevordert de doelmatigheid van de informatievoorziening.
De
minister
zal zijn inzage- en informatierecht uitsluitend aanwenden in
uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen zijn om
te (laten) achterhalen wat zich in de uitvoering afspeelt of als de
uitvoeringsorganen weigeren om bepaalde informatie te leveren. De
minister zal terughoudend zijn met het gebruik van zijn inzage- en
informatierecht, omdat het Ctsv primair
verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering.
Op
de hierboven beschreven manier is in onderhavig wetsvoorstel
geregeld dat de
minister
kan beschikken over alle informatie die hij nodig heeft om zijn
verantwoordelijkheid waar te maken. Hierbij behoort ook het informeren
van het parlement over de uitvoering van de sociale verzekeringen en het
daarover afleggen van verantwoording. Daarnaast kan de minister het
parlement informeren over op zijn verzoek uitgevoerd onderzoek op dit
terrein.
Ook dit onderzoek heeft een onafhankelijk
karakter omdat dit wordt uitbesteed aan van het ministerie
onafhankelijke onderzoeksbureaus. Op deze manier kan de
informatievoorziening aan het parlement zo volledig mogelijk
plaatsvinden.
Hiermee is naar de mening van het kabinet het
niet nodig dat er een rechtstreekse informatievoorziening door de
uitvoeringsorganen sociale verzekeringen aan het parlement bij wet wordt
vastgelegd, zoals de commissie-Van Zijl aanbeveelt.
6.7.
Onderzoek
Het
Lisv, de
SVB en het Ctsv
hebben vanuit hun onderscheiden taken verschillend gerichte
onderzoeksbehoeften. Het ligt derhalve in de rede dat elke organisatie
beschikt over eigen onderzoekscapaciteit. Het Lisv, de SVB en het Ctsv
verrichten slechts onderzoek, voor zover dat noodzakelijk is voor een
doelmatige en rechtmatige uitvoering van wetten
door deze rechtspersonen.
Het
onderzoek van het
Lisv en de SVB
is direct afleidbaar uit en blijft beperkt tot hun onderscheiden
verantwoordelijkheden voor de uitvoering van de socialeverzekeringswetten
(daaronder begrepen de coördinatie van deze uitvoering alsmede
uitvoeringstechnische advisering aan de
minister).
Voor wat het
Ctsv
betreft is de onderzoekstaak vervat in de toezichthoudende taak. De
onderzoeksinspanningen van het Ctsv blijven derhalve beperkt tot het
rechtstreeks bijdragen aan het tot stand brengen van producten van
toezicht. Uiteraard verricht het Ctsv geen onderzoek gericht op
vraagstellingen rond beleidsalternatieven doch richt zich uitsluitend op
doel- en rechtmatigheid van activiteiten van de SVB
en het
Lisv.
Voor zover noodzakelijk coördineert het Ctsv
onderzoek dat rechtstreeks gerelateerd is aan het door het College uit
te oefenen toezicht.
rblz.|57|
De aldus gespecificeerde onderzoeksfuncties zijn zowel onderling helder te onderscheiden als ten
opzichte van de onderzoeksfunctie van de
minister.
De
onderzoeksfunctie van
de
minister
betreft in het bijzonder de oriëntatie op, alsmede
de onderbouwing en evaluatie van beleid en wetgeving, waaronder
beleid en wetgeving gericht op aansturing van de uitvoering. Effectiviteit
van beleid is in deze functie een sleutelbegrip.
Voor afstemming tussen het uitvoeringsgeoriënteerde onderzoek enerzijds
en het beleidsgerichte onderzoek anderzijds zal op initiatief van de
minister
worden zorggedragen.
7.
Financieel-technische aspecten
7.1.
Budgettering en contractering
In de huidige Osv worden de uitvoeringskosten
van de uitvoeringsinstanties gebudgetteerd om de uitvoeringsorganisatie
te prikkelen efficiencyverbeteringen door te voeren. De
minister
stelt het budget van het Ctsv vast. Het
Ctsv stelt de budgetten vast van het Tica en de SVB.
Het Tica stelt de totale budgetten vast van de bedrijfsverenigingen,
waarin begrepen zijn de uitvoeringskosten die verband houden met de
uitbesteding van de uitvoeringstaken van de bedrijfsverenigingen aan de
uitvoeringsinstellingen.
Door het kabinet wordt geen wijziging voorgesteld in de
budgetvaststelling van het Ctsv
door de
minister
en de vaststelling door het Ctsv van de budgetten van de SVB
en de rechtsopvolger van het Tica, het
Lisv.
In de uitvoeringsorganisatie kennen deze
instanties geen concurrenten, waardoor geen elementen van concurrentie
worden gerealiseerd. Budgettering is dan het enige instrument om de SVB
en het Lisv te prikkelen efficiencyverbeteringen in hun organisatie door
te voeren.
Met
het thans
voorliggende wetsvoorstel wordt door het kabinet op één
onderdeel wel een wijziging aangebracht in de huidige wijze van
budgetvaststelling. Die wijziging houdt verband met het introduceren van
concurrentieprikkels in de uitvoering van de sociale verzekeringen.
Uitgangspunt hierbij is dat de
uitvoeringsinstellingen worden geprikkeld zo efficiënt mogelijk
te werken om de marktpositie ten opzichte van de concurrenten te
behouden of te verstevigen. De concurrentieprikkels worden
geconcretiseerd via de contractonderhandelingen tussen het
Lisv enerzijds en de
uitvoeringsinstellingen anderzijds. Deze onderhandelingen leiden
uiteindelijk tot overeenkomsten waarin afspraken worden neergelegd over
de door de uitvoeringsinstellingen uit te voeren taken tegen de
uitonderhandelde prijzen.
De
door de sectorraden voorbereide concept-overeenkomsten worden aan het
Lisv
aangeboden ter beoordeling en tevens informeert het Lisv het Ctsv
over de inhoud van deze overeenkomsten. Het Ctsv kan zich vervolgens een
beeld vormen van de totale uitvoeringskosten van de
uitvoeringsinstellingen. Het Ctsv toetst de informatie van het Lisv
aan de eisen van doelmatigheid. Voor de goede orde wordt hierbij
uitdrukkelijk opgemerkt dat de toetsing door het Ctsv geen betrekking
heeft op de inhoud van de afzonderlijke overeenkomsten. Die toetsing is
aan het Lisv als contractpartner voorbehouden. Aan het Ctsv is in de wet
dan ook geen goedkeuringsbevoegdheid toegekend. Bij die toetsing aan de
doelmatigheidseisen wordt uiteraard ook de invloed meegewogen van de
inspanningen van de uitvoeringsinstellingen op de totale uitgaven van de
fondsen. Indien de toetsing door het Ctsv tot het oordeel leidt
dat de rblz.|58|
totale omvang van
uitvoeringskosten in strijd is met die eisen van doelmatigheid, dient
het Ctsv de
minister
en het Lisv in kennis te stellen van zijn oordeel. Het Lisv zal de
onderhandelingen met de uitvoeringsinstellingen moeten heropenen - al
dan niet na een aanwijzing door het Ctsv - om de uitvoeringskosten tot
een aanvaardbaar niveau terug te brengen.
Het
door het kabinet voorgestane mechanisme van concurrentieprikkels biedt
bovendien het voordeel dat de uitvoeringskosten door het Ctsv
vooraf worden beoordeeld en mede in relatie kunnen worden gebracht tot
de ontwikkeling van de uitkeringslasten.
Immers door de toetsing op doelmatigheid vooraf
kan een stijging van de uitvoeringskosten die wordt veroorzaakt doordat
in meerdere mate reïntegratie-inspanningen worden verricht door de
uitvoeringsinstellingen, worden afgewogen tegen het effect van die
inspanningen op de uitkeringslasten. Een stijging van de
uitvoeringskosten kan vooraf als doelmatig worden beoordeeld vanwege de
te verwachten grotere daling van de uitkeringslasten.
Binnen de voorgestelde uitvoeringsorganisatie stelt het kabinet voor de
uitvoeringskosten van de sectorraden niet afzonderlijk te budgetteren.
De sectorraden maken immers geen deel uit van de publieke
uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen, maar zijn feitelijk
privaatrechtelijke instanties die - indien ze door het
Lisv als zodanig zijn erkend - worden
ingeschakeld voor advisering.
Het kabinet geeft er de voorkeur aan dat de
diensten die door de sectorraden worden geleverd aan het Lisv per dienst
tegen kostprijs worden vergoed. De vergoedingen aan de sectorraden maken
in die constructie derhalve deel uit van het uitvoeringsbudget van het
Lisv. Uit een oogpunt van inzichtelijkheid dienen de vergoedingen naar
afzonderlijke sectorraad te worden gespecificeerd in de financiële
administratie van het Lisv. In de ministeriële regeling op grond van
artikel 81 [82:6] over de inrichting van de
jaarrekening en het jaarverslag zullen daartoe regels worden gesteld.
Het Lisv dient voorts in zijn begroting middelen te reserveren voor de
inkoop van diensten bij de sectorraden. In de voorgestelde constructie
worden de budgetten voor de sectorraden derhalve via het Lisv indirect
gebudgetteerd door het Ctsv.
Door het
Lisv wordt voorafgaand aan de
onderhandelingen tussen sectorraden en uitvoeringsinstelling
een kader voor de onderhandelingen geschapen. Daarbij zal het Lisv zich
op voorhand richten op de prijs/prestatieverhouding voor de te
verrichten taken door de uitvoeringsinstelling. Tevens moet daarbij
worden ingegaan op de omvang van de te verrichten taken. In dat kader
worden de afwegingen gemaakt voor de inzet van de uitvoeringsmiddelen
die voorheen de vertaling vonden in de begroting. Het gaat daarbij om de
inzet voor de uitkeringsverzorging en premie-inning, intensiteit van de
fraudebestrijding, de omvang van de taken in verband met de
volumebeheersing aan de poort, de inzet voor de reïntegratie,
enzovoorts.
Door de introductie van
de concurrentieprikkels zullen de
uitvoeringsinstellingen uiterste inspanningen
leveren om zo efficiënt en zo goedkoop mogelijk te werken. Immers, een uitvoeringsinstelling die
efficiënter weet
te werken dan de
concurrent zal haar positie ten opzichte van die concurrent verbeteren.
Dat kan ertoe leiden dat die uitvoeringsinstelling haar marktaandeel
uitbreidt. Overigens is tot het jaar 2000 geen sprake van een open markt (zie
paragraaf 3.5.1). Uitbreiding van het marktaandeel is tot dat tijdstip
derhalve niet mogelijk. Evenwel, de uitvoeringsinstellingen zijn zich er terdege van
bewust dat vanaf 2000 uitbreiding of verkleining van het
marktaandeel mogelijk is. Reeds nu zijn tendensen rblz.|59|
merkbaar dat door de
uitvoeringsinstellingen efficiencyverbeteringen worden doorgevoerd om
per 1 januari 2000 een zo scherp mogelijke prijs te kunnen bieden aan de
sectorraden en het
Lisv.
De
uitkeringsverzorging en de premie-inning zijn niet de enige terreinen
waarop de concurrentie de
uitvoeringsinstellingen dwingt tot een meer efficiënte
bedrijfsvoering. Ook werkterreinen als reïntegratie en handhaving
vormen gebieden waarop door de uitvoeringsinstelling
positieverbeteringen ten opzichte van de concurrenten worden
nagestreefd. Deze onderdelen van de uitvoeringsorganisatie zijn echter
arbeidsintensiever dan de uitkeringsverzorging.
Indien door een uitvoeringsinstelling meer
inspanningen op deze relatief dure onderdelen van het werkpakket worden
geleverd, zou dat zelfs tot een stijging van de uitvoeringskosten kunnen
leiden. Het kabinet gaat er echter vanuit dat een goed en effectief
beleid op het gebied van reïntegratie en fraudebestrijding zal leiden
tot een daling van de uitkeringslasten die groter is dan de stijging van
de uitvoeringskosten. De totale uitgaven van de
socialeverzekeringsfondsen zullen derhalve dalen, waardoor een lager
premieniveau resulteert. De efficiency van een uitvoeringsinstelling zal
naar de mening van het kabinet dus niet alleen op de uitvoeringskosten
sec moeten worden beoordeeld, maar voornamelijk op de effecten van het
uitvoeringsbeleid op de totale uitgaven van de fondsen.
Overigens is in de wet
vastgelegd dat het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen
afzonderlijk rapporteren over de doelmatigheid van de uitvoering.
7.2.
Begrotings- en jaarverantwoordingscyclus
De begrotingsvoorbereiding start in de eerste
maanden van het jaar t-1 met de vaststelling van een begrotingskader
door het
Lisv, waarin de uitgangspunten zijn
neergelegd. Dit begrotingskader, dat bestaat uit een aantal door het
Lisv opgestelde regels waaraan de concept-overeenkomsten moeten voldoen,
dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de
minister. In maart van het jaar t-1 volgt
een aanschrijving van het Lisv aan de sectorraden, waarin deze regels
zijn opgenomen voor de totstandkoming van concept-overeenkomsten met
uitvoeringsinstellingen. In die aanschrijving worden de
beleidsmatige, financiële, technische en procedurele uitgangspunten
vermeld waarmee in de voorbereiding van de overeenkomst rekening moet
worden gehouden. In die voorbereiding dient onder meer aandacht te
worden besteed aan de rijksgefinancierde fondsen (bijvoorbeeld de
TW) en de procedureafspraken ter zake met de
minister. Het ligt in de rede dat het Lisv de aanschrijving aan de
sectorraden ter kennisname aan het Ctsv
en de minister zendt.
Het
voorlopige onderhandelingsresultaat van de sectorraden wordt vóór 1
oktober t-1 door het
Lisv aan het Ctsv
voorgelegd. Het Ctsv is dan in staat een oordeel te geven over het
totaal van de uitvoeringskosten van de
uitvoeringsinstellingen.
Het
Lisv
sluit uiteindelijk vóór 1 december de jaarovereenkomsten met de
uitvoeringsinstellingen. In de periode tussen het informeren van het
Ctsv
over het voorlopige onderhandelingsresultaat en het afsluiten van de
overeenkomst is er nog voldoende gelegenheid voor de finetuning van de
overeenkomsten. Dit biedt met name een uitkomst voor de aanpassing van
de overeenkomsten op de RBA-begrotingen. Indien
zich tijdens de uitvoering van de overeenkomst omstandigheden voordoen
die tijdens de voorbereiding van de overeenkomst niet konden worden
voorzien, dan wel indien wijzigingen in wet- en regelgeving aanleiding
geven tot rblz.|60|
bijstellingen van de
overeenkomst, stelt het Lisv een aanvullende concept-overeenkomst op,
die overigens ook door de sectorraad wordt voorbereid. Ook over deze
wijzigingen wordt het Ctsv, voordat de definitieve overeenkomst wordt
afgesloten, door het Lisv geïnformeerd. Dit bijstellingsmoment is van
belang uit een oogpunt van flexibiliteit in het uitvoeringsproces
tijdens de uitvoering van de overeenkomst.
Het
Lisv legt zijn begroting van de eigen
uitvoeringskosten vóór 1 augustus t-1 ter beoordeling aan het Ctsv
voor. In deze kosten zijn niet de uitvoeringskosten van de
uitvoeringsinstellingen begrepen voor het onder
verantwoordelijkheid van het Lisv uitvoeren van de wetten
door de uitvoeringsinstellingen. In de begroting van het Lisv zijn de
naar sectorraad gespecificeerde kosten van de door de sectorraden te
verlenen diensten opgenomen. De sectorraden dienen derhalve geen
begroting in.
Het Ctsv beoordeelt de begroting van het Lisv
en stelt op basis daarvan vóór 1 december t-1 het budget voor het Lisv
vast. Ook ten aanzien van het budget van het Lisv is voorzien in een
bijstellingsmogelijkheid tijdens de begrotingsuitvoering indien
onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het Lisv dient ter
goedkeuring een suppletoire begroting ten aanzien van de bijstelling in
bij het Ctsv.
De
SVB legt haar begroting van de
uitvoeringskosten vóór 1 augustus t-1 voor aan het Ctsv
ter beoordeling. Op grond van die begroting stelt het Ctsv vóór 1
december daaropvolgend het budget voor de SVB vast. Ook ten aanzien van
de SVB is voorzien in een mogelijkheid tot tussentijdse bijstelling van
het budget naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden.
Het
Ctsv dient zijn begroting van
uitvoeringskosten vóór 1 augustus t-1 in bij de
minister, die het budget vóór 1 december
vaststelt. Ook het Ctsv kan, indien de omstandigheden daartoe aanleiding
geven, een suppletoire begroting ter goedkeuring indienen bij de
minister.
