|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1995-1996,
24 698
Wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet premiedifferentiatie en
marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
[Inleiding,
red.] |
| 1.1 |
Doelstelling en
inzet van het beleid |
| 1.2 |
Herijking van
verantwoordelijkheden |
| 1.3 |
De wetsvoorstellen
in het kort |
| 1.4 |
Flankerend beleid |
| 1.5 |
Het SER-advies |
| 1.6 |
Andere reacties op
de SER-adviesaanvraag |
| 1.7 |
Overige commentaren |
| 2 |
Financiering en
premiedifferentiatie WAO |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Vormgeving
premiedifferentiatie |
| 2.3 |
Overgang naar een
systeem van premiedifferentiatie |
| 2.4 |
Gevolgen van
draagvlakversmalling |
| 3 |
De mogelijkheid tot
eigen risico dragen |
| 3.1 |
Doel van het
eigen risico dragen |
| 3.2 |
Vormgeving van het
eigen risico dragen |
| 3.3 |
Duur van de
eigenrisicoperiode |
| 3.4 |
Rol en
verantwoordelijkheden van de publieke verzekeraar en van de werkgever in
de eigenrisicoperiode |
| 3.5 |
Procedure van het
eigen risico dragen |
| 3.6 |
Financiering van op
het moment van eigen risico dragen reeds ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen |
| 3.7 |
Vaststellen van het
premieniveau nadat voor de werkgever het eigen risico dragen is beëindigd |
| 3.8 |
Samenloop van
uitkeringen |
| 3.9 |
Samenloop van
uitkeringen in verband met premieheffing |
| 3.10 |
Afdracht aan het
Rijk in geval van WSW-plaatsing |
| 3.11 |
Rechtsgang |
| 3.12 |
Wijziging van de
Wet op de ondernemingsraden |
| 3.13 |
Samenvattend
overzicht van de financiering van de lasten |
| 4 |
De internationale en
Europeesrechtelijke aspecten |
| 4.1 |
Internationale toets |
| 4.2 |
EG-regelgeving |
| 4.3 |
Coördinatievoorschriften inzake sociale zekerheid |
| 4.4 |
Normverdragen |
| 5 |
Flankerend beleid |
| 5.1 |
Doelstelling
flankerend beleid |
| 5.2 |
Werving en selectie |
| 5.3 |
Verbod van
keuringen; initiatief-wetsvoorstel-Van Boxtel |
| 5.4 |
Premiekorting voor
personen met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico |
| 5.5 |
Voorlichting en
deskundigheidsbevordering |
| 6 |
Voorlichting |
| 7 |
Financieel-economische
gevolgen |
| 7.1 |
Beoogde
bezuinigingen |
| 7.2 |
Inkomensgevolgen en
loonkosteneffecten van de AAW/WAO-integratie |
| 7.3 |
Eigen
risico dragen
in de WAO in relatie tot de i/a-ratio en de collectieve lasten |
| 8 |
Overige onderwerpen |
| 8.1 |
Het avv-beleid |
| 8.2 |
De regelingen voor
het overheidspersoneel |
| 8.3 |
Invoeringsaspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering |
| x |
Artikel
I |
| Hoofdstuk
2. Overgangs- en slotbepalingen |
| x |
Artikelen
II t/m VII |
Algemeen
1.
[Inleiding, red.]
1.1. Doelstelling en
inzet van het beleid
Inzet van het
kabinetsbeleid is een verhoging van de arbeidsparticipatie. Meer mensen aan het werk
en dus minder mensen die een beroep moeten doen op de sociale zekerheid. Met een scala aan instrumenten zet
het kabinet in op een
verhoogde participatie van mensen op de arbeidsmarkt. Een dergelijke
krachtsinspanning is niet alleen uit financiële overwegingen wenselijk,
doch bovenal uit sociale overwegingen. Het verrichten van betaalde
arbeid is in de Nederlandse samenleving nog steeds de beste manier om
te komen tot een verbetering van het financiële en sociale
welzijn. Vanuit de doelstelling zoveel mogelijk mensen aan het werk te
helpen en aan het werk te houden, heeft het kabinet in het
regeerakkoord ook op het terrein van de sociale zekerheid een aantal
beleidsvoornemens gepresenteerd.
Deze voornemens richten
zich op het ontwikkelen van een stelsel van sociale zekerheid waarbinnen naast bescherming ook activering een
belangrijke plaats
inneemt. Een activerende sociale zekerheid vergt op een aantal punten een omslag
van denken en handelen binnen het huidige stelsel van sociale
zekerheid. Een stelsel van sociale zekerheid waarin het waarborgen van inkomen
ingeval een risico zich voordoet centraal staat, moet worden omgevormd tot
een stelsel van sociale zekerheid waarin het voorkomen van dat verlies
en het wederom ongedaan maken daarvan uitgangspunt is. In een
dergelijk stelsel staan eigen inspanning en initiatief van de burger
voorop.
De verantwoordelijkheden
moeten meer worden gelegd bij de individuele burger en het bedrijf en
de mogelijkheden om het risico af te wentelen op het
collectief dienen te worden verminderd. Een herijking van de verantwoordelijkheden
binnen het stelsel van sociale zekerheid is een voorwaarde om tot een
activerend stelsel van sociale zekerheid te kunnen komen.
rblz.|2|
Met het vervangen van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet door de Algemene nabestaandenwet
en het grotendeels privatiseren van de Ziektewet
[zie Wulbz, red.] heeft het
kabinet op belangrijke gebieden van het stelsel van sociale zekerheid de
omslag naar een activerend stelsel ingezet. Door de nu voorliggende
voorstellen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen zou ook op het belangrijke
terrein van de langer durende arbeidsongeschiktheid de omslag naar een meer
activerend stelsel worden gemaakt. Deze stap vormt als het
ware het sluitstuk van een proces dat enige jaren geleden in gang is gezet.
Het kabinet acht deze stap onontbeerlijk om te komen tot een houdbaar en
beheersbaar sociaal stelsel. Te meer daar uit het dalende volume blijkt
dat het ingezette beleid succesvol is.
Een vraag is of na deze
stap van verdere aanpassingen in het stelsel zou kunnen worden afgezien.
Het antwoord hierop kan niet anders dan ontkennend zijn. Immers, niet alleen vergt een solide stelsel permanent
onderhoud, maar ook is er
alle aanleiding het socialezekerheidsstelsel te onderwerpen aan een
langetermijnverkenning. Een grondige bezinning op het stelsel van
sociale zekerheid is noodzakelijk, zij het niet gekoppeld aan de onderhavige
voorstellen, die immers volledig liggen in de lijn van en het sluitstuk vormen
van het beleid gericht op een activerend sociaal stelsel. De langetermijnverkenning dient zich met name te concentreren op de relatie tussen flexibilisering en sociale zekerheid alsmede op de
analyse van de
financiering van de oudedagsvoorziening. Het kabinet heeft deze verkenning
inmiddels ter hand genomen en wil ten tijde van de begroting 1997 beschikken
over de resultaten.
1.2. Herijking van
verantwoordelijkheden
Met de per 1 maart
[1996, red.] tot
stand gebrachte privatisering van de Ziektewet is een belangrijke stap
gezet in de richting van de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
zoals deze het kabinet voor ogen staat. De nu liggende voorstellen
met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten moeten ook voor het
langer durende arbeidsongeschiktheidsrisico leiden tot een verlegging
van verantwoordelijkheden. Door het introduceren van twee belangrijke
maatregelen in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), namelijk het
differentiëren van premies en het introduceren van de
mogelijkheid tot het dragen van eigen risico, beoogt het kabinet de
verantwoordelijkheden en belangen daar neer te leggen waar zij vanuit de
optiek van een activerende sociale zekerheid het meest doelmatig zijn. Bij
het verleggen van de verantwoordelijkheden heeft het kabinet zich
onder meer laten inspireren door het WRR-rapport "Belang en Beleid"
[WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, red.] over
een verantwoorde uitvoering van de werknemersverzekeringen.
In dit rapport wijst de WRR op het belang van een goede verdeling van
de verantwoordelijkheden. In de conclusie van het rapport stelt de Raad onder meer:
1. In het beheer van de
sociale zekerheid is de structuur van de verantwoordelijkheidsverdeling van allesoverheersend
belang. Iedere overdracht van het ene subsysteem
naar het volgende versnippert verantwoordelijkheden en leidt daarmee tot
afwentelingsgedrag.
2. Toedelen en afbakenen
van verantwoordelijkheden is stap één. Die verantwoordelijkheden
moeten ook gevoeld worden. Dat vereist dat de verantwoordelijke actoren
een existentieel belang hebben bij de uitvoering van hun verantwoordelijkheid. Dat belang kan vele gedaanten
hebben, maar zal altijd te
herleiden moeten zijn op enigerlei vorm van "eigen
risico".
In het kabinetsstandpunt
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1) is het kabinet nader ingegaan op het rapport van de
WRR.
rblz.|3|
Niet alleen het rapport
van de WRR maar ook het rapport van de Parlementaire enquêtecommissie (Kamerstukken II
1992-1993, 22 730) en het advies van de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.] over de regionalisering van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
(september 1994) geven aan dat een nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
van groot belang is voor een activerend stelsel van sociale
zekerheid.
Wanneer risico’s geheel
of in belangrijke mate op individuele basis particulier verzekerbaar
zijn tegen redelijke condities, moet worden afgewogen of en in welke
mate het bieden van een overheidsregeling noodzakelijk is. Of van
redelijke condities kan worden gesproken, wordt bepaald door aspecten als
toegankelijkheid, polisvoorwaarden, de hoogte van de te betalen premies
en uitvoerbaarheid.
In lijn hiermee geldt als
uitgangspunt ten slotte dat wanneer risico’s of delen van risico’s
kunnen worden verevend op bedrijfstakniveau of per risicogroep, dit de voorkeur verdient boven landelijke verevening.
Deze beginselen hebben
niet alleen mede ten grondslag gelegen aan de per 1 maart gerealiseerde
privatisering van de Ziektewet, maar ook hebben zij meegewogen met
de in dit
wetsvoorstel gepresenteerde voorstellen.
Zoals gezegd, wijst ook de
WRR erop dat het herijken van de verantwoordelijkheden alleen onvoldoende is.
Wil het stelsel beheersbaar blijven, dan dienen aan
die verantwoordelijkheden belangen te worden gekoppeld. De
verantwoordelijken dienen een existentieel belang te krijgen bij het dragen
van hun verantwoordelijkheid. Met het introduceren van premiedifferentiatie
en de mogelijkheid tot het dragen van eigen risico binnen het stelsel
van arbeidsongeschiktheidsregelingen worden belangen geïntroduceerd die als prikkel tot het dragen van
verantwoordelijkheid dienen. Door de invoering
van premiedifferentiatie in de WAO wordt een belang gelegd
bij de werkgever om het beroep op de WAO zo gering mogelijk te
houden. Door eigen risico te gaan dragen, wordt dit belang voor de werkgever
geïntensiveerd. Omdat een werkgever bij het gaan dragen van eigen
risico ervoor kan kiezen dit risico te verzekeren, wordt tegelijkertijd het
monopolie van de publieke uitvoeringsorganisatie doorbroken. Hiermee wordt
ook voor het langer durende arbeidsongeschiktheidsrisico de socialeverzekeringsmarkt toegankelijk
gemaakt voor private
ondernemingen.
In eerste instantie wilde
het kabinet de herijking van verantwoordelijkheden en het hieraan gekoppelde
existentiële belang vormgeven niet alleen door
premiedifferentiatie, maar ook door parallelle privatisering. In tal van adviezen werden
grote vraagtekens gezet bij de realiteitswaarde van de parallelle
privatisering. Enerzijds werd in deze adviezen betwijfeld of het uitstappen wel op
gang zou komen, anderzijds of er wel een volwaardig publiek WAO-stelsel zou overblijven. Ook de
Raad van State plaatst dergelijke
kanttekeningen en adviseerde uiteindelijk tot een heroverweging van het
voorstel.
Wat betreft de kritiek op
de houdbaarheid van een duaal bestel zij allereerst opgemerkt dat
voor het kabinet het uitstappen nooit een doel op zichzelf is geweest. Het
diende slechts een reëel alternatief te zijn naast de publieke uitvoering om
zodoende de uitvoering alert te houden. Voorts verwachtte het kabinet
dat, als het uitstappen eenmaal op gang was gekomen, op den duur een
situatie zou ontstaan waarin zowel het publieke bestel als de
private verzekeringen in redelijk evenwicht naast elkaar zouden bestaan. Er
zouden namelijk meerdere factoren dan louter financiële zijn op basis waarvan een werkgever zou besluiten uit te
stappen. En in het
uiterste geval was er voorzien in een "noodrem".
rblz.|4|
Naast de kritiek ten
aanzien van de levensvatbaarheid en houdbaarheid van een duaal stelsel was
er ook een fundamenteel kritiekpunt ten aanzien van het garanderen van de
polisvoorwaarden. Bij de uitstapmogelijkheid konden de
polisvoorwaarden slechts op het moment van uitstappen worden gegarandeerd. Met
name de indexering van de private WAO-uitkering was hiermee
niet veilig gesteld.
Ten slotte moest
geconstateerd worden dat introductie van een uitstapmogelijkheid, met name uit een oogpunt van het garanderen van
de polisvoorwaarden, een
uiterst complexe regelgeving vergde. Afbreukrisico’s voor handhaafbaarheid,
doelmatigheid en rechtsgelijkheid waren hierdoor niet irreëel.
Dit totale complex van
overwegingen in ogenschouw nemende, heeft het kabinet zich ernstig
beraden op de vraag of op de ingeslagen weg voortgegaan moest worden.
Er waren genoeg signalen die wezen op de noodzaak serieus na te
denken over een alternatief. Een alternatief dat de nadelen van het
uitstappen vermijdt, maar toch elementen van marktwerking in de WAO aanbrengt. Het
kabinet acht beide componenten aanwezig in het voorstel
tot vrijwillig eigen risico dragen in de WAO.
1.3. De wetsvoorstellen
in het kort
In de WAO
worden voor wat
betreft de lasten voor de eerste vijf jaar van arbeidsongeschiktheid de
premies gedifferentieerd. Daarnaast wordt voor een werkgever de
mogelijkheid gecreëerd om voor deze vijf jaar eigen risico te gaan dragen.
Verderop
in deze toelichting (paragraaf 3.3) wordt nader ingegaan op de
overwegingen die leiden tot een keuze voor een periode van vijf jaar. Om maximaal
te kunnen differentiëren en het eigen risico dragen voor het integrale
arbeidsongeschiktheidsrisico mogelijk te maken, stelt het kabinet
voor de AAW
en de WAO te integreren.
De op het moment van het
van kracht worden van het
onderhavige wetsvoorstel lopende
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (inclusief overheid) zullen via een
landelijk uniforme omslagpremie worden afgefinancierd (via
centrale fondsen en met uitvoering door de bedrijfsverenigingen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) c.q. uitvoeringsinstellingen,
red.] en, wat de overheid
betreft tot 1 januari 1998, door het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering
overheidspersoneel [FAOP, red.] en Defensie). Ook de arbeidsongeschiktheidslasten voor zover zij langer duren dan
vijf jaar
zullen worden gefinancierd uit deze uniforme omslagpremie. De integratie
van de AAW/WAO zal inkomens- en loonkostenneutraal dienen plaats te vinden. In de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet premiedifferentiatie en
marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen ¹ wordt hierop nader
ingegaan.
1. Invoeringswet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (invoeringswet Pemba) luidde de
citeertitel ten tijde van het advies van de Raad van
State; nadien is sprake van Invoeringswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.
Het doel van de
premiedifferentiatie is het introduceren dan wel versterken van financiële prikkels bij werkgevers als stimulans tot (intensivering van) de
bestrijding van (de oorzaken van) arbeidsongeschiktheid. Ook hier geldt het
uitgangspunt dat de kosten daar worden gelegd waar zij het beste
beheerst en beïnvloed kunnen worden. Inspanningen worden
beloond door een lagere premie.
Met de introductie van de
mogelijkheid om voor een bepaalde periode eigenrisicodrager te
worden, wordt het belang (voortvloeiende uit de premiedifferentiatie) dat
werkgevers reeds hebben bij een zo laag mogelijke arbeidsongeschiktheidslast verder aangescherpt. De
mogelijkheid tot eigen risico dragen geeft de werkgever de keuze om voor een bepaalde periode de
kosten van de WAO geheel zelf te dragen. Hij kan dan maximaal profiteren
van de voordelen van het door hem ingezette preventie- en reïntegratiebeleid. Eigen inspanning en initiatief worden rechtstreeks beloond en
vallen niet weg in een groter collectief. Omdat hij er vervolgens voor kan
kiezen het arbeidsongeschiktheidsrisico onder te brengen op de
particuliere markt, wordt tegelijkertijd met dit instrument rblz.|5|
het monopolie van de
wettelijke uitvoeringsorganisatie doorbroken. Hiermee wordt ook de arbeidsongeschiktheidsmarkt opengesteld voor
private instanties.
Door op deze wijze de
private markt de ruimte te geven op dit deel van de socialeverzekeringsmarkt wordt de publieke uitvoering geprikkeld zo
effectief mogelijk te opereren. Of een werkgever ervoor kiest eigenrisicodrager
te worden, zal immers niet alleen afhankelijk zijn van datgene wat hij inschat te kunnen
(terug)verdienen aan arbeidsongeschiktheidslasten ten opzichte van datgene
wat hij in het publieke bestel kwijt is. Ook zal dit afhangen van de
relatie die bestaat tussen hem en de publieke verzekeraar en de
inspanningen en resultaten die hij verwacht van die publieke verzekeraar. Ook
hierbij geldt dat de werkgever op dit punt een kosten-batenafweging zal
maken.
Omdat bij
eigen risico dragen de werkgever de betaling van de bedrijfsvereniging overneemt, blijft de werknemer zijn rechten ontlenen
aan de bepalingen van de WAO. De polisvoorwaarden blijven derhalve volledig gewaarborgd.
Niet alleen wordt een eventuele WAO-uitkering vastgesteld volgens de in
de WAO geldende dagloonregels. Ook wordt op deze uitkering op
dezelfde voet als op de publieke uitkeringen de indexering toegepast.
Doordat bij eigen risico dragen de publieke verzekering in stand blijft, blijft voorts gegarandeerd dat alle werknemers
tegen het risico van arbeidsongeschiktheid verzekerd zijn.
Met het introduceren van
premiedifferentiatie en een systeem van eigen risico dragen worden
alle actoren in het veld, werkgevers en uitvoerders, geactiveerd
tot en aangesproken op preventie en reïntegratie. Eén en ander met behoud
van polisvoorwaarden. Hiermee ontstaat een nieuw evenwicht tussen
solidariteit en eigen inspanning en initiatief. Het kabinet is van oordeel
dat met deze nieuwe voorstellen in de arbeidsongeschiktheidsregelingen niet alleen een goede
maar ook een noodzakelijke solidariteitsbalans is
gevonden teneinde het stelsel beheersbaar te houden.
De voorgestelde
geïntegreerde AAW/WAO-regeling voor werknemers heeft tot gevolg dat de
huidige AAW zijn betekenis als volksverzekering verliest. De AAW voorziet
thans voor alle ingezetenen in een uitkering op minimumniveau tegen de
gevolgen van inkomensderving vanwege langdurige
arbeidsongeschiktheid.
Het zonder meer vervallen
van de AAW
zou tot gevolg hebben dat in ieder geval voor zelfstandigen en jonggehandicapten geen regeling tegen
inkomensderving meer zou bestaan. Het kabinet acht dit ongewenst. De huidige AAW heeft een
belangrijke betekenis voor deze groepen. De totstandkoming van de AAW
in 1976 werd met name ingegeven door de wenselijkheid om voor
deze groepen tot een regeling te komen.
Wat zelfstandigen betreft,
werd overwogen dat zij slechts in geringe mate particulier verzekerd waren tegen het risico van arbeidsongeschiktheid.
Ten aanzien van jonggehandicapten werd het gerechtvaardigd geacht om het recht op
een eigen inkomen en zelfontplooiing voor deze groep via een socialeverzekeringswet tot stand te brengen, waar mogelijkheden in de
particuliere verzekeringssfeer ontbraken (Kamerstukken II 1974-1975, 13 231, blz.
42 e.v.). Indien thans zou worden afgezien van een regeling voor
beide groepen, bestaat ook nu geen garantie dat zij een particuliere verzekering tegen maatschappelijk aanvaardbare
condities kunnen
afsluiten. Om deze reden stelt het kabinet, naast een geïntegreerde regeling
voor werknemers, voor om aparte regelingen voor in ieder geval
zelfstandigen en jonggehandicapten (inclusief studenten) te treffen.
rblz.|6|
Naast zelfstandigen en
jonggehandicapten zijn er andere groepen die bij het zonder meer intrekken
van de AAW
tussen "wal en schip" zouden vallen.
In de Invoeringswet
premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
en in de WAZ zal het
kabinet ingaan niet alleen op de vraag of de
AAW met het oog op de tussen "wal en schip" vallende groepen niet in
enigerlei vorm moet worden gehandhaafd, maar ook op de vraag of het
gewenst is dat een volksverzekering met een brede solidariteit moet worden
vervangen door "categoriale verzekeringen". Op deze plaats wijst het
kabinet erop dat het ervoor zal zorgen dat geen groepen tussen "wal en
schip" vallen. Randvoorwaarde voor het kabinet bij de integratie van de
AAW/WAO is dat er voor iedereen van rechtswege een toegankelijke en
betaalbare voorziening bij inkomensderving tengevolge van arbeidsongeschiktheid blijft bestaan. Het kabinet zal in
genoemde wetten nader en
meer uitgebreid aangeven op welke plaats voor welke groepen een
nadere voorziening zal worden getroffen in het geval van inkomensderving
tengevolge van arbeidsongeschiktheid. Het kabinet vindt overigens
niet dat hierbij op voorhand uitgegaan moet worden van een op een
brede solidariteit gebaseerde volksverzekering. Daar waar het kabinet de
stellige mening is toegedaan dat de mogelijkheden om het risico af te
wentelen op het collectief dienen te worden verminderd, is er alle
aanleiding de op een brede solidariteit gebaseerde volksverzekeringen
kritisch te bezien. Het "opsplitsen" van de AAW in categoriale regelingen
past in dit beleid. Deze aanpak biedt ondermeer het voordeel dat de
premielast preciezer kan worden toegedeeld. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat
de financiële lasten van het risico zoveel mogelijk daar worden
gelegd waar het ontstaan en voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid worden
beïnvloed. Een uitzondering moet
uiteraard worden gemaakt
voor de financiering van de regeling voor jonggehandicapten en
studenten. Dit is met name een categorie waar een inkomensvoorziening
gedragen door een brede, de gehele bevolking omvattende, solidariteit
op zijn plaats is. Deze categorie is immers op een tijdstip arbeidsongeschikt geworden dat nog geen inkomen kon worden
gegenereerd. De financiering van deze voorziening zal dan ook plaatsvinden
vanuit de algemene middelen.
Er bestaat een relatie
tussen het
onderhavige wetsvoorstel en de wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie van de werknemersverzekeringen
die thans worden
voorbereid (post-nOsv-traject) [zie Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, red.]. Deze wijzigingen zijn een gevolg van een afspraak
uit het regeerakkoord en bouwen voort op de nieuwe Organisatiewet
sociale verzekeringen die met ingang van 1 januari 1995 is ingevoerd (Stb,
1994, 790). De voornemens zijn in grote lijnen uitgewerkt in het
kabinetsstandpunt uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen van 30 mei 1995
(Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1). Het beoogde wetsvoorstel
post-nOsv heeft tot doel om de uitvoeringsorganisatie zo in te richten dat deze
beter in staat is een bijdrage te leveren aan de beperking
van het beroep op de werknemersverzekeringen.
In het
wetsvoorstel
post-nOsv zal worden voorgesteld om de bedrijfsverenigingen van hun taak te
ontheffen. Er zal een nieuwe verdeling van taken en
verantwoordelijkheden tussen de uitvoeringsinstellingen en de rechtsopvolger van het
Tica [Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, opgevolgd
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv), dat ingevolge de Wet SUWI is opgevolgd
door het UWV, red.] worden vastgelegd, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de
werkzaamheden in het kader van premiedifferentiatie en het eigen risico
dragen in de WAO. Gezien de fase waarin de voorbereidingen van
het wetsvoorstel post-nOsv zich thans bevindt, wordt in dit
wetsvoorstel vooralsnog uitgegaan van de bedrijfsverenigingen als uitvoerende instantie. Op enkele punten zal in deze toelichting
worden ingegaan op de
relatie tussen dit wetsvoorstel en het post-nOsv-traject.
rblz.|7|
Het kabinet wil erop
wijzen dat de wetsvoorstellen naar zijn mening elkaar goed aanvullen.
Waar het wetsvoorstel
post-nOsv een directe prikkel tot doelmatig en doeltreffend functioneren voor de
uitvoeringsinstellingen
oplevert, in aansluiting
op de opdrachtgevers-opdrachtnemersrelatie tussen bestuur en
uitvoering die in de huidige Osv is geïntroduceerd, beoogt het wetsvoorstel
Pemba marktwerking op het terrein van de arbeidsongschiktheidsverzekeringen
tot stand te brengen door bedrijfstakken en individuele werkgevers
een grotere eigen verantwoordelijkheid te geven voor de arbeidsongeschiktheidsrisico’s die zich in hun bedrijven
voordoen. Het kabinet
streeft met beide wetsvoorstellen hetzelfde doel na (volumebeperking en
bevordering van doelmatigheid), maar tracht dit langs verschillende wegen
te bereiken. Het kabinet acht het wenselijk om beide wegen te
bewandelen.
1.4. Flankerend beleid
In het regeerakkoord
wordt onder meer aandacht gevraagd voor de consequenties van de
regeringsvoornemens ter zake van marktwerking voor chronisch zieken.
Duidelijk moge zijn dat chronisch zieken slechts een deel vormen van de
veel grotere groep van personen die een probleem hebben met het
behoud van arbeid of de toegang tot de arbeidsmarkt. Het is
daarom beter te spreken van personen met een arbeidshandicap: al die
personen van wie werkgevers denken dat zij een verhoogd risico op ziekte
en arbeidsongeschiktheid vormen en die daarom een verminderde
kans hebben om werk te vinden of te behouden. Uitgaande van die
omschrijving wordt het ook duidelijk waarom meer marktwerking voor de
toegang tot de arbeidsmarkt van de betrokken groep werknemers nadelig
zou kunnen zijn. De grotere financiële lasten die ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werkgevers met zich brengen,
maken dat werkgevers
terug kunnen schrikken voor het in dienst nemen van werknemers met een
arbeidshandicap. Het flankerend beleid is erop gericht deze negatieve
effecten zoveel als mogelijk te voorkomen.
Met de
Wulbz en de Wet Amber [Wet afschaffing malus
en bevordering reïntegratie, red.] is flankerend beleid ingezet om de nadelige gevolgen van
meer marktwerking te voorkomen. Het kabinet vindt dat hiermee niet volstaan kan worden. Immers het kabinet acht de
kans dat werkgevers een
toenemende behoefte hebben aan een strenger wervings- en
selectiebeleid onder invloed van de zich aanscherpende financiële incentives
niet denkbeeldig. In het kader van de onderhavige maatregelen staat het
kabinet een aantal voornemens voor ogen. Achtereenvolgens zijn
dit:
• het verbieden van
aanstellingskeuringen door werkgevers en entreekeuringen door verzekeraars door ondersteuning van het voorstel
van wet van het lid Van
Boxtel, houdende regels tot versterking van de rechtspositie van hen die
een medische keuring ondergaan (Wet
op de medische keuringen, Kamerstukken
II 1995-1996, nr. 23 259, in het vervolg aangeduid als het wetsvoorstel-Van Boxtel);
• de tijdens de Eerste-Kamerbehandeling van Wulbz toegezegde premiekorting voor chronisch zieken;
• overwogen wordt een
meldpunt werving en selectie in te stellen;
• voorlichting en
deskundigheidsbevordering.
In hoofdstuk 5 wordt op
deze maatregelen nader ingegaan.
Het kabinet heeft bij
diverse gelegenheden het reïntegratie-instrumentarium aangepast en uitgebreid.
Onder invloed van de in het
onderhavige wetsvoorstel ingezette maatregelen vindt er een compartimentering van het
reïntegratie-instrumentarium plaats. Dit bevordert de toegankelijkheid en
inzichtelijkheid van dit instrumentarium niet, terwijl juist nu een optimaal
gebruik van deze instrumenten steeds belangrijker wordt. Het kabinet vindt
dat er derhalve alle aanleiding is tot stroomlijning.
rblz.|8|
Hiertoe zal het totaal
aan reïntegratiebevorderende maatregelen worden gebundeld in een Wet op
de reïntegratie [zie Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, red.].
1.5. Het SER-advies
Op 6 februari 1995 heeft
het kabinet advies gevraagd aan de SER over de kabinetsplannen die
toentertijd premiedifferentiatie alsmede parallelle privatisering omvatten.
Tegelijkertijd vroeg het kabinet advies over zijn voornemens met betrekking
tot de Ziektewet. De SER heeft in zijn vergadering van 21 april
zijn advies vastgesteld. In deze memorie van toelichting wordt de
hoofdlijn van het SER-advies besproken en wordt vervolgens meer specifiek
ingegaan op hetgeen in het SER-advies staat vermeld ten aanzien van
premiedifferentiatie. Er is van afgezien in deze memorie meer in detail in
te gaan op het SER-advies ten aanzien van het uitstappen uit de WAO,
aangezien het kabinet inmiddels zijn plannen op dit punt heeft aangepast.
De hoofdlijnen van het
SER-advies
De
SER is kritisch ten
aanzien van de kabinetsvoornemens met betrekking tot de Ziektewet
en de AAW/WAO. Wat betreft de Ziektewet kan
de Raad zich in beginsel vinden in een verdergaande privatisering van de
ZW.
De
Raad dringt echter aan
op meer behoedzaamheid en een stapsgewijze benadering, waardoor bij
iedere stap de effecten kunnen worden geëvalueerd. In de
memorie van toelichting bij de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij
ziekte (Wulbz, Kamerstukken II 1995-1996, 24 439, nr. 3) is hierop reeds uitvoerig
ingegaan.
De doelstelling van de
maatregelen in de AAW/WAO wordt door de
Raad onderschreven. Ook de
oplossingsrichting met betrekking tot meer eigen verantwoordelijkheid en
premiedifferentiatie in de WAO wordt in haar algemeenheid onderschreven.
De
Raad stelt echter vast
dat de kabinetsvoornemens zoals uitgewerkt in de adviesaanvraag
onvoldoende uitzicht bieden op het door het kabinet (toen nog) beoogde
duurzame duale stelsel. Per saldo komt de Raad dan ook tot het oordeel dat
het geen aanbeveling verdient de kabinetsvoornemens ten aanzien van de AAW/WAO in de door het kabinet voorgestelde vorm in te
voeren.
De
Raad heeft zich
gebogen over alternatieve oplossingsrichtingen voor de AAW/WAO. In zijn
advies schetst de Raad vier mogelijke ontwikkelingsrichtingen in de vorm van
denkmodellen als hoofdconcepties voor een verdere analyse. Deze
denkmodellen zouden voor de langere termijn als alternatief voor de
kabinetsplannen kunnen dienen.
De gepresenteerde
denkmodellen
De in het
SER-advies
gepresenteerde denkmodellen zijn kort als volgt te omschrijven.
Denkmodel A
Dit gaat uit van een
geïntegreerde WAO/AAW voor werknemers. In deze regeling vindt premiedifferentiatie plaats. Er komt een afzonderlijke
arbeidsongeschiktheidsregeling voor zelfstandigen en jonggehandicapten. Uitstappen uit de WAO
vindt niet plaats.
rblz.|9|
Denkmodel B
Dit model kent ook een
geïntegreerde AAW/WAO voor werknemers alsmede een aparte
arbeidsongeschiktheidsregeling voor zelfstandigen en jonggehandicapten. De
arbeidsongeschiktheidsregeling voor werknemers dekt het risico voor de
eerste jaren van arbeidsongeschiktheid. Gedurende deze periode is de
(werkgevers)premie gedifferentieerd en is er ook de mogelijkheid voor
werkgevers om het risico zelf te dragen. Na deze periode geldt een
landelijk gefinancierde basisvoorziening die inkomensbescherming biedt tot aan het
minimuminkomen.
Denkmodel C
Dit model gaat uit van
handhaving van de AAW
als volksverzekering gefinancierd op basis van
het omslagstelsel met landelijke verevening, zonder de mogelijkheid
van uitstappen. De verantwoordelijkheid voor de WAO
als aanvullende werknemersverzekering wordt overgedragen aan
sociale partners. De
besturen van de bedrijfsverenigingen krijgen de bevoegdheid tot
premiedifferentiatie voor deze WAO.
Denkmodel D
Dit model gaat ook uit
van drie categoriale regelingen (voor werknemers, zelfstandigen en jonggehandicapten). De regeling voor
werknemers gaat uit van
financiering deels middels een landelijke uniforme premie, deels
door middel van koopsommen. Deze koopsom is verschuldigd door de
werkgever bij instroom in de WAO van zijn werknemer en is gebaseerd
op een (aanzienlijk deel van) de actuarieel berekende contante waarde
van de uitkeringslasten van deze werknemer. Dit is een financieringswijze die zich
oriënteert op rentedekking, maar
waarbij vermogensvorming met de daaraan verbonden nadelen wordt voorkomen. De verzekering
van het koopsomrisico wordt in concurrentie door publieke en private
verzekeraars verzorgd.
Omdat het bij deze
denkmodellen gaat om wijzigingen van ingrijpende systeeminhoudelijke aard,
vindt de
Raad het wenselijk deze nader te onderzoeken. Hier heeft
de Raad echter meer tijd voor nodig. Voor de korte termijn heeft de Raad een
concreet alternatief aangereikt.
Het SER-alternatief
Het
SER-voorstel ziet er
op hoofdlijnen als volgt uit:
• de (tot de invoering
van de Wulbz bestaande) regeling inzake twee of
zes weken eigen risico dragen in het kader van de
ZW wordt verlengd tot
26 weken;
• de totale ZW-periode
wordt verlengd tot drie jaar (inclusief de 26-wekenperiode); de uitkeringshoogte gedurende de laatste twee jaren
blijft gelijk aan de
huidige AAW/WAO-uitkering;
• de toepassing van het
nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium (de keuring) vindt plaats ná afloop van de
loondervingsfase, dus eveneens leeftijdsgerelateerd. Dit
betekent dat vanaf dat moment sprake kan zijn van een partiële
ZW-uitkering met daarnaast eventueel recht op WW;
• na het eerste
verzuimjaar wordt voor de toepassing van het reïntegratieartikel
in de ZW (artikel 30) het begrip passende arbeid verruimd tot gangbare
arbeid. Dit betekent een prikkel naar de werknemer om arbeid te
accepteren. Tevens wordt de mogelijkheid ingebouwd om een deel van de
WAO-uitkering te verhalen op de voormalige werkgever indien deze aantoonbaar
in gebreke is gebleven in de ZW-periode wat betreft het plegen van reïntegratie-activiteiten (wijziging
artikel 46 WAO). Dit
rblz.|10|
betekent een extra
stimulans voor de werkgever om passende arbeid aan te bieden;
• werkgevers kunnen voor
de totale periode eigenrisicodrager worden. Voor zover hiervan geen
gebruik wordt gemaakt, wordt de (tot voor kort bestaande) premiedifferentiatie in de ZW toegepast;
• de lastenverschuiving
richting de ZW (en dus primair ten laste van werkgevers) ten gunste
van de AAW/WAO (en dus ten voordele van werknemers) wordt
gecompenseerd door middel van een verlaging van de overhevelingstoeslag.
Kanttekeningen bij de
hoofdlijnen van het SER-advies
Het kabinet heeft
waardering voor de snelle en indringende wijze waarop de SER
op de adviesaanvrage heeft
gereageerd.
De
SER karakteriseert
zijn voorstel als een tussenstap in de veronderstelling dat het kabinet
verdergaande wijzigingen in de werknemersverzekeringen overweegt. Daarbij
wordt
verwezen naar de in het regeerakkoord
aangekondigde bezinning op het sociaal stelsel.
Deze bezinning is evenwel
gericht op de langere termijn. Het kabinet beoogt in deze kabinetsperiode geen andere wijzigingen in de
werknemersverzekeringen
aan te brengen dan opgenomen in het regeerakkoord, tenzij in
de zomer van 1996 zou blijken dat het in het regeerakkoord voorziene
beleid in de sociale zekerheid niet dreigt te worden gerealiseerd. In
dat geval is geen enkele beleidsoptie bij voorbaat uitgesloten. Vooralsnog
worden in de sociale zekerheid echter, ten opzichte van het
regeerakkoord, eerder belangrijke meevallers voorzien dan tegenvallers. Het
tijdig invoeren van de voorliggende wetsvoorstellen kan alleen maar bijdragen
aan de wens van het kabinet in deze kabinetsperiode geen andere wijzigingen
meer aan te brengen. Het overnemen van het SER-alternatief
zou betekenen dat eerst een tussenstap wordt gezet waarna het vervolgens onduidelijk is welke volgende stap door het
kabinet zou moeten worden gezet.
Gegeven het onderling
sterk uiteenlopende karakter van de thans bekende denkmodellen zou
tevens onzeker zijn of die eerste stap past in de uiteindelijk volgens de SER te kiezen richting, dan wel geheel of
gedeeltelijk weer zou
moeten worden teruggedraaid.
Het door de
SER gepresenteerde alternatief voor de korte termijn is eveneens niet wenselijk
vanwege de ten opzichte van de voorliggende wetsvoorstellen te
verwachten negatieve effecten. Zo staat het kabinet bepaald afwijzend
tegenover het naar achteren schuiven van de toepassing van het
arbeidsongeschiktheidscriterium. Op deze wijze wordt in zekere zin de
verdiscontering weer binnengehaald voor bepaalde leeftijdscategorieën.
De feitelijke betekenis van het "schattingsbesluit" loopt voor deze categorie
gedurende een bepaalde periode (variërend naar leeftijd) sterk
terug. Dit betekent een vermindering van de reïntegratieprikkel
voor deze categorie en een terugdraaien voor deze periode van de filosofie
van een activerend stelsel. Daarnaast zullen de collectieve uitgaven (ceteris paribus, dus zonder gedragseffecten) als gevolg van het voorstel
toenemen: de toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium vindt voor
een grote groep immers pas later plaats.
Hierdoor zal een groep
uitkeringsgerechtigden langer een (hogere) verlengde ZW-uitkering
ontvangen en pas later eventueel in de WW/Abw komen. Getracht is om deze gevolgen van het
SER-voorstel kwantitatief
uit te werken. Het gaat
hierbij om de meerkosten van het SER-voorstel in het tweede en derde jaar.
rblz.|11|
Tentatief kan worden
geraamd dat de extra kosten als gevolg van de latere keuringen ca. ƒ285
mln bedragen (structurele situatie, dat wil zeggen na drie jaar).
Bovenstaande argumenten
zijn voor het kabinet aanleiding om het alternatief van de SER
niet over te nemen. Daarnaast moet worden vastgesteld dat het kortetermijnalternatief van de SER, afhankelijk van de
wijze waarop de werkgever
met zijn verantwoordelijkheden omgaat (wel of niet verzekeren van de
eerste drie jaar of een deel daarvan), kan leiden tot twee of drie
systeemovergangen, met alle ook door de WRR gesignaleerde negatieve gevolgen van
dien. Ook het niet toepassen van een systeem van
premiedifferentiatie in de WAO (in het
SER-alternatief) laat naar het oordeel van het
kabinet de mogelijkheid tot een betere financiële verantwoordelijkheidsverdeling
onbenut.
Een systeem van
uitstappen op zich wordt door de SER in zijn advies niet verworpen. Het
SER-advies van 17 juni 1994 waarin de overgrote meerderheid van de SER de
introductie van het uitstappen adviseerde, is dan ook niet herroepen.
Dit SER-advies van 17 juni 1994 heeft mede ten grondslag gelegen aan de
passage in het regeerakkoord waarin het uitstappen als
kabinetsvoornemen wordt genoemd.
De belangrijkste
bedenking van de SER tegen het uitstappen betreft de vraag
óf er wel uitgestapt zal worden en indien dat gebeurt, of er dan op
den duur een stabiel
stelsel zal kunnen ontstaan. In paragraaf 1.2 is ingegaan op deze ook door
de Raad van State geuite kritiek ten aanzien van een houdbaar duaal
bestel. Hiernaar moge worden verwezen.
Zoals reeds aangegeven,
heeft het kabinet zijn voornemens ten aanzien van het uitstappen uit de WAO
vervangen door een systeem van eigen risico dragen. Dit voorstel komt deels
overeen met de door de gehele SER bepleite mogelijkheid tot
eigen risico dragen gedurende de eerste drie jaar
(inclusief het eerste
ziektejaar) en de in denkmodel B verkende voortzetting hiervan gedurende een
begrensde periode. Ook dit model bevat een geïntegreerde AAW/WAO voor werknemers. Deze regeling dekt het arbeidsongeschiktheidsrisico
voor de eerste jaren van arbeidsongeschiktheid en wordt gefinancierd
door een gedifferentieerde premie, ofwel de werkgever draagt het
risico zelf. Het grote verschil met het huidige kabinetsvoorstel is dat
in dit voorstel de werknemer na de eigenrisicoperiode terugvalt op de publieke
WAO. In het denkmodel van de SER valt de werknemer na de
eerste jaren terug op een basisvoorziening die inkomensbescherming biedt
tot aan het minimuminkomen. Dit komt uitdrukkelijk niet overeen met de randvoorwaarde in het regeerakkoord
ten aanzien van het
handhaven van de huidige polisvoorwaarden. In het voorstel van het kabinet
worden én de polisvoorwaarden gehandhaafd én een wijziging in de arbeidsongeschiktheidsregelingen aangebracht die in
voldoende mate
activerende werking aanbrengt. Op deze wijze wordt een nieuw evenwicht
aangebracht tussen solidariteit en eigen initiatief.
