|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 478
Vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot de
(re)integratie van arbeidsgehandicapten (Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1x| |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| a |
Voorbereiding |
| b |
De
hoofdlijnennota |
| c |
Advies
SER algemeen |
| d |
Reactie
van het kabinet |
| e |
Commentaar
van het Ctsv (toezichtaspecten) |
| f |
Commentaar
van het Lisv |
| g |
Commentaar van het CBA |
| h |
Commentaar van de VNG |
| i |
Commentaar van de
overige organen |
| j |
Algemene conclusie |
| 3 |
De arbeidsgehandicapte |
| 4 |
Relatie
arbeidsgehandicapte/potentiële werkgever |
| 5 |
Verantwoordelijkheidsverdeling |
| a |
Taakverdeling in het
algemeen |
| b |
Reïntegratie bij de
eigen werkgever |
| c |
Reïntegratie bij een
nieuwe werkgever |
| 6 |
Een nieuwe
budgetstructuur |
| a |
Het plaatsingsbudget |
| b |
Het
herplaatsingsbudget |
| c |
Het pakket op maat |
| d |
De relatie tussen de
budgetten, het pakket op maat en de voorzieningen |
| e |
De budgetten verstrekt
door de gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie |
| f |
Onderwijsvoorzieningen
voor jonggehandicapten en studenten |
| g |
Slot |
| 7 |
De
reïntegratie-uitkering |
| 8 |
De
kwijtscheldings- en
kortingsregeling basispremie WAO |
| 9 |
Overig instrumentarium |
| a |
Artikel
29b Ziektewet |
| b |
Loonsuppletie |
| c |
Proefplaatsing |
| d |
Reïntegratie van
zelfstandigen |
| e |
Persoonsgebonden
reïntegratiebudget |
| f |
Scholingsinstituten |
| 10 |
Rechtmatigheid en
doelmatigheid bij het verstrekken van budgetten |
| a |
Rechtmatigheid |
| b |
Doelmatigheid |
| c |
Rechtmatigheid en
doelmatigheid bij het herplaatsingsbudget |
| 11 |
Informatievoorziening |
| 12 |
Voorlichting |
| a |
Algemene voorlichting |
| b |
Informatiepunten
reïntegratie arbeidsgehandicapten |
| 13 |
Het
Reïntegratiefonds |
| a |
Reorganisatie van de
diverse sv-geldstromen |
| b |
Positionering en
beheer van het Reïntegratiefonds |
| c |
Inhoud van het
Reïntegratiefonds |
| d |
Voeding van het
Reïntegratiefonds |
| 14 |
Financiële aspecten |
| a |
Huidige situatie |
| b |
Inzet van dit
wetsvoorstel |
| c |
Additionele lasten |
| d |
Besparingen |
| 15 |
Effecten voor
bedrijven |
| a |
Kosten en baten voor
het bedrijfsleven |
| b |
Buitenlandtoets |
| c |
Sociaal-economische
effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Algemeen |
| x |
Artikelen
1 t/m 7 |
| Hoofdstuk
2. Verantwoordelijkheidsverdeling
werkgever, Lisv, gemeenten en
Arbeidsvoorzieningsorganisatie |
| x |
Artikelen
8 t/m 14 |
| Hoofdstuk
3. Reïntegratie-instrumentarium
werkgevers |
| x |
Artikelen
15 t/m 21 |
| Hoofdstuk
4. Reïntegratie-instrumentarium
arbeidsgehandicapten |
| x |
Artikelen
22 t/m 37 |
| Hoofdstuk
5. Uitvoering
en financiering |
| x |
Artikelen
38 t/m 44 |
| Hoofdstuk
6. Het
verstrekken van inlichtingen en administratieve boete |
| x |
Artikelen
45 t/m 47 |
| Hoofdstuk
7. Bepalingen
in verband met het burgerlijk recht |
| x |
Artikelen
48 en 49 |
| Hoofdstuk
8. Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht |
| x |
Artikelen
50 t/m 53 |
| Hoofdstuk
9. Strafmaatregelen |
| x |
Artikelen
54 en 55 |
| Hoofdstuk
10. Wijziging
van andere wetten |
| x |
Artikelen
56 t/m 70 |
| Hoofdstuk
11. Overgangsrecht |
| x |
Artikelen
71 t/m 78 |
rblz.|3|
Algemeen
1. Inleiding
De sterke groei van de Nederlandse economie, de flexibilisering van de
arbeidsmarkt, de successen die zijn geboekt bij de terugdringing van het
volume van de werkloosheid en de arbeidsongeschiktheid, hebben het beeld
van de arbeidsmarkt de laatste jaren aanzienlijk veranderd. Er zijn veel
nieuwe banen geschapen en meer mensen zijn de laatste jaren in staat
geweest zich een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven dan tot voor
kort mogelijk werd geacht. Het hardnekkige probleem van het veel te
grote aantal mensen dat wegens (gehele of gedeeltelijke)
arbeidsongeschiktheid niet aan betaalde arbeid deelneemt - een
probleem voor betrokkenen maar ook voor de samenleving als geheel - is
langs meerdere sporen aangepakt. Heeft het vorige kabinet zich vooral
geconcentreerd op het uitkeringsniveau en de toelatingscriteria (met
name het arbeidsongeschiktheidscriterium), dit kabinet heeft het
hoofdaccent gelegd op het introduceren van aanzienlijke financiële
prikkels op het niveau van de onderneming, het niveau waar in de
dagelijkse werkelijkheid de meeste mogelijkheden liggen om uitval wegens
arbeidsongeschiktheid te voorkomen of in duur te beperken. Beoogd - en
naar het zich op basis van eerste waarneming laat aanzien ook
gerealiseerd - effect van uitbreiding van de
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte was terugdringing van het
ziekteverzuim en (dus ook) beperking van het aantal personen dat zich
meldt voor een uitkering op basis van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Per 1 januari 1998 zal er in
het kader van de WAO premiedifferentiatie en de mogelijkheid van eigen
risico dragen worden geïntroduceerd. Dit zal de werkgever ook na
het eerste jaar van ziekte van een werknemer volop betrokken houden bij
de arbeidsongeschiktheidssituatie van die werknemer.
De bedoelde maatregelen van zowel het vorige als van dit kabinet zijn
ook steeds gepaard gegaan met aandacht voor flankerend beleid, voor
maatregelen gericht op het bevorderen van reïntegratiekansen van
arbeidsgehandicapten. Doel is niet het vervangen van de ene uitkering
door een andere, maar verhoging van de arbeidsparticipatie, ook van
arbeidsgehandicapten. Zij verkeren ten opzichte van andere
achterstandsgroepen in een extra nadelige situatie. In een arbeidsmarkt
waarin steeds meer de nadruk wordt gelegd op een flexibele en volledige
inzetbaarheid van personeel, is de positie van personen van wie door
werkgevers betwijfeld wordt of zij aan die hogere eisen kunnen voldoen
per definitie het zwakst.
Het ontbreekt, mede als gevolg van de uitbreidingen die de laatste jaren
hebben plaatsgevonden, in beginsel niet aan voldoende reïntegratie-instrumenten.
Waar het nog steeds wel aan ontbreekt, is aan een voldoende mate van
succes, al dan niet met inzet van dat instrumentarium. Dat is des te
problematischer omdat het ingezette beleid, gericht op versterking van
de financiële verantwoordelijkheid van werkgevers, enerzijds zal leiden
tot verhoogde inspanningen om de in dienst zijnde werknemers te reïntegreren,
doch anderzijds ook kan leiden tot verscherpte selectie bij het in
dienst nemen van nieuwe werknemers. De inspanningen dienen er thans,
gelet op het vorenstaande, vooral op gericht te zijn de knelpunten die
zich in de reïntegratieproblematiek voordoen zoveel mogelijk weg te
nemen. Daartoe dient dit wetsvoorstel.
Het is niet de bedoeling met deze wet een geheel nieuw systeem van
wettelijke instrumenten te creëren voor arbeidsgehandicapten. Gezien de
verwevenheid van vele reïntegratie-instrumenten met het totale complex rblz.|4|
van socialezekerheidswetgeving is dit geen begaanbare weg. Nieuwe ideeën
op dit punt zijn ook schaars. Het zou fout zijn de illusie te wekken dat
door een geheel andere aanpak de problematiek van arbeidsgehandicapten
geheel zou kunnen worden opgelost. Evenmin is het de opzet van deze wet
om voor het gehele complex van regelgeving voor arbeidsgehandicapten een
vereenvoudiging of stroomlijning van de regelgeving te bereiken door
deze in één wet te plaatsen. Eén allesomvattende Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten zou gezien de hiervoor al genoemde
verwevenheid met de overige wetgeving de complexiteit alleen maar groter
maken. Waar deze wet toe dient, is om de in de praktijk gesignaleerde
knelpunten in regelgeving en uitvoering weg te nemen en een kader te
scheppen waarin die regelgeving sneller, beter en dus met meer succes
kan worden toegepast. De hoofddoelstelling van deze wet is kort gezegd
het bestaande reïntegratie-instrumentarium waar nodig te verbeteren en
vooral beter te laten werken. Deze verbetering zal naar de stellige
overtuiging van het kabinet worden bereikt door de in dit wetsvoorstel
uitgewerkte budgetstructuur, waarmee bereikt wordt dat iedere werkgever
die een arbeidsgehandicapte in dienst neemt, zonder verdere rompslomp
een aanzienlijke forfaitaire kostenvergoeding ontvangt. Een tweede
belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is het verstrekken van een reïntegratie-uitkering
aan arbeidsgehandicapten die scholing volgen of op een proefplaats
werken teneinde hun beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt te vergroten.
Een apart regime voor personen die in deze situatie verkeren
vergemakkelijkt hun herintrede op de arbeidsmarkt.
Een goed werkend reïntegratie-instrumentarium garandeert niet dat alle
arbeidsgehandicapten aan het werk komen en zeker ook niet dat alle reïntegratiepogingen
succesvol zullen zijn. Daarvoor is de problematiek waarmee - ten minste
een deel van - de arbeidsgehandicaptenpopulatie kampt te ernstig. Waar
het reïntegratie-instrumentarium bij uitstek toe dient, is het scheppen
van kansen. Het instrumentarium is een middel om de werkgever, door
financiële tegemoetkomingen en het wegnemen van risico’s, te bewegen
arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Daarna is het aan de persoon
zélf
zich te bewijzen. Dit
wetsvoorstel mag effectief worden genoemd als na
enkele jaren blijkt dat het aantal geslaagde reïntegraties
daadwerkelijk is toegenomen.
In de richting van de uitvoerders van socialezekerheidsregelingen en
Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en
inkomen (CWI), red.] is - een derde - belangrijke doelstelling van dit
wetsvoorstel nogmaals te benadrukken - en waar nodig ook met
regelgeving te ondersteunen - welk een groot belang het kabinet hecht
aan een actieve opstelling bij de (terug)geleiding van cliënten naar
betaalde arbeid. Het zal duidelijk zijn dat in deze de kost voor de baat
uitgaat. De organisaties dienen zich hierbij niet te terughoudend op te
stellen. Wanneer het alternatief is een "levenslange" uitkering, geeft
men niet snel te veel geld uit voor de reïntegratie van een
arbeidsgehandicapte. Dit betekent niet dat niet scherp zou moeten worden
gelet op kosten/batenverhoudingen. Waar het om gaat, is dat men zich in
de uitvoering realiseert dat met een snelle en soms op het eerste
gezicht hoge investering in de arbeidsgehandicapte op termijn geld te
verdienen valt. Een uitvoering die zich meer dan tot nu toe richt op
schadelastbeperking dient daarbij niet uit te gaan van een te krappe
tijdshorizon.
Teneinde te voorkomen dat conflicten over competentie belemmerend werken,
zal in dit wetsvoorstel een heldere verantwoordelijkheidsverdeling
worden gegeven tussen de diverse instellingen en organisaties die op reïntegratieterrein
actief zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de concurrentiegedachte,
waarvan ook de sociale zekerheid terecht meer doortrokken raakt,
samenwerking niet in de weg behoort te staan. Allen, rblz.|5|
uitvoerders van
sociale verzekeringen - of het nu gaat om publieke of private
instellingen - gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en hun cliënten,
hebben een groot belang bij een zo effectief mogelijke reïntegratie van
arbeidsgehandicapten. Met deze wet wordt reïntegratie een speerpunt van
beleid voor alle instellingen die zich met de doelgroep bezighouden.
Ten slotte nog één opmerking. Dit wetsvoorstel boogt de kansen op werk
voor alle arbeidsgehandicapten te vergroten. Voor arbeidsgehandicapten
die nog in dienst zijn of die vroeger in dienst waren, gaat het daarbij
om reïntegratie. Voor arbeidsgehandicapten zonder werkervaring gaat het
om integratie. Met het oog op de leesbaarheid wordt in het
hiernavolgende alleen gesproken van "reïntegratie". Daaronder moet
derhalve waar dit van toepassing kan zijn, ook "integratie" worden
verstaan.
2. Voorgeschiedenis
a. Voorbereiding
Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel heeft een open communicatie
plaatsgevonden met de uitvoeringspraktijk. Teneinde nader inzicht te
krijgen in de feitelijke knelpunten die zich voordoen in de huidige
praktijk van de reïntegratie van arbeidsgehandicapten zijn in het
voortraject van dit wetsvoorstel de verschillende betrokken partijen
uitvoerig geconsulteerd. Na een eerste ronde gesprekken met een selectie
van uitvoerders, bemiddelende instanties, particuliere verzekeraars en
arbodiensten is in december 1996 een ronde-tafelconferentie georganiseerd
met vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties,
uitvoering werknemersverzekeringen, gehandicaptenorganisaties en
onderzoekers.