Ten
slotte wordt opgemerkt dat de tijdstippen in de begrotingscyclus zodanig
zijn gekozen dat afstemming kan plaatsvinden met de begrotingscyclus van
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (de RBA’s
moeten hun begroting vóór 15 september t-1 indienen, waarna overleg
plaatsvindt met het CBA voordat het CBA vóór 1 november t-1 de
landelijke begroting opstelt). Dit is van belang voor de inkoop van
diensten door de
uitvoeringsinstellingen bij de RBA’s in het kader van de
reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden.
Voor het jaar 1997 zal sprake zijn van een overgangsjaar. In de loop van
1996 zal, conform de huidige systematiek, een budget voor de
uitvoeringskosten worden vastgesteld voor het Ctsv
(door de
minister), de SVB
en het Tica (door het Ctsv) en de bedrijfsverenigingen (door het Tica).
Deze budgetten zijn maatgevend voor de omvang van de uitvoeringskosten
1997. In de loop van 1997 zullen echter de volgende aanpassingen
plaatsvinden:
- het budget van het Ctsv zal door de minister worden aangepast aan het
nieuwe takenpakket (onder meer verlies informatietaak);
- het budget van het
Lisv
zal bestaan uit het budget van het Tica aangevuld met de budgetten van
de bedrijfsverenigingen voor zover deze samenhangen met de
secretariaatskosten, ter dekking van de kosten van de sectorraden.
Tevens vindt aanpassing plaats in verband met de verruiming van het
takenpakket (onder meer informatietaak);
- het budget van de SVB ondervindt, gezien de zeer geringe wijziging van
de taken, geen wijziging;
- de omvang van het budget van de bedrijfsverenigingen (exclusief
secretariaatskosten) komt overeen met de omvang van de voorziene rblz.|61|
vergoedingen voor de
uitvoeringsinstellingen. Deze vergoedingen zijn opgenomen in de door
de bedrijfsverenigingen met de uitvoeringsinstellingen afgesloten
jaarovereenkomsten. De jaarovereenkomsten gaan over naar het Landelijk
instituut en de omvang van het voor de bedrijfsverenigingen vastgestelde
budget (exclusief secretariaatskosten) komt derhalve overeen met de
omvang van de kosten van de uitvoering van de overeenkomsten tussen het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen.
7.3.
Het financiële verantwoordingsproces
In het kader van de thans
voorgestelde wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie heeft het kabinet
aanleiding gezien ook het financiële verantwoordingsproces aan
te passen. Hoofdgedachte op basis waarvan het kabinet voorstelt het
financiële verantwoordingsproces aan te passen is dat de financiële
verantwoording (rechtmatigheid van de uitgaven en getrouwheid van de
financiële verslaglegging) daar plaats vindt waar de uitgaven worden verricht.
Dit betekent dat in een situatie waarin de
uitvoeringsinstellingen als concurrenten opereren, zij afzonderlijk verantwoording afleggen
over de rechtmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en de
getrouwheid van de financiële administratie.
Nader uitgewerkt stelt het kabinet ten aanzien van het financiële
verantwoordingsproces het volgende voor. De uitvoeringsinstelling
en de SVB
leggen jaarlijks na afloop van een boekjaar aan het Ctsv
verantwoording af over de (primaire) uitvoering van de socialeverzekeringswetten.
De verantwoording wordt afgelegd door middel van een afzonderlijke, naar
wet verbijzonderde, verantwoordingsrapportage voorzien van een
verklaring van rechtmatigheid door de uitvoeringsinstelling en de SVB.
De uitvoeringsinstelling en de SVB baseren zich bij die verklaring op de
accountantsverklaring van de interne accountant van de
uitvoeringsinstelling, die de rechtmatigheid van het financiële proces
heeft getoetst. De jaarrekening wordt afzonderlijk opgemaakt en voorzien
van een verklaring van getrouwheid door een externe accountant. De
hiervoor genoemde verklaringen van uitvoeringsinstelling en de SVB (i.c.
verantwoordingsrapportage, rechtmatigheids- en getrouwheidsverklaringen)
worden aan het Ctsv gezonden en de verklaringen van de
uitvoeringsinstelling in afschrift aan de partner bij de overeenkomst,
het
Lisv. In de voorgaande procedure is
inbegrepen dat de uitvoeringsinstellingen financiële verantwoording aan
het Ctsv afleggen over de premie-inning in het kader van de Ziekenfondswet.
Het
Lisv en de
SVB leggen aan het Ctsv
verantwoording af over de rechtmatigheid van het beheer van de fondsen
en de rechtmatigheid van de eigen uitgaven en ontvangsten. De
verantwoording wordt afgelegd door middel van een afzonderlijke, naar
fonds verbijzonderde, verantwoordingsrapportage voorzien van een
verklaring van rechtmatigheid door de besturen van het Lisv en de SVB.
De besturen van het Lisv en de SVB baseren zich bij die verklaring over
het oordeel over de rechtmatigheid op de accountantsverklaring van de
interne accountant van het Lisv respectievelijk de SVB, die de
rechtmatigheid van het financiële proces binnen de afzonderlijke
fondsen heeft getoetst.
De jaarrekening wordt afzonderlijk opgemaakt en
voorzien van een verklaring van getrouwheid door een externe accountant.
Daarnaast worden verklaringen van rechtmatigheid en getrouwheid
overeenkomstig de hiervoor beschreven procedure aan het Ctsv gezonden
omtrent de apparaatskosten van het Lisv respectievelijk de SVB als
organisatie.
Het
Ctsv
stelt ten slotte een geïntegreerde financiële verantwoording op die
tevens betrekking heeft op de eigen uitvoeringskosten van het Ctsv,
verbijzonderd naar
socialeverzekeringswet. Vervolgens verzorgt
het rblz.|62|
Ctsv vanuit de
accountantsdiscipline een verklaring omtrent de rechtmatigheid per wet
en op landelijk niveau. Het geheel wordt aangeboden aan de
minister. Met betrekking tot de
premie-inning op grond van de Ziekenfondswet
verzorgt het Ctsv een rechtmatigheidsverklaring op landelijk niveau aan
de
Ziekenfondsraad. Bij de opstelling van de verklaring wordt gebruik
gemaakt van de verklaringen en bevindingen van en onderzoeken door de
controle-instanties van de
uitvoeringsinstellingen,
Lisv, SVB, waarmee
invulling wordt gegeven aan het principe van single audit. Het Ctsv
behoudt vanuit de functie van toezichthouder uiteraard de bevoegdheid
tot toezicht en controle bij de uitvoeringsinstellingen, het Lisv, en de
SVB.
De
vraag of de controlerende taak van het Ctsv
zich ook uitstrekt tot de werkzaamheden die zijn uitbesteed aan derden,
is reeds eerder beantwoord in het wetsvoorstel "Ontvlechting"
(Kamerstukken II 1995-1996, 24 789, nrs. 1-3). Zie ook paragraaf 3.4
van deze memorie. Het Ctsv dient zich in eerste instantie te richten tot
de uitvoeringsinstelling. Indien uit de
financiële administratie van de uitvoeringsinstelling niet te
achterhalen is of de uitgaven of ontvangsten rechtmatig zijn, zal het
Ctsv gebruik kunnen maken van de wettelijke bevoegdheid de publieke
stroom geld te volgen die naar derden toevloeit.
De
hiervoor beschreven werkwijze laat onverlet dat in de contracten tussen uitvoeringsinstelling
en
Lisv eisen omtrent een rechtmatige
uitvoering en een getrouwe weergave van de financiële processen worden
neergelegd. Het Lisv zal als opdrachtgever en ook als uiteindelijk
verantwoordelijke voor de uitvoeringstaken van de uitvoeringsinstelling,
in het contract mogelijkheden tot toetsing opnemen omtrent controle op
een rechtmatige uitvoering en getrouwe weergave van de financiële
processen tijdens de periode waarvoor met een uitvoeringsinstelling een
contract is gesloten. Het Lisv behoeft daartoe geen reviews te houden
bij de uitvoeringsinstellingen. Die taak is aan het
Ctsv voorbehouden. In het kader van het
financiële verantwoordingsproces houdt het Ctsv immers periodieke
controles op de rechtmatigheid van de uitvoering door de
uitvoeringsinstellingen.
Het Lisv kan op basis van de controles door het
Ctsv zeker stellen dat de uitvoering van de contracten door de
uitvoeringsinstellingen op rechtmatige wijze plaatsvindt en dat de
financiële administratie de werkelijkheid getrouw weergeeft. Naar de
mening van het kabinet zal dan ook een periodiek overleg tussen Ctsv en
Lisv moeten plaatsvinden over de wijze van uitvoering door de
uitvoeringsinstellingen.
In dat overleg kan, ingeval het Ctsv gebreken
constateert in de uitvoering door de uitvoeringsinstellingen, het Lisv
wijzen op de geconstateerde gebreken bij de contractpartner van het Lisv.
Het Lisv kan vervolgens maatregelen nemen tegen de in gebreke blijvende
contractpartner. Indien het Lisv dit wenst, kunnen de sectorraden ten
aanzien van de verantwoording over de lopende werkzaamheden een
ondersteunende rol vervullen. De wijze waarop is voorgesteld het
financiële verantwoordingsproces gestalte te geven, is overigens niet
van invloed op de toezichtsprocedure. Het Ctsv spreekt vanuit zijn rol
als toezichthouder het Lisv aan indien een uitvoeringsinstelling de socialeverzekeringswetten
niet rechtmatig uitvoert of niet een getrouwe financiële administratie
voert. Overigens zal een dergelijke constatering eerst in het reguliere
overleg tussen Lisv en Ctsv aan de orde komen. Eerst wanneer het Ctsv
constateert dat maatregelen van het Lisv richting de contractpartner
uitblijven, kan op het instrument van een aanwijzing worden
teruggevallen. Het Lisv onderneemt vervolgens actie richting
uitvoeringsinstelling. De huidige toezichtspiramide blijft daarmee in
stand.
rblz.|63|
Voorgesteld wordt het
financiële verantwoordingsproces te beperken tot de inkomsten en
uitgaven die verband houden met de aan de uitvoeringsinstanties
opgedragen uitvoeringstaken. In verband daarmee zal het Ctsv
niet langer een oordeel uitspreken over rechtmatige uitvoering van de
inning van de premies volksverzekeringen. Die taak wordt immers verricht
door de belastingdienst. Tot de
verantwoordelijkheid van de belastingdienst en uiteindelijk de Minister van Financiën
hoort dan tevens het afleggen van financiële verantwoording over de
juistheid en rechtmatigheid van de premie-inning volksverzekeringen.
Naar de mening van het kabinet dient in die constructie wel een vorm van
overleg tot stand te komen tussen Ctsv, SVB (in
de positie van fondsbeheerder) en belastingdienst om zekerheid te
verkrijgen over de juistheid van de aan de fondsen af te dragen premies
volksverzekeringen en de in rekening te brengen perceptiekosten.
8.
Effecten bedrijfsleven
8.1.
Inleiding
De interdepartementale werkgroep Voorgenomen
Regelgeving (Stcrt. 1995, 96) heeft aangegeven dat het
wetsvoorstel ter wijziging van de Osv mogelijk relevante effecten
voor het bedrijfsleven met zich meebrengt. Deze effecten zouden aan de
hand van de volgende vragen in kaart moeten worden gebracht.
1. Voor welke categorieën bedrijven heeft het wetsvoorstel mogelijk
invloed?
2. Hoeveel bedrijven worden daadwerkelijk met het wetsvoorstel
geconfronteerd?
3. Wat zijn voor de betrokken bedrijven de meest waarschijnlijke aard en
omvang van de kosten en baten van het wetsvoorstel?
4. Wat zijn de sociaal-economische effecten van het wetsvoorstel (voor
werkgelegenheid, productie, etc.)?
Door beantwoording van deze vragen is voor het
wetsvoorstel een beperkte bedrijfseffectentoets uitgevoerd. In het
onderstaande zal eerst de reikwijdte van de voorgestelde maatregelen
nader worden aangegeven. De samenhang met de
socialezekerheidswetgeving waarvoor de Osv de
uitvoeringsorganisatie vastlegt is immers sterk (paragraaf 8.2).
Vervolgens wordt stapsgewijs een antwoord gegeven op de eerste twee
vragen van de bedrijfseffectentoets. Daarbij wordt een onderscheid
gehanteerd tussen directe en indirecte effecten (paragraaf 8.3).
De te constateren effecten van de ontwerp-regeling zijn vooral indirecte
effecten en zijn daarom met veel onzekerheden omgeven. Ze worden om die
reden vooral eerst kwalitatief geduid, hetgeen een antwoord geeft op de
derde en vierde vraag (paragraaf
8.4). Tot slot komen enige kwantitatieve indicaties aan de orde (paragraaf
8.5).
8.2.
Domeinafbakening
De Osv regelt de organisatie van de uitvoering
van de socialeverzekeringswetten, zowel die van
de volksverzekeringen als die van de werknemersverzekeringen. In de Osv
worden vooral de relaties tussen minister,
toezichthouder en uitvoeringsorganen op hoofdlijnen wettelijk geregeld.
Uit deze plaatsbepaling volgt reeds dat de Osv weinig directe relaties
heeft met het functioneren van het bedrijfsleven als geheel. Dit geldt
mutatis mutandis voor de aanpassing van de Osv die met dit wetsvoorstel
aan de orde is. Ik zal in het onderstaande dus vooral over deze
indirecte effecten van het wetsvoorstel tot wijziging van de Osv spreken
rblz.|64|
Eén uitzondering betreft de
bepalingen in de Osv die enkele rechten en plichten vastleggen ten
aanzien van de informatieverstrekking nodig voor een goede uitvoering
van de materiewetten. Deze treffen ook bedrijven en verzekerden en zijn
te beschouwen als directe effecten voor het bedrijfsleven van de
regeling.
Naast de veranderingen die voortvloeien uit dit wetsvoorstel
tot wijziging van de Osv, zijn er recentelijk ook tal van andere
veranderingen opgetreden in de uitvoering van de
socialeverzekeringswetten. Enkele daarvan
houden direct verband met wijzigingen in de materiewetten. Voor de
zuiverheid van de analyse wordt in het onderstaande geabstraheerd van de
gevolgen die deze veranderingen voor het bedrijfsleven met zich
meebrengen. Ik zal uitsluitend ingaan op de effecten van de
veranderingen in de organisatie van de uitvoering.
8.3.
Directe effecten
Het voorliggende
wetsvoorstel bevat geen uitbreiding van de informatieverplichtingen
van werkgevers. Er worden juist maatregelen voorgesteld die zullen
leiden tot een vermindering van de administratieve lastendruk van
werkgevers. Dit betreft de maatregelen, gericht op de standaardisering
van het berichtenverkeer met de
uitvoeringsinstellingen (beschreven in paragraaf 6.3)
en de beoogde verbetering van de VZA en in het bijzonder de registratie
van dienstverbanden (zie paragraaf 6.4).
8.4.
Indirecte effecten
Bij het ex ante vaststellen van indirecte
effecten van regelgeving bestaat uit de aard der zaak een grote marge
van onzekerheid. Toch kan in tentatieve zin wel het één en ander
worden vastgesteld.
Zo volgt uit de algemene strekking van het
wetsvoorstel voor de organisatie van de socialeverzekeringswetten
dat het gehele Nederlandse bedrijfsleven de gevolgen ervan zal
ondervinden. Verder mag worden verwacht dat deze effecten vrijwel zonder
uitzondering pas op middellange termijn (drie tot zeven jaar) zichtbaar
zullen worden. Enerzijds komt dat omdat het enige tijd duurt voordat de
betrokken organen functioneren volgens de lijnen die in het wetsvoorstel
worden uitgezet. Het duurt vervolgens nog weer enige tijd langer voordat
daarvan de gevolgen voor het bedrijfsleven merkbaar zullen zijn.
Anderzijds speelt een rol dat in het kader van de ontvlechting
raamovereenkomsten tussen
uitvoeringsinstellingen en bedrijfsverenigingen over de uitvoering
zijn afgesloten. Deze overeenkomsten hebben een looptijd tot het jaar
2000, zodat de hier relevante verschuivingen in de organisatie van de
uitvoering tot dat moment relatief beperkt zullen zijn.
Hoe
zijn nu deze indirecte effecten nader te kwalificeren? Ter beantwoording
van die vraag moeten drie clusters van veranderingen in de
uitvoeringsstructuur nader worden bekeken. Het gaat om:
(i) veranderingen in de sturing en het management van de uitvoering aan
de voet;
(ii) veranderingen in de informatiehuishouding; en
(iii) veranderingen in de samenwerkingsverbanden met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten (uitvoering
bijstandverlening).