1.6. Andere reacties op
de SER-adviesaanvraag
De SER-adviesaanvrage is
ook aan organisaties van pensioenfondsen en verzekeraars gezonden.
Eveneens is zij voor commentaar aan de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid
(ROP) aangeboden. In deze paragraaf
wordt op de ontvangen
commentaren ingegaan.
De Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid richt zich in zijn advies op de gevolgen van de
kabinetsvoornemens voor het overheidspersoneel. Dit overheidspersoneel zal
met ingang van 1 januari 1998 onder de werkingssfeer van de werknemersverzekeringen komen te vallen en alsdan
rblz.|12|
automatisch met het dan
geldende systeem van ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor werknemers te maken
krijgen. Tot 1 januari 1998 gelden voor het
overheidspersoneel afwijkende regelingen die echter met ingang van 1
januari 1996 wel al marktconform zijn.
De ROP stelt in zijn
advies van 20 april 1995 in hoofdlijnen het volgende systeem van premiedifferentiatie voor de overheid voor:
• premiedifferentiatie op
sectorniveau;
• compensatie voor
sectoren met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico bij aanvang van het
systeem van premiedifferentiatie;
• nadere differentiatie
binnen de sector naar premieklassen dan wel adaptieve premies;
• het huidige bestand
wordt gefinancierd via een landelijk uniforme premie.
Het kabinet constateert
dat de ROP zich kan vinden in een premiedifferentiatie volgens het systeem van
adaptieve premies. De ROP stelt daarbij voor dit systeem
op sectorniveau uit te werken, waarbij de ROP onder "sector" de
sectorwerkgevers van het zogenoemde sectorenmodel arbeidsvoorwaardenoverleg
bij de overheid verstaat. Het kabinet kiest voor een uitwerking van
de premiedifferentiatie op basis van een ander sectorbegrip. In verband
met de draagvlakproblematiek kiest het kabinet hierbij echter voor een
hoger niveau dan bedoeld door het ROP. Hierop wordt in paragraaf 2.4 van deze memorie van toelichting nog uitgebreid
ingegaan. Het kabinet
ziet geen aanleiding om voor de overheid een ander uitgangspunt te hanteren.
Het kabinet ziet eveneens
geen aanleiding om sectoren met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico
bij aanvang van het systeem extra te compenseren. In de eerste
plaats valt niet goed in te zien op welke wijze dit zou moeten gebeuren.
In de tweede plaats ziet het kabinet daartoe ook geen aanleiding. Een
dergelijke compensatie vindt immers ook niet plaats voor bedrijfstakken in de
marktsector met een hoog risico. Daar komt nog bij dat de differentiatie
slechts geldt voor het nieuwe bestand.
Hierdoor vindt de groei
naar een systeem van premiedifferentiatie slechts geleidelijk in de
tijd plaats, zodat iedere sector zich kan voorbereiden op het nieuwe systeem.
Naar de mening van de ROP
kleven aan de introductie van de mogelijkheid tot uitstappen uit de WAO
voor overheidswerkgevers nog
diverse haken en ogen,
waarvan de consequenties op dit moment allerminst duidelijk
zijn. De ROP twijfelt over de wenselijkheid van het uitstappen, onder meer
omdat een massaal gebruik van het uitstappen zal leiden tot uitholling van
het publieke bestel. Daarnaast vreest de ROP dat de overheidswerkgevers
als gevolg van het directe financiële belang dat zij hebben bij een
verminderd arbeidsongeschiktheidsverzuim strenger zullen gaan selecteren
bij het aannemen van personeel. Tot slot merkt de ROP op dat er voldoende
financiële prikkels voor werkgevers zijn ingebouwd met het huidige
beleid in combinatie met premiedifferentiatie en dat dus de meerwaarde
van het uitstappen wel eens gering zou kunnen zijn.
Het kabinet stelt vast
dat de ROP geen specifieke bezwaren heeft ingebracht tegen de mogelijkheid tot uitstappen die samenhangen met de
bijzondere positie van overheidswerkgevers. De bedenkingen die de ROP heeft, zijn van algemene
aard en komen in hoofdzaak overeen met de bedenkingen van de SER.
Zoals hiervoor reeds aangegeven, heeft het kabinet inmiddels
afgezien van dit voornemen.
rblz.|13|
De Vereniging van
Bedrijfspensioenfondsen heeft in een brief van 13 maart 1995 op de SER-adviesaanvrage gereageerd. De vereniging pleit
ervoor om het systeem van premiedifferentiatie afzonderlijk te introduceren
en de effecten naast de
doelstelling van het kabinet met betrekking tot volumebeheersing te
leggen. De aarzeling wat betreft het uitstappen wordt bij de vereniging
ingegeven door onzekerheid ten aanzien van de effecten.
De Stichting voor
Ondernemingspensioenfondsen heeft in een reactie op de adviesaanvraag aan
de SER per brief van 4 april 1995 laten weten vooralsnog geen behoefte
te hebben om te adviseren.
De reactie van de
Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen bevat ten opzichte van het SER-advies en het ROP-advies geen nieuwe gezichtspunten
die een afzonderlijk commentaar behoeven.
Het Verbond van
Verzekeraars stelt in zijn reactie van 7 april 1995 dat het met instemming kennis
neemt van het voorstel van het kabinet om marktwerking bij het verzekeren van het
AAW/WAO-risico in te voeren.
Het Verbond meent echter
dat als gevolg van het verschil in financieringssystematiek tussen de verzekeraars en
de bedrijfsverenigingen de beoogde marktwerking niet
op gang zal komen. De voorgestelde premiedifferentiatie
versterkt dit effect. Het Verbond formuleert een alternatief dat er in
grote lijn op neer komt dat het AAW/WAO-risico voor een korte periode
integraal (drie tot vijf jaar) privaat wordt verzekerd en dat voor de langere periode
een minimale wettelijke voorziening (vergelijkbaar met de AAW) in stand
wordt gehouden. In grote lijnen komt dit alternatief overeen met
het door de SER gepresenteerde denkmodel B.
Hiervóór is reeds
aangegeven dat het kabinet inmiddels van zijn voornemen ten aanzien van
het uitstappen heeft afgezien en dit voornemen heeft vervangen
door een systeem van eigen risico dragen. Ten aanzien van de
afweging ten opzichte van het door de SER gepresenteerde en met het Verbond
overeenkomende model moge worden verwezen naar paragraaf
1.5.
1.7. Overige commentaren
Op 17 mei 1995 is een
eerdere versie van dit wetsvoorstel (Pemba) en van het
voorstel van Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) voor advies aangeboden
aan de Raad van State.
Op 17 juli 1995 werden ter
advisering aan de Raad van State aangeboden een eerdere versie van twee
andere wetsvoorstellen, het voorstel van Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) en een Invoeringswet [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.]. Deze wetsvoorstellen zijn tevens toegezonden aan het College
van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv, zie Inspectie
Werk en Inkomen (IWI), red.] voor een toets op toezichtsaspecten,
aan het Tica voor uitvoeringstechnisch commentaar en aan de
Registratiekamer [zie College bescherming
persoonsgegevens, red.] en de Verzekeringskamer voor commentaar vanuit de
specifieke invalshoek van die colleges.
Voorts is aan het Tica bij
brief van 13 juli 1995 nog specifiek commentaar gevraagd over enkele bij de uitvoerbaarheid van
Pemba
gesignaleerde knelpunten.
De T-toets
[toezichtbaarheidstoets, red.] van het Ctsv op
de wetsvoorstellen Pemba en WAZ
is bij brief op 16 september 1995
toegezonden, die met betrekking tot de Wajong en de Invoeringswet [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.]
op 21
september 1995.
Het Tica heeft zijn
uitvoeringstechnisch commentaar op Pemba en WAZ op 20 juli 1995 verzonden,
het uitvoeringstechnisch commentaar op Wajong en de Invoeringswet op 3 oktober 1995 en zijn commentaar op de
rblz.|14|
knelpuntenbrief op 18
oktober. De Registratiekamer heeft commentaar geleverd bij brief van 11
september 1995, de Verzekeringskamer bij brief van 22 september 1995 (ter inzage gelegd bij de
afdeling Parlementaire Documentatie).
De inhoud van deze toetsen
en commentaren en voortschrijdend inzicht hebben geleid tot wijziging
van de wetsvoorstellen en de daarbij behorende memories van
toelichting op een niet onaanzienlijk aantal punten. Tevens zijn
onderdelen van de Invoeringswet [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.] alsnog opgenomen in het
onderhavige wetsvoorstel, tengevolge waarvan beide wetsvoorstellen aanzienlijk zijn gewijzigd.
De gewijzigde voorstellen zijn vervolgens op 2 januari 1996 opnieuw
aan de Raad van State aangeboden. Ten aanzien van de oorspronkelijk voorgelegde voorstellen is de Raad van
State verzocht deze buiten verdere behandeling te laten. De toetsen en commentaren hebben dus
betrekking op voorstellen die voor een deel nog anders luidden dan de
wetsvoorstellen waarop de adviezen van de Raad van State betrekking
hebben.
De meest in het oog
springende wijzigingen betroffen:
• De beoogde datum van invoering.
Vooral in de brieven van het Tica, maar ook in andere commentaren werd met klem van (vele)
argumenten aangetoond dat de oorspronkelijk beoogde invoeringsdatum van
1 januari 1996 niet haalbaar is. Het kabinet heeft hieruit de conclusie
getrokken dat uitstel met één kalenderjaar nodig is in verband (ook) met de
voorbereidingstijd die met name de uitvoerders nodig hebben. Het kabinet
streeft uitdrukkelijk naar invoering van de onderhavige voorstellen per
1 januari 1997.
• De problematiek van het
uitstappen na de eerst mogelijke datum (de nieuwe oude gevallen).
Voorkomen diende te worden dat werkgevers die
één of meer
kalenderjaren ná 1 januari 1997 zouden uitstappen de financiële gevolgen van
de inmiddels in hun bedrijf gegenereerde arbeidsongeschiktheidslasten
achter zouden laten in de collectieve bedrijfstakkas, ten laste
dus van de (nog) niet uitgestapte concurrentie.
Oorspronkelijk was voorzien
in een systeem van afkoop dan wel inkoop.
Uit de genoemde commentaren
is duidelijk naar voren gekomen dat deze systematiek belangrijke
uitvoeringstechnische complicaties had, terwijl daarnaast de handhaafbaarheid van dit systeem sterk onder druk
stond.
De oorspronkelijk
voorgestelde systematiek was daarom vervangen door een eenvoudiger te
hanteren systematiek die voorzag in een premieopslag voor privaat verzekerde werkgevers (POP). Bij een systeem
van eigenrisico dragen
speelt ook de problematiek van de nieuwe oude gevallen. In dit systeem is
dit probleem makkelijker oplosbaar omdat het eigen risico dragen zich over
een minder lange periode uitstrekt dan het uitstappen (zie paragraaf
3.6).
• De problematiek van de
mogelijke samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van verschillende instanties
en regelingen.
Ten aanzien van de
oorspronkelijk voorgestelde uitwerking van deze problematiek is er vooral in
de Tica-commentaren op gewezen dat deze niet consistent was. Voor de problematiek van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering
uit publieke en uit private bron werd vervolgens gekozen voor een
systematiek die volledig in het verlengde lag van de geldende WAO-regels.
Ook bij een systeem van eigen risico dragen doet de
samenloopproblematiek zich voor. Op dezelfde wijze als bij uitstappen, is
gekozen voor
een oplossing die ligt in het verlengde van de geldende WAO-regels (zie paragraaf
3.8).
De argumenten en commentaren
van Tica, Ctsv, Registratiekamer
of
Verzekeringskamer zijn voor
een deel achterhaald nu het kabinet in plaats van het uitstappen uit de WAO
heeft gekozen voor een systeem van eigen risico dragen. De commentaren betrekking hebbende op de
rblz.|15|
premiedifferentiatie zijn
verwerkt in de paragrafen over dit onderwerp. Voorts moge erop worden
gewezen dat wat betreft de uitvoeringstechnische consequenties van het
eigen risico dragen is voortgebouwd op
de kennis voortvloeiende
uit het systeem van eigen risico dragen in de Ziektewet, zoals dit bestond
tot 1 maart jl. (datum inwerkingtreding Wulbz). Omdat derhalve het
eigen risico dragen voortbouwt op de reeds bestaande
uitvoeringstechniek en ook overigens wordt voortgebouwd op en rekening is gehouden met
de diverse adviezen en commentaren, is er voor het kabinet geen
aanleiding opnieuw de adviesorganen te benaderen voor commentaar. Wat betreft
de specifiek ten aanzien van het eigen risico dragen in de WAO zich voordoende
problematiek van samenloop, nieuwe oude gevallen en
overgang van de ondernemingen is gebruik gemaakt van en voortgebouwd
op de commentaren betreffende het uitstappen. In de
betreffende paragrafen zal hier nader op worden ingegaan.
2. Financiering en
premiedifferentiatie WAO
2.1.
Algemeen
Eén van de instrumenten
tot terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
bestaat naar de mening van het kabinet uit de invoering van
premiedifferentiatie. Daarbij wordt de premie gerelateerd aan het arbeidsongeschiktheidsrisico van de onderneming.
Naarmate het arbeidsongeschiktheidsrisico van een onderneming binnen een bepaalde sector hoger
ligt, zal door die onderneming meer moeten worden bijgedragen aan de
financiering van de uitkeringslasten. Met andere woorden, wanneer een
onderneming veel arbeidsongeschiktheid genereert, zal de premie
relatief hoog zijn. Bij ondernemingen met een laag
arbeidsongeschiktheidsrisico zal de premie relatief laag zijn.
De kosten worden op deze
wijze daar gelegd waar zij het best kunnen worden beheerst en beïnvloed. Inspanningen worden beloond met een lagere premie, het ontbreken
van inspanningen vertaalt zich in een hogere premie.
Voor de vormgeving van de
premiedifferentiatie in de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn de volgende aspecten
van belang:
• de mate waarin de
individuele werkgevers worden geprikkeld, mede in relatie tot het eigen
risico dragen;
• de mate waarin lastenverschuivingen die als gevolg van de invoering van de premiedifferentiatie
optreden acceptabel zijn in het licht van onder meer de loonontwikkeling,
arbeidsvoorwaarden en onderlinge concurrentie;
• effecten op de
premielasten voor kleine bedrijven;
• effecten op het wervings-
en selectiegedrag van werkgevers, met name van belang voor
werkzoekenden met een arbeidshandicap.
Bij de beoordeling van de
mogelijke vormen van premiedifferentiatie moet enerzijds in de
beschouwing worden betrokken hoe de prikkel die door middel van de
differentiatie wordt ingevoerd een zo groot mogelijk effect kan sorteren.
Anderzijds moeten de andere genoemde aspecten niet uit het oog worden verloren.
Premiedifferentiatie kan op
verschillende niveaus aangrijpen. Te denken valt aan premiedifferentiatie op landelijk niveau, op een niveau boven de
bedrijfsvereniging (clustering van een aantal bedrijfsverenigingen), op rblz.|16|
bedrijfstakniveau
(overeenkomstig de indeling naar bedrijfsverenigingen) en op het niveau van
risicogroepen (in omvang en aantal vergelijkbaar met de risicogroepen die
tot voor kort golden voor de Ziektewet). Van belang bij het te kiezen
niveau van premiedifferentiatie is vooral de mate waarin met
premiedifferentiatie beoogd wordt een bedrijfstak of sector te prikkelen
maatregelen te
treffen om het arbeidsongeschiktheidsrisico terug te dringen. Naarmate het niveau waarbinnen premiedifferentiatie
plaatsvindt lager wordt
gelegd en er derhalve minder verevening optreedt tussen bedrijfstakken of
sectoren, zullen de kosten meer binnen iedere sector zelf moeten worden
opgebracht. Iedere sector wordt zich in dat geval meer bewust van de
door de eigen sector gegenereerde lasten en derhalve meer gestimuleerd
maatregelen te treffen binnen de eigen sector. Daar staat tegenover dat het niveau niet te laag kan worden
gelegd. Dit zou in de eerste
plaats op voorhand al het draagvlak van een sector te klein kunnen
maken, leidend tot onverantwoord hoge premielasten in sommige sectoren. In de
tweede plaats zou dit risico’s met betrekking tot het draagvlak
en te hoge premielast met zich kunnen meebrengen in relatie tot de mogelijkheid van
eigen risico dragen.
Indien de
premiedifferentiatie zich alleen zou richten op het niveau van de bedrijfsvereniging of
sector, zou de prikkel naar de individuele onderneming naar de mening
van het kabinet niet sterk genoeg zijn. Bij premiedifferentiatie op
uitsluitend het niveau van de bedrijfsvereniging of sector zullen de individuele
inspanningen van een werkgever tot voorkoming van
arbeidsongeschiktheid wegvallen in het grote geheel van de bedrijfsvereniging of
sector. Wanneer de inspanningen van die individuele werkgever geen
navolging vinden bij de overige werkgevers in de bedrijfsvereniging of
sector, zal de inzet van actieve werkgevers snel wegebben. De
premiedifferentiatie zal dan na verloop van tijd vanuit de individuele werkgever nog
weinig effect sorteren.
Van premiedifferentiatie,
uitsluitend op het niveau van de bedrijfsvereniging of sector, gaat onvoldoende
stimulans uit naar de individuele onderneming.
Het kabinet is dan ook van
mening dat premiedifferentiatie niet moet blijven steken op dit
niveau. Er dient een verdere prikkel te worden aangebracht in de richting
van de individuele ondernemer. Premiedifferentiatie binnen de bedrijfsvereniging
of sector op het niveau van de individuele onderneming
vormt een adequate financiële prikkel voor de ondernemingen om de
(intensivering van de) bestrijding van de oorzaken van arbeidsongeschiktheid
ter hand te nemen.
2.2. Vormgeving
premiedifferentiatie
2.2.1. Algemeen
De introductie van de
mogelijkheid voor ondernemingen om eigenrisicodrager in de WAO
te worden, betekent
dat de financiering van het publieke bestel in tweeën
moet worden geknipt. De eerste periode, waarover de premie wordt
gedifferentieerd, is gelijk aan de duur van het vrijwillig eigen risico
dragen. Werkgevers kunnen dus voor deze periode kiezen om
eigenrisicodrager
te worden dan wel als niet-eigenrisicodrager in het publieke stelsel te
blijven, waarbij een gedifferentieerde premie in rekening wordt gebracht. De tweede periode betreft het
langer durend
arbeidsongeschiktheidsrisico. Voor deze periode zijn alle werkgevers verplicht
aangesloten bij het publieke stelsel, met andere woorden er bestaat geen
mogelijkheid tot eigen risico dragen. Voor deze tweede periode geldt een
landelijk uniforme premie.
In de adviesaanvrage aan de SER
heeft het kabinet twee vormen van premiedifferentiatie op
bedrijfsniveau gepresenteerd. Enerzijds een rblz.|17|
systeem waarin de bedrijfsvereniging de bedrijfstak indeelt in premieklassen,
anderzijds een systeem waarin de premiedifferentiatie wordt vormgegeven door middel van
een systeem van adaptieve premiestelling. De voorkeur van het kabinet
gaat uit naar het systeem van adaptieve premies: dit systeem
betekent een differentiatie naar elke individuele onderneming en niet naar een
groep van ondernemingen binnen één klasse. Dit zal in de ogen
van het kabinet tot een grotere prikkelwerking leiden dan een indeling van
ondernemingen in een beperkt aantal klassen. Daarnaast blijft in een
systeem van adaptieve premies beleidsmatige sturing mogelijk en werpt
een dergelijk systeem van adaptieve premies vanuit Europeesrechtelijk
opzicht in ieder geval geen belemmeringen op.
De splitsing van de
financiering van het publieke bestel in twee delen vormt geen belemmering voor
deze keuze. Een systeem van adaptieve premies is voor de eerste periode zonder extra complicaties in te passen.
Voor welk systeem ook wordt
gekozen, er dient een criterium te worden ontwikkeld op basis waarvan
het premieniveau van de individuele onderneming kan worden
bepaald. Dit criterium dient de uitstoot van een onderneming van werknemers
naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen te meten gedurende een
bepaalde periode. Het kabinet acht het daarbij van belang dat een indicator
wordt gehanteerd, waarbij de bedrijfsgrootte geen rol speelt. Dit is het
geval bij een indicator waarbij de uitstoot wordt gerelateerd aan de omvang
van de onderneming. Grotere bedrijven zullen immers in absolute zin
altijd meer uitstoot genereren.
Het kabinet kiest om deze
redenen voor het arbeidsongeschiktheidsrisico als criterium. Dit risico
brengt de verhouding tussen de door een onderneming gegenereerde uitkeringslasten van een bepaalde periode en
de premieplichtige loonsom
van die onderneming in beeld. Door de lasten, die een onderneming
genereert, te relateren aan de loonsom worden grote en kleine
ondernemingen op gelijke wijze behandeld.
Door uit te gaan van de
lasten (en niet van het aantal personen) weegt daarnaast de uitstoot van
een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer minder zwaar dan de uitstoot
van een volledig arbeidsongeschikte werknemer. Op de exacte
vormgeving van het arbeidsongeschiktheidsrisico wordt in paragraaf 2.2.2
dieper ingegaan.
Als
één van de
uitgangspunten bij de invoering van premiedifferentiatie geldt dat de werkgever moet
worden geprikkeld het arbeidsongeschiktheidsrisico
terug te brengen. Het niveau van de premie, bepaald door het risico van
de onderneming, vormt die prikkel. Het kabinet hanteert daarbij,
zoals gezegd, als indicator voor het risico de uitstoot in het verleden en
niet het actuariële risico van een onderneming, zoals door de SER
is
geopperd.
Door het premieniveau te
koppelen aan de gebeurtenissen in het verleden wordt zo nauw
mogelijk aangesloten bij de actuele situatie binnen een bedrijf, alsmede
bij de inspanningen die een onderneming in het recente verleden heeft
gedaan om de uitstoot naar de arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Voor het
bedrijf wordt op deze wijze een directe relatie gelegd tussen de
inspanningen tot verlaging van het arbeidsongeschiktheidsrisico
en de verlaging van het premieniveau. In paragraaf 2.2.3 wordt
hierop nader ingegaan.
2.2.2. Systeem van adaptieve
premies op hoofdlijnen
a. Middellange en langer durende arbeidsongeschiktheid
Zoals gezegd, wordt de
financiering van het publieke stelsel in tweeën geknipt. De eerste periode
betreft de WAO-lasten van arbeidsongeschikte werknemers van de eerste
vijf jaren; op de keuze van de duur van deze periode wordt in hoofdstuk 3
(paragraaf 3.3) uitgebreid ingegaan. Deze
rblz.|18|
periode is wat duur betreft
gelijk aan de duur van de eigenrisicoperiode. De tweede periode betreft de
lasten van de arbeidsongeschiktheid van werknemers die langer duurt
dan vijf jaren.
Voor de eerste periode kan
een werkgever ervoor kiezen de lasten van zijn uitstoot naar de
arbeidsongeschiktheid zelf te dragen.
Hij is dan niet langer de
premie voor de eerste periode verschuldigd. Een werkgever die geen
eigenrisicodrager wordt, betaalt wel de premie voor de eerste periode. Deze
premie wordt gedifferentieerd per individuele onderneming volgens een
systeem van adaptieve premiestelling.
In de tweede periode dragen
alle werkgevers bij aan de financiering van het publieke stelsel. Allen
zijn een uniforme premie verschuldigd.
b. Niveau van
premiedifferentiatie en verevening
Het niveau waarop alsmede de
mate waarin de premiedifferentiatie wordt vormgegeven, heeft
zoals gezegd een directe relatie met de mate van verevening die blijft
bestaan binnen het publieke stelsel. Naarmate premiedifferentiatie op een
lager niveau wordt gelegd, zal er minder verevening optreden tussen
bedrijfstakken of -sectoren. Ook de mate van premiedifferentiatie heeft
een relatie met de mate van verevening: hoe verder de premies worden
gedifferentieerd (met andere woorden hoe meer een onderneming op zijn
eigen risico wordt afgerekend), des te minder verevening er
resteert tussen ondernemingen.
Wat betreft het niveau
waarop de premiedifferentiatie voor de eerste periode wordt vormgegeven, biedt
naar de mening van het kabinet het niveau van de bedrijfsvereniging niet genoeg garanties voor een voldoende
draagvlak. Op basis van de
huidige inzichten wordt daarom voorgesteld om de huidige
bedrijfsvereniging voor wat betreft de premiedifferentiatie te clusteren tot
zes à acht sectoren. Elke sector draagt de lasten van arbeidsongeschiktheid
die binnen deze sector ontstaan. Tussen de sectoren onderling is geen
sprake meer van verevening.
Het uitgangspunt van de
sector voor het voorgestelde systeem van adaptieve premies in de
eerste periode betekent dat per sector een gemiddelde premie wordt
vastgesteld op basis van de totale lasten van de eerste vijf jaren van de
arbeidsongeschiktheid van die sector.
Op de keuze van het
sectorniveau en de daarmee samenhangende garanties voor een voldoende
draagvlak wordt in paragraaf 2.4 uitgebreid ingegaan.
Voor het
langer durende
risico is er minder noodzaak een prikkel per sector in te bouwen. De
premiedifferentiatie is in de eerste periode maximaal ingezet: in de
eerste periode werpen preventie- en reïntegratie-inspanningen de meeste vruchten af. De
prikkel om deze inspanningen te leveren, is om die reden zo
groot mogelijk ingezet. Het ligt dan niet voor de hand ook in de tweede
periode nog te differentiëren. Dit rechtvaardigt de keuze om voor de tweede
periode volledige verevening, en derhalve solidariteit aan te brengen
tussen sectoren.
c. Mate van
premiedifferentiatie voor de individuele onderneming
Op basis van het
arbeidsongeschiktheidsrisico wordt voor de eerste periode voor elke onderneming binnen de bedrijfsvereniging een
premiekorting of -opslag op
de gemiddelde premie vastgesteld. Deze premiekorting of -opslag
wordt bepaald door het verschil tussen het feitelijke risico van de
individuele onderneming en het gemiddelde risico van de sector.
Op de exacte berekening van
de opslag of korting wordt in de artikelsgewijze
toelichting rblz.|19| verder
ingegaan. Uitgangspunt is dat iedere onderneming een afzonderlijke premie
krijgt doorberekend.
Ook binnen een systeem van
adaptieve premies per individuele onderneming dient er naar de
mening van het kabinet een zekere verevening tussen
ondernemingen te bestaan. Dit wordt bewerkstelligd door de mogelijkheid een
onderneming niet direct de volledige korting of opslag die zou resulteren op
basis van zijn individuele risico door te berekenen. Een gematigder
effect op de premie kan worden gerealiseerd door op de wijziging in het
premieniveau ten opzichte van het voorgaande jaar een correctiefactor toe
te passen, de zogenaamde aanpassingscoëfficiënt.
Het niveau van de
aanpassingscoëfficiënt bepaalt de mate waarin de premiekorting of -opslag ten
opzichte van het voorgaande jaar wordt bijgesteld. Een aanpassingscoëfficiënt van 1 leidt ertoe dat het verschil tussen het individuele
risico van een onderneming en het gemiddelde risico van de
bedrijfsvereniging volledig wordt doorberekend in de premiekorting of -opslag.
Bij een aanpassingscoëfficiënt van 0,1 wordt slechts een tiende deel van
dat verschil ten opzichte van het voorgaande jaar doorberekend. Indien de
aanpassingscoëfficiënt lager dan 1 wordt vastgesteld, wordt bewerkstelligd dat de premie voor een onderneming
geleidelijk toegroeit naar
het verschil tussen individuele en gemiddelde risico. Hierdoor wordt niet
alleen bereikt dat grote schokeffecten uitblijven, maar dat
eveneens een grotere mate van verevening tussen bedrijven in een bedrijfstak
gehandhaafd blijft. Ondernemingen die het relatief goed doen, krijgen
immers niet direct de bij hun risico behorende korting doorberekend, maar
slechts een deel daarvan; ondernemingen die het relatief slecht doen,
krijgen slechts een deel van de opslag op basis van hun individuele risico.
De mate van deze verevening is afhankelijk van de hoogte van de
aanpassingscoëfficiënt. Hoe lager de coëfficiënt, hoe groter de mate van
verevening.
De
coëfficiënt wordt
door de Minister van SZW vastgesteld, waardoor een beleidsmatige sturing
van het premiepercentage ter zake van arbeidsongeschiktheid mogelijk blijft.
De
aanpassingscoëfficiënt kan voor de sectoren, maar ook voor groepen van werkgevers binnen de
sector, verschillend worden vastgesteld. De mogelijkheid daartoe is
wenselijk, omdat niet alleen het arbeidsongeschiktheidsrisico
per sector of per cluster van werkgevers kan verschillen, maar omdat ook
de wenselijke mate van verevening per sector of groepen van
werkgevers kan verschillen, mede in relatie tot het eigen risico dragen.
d. Het
arbeidsongeschiktheidsrisico
Het
arbeidsongeschiktheidsrisico is, zoals reeds gesteld, gedefinieerd als de feitelijk
door een
onderneming gegenereerde arbeidsongeschiktheidslasten
over een bepaalde periode in verhouding tot de loonsom. Het
arbeidsongeschiktheidsrisico vormt het criterium op basis waarvan de hoogte van
de opslag of korting wordt berekend. Voor de premiedifferentiatie in
de eerste periode is gekozen voor het arbeidsongeschiktheidsrisico
van de voorgaande vijf jaren. De duur van de periode waarover het
arbeidsongeschiktheidsrisico wordt bepaald, op basis waarvan de premie wordt gedifferentieerd, is daarmee gelijk aan de
duur van de eerste periode
van premiedifferentiatie. Op deze wijze kan de premie in de eerste periode
maximaal worden gedifferentieerd, rekening houdend met eerder genoemde
aspecten van verevening.
rblz.|20|
Het
arbeidsongeschiktheidsrisico wordt voor de eerste periode bepaald door de feitelijk
gegenereerde lasten van de voorgaande vijf jaren van de eerste periode. Dit betekent
dat als een werknemer bijvoorbeeld na anderhalf jaar weer herstelt,
de door hem gegenereerde lasten slechts voor die periode worden
meegenomen bij de vaststelling van het risico van de werkgever. Een
werkgever heeft er met andere woorden alle belang bij een werknemer
weer zo snel en zo volledig mogelijk te reïntegreren.
e. Maximum- en minimumpremie
Binnen het systeem van
adaptieve premies groeit de opslag of korting doorlopend naar het verschil
tussen het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico
voor de onderneming en het gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico.
Het premieniveau kan zich zowel opwaarts als neerwaarts blijven
ontwikkelen, afhankelijk van de ontwikkeling van het arbeidsongeschiktheidsrisico binnen de onderneming. Die doorlopende
ontwikkeling kan er ten
aanzien van een bedrijf dat geen arbeidsongeschiktheid genereert toe leiden
dat de
premie een zeer laag niveau bereikt. Omdat het risico
van arbeidsongeschiktheid in de toekomst altijd aanwezig is en men hiervoor
verzekerd is en blijft, is een premiestelling die de waarde nul benadert niet
reëel. Anderzijds kan de premie ten aanzien van een bedrijf dat veel
arbeidsongeschiktheid genereert en dus geconfronteerd wordt met voortdurende
opslagen, ertoe leiden dat de premie tot een niet langer op te
brengen niveau stijgt. Allereerst corrigeert de aanpassingscoëfficiënt
gedurende een bepaalde tijd de stijging van de opslagen. Maar in bepaalde
gevallen kan het voorkomen dat voor individuele werkgevers de
premie een bedrijfseconomisch onaanvaardbaar niveau bereikt.
Om te voorkomen dat de
premie zich tot een naar het oordeel van de Minister
van SZW
te hoog of
te laag niveau zou ontwikkelen, is in het
wetsvoorstel een bevoegdheid opgenomen op grond waarvan de Minister
van SZW een boven- en
ondergrens aan het premieniveau kan stellen.
2.2.3. Het SER-advies
De SER
onderschrijft de
wenselijkheid van invoering van premiedifferentiatie in de arbeidsongeschiktheidsregelingen. De
Raad plaatst
kanttekeningen bij de
vormgeving van het voorgestelde systeem van premiedifferentiatie, met
name waar het gaat om de bepaling van het risico van een onderneming
in vergelijking tot particuliere verzekeraars. De Raad stelt vast dat
particuliere verzekeraars bij de vaststelling van de hoogte van de premie in
eerste instantie uitgaan van het feitelijke actuariële risico van een
onderneming; dit is ondere andere afhankelijk van de leeftijdsopbouw en
sexeverdeling van een onderneming, alsmede van sectorspecifieke elementen.
Daarnaast wordt gekeken naar de gerealiseerde schade in de afgelopen
jaren. In het kabinetsvoorstel wordt voor het publieke stelsel het
risico uitsluitend bepaald op basis van de schade van de afgelopen jaren.
Hierdoor zouden de publieke verzekeraars in een nadelige positie komen te
verkeren ten opzichte van private verzekeraars. De SER stelt derhalve voor
ook voor het publieke stelsel het actuariële risico te hanteren dan wel
de publieke verzekeraar beleidsvrijheid toe te kennen met betrekking tot de
premiestelling.
Met betrekking tot het
laatste punt stelt het kabinet vast dat een dergelijke beleidsvrijheid
voor de publieke verzekeraars risico’s met zich meebrengt uit oogpunt van
het communautaire recht. Naarmate de bedrijfsverenigingen een
grotere vrijheid wordt toegekend om zelf een beleid met betrekking tot de
premiestelling te kunnen voeren, zullen zij eerder als ondernemingen
worden aangemerkt en dus niet langer kunnen rblz.|21|
worden gezien als
uitvoerders van een publieke verzekering. Het kabinet acht deze weg dus niet
wenselijk.
Ook ten aanzien van het
voorstel om publieke verzekeraars op eenzelfde wijze het risico te laten
bepalen als private verzekeraars ziet het kabinet risico’s uit oogpunt van
het communautaire recht. De SER
wijst hier ook zelf overigens al op.
Daarbij kan nog worden
aangetekend dat de vormgeving van het bepalen van het risico zoals
dit door het kabinet is voorgesteld in de praktijk over enige termijn
gezien waarschijnlijk niet tot wezenlijk andere resultaten zal leiden. Een
onderneming met een relatief oud personeelsbestand (die op basis van het
actuariële uitgangspunt zoals beschreven in het SER-advies
waarschijnlijk een relatief hoog risico wordt toebedeeld) zal waarschijnlijk in de
praktijk ook relatief meer werknemers uitstoten naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen dan een onderneming met een
relatief jong personeelsbestand. De eerstgenoemde onderneming zal derhalve waarschijnlijk ook
een hoger arbeidsongeschiktheidsrisico over de afgelopen jaren hebben
dan laatstgenoemde onderneming en derhalve een hogere premie moeten
voldoen.
Daarnaast biedt het
kabinetsvoorstel een bijkomend voordeel. Een onderneming wordt beoordeeld
op de feitelijke uitstoot naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Een onderneming met een
relatief oud werknemersbestand, die zich
vanaf het begin grote inspanningen getroost de uitstoot van werknemers
te beperken en hierin ook slaagt, wordt hiervoor direct beloond met
een lagere premie. In de private verzekering wordt de premie allereerst
bepaald aan de hand van het verwachte risico op basis van eerder
genoemde
kenmerken. Een dergelijke onderneming zal in het begin derhalve
een relatief hoge premie krijgen, die pas gaat dalen als het gerealiseerde
risico als gevolg van zijn inspanningen lager blijkt te zijn dan op basis
van actuariële uitgangspunten was verwacht.
Opgemerkt dient ten slotte
te worden dat ook een premiestelling op basis van het actuariële
risico gebaseerd is op ervaringsgegevens uit het verleden. Immers, de constatering
bijvoorbeeld dat oudere werknemers
een hogere kans op arbeidsongeschiktheid hebben, kan ook alleen worden bepaald aan de hand van
ervaringscijfers uit het verleden.
Belangrijker echter dan
bovengenoemde inhoudelijke argumenten is het uitgangspunt dat voor het
kabinet als basis heeft gediend voor het systeem van
premiedifferentiatie. Dit uitgangspunt is om door middel van financiële prikkels
ondernemers te stimuleren de uitstoot naar de arbeidsongeschiktheidsregeling
terug te dringen. De prikkel wordt dan met name geëffectueerd
door het risico van de individuele ondernemer te vergelijken met het
gemiddelde risico. Of hij in deze vergelijking goed of slecht scoort, bepaalt of hij
in aanmerking komt voor een opslag of een korting. Het is in de ogen
van het kabinet daarbij dus niet noodzakelijk dat een onderneming volledig op
zijn eigen (actuariële) risico wordt afgerekend. De berekening
van de premie op basis van het risico van de voorgaande jaren biedt
voldoende basis om een systeem van premiedifferentiatie vorm te geven. Hiervoor is
derhalve een premiestelling op basis van actuarieel
vastgestelde risico’s niet noodzakelijk.
2.3. Overgang naar een
systeem van premiedifferentiatie
De gedifferentieerde premies
hebben in het voorstel van het kabinet uitsluitend betrekking op de
financiering van uitkeringslasten van werknemers die arbeidsongeschikt zijn geworden na invoering van het
nieuwe systeem van premieheffing. De differentiatie van de premie in het
jaar van invoering zal
worden gebaseerd op het arbeidsongeschiktheidsrisico over de drie jaren
voorafgaand aan het jaar van invoering. De keuze voor drie jaren is louter
een praktische: de bedrijfsverenigingen beschikken thans nog niet
over gegevens die vijf jaren teruggaan. In de rblz.|22|
twee jaren na
inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel wordt de periode van het
arbeidsongeschiktheidsrisico successievelijk uitgebreid naar vier en vijf jaar.
Financiering van de reeds
ingegane uitkeringsrechten kan niet plaatsvinden uit de gedifferentieerde
premie. Van de huidige uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikte werknemers is immers in veel gevallen niet
bekend wie de laatste
werkgever is geweest, of in ieder geval is de band tussen die
uitkeringsgerechtigde en de laatste werkgever vaak al geruime tijd geleden verbroken. In
dat geval is het reïntegratieve aspect verbonden aan de premiedifferentiatie
ook te verwaarlozen. Het is dan ook niet mogelijk en niet zinvol de
reeds ontstane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toe te rekenen aan een
specifieke werkgever.
Daarnaast zou de situatie
ontstaan dat de premie waarover thans een landelijke verevening
plaatsvindt, zou moeten worden verevend binnen de bedrijfstak. Dat zou naar
de mening van het kabinet tot ongewenste schokeffecten in het
premieniveau aanleiding geven en leiden tot plotselinge ongewenste
lastenverschuivingen tussen bedrijfsverenigingen.
Gelet op het voorgaande
stelt het kabinet voor de lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
van ex-werknemers, die arbeidsongeschikt zijn geworden vóór inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel, ten laste te brengen van een centraal
fonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds [Aof, red.] en te financieren uit een
landelijke uniforme premie (de zogenaamde basispremie). De landelijke uniforme
premie moet ook gelden voor werkgevers die eigenrisicodrager
worden. Het gaat immers om de financiering van uitkeringslasten die zijn
ontstaan voordat de mogelijkheid tot eigen risico dragen in de wet werd opgenomen.
2.4. Gevolgen van
draagvlakversmalling
Het mogelijk maken van
eigen risico dragen in de WAO betekent dat het
niveau waarop de
premiedifferentiatie wordt vormgegeven zodanig moet worden gekozen dat er
in beginsel een gezonde financiële basis aanwezig is voor het
opvangen van de arbeidsongeschiktheidslasten, ook als van het eigen
risico dragen in ruime mate gebruik wordt gemaakt. Daarom moeten de sectoren zo
worden ingedeeld dat er een evenwichtige situatie tussen de sectoren
qua aantallen werkgevers en loonsommen aanwezig is. Gedacht kan
worden aan een clustering op basis van de huidige bedrijfsverenigingen
tot zes à acht sectoren. De basis voor de premiedifferentiatie is dus niet de individuele bedrijfsvereniging, maar een
cluster van
bedrijfsverenigingen. Hierdoor wordt gegarandeerd dat het draagvlak van iedere sector
voldoende groot is.
De inrichting van de
sectoren zal plaats vinden in het kader van de wijziging van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen. Zoals
aangegeven, zal in het wetsvoorstel post-nOsv worden voorgesteld om de bedrijfsverenigingen van hun
taak te ontheffen. Er zal een nieuwe verdeling van taken en
verantwoordelijkheden tussen de uitvoeringsinstellingen en de rechtsopvolger van het
Tica worden vastgelegd. Met het oog op de sectorale
betrokkenheid kunnen sectorcommissies in het leven worden geroepen die de
rechtsopvolger van het Tica zullen adviseren over de sectorspecifieke aspecten van de werknemersverzekeringen. De in
het wetsvoorstel post-nOsv
beoogde inrichting van de sectoren zal gebaseerd zijn op de huidige
indeling van de bedrijfsverenigingen [zie Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, red.]. Op basis van de huidige
inzichten zullen hierbij de in de bestaande indeling van het bedrijfs- en
beroepsleven onderscheiden bedrijfstakken en rblz.|23|
branches niet meer over
achttien bedrijfsverenigingen worden verdeeld, maar tot zes à acht sectoren worden
geclusterd.
Als gevolg van het
eigen risico dragen neemt het aantal werkgevers dat voor de eerste periode in
het publieke stelsel blijft af. Dit zou, indien het eigen risico dragen een zeer
hoge vlucht mocht nemen, op een bepaald moment ertoe kunnen leiden
dat het resterende draagvlak van een sector toch te klein is geworden.
