|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1994-1995,
24 236
Een regeling
voor vrijstelling van en verstrekking bijdrage voor premies
werknemersverzekeringen bij arbeid van zeer korte duur van
uitkeringsgerechtigden en aangewezen categorieën werknemers (Wet
premieregime bij marginale arbeid)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Motieven en
voorgeschiedenis vrijstellingsregeling voor uitkeringsgerechtigden en
premiecompensatieregeling |
| 2.1 |
De problemen in de
agrarische sector |
| 2.2 |
Het voorstel voor
een studenten/scholierenregeling |
| 2.3 |
Algemene
ontheffingsregeling |
| 2.4 |
Een structurele
oplossing voor de agrarische sector |
| 3 |
Inhoud van de
regelingen |
| 3.1 |
Premievrijstellingsregeling |
| 3.2 |
Premiecompensatieregeling |
| 3.3 |
Administratieve
procedures en gevolgen voor de werkgever |
| 4 |
Arbeidsmarktgevolgen |
| 5 |
Financiële
gevolgen |
| 6 |
Voorlichting |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 10 |
Algemeen
1. Inleiding
Het voorliggende
wetsvoorstel bevat de uitwerking van een structurele regeling voor premieheffing bij zeer kort durende arbeid, welke tevens
tegemoet kan komen aan de problemen die in de agrarische sector worden ervaren met
betrekking tot de personeelsvoorziening tijdens piekperioden. Voorgesteld
wordt om aan uitkeringsgerechtigden in enig kalenderjaar voor een
beperkte periode de mogelijkheid te bieden tot vrijstelling van de
premieplicht. De werkgever dient hiertoe, vóór de aanvang van de
dienstbetrekking en in ieder geval vóór de afloop, een aanvraag in te dienen bij
de bedrijfsvereniging waarbij hij is aangesloten. De aanvraag dient door de
uitkeringsgerechtigde mede te worden ondertekend. Wordt de
aanvraag gehonoreerd, dan betekent dit dat gedurende een periode van
maximaal vier weken zowel de werkgever als de uitkeringsgerechtigde
werknemer zijn vrijgesteld van het betalen van premies voor de
werknemersverzekeringen. De verzekeringsplicht blijft op grond van de
dienstbetrekking in stand. Indien achteraf blijkt dat langer dan vier weken is
gewerkt, dient de premiebetaling alsnog plaats te vinden. Na afloop van de
werkzaamheden zal het recht op uitkering herleven.
Aangezien de verwachting
is dat in de aanloopperiode aan de vraag naar arbeid in de
agrarische sector met behulp van de regeling voor uitkeringsgerechtigden
niet volledig kan worden voldaan, wordt in aanvulling hierop een
regeling getroffen die aan de desbetreffende sector de mogelijkheid biedt
bepaalde groepen werknemers aan te wijzen voor wie premiecompensatie kan
worden verkregen.
De motieven die aan de
invoering van de vrijstellingsregeling en de premiecompensatieregeling
ten grondslag liggen en de voorgeschiedenis worden uiteengezet in
hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de inhoud van de regelingen.
De financiële gevolgen komen aan de orde in hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 5 ten slotte gaat in op de voorlichtingstechnische
aspecten verbonden aan de invoering van de regelingen.
rblz.|2|
De Sociale
Verzekeringsraad (SVr) heeft op 6 september 1990 een advies uitgebracht inzake de
problematiek rond de gelegenheidsarbeid in de agrarische sector en op
18 augustus 1994 over een algemene ontheffing van de verzekeringsplicht
bij kortdurende arbeid. De Ziekenfondsraad [zie College
voor zorgverzekeringen, red.] heeft op 22 september
1994 eveneens over deze kwestie geadviseerd. Aangezien er geen gevolgen zijn op emancipatorisch terrein is geen
advies gevraagd aan de Emancipatieraad. Wel is het wetsvoorstel voor uitvoeringstechnisch
commentaar voorgelegd aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica) [zie Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) en vervolgens Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
2. Motieven en
voorgeschiedenis vrijstellingsregeling voor uitkeringsgerechtigden en
premiecompensatieregeling
2.1. De problemen in de
agrarische sector
Om een arbeidsverhouding
aan te merken als een dienstbetrekking op grond waarvan
verzekeringsplicht ontstaat, moet getoetst worden aan artikel 3 e.v. van de
werknemersverzekeringswetten (WW, ZW, en
WAO). De hoofdregel staat in
artikel 3. Wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (in
dit artikel 3 aangeduid als privaatrechtelijke dienstbetrekking), en dus
voldaan wordt aan de kenmerken van artikel 1637a BW, is
sprake van verzekeringsplicht ongeacht de soort, aard en omvang van de arbeid.
Wordt niet voldaan aan de vereisten voor een dienstbetrekking op grond
van artikel 3, dan kan op grond van artikel 5 de arbeidsverhouding
gelijkgesteld worden met een dienstbetrekking waaruit verzekeringsplicht
voortvloeit. Voor die gelijkstelling moet echter aan een aantal voorwaarden worden
voldaan die geregeld worden in het Koninklijk besluit van 24 december 1986,
Stb. 1986, 655 (het zogenaamde
Rariteitenbesluit). De
relevante voorwaarden zijn: op doorgaans twee dagen werkzaam zijn en
ten minste 2/5 deel van het wettelijk minimumloon verdienen gedurende
één maand of langer (ten minste dertig dagen). Wordt aan deze
voorwaarden niet voldaan, dan is er geen sprake van gelijkstelling met een
dienstbetrekking en derhalve evenmin van verzekeringsplicht.
De praktijk in de
agrarische sector was dat kortlopende arbeidsverhoudingen in verband met
piekperioden voor de werknemersverzekeringen niet werden aangemerkt
als een dienstbetrekking, maar dat direct getoetst werd aan genoemde voorwaarden uit het Rariteitenbesluit. Was de
betrokken werknemer op
minder dan dertig dagen werkzaam, dan werd in deze optiek geen
verzekerings- en premieplicht aangenomen. De bedrijfsvereniging had
zelfs een meldingsplicht ingevoerd voor arbeidsverhoudingen die door de werkgever
niet als verzekeringsplichtig werden aangemerkt, omdat de
werkgever meende dat aan de voorwaarden van het Rariteitenbesluit
werd voldaan.
Sedert het midden van de
jaren tachtig wordt in de jurisprudentie op grond van het bestaan van
een gezagsverhouding de gelegenheidsarbeid in de agrarische sector echter steeds vaker beschouwd als
arbeid die
voldoet aan de kenmerken
van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten (zie bijvoorbeeld
CRvB 2-5-1986, RSV 1987/155, CRvB 22-2-1989,
RSV 1989/244 en nog onlangs CRvB 23-3-1994, AB 1994, 394). Aan de
toepassing van artikel 5 van die wetten en het Rariteitenbesluit op
grond van die artikelen wordt aldus niet meer toegekomen.
Naar aanleiding van een
verzoek van de - toenmalige - Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch
Bedrijf (inmiddels de Bedrijfsvereniging voor de Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven; BV TAB) is de
SVr verzocht te
adviseren over de
problematiek van de seizoenarbeid en de vraag of in bepaalde omstandigheden
een speciale regeling getroffen moest worden, rblz.|3|
waardoor geen
verzekeringsplicht wordt aangenomen. De SVr bracht op 6 september 1990 een advies
uit over de seizoenarbeid. In meerderheid was de SVr voor het treffen
van een specifieke regeling waarin voor het verrichten van
seizoenwerk door bepaalde categorieën arbeidskrachten een vrijstelling voor de
verzekeringsplicht zou gelden. In één van de varianten werd een
speciale regeling voor studenten en scholieren bepleit. Omdat óók de
SVr ervan uitging dat veelal sprake zal zijn van verzekeringsplicht en het
advies voor het overige verdeeld was over eventuele uitzonderingen,
is destijds besloten dat geen speciale regeling getroffen moest worden,
maar dat het beleid erop gericht moest zijn die verzekeringsplicht
inderdaad aan te nemen. De meest betrokken bedrijfsvereniging (BV TAB) is
erop gewezen
door middel van voorlichting duidelijkheid te
verschaffen over de verzekeringsplicht en het feit dat in vrijwel alle gevallen
premie verschuldigd is. Afschriften van brieven aan de SVr en deze
bedrijfsvereniging zijn op 26 november 1990 aan de Vaste Commissie voor Sociale
Zaken en Werkgelegenheid gezonden.