8.4.1. Sturing en
management aan de voet
Door het introduceren van concurrentieprikkels zal een gereguleerde
competitie tussen de
uitvoeringsinstellingen ontstaan. Dit zal tot een efficiëntere uitvoering van de
socialezekerheidswetten leiden, daar
de rblz.|65|
uitvoeringsinstelling met de
beste prijs-prestatieverhouding de voorkeur zal krijgen van de
opdrachtgever. Dit kan ofwel lagere uitvoeringskosten voor de sector tot
gevolg hebben, ofwel een kwaliteitsverbetering in de uitvoering. In
beide gevallen kan dit een daling in de premiestelling inluiden. De
kwaliteitsverbetering in de uitvoering bestaat immers onder meer uit
beheersing van de instroom, handhavingsbeleid en activiteiten in het
kader van de reïntegratie. Het volume en daarmee het uitgavenniveau in
de sociale zekerheid kan dus beter worden beheerst.
Deze keten van oorzaak-gevolg kan in beginsel voor het totaal van de
uitvoering van de sociale zekerheid gelden, in het bijzonder die van de
werknemersverzekeringen. De indirecte effecten kunnen dus het gehele
bedrijfsleven treffen. Omdat vanaf het jaar 2000 de keuzes in de
uitbesteding van de uitvoering per sector iets kunnen verschillen, zal
dit soort effecten niet geheel gelijk verdeeld zijn over de sectoren. Op
voorhand valt niet in te schatten hoe een dergelijke differentiatie zal
uitpakken. Volgens de ontwerp-regeling hebben
vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers
in die branches en sectoren daar echter wel op een indirecte wijze zelf
invloed op: in de beraadslagingen van hun vertegenwoordigers in de
sectorraden.
Voorts is duidelijk dat
naarmate er meer reële mogelijkheden zijn om te veranderen van uitvoeringsinstelling, de concurrentie in de uitvoering meer wordt gevoeld.
Daarbij speelt een rol dat de verplichting tot uitbesteding van de
uitvoering van een sector als geheel aan één uitvoeringsinstelling,
komt te vervallen, zodat er ruimte komt voor de uitbesteding van de
uitvoering voor specifieke sectoronderdelen. De sectorraden kunnen dus
adviseren om verschillende contracten voor onderdelen van hun sector
af te sluiten. Daardoor kunnen sectoronderdelen ook binnen de sectoren
een concurrentievoordeel behalen. Zoals in hoofdstuk 6
reeds is aangegeven, wordt deze concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen
mede mogelijk gemaakt door de beoogde standaardisering en
uniformering van de berichtenstromen en gegevensbestanden.
Uit
het bovenstaande blijkt dat het wetsvoorstel
bijdraagt aan de beheersing van de volumina en van de uitvoeringskosten.
De premies voor werkgevers en/of werknemers kunnen dientengevolge dalen.
Dit kan vervolgens tot uitdrukking komen in lagere lasten voor
werkgevers en/of koopkrachtverbetering voor werknemers. Op zijn beurt
kan dit in de profitsectoren een impuls betekenen voor de economische
ontwikkeling en dus voor de werkgelegenheid.
8.4.2.
Informatiehuishouding van de sector sociale verkeringen
De herverdeling van taken
en verantwoordelijkheden op het terrein van de informatiehuishouding
van de sector sociale verzekeringen zal resulteren in
efficiëntere opzet van het berichtenverkeer, het gegevensbeheer
en de gegevensuitwisseling. Voor bedrijven zal dit op termijn tot een vermindering van de
administratieve lasten leiden.
Tevens voorziet
dit wetsvoorstel in een verschuiving van de
informatietaak van het
Ctsv naar het
Lisv (en de
SVB), wat een verlaging van de uitvoeringskosten
met zich mee zal brengen. De door de werkgevers op te brengen premies
kunnen daardoor op termijn iets omlaag
8.4.3.
Samenwerkingsverbanden
Het wetsvoorstel
draagt het
Lisv
op om ervoor te zorgen
dat de
rblz.|66|
samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de
gemeenten
gewaarborgd wordt. Ook verplicht het wetsvoorstel de uitvoeringsinstellingen
in iedere Lisv-regio of combinatie van Lisv-regio’s één of meer
personen aan te wijzen die bevoegd zijn beslissingen te nemen ten
aanzien van de reïntegratietaak. Op welke wijze dat doorwerkt in de
contacten tussen de regionale kantoren van de uitvoeringsinstellingen en
het bedrijfsleven, is niet op voorhand te bepalen. Op dit punt liggen
bovendien in het SWI-traject nog nader te operationaliseren
mogelijkheden besloten. Van de nieuwe samenwerkingsverbanden tussen
uitvoeringsinstellingen en overige uitvoerende organen zijn de effecten
voor het bedrijfsleven dus nog niet duidelijk.
8.5.
Kwantitatieve indicaties
Geconstateerd is dat er
geen directe effecten van het wetsontwerp zijn te verwachten voor het
bedrijfsleven. De omvang van de indirecte effecten kent een ruime
onzekerheidsmarge. Wanneer op termijn de uitvoeringskosten maar ook de volumina
beter beheerst kunnen worden, kunnen de premieafdrachten voor het bedrijfsleven relatief omlaag.
Een
eerste beperking die hier moet worden aangebracht is dat de
ontwerp-regeling
vooral de uitvoering van de werknemersverzekeringen raakt. Dat betekent
dat de te verwachten verbeteringen in de uitvoering geen gevolgen zullen
hebben voor de uitkeringsverstrekking voor de volksverzekeringen (AOW,
AKW, Anw) door de SVB,
waarbij jaarlijks circa ƒ44 miljard wordt uitgekeerd en voor de
uitvoering ruim ƒ700 miljoen wordt besteed (Jaarverslag SVB 1994). De
effecten zullen derhalve vooral merkbaar zijn voor het resterende deel
van de uitvoering, dat nog altijd voor ongeveer ƒ47 miljard aan
uitkeringen omvat in 1994 (ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid,
toeslagen), en een bedrag van ongeveer ƒ3 miljard voor
uitvoeringskosten door de
uitvoeringsinstellingen (Tica, 1995).
Vanaf het jaar 2000 zal het
Lisv
meer ruimte krijgen voor het benaderen van verschillende
uitvoeringsinstellingen, ook voor afzonderlijke branches.
Zoals hierboven al gesteld, zal hieruit op
termijn een zekere spreiding kunnen voortkomen in de premiedruk per
branche of sector. Het ligt voor de hand dat dit zich vooral laat
gevoelen in de thans wat grotere branches of sectoren. De volgende tabel
geeft daartoe een indruk van de verdeling van de uitvoeringskosten naar
bedrijfsverenigingen tot 1995.
Ontwikkeling uitvoeringskosten sociale verzekeringen 1993-1995
(exclusief
reorganisatie en vermogensopbouw), voor de vijf grootste
bedrijfsverenigingen, bedragen in miljoenen guldens (Bron: Tica 1995):
| Bedrijfsvereniging |
1993 |
1994 |
1995 |
| 25
Bank- en Verzekeringswezen: |
398 |
383 |
406 |
| 23
Gezondheid: |
367 |
442 |
330 |
| 26
Nieuwe Algemene: |
340 |
371 |
367 |
| 03
Bouw: |
357 |
336 |
308 |
| 18
Detam: |
310 |
309 |
295 |
| Gemiddelde
overigen: |
x98 |
x96 |
x94 |
De tabel
illustreert dat vooral het bank- en verzekeringswezen (inclusief de
commerciële dienstverlening), de bouw, de detailhandel, de
gezondheidszorg en de bedrijven aangesloten bij de NAB [Nieuwe Algemene
Bedrijfsvereniging, red.] gevoelig zullen zijn voor
verschuivingen in de uitbesteding van de uitvoering. Differentiatie in
de contracten zal voor branches binnen deze sectoren dus het sterkst
tot rblz.|67|
verschillen in premies
voor bedrijven kunnen leiden. Per werkgever zal het hier overigens hoe dan
ook gaan om bescheiden verminderingen van lasten.
Door de verbeterde
regeling van de informatievoorziening kan de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven op middellange termijn
worden verminderd. Een deel van dit effect is overigens evenzeer aan bestaande inspanningen
toe te rekenen als aan het ontwerp van de voorliggende
regeling.
8.6.
Conclusie
Beantwoording van de vragen van de
bedrijfseffectentoets levert het volgende beeld op.
(1) Het
voorstel tot wijziging van de Osv raakt het bedrijfsleven niet
direct. Langs een omweg zijn er effecten voor het gehele bedrijfsleven,
voor alle branches/sectoren.
(2) Het gaat dus om alle
bedrijven die werkzaam zijn in Nederland.
(3) Het gaat daarbij vooral
om indirecte effecten voortvloeiend uit:
(i) veranderingen in de sturing en het management van de uitvoering aan
de voet;
(ii) veranderingen in de informatiehuishouding.
Aangezien het wetsvoorstel geen invulling geeft
aan de wijze waarop de samenwerking tussen
uitvoeringsinstellingen enerzijds en de gemeenten
en
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in de regio
anderzijds plaatsvindt, worden langs die weg geen indirecte effecten op
het bedrijfsleven gesignaleerd.
De
beide andere wijzigingen culmineren binnen een termijn van drie tot
zeven jaar in een vermindering van de kosten van de uitvoering, maar ook
in een reductie van de volumina voor de socialeverzekeringswetten.
Deze positieve effecten kunnen per sector meer
of minder duidelijk aan de dag treden. Uiteindelijk kunnen deze
resulteren in een lagere premiedruk voor het bedrijfsleven. Daarnaast
zal een marginale vermindering van de administratieve lastendruk voor
het bedrijfsleven kunnen optreden (in de orde van grootte van enkele
miljoenen guldens per jaar).
De lagere kosten voor het
bedrijfsleven zullen niet evenredig over sectoren of branches
gespreid optreden. Vooral bij het bank- en verzekeringswezen
(inclusief de commerciële dienstverlening), maar ook bij de bouw, de
detailhandel, de branches onder de BV Nieuwe Algemene en de gezondheidszorg
zullen de positieve effecten op termijn vermoedelijk traceerbaar zijn.
(4) De lagere premiedruk
voor werkgevers en de marginale vermindering van de administratieve
lastendruk zullen in de profitsectoren kunnen leiden tot een bescheiden
groei van de effectieve vraag, van de productie en van de
werkgelegenheid.
Voor alle indirecte
effecten die hier zijn genoemd, geldt dat ze moeilijk uitsluitend en alleen
zijn toe te schrijven aan het wetsvoorstel. Mede om deze reden zijn kwantitatieve indicaties van de effecten achterwege
gebleven.
8.7.
Effecten voor de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid
De interdepartementale
werkgroep Voorgenomen Regelgeving heeft rblz.|68|
aangegeven dat naast de
effecten voor het bedrijfsleven in beeld gebracht moet worden wat de
gevolgen van de voorgestelde wijzigingen van de Osv zijn als het gaat om
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de wetgeving. Dit moet gebeuren
aan de hand van beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat zijn de gevolgen van de ontwerp-regelgeving
voor de handhavingsinzet en de handhavingsbehoefte?
2. Wat zijn de gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht?
Voor de beantwoording van beide vragen is van belang dat het wetsvoorstel
gaat over de uitvoeringsorganisatie en in geringe mate van invloed is op
de positie van individuele verzekerden of werkgevers. De gevolgen voor
de handhavingsinzet, de handhavingsbehoefte en voor de rechterlijke
macht zijn daarom beperkt.
Op het al dan niet optreden van gevolgen wordt
hierna ingegaan.
Ad 1. De gevolgen voor de handhavingsinzet
en de handhavingsbehoefte
Op
basis van dit wetsvoorstel is het
Lisv verplicht om alle werkzaamheden met
betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van beslissingen omtrent
prestaties en verschuldigde premies op grond van een
administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten per sector of
sectoronderdeel, te laten verrichten door een rechtspersoon die is
erkend door de
minister. Dit is analoog aan artikel 57 van
de huidige Osv. Beide contractpartijen - het Lisv en de uitvoeringsinstelling(en)
- zullen erop toe moeten zien dat het contract overeenkomstig de
bedoeling wordt uitgevoerd. Dit vergt van het Lisv en de
uitvoeringsinstelling(en) echter geen andere inzet dan op dit moment al
door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen wordt
gepleegd. Een extra inzet op dit punt is dus niet noodzakelijk.
Het
Ctsv krijgt de bevoegdheid om uit hoofde
van zijn taak aanwijzingen van algemene aard te geven aan de SVB
en het
Lisv. Het Ctsv moet ook toezien op de
naleving door de SVB en/of het Lisv van een gegeven aanwijzing. Zowel de
bevoegdheid om aanwijzingen te geven als de taak om op de naleving
daarvan toe te zien, zijn taken van het Ctsv die al opgenomen zijn in de
bestaande Osv en brengen als zodanig geen wijziging in het takenpakket
van het Ctsv op het punt van de handhaving.
Ad 2. De gevolgen voor
belasting van de rechterlijke macht
De
administratieovereenkomst(en) en jaarovereenkomsten tussen het
Lisv en de uitvoeringsinstelling(en)
zijn op het privaatrecht gebaseerde contracten. Naleving van deze
overeenkomsten kan eventueel via de burgerlijke rechter worden
afgedwongen en kan langs die weg tot belasting van de rechterlijke macht
leiden. Dit leidt naar verwachting echter niet tot een extra belasting
van de rechterlijke macht, omdat de nu bestaande overeenkomsten tussen
de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen ook al aan de
burgerlijke rechter kunnen worden voorgelegd.
9.
Financiële aspecten
9.1. Inleiding
Het wetsvoorstel tot
wijziging van de Osv leidt tot een andere positionering van taken
en verantwoordelijkheden van organisaties. Deze wijzigingen hebben een
effect op de uitvoeringskosten van het
Ctsv, het
Lisv, de sectorraden, de
uitvoeringsinstellingen en (in mindere mate) de
SVB.
rblz.|69|
In dit hoofdstuk wordt een
beeld geschetst van de kosten die samenhangen met de verschuiving van
taken en verantwoordelijkheden (in de personele sfeer). Het gaat hierbij
om een schets van de structurele situatie, waarbij bedacht dient te
worden dat in de overgangssituatie kosten kunnen gaan ontstaan in
verband met aanpassing van de organisatie en eventuele overplaatsing van
personeel. In de overgangssituatie wordt de materie verder gecompliceerd
door wijzigingen in wet- en regelgeving, die een groot effect hebben op
de uitvoering van de werknemersverzekeringen (onder meer introductie
premiedifferentiatie WAO), alsmede de
doorwerking van de wijzigingen die in het kader van de Osv hebben
plaatsgevonden (met name de ontvlechtingsoperatie).
Naar verwachting zal de nieuwe uitvoeringsstructuur, waarbij de
regionale samenwerking centraal staat, op termijn ook een positieve
invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de uitkeringslasten. Omdat
deze effecten moeilijk zijn in te schatten en deels samenlopen met de
effecten van de wijziging van de socialeverzekeringswetten,
wordt bij dit wetsvoorstel afgezien van
kwantificering van de effecten op de uitkeringslasten.
9.2.
Effecten op de uitvoeringskosten.
Primair zullen de directe
gevolgen van het verschuiven van taken en verantwoordelijkheden in
beeld worden gebracht. Voor elke instantie zal worden aangegeven hoe de
veranderingen in personele zin doorwerken.
9.2.1. Ctsv
De
taken van het Ctsv worden toegespitst op
het toezicht. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de informatietaak
overgaat naar het
Lisv en de
SVB en dat het aantal regelgevende
bevoegdheden zal worden verminderd.
Dit leidt tot een vermindering van de formatie
van het Ctsv. Met betrekking tot de informatietaak betreft het zowel de
personen die zich bezighouden met het verstrekken van (beleids)informatie
als de activiteiten in het kader van het optimaliseren van de
informatiestromen binnen de socialeverzekeringssector. Volgens
informatie van het Ctsv zouden 5 fte’s kunnen overgaan van het Ctsv
naar het Lisv en de SVB (uitvoeringskosten ca. ƒ0,5 mln).
9.2.2. Lisv
Voor een groot deel zal het apparaat van het
Lisv
bestaan uit personeelsleden die op dit moment bij het Tica werkzaam
zijn. Het Lisv neemt immers alle taken van het Tica over. Daarnaast
wordt het Lisv belast met een aantal aanvullende taken, zoals het
verzorgen van rechtmatigheidsverklaringen en doelmatigheidsrapportages
en de informatietaak die voorheen bij het Ctsv
was gesitueerd (ca. 4,5 fte’s). Tevens wordt de coördinerende taak
van het Lisv, in vergelijking met het Tica, versterkt, hetgeen eveneens
een toename van de formatie tot gevolg heeft (5 à 10 fte’s; 0,5 à
ƒ1 mln).