Het overgebleven aantal werkgevers en hun loonsom verhoudt zich niet
meer evenwichtig tot de aantallen en loonsommen van andere
sectoren. Een duidelijke verstoring van dit evenwicht kan een eerste
indicatie zijn voor een premiestijging in een bepaalde sector tot een onverantwoord niveau.
Zou op enig moment de premie
binnen de sector tot een in maatschappelijk opzicht te hoog niveau
stijgen, dan kunnen gelden uit het Aof overgeheveld worden naar de sectorkas. De bandbreedte waarbinnen de
gemiddelde premie van een
sector dient te blijven, bedraagt maximaal tweemaal de landelijk
gemiddelde premie. Als gevolg van de overheveling dragen alle werkgevers bij
aan het in stand houden van de sector en de sectorkas. Deze bijdrage
ligt voor de hand aangezien ook alle werkgevers, inclusief de
eigenrisicodragers, belang hebben bij het in stand houden van het
publieke bestel en gebruik maken van de keuringen door de bedrijfsverenigingen
en van reïntegratie-instrumenten. Dit zou gedurende een periode van
drie jaren kunnen plaatsvinden.
Indien na deze periode nog
steeds sprake is van onevenwichtigheid (ofwel met het oog op het
hiervoor bedoelde evenwicht tussen de sectoren, ofwel met het oog
op de premiehoogte in de sector en de bijdrage uit het Aof), kan er
aanleiding zijn voor de Minister van SZW om de
sectorindeling opnieuw
in ogenschouw te nemen. Er zal dan nader moeten worden afgewogen of
herschikking van de door het Aof gesteunde sector(en) over
alle sectoren moet plaatsvinden.
3. De mogelijkheid tot
eigen risico dragen
3.1. Doel van het eigen risico dragen
Zoals in hoofdstuk
1 reeds
is toegelicht, acht het kabinet het gewenst dat naast premiedifferentiatie de mogelijkheid wordt geopend om het
WAO-risico gedurende een bepaalde periode zelf te dragen. Hiermee worden elementen van
marktwerking in de WAO geïntroduceerd. Deze mogelijkheid geeft de
werkgever de keuze om voor vijf jaar de kosten van de WAO geheel zelf te
dragen. Hij kan dan maximaal profiteren van de voordelen van het door hem
ingezette preventie- en reïntegratiebeleid. Eigen inspanning en
initiatief worden rechtstreeks beloond en vallen niet weg in een groter collectief.
De werkgever kan ervoor
kiezen de kosten van de door hem te financieren WAO-uitkeringen
te verzekeren bij een particuliere verzekeraar. Hij kan dit doen voor de
gehele periode of voor een deel van de periode of hij kan alleen de
uitschieters verzekeren (stop-lossverzekering). Door te kiezen voor een
verzekering die het beste bij hem past, "verzekering op
maat", blijven de
preventie- en reïntegratiestimulansen optimaal aanwezig.
Omdat een werkgever kan
kiezen voor een verzekering bij een particuliere verzekeraar wordt het
monopolie van de publieke uitvoeringsorganisaties doorbroken. In het kader
van
de recente maatregelen betreffende de privatisering
van de Ziektewet
was dit reeds gebeurd voor het kortdurende
arbeidsongeschiktheidsrisico. Met het introduceren van rblz.|24|
de mogelijkheid tot
eigen risico dragen, wordt ook voor het arbeidsongeschiktheidsrisico voor de middellange termijn de
socialeverzekeringsmarkt
opengesteld voor private verzekeraars.
Met de mogelijkheid van eigen risico dragen, worden alle betrokkenen geprikkeld om zich optimaal
in te zetten voor preventie en reïntegratie. De werkgever omdat hij voor
een bepaalde periode zelf de WAO-lasten draagt en deze niet kan
afwentelen op het collectief. Door deze confrontatie met de WAO-lasten wordt
de
werkgever geprikkeld zijn werkorganisatie zo in te
richten dat het beroep op de WAO zo gering mogelijk zal zijn. Ook een
maximale inspanning tot reïntegratie van zijn toch arbeidsongeschikt
geworden werknemers levert de werkgever direct voordeel op. Hoe geringer de
WAO-lasten, hoe minder hij behoeft te betalen respectievelijk hoe
lager zijn particuliere premie zal zijn. De werkgever wordt bij een
keuze voor eigen risico dragen dus volledig afgerekend op zijn
individuele arbeidsongeschiktheidsrisico. Het effect qua prikkelwerking is
maximaal. Elementen van verevening, die aanwezig zijn in het systeem van
premiedifferentiatie, ontbreken bij eigen risico dragen.
Door ook de private markt de
ruimte te geven op dit deel van de socialeverzekeringsmarkt wordt de
publieke uitvoering geprikkeld tot kostenbewust handelen. Of een werkgever
kiest voor eigen risico dragen zal immers ook afhankelijk zijn
van de relatie die bestaat tussen hem en de publieke verzekeraar en de
inspanningen en resultaten die hij verwacht van die publieke
verzekeraar. Ook hierbij geldt dat de werkgever op dit punt een
kosten-batenafweging zal maken.
De werkgever heeft immers de
keuzevrijheid om, met eigen risico dragen, voor een aanzienlijke
periode af te zien van meebetaling aan de publieke WAO-uitgaven.
Omdat de werkgever kan kiezen voor een verzekering bij een
particuliere verzekeraar, worden elementen van marktwerking en dus van
concurrentie aangebracht.
Ook voor de positie van de
arbeidsongeschikte werknemer is van belang dat een extra incentive wordt
gecreëerd tot het investeren in
maatregelen tot preventie en reïntegratie. Dergelijke investeringen komen
immers direct ten goede aan
diens positie en verminderen de uitkeringsafhankelijkheid.
Het kabinet verwacht dat de
mogelijkheid van eigen risico dragen een reële optie voor een
aanzienlijk aantal ondernemingen zal zijn. De mogelijkheid tot eigen
risico dragen kan een aantrekkelijke optie voor de werkgever zijn, met name in
situaties waarin het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico
gunstig afsteekt tegen het gemiddelde risico in de bedrijfstak of sector.
Dit kan zowel bij grotere als kleinere ondernemingen het geval zijn. Om deze
reden verwacht het kabinet dan ook dat eigen risico dragen voor
beide soorten ondernemingen een serieuze keuzemogelijkheid zal zijn.
Aangezien kleinere bedrijven in het algemeen over een geringer draagvlak
beschikken om tegenvallers op te vangen, zullen kleinere bedrijven
daarbij eerder zijn aangewezen op het afsluiten van een particuliere
verzekering.
3.2. Vormgeving van het
eigen risico dragen
Eigen risico
dragen binnen de
sociale zekerheid is geen nieuw fenomeen. Sinds jaar en dag
bestond de mogelijkheid van eigen risico dragen binnen de Ziektewet. Sinds
de privatisering van de Ziektewet is het eigen risico dragen
binnen de Ziektewet opgeheven en vervangen door een
loondoorbetalingsverplichting van 52 weken.
Daarvóór, met ingang
van 1 december 1994, was het eigen risico dragen binnen de Ziektewet
verruimd. Met name was er geen beleidsvrijheid rblz.|25|
meer voor bedrijfsverenigingen om werkgevers al dan niet toe te staan
eigenrisicodrager te worden. Als een werkgever voldoende
zekerheidstelling
bood ter nakoming van zijn verplichtingen in het geval hij niet meer aan zijn verplichtingen
zou kunnen voldoen, moest een bedrijfsvereniging een werkgever toestaan
eigenrisicodrager te worden. Eén en ander was nader uitgewerkt
in het Besluit eigen risico dragen van 23 november 1994, Stb.
1994, 220.
Het kabinet wil het eigen risico dragen binnen de
WAO
vormgeven langs dit concept. Voordeel is dat
met een dergelijke figuur in het kader van de Ziektewet reeds ervaring is
opgedaan. Tevens kan hierbij worden verwezen naar de unaniem
door de SER
bepleite verruiming van de mogelijkheid tot eigen risico dragen binnen het model van een verlengde Ziektewet.
Eigen risico dragen binnen de WAO
betekent enerzijds dat een werkgever de betaling van de
WAO-uitkering van de bedrijfsvereniging voor een bepaalde periode
overneemt en anderzijds voor deze periode geen premie verschuldigd
meer is aan de bedrijfsvereniging.
De WAO-uitkering van de
werknemers die bij hem in dienst zijn dan wel in dienst zijn geweest, komt
voor zijn rekening. Bepalend is of een werknemer op het moment dat
hij ziek wordt bij hem in dienst is. Is dat het geval, dan komen de
WAO-lasten voor rekening van de werkgever. Hetzelfde geldt in het geval
het dienstverband inmiddels is geëindigd door ontslag of omdat de
dienstbetrekking (voor bepaalde tijd) is opgehouden. Zou ervoor
gekozen worden de betalingsverplichting te koppelen aan het (voort)bestaan van de dienstbetrekking, dan zou een
werkgever relatief eenvoudig onder zijn verplichtingen uit kunnen komen.
Immers, anders dan bij de
ziekteperiode, kan de werkgever de dienstbetrekking met een arbeidsongeschikte
werknemer na twee jaar beëindigen. Het ontslagverbod gedurende
arbeidsongeschiktheid van de werknemer geldt alleen gedurende de
eerste twee jaar van ongeschiktheid. De werkgever moet op dat moment
weliswaar beschikken over een ontslagvergunning, maar ontslag is in principe
mogelijk. Ook zou het voor een eigenrisicodrager relatief eenvoudig zijn onder zijn
arbeidsongeschiktheidslasten
uit te komen door werknemers op een tijdelijk contract of op
projectbasis aan te nemen. Na afloop van het contract of van het project
zouden de arbeidsongeschiktheidslasten alsnog ten laste komen van het collectief. Hoewel er aan het kunnen
organiseren van het werk via
tijdelijk personeel een natuurlijke grens is, zou er desondanks een grote
druk ontstaan op tijdelijke en flexibele contracten. Een andere
vormgeving zou dus betekenen dat een werkgever alsnog vrij gemakkelijk de
arbeidsongeschiktheidslasten zou kunnen afwentelen op het collectief, waaraan hij niet langer door premiebetaling
bijdraagt.
Het overnemen van de
betaling door de werkgever van de bedrijfsvereniging impliceert dat de werknemer
zijn rechten blijft ontlenen aan de bepalingen van de WAO. De polisvoorwaarden zijn derhalve volledig
gewaarborgd.
Omdat de
uitkeringsgerechtigde blijft vallen onder de WAO,
wordt zijn uitkering ook
vastgesteld
volgens de in de WAO geldende dagloonregels. Ook wordt, op dezelfde voet
als voor werknemers van niet-eigenrisicodragers, de indexering op zijn
uitkering toegepast.
De enige voorwaarde die aan
de werkgever wordt gesteld om het WAO-risico zelf te gaan
dragen, is het overleggen van een zekerheidstelling dat de
arbeidsongeschiktheidslasten die nog voor zijn rekening
komen op het moment dat hij in betalingsonmacht zou komen te verkeren, door derden worden
overgenomen. De zekerheidstelling kan worden verstrekt door een
verzekeraar of een kredietinstelling. rblz.|26|
Er moet immers zeker worden
gesteld dat de financiële verplichtingen worden nagekomen, ook in het
geval de werkgever zelf niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen.
Zou deze zekerheidstelling niet verlangd worden, dan kunnen de kosten
weer gemakkelijk worden afgewenteld op het collectief. Dit moet
worden voorkomen.
Een werkgever die
eigenrisicodrager wil worden en het risico voor de gehele
eigenrisicoperiode
te groot vindt of niet in staat is de lasten gedurende de gehele periode
geheel zelf te dragen, kan een private verzekeraar inschakelen. Hij
kan dit doen voor de gehele periode, maar ook voor een deel van de
periode of slechts voor de bovengemiddelde lasten (stop-lossconstructie). Op deze wijze kan hij een vorm kiezen die zowel past bij zijn
organisatie als bij zijn financiële mogelijkheden.
In eerste instantie moet de
(gewezen) werknemer van de eigenrisicodrager zich voor het effectueren
van de betaling van de WAO-uitkering wenden tot
zijn werkgever. Bij onwil van de werkgever om te betalen, kan hij zich
altijd wenden tot de bedrijfsvereniging.
De bedrijfsvereniging
betaalt de uitkering dan uit en verhaalt deze op de werkgever. In situaties
waarin de werkgever niet (meer) kan betalen, is voorzien door de vereiste
zekerheidstelling.
3.3. Duur van de
eigenrisicoperiode
Het kabinet heeft gekozen
voor een duur van de eigenrisicoperiode van vijf jaren. Bij een
periode van vijf jaren worden preventie- en reïntegratie-inspanningen optimaal
beloond en kan
voor de premiedifferentiatie in de eerste periode voldoende
effectiviteit worden ingebouwd, zonder dat het financiële risico en
de mogelijkheid tot verzekering voor de werkgever prohibitief worden.
De lengte van de
eigenrisicoperiode wordt bepaald door de afweging van verschillende, soms
tegengesteld uitwerkende overwegingen.
Voor een langere duur van
de eigenrisicoperiode pleiten de volgende aspecten:
1. de lasten die binnen
de eigenrisicoperiode vallen;
2. het financieel
voordeel dat een werkgever bij reïntegratie kan behalen.
Aspecten die ervoor
pleiten de duur niet te lang vast te stellen, zijn de volgende:
3. de mogelijkheid om
arbeidsongeschikte werknemers nog te reïntegreren;
4. het financieel risico
dat een werkgever loopt;
5. de hoogte van de
premie van een eventuele private verzekering van het eigen risico.
1. De lasten binnen de eigenrisicoperiode
Het is duidelijk dat
naarmate de periode van eigen risico dragen langer wordt en er derhalve een
groter aandeel van de totale lasten van de arbeidsongeschiktheidsregeling
binnen de eigenrisicoperiode valt, de prikkel voor de werkgever
om zijn lasten via preventie en reïntegratie te beperken groter wordt.
Dit pleit er dus voor om de periode van eigen risico dragen niet te kort te maken.
Uitgaande van de huidige duurverdeling binnen de AAW/WAO valt ca. 23% van de lasten in de eerste drie jaren na
intreding van de arbeidsongeschiktheid; voor de eerste vijf jaren is dit
ca. 37%, voor de eerste zeven jaren 50%.
2. Het financieel
voordeel dat een werkgever bij reïntegratie kan behalen
rblz.|27|
Een werkgever zal
investeren in reïntegratie als hij inschat dat het voordeel van de beperking
van de arbeidsongeschiktheidslasten groter is dan de kosten. Dit houdt
in dat de periode waarover hij de vruchten plukt van een reïntegratie
lang genoeg moet zijn: bij een eigenrisicoperiode van drie jaar zal een
werkgever bij een reïntegratie na twee jaar nog slechts één jaar
profijt hebben van de reïntegratie. Aangezien de revalideringskansen
vooral gedurende de eerste drie jaren na intreding van de arbeidsongeschiktheid redelijk zijn, tezamen met het gegeven dat
de kosten van een reïntegratie vaak niet onaanzienlijk zijn, pleit dit ervoor
de eigenrisicoperiode
langer dan drie jaar te maken. Ook een reïntegratie in het derde jaar
betekent dan voor de werkgever nog een aanzienlijk financieel voordeel en
dus aanleiding om te investeren.
Van belang hierbij is dat
voor een aantal oorzaken van arbeidsongeschiktheid (zoals bij voorbeeld
bewegingsapparaat, psychische factoren) zeker uitzicht bestaat op
herstel, maar dat dit veel tijd kan vergen. Bij een langere
eigenrisicoperiode is het voor een werkgever ook in deze gevallen aantrekkelijk
een goed beleid te voeren.
3. De mogelijkheid om
arbeidsongeschikte werknemers te reïntegreren
Naarmate iemand langer
arbeidsongeschikt is, wordt de kans kleiner om hem te reïntegreren.
Na een aantal jaren is deze kans nog maar zeer gering. De prikkel om te investeren in
reïntegratie zal na een aantal jaren
dus afnemen. Dit pleit
ervoor de periode van eigen risico dragen niet te lang te maken.
4. Het financieel risico
dat een werkgever loopt
Naarmate de
eigenrisicoperiode langer wordt, zal ook het financiële risico dat een
werkgever
loopt, toenemen. Vooral voor kleinere ondernemingen kan een te lange
eigenrisicoperiode een te hoge drempel vormen
dan wel een te hoge
premie bij verzekering betekenen.
5. De hoogte van de
premie van een eventuele private verzekering van het eigen risico
Indien een ondernemer
zijn eigen risico wil verzekeren, zal de private verzekeraar zijn premiestelling moeten baseren op het systeem van
rentedekking. Naarmate de eigenrisicoperiode langer wordt, zal de private
premie die vanaf het
eerste jaar in rekening wordt gebracht hoger moeten zijn om voldoende
kapitaal op te bouwen. Met andere woorden, naarmate de
eigenrisicoperiode
langer is, wordt het verschil tussen de omslagpremie in het publieke stelsel
en de rentedekkingspremie in de private sector groter en dus de
terugverdientijd langer.
Deze aspecten overwegend,
kan worden gesteld dat een eigenrisicoperiode van korter dan vijf jaren
te weinig prikkel inbouwt en voor een werkgever te weinig
rendement van reïntegratie-inspanningen oplevert. Zo kan worden
voorkomen dat inspanningen van werkgevers zich veel meer alleen
zullen gaan richten op preventie en dat reïntegratie minder belangrijk wordt.
Een tweede argument om de
eigenrisicoperiode op minimaal vijf jaren vast te stellen, ligt in
de effectiviteit van de premiedifferentiatie. De duur van de eerste periode
waarover de premie wordt gedifferentieerd, is noodzakelijkerwijs gelijk
aan de duur van de eigenrisicoperiode. Bij een eigenrisicoperiode van
bijvoorbeeld drie jaren kan de premiedifferentiatie voor die
ondernemingen
die geen eigenrisicodrager worden voor de eerste periode, alleen de
lasten van drie jaren betreffen. De premie wordt dan gedifferentieerd op
basis van het arbeidsongeschiktheidsrisico van de drie voorafgaande jaren.
Een aanpassingscoëfficiënt van 1 is echter voor deze periode niet meer
mogelijk. Een aanpassingscoëfficiënt van 1 betekent namelijk per
saldo eigen risico dragen; dit is toegelicht in de rblz.|28|
artikelsgewijze
toelichting bij onderhavig
wetsvoorstel. De
aanpassingscoëfficiënt zal dus
lager moeten worden vastgesteld. Dit, in samenhang met het gegeven
dat slechts de lasten over drie jaren zouden worden gedifferentieerd,
betekent dat de mate van differentiatie, en dus de effectiviteit, bij een
eigenrisicoperiode van drie jaar en dus een gelijke duur voor de
premiedifferentiatie in de eerste periode in de ogen van het kabinet onvoldoende is.
Een langere eigenrisicoperiode biedt wel de mogelijkheid om binnen de eerste periode
een
voldoende mate van differentiatie aan te brengen.
Het Verbond van
Verzekeraars heeft voor een aantal perioden van eigen risico dragen de
hoogte van de premies in de publieke en de private sector doorgerekend. Bij
een eigenrisicoperiode van drie jaren zou de rentedekkingspremie 1,82%
bedragen; deze premie geldt vanaf het eerste jaar. De omslagpremie
loopt bij een eigenrisicoperiode van drie jaren op van 0,82% in het eerste
jaar tot 2,11% in het derde jaar en de jaren daarna. Bij een
eigenrisicoperiode van vijf jaren bedraagt de private premie 2,71%. De publieke premie
bedraagt in het vijfde jaar (en de jaren daarna) 3,08%. De becijferingen
van het Verbond tonen aan dat de rentehobbel bij een periode van vijf
jaren niet prohibitief hoger ligt dan voor een periode van drie jaren. Het
omslagpunt (het jaar waarin de private premie lager wordt dan de publieke)
ligt slechts twee jaren verder dan bij een duur van drie jaren.
De hoogte van de premie
hoeft derhalve geen wezenlijke factor te vormen voor de duur van
het eigen risico dragen.
Het kabinet heeft, zoals
gezegd, alles afwegende gekozen voor een duur van vijf jaren als duur
van het eigen risico dragen.
3.4. Rol en
verantwoordelijkheden van de publieke verzekeraar en van de werkgever in
de eigenrisicoperiode
Het is van groot belang
dat helderheid bestaat over de verdeling van verantwoordelijkheden
tussen de betrokken partijen in de eigenrisicoperiode. Daarbij zijn met name de
volgende aspecten van belang:
a. de instantie waarbij
de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid plaatsvindt (de keuring);
b. de verplichtingen van
de werkgever en van diens arbeidsongeschikte werknemer ten opzichte
van de publieke verzekeraar in de eigenrisicoperiode;
c. het primaat van de
verantwoordelijkheid voor reïntegratie, alsmede de inzet en financiering
van de wettelijke reïntegratie-instrumenten;
d. de regeling van het
toezicht.
Hierop wordt in deze
paragraaf nader ingegaan.
3.4.1. De instantie
waarbij de keuring plaatsvindt
Het
eigen risico dragen is
een faciliteit die geboden wordt binnen het publieke bestel. Dit betekent dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
binnen het publieke
bestel blijft plaatsvinden, ook ingeval de werkgever eigenrisicodrager is.
Dit is niet alleen het geval wanneer de werkgever zelf de lasten draagt,
maar ook indien hij deze heeft verzekerd bij een particuliere verzekeraar.
De volgende overwegingen
pleiten voor het laten plaatsvinden van de keuring door de publieke
verzekeraar, ook in geval van eigen risico dragen.
Bij een keuze voor eigen risico dragen blijven de rechten van de werknemers rechtstreeks
gebaseerd op de WAO. De keuring, het vaststellen van de arbeidsongeschiktheidslast, blijft derhalve volledig
gebaseerd op de
wettelijke regels en normen. Keuring binnen het publieke rblz.|29|
bestel biedt hiervoor
maximale waarborgen. Daarnaast is het in het belang van werknemers dat
de keuring in de verschillende posities binnen het publieke bestel op
een zo eenduidig en uniform mogelijke wijze plaatsvindt. De uitkomst
van de keuring is immers bepalend voor het recht op en de hoogte van
de uitkering. De werkgever die kiest voor eigen risico dragen, kan
ervoor kiezen om het risico geheel of gedeeltelijk te verzekeren bij een
private verzekeraar, maar kan er ook voor opteren om het risico geheel zelf
te dragen. Een zo eenduidig en uniform mogelijke wijze van
keuring wordt het beste gewaarborgd wanneer in beide gevallen de keuring
plaatsvindt door de publieke instantie. Bovendien worden
mogelijke verschillen in uitkomsten tussen keuringen in de
eigenrisicoperiode
en in de periode daarna op deze wijze voorkomen. Na de periode
van eigen risico dragen moet betrokkene die nog arbeidsongeschikt is
immers in elk geval door de bedrijfsvereniging worden (her)beoordeeld.
Bovendien ondervinden werkgevers en werknemers daardoor zo
weinig mogelijk hinder (geen administratieve rompslomp, omdat
overdracht van dossiers na vijf jaar niet nodig is).
Er dienen voorts
waarborgen te bestaan dat de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op zorgvuldige en onafhankelijke wijze
plaatsvindt, in overeenstemming met de bedoelingen van de wetgever en los van degene die belang
heeft bij een zo laag mogelijke arbeidsongeschiktheidslast.
Dit wordt eveneens het best gewaarborgd door de keuring te laten
verrichten door de publieke instantie. Op de keuring door de publieke
instantie wordt onafhankelijk toezicht uitgeoefend door het College van
toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). Hierdoor is
onafhankelijke controle op de naleving van wettelijke regels gewaarborgd. Bovendien
vindt coördinatie en afstemming van de uitvoering plaats door
een afzonderlijk instituut, het Tijdelijk instituut coördinatie en
afstemming, het Tica.
Een WAO-beoordeling gaat
aanzienlijk verder dan de beoordeling of iemand nog ziek is in het
kader van de Ziektewet. Bij een WAO-beoordeling moet niet
alleen een medische beoordeling worden gegeven van de
belastbaarheid van betrokkene, maar ook moet door een arbeidsdeskundige worden
vastgesteld welke arbeid betrokkene nog kan verrichten op de
arbeidsmarkt en wat hij hiermee kan verdienen. Deze beoordeling vindt in de
praktijk plaats op basis van de bepalingen van de wet en het
Schattingsbesluit [zie Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.] en met gebruikmaking van een omvangrijk functie-informatiesysteem,
het FIS. Bovendien gelden voor de medische beoordeling standaarden
die door het Tica zijn opgesteld. De beoordeling mondt uit in de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, die het resultaat is van een
loonkundige vergelijking tussen het loon wat iemand verdiende toen hij
nog gezond was en hetgeen iemand met zijn (huidige, resterende)
krachten en bekwaamheden nog kan verdienen. Deze medisch-arbeidskundige beoordeling vindt niet alleen plaats bij de aanvraag, maar kan nadien
wijziging ondergaan wanneer de mogelijkheden van betrokkene toe- of
afnemen. De aard van de beoordeling brengt derhalve met zich
mee dat hiervoor specifieke deskundigheden vereist zijn, zowel op het medische vlak, het arbeidskundige en
loonkundige vlak als wat
betreft het gebruik maken van FIS en Tica-standaarden.
Keuring door de publieke
instantie lost tevens het probleem op dat individuele werkgevers
noch hun arbodiensten zijn toegerust voor een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Van hen kan immers niet worden gevergd dat zij beschikken over de medische, arbeidskundige en
loonkundige deskundigheid
die vereist is om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Als er
sprake is van een verzekering, is mogelijk deze deskundigheid bij de
private instantie wel aanwezig, dan wel kan deze gemakkelijker worden
verworven. Echter ook dan verdient het rblz.|30|
vanwege de hiervoor
genoemde redenen (voorkomen van conflicten en van administratieve
rompslomp en verzwaring van de administratieve lasten) de voorkeur dat
de keuring blijft plaatsvinden door de publieke verzekeraar.
Het kabinet acht dit ook
om de volgende redenen gewenst. Bedacht moet worden dat in het
geval private verzekeraars belast zouden worden met de keuring en dus de
beslissing nemen over de arbeidsongeschiktheidsvaststelling, zij in feite voor dit
onderdeel uitvoerder worden van de WAO. Dit zou talrijke
implicaties hebben: de private instantie krijgt dan een publieke taak, wordt
aangemerkt als zelfstandig bestuursorgaan en onderworpen aan
bepalingen die voor publieke lichamen gelden, zoals de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
openbaarheid van bestuur, etc. Bovendien komt de vraag
op of men dan niet zou moeten vallen onder de coördinatie van het
Tica en het toezicht door het Ctsv.
Met het oog op de rol die
de bedrijfsvereniging na de eigenrisicoperiode in elk geval speelt, is
het, bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele reïntegratie-inspanningen, gewenst dat zij ook in de
eigenrisicoperiode de vinger aan de pols kan
houden, uiteraard rekening houdend met het karakter
van het eigen risico dragen.
Tegen uitvoering van de
keuring door de publieke instantie kan, ondanks de hiervoor genoemde voordelen en waarborgen van zorgvuldigheid
en onafhankelijkheid, als bezwaar worden ingebracht dat het vaststellen van de
schadelast niet gebeurt door degene voor wiens rekening de lasten komen
(de werkgever), maar door een derde die buiten de invloedssfeer van de
werkgever staat. Ook is in geval van herschatting na reïntegratie-inspanningen
(bijvoorbeeld scholing) degene die
geïnvesteerd
heeft afhankelijk van een
derde om de (financiële) inspanningen te vertalen in een lagere WAO-uitkering. Of de investering voldoende
rendement oplevert, wordt
dus uiteindelijk door een derde vastgesteld.
Bedacht moet worden dat
de werkgever en diens arbodienst reeds betrokken zijn in het
proces van arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door de bedrijfsvereniging.
Deze rol komt met name tot uitdrukking door de gegevens die de arbodienst ten behoeve van die beoordeling aan de bedrijfsvereniging
verstrekt. Het is daarnaast gewenst om de eigen risico dragende werkgever een
beroepsrecht toe te kennen inzake de vaststelling van de WAO-uitkering voor zijn (gewezen) werknemers. Thans ontbreekt een dergelijk
beroepsrecht. Om problemen met de privacybescherming van de werknemer te
voorkomen, is in het
wetsvoorstel vastgelegd
dat ingeval
de werknemer geen toestemming geeft om zijn medische gegevens in te
zien, alleen een door de werkgever aangewezen, onafhankelijk arts inzage
krijgt in de medische stukken en dat ook uitsluitend deze arts
namens de werkgever inhoudelijk verweer tegen het medische gedeelte van de
beslissing mag voeren.
Op deze problematiek
wordt nader ingegaan in paragraaf 3.11.
De
eigen risico dragende
werkgever draagt alleen het betalingsrisico ten aanzien van de uitkering
die door de bedrijfsvereniging terecht is toegekend. De
uitkeringslasten die ten onrechte zijn ontstaan, dienen in beginsel voor rekening
van de bedrijfsvereniging te komen, waarbij financiering plaatsvindt
via de sectorale kas. Met name kan worden gedacht aan de situatie
waarin naar aanleiding van door de werkgever ingesteld beroep is
gebleken dat de uitkering te hoog is vastgesteld. In de algemene maatregel van
bestuur die ten aanzien van de uitwerking van het eigen risico dragen
zal worden getroffen, zal worden vastgelegd dat de rblz.|31|
bedrijfsvereniging in dat
geval de uitkeringslasten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening neemt.
3.4.2. De verplichtingen
van de werkgever en van de arbeidsongeschikte werknemer in de eigenrisicoperiode
De aanspraken van de
(gewezen) werknemers op een WAO-uitkering blijven rechtstreeks
gebaseerd op de wet. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verplichtingen van de
werknemer.
In de wet zijn onder meer
verplichtingen voor de betrokken werknemer opgenomen om bepaalde
voorschriften en verzoeken van de bedrijfsvereniging na te komen. Het kan
dan
gaan om oproepen om te verschijnen, zich aan een onderzoek
door een deskundige te onderwerpen, zich onder geneeskundige behandeling
te stellen, etc. Veelal houden dergelijke verplichtingen direct verband met de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Ook geldt een algemene inlichtingenverplichting ten opzichte van de
bedrijfsvereniging om de inlichtingen te verstrekken die voor het recht op en
de hoogte van de WAO-uitkering alsmede het uit te betalen bedrag aan WAO-uitkering van belang zijn.
In de wet zijn eveneens
verplichtingen voor de werkgever opgenomen. De werkgever moet de
werknemer bijvoorbeeld in staat stellen om zijn bevoegdheden en verplichtingen op grond van de wet na te komen.
Verder is de werkgever,
op straffe van een sanctie, verplicht om de arbeidsongeschikte
werknemer in staat te stellen ander passend werk te verrichten. Voorts is de
werkgever thans in beginsel verplicht om uiterlijk na dertien weken na de
aanvang van de ziekte dit aan de bedrijfsvereniging te melden en in overleg
met de arbeidsongeschikt geworden werknemer een adequaat reïntegratieplan aan de bedrijfsvereniging over
te leggen.
Bij de introductie van
eigen risico dragen komt de vraag op welke verplichtingen de arbeidsongeschikte werknemer van de
eigen risico dragende
werkgever heeft en jegens wie: de bedrijfsvereniging of de werkgever. Voorts is de
vraag aan de orde welke gevolgen het eigen risico dragen heeft voor de
verplichtingen van de werkgever jegens zijn arbeidsongeschikte
(gewezen) werknemer en jegens de bedrijfsvereniging. Voor de goede orde wordt
erop gewezen dat de verplichtingen van de arbeidsongeschikte werknemer van de werkgever die niet voor
eigen risico dragen heeft
gekozen onverminderd blijven gelden jegens de bedrijfsvereniging. Ook
de reeds bestaande wettelijke verplichtingen van de niet eigen risico
dragende werkgever blijven gehandhaafd. Voorts zal, zoals reeds eerder
opgemerkt, in de algemene maatregel van bestuur worden geregeld op welke
wijze de uitkeringslasten die ten onrechte zijn vastgesteld voor rekening
van de bedrijfsvereniging komen.
Na introductie van
eigen risico dragen gelden ingevolge dit
wetsvoorstel de volgende verplichtingen voor de
eigen risico dragende werkgever
jegens de
bedrijfsvereniging:
- de aanvraag tot eigen risico dragen moet schriftelijk en tijdig worden ingediend bij de publieke
verzekeraar en vergezeld gaan van een zekerheidstelling voor
de verplichtingen op grond van deze wet die resteren bij
betalingsonmacht van de werkgever;
- ook een verzoek om beëindiging van het eigen risico dragen dient tijdig te worden ingediend bij de bedrijfsvereniging.
De
eigen risico dragende
werkgever is verplicht om de WAO-uitkering namens de bedrijfsvereniging uit te betalen aan de werknemer, dit op
basis van de keuring door
de bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging zal derhalve de werkgever
tijdig moeten inlichten over het feit dat er een betalingsverplichting
krachtens de WAO bestaat en over de hoogte van de rblz.|32|
maandelijkse betalingen.
De bedrijfsvereniging mag uitsluitend die gegevens verstrekken die
noodzakelijk zijn met het oog op de betalingsverplichtingen van de werkgever. In
verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
van de verzekerde werknemer is het de bedrijfsvereniging niet toegestaan om medische gegevens over de
verzekerde aan de
werkgever te verstrekken, tenzij de werknemer uitdrukkelijk verklaard
heeft daartegen geen bezwaar te hebben.
Met het oog op de
reïntegratie van de werknemer blijft de eigen risico dragende werkgever verplicht om de
werknemer in de gelegenheid te stellen hem passend
werk te verrichten. De huidige verplichtingen voor de werkgever om na
dertien weken ziekte van de werknemer dit te melden aan de bedrijfsvereniging
en daarbij een reïntegratieplan over te leggen aan de bedrijfsvereniging
vervallen echter voor de eigenrisicodrager. Dit is in overeenstemming met
de terughoudender rol van de bedrijfsvereniging als poortwachter van de WAO
bij eigen risico dragen.
Ook is de werkgever
verplicht om uiterlijk zeven maanden na aanvang van de ziekte van de
betrokken werknemer dit te melden aan de bedrijfsvereniging. Een dergelijke melding
aan de bedrijfsvereniging is van belang om een zorgvuldige
en tijdige keuring door de bedrijfsvereniging mogelijk te maken. Het is
uiteraard van belang dat de reïntegratie-inspanningen van de werkgever niet
worden gefrustreerd door een gebrek aan medewerking door de
werknemer. Daarom is bepaald dat de werkgever aan de bedrijfsvereniging om het treffen van adequate
maatregelen kan verzoeken
als de werknemer zonder deugdelijke grond weigert medewerking te
verlenen aan reïntegratie-inspanningen van de werkgever. Dit kan zich
bijvoorbeeld voordoen bij een weigering van de werknemer om deel te
nemen aan een voor hem gewenste scholing. De bedrijfsvereniging kan
betrokkene dan opnieuw keuren, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de
betreffende scholing door betrokkene is afgerond.
Wat de inspanningen ten
aanzien van reïntegratie betreft, wordt ook verwezen naar paragraaf
3.4.3 van deze memorie.
Voor de
arbeidsongeschikte werknemer van de eigen risico dragende werkgever blijven
alle
bij wet opgelegde verplichtingen jegens de bedrijfsvereniging
onverkort van toepassing. Het gaat hierbij zowel om de algemene
inlichtingenplicht (alle relevante feiten en omstandigheden meedelen die van invloed
kunnen zijn op het recht op WAO-uitkering) als om meer specifieke
wettelijke verplichtingen (zoals tijdig aanvraag voor toekenning van de
uitkering indienen, opvolgen controlevoorschriften, gehoor geven aan oproepen
voor onderzoek, etc.). In het geval de arbeidsongeschikte werknemer
één van deze verplichtingen overtreedt, is
de bedrijfsvereniging na inwerkingtreding van de Wet boeten en maatregelen
[Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid, red.]
op grond van
de wet verplicht een sanctie op te leggen, hetzij in de vorm van een
boete (bij overtreding van de inlichtingenplicht), hetzij in de vorm van een
maatregel (bij overtreding van de overige verplichtingen).
Indien op een bepaald
moment blijkt dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
vastgesteld, herziet de bedrijfsvereniging de uitkering. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de bedrijfsvereniging
na herbeoordeling een
lager arbeidsongeschiktheidspercentage vaststelt, constateert dat de
werknemer de op hem rustende verplichtingen niet nakomt of indien
bijzonder onderzoek uitwijst dat er sprake is van misbruik van de WAO. In
deze gevallen zal de bedrijfsvereniging opnieuw de hoogte van de
uitkering vaststellen.
Herziening van de
uitkering leidt veelal tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd betaald
is. Van deze verplichte terugvordering kan alleen worden afgezien indien
sprake is van een dringende reden. Omdat ook gedurende de periode dat
de werkgever eigenrisicodrager is de uitvoering van de WAO bij
de bedrijfsvereniging ligt en de bedrijfsvereniging rblz.|33|
beschikt over een
eigen handhavingsinstrumentarium, is het gewenst dat de
bedrijfsvereniging ook in die situatie beslist over terugvordering. De tenuitvoerlegging van de beslissing tot terugvordering
gebeurt ook voor en
namens de eigenrisicodrager door de bedrijfsvereniging. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op. Dat betekent dat de
bedrijfsvereniging, indien vrijwillige terugbetaling of verrekening met een
andere socialeverzekeringsuitkering of bijstandsuitkering niet mogelijk is, zonder
tussenkomst van de rechter tot beslaglegging kan overgaan. Een
dergelijk recht van parate executie heeft de werkgever niet. Uiteraard
is de bedrijfsvereniging verplicht om datgene wat zij heeft teruggevorderd te betalen aan de
eigen risico dragende
werkgever.
3.4.3. De
verantwoordelijkheid voor reïntegratie in de eigenrisicoperiode
Een belangrijk aspect dat
bij de invoering van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van eigen
risico dragen aan de orde dient te komen, betreft de inspanningen ten
aanzien van de reïntegratie van arbeidsongeschikte werknemers. Ook het Tica
heeft hiervoor in zijn commentaar op het wetsvoorstel Pemba,
waarin nog de mogelijkheid van uitstappen was opgenomen, aandacht
gevraagd. De kanttekeningen van het Tica hebben met name betrekking op de
verdeling van reïntegratiemiddelen tussen oude en nieuwe gevallen,
de voorgestelde financieringswijze en de positie van private verzekeraars
ten aanzien van reïntegratie en bemiddeling.
Hieronder wordt met
betrekking tot het eigen risico dragen achtereenvolgens ingegaan op:
- huidige situatie;
- het primaat voor de reïntegratie en de poortwachtersrol van de bedrijfsvereniging;
- de inzet en
financiering van de wettelijke reïntegratie-instrumenten.
3.4.3.1. Huidige situatie
Thans bevat
hoofdstuk
IIa van de huidige WAO de volgende reïntegratiemaatregelen die door de bedrijfsvereniging kunnen worden
toegepast:
- het instrument van
toekenning van een loonsuppletie. Deze kan worden toegekend aan
personen met recht op een WAO-uitkering die gaan werken tegen een
lager loon dan de theoretisch vastgestelde verdiencapaciteit (artikel 60
WAO);
- de garantie dat het "oude" dagloon
ten minste wordt gewaarborgd. Deze garantieregeling
geldt voor personen die 45 jaar of ouder zijn. Wanneer zij gaan werken en hun arbeidsongeschiktheidsuitkering in
verband daarmee wordt beëindigd, geldt de garantieregeling indien zij binnen een periode van
vijf jaar opnieuw recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (artikel 61
WAO);
- het instrument van de
loonkostensubsidie. Deze subsidie kan worden toegekend aan de
werkgever die een persoon die tot de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging
behoort in dienst neemt of een "eigen" werknemer in
een aangepaste of andere functie in dienst houdt (artikel 62
WAO);
- de mogelijkheid van
een proefplaatsing bij een werkgever. Deze mogelijkheid staat onder
bepaalde voorwaarden gedurende maximaal drie maanden open voor
degene die zowel recht heeft op een WAO-uitkering als een WW-uitkering en die bij een werkgever onbeloonde arbeid gaat verrichten.
Betrokkene ontvangt, ter compensatie van het wegvallen van de
WW-uitkering, een reïntegratie-uitkering ter hoogte van dat niveau
(artikel 63
WAO);
- de mogelijkheid van
vergoeding van de kosten van opleiding en scholing. De bedrijfsvereniging is bevoegd om aan degene die met
rblz.|34|
toepassing van artikel 76
van de WW
een scholing volgt of gaat beginnen en die behoort tot de
bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging de scholingskosten geheel of
gedeeltelijk te vergoeden (artikel 64 WAO).
Financiering van deze reïntegratiemaatregelen vindt plaats ten laste van het
Aof. Het Tica kent
aan de bedrijfsverenigingen per maatregel jaarlijks een budget toe.
Naast de in de
WAO opgenomen reïntegratiemaatregelen bevat de
AAW
thans de mogelijkheid dat
de bedrijfsvereniging aan de AAW-verzekerde voorzieningen toekent gericht op het behoud, herstel of bevordering van
de arbeidsgeschiktheid
(huidige artikelen 57, 57a en 58 van de AAW). Deze voorzieningen staan
daarmee ook open voor werknemers. De financiering van deze voorzieningen
komt nu ten laste van het AAf [Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]. Ook elders zijn reïntegratie-instrumenten
opgenomen. Zo is in artikel 29b van de Ziektewet
bepaald dat het
loon van de werknemer bij ziekte op verzoek van de werkgever volledig wordt vergoed door de bedrijfsvereniging.
Deze aanvulling geldt
voor maximaal drie jaar na aanvang van de dienstbetrekking.
Voorwaarde is dat de werknemer in de drie jaren voorafgaand aan zijn
dienstbetrekking recht had op een AAW- of WAO-uitkering dan wel de
voor de AAW en WAO geldende wachttijd van 52 weken heeft
doorgemaakt en aansluitend aan die wachttijd niet voor die wetten
arbeidsongeschikt is.