Gebleken is evenwel dat,
ondanks de gewijzigde jurisprudentie en het daarop gerichte beleid,
in de agrarische sector grote onduidelijkheid bleef bestaan over de vraag
wanneer met betrekking tot seizoenarbeid premie is verschuldigd. Velen meenden dat er geen sprake was van premieplicht,
ook indien daarover in de
relatie met de belastingdienst over de loonheffing geen
onduidelijkheid bestond en voor de belastingheffing dezelfde criteria gelden.
Op 14 april 1993 is het
Landelijk Tuinbouwakkoord gesloten (niet gepubliceerd). Aan dit
akkoord ligt het rapport van de Commissie Personeelsvoorziening
Tuinbouw (naar haar voorzitter commissie-De Boer) getiteld "De oogst
van een gecoördineerde aanpak" ten grondslag. In dit rapport geeft de
agrarische sector aan dat de kosten die gepaard gaan met de betaling van
premies voor de werknemersverzekeringen een belemmering vormen voor
het verkrijgen van personeel. Dit was reden om als onderdeel van het akkoord toe te zeggen te komen met een heldere regeling voor de
verzekeringsplicht van seizoenarbeid. Doel van het akkoord was om door
middel van een gezamenlijke aanpak de knelpunten in de personeelsvoorziening in de tuinbouw weg te nemen,
waarbij mobilisatie van
het regionale en landelijke arbeidsaanbod uitgangspunt was.
Werkgevers- en
werknemersorganisaties in de agrarische sector stonden op het terrein
van de seizoenarbeid een speciale regeling voor scholieren en studenten voor. Omdat de werkgeversorganisaties een
dergelijke regeling een
conditio sine qua non achtten voor de totstandkoming van het Tuinbouwakkoord,
terwijl het kabinet het van groot belang achtte dat dat akkoord
werd ondertekend teneinde tot een goede aanpak van de knelpunten in de
personeelsvoorziening in de tuinbouw te komen en bovendien sterk
hechtte aan helderheid omtrent verzekeringsplicht in geval van seizoenarbeid,
heeft het kabinet zich bereid verklaard voor een speciale regeling zorg te
dragen.
Bij brief van 9 november
1992 aan de Tweede Kamer heeft het toenmalige kabinet aangegeven de aanbevelingen inzake gelegenheidsarbeid
van de commissie-De Boer zo uit te werken dat bij wet geregeld zou worden dat voor
scholieren en studenten, ten aanzien van wie recht op kinderbijslag bestaat
dan wel die recht op studiefinanciering hebben op grond van de
WSF, geen
verzekeringsplicht bestaat noch inhoudingen plaatsvinden, mits zij
niet meer verdienen dan een maximumbedrag per jaar (Kamerstukken II 1992-1993,
22 800 XV, nr. 41). Voor de loonbelasting en de volksverzekeringen
is één en ander uitgewerkt in een wijziging van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 1990, welke op 1 januari 1994 in werking is getreden.
rblz.|4|
2.2. Het voorstel voor
een studenten/scholierenregeling
De uitwerking van het
Tuinbouwakkoord heeft wat betreft de premie- en verzekeringsplicht voor
de werknemersverzekeringen derhalve zijn beslag gekregen in een voorstel
van wet dat aan scholieren en studenten de mogelijkheid zou bieden vrijgesteld te worden van de
verzekerings- en
premieplicht, mits niet
meer dan maximaal ƒ1500,- per jaar werd verdiend. Deze regeling beperkte
zich in de experimentele fase tot werkgevers in de agrarische sector,
voor zover zij aangesloten waren bij de BV TAB. De Raad van State adviseerde op 7
december 1993 het wetsvoorstel niet aan de Tweede Kamer te zenden.
Dit advies was onder meer gebaseerd op het oordeel dat de
voorgestelde regeling fraudegevoelig en nauwelijks controleerbaar en
daardoor moeilijk handhaafbaar was. Tevens was in de experimentele fase sprake
van ongelijke behandeling van werknemers in en buiten de agrarische
sector. Het advies van de Raad van State is door het toenmalige kabinet opgevolgd.
2.3. Algemene
ontheffingsregeling
Om toch tegemoet te komen
aan de problemen die in de agrarische sector worden ervaren met
betrekking tot de personeelsvoorziening tijdens piekperioden is vervolgens in het kader van een adviesaanvraag
aan de SVr d.d. 18
februari 1994, inzake de herziening van de kring van verzekerden voor de
werknemersverzekeringen, een algemene regeling voorgesteld voor
ontheffing van de verzekerings- en premieplicht voor een periode van maximaal
vier weken in een kalenderjaar. De vrijstelling zou niet beperkt zijn tot
een bepaalde sector en evenmin tot een bepaalde groep van personen. De
SVr heeft vrijwel unaniem, met uitzondering van de vertegenwoordiger van
de werkgevers in de agrarische sector, op 18 augustus 1994 geadviseerd
af te zien van het treffen van een dergelijke ontheffingsregeling. De SVr
is van mening dat de uitgangspunten voor de verplichte verzekering
geen ruimte bieden voor een uitzondering voor arbeid van beperkte omvang. Dit zou strijd opleveren met de grondgedachte
van het Nederlandse
stelsel van werknemersverzekeringen dat arbeid, in
dienstbetrekking verricht, zonder meer (van rechtswege) leidt tot verzekeringsplicht.
Daarnaast geeft de SVr aan dat de regeling leidt tot een aanzienlijke
vermindering van de premieopbrengsten (de SVr raamt die op ca. ƒ140 mln) en
tot een stijging van de uitvoeringskosten en van de administratieve lasten
van werkgevers. Ten slotte stelt de SVr
vast dat invoering van een
ontheffingsregeling per 1 januari 1995 uitvoeringstechnisch onmogelijk is. Het
kabinet heeft naar aanleiding van dit advies besloten af te zien van
de voorgestelde ontheffingsregeling. Het advies van de Ziekenfondsraad is
eveneens afwijzend.
2.4. Een structurele
oplossing voor de agrarische sector
Het afzien van een
regeling voor de verzekerings- en premieplicht bij kortdurende arbeid zou
voor de agrarische sector betekenen dat ook in deze sector voortaan voor
alle werknemers premies voor de werknemersverzekeringen zouden moeten worden
afgedragen. De problemen in de agrarische sector zijn
echter dermate groot dat deze extra belasting maar moeilijk kan worden
gedragen. Ook vanuit de Tweede Kamer is bij diverse gelegenheden gewezen op
de bijzonder moeilijke situatie waarin deze sector verkeert en
verzocht om een structurele oplossing voor de personeelsproblematiek
tijdens piekperioden (bijvoorbeeld moties-Van der Linden c.s. 23 721,
nr. 2 en 23 900 XIV, nr. 18). Daarnaast acht het kabinet zich gehouden aan
de afspraken welke zijn gemaakt in het kader van het Landelijk Tuinbouwakkoord, om zorg te dragen voor een heldere
regeling voor kortdurende arbeid, die tevens een oplossing kan bieden rblz.|5|
voor de
personeelsproblemen in de agrarische sector tijdens piekperioden.
De problemen met
betrekking tot de premieplicht bij (zeer) kortdurende arbeid zijn echter niet
beperkt tot de agrarische sector. Ook van andere sectoren (zoals de kermisbranche en de horeca) is bekend dat de kosten
van arbeid tijdens piekperioden een belemmering vormen om in de personeelsbehoefte te
voorzien. Een heldere regeling op dit punt zou kunnen voorkomen dat een
vlucht plaatsvindt in het zwarte circuit.