Samenhangend met de taken van het Lisv is het
beheer van de GVI. Momenteel wordt de GVI beheerd door het IDSV
(Informatiedienst Sociale Verzekeringen). Het personeel van IDSV zal
overgaan naar het Lisv (15 fte’s). Voor de uitvoeringskosten heeft dit
geen gevolgen, omdat de kosten van IDSV momenteel reeds uit de
socialeverzekeringsfondsen worden gefinancierd.
rblz.|70|
9.2.3. Sectorraden
De
sectorraden hebben een adviestaak richting het
Lisv. Qua omvang (aantal personeelsleden)
zullen zij waarschijnlijk vergelijkbaar zijn met de secretariaten van de
bedrijfsverenigingen. Met betrekking tot de sectorraden zal derhalve
veelal sprake zijn van een verschuiving van personeelsleden en niet van
uitbreiding. Naar verwachting zal de oprichting van de sectorraden,
structureel, niet tot additionele uitvoeringskosten leiden ten opzichte
van de huidige situatie.
9.2.4. SVB
Het
takenpakket van de
SVB wordt enigszins vergroot door de
activiteiten in het kader van het opstellen van de
rechtmatigheidsverklaringen en de doelmatigheidsrapporten, en het
toevoegen van informatieactiviteiten die thans bij het Ctsv
zijn gesitueerd. Naar verwachting leidt dit tot een beperkte
taakverzwaring (ca 0,5 fte).
9.2.5.
Uitvoeringsinstellingen
Momenteel zijn vier
uitvoeringsinstellingen actief (GAK-UI; SFB-UO,
GUO-UI en Cadans).
Tengevolge van
het onderhavige wetsvoorstel zal het
takenpakket van de uitvoeringsinstellingen nauwelijks wijzigingen
ondergaan. Wel is het zo dat de uitvoeringsinstellingen een inbreng
dienen te leveren bij de verklaringen c.q. rapportages met betrekking
tot de rechtmatige en doelmatige aanwending van gelden. Daarnaast
wijzigt de opdrachtgever (bedrijfsvereniging versus
Lisv en sectorraden). Tevens wordt meer
ruimte gecreëerd voor concurrentieprikkels. Door deze wijzigingen zal
naar verwachting op termijn een positief effect op het niveau van de
uitvoeringskosten ontstaan.
9.3.
Conclusie
De directe structurele kostenconsequenties, in
termen van uitvoeringskosten sociale verzekeringen, van het wetsvoorstel
zijn beperkt. Het betreft veelal een verschuiving van taken tussen
organisaties. Op korte termijn kan sprake zijn van (beperkte)
aanpassingskosten. Op langere termijn mag een positief effect worden
verwacht op het niveau van de uitvoeringskosten, omdat mede door het
introduceren van concurrentieprikkels een stimulans wordt ingebouwd om
te komen tot een meer efficiënt uitvoeringsproces.
Ten aanzien van de uitkeringslasten mogen op
termijn uitgavenverlagende effecten worden verwacht tegen het licht van
de voorgenomen geïntensiveerde samenwerking tussen
socialeverzekeringsorganen,
gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De omvang van en de termijn waarop deze positieve effecten kunnen worden
verwacht, is momenteel niet te voorzien.
10.
Toetsing aan de concept-aanwijzingen inzake ZBO’s
Op 2 mei 1995 stemde het kabinet in met de
notitie "Herstel van het primaat van de politiek bij de aansturing
van zelfstandige bestuursorganen" (Tweede Kamer 1994/95, 24 130,
nr. 5). Deze notitie bevat het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de
rapportage van de Algemene Rekenkamer over "Zelfstandige
bestuursorganen en ministeriële verantwoordelijkheid", die
onderdeel vormde van het jaarverslag 1994 van de Rekenkamer. In het
kabinetsstandpunt wordt, met het oog op genoemd herstel van het primaat
van de politiek, de ontwikkeling van een rijksbreed beleidskader voor de
sturing van en het toezicht op zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s)
aangekondigd.
rblz.|71|
Belangrijk onderdeel van dat
beleidskader is de aanvulling van de Aanwijzingen voor de
regelgeving met aanwijzingen inzake ZBO’s. Het kabinet zal deze aanwijzingen dezer
dagen vaststellen en naar de Tweede Kamer zenden.
In
dit wetsvoorstel is sprake van (de instelling
van) een drietal ZBO’s: het
Lisv, de SVB
en het Ctsv. Het betreft hier geen nieuwe
organen maar continuering van reeds bestaande ZBO’s onder een nieuwe
naam (Lisv, rechtsopvolger Tica) en onder een nieuw wettelijk regime.
Hieronder vindt op hoofdlijnen een toetsing van
deze ZBO’s aan de concept-aanwijzingen inzake ZBO’s plaats (de
vermelde nummers 124 ...etc. verwijzen naar de betreffende
concept-aanwijzingen).
Allereerst zijn het
Ctsv, het
Lisv en de SVB
publiekrechtelijke organen, die bij wet worden ingesteld (124 b, e). Er
is sprake van een nauwkeurige wettelijke taakomschrijving
("gesloten huishouding", 124 g).
Daarnaast zijn zowel het
Lisv als de zogenaamde participatie-ZBO’s,
waarin in een tripartiete bestuursstructuur naast onafhankelijke leden
vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers en
werknemers
bestuurlijk deelnemen. Het betreft hier een continuering van de reeds
bestaande bestuursparticipatie van sociale partners. Het kabinet is van
mening dat deze participatie toegevoegde waarde heeft voor de uitvoering
van de sociale verzekeringen en ziet derhalve geen aanleiding genoemde
participatie te beëindigen. (124 c, i). Zoals elders in deze memorie
beschreven zijn waarborgen ingebouwd om te voorkomen dat werkgevers en
werknemers zich via hun bestuursparticipatie in het Lisv op gevalsniveau
met de uitvoering van de claimbeoordeling gaan bezighouden.
Vervolgens wordt de inrichting van de besturen van het Ctsv,
het
Lisv en de SVB
(benoeming, schorsing, ontslag) in dit wetsvoorstel
geregeld. In deze besturen worden geen aan de
minister
ondergeschikte ambtenaren benoemd. Het wetsvoorstel schrijft
vaststelling van bestuursreglementen voor (124 i, j, k).
Bovendien geeft
het
wetsvoorstel de
minister
ter effectuering van de ministeriële verantwoordelijkheid de volgende
bevoegdheden:
- benoeming, schorsing en ontslag van bestuursleden;
- het regelen van de rechtspositie van de leden van het Ctsv-bestuur
en van de voorzitters van het
Lisv en de SVB;
- goedkeuring van de vergoeding van de overige bestuursleden van het
Lisv en de SVB;
- het stellen van regels met betrekking tot onverenigbaarheid van
werkzaamheden/functies van bestuursleden;
- goedkeuring van de bestuursreglementen;
- het geven van aanwijzingen van algemene aard betreffende de
taakuitoefening van het Ctsv;
- het stellen van regels waarin wordt bepaald dat bepaalde besluiten van
het Lisv, de SVB en/of de
uitvoeringsinstellingen ter goedkeuring of ter kennisneming aan
het Ctsv moeten worden voorgelegd;
- het bevorderen dat er AMvB’s met betrekking tot de samenwerking
tussen respectievelijk het Lisv, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de
gemeenten en de SVB en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie over die samenwerking tot stand komen;
- het stellen van regels met betrekking tot de administratie en
administratieve organisatie van de SVB;
- het stellen van nadere regels met betrekking tot diverse aspecten van
het fondsbeheer (waaronder de begrotingen van de afzonderlijke fondsen)
door het Lisv en de SVB en het aangaan van leningen;
rblz.|72|
- het stellen van regels met
betrekking tot de begroting (van de uitvoeringskosten) van het Ctsv, het
Lisv en de SVB;
- het vaststellen van het budget voor de uitvoeringskosten van het Ctsv
en het stellen van regels met betrekking tot de toerekening daarvan aan
het Lisv en de SVB;
- het geven van een oordeel over de jaarverslagen en de jaarrekeningen
van het Ctsv, het Lisv en de SVB en van de rechtmatigheidsverklaring van
het Ctsv;
- het opvragen van alle noodzakelijke c.q. gewenste gegevens en
inlichtingen aan het Ctsv, het Lisv en de SVB en het stellen van nadere
regels ten aanzien van die gegevens en inlichtingen;
- het voordragen tot schorsen/vernietigen van een besluit van het Ctsv,
het Lisv of de SVB wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Het
kabinet is van mening dat het instrument "goedkeuring
begroting" (124 l) geen toegevoegde waarde heeft voor de sturing
van de socialeverzekeringsorganen.
Door middel van de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel
wordt immers hetzelfde doel bereikt. De bedoelde begrotingen geven
inzicht in de omvang van de uitvoeringskosten van de verschillende
instanties.
Via een getrapt model worden op basis van de
begroting de budgetten van het Ctsv
(door de
minister), het
Lisv en de SVB
(door het Ctsv) vastgesteld. Vooraf bestaat derhalve volledig zicht en
kan volledige invloed worden uitgeoefend op de omvang van de
uitvoeringskosten in het komende jaar.
Het kabinet meent te
kunnen concluderen dat middels bovenstaande bevoegdheden een
effectieve invulling van de ministeriële verantwoordelijkheid gewaarborgd is
(124 l, o, p, s, t).
Voorts bevat
het
wetsvoorstel voor zowel het Ctsv als
het
Lisv en de SVB
een taakverwaarlozingsregeling (124 m).
Wat betreft Wet
openbaarheid van bestuur (Wob) [zie afdeling 2.3
Awb, red.] en de Wet
Nationale ombudsman (WNo) (124 q): de SVB valt reeds onder de
competentie van de Nationale
ombudsman en onder de werkingssfeer van de Wob.
Ook het Ctsv valt onder de Wob (de WNo is hier
niet relevant omdat het Ctsv geen directe contacten met burgers heeft).
Het Lisv zal (als rechtsopvolger van het Tica) bij AMvB onder de
werkingssfeer en competentie van respectievelijk de Wob en WNo gebracht
worden.
De
openbaarheid van vergadering (124 r) wordt door dit wetsvoorstel
bij de drie ZBO’s wettelijk bepaald voor wat betreft de vaststelling
van begroting, jaarverslag en jaarrekening.
Het onderhavige
wetsvoorstel voldoet niet aan de concept-aanwijzing 124 u, die
bepaalt dat arbeidsvoorwaarden en rechtspositie ambtenaarconform moeten
zijn geregeld. Het betreft hier continuering van drie reeds bestaande
organen. Bij het Ctsv en het Tica is het
personeel in dienst op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het
personeel van de SVB is ambtenaar in de zin van
de Ambtenarenwet. Bij de
inwerkingtreding van de huidige Osv (1 januari 1995) is aangekondigd dat
het SVB-personeel met ingang van 1 januari 1998 overgaat naar een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het kabinet acht het niet
opportuun op dit moment en zonder dringende reden verandering te brengen
in de reeds bestaande situatie bij het Ctsv en het Tica en ook niet om
de toezegging aan de SVB in te trekken.
Ten slotte is ook voorzien in een wettelijke
bepaling voor periodieke evaluatie van de doeltreffendheid en effecten
van deze wet. (124 ij)
rblz.|73|
Het kabinet concludeert dat dit wetsontwerp
in hoge mate spoort met de bepalingen in de concept-aanwijzingen inzake
zelfstandige bestuursorganen.
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk
1. Begripsbepalingen en aanwijzingsbevoegdheid van de minister
Artikel
1
In
artikel 1 zijn definities opgenomen die
verwijzen naar andere artikelen. In de artikelen
3, 17 en 29 [30]
wordt de instelling van het Ctsv, de
SVB en het
Lisv geregeld. Deze instanties zijn bij
wet ingestelde publiekrechtelijke
rechtspersonen in de zin van artikel 1 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek. De besturen van deze lichamen zijn
bestuursorganen in de zin van de Algemene
wet bestuursrecht.
Uitvoeringsinstellingen
zijn privaatrechtelijke rechtspersonen die zijn voortgekomen uit
particulier initiatief. De bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek zijn op deze rechtspersonen van toepassing.
Door de erkenning als rechtspersoon met welke
het Lisv een administratieovereenkomst en jaarovereenkomsten kan sluiten
en het sluiten van een dergelijke overeenkomst verkrijgt de betrokken
rechtspersoon ook een publiekrechtelijke status. Door het sluiten van de
administratie- en jaarovereenkomst wordt de erkende rechtspersoon een
uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv 1997. Dit betekent onder meer
dat het Lisv zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten kan mandateren
aan deze rechtspersoon.
De besluiten die door de uitvoeringsinstelling
binnen de grenzen van de gemandateerde bevoegdheid worden genomen,
gelden als besluiten van het Lisv. Het Lisv blijft bevoegd de
gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen en kan aan de gemandateerde
uitvoeringsinstelling per geval of in het algemeen instructies geven ter
zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid.
De positie van de in onderdeel h
genoemde fondsen wordt toegelicht bij de artikelen in de verschillende wetten
waarin die positie wordt geregeld. Deze fondsen maken deel uit van het
Lisv of de SVB. De fondsen die vóór de inwerkingtreding van deze wet
deel uitmaakten van het Tica gaan over naar het Lisv. Dit geldt ook voor
de in onderdeel h genoemde wachtgeldfondsen die vóór de
inwerkingtreding van deze wet deel uitmaakten van de
bedrijfsverenigingen.
In onderdeel m is gedefinieerd wat
onder uitkeringsgerechtigde in de zin van deze wet wordt verstaan.
Opgemerkt wordt dat ook degene die een uitkering ontvangt op grond van
de
Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA)
uitkeringsgerechtigde is in de zin van deze wet.
Dit is geregeld via
artikel 3, vierde lid, van de WBIA.
Artikel
2
Op
grond van het voorgestelde artikel 2 kan
de minister
aan het Ctsv
aanwijzingen van algemene aard geven betreffende de uitoefening van zijn
taken. Overeenkomstig de Aanwijzingen voor de
regelgeving (Ar
124l) rblz.|74|
wordt aan de minister niet de
bevoegdheid toegekend bijzondere aanwijzingen te geven.
Op grond van artikel 14
kan het Ctsv uit hoofde van zijn taak aanwijzingen geven aan de SVB
en het
Lisv. Een aanwijzing heeft een verplichtend
karakter. Het is geen aanbeveling met een vrijblijvend karakter. Het
Ctsv, de SVB en het Lisv zijn gehouden overeenkomstig een tot hen
gerichte aanwijzing te handelen.
Hoofdstuk
2. Het College van toezicht sociale verzekeringen
§ 1.
Samenstelling van het bestuur en werkwijze
Artikel
3
In
artikel 3, eerste lid, is bepaald dat er een Ctsv
is. In het wetsvoorstel dat de invoering van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 zal regelen, zal worden bepaald dat het Ctsv, bedoeld
in artikel 2 van de huidige Osv, als rechtspersoon wordt gehandhaafd.
Intrekking van laatstbedoelde wet leidt derhalve niet tot opheffing van
de in die wet ingestelde rechtspersoon.
In het tweede lid is bepaald dat het Ctsv
rechtspersoonlijkheid bezit. Hiermee is buiten twijfel gesteld dat het
Ctsv een publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van artikel 1 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek is.
Artikel
5
In dit artikel wordt
voorgesteld dat de leden van het bestuur niet voor een periode van vier jaar
maar voor een periode van ten hoogste vier jaar worden benoemd. Dit biedt
meer flexibiliteit bij het benoemingsbeleid. In overleg met kandidaat-bestuursleden kan een benoemingsperiode van
vier jaar of minder dan vier jaar worden vastgesteld. De totale benoemingsperiode kan,
ongeacht het aantal herbenoemingen, per lid niet langer zijn dan acht
jaar. Bij de vaststelling van de benoemingstermijnen kan ook worden gelet op
de continuïteit van het bestuur. Door benoemingstermijnen te
laten verschillen, kan worden voorkomen dat bestuursleden allen
tegelijkertijd aftreden.
Artikel
7
De
rechtspositie van de leden van het bestuur van het Ctsv
wordt geregeld door de
minister. Het gaat hier om bijzondere
functies waarbij een bijzondere rechtspositieregeling past. De
rechtspositieregeling is een algemeen verbindend voorschrift waarin de
waardering van de desbetreffende publieke functie(s) tot uiting komt.