Voorts zijn de
bedrijfsverenigingen ingevolge de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw, artikel
16) verantwoordelijk voor de arbeidsbemiddeling van gehandicapte werknemers, waaronder gedeeltelijk
arbeidsgeschikten.
Daarvoor kunnen bedrijfsverenigingen een beroep doen op de voormalige
bemiddelingseenheden van de GMD [Gemeenschappelijke Medische Dienst, red.], die ondergebracht zijn bij
het GAK, of bemiddelingsactiviteiten inkopen bij Arbeidsvoorziening
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] of
particuliere bemiddelaars.
De bemiddeling van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten door bedrijfsverenigingen is bedoeld als een
tijdelijke situatie; de ter zake strekkende bepaling in de Wagw geldt tot een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Zoals bekend zal naar de mening
van het kabinet in de structurele situatie ten aanzien van de
bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten de normale, in het
wetsvoorstel Arbeidsvoorzieningswet 1996 neergelegde verantwoordelijkheidsverdeling
tussen uitkeringsorgaan en Arbeidsvoorzieningsorganisatie
moeten gelden (Kamerstukken II 1995-1996, 24 450). Het
bijbehorende wetsvoorstel Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet
1996 (Kamerstukken
II 1995-1996, 24 554) voorziet in een algemene plicht voor
bedrijfsverenigingen om de uitstroom van WW-gerechtigden naar
betaalde arbeid te bevorderen; voor sociale diensten is zo’n
algemene plicht reeds opgenomen in de nieuwe Algemene
bijstandswet. De
publieke bemiddelingstaak zal geheel komen te berusten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ten behoeve van een
geïntegreerde gevalsbehandeling dienen de uitkeringsorganen en Arbeidsvoorziening op het
terrein van arbeidstoeleiding procesgericht samen te werken. Dit
houdt in dat voorzien moet worden in een gezamenlijke intake en indicering van
uitkeringsgerechtigde werklozen, een gezamenlijk cliëntvolgsysteem, in
één loket voor werk en inkomen en in onderlinge afspraken wie
in welke fase de begeleiding respectievelijk bemiddeling naar arbeid
verzorgt. Ook de aanwending van het aan Arbeidsvoorziening
beschikbaar gestelde budget (voor de bemiddeling van moeilijk plaatsbare
uitkeringsgerechtigde werklozen) is onderwerp van de samenwerking.
Jaarlijks worden hierover prestatieafspraken gemaakt. In aanvulling
daarop kunnen uitkeringsorganen voor moeilijk plaatsbare werklozen
bemiddelingsactiviteiten inkopen bij Arbeidsvoorziening of particuliere
bemiddelaars.
rblz.|35|
In het kader van het
onderhavige wetsvoorstel
is in het algemeen de vraag aan de orde of eigenrisicodragers zullen moeten participeren in de procesgerichte
samenwerking. Naar de mening van het kabinet is participeren niet zo zeer
aan de orde, maar wel informeren.
Als immers een
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verstrekt door een
eigenrisicodrager en een werkloosheids- of bijstandsuitkering
door de publieke verzekeraar respectievelijk sociale dienst, dan dient
wél
afstemming
plaats te vinden. De samenwerkingspartners dienen op de hoogte te zijn van
de op uitstroombevordering gerichte activiteiten van de werkgever, en vice
versa, en deze activiteiten op elkaar af te stemmen. In deze behoefte
kan worden voorzien op grond van de algemene
informatiebepalingen. Naar de mening van het kabinet kan hiermee vooralsnog worden
volstaan.
3.4.3.2. Het primaat voor
de reïntegratie en de poortwachtersrol van de bedrijfsvereniging
In het kader van
dit
wetsvoorstel dat de mogelijkheid van
eigen risico dragen en van premiedifferentiatie binnen het publieke bestel
introduceert, dient het reïntegratie-instrumentarium alsmede de financiering
daarvan opnieuw te worden doordacht. Kernvraag is bij wie het primaat voor
reïntegratie berust en op welke wijze het huidige wettelijke reïntegratie-instrumentarium
moet worden doorvertaald in de nieuwe constellatie.
Wat betreft de
reïntegratie ligt het primaat in de eigenrisicoperiode bij de werkgever
en diens arbodienst respectievelijk, in geval van verzekering, zijn verzekeraar. Dit is
logisch vanuit de gedachte dat hij respectievelijk zijn verzekeraar het
primaire belang heeft bij een zo laag mogelijke arbeidsongeschiktheidslast.
Dit roept gelijk de vraag
op wat de verantwoordelijkheid blijft van de publieke verzekeraar in
de eigenrisicoperiode. Immers, na de eigenrisicoperiode komt de werknemer, als hij dan nog arbeidsongeschikt is,
weer ten laste van het
publieke bestel. Daarnaast is er een rol voor de bedrijfsvereniging
weggelegd als er duidelijk sprake is van een langer durende arbeidsongeschiktheidssituatie
en er een begeleidings- en reïntegratietraject
noodzakelijk is met een bredere inzet en reikwijdte die de mogelijkheden van de
individuele werkgever te boven gaat. De bedrijfsvereniging komt verder in de
eigenrisicoperiode in beeld als er
een beroep wordt gedaan
op de publieke reïntegratiemiddelen. Recht doende aan beide
belangen, namelijk die van de werkgever vanuit zijn positie als
eerstverantwoordelijke voor de reïntegratie en die van de bedrijfsvereniging als
poortwachter ter bescherming van het publieke belang, kiest het kabinet
voor de volgende benadering.
De eigenrisicodrager is
de eerstverantwoordelijke voor de reïntegratie van zijn arbeidsongeschikte werknemer. Bij hem ligt het initiatief voor
begeleiding, scholing, inzet van voorzieningen e.d. Op het moment dat hij
aan de grenzen van zijn mogelijkheden komt, hij ziet bijvoorbeeld geen mogelijkheden meer voor
de reïntegratie van de werknemer in zijn bedrijf, zal hij dit melden aan de
bedrijfsvereniging en deze verzoeken de reïntegratie over te
nemen. Het initiatief en de verantwoordelijkheid verschuift vanaf dat
moment naar de bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging kan vanuit haar bredere
inzetmogelijkheden vanaf dat moment alsnog proberen de
werknemer te reïntegreren.
Deze in eerste instantie
terughoudende rol van de bedrijfsvereniging impliceert tevens dat de
poortwachtersfunctie van de bedrijfsvereniging zoals deze in het kader
van de Wulbz is ingezet, ten aanzien van de
eigenrisicodrager
aanpassing behoeft. In het kader van Wulbz is de werkgever verplicht om
uiterlijk na dertien weken ziekte van de rblz.|36|
werknemer hiervan melding
te maken aan de bedrijfsvereniging (artikel 38 ZW). Voorts is de
werkgever verplicht om, gelijktijdig met de ziektemelding na uiterlijk
dertien weken,
aan de bedrijfsvereniging een in overleg met zijn werknemer
opgesteld adequaat reïntegratieplan te overleggen, ten behoeve van de
herintreding van de werknemer in het arbeidsproces (artikel 71a
WAO). Weigert
de werkgever dit plan op te stellen, dan doet de bedrijfsvereniging dit en
verhaalt hij de kosten op de werkgever. Bij inwerkingtreding van de
Wet boeten en maatregelen [Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid, red.] komt op niet-nakoming hiervan een
boete te staan. Ten aanzien van de eigenrisicodrager is deze directe
bemoeienis van de bedrijfsvereniging niet meer passend. Voorgesteld
wordt dan ook in dit
wetsvoorstel om deze poortwachtersrol van de
bedrijfsvereniging ten aanzien van eigenrisicodragers naar achteren te
schuiven. Het wetsvoorstel voorziet er allereerst in dat de verplichtingen van de
eigen risico dragende werkgever
ten aanzien van
ziektemelding en overlegging van het reïntegratieplan aan de bedrijfsvereniging na
uiterlijk dertien weken vervallen. Daartoe bestaat aanleiding, gelet op het
reïntegratieprimaat van de werkgever en de poortwachtersrol van de
bedrijfsvereniging die naar achteren verschuift. Met het oog op een
tijdige en zorgvuldige keuring door de bedrijfsvereniging wordt de eigen
risico dragende werkgever ingevolge dit wetsvoorstel wel
verplicht om uiterlijk binnen zeven maanden na aanvang van de ziekte dit te
melden aan de bedrijfsvereniging. Deze is dan in staat om de werknemer op tijd
in kennis te stellen van de mogelijkheid om een aanvraag om een WAO-uitkering in te dienen.
Wel blijft de eigenrisicodrager wettelijk verplicht om uiterlijk binnen dertien weken na
aanvang
van de ziekte van de werknemer een adequaat reïntegratieplan op te
stellen. Dit plan hoeft echter, zoals opgemerkt, niet te worden overlegd aan de
bedrijfsvereniging. Een dergelijke verplichting biedt houvast aan de
werknemer dat ernst gemaakt wordt met het zoeken naar reïntegratiemogelijkheden. Indien deze verplichting door de werkgever niet wordt
nagekomen, kan de werknemer zich tot de bedrijfsvereniging wenden en verzoeken om
een reïntegratieplan op te stellen, waarvan de kosten voor
rekening van de werkgever komen.
Verder voorziet het
wetsvoorstel erin dat de bedrijfsvereniging na drie jaar arbeidsongeschiktheid een toetsingsmogelijkheid heeft of de
werkgever zijn reïntegratieprimaat heeft waargemaakt. De legitimatie voor
deze toetsing ligt in de arbeidsongeschiktheidslasten die na vijf jaar ten
laste van het publieke
bestel komen. Na drie jaar komt de poortwachtersrol van de
bedrijfsvereniging immers in beeld. Indien deze toetsing uitwijst dat de
werkgever geen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, dan
bepaalt het wetsvoorstel dat de bedrijfsvereniging de
werkgever een administratieve sanctie oplegt. Het Tica krijgt de taak om
voor de invulling van deze toetsing minimumeisen te stellen. Ook in
verband met deze toetsing is het gewenst dat de bestaande verplichting
voor werkgevers om uiterlijk binnen dertien weken na aanvang van de ziekte
een adequaat reïntegratieplan op te stellen, wordt gehandhaafd. Het
opgestelde reïntegratieplan en het vervolg daarop kan dan bij de
toetsing worden betrokken. Het kabinet is van oordeel dat dit reïntegratieplan bij de nader te formuleren eisen van het Tica een belangrijk
element zal moeten vormen. Indien de bedrijfsvereniging in het kader van de
toetsing van de reïntegratie-inspanningen of op initiatief van de
werknemer tot de slotsom komt dat er nog ruimte is om reïntegratie-instrumenten
in te zetten, kunnen de kosten hiervan in rekening worden gebracht
aan de eigenrisicodrager. Het gaat hierbij om de kosten van scholing, opleiding en voorzieningen (zie ook
paragraaf 3.4.3.3). Deze kosten
kunnen bij ministeriële regeling worden gemaximeerd. Maximering van deze
kosten kan gewenst zijn, bijvoorbeeld in het geval een werkgever zich
voor een investering ziet geplaatst waarvan het rendement eerst na de
eigenrisicoperiode wordt behaald.
rblz.|37|
Naar het oordeel van het
kabinet wordt door deze voorstellen een voor alle betrokkenen
evenwichtige aanpak bereikt.
3.4.3.3. De inzet en
financiering van de wettelijke reïntegratie-instrumenten.
De werkgever kan
ervoor
kiezen gebruik te maken van het wettelijke reïntegratie-instrumentarium,
waarbij de wettelijke condities van toepassing zijn. De werkgever en diens verzekeraar kunnen er ook voor
kiezen om een ander instrumentarium in te zetten dan wel een instrumentarium
onder andere condities
dan de wettelijk bepaalde voorwaarden. Steeds zal de werkgever
zelf voor de financiering moeten zorgen. Dit is ook het geval als hij om
tussenkomst van de bedrijfsvereniging vraagt.
Het is in overeenstemming
met het primaat voor de werkgever dat aan de werkgever die kiest
voor eigen risico dragen en die in die periode gebruik wil maken van het wettelijk
reïntegratie-instrumentarium van de
publieke instantie, de
kosten daarvan in beginsel direct in rekening worden gebracht. Dit kan
zijn positie als klant van de bedrijfsvereniging ten aanzien van het
inzetten van het reïntegratie-instrumentarium ook sterker maken: de
werkgever kiest het kwalitatief beste en meest toegesneden reïntegratiepakket uit en betaalt daarvoor een zakelijke prijs.
Afhankelijk van de inzet en de kwaliteit van het reïntegratieproduct van de
bedrijfsvereniging of een
andere partij (bijvoorbeeld zijn verzekeraar) koopt hij een reïntegratiepakket in bij de bedrijfsvereniging of elders.
De voorgestelde
inkoopbenadering geldt alleen ten aanzien van die wettelijke reïntegratie-instrumenten die daarvoor in aanmerking komen.
Daarbij gaat het om het toekennen van werkvoorzieningen en de kosten van scholing of opleiding
die door tussenkomst van de bedrijfsvereniging kan worden gevolgd.
Hierbij kan een zuivere kosten-batenafweging worden gemaakt en kan het
primaat voor de werkgever zonder bezwaar worden toegepast.
De werkgever kan ten
aanzien van deze instrumenten derhalve zelf afwegen op welke wijze en
door wie deze worden ingezet: door de werkgever zelf, door
diens private verzekeraar of door de bedrijfsvereniging. De lasten hiervan komen,
in lijn met deze kosten-batenafweging, steeds voor rekening van
de werkgever. De werkgever kan bij succesvolle toepassing van deze
instrumenten hierdoor een beperking van zijn arbeidsongeschiktheidslasten
realiseren.
Desondanks is het
mogelijk dat een eigenrisicodrager geen reïntegratie-inspanningen ontplooit, bijvoorbeeld omdat hij tot een
negatieve
kosten-batenafweging komt. Een werknemer van een eigenrisicodrager kan zich dan wenden tot
de bedrijfsvereniging en om toepassing van één van
deze instrumenten verzoeken. Ook hiervoor blijft gelden dat de werknemer
aanspraken kan ontlenen aan de wet die bedrijfsverenigingen de bevoegdheid geeft om deze instrumenten toe te
kennen. Wanneer de
bedrijfsvereniging tot de conclusie komt dat één van deze instrumenten dient
te worden toegekend, komen de kosten hiervan, voor zover de uitkering
van de betrokken werknemer binnen de periode van vijf jaar ligt, voor
rekening van de werkgever. Deze kosten kunnen worden gemaximeerd.
De bedrijfsvereniging
komt dus slechts in actie nadat hetzij de werkgever, hetzij de werknemer daartoe het initiatief neemt. Alleen
ingeval de
bedrijfsvereniging na een uitkeringsduur van drie jaar toetst of de werkgever adequate
reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan de bedrijfsvereniging
zelfstandig tot de conclusie komen dat er aanleiding is voor toepassing van deze
reïntegratie-instrumenten. Deze mogelijkheid zal zich in de praktijk
overigens slechts sporadisch voordoen. Ook dan rblz.|38|
komen de kosten hiervan
voor rekening van de werkgever, waarbij deze kosten kunnen worden
gemaximeerd.
Andere
reïntegratie-instrumenten komen niet of minder in aanmerking voor deze
inkoopbenadering. Zo zijn de toepassing van de loonsuppletie en de dagloongarantie
voor oudere arbeidsongeschikten rechtstreeks van belang voor de hoogte van
de uitkering die voor de werknemer resulteert. In verband met het feit
dat hoogte en duur van de uitkering van de werknemer worden
gegarandeerd, is het gewenst dat deze instrumenten ook ten aanzien van
arbeidsongeschikte werknemers van eigen risico dragende werkgevers worden
toegepast, waarbij in de financiering wordt voorzien door alle
werkgevers tezamen.
Voor de
loonkostensubsidie geldt dat deze met name van belang is als stimulans voor
de
werkgever om personen die tot de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging
behoren in dienst te nemen. Toepassing van het
inkoopmodel op dit instrument zou haar doel missen.
Bij de reïntegratie-instrumenten neemt voorts de proefplaatsing een bijzondere plaats
in. Dit
rechtvaardigt ook een eigensoortige behandeling in het kader van dit
wetsvoorstel. Het gaat bij proefplaatsing om het
toekennen van een reïntegratie-uitkering aan de arbeidsongeschikte werknemer met een
WW-uitkering die onbeloonde arbeid gaat verrichten. De reïntegratie-uitkering vervangt de WW-uitkering die dan wegvalt. Private instanties hebben
geen belang om een dergelijke maatregel toe te passen, omdat het
instrument in de plaats komt van de WW-uitkering. Anders gezegd: door
toepassing van het instrument proefplaatsing kunnen werkgevers,
althans voor de korte termijn, geen besparing op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
realiseren. Hiermee wordt niet bespaard op de WAO-lasten, maar op de
WW-lasten. Het is dan ook
gewenst om de
financiering van dit instrument te laten plaatsvinden via het Algemeen Werkloosheidsfonds
(AWf).
In
het kader van dit
wetsvoorstel wordt het
reïntegratie-instrumentarium van de bedrijfsverenigingen uitgebreid met een aantal
bepalingen met betrekking
tot het verstrekken van voorzieningen aan verzekerde werknemers.
Aan hoofdstuk IIa van de WAO wordt daartoe een nieuwe paragraaf
6
"Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid en andere voorzieningen" toegevoegd. Het opnemen
van deze paragraaf is het rechtstreeks gevolg van de intrekking van de AAW. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Invoeringswet Pemba wordt hierop uitvoeriger ingegaan. In verband hiermee wordt in
dit wetsvoorstel bepaald dat de bedrijfsvereniging onder meer
werkvoorzieningen kan verstrekken aan werknemers die op grond van de WAO
verzekerd zijn.
Wat de financiering van
de in de WAO opgenomen reïntegratie-instrumenten betreft, geldt het
volgende.
Alle reïntegratie-inspanningen ten aanzien van bestaande gevallen worden gefinancierd uit
het Aof.
Voor nieuwe gevallen is
de volgende financieringswijze getroffen:
- scholingskosten en de
toekenning van voorzieningen aan werknemers komen ten laste van de
eigenrisicodrager dan wel, ingeval niet gekozen wordt voor eigen risico
dragen, van de gedifferentieerde premie (sectorale
kas), zolang de uitkering korter dan vijf jaar duurt;
- de vergoeding van
scholing en de toekenning van voorzieningen aan werknemers komt ten laste
van de basispremie (Aof), voor zover de WAO-uitkering langer dan
vijf jaar duurt. Financiering ten laste van deze premie vindt, voor zover
de uitkering langer dan vijf jaar duurt, ook plaats wanneer de vergoeding van
de scholing of toekenning van voorzieningen is aangevangen in de
periode van vijf jaar;
rblz.|39|
- de wettelijke reïntegratie-instrumenten die voor alle werknemers toegankelijk zijn,
worden
gefinancierd uit de basispremie (Aof).
Wat betreft de
proefplaatsing wordt, zoals aangegeven, voorgesteld om de financiering voor
werknemers van alle werkgevers (uitgezonderd de overheid) te laten
plaatsvinden via het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Dit wordt geregeld
in de
Invoeringswet Pemba.
Het kabinet realiseert
zich dat het toedelen van financiële verantwoordelijkheid voor het reïntegratie-instrumentarium en de compartimentering van het instrumentarium
over verschillende wetten een tamelijk complex beeld oplevert. Dit is
mede het gevolg van de gekozen uitgangspunten. Allereerst heeft het
kabinet een maximale toegankelijkheid van reïntegratie-instrumenten
voor ogen gestaan. In de tweede plaats dienen ten aanzien van de
financiering de kosten daar te worden gelegd waar ze gemaakt worden. Niettemin
noopt het complexe beeld dat hierdoor ontstaat tot stroomlijning. Daarom zal het totaal aan
reïntegratie-instrumenten,
met het oog op stroomlijning, na afronding van dit
wetsvoorstel worden
gebundeld in een Wet op de reïntegratie [zie Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, red.].
In zijn commentaar op het
wetsvoorstel Pemba merkt het Tica op dat reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten grotendeels ten goede
komt aan de werkloosheidscomponent van de gecombineerde (WAO/WW-)uitkering.
Volgens het Tica lijkt verlegging van een deel van de financiering van het
reïntegratie-instrumentarium naar het AWf een denkbaar alternatief.
Het kabinet merkt wat dit
betreft het volgende op. De reïntegratie-instrumenten die hiervoor zijn
omschreven, grijpen in eerste instantie aan op de arbeidsongeschiktheidscomponent. Het ligt dan ook voor de hand
dat financiering van deze
instrumenten plaats vindt ten laste van de arbeidsongeschiktheidspremies.
Financiering op andere wijze zou de verantwoordelijkheid én de financiële last niet daar neerleggen waar zij thuishoren. Het reïntegratie-instrumentarium en
reïntegratiebeleid gericht op de
arbeidsongeschiktheidscomponent van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten ten laste laten komen van
het publieke stelsel zou geen recht doen aan het welbegrepen
(eigen)belang van eigenrisicodragers, ten aanzien van een zo goed
mogelijke reïntegratie van arbeidsongeschikten.
Daar waar reïntegratie-instrumenten aangrijpen bij de
werkloosheidscomponent ligt
dit anders. Vandaar
ook dat het instrument proefplaatsing zoals hierboven reeds is opgemerkt ook ten aanzien van werknemers van
eigen risico dragende
werkgevers kan worden ingezet door bedrijfsverenigingen. Financiering vindt in dit
geval dan ook plaats door het publieke stelsel en wel uit het AWf.
3.4.4. De regeling van
het toezicht
Omdat de mogelijkheid van
het eigen risico dragen plaatsvindt in het raam van het publieke
bestel, waarbij de aanspraken van arbeidsongeschikte (ex-)werknemers berusten
op de wet en de keuring plaatsvindt door de publieke
verzekeraar, behoeven geen ingrijpende wijzigingen in het toezicht plaats te
vinden. Het toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de
uitgaven die op grond van deze wet worden gedaan, blijft voorbehouden aan
het Ctsv. Dit geldt ook ten aanzien van die uitkeringen die voor
rekening van de eigen risico dragende werkgevers komen.
Uiteraard houdt het Ctsv
ook toezicht op de wijze waarop een beslissing wordt genomen op een
aanvraag om eigenrisicodrager te worden alsmede om het eigen risico
dragen te
beëindigen.
rblz.|40|
Naast zijn toezichtstaak
is het Ctsv
op grond van de huidige Osv verantwoordelijk voor de
informatievoorziening over de uitvoering van de sociale verzekeringen.
Het Ctsv dient ervoor te zorgen dat er informatie beschikbaar is die
inzicht geeft in de wijze waarop het Tica, de bedrijfsverenigingen en de
uitvoeringinstellingen de sociale verzekeringen uitvoeren en in de kwantitatieve en
financiële aspecten daarvan. Deze informatie staat niet alleen ten
dienste van de toezichtsactiviteiten van het Ctsv zelf, maar is ook bedoeld als
beleidsinformatie voor de Minister
van SZW. De minister gebruikt deze
informatie om zijn beleid te bepalen en waar nodig bij te stellen en om verantwoording af te leggen aan het parlement. De
informatietaak van het
Ctsv strekt zich ook uit tot de maatregelen die in het
onderhavige wetsvoorstel zijn neergelegd. De
Minister van SZW zal in een vroegtijdig stadium,
in ieder geval ruim voordat deze wet in werking treedt, zijn
informatiebehoeften met betrekking tot premiedifferentiatie en het eigen
risico dragen
aan het Ctsv kenbaar maken. De bedrijfsverenigingen en de uitvoeringinstellingen zullen met deze informatiebehoeften
rekening moeten houden
bij de voorbereidingen van de implementatie van de voorgestelde
maatregelen, aangezien zij ervoor dienen te zorgen dat noodzakelijke
informatie bijtijds beschikbaar is.
In het
wetsvoorstel
post-nOsv zal worden voorgesteld om de informatietaak van het Ctsv
over te hevelen naar de rechtsopvolger van
het Tica. Hetgeen
hierboven is gezegd met betrekking tot de informatietaak van het Ctsv geldt mutatis mutandis ook voor de uitoefening van de informatietaak
door de rechtsopvolger van het Tica. Om te garanderen dat de Minister
van SZW en het Ctsv na de beoogde reorganisatie ook kunnen beschikken
over alle informatie die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, zullen in het wetsvoorstel post-nOsv
de benodigde maatregelen
worden voorgesteld. Om de continuïteit van de informatievoorziening
niet in gevaar te brengen, zullen de voorbereidingen van de reorganisatie van
de informatievoorziening in nauw overleg tussen de Minister van SZW, het Ctsv en het Tica plaatsvinden.
3.5. Procedure van het
eigen risico dragen
3.5.1. Aanvang en
gevolgen van het eigen risico dragen
Een werkgever moet om
eigenrisicodrager te kunnen worden een zekerheidstelling kunnen
overleggen om bij betalingsonmacht de verplichtingen te kunnen
financieren. De zekerheidstelling moet worden verleend door een
betrouwbare kredietinstelling of een verzekeraar. In tegenstelling tot het
eigen risico dragen in de Ziektewet wordt in dit
wetsvoorstel geen bedrag
voor de zekerheidstelling opgenomen. Dit vanwege het feit dat de
verplichtingen per werkgever te veel kunnen verschillen. De bank of
de particuliere verzekeraar kunnen dan zelf de hoogte van de
zekerheidstelling per individuele werkgever inschatten en afhankelijk hiervan de
premie voor deze zekerheidstelling vaststellen.
In dit
wetsvoorstel zijn
de hoofdlijnen van de aanvang en beëindiging van het eigen risico
dragen alsmede de rechtsgevolgen daarvan in de wet
zelf vastgelegd. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zo nodig nadere regels worden
gesteld. Te denken valt aan een nadere omschrijving van de
begrippen kredietinstelling en verzekeraar. Ook kan in dat kader nog apart
aandacht worden geschonken aan overheidswerkgevers. Zekerheidstelling voor
overheidswerkgevers is immers discutabel vanuit de
gedachte dat de overheid niet failliet kan gaan.
Het is voor de
bedrijfsvereniging niet uitvoerbaar dat de werkgever die voor eigen
risico dragen
kiest dat ieder moment van het jaar kan doen. Het is gewenst dat aanvragen
om eigenrisicodrager te worden geruime tijd rblz.|41|
van tevoren bij de bedrijfsvereniging worden ingediend opdat de
gevolgen van het eigen risico dragen voor de administratie, de premiestelling en -inning en de
organisatie van de bedrijfsvereniging door die bedrijfsvereniging tijdig
kunnen worden opgevangen. In het
onderhavige wetsvoorstel is bepaald
dat het eigen risico dragen uitsluitend met ingang van 1 januari van enig
jaar kan aanvangen. De aanvraag dient uiterlijk dertien weken van tevoren, dus uiterlijk
vóór 1 oktober, bij de bedrijfsvereniging
te worden ingediend. De bedrijfsvereniging heeft dan nog voldoende tijd om de
noodzakelijke aanpassingen in administratie, premiestelling en -inning
en organisatie door te voeren.
Gelet op de ingrijpende
gevolgen voor de uitvoering die het eigen risico dragen heeft, onder meer voor
het systeem van premiedifferentiatie, is het gewenst om de mogelijkheid tot aanvragen van
eigen risico dragen
te beperken tot eenmaal
per jaar (namelijk per 1 januari) en niet bijvoorbeeld per kwartaal, zoals bij
de Ziektewet.
De bedrijfsvereniging
dient binnen acht weken te beslissen op de aanvraag om eigenrisicodrager te worden. Deze termijn is gelijk aan de
huidige termijnen van het Besluit beslistermijnen
socialeverzekeringswetten [zie Wet beslistermijnen
sociale verzekeringen, red.].
Op het vereiste dat de
aanvraag ten minste dertien weken van te voren moet worden ingediend,
wordt een uitzondering gemaakt voor startende werkgevers, omdat startende werkgevers nog niet in de administratie van
de bedrijfsvereniging
zijn opgenomen. Het is niet wenselijk dat zij eerst verplicht worden tot
niet eigen risico dragen en vervolgens, afhankelijk van het tijdstip waarop
zij starten, minimaal drie tot maximaal vijftien maanden zouden moeten wachten om
vervolgens eigenrisicodrager te kunnen worden. Startende
werkgevers kunnen dan ook op het moment dat zij werkgever worden en dus
voor het eerst werknemers in dienst nemen en zich dientengevolge bij
een bedrijfsvereniging moeten melden, eigenrisicodrager worden. Hiervoor dienen
zij wel aan alle voorwaarden te voldoen. Op het moment
dat een startende werkgever zich bij de bedrijfsvereniging meldt,
dient deze indien hij eigenrisicodrager wil worden dus gelijktijdig
een zekerheidstelling over te leggen als waarborg dat zijn verplichtingen
bij betalingsonmacht worden gefinancierd. De bedrijfsvereniging
beslist vervolgens binnen acht weken of de startende werkgever
eigenrisicodrager kan worden. Is dat laatste het geval, dan
geldt deze beslissing met terugwerkende kracht tot aan het moment dat de werkgever werknemers
in dienst nam. De werkgever is dan dus vanaf dat moment als
eigenrisicodrager aan te merken. Kan de startende werkgever op het moment
van melding bij de bedrijfsvereniging niet gelijktijdig de
zekerheidstelling overleggen, dan is hij daarmee geen eigenrisicodrager
geworden.
Een werkgever wordt dus,
met uitzondering van startende bedrijven, eigenrisicodrager met
ingang van 1 januari van enig jaar wanneer aan de voorwaarden is voldaan.
De werkgever loopt het
betalingsrisico voor de werknemers die bij hem in dienst zijn dan wel
zijn geweest en die na aanvang van het eigen risico dragen ziek zijn geworden.
Op de
financiering van WAO-uitkeringen die op het moment van
eigen risico dragen reeds zijn ingegaan (zogenaamde "nieuwe oude gevallen"),
wordt in paragraaf 3.6 ingegaan. Bepalend is dat op het moment dat de
werknemer ziek wordt, er een arbeidsrelatie is met de werkgever. Het gaat
hierbij om een arbeidsrelatie in de zin van het Burgerlijk
Wetboek dan
wel in de zin van de Ambtenarenwet, voor zover het ambtenaren betreft. Dit laatste zal in het kader van het
voorstel van Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen worden geregeld.
rblz.|42|
Het voorgaande betekent
dat de werkgever de arbeidsongeschiktheidslasten voor deze werknemer moet
betalen, ook al is de arbeidsrelatie inmiddels verbroken (bijvoorbeeld omdat het contract is afgelopen). Zou ervoor worden gekozen de
betalingsverplichting te koppelen aan het (voort)bestaan van de dienstbetrekking,
dan zou een werkgever relatief eenvoudig onder zijn verplichtingen
uit kunnen komen. Immers, in tegenstelling tot de ziekteperiode kan de
werkgever de dienstbetrekking met een arbeidsongeschikte werknemer na twee jaar
beëindigen. Ook zou een werkgever zijn arbeidsongeschiktheidslasten laag kunnen houden door veel te
werken met tijdelijke contracten. Er zou een toenemende druk ontstaan op
tijdelijke en flexibele
contracten. Deze lasten zouden dan terecht komen in het collectief, waar de
werkgever niet aan bijdraagt. Dit acht het kabinet ongewenst.
De werkgever draagt geen
arbeidsongeschiktheidslasten voor werknemers met wie hij geen arbeidsrelatie in de zin van het
Burgerlijk
Wetboek dan wel de Ambtenarenwet
heeft. De WAO kent een aantal groepen zogenaamde
gelijkgestelde werknemers (artikel 4 en 5 van de WAO). Deze groepen
blijven dus, voor zover zij geen arbeidsovereenkomst hebben, ten laste komen
van het publieke bestel; over hun loon wordt de sectorale (gedifferentieerde) premie geheven. Dit geldt ook voor
de
arbeidsongeschiktheidslasten van zieke (en uiteindelijk
arbeidsongeschikt geworden) werklozen.
De premie die voortvloeit
uit de verzekering die een werkgever met een private instantie heeft
afgesloten kan ingevolge deze wet niet door de werkgever op z’n
werknemers worden verhaald. Gezien het feit dat de werknemers geen
instemmingsrecht hebben bij de keuze van het eigen risico dragen, past
het niet dat zij wel zouden bijdragen aan de kosten die uit de
overeenkomst voortvloeien. Vanuit het beginsel dat de werkgever de overeenkomst
bepaalt, geldt dat deze dan ook betaalt.
Ook wanneer de werkgever
het eigen risico dragen niet heeft verzekerd, kan hij de kosten hiervan
niet verhalen op zijn werknemers.
3.5.2. Beëindiging van
het eigen risico dragen
Uiteraard moet het
mogelijk zijn dat het eigen risico dragen ook weer wordt beëindigd. Beëindiging heeft gevolgen voor de financiering van de lasten die door de
eigenrisicodrager zijn gegenereerd en voor de wijze
waarop de voormalige eigenrisicodrager in de premiedifferentiatie wordt
betrokken.
Het
eigen risico dragen
kan in de volgende situaties worden beëindigd:
a. op verzoek van de
werkgever;
b. na opzegging door de
instantie die de zekerheidstelling heeft geboden;
c. wanneer de
kredietinstelling of de verzekeraar zijn verplichtingen niet kan nakomen.
Op deze situaties wordt
hieronder nader ingegaan.
Ad a. Beëindiging op
verzoek van de werkgever.
Een werkgever die
eigenrisicodrager is geworden, kan op enig moment besluiten dat hij dit wil
beëindigen. In dit
wetsvoorstel wordt in deze mogelijkheid voorzien.
Het is echter niet wenselijk dat er een duiventileffect ontstaat en dat de
werkgever op elk gewenst moment heen en weer pendelt tussen eigen risico
dragen en niet eigen risico dragen. Een overstap brengt immers
forse administratieve lasten en organisatorische aanpassingen voor de
bedrijfsvereniging met zich mee. rblz.|43|
Een verzoek van de
werkgever tot beëindiging van het eigen risico dragen dient dan ook
uiterlijk
dertien weken van te voren bij de bedrijfsvereniging te
worden ingediend en kan eerst met ingang van 1 januari worden geëffectueerd.
Dit komt erop neer dat
een aanvraag tot beëindiging eveneens uiterlijk op 1 oktober moet worden
ingediend bij de bedrijfsvereniging.
Na beëindiging van het eigen risico dragen komen de reeds ingegane WAO-lasten weer ten laste
van het collectief. Dit is consistent met de benadering die bij de
aanvraag van het eigen risico dragen is gekozen: de werkgever financiert dan
de WAO-lasten van zijn arbeidsongeschikte (gewezen) werknemers
(nieuwe oude gevallen, zie paragraaf 3.6). Deze lasten worden als het
ware in het eigen risico dragen betrokken. Bij beëindiging van het
eigen risico dragen geldt het omgekeerde: bestaande WAO-lasten worden meegenomen naar het publieke bestel. Via het
systeem van adaptieve
premies komen de reeds ingegane WAO-lasten tot uitdrukking in de
sectorale, gedifferentieerde premie die de werkgever direct weer verschuldigd
wordt.
Met het oog op het
tegengaan van duiventileffecten geldt voor de werkgever die na een
eigenrisicoperiode is teruggekeerd in het publieke
bestel dat deze alleen
opnieuw eigenrisicodrager kan worden nadat ten minste drie jaren zijn
verstreken.
Ad b. Beëindiging na
opzegging door de instantie die de zekerheidstelling heeft geboden.
Voorts kan zich de
situatie voordoen dat de instantie die de zekerheidstelling heeft geboden niet bereid
is om de zekerheidstelling voor de betreffende onderneming
te continueren. De instantie die de zekerheidstelling heeft geboden, zegt in
feite de zekerheidstelling voor de betrokken onderneming op.
Het is dan van belang dat deze opzegging zo spoedig mogelijk wordt
gemeld bij de bedrijfsvereniging, zodat deze tijdig geëffectueerd kan
worden. Een dergelijke verplichting dient te zijn opgenomen in de
zekerheidstelling.
Om te voorkomen dat een
bank of verzekeraar juist vóórdat een werkgever niet meer in
staat is te betalen de overeenkomst kan opzeggen en de lasten op deze
manier toch nog voor rekening van het publieke stelsel komen, geldt voor
opzegging van de garantie een opzegtermijn van één jaar. Gedurende
de periode van de opzegtermijn blijft de zekerheidstelling
onverminderd van kracht. Daarna dienen de toekomstige lasten van reeds ingegane
WAO-uitkeringen te worden gefinancierd uit de gedifferentieerde
premie.
De voorwaarde van een
opzegtermijn van één jaar impliceert dat een werkgever wiens
zekerheidstelling in de loop van een jaar afloopt op een
andere datum dan 1
januari kan terugkeren in het publieke stelsel. De gevolgen voor het
publieke bestel met betrekking tot de premiestelling zijn overzienbaar. Steeds
moet de opzegging immers worden gemeld aan de bedrijfsvereniging,
met een opzegtermijn van één jaar. Indien de opzegging geschiedt vóór
1 oktober, kan de bedrijfsvereniging bij de premiestelling voor het
komende jaar rekening houden met het feit dat een werkgever terugkeert
in het publieke bestel. Uitsluitend wanneer de beëindiging
plaatsvindt op een datum tussen 1 oktober en 1 januari en de werkgever dus op dezelfde
datum van het jaar daarop terugkeert, kan de bedrijfsvereniging
hiermee geen rekening houden bij de premiestelling. Gezien de korte duur van
deze periode zal dit echter niet tot noemenswaardige problemen leiden.
Uiteraard kan de
werkgever gedurende de opzegtermijn trachten om een schriftelijke
zekerheidstelling overeen te komen met een andere
kredietinstelling of
verzekeraar. Indien deze aan de voorwaarden voldoet, keert de betreffende
werkgever niet terug naar het publieke bestel, maar rblz.|44|
blijft deze
eigenrisicodrager. De hiervoor geschetste gevolgen voor de premiestelling doen zich
dan niet voor.
Ad c. Beëindiging
wanneer de kredietinstelling of de verzekeraar zijn verplichtingen niet kan
nakomen.
Het
eigen risico dragen
kan ook worden beëindigd wanneer de bedrijfsvereniging het gegronde vermoeden heeft dat de kredietinstelling
of verzekeraar de
verplichtingen van de werkgever niet (meer) zal kunnen nakomen. In het algemeen
mag de bedrijfsvereniging ervan uitgaan dat de overgelegde
zekerheidstelling toereikend is. Daarin is immers aangegeven dat de
kredietinstelling of de verzekeraar zich verbindt om de verplichtingen die de
werkgever niet kan nakomen over te nemen; hierbij is geen maximumbedrag
aangegeven. Uiteraard zal de kredietinstelling of de verzekeraar hiermee
rekening houden bij de premiestelling voor de zekerheidstelling. Dit
is een zaak tussen betrokken partijen.
De bedrijfsvereniging
dient bij betalingsonmacht van de werkgever een beroep te doen op de
overgelegde zekerheidstelling en mag er, als regel, ook op vertrouwen dat de
zekerheidstelling wordt nagekomen.
Indien dit onverhoopt
toch niet het geval zou zijn, dient de bedrijfsvereniging de mogelijkheid te hebben
het eigen risico dragen met onmiddellijke ingang te beëindigen. Dit moment is aangebroken indien de
rechtbank de zogenaamde
noodregeling over de betrokken verzekeraar of kredietinstelling heeft
uitgesproken op grond van de bepalingen die staan vermeld in de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk de Wet
toezicht kredietwezen 1992. Omdat het mogelijk is dat in het kader van de noodregeling een
overdracht zal plaatsvinden van (een deel van) de portefeuille, ligt het
voor de hand dat de bedrijfsvereniging voor de beëindiging van het
eigen risico dragen door de werkgever de Verzekeringskamer
of de Nederlandsche Bank NV consulteert. Ingeval de bedrijfsvereniging
het eigen risico dragen
wenst te beëindigen, dient de werkgever een redelijke termijn te
worden gegund om een nieuwe kredietinstelling of verzekeraar te zoeken
die zorg draagt voor de vereiste zekerheidstelling. Indien de werkgever
daarin niet slaagt en het eigen risico dragen wordt beëindigd, gaat
de werkgever met onmiddellijke ingang de sectorale, gedifferentieerde premie betalen. De toekomstige lasten van de
reeds ingegane uitkeringen worden gefinancierd uit de gedifferentieerde premie.
3.6. Financiering van op
het moment van eigen risico dragen reeds ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
De werkgever heeft ieder
jaar de mogelijkheid om op 1 januari de bedrijfsvereniging te verlaten. Met deze stap verlaat hij voor de
arbeidsongeschiktheidslasten
van de eerste vijf jaren de collectief gefinancierde regeling en
draagt hij dus niet meer bij aan de financiering van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de werknemers die deze uitkering ontvangen van
de bedrijfsvereniging waarbij hij is aangesloten. Het betreft die WAO-uitkeringen die zijn ontstaan na het moment van
invoering van het
voorliggende wetsvoorstel en die zijn ingegaan in de vijf jaren voorafgaand
aan het eigen risico dragen van de werkgever (de zogenaamde nieuwe oude
gevallen). Dit heeft tot gevolg dat hij ook niet meer zou bijdragen aan de
financiering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van zijn eigen (ex-)werknemers die gedurende de tijd dat hij nog geen
eigenrisicodrager
was een uitkering op grond van deze wet zijn gaan ontvangen. Door
eigenrisicodrager te worden, zouden de achterblijvende werkgevers deze last
dienen te financieren. Dit is strijdig met de bedoelingen van het onderhavige wetsvoorstel, namelijk dat de lasten
daar komen te liggen waar
ze worden veroorzaakt. De eigen risico dragende werkgever zal dan ook
moeten zorg dragen voor een rblz.|45|
financiering van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die ten behoeve van zijn (ex-)werknemers
worden betaald.