Gelet op de eerdere
adviezen van de SVr en de Raad van State dient als uitgangspunt voor een
regeling voor zeer kortdurende, incidentele arbeid - hierna aan te duiden
met de term marginale arbeid - te gelden dat een dergelijke regeling moet
passen binnen het huidige stelsel van sociale verzekeringen. Het ligt - gelet op het centrale beleidsdoel van
reïntegratie - in de rede dat
hierbij het beleid primair afgestemd wordt op het grote bestand aan werkzoekende
uitkeringsgerechtigden. Nu een algehele ontheffing van de verzekerings- en premieplicht als niet passend in het stelsel van
werknemersverzekeringen door de SVr is afgewezen, is gekozen voor een
vrijstelling van de premieplicht voor werkloze uitkeringsgerechtigden onder
handhaving van de
verzekeringsplicht. Niet alleen geeft dit
invulling aan het activerend beleid in de sociale zekerheid, ook wordt op deze wijze
de premiederving gecompenseerd door de besparing op uitkeringen.
De regeling vertoont enige overeenkomst met de Wet bevordering
arbeidsinpassing (voorheen Wet Vermeend/Moor), in die zin dat de doelgroep
bestaat uit uitkeringsgerechtigden. Het grote verschil is echter dat
het bij de voorgestelde regeling gaat om arbeidscontracten van maximaal vier weken.
Het voorstel tot
premievrijstelling voor uitkeringsgerechtigden sluit duidelijk aan bij
één van
de uitgangspunten van het Tuinbouwakkoord, namelijk om regionaal en landelijk arbeidsaanbod te mobiliseren in plaats
van arbeid uit EU en niet-EU-landen. In het kader van het Tuinbouwakkoord zijn ook een aantal
andere maatregelen afgesproken om het voor (langdurig) werklozen
aantrekkelijk te maken werk in de tuinbouw te aanvaarden en werkgevers
ertoe te brengen werklozen in dienst te nemen. De voorgestelde
maatregel voor marginale arbeid geeft hierop een nuttige aanvulling.
Niet alleen wordt de arbeid goedkoper voor de werkgever, maar door de premievrijstelling voor het werknemersdeel
wordt ook de
uitkeringsgerechtigde gestimuleerd het werk te aanvaarden, ondanks het feit dat het
hier slechts gaat om kortlopende arbeidscontracten. Daarnaast kan
werkaanvaarding in deze sector voor uitkeringsgerechtigden aantrekkelijker worden
gemaakt door het verstrekken van financiële premies
boven het rechtens geldende loon. Dergelijke premies kunnen sedert 1 oktober
1994 door werkgevers en/of gemeenten worden verstrekt zonder dat de
premies met de uitkering worden verrekend. Gemeenten hebben hiervoor
in het kader van de decentralisatie van de vrijlatingsregeling in de ABW
[zie Abw, red.], de Ioaw en de
Ioaz een eigen stimuleringsbudget
ontvangen. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat aanvaarding van deze
kortdurende arbeid, afhankelijk van het opleidingsniveau en de duur van de
werkloosheid, kan worden vereist op grond van de bestaande Richtlijn
passende arbeid. Bij weigering van passende arbeid is het huidige sanctiebeleid van toepassing. Zonder waarschuwing
dient in dat geval de ABW-uitkering voor twintig procent gedurende twee maanden te worden
verlaagd. In geval van recidive geldt dat de sanctieduur verdubbeld
wordt. Overigens bestaat het voornemen de regels omtrent de
passende arbeid aan te scherpen. Alsdan zal voor werkloze schoolverlaters
(ongeacht de vooropleiding) na het beëindigen van de opleiding of
studie alle arbeid direct als passend worden aangemerkt [zie Richtlijn
passende arbeid 1996, red.].
rblz.|6|
Het is de verwachting
dat in de beginjaren met de regeling voor uitkeringsgerechtigden
niet volledig aan de personeelsbehoefte in met name de agrarische sector
kan worden voldaan. Deze verwachting wordt onder meer gevoed door de
jaarlijks terugkerende problemen met betrekking tot de inzet
van werkloze uitkeringsgerechtigden bij de aspergeteelt en de
fruitteelt. Het zal naar verwachting nog enige tijd duren voordat zowel de sector
als de uitkeringsgerechtigde ingesteld zijn op de inschakeling van werkloze
uitkeringsgerechtigden voor deze kortdurende arbeid tijdens
piekperioden. Om deze gewenningsperiode te overbruggen is besloten om in
aanvulling op de algemene regeling een op die sector toegesneden regeling te
treffen. Voorgesteld wordt aan de BV TAB de mogelijkheid te bieden de
ten behoeve van bepaalde groepen werknemers betaalde
premies terug te betalen aan de werkgever. Het kabinet is zich ervan
bewust dat de keus voor een sectorspecifieke regeling moeilijk is te
verenigen met de kritiek van de Raad van State op het eerdere voorstel voor
een scholieren- en studentenregeling, waarbij in de experimentele fase de
regeling eveneens beperkt zou zijn tot de agrarische sector. De
Raad van State wees daarbij op het gevaar van rechtsongelijkheid tussen
werknemers in de agrarische sector en in de overige sectoren. Het
kabinet heeft echter gemeend een dergelijke regeling toch te moeten
treffen. Hierbij spelen het overgangskarakter van de regeling een rol (naar
verwachting zal na verloop van tijd de vrijstellingsregeling voor uitkeringsgerechtigden volledig in de personeelsbehoefte
kunnen voorzien) en het
feit dat de sector de regeling zelf via een opslag op de
wachtgeldpremie zal financieren. Voorts zullen andere sectoren naar verwachting
minder behoefte hebben aan een dergelijke sectorspecifieke regeling
nu voor hen de mogelijkheid bestaat gebruik te maken van de regeling
voor uitkeringsgerechtigden. Deze verwachting is gebaseerd op de andere
uitgangspositie van die sectoren en de grotere nadelen van de
premiecompensatieregeling ten opzichte van de premievrijstellingsregeling.
In andere sectoren dan de agrarische sector heeft nimmer in die mate
als in de agrarische sector onduidelijkheid bestaan over de
verzekeringspositie van gelegenheidswerkers. In die sectoren wordt dan ook in
de regel uitgegaan van premieplichtige arbeid. Vanuit die positie zal
eerder de keus vallen op een regeling waarbij van meet af aan geen
premieplicht bestaat voor de door hen ingehuurde werknemers, dan op een
regeling waarbij eerst premie moet worden afgedragen welke later
kan worden teruggevraagd. Dit te meer nu de sector zelf, via een omslagsysteem, deze laatste regeling dient te financieren.
Of en in hoeverre de premievrijstellingsregeling voor de overige sectoren toereikend is,
is niet met harde cijfers aan te geven. Het is echter evident dat in andere
sectoren de personeelsproblematiek zich niet op een vergelijkbare urgente
wijze heeft gemanifesteerd als in de agrarische sector en dat de overige
sectoren door middel van premieplichtige arbeid tot op heden nog steeds
in de personeelsbehoefte hebben kunnen voorzien. De mogelijkheid
van het premievrij kunnen aantrekken van uitkeringsgerechtigden
voor een periode van maximaal vier weken moet derhalve als een extra
mogelijkheid worden gezien die de toch ook in deze sectoren aanwezige problematiek kan verlichten.
Het thans voorliggende
voorstel probeert zo goed als mogelijk aan te sluiten bij de bestaande
uitvoering van de werknemersverzekeringen. De als ingewikkeld overkomende vormgeving van de premiecompensatieregeling
hangt samen met de eisen
van rechtmatigheid en handhaafbaarheid. In tegenstelling tot
hetgeen het Tica in zijn commentaar van 17 maart 1995 stelt, zijn de
administratieve lasten van de regeling echter niet uitzonderlijk hoog.