Ingevolge artikel 4 van de Bekendmakingswet
geschiedt de bekendmaking van bij ministeriële regeling vastgestelde
algemeen verbindende voorschriften door plaatsing in de Staatscourant.
Het personeel van het Ctsv wordt in dienst
genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van
de zevende titel a van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden op dit personeel
van toepassing verklaard in verband met artikel 1637z van het (BW).
Ingevolge artikel 1637z van het
BW zijn de
bepalingen van genoemde titel niet van toepassing ten aanzien van
personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, ten ware zij,
hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking rblz.|75|
door of namens partijen,
hetzij bij wet of verordening van toepassing zijn verklaard. In artikel 7
worden deze bepalingen van toepassing verklaard.
Artikel
8
Het
bestuur van het
Ctsv moet een bestuursreglement
vaststellen. In dit reglement worden zaken geregeld als wijze van
oproeping van leden voor vergaderingen, quorum, wijze van indiening van
stukken voor vergaderingen, wijze van stemmen, verslaglegging,
vastlegging van besluiten, aantal malen per jaar dat ten minste
vergaderd wordt, op wiens verzoek vergaderingen worden gehouden, etc.
Deze regels zijn van groot belang voor het goed functioneren van het
bestuur van het Ctsv.
Ingevolge artikel 8,
tweede lid, onderdeel b, rust op het bestuur van het Ctsv de
verplichting in het bestuursreglement te regelen welke taken en
bevoegdheden door personeelsleden van het Ctsv kunnen worden
uitgeoefend. Als uitgangspunt geldt hierbij dat de taken en bevoegdheden
die aan het Ctsv zijn toebedeeld, worden uitgeoefend door het bestuur
van het Ctsv dat aan het hoofd staat van de rechtspersoon. Het bestuur
van het Ctsv kan evenwel mandaat verlenen aan personeelsleden van het
Ctsv die vervolgens in naam van het bestuur van het Ctsv beslissingen
kunnen nemen.
In de Wet tot aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1996, 333) die op 1
juli 1997 in werking zal treden, wordt bepaald dat een bestuursorgaan
(het bestuur van het Ctsv) mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen
de mandaatverlening verzet [zie afdeling 10.1.1 Awb, red.].
Mandaat wordt in ieder geval niet verleend indien het betreft een
bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften
of een bevoegdheid tot het onthouden van goedkeuring aan een besluit van
een ander bestuursorgaan. Het bestuur van het Ctsv moet ingevolge artikel 8
in zijn bestuursreglement de gemandateerde bevoegdheden beschrijven. Het
reglement wordt in de Staatscourant geplaatst. Voor
belanghebbenden zal derhalve de toedeling van bevoegdheden kenbaar zijn.
Artikel
9
Evenals ten aanzien van personeelsleden van het Ctsv
geldt ten aanzien van door het Ctsv ingestelde commissies dat duidelijk
moet zijn welke taken en bevoegdheden deze commissies zullen uitoefenen.
Daarom is in het tweede lid van
artikel 9 bepaald dat die taken en bevoegdheden in het
bestuursreglement moeten zijn beschreven.
§
2. Taak en bevoegdheden van het College van toezicht sociale
verzekeringen
Artikel
10
Het
Ctsv heeft tot taak het houden van
toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van wetten
door de SVB, het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen.
Onder "rechtmatigheid" worden begrippen als
"rechtsgelijkheid" en "rechtszekerheid" begrepen.
Onder "doelmatigheid" worden begrippen als
"doeltreffendheid", "beheersbaarheid",
"efficiency", "zorgvuldigheid" begrepen. Deze termen
zijn niet afzonderlijk in de wet opgenomen.
Hiermee wordt aangesloten bij de Comptabiliteitswet waarin eveneens de
begrippen "rechtmatigheid" en "doelmatigheid" zijn
gekozen met betrekking tot de controle die de Algemene Rekenkamer
uitoefent.
rblz.|76|
Artikel
11
Naast jaarrekeningen, jaarverslagen en rechtmatigheidsverklaringen, die
het Ctsv
reeds op grond van artikel 89 van de huidige Osv aan de
minister
moest aanbieden, dient het Ctsv op grond van het voorgestelde artikel 11
ook jaarlijks een doelmatigheidsrapportage aan de minister aan te
bieden.
In het tweede lid is bepaald dat het Ctsv elk
jaar vóór 1 augustus een plan van werkzaamheden voor het komende jaar
aan de minister dient aan te bieden. Het Ctsv treedt over dit plan in
overleg met de minister. De minister brengt het plan, zoals dit is
vastgesteld nadat hij hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van
beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel
12
Dit
artikel geeft aan de
minister
de mogelijkheid het Ctsv te laten toetsen
of ten aanzien van beleidsvoornemens die kunnen zijn vervat in
ontwerpregels, voldoende mogelijkheden tot het houden van toezicht door
het Ctsv bestaan. Deze toezichttoets kan de minister ook laten
verrichten ten aanzien van geldende wettelijke voorschriften.
Artikel
13
Op
grond van het eerste lid van dit artikel kan de
minister
regels stellen waarin besluiten van de
SVB, het
Lisv of een uitvoeringsinstelling
worden omschreven die ter kennis van het Ctsv
moeten worden gebracht. De minister kan in die regels termijnen opnemen
waarbinnen die voorlegging dient plaats te vinden.
Op grond van het tweede lid kan de minister
besluiten aanwijzen die reeds voorafgaand aan hun inwerkingtreding ter
kennis van het Ctsv moeten worden gebracht. Het Ctsv dient binnen een
door de minister gestelde termijn een oordeel over een aangewezen
besluit te geven. Dit oordeel zal in de regel ook voorafgaand aan de
inwerkingtreding van het besluit moeten worden gegeven.
Op grond van het derde lid kan de minister
regels stellen waarin besluiten van de SVB, het Lisv of een
uitvoeringsinstelling worden omschreven die goedkeuring van het Ctsv
behoeven. De artikelen 101 en 102 [103
en 104] zijn hierop van toepassing.
Artikel
14
Krachtens dit artikel kan het Ctsv uit
hoofde van zijn taak aanwijzingen geven aan de SVB
en het
Lisv. In het tweede lid is bepaald dat een
aanwijzing geen betrekking kan hebben op een individuele verzekerde,
uitkeringsgerechtigde of werkgever. Dit laat onverlet dat een aanwijzing
betrekking kan hebben op een bepaalde aangelegenheid.
Een aanwijzing heeft een verplichtend karakter.
Het is geen aanbeveling met een vrijblijvend karakter. De SVB en het
Lisv zijn gehouden overeenkomstig een tot hen gerichte aanwijzing te
handelen.
Artikel
16
Het
Ctsv
kan in het kader van het toezicht onderzoek verrichten naar de
toekenning, herziening, intrekking of heropening van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Teneinde te kunnen voorzien in
tijdelijke extra personeelsbehoeften van het Ctsv, is in
artikel 16 bepaald dat het
Lisv
en elke rblz.|77|
uitvoeringsinstelling
op verzoek van het Ctsv personeelsleden ter beschikking van het Ctsv
dienen te stellen ten behoeve van vorenbedoeld onderzoek. Het Ctsv kan
op deze wijze een deskundig onderzoeksteam samenstellen. De
personeelslasten die voortvloeien uit de terbeschikkingstelling kunnen
voor het Lisv en de betrokken uitvoeringsinstellingen beperkt blijven
indien het Ctsv aan het Lisv en verschillende uitvoeringsinstellingen
verzoekt enkele personeelsleden ter beschikking te stellen. Voorts is
van belang dat het Ctsv de kosten van de terbeschikkingstelling aan het
Lisv en de betrokken uitvoeringsinstellingen dient te vergoeden.
Overigens is het Ctsv vrij om in zijn extra personeelsbehoeften te
voorzien buiten het Lisv en de uitvoeringsinstellingen om.
Op grond van artikel 86 [87],
tweede lid, kan het Ctsv de leden van het onderzoeksteam aanwijzen als
personen die toegang hebben tot de uitvoeringsinstelling waarbij het
onderzoek verricht dient te worden. Aan deze personen dient inzage te
worden gegeven in alle gegevens die het Ctsv nodig heeft voor de
uitoefening van zijn taak.
Hoofdstuk
3. De Sociale Verzekeringsbank
§ 1.
Samenstelling van het bestuur en werkwijze
Artikel
17
In
dit artikel is bepaald dat er een SVB is. De
SVB heeft rechtspersoonlijkheid.
Artikel
18
In
dit artikel is het aantal bestuursleden van de SVB
gewijzigd van ten hoogste 15 leden in ten hoogste 9 leden en de
voorzitter. Er zijn geen plaatsvervangende leden meer.
Het bestuur van de SVB wordt tripartiete
samengesteld. Eén derde van het aantal bestuursleden wordt op
voordracht van de werkgeversorganisaties benoemd, één derde van het
aantal bestuursleden wordt op voordracht van de werknemersorganisaties
benoemd en één derde wordt zonder voordracht benoemd. De voorzitter
van de SVB is onafhankelijk. Alle bestuursleden en de voorzitter worden
door de
minister
benoemd.
Artikelen 19
en
20
De
benoemingsperioden in
artikel 19, eerste lid, en artikel 20,
eerste lid, zijn geregeld overeenkomstig de regeling van de
benoemingsperioden van de leden van het bestuur van het Ctsv
in artikel
5. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 5.
Artikel
21. [Zie
art. 22 Osv 1997, red.]
De
minister regelt de rechtspositie van de
voorzitter van het bestuur van de SVB. Dit is
een wijziging ten opzichte van de huidige Osv. Op deze wijze wordt een
logische koppeling mogelijk tussen de benoeming en de
rechtspositieregeling die aan de functie is gekoppeld. Tevens kunnen op
deze wijze de rechtspositieregelingen van de besturen van de overige uitvoeringsinstanties
beter op elkaar worden afgestemd.
Het lidmaatschap van het bestuur van de SVB is
geen voltijdfunctie. Aan de bestuursleden worden daarom
tijdverzuimvergoedingen alsmede rblz.|78|
reis- en
verblijfskostenvergoedingen toegekend. Het bestuur van de SVB stelt ter zake
een regeling op en legt deze ter goedkeuring aan de minister voor.
Artikel
22. [Zie
art. 23 Osv 1997, red.]
Het
bestuur van de
SVB is verplicht ten minste eenmaal per jaar
een openbare vergadering te houden omtrent de vaststelling van de
jaarrekeningen (van de SVB zelf en van de door de SVB beheerde fondsen),
het jaarverslag en de begroting.
Het bestuursreglement van het bestuur van de
SVB behoeft goedkeuring van de
minister
en moet openbaar worden gemaakt.
§
2. Taken en bevoegdheden van de Sociale Verzekeringsbank
Artikel 24.
[Zie
art. 25 Osv 1997, red.]
De
SVB is belast met de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet,
de Algemene
nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet,
de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919, de
Invaliditeitswet, de Liquidatiewet Invaliditeitswetten, alsmede de
wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, voor zover die
uitvoering niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen. Bij
laatstgenoemde categorie wetten moet worden gedacht aan de Wet financiering
volksverzekeringen, de Wet aanpassing uitkeringsregelingen
overheveling opslagpremies en de Organisatiewet sociale verzekeringen.
De SVB voert het beheer en de administratie van
het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds, het Algemeen
Kinderbijslagfonds, en het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds. Deze
fondsen zijn onderdelen van de SVB.
In het derde lid van artikel 24 [25]
is bepaald dat de SVB elk jaar vóór 1 augustus een plan van
werkzaamheden voor het komende jaar aan de
minister
dient aan te bieden. De SVB treedt over dit plan in overleg met de
minister. De minister brengt het plan, zoals dit is vastgesteld nadat
hij hierover overleg heeft gepleegd, ter kennis van beide kamers der
Staten-Generaal.
Artikel
26. [Zie
art. 27 Osv 1997, red.]
De
indeling van Nederland in een aantal werkgebieden en de plaatsing van
districtskantoren (in de toekomst: productievestigingen) in die
werkgebieden zijn op zichzelf niet bepalend voor de
zeggenschapsverhoudingen binnen de SVB.
Districtskantoren, productievestigingen en eventuele andere kantoren van
de SVB zijn onderdelen van de SVB en vallen derhalve volledig onder de
zeggenschap van het bestuur van de SVB. Het bestuur kan bepalen welke
werkzaamheden door personeelsleden van de SVB in het algemeen of per
kantoor verricht dienen te worden. Wel wordt voorgeschreven dat de SVB
in elk werkgebied voldoende bereikbaar is voor belanghebbenden. Hierin
kan worden voorzien door het regionaal netwerk van "winkels"
dat de SVB beoogt op te zetten.
Artikel
27. [Zie
art. 28 Osv 1997, red.]
Het
is de verantwoordelijkheid van de SVB om zijn
administratie en administratieve organisatie zodanig in te richten dat
deze een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wettelijk
opgedragen taken mogelijk rblz.|79|
maakt. Tevens dient te worden
gewaarborgd dat misbruik en oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk worden
voorkomen.
Het zesde lid houdt rekening met de
mogelijkheid dat personen geen sociaal-fiscaal nummer hebben.
Hoofdstuk
4. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
§ 1.
Samenstelling van het bestuur en werkwijze
Artikel 29.
[Zie
art. 30 Osv 1997, red.]
In
dit artikel is bepaald dat er een
Lisv is. In het wetsvoorstel dat de
invoering van dit wetsvoorstel zal regelen, zal worden bepaald dat het
Lisv de rechtsopvolger van het Tica en de bedrijfsverenigingen is.
Artikelen
31 en
32. [Zie
artt. 32 en 33 Osv
1997,
red.]
De
benoemingsperioden in artikel 31 [32],
eerste lid, en artikel 32 [33], eerste lid,
zijn geregeld overeenkomstig de regeling van de benoemingsperioden van
de leden van het bestuur van het Ctsv in artikel
5. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 5.
§
2. Taken en bevoegdheden van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
Artikel 36.
[Zie
art. 38 Osv 1997, red.]
In
onderdeel
a van het eerste lid van dit artikel is de hoofdtaak van het
Lisv
beschreven. Deze taak gaat over van de bedrijfsverenigingen naar het
Lisv. In onderdeel b is de reïntegratietaak van het Lisv
beschreven. De bijbehorende bevoegdheden - de reïntegratie-instrumenten
- ontleent het Lisv aan verschillende in onderdeel a genoemde
wetten.
Onderdeel c betreft het beheer van
de fondsen die thans door het Tica worden beheerd en de wachtgeldfondsen
die thans door de bedrijfsverenigingen worden beheerd.
Onderdeel d betreft de administratie
van de uitvoeringsinstellingen. Het Lisv
draagt er zorg voor dat de uitvoeringsinstellingen een administratie
voeren die voldoet aan een aantal minimumeisen. In artikel 45 [47]
zijn hieromtrent nadere bepalingen opgenomen.
Onderdeel g en artikel 38 [40]
komen voort uit de Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte
(Wulbz).
Het tweede lid draagt het Lisv op Nederland in
regio’s in te delen. Met het oog op de samenwerking tussen het Lisv en
de door hem gecontracteerde uitvoeringsinstellingen enerzijds en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de
gemeenten
anderzijds, is voorgeschreven dat het Lisv bij zijn indeling zoveel
mogelijk dient aan te sluiten bij de indeling in RBA-regio’s die voor
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geldt.
In het vierde lid van artikel 36 [38]
is bepaald dat het Lisv elk jaar vóór 1 augustus een plan van
werkzaamheden voor het komende jaar aan de
minister
dient aan te bieden. Het Ctsv
treedt over dit plan in overleg met de minister. De minister brengt het
plan, zoals dat is vastgesteld nadat
hij rblz.|80|
hierover overleg heeft
gepleegd, ter kennis van beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel
37. [Zie
art. 39 Osv 1997, red.]
Het
Lisv kan zijn bevoegdheid tot het nemen
van besluiten uitsluitend mandateren aan een uitvoeringsinstelling.
Het Lisv kan derhalve niet mandateren aan bijvoorbeeld een sectorraad.
Artikel
38. [Zie
art. 40 Osv 1997, red.]
Dit
artikel komt voort uit de Wulbz. Voor een
toelichting op dit artikel zij verwezen naar de
memorie
van toelichting bij die wet.
Artikel
39. [Zie
art. 41 Osv 1997, red.]
Ingevolge dit artikel is het
Lisv verplicht alle werkzaamheden met
betrekking tot de voorbereiding en de uitvoering van zijn besluiten per
sector of sectoronderdeel te laten verrichten door een door de
minister
erkende rechtspersoon. Dit zal er in de praktijk - uitzonderingen
daargelaten - ook toe leiden dat het Lisv zijn bevoegdheid tot het nemen
van de besluiten, voor zover mogelijk, zal mandateren aan deze
rechtspersoon. Deze rechtspersoon bereidt de besluiten dan voor, neemt
de besluiten in naam van het Lisv en voert de besluiten uit.