De werkgever heeft ten
aanzien van de financiering van zijn nieuwe oude gevallen de keuze
uit twee mogelijkheden.
In de eerste plaats kan
hij de lasten (inclusief reeds lopende reïntegratiekosten) van zijn nieuwe oude
gevallen direct meenemen en zelf financieren. In plaats van de publieke premie voor de eerste periode betaalt hij
de uitkeringen van zijn
ex-werknemers voor die periode zelf. In de tweede plaats heeft de werkgever
de mogelijkheid om zijn lasten bij de bedrijfsvereniging af te kopen. In het geval
een bedrijfsvereniging voor (een deel van) zijn ex-werknemers
al reïntegratieactiviteiten heeft opgestart, kan deze optie voor een
werkgever aantrekkelijker zijn. De bedrijfsvereniging zet dan deze activiteiten
door. De werkgever heeft voor elk van zijn nieuwe oude gevallen de keuze
uit één van beide genoemde financieringsmogelijkheden.
Het vaststellen van de
totale uitkeringslast van de nieuwe oude gevallen van een werkgever vormt
bij eigen risico dragen geen probleem. De premiedifferentiatie in
de eerste periode is immers gebaseerd op de lasten van de voorgaande
vijf jaren. De bedrijfsvereniging kan voor iedere werkgever die
eigenrisicodrager wil worden derhalve direct vaststellen welke last hij dient te
financieren.
De mogelijkheid van
ontwijkingsgedrag ten slotte, die zowel in het commentaar van het Tica
als in de toets van het Ctsv naar voren wordt gebracht, zal zich bij
eigen risico dragen in de ogen van het kabinet in veel mindere mate
voordoen dan bij de mogelijkheid tot uitstappen. Dit ontwijkingsgedrag bestaat
eruit dat een werkgever zijn lasten kan ontlopen door zijn
bedrijf te beëindigen en als nieuwe werkgever te starten. De
bedrijfsvereniging heeft echter de bevoegdheid om een dergelijke "doorstartende" ondernemer zijn lasten in rekening te
brengen indien duidelijk is dat
van een echte starter geen sprake is.
Bij overgangen van een
onderneming, zoals bedoeld in artikel 1639aa BW, kan de bedrijfsvereniging de overnemende onderneming, indien deze
eigenrisicodrager is, de lasten van de nieuwe oude gevallen van een, in
het publieke stelsel
gebleven, overgenomen onderneming in rekening brengen.
De bedrijfsvereniging kan
zelf vaststellen in welke gevallen sprake is van een verandering van
een onderneming. Indien een onderneming bijvoorbeeld een andere onderneming overneemt, zal de loonsom van het
ene op het andere jaar
fors stijgen. Dit kan voor de bedrijfsvereniging aanleiding geven te
onderzoeken of er sprake is van een overname.
De hoogte van de mee te
nemen lasten of de afkoopsom zijn bij een periode van vijf jaren
tenslotte geringer dan bij het uitstappen voor het totale risico het geval
was. Het financiële voordeel om deze lasten te ontwijken door
omzettingen van een onderneming, die ook kosten met zich meebrengt, wordt
hierdoor eveneens geringer.
3.7. Vaststellen van het
premieniveau nadat voor de werkgever het eigen risico dragen is beëindigd
In het kader van de
premiedifferentiatie is bij het beëindigen van het eigen risico dragen ook
aan de orde welk premieniveau moet worden vastgesteld voor een
werkgever die naar het publieke stelsel terugkeert. De vraag is of de premie
voor een terugkerende werkgever moet worden vastgesteld op de voor de
bedrijfstak vastgestelde gemiddelde premie of dat een korting of opslag
moet worden vastgesteld zoals dat plaatsvindt bij alle werkgevers in de
publieke sector. Naar de mening van het kabinet rblz.|46|
moet ook de naar het
publieke stelsel terugkerende werkgever worden geprikkeld om de
arbeidsomstandigheden in zijn onderneming te verbeteren teneinde het
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. Dat
houdt in dat ook voor de terugkerende werkgever direct een opslag of
korting moet worden vastgesteld.
Een werkgever die
eigenrisicodrager wil worden, moet zijn eigen nieuwe oude gevallen zelf
financieren, met andere woorden, hij neemt zijn eigen lasten mee.
Omgekeerd betekent dit dat een werkgever die het eigen risico dragen wil
beëindigen zijn eigen lasten weer mee terug neemt naar het publieke
stelsel. Dit is een tweede reden om de werkgever direct op basis van zijn
arbeidsongeschiktheidsrisico een opslag of korting op de gemiddelde premie
toe te delen. Indien hij immers minder lasten dan gemiddeld meeneemt,
zou het niet rechtvaardig zijn hem hiervoor niet te belonen.
Omgekeerd kan een werkgever die meer dan gemiddeld lasten mee terug neemt
naar het publieke stelsel dit niet zonder meer afwentelen op het
collectief; het is dan logisch deze werkgever een opslag op de gemiddelde premie
toe te rekenen.
De berekening van de
opslag of korting bij terugkeer vormt geen probleem. Ook in de periode dat een werkgever
eigenrisicodrager is, is
het aantal door hem
gegenereerde arbeidsongeschikten, en dus het arbeidsongeschiktheidsrisico,
bij de bedrijfsvereniging bekend. De bedrijfsvereniging keurt
immers nog steeds en verstrekt de werkgever de gegevens met betrekking
tot de door deze laatste te verstrekken uitkeringen. De berekening van de
opslag of korting kan derhalve onmiddellijk bij terugkeer van de werkgever in het publieke stelsel worden uitgevoerd.
3.8. Samenloop van
uitkeringen
3.8.1. Algemeen
In de bestaande wetgeving
zijn vele situaties mogelijk waarin er meerdere uitkeringen samenlopen. Bijvoorbeeld een
WW-uitkering met
een WAO-uitkering of een WAO-uitkering met een toeslag op grond van de
Toeslagenwet. Wanneer
iemand recht heeft op twee of meer uitkeringen, dient er afstemming
plaats te vinden ten aanzien van zaken als begeleiding,
gegevensuitwisseling, reïntegratie en het inhoudingstraject. Reeds in de bestaande
situatie levert dit soms complexe situaties op. In de nieuwe situatie zal het
aantal gevallen dat er sprake is van een samenloop van uitkeringen toenemen.
Het is straks mogelijk dat iemand in beginsel recht heeft op een
uitkering van een eigen risico dragende werkgever naast een al eerder
ingegane WAO-uitkering. Of bijvoorbeeld een WAZ-uitkering naast een
WAO-uitkering. De verschillende samenloopsituaties vergen een aparte
benadering. In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen van de
samenloop aan de uitkeringskant.
Voor de gevolgen van de
samenloop aan de inhoudingskant zij verwezen naar paragraaf 3.9 van deze memorie.
3.8.2. Samenloop bij de
werknemersverzekering wat betreft de uitkeringskant
Indien een werknemer
meerdere dienstbetrekkingen heeft, is hij ook dubbel verzekerd. De
introductie van de mogelijkheid van eigen risico dragen heeft tot gevolg dat ten
aanzien van één werknemer tegelijkertijd één of meer bedrijfsverenigingen en
eigen risico dragende werkgevers bevoegd kunnen
zijn ter zake van zijn WAO-aanspraken. Hetzelfde is het geval
wanneer iemand die reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft, gaat werken bij een andere rblz.|47|
werkgever dan de werkgever in wiens dienst hij arbeidsongeschikt is
geworden.
In deze situaties is het
van belang dat duidelijk is welke instantie belast wordt met de reïntegratie, wie bevoegd is tot schatting en herschatting en
wie verplicht is uit te betalen, met andere woorden duidelijk dient te zijn
welke instantie bevoegd
is ter zake van de WAO-aanspraken van de werknemer. Voorts is het
van belang dat de WAO-last daar wordt gelegd waar hij ontstaan is. Dit
impliceert dat in sommige samenloopsituaties de bevoegde instantie een
gedeelte van de WAO-last moet kunnen verhalen op de overige instantie(s) waarbij de werknemer verzekerd is. Voorkomen dient immers te worden
dat een eigen risico dragende werkgever die bevoegd is ten aanzien
van de WAO-aanspraken van de arbeidsongeschikt geworden werknemer met meerdere dienstbetrekkingen, de WAO-last
geheel voor eigen
rekening zou moeten nemen.
In de commentaren van het
Tica is ruim aandacht besteed aan de mogelijk nadelige gevolgen van het samenlopen van uitkeringen van
verschillende instanties.
De samenloopregeling
zoals deze was opgenomen in het
wetsvoorstel dat aan het Tica was
voorgelegd, bleek op een aantal belangrijke punten niet te voldoen. Dit is
aanleiding geweest om de samenloop geheel opnieuw in beschouwing te
nemen. Hoewel toen betrekking hebbend op de mogelijkheid van
uitstappen, vertaalt deze nadere beschouwing zich door naar het eigen
risico dragen.
Het uitgangspunt bij het
samenlopen van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers is dat
wordt aangesloten bij de huidige samenloopbepalingen in de WAO. Deze samenloopbepalingen hebben als belangrijkste kenmerk dat
één instantie verantwoordelijk is voor het verstrekken van de
uitkering, de begeleiding, de anticumulatie met inkomsten uit arbeid en
de eventuele herziening van de uitkering. Zouden deze bevoegdheden aan
meerdere instanties worden toebedeeld en zouden beide instanties
ieder hun eigen weg gaan, dan heeft dit nadelige gevolgen voor de uitkeringsgerechtigde. Zo kan hij tegenstrijdige
instructies krijgen op
het punt van de reïntegratie, kan het zijn dat hij wordt geconfronteerd met
meerdere keuringen achter elkaar en kan het gescheiden optrekken van
de uitkerende instanties leiden tot inkomensconsequenties. In de huidige
samenloopbepalingen is in de situatie dat betrokkene op het moment
van uitval twee of meer werkgevers heeft, de bedrijfsvereniging
bevoegd die het hoogste loon verzekert. Indien betrokkene reeds een uitkering
heeft en daarna toegenomen arbeidsongeschikt
wordt, is het de oorspronkelijk bevoegde bedrijfsvereniging die de uitkering herziet,
ongeacht of betrokkene inmiddels elders verzekerd is.
In de nieuwe situatie zal
wanneer er sprake is van twee dienstbetrekkingen en de werknemer wordt
arbeidsongeschikt, conform de huidige situatie, de loonsom in
de verschillende dienstbetrekkingen bepalend zijn voor de vraag jegens
welke instantie de werknemer recht heeft op een uitkering. Indien een
werknemer in dienst is van zowel een eigen risico dragende werkgever als een niet
eigen risico dragende werkgever en recht krijgt op een WAO-uitkering, hangt het dus van de loonsom af of de
eigen risico dragende
werkgever bevoegd is ter zake van deze aanspraak of de bedrijfsvereniging
waarbij de niet eigen risico dragende werkgever is aangesloten. Onder
deze bevoegdheid valt overigens voor de eigen risico dragende werkgever niet
het
beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid en het berekenen van de
hoogte van de uitkering. Dit blijft, ook in geval van eigen risico
dragen, een taak van de bedrijfsvereniging (zie paragraaf
3.4.1).
Mocht de loonsom in beide
gevallen gelijk zijn, dan is de duur van het dienstverband doorslaggevend voor de vraag welke instantie bevoegd is.
rblz.|48|
Om te voorkomen dat de niet-bevoegde instantie in het geheel niet bijdraagt aan de
WAO-last, is voorzien in een verhaalsmogelijkheid op de niet-bevoegde instantie.
De hoogte van dit verhaal bedraagt een naar rato van de loonsomverhouding
vast te stellen gedeelte van de WAO-uitkering. Hiermee wordt gewaarborgd
dat de WAO-lasten evenredig worden verspreid over de
werkgevers waarbij de werknemer ten tijde van zijn uitval in dienst was.
Deze verhaalsmogelijkheid wordt in nadere regels vormgegeven.
Met een voorbeeld kan de
hiervoor geschetste samenloopsituatie worden verduidelijkt.
Mevrouw P werkt bij
werkgever X en werkgever Y. Werkgever X zit bij een bedrijfsvereniging en Y
is eigenrisicodrager. Mevrouw P valt uit en komt na één jaar in aanmerking
voor een WAO-uitkering. Mevrouw P heeft bij werkgever Y de grootste verzekerde loonsom. Dit betekent dat werkgever
Y bevoegd is ter zake van
de aanspraak van mevrouw P op WAO-uitkering (welke aanspraak wordt
vastgesteld door de bedrijfsvereniging van werkgever Y), doch dat een
naar rato van de loonsomverhouding vast te stellen gedeelte van deze
uitkering voor rekening komt van de bedrijfsvereniging waarbij werkgever X is
aangesloten.
Samenloop van
uitkeringsrechten doet zich ook voor indien een werknemer reeds WAO-uitkering geniet, in dienst treedt bij een werkgever
die bij een andere bedrijfsvereniging is aangesloten dan wel eigenrisicodrager
is en vervolgens toegenomen arbeidsongeschikt wordt. In deze situatie is, conform
de huidige samenloopbepalingen, de oorspronkelijk bevoegde instantie
bevoegd tot herziening van de uitkering. Dit geldt dus ook indien de
werknemer inmiddels bij een andere werkgever verzekerd is.
Anders dan bij de
samenloopsituatie waarbij de werknemer op het moment van uitval twee of
meer werkgevers heeft, is bij deze samenloopsituatie niet voorzien in een
verhaalsmogelijkheid. Bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
komt de WAO-last derhalve volledig voor rekening van de oorspronkelijke
bevoegde instantie. De reden om in deze samenloopsituatie van een
verhaalsmogelijkheid af te zien, is met name gelegen in het feit dat
hiervan een reïntegratiebevorderend effect uitgaat. Immers de werkgever die
een gedeeltelijk arbeidsongeschikte in dienst neemt, behoeft in geval
van toegenomen arbeidsongeschiktheid geen WAO-last te dragen.
Bovendien zou verhaal in deze samenloopsituatie haaks staan op het
uitgangspunt dat de WAO-last in principe voor rekening komt van de
werkgever in wiens dienst de werknemer was op het moment dat hij
arbeidsongeschikt werd. Overigens behoeft de eigen risico dragende werkgever de toegenomen WAO-last uiteraard
slechts te dragen indien
en voor zover de toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen de
eigenrisicoperiode valt.
Deze samenloopsituatie
laat zich aan de hand van het volgende voorbeeld illustreren.
Meneer A is werkzaam bij
werkgever Y, die (als niet-eigenrisicodrager) bij bedrijfsvereniging Y
is aangesloten. Meneer A raakt arbeidsongeschikt en krijgt een WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Het
dienstverband met
werkgever Y wordt verbroken. Vervolgens treedt meneer A bij werkgever Z in
dienst en valt hij na enige tijd volledig uit. Na het verstrijken van de
wachttijd wordt de WAO-uitkering door bedrijfsvereniging Y
opgehoogd naar 80-100% arbeidsongeschiktheid. Werkgever Z draagt niet
bij aan de toename van de WAO-last.
Indien werkgever Y eigenrisicodrager zou zijn, zou alleen dan de aanspraak ter zake van de
toename van de arbeidsongeschiktheid voor rblz.|49|
zijn rekening komen
indien de toename van de arbeidsongeschiktheid binnen de
eigenrisicoperiode valt.
De hier bedoelde
samenloopsituatie is in feite ook aan de orde indien een werknemer bij einde
wachttijd geen recht heeft op WAO-uitkering, of zijn WAO-uitkering is ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt
is beoordeeld, en hij vervolgens toegenomen arbeidsongeschikt wordt vanuit dezelfde
oorzaak. Indien in deze situatie de toename van de arbeidsongeschiktheid
binnen vijf jaar plaatsvindt na het moment van einde wachttijd, c.q. de
intrekking van de uitkering, heeft betrokkene opnieuw recht op WAO-uitkering.
Ook in deze situatie is de instantie bevoegd die ter zake van de eerdere
aanspraken op uitkering reeds bevoegd was.
De bovenstaande methodiek
heeft als voordeel dat zij aansluit bij de bestaande systematiek,
eenvoudig uitvoerbaar is en duidelijkheid schept voor de verzekerde. Daarnaast kan zij
reïntegratiebevorderend werken.
Het wordt voor een
werkgever aantrekkelijk om een werknemer in dienst te nemen die een
gedeeltelijke WAO-uitkering heeft.
Immers, nog afgezien van
de mogelijkheid van een loonkostensubsidie en de toepassing van
artikel 29b ZW komen, indien deze werknemer toegenomen
arbeidsongeschikt wordt, de extra WAO-lasten die daarmee gepaard gaan niet voor
rekening van deze werkgever, doch van de instantie die bevoegd is
ter zake van de reeds verstrekte WAO-uitkering.
Dit geldt overigens zowel
voor de eigen risico dragende werkgever als voor de werkgever die bij
de bedrijfsvereniging blijft. Laatstgenoemde werkgever zal immers zijn sectorale gedifferentieerde premie niet
beïnvloed zien door
deze toename van de arbeidsongeschiktheid.
3.8.3. Samenloop bij de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor zelfstandigen, jonggehandicapten en werknemers
In
de vorige paragraaf
was er alleen sprake van samenloop tussen rechten voor werknemers.
Het is echter ook mogelijk dat er sprake is van een samenloop van verzekeringsrechten voor personen die enerzijds als
zelfstandige zijn
verzekerd en anderzijds als werknemer. Hetzelfde kan het geval zijn bij de
voorziening voor jonggehandicapten. In deze samenloopsituaties is het niet mogelijk om
aan te sluiten bij de bestaande systematiek. Immers met het vervallen
van de AAW
en met de introductie van de WAZ en de
Wajong
ontstaat een geheel nieuwe situatie die geen parallel kent in de
bestaande wetgeving. Voor een nadere toelichting op deze samenloop zij
verwezen naar de toelichting bij de wetsvoorstellen WAZ en
Wajong.
3.9. Samenloop van
uitkeringen in verband met premieheffing
In de bestaande wetgeving
zijn vele situaties mogelijk waarin er meerdere uitkeringen samenlopen (bijvoorbeeld een
WW-uitkering met
een WAO-uitkering). Deze
samenloop van uitkeringen geeft in de praktijk complicaties op punten
als gegevensuitwisseling en inhouding (wie houdt wat in?). In het
inhoudingstraject ontstaan met name problemen wanneer er sprake is van
franchises in de diverse premies. Deze zouden namelijk dubbel worden toegepast.
Voor de uitkeringsgerechtigde is het gemakkelijk als hij met maar één uitkerende instantie heeft te maken en dientengevolge ook niet
wordt geconfronteerd met eventuele verschillende inhoudingstrajecten. In
de huidige uitvoering worden de complicaties bij samenloop voor een
deel opgevangen door de uitkeringen gezamenlijk te laten
uitbetalen wanneer er sprake is van een samenloop van uitkeringen van
bedrijfsvereniging(en) die zijn aangesloten bij dezelfde uitvoeringsinstantie
(bijvoorbeeld GAK, GUO). In die gevallen heeft de
rblz.|50|
verzekerde geen "last" van de samenloop van uitkeringen. In de andere gevallen wordt de
werknemer wel geconfronteerd met meerdere uitkeringen. Dit is
misschien niet optimaal, maar leidt niet tot onoverkomelijke problemen en de
uitkeringsgerechtigde ondervindt er geen financieel nadeel van.
Wanneer bijvoorbeeld een
werknemer die werkzaam is bij een eigenrisicodrager gedeeltelijk arbeidsongeschikt en werkloos wordt,
verneemt de eigen risico dragende werkgever de hoogte van de te verstrekken
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de bedrijfsvereniging.
De eigenrisicodrager
moet over deze uitkering de loonheffing en de premies werknemersverzekeringen inhouden en afdragen. In de huidige
situatie worden beide uitkeringen (WW en WAO), als zij door dezelfde bedrijfsvereniging worden
verstrekt voor de loon- en premieheffing, bij elkaar opgeteld. Worden
de uitkeringen door verschillende bedrijfsverenigingen verstrekt, dan blijft
optelling achterwege en ontstaat er een samenloopsituatie. De
verstrekking van een uitkering door een eigenrisicodrager kan nieuwe
samenloopsituaties met zich meebrengen in het geval er naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan betrokkene een
WW-uitkering wordt
verstrekt. Om allerlei ingewikkelde verrekeningen te voorkomen, verdient het de
voorkeur om elke instantie zelf zorg te laten dragen voor het betalen
van de uitkering en het afdragen van de inhoudingen.
Het Tica wijst er terecht
op dat in het verleden al is gebleken dat het treffen van samenloopregels in een aantal gevallen uiterst gecompliceerd
is. Dit geldt met name voor
de samentelling van uitkeringen van verschillende bedrijfsverenigingen en
de situaties dat loon naast uitkering wordt ontvangen. Het kabinet
wil bij de regeling inzake samenloop aansluiten bij het bestaande besluit
Nadere regels berekening premieloon bij samenloop. Dit betekent
dat slechts in een zeer beperkt aantal gevallen rekening wordt gehouden
met samenloop.
3.10. Afdracht aan het
Rijk in geval van WSW-plaatsing
In de WAO
is geregeld dat
in het geval een uitkeringsgerechtigde in een WSW-instelling [WSW: Wet
Sociale Werkvoorziening, zie Wet sociale
werkvoorziening (Wsw), red.] werkzaam
is, de arbeid die hij daar verricht niet als passende arbeid wordt
aangemerkt. De uitkeringsgerechtigde wordt dus niet geschat op deze
arbeid. Wel is bepaald dat het WSW-loon niet mag cumuleren met de
uitkering. De als gevolg van deze anticumulatie uitgespaarde
WAO-uitkering wordt door de bedrijfsvereniging afgedragen aan het Rijk.
Indien een werkgever
eigenrisicodrager is, zal eveneens anticumulatie dienen plaats te vinden
in het geval één van zijn arbeidsongeschikt geworden ex-werknemers
werkzaam wordt in een WSW-instelling. De bedrijfsvereniging zal de
werkgever in zo’n geval melden dat (een deel van) de uitkering niet
aan de ex-werknemer moet worden verstrekt. De werkgever betaalt dan aan
de bedrijfsvereniging, die deze anticumulatiebaten weer doorsluist naar het
Rijk.
Bij de WSW-afdrachten
voor het fonds aan het Rijk werden tot dusverre alleen de bespaarde
bruto-uitkeringen afgedragen. De hierover verschuldigde sociale werkgeverslasten
werden niet afgedragen. Deze bleven met andere woorden binnen de sociale fondsen.
In het
onderhavige wetsvoorstel is geregeld dat ook de werkgeverslasten moeten worden afgedragen.
Voor het publieke bestel betekent dit een verschuiving van de sociale fondsen naar het Rijk. Voor de sociale
fondsen betekent dit een - overigens zeer beperkte - premiestijging. Voor
rblz.|51|
het Rijk betekent dit een
verhoging van het ontvangstenartikel op de begroting.
Naar verwachting zullen
de totale inkomsten van het Rijk hierdoor met ca. ƒ80 mln toenemen.
De voorgestelde wijziging
betekent een betere toerekening van de kosten. De financiering
van de WSW door het Rijk geschiedt immers inclusief sociale werkgeverslasten, waar de inkomsten voor het Rijk (de
bespaarde
uitkeringslasten) exclusief werkgeverslasten worden afgedragen. Deze
onevenwichtigheid wordt thans opgeheven.
3.11. Rechtsgang
In het voorgestelde
systeem van eigen risico dragen is zowel de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid als het afgeven van een
beslissing hierover
voorbehouden aan de bedrijfsvereniging. Wanneer een werkgever zich met zo’n
beslissing, die voor hem belangrijke financiële
consequenties kan hebben, niet kan verenigen, rijst de vraag of hij hiertegen bezwaar of
beroep kan instellen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is
het recht op bezwaar en beroep voorbehouden aan de belanghebbende (artikel 1:2
Awb). Belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij
het besluit betrokken is. Gegeven het feit dat een toekennende WAO-beslissing direct leidt tot een betalingsplicht voor de
eigen risico dragende
werkgever, heeft deze rechtstreeks belang bij de beslissing en derhalve op
grond van de Awb recht op bezwaar en beroep.
In de huidige WAO is
evenwel in artikel 2a een van de Awb afwijkende definitie van het
belanghebbendebegrip opgenomen. Volgens deze
definitie is bij een
besluit dat betrekking heeft op het bestaan of voortbestaan dan wel de mate van
arbeidsongeschiktheid uitsluitend belanghebbende degene op wiens
aanspraken de beslissing betrekking heeft. Reden voor deze afwijking was
het feit dat betwijfeld werd of bij het toelaten van de werkgever in een
arbeidsongeschiktheidsgeschil van de werknemer de in de Awb neergelegde
voorzieningen voldoende bescherming zouden bieden aan de werknemer
als het over zijn medische gegevens gaat (brief van 16 juni 1993, Kamerstukken
II 1992-1993, 22 495, nr. 33).
Handhaving van het
beperkte belanghebbendebegrip zal tot gevolg hebben dat aan de eigen
risico dragende werkgever geen beroepsrecht
toekomt. Het kabinet is
evenwel van mening dat een dergelijke beperking van het beroepsrecht zich
niet verdraagt met het in artikel 6 EVRM [Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.]
opgenomen recht op
toegang tot de rechter. Derhalve moet het in de WAO
opgenomen beperkte belanghebbendebegrip worden verlaten.
Echter, het zonder meer
toelaten van de eigen risico dragende werkgever als derde-belanghebbende bij een beslissing inzake een
WAO-uitkering zal kunnen
leiden tot problemen met betrekking tot de bescherming van de
privacy, zoals onder meer vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8
EVRM, wanneer het gaat om de medische gegevens van de
werknemer.
Een vergelijkbare
situatie heeft zich voorgedaan bij de zogenoemde malusbeslissingen. Op
een aantal punten zijn er echter verschillen. In de malusregeling was
namelijk bepaald dat de werkgever eerst één jaar na de toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de werknemer een malus verschuldigd
was. Omdat zich gedurende dat jaar nog wijzigingen konden
voordoen op grond waarvan de werkgever toch geen malus behoefde te
betalen, kon niet gesteld worden dat de werkgever reeds bij de beslissing
inzake de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
rechtstreekse belangen had. Derhalve kwam de werkgever noch op grond van
artikel 2a WAO, noch op grond van
artikel 1:2 Awb tegen deze beslissing beroepsrecht toe. Een dergelijk
recht had de werkgever
wel bij de beslissing waarin de malus werd rblz.|52|
opgelegd. In het kader
van de uitoefening van dit recht kon de werkgever de juistheid van de
beslissing inzake de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wel aan de orde stellen.
Dit had tot gevolg dat op
twee verschillende momenten en in twee verschillende procedures
aan de rechter een oordeel over de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering kon worden gevraagd: door de
werknemer onmiddellijk
nadat de beslissing inzake de arbeidsongeschiktheidsuitkering
was bekendgemaakt en - geruime tijd later - door de
werkgever bij het door hem ingestelde beroep tegen de malusbeslissing.
In tegenstelling tot de
malusregeling vloeien bij het voorgestelde systeem van eigen risico
dragen uit een beslissing inzake de toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wel rechtstreekse gevolgen voor de werkgever, in de
vorm
van een betalingsplicht, voort. De consequentie hiervan zal zijn dat
zowel de werkgever als de werknemer onmiddellijk tegen deze beslissing
bezwaar respectievelijk beroep kunnen instellen. Er zal derhalve slechts
sprake zijn van één procedure, waarin er twee verschillende
belanghebbenden kunnen zijn.
Met name wat betreft de
bescherming van medische gegevens zal een dergelijk geschil vergeleken met de maluszaken nog tot extra complicaties
kunnen leiden. Immers in
een dergelijke procedure zal voor de werknemer wel recht op kennisname
van zijn medische gegevens bestaan, terwijl de werkgever op grond van de
privacybescherming bij het ontbreken van toestemming van de
werknemer in dezelfde procedure zonder nadere voorziening geen of
slechts een beperkt recht op deze gegevens zou hebben. Dit zou het
beroepsrecht van de werkgever in belangrijke mate illusoir maken en daarmee
op gespannen voet komen te staan met artikel 6 EVRM.
Gezien deze complicaties,
alsmede het feit dat betwijfeld kan worden of de in de Awb
neergelegde
voorzieningen ter bescherming van de privacy voldoende zijn als het
gaat om medische gegevens, acht het kabinet het noodzakelijk om voor
zowel de voorbereiding als de behandeling van bezwaar en beroep tegen
dergelijke besluiten een aanvullende regeling te treffen, waarin het
grondrecht van de werknemer op privacybescherming en het grondrecht van de
werkgever op een eerlijk proces zo goed mogelijk met elkaar
worden verzoend. Vooralsnog is ervoor gekozen om deze regeling, die op een
aantal punten afwijkt van de Awb, neer te leggen in de WAO. In het kader
van de evaluatie van de Awb zal worden bezien of deze regeling in de Awb
zelf kan worden opgenomen.
Naar het oordeel van het
kabinet wordt met een wettelijke regeling ter zake de rechtszekerheid gediend. Daarnaast wordt voorkomen dat de
rechterlijke macht aanzienlijk wordt belast doordat telkens opnieuw in het
concrete geval een
afweging moet worden gemaakt tussen beide grondrechten.
Uitgangspunt van de
regeling is dat de werkgever zelf alleen recht heeft op inzage in dan
wel
kennisname of toezending van stukken die medische gegevens bevatten, indien
de werknemer hiervoor schriftelijk toestemming heeft
gegeven.
Wordt deze toestemming
niet gegeven, dan mogen de betreffende stukken slechts worden
verstrekt aan een gemachtigde van de werkgever, die arts is. Deze gemachtigde treedt ook in de plaats van de werkgever bij
de voorbereiding van de beslissing alsmede bij het instellen en de behandeling van het
bezwaar en beroep, voor zover deze voorbereiding of behandeling betrekking
heeft op medische gegevens.
Aan de keuze om medische
gegevens slechts ter beschikking te stellen aan een gemachtigde die
arts is, zijn twee belangrijke voordelen verbonden.
rblz.|53|
Naar de opvatting van het
kabinet, zoals ook verwoord bij de behandeling van de Wulbz, is voor een
gedegen beoordeling en analyse van dergelijke gegevens een medische deskundigheid vereist.
Over een dergelijke
deskundigheid beschikt de werkgever in de regel niet, maar wel de door
hem aangewezen gemachtigde.
Het tweede voordeel is
dat de gehoudenheid van de arts aan zijn beroepsgeheim voorkomt
dat de gegevens in andere handen terecht zullen komen.
Het is de
arts-gemachtigde wel toegestaan om aan de werkgever een samenvatting van
zijn
bevindingen te verstrekken. Het spreekt voor zich dat deze samenvatting
niet herleidbaar mag zijn tot medische gegevens. Daarnaast zal voor de
arbeidskundige beoordeling meer informatie vereist zijn. Hierbij gaat het om
gegevens over de beperkingen die de werknemer tengevolge van zijn
ziekte of gebrek ondervindt. Vanuit het oogpunt van privacybescherming wordt
het verstrekken van dergelijke informatie bijvoorbeeld in de vorm
van beperkingenpatroon, echter zonder vermelding van gegevens
over de aard van de ziekte of de oorzaak van de beperkingen, door de arts-gemachtigde aan de werkgever niet bezwaarlijk
geacht.
Op die manier wordt
voorkomen dat de regeling inzake de medische informatie de werkgever
in een achterstandssituatie ten opzichte van de werknemer of de bedrijfsvereniging plaatst.
Het staat de werkgever
vrij om al dan niet een arts-gemachtigde aan te wijzen. Wanneer hij dit
echter nalaat, zal dit voor hem als consequentie hebben dat het deel van
het dossier dat betrekking heeft op medische gegevens gesloten blijft.
In het geval de werkgever zich uitsluitend wil richten op de niet-medische aspecten van de beslissing is dit niet bezwaarlijk. Wanneer de
werkgever echter verweer wil voeren tegen de medische beoordeling van
de beslissing, kan het niet aanwijzen van een arts-gemachtigde een
dergelijk verweer ernstig bemoeilijken, zo niet onmogelijk maken.
Het aanwijzen van een
arts-gemachtigde zal voor de werkgever tot gevolg hebben dat extra
kosten moeten worden gemaakt. Overeenkomstig de uitgangspunten van de Awb
blijven deze kosten voor zover zij betrekking hebben op de
voorbereiding van het medisch besluit en de behandeling van bezwaar
voor rekening van de werkgever. Voor kosten gemaakt in beroep
voorziet het Besluit proceskosten bestuursrecht thans niet in de mogelijkheid
om deze kosten in de proceskostenveroordeling mee te nemen. Het ligt in
het voornemen van het kabinet het besluit op dit punt aan te passen.
Naar de opvatting van het
kabinet wordt met de hiervoor uiteengezette regeling op een zo
evenwichtig mogelijk wijze recht gedaan aan de grondrechten van zowel
werkgever als werknemer. Daarbij zijn de toepasselijke bepalingen
van de Grondwet en internationale verdragen in acht genomen. Hoewel in
de regeling bij het ontbreken van toestemming van de werknemer wordt
afgeweken van de bepalingen van de Awb die betrekking hebben op
onder meer de inzage van stukken, wordt het recht op een eerlijk proces van
de werkgever gegarandeerd door inschakeling van een door hem aangestelde gemachtigde, die arts is. Voor zover
medische gegevens van
belang zijn voor de besluitvorming, treedt deze gemachtigde namens de
werkgever op. In deze hoedanigheid heeft hij op grond van het
wetsvoorstel toegang tot alle relevante medische gegevens en bevindt hij zich aldus
in een positie die gelijkwaardig is aan die van de bedrijfsvereniging en de
werknemer. Langs deze weg kunnen de belangen van de werkgever op
toereikende wijze worden gewaarborgd.
rblz.|54|
Voor de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van de werknemer is essentieel dat slechts een arts als gemachtigde van de
werkgever mag optreden.
Een arts is uit hoofde van het medisch tuchtrecht gebonden aan
het medisch beroepsgeheim en is derhalve niet bevoegd de uit hoofde van
zijn functie verkregen gegevens aan derden te verstrekken. Deze
absolute geheimhoudingsverplichting geldt onverkort ook jegens de werkgever
namens wie hij handelingen verricht. Als gevolg van deze constructie
blijft de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
van de betrokken werknemer tot een minimum beperkt. In het licht van
artikel 8 EVRM is de verstrekking van medische gegevens aan uitsluitend
de arts-gemachtigde te beschouwen als een proportionele maatregel
die nodig is in het belang van de rechten en vrijheden van anderen -
namelijk het recht op een eerlijk proces van de werkgever - en derhalve
als een beperking die met artikel 8, tweede lid, EVRM verenigbaar is. Over
de onderhavige regeling heeft ambtelijk overleg plaatsgevonden
met de Registratiekamer; de Registratiekamer onderschrijft in deze het
oordeel van het kabinet.
3.12. Wijziging van de
Wet op de ondernemingsraden
Ten aanzien van het
eigen risico dragen doet zich de vraag voor in hoeverre werknemers bij
de beslissing van de werkgever om eigenrisicodrager te worden, betrokken
moeten worden. Enerzijds gaat deze beslissing over een arbeidsongeschiktheidsregeling voor werknemers. In
die zin gaat het om een
voor werknemers belangrijke voorziening die de inkomensbescherming bij arbeidsongeschiktheid regelt. Dit rechtvaardigt
op zichzelf reeds enige
betrokkenheid in welke vorm dan ook. Anderzijds moet bedacht worden dat
de werkgever de kosten van het eigen risico dragen geheel zelf draagt.
In het
wetsvoorstel is
vastgelegd dat hij de private premies bij verzekering van het eigen
risico dragen niet op de werknemer mag verhalen.
Voorts zijn de hoogte en
duur van de uitkering voor werknemers bij eigen risico dragen
gewaarborgd.
Enerzijds is er dus
sprake van een belang voor werknemers bij de beslissing tot eigen risico
dragen omdat het gaat over een voor hen
belangrijke voorziening, anderzijds zou hier ook het adagium "wie betaalt,
bepaalt" van toepassing
kunnen zijn. Met name vanwege het feit dat de werkgever zelf de kosten
van het eigen risico dragen draagt, zonder verhaalsmogelijkheid op
de werknemer, ligt het in de rede dat de werkgever zelf de
vrijheid heeft over het al dan niet eigen risico dragen te beslissen. Omdat de
beslissing over het eigen risico dragen echter ook gaat over een belangrijke
voorziening voor werknemers en de werkgever die eigenrisicodrager
wordt het primaat voor de reïntegratie heeft, is het gewenst dat enige vorm
van inspraak ten aanzien van het eigen risico dragen aan werknemers wordt
gegeven. Instemmingsrecht op dit punt voor de
ondernemingsraad acht het kabinet niet gewenst, maar wel adviesrecht. In de
Invoeringswet [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.] wordt voorgesteld de
Wet op de
ondernemingsraden op dit
punt te wijzigen.
3.13. Samenvattend
overzicht van de financiering van de lasten
In onderstaand overzicht
is, als afsluiting van dit hoofdstuk, samenvattend aangegeven welke lasten
worden gefinancierd uit de basispremie c.q. sectorale premie dan
wel ten laste van de eigenrisicodrager komen. rblz.|55|
|
Basispremie
|
Sectorale
premie
|
| Bestaande gevallen
|
Nieuwe
gevallen
|
Nieuwe
gevallen
|
|
| |
|
Eigenrisicodrager
|
Niet-eigenrisicodrager |
| Uitkeringslasten
|
Uitkeringslasten
|
Uitkeringslasten
|
Uitkeringslasten
|
| Werkgeverspremies
|
Werkgeverspremies
|
Werkgeverspremies
|
Werkgeverspremies
|
| Uitkeringskosten
(integraal) |
Uitkeringskosten
(integraal) |
|
|
Reïntegratie-
instrumenten: |
Reïntegratie-
instrumenten: |
Reïntegratie-
instrumenten: |
Reïntegratie-
instrumenten: |
|
loonkostensubsidie
|
loonkostensubsidie
|
|
|
| loonsuppletie
|
loonsuppletie
|
|
|
scholing
en opleiding
|
scholing
en opleiding voor zover langer dan vijf jaar voor arbeidsongeschikte
werknemers
|
scholing en opleiding
voor zover korter dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte werknemers
|
scholing en opleiding
voor zover korter dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte
werknemers
|
| |
scholing en opleiding
voor de gehele periode voor niet-WAO-verzekerden
|
|
|
werkvoorzieningen
gericht op werknemer
|
werkvoorzieningen
voor zover langer dan vijf jaar voor arbeidsongeschikte
werknemers
|
werkvoorzieningen
voor zover korter dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte werknemers
|
werkvoorzieningen
voor zover korter dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte werknemers
|
| |
werkvoorzieningen
voor de gehele periode voor niet-WAO-verzekerden
|
|
|
werkvoorzieningen
gericht op bedrijf
|
werkvoorzieningen
voor de gehele periode gericht op bedrijf
|
|
|
toelage en vergoeding
|
toelage en vergoeding voor
zover langer dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte werknemers
|
toelage en vergoeding
voor zover korter dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte werknemers
|
toelage en vergoeding
voor zover korter dan vijf
jaar voor arbeidsongeschikte werknemers
|
| |
toelage en vergoeding
voor de gehele periode voor niet-WAO-verzekerden
|
|
|
vervoersvoorzieningen
in combinatie met
werkvoorzieningen
|
vervoersvoorzieningen
in combinatie met
werkvoorzieningen
|
|
|
blindengeleidehond in
combinatie met werkvoorzieningen
|
blindengeleidehond in
combinatie met werkvoorzieningen
|
|
|
NB: Waar in deze tabel
gesproken wordt over vijf jaar wordt hier de eerste vijf jaar van arbeidsongeschiktheidslasten van de werknemer bedoeld. Hier
kan het eerste ziektejaar nog bijkomen.
Alle lasten (uitkeringen,
uitvoeringskosten en alle reïntegratie-instrumenten) met betrekking tot
uitkeringsgerechtigden die vóór inwerkingtreding van onderhavig
wetsvoorstel al recht op een uitkering hadden (de bestaande
gevallen), worden gefinancierd uit de landelijk uniforme basispremie.
Daarnaast worden uit deze basispremie gefinancierd de uitkeringslasten
(inclusief werkgeverspremies) van uitkeringsgerechtigden die na inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel een uitkering krijgen (nieuwe gevallen)
voor zover deze uitkering langer duurt dan vijf jaar. Verder komen ten
laste van de basispremie alle uitvoeringskosten met betrekking tot nieuwe
gevallen, inclusief de uitkeringen die korter dan vijf jaren duren. De
reden hiervoor is dat ook eigenrisicodragers voor een belangrijk deel gebruik
blijven maken van het publieke bestel. Zij zijn echter geen sectorale
premie verschuldigd. Om ook eigenrisicodragers te laten participeren in de
financiering van de uitvoeringskosten zijn deze laatste ten laste van de
basispremie gebracht. Deze oplossing is bovendien eenvoudiger dan
een ingewikkelde toerekening van de kosten van de publieke sector aan de eerste periode en de periode daarna.
Ten laste van de
basispremie komen ten slotte een groot aantal reïntegratie-instrumenten.
In de eerste plaats betreft het reïntegratie-instrumenten die juist zijn gericht op
de werkgever teneinde deze te stimuleren
arbeidsongeschikte werknemers in dienst te nemen dan wel te houden
(loonkostensubsidie, loonsuppletie). Deze kunnen uiteraard niet rblz.|56|
bij de werkgever in
rekening worden gebracht en komen dus ten laste van alle werkgevers tezamen.