Bedacht moet worden dat op grond van jurisprudentie bij deze werkzaamheden in
de regel sprake is van een dienstbetrekking. Van werkgevers in de
agrarische sector wordt dan ook niet meer verlangd dan dat de normale
werkgeversverplichtingen worden nagekomen. De rblz.|7|
enige extra handeling die
door hen moet worden verricht is het terugvragen van de afgedragen
premies. De bedrijfsvereniging zal uiteraard moeten nagaan of zij tot premieteruggave kan overgaan en zal dit middels
een code in de
geautomatiseerde bestanden moeten vastleggen. Het verwachte aantal bezwaar-
en beroepschriften kan echter bij een gedegen controle van het verzoek
om premieteruggaaf en een goede voorlichting aan werkgevers over de
voorwaarden van de regeling, in belangrijke mate worden gereduceerd.
3. Inhoud van de
regelingen
3.1.
Premievrijstellingsregeling
De voorgestelde regeling
ziet er als volgt uit.
Uitkeringsgerechtigden
die als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] staan ingeschreven, kunnen voor een
periode van maximaal vier
weken in een kalenderjaar vrijstelling van de premieplicht voor de
werknemersverzekeringen verkrijgen als zij tijdelijk arbeid gaan verrichten.
Deze vrijstelling betreft zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel
van de premies. De vrijstelling van de premieplicht geldt in beginsel voor
elke uitkeringsgerechtigde die als werkzoekende is ingeschreven en die
voor een aaneengesloten periode van maximaal vier weken werkzaamheden gaat verrichten.
Dit gegeven kan door
middel van het overleggen van een inschrijfbewijs van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op eenvoudige wijze worden
geverifieerd. Het vorenstaande betekent ook dat personen met een ZW-uitkering buiten de
regeling vallen. Veelal zal de dienstbetrekking tijdens ziekte gewoon in
stand blijven.
Het voorstel van het Tica
om de regeling uit te breiden tot personen met een uitkering in het
kader van een wachtgeldregeling is overgenomen.
De vrijstelling is niet
beperkt tot een bepaalde sector. Indien achteraf blijkt dat langer dan
vier weken is gewerkt in die dienstbetrekking, dient de premiebetaling alsnog
plaats te vinden. Twee dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever die
elkaar binnen dertig dagen opvolgen, worden in dit kader aangemerkt als
een doorlopende dienstbetrekking.
De werkgever dient voor
het verkrijgen van de premievrijstelling een aanvraag in te dienen bij
de bedrijfsvereniging waarbij hij is aangesloten.
De vrijstelling wordt
geweigerd indien:
a. de dienstbetrekking
langer duurt dan vier weken;
b. de
uitkeringsgerechtigde al eerder in dat kalenderjaar van de regeling gebruik
heeft
gemaakt;
c. de
uitkeringsgerechtigde al eerder in dat kalenderjaar bij die werkgever werkzaam
is
geweest.
Voor de goede orde zij
opgemerkt dat de betrokken uitkeringsgerechtigden verzekerd blijven voor de
werknemersverzekeringen. De vrijstelling geldt uitsluitend voor de
premieplicht. De uitkeringsrechten herleven na ommekomst van de arbeidsperiode. Op grond van
artikel 21
WW herleeft
het recht op uitkering automatisch na het einde van een dergelijke korte
dienstbetrekking, terwijl
voor WAO-gerechtigden niet het arbeidsongeschiktheidspercentage zal worden herzien,
maar
toepassing zal worden gegeven aan artikel 44 WAO. Het is derhalve niet noodzakelijk in
dit wetsvoorstel iets te
regelen met betrekking tot het waarborgen van uitkeringsrechten of
sancties.
Het voordeel van
beperking van de regeling tot de groep uitkeringsgerechtigden is dat controle op de
juiste toepassing van de regeling relatief eenvoudig is. Uitkeringsgerechtigden zijn bekend onder een
sofinummer
bij de bedrijfsvereniging of gemeente. De controle hierop en de controle
rblz.|8|
of al eerder gebruik is
gemaakt van de regeling en op de duur van het arbeidscontract en
afgifte van de verklaring vindt plaats door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever is
aangesloten. Deze kan hiervoor gebruik maken van de
Gemeenschappelijke Verwijsindex (GVI). Voorts zal deze bedrijfsvereniging
de vrijstelling na afloop van het jaar in de premienota dienen te
verwerken, waardoor een direct belang bestaat bij een correcte verwerking;
de bedrijfsvereniging loopt premie-inkomsten mis indien dit niet het
geval is. Dit komt de handhaafbaarheid van de regeling ten goede.
Het Tica-voorstel om de
uitvoering van de regeling te leggen bij de uitkeringsinstantie of de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie is derhalve niet gevolgd. Dit heeft
namelijk een belangrijk aantal nadelen ten opzichte van uitvoering door de
bedrijfsvereniging van de werkgever. Zo worden bij uitvoering door de uitkeringsinstantie niet enkel bedrijfsverenigingen,
maar ook de diverse
gemeentelijke instellingen die de ABW[zie Abw,
red.]/Rww/Ioaw en Ioaz uitvoeren met de
uitvoering van de regeling belast.
Deze hebben geen
financieel belang bij het optimaal laten functioneren van de regeling, terwijl
gegevens over werken, eerdere werkgevers en verleende vrijstellingen
vaak niet in de dossiers aanwezig zullen zijn en bij de voor hen toch vreemde
uitvoeringsorganisatie moeten worden opgevraagd. Dit geldt
eveneens voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Daarnaast wordt een
aparte gegevensstroom op gang gebracht doordat ook gemeenten mutaties
aanleveren voor de GVI en de Verzekerdenadministratie (VZA). De door de
gemeenten aangeleverde mutatie dat de betrokken
uitkeringsgerechtigde premievrij werkt zal in deze bestanden moeten worden verwerkt,
waardoor de betrouwbaarheid en de actualiteit van het systeem zullen
afnemen. Ook bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn de gegevens over het
eerdere gebruik dat door de betrokkene van de
vrijstellingsregeling is gemaakt niet voorhanden, zodat ook hier een vorm van
gegevensuitwisseling tussen deze uitvoeringsinstantie en de diverse
bedrijfsverenigingen moet worden opgezet.
Ten slotte mag niet
onvermeld blijven dat bij uitvoering door de bedrijfsvereniging van de
werkgever bij het indienen van de jaaropgave en het opmaken van de
premienota automatisch een controle plaatsvindt op het juiste gebruik dat
van de regeling is gemaakt. Een dergelijk controlesysteem is bij
uitvoering door gemeenten of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
niet voorhanden en zal moeten worden opgezet.
3.2.
Premiecompensatieregeling
In aanvulling op het
voorstel inzake premievrijstelling voor marginale arbeid door uitkeringsgerechtigden wordt een regeling getroffen die de
bedrijfsvereniging in de betrokken agrarische sector de bevoegdheid geeft
tot het aanwijzen van
groepen werknemers die voor terugbetaling van de betaalde premies werknemersverzekeringen in aanmerking komen. De
regeling staat
uitsluitend open voor groepen personen die niet zijn aangewezen op inkomen uit
arbeid om in het eigen onderhoud te voorzien. Omdat voor deze
groepen geen sprake is van een besparing op de uitkering ter
compensatie van de gederfde premies, zal dit leiden tot additionele lasten.
Daarom is deze regeling dusdanig vormgegeven dat de financiering van de
tegemoetkoming in de structurele situatie uiteindelijk ten laste komt van de
eigen sector. Dit betekent dat binnen de sector een overdracht van de premielast plaatsvindt van bedrijven die geen gebruik
maken van de regeling
naar bedrijven die dat wel doen. Dit is echter geheel in lijn met het
Landelijk Tuinbouwakkoord, waarin is afgesproken dat de sector zelf
verantwoordelijk is voor de eigen personeelsvoorziening. Indien een sector meer
wil dan de algemene basisregeling voor uitkeringsgerechtigden,
dan ligt het in de rede dat de financiering van die rblz.|9|
specifieke regeling door
de desbetreffende sector zelf wordt gedragen en niet afgewenteld wordt op
de overige sectoren.