In het derde lid is bepaald dat de
rechtspersoon die gehouden is overeenkomsten als bedoeld in artikel 41 [43]
uit te voeren, een
uitvoeringsinstelling is. Dit betekent dat
de wettelijke bepalingen betreffende uitvoeringsinstellingen op die
rechtspersonen van toepassing zijn vanaf het moment waarop zij op grond
van die overeenkomsten verplicht zijn die werkzaamheden te verrichten.
Na het eindigen van die overeenkomsten zijn die rechtspersonen geen
uitvoeringsinstellingen meer indien geen nieuwe overeenkomsten zijn
gesloten. Het wettelijk regime voor uitvoeringsinstellingen geldt dan
niet meer ten aanzien van deze rechtspersonen.
Artikel
40. [Zie
art. 42 Osv 1997, red.]
Aan
dit artikel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de uitvoeringsinstellingen
de in artikel 39 [41] bedoelde werkzaamheden
zelf verrichten. De bij of krachtens de wet
gestelde bepalingen met betrekking tot uitvoeringsinstellingen waarin
waarborgen voor een goede uitvoering van de socialeverzekeringswetten
zijn neergelegd, zouden immers gedeeltelijk hun betekenis verliezen
indien de kerntaken van het
Lisv
niet door uitvoeringsinstellingen worden uitgevoerd.
Dit geldt niet voor ondersteunende
werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld schoonmaakwerkzaamheden of
onderhoudswerkzaamheden. Deze werkzaamheden kunnen zonder bezwaar en
wellicht efficiënter door andere rechtspersonen of natuurlijke personen
worden uitgevoerd. Het Lisv kan daarvoor dan ook toestemming verlenen.
In het tweede lid is bepaald dat de minister
regels moet stellen waarin werkzaamheden worden beschreven ten aanzien
waarvan het Lisv toestemming dient te onthouden of kan verlenen. Op
grond hiervan kan de minister duidelijkheid geven omtrent de scheiding
tussen de werkzaamheden die in geen geval door andere rechtspersonen of
natuurlijke personen mogen worden verricht en werkzaamheden ten aanzien
waarvan daartegen geen bezwaar bestaat. De werkzaamheden behoeven in die
regels niet limitatief te worden opgesomd. Aan het
Lisv rblz.|81|
kan beleidsvrijheid worden
gelaten met betrekking tot het verlenen van de toestemming op grond van
het eerste lid.
Ingevolge artikel 41 [43],
vierde lid, onderdeel c, zullen de uitvoeringsinstellingen op
grond van hun overeenkomsten verplicht zijn de in artikel 39 [41]
bedoelde werkzaamheden zelf te verrichten, tenzij het Lisv toestemming
heeft gegeven voor het verrichten van die werkzaamheden door anderen.
Het Lisv kan nakoming van die verplichting eisen en daarmee voldoen aan
de door de minister gestelde regels met betrekking tot het
toestemmingsvereiste.
Artikel
41. [Zie
art. 43 Osv 1997, red.]
Het
Lisv
dient administratieovereenkomsten en jaarovereenkomsten te sluiten op
grond waarvan de in artikel 39 [41] bedoelde
werkzaamheden worden verricht door uitvoeringsinstellingen.
De administratieovereenkomst, die doorgaans voor meer jaren zal worden
aangegaan, zal bepalingen van algemene aard bevatten die gedurende de
looptijd van de overeenkomst niet gewijzigd behoeven te worden. In de
jaarovereenkomst zullen bepalingen worden opgenomen die zijn afgestemd
op feiten die zich gedurende de looptijd van de
administratieovereenkomst voordoen. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van de
werkzaamheden gedurende die looptijd wijzigen en dient de contractprijs
daarop te worden afgestemd.
De administratieovereenkomst behoeft
goedkeuring van het
Ctsv. In het vierde lid, onderdeel a,
is geregeld dat in de administratie- en jaarovereenkomsten een
ontbindende voorwaarde moet worden opgenomen. Deze overeenkomsten dienen
te worden ontbonden zodra het Ctsv bekendmaakt dat de
administratieovereenkomst niet wordt goedgekeurd. Tevens dienen deze
overeenkomsten te worden ontbonden indien de ministeriële erkenning van
de rechtspersoon wordt ingetrokken (onderdeel b).
In artikel 40 [42]
is geregeld dat de minister regels stelt
waarin werkzaamheden worden beschreven die de uitvoeringsinstelling niet
laat verrichten door andere rechtspersonen of natuurlijke personen
zonder toestemming van het Lisv. Ingevolge artikel 41 [43],
vierde lid, onderdeel
c, zal de uitvoeringsinstelling op grond van de overeenkomst
jegens het Lisv gehouden zijn de desbetreffende werkzaamheden niet door
andere rechtspersonen of natuurlijke personen te laten verrichten zonder
schriftelijke toestemming van het Lisv.
Ingevolge artikel 41 [43],
vierde lid, onderdeel d, zal de uitvoeringsinstelling op
grond van de uitvoeringsovereenkomst verplicht zijn overeenkomstig
instructies van het Lisv te handelen. Deze instructies kunnen
publiekrechtelijke rechtshandelingen, privaatrechtelijke
rechtshandelingen en feitelijke handelingen betreffen.
Met het oog op de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de
gemeenten in de regio, wordt in onderdeel e
van het vierde lid voorgeschreven dat in de in het eerste lid bedoelde
overeenkomsten in elk geval moet worden geregeld dat het bestuur van de
uitvoeringsinstelling ten minste één persoon in één of meerdere
Lisv-regio’s de bevoegdheid verleent om in zijn naam beslissingen te
nemen ter uitvoering van de reïntegratietaak. De betrokken persoon of
personen fungeren daarmee tevens als personen met wie het RBA (of de RBA’s)
en de gemeenten in de regio (respectievelijk regio’s)
samenwerkingsafspraken kunnen maken.
rblz.|82|
Onderdeel f van het
vierde lid betreft de cliëntenparticipatie.
Onderdeel g van het vierde lid
schrijft een klachtenregeling voor. De behandeling van klachten omtrent
de wijze waarop de uitvoeringsinstelling zich in een bepaalde
aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of een rechtspersoon heeft
gedragen, kan plaatsvinden bij de betrokken uitvoeringsinstelling en/of
bij het Lisv.
In het vijfde lid is geregeld dat de minister
ter bevordering van marktwerking regels kan stellen waarin aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de sectorraden
verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de wijze waarop zij
rechtspersonen benaderen in verband met het sluiten van overeenkomsten
als bedoeld in het eerste lid. Hierbij kan gedacht worden aan een
verplichte openbare aanbestedingspocedure.
Artikel
42. [Zie
art. 44 Osv 1997, red.]
In
dit artikel wordt het
Lisv verplicht de sectorraad, indien
deze voor een sector is erkend, in de gelegenheid te stellen een ontwerp
van elke in artikel 41 [43] bedoelde
overeenkomst aan het bestuur van het Lisv aan te bieden, voordat dit
bestuur een dergelijke overeenkomst sluit. Hiermee wordt de mogelijkheid
van sectorale inbreng gewaarborgd. In de ingevolge het tweede lid door
het Lisv te stellen regels zullen minimumeisen worden geformuleerd
waaraan de ontwerpen in elk geval dienen te voldoen. Deze regels van het
Lisv behoeven goedkeuring van de
minister.
Artikel
43. [Zie
art. 45 Osv 1997, red.]
In
het eerste lid van dit artikel wordt het
Lisv opgedragen samen te werken met de
gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en met andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten die
verband houden met de taken van het Lisv. Ook dient het Lisv ervoor te
zorgen dat de uitvoeringsinstellingen
met al deze instanties samenwerken. De samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de gemeenten, die vooral ten doel
heeft de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te
bevorderen, dient zowel op landelijk als op regionaal niveau plaats te
vinden. Met name ter bevordering van de samenwerking op regionaal niveau
is overigens in artikel 36 [38], tweede lid,
bepaald dat het Lisv bij zijn indeling van Nederland in regio’s zoveel
mogelijk de regio-indeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
aanhoudt, terwijl in artikel 41 [43], vierde
lid, onderdeel e, is voorgeschreven dat iedere
uitvoeringsinstelling in iedere aldus vastgestelde regio of combinatie
van regio’s ten minste één persoon moet benoemen die bevoegd is
beslissingen te nemen over activiteiten gericht op reïntegratie van
cliënten van die uitvoeringsinstelling in de betreffende regio(’s).
Het tweede lid van artikel 43 [45]
bevat de mogelijkheid bij of krachtens AMvB regels te stellen omtrent de
samenwerking bedoeld in het eerste lid. Zoals in de paragrafen
4.3.4 en 4.4.2 van het algemeen deel van
deze toelichting is aangegeven, zal na het ter beschikking komen van de
resultaten van de Regiegroep SWI worden bezien of, en zo ja hoe, van
deze mogelijkheid gebruik moet worden gemaakt.
Artikel
44. [Zie
art. 46 Osv 1997, red.]
Dit
artikel bevat de opdracht aan het
Lisv
ervoor te zorgen dat de uitvoeringsinstellingen
voor werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden in elke Lisv-regio
voldoende bereikbaar zijn. Dit artikel leidt ertoe dat de
uitvoeringsinstellingen in iedere regio een frontofficefunctie rblz.|83|
dienen te kennen waarbij
cliënten een uitkering kunnen aanvragen, informatie kunnen opvragen,
etcetera. De wijze waarop deze functie wordt ingevuld (meerdere kantoren
per regio, mobiel kantoor, kantoren samen met andere
uitvoeringsinstellingen, kantoren samen met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of met de gemeenten
in de betreffende regio) wordt in het voorliggende
wetsvoorstel niet voorgeschreven. Voorwaarde is slechts dat men
voldoende bereikbaar is. Ook is afgezien van centrale regeling van de
wijze waarop de backofficefunctie moet worden ingevuld. Het Lisv dient
in zijn contracten met de uitvoeringsinstellingen over deze twee
onderwerpen afspraken te maken.
Artikel
45. [Zie
art. 47 Osv 1997, red.]
Het
tweede lid komt overeen met artikel 59, tweede en vierde lid, van de
huidige Osv. Het derde lid komt overeen met artikel 60 van
laatstgenoemde wet.
Het vierde lid stelt het
Lisv verantwoordelijk voor de
beschikbaarheid van de gegevens in de administraties van de uitvoeringsinstellingen.
Het vijfde lid houdt rekening met de mogelijkheid dat personen geen
sociaal-fiscaal nummer hebben.
Artikel
46. [Zie
art. 48 Osv 1997, red.]
Dit
artikel komt overeen met artikel 59, vijfde en zesde lid, van de huidige
Osv.
Artikel
47. [Zie
art. 49 Osv 1997, red.]
Dit
artikel komt overeen met artikel 59, derde lid, van de huidige Osv.
Artikel
48. [Zie
art. 50 Osv 1997, red.]
Dit
artikel komt in de plaats van artikel 54 van de huidige Osv.
In het tweede lid wordt geëxpliciteerd dat de
minister
aan het verlenen van toestemming aan een
uitvoeringsinstelling om andere taken te
vervullen, verplichtingen kan verbinden en dat hij de toestemming kan
intrekken indien de uitvoeringsinstelling de andere taken niet
overeenkomstig die verplichtingen verricht.
§
3. Aansluiting van werkgevers bij sectoren
Artikel 49.
[Zie
art. 51 Osv 1997, red.]
De
indeling in sectoren op grond van het eerste lid van dit artikel is van
belang voor de aansluiting van werkgevers bij die sectoren (i.v.m. de
premieheffing voor de wachtgeldfondsen) en voor de uitvoering van wetten
per sector door de uitvoeringsinstellingen
op contractbasis. De indeling van sectoren in sectoronderdelen op grond
van het tweede lid is niet van belang voor de aansluiting van
werkgevers, omdat op dat niveau namelijk geen premiedifferentiatie
plaatsvindt. Wel kunnen sectorraden het
Lisv adviseren om voor sectoronderdelen
aparte overeenkomsten met (verschillende) uitvoeringsinstellingen te
sluiten.
In artikel 39 [41]
is geregeld dat het Lisv de in dat artikel bedoelde werkzaamheden per
sector of sectoronderdeel laat verrichten door één erkende
rechtspersoon.
rblz.|84|
Artikel
50. [Zie
art. 52 Osv 1997, red.]
Een
werkgever is van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de
werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. In het
geval dat een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot
verschillende sectoren, geldt de loonsom als criterium voor aansluiting.
De werkgever is dan aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor de werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon
betaalt of vermoedelijk zal betalen.
De aansluiting van een werkgever bij een sector
vindt van rechtswege plaats. In het derde lid is bepaald dat de
werkgever bij het
Lisv schriftelijk melding dient te doen
van zijn aansluiting bij die sector of de beëindiging daarvan. Dit
geldt ook indien de aansluiting van een werkgever bij een sector zich
wijzigt in aansluiting bij een andere sector. Het Lisv kan vervolgens de
werkgever bij een sector in- of uitschrijven.
Het Lisv stelt de termijn waarbinnen de
werkgever melding van zijn aansluiting bij een sector dient te doen. Het
Lisv dient te bevorderen dat deze termijn bij werkgevers bekend is.
Los van de melding door de werkgever dient het
Lisv, indien hij constateert dat een werkgever niet (langer) bij een
bepaalde sector aangesloten behoort te zijn, ervoor te zorgen dat deze
werkgever wordt overgeschreven naar de sector waarbij hij wel
aangesloten dient te zijn. Een besluit van het Lisv, inhoudende dat de
werkgever ingevolge het eerste of tweede lid bij een sector is
aangesloten of dat hij ingevolge het vijfde lid naar een andere sector
wordt overgeschreven, zal op grond van artikel 3:40
van de
Algemene wet bestuursrecht niet in werking treden voordat het is
bekendgemaakt. Die bekendmaking zal dienen te geschieden door toezending
of uitreiking van het besluit aan belanghebbenden. Tegen een dergelijk
besluit kan de belanghebbende beroep instellen bij de Centrale
Raad van Beroep.
Artikel
51. [Zie
art. 53 Osv 1997, red.]
Het
kan voorkomen dat de in het eerste en tweede lid van artikel 50 [52]
geregelde aansluiting van werkgevers, voor één of meer categorieën
van werkgevers tot ongewenste resultaten leidt. Daarom is in artikel 51
[53], eerste lid, geregeld dat het
Lisv met betrekking tot de aansluiting
van één of meer categorieën van werkgevers bij een sector regels kan
stellen die afwijken van het eerste en tweede lid van artikel 50 [52].
Deze regels behoeven goedkeuring van de
minister.
Bij de aansluiting van werkgevers op grond van
artikel 50 [52], eerste en tweede lid, kan
het zich voordoen dat een werkgever weliswaar bij sector A het grootste
bedrag verloont, doch de aard van zijn werkzaamheden veeleer bij sector
B behoort. In zo’n situatie kan het Lisv op grond van het derde lid,
uit eigen beweging of op verzoek van de werkgever, besluiten dat de
betrokken werkgever voor door het Lisv aan te wijzen werkzaamheden is
aangesloten bij sector B.
Artikel
52. [Zie
art. 54 Osv 1997, red.]
Indien het
Lisv daartoe aanleiding ziet, kan het
Lisv consequenties verbinden aan de overgang van één of meer
werkgevers van de ene naar de andere sector. Wanneer met de overgang een
aanmerkelijk vermogensbelang gemoeid is, ligt het in de rede dat
vermogen van een wachtgeldfonds overgaat naar een ander wachtgeldfonds.
Het Lisv dient hieromtrent regels te stellen. Deze regels behoeven
goedkeuring van de
minister.
rblz.|85|
Artikel
53.
[Zie
art. 55 Osv 1997,
red.]
Een
besluit van het
Lisv op grond van artikel 50 [52],
vijfde lid, artikel 51 [53], tweede of derde
lid, of artikel 52 [54], eerste lid, zal op
grond van de
Algemene wet bestuursrecht niet in
werking treden voordat het is bekendgemaakt. Die bekendmaking zal dienen
te geschieden door toezending of uitreiking van het besluit aan
belanghebbenden. Tegen een dergelijk besluit kan de belanghebbende
beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
§
4. Sectorraden
Artikel 54.
[Zie
art. 56 Osv 1997, red.]