In de tweede plaats gaat het om de reïntegratie-instrumenten die niet aan een
individuele werkgever in rekening kunnen worden gebracht. Het gaat
dan om scholing en opleiding, werkvoorzieningen, alsmede toelagen en
vergoedingen ten behoeve van niet-WAO-verzekerde personen (bijvoorbeeld
bijstandsgerechtigden). Daarnaast gaat het om de voorzieningen
die gericht zijn op het bedrijf. In de derde plaats betreft het de
instrumenten (scholing en opleiding, werkvoorzieningen en toelagen en vergoedingen)
voor zover zij de duur van vijf jaren overstijgen. In de vierde
plaats ten slotte betreft het de kosten van vervoersvoorzieningen in
combinatie met leefvoorzieningen alsmede de blindengeleidehond. Beide
voorzieningen zijn gekoppeld aan een leefvoorziening en zijn derhalve niet te splitsen naar een algemeen en een
arbeidsongeschiktheidsspecifiek deel.
Ten laste van de
sectorale premie dan wel de eigenrisicodrager komen de uitkeringslasten
(inclusief werkgeverspremies) van nieuwe gevallen voor de eerste vijf jaren
alsmede de reïntegratie-instrumenten die aan een individuele werkgever
kunnen worden toebedeeld. Het gaat dan om de kosten voor
arbeidsongeschikte werknemers van scholing en opleiding, alsmede
werkvoorzieningen, voor zover zij de eerste vijf jaren na intreding van de
arbeidsongeschiktheid betreffen.
4. De internationale en
Europeesrechtelijke aspecten
4.1. Internationale toets
De in dit
wetsvoorstel neergelegde wijzigingen inzake premiedifferentiatie en inzake de mogelijkheid
voor de werkgever het arbeidsongeschiktheidsrisico
zelf te dragen, zijn door het kabinet getoetst aan EG-regelgeving en aan
de verplichtingen van normverdragen van de Internationale
Arbeidsorganisatie en de Raad van Europa. Het kabinet meent dat deze
voorstellen de toets aan de internationale verplichtingen kunnen doorstaan.
4.2. EG-regelgeving
De voorstellen kunnen
vragen oproepen die verband houden met uiteenlopende terreinen
van het gemeenschapsrecht. Achtereenvolgens worden hier behandeld de raakvlakken met het mededingingsrecht,
alsmede, in
grensoverschrijdende situaties, het vrije dienstenverkeer en de coördinatievoorschriften inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers.
Mededinging
Een belangrijke
doelstelling van het wetsvoorstel is de prikkeling van werkgevers en werknemers
om het arbeidsongeschiktheidsvolume terug te dringen door middel
van preventie en verzuimbegeleiding. De financiële prikkel
hiervoor wordt onder meer gevonden in een stelsel van gedifferentieerde premies
en de mogelijkheid tot het dragen van eigen risico. De introductie
van meer marktwerking in de WAO kan van betekenis zijn voor de
positie van de bedrijfsverenigingen onder het toepasselijke gemeenschapsrecht op het terrein van de mededinging.
Indien de uitoefening van
de taken en bevoegdheden van de bedrijfsvereniging in het nieuwe stelsel
zouden moeten worden aangemerkt als de uitoefening van een
economische activiteit, zou een bedrijfsvereniging rblz.|57|
kunnen worden aangemerkt
als een onderneming in de zin van het toepasselijke gemeenschapsrecht. De vraag of de bedrijfsverenigingen in het nieuwe systeem een
economische activiteit uitoefenen, beantwoordt het kabinet ontkennend. Noch ten aanzien van de premiedifferentiatie,
noch in het stelsel van
het eigen risico oefent de bedrijfsvereniging een economische activiteit in
de zin van het gemeenschapsrecht uit.
De eerste belangrijke
wijziging betreft de premiedifferentiatie. Wat de vaststelling van de
premie voor de individuele onderneming betreft, kan het volgende worden opgemerkt. Het stelsel van adaptieve premies is
volledig wettelijk
geregeld. De bedrijfsvereniging dient een gemiddelde kostendekkende sectorale
premie vast te stellen voor de bedrijfstak. De premieberekening voor de
individuele onderneming vindt plaats aan de hand van een wettelijk
voorgeschreven methodiek op basis van de arbeidsongeschiktheidslasten
van de individuele onderneming, gemitigeerd door een jaarlijks door
de minister vast te stellen aanpassingcoëfficiënt, en eventueel een
maximum- of minimumpremie. In dit stelsel ontbreekt derhalve een
discretionaire bevoegdheid voor de bedrijfsvereniging om factoren vast te
stellen die bij de premieberekening jegens de individuele onderneming
een rol kunnen spelen. Zij voert de wettelijke voorschriften uit in een
gebonden bevoegdheid. In deze situatie kan geen raakvlak ontstaan met de
mededingingsvoorschriften van het gemeenschapsrecht.
De tweede belangrijke
wijziging in dit
wetsvoorstel wordt gevormd door de introductie van de
mogelijkheid voor werkgevers het arbeidsongeschiktheidsrisico
zelf te dragen. In dit stelsel waarin de werkgever ervoor kan
kiezen het risico zelf te dragen gedurende een vastgesteld aantal jaren
zal het recht op uitkering, alsmede de hoogte ervan, worden vastgesteld
door de bedrijfsvereniging. De werkgever moet deze uitkering aan de
werknemer betalen. Indien de werkgever hierbij in gebreke blijft, kan de
werknemer terugvallen op de bedrijfsvereniging. Het wordt voorts geheel aan
de werkgever overgelaten of hij dit risico wil verzekeren bij een
private verzekeraar.
De vraag kan worden
opgeworpen of het bestaan van de mogelijkheid het risico zelf te dragen
tot gevolg heeft dat de bedrijfsvereniging moet worden aangemerkt als een
onderneming in de zin van het gemeenschapsrecht. Ook
hier is van belang de vraag of de bedrijfsvereniging kan worden geacht een
economische activiteit uit te oefenen.
Het kabinet meent dat een
bedrijfsvereniging een functie van uitsluitend sociale aard vervult en
baseert dit oordeel op de volgende overwegingen. Een bedrijfsvereniging is
belast met de uitvoering van de wettelijke socialezekerheidsregelingen. De uitoefening door de bedrijfsvereniging van de wettelijk
opgedragen taken vindt slechts plaats in een gebonden bevoegdheid. Het gaat
daarbij om het vaststellen en het innen van de premies, het toekennen
van uitkeringen en de bepaling van de hoogte van de uitkeringen. Ook het
verlenen van toestemming aan de individuele onderneming om het eigen
risico te dragen, geschiedt buiten de bedrijfsvereniging om en uitsluitend aan de
hand van de in de wet neergelegde voorschriften en
criteria. De reïntegratie- en preventiestimulansen schaart het kabinet onder de
algemene opdracht aan de bedrijfsvereniging om het arbeidsongeschiktheidsvolume
terug te dringen.
Voorts moet worden
vastgesteld dat het publieke bestel zich kenmerkt door een verplichte
verzekering van rechtswege en dat een bedrijfsvereniging zich onderscheidt
van een
private verzekeraar doordat zij een acceptatieplicht heeft
zonder enige risicoselectie op het niveau van de individuele onderneming.
De wettelijke regeling waarom het hier gaat, de WAO, is voorts gebaseerd
op het solidariteitsbeginsel: de uitkeringen van arbeidsongeschikte
werknemers zijn niet evenredig aan de betaalde premies, maar worden in de
eerste fase gebaseerd op het laatstverdiende rblz.|58|
loon, terwijl in de
vervolgfase het uitkeringsbedrag afhankelijk is van de leeftijd van de belanghebbende. De uitkeringen worden gefinancierd uit
de premies die door werkgevers worden betaald over het loon van hun actieve werknemers. Ook
werknemers voor wie door hun werkgever in het verleden ten onrechte
geen premies zijn afgedragen, hebben recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Tot slot dient te worden
vermeld dat een bedrijfsvereniging, anders dan bij een particuliere
verzekeraar het geval kan zijn, geen winstoogmerk heeft en dat de financiering plaatsvindt op basis van het omslagstelsel. Al
deze omstandigheden in aanmerking genomen, komt het kabinet tot de conclusie dat
bedrijfsverenigingen geen economische activiteit uitoefenen en bijgevolg niet kunnen
worden aangemerkt als een onderneming in de zin van het
gemeenschapsrecht.
De bedrijfsvereniging zal
derhalve zijn rol blijven behouden als instelling die een
sociale activiteit in de zin van het communautaire recht verricht, in de uitleg
die het Hof van Justitie EG daaraan heeft gegeven in zijn arrest van 17
februari 1993, zaak C-159/91 en 160/91 (Poucet en Pistre) Jur. 1993, blz. I-637. De
introductie van de mogelijkheid voor een werkgever zelf het risico
te dragen, heeft niet tot gevolg dat deze sociale activiteit het karakter
krijgt van een economische activiteit in de zin van het communautaire mededingingsrecht. Hieraan doet ook niet af dat deze
werkgever op zijn beurt
een verzekeraar kan inschakelen om zijn risico te verzekeren. De
bedrijfsvereniging staat geheel buiten deze beslissing en buiten de verhouding
tussen werkgever en verzekeraar. Zij blijft ten aanzien van de
aangesloten werkgevers haar wettelijke taak uitvoeren. Hier kan een parallel
worden getrokken met de situatie die tot 1 maart 1996 bestond in het kader
van de Ziektewet. Ook daar kon geen twijfel rijzen aan het sociale karakter van de activiteiten van de bedrijfsverenigingen
bij het gelijktijdig
bestaan van de mogelijkheid het risico zelf te dragen.
Vrije dienstverrichting
Wat betreft het vrije
dienstenverkeer is het volgende van belang. De werkgever neemt vrijwillig het eigen risico op zich. Daarbij is hij vrij iedere
verzekeraar in te
schakelen die hij verkiest. Het kan hier ook gaan om een buiten Nederland
gevestigde verzekeraar. Aan de laatste hoeven door de overheid geen nadere
voorwaarden te worden gesteld ter bescherming van de belangen van de
werknemer. De laatste heeft immers slechts te maken met de
bedrijfsvereniging als de instantie die beslist over zijn recht op uitkering
en het
bedrag ervan, terwijl zijn werkgever slechts een rol speelt als uitbetalende
partij.
De verhouding tussen
werkgever en verzekeraar kan geheel naar eigen inzichten tussen beide
worden geregeld. Ten aanzien van de verzekeringsovereenkomst en de verzekeraar
interfereren deze voorstellen derhalve op geen enkele wijze met de Europese
schadeverzekeringsrichtlijnen.
4.3. Coördinatievoorschriften inzake sociale zekerheid
De voorgenomen
introductie van de mogelijkheid het eigen risico te dragen, zal geen problemen
opleveren op het terrein van de grensoverschrijdende coördinatie van socialezekerheidsregelingen.
De verhouding van een
werknemer tot de bedrijfsvereniging is in het voorstel geen andere dan
de huidige. In grensoverschrijdende situaties (werknemer woont buiten Nederland of de werkgever is buiten Nederland
gevestigd) zijn de
Europese coördinatievoorschriften in Verordening (EEG) nr. 1408/71
betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers, alsmede de
verdragen inzake sociale zekerheid die van toepassing zijn in de
betrekkingen met andere staten, onverkort van toepassing. De werkgever
fungeert immers alleen als uitbetalingsloket. rblz.|59|
Diens activiteit kan
worden gekenschetst als het doorbetalen van het loon tot het bedrag van de
wettelijke uitkering. Anders dan in het kader van de Wulbz
zal een werkgever
echter niet kunnen worden aangemerkt als "bevoegd orgaan" in de
zin van de genoemde coördinatie-instrumenten in het verkeer met buiten
Nederland gevestigde socialezekerheidsorganen. De bedrijfsvereniging
blijft het bevoegd orgaan, omdat zij het recht op uitkering en het
bedrag ervan vaststelt.
Wat betreft kosten die
zijn gemoeid met de keuringen die op grond van genoemde verordening of
een verdrag moeten plaatsvinden in een andere staat, dan wel de reiskosten van de belanghebbende en zijn
eventuele begeleider naar
Nederland om hier een keuring te ondergaan op last van de
bedrijfsvereniging, kan worden opgemerkt dat deze evenals voorheen ten laste komen
van de bedrijfsvereniging. Deze kosten worden gefinancierd uit de
bovensectorale premie.
Het Tica merkt op dat er
problemen kunnen ontstaan bij de toepassing van de premiedifferentiatie in het geval de werkgever in het buitenland is
gevestigd, waar hij werknemers in dienst heeft die onderworpen zijn aan de Nederlandse
socialezekerheidswetgeving. Het opleggen van de opslag of korting gebeurt aan de
hand van het aantal werknemers aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend.
Dit betreft echter niet
het totale aantal van zijn werknemers dat arbeidsongeschikt is geworden, maar beperkt zich tot dat deel van zijn
werknemers dat ook
onderworpen is aan de Nederlandse sociale wetgeving. Aangezien deze
gegevens bij de bedrijfsvereniging bekend zijn, voorziet het
kabinet bij de uitvoering in de premiedifferentiatie op dit punt geen problemen.
4.4. Normverdragen
In de Verdragen nrs. 102,
121 en 128 van de Internationale Arbeidsorganisatie en in de Europese Code
inzake sociale zekerheid van de Raad van Europa zijn onder
meer bepalingen opgenomen omtrent overheidstoezicht op en
organisatie en uitvoering van de sociale zekerheid. Op dit punt
schrijven deze verdragen voor dat vertegenwoordigers van de beschermde
personen (de werknemers) deel moeten nemen aan het beheer van de
uitvoering of daarbij met adviserende stem betrokken moeten zijn
indien de regeling niet wordt uitgevoerd door een overheidsinstelling. De
term "beheer" ("administration") ziet daarbij uitsluitend op de
uitvoeringsorganisatie. Zoals reeds eerder is aangegeven, blijft volgens het
onderhavige wetsvoorstel uitsluitend de bedrijfsvereniging bevoegd tot uitvoering
van de wettelijke regeling. De bedrijfsvereniging blijft het orgaan dat
oordeelt over het recht op uitkering en het bedrag van de uitkering
vaststelt.
Op basis van artikel 56
van de Osv heeft de bedrijfsvereniging tot taak voor het onderdeel van
het bedrijfs- en beroepsleven waarvoor zij is erkend een aantal werknemersverzekeringen, waaronder de
WAO uit te
voeren. Het bestuur van
de bedrijfsvereniging is paritair samengesteld; vertegenwoordigers van
werkgevers- en werknemersorganisaties participeren hierin.
Waar voor de uitvoering
van het arbeidsongeschiktheidsbeleid sprake is van een paritaire
verantwoordelijkheid, kan derhalve worden geconcludeerd dat aan de verdragsverplichtingen wordt voldaan.
rblz.|60|
5. Flankerend beleid
5.1. Doelstelling
flankerend beleid
Met de Wulbz
en de Wet Amber is reeds flankerend beleid ingezet om de nadelige gevolgen
van de introductie van marktwerking in de socialezekerheidswetgeving voor mensen met gezondheidsproblemen te voorkomen. Het kabinet
verwacht een aanzienlijk positief effect van de in de Wet Amber vastgelegde
(wettelijke) reïntegratie-instrumenten, zoals de loonsuppletie, de
loonkostensubsidie, de verbetering van het arbeidsaanbod van
arbeidsgehandicapten en het stimuleren van de vraag naar
arbeidsgehandicapten.
Het aldus versterkte en
deels nieuw ingerichte reïntegratie-instrumentarium zal een positieve
uitwerking hebben op het selectiebeleid. In ieder geval zullen
hiermee werkgevers die twijfels hebben om mensen met een
arbeidshandicap aan te nemen, over de streep getrokken kunnen worden.
In aanvulling daarop wil
het kabinet nog op de volgende terreinen maatregelen inzetten:
- het brede terrein van
werving en selectie;
- een verbod op
keuringen; initiatief-wetsvoorstel-Van Boxtel;
- premievrijstelling
voor "chronisch zieken";
- voorlichting en
deskundigheidsbevordering.
5.2. Werving en selectie
Het sollicitatiegesprek
is bedoeld om wederzijds inzicht te verkrijgen en te verschaffen over de
functie en de daaraan te stellen eisen. De werknemer is verplicht de
voor de functie relevante informatie over zijn persoon op tafel te
leggen, de werkgever dient de functierelevante informatie te
verstrekken. Informatie die voor de functievervulling niet relevant is, hoeft niet
verstrekt te worden. In de aanbevelingen inzake wervings- en selectiebeleid van 1 maart 1991 van de Stichting van de
Arbeid wordt hierop nader ingegaan. Deze aanbevelingen hebben nadrukkelijk ook
betrekking op vragen naar gezondheid en ziekteverleden van de sollicitant. De
aanbevelingen voorzien erin dat eventuele klachten worden ingediend bij de
betreffende arbeidsorganisatie, waarbij ook de ondernemingsraad een rol
kan vervullen.
Uiteraard is het van
belang dat over de in sollicitatieprocedures in acht te nemen regels brede
bekendheid bestaat. Om die reden heeft de RCO [Raad van de Centrale
Ondernemingsorganisaties, red.] een breed toegankelijke brochure over werving en selectie van
werknemers vervaardigd en
verspreid onder de leden van de in de RCO samenwerkende
organisaties. Voorts zal in overleg met RCO en MKB-Nederland worden
nagegaan of verdere voorlichting met name ook richting midden- en kleinbedrijf mogelijk is. Tot slot zij vermeld dat in 1996 door de Inspectiedienst van het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid wordt nagegaan hoe de doorwerking van de aanbevelingen van de Stichting van de
Arbeid in CAO’s en bedrijven verloopt en hoe feitelijke
klachtenafhandeling plaatsvindt.
Vooruitlopend op de
resultaten van dit onderzoek wordt overwogen om een meldpunt Werving en
selectie op te richten waar sollicitanten vragen en klachten over sollicitatieprocedures kunnen melden. In het kader
daarvan zal tevens de
voorlichting aan werknemers over de rechten en plichten bij
sollicitaties aan de orde worden gesteld.
rblz.|61|
5.3. Verbod van
keuringen; initiatief-wetsvoorstel-Van Boxtel
Aanstellingskeuringen
vormen in toenemende mate een barrière voor mensen met een arbeidshandicap om toegang tot arbeid te krijgen. Te pas
en te onpas wordt
gekeurd: voor de aanstelling, voor pensioenen, voor verzekeringen.
Door het huidige en ook het vorige kabinet is diverse malen gewezen op de beperkte
waarde van medische keuringen. Met name waar het om de mogelijkheden
gaat om door middel van medische keuringen toekomstig ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid in te schatten. Deze mogelijkheden zijn
beperkt, zo niet nihil (zie onder meer het onderzoek van NIGP/TNO,
1993, van het RIVM, 1994, het kabinetsstandpunt inzake het gebruik van
voorspellend medisch onderzoek bij keuringen (Kamerstukken II 1993-1994, 23 612, nr. 1) en het advies van de Gezondheidsraad
"Keuren
en voorspellen", 1994). Het stimuleren van zelfregulering was
daarbij het adagium.
Op 1 januari 1996 is het
Protocol Aanstellingskeuringen in werking getreden. In dit protocol
zijn afspraken neergelegd die door de betrokken partijen zijn gemaakt
over het gebruik van de aanstellingskeuring. Naar verwachting zal de
klachtenregeling Protocol Aanstellingskeuringen binnenkort, met financiële steun van de overheid, in werking treden.
De
meeste bij het
opstellen van het protocol betrokken organisaties zijn echter van mening
dat kaderwetgeving noodzakelijk is om naleving en effectiviteit van het
protocol te waarborgen. Verder laten recente onderzoeksresultaten zien
dat een fiks aantal bedrijven die voorheen nooit keurden, nu
aanstellingskeuringen gebruiken als nieuw beleid naar aanleiding van de recente
wet- en regelgeving. Het blijkt daarbij vooral om kleinere bedrijven te
gaan (zie Ctsv-onderzoek: risicoselectie op de Nederlandse arbeidsmarkt
1995). Het kabinet acht deze ontwikkeling zorgwekkend. Kennelijk
zijn individuele werkgevers er nog steeds niet van overtuigd dat gebruik van
aanstellingskeuringen alleen in zeer beperkte omstandigheden te
rechtvaardigen is. Voorkomen moet worden dat deze ontwikkeling door voorliggende
wetsvoorstel wordt versterkt. Daarom vindt het kabinet dat het
klip en klaar moet zijn dat aanstellingskeuringen niet gebruikt mogen
worden, tenzij daarvoor een redelijke grond bestaat (dat wil zeggen als er gelet op de
aard en inhoud van de functie bijzondere medische eisen aan de
aspirant-werknemer moeten worden gesteld in verband met de gezondheid en
veiligheid van betrokkene en derden).
Het kabinet wil hiervoor
(op onderdelen) aansluiting zoeken bij het initiatief-wetsvoorstel-Van Boxtel, dat thans voor behandeling in de Tweede Kamer ligt. De
door de initiatiefnemers gekozen wetgevingssystematiek spreekt het kabinet
bijzonder aan: kaderwetgeving, waarbinnen veel ruimte
wordt gelaten voor zelfregulering door betrokken partijen zelf. De
afspraken die partijen over het gebruik van de aanstellingskeuring
hebben gemaakt sporen, op hoofdlijnen, met het wetsvoorstel-Van Boxtel.
Ook biedt het wetsvoorstel-Van Boxtel ruimte voor het instellen van
een klachtencommissie door betrokken partijen zelf. Klachten zullen in eerste
instantie bij de organisatie zelf, dan wel bij de, nog in verband met de
klachtenregeling Protocol Aanstellingskeuringen in te stellen,
klachtencommissie kunnen worden neergelegd. In laatste instantie zal de rechter
kunnen worden ingeschakeld.
Ook op een ander punt
spreekt het initiatief-wetsvoorstel-Van Boxtel het kabinet aan. Dit
wetsvoorstel beoogt namelijk de selectie op gezondheid aan de poort van de
arbeidsmarkt op meerdere plaatsen aan te pakken. Niet alleen het gebruik
van aanstellingskeuringen wordt beperkt tot die situaties waarin
bijzondere medische eisen te stellen zijn. Ook bepaalt het rblz.|62|
wetsvoorstel dat geen
keuringen mogen plaatsvinden voor deelneming aan een
pensioenvoorziening, als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen-
en spaarfondsenwet, en voor
deelneming aan aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die aan een
arbeidsovereenkomst verbonden zijn.
Ook deze keuringen vormen
voor mensen met een, al dan niet vermeend, gezondheidsprobleem een barrière om toegang tot de
arbeidsmarkt te krijgen. Bovendien is het niet ondenkbaar dat werkgevers
die zich genoodzaakt
zullen zien om af te zien van de aanstellingskeuringen, in toenemende mate bij de
selectie af zullen gaan op de eindresultaten van deze
keuringen. Iemand die, op basis van de keuring, niet door een verzekeraar
of een pensioenfonds geaccepteerd wordt, dan wel alleen tegen bepaalde
voorwaarden/hoge premies, zal door de werkgever als een te
groot risico kunnen worden gezien, die hij om die reden niet aanneemt.
Ditzelfde zou kunnen gaan
gelden voor eventuele entreekeuringen die verzekeraars die de
kosten in verband met een WAO-uitkering of het (geprivatiseerde) risico
op loondoorbetaling bij ziekte verzekeren, als voorwaarde voor toelating
gaan eisen. Het kabinet acht het noodzakelijk dat deze verzekeringen
toegankelijk zijn voor individuele werknemers met gezondheidsproblemen, die
derhalve niet mogen worden uitgesloten op basis van medische
entreekeuringen of uitsluitingsclausules. Het kabinet vindt dat een dergelijk
keuringsverbod te rechtvaardigen is vanuit het algemene belang dat gelegen is in het voorkomen dat grote groepen
mensen in onze
samenleving van het arbeidsproces worden uitgesloten. Daarbij heeft het kabinet
mee laten wegen dat het gaat om het verzekeren van een werkgeversrisico.
Als daarvoor individuele keuringen zouden worden uitgevoerd, zouden
individuele werknemers uitgesloten worden van een maatschappelijk
zo belangrijke voorziening als arbeid. Het kabinet acht dit zeer ongewenst,
zeker omdat het hierbij gaat om een beperkt risico van de werkgever, waarvoor hij, in ieder geval waar het de
WAO-kosten betreft, zelf
de keuzevrijheid heeft om dit zelf al dan niet te dragen. Bovendien is de
waarde van de keuringen voor verzekeringen in verband met
arbeidsongeschiktheid en ziekte nog steeds niet eenduidig wetenschappelijk
aangetoond. De gevolgen voor verzekeraars zullen beperkt zijn, aangezien
het om verzekeringen van collectiviteiten gaat. Verder zal hun concurrentiepositie geen schade ondervinden aangezien
het om een wettelijk
verbod gaat dat voor iedere verzekeraar, en dus ook buitenlandse verzekeraars
die zich op de Nederlandse arbeidsmarkt begeven, geldt. Het
kabinet is dan ook van mening dat een verbod op individuele medische
keuringen als een geschikt middel kan worden aangemerkt en niet verder
gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van het doel dat voor ogen
staat (een zo groot mogelijke arbeidsmarktparticipatie door personen met
een
gezondheidsprobleem). Daarmee wordt voldaan aan de
vereisten die in het algemeen door het Hof van Justitie EG worden
gesteld aan ogenschijnlijke inbreuken op communautaire
voorschriften.
In de brief van 19 april
jl. heeft het kabinet aangegeven op welke wijze en in hoeverre het
initiatief-wetsvoorstel-Van Boxtel wordt ondersteund.
5.4. Premiekorting voor
personen met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico
Een ongewenst neveneffect
dat kan optreden tengevolge van meer marktwerking in de sociale verzekeringen is de negatieve risicoselectie ten
aanzien van personen met
een verhoogd ziekte- of arbeidsongeschiktheidsrisico. Bij de behandeling van de
Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte is deze
materie reeds uitgebreid onderwerp van discussie geweest. In dit
kader heeft de Eerste-Kamerfractie van de PvdA rblz.|63|
voorgesteld de
risicoselectie tegen te gaan door een aanpassing van de Wagw. Gedacht werd
daarbij aan een premiekorting voor werkgevers die een arbeidsgehandicapte
werknemer in dienst hebben of die omzet genereren voor een WSW-bedrijf. Namens het kabinet is bij die
gelegenheid toegezegd dat
de mogelijkheden voor een dergelijke regeling zouden worden onderzocht.
Gebleken is dat een
premiekorting inderdaad mogelijk is en naar verwachting ook een positief effect zal kunnen hebben op de arbeidsparticipatie
van personen met een arbeidshandicap. In dit
wetsvoorstel wordt de mogelijkheid van
een korting op de basispremie van de WAO geschapen voor die
werkgevers die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst hebben. Deze
korting wordt alleen gegeven als een werkgever meer dan 5%
arbeidsgehandicapte werknemers in dienst heeft. De grens van 5% is om een aantal
redenen gekozen. In de eerste plaats sluit deze grens aan bij de oorspronkelijk voorgenomen doelstelling van de
Wagw.
Daarnaast betekent het opnemen van een minimumpercentage een prikkel voor werkgevers
die beneden deze grens zitten om meer arbeidsgehandicapte werknemers in dienst te
nemen. Zij ontvangen immers bij overschrijding van de
5%-grens ineens een premiekorting. De drempel van 5% voorkomt ten slotte dat werkgevers voortdurend iedere mutatie moeten melden, hetgeen
tot een aanzienlijke administratieve verzwaring, zowel voor de uitvoering
als voor de werkgevers, zou leiden. Deze premiekorting heeft in
tegenstelling tot veel andere flankerende maatregelen een structureel karakter.
Bij algemene maatregel
van bestuur zal een nauwkeurige omschrijving worden gegeven van
werknemers voor wie de werkgever premiekorting kan krijgen. Het spreekt
voor zich dat de gehandicapte werknemers in de zin van de Wagw (artikel 1,
onderdeel b, Wagw) onder de regeling komen te vallen. Voorts ligt het in de
bedoeling ook degenen die weliswaar niet tot deze doelgroep van de Wagw
behoren, maar die wel in het werk belemmeringen ervaren als gevolg van
een ziekte of gebrek, onder de werkingssfeer van de regeling te
brengen.
Over het loon van de in
dienst zijnde arbeidsgehandicapte werknemers is de werkgever geen
basispremie WAO verschuldigd.
Een tweede invulling van
de premiekorting die bij dit
wetsvoorstel wordt gerealiseerd, is de
premiekorting voor werkgevers die werk genereren bij
WSW-bedrijven. Het idee achter dit voorstel is om werkgevers die zelf
minder dan 5% arbeidsgehandicapte werknemers in dienst hebben, in staat te
stellen personen met een arbeidshandicap op een alternatieve manier aan
het arbeidsproces te doen deelnemen. De financiële
tegemoetkoming die werkgevers daarvoor krijgen, zal qua hoogte vergelijkbaar zijn
met die van werkgevers die zelf arbeidsgehandicapte werknemers in dienst
hebben. Er is gekozen voor een regeling die in grote
lijnen op het volgende neerkomt. Een bedrijf geeft een opdracht aan een
WSW-bedrijf, waarmee een bepaald bedrag aan toegevoegde waarde is gemoeid. Het WSW-bedrijf rekent dan aan de
hand van een nader vast
te stellen formule uit hoeveel voltijdsarbeidsplaatsen per jaar voor reguliere
werknemers met deze opdracht gemoeid zijn. Ervan
uitgaande dat deze werknemers het minimumloon verdienen, kan dan worden
bezien of het loon dat zij ontvangen méér bedraagt dan 5% van de
totale premieplichtige loonsom van de opdrachtgever. Is dit het geval, dan
komt de opdrachtgever in aanmerking voor een korting op de basispremie
van de WAO.
Bij het vaststellen van
de hoogte van de premiekorting als gevolg van een WSW-uitbesteding
wordt ervan uitgegaan dat met de gecreëerde arbeidsplaatsen het minimumloon wordt verdiend. Per
gecreëerde
voltijdsarbeidsplaats per
jaar kan de opdrachtgever dan een premiekorting krijgen, zijnde de
basispremie maal het minimumloon.
rblz.|64|
Tot slot komt de
werkgever in aanmerking voor een premiekorting van de WAO
als hij zowel
arbeidsgehandicapte werknemers in dienst heeft als omzet genereert voor een
WSW-bedrijf. Dat wil zeggen als het fictieve loon over de gegenereerde arbeidsplaatsen, samen met het loon van het
aantal bij de
opdrachtgever in dienst zijnde arbeidsgehandicapte werknemers meer dan 5%
van de totale premieplichtige loonsom van de opdrachtgever bedraagt.
5.5. Voorlichting en
deskundigheidsbevordering
Naast (zelf)regulering
kunnen ook voorlichting en deskundigheidsbevordering een belangrijke rol
spelen bij het verbeteren van de positie van personen met een arbeidshandicap. Maart 1994 heeft de vorige
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid advies gevraagd aan de Nationale
Commissie Chronisch Zieken (NCCZ) [zie Chronisch
zieken en Gehandicapten Raad Nederland, red.] omtrent de positie van mensen met een
arbeidshandicap. In november 1994 is vervolgens gevraagd, vooruitlopend
op dit advies, een deeladvies uit te brengen over de specifieke knelpunten
en mogelijke oplossingen daarvoor, die verbonden kunnen zijn aan
de privatiseringsvoorstellen in het kader van de sociale verzekeringen.
Deze adviezen zijn respectievelijk in december 1994 en januari 1995
uitgebracht. Zij maakten deel uit van de adviesaanvraag aan de
Sociaal-Economische Raad.
In het kader van
flankerend beleid is vooral gekeken naar het wegnemen ofwel reduceren
van de nadelen van de privatisering voor de arbeidsmarktpositie van
mensen met een arbeidshandicap. In de Wet Amber
zijn reeds een
aantal maatregelen vastgelegd die ten doel hebben de reïntegratie van
mensen met een arbeidshandicap door gezondheidsproblemen te bevorderen. Hierbij is
het NCCZ advies "Werk op maat" nadrukkelijk betrokken.
In het deeladvies
"Monitoring op maat" van de NCCZ wordt een voorzet gegeven voor het opzetten
van een monitorsysteem om de positie van chronisch zieken te
volgen. Bij brief ARBO/ATB/9502182 van 19 januari 1996 aan de voorzitters
van de Eerste en Tweede Kamer (zie daarnaast Kamerstukken II 1995-1996,
24 439, nr. 20) geeft het kabinet aan de arbeidsmarktpositie van
mensen met chronische gezondheidsproblemen en/of handicaps nader te
laten onderzoeken in 1996. Dit onderzoek zal in april van start gaan.
Tevens is meegedeeld dat
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
voornemens is een "invitational
conference" te laten organiseren om
meer zicht te krijgen op
de behoeften en mogelijkheden voor een bredere gegevensverzameling
inzake de positie van chronisch zieken.
Aan de
NCCZ is voorjaar
1996 een subsidie verstrekt van ƒ3 miljoen voor het uitvoeren
van een door de Commissie op verzoek van het kabinet ontwikkeld activiteitenprogramma getiteld
"Aan motivatie geen gebrek". Met dit
programma wordt beoogd (zie Kamerstukken II 1994-1995, 24 221) te
komen tot deskundigheidsbevordering, voorlichting en bewustmaking van de
verschillende actoren op de arbeidsmarkt. In het programma zal de NCCZ
zich richten op een drietal onderscheiden groepen:
- mensen met een
arbeidshandicap en hun organisaties;
- werknemers,
werkgevers en hun organisaties;
- bemiddelingsinstanties, arbeidsdeskundigen, bedrijfsartsen en verzekeringsdeskundigen.
In dit programma zal
zoveel mogelijk worden aangesloten op eerder gesignaleerde lacunes,
zoals die in het NCCZ-advies "Werk op
maat" zijn verwoord. Ook signalen
van partijen, zoals aanwezig bij een vorig jaar door de NCCZ
georganiseerd debat getiteld "Mensen met chronische rblz.|65|
gezondheidsproblemen aan
het werk" zijn als input meegenomen in dit programma. Belangrijk is
om door middel van deskundigheidsbevordering en bewustmaking de
houding en het gedrag van de betrokken partijen te beïnvloeden die een concrete bijdrage kunnen leveren aan de arbeidsmarktpositie van mensen met een arbeidshandicap.
Werkgevers en deskundigen (zoals artsen, arbeidsbemiddelaars, arbeidsdeskundigen,
organisatiedeskundigen, beroepskeuzeadviseurs, ondernemingsraden,
personeelsfunctionarissen) in het veld kunnen immers een belangrijke
bijdrage leveren als er bij hen een beter inzicht bestaat in de potentiële mogelijkheden van de mensen met een arbeidshandicap. Ook de mensen met
arbeidshandicap zelf worden daarbij niet uit het oog verloren. Bij
de uitvoering streeft de NCCZ naar regionale en landelijke betrokkenheid
van diverse actoren.
Van het aanbod van de
NCCZ om binnen de kaders van het
overheidsbeleid een (verdere) bijdrage te
leveren aan de positie van mensen met een arbeidshandicap wordt graag gebruik gemaakt. Het kabinet zal op dit
punt met de NCCZ nauw
contact blijven onderhouden.
In het kader van de
voorlichting inzake de privatisering zal het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid expliciet aandacht besteden aan de groep personen met een
arbeidshandicap. Dit deel van de voorlichting zal vooral gericht zijn
op werkgevers, personeelsfunctionarissen en intermediaires. In
overleg met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal
voorts worden bezien langs welke wegen in opleidingen van artsen aandacht kan
worden besteed aan de doelgroep. Ook is aan de artsenorganisatie
KNMG [Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der
Geneeskunst, red.] gevraagd welke bijdrage zij kunnen leveren inzake deskundigheidsbevordering.
Waar specifiek de
deskundigheid van artsen in het geding is inzake de medische arbeidsonsgeschiktheidsbeoordeling, is naar de opvatting van
het kabinet een coördinerende taak voor het Tica weggelegd. Het Tica zal
worden gevraagd op korte termijn minimumeisen op te stellen met betrekking tot de
deskundigheid van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen en voor de bewaking van
de kwaliteit van de medisch-arbeidsdeskundige beoordeling. Deze normen
kunnen voor het Ctsv een maatstaf vormen waaraan
de kwaliteit van de gevalsbehandeling wordt getoetst.
6. Voorlichting
Omdat het hier gaat om
een nieuwe ingrijpende wijziging van het socialezekerheidsstelstel, is communicatie van essentieel belang. Al
vroegtijdig zullen werkgevers, belanghebbende werknemers en
intermediaires
als de
bedrijfsverenigingen en de sociale partners, in kennis gesteld worden van de
belangrijkste wijzigingen om zich zodoende te kunnen oriënteren op
de nieuwe mogelijkheden, voorwaarden en beperkingen.
Zo zullen betrokkenen,
met name de intermediaires, tijdens de parlementaire behandeling
door informatiebladen met daarin de hoofdlijnen van het
wetsvoorstel, voortdurend geïnformeerd worden. Op aanvraag zijn deze
informatiebladen tevens voor het publiek beschikbaar. Ook zal in de bestaande
periodieken van het ministerie Arbeidsgeschikt en
SZW-nieuws ruimschoots
aandacht zijn voor de nieuwe plannen. De bewindslieden zullen in
hun publieke optreden, daar waar mogelijk, de plannen voor het voetlicht brengen.
Zodra sprake is van
aanvaard beleid zullen werkgevers en werknemers, rblz.|66|
met name (potentiële)
arbeidsongeschikten en in het bijzonder werkzoekenden met een chronische ziekte
of anderszins, actief benaderd worden met op maat toegesneden informatie. De mogelijkheden tot samenwerking
met derden als de NCCZ
zullen hierbij uitdrukkelijk worden onderzocht.
Kern van de
overheidsboodschap zal zijn dat:
- de hoogte en duur van
de WAO-uitkering gehandhaafd blijft;
- er diverse (nieuwe)
maatregelen zijn die risicoselectie uitsluiten dan wel tot een minimum
beperken;
- uitsluitend de
financiering van het stelsel verandert (premiedifferentiatie en dragen van eigen
risico);
- preventie- en reïntegratie-instrumenten die de werkgever en werknemer in staat stellen het arbeidsongeschiktheidsvolume terug te
dringen.
De communicatie zal in
eerste instantie dus wat terughoudend van aard zijn en zich vooral
richten op belangrijke intermediaire kanalen. Naarmate sprake is van vastgesteld
beleid zal een breder publiek actief geïnformeerd worden.
Momenteel wordt
onderzocht of in het kader van dit proces van voortschrijdende privatisering, nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
tussen overheid,
werkgever en werknemer, lastenverlichting ter stimulering van werkgelegenheid en
flankerend beleid, activiteiten voor een breed publiek gewenst
zijn om deze context te schetsen. Op welk moment dergelijke activiteiten
zouden moeten plaatsvinden, is hierbij tevens punt van overleg.
7. Financieel-economische
gevolgen
7.1. Beoogde
bezuinigingen
De voorgestelde
maatregelen leiden naar verwachting tot een besparing van ƒ750 mln in 1999.
In het regeerakkoord was
een besparing van ƒ750 mln voorzien in 1998, uitgaande van inwerkingtreding van
dit
wetsvoorstel per 1 januari 1996.
Voor de jaren 1996 en
1997 was een besparing voorzien van ƒ250 mln respectievelijk ƒ500 mln.
Inmiddels is de
invoeringsdatum voorzien per 1 januari 1997. Dit betekent dat voor de
jaren 1996 tot en met 1998 een besparingsverlies optreedt van ƒ250 mln jaarlijks. De beoogde besparing van ƒ750
mln zal derhalve in 1999
optreden.
Bij de besparing die in
het regeerakkoord als gevolg van de voorgestelde wijzigingen is opgenomen,
was nog uitgegaan van de mogelijkheid van opting out. De
mogelijkheid van opting out is inmiddels vervangen door de mogelijkheid van
eigen risico dragen voor een beperktere periode. Enerzijds betekent dit
dat de omvang van de financiële prikkel hierdoor voor de
eigenrisicodrager afneemt, anderzijds zullen naar verwachting meer werkgevers gebruik
gaan maken van de mogelijkheid van eigen risico dragen. Het kabinet verwacht dan
ook dat de ingeboekte besparing kan blijven gehandhaafd.
Door de directe relatie
tussen de kosten voor een onderneming en diens uitstoot naar de WAO
zullen ondernemingen zich veel meer gaan inspannen om
arbeidsongeschiktheid van eigen werknemers te
voorkomen. Daarnaast
zullen uitvoeringsorganisaties c.q. verzekeraars zich meer gaan inspannen
op het gebied van preventie, begeleiding en reïntegratie.
rblz.|67|
Naar verwachting zal als
gevolg van deze inspanningen de instroom in de WAO
gedurende de
eerste jaren na invoering van de voornemens met 10 à 15% afnemen.
Dit betekent dat het
totale volume in de WAO in 1999 naar verwachting ca. 30 000 uitkeringsjaren lager zal zijn dan zonder de maatregelen het
geval geweest zou zijn.
In het regeerakkoord is
opgenomen dat met de invoering van premiedifferentiatie en het uitstappen het
bonus-malussysteem ingetrokken wordt. Dit betekent dat
de opbrengsten in termen van gedragseffecten, die voor dit systeem
waren ingeboekt, in mindering moeten worden gebracht op de
besparingen als gevolg van de voorgestelde maatregelen. De gedragseffecten van
het bonus-malussysteem waren destijds geraamd op 2000 uitkeringsjaren
per jaar; het bonus-malussysteem is zoals bekend eerder ingetrokken (per 1
juli 1995) dan de inwerkingtreding van onderhavige
wetsvoorstel. Dit betekent dus dat het gecumuleerde effect van het
bonus-malussysteem moet
worden gesaldeerd op de effecten van de huidige
kabinetsvoornemens.
Per saldo betekenen de
kabinetsvoornemens voor 1999 een reductie van het volume in de WAO
van 30 000 - 6000 = 24 000 uitkeringsjaren. Dit komt overeen met een
bedrag van ca. ƒ750 mln.