Aan de regeling voor
niet-uitkeringsgerechtigden die gelegenheidsarbeid verrichten liggen de
volgende uitgangspunten ten grondslag:
- de betrokken
bedrijfsvereniging kan groepen aanwijzen die voor terugbetaling van de
afgedragen premies in aanmerking komen;
- de terugbetaling
vindt per werknemer plaats, voor een aaneengesloten dienstbetrekking van
maximaal vier weken;
- er bestaat per
werknemer slechts één keer per jaar recht op terugbetaling van de
premies;
- het College van
toezicht sociale verzekeringen [zie Inspectie Werk
en Inkomen (IWI), red.] ziet toe op de controleerbaarheid en handhaafbaarheid van
de regeling;
- de premiecompensatie
wordt gefinancierd uit een opslag op de wachtgeldpremie.
De werkgever blijft
premieplichtig voor de betreffende werknemer, maar ontvangt ter compensatie
een tegemoetkoming ter grootte van de afgedragen premie. Dit is
in lijn met de algemene uitgangspunten van verzekerings- en
premieplicht. Aan de centrale fondsen wordt op de gebruikelijke wijze
premie afgedragen.
Aangezien het in deze
sector gebruikelijk is op basis van het nettoloon afspraken te maken,
ontvangt de werkgever zowel het werknemersdeel van de afgedragen premies
als het werkgeversdeel terug. De werkgever dient de compensatie aan
te vragen bij de bedrijfsvereniging waarbij hij ten behoeve van die
werkzaamheden is aangesloten. Dit dient hij vóór de afloop van de
dienstbetrekking te doen. De bedrijfsvereniging kan dan van deze aanvragen een
administratie bijhouden, zodat al in een vroeg stadium aan de betrokken
werkgever kan worden teruggemeld of ten behoeve van een bepaalde
werknemer al eerder een aanvraag om premieteruggaaf is ingediend. Op deze wijze wordt voor de werkgever het
risico verkleind dat hij
te laat te horen krijgt dat zijn aanvraag niet wordt gehonoreerd. De
daadwerkelijke afwikkeling van de aanvraag kan dan in een later stadium
plaatsvinden.
De bedrijfsvereniging
dient bij de aanvraag te beoordelen of de werknemer tot de doelgroep behoort, of hij al eerder in dat jaar bij
diezelfde werkgever heeft
gewerkt en of de maximale looptijd van de regeling (vier
aaneengesloten weken per jaar per werknemer) niet wordt overschreden. Een
dergelijke benadering verdient vanuit handhavingsoogpunt veruit de voorkeur boven
een volledige premievrijstelling van de werkgever, waarbij
achteraf een verdeling van de kosten vanuit het wachtgeldfonds naar de centrale fondsen plaatsvindt. Nadeel echter zijn de relatief hoge
uitvoeringslasten en het feit dat het gaat om een vorm van rondpompen van
geld
(eerst premies afdragen, dan premies terugontvangen); dit laatste
is echter nodig om de handhaafbaarheid van de regeling te waarborgen.
Iedere speciale regeling voor afwijkingen op de premieplicht brengt
onvermijdelijk hogere uitvoeringskosten met zich mee, aangezien een
dergelijke regeling rechtmatig uitgevoerd en verantwoord dient te
worden. Overigens kan worden opgemerkt dat het rondpompen van geld een
tijdelijk probleem is. In het kabinetsstandpunt over de vereenvoudiging
van de premieheffing werknemersverzekeringen zoals dat in december
naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 1994-1995, 24 044),
is aangegeven dat in het vereenvoudigde systeem de premieafdracht niet
langer vooraf geschiedt op basis van een schatting, maar achteraf
zal plaatsvinden op basis van de feitelijke inhouding op het loon van
de werknemer. Gelet op het belang van de regeling voor de
agrarische sector acht het kabinet dit tijdelijk nadeel van de regeling aanvaardbaar.
rblz.|10|
Omdat
de regeling wordt
gefinancierd door middel van een verhoging van de wachtgeldpremie
van de risicogroep waar de werkgever bij is aangesloten en de werkingssfeer wordt beperkt tot de agrarische sector, is
de financiering
automatisch gelegd bij de sector waar de lasten opkomen. Om de overgang voor de
betrokken sector echter niet te abrupt te laten verlopen (de financiering
van de regeling zal een forse stijging van de wachtgeldpremie tot
gevolg hebben), worden de kosten van de regeling geleidelijk ten laste
gebracht van het betrokken wachtgeldfonds, en wel via de volgende staffel:
1995 25% ten laste van het wachtgeldfonds, 1996 50%, 1997 75%. De
structurele situatie wordt bereikt in 1998. Naar mijn mening kan op deze
wijze
de sector zich instellen op de gewijzigde omstandigheden.
De terugbetaling van de
premies geschiedt vanuit het wachtgeldfonds van de betrokken sector.
In de overgangssituatie zal de terugbetaling echter ook gedeeltelijk ten laste dienen te komen van de
centrale fondsen.
Om te voorkomen dat er
een ingewikkelde onderlinge verrekening tussen de centrale fondsen dient
plaats te vinden, is ervoor gekozen de bedragen die als gevolg van de
staffeling nog niet ten laste komen van het wachtgeldfonds van de
betrokken sector, ten laste te brengen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf).
Exacte gegevens over het
aantal personen en de loonsom, waarover op grond van de
premiecompensatieregeling geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd
zullen zijn,
zijn niet voorhanden. Op basis van informatie van de BV TAB
wordt geschat dat het hierbij zal gaan om ca. 200 000
arbeidsverhoudingen.
Om de kosten voor het AWf
niet te hoog te laten oplopen wordt het bedrag dat als gevolg van
de afbouwregeling ten laste zal worden gebracht van het AWf,
gebonden aan een maximum. Daarbij wordt als uitgangspunt het hiervoor
genoemde aantal van 200 000 arbeidsverhoudingen gehanteerd.
3.3. Administratieve
procedures en gevolgen voor de werkgever
Bij de vormgeving van de
beide regelingen is het van groot belang dat het gebruik ervan voor
zover als mogelijk kenbaar en controleerbaar is voor zowel de werkgever en de betrokken
werknemer/uitkeringsgerechtigde als
voor de bedrijfsvereniging. Dit wordt bereikt doordat alleen gebruik
van de vrijstellingsregeling voor uitkeringsgerechtigden en de
premiecompensatieregeling is toegestaan als de werkgever hiertoe vóór afloop van
de dienstbetrekking een aanvraag heeft ingediend bij de
bedrijfsvereniging waarbij hij is aangesloten. Het is bij beide regelingen daarbij
van
belang dat ook de betrokken werknemer kenbaar maakt dat hij van de
regeling gebruik wil maken. Het is immers mogelijk dat hij al eerder in het
betreffende jaar van de regeling gebruik heeft gemaakt. De werkgever zal
in die situatie ook liever afzien van gebruik van de regeling, omdat hij
immers anders geconfronteerd kan worden met een premienavordering, c.q. een afwijzing van zijn verzoek om teruggaaf van de premie. Derhalve
is bepaald dat zowel de aanvraag voor vrijstelling van de premiebetaling als de aanvraag voor teruggaaf van de
betaalde premies door de betrokken werknemer moet zijn medeondertekend.