In aanvulling op de daaruit voortkomende analyse van knelpunten is door
NIA/TNO [Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden / (Nederlandse
centrale organisatie voor) Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek, red.]
een researchnota opgesteld met een overall-analyse van de
beschikbare onderzoeksresultaten met betrekking tot de reïntegratie van
arbeidsgehandicapten. Ook is door NIA/TNO een inventarisatie gemaakt van
de wettelijke reïntegratie-instrumenten voor personen met een
arbeidshandicap. Door het onderzoeksbureau AStri [Arbeid en Sociale
Zekerheid toegepaste research en informatie, red.]
is een inventarisatie
gemaakt van bijzondere regelingen op dit gebied in andere landen.
Vervolgens is direct na het verschijnen van de hoofdlijnennota aan de
uitvoerders van de werknemersverzekeringen, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de
gemeenten, arbodiensten en
particuliere werkgevers gelegenheid geboden om de voorstellen te
becommentariëren. Daartoe werd een drietal regionale werkconferenties
georganiseerd.
De verslagen van de conferenties en de onderzoeksrapporten zijn - net
als de hoofdlijnennota - toegezonden aan de Tweede en Eerste Kamer, de
Sociaal-Economische Raad (SER) en aan de verschillende andere
organisaties aan wie de hoofdlijnennota is toegezonden voor commentaar.
Ten slotte is nagegaan welke gevolgen het onderzoek "Bemiddeling in
Uitvoering; Onderzoek naar de uitvoering van de bemiddeling van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten" en de Augustusrapportage
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen 1997, beide recente rapportages van
het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie
Werk en Inkomen (IWI), red.], dienden te hebben
voor het voorliggende wetsvoorstel.
rblz.|6|
b. De hoofdlijnennota
Het doel van de hoofdlijnennota was aan de praktijk voor te leggen of de
ideeën die het kabinet had ontwikkeld omtrent noodzakelijke
aanpassingen van het reïntegratie-instrumentarium ook strookten met
maatschappelijk levende opvattingen omtrent wenselijke wijzigingen. Het
lijkt verstandig de kern van de hoofdlijnennota in deze paragraaf nog
eens kort te schetsen. Voor dit wetsvoorstel is van belang dat in de
hoofdlijnennota een tiental knelpunten werd geformuleerd waar
oplossingen voor gevonden moesten worden.
Het ging hierbij om de volgende gebreken in het
bestaande instrumentarium:
1. Verdeling verantwoordelijkheid bij reïntegratie belanghebbenden is
onhelder.
2. Instrumentarium is onoverzichtelijk.
3. Procedures voor toekenning instrumenten zijn te lang en te
gecompliceerd.
4. Grote verschillen in toepassingsbereik en doelgroep instrumenten.
5. Instrumenten zijn niet altijd inzetbaar bij vroege reïntegratie.
6. Instrumenten zijn niet flexibel inzetbaar.
7. Instrumenten zijn minder goed afgestemd op andere dan vaste
arbeidscontracten.
8. Instrumenten zijn onvoldoende afgestemd op stimulering eigen
verantwoordelijkheid cliënt.
9. Financiering van reïntegratie-inspanningen is onoverzichtelijk.
10. Instrumenten zijn bij belanghebbenden onvoldoende bekend.
Als oplossingen hiervoor stelde het kabinet voor te komen tot de
volgende aanpassingen:
De verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van
arbeidsgehandicapten bij het overwinnen van die problemen zou moeten
worden verdeeld overeenkomstig de vernieuwde structuur in de uitvoering
van het arbeidsmarkt- en socialezekerheidsbeleid.
Werkgevers,
ondersteund door arbodiensten en de uitvoeringsinstellingen
werknemersverzekeringen (uvi’s), zijn verantwoordelijke voor de
herplaatsing van de eigen arbeidsgehandicapte werknemer binnen het eigen
bedrijf.
Op
de uitvoeringsinstellingen rust
de verantwoordelijkheid voor de ondersteuning
van arbeidsgehandicapten die van een uvi een uitkering ontvangen en die
geen werkgever (meer) hebben of die door de eigen werkgever niet binnen
het eigen bedrijf herplaatst kunnen worden.
De
gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ondersteuning van
arbeidsgehandicapten die een uitkering van de gemeenten hebben.
De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie is verantwoordelijk voor de
ondersteuning van alle arbeidsgehandicapten zonder uitkering en van
personen met een uitkering op basis van de Algemene nabestaandenwet
(Anw).
Arbeidsvoorziening
wordt als enige uitvoeringsorganisatie verantwoordelijk voor de
basisdienstverlening aan arbeidsgehandicapten.
Doel
van de voorgestelde nieuwe bevoegdheidsverdeling was zoveel mogelijk die
personen of instanties voor de reïntegratie verantwoordelijk te maken
met wie de cliënt al een financiële relatie heeft.
rblz.|7|
Uitgangspunt bij de ontwikkeling van het instrumentarium van gemeenten
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie was dat deze moet plaatsvinden in
het kader van de per 1 januari 1998 in werking te treden Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw, Kamerstukken II 1996-1997, 25 122) en de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
Wat het instrumentarium van de uvi’s betreft, gaf het kabinet
aan te willen komen tot een belangrijke vereenvoudiging die aan veel
van de genoemde knelpunten tegemoet zal komen door de introductie van:
- een herplaatsingsbudget, bij hervatting in aangepast ander
werk bij de eigen werkgever; en
- een plaatsingsbudget bij reïntegratie bij een nieuwe
werkgever.
Het budget zou een nader te bepalen standaardbedrag zijn waaruit de
werkgever alle aan reïntegratie verbonden kosten zou moeten bestrijden.
Het zou onmiddellijk ter beschikking moeten worden gesteld als vaststaat
dat betrokkene arbeidsgehandicapt is en (bij herplaatsing bij de eigen
werkgever) hij niet zijn oude werk zou kunnen hervatten.
Ook zou de werkgever in plaats daarvan kunnen kiezen voor
kostenvergoeding op basis van een begroting, een "pakket op maat",
waarvan de redelijkheid zou moeten worden beoordeeld door de
verantwoordelijke uitvoerder.
De vergoeding (standaard of gespecificeerd) zou
geheel of gedeeltelijk moeten worden terugbetaald als het gewenste
resultaat - een gedurende een bepaalde tijd volgehouden hervatting in
aangepast werk of in een nieuw dienstverband - niet zou worden
bereikt.
Naast de introductie van dit budgetsysteem voor kostenvergoedingen aan
werkgevers werd met betrekking tot een aantal instrumenten die zich
naar hun aard niet lenen voor opname in een aan werkgevers toe te kennen
budget, een aantal verbeteringen voorgesteld:
- uitbreiding van de bestaande proefplaatsingsregeling met reïntegratie-uitkering
tot zes maanden en tot arbeidsgehandicapten zonder
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
- introductie van een reïntegratie-uitkering (in plaats van uitkering
krachtens de Werkloosheidswet (WW)) tijdens scholing en
arbeidsgewenningsactiviteiten;
- het inzetten van de regeling van overname (door de uvi) van het
loondoorbetalingsrisico bij ziekte (artikel 29b
Ziektewet (ZW)) ook bij
reïntegratie bij een andere werkgever gedurende het eerste ziektejaar
en verlenging tot vijf jaar;
- staffeling van de premiekwijtscheldings- en kortingsregeling,
voorgesteld in de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba);
- het van toepassing verklaren van de loon- en
inkomenssuppletieregelingen - bedoeld ter overbrugging van het verschil tussen theoretische en
gerealiseerde verdiencapaciteit - ook op arbeidsgehandicapten zonder
arbeidsongeschiktheidsuitkering; de loonsuppletie zou ook van toepassing
moeten worden op de voormalig zelfstandige die in loondienst reïntegreert,
de inkomenssuppletie op voormalig werknemers die als zelfstandige aan de
slag gaan;
- ten behoeve van de hervatting als zelfstandige ondernemer zou ook
voor de arbeidsgehandicapten die onder de verantwoordelijkheid van de
uvi’s vallen een startersregeling moeten worden geïntroduceerd.
Voorts werd aangekondigd dat een experiment zou worden gestart met een
persoonsgebonden budget. Het kabinet wachtte nog het advies van de
Nationale Commissie Chronisch Zieken (NCCZ) [zie
Chronisch zieken en
Gehandicapten Raad Nederland, red.]
over de mogelijke invulling
hiervan af.
rblz.|8|
Ter wille van de overzichtelijkheid van de financiering van het
reïntegratie-instrumentarium stelde het kabinet voor alle daarvoor in
aanmerking komende geldstromen waarover uvi’s kunnen beschikken te
leiden via een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] te beheren Reïntegratiefonds, gevoed vanuit de
arbeidsongeschiktheidsfondsen, het Toeslagenfonds en het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf). Op basis van een raming van het Lisv ten
aanzien van het te reïntegreren aantal arbeidsgehandicapten (algemene
taakstelling) en de gemiddelde prijs zou het fonds worden gevuld.
Vervolgens zou de algemene taakstelling worden vertaald in
taakstellingen per uitvoeringscontract. De uvi’s zouden op het halen
daarvan worden beoordeeld. De gemiddelde prijs gecombineerd met de
kwantitatieve taakstelling per contract zou daarbij moeten sturen in de
richting van een evenwichtige besteding door de uvi’s. Gesuggereerd
werd dat introductie van een bonus voor elke geslaagde reïntegratie de
doeltreffendheid van de uvi-activiteiten zou kunnen vergroten.
Voorgesteld werd een variatie in de bonus mogelijk te maken, teneinde
afroming (alleen relatief makkelijk te reïntegreren
arbeidsgehandicapten worden geholpen) te voorkomen.
Wat betreft de geldstromen voor de gemeenten respectievelijk voor
Arbeidsvoorziening werd voorgesteld aan te haken bij de
financieringssystematiek van de Wiw respectievelijk de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
c. Advies SER algemeen
Op 20 juni 1997 heeft de SER zijn advies naar aanleiding van de
hoofdlijnennota vastgesteld. In de eerste plaats wijst de SER erop dat
met een voortzetting van het in de jaren negentig gevoerde sociaal-economische beleid gericht op groei van het aantal banen ook de
kansen op werk voor arbeidsgehandicapten zullen toenemen.
De SER deelt het streven van het kabinet om door middel van een nieuwe
wet te komen tot een verbetering en uitbreiding van het bestaande reïntegratie-instrumentarium.
Voorts is de SER het eens met het streven naar een stroomlijning en
vereenvoudiging van de regelgeving en acht ook hij een vereenvoudiging
van de toepassing daarvan in de praktijk met een heldere verdeling van
verantwoordelijkheden van grote betekenis. De Raad beveelt aan bij de
evaluatie van de wet nadrukkelijk aandacht te besteden aan de vraag of
de gekozen benadering ook van betekenis zou kunnen zijn voor
niet-arbeidsgehandicapten met een achterstand op de arbeidsmarkt.
De SER is van oordeel dat de door het kabinet voorgestane verdeling van
verantwoordelijkheden over het algemeen helder is, in die zin dat voor
de betrokken arbeidsgehandicapte duidelijk is dat hij zich zal moeten
wenden tot de persoon of instantie met wie hij een financiële relatie
heeft. De SER heeft echter wel een aantal kanttekeningen bij de
verantwoordelijkheidsverdeling.
De SER is geen voorstander van de invoering van een
(her)plaatsingsbudget, dat in de plaats zou komen van een aantal
afzonderlijke instrumenten zoals de huidige loonkostensubsidie,
vergoeding voor aanpassing van de werkplek, de inwerk- en
begeleidingssubsidie en de vergoeding voor de kosten van om-, her- of
bijscholing. Naar de mening van de SER kan een standaardbedrag
nauwelijks tegemoet komen aan de diversiteit van de kosten die gemaakt
kunnen worden.
De SER staat positief ten opzichte van de
pakket-op-maatbenadering. Naast een forfaitaire regeling biedt deze
benadering in de ogen van de SER voor de werkgever en voor de uvi een
goede mogelijkheid om in rblz.|9|
aansluiting op het reïntegratieplan vorm te
geven aan de concrete reïntegratieactiviteiten.
De SER is geen voorstander van de in de hoofdlijnennota genoemde
terugbetalingsverplichting ingeval "het gewenste resultaat
uitblijft".
De Raad waarschuwt ervoor dat een terugbetalingsverplichting werkgevers
zal kunnen afschrikken bij het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten.
De SER staat over het algemeen positief tegenover de in de
hoofdlijnennota genoemde verbeteringen van het huidige instrumentarium.
De SER is echter van mening dat de voorgestelde staffeling van de
premiekwijtscheldings- en kortingsregeling van de basispremie Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geen betekenisvolle invloed op
het werving- en selectiebeleid zal hebben en dat deze zal leiden tot een
administratieve lastenverzwaring.
De SER ondersteunt het voorstel om de (gehele of gedeeltelijke) WW-uitkering voor arbeidsgehandicapten tijdens scholing te vervangen
door een reïntegratie-uitkering niet. Het voorgestelde experiment met
een persoonsgebonden budget kan rekenen op de instemming van de Raad.