Het Tica plaatst bij de
hierbovengenoemde veronderstellingen de volgende kanttekeningen:
- een groot deel van de
arbeidsongeschiktheid heeft geen verband met werkomstandigheden en is
niet te beïnvloeden door de werkgever;
- uitvoeringsinstellingen mogen zich niet bezighouden met
arbobeleid;
- bij de berekening van
de besparing is geen rekening gehouden met de volume-effecten van
het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium;
- geen rekening is
gehouden met verdringingseffecten naar de WW;
- bij geleidelijke
invoering van premiedifferentiatie zullen de prikkels in de eerste jaren
gering
zijn;
- er is geen analyse
gemaakt van de meso- en macro-economische effecten van premiedifferentiatie.
Daarnaast verwacht het
Tica dat de uitvoeringskosten zullen toenemen.
Ten aanzien van de
kanttekeningen van het Tica merkt het kabinet het volgende op. Bij de
berekening van de reductie van het volume in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
als gevolg van de kabinetsvoorstellen heeft het CPB [Centraal
Planbureau, red.] gebruik
gemaakt van een tweetal studies (CPB-notitie 1994/112). Aan de hand
van deze studies heeft het CPB de reductie van de instroom geraamd op 10%.
Uit deze studies bleek dat ondernemingen die een goed beleid voerden
een 10% lagere uitstroom naar de WAO hadden. Dit blijkbaar ondanks het
door het Tica genoemde gegeven dat een groot deel van de arbeidsongeschiktheid geen verband heeft met de
werkomstandigheden. Het
kabinet heeft de door het CPB geraamde reductie overgenomen. Het
Tica lijkt er daarnaast van uit te gaan dat de lagere instroom alleen
verband houdt met de invoering van premiedifferentiatie (tweede en vijfde
gedachtestreep). Echter, het CPB en het kabinet zijn bij de
raming van de besparing ervan uitgegaan dat de combinatie van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van uitstappen
dan wel het eigen risico dragen tezamen tot zodanige financiële prikkels leiden dat een reductie
van het volume wordt bewerkstelligd. De veronderstelde extra
inspanning van uitvoeringsorganisaties betreft dus niet slechts de publieke
verzekeraars. Met betrekking tot de geleidelijke invoering van
premiedifferentiatie is het kabinet van mening dat in zijn ogen alleen al het
gegeven dat de premie wordt gedifferentieerd een belangrijke stimulans
betekent voor de veronderstelde gedragsreacties.
Met betrekking tot de
kanttekening dat geen rekening zou zijn gehouden met de effecten van het
nieuwe criterium merkt het kabinet op dat de besparingen zijn berekend
op basis van de volumeramingen inclusief de TBA-maatregelen [Wet TBA: Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.]. Het CPB becijferde de reductie op
8000 à 10 000 rblz.|68|
uitkeringsjaren per jaar.
Dit ligt nog steeds in de lijn met de huidige verwachte instroom. Met
eventuele verdringingseffecten naar de WW kan het Tica slechts
secundaire effecten bedoelen. Secundair in de zin dat indien een werknemer
arbeidsongeschikt zou worden, zijn plaats zou kunnen worden ingenomen
door een WW-gerechtigde. Van een direct effect op het WW-volume
kan geen sprake zijn. Dergelijke secundaire (of misschien wel tertiaire)
effecten zouden zich inderdaad kunnen voordoen. Van dergelijke effecten
wordt echter altijd geabstraheerd bij verwachte volumeramingen. Slechts
ingeval er sprake is van een direct (weglek)effect, wordt dit in de
raming meegenomen.
Ten aanzien van de
laatste kanttekening van het Tica, het ontbreken van een meso- en macro-economische doorrekening, merkt het kabinet op dat
het CPB een dergelijke doorrekening heeft gemaakt (CPB-notitie 1995/8). Hierin is gepoogd de
effecten van de premiedifferentiatie voor verschillende sectoren, alsmede voor de
macrowerkgelegenheid te kwantificeren. Uit deze - overigens
noodzakelijkerwijze tentatieve - doorrekening bleek dat op de langere termijn
zich effecten zullen voordoen tussen verschillende sectoren. Deze effecten
zullen naar verwachting echter gering zijn in de eerste jaren na
invoering van het nieuwe systeem.
Met betrekking tot de
uitvoeringskosten ten slotte deelt het kabinet de verwachting van het Tica
niet. Integendeel, het kabinet verwacht van de grotere concurrentie
tussen verzekeraars een kostendrukkend effect.
7.2. Inkomensgevolgen en
loonkosteneffecten van de AAW/WAO-integratie
Het kabinet zal zich
laten leiden door de in het regeerakkoord gemaakte afspraak dat de vormgeving van
het wetsvoorstel inzake de AAW/WAO-integratie
voldoet aan het uitgangspunt van inkomens- en loonkostenneutraliteit. De
AAW/WAO-integratie
heeft immers niet als vanzelf een inkomens- en
loonkostenneutrale uitkomst. Het overhevelen van de AAW- en WAO-premie van werknemers
en werkgevers, alsmede de compensatie voor werkgevers middels
de verlaging van de overhevelingstoeslag, heeft voor diverse
inkomenscategorieën uiteenlopende gevolgen. De wijze
waarop deze grosso modo worden gladgestreken, kan niet los worden gezien van het geheel van
maatregelen met inkomensgevolgen bij de besluitvorming over de
begroting 1997. Bij de vormgeving van de AAW/WAO-integratie geldt
als uitgangspunt dat negatieve koopkrachteffecten tot en met modaal worden
voorkomen, een redelijke spreiding van de effecten over de
diverse inkomenscategorieën wordt gewaarborgd en de
loonkostenontwikkeling benedenmodaal die van bovenmodaal niet te boven gaat.
Over de vormgeving van de
AAW/WAO-integratie, alsmede de financiële gevolgen
die hiermee samenhangen, wordt meer informatie gegeven in de
Invoeringswet [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.], die de overgang van het huidige naar het nieuwe stelsel
beschrijft.
7.3. Eigen risico dragen
in de WAO in relatie tot de i/a-ratio en de collectieve lasten
Onder invloed van het
gebruik van de mogelijkheid om binnen de WAO eigen risico te dragen,
zal een gedeelte van de lasten van arbeidsongeschiktheid worden betaald door
de
werkgever zelf. Deze werkgever betaalt deze uitkering echter
namens de bedijfsvereniging; de uitkeringen blijven immers vallen onder de
wettelijke WAO. Dit betekent dat het totale uitgavenniveau dat onder
de verantwoordelijkheid van SZW valt - afgezien van de
besparingen als gevolg van dit
wetsvoorstel - geen wijziging ondervindt.
rblz.|69|
Ten aanzien van het
aantal uitkeringsgerechtigden doet zich een soortgelijke situatie voor. Het aantal uitkeringsgerechtigden in de publieke
sector daalt niet: alle uitkeringsgerechtigden blijven immers een uitkering
ontvangen uit hoofde van
de WAO. Het totaal aantal inactieven zal dus niet wijzigen (afgezien
van de bij deze maatregel beoogde volume-effecten). De verhouding
inactieven/actieven (i/a-ratio) zal derhalve eveneens geen wijziging
ondervinden.
8. Overige onderwerpen
8.1. Het avv-beleid
Wat betreft het algemeen
verbindend verklaren [avv, red.] van CAO-bepalingen is het kabinet voornemens om
eventuele CAO-bepalingen die het eigen risico dragen beogen te beïnvloeden,
niet algemeen verbindend te verklaren. De beslissing
om te kiezen voor eigen risico dragen behoort door de werkgever in alle
vrijheid te kunnen worden genomen. Dwang op het punt van eigen risico
dragen in de vorm van het algemeen verbindend verklaren van CAO-bepalingen op dit punt is niet aan de orde.
8.2. De regelingen voor
het overheidspersoneel
Het overheidspersoneel
wordt per 1 januari 1998 onder de werkingssfeer van de wettelijke
werknemersverzekeringen gebracht. Dit betekent dat met ingang van die datum de
WAO zoals deze dan luidt ook van
toepassing zal zijn op
het overheidspersoneel. In ieder geval per 1 januari 1998 zal dus ook voor het
overheidspersoneel de premiedifferentiatie zoals geregeld in dit
wetsvoorstel, met inachtneming van het navolgende, gaan gelden en bestaat
ook voor de overheidswerkgevers de mogelijkheid om eigenrisicodrager
voor de WAO te worden.
De introductie van
premiedifferentiatie en de mogelijkheid van eigen risico dragen voor de WAO vergt voor het overheidspersoneel op
het vlak van de
uitvoering aparte aanpassingen. Bij de overheid wordt op dit moment geen gebruik
gemaakt van het begrip werkgever zoals dat geldt in de
werknemersverzekeringen. Het FAOP-bestand is ingedeeld naar organen. Deze
indeling naar organen komt nagenoeg overeen met de indeling naar het
begrip werkgever in de werknemersverzekeringen. Bij de premiedifferentiatie
alsook bij de mogelijkheid van eigen risico dragen, zal voor de overheid dan
ook worden uitgegaan van het begrip orgaan als synoniem voor de werkgever.
Toepassing van het begrip
orgaan is evenwel nog geen voldoende voorwaarde voor het kunnen toepassen van premiedifferentiatie door
middel van adaptieve premies. Een andere voorwaarde is de beschikbaarheid van voldoende historische
gegevens teneinde het arbeidsongeschiktheidsrisico
alsmede het premieplichtig inkomen per orgaan te kunnen
vaststellen. Het arbeidsongeschiktheidsrisico kan voor de overheidssector
worden
benaderd aan de hand van de uitvoering van de AAW
voor de
overheidssector. Het premieplichtig inkomen voor de overheidssector is eerst
vanaf het jaar 1995 te leveren. Vooralsnog is de toepassing van
premiedifferentiatie (met adaptieve premies) binnen de overheidssector alleen
mogelijk door middel van een nader uit te werken specifieke benadering.
Naast de vraag of
invoering van premiedifferentiatie en eigen risico dragen technisch gezien mogelijk
is in 1997, zijn nog andere factoren van belang. Hierbij dient
onderscheid te worden gemaakt tussen het burgerlijk personeel
enerzijds en het militair personeel anderzijds.
rblz.|70|
Per 1 januari 1996 is
voor het burgerlijk overheidspersoneel de zogenoemde WAO-conforme
regeling ingevoerd ingevolge paragraaf 9 van de Wet
privatisering ABP [ABP: Algemeen burgerlijk pensioenfonds, red.]. De WAO-conforme regeling wordt uitgevoerd door de Stichting USZO
onder verantwoordelijkheid en in opdracht van het FAOP (dat als
bedrijfsvereniging en als omslagfonds optreedt). Formeel is sprake van een
eigen arbeidsongeschiktheidsregeling, die materieel evenwel
neerkomt op de overeenkomstige toepassing van de polisvoorwaarden van de
hoofdstukken II (arbeidsongeschiktheidscriterium, hoogte en duur van de
uitkeringen) en IIa (reïntegratie-instrumentarium en voorzieningen) van de
WAO. Invoering van premiedifferentiatie en
eigen risico dragen
voor de overheidssector per 1 januari 1997 kan van invloed zijn
op de overgang van de WAO-conforme regeling naar de WAO voor het
overheidspersoneel. Op dit moment is nog niet helder of de invoering
van de WAO per 1 januari 1998 als gevolg van de premiedifferentiatie en
eigen risico dragen onnodig gecompliceerd zal worden. In het
voorliggende wetsvoorstel wordt dan ook vooralsnog uitgegaan van het
invoeren van premiedifferentiatie en eigen risico voor de overheidssector per 1
januari 1998. Zodra ter zake meer duidelijkheid bestaat, zal het wetsvoorstel op dat punt wellicht zodanig aangepast
worden dat invoering per
1 januari 1997 mogelijk is (hetzij bij nota van wijziging bij dit
wetsvoorstel, hetzij bij de voorgestelde
Invoeringswet Pemba).
Wat betreft het militair
personeel geldt dat het niet voor de hand ligt vóór 1 januari 1998 de
premiedifferentiatie en het eigen risico overeenkomstig te regelen. Voor het
militair personeel geldt immers de vorengenoemde WAO-conforme regeling
niet. Voor het militair personeel blijven de aanspraken op
het gebied van de arbeidsongeschiktheid en invaliditeit tot het
moment van de invoering van de WAO per 1 januari 1998 neergelegd in de
Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet). Ook de financiering van die aanspraken wijkt af van die van het burgerlijk
overheidspersoneel. De
kosten worden namelijk niet gedragen door het omslagfonds FAOP, maar
komen rechtstreeks ten laste van de Defensie-begroting.
Aanpassing van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil) ligt eveneens
niet voor de hand nu besloten is het oproepen van dienstplichtigen te beëindigen. Die wet zal daardoor een sluimerend bestaan gaan leiden.
8.3. Invoeringsaspecten
Reeds eerder (Kamerstukken II 1994-1995, 22 187, nr. 33) heeft het kabinet aangegeven het van groot
belang te achten dat met het oog op de voorbereiding en
implementatie van de maatregelen die in dit
wetsvoorstel worden
voorgesteld aan de uitvoeringsinstanties een redelijke
voorbereidingstermijn wordt geboden. Het kabinet acht een zorgvuldige invoering van
de maatregelen van groot belang. Destijds ging het kabinet nog uit van
een voorbereidingstermijn van ten minste zes, maar bij voorkeur negen
maanden. Inmiddels heeft het kabinet afgezien van het voornemen tot
invoering van de mogelijkheid van uitstappen. Dit vereenvoudigt de
invoering van de thans voorgestelde maatregelen.
Niettemin zal met de
voorbereiding van de maatregelen nog een geruime voorbereidingstijd gemoeid zijn.
Met
dit
wetsvoorstel wordt een systeem van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van
eigen risico dragen ingevoerd.
Met name de invoering van
een systeem van premiedifferentiatie brengt de nodige voorbereidingen met zich mee. De voorbereiding,
opbouw en vulling van een
systeem van premiedifferentiatie in de WAO rblz.|71|
alsmede het uittesten van
dit systeem zal een aantal maanden in beslag nemen. Hierbij is met
name van belang dat voor elke werkgever het individuele
arbeidsongeschiktheidsrisico dient te worden vastgesteld op basis van de
WAO-lasten
die het desbetreffende bedrijf de laatste vijf jaren heeft gegenereerd.
Omdat de uitvoeringsinstellingen thans niet beschikken over gegevens
over de laatste vijf jaren, wordt voor het invoeringsjaar uitgegaan
van de WAO-lasten over de laatste drie jaren.
Wat de invoering van de
mogelijkheid tot eigen risico dragen betreft, kan worden opgemerkt dat deze
maatregel qua vormgeving in hoge mate aansluit bij de
mogelijkheid tot eigen risico dragen die tot de invoering van de Wulbz
op grond van de
Ziektewet heeft gegolden. Dit betekent dat de uitvoering voor wat
betreft de voorbereiding en implementatie hiervan in belangrijke mate kan
teruggrijpen op de in dat kader ontwikkelde kennis en ervaring.
Het kabinet heeft
aangegeven dat de indeling in sectoren zo moet worden gekozen dat er in
beginsel een gezonde financiële basis aanwezig is voor het opvangen van
de arbeidsongeschiktheidslasten binnen de sector, ook als het eigen
risico dragen goed op gang is gekomen. Dit impliceert een
herindeling van de bestaande bedrijfsverenigingsstructuur. Op basis van de huidige
inzichten wordt gedacht aan zes à acht sectoren. Ook deze herindeling, waarbij
een duidelijke relatie met het post-nOsv-traject aanwezig is, kost de
nodige voorbereidings- en implementatietijd. In de voorbereidingsperiode zal
uiteraard ook voldoende aandacht moeten worden besteed aan
voorlichting aan alle betrokkenen (uitvoerders, werkgevers en werknemers,
zie hiervoor ook hoofdstuk 6).
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk 1. Wijziging van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel
I
Onderdeel A
Aan het
definitieartikel
in de WAO wordt een definitie van sectorale arbeidsongeschiktheidskas
toegevoegd. Deze arbeidsongeschiktheidskas wordt in dit
wetsvoorstel geïntroduceerd in artikel 73 van de WAO.
Onderdeel B
De artikelen
2a en 2b vervallen. Het in deze artikelen bepaalde wordt geregeld in
hoofdstuk VII
betreffende bezwaar en beroep.
Onderdeel C
In artikel
6, tweede lid,
vervalt de zinsnede omtrent de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet in verband met de intrekking van die wet.
Onderdeel D.
De inhoud van artikel 58
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet is opgenomen in artikel 65b
van de WAO. De verwijzing naar artikel 58 van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet in artikel 17 is daarom
vervangen door een
verwijzing naar artikel 65b van de WAO.
rblz.|72|
Onderdeel E
Ingeval
arbeidsongeschiktheid ontstaat uit één werkzaamheid als verzekerde, kan de
mate
van die arbeidsongeschiktheid zonder meer worden bepaald op basis
van het verschil tussen het maatmaninkomen en de resterende
verdiencapaciteit. Anders is dat wanneer ter zake van meer dan één werkzaamheid
arbeidsongeschiktheid ontstaat. Te denken valt daarbij aan het
tezelfdertijd intreden van arbeidsongeschiktheid uit arbeid als werknemer en als
zelfstandige of een samenloop van een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van deze wet en een ontstaan van een recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen. Het berekenen van de resterende verdiencapaciteit zou in zo’n geval niet rechtvaardig kunnen
uitwerken indien deze volledig zou worden afgemeten aan zowel de arbeid als werknemer als
de arbeid als zelfstandige. Voor situaties als deze dienen afwijkende regels
te kunnen worden gesteld met betrekking tot de mate van
arbeidsongeschiktheid en met name de toerekening van de resterende
verdiencapaciteit. Het tiende lid van artikel 18 voorziet daarin.
Onderdeel F
In artikel
65e wordt
geregeld dat de in artikel 22 bedoelde verhoging niet vatbaar is voor beslag. Het tweede lid van
artikel 22 kan derhalve
vervallen.
Onderdeel G
In artikel
23, eerste
lid, wordt onderdeel c vervangen, omdat de voorzieningen als bedoeld
in artikel 57 van de AAW
voor WAO-verzekerden
voorzieningen worden als bedoeld in artikel 65 van de WAO
en toelagen in de zin
van artikel 58 van de AAW
toelagen worden in de zin van artikel 65b
van de WAO.
Onderdeel H
In artikel 34 wordt het
tweede lid, waarin wordt verwezen naar de Ziektewet, vervangen, omdat recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
ook kan ingaan indien
geen ziekengeld krachtens de Ziektewet is toegekend, maar de
werkgever tijdens ziekte het loon heeft doorbetaald.
Onderdeel I. [Zie art.
I, onderdeel J, Pemba, red.]
De artikelen 37 en
38
zijn ter verbetering van de inzichtelijkheid redactioneel aangepast zonder daarmee inhoudelijke wijzigingen aan te
brengen.
Onderdelen J en K. [Zie
art. I, onderdeel K en L,
Pemba, red.]
In artikel
39a, tweede
lid, en in artikel 43a, tweede lid wordt "minder dan een
maand" vervangen
door "minder dan vier weken", omdat een periode van vier weken
- in tegenstelling tot een periode van één maand - altijd eenzelfde aantal
dagen betreft.
Het voorgestelde nieuwe
vierde lid in artikel 43a betreft een garantieregeling met betrekking tot de
grondslag voor de berekening van de WAO-uitkering.
Onderdeel L. [Zie art.
I, onderdeel M, Pemba, red.]
In het vierde lid van
artikel 44 is geregeld dat de niet-uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
van werknemers die werkzaam zijn in rblz.|73|
een WSW-instelling worden
afgedragen aan het Rijk. Met de toevoeging aan het vierde lid van de
zinsnede "vermeerderd met het bedrag aan premies dat de werkgever
bij wel-uitbetaling daarover verschuldigd zou zijn" wordt bereikt dat
ook de werkgeverslasten moeten worden afgedragen aan het Rijk.
Onderdeel M. [Zie art.
I, onderdeel N, Pemba, red.]
In artikel 46 vervalt het
tweede lid in verband met de intrekking van de AAW.
Onderdeel N. [Zie art.
I, onderdeel O, Pemba, red.]
Artikel
46a vervalt in
verband met de intrekking van de AAW.
Op grond van artikel 36a
van de AAW
werd de AAW-uitkering niet uitbetaald indien de persoon die recht had op AAW-uitkering tevens recht
had op WAO-uitkering. De WAO-uitkering werd bij deze samenloop wel uitbetaald. Intrekking
van de AAW laat de uitbetaling van de WAO-uitkering onverlet en beëindigt de samenloop. De
artikelen 46a en 84a
van de WAO
betreffen
de samenloop en kunnen derhalve vervallen. Verhogingen die op grond
van artikel 46a reeds zijn toegekend vóór inwerkingtreding van deze
wet worden als recht op WAO-uitkering onverkort gehandhaafd.
Onderdeel O. [Zie art.
I, onderdeel Q, Pemba, red.]
Artikel 52 kan vervallen,
omdat de daarin genoemde mogelijkheid tot het bij algemene maatregel
van bestuur te stellen regels thans wordt opgenomen in artikel 65c,
tweede lid.
Onderdeel P. [Zie art.
I, onderdeel R, Pemba, red.]
In artikel 53 vervalt het
elfde lid, omdat in artikel 65e wordt geregeld dat de overlijdensuitkering
niet vatbaar is voor beslag.
Onderdeel Q. [Zie art.
I, onderdeel S, Pemba, red.]
Artikel 58 vervalt, omdat
in een nieuwe paragraaf 8 in hoofdstuk IIa
alle bepalingen betreffende
vervreemding van verstrekkingen en beslag op verstrekkingen in het
kader van de WAO worden bijeengebracht.
Onderdeel R. [Zie art.
I, onderdeel U, Pemba,
red.]
Het opschrift van
hoofdstuk IIa wordt gewijzigd in verband met de in onderdeel S [zie
onderdeel V, red.]
voorgestelde
wijzigingen.
Onderdeel S. [Zie art.
I, onderdeel V, Pemba, red.]
In artikel 64 vervalt de
zinsnede "binnen de grenzen van het daarvoor gereserveerde budget,
bedoeld in artikel 76, vierde lid," omdat de budgettering van de door
de bedrijfsvereniging toe te kennen reïntegratiemaatregelen, wordt geregeld in het
voorgestelde artikel 76g.
Onderdeel T. [Zie art.
I, onderdeel W, Pemba, red.]
De in paragraaf 6
voorgestelde wijzigingen van de WAO vloeien voort uit de intrekking van de
AAW. De in deze paragraaf voorgestelde artikelen
65, 65a en 65b
komen in
de plaats van de artikelen 57, 57a en 58 van de AAW.
rblz.|74|
Artikel 65
Artikel
65, eerste lid,
betreft werknemers in de zin van deze wet. Dat betekent dat het hier ook
kan gaan om personen die op grond van deze wet een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen maar geen dienstverband
meer hebben. Voor de
goede orde zij erop geattendeerd dat personen die niet als
werknemer in de zin van deze wet zijn aan te merken, maar voornemens zijn een
dienstverband met een werkgever aan te gaan en als gevolg van het
aangaan van het dienstverband werknemer zullen worden in de zin van deze
wet, voor de eventueel in verband daarmee noodzakelijke
voorzieningen een beroep kunnen doen op artikel 16a van de Wet arbeid
gehandicapte werknemers (Wagw). Met name kan hier gedacht worden aan bijstandsgerechtigden en
niet-uitkeringsgerechtigden
met een arbeidshandicap.
Op grond van het tweede
lid hebben de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid om bij de werkgever een vordering in te stellen als hij
zonder deugdelijke grond
weigert om mee te werken aan de realisering van een voorziening. Dit
onderdeel heeft betrekking op de realisering van voorzieningen voor
personen die een dienstbetrekking hebben.
In het derde lid is aan
de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid gegeven vervoersvoorzieningen te
verstrekken ten behoeve van de leefsituatie, echter uitsluitend in
combinatie met een werkvoorziening. In dit onderdeel is verder bepaald dat er
ten behoeve van de leefsituatie een blindengeleidehond kan worden verstrekt.
Ook
hiervoor geldt de voorwaarde dat deze uitsluitend in combinatie
met werkvoorzieningen kan worden verstrekt.
In het vierde lid is
neergelegd dat voorzieningen die op grond van het eerste en derde lid zijn
verstrekt na het eindigen van de verzekering en na intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
deze wet kunnen worden voortgezet. Ten
slotte is in het vijfde lid bepaald dat bij of
krachtens algemene
maatregel van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere regels kunnen
worden gesteld.
Artikel 65a
Dit artikel komt overeen
met artikel 57a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Op grond van dit artikel kan de
bedrijfsvereniging aan de
werkgever een vergoeding geven voor de kosten van aanpassing van
de arbeidsplaats ten behoeve van één of meer gehandicapte werknemers
zoals gedefinieerd in artikel 1, onderdeel b, van de Wet arbeid
gehandicapte werknemers (Wagw) of één of meer personen die de wachttijd van 52
weken als bedoeld in artikel 19 doormaken. De op grond van dit artikel te
verstrekken vergoedingen kunnen ook betrekking hebben op voorzieningen van collectieve aard. De vergoeding die aan de
werkgever wordt verstrekt,
vormt het complement op artikel 6 Wagw. In artikel 6 Wagw is aan de
werkgever de verplichting opgelegd de arbeidsplaats ten behoeve van een
gehandicapte werknemer aan te passen.
Het tweede lid van dit
artikel biedt de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur nadere regels te stellen waarin wordt bepaald in welke gevallen en tot welke hoogte een vergoeding kan
worden verleend.
Artikel 65b
Dit artikel komt overeen
met artikel 58 AAW. Indien aan een persoon op grond van artikel 65 een
voorziening is toegekend en dit tot gevolg heeft dat deze persoon geen of
slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten en uit rblz.|75|
dien hoofde inkomen
derft, heeft hij op grond van het eerste lid van dit artikel tijdens de duur
van die voorziening aanspraak op een toelage die overeenkomt met het
bedrag van het gederfde inkomen. In tegenstelling tot artikelen 65 en
65a is hier niet sprake van een bevoegdheid van de bedrijfsvereniging, maar
van een uit de wet voortvloeiende aanspraak.
De toelage waarop de
betrokkene aanspraak kan maken, komt overeen met het bedrag van het
gederfde inkomen, met dien verstande dat de toelage of, ingeval een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt genoten,
de toelage vermeerderd
met die uitkering, per dag het maximumdagloon niet te boven mag gaan.
Indien de betrokkene meer derft dan het maximumdagloon, kan de
bedrijfsvereniging, zij is daartoe dus niet verplicht, een toelage
geven waardoor boven dit maximum wordt uitgekomen.
Artikel 65b
is met name
van belang voor situaties dat door een persoon scholing wordt gevolgd.
Daarbij kan het ook gaan om de situatie waarbij sprake is van dreigende
uitval die verband houdt met arbeidsongeschiktheid bij de eigen werkgever en
die door scholing kan worden voorkomen. De loonderving
kan dan gecompenseerd worden door middel van een toelage op grond
van artikel 65b.
In het tweede lid is aan
de bedrijfsvereniging de bevoegdheid gegeven om tijdens de duur van
een op grond van artikel 65 toegekende voorziening een
vergoeding te verlenen wegens kosten van onderhoud en huisvesting.
Het tweede lid zou
bijvoorbeeld toepassing kunnen vinden indien aan een betrokkene op grond
van artikel 65 een voorziening ten behoeve van het volgen van scholing
is getroffen en de betrokkene deze scholing niet in de omgeving van zijn
woonadres kan volgen.
Ook kan dit onderdeel
toegepast worden in de situatie dat de betrokkene een instelling bezoekt waar zijn restcapaciteit wordt onderzocht.
Dergelijke instellingen
zijn ondermeer verbonden aan werkverbanden sociale werkvoorziening.
Het derde lid komt
overeen met het derde lid van artikel 58 AAW. Dit onderdeel kan onder meer
van belang zijn in de situatie dat de scholing niet wordt vergoed op
grond van artikel 65 WAO. In die situatie is er immers geen
inkomstenderving als gevolg van het treffen van een voorziening op grond van
artikel 65. Alsdan kunnen er op grond van dit derde lid toelagen en
vergoedingen worden gegeven. Uiteraard dient het hier wel te gaan om
toelagen en vergoedingen aan personen die zijn aan te merken als werknemer
in de zin van deze wet.
Met betrekking tot
gedeeltelijk arbeidsongeschikten die scholing willen volgen, kan zich de vraag
voordoen of voor hen scholing met behoud van WW-uitkering
(artikel 76
Werkloosheidwet (WW)) dan wel toepassing van
artikel 65b is
aangewezen. Het Besluit inzake recht op uitkering bij noodzakelijke scholing
(Stcrt. 28 december 1990, 252; gewijzigd bij Besluit van 20 december
1995, Stcrt. 7 februari 1996, 27) en de door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica) met betrekking tot dit onderwerp vastgestelde mededelingen
zijn voor het antwoord op deze vraag richtinggevend.
Artikel 65c.
In het in paragraaf 7
voorgestelde artikel 65c is een delegatiebepaling opgenomen met het oog op
samenloop van bijvoorbeeld WAO-uitkeringen en
uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
rblz.|76|
Artikelen 65d
en 65e.
In paragraaf 8,
artikelen
65d en 65e, zijn verschillende bepalingen betreffende onvervreemdbaarheid van en beslag op uitkeringen en
verstrekkingen
bijeengebracht.
Onderdeel U. [Zie art.
I, onderdeel X, Pemba, red.]
De eerste wijziging van
artikel 68 - het vervallen van het eerste lid onderdeel c -
houdt verband met de intrekking van de AAW.
De tweede wijziging van
artikel 68 betreft de toevoeging van een delegatiebepaling in een
nieuw derde lid. Bij algemene maatregel van bestuur zullen regels
worden gesteld inzake de betaling en onderlinge verrekening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in geval van gelijktijdige samenloop.
In het algemeen deel van deze memorie is reeds ingegaan op het
onderscheid tussen gelijktijdige en volgtijdelijke samenloop. Daarbij is
uiteengezet dat alleen in het eerste geval de mogelijkheid van verhaal
op de niet-bevoegde instantie gecreëerd dient te worden. Daarbij kan
gedacht worden aan de volgende situatie. Een werknemer met twee
werkgevers wordt arbeidsongeschikt. De werkgevers zijn
aangesloten bij verschillende bedrijfsverenigingen. Alsdan dient door de
bevoegde bedrijfsvereniging gedurende de eerste vijf jaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsomverhouding
te worden verhaald op de niet-bevoegde instantie. Dit geldt in gelijke zin indien
één
van beide werkgevers eigenrisicodrager is en wanneer beide werkgevers
dit zijn. De leidende gedachte hierbij blijft dat de betaling aan de
werknemer door één instantie wordt verzorgd, die vervolgens tot
verrekening met derden overgaat.
Onderdeel V. [Zie art.
I, onderdeel AA, Pemba, red.]
Hoofdstuk III, paragraaf
2, wordt vervangen, omdat naast het Arbeidsongeschiktheidsfonds,
dat deel uitmaakt van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming, per bedrijfsvereniging een sectorale arbeidsongeschiktheidskas
wordt gevormd, die deel uitmaakt van de bedrijfsvereniging.
Uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds worden onder meer de WAO-uitkeringen gefinancierd voor zover zij niet gefinancierd worden uit
de sectorale arbeidsongeschiktheidskas. Het Arbeidsongeschiktheidsfonds wordt gefinancierd door
middel van heffing van de basispremie die is verschuldigd door de
werkgever.
Uit de sectorale
arbeidsongeschiktheidskassen worden onder meer de eerste vijf jaar van de
WAO-uitkeringen gefinancierd. De voorgestelde premiedifferentiatie
vereist dat per bedrijfsvereniging een afzonderlijk beheerde en
geadministreerde sectorale arbeidsongeschiktheidskas tot stand wordt gebracht. In
deze arbeidsongeschiktheidskas wordt voor de gehele sector een reserve
gevormd.
Onderdeel W. [Zie art.
I, onderdeel BB, Pemba, red.]
Hoofdstuk
IIIa. Eigen
risico dragen door de werkgever.
Artikel 75
Artikel 75 bevat de
hoofdregels met betrekking tot aanvang, einde en inhoud van het eigen
risico dragen door de werkgever. Dit risico omvat, kort gezegd, de betaling
door de werkgever van de eerste vijf jaar van de WAO-uitkering aan zijn
(gewezen) personeel.
De werkgever kan dit
risico vrijwillig zelf gaan dragen indien hij de rblz.|77|
zekerheid kan bieden dat
deze uitkeringen ook daadwerkelijk betaald worden.
Het eerste lid bepaalt dat
de bedrijfsvereniging verplicht is toestemming te geven voor het eigen
risico dragen indien de werkgever deze zekerheid verschaft door middel van
een schriftelijke garantie of een verzekeringsovereenkomst. De
zekerheidstelling
houdt - dwingend - in dat de kredietinstelling of verzekeraar zich verplicht tot nakoming van de verplichtingen van de
werkgever jegens de bedrijfsvereniging uit hoofde van het eigen risico
dragen. Indien de werkgever in gebreke blijft met de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt deze betaald door
de bedrijfsvereniging en verhaald op de werkgever (zie hiervoor mede de toelichting bij het
vierde lid). Alsdan is de werkgever verplicht tot betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de bedrijfsvereniging. Indien de werkgever deze
verplichting niet nakomt, kan de bedrijfsvereniging de schriftelijke garantie of
verzekeringsovereenkomst uitwinnen. De kredietinstelling of
verzekeraar is gehouden de werkgeversverplichtingen te voldoen op eerste
verzoek en op enkele mededeling van de bedrijfsvereniging dat de werkgever
deze
niet nakomt. De zekerheidstelling is bedoeld voor situaties
waarin de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt, zoals
bijvoorbeeld bij betalingsonmacht.
De zekerheidstelling
omvat, als gezegd, de verplichtingen van de werkgever jegens de bedrijfsvereniging uit hoofde van het eigen risico
dragen. Indien de werkgeversverplichtingen in omvang wijzigen, bijvoorbeeld doordat een
eigenrisicodrager in één keer zijn personeelsbestand fors uitbreidt, werkt dit
automatisch door in (de omvang van) de zekerheidstelling. Deze
zekerheidstelling is aldus per definitie toereikend om de
werkgeversverplichtingen zo nodig uit te winnen.
Het
derde lid beschrijft
het risico dat de werkgever zelf draagt. Dit risico omvat de betaling van de
WAO-uitkering aan zijn (gewezen) personeel gedurende de (eerste)
vijf jaren nadat deze uitkering is ingegaan. Deze periode van vijf jaar is
absoluut. Een onderbreking van de uitkering is daarop niet van invloed.
Zij eindigt dus altijd vijf jaar nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingegaan. Indien de uitkering niet aan het einde van de
wachttijd ingaat, maar wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde
van die wachttijd (zie artikel 43a, eerste lid, onderdeel b), dan vangt
de eigenrisicoperiode aan met ingang van de dag waarop de wachttijd
is verstreken.
De werkgever betaalt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de persoon met wie hij op de
eerste ziektedag een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht had en
die ter zake van die ziekte de wachttijd van 52 weken heeft doorgemaakt
en recht op WAO-uitkering heeft verkregen. Beslissend is dus of op
de eerste ziektedag een arbeidsovereenkomst met de werkgever bestond; is
dit het geval, dan komt de uit die ongeschiktheid voortvloeiende
WAO-uitkering voor rekening van de werkgever. De werkgever draagt het
risico dus ook voor werknemers die op een tijdelijke arbeidsovereenkomst
werkzaam zijn en binnen de contractperiode ziek (en uiteindelijk
arbeidsongeschikt) zijn geworden. In de praktijk kan de eigenrisicodrager
ervan uitgaan dat indien hij voor een zieke werknemer ingevolge de Wulbz
het loon dient door te betalen, hij voor deze werknemer eveneens het
WAO-risico draagt.
Voor werknemers die
uitsluitend op een zogenaamde fictieve dienstbetrekking voor de werknemersverzekeringen werkzaam zijn
- en dus niet op
basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht - draagt de werkgever dit risico
niet.
Het derde lid geeft de
aard en omvang van het eigen risico dwingend aan. Dit betekent dat de
werkgever geen onderscheid kan maken tussen zijn vaste personeel. De werkgever kan bijvoorbeeld niet
eigenrisicodrager worden voor alléén zijn kantoorpersoneel en de meer risicovolle
rblz.|78|
werkzaamheden
uitzonderen. Evenmin kan de werkgever bepaalde ziekten, ongevallen of
risico’s uitzonderen van het eigen risico dragen.
Het
vierde lid regelt de
verhouding tussen de bedrijfsvereniging en de werkgever/eigenrisicodrager. De werkgever betaalt de WAO-uitkering op aangeven van en namens de
bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging is en blijft de bevoegde
uitvoerende instantie; de werknemer heeft en behoudt jegens de
bedrijfsvereniging aanspraak op een publiekrechtelijke uitkering. De werkgever
is op grond van de wet verplicht tot betaling van de uitkering en is
slechts bevoegd deze uitkering namens de bedrijfsvereniging te betalen; de werkgever
kan deze niet onder eigen naam en verantwoordelijkheid
betalen, maar slechts onder zeggenschap van de bedrijfsvereniging.
De bedrijfsvereniging
stelt de (mate van) arbeidsongeschiktheid vast, berekent het dagloon en
geeft (periodiek) aan de werkgever de omvang van de betalingsverplichting door. Zolang er geen wijzigingen optreden in
bijvoorbeeld de
ongeschiktheid en hoogte van de uitkering, kan de werkgever de betaling van
de uitkering ongewijzigd voortzetten.
De werkgever betaalt de
uitkering namens de bedrijfsvereniging. Dit betekent dat de werkgever
de over de uitkering verschuldigde loonheffing en (werkgevers)premies
moet inhouden en afdragen. Het betekent voorts dat, voor zover de
werkgever de uitkering heeft betaald, de bedrijfsvereniging is gekweten van haar
betalingsverplichting uit hoofde van de WAO. Omgekeerd zal de
bedrijfsvereniging tot betaling van de uitkering aan de werknemer dienen over te
gaan indien de werkgever dit - om wat voor reden dan ook - niet
doet. De werknemer behoeft daarvoor dus geen rechterlijke procedure
tegen de werkgever te starten. De bedrijfsvereniging verhaalt de door haar
betaalde uitkering in dat geval op de werkgever. Zo nodig kan de
bedrijfsvereniging de bankgarantie of verzekeringsovereenkomst
uitwinnen.
De bedrijfsvereniging kan ter zake van de betaling van de uitkering nadere regels geven. Deze
bevoegdheid vloeit voort uit de mandaatverhouding tussen bedrijfsvereniging
en eigenrisicodrager. Dergelijke regels kunnen worden
vergeleken met de voormalige FBV-orderegels [FBV: Federatie van
Bedrijfsverenigingen, red.] in het kader van het eigen risico dragen voor de Ziektewet
(ZW). Deze regels kunnen bijvoorbeeld zien
op de informatieverstrekking, de wijze van periodieke betaling aan
de werknemer en de terugbetaling aan de werkgever van een teruggevorderde uitkering. Deze regels betreffen een
nadere regulering van de onderlinge verhouding en werkwijze tussen werkgever en
bedrijfsvereniging en kunnen dus geen betrekking hebben op (het intrekken van) de
toestemming voor het eigen risico dragen. De bedrijfsvereniging kan
aan het geven van die toestemming geen van de wet afwijkende
voorwaarden verbinden.
Artikel 75 bevat tevens
voorschriften omtrent aanvang en einde van het eigen risico dragen. Het
tweede lid bepaalt dat het eigen risico dragen aanvangt op 1 januari van enig jaar, mits de aanvraag tijdig, dat wil
zeggen ten minste dertien
weken tevoren is ingediend. Alleen aan startende werkgevers
wordt op verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip
waarop deze als werkgever start. Dit betekent: zodra hij met een
werknemer een dienstbetrekking aangaat.
Het vijfde lid bevat een
overeenkomstige regeling voor de eindiging van het eigen risico dragen,
namelijk op 1 januari van enig jaar, mits dit ten minste dertien weken vóór die
datum door de werkgever is verzocht. De bedrijfsvereniging heeft
echter de bevoegdheid het eigen risico dragen met onmiddellijke ingang
te beëindigen indien de noodregeling als bedoeld in hoofdstuk IX
van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk hoofdstuk X van de
Wet
toezicht kredietwezen 1992 van
toepassing is verklaard
op de verzekeraar onderscheidenlijk de kredietinstelling. Omdat het mogelijk is dat
in het kader van de noodregeling een rblz.|79|
overdracht zal
plaatsvinden van (een deel van) de portefeuille, ligt het voor de hand dat de
bedrijfsvereniging vóór de beëindiging van het eigen risico dragen door de werkgever de
Verzekeringskamer of De Nederlandsche Bank NV consulteert.
Het zevende lid bepaalt
dat het eigen risico dragen van rechtswege eindigt indien de schriftelijke garantie of verzekeringsovereenkomst
eindigt.
In het
zesde lid wordt een
tweetal nadere inhoudelijke voorwaarden gesteld aan de schriftelijke garantie of verzekeringsovereenkomst. De
kredietinstelling of
verzekeraar dient de opzegging, beëindiging en het inroepen van de
nietigheid van de garantie of verzekeringsovereenkomst onmiddellijk te melden
aan de bedrijfsvereniging (onderdeel a). Een (latere) afspraak tussen
borgsteller en werkgever die de omvang van de zekerheidstelling
beperkt, moet worden gezien als een opzegging van de oorspronkelijke garantie
of verzekeringsovereenkomst en dient eveneens onmiddellijk te worden
gemeld. Zo’n afspraak kan dus niet worden ingeroepen door de
borgsteller jegens de bedrijfsvereniging.