De bedrijfsvereniging
dient naar aanleiding van een aanvraag voor premievrijstelling na te
gaan of:
a. betrokkene een
uitkeringsgerechtigde is;
b. betrokkene is
ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
c. betrokkene op het
moment van aanvang van de dienstbetrekking elders als werknemer
werkzaam is;
rblz.|11|
d. betrokkene bij deze
werkgever al eerder dat jaar werkzaam is geweest; en
e. betrokkene al eerder
dat jaar van een regeling gebruik heeft gemaakt.
De gegevens onder a, c,
en d zijn bij het GVI/VZA na te gaan (als betrokkene een ABW- [zie Abw,
red.] of
aanverwante uitkering ontvangt, dient gegeven a bij de gemeente van de woonplaats te worden geverifieerd). Het gegeven
onder e zal moeten
worden opgenomen in de GVI en de VZA zodra de vrijstelling is verleend,
zodat bij een latere aanvraag ten behoeve van dezelfde werknemer de
bedrijfsvereniging dit kan nagaan.
De noodzakelijke
aanpassing van de geautomatiseerde systemen (VZA, GVI en later - ten
behoeve van de premievaststelling - de loon- en
premieberekeningssystemen)
kunnen volgens het Tica niet binnen de verwachte
invoeringstermijn (in het aan het Tica voor advies voorgelegde voorstel was nog sprake
van 1 april 1995) worden gerealiseerd. Gelet op de nood in de agrarische
sector en de toezeggingen aan de Tweede Kamer om nog dit jaar met een
regeling te komen, is een uitstel tot 1 januari 1996 echter niet verantwoord.
Het Tica zal dan ook worden verzocht om zo spoedig mogelijk met de
realisatie van de noodzakelijke aanpassing van de systemen te starten.
Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de aanpassing van de loon-
en premieberekeningssystemen uiterlijk vóór het eind van het jaar
gerealiseerd dienen te zijn.
Het Tica is bevoegd ten
behoeve van beide regelingen voorschriften met betrekking tot de
aanvraag en de afgifte van de vrijstelling respectievelijk de terugbetaling van
de
premies op te stellen. Daarbij kan met name gedacht worden aan
voorschriften met betrekking tot de inrichting van het aanvraagformulier, de
vermelding van uitkeringsnummer en de uitkeringsinstantie,
alsmede de inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Zo zou ter
vergemakkelijking van de verificatie van bepaalde gegevens van de betrokken
werknemers kunnen worden verlangd dat deze een afschrift van de
laatste (maand)betaling, alsmede het inschrijfbewijs bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met het aanvraagformulier
van de werkgever meezenden. Op deze wijze kan de bedrijfsvereniging controleren of betrokkene
inderdaad een uitkeringsgerechtigde is die voor de vrijstelling van de
premieplicht in aanmerking komt. Of de betrokken werknemer al eerder in
dat kalenderjaar bij diezelfde werkgever werkzaam is geweest kan aan de
hand van het sofinummer bij het GVI worden nagegaan en achteraf
nogmaals gecontroleerd worden aan de hand van de jaaropgave van de
werkgever waarvoor betrokkene in het kalenderjaar heeft gewerkt. Voordeel
is ook dat de werkgever door dergelijke voorschriften enige controlemogelijkheid heeft. Als de betrokken
werknemer deze gegevens
niet kan leveren of niet over deze bescheiden beschikt, ligt het voor
de hand dat de werkgever het risico niet zal nemen om hem aan te stellen.
Hierdoor kunnen onnodige bezwaar- en beroepsprocedures worden voorkomen.
Als de aanvraag voor
premievrijstelling respectievelijk premiecompensatie bij de bedrijfsvereniging
binnenkomt, controleert deze aan de hand van de gegevens of betrokkene inderdaad een uitkeringsgerechtigde
is die voor
premievrijstelling in aanmerking komt, dan wel of betrokkene inderdaad voldoet aan de
criteria welke gesteld zijn voor de bijzondere groepen in het kader van
de premiecompensatieregeling. Indien dat niet het geval is, indien
reeds eerder dat jaar ten behoeve van betrokkene vrijstelling
respectievelijk compensatie is verleend of indien betrokkene reeds eerder dat jaar bij
die werkgever in dienst is geweest, wordt aan de werkgever medegedeeld dat
betrokkene vanaf het begin van het dienstverband premieplichtig is
(geweest).
rblz.|12|
De werkgever zal voorts
bij beide regelingen aan de gebruikelijke verplichtingen inzake de
loonadministratie en de loonopgave moeten voldoen. Eén en ander is noodzakelijk om het gebruik van de regelingen
controleerbaar en
handhaafbaar te maken.
4.
Arbeidsmarktgevolgen
Het valt niet te
verwachten dat per saldo nadelige effecten voor de werkgelegenheid optreden
van een uitputtend gebruik van de regelingen. Door de premiecompensatieregeling zal inderdaad een omzetting kunnen
optreden van andere
flexibele arbeidsvormen naar de vierwekenregeling. Deze omzetting zal niet
voor alle vormen van flexibele contracten (bijvoorbeeld oproepkrachten) mogelijk
zijn in verband met door de werkgever gestelde eisen qua onmiddellijke
beschikbaarheid, werkervaring en benodigde scholing. Naar verwachting zullen dan
ook dezelfde groepen werknemers, die ook thans tijdens piekperioden
worden ingeschakeld, van de regeling gebruik maken. Volgens opgave van
de BV TAB gaat het hierbij om ca. 200 000 personen die jaarlijks
van de scholieren/studentenregeling, de fruitplukregeling of de aspergeregeling
gebruik maken.
Het verdringingseffect
dat optreedt wanneer uitkeringsgerechtigden worden ingezet, is wegens
dezelfde door de werkgever gestelde eisen ook beperkt. De werkgever moet immers de baten (lagere loonkosten)
afwegen tegen de extra
kosten (inwerkperiode, extra wervingslasten). Deze afweging wordt thans
ook gemaakt bij het inzetten van uitzendkrachten, waarbij de continuïteit van een
zes maanden "in dienst zijnde" werknemer prevaleert
boven de relatief gezien hoge loonkosten. De uitkeringsgerechtigden
zullen vooral "concurreren" met mensen die slechts gedurende een
zeer korte tijdsperiode werken om iets bij te verdienen. Deze vorm van
verdringing van zeer flexibele arbeid is alleszins acceptabel
omdat hierdoor zeer marginale arbeid wordt omgezet in een mogelijkheid voor
uitkeringsgerechtigden om werkervaring op te doen, waardoor hun kans
op een permanente baan wordt vergroot.
Overigens is het
verwachte aantal van 400 000 toepassingen (zowel premiecompensatie als
premievrijstellingsregeling) een redelijk maximale schatting van het
potentiële gebruik van deze regelingen. Dit aantal impliceert dat naast de
200 000 personen die in de agrarische sector traditioneel voor dit
soort arbeid worden ingeschakeld, verwacht wordt dat nog ca. 200 000 extra
personen voor vier weken per jaar voor extra inkomen in aanmerking
willen komen.
Een verder gevolg van de
voorgestelde regelingen is dat de grondslag voor de premieheffing
wordt versmald doordat de totale kosten van de werknemersverzekeringen
door een kleinere groep werknemers moeten worden opgebracht. Als
gevolg van deze grondslagversmalling wordt derhalve de wig tussen bruto en netto groter, hetgeen tot uitstoot van
arbeid zou kunnen leiden.
De voorgestelde
premievrijstellingsregeling brengt een grondslagversmalling van ca. ƒ500
mln met zich
mee. Op een totale premiegrondslag van ruim ƒ200 mld is dit
echter een mineur effect. Bij gelijkblijvende uitkeringsuitgaven
betekent deze versmalling een premiestijging van 0,03 procentpunt. Voorzien
wordt dat de uitgaven minimaal met hetzelfde bedrag zullen dalen als
de gederfde premies. Een opwaarts premie-effect zal zich dan ook niet
voordoen.