In
artikel 42 [44] is geregeld dat het bestuur
van het
Lisv verplicht is de sectorraad, indien
deze voor een sector is erkend, in de gelegenheid te stellen een ontwerp
van een administratieovereenkomst en jaarovereenkomst met betrekking tot
de betrokken sector aan dit bestuur aan te bieden voordat dit bestuur
een dergelijke overeenkomst sluit. Hiermee is beoogd de voor de
betrokken sector representatieve organisaties van werkgevers en
werknemers in de gelegenheid te stellen sectorspecifieke
aangelegenheden in de ontwerp-overeenkomsten te laten opnemen.
In artikel 54 [56]
is de erkenning van rechtspersonen als sectorraden geregeld. De besturen
van deze rechtspersonen dienen bipartiete te zijn samengesteld.
Artikel
56. [Zie
art. 58 Osv 1997, red.]
Naast de rol die de sectorraden op grond van artikel 42 [44]
spelen bij de totstandkoming van de administratie- en
jaarovereenkomsten, is in artikel 56 [58] de
adviesrol van de sectorraden geregeld.
In artikel 56 [58]
wordt het
Lisv verplicht tot vergoeding van
bepaalde kosten van de sectorraden. Het Lisv dient hieromtrent regels
vast te stellen zodat de sectorraden weten welke vergoeding aan hen
wordt toegekend voordat zij kosten maken. In het tweede lid zijn de
kosten genoemd die het Lisv mag en moet vergoeden. Indien de sectorraad
de in het tweede lid bedoelde rapportages of adviezen of de in artikel
42 [44] bedoelde concept-overeenkomsten niet
tot stand brengt, worden geen kosten vergoed.
§
5. Rechtspersonen met welke het Lisv uitvoeringsovereenkomsten kan
sluiten
Artikel 57.
[Zie
art. 59 Osv 1997, red.]
In
artikel 39 [41] is geregeld dat het
Lisv
alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van
zijn beslissingen omtrent prestaties en verschuldigde premies per sector
of sectoronderdeel op grond van schriftelijke overeenkomsten laat
verrichten door één rechtspersoon die op grond van artikel 57 [59]
is erkend. Op grond van artikel 39 [41],
derde lid, is de rechtspersoon die is gehouden dergelijke overeenkomsten
uit te voeren, een
uitvoeringsinstelling in de zin van de Osv
1997. Elke uitvoeringsinstelling is derhalve een door de minister
erkende rechtspersoon.
Het eerste lid van artikel 57 [59]
betreft de statutaire doelstelling van de rechtspersoon. Een
rechtspersoon kan door de minister worden erkend indien deze bij
uitsluiting als doel heeft het uitvoeren van wetten
waarvan de uitvoering aan het Lisv is opgedragen, alsmede het vervullen
van
taken rblz.|86|
waarvoor door de minister
schriftelijk toestemming is verleend. Het gaat hier om de in artikel 48
[50] bedoelde toestemming voor het vervullen van andere taken aan de
uitvoeringsinstelling.
Het tweede lid betreft de
mogelijkheid dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
wordt geregeld dat slechts gecertificeerde rechtspersonen voor
erkenning door de minister in aanmerking komen. In de desbetreffende
algemene maatregel van bestuur zal ook worden geregeld dat de minister
de erkenningen van de uitvoeringsinstellingen die op het moment van
inwerkingtreding van deze algemene maatregel van bestuur reeds
werkzaam zijn, kan intrekken indien deze rechtspersonen niet alsnog binnen een
door de minister gestelde termijn een certificaat verkrijgen.
Ook indien een certificaat wordt ingetrokken kan de minister een termijn
stellen waarbinnen de betrokken rechtspersoon in de gelegenheid wordt gesteld
alsnog een certificaat te verkrijgen. Indien het certificaat niet binnen
die termijn wordt verkregen, kan de minister de erkenning intrekken.
Artikel
58. [Zie
art. 60 Osv 1997, red.]
In
het eerste lid is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regels worden gesteld waarin is bepaald aan welke
minimumvoorwaarden de statuten van een rechtspersoon moeten voldoen om
voor erkenning in aanmerking te komen. De geldende erkenningscriteria
die thans in een ministeriële regeling zijn vervat, zijn van zodanig
belang dat zij op grond van het voorgestelde eerste lid bij of krachtens
een algemene maatregel van bestuur zullen worden vastgesteld.
In de huidige beleidsregels van de
minister
zijn bijzondere bepalingen opgenomen ten aanzien van rechtspersonen die
de rechtsvorm van een vennootschap hebben. Via de statuten van de
vennootschap worden ook eisen gesteld aan de statuten van de
aandeelhouders in de vennootschap. Tevens wordt ten aanzien van
vennootschappen het zogenaamde "optierecht" van de minister
geregeld. Zowel de vennootschap die wenst te worden erkend als de
aandeelhouders daarin dienen een contract met de Staat te hebben
gesloten. De rechtsbasis voor deze regels wordt in artikel 58 [60]
geëxpliciteerd.
Artikelen
59 en
60. [Zie
artt. 61 en 62 Osv
1997,
red.]
Artikel 59 [61] regelt de gevallen waarin de
minister
verplicht is de erkenning in te trekken. Artikel 60 [62]
verleent aan de minister de bevoegdheid tot intrekking van de erkenning.
Van deze bevoegdheid kan de minister onder meer gebruik maken indien de
rechtspersoon niet handelt overeenkomstig instructies van het
Lisv. Ingevolge artikel 41 [43],
vierde lid, onderdeel
d, dienen de werkzaamheden op grond van de administratie- en
jaarovereenkomsten door de uitvoeringsinstelling
te worden verricht met inachtneming van de instructies van het Lisv.
Artikel
62. [Zie
art. 64 Osv 1997, red.]
Indien uit particulier
initiatief geen rechtspersoon zou voortkomen die in staat en bereid is tot
uitvoering van de wetten voor een sector of een sectoronderdeel, kan de
minister
een rechtspersoon oprichten zodat de uitvoering van de wetten gewaarborgd
is.
rblz.|87|
§
6. De uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door
overheidspensioenlichamen
Artikel 63.
[Zie
art. 65 Osv 1997,
red.]
De
overheidspensioenlichamen zijn de lichamen waaraan ten laste van het AAf
[Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] de uitkering op
grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet verschuldigd is. Bij de vaststelling van
deze uitkering dienen deze lichamen toepassing te geven aan de AAW.
Deze taak stemt overeen met de taak van het
Lisv tot uitvoering van de AAW. De
overheidspensioenlichamen worden daarom voor de toepassing van een
aantal artikelen van de Osv 1997, voor zover
zij artikel 8, derde lid, van de
AAW
uitvoeren, gelijkgesteld met het Lisv.
Artikel
64. [Zie
art. 66 Osv 1997, red.]
Het
Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) wordt
in artikel 68a van de huidige Osv voor de toepassing van een
aantal artikelen gelijkgesteld met een bedrijfsvereniging. De Stichting
USZO [USZO: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor
Overheid en onderwijs, red.] wordt in dat artikel
gelijkgesteld met een uitvoeringsinstelling.
In het voorgestelde artikel 64 [66] wordt
het FAOP gelijkgesteld met het
Lisv. De gelijkstelling van de Stichting
USZO met een uitvoeringsinstelling blijft gehandhaafd.
Hoofdstuk
5. Fondsbeheer, uitvoeringskosten en verslaglegging
§ 1.
Fondsbeheer
Artikelen 65 tot en met
67.
[Zie artt. 67-69 Osv
1997,
red.]
Elk
in
artikel 1, onderdeel
h, genoemd fonds is een geheel van middelen dat deel uitmaakt van
de SVB
of het
Lisv
en afzonderlijk door de SVB of het Lisv wordt beheerd en
geadministreerd.
De ten laste van een fonds komende uitgaven
worden gefinancierd door heffing van premies bij degenen die voor de
desbetreffende socialeverzekeringswetten
premieplichtig zijn. Het Toeslagenfonds en het Algemeen
Kinderbijslagfonds worden echter volledig gefinancierd uit algemene
middelen.
Het niveau van de premies (premiepercentage)
wordt in beginsel zodanig vastgesteld dat het fonds over voldoende
middelen beschikt om in het kader van de desbetreffende
socialeverzekeringswet de nodige uitgaven te doen (structureel
lastendekkende premiebaten).
Overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport
van de Externe Commissie van Deskundigen van de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.] inzake informatiestromen en reservevorming in de
sociale verzekeringen (COMED-rapport-SER 1979, nr. 10) betekent dit
tevens dat een vermogensreserve in stand dient te worden gehouden ter
dekking van de tekorten aan liquide middelen die per ultimo van het jaar
(saldo van debiteuren en crediteuren) respectievelijk binnen het jaar
(liquiditeitsbehoefte) ontstaan tengevolge van het asynchrone verloop
van de ontvangsten en uitgaven op kasbasis (financieringsdekking). Dit
asynchrone verloop is met name het gevolg van de vertraging waarmee de
premieontvangsten bij de fondsen binnenkomen, die relatief groot is in
verhouding tot de vertraging bij de verstrekking van uitkeringen.
rblz.|88|
Uitgangspunt van de
financiering is dat de uitgaven van een fonds volledig uit de middelen
van dat fonds worden gedekt. Dit betekent in beginsel dat geen sprake
mag zijn van (tijdelijke) tekorten aan liquide middelen. Indien
niettemin tengevolge van incidentele factoren bij een bepaald fonds een
tekort aan liquide middelen ontstaat, kan de SVB onderscheidenlijk het
Lisv besluiten dat middelen uit een ander fonds worden aangewend voor
uitgaven die uit eerstbedoeld fonds gedaan moeten worden (de zogenaamde
onderlinge steunverlening). Ingevolge artikel 65 [67],
vijfde lid, dienen vervolgens binnen een door de
minister
te stellen termijn middelen van gelijke waarde, vermeerderd met rente,
uit het fonds waarbij het tekort bestond, te worden overgeheveld naar
het fonds waaruit middelen zijn weggenomen.
Indien bij een bepaald fonds een tijdelijk
tekort ontstaat waarvoor geen middelen uit een ander fonds kunnen worden
aangewend, kan de SVB of het Lisv besluiten leningen aan te gaan.
Hierbij dienen de SVB en het Lisv zich te houden aan door de minister
gestelde voorwaarden.
Indien bij een bepaald fonds een tijdelijk
tekort ontstaat waarvoor geen middelen uit een ander fonds kunnen worden
aangewend en waarvoor geen leningen kunnen worden aangegaan, verstrekt
het Rijk leningen tegen een door het Rijk vast te stellen rente.
In artikel 66 [68]
is bepaald dat de minister nadere regels dient te stellen met betrekking
tot de verstrekking van leningen door het Rijk. Deze regels betreffen in
elk geval de periode gedurende welke leningen ten hoogste worden
verstrekt.
Voor de onderlinge steunverlening tussen
fondsen, het aangaan van leningen en het verstrekken van leningen door
het Rijk geldt in de huidige praktijk dat de duur in beginsel niet
langer dan één jaar mag zijn. Deze duur kan in een systeem van
omslagfinanciering waarin de premieniveaus in principe jaarlijks worden
aangepast, voldoende worden geacht. Niettemin kunnen in ministeriële
regels andere termijnen worden bepaald.
Sluitstuk van de financieringsstructuur van de
fondsen is de overheidsgarantie, geregeld in artikel 67 [69],
die inhoudt dat het Rijk tegenover degenen die recht hebben op een
uitkering c.q. verstrekking aansprakelijk is voor de betaling daarvan,
wanneer de SVB of het Lisv met betrekking tot verplichtingen ten laste
van een in artikel 1, onderdeel h,
genoemd fonds, niet meer tot betaling in staat is.
Artikel
68. [Zie
art. 70 Osv 1997, red.]
De
SVB en het
Lisv dienen de
minister
op door hem vast te stellen tijdstippen per fonds te informeren over de
uitputting van de financiële middelen, het verloop van de uitgaven, de
begrote uitgaven en, indien van toepassing, in samenhang daarmee de
hoogte van de vastgestelde premiepercentages.
Artikel
69. [Zie
art. 71 Osv 1997, red.]
De
ministeriële
bevoegdheid tot het stellen van regels over de wijze waarop en de voorwaarden
waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan fondsen die geheel of
gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd, moet worden gezien tegen
de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de rijksuitgaven.
rblz.|89|
Artikel
70. [Zie
art. 72 Osv 1997, red.]
Omdat de ontvangsten en
uitgaven van de fondsen niet synchroon lopen, moeten de fondsen
over een zeker vermogen beschikken. De
minister
kan normen
stellen omtrent de omvang van dit vermogen, ook wel de
financieringsdekking genoemd. Indien het vermogen van een fonds niet overeenkomt
met de vereiste financieringsdekking, kan de minister bepalen op welke
termijn financieringsoverschotten of -tekorten weggewerkt moeten worden.
De minister kan voorts regels stellen voor de belegging van gelden,
het verstrekken van geldleningen en bijdragen uit fondsen en het
opnemen van geldleningen door fondsen.
Artikel
71. [Zie
art. 73 Osv 1997, red.]
De
uitvoeringsinstellingen dragen, onder
verantwoordelijkheid van het
Lisv, enerzijds zorg voor de inning van de
premies die vervolgens moeten worden afgedragen aan de door het Lisv
beheerde fondsen.
Anderzijds verstrekken, onder
verantwoordelijkheid van het Lisv, de uitvoeringsinstellingen
uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden en hebben zij uitvoeringskosten
die ten laste komen van de door het Lisv beheerde fondsen. In het kader
van "de ontvlechting uitvoeringsinstellingen-bedrijfsverenigingen"
is bepaald dat deze geldstromen zuiver gescheiden dienen te worden
geadministreerd. Bij "de ontvlechting" is met name bepaald dat
de zogenaamde grote geldstroom (premies en uitkeringen) strikt dient te
worden gescheiden van de zogenaamde kleine geldstroom (vergoeding voor
uitvoeringskosten). Onder de voorwaarde van strikte administratieve
scheiding dient het financieel verkeer tussen Lisv en
uitvoeringsinstelling zo efficiënt mogelijk te verlopen. Het instrument
dat hierbij wordt gehanteerd is een rekening-courantverhouding bij het
Lisv.
De
minister
kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop het betalingsverkeer
tussen het Lisv en de uitvoeringsinstellingen zal moeten plaatsvinden.
In de huidige Osv is deze bevoegdheid gesitueerd bij het Ctsv.
De minister zal zich bij de nadere regelgeving primair baseren op de
regels die het Ctsv op basis van artikel 19 van de huidige Osv heeft
gesteld (College van toezicht sociale verzekeringen, 8 maart 1996, nr.
961184, Stcrt.
1996, 56).
Artikel
72. [Zie
art. 74 Osv 1997, red.]
Het
Ctsv neemt een centrale positie in bij de
beoordeling van de rechtmatigheid van de inkomsten en uitgaven in het
kader van de sociale verzekeringen. In artikel 72 [74]
is de controlerende en signalerende rol van het Ctsv nader aangeduid.
Ten aanzien van de SVB is sprake van een
directe toezichtsverantwoordelijkheid, onveranderd ten opzichte van de
huidige Osv. Ten aanzien van het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen
is het instrumentarium van het Ctsv uitgebreider dan t.o.v. de huidige
Osv omdat het Ctsv ook gebruik kan maken van de door het Lisv en de
uitvoeringsinstellingen afgegeven rechtmatigheidsverklaringen.
Indien het Ctsv constateert dat bedragen op
onjuiste wijze ten laste of ten gunste van de door het Lisv beheerde
fondsen zijn gebracht, kan het Ctsv deze bedragen herzien. Daarbij kan
het Ctsv besluiten dat betalingen aan de betrokken uitvoeringsinstelling
ten laste van het desbetreffende fonds van het Lisv, geheel of
gedeeltelijk worden opgeschort. Het Lisv kan bedragen die niet ten laste
van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds kunnen
worden gebracht, ten laste brengen van wachtgeldfondsen als bedoeld in artikel 102
van de Werkloosheidswet.
rblz.|90|
§
2. De uitvoeringskosten
In deze paragraaf worden de begrotingen en de
budgetten van de uitvoeringskosten van de verschillende
uitvoeringsinstanties en de toezichthouder behandeld. Het systeem dat
wordt gehanteerd is zodanig dat steeds een "hogere" instantie
de begroting vaststelt van één of meerdere "lagere"
instanties. Op deze wijze ontstaan checks en balances in het systeem van
de uitvoeringskosten. Zie tevens de paragrafen 7.1
en 7.2 van het algemene deel van de memorie van
toelichting.
Artikel
73. [Zie
art. 75 Osv 1997, red.]
Het
Ctsv biedt jaarlijks vóór 1 augustus
zijn begroting aan de
minister
aan. De SVB
en het
Lisv bieden een begroting van hun
uitvoeringskosten aan aan het Ctsv, eveneens vóór 1 augustus.