Twijfel heeft de SER over de meerwaarde van een Reïntegratiefonds. De
Raad vraagt zich af of een dergelijk fonds bijdraagt aan de gewenste
helderheid in de financiële stromingen.
Ten aanzien van de voorgestelde bonus staat de SER
negatief, mede omdat
dit niet past in de onderhandelingssituatie waarin Lisv en sectorraden
verkeren door de recente ontwikkelingen in de uitvoeringsorganisatie.
d. Reactie van het
kabinet
Het kabinet heeft waardering voor het advies van de SER
en ziet het als
een belangrijke bijdrage aan de gedachtevorming omtrent de definitieve
vormgeving van een verbeterde regelgeving met betrekking tot
arbeidsgehandicapten. Hoewel de Raad het streven van het kabinet op dit
punt in algemene zin onderschrijft, is de Raad kritisch met betrekking
tot een aantal van de in de hoofdlijnennota geschetste voornemens. De
Raad kan dan ook niet alle gemaakte keuzes onderschrijven. In een aantal
gevallen zijn de opmerkingen van de SER aanleiding geweest dit
wetsvoorstel aan te passen. Op andere punten blijft het kabinet bij zijn
voorgenomen benaderingswijze. In onderstaande paragraaf zal puntsgewijs
nader worden ingegaan op de argumentatie van de SER. Daarbij zal het
gaan om een reactie in algemene zin. De concrete uitwerking van de - al dan niet aangepaste
- kabinetsvoornemens wordt gegeven in de
hoofdstukken 3 en verder. De indeling van de rest van dit hoofdstuk is
als volgt. In paragraaf 2e zal worden ingegaan op het commentaar van het
Ctsv. In paragraaf 2f komt het commentaar van het
Lisv aan de orde. In
paragrafen 2g en 2h wordt aandacht besteed aan de commentaren van
respectievelijk het Centraal Bureau voor de Arbeidsvoorziening
(CBA) en
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en in
paragraaf 2i zal
aandacht worden besteed aan onderwerpen die door de overige becommentariërende
instanties werden aangedragen.
1. Doelgroepomschrijving
De SER merkt op dat naast arbeidsgehandicapten ook andere categorieën
werkzoekenden een achterstandspositie op de arbeidsmarkt kunnen hebben,
bijvoorbeeld door een beperkte scholing of als gevolg van een langdurige
werkloosheid. De SER laat daarbij in het midden of en in welke rblz.|10|
mate de
in de hoofdlijnennota gekozen benadering ook voor andere
achterstandsgroepen van betekenis zou kunnen zijn. De SER beveelt aan na
realisering van de wet met regelmaat na te gaan of en in welke mate de
getroffen maatregelen effectief zijn. Mede aan de hand daarvan zou
moeten worden bezien of sommige instrumenten ook voor andere categorieën
zouden kunnen worden toegepast. In dit verband is ook het advies van het
Lisv van belang. Het Lisv heeft in zijn commentaar kritiek op één van
de uitgangspunten van dit wetsvoorstel. Betwijfeld wordt of het juist is
onderscheid te maken tussen arbeidsgehandicapten en andere
achterstandsgroepen, met name langdurig werklozen. Het Lisv geeft in
zijn commentaar aan dat de exclusieve keuze voor arbeidsgehandicapten
als doelgroep ertoe leidt dat er scheidslijnen blijven bestaan met
"reguliere"
werklozen en bijstandsgerechtigden. Dit betekent volgens het Lisv dat
voor min of meer dezelfde groepen verschillende regelingen bestaan.
Het kabinet is van opvatting dat er wel degelijk grond is onderscheid te
maken tussen arbeidsgehandicapten en andere werkzoekenden.
Vanzelfsprekend hebben niet alle arbeidsgehandicapten minder kansen dan
langdurig werklozen. De verschillende groepen zullen elkaar in de
praktijk ook gedeeltelijk overlappen. De noodzaak voor extra
reïntegratie-instrumenten
voor arbeidsgehandicapten wordt daardoor gemotiveerd, dat een
arbeidshandicap een extra belemmering is bij de toetreding tot de
arbeidsmarkt. Zeker voor zover door voorgaande wetgeving als Pemba en de
Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) de aandacht
meer op gezondheidsproblemen bij werknemers is komen te liggen, is een
vorm van compensatie noodzakelijk. Dat is één van de redenen om met dit
wetsvoorstel te komen. Het kabinet is het met de SER
eens waar deze
stelt dat na realisering van deze wet getracht moet worden na te gaan of
de getroffen instrumenten effectief zijn en eventueel ook voor andere
achterstandsgroepen nuttig kunnen zijn. In hoofdstuk 11 wordt hier nader
op teruggekomen.
2. Verdeling van verantwoordelijkheden
De
Raad oordeelt over het algemeen positief over de voorgestelde
verantwoordelijkheidsverdeling. Wel plaatst de Raad daarbij een aantal
kanttekeningen:
a. De Raad constateert dat wisseling in inkomenspositie (met name: van WW
naar bijstand of van WW/bijstand naar geen uitkering) en wisseling in
bemiddelingspositie (van "reïntegratie eigen werkgever misschien nog
mogelijk" naar "reïntegratie eigen werkgever niet meer
mogelijk" of
van "reïntegratie nog mogelijk" naar "reïntegratie niet meer
mogelijk" in het kader van de kwalitatieve intake) zal leiden tot
wisseling in de organisatie met het reïntegratieprimaat en dus tot
andere begeleiders en nieuwe procedures. Dit kan leiden tot
meningsverschillen tussen organisaties en het niet inzetten of het
stopzetten van reïntegratie-instrumenten. De Raad vraagt in het kader
van het project Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) [zie onder meer Samenwerkingsbesluit
SWI, red.] hieraan aandacht te
besteden.
b. De Raad merkt op dat de termen "ondersteuning"
of "bemiddeling in enge zin" ter voorkoming van verwarring beter niet
naast de term "basisdienstverlening" kunnen worden gebruikt en dat
het begrip "basisdienstverlening" ruimer is dan in de hoofdlijnennota
lijkt te worden aangenomen.
c. De Raad wijst erop dat krachtens de
hoofdlijnennota diensten zullen moeten worden ingekocht voor moeilijk
plaatsbare arbeidsgehandicapten, zonder dat een nadere invulling van het
begrip "moeilijk plaatsbaar" wordt gegeven. Hij vraagt welke instantie
op dit punt de beslissingen neemt.
rblz.|11|
d. De SER vraagt om meer aandacht voor de
instrumenten en middelen die de gemeenten en Arbeidsvoorziening in de
toekomst zullen krijgen. Tevens vraagt de Raad zich af of gemeenten de
hun toebedeelde taak wel aan zullen kunnen.
Het punt van de overgang van verantwoordelijkheid voor reïntegratie bij
wisseling van uitkeringssituatie is ook voor het kabinet een punt van
aandacht. Het is duidelijk dat die overgang zowel formeel als materieel
(overdracht van dossiers, etc.) vloeiend moet verlopen: de "volgende"
instantie moet kunnen voortbouwen op het werk dat door de voorgaande
instantie (of de werkgever) werd verricht. In het kader van dit
wetsvoorstel wordt het formele kader
ter zake nog eens duidelijk
neergezet. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan de overgang van
"reïntegratie
eigen werkgever misschien nog mogelijk" naar "reïntegratie eigen
werkgever niet meer mogelijk".
Wat betreft de reïntegratie bij een andere werkgever geldt inderdaad
dat door een goede samenwerking tussen uvi’s,
gemeenten en
Arbeidsvoorziening voorkomen moet worden dat eenmaal ingezette trajecten
stopgezet moeten worden op het moment dat iemand in een andere
uitkeringspositie komt. De totstandkoming van de centra
SWI, zoals
voorgesteld in het kabinetsstandpunt SWI van 5 juni 1997, zal naar
verwachting een belangrijke impuls geven aan deze samenwerking. Een
mogelijk probleem zou kunnen zijn dat uvi’s zouden kunnen besluiten
geen reïntegratie-instrumenten meer in te zetten of trajecten in te
kopen voor arbeidsgehandicapten wier WW-uitkering wegens het bereiken
van de maximumduur op afzienbare termijn zal eindigen. De uvi’s hebben
dan immers een kleiner direct belang bij het inzetten van de
instrumenten. Een oplossing voor dit soort gevallen is dat de gemeenten
(of, als betrokkene na de WW geen recht zal hebben op bijstand,
Arbeidsvoorziening) een deel van het tijdens de WW-duur reeds ingezette
traject meefinancieren (en derhalve ook betrokken worden bij de inhoud
van het traject). Over een "warme" overdracht van de betrokken cliënten
van de ene organisatie naar de andere dienen partijen, zoals ook de VNG
in zijn commentaar op de hoofdlijnennota bepleit (zie paragraaf
2h), in
het kader van de onderlinge samenwerking afspraken te maken, waarbij het
wenselijk is dat ook afspraken over gezamenlijke financiering tot stand
komen. In het kader van de informatievoorziening over de uitwerking van het
voorliggende
wetsvoorstel zal aandacht worden besteed of
bovengenoemde "warme overdracht" in voldoende mate wordt gerealiseerd.
Indien nodig zullen nadere stappen overwogen worden.
Aan de opmerkingen van de Raad ten aanzien van de terminologie en de inhoud van
het begrip basisdienstverlening is in het
wetsvoorstel tegemoet gekomen.
Met betrekking tot de vraag van de Raad welke instantie op het punt van
de invulling van het begrip "moeilijk plaatsbaar" de beslissingen
neemt, wordt het volgende opgemerkt. Kernbegrip in deze wet is niet de
term "moeilijk plaatsbaar" maar "arbeidsgehandicapt". Voor een groot
aantal mensen zal het, gezien hun uitkering of hun uitkeringsverleden,
vanzelf al vaststaan dat zij arbeidsgehandicapt zijn (zie hoofdstuk
3).
Voor anderen zal dit apart moeten worden bekeken. De organisatie die
verantwoordelijk is voor de reïntegratie van de betreffende
arbeidsgehandicapte, is ook de instantie die bevoegd is te besluiten of
iemand arbeidsgehandicapt is. De kwalificerende intake, die in het
centrum SWI is gepositioneerd, zal onder meer uitsluitsel moeten geven
over de vraag of iemand wat betreft de afstand tot de arbeidsmarkt tot
fase 2, 3 of 4 behoort en derhalve moeilijk plaatsbaar is.
rblz.|12|
De Raad vraagt zich tot slot af of gemeenten de hun toebedeelde taak wel
aan zullen kunnen. Wij hebben er geen twijfel over dat de gemeenten hun
taken op dit punt aankunnen. Ook de VNG concludeert in haar advies
niet
dat de gemeenten hun nieuwe taak niet naar behoren zouden kunnen
vervullen.
3. Instrumenten gericht op werkgevers
De SER is geen voorstander van de invoering van een
(her)plaatsingsbudget dat in de plaats zou komen van een aantal
afzonderlijke instrumenten zoals de huidige loonkostensubsidie,
vergoeding voor aanpassing van de werkplek, de inwerk- en
begeleidingssubsidie en de vergoeding voor de kosten van om-, her- of
bijscholing. Naar de mening van de SER kan een standaardbedrag
nauwelijks tegemoet komen aan de diversiteit van de kosten die gemaakt
kunnen worden. De SER stelt voor een bescheiden budget ter beschikking
te stellen als tegemoetkoming in de onkosten en wel in de vorm van een
forfaitaire subsidie van zo’n ƒ2000,- à ƒ3000,-, te
verstrekken aan de werkgever die een arbeidsgehandicapte (eigen
werknemer) herplaatst of een arbeidsgehandicapte in dienst neemt.
Met de SER
is het kabinet van mening dat de waarde van - en de
noodzaak tot - een (her)plaatsingsbudget moet worden afgemeten aan de
mate waarin het budget tegemoet komt aan de behoeften van een werkgever
die een arbeidsgehandicapte in dienst neemt. Die behoeften kunnen sterk
variëren, afhankelijk van de persoon waar het om gaat. Een te beperkt
budget zal ertoe leiden dat het in de meeste gevallen onvoldoende is
en betekenen dat een werkgever alsnog een pakket op maat aanvraagt. Eén
van de grote bezwaren tegen de huidige regelingen, de ambtelijke
rompslomp, zal dan niet worden weggenomen. Aan een dergelijk budget
heeft ook het kabinet geen behoefte. De bruikbaarheid van een budget
wordt in deze situatie echter vergroot naarmate het aan de werkgever
ter beschikking gestelde bedrag stijgt. Hoe meer geld hij - zonder
bureaucratie - kan ontvangen, des te meer zal hij voor de werknemer
kunnen doen en des te kleiner de kans dat hij een pakket op maat zal
moeten aanvragen. De budgetten die in dit wetsvoorstel worden
voorgesteld, zijn daarom aanzienlijk hoger dan de subsidie waar de SER in
zijn advies van uitgaat. In hoofdstuk 6 wordt hierop verder ingegaan.
De SER merkt voorts op dat het pakket op maat een goede mogelijkheid
biedt om vorm te geven aan de concrete reïntegratieactiviteiten. Wel
wil de Raad hierbij benadrukken dat bij deze pakket-op-maatbenadering
het van het grootste belang is dat de aanvraagprocedures zo eenvoudig en
snel mogelijk zullen verlopen.