5. Financiële
gevolgen
Zowel de
premievrijstellingsregeling als de premiecompensatieregeling hebben een positief
netto-effect op het loon van de tewerkgestelde rblz.|13|
personen. Op basis van
vier weken bedraagt het voordeel voor betrokken
werknemers ƒ97,-
(op
het niveau van het minimumloon).
Voor werkgevers die
uitkeringsgerechtigden tewerkstellen in het kader van de premievrijstellingsregeling is eveneens sprake van een
loonkostenvoordeel. Dit voordeel bedraagt,
wederom op basis van vier weken, ƒ114,-
(eveneens op het niveau van het minimumloon).
Aangenomen wordt dat
beide regelingen in totaal een bereik van 400 000 tijdelijke dienstverbanden per jaar zullen hebben, te weten
200 000 toepassingen van
de premiecompensatieregeling en 200 000 toepassingen van de premievrijstellingsregeling.
De kosten van de de
premievrijstellingsregeling worden geraamd op ƒ50 à ƒ75
mln per jaar,
afhankelijk van de verhouding jongeren/volwassenen. Aangezien
het bij deze regeling uitkeringsgerechtigden betreft, staan tegenover
premiederving besparingen op uitkeringen.
Niet het gehele bedrag
aan anders verschuldigde uitkeringen kan als besparing worden
aangemerkt. In de eerste plaats wordt de duur van de loongerelateerde WW-uitkering er niet door verminderd doch onderbroken.
In de tweede plaats is er sprake van een "wind fall"-effect, dat
wil zeggen dat betrokkenen ook
zonder premievrijstelling het tijdelijk dienstverband zouden zijn aangegaan. Op
grond hiervan wordt aangenomen dat de premiederving wordt
gecompenseerd door besparingen op uitkeringen, zonder dat in betekenende
mate sprake is van overcompensatie.
De kosten van de
compensatieregeling worden eveneens geschat op ƒ50 à ƒ75
mln. Omdat het
hierbij niet om uitkeringsgerechtigden gaat, staan hiertegenover geen bespaarde uitkeringen.
De totale
uitvoeringskosten van beide regelingen worden geschat op ƒ6 à ƒ7
mln per jaar.
Overigens blijkt uit
gegevens van het Tica dat het leeuwedeel van deze kosten samenhangen met
het verwachte aantal bezwaar- en beroepsschriften. Uiteraard kan een goede
voorlichting naar de betrokken werkgevers en werknemers
hier veel onnodige kosten voorkomen.
6. Voorlichting
Aan
de voorgestelde
regeling zal geen aparte publieksgerichte voorlichtingscampagne
worden verbonden. Gelet op de voordelen voor werkgevers en werknemers
in de agrarische sector zullen de werkgevers- en werknemersorganisaties in
deze sector voor voldoende publiciteit zorgen. Wel zullen uiteraard de uitvoeringsinstanties (zowel bedrijfsverenigingen
als gemeenten) worden
gewezen op de mogelijkheid voor uitkeringsgerechtigden
om gedurende een periode van maximaal vier weken premievrij te
werken. Tevens zal het bij de uitvoeringsinstanties en het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanwezige voorlichtingsmateriaal
worden aangepast.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1
De regeling heeft
betrekking op de door een werknemer en werkgever verschuldigde premies
werknemersverzekeringen die door de werkgever worden betaald. Deze premie is
verschuldigd indien in dienst van een
werkgever arbeid wordt verricht die leidt tot verzekeringsplicht voor de
werknemersverzekeringswetten.
De werknemersverzekeringswetten zijn de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
de
Ziektewet
(ZW), rblz.|14|
de Ziekenfondswet
en de Werkloosheidswet (WW). Verzekerd voor de
werknemersverzekeringswetten is de werknemer, bedoeld in deze wetten. In de
Ziekenfondswet wordt daartoe verwezen naar de werknemer in de zin van de
Ziektewet. De arbeidsverhouding waaruit de verzekering voortvloeit is de
dienstbetrekking die in deze wetten nader wordt omschreven. Het begrip
dienstbetrekking omvat arbeidsverhoudingen van personen die op basis
van een arbeidsovereenkomst en op basis van andere overeenkomsten of
aanstellingen arbeid verrichten. De begrippen werknemer, werkgever en
de dienstbetrekking in deze wet hebben dus de inhoud die daaraan in de werknemersverzekeringswetten wordt gegeven.
Met de
uitkeringsgerechtigde wordt in deze wet bedoeld de persoon die op het moment van
aanvang van de arbeidsverhouding een uitkering ontvangt wegens het ontbreken van voor die persoon geschikt werk,
terwijl die persoon wel
in staat wordt geacht op de arbeidsmarkt actief te zijn. De
arbeidsmarktgerichtheid blijkt uit de inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De volledig arbeidsongeschikte zal niet aan dit laatste vereiste
voldoen. Het gaat dan om een werkloze of iemand die wegens gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid geen arbeid verricht en een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft. Niet in aanmerking komt de
persoon die een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangt en daarnaast nog uit arbeid, uit een parttime
dienstverband bijvoorbeeld, inkomen heeft. Om vast te stellen of een persoon
als uitkeringsgerechtigde in de zin van deze wet moet worden aangemerkt, is
niet relevant of hij ander inkomen heeft dan uit arbeid, bijvoorbeeld
uit vermogen of verhuur van kamers.
Artikel
2
De premievrijstelling
wordt op aanvraag van de werkgever door de bedrijfsvereniging
waarbij de werkgever is aangesloten verleend. Deze bedrijfsvereniging heft
en int ook de premies. De werkgever krijgt vrijstelling van betaling
van de door de werkgever en de werknemer verschuldigde premies. Wanneer de werkgever het door de werknemer
verschuldigde deel niet
behoeft te betalen, zal hij dit deel ook niet mogen inhouden op het loon van
de werknemer (vergelijk artikel 83 WW). Het tweede lid regelt de
nadere voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om voor vrijstelling in
aanmerking te komen. De belangrijkste voorwaarde voor de vrijstelling, die
in het eerste lid is opgenomen, is dat het gaat om een dienstbetrekking met
een werknemer die uitkeringsgerechtigd is. Een werkgever krijgt per
kalenderjaar voor een werknemer slechts vrijstelling indien de dienstbetrekking maximaal vier weken duurt. Voor een bepaalde
werknemer kan slechts eenmaal per kalenderjaar vrijstelling worden verleend aan een
werkgever. Indien een uitkeringsgerechtigde in een kalenderjaar dus al
eerder voor korte tijd gewerkt heeft en daarbij is een beroep gedaan op de
premievrijstelling, krijgt de werkgever geen vrijstelling. Dit geldt
ook indien voor een dienstbetrekking van die uitkeringsgerechtigde
eerder een bijdrage als bedoeld in artikel 5 is verkregen. Dan is niet
relevant of zo’n eerder dienstverband minder dan vier weken heeft geduurd.
Daarom is bepaald dat de dienstbetrekking een duur mag hebben van ten
hoogste vier aaneengesloten weken. Als de duur van het
dienstverband de periode van vier weken overschrijdt, wordt geen premievrijstelling
verleend. Er is dus geen sprake van een premievrije periode van
vier weken in een dienstverband dat langer van duur is.
Om te voorkomen dat de
werkgever direct na het einde van de dienstbetrekking waarvoor
premievrijstelling is verleend een nieuwe dienstbetrekking met de uitkeringsgerechtigde aangaat en in feite
daarmee een premievrije
periode inbouwt, is in het derde lid bepaald dat indien dit binnen 31
dagen gebeurt, er sprake is van eenzelfde, niet-onderbroken
dienstbetrekking. Daardoor kan de periode van vier weken rblz.|15|
worden overschreden. Het
moet duidelijk zijn dat het dienstverband met de werkgever de vierwekentermijn niet overschrijdt. Indien
blijkt dat de dienstbetrekking
feitelijk voor langere duur is aangegaan, komt de vrijstelling te vervallen
met terugwerkende kracht. Indien de werknemer in een kalenderjaar eerder
voor de werkgever heeft gewerkt in dienstbetrekking, wordt ook geen
vrijstelling verleend.