In artikel 1,
onderdeel j, is bepaald dat de kosten van de uitvoering van
overeenkomsten als bedoeld in artikel 41 [43]
onder het begrip "uitvoeringskosten" vallen. De bepalingen
betreffende uitvoeringskosten in deze wet zijn derhalve mede van
toepassing op de kosten van uitvoering van die overeenkomsten, tenzij in
de wettekst expliciet is bepaald dat laatstbedoelde kosten daaronder
niet worden begrepen, zoals in artikel 76 [77],
tweede lid, en artikel 83 [84], vijfde lid.
Het Lisv informeert het Ctsv afzonderlijk
vóór 1 oktober omtrent de inhoud en financiële omvang van de
jaarovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen.
Artikel
74. [Zie
art. 76 Osv 1997, red.]
De
begrotingen bedoeld in artikel 73 [75]
worden ingedeeld naar personele en materiële uitgaven. Onder personele
uitgaven worden salarissen, sociale lasten, gratificaties e.d.
beschouwd. Onder materiële uitgaven worden huisvestingskosten,
automatiseringskosten, bureaukosten e.d. verstaan. Ten behoeve van de
beoordeling van de begrotingen worden de verschillende kostensoorten
zodanig gepresenteerd dat er inzicht bestaat in de uitgaven en daaruit
voortvloeiende prestaties.
Artikel
75.
[Vervallen,
red.]
De
minister
kan regels
stellen omtrent de gegevens van de in artikel 73 [75]
bedoelde begrotingen,
alsmede omtrent de inrichting daarvan.
Artikel
76. [Zie
art. 77 Osv 1997, red.]
Op
basis van de ingediende begroting als bedoeld in artikel 73 [75],
stelt de
minister jaarlijks vóór 1 december het
budget voor de uitvoeringskosten van het Ctsv
vast. Opgemerkt wordt dat de minister het budget afwijkend van de
ingediende begroting kan vaststellen. Indien het budget afwijkend van de
ingediende begroting wordt vastgesteld, wordt zulks gemotiveerd
medegedeeld aan het Ctsv.
Het Ctsv stelt op basis van de ingediende
begrotingen als bedoeld in artikel 73 [75],
tweede lid, vóór 1 december de budgetten vast voor de
uitvoeringskosten van de
SVB en het
Lisv. Het Ctsv kan de budgetten afwijkend
vaststellen van de ingediende begrotingen. Indien het budget afwijkend
van de ingediende begroting wordt vastgesteld, wordt zulks gemotiveerd
medegedeeld aan de instantie die de begroting heeft ingediend.
rblz.|91|
Opgemerkt wordt dat onder
uitvoeringskosten hier alleen de apparaatskosten worden verstaan van de
SVB en het Lisv, dus zonder de kosten van het sluiten van overeenkomsten
als bedoeld in artikel 41 [43].
Artikel
77. [Zie
art. 78 Osv 1997, red.]
Op basis van gewijzigde
of onvoorziene omstandigheden is het mogelijk om de budgetten
voor de uitvoeringskosten gedurende het jaar te wijzigen.
Artikel
78. [Zie
art. 79 Osv 1997, red.]
De vastgestelde budgetten
zijn bindend. Het is de uitvoeringsinstanties en de toezichthouder niet
toegestaan om de voor hen vastgestelde budgetten te overschrijden.
Artikel
79. [Zie
art. 80 Osv 1997, red.]
De
uitvoeringskosten worden ten laste gebracht van de
socialeverzekeringsfondsen. In de uitvoeringskosten van de SVB
en het
Lisv zijn de kosten van toezicht door
het Ctsv
begrepen. De
minister
stelt regels omtrent de wijze van toerekenen van de uitvoeringskosten.
Artikel
80.
[Zie
art. 81 Osv 1997,
red.]
Tegen besluiten inzake
het vaststellen of wijzigen van budgetten op grond van de artikelen 76 [77],
77 [78], of 78 [79], derde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep. Hierbij is slechts beroep mogelijk in
één instantie. Het begrip "belanghebbende" kan in de praktijk een ruimere strekking
hebben dan de rechtstreeks in zijn belang getroffen rechtspersoon. In welke
gevallen dit zal voorkomen valt overigens nog niet te voorzien. Artikel
80 [81] beoogd in elk geval geen beperking van het begrip
"belanghebbende"
te geven.
§
3. Verslaglegging
Deze paragraaf bevat bepalingen omtrent de
wijze waarop het Ctsv, de SVB,
het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen
verantwoording afleggen ten aanzien van de uitvoering van hun wettelijke
taken. Bij de verslaglegging gaat het om de jaarverslagen en
jaarrekeningen van de betreffende rechtspersonen. Zie tevens het
algemene deel van de memorie van toelichting paragraaf
7.3.
Artikel
81. [Zie
art. 82 Osv 1997, red.]
Voor het boekjaar wordt voor alle instanties het kalenderjaar
gehanteerd. Het Ctsv
legt verantwoording af aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
door het vaststellen van de jaarrekening en jaarverslag vóór 1 juli
volgende op het verstreken boekjaar. De SVB, het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen
stellen eveneens vóór 1 juli volgende op het verstreken boekjaar hun
jaarrekening en jaarverslag vast en bieden deze aan het Ctsv aan.
De SVB en het Lisv stellen jaarlijks, vóór 1
juli, als fondsbeheerders, per fonds afzonderlijk, een jaarrekening en
jaarverslag van het verstreken boekjaar vast en bieden deze stukken aan
het Ctsv aan.
De minister stelt ten aanzien van de inhoud van
de jaarrekeningen en jaarverslagen nadere regels.
rblz.|92|
Artikel
82. [Zie
art. 83 Osv 1997, red.]
De jaarrekeningen als
bedoeld in artikel 81 [82] moeten zijn voorzien van een accountantsverklaring.
Naast het afgeven van deze verklaring omtrent de getrouwheid van cijfers
in de jaarrekening, wordt ervan uitgegaan dat ook over de rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten een oordeel
wordt gegeven. Dit oordeel wordt gegeven door een accountant die de administratie van de
betreffende rechtspersoon controleert.
Artikel
83. [Zie
art. 84 Osv 1997, red.]
De
door het
Lisv, de
SVB en de uitvoeringsinstellingen
opgestelde jaarrekeningen en jaarverslagen worden door het Ctsv
jaarlijks vóór 1 november aan de
minister
aangeboden. Het Ctsv geeft op basis van deze stukken en op basis van
eigen onderzoek een oordeel over de rechtmatigheid van uitgaven en
ontvangsten. Tot deze uitgaven en ontvangsten behoren ook de uitgaven en
ontvangsten van het Ctsv zelf. De oordelen worden vastgelegd in een
verklaring verbijzonderd naar wet. Deze verklaring wordt door het Ctsv
jaarlijks vóór 1 november volgend op het verstreken boekjaar aan de
minister aangeboden. De minister kan regels stellen omtrent de
reikwijdte en strekking van de rechtmatigheidsverklaring van het Ctsv
(alsmede van het Lisv, de uitvoeringsinstellingen en de SVB)
De minister beoordeelt de jaarrekeningen, de
jaarverslagen en de rechtmatigheidsverklaring, en brengt het Ctsv op de
hoogte van zijn oordeel. Ten slotte brengt de minister aan beide kamers
der Staten-Generaal ter kennis de van het Ctsv ontvangen jaarrekeningen
en jaarverslagen en de rechtmatigheidsverklaring, alsmede zijn oordeel
over deze stukken.
Artikel
84.
[Zie
art. 85 Osv 1997,
red.]
Dit
artikel stemt overeen met artikel 90 van de huidige Osv, met dien
verstande dat in dit artikel de bevoegdheid van de
minister
om regels te stellen is vervallen.
Hoofdstuk
6. Gegevensverstrekking en geheimhouding
§ 1.
Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan Onze
Minister, het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale
Verzekeringsbank, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de
uitvoeringsinstellingen en werkgevers
Artikel 85.
[Zie
art. 87 Osv 1997, red.]
Dit
artikel komt in de plaats van artikel 10 van de huidige Osv. Het
Lisv komt in de plaats van het Tica en de
bedrijfsverenigingen. Omtrent de wijze waarop gegevens en inlichtingen
moeten worden verstrekt en over de termijnen waarbinnen gegevens en
inlichtingen worden verstrekt, kan de
minister
regels stellen.
Artikelen
86 tot en met 95.
[Zie artt. 88-97 Osv
1997,
red.]
Artikel 86 [88] komt in de plaats van
artikel 13 van de huidige Osv. De artikelen 87 tot en met 95 [89-97]
komen in de plaats van de artikelen 91 tot en met 99 van de huidige Osv.
rblz.|93|
De strafbaarstelling van het
niet voldoen aan hetgeen in de artikelen 90 en 91 [92
en 93] is gesteld, zal worden geregeld in
de artikelen 225 tot en met 227b, 447c en 447d
van het Wetboek
van Strafrecht. Deze artikelen worden naar aanleiding van het
wetsvoorstel
Concentratie strafbaarstelling frauduleuze
gedragingen (Kamerstukken I 1995-1996, 23 993, nr. 178) in het Wetboek
van Strafrecht opgenomen. Voor een nadere toelichting wordt naar de toelichting bij de
artikelen 105 tot en met 109 verwezen.
Ten opzichte van de huidige Osv is aan artikel
92 [94] de bepaling toegevoegd dat de
Minister van
Justitie verplicht is om de socialeverzekeringsinstanties
desgevraagd, kosteloos gegevens en inlichtingen te verstrekken over
gedetineerden. Deze informatie is nodig in het kader van uitvoering van
de Werkloosheidswet
(controle op beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt) en de Toeslagenwet.
§
2. Geheimhouding
Artikel 96.
[Zie
art. 98 Osv 1997, red.]
De
geheimhoudingsplicht in dit artikel komt overeen met artikel 100 van de
huidige Osv.
Artikel
97. [Zie
art. 99 Osv 1997, red.]
In
dit nieuwe artikel is voorgeschreven dat het Ctsv,
de SVB, het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen
de gegevens en inlichtingen waarover zij bij de uitoefening van hun
taken beschikken, uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die
gegevens en inlichtingen zijn verkregen. Deze "doelbinding"
kan slechts worden doorbroken bij of krachtens de wet.
§
3. Verstrekking van gegevens en inlichtingen door het College van
toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
Artikelen 98 tot en met
100.
[Zie artt. 100-102 Osv
1997,
red.]
Deze artikelen komen overeen met de artikelen 101 tot en met 103 van de
huidige Osv, met dien verstande dat in artikel 99 [101],
eerste lid, een wijziging is aangebracht ten opzichte van artikel 102,
eerste lid, van de huidige Osv. Thans geldt voor de gegevensverstrekking
aan pensioenfondsen en VUT-fondsen de voorwaarde dat de persoonlijke
levenssfeer van de betrokken personen niet onevenredig mag worden
geschaad. In dit wetsvoorstel wordt deze
voorwaarde gewijzigd in een toestemmingsvereiste. De
socialeverzekeringsinstellingen zijn bevoegd om gegevens aan
pensioenfondsen en VUT-fondsen te verstrekken, voor zover de personen op
wie de gegevens betrekking hebben daarvoor schriftelijke toestemming
hebben gegeven. Hiermee is deze gegevensverstrekking op dezelfde manier
geregeld als de gegevensverstrekking aan de in het tweede en derde lid
van artikel 98 [100] bedoelde instanties.
Hoofdstuk
7. Goedkeuring, schorsing en vernietiging
Artikelen 101 tot en met
104.
[Zie artt. 103 en
104 Osv 1997, red.]
Deze artikelen komen overeen met de artikelen 104 tot en 107 van de
huidige Osv, met dien verstande dat in artikel 102 [103]
de termijn van drie maanden is vervangen door de termijn van acht weken
[dertien weken].
rblz.|94|
Hoofdstuk
8. Strafbepalingen en andere bepalingen
Artikelen 105 tot en met
109.
[Zie artt. 107-111 Osv
1997,
red.]
De
inhoud van de artikelen 105 tot en met 109 [105-109]
is gelijk aan de inhoud van de artikelen 108 tot en met 113 van de
"oude" Osv zoals deze zullen luiden nadat het wetvoorstel
Concentratie strafbaarstelling frauduleuze
gedragingen (Kamerstukken I 1995-1996, 23 993, nr. 178) is
aangenomen en inwerking is getreden. Daarbij worden in het Wetboek
van Strafrecht eenvormige verbodsbepalingen opgenomen betreffende
de verstrekking van onjuiste gegevens anders dan door valsheid in
geschrifte alsmede betreffende de schending van wettelijke
verplichtingen tot informatieverstrekking onder gelijktijdige
verwijdering van de desbetreffende bepalingen uit een aantal bijzondere
wetten in de sfeer van de sociale zekerheid en aanverwante regelingen.
De verschillende wijzen van frauduleuze
bevoordeling worden vereenvoudigd en eenvormig in het Wetboek van
Strafrecht strafbaar gesteld. Deze concentratie bevordert niet alleen de
overzichtelijkheid, de volledigheid en de samenhang, maar bewerkstelligt
tevens dat vergelijkbare gedragingen op identieke wijze strafbaar worden
gesteld en met dezelfde straf worden bedreigd.
Met de redactie van artikel 108 [110]
is voorts de onduidelijkheid over de opsporingsbevoegdheid van
opsporingsfunctionarissen bij de diverse uitvoeringsinstanties sociale
verzekeringen weggenomen. Deze ontlenen namelijk hun
opsporingsbevoegdheid aan besluiten welke door de Minister van Justitie
worden genomen terwijl volgens de oude redactie (artikel 112 Osv-oud)
zij strikt genomen zouden moeten zijn aangewezen door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met de Minister
van Justitie.
Artikel
111. [Zie
art. 113 Osv 1997, red.]
Artikel 111 [113] van dit hoofdstuk, het
zogenaamde "taakverwaarlozingsartikel", komt in de plaats van
artikel 115 van de huidige Osv en wijkt daar van af. Op grond van het
eerste lid van laatstbedoeld artikel konden slechts bij algemene
maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de Osv, tijdelijke
voorzieningen worden getroffen voor het geval het Ctsv
zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakwam.
Op grond van het tweede lid van laatstbedoeld artikel konden slechts bij
algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de Osv en de
door de SVB
en de bedrijfsverenigingen uitgevoerde materiewetten, tijdelijke
voorzieningen worden getroffen voor het geval de SVB, het Tica of een
bedrijfsvereniging uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar
behoren nakwam.
Op grond van het voorgestelde artikel 111 [113]
kan de minister
besluiten nemen waarmee, zo nodig in afwijking van dezelfde wetten, voor
een periode van ten hoogste zes maanden voorzieningen worden getroffen
in gevallen als hierboven bedoeld. In deze gevallen kan sprake zijn van
een situatie die noodzaakt tot snel ingrijpen. Het tot stand brengen van
een algemene maatregel van bestuur kan in die situaties zoveel tijd in
beslag nemen dat de nadelige gevolgen van het niet naar behoren nakomen
van verplichtingen door de betrokken instanties zwaarder wegen dan de
voordelen die zijn verbonden aan de totstandkomingsprocedure van een
algemene maatregel van bestuur. De besluiten waarmee de minister
voorzieningen kan treffen, dient de minister terstond aan beide kamers
der Staten-Generaal te zenden zodat deze Kamers, als medewetgever,
geïnformeerd zijn over de eventuele afwijkingen van de wet.
De minister kan zijn verantwoordelijkheid voor zijn besluiten dragen
door hierover met de Kamer in overleg te treden.
rblz.|95|
Hierbij zij aangetekend
dat de besluiten van de minister ten hoogste een periode van zes maanden
kunnen betreffen. In die periode is er dan gelegenheid om zo nodig
een algemene maatregel van bestuur tot stand te brengen waarmee
tijdelijke voorzieningen voor de periode die intreedt na zes maanden kunnen
worden getroffen. Het vierde en vijfde lid van artikel 111 [113]
scheppen die
mogelijkheid. Deze leden kunnen overigens ook toepassing vinden indien
er geen noodzaak tot snel ingrijpen bestaat. Eventuele afwijking van
de wet dient dan plaats te vinden op het niveau van een algemene
maatregel van bestuur.
Artikel
113. [Zie
art. 115 Osv 1997, red.]
Analoog aan de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 is in artikel 113 [115]
een evaluatiebepaling opgenomen. De gevolgen
van de voorgestelde wetgeving kunnen na elke periode van vier jaar na inwerkingtreding van deze wet op
grond van een verslag van
de
minister
op hun waarde worden geschat.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|