Het kabinet kan deze opvatting van de Raad op
zich onderschrijven. Echter, anders dan bij de (her)plaatsingsbudgetten,
zullen er voor de beslissing over de toekenning van een pakket op maat
door de werkgevers reële kosten moeten worden aangetoond. Het kan hier
immers om aanzienlijke bedragen gaan, bedragen die ook hoger zijn dan
die van de - op zich in hoogte ook niet geringe - (her)plaatsingsbudgetten. Juist door introductie van laatstgenoemde
budgetten die voor een werkgever die een arbeidsgehandicapte in dienst
neemt op eerste aanvraag ter beschikking worden gesteld, zullen
werkgevers voor een groot aantal van de bij hen in dienst tredende
arbeidsgehandicapten niet meer te maken krijgen met administratieve
rompslomp. Dat doet er uiteraard niet aan af dat ook bij de aanvraag en
toekenning van het pakket op maat de bureaucratie tot een minimum
beperkt dient te blijven.
4. Terugvordering
De SER is geen voorstander van de in de hoofdlijnennota genoemde
rblz.|13|
terugbetalingsverplichting ingeval "het gewenste resultaat
uitblijft".
De Raad meent dat een terugbetalingsverplichting werkgevers zal kunnen
afschrikken en dat zich allerlei omstandigheden kunnen voordoen die
ertoe leiden dat een beoogde reïntegratie van een werknemer
uiteindelijk toch niet wordt gerealiseerd. Ook andere organisaties
hebben hun twijfels bij de terugvordering van de door het Lisv/uvi
uitgekeerde vergoedingen. Zo vindt de Federatie van Ouderenverenigingen
[FvO, red.] dit op zich een logische maatregel, maar vreest zij dat dit werkgevers
kan weerhouden om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. Ook
het Verbond van Verzekeraars heeft tegen dit onderdeel bezwaren.
Het kabinet is zich er terdege van bewust dat terugvordering een
probleem zou kunnen zijn, indien deze op onverantwoorde wijze zou
geschieden. Een terugvorderingsregeling kan in dit wetsvoorstel echter
niet ontbreken. De aanzienlijke budgetten die onder zo min mogelijk
voorwaarden aan werkgevers ter beschikking worden gesteld, maken dat
aandacht voor handhaving noodzakelijk is. Ook hier geldt dat publieke
middelen goed besteed dienen te worden. Anderzijds mogen er van de
terugvorderingsmogelijkheid natuurlijk geen negatieve prikkels uitgaan.
De SER heeft gelijk waar hij stelt dat een terugbetalingsverplichting ingeval het gewenste resultaat uitblijft werkgevers zou kunnen
afschrikken. De betreffende passage in de hoofdlijnennota is minder
gelukkig geformuleerd en heeft daardoor misverstanden opgeroepen. Waar
het om gaat is dat een reïntegratie als geslaagd moet worden beschouwd
indien en zolang de betrokken werknemer bij de werkgever aan het werk
blijft. Wordt het dienstverband verbroken, dan is terugvordering alleen
aan de orde over de periode dat betrokkene niet langer in dienst zal
zijn en voor zover de werkgever geen extra uitgaven voor die werknemer
heeft gedaan. Uitgangspunt bij de terugvordering (zie hoofdstuk
6) is
dat de werkgever er nooit op achteruit mag gaan als hij een
arbeidsgehandicapte in dienst heeft genomen en dat de werkgever ter zake
ook overigens niet nodeloos moet worden lastig gevallen.
5. Verbetering van het instrumentarium
De SER staat over het algemeen positief tegenover de in de
hoofdlijnennota genoemde verbeteringen van het huidige instrumentarium.
De voorgestelde staffeling van de premiekwijtscheldings- en
kortingsregeling van de basispremie WAO zal naar de mening van de SER
echter geen betekenisvolle invloed op het werving- en selectiebeleid
hebben en zal, aldus de SER, leiden tot een
administratievelastenverzwaring.
Het kabinet deelt de verwachtingen van de SER
op dit punt niet. De
premiekwijtscheldingsregeling kan een aanzienlijke financiële impuls
voor de werkgever betekenen en uit dien hoofde een aanzienlijke invloed
hebben op zijn werving- en selectiebeleid. Daarvoor is wel vereist - op dat punt heeft de SER gelijk
- dat er natuurlijk geen sprake mag
zijn van een administratievelastenverzwaring. De
premiekwijtscheldingsregeling is technisch inderdaad niet eenvoudig. In
hoofdstuk 8 zal worden uiteengezet hoe de werkgever aanspraak kan doen
gelden op de premiekwijtscheldingsregeling.
6. Instrumenten gericht op zelfstandigen
De SER merkt over de voorstellen om kredietfaciliteiten te ontwikkelen
op, dat hier terughoudendheid moet worden betracht. Alleen in nader te
omschrijven uitzonderingssituaties zou sprake mogen zijn van het
verstrekken van krediet, dat bovendien aan een bepaald plafond gebonden
zou moeten worden.
rblz.|14|
Het is zeker niet de bedoeling dat krediet
lichtvaardig zal worden verstrekt. Het gaat erom bestaande
organisatorische belemmeringen bij de kredietverlening - van uvi-klanten
- weg te nemen. Het dient echter altijd te gaan om
kredieten voor plannen die de toets van levensvatbaarheid hebben kunnen
doorstaan. In paragraaf 9d wordt hier nader op ingegaan.
7. Reïntegratie-uitkering
De SER ondersteunt het voorstel om de (gehele of gedeeltelijke) WW-uitkering voor arbeidsgehandicapten tijdens scholing te vervangen
door een reïntegratie-uitkering niet. De introductie van deze uitkering
voegt volgens de SER niets toe aan de reeds beschikbare WW- of WAO-uitkering.
De SER heeft waardering voor de voorgestelde verbreding van het
toepassingsbereik van diverse instrumenten. Wel vraagt de Raad zich af
of deze aanpassingen ook leiden tot een toename van het gebruik dat van
deze instrumenten wordt gemaakt.
In tegenstelling tot de SER ziet het kabinet wel de toegevoegde waarde
van de reïntegratie-uitkering. Waar het om gaat is dat personen die
feitelijk in een andere positie verkeren dan "reguliere" werklozen
- arbeidsgehandicapten hebben immers een zwakkere arbeidsmarktpositie dan
de doorsnee WW-uitkeringsgerechtigde en zullen vaker ingrijpend moeten
omscholen - ook een andere, aangepaste benadering verdienen. Dit wordt
bereikt door voor hen in plaats van de WW-regeling voor scholing met
behoud van uitkering, de in het voorliggende wetsvoorstel neergelegde
regeling voor scholing met een reïntegratie-uitkering te laten gelden.
Deze regeling zal op twee punten ruimer zijn dan de WW-regeling.
Allereerst heeft de regeling een WW-duur opschortende werking: heeft men
aansluitend op het afronden van de opleiding geen werk gevonden, dan
herleeft de WW-uitkering. Daarnaast is de hoogte van de reïntegratie-uitkering
in principe gefixeerd op die van de WW-uitkering in de periode
voorafgaande aan de scholing. Men kan tijdens het volgen van de
opleiding dus niet geconfronteerd worden met een verlaging omdat men van
een loongerelateerde fase in een vervolgfase komt. Een reïntegratie-uitkering
is derhalve een bruikbaar instrument om beter recht te doen aan de
positie waarin arbeidsgehandicapten verkeren. Wij achten dit het grote
pluspunt van de reïntegratie-uitkering.
Dat de verbreding van het toepassingsbereik van het instrumentarium tot
een toename van het gebruik zal leiden, acht het kabinet niet alleen te
verwachten, doch ook uitdrukkelijk gewenst. Het gaat er immers om meer
arbeidsgehandicapten aan het werk te helpen. De mate waarin het gebruik
van het instrumentarium zal stijgen, is echter moeilijk met zekerheid te
voorspellen. Wij willen er echter op wijzen dat in het kader van dit wetsvoorstel
de toegang tot het instrumentarium aanzienlijk wordt vergemakkelijkt en ook in het algemeen de aandacht voor onderhavige
problematiek aanzienlijk wordt vergroot. Bijvoorbeeld: het feit dat een
werknemer een reïntegratie-uitkering heeft (gehad), zal zowel bij de
werknemer als diens toekomstige werkgever het besef doen toenemen dat
wie de werknemer in dienst neemt aanspraak kan maken op vergoedingen.
8. Bonus
Ten aanzien van de in de hoofdlijnennota voorgestelde bonus, te
verstrekken aan uitvoeringsinstellingen voor elke geslaagde reïntegratie,
staat de SER negatief, mede omdat dit niet past in de onderhandelingssituatie
rblz.|15|
waarin Lisv en sectorraden verkeren door de recente
ontwikkelingen in de uitvoeringsorganisatie.
In dit verband is het van belang erop te wijzen dat naast de SER
ook
het Lisv de bonusgedachte niet in overeenstemming acht met het gegeven
dat contractuele verplichtingen gewoon nagekomen moeten worden.
Bij nader inzien is ook het kabinet van mening dat het verstrekken van
extra bonussen aan uvi’s op dit moment een stap te ver is. Het kabinet
gaat er voorlopig van uit dat de gewenste beleidsdoelstellingen ook in
de normale contractuele relatie tussen uvi’s en Lisv
bereikt kunnen
worden. Op dit punt wordt derhalve voorshands het standpunt van de SER
en het Lisv gevolgd. Wel wil het kabinet de mogelijkheid behouden om,
indien dit nodig blijkt, een bonus in te voeren. Daartoe wordt in dit wetsvoorstel
een kapstokartikel opgenomen: bij algemene maatregel van
bestuur zal alsnog een bonussysteem kunnen worden ingevoerd.
9. Reïntegratiefonds
Tot slot vraagt de SER zich af of de invoering van een Reïntegratiefonds
bijdraagt aan de gewenste helderheid in de financiële stromingen. Voor
dit fonds is naar het oordeel van de Raad geen duidelijke meerwaarde ten
opzichte van de huidige situatie.
In dit verband zij verwezen naar hoofdstuk 13, waarin de problemen zijn
geschetst die de huidige financiering van het reïntegratie-instrumentarium
met zich brengt. Ook door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica; nu Lisv) is in zijn advies van 10 januari 1997 de
huidige complexe financieringsstructuur aan de orde gesteld. Met de
instelling van één Reïntegratiefonds voor reïntegratie van
arbeidsgehandicapten die onder verantwoordelijkheid van het Lisv vallen,
beoogt het kabinet een stroomlijning van de financiering van het reïntegratie-instrumentarium.
Naast overzichtelijkheid wordt daarmee tevens een verkorting van
besluitvormingsprocedures bij inzet van de instrumenten bereikt. Het
bovenstaande vormt voor het kabinet reden vast te houden aan een
afzonderlijk Reïntegratiefonds.
e. Commentaar van het
Ctsv (toezichtsaspecten)
Het Ctsv heeft de beleidsvoornemens uit de hoofdlijnennota getoetst op
toezichtbaarheid. Deze "T-toets" heeft het Ctsv aanleiding gegeven tot
het maken van opmerkingen over:
a. de helderheid en de meetbaarheid van de met de voorgenomen wet
beoogde doelstellingen;
b. de mogelijkheid voor het Ctsv om op de uitvoering van bepaalde
onderdelen van het voorgestelde beleid toezicht te houden.
1. De meetbaarheid van de doelstellingen
Het Ctsv constateert dat het kabinet in de hoofdlijnennota de
hoofddoelstelling, namelijk het verbeteren van kansen op werk van
arbeidsgehandicapten door optimalisering van de reïntegratie-inspanningen
en -middelen, niet in concrete beleidsdoelen heeft vertaald. Weliswaar zal
door de voorgestelde systematiek meetbaar zijn of de uvi’s hun
taakstellingen halen en of er in enig jaar sprake is van een toename van
reïntegraties ten opzichte van voorgaande jaren, maar daarmee staat nog
niet vast of de hoofddoelstelling als geheel wordt gehaald. Het gaat
hierbij om vragen als:
- Komen er nu daadwerkelijk meer arbeidsgehandicapten aan de slag en
bij welke toename acht het kabinet de wet geslaagd?
rblz.|16|
- Welke mate van verdringing van andere groepen op de arbeidsmarkt
acht het kabinet nog acceptabel?
De vragen die het Ctsv stelt, acht het kabinet uiterst relevant, maar
moeilijk te beantwoorden. Immers, de samenstelling van de populatie
werkenden wordt door vele factoren tegelijk beïnvloed. De Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten zal daar slechts één van zijn. Het
is dan ook niet mogelijk het effect van deze
wet op die samenstelling geïsoleerd
te berekenen. Daarmee is ook het stellen van concrete, in percentages
uitgedrukte beleidsdoelstellingen in de ogen van het kabinet niet aan de
orde. Wel is in hoofdstuk 14 van deze toelichting aangegeven voor
hoeveel arbeidsgehandicapten door Lisv/uvi’s,
gemeenten en
Arbeidsvoorziening ten minste reïntegratie-inspanningen moeten worden
verricht en voor hoeveel personen deze naar verwachting tot een
plaatsing zullen leiden. Daarnaast zal het kabinet de ontwikkelingen in
de samenstelling van de populatie werkenden nauwlettend volgen. In hoofdstuk
11 worden de voornemens van het kabinet op dit punt
uiteengezet.