Artikel
3
De werkgever moet bij
voorkeur vóór de aanvang van het kortdurende dienstverband om de
vrijstelling aanvragen. Om te kunnen vaststellen of de werkgever voor vrijstelling in aanmerking komt, moet de bedrijfsvereniging
in ieder geval vóór
afloop van de dienstbetrekking het verzoek om vrijstelling hebben
ontvangen. De bedrijfsverenigingen zullen daarvoor procedures moeten
vaststellen. De nadere regels van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica) dienen om de procedures bij de bedrijfsverenigingen af
te stemmen en daarbij aan het berichtenverkeer tussen werkgever en
bedrijfsvereniging op vergelijkbare wijze vorm te geven (dezelfde
formulieren bijvoorbeeld). Door het sofinummer van de
uitkeringsgerechtigde
waarmee het dienstverband wordt aangegaan, mee te leveren, kan de
bedrijfsvereniging gemakkelijk nagaan of en bij welk uitvoeringsorgaan de
betrokken werknemer een uitkering ontvangt. Voorts is het in verband
met de vereisten voor een vrijstelling van belang dat de bedrijfsvereniging
op het sofinummer van de werknemer in de administratie bijhoudt of
een vrijstelling dan wel een bijdrage als bedoeld in artikel 5 wordt
verleend.
De maximale
beslissingstermijn van acht weken die de Algemene wet bestuursrecht aan de
bedrijfsvereniging toestaat, is te lang. De bedrijfsvereniging moet snel
beschikken op
de aanvraag om te voorkomen dat onzekerheid over de
mogelijke premievrijstelling de werkgever belemmert om de
uitkeringsgerechtigde een kort dienstverband aan te bieden. De nadere regels van het
Tica voor de beslissing kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de
vorm van de beschikking of de wijze waarop deze - desnoods
voorlopig - bekend wordt gemaakt.
Artikel
4
De in dit artikel
genoemde bedrijfsvereniging zal in een besluit moeten vastleggen voor welke
categorieën werknemers waarmee werkgevers in die sector een dienstverband aangaan en die geen uitkeringsgerechtigde
zijn, een bijdrage voor de betaalde premies kan worden verstrekt. Het zal
hier in de praktijk gaan
om personen die op het moment van het aangaan van het dienstverband
voor het normale levensonderhoud niet aangewezen zijn op inkomsten uit
arbeid. Dit zal in het algemeen inhouden dat deze personen geen
inkomen als opbrengst van arbeid hebben. Dit sluit niet uit dat die persoon
op dat moment wel inkomen in de vorm van winst uit bedrijf heeft.
Te denken valt hierbij aan studenten en scholieren, huisvrouwen en
gepensioneerden. Het dienstverband is een dienstbetrekking in de zin van de
werknemersverzekeringswetten, die tot verzekeringsplicht leidt.
Om het toezicht op de bijdrageregeling inhoud te kunnen geven, is het
noodzakelijk dat het toezichthoudende orgaan, het College van toezicht
sociale verzekeringen het aanwijzingsbesluit van de bedrijfsvereniging
goedkeurt.
Artikel
5
De bijdrage voor de
betaalde premie wordt op verzoek van de werkgever verstrekt. Dit
kan in de vorm gaan van een verrekening bij de vaststelling van de
definitieve premienota. De vereisten die aan de dienstbetrekking worden
gesteld om de werkgever voor een bijdrage in rblz.|16|
aanmerking te laten komen,
zijn gelijk aan die voor de premievrijstelling. Om dat te kunnen
vaststellen, moet de aanvraag zo tijdig mogelijk worden ingediend.
Vandaar dat
ook op dat punt dezelfde eis is gesteld als in artikel
2. De werkgever
komt in aanmerking voor een bijdrage voor dienstbetrekkingen waarvoor geen
premievrijstelling kan worden verleend, omdat de
dienstbetrekking niet wordt aangegaan met een uitkeringsgerechtigde. De
bijdrage bestaat uit compensatie voor de door de werkgever betaalde
premies werknemersverzekeringen over het loon dat aan de werknemer voor
dit korte dienstverband is betaald, die de werkgever moet betalen.
De nadere regels van het
Tica kunnen betrekking hebben op de vorm en de inhoud van de
aanvraag, waarbij afstemming met het berichtenverkeer tussen werkgever en
bedrijfsvereniging in verband met de premievrijstelling aan de orde kan zijn.
Artikel
6
Wanneer
blijkt dat
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt over de dienstbetrekking of de
persoon van de werknemer en op grond daarvan ten onrechte
premievrijstelling of een bijdrage in de betaalde premie is verstrekt,
herziet de bedrijfsvereniging de beslissing. Dit betekent veelal dat de
premievrijstelling met terugwerkende kracht komt te vervallen. Het gaat
hierbij om een regeling van de herziening die overeenstemt met die bij
het ten onrechte verlenen van een uitkering wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichtingen die aan de uitkeringsgerechtigde
zijn opgelegd voor de vaststelling van het recht op uitkering en de
controle daarop.
Artikelen 7 en
8
In
artikel 7, onderdeel A, wordt met een wijziging in de Werkloosheidswet
bepaald dat de bijdragen uit het wachtgeldfonds
worden gefinancierd. Om
de lasten voor het wachtgeldfonds niet direct te hoog te laten oplopen,
waardoor de wachtgeldpremie in één jaar tengevolge van deze regeling
te sterk omhoog zou gaan, is in artikel 8 een staffeling opgenomen. De
bijdragen die op de voorgestelde wijze niet ten laste van het
wachtgeldfonds kunnen worden gebracht, worden in rekening gebracht van het
Algemeen Werkloosheidsfonds. De wijziging van artikel 93
Werkloosheidswet in onderdeel B van artikel 7 voorziet erin dat deze kosten ten laste
van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen. Er is echter een maximum
gesteld aan de bijdragen die door de werking van de staffeling ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen. Dit maximum is gelegd op
200 000 werknemers. Per jaar kan de betrokken bedrijfsvereniging voor
maximaal 200 000 gevallen een gedeeltelijke bijdrage ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds brengen. De verstrekte bijdragen voor
de meerdere gevallen komen dan geheel ten laste van het
wachtgeldfonds. Het tweede lid van artikel 8 voorziet in de regeling van deze
overgangsmaatregel.
De wijziging van artikel
94 WW in onderdeel C van artikel 7 heeft tot doel te
voorkomen dat
door de overschrijding van het plafond van het wachtgeldfonds de lasten
van de premiebijdrageregeling alsnog gedeeltelijk ten laste
van het AWf kunnen worden gebracht. Bepaald is dat deze bijdragen niet
meetellen voor het bereiken van het lastenplafond.
Artikelen 9 en
10
Tegen besluiten
betreffende de heffing en betaling van premies werknemersverzekeringen
kan de belanghebbende beroep instellen volgens de bepalingen in
de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is ondermeer in de
Werkloosheidswet bepaald (artikel
128) dat de
belanghebbende rblz.|17|
in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht in een
bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een besluit inzake de verschuldigde premie
gehoord wordt op verzoek. Tegen uitspraken van de rechtbank in geschillen
over besluiten op grond van de Werkloosheidswet staat ingevolge de
Beroepswet hoger beroep open bij de Centrale Raad van
Beroep. Voor de
regeling van bezwaar en beroep tegen besluiten op grond van deze wet wordt
aangesloten bij de rechtsmiddelen tegen besluiten inzake premieheffing op grond van de
werknemersverzekeringswetten.
Er is immers aangesloten
bij de begrippen uit de werknemersverzekeringswetten.
Dit is geregeld in deze artikelen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat
tegen besluiten op grond van deze wet beroep openstaat bij de
rechtbank, dat voor de bezwaarschriftprocedure de hiervoor genoemde
afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht
geldt en
dat hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|