Voorts dient in de zekerheidstelling te worden bepaald dat zij slechts kan eindigen met ingang
van de eerste dag van een kalendermaand nadat één jaar na de in
onderdeel a bedoelde melding is verstreken (onderdeel b). Het vorenstaande
betekent dat indien de schriftelijke garantie of verzekeringsovereenkomst
wordt opgezegd, de werkgever nog negen maanden de tijd heeft om
een nieuwe zekerheidstelling bij de bedrijfsvereniging over te leggen.
Het eindigen van het
eigen risico dragen brengt van rechtswege mee dat de betalingsverplichting
van de werkgever jegens zijn (gewezen) werknemers die recht hebben op WAO-uitkering met ingang van die
eindigingsdatum vervalt.
Alsdan betaalt de bedrijfsvereniging de uitkering.
Artikel 75a
Het eerste lid van
artikel 75a bepaalt dat de eigenrisicodrager de sectorale premie, die ten
gunste komt van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas
van de bedrijfsverenigingen, niet verschuldigd is. Over het loon van
werknemers die geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de
eigenrisicodrager hebben - en voor wie dus geen risico wordt gedragen - is de werkgever uiteraard wel premie verschuldigd.
Indien de werkgever ter
dekking van het eigen risico een particuliere verzekering afsluit, mag
hij de daarvoor verschuldigde premies niet (gedeeltelijk) verhalen
op het loon van de werknemer (tweede lid).
Artikel 75b
Artikel
75b bevat een
afwijkende regeling voor de (eerste) melding van arbeidsongeschiktheid
door de eigenrisicodrager aan de bedrijfsvereniging. Zo geldt de in het kader
van de Wulbz geïntroduceerde dertiendeweeksmelding niet
voor eigenrisicodragers (eerste lid). De aangifte van arbeidsongeschiktheid
behoeft, ingevolge het tweede lid, eerst na zeven maanden te
geschieden. Deze aangifte is nodig omdat de bedrijfsvereniging verplicht is de
belanghebbende uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de
wachttijd van 52 weken in kennis te stellen van de mogelijkheid van het doen
van een aanvraag om WAO-uitkering (artikel
34, tweede lid).
Het is mogelijk dat de
arbeidsovereenkomst tussen een eigenrisicodrager en zijn zieke werknemer eindigt voordat de termijn van zeven
maanden is verstreken. In
dat geval doet de werkgever de ziekmelding op de laatste werkdag
voordat de dienstbetrekking eindigt (derde lid), rblz.|80|
analoog aan de regeling
van artikel 38, tweede lid, ZW. Indien deze werknemer na ommekomst
van de wachttijd WAO-uitkering wordt toegekend, draagt de werkgever het risico van betaling van die uitkering.
Artikel 75c
In artikel
75c is een
aantal bijzondere bepalingen opgenomen inzake de reïntegratie gedurende
de periode van eigen risico dragen. Zoals in het algemeen deel van deze memorie is uiteengezet, berust het primaat van
de reïntegratie in die
periode bij de werkgever/eigenrisicodrager. Dit komt onder meer tot
uiting in het eerste lid van artikel 75c, dat stelt dat de werkgever het
reïntegratieplan niet aan de bedrijfsvereniging behoeft over te leggen. Dit plan dient
dus wel te worden opgesteld.
Het is echter mogelijk
dat de werkgever aan de bedrijfsvereniging verzoekt om het reïntegratieplan op te stellen, bijvoorbeeld indien
onmiddellijk duidelijk is
dat reïntegratie in het eigen bedrijf onmogelijk is. Eveneens is in een
individueel geval denkbaar dat de werkgever weigert een reïntegratieplan
op te stellen en zich ook niet tot de bedrijfsvereniging wendt. In dergelijke
situaties stelt de bedrijfsvereniging op verzoek van de werkgever, respectievelijk
de werknemer, het reïntegratieplan op. De kosten daarvan worden in
rekening gebracht bij de werkgever/eigenrisicodrager (tweede lid).
Ook de kosten van
opleiding en scholing en van een voorziening, toelage of vergoeding komen gedurende de eerste vijf jaar van de
WAO-uitkering voor
rekening van de eigenrisicodrager. Bij ministeriële regeling kan evenwel
worden bepaald dat specifieke kosten slechts tot een bepaald maximum op de
werkgever kunnen worden verhaald (derde lid).
Het vierde lid ziet op de
bijzondere situatie dat de werknemer weigert mee te werken aan zijn
herstel of reïntegratie. In zo’n geval moet de eigenrisicodrager de
mogelijkheid hebben de bedrijfsvereniging in te schakelen, opdat deze zo
nodig gebruik kan maken van haar wettelijke (sanctie)bevoegdheden. De
beslissing of daartoe moet worden overgegaan, berust dus bij
de bedrijfsvereniging, die daarbij gebonden is aan de wet, beginselen
van behoorlijk bestuur en aan haar eigen sanctiebeleid.
Ingevolge het vijfde lid
stelt het Tica minimumeisen ten aanzien van de begeleiding door de eigenrisicodrager
van zijn arbeidsongeschikt geworden personeel. Deze begeleiding is uiteraard gericht op de
herintreding van de
werknemer in het arbeidsproces. Drie jaar nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingegaan, controleert de bedrijfsvereniging of deze minimumeisen door
de werkgever zijn nageleefd. Indien dit niet of niet naar behoren
het geval is en de werkgever kan daarvoor geen deugdelijke grond
aanvoeren, legt de bedrijfsvereniging hem de in het zesde lid bedoelde boete
op.
Artikel 75d
Artikel
75d regelt enkele
technische punten rond het eigenrisicodrager worden. Dit artikel dient
te worden gelezen in samenhang met artikel VI van deze
wet. Laatstgenoemd artikel regelt onder meer dat alleen voor
uitkeringen welke zijn
ingegaan op of na de dag van inwerkingtreding van de Pemba het risico
zelf gedragen wordt.
Artikel 75d, eerste lid,
bevat een nadere regeling met betrekking tot de zogenaamde "nieuwe oude
gevallen" bij aanvang van het eigen risico dragen. (De term "oude
gevallen" ziet op uitkeringen welke zijn ingegaan vóór de
inwerkingtreding van de Pemba. Deze worden alle gefinancierd uit het Aof). Bij
"nieuwe oude gevallen" gaat het om uitkeringen welke zijn ingegaan
ná
de inwerkingtreding van deze wet, maar nog geen vijf jaar hebben geduurd
vanaf het moment dat de werkgever eigenrisicodrager rblz.|81|
is geworden.
Uiteraard gaat het dan om uitkeringen welke via deze werkgever zijn
gegenereerd. In het algemeen deel van deze memorie is uiteengezet waarom ook
deze uitkeringen ten laste van de eigenrisicodrager dienen te komen.
Het spiegelbeeld doet zich overigens voor bij het einde van het eigen
risico dragen: alsdan komen de lopende lasten van de eigenrisicodrager
(dat wil zeggen uitkeringen die nog geen vijf jaar hebben geduurd) vanaf de
eindiging voor rekening van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas
van de bedrijfsvereniging. De werkgever kan voor zijn "nieuwe oude
gevallen" zelf het risico dragen, zoals hij dit ook doet voor nieuwe uitkeringen. De werkgever kan er ook voor kiezen het
resterende
betalingsrisico door middel van een bedrag ineens bij de bedrijfsvereniging af te
kopen.
Een zelfde regeling is in
het tweede lid getroffen voor de kosten van opleiding, scholing en
voorzieningen, en van toelagen en vergoedingen betreffende deze "nieuwe
oude gevallen"; deze kunnen naar keuze door de werkgever zelf worden
betaald, respectievelijk door de bedrijfsvereniging bij hem in rekening
worden gebracht, of door hem worden afgekocht.
Artikel 75d, derde lid,
betreft overgangen van ondernemingen van werkgevers die geen eigen
risico dragen naar werkgevers die wel eigen risico dragen of gaan
dragen. Bij deze overgangen vervalt uiteraard de verplichting van de
overdragende werkgever tot betaling van de sectorale premie over de lonen van
de werknemers die in dienst treden bij de overnemende werkgever.
Over die lonen wordt ook geen sectorale premie betaald door de
overnemende werkgever omdat deze eigenrisicodrager is. Dit zou betekenen
dat
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn ingegaan vóór de
overgang van de onderneming en worden toegekend aan de werknemers of
ex-werknemers van de overdragende werkgever (gedurende een periode
van maximaal vijf jaar), uitsluitend worden gefinancierd door de
werkgevers die geen eigen risico dragen en derhalve de sectorale premie
moeten betalen. Dit terwijl het niet hun werknemers of ex-werknemers betreft.
Omdat dit onwenselijk
wordt geacht, wordt in artikel 75d, derde lid, geregeld dat de desbetreffende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
gedurende een periode van
ten hoogste vijf jaar worden gefinancierd door de overnemende
werkgever.
De bedrijfsvereniging zal - aan de hand van een aantal feitelijke omstandigheden
- moeten
vaststellen of sprake is van een overgang van een onderneming als
bedoeld in artikel 75d, derde lid. In de eerste plaats is voor de beoordeling
beslissend of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft. Daarvan is met
name sprake indien de exploitatie in feite wordt voortgezet of hervat. In
de tweede plaats moet rekening worden gehouden met alle
feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals:
- de aard van de
betrokken onderneming of vestiging;
- het feit dat de materiële activa al dan niet worden overgedragen;
- de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht;
- het feit dat vrijwel
al het personeel door de nieuwe ondernemer al dan niet wordt overgenomen;
- het feit dat de
klantenkring al dan niet wordt overgedragen;
- de mate waarin de
voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen;
- de duur van de
eventuele onderbreking van die activiteiten.
Ook bij overgang van een
onderneming geldt dat de (overnemende) werkgever die eigenrisicodrager
is naar keuze de eerder bedoelde kosten van scholing of
opleiding, voorzieningen, toelagen en vergoedingen zelf kan betalen,
onderscheidenlijk bij hem in rekening laten brengen, of kan afkopen bij de
bedrijfsvereniging (vijfde lid).
rblz.|82|
Onderdeel
X. [Zie art.
I, onderdeel CC, Pemba, red.]
Hoofdstuk IV van de
WAO,
getiteld "De op te brengen middelen", wordt vervangen door een nieuw
hoofdstuk IV, getiteld "Financiering".
Artikelen 76,
76a
en 76b
In artikel
76, eerste
lid, wordt geregeld dat het krachtens artikel 72 afzonderlijk beheerde
Arbeidsongeschiktheidsfonds wordt gevuld door middel van heffing van de WAO-basispremie. In het tweede lid van
artikel
76 wordt geregeld dat de
krachtens artikel 73 afzonderlijk beheerde sectorale
arbeidsongeschiktheidskassen worden gevuld door middel van heffing van de sectorale
(gedifferentieerde) WAO-premie.
In artikel
76a is
geregeld dat de door de werkgever verschuldigde WAO-premie uit twee delen
zal bestaan, te weten de basispremie (waarop de artikelen
76, eerste
lid, 76a, onderdeel a, 76b,
77 en 77a tot en met
77e van toepassing zijn) en
de sectorale premie (waarop de artikelen 76, tweede lid,
76a,
onderdeel b, 76b, 78 en
78a van toepassing zijn). In artikel
76b is geregeld dat de
werkgever de basispremie en de sectorale premie betaalt aan de
bedrijfsvereniging en deze niet mag verhalen op de werknemer.
Artikel
76, aanhef en
onderdeel b, moeten worden gelezen in combinatie met artikel
75, derde lid,
en met artikel 75a, eerste lid. In laatstgenoemde artikelonderdelen is
bepaald dat een werkgever eigenrisicodrager kan zijn voor personen die
bij hem op arbeidsovereenkomst werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1637a
van Boek 7a
van het Burgerlijk Wetboek en dat hij ten aanzien van deze
personen de sectorale premie niet verschuldigd is. Indien een werkgever die
eigenrisicodrager is tevens werknemers in dienst heeft die
uitsluitend op een zogenaamde fictieve dienstbetrekking voor de werknemersverzekeringen werkzaam zijn
- en dus niet op een arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht - dan is hij voor deze personen wel de sectorale premie
verschuldigd. Voor hen draagt hij immers niet zelf het risico van de
betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikelen 76c,
76d, 76e
en 76f
De
artikelen
76d en 76f,
betreffende de uitgaven die ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de sectorale
arbeidsongeschiktheidskassen, moeten worden gelezen in
combinatie met artikel VII van hoofdstuk 2
Overgangs- en slotbepalingen. In laatstgenoemd artikel is
bepaald dat de door de
bedrijfsvereniging betaalde uitkeringen, kosten van scholing of
opleiding, voorzieningen, toelagen en vergoedingen als bedoeld in artikel
76f uitsluitend ten laste komen van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas
indien zij respectievelijk zijn ingegaan, gefinancierd en toegekend
op of na de dag van inwerkingtreding van de Pemba. In
artikel 76d is bepaald dat - met inachtneming van het bepaalde in
artikel 76f - de in dit artikel genoemde kosten ten laste komen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds voor zover zij niet ten laste komen van de sectorale
arbeidsongeschiktheidskas. In artikel 76f
is bepaald dat de door de
bedrijfsvereniging betaalde uitkeringen gedurende een periode van vijf jaar, te
rekenen vanaf de dag waarop een uitkering is ingegaan, alsmede de in deze periode door de bedrijfsvereniging
gefinancierde kosten van
scholing of opleiding, ten laste komen van de sectorale
arbeidsongeschiktheidskas. In de tweede volzin van het eerste lid is geregeld dat de
hiervoor genoemde periode van vijf jaar ingaat na het einde van de
wachttijd van artikel 19 van de WAO
indien de uitkering is toegekend met
toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van de
WAO. Deze bepaling
vormt als het ware het spiegelbeeld van het rblz.|83|
bepaalde in artikel 75,
derde lid, onderdeel b, tweede volzin, waarin bepaald is dat indien de
uitkering niet aan het einde van de wachttijd ingaat, maar wel binnen
vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd, de eigenrisicoperiode aanvangt met ingang van de dag waarop de wachttijd is
verstreken.
Voorts is in het eerste
lid, onderdeel c, bepaald dat gedurende een periode van zes jaar, te
rekenen vanaf de dag waarop een verzekerde arbeidsongeschikt wordt,
de door de bedrijfsvereniging toegekende en gefinancierde
voorzieningen, bedoeld in artikel 65, eerste
lid, en toelagen en vergoedingen, bedoeld
in artikel 65b, ten laste komen van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas.
De periode van zes jaar houdt verband met het feit dat de hier
bedoelde voorzieningen, toelagen en vergoedingen kunnen worden toegekend
aan personen die de wachttijd, bedoeld in artikel
19, eerste lid
van de WAO,
doormaken.
Het voorgaande betekent
dat ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen de door de
bedrijfsvereniging te betalen uitkeringen voor zover zij zijn ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van de
Pemba, alsmede de
uitkeringen die zijn ingegaan op de dag van of na inwerkingtreding van deze
wet, voor zover zij worden toegekend na een periode van vijf jaar
nadat de uitkering is ingegaan. Voorts komen ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds de door de bedrijfsvereniging gefinancierde kosten van
opleiding of scholing, bedoeld in artikel 64, de voorzieningen, bedoeld in
artikel 65, eerste lid, en de toelagen en vergoedingen, bedoeld in artikel
65b,
voor zover zij betrekking hebben op de periode voorafgaande aan
de inwerkingtreding van de Pemba. De kosten, bedoeld in artikel
64, komen tevens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
indien zij betrekking hebben op personen aan wie een uitkering is
toegekend na de inwerkingtreding van deze wet, voor zover deze kosten gemaakt worden in de periode gelegen vijf jaar na
de datum waarop de
uitkering is ingegaan. Hetzelfde geldt ten aanzien van de voorzieningen,
bedoeld in artikel 65, eerste lid, en de toelagen en vergoedingen, bedoeld in
artikel 65b, met dien verstande dat zij ten laste komen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds voor zover zij worden toegekend in de periode
gelegen zes jaar na de datum waarop een verzekerde
arbeidsongeschikt is geworden.
Verder komen ten laste
van het Arbeidsongeschiktheidsfonds de kosten verbonden aan de
uitvoering van de WAO, de in artikel 60 bedoelde loonsuppletie, de in
artikel 62 bedoelde loonkostensubsidie, de in artikel
65, derde lid, bedoelde
voorzieningen, de in artikel 65a bedoelde vergoedingen, de in
artikel 74 bedoelde
toelagen, de in de artikelen 16a en 16b van de Wet arbeid
gehandicapte werknemers bedoelde voorzieningen, toelagen en vergoedingen
en de in artikel XIII van de Wet Amber
bedoelde bonusuitkeringen.
De artikelen
76c en 76e regelen de inkomsten van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
en de sectorale arbeidsongeschiktheidkassen. Voor wat betreft hetgeen
ten gunste komt van de sectorale arbeidsongeschiktheidskassen
is hierbij het volgende van belang. In artikel
75, vierde lid, is
bepaald dat indien de werkgever/eigenrisicodrager de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet betaalt, de bedrijfsvereniging
deze uitkering betaalt en
verhaalt op de werkgever. Nu deze uitkeringen betaald worden uit de sectorale arbeidsongeschiktheidskas (het betreft
immers uitkeringen die
betrekking hebben op de eerste vijf jaar nadat het recht op uitkering is
ingegaan), spreekt het voor zich dat de gelden die de bedrijfsvereniging
ontvangt met toepassing van verhaal als bedoeld in artikel
75, vierde lid,
ten gunste komen van de sectorale arbeidsongeschiktheidskas.
Dit is geregeld in artikel 76e, onderdeel c. Voorts is in
artikel
75c,
derde lid, bepaald dat de kosten van scholing of opleiding, bedoeld in
artikel 64, en van een voorziening als bedoeld in rblz.|84|
artikel 65, eerste lid,
en van de toelagen en vergoedingen, bedoeld in artikel 65b, hetzij
betaald worden door de werkgever/eigenrisicodrager, hetzij door de
bedrijfsvereniging. Indien genoemde kosten in eerste instantie vergoed worden
door de bedrijfsvereniging, dan gaat dit ten laste van de sectorale
arbeidsongeschiktheidskas. Het betreft immers betalingen die betrekking hebben op de eerste zes jaar, te rekenen vanaf
de dag waarop de
verzekerde arbeidsongeschikt wordt. Voor zover de hier genoemde kosten in
rekening worden gebracht bij de werkgever, worden de gelden die de
bedrijfsvereniging alsdan ontvangt eveneens ten gunste van de sectorale
arbeidsongeschiktheidskas gebracht. Dit laatste is geregeld in artikel
76e,
onderdeel d.
Artikel 76g
Op grond van dit artikel
dienen de uitgaven van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot de reïntegratiemaatregelen die ten laste kunnen worden gebracht van het Arbeidsongeschiktheidsfonds en de sectorale
arbeidsongeschiktheidskas,
door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming te worden
gebonden aan een maximum per kalenderjaar. Een soortgelijke bepaling is
thans opgenomen in artikel 76, vierde lid, van de WAO, welke bij de
Wet Amber in de WAO is gebracht.
Artikel 76h.
Artikel
76h komt overeen
met artikel 79 van het oude hoofdstuk IV van de WAO, met dien
verstande dat "verhaalsbedragen" wordt vervangen door "overige
ontvangsten", waarmee dit artikel wordt afgestemd op de overeenkomstige
artikelen
97 van de Werkloosheidswet en 37 van de Wet financiering
volksverzekeringen. De zinsnede "alsmede omtrent de berekening van de ten
laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds te brengen administratiekosten" vervalt. De reden hiervoor is dat het
College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) krachtens artikel 85, vijfde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen regels stelt omtrent de toerekening van uitvoeringskosten. Administratiekosten zijn onderdeel
van de uitvoeringskosten.
In de regels betreffende de toerekening van de uitvoeringskosten zullen
verdeelsleutels voor de toerekening worden opgenomen. Op grond van
die verdeelsleutels dienen de uitvoeringskosten te worden berekend.
Verdere regelgeving ter zake is overbodig. Daarom vervalt
vorengenoemde zinsnede. Het commentaar van het Ctsv wordt hiermee gevolgd.
Artikelen 77 en
77a
De artikelen 77 en
77a betreffen de wijze waarop de uniforme WAO-basispremie wordt vastgesteld. Het Tijdelijk instituut voor
coördinatie
en afstemming, waarvan
het Arbeidsongeschiktheidsfonds deel uitmaakt, stelt ten
behoeve van deze premieheffing een voor alle takken van bedrijf en beroep
gelijk premiepercentage vast, alsmede de periode waarvoor dit percentage
zal gelden. Aan deze vaststelling is het vereiste van goedkeuring door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verbonden. Bij onthouding
van goedkeuring stelt deze minister het percentage of de periode
vast.
Artikelen 77b,
77c en 77d
In artikel
77b is
geregeld dat een werkgever de basispremie niet verschuldigd is over het
loon van een arbeidsgehandicapte werknemer indien de loonsom van de
bij hem werkzame arbeidsgehandicapte werknemer in een
kalenderjaar ten minste gelijk is aan 5 procent van de loonsom van de werkgever
in dat kalenderjaar.
rblz.|85|
In artikel 77c, eerste
lid, is geregeld dat een werkgever een korting kan krijgen op de door hem
verschuldigde basispremie als hij werkzaamheden aanbesteed bij een
WSW-bedrijf. Of een werkgever in aanmerking komt
voor een korting is
afhankelijk van de vraag of de fictieve loonsom die overeenkomt met het
aantal arbeidsplaatsen dat met de opdracht is gemoeid ten minste gelijk
is aan 5 procent van de totale loonsom van de werkgever in het
kalenderjaar waarin de opdracht is verleend. In het tweede lid van dit
artikel is geregeld wat onder een arbeidsplaats moet worden verstaan. In het
algemeen deel van de toelichting is hier reeds op ingegaan. In het derde
lid is aangegeven wat de omvang van de premiekorting is, te weten de in het
eerste lid bedoelde (fictieve) loonsom vermenigvuldigd met het
premiepercentage, bedoeld in artikel 77.
Het kan zijn dat een
werkgever minder aan arbeidsgehandicapte werknemers verloont dan
voor de toepassing van artikel 77b vereist is of dat hij minder bij een
WSW-bedrijf aanbesteed dan voor de toepassing van artikel 77c
vereist
is, terwijl de loonsom die overeenkomt met het aantal arbeidsplaatsen
dat met de opdracht aan een WSW-bedrijf is gemoeid samen met de
loonsom van de bij hem in dienst zijnde arbeidsgehandicapte werknemers
ten minste
gelijk is aan 5 procent van de totale loonsom van de
werkgever in een kalenderjaar. Voorts kan het zijn dat een werkgever wel
voldoende aanbesteed bij een WSW-bedrijf om artikel 77c
op hem van
toepassing te kunnen doen zijn, doch niet voldoende
arbeidsgehandicapte werknemers in dienst heeft om in aanmerking te kunnen
komen voor premievrijstelling krachtens artikel 77b. Ook kan de situatie
zich voordoen dat de werkgever wel voldoende arbeidsgehandicapte
werknemers in dienst heeft om voor premievrijstelling in aanmerking te komen,
doch niet voldoende aanbesteed [heeft, red.] om tevens in aanmerking te
kunnen komen voor een korting als bedoeld in artikel 77c.
Artikel
77d voorziet erin dat in situaties als deze de werkgever geen basispremie
verschuldigd is over het loon van de bij hem in dienst zijnde arbeidsgehandicapte werknemers en dat hij een korting kan krijgen
op de door hem overigens
verschuldigde basispremie indien de loonsom die overeenkomt met het aantal arbeidsplaatsen dat met de opdracht aan
het WSW-bedrijf is
gemoeid samen met de loonsom van de bij hem in dienst zijnde
arbeidsgehandicapte werknemers ten minste 5 procent bedraagt van de totale
loonsom van de werkgever in het kalenderjaar waarin de opdracht wordt
verleend.
Artikel 78
In artikel 78 is geregeld
dat per bedrijfstak een bedrijfsverenigingspercentage wordt vastgesteld.
Bedrijfsverenigingspercentages kunnen derhalve verschillen.
Voor elke individuele werkgever wordt het bedrijfsverenigingspercentage
door de bedrijfsvereniging verhoogd met een opslag of verlaagd
met een korting. Voor bepaalde werkgevers - te denken valt aan startende
ondernemers - kan de opslag of korting nul bedragen. De opslag of
korting dient elk jaar opnieuw te worden vastgesteld.
Bij overgang van een
onderneming dient de opslag of korting van de overdragende werkgever de
overgaande onderneming te volgen. Dit betekent dat zowel voor
de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt als voor de
werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt, de
opslag of korting opnieuw dient te worden vastgesteld. Dit is geregeld in het
vierde lid. De wijze waarop de bedrijfsvereniging zal moeten vaststellen of
sprake is van overgang van een onderneming is toegelicht bij artikel
75d, derde lid.
rblz.|86|
Op grond van het zesde
lid dienen bij algemene maatregel van bestuur regels te worden gesteld
omtrent de wijze waarop de bedrijfsverenigingen op basis van het arbeidsongeschiktheidsrisico de opslagen en kortingen
moeten berekenen. Voorts kunnen hierbij percentages worden vastgesteld die ten hoogste aan
werkgevers in rekening mogen worden gebracht (premieplafonds) en
percentages die ten minste aan werkgevers in rekening moeten worden
gebracht (premieminima). Deze percentages kunnen per bedrijfstak en
ook binnen bedrijfstakken voor categorieën van werkgevers verschillen.
In het zevende lid is
geregeld - overeenkomstig het bepaalde in artikel
85, derde lid, van de
Werkloosheidswet (WW) met betrekking tot de premie die ten gunste van
de wachtgeldfondsen WW
komt - dat over een uitkering op grond van de WAO,
ZW en de WW, over een toeslag op grond van de Toeslagenwet
en over het loon uit een dienstbetrekking in de zin van de WSW in
plaats van een sectorale premie een vervangende premie wordt vastgesteld.
De vervangende premie wordt bepaald op een gemiddelde van de
sectorale premies die op grond van het tweede lid van het onderhavige artikel
zijn vastgesteld. In het achtste lid is geregeld - overeenkomstig het bepaalde in
artikel 85, zesde lid, van de
WW - dat het
zevende lid geen
toepassing vindt indien de uitkering door tussenkomst van de werkgever wordt
betaald.
De concrete vormgeving
van het systeem van premiedifferentiatie is als volgt.
Zoals in de memorie van
toelichting is uiteengezet, vormt het uitgangspunt voor de premiedifferentiatie het niveau van de sector. De
clustering van de
bedrijfsvereniging tot sectoren zal in het post-nOsv-traject worden vormgegeven.
Aldaar worden tevens de bevoegdheden met betrekking tot de
premiestelling en het fondsbeheer geregeld. In de wettekst zijn deze
bevoegdheden, conform de huidige uitvoeringsstructuur, nog aan de
bedrijfsverenigingen toebedeeld. In onderstaande toelichting is, conform
de voorgestane uitvoeringsstructuur, gemakshalve overal gesproken van
sectoren.
Premiedifferentiatie in
de eerste periode
a. Vormgeving van het
systeem van premiedifferentiatie
De premie die iedere
individuele werkgever die geen eigenrisicodrager is, verschuldigd is, wordt
opgebouwd uit twee componenten, te weten de gemiddelde premie per
sector en de opslag of korting van de desbetreffende werkgever op deze
gemiddelde premie. De gemiddelde premie wordt vastgesteld door de
sector op basis van de totale verwachte lasten in een jaar. Deze premie
dient derhalve lastendekkend te zijn.
De hoogte van de opslag
of korting van een werkgever wordt bepaald door de volgende factoren:
• het gemiddelde
arbeidsongeschiktheidsrisico van de laatste vijf jaren van de gehele sector: dit
risico wordt berekend door de totale gegeneerde lasten van de sector van
de afgelopen vijf jaren te relateren aan de totale loonsom van de sector; op
het moment van inwerkingtreding wordt het risico van de afgelopen
drie jaren gehanteerd, waarna dit in twee jaren wordt uitgebouwd tot vijf
jaren;
• het
arbeidsongeschiktheidsrisico van de laatste vijf jaren van de individuele
werkgever:
dit betreft de gegenereerde lasten van die onderneming van de
afgelopen vijf jaren in verhouding tot de loonsom van die onderneming; ook
hier geldt dezelfde overgangsfase als voor het gemiddelde risico;
• de hoogte van de opslag
of korting van de werkgever in het voorgaande jaar;
rblz.|87|
• de aanpassingscoëfficiënt.
De hoogte van de totale
verschuldigde premie in jaar t wordt berekend aan de hand van de
volgende formule:
Pt
(premie in jaar t) =
Pt,gem
(gemiddelde premie) + Pt,ok
(premieopslag of -korting)
De hoogte van de opslag
of korting wordt berekend volgens de volgende formule:
Pt,ok
= Pt-1,ok
(opslag
of korting in voorgaande jaar) + a * (((Pt,ok,individueel
(individuele ao-risico) - Pt,ok,gem
(gemiddelde ao-risico)) - Pt-1,ok
(opslag of korting
in
voorgaande jaar)) [oa-risico: arbeidsongeschiktheidsrisico, red.],
waarbij a staat voor de
aanpassingscoëfficiënt.
In onderstaande tabel is
een fictief voorbeeld ter illustratie gepresenteerd. De hoogte van de
aanpassingscoëfficiënt is daarbij vastgesteld op 0,5.
Tabel 1. Fictief
voorbeeld 1: uitwerking adaptieve premies:
|
Gemiddeldexxx
totale premie |
Gemiddeldexx
ao-risico
5 jaar* |
Individuele
ao-risico
5 jaar* |
Opslag/
korting |
Adaptieve
premie |
|
(Pt,gem)
(1)
(= totale lasten/
totale loonsom)
|
(Pt,ok,gem)
(2)
(= gemiddelde
risico/totale
loonsom)
|
(Pt,ok,ind)
(3)
(= risico
onderneming/
loonsom)
|
(Pt,ok)
(4)
---
|
(5)
(= (1) + (4))
|
| jaar
1 |
0,90%
|
2,40%
|
1,40%
|
-
0,50%
|
0,40%
|
| jaar
2 |
1,70%
|
3,10%
|
1,90%
|
-
0,85%
|
0,85%
|
| jaar
3 |
2,40%
|
4,10%
|
2,70%
|
-
1,13%
|
1,28%
|
| jaar
4 |
3,10%
|
4,10%
|
2,50%
|
-
1,36%
|
1,74%
|
| jaar
5 |
3,80%
|
4,10%
|
2,40%
|
-
1,53%
|
2,27%
|
| jaar
6 |
4,10%
|
4,10%
|
2,70%
|
-
1,47%
|
2,63%
|
| jaar
7 |
4,10%
|
4,10%
|
2,90%
|
-
1,33%
|
2,77%
|
| jaar
8 |
4,10%
|
4,10%
|
3,30%
|
-
1,07%
|
3,03%
|
| jaar
9 |
4,10%
|
4,10%
|
3,10%
|
-
1,03%
|
3,07%
|
| jaar
10 |
4,10%
|
4,10%
|
3,07%
|
-
1,03%
|
3,07%
|
*jaar 1 drie jaar, jaar 2
vier jaar
Een verklaring per kolom
volgt hieronder.
Kolom 1 geeft de totale
gemiddelde premie van een sector weer. Dit betreft, zoals gezegd, de
totale lasten van de eerste vijf jaren van de sector in verhouding tot de
totale loonsom. Deze premie heeft slechts betrekking op de nieuwe gevallen
vanaf het moment van inwerkingtreding van het systeem. Deze premie zal
dus langzaam stijgen in de aanvangsjaren van het systeem en bereikt in
jaar zes het structurele niveau. Daarbij is gemakshalve geabstraheerd
van wijzigingen in in- en uitstroom gedurende de periode.
Kolom 2 geeft het
gemiddelde risico van de totale sector weer, met andere woorden de gegenereerde lasten van de gehele sector van de
voorgaande vijf jaren in
relatie tot de totale loonsom. Voor jaar 1 is het gemiddelde risico van de
voorgaande drie jaren, voor jaar 2 dat van de voorgaande vier jaren
genomen. De reden hiervoor is dat de sectoren in het eerste jaar slechts
gegevens beschikbaar hebben van de laatste drie jaren. In de twee jaren
daarop kan de periode uitgebouwd worden tot in totaal vijf jaren.
rblz.|88|
Kolom 3 bevat het
feitelijke risico van een onderneming: het gaat hierbij om de gegenereerde lasten
van de desbetreffende onderneming in verhouding tot zijn loonsom.
Kolom 4 geeft de hoogte
van de opslag of korting aan. Deze wordt als volgt berekend. In eerste
aanleg wordt gekeken naar het verschil tussen het feitelijke risico van
de onderneming en het gemiddelde risico van de sector. Uit tabel 1 valt
af te lezen dat deze in jaar 1 0,25% respectievelijk 2,4% bedragen; het verschil
bedraagt derhalve -1%. In jaar 1 is nog geen sprake van een opslag of korting
in het voorgaande jaar. In jaar 1 hoeft dus voor de berekening van de
opslag of korting slechts alleen nog rekening gehouden te worden met de
aanpassingscoëfficiënt. Deze bedraagt 0,5, zodat de korting voor de
desbetreffende onderneming in jaar 1 0,5 * (1,4% - 2,4%) = -0,5%
bedraagt.
In jaar 3 bedragen het
feitelijke risico en het gemiddelde risico 2,7% respectievelijk 4,1%; het verschil
bedraagt derhalve -1,4%. De korting in het voorgaande jaar bedroeg -0,85%. Het verschil in jaar 3 is dus nog steeds groter dan de korting in
het voorgaande jaar. Dit geeft aanleiding om de korting voor de
desbetreffende onderneming verder te verhogen. Het verschil tussen beide
risico’s en de korting van het voorgaande jaar wordt echter niet volledig
doorberekend; rekening moet wederom worden gehouden met de aanpassingscoëfficiënt. De hoogte van de korting in jaar 3 bedraagt dan
-0,85% +
0,5 * ((2,7% - 4,1%) - -0,85%) = -0,85% + 0,5 * -0,55% = -1,125%
(afgerond -1,13%).
In kolom 5 ten slotte is
de totale premie voor de individuele onderneming weergegeven. Deze vormt
de optelsom van de totale gemiddelde premie van de sector
(kolom 1) en de opslag of korting (kolom 4).
Zolang het verschil
tussen het feitelijke risico van een onderneming en het gemiddelde risico van
de sector groter is dan de hoogte van de opslag of korting van het voorgaande jaar, zal de opslag of korting dus toenemen.
Is het omgekeerde het
geval, dan zal de opslag of korting afnemen; dit is het geval in de jaren 6
tot en met 9. In jaar 10 in bovenstaand voorbeeld wordt dit nogmaals geïllustreerd: het verschil tussen het feitelijk arbeidsongeschiktheidsrisico
van de onderneming en het gemiddelde risico van de sector is
daar zodanig gekozen dat dit verschil exact gelijk is aan de korting van het
voorgaande jaar. De korting in jaar 10 is dan precies gelijk aan die in
jaar 9.
Op deze wijze wordt een
ondernemer steeds gestimuleerd maatregelen te blijven nemen om de
uitstoot van arbeidsongeschikten te verminderen teneinde een lagere
premie te bewerkstelligen.
b. Aanpassingscoëfficiënt
De
aanpassingscoëfficiënt bepaalt, zoals gezegd, de mate waarin een onderneming het verschil
tussen zijn eigen risico en het gemiddelde risico krijgt doorberekend in de
opslag of korting. Deze aanpassingscoëfficiënt zal per sector worden
vastgesteld. Ook binnen de sector kunnen nog verschillende coëfficiënten worden vastgesteld. Zo is het
bijvoorbeeld mogelijk voor kleinere
werkgevers een lagere coëfficiënt vast te stellen dan voor grotere
werkgevers.
Voor grote werkgevers
geldt in zijn algemeenheid dat het verloop van het arbeidsongeschiktheidsrisico een veel regelmatiger patroon zal
vertonen dan voor kleine
werkgevers. Daarnaast hebben grote werkgevers meer mogelijkheden om te investeren in preventieve maatregelen en om
een arbeidsongeschikt
geworden werknemer te reïntegreren in het eigen bedrijf.
Kleinere werkgevers
zullen veel vaker gedurende een langere periode een risico van nul hebben
om dan in één jaar, als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van één werknemer,
een hoog risico te krijgen. Een lage rblz.|89|
aanpassingscoëfficiënt houdt dan in dat deze ondernemingen slechts langzaam richting het
verschil tussen het eigen en het gemiddelde risico toegroeien, zodat grote
schokken in de premie worden voorkomen. Op deze wijze wordt dus een
grotere verevening voor kleinere ondernemingen bewerkstelligd.
De aanpassingscoëfficiënt zal naar verwachting in de eerste jaren van de premiedifferentiatie
voor alle sectoren niet veel verschillen. Voor de grotere bedrijven zal de
coëfficiënt, zoals gezegd, hoger kunnen worden vastgesteld dan voor
kleine ondernemingen. Dit betekent dat de premiedifferentiatie voor grote ondernemingen
meer vergaand is dan voor kleine ondernemingen. Een aanpassingscoëfficiënt van 1 in de eerste periode is niet wenselijk. Als
gevolg van het feit dat de periode waarover het risico wordt gemeten en de
periode waarvoor de premiedifferentiatie geldt even lang zijn, betekent een
aanpassingscoëfficiënt van 1 per saldo dat de onderneming ook in het
publieke stelsel volledig op zijn eigen risico wordt afgerekend. Onderstaand
voorbeeld moge dit verduidelijken.
Tabel 2. Fictief
voorbeeld 2: gevolgen aanpassingscoëfficiënt = 1:
|
Gemiddeldexxx
totale premie |
Gemiddeldexx
ao-risico
5 jaar* |
Individuele
ao-risico
5 jaar* |
Opslag/
korting |
Adaptieve
premie |
|
(Pt,gem)
(1)
(= totale lasten/
totale loonsom)
|
(Pt,ok,gem)
(2)
(= gemiddelde
risico/totale
loonsom)
|
(Pt,ok,ind)
(3)
(= risico
onderneming/
loonsom)
|
(Pt,ok)
(4)
---
|
(5)
(= (1) + (4))
|
| jaar
6 |
4,10%
|
4,10%
|
3,30%
|
-
0,80%
|
3,30%
|
| jaar
7 |
4,10%
|
4,10%
|
3,00%
|
-
0,10%
|
3,00%
|
| jaar
8 |
4,10%
|
4,10%
|
2,50%
|
-
1,60%
|
2,50%
|
| jaar
9 |
4,10%
|
4,10%
|
3,10%
|
-
1,00%
|
2,10%
|
| jaar
10 |
4,10%
|
4,10%
|
3,60%
|
-
0,50%
|
3,60%
|
*jaar 1 drie jaar, jaar 2
vier jaar
Uit bovenstaande tabel
blijkt dat, indien de aanpassingscoëfficiënt op de waarde 1 wordt
gesteld, de onderneming een premie verschuldigd is die gelijk is aan
haar eigen risico.
Het Tica stelt voor om de
sectoren meer bevoegdheden te geven teneinde optimaal te kunnen concurreren met private verzekeraars. Het
zou dan gaan om de
bevoegdheid van de sector om zelf de aanpassingscoëfficiënt te kunnen
vaststellen, alsmede de bevoegdheid om voor nieuwe ondernemingen een
andere aanvangspremie vast te stellen dan de basispremie. Sectoren
onderscheiden zich op een aantal punten van private verzekeraars. Eén van deze punten is de mate van beleidsvrijheid die sectoren krijgen met
betrekking tot de premiestelling. Is deze vrijheid groot, dan worden sectoren
volgens het mededingingsrecht niet meer als publieke verzekeraars
beschouwd, maar moeten zij worden aangemerkt als private verzekeraars,
met alle voor deze laatste categorie geldende voorwaarden (zoals
financiering op basis van kapitaalrentedekking). Juist het gegeven dat sectoren
geen enkele beleidsvrijheid hebben bij de berekening van de hoogte
van de adaptieve premies (noch met betrekking tot de wijze van berekening van de opslag of korting noch met betrekking
tot de hoogte van de aanpassingscoëfficiënt) bepaalt dat sectoren kunnen
blijven worden beschouwd
als publieke verzekeraars.
c. Mate van
differentiatie
De opslag of korting
wordt, zoals gezegd, bepaald door het verschil tussen het eigen risico
van een onderneming en het gemiddelde risico rblz.|90|
van de sector. Dit
betekent dat de marges waarbinnen de premie voor de onderneming zich begeven,
worden bepaald door het verschil van genoemde risico’s. De
marge naar boven, met andere woorden de hoogte van de opslag, kan in
sommige gevallen zeer hoog oplopen. Het risico van een onderneming die zeer
veel werknemers uitstoot naar de arbeidsongeschiktheidsregeling
kan immers fors boven het gemiddelde liggen. Bedraagt bijvoorbeeld het gemiddelde risico van de sector 4,1% en het feitelijke risico
van de onderneming 20%, dan is de maximale opslag die deze
onderneming kan krijgen het verschil tussen beide, te weten 15,9%. Dit betreft
dan wel de structurele situatie.
De marge naar beneden,
met andere woorden de hoogte van de korting, is geringer. Ook
deze wordt bepaald door het verschil tussen het gemiddelde risico van de
sector en het feitelijke risico van een onderneming. Het feitelijke risico kan
niet lager zijn dan nul. Wederom uitgaande van een
gemiddeld risico van 4,1%, dan kan de maximale korting niet meer
bedragen dan 4,1%.
d. Maximum- en
minimumpremie
Het systeem leidt ertoe
dat een onderneming toegroeit richting het verschil tussen haar eigen risico van de voorgaande vijf jaren in vergelijking
met het gemiddelde
risico. Dit kan ertoe leiden dat een onderneming ofwel een zeer hoge
|