2. De mogelijkheden tot toezicht houden
Een goede samenwerking tussen uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen, gemeenten en Arbeidsvoorziening, met name in de
regio, is van groot belang voor het welslagen van het voorliggende
wetsvoorstel. Het Ctsv houdt toezicht op eerstgenoemde
uitvoeringsorganisatie, terwijl de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) toezicht houdt op Arbeidsvoorziening en op de
verstrekking van de sociale voorzieningen door de gemeenten. Het Ctsv
constateert dat het op dit moment geen mogelijkheden heeft om verder
toezicht te houden dan op het Lisv en de uvi’s. Daarmee kan de
meerwaarde van de samenwerking niet goed in kaart worden gebracht. Het
College verzoekt om een duidelijke uitspraak over de positie van de
diverse toezichthouders en met name van het Ctsv in het verdergaande
samenwerkingsproces.
Zoals in het op 5 juni 1997 uitgebrachte kabinetsstandpunt SWI is
opgenomen, is het kabinet van mening dat de toezichtdomeinen van de
toezichthouders tengevolge van de voorgenomen samenwerking geen
wijziging behoeven. Wel realiseert het kabinet zich dat naarmate
meer functionaliteiten onder de gezamenlijke taakuitoefening in een
SWI-centrum worden ondergebracht, het moeilijker wordt om relevante
toezichtsinformatie te verkrijgen. Daarom zal een op de samenwerking
toegesneden systeem van informatievoorziening moeten worden ontwikkeld.
Met het procesmanagement SWI zal nader worden bezien op welke wijze de
betrokken toezichthouders toegang tot de informatie kunnen krijgen.
De uvi’s zullen de eerste tijd in belangrijke mate op
arbeidstoeleiding gerichte diensten moeten inkopen bij Arbeidsvoorziening. Ook inkoop bij derden is mogelijk. Het
Ctsv
constateert dat niet duidelijk is op welke wijze kan worden
gecontroleerd of sprake is van een recht- en doelmatig gebruik van de
inkoopgelden door derden. Met name is onduidelijk of artikel
88, tweede
lid, Osv 1997 hier van toepassing is.
Allereerst wordt opgemerkt dat het Ctsv op basis van de
Osv 1997 het Lisv en de uvi’s kan vragen voor het toezicht relevante informatie te
verstrekken. De normale gang van zaken in het geval van inkoop van
arbeidstoeleiding zal derhalve zijn dat het Ctsv aan die instanties
mededeelt welke gegevens het nodig heeft en deze instanties vervolgens
deze informatievragen opnemen in de contracten met de opdrachtnemers (Arbeidsvoorziening en derden). De informatievoorziening door de
rblz.|17|
opdrachtnemers zal dus onderdeel vormen van de inkoopcontracten. Het
voorgaande doet er overigens niet aan af dat het Ctsv zich in
bijzondere gevallen rechtstreeks tot Arbeidsvoorziening of derden kan
wenden. Arbeidsvoorziening is op grond van artikel 95 Osv 1997 verplicht
op verzoek van het Ctsv kosteloos de voor het toezicht benodigde
gegevens te verstrekken. Toezicht op gebruik van inkoopgelden door
derden kan plaatsvinden op grond van artikel 88, tweede lid, Osv
1997.
Deze bepaling legt onder meer rechtspersonen die werkzaamheden als
bedoeld in artikel 41 Osv 1997 verrichten de verplichting op om het Ctsv
toegang te verlenen tot en inzage te geven in alle gegevens die dit
college nodig acht voor de uitoefening van zijn taak. Het in opdracht
verzorgen van arbeidstoeleiding valt onder de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 41 Osv 1997.
Ten slotte verzoekt het College aan te geven wie toezicht houdt op
inkoop van arbeidsmedische deskundigheid door gemeenten bij
uvi’s.
Dit toezicht is aan de minister als toezichthouder op de uitvoering van
de sociale voorzieningen. Immers, de uvi’s zullen wat dit betreft
slechts werken als opdrachtnemer van de gemeenten.
f. Commentaar van het
Lisv
Het Lisv heeft een uitvoerig uitvoeringstechnisch commentaar geleverd op
de hoofdlijnennota en heeft afgezien van een oordeel over beleidsmatige
aspecten. Aangegeven wordt dat het kabinetsvoornemen met betrekking tot
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten een aantal handvatten en werkbare
uitgangspunten biedt. Het Lisv stelt dat waar het gaat om de
hergroepering en stroomlijning van instrumenten de hoofdlijnennota voor
een op het eerste gezicht tamelijk gecompliceerd stelsel kiest en
beveelt aan de doorzichtigheid van het geheel te vergroten. Tot slot
wordt gesteld dat de beoogde datum van inwerkingtreding uiterst
ambitieus is. Het Lisv acht het belangrijk dat in het vervolg van het
wetgevingstraject de snelheid niet ten koste gaat van de zorgvuldigheid.
Daarbij wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de noodzakelijke
voorbereidingstijd met het oog op een zorgvuldige implementatie.
Met het Lisv is het kabinet van mening dat het wenselijk zou zijn de
doorzichtigheid van de wetgeving te vergroten. Daartoe zijn dan ook de
mogelijkheden onderzocht. Gebleken is echter dat deze zeer beperkt zijn.
Het reïntegratie-instrumentarium is te zeer verweven met het complexe
socialezekerheidswetgevingssysteem om tot een wezenlijke vereenvoudiging
en doorzichtigheid te komen. Belangrijker dan vereenvoudiging van de
regelgeving - de complexiteit daarvan is met name voor de uitvoering
een probleem - acht het kabinet echter vergroting van de
toegankelijkheid van het instrumentarium. De burger/werkgever hoeft in
principe niet te begrijpen welke de administratieve problemen zijn
waarmee de uitvoering te kampen heeft: het gaat erom dat hij bij zijn
contacten met de uitvoering snel en doeltreffend geholpen wordt. Met het
oog op het wegnemen van belemmeringen bij de uitvoering is de aanpassing
van het instrumentarium niet zozeer gericht op een stroomlijning van het
instrumentarium zelf, als wel op bekorting van
besluitvormingsprocedures. Daarbij is ook zoveel mogelijk gebruik
gemaakt van de signalen uit de uitvoeringspraktijk. Het kabinet wil
echter nadrukkelijk stellen dat indien er gekozen moet worden tussen
eenvoud voor de uitvoering of een voor de burger/werkgever effectiever
werkend systeem, dat laatste de voorkeur heeft. Vandaar dat ervoor
gekozen is het bestaande instrumentarium zoveel mogelijk in de huidige
vorm te handhaven en de nadruk te leggen op een grotere toegankelijkheid
door meer voorlichting en deskundige ondersteuning door uvi’s,
gemeenten en rblz.|18|
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De winst van dit wetsvoorstel
is een grotere doelmatigheid.
Het kabinet is zich bewust van de korte invoeringstermijnen en van de
consequenties die dit kan hebben voor de uitvoeringsinstellingen. Ook
het kabinet begrijpt dat de beschikbare tijd beperkt is. Anderzijds is
een spoedige invoering van dit wetsvoorstel van het grootste belang. In
dit verband wordt erop gewezen dat het aantal geheel nieuwe onderdelen
dat dit wetsvoorstel introduceert, beperkt is, zodat ook de omslag voor
de uitvoering naar de mening van het kabinet beperkt kan blijven. Op
voorhand wil het kabinet dan ook niet uitgaan van een noodzaak tot
uitstel.
Op het technisch commentaar van het Lisv zal op de daartoe geëigende
plaatsen in deze memorie worden ingegaan.
g. Commentaar van het CBA
Het CBA staat positief tegenover het in de hoofdlijnennota opgenomen
voornemen de bemiddeling van arbeidsgehandicapten over te hevelen naar
Arbeidsvoorziening. Net als de SER en het Lisv, merkt het CBA daarbij
wel op dat het naast elkaar hanteren van verschillende termen in de
hoofdlijnennota voor onduidelijkheid zorgt (Arbeidsvoorziening zal
verantwoordelijk zijn voor "bemiddeling in enge zin" en voor
"basisdienstverlening", uitkeringsinstanties verantwoordelijk voor
"ondersteuning" en "reïntegratie"
van "hun" uitkeringsgerechtigden). Specifiek vraagt het Lisv overigens
nog welke organisaties trajectplannen zullen moeten opstellen. Zullen
dat de uvi’s in het kader van hun ondersteuningstaak
zijn of
Arbeidsvoorziening?
Zoals ook al naar aanleiding van de opmerkingen van de SER
is
aangegeven, is in het voorliggende wetsvoorstel afgezien van het
hanteren van de termen "ondersteuning" en "bemiddeling in enge
zin".
In het wetsvoorstel is in hoofdlijnen geregeld dat de
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Lisv en
uvi’s) en de
gemeenten de reïntegratietaak hebben voor die arbeidsgehandicapten
voor wie zij de uitkering verzorgen.
Arbeidsvoorziening heeft de reïntegratietaak
voor niet-uitkeringsgerechtigde en Anw-gerechtigde werkzoekenden. Van de
reïntegratietaak wordt de taak van basisdienstverlening uitgezonderd:
deze wordt bij uitsluiting aan Arbeidsvoorziening opgedragen. Voorts zal
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden geregeld dat de
uitkeringsinstanties ter vervulling van hun reïntegratietaak voor
moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten de eerste tijd in belangrijke
mate op arbeidstoeleiding gerichte diensten zullen moeten inkopen bij
Arbeidsvoorziening. Dit betekent derhalve dat de uitkeringsinstanties
wat betreft dit onderdeel van hun reïntegratietaak de
eindverantwoordelijkheid hebben, maar dat de daadwerkelijke uitvoering
grotendeels door Arbeidsvoorziening zal geschieden. Oftewel: het
daadwerkelijk opstellen van trajectplannen en - na goedkeuring daarvan
door de uitkeringsinstanties - de uitvoering daarvan, zullen de
uitkeringsinstanties moeten uitbesteden aan Arbeidsvoorziening of - binnen de ruimte die de regelgeving daartoe zal laten
- aan derden.
Onderdelen van de reïntegratietaak die de uitkeringsinstanties zelf
kunnen uitvoeren, betreffen vooral het inzetten van reïntegratie-instrumenten
(al zal in een aantal gevallen mandatering van deze bevoegdheid aan
Arbeidsvoorziening efficiënt zijn) en controle en activering. In
paragraaf 5c wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling meer in detail
beschreven.
rblz.|19|
Het CBA merkt vervolgens op zoveel mogelijk te willen bewerkstelligen
dat de medisch-arbeidskundige expertise (behoudens de expertise waarover
de uvi moet blijven beschikken in het kader van de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en de beoordeling van het reïntegratieplan)
én de kennis van de arbeidsmarkt in één organisatie, te weten de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, worden geïntegreerd. Zoals reeds blijkt
uit het kabinetsstandpunt SWI, is ook het kabinet deze mening toegedaan.
Praktisch betekent dit dat het personeel dat op dit moment bij de GAK-afdeling Arbeidsintegratie (GAK AI) werkzaam is, grotendeels in
dienst zou moeten treden bij Arbeidsvoorziening. Ook op dit onderwerp
wordt in paragraaf 5c dieper ingegaan.
In de hoofdlijnennota is opgenomen dat gemeenten die zelf niet over de
expertise beschikken om de vraag te beantwoorden of hun cliënten
arbeidsgehandicapt zijn, en zo ja, wat hun belastbaarheid is, deze
expertise zullen moeten kunnen inkopen. Daarbij werd gewezen op de
mogelijkheid van inkoop bij de uvi’s. Voor
zover ook Arbeidsvoorziening
deze expertise in de toekomst in huis zal hebben, is uiteraard ook
inkoop bij Arbeidsvoorziening mogelijk. Dat kan dan zelfs wenselijk
worden geacht om een zo ongeknipt mogelijk uitvoeringsproces te
bereiken. Immers, informatie over de belastbaarheid zal een belangrijke
basis vormen voor de kwalificerende intake die in SWI-kader op basis
van gemeenschappelijke afspraken in beginsel door Arbeidsvoorziening zal
worden verricht. Opgemerkt wordt dat dit er niet aan afdoet dat de
eindverantwoordelijkheid voor de beoordeling van de vraag of iemand met
een sociale voorziening arbeidsgehandicapt is bij de gemeenten blijft,
aangezien het inzetten van reïntegratie-instrumenten door en onder
verantwoordelijkheid van de gemeenten direct gekoppeld is aan het
aanmerken van een bepaalde uitkeringsgerechtigde als arbeidsgehandicapt.
Overigens wordt opgemerkt dat een gemeente voor de vaststelling of
iemand met recht op een sociale voorziening arbeidsgehandicapt is ook
kan besluiten advies aan te vragen bij de commissie, bedoeld in artikel
12 van de Wsw.
Het CBA vindt de mededeling van het kabinet in de hoofdlijnennota dat
uitkeringsinstanties Arbeidsvoorziening zullen moeten informeren over
het hen ter beschikking staande reïntegratie-instrumentarium
onvoldoende. Waar het op aankomt is, aldus het CBA, dat de
bemiddelingsconsulent van Arbeidsvoorziening snel duidelijkheid kan
geven aan de klant en derhalve voldoende mandaat heeft.
Zoals in paragraaf 5c is aangegeven, is ook het kabinet van mening dat
mandatering van de bevoegdheid tot het inzetten van reïntegratie-instrumenten
door het Lisv/de uvi’s en de
gemeenten aan Arbeidsvoorziening in
bepaalde gevallen mogelijk moet zijn. Niet ieder instrument leent zich
hier echter voor (men denke bijvoorbeeld aan uitkeringsgebonden
instrumenten). Bovendien is mandatering een zaak van de bevoegde
organisaties. Het kabinet is dan ook van mening dat het in eerste
instantie aan het Lisv/de uvi’s, de gemeenten en Arbeidsvoorziening is
om hierover afspraken te maken. Wat betreft de informatievoorziening aan
Arbeidsvoorziening het volgende. Zoals in paragraaf 12b nader wordt
uiteengezet, stelt het kabinet voor Arbeidsvoorziening de taak te geven
informatie te verschaffen over de reïntegratie-instrumentaria van deze
organisatie zelf, van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
en van de gemeenten. In de SWI-centra en - zolang deze er nog niet
zijn - in de arbeidsbureaus dienen hiertoe steunpunten te worden
ingericht. In het kader van de samenwerkingsplicht tussen de
bovengenoemde drie organisaties zullen de uitkeringsinstanties
Arbeidsvoorziening op de hoogte moeten houden van de hen ter beschikking
staande instrumenten. De informatie die aldus ten behoeve van het in
stand houden van informatiepunten bij de arbeidsbureaus en de
SWI-centra rblz.|20|
binnenkomt, kan Arbeidsvoorziening uiteraard ook gebruiken
bij haar bemiddelingsactiviteiten.
Ten slotte heeft het CBA er bezwaar tegen dat er in de toekomst op basis
van drie regimes (Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, Wiw en
Arbeidsvoorzieningswet 1996) instrumenten ten behoeve van de
arbeidsinschakeling van arbeidsgehandicapten zullen kunnen worden
verstrekt.
Het kabinet ziet dit echter als het logische gevolg van de voorgestelde
verantwoordelijkheidsverdeling. Immers, deze leidt ertoe dat de
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen en de gemeenten voor de
reïntegratie van hun eigen arbeidsgehandicapte uitkeringsgerechtigden
verantwoordelijk worden en dat Arbeidsvoorziening verantwoordelijk
wordt voor de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-gerechtigde arbeidsgehandicapten. Deze drie grote partijen voeren
elk hun eigen wetten uit: het Lisv/de uvi’s voeren de
werknemersverzekeringen en - in de toekomst - het voorliggende
wetsvoorstel uit, de gemeenten zorgen voor uitvoering van de Algemene
bijstandswet (Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz) en de Wiw, en Arbeidsvoorziening voert de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 uit. Het kabinet heeft besloten de
instrumenten in de betreffende wetten te incorporeren, opdat de drie
organisaties ook bij de reïntegratie van arbeidsgehandicapten zoveel
mogelijk volgens hun eigen, in de desbetreffende wetten neergelegde
regimes kunnen blijven werken. Dit doet er uiteraard niet aan af dat
daar waar nodig is gezorgd voor coördinatie in duur en hoogte. Hierop
wordt nader ingegaan in paragraaf 6e.
h. Commentaar van de VNG
De VNG onderschrijft het voorstel van het kabinet om de
verantwoordelijkheid voor arbeidsgehandicapten met uitsluitend een
uitkering op basis van de sociale voorzieningen (Abw,
Ioaw, Ioaz) bij de
gemeenten neer te leggen.
Wel merkt de VNG op het wenselijk te vinden betrokken te kunnen worden
bij de beleidsmatige keuzes die de uvi’s maken, aangezien een
aanzienlijk aantal arbeidsgehandicapten pas in de sociale voorzieningen
zal instromen op het moment dat een uitkering op basis van de sociale
verzekeringen eindigt (bijvoorbeeld na een herbeoordeling ingevolge
welke een WAO-gerechtigde volledig arbeidsgeschikt wordt geacht indien
deze geen recht op WW-uitkering (meer) heeft). Met name ten aanzien van
de overdracht van cliënten zouden daarbij nadere afspraken gemaakt
kunnen worden. Daarnaast merkt de VNG op het voor gevallen waarin een
cliënt zowel een uitkering van de gemeente als van de uvi ontvangt
wenselijk te vinden over mogelijkheden te beschikken om de uvi’s te beïnvloeden.
De VNG denkt hierbij aan financiële mogelijkheden, maar ook aan
bestuurlijke afstemming.
Wat betreft het eerste gedeelte van de opmerking van de VNG
zij verwezen
naar de reactie van het kabinet op een gelijksoortige opmerking van de SER. Wat betreft de tweede opmerking geldt dat voor een
arbeidsgehandicapte die zowel een uitkering van het Lisv/een
uvi als een
uitkering van de gemeente heeft, het reïntegratieprimaat weliswaar bij
de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen ligt, maar dat
betrokkenen daarnaast onder de Wiw blijven vallen. Op grond hiervan is
het derhalve mogelijk dat gemeenten een traject voor zo’n cliënt
financieren. Daarnaast maakt de Wiw het mogelijk dat gemeenten
meefinancieren aan rblz.|21|
een traject van een uitkeringsgerechtigde die nog een
uitkering van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen heeft,
maar deze naar verwachting op afzienbare termijn zal verliezen. Om te
voorkomen dat organisaties langs elkaar heen werken, is afstemming in dit
soort gevallen van groot belang. Dit zou bijvoorbeeld als aanvullende
werkzaamheid in de centra SWI kunnen plaatsvinden.
Vervolgens merkt de VNG op dat in de hoofdlijnennota geen uitspraken
worden gedaan over de omvang van de groep arbeidsgehandicapte
uitkeringsgerechtigden voor wie de gemeenten de reïntegratietaak
krijgen, over de vraag of daadwerkelijk voor de gehele groep
activiteiten zullen moeten worden verricht en over de daarvoor ter
beschikking komende middelen. De VNG pleit ervoor in eerste instantie
een redelijk bedrag lumpsum ter beschikking te stellen. De VNG acht het,
gezien de diversiteit van de trajecten en bijbehorende kosten niet goed
mogelijk een gemiddeld bedrag per reïntegratietraject te bepalen, zodat
ook niet zal kunnen worden aangegeven hoeveel personen voor het
beschikbare budget gereïntegreerd zullen kunnen worden. Op termijn zal
dat wellicht wel mogelijk worden.
Zoals in de financiële paragraaf van deze toelichting is opgenomen,
zullen de gemeenten voor hun nieuwe taak in 1998 een toevoeging van ƒ85
mln aan het Werkfonds krijgen, waarvan ƒ45 mln bestemd is voor reïntegratie-instrumenten
en ƒ40 mln voor inkoop (en uitvoeringskosten). Bij de berekening van
deze bedragen is ervan uitgegaan dat het jaarlijks onder de
verantwoordelijkheid van de gemeenten te reïntegreren aanbod maximaal
10 000 personen zal betreffen. Via monitoring van de toekomstige ontwikkelingen zal worden bezien in hoeverre de gemeenten hiermee
voldoende zullen zijn geëquipeerd.
De VNG heeft bezwaar tegen het voorstel om de gemeenten in navolging van
de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen te verplichten
arbeidstoeleidingsdiensten voor moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapte
gemeenteklanten tijdelijk in belangrijke mate bij Arbeidsvoorziening in
te kopen. De VNG voert hiertoe aan dat het, anders dan bij de Veegwet
[zie Wet van 21 december
1995 tot nadere wijziging van een aantal socialezekerheidswetten
(technische verbeteringen in verband met
de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen), red.]
en
de zogenaamde G-19-regeling, gaat om een taak die tot nog toe niet aan
Arbeidsvoorziening was toebedeeld en waarvoor "nieuwe middelen" ter
beschikking worden gesteld, dat Arbeidsvoorziening met de bemiddeling
van arbeidsgehandicapten nog weinig ervaring heeft en dat het toch de
gemeenten zijn die het gemeentelijk instrumentarium moeten inzetten.
Het kabinet kan de bezwaren van de VNG tegen verplichte inkoop bij
Arbeidsvoorziening - bezwaren die overigens door de uvi’s worden
gedeeld - wel invoelen. Dat is dan ook de reden dat het kabinet
uiteindelijk wil komen tot een geleidelijke verruiming in de richting
van vrije winkelnering. Voor de eerste periode stelt het kabinet
desalniettemin toch voor een belangrijke mate van verplichte inkoop bij
Arbeidsvoorziening voor te schrijven. Op de redenen hiervoor wordt
ingegaan in paragraaf 5c. Zoals ook in die paragraaf gememoreerd, zal de
gedwongen winkelnering bij Arbeidsvoorziening fasegewijs worden
afgeschaft. Ook zal er in 1998 reeds sprake zijn van een nog nader te
bepalen (beperkte) mate van vrije winkelnering.
Vervolgens merkt de VNG op dat het aanbeveling verdient om voor de
(zeer) moeilijk bemiddelbare arbeidsgehandicapte een traject van sociale
activering mogelijk te maken.
Wat dit betreft het volgende. De doelgroep van de Wiw wordt door
het
voorliggende wetsvoorstel niet beperkt. Dit betekent dat gemeenten voor
rblz.|22|
alle (zeer) moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten - ook als het reïntegratieprimaat
voor hen op zich bij het Lisv/de uvi’s of de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie ligt - vanuit de Wiw-taak sociale
activering zullen kunnen aanbieden. Indien het reïntegratieprimaat niet
bij de gemeente ligt, is overleg hierover met de organisatie die dat
primaat heeft uiteraard wél nodig.
Ten slotte stelt de VNG voor om te overwegen ook de
Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) een financiële impuls te geven. Nu de bepaling
van de Wsw-doelgroep in het voorstel van Wet sociale werkvoorziening
preciezer is vormgegeven, ligt het naar de mening van de VNG meer voor
de hand om te trachten zoveel mogelijk de daartoe geïndiceerden een Wsw-baan aan te bieden.
Ook het kabinet vindt het belangrijk om de
wachtlijsten voor de Wsw te verkorten. Er zullen in 1998 dan ook extra
financiële middelen ter beschikking worden gesteld om het aantal banen
bij de sociale werkplaatsen te vergroten.
i. Commentaar van de
overige organen
In dit hoofdstuk wordt op onderdelen ingegaan op de commentaren van de SER, van het CBA en van het
Lisv,
voor zover niet hiervoor behandeld en
overigens op de commentaren van de Branche Organisatie Arbodiensten
(BOA), de Gehandicaptenraad [zie Chronisch zieken en
Gehandicapten Raad Nederland, red.], de Federatie van Ouderenverenigingen
(FvO),
de Raad voor het Overheidspersoneel (ROP), het Verbond van Verzekeraars,
de Nationale Commissie Chronisch Zieken (NCCZ) [zie Chronisch zieken en
Gehandicapten Raad Nederland, red.] en het Landelijk
samenwerkingsverband regionale platforms arbeidsongeschiktenorganisaties
(LSV/WAO). Het kabinet is ook de laatstgenoemde instellingen erkentelijk
voor de snelle en deskundige wijze waarop al deze instellingen op de
voornemens van het kabinet hebben gereageerd.
Ook laatstgenoemde organisaties hebben waardering voor de inzet van het
kabinet om structurele oplossingen te vinden voor de reïntegratie van
mensen met een arbeidshandicap. Ook kan het merendeel van die
organisaties zich vinden in de door het kabinet gegeven opsomming van
knelpunten ten aanzien van de reïntegratie van arbeidsgehandicapten.
Aan de hand van de diverse specifieke deelonderwerpen zal in deze
paragraaf op het commentaar van bovengenoemde instellingen worden
ingegaan.
1. Taak en verantwoordelijkheidsverdeling
bij reïntegratie
In haar commentaar wijst de BOA erop dat arbodiensten stellen dat het
gewenst zou zijn hun dienstverlening bij de reïntegratie uit te breiden
met reïntegratie naar een andere werkgever. De verantwoordelijkheid van
werkgever/arbodienst zou dan niet moeten eindigen "op het moment dat
vastgesteld is dat reïntegratie in het eigen bedrijf niet meer mogelijk
is", maar voortduren "zolang er een arbeidsrelatie bestaat en de
werkgever financieel verantwoordelijk is".
Het voorstel van de BOA gaat op het punt van de
verantwoordelijkheidsverdeling verder dan dat van het kabinet.
Uitgangspunt van het beleid, zoals dat is neergelegd in de Wet TZ/Arbowet [Wet terugdringing ziekteverzuim/Arbeidsomstandighedenwet, red.],
Wulbz en Pemba is dat de werkgever primair verantwoordelijk is
voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemer zolang
(nog) niet is vastgesteld dat er geen mogelijkheden tot reïntegratie in
het eigen bedrijf zijn. Deze werkgever wordt daarbij ondersteund door
zijn arbodienst en kan ook een beroep doen op het Lisv
c.q. de
uvi’s.
Indien vaststaat dat reïntegratie van de arbeidsgehandicapte werknemer rblz.|23|
bij de eigen werkgever niet mogelijk meer is, gaat de
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie over van de werkgever naar
het Lisv. Dat betekent echter niet dat de werkgever nu geen enkele rol
meer te spelen heeft. Niets weerhoudt de werkgever ervan met zijn
arbodienst ook zelf in goed overleg met de arbeidsgehandicapte werknemer
en Lisv/uvi naar reïntegratiemogelijkheden bij een andere werkgever te
zoeken. Door de invoering van de Wulbz en door de invoering per 1 januari
1998 van de Pemba heeft de werkgever een groot financieel belang gekregen
bij een spoedige reïntegratie van zijn werknemers. Daarnaast is ook
uitdrukkelijk in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
de mogelijkheid geopend dat hij - onder goedkeuring van de uvi - een
zieke werknemer bij een andere werkgever plaatst. De arbodienst die de
werknemer begeleidt en een reïntegratieplan opstelt, kan daarbij een
rol spelen. In zekere zin heeft de arbodienst daarbij een voorsprong op
de uvi en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De arbodienst heeft immers
uit de eerste hand kennis van en betrokkenheid bij de werknemer die
goed kan worden aangewend voor reïntegratie bij een andere werkgever
uit het relatienetwerk van de arbodienst of van de oorspronkelijke
werkgever. In die zin biedt het wettelijk kader ook nu reeds aan
arbodiensten de ruimte om de dienstverlening te bieden die zij
voorstaan. Het zou op dit moment echter te ver voeren om de formele
verantwoordelijkheid voor alle werkgevers nog verder uit te breiden.
Indien een werkgever daarvoor kiest, kan dat: eigenrisicodragers in de
zin van de WAO hebben een verdergaande verantwoordelijkheid voor de reïntegratie
van werknemers.
2. Sociale werkvoorziening
In haar reactie op de hoofdlijnennota heeft de FvO aandacht gevraagd
voor de dubbele structuur die er ontstaat voor het begeleid werken,
omdat zowel de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten als de
Wsw
mogelijkheden bieden voor arbeidsgehandicapten om in dienst van een
reguliere werkgever begeleid te werken. De FvO vraagt zich af of dit
niet leidt tot onduidelijkheden in de verdeling van
verantwoordelijkheden tussen gemeenten, die de
Wsw uitvoeren, en de
uvi’s. Ook het CBA vraagt overigens aandacht voor de positionering van
de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).
Naar het oordeel van het kabinet is deze verantwoordelijkheidsverdeling
helder geregeld. Indien een arbeidsgehandicapte een Wsw-indicatie heeft,
dan wordt het begeleid werken op grond van de Wsw door de gemeente
uitgevoerd. Voor alle andere gevallen zijn de betreffende
uitkeringsinstanties verantwoordelijk.
3. Artikel 29b Ziektewet
Het huidige reïntegratie-instrument "artikel 29b
Ziektewet" wordt
door het Lisv, de NCCZ, de
Gehandicaptenraad en de FvO aangemerkt als
een doorgaans belangrijk hulpmiddel bij reïntegratie bij een nieuwe
werkgever. Door het elimineren van het vermeende hogere ziekterisico
zouden werkgevers toeschietelijker zijn bij het aannemen van
arbeidsgehandicapten. Deze organisaties achten dan ook de door het
kabinet voorgestelde verruiming van de doelgroep (ook bij andere
werkgever gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid) en
toepassingsduur (van drie naar vijf jaar) een goede zaak. De FvO en
Gehandicaptenraad wensen een verdere verruiming van de toepassingsduur.
Zij zijn van mening dat een verlenging op basis van een herindicatie na
afloop van de eerste termijn mogelijk moet zijn. Deze verlenging zou met
name moeten gelden voor mensen met een progressieve chronische
(psychische) ziekte die tot onregelmatige uitval blijft leiden. De NCCZ
wenst een soortgelijke uitbreiding voor mensen van wie de aandoening een
wisselend verloop rblz.|24|
kent en soms in ernst toeneemt. Daarbij zou de duur
van de regeling periodiek met een zorgvuldige indicatiestelling/keuring
moeten worden vastgesteld.
Een groot deel van de bestaande instrumenten
ter ondersteuning van werkhervattende arbeidsgehandicapten is slechts
voor een bepaalde periode toepasbaar. Die tijdelijkheid van de
instrumenten vloeit voort uit de gedachte dat een arbeidshandicap vooral
een belemmering is bij het vinden van werk. Is een arbeidsgehandicapte
eenmaal aan de slag, dan zal de behoefte aan steun vanuit het
instrumentarium veelal sterk verminderen: op enig moment functioneert
een gereïntegreerde arbeidsgehandicapte weer normaal en dient hij ook
zo behandeld te worden. Daarbij kan voor chronisch zieken en personen
met een progressief verlopende ziekte het probleem optreden dat zij op
zich wel enkele jaren goed kunnen presteren en verdienen, en in die
periode dus als een gewone werknemer kunnen worden beschouwd, doch dat
op termijn hun vooruitzichten met betrekking tot het ziekteverzuim (en
invalideringsrisico) onverminderd slecht blijven. Dit kan hun
arbeidsmarktkansen belemmeren. Mede daarom heeft het kabinet in de
hoofdlijnennota ook voorgesteld om de toepassingsduur van artikel 29b
ZW
van drie naar vijf jaar te verlengen.
Het zou volgens het kabinet echter een stap te ver voeren om generiek
voor de bedoelde groep chronisch zieken en progressief zieken een aparte
regeling te treffen. Het zou daarbij immers dienen te gaan om bij
aanvang van de werkhervatting op "objectieve gronden" aan te wijzen
personen, waarvan "medisch objectief" vaststaat dat zij aan een
bepaalde ziekte leiden. De begrippen "progressieve chronische
(psychische) ziekte" en "een sterk wisselend ziektebeeld" zijn echter
op deze wijze niet eenduidig te omschrijven en af te bakenen. Om die
reden staat het kabinet een wijziging in deze richting niet voor.
Anderzijds kan een progressief chronisch ziektebeeld leiden tot de
aanwezigheid van een arbeidshandicap. Het kabinet wil onderzoeken of het
in de praktijk haalbaar is om in deze gevallen tot verlenging te komen
van de vijfjaarsperiode, in die gevallen waarin duidelijk sprake is van
een ernstig risico. In hoofdstuk 9 wordt hier nader op teruggekomen.
Het Lisv acht het van belang dat zeker wordt gesteld dat bij de
uvi
bekend is dat artikel 29b ZW van toepassing is. Voorkomen moet worden
dat bij het zich daadwerkelijk voordoen van uitval strijd kan bestaan
over de vraag of overname van de loondoorbetalingsplicht wel of niet aan
de orde is. Dit geldt vooral voor situaties waarin, zonder tussenkomst
van de uvi, door werkgever en werknemer zelf de plaatsing bij een nieuwe
werkgever wordt geëffectueerd.
In de systematiek van dit wetsvoorstel zal het altijd duidelijk zijn
- en ook bekend zijn bij de uvi - dat artikel 29b
ZW van toepassing is.
De doelgroep van 29b ZW en die van de overige reïntegratie-instrumenten
- zie de hoofdstukken 3 en 10 - is dezelfde.
4. Persoonsgebonden reïntegratiebudget
Bij brief van 13 maart stuurde de NCCZ het kabinet een nadere uitwerking
van een te ontwikkelen persoonsgebonden reïntegratiebudget. In het
belang van een zo effectief mogelijke reïntegratie van mensen met een
arbeidshandicap constateerde de NCCZ dat het zeer de moeite waard is een
experiment met een persoonsgebonden reïntegratiebudget van start te
laten gaan. De NCCZ is ook bereid een bijdrage te leveren aan de start
van een experiment met een persoonsgebonden budget, maar verwacht
daarbij een actieve betrokkenheid van het Lisv
en van de overheid. Ook
het LSV/WAO ziet voordelen in een persoonsgebonden rblz.|25|
reïntegratiebudget.
Het hoopt daarbij wel dat dit budget niet alleen gericht zal zijn op
betaald werk, maar ook op onbetaald werk. Ook het doen van
vrijwilligerswerk vraagt soms immers om een werkaanpassing. Ook het
Verbond van Verzekeraars staat positief tegenover een experiment met
persoonsgebonden reïntegratiebudgetten. De arbeidsgehandicapte kan dan,
in samenspraak met zijn werkgever, bepalen waar hij diensten gericht op
reïntegratie wil inkopen. Een situatie waarin de werknemer in overleg
met zijn werkgever zelf de regie voert over het reïntegratietraject zal
naar de mening van het Verbond van Verzekeraars tot een aanzienlijke
verbetering van de resultaten leiden. Bij de nadere uitwerking van een
persoonsgebonden budget dient wel aandacht besteed te worden aan de
verdeling van kosten en baten tussen werkgever, werknemer,
uitvoeringsinstelling en dienstverlener en aan kwaliteitseisen die aan
externe dienstverleners moeten worden gesteld. De FvO wenst een
experiment met het persoonsgebonden budget, maar tekent daarbij aan dat
dat zorgvuldig moet gebeuren opdat er geen onoverzichtelijk
bureaucratisch systeem ontstaat. Daarnaast is de FvO van mening dat een
"casemanager" voor de begeleiding van een werkzoekende met een
persoonsgebonden budget niet in ieder geval nodig zou zijn. Het CBA
meent dat de NCCZ is gekomen tot een goede aanzet voor een nadere
uitwerking van een persoonsgebonden reïntegratiebudget. Het CBA is
bereid om in samenwerking met andere organisaties tot een nadere
uitwerking van de opzet van een experiment te komen dat aansluit bij SWI. Ook de SER tot slot staat positief ten opzichte van een experiment
met een persoonsgebonden reïntegratiebudget.
De lijn die uit al deze adviezen naar voren komt, is dat de diverse
adviserende instanties in algemene zin positief gestemd zijn omtrent het
persoonsgebonden reïntegratiebudget. Men ziet het idee van een
persoonsgebonden reïntegratiebudget als een welkome uitbreiding - en
mogelijke versterking - van het bestaande instrumentarium. Ook het
kabinet staat in principe positief ten opzichte van een grotere directe
betrokkenheid - en dus verminderde afhankelijkheid - van
arbeidsgehandicapten bij alle aspecten van hun reïntegratie. Een
persoonsgebonden reïntegratiebudget is in dit kader een optie die zeker
verdient verder uitgewerkt te worden. Het kabinet heeft die bereidheid
in de hoofdlijnennota ook aangegeven. Anderzijds - de adviserende
instanties hebben daar terecht op gewezen - kleeft er in de praktijk
een aantal haken en ogen aan een persoonsgebonden budget die maken dat
deze optie niet onmiddellijk gerealiseerd kan worden. Ook in de
commentaren ontbreekt het nog aan een concrete uitwerking van de inhoud
van het persoonsgebonden reïntegratiebudget. Teneinde onnodige
problemen, maar vooral ook teleurstelling bij betrokkenen te voorkomen,
acht het kabinet enige voorzichtigheid gewenst. Het is nog te vroeg voor
een uitgewerkte regeling ter zake. In paragraaf 9e wordt hier nader op
ingegaan.
5. Positie vroeggehandicapten
Voor de FvO is nog altijd niet helder waar de vroeggehandicapte zich
moet vervoegen als hij aan het werk wil. Ook is het voor de Federatie
niet duidelijk wie bepaalt welk instrumentarium ingezet kan worden. De
FvO is daarbij van mening dat de verwijzing naar de instelling voor
ondersteuning van de reïntegratie dient te geschieden op basis van de
afstand tot de arbeidsmarkt (conform SWI) en niet op basis van de
uitkering die wordt ontvangen.
Wat betreft de verantwoordelijkheidsverdeling bij reïntegratie bij een
nieuwe werkgever is het kabinet zich bewust van de problemen die op dit
moment bestaan, niet alleen voor vroeggehandicapten, doch voor rblz.|26|
meerdere
groepen arbeidsgehandicapten. In dit wetsvoorstel wordt daarin meer
helderheid geschapen. Daarbij is gekozen voor het ook reeds in de
hoofdlijnennota aangegeven uitgangspunt dat steeds die instantie met wie
de betrokken arbeidsgehandicapte een financiële relatie heeft
verantwoordelijk is voor de ondersteuning bij de reïntegratie. Voor
vroeggehandicapten zal dit vrijwel steeds het Lisv/de
uvi zijn. In
hoofdstuk 5 zal de verantwoordelijkheidsverdeling uitgebreid aan de orde
komen. De NCCZ mist in de hoofdlijnennota aandacht voor de bijzondere
positie van gehandicapte jongeren. Zij wijst in dit verband op het
belang van een goede begeleiding op school en bij de beroepskeuze van
leerlingen. Hoe eerder leerlingen begeleid worden bij het vinden en
behouden van werk, des te kleiner acht zij de kans dat zich bij het
vinden en behouden van werk alsnog problemen voordoen. De
toegankelijkheid van het beroepsonderwijs verdient daarbij veel
aandacht, waaraan ook met name het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen (OCW) dient bij te dragen.
Het beleid van het ministerie van OCW is erop gericht zoveel
mogelijk gehandicapten op te vangen in het reguliere beroepsonderwijs om
op die manier hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. In dat kader
zijn twee projecten gestart, te weten het project "Samen naar Werk" en
het innovatieproject "Expertise-opbouw beroepsopleiding
Gehandicapten".
Het project "Samen naar Werk" heeft specifiek tot doel het bevorderen
van een evenredige deelname van gehandicapten aan het reguliere
beroepsonderwijs en het bevorderen van een gediplomeerde uitstroom naar
de arbeidsmarkt. Het innovatieproject "Expertise-opbouw
beroepsopleiding Gehandicapten" (EB) is met ingang van 1 december 1995
van start gegaan en is vooral gericht op deskundigheidsbevordering
binnen de Regionale Opleidingen Centra (ROC’s) teneinde voor
gehandicapten een effectieve opvang te realiseren.
Er is voor gekozen slechts een beperkt aantal
projecten te starten, waarbij het uitdrukkelijk de bedoeling is dat de
resultaten worden overgedragen aan en geïmplementeerd in andere
ROC’s.
Het is de bedoeling om deze nog experimentele vorm van
gehandicaptenbeleid met ingang van het jaar 2000 om te zetten in
structureel beleid. De Minister van OCW beraadt zich nog over de
wijze waarop dit beleid gestalte zal worden gegeven.
6. Begeleid werken
De FvO pleit voor handhaving van artikel 11 en 12 van de huidige
Regeling samenloop inkomsten uit arbeid en
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bepalingen garanderen een inkomen
van ten minste 100% van het wettelijk minimumloon ingeval werknemers met
loondispensatie werkzaam zijn (in combinatie met een arbeidsongeschiktheidsuitkering). Afschaffing daarvan zou volgens de FvO
betekenen dat een verschil in inkomen kan ontstaan tussen werknemers
werkzaam met loondispensatie en Wsw-werknemers. Het inkomen van de
eerste groep kan beneden de 100% van het wettelijke minimumloon
uitkomen, terwijl Wsw-werknemers een functieloon ontvangen.
Het kabinet onderschrijft de wenselijkheid van handhaving van de
genoemde artikelen 11 en 12. Overigens moet erop worden gewezen dat ook
dan nog een inkomensverschil kan ontstaan (100% van het wettelijk
minimumloon versus Wsw-functieloon), hetgeen echter een gevolg is van de
loonsystematiek die kenmerkend is voor de Wsw waarin functielonen worden
betaald. Het uitgangspunt van honorering op basis rblz.|27|
van functieloon is
tijdens de recente behandeling van de Wsw door de Tweede Kamer opnieuw
bevestigd.
7. Overheidssector
Het kabinet zal in 1998 een besluit nemen over de invoering van de WW
voor overheidspersoneel. De ZW zal per 1 januari 1999 van toepassing
worden verklaard op het overheidspersoneel. De ROP signaleert dat als
gevolg van het kabinetsbesluit om het overheidspersoneel per 1 januari
1998 nog niet onder de werking van de ZW en de WW te brengen enerzijds
de situatie ontstaat dat de overheid per die datum nog niet
meefinanciert aan het AWf en indirect derhalve ook niet geheel aan het
Reïntegratiefonds. Anderzijds kan de overheid voor een bepaald aantal
instrumenten wel putten uit dit nieuwe fonds. Het ROP concludeert dat
het, gegeven dat het een overgangsperiode betreft, niet opportuun is
specifieke financieringsinstrumenten voor de overheid te realiseren.
Het kabinet kan dit standpunt van het ROP onderschrijven. In hoofdstuk
14 wordt hierop nader ingegaan.
8. Evaluatie van de wet
De FvO is van mening dat evaluatie van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten na
maximaal drie jaar noodzakelijk is. Bovendien wenst de FvO dat het
effect van de wet bezien wordt voor zowel werknemers die op dit moment
een werkgever hebben als voor werkzoekenden zonder werkgever. Indien na
drie jaar mocht blijken dat de bereidheid van werkgevers om mensen met
een arbeidshandicap in dienst te nemen niet is toegenomen, moet over
sancties worden nagedacht, aldus de FvO. Zoals hiervoor is aangegeven,
wenst ook de SER dat na realisering van deze wet
met regelmaat wordt
nagegaan of en in welke mate de getroffen instrumenten effectief zijn.
Mede aan de hand daarvan zou volgens de SER moeten worden bezien of
sommige instrumenten ook voor andere categorieën met een
achterstandspositie effectief zouden kunnen zijn.
Met de invoering van de Wulbz heeft het kabinet besloten de ontwikkelingen
en trends ten aanzien van Ziekteverzuim, Arbeidsomstandigheden, Reïntegratie
en Arbeidsongeschiktheid (ZARA) te volgen en te beoordelen. Daartoe is
bijvoorbeeld het zogenaamde "ZARA-werkgeverspanel" opgezet. Bij
ruim 4000 bedrijven wordt over deze onderwerpen informatie verzameld.
Door herhaalde meting kan een ontwikkeling daarin zichtbaar gemaakt
worden. Steeds wordt onderzocht in hoeverre er een verband gelegd kan
worden met het overheidsbeleid op dit terrein. Omdat maatregelen enige
implementatietijd vergen, zal er de nodige tijd verstrijken tussen het
bekend worden van een maatregel en het zichtbaar worden van structurele
effecten daarvan. In hoofdstuk 11 over informatievoorziening wordt
concreet beschreven op welke wijze informatie over reïntegratie
verzameld zal worden. Zo zal door het Lisv onder meer worden nagegaan
hoe vaak de reïntegratie-instrumenten voor de verschillende doelgroepen
worden toegepast. Daarnaast worden de ontwikkelingen ten aanzien van het
aandeel van arbeidsgehandicapte werknemers per bedrijfstak nagegaan. Tot
slot onderzoekt het kabinet de mogelijkheid om met behulp van surveys
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) antwoord te krijgen op
de vraag hoeveel mensen in Nederland arbeidsgehandicapt zijn.
j. Algemene conclusie
De algemene conclusie die op basis van de reacties op de hoofdlijnennota
getrokken kan worden, is dat veel betrokken instellingen
rblz.|28|
in grote lijnen
positief oordelen over de in de hoofdlijnennota gekozen aanpak. Dit
sterkt het kabinet in zijn opvatting dat het met het hier voorgestelde
beleid op de goede weg is. Daarnaast zijn er vele opbouwende suggesties
gedaan en is ook kritiek geformuleerd. Bij de verdere uitwerking van dit wetsvoorstel
is daar ook rekening mee gehouden, ook op punten die in dit
hoofdstuk nog niet aan de orde konden komen. Eén en ander betekent dat
onderhavig wetsvoorstel een verdere uitwerking en verdieping kan zijn
van de hoofdlijnennota. Op enkele punten worden weliswaar andere keuzes
gemaakt, doch de hoofdlijnen blijven ongewijzigd. In de navolgende
hoofdstukken zullen de verschillende aspecten van dit wetsvoorstel nader
worden uitgewerkt en toegelicht.
3. De
arbeidsgehandicapte
Dit wetsvoorstel
betreft de reïntegratie van arbeidsgehandicapten. De
eerste vraag die in dit verband moet worden beantwoord, is wat onder het
begrip arbeidsgehandicapt moet worden verstaan. Uitgangspunt is dat het
begrip arbeidsgehandicapte ruim moet worden uitgelegd. Daarbij zijn het
niet de feitelijke belemmeringen die iemand ondervindt bij het
verrichten van werk, die iemand arbeidsgehandicapt maken. Deze spelen in
een minderheid van de gevallen een rol: het gaat hier om
arbeidsgeschikte personen. Wat vooral het vinden van betaalde arbeid
bemoeilijkt, is het negatieve beeld dat uitgaat van het hebben van een
arbeidsongeschiktheidsverleden of de aanwezigheid van een handicap.
Arbeidsgehandicapt is men niet alleen als men bepaalde handicaps heeft,
maar vooral ook wanneer de omgeving denkt dat een werknemer - omdat
hij een arbeidsongeschiktheidsverleden heeft in een baan minder goed
zal presteren. De algemene definitie van arbeidsgehandicapte in deze
wet houdt rekening met deze maatschappelijke perceptie. Arbeidsgehandicapt
is een ieder die door ziekte of gebrek verminderde kansen heeft op de
arbeidsmarkt.
Wel is enige nadere specificering van deze zeer ruime definitie gewenst.
Dit vanwege het feit dat arbeidsgehandicapten onderscheiden moeten
worden van diegenen wier ziekte of gebrek van voorbijgaande aard is
enerzijds en anderzijds van personen die volledig arbeidsongeschikt
zijn. Wie geen resterende verdiencapaciteit heeft, kan - specifieke
uitzonderingssituaties als zelfstandige arbeid naast een volledige
arbeidsongeschiktheidsuitkering daargelaten - ook niet aan het werk.
Bovendien: zoals eerder in deze toelichting bleek, het gaat met deze wet
om een "pluspakket", om intensivering van reïntegratie-inspanningen
met het doel de achterstand van een bepaalde categorie op te heffen of
in ieder geval aanzienlijk te verminderen. Naarmate de grenzen van die
categorie wijder worden getrokken, treedt een zekere verwatering op en
neemt het beoogde effect af.
Voorgesteld wordt de doelgroep van deze wet in principe gelijk te houden
aan de (uitgebreide) doelgroep van de huidige Wagw [Wet arbeid
gehandicapte werknemers, red.]. De
doelgroepomschrijving van de Wagw is echter thans verspreid geregeld,
zodat niet op het eerste gezicht duidelijk is wie daaronder valt en hoe
iemand daaronder gebracht kan worden. In deze wet worden hiervoor vaste
regels gegeven. Een persoon kan in het systeem van dit
wetsvoorstel op
twee manieren als arbeidsgehandicapt worden aangemerkt: ofwel het volgt
direct uit de
wet of een persoon arbeidsgehandicapt is, of iemand dient
als zodanig te worden aangewezen. In die tweede situatie is altijd een
medisch-arbeidskundig oordeel noodzakelijk, specifiek gericht op
beantwoording van de vraag of deze wet van toepassing dient te zijn.
rblz.|29|
De groep personen die als arbeidsgehandicapt wordt beschouwd op basis
van de wet, uit de aard van hun uitkering of voorziening, bestaat uit de
volgende groepen:
1. Personen die een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangen ingevolge de WAO, de WAZ en de
Wajong.
2. Personen van wie de onder 1 bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingetrokken in verband met vermindering van de arbeidsongeschiktheid
(ex-arbeidsongeschikten).
3. Personen aan wie een voorziening tot scholing is toegekend in verband
met ziekte of gebrek of de personen die scholing hebben gevolgd aan een
aangewezen scholingsinstituut.
4. Personen aan wie op grond van een wettelijk voorschrift een
voorziening is toegekend die strekt tot verbetering van
leefomstandigheden, behoud en herstel van de arbeidsgeschiktheid,
aanpassing van de werkplek of ter zake van vervoer naar werk.
5. Personen die Wsw-geïndiceerd zijn doch die niet op een
Wsw-plaats werken en personen die Wsw-arbeid hebben verricht doch na herindicatie
niet meer Wsw-geïndiceerd zijn. Personen die Wsw-arbeid verrichten
behoren niet tot de hier bedoelde groep arbeidsgehandicapten. Zij vallen
onder een apart wettelijk regime.
Voor de groepen onder 2 tot en met 5 geldt dat zij voor een periode van
vijf jaar na beëindiging van de uitkering, de scholing, de voorziening
of de (her)indicatie als arbeidsgehandicapt worden beschouwd.
De tweede groep arbeidsgehandicapten bestaat uit personen die
uitdrukkelijk als arbeidsgehandicapte aangemerkt moeten worden: personen
omtrent wie een deskundig medisch-arbeidskundig oordeel moet worden
gegeven, inhoudend dat zij tengevolge van ziekte of gebreken verminderde
kansen hebben op de arbeidsmarkt. Hierbij moet onderscheid gemaakt
worden tussen personen zonder en personen mét werkgever.
De groep personen die geen werkgever heeft, kan men weer onderscheiden in
personen met en personen zonder uitkering.
6. Als het gaat om personen zonder arbeidsverleden maar met een
uitkering, gaat het meestal om een Abw-uitkering. Teneinde
bijstandsgerechtigden met een arbeidshandicap te onderscheiden van
andere bijstandsgerechtigden is een medisch-arbeidskundig oordeel
vereist. De gemeente zal de desbetreffende persoon moeten laten keuren.
Dit kan geschieden door de gemeentelijke indicatiecommissie, doch het
is ook denkbaar dat de gemeente kennis inhuurt van andere instellingen
zoals een uvi, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie of een
arbodienst. Waar
het om gaat, is dat aan het predikaat arbeidsgehandicapt een deskundig
oordeel ten grondslag moet liggen. Niet alleen omdat de financiële
consequenties daarvan groot kunnen zijn. Voorkomen moet ook worden dat
iemand ten onrechte als arbeidsgehandicapt gezien wordt en daaruit voor
betrokkene negatieve consequenties voort kunnen vloeien. Een dergelijke
etikettering kan ook negatieve gevolgen hebben voor iemands kansen en
ook dit risico moet worden meegewogen.
7. Voor personen die geen werk en geen uitkering hebben of een Anw-uitkering
hebben, is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk. Zij
rblz.|30|
zal, net als de gemeente, een attest moeten afgeven. Ook hier moet het
mogelijk zijn deskundigheid in te huren bij andere instellingen.
De volgende groep arbeidsgehandicapten bestaat uit die zieke/arbeidsongeschikte
werknemers die nog wel in dienstbetrekking staan. Ook hier zijn twee
situaties te onderscheiden. Personen die de wachttijd voor de WAO
doormaken en personen die na het wachtjaar niet arbeidsongeschikt
bevonden zijn, doch voor wie bij de werkgever geen werk meer voorhanden
is en die derhalve aangewezen zijn op een WW-uitkering.
8. In de eerste plaats gaat het om personen die de wachttijd voor de WAO
doormaken. Het moge duidelijk zijn dat het ongewenst is als ieder
ziektegeval aanleiding zou zijn om aanspraak te kunnen maken op het reïntegratie-instrumentarium.
Het toekennen van het predikaat "arbeidsgehandicapt" dient derhalve
voorbehouden te blijven aan de uvi. De werkgever is in deze zelf
te veel
belanghebbend. Het ligt echter evenmin voor de hand zieke werknemers
direct aan het arbeidskundig oordeel van de uvi te onderwerpen. Deze
staat in het wachtjaar op afstand. Het zou ook weinig efficiënt zijn de
beoordeling van de ziekte en de reïntegratiemogelijkheden in verband
met de loondoorbetalingsverplichting door de arbodienst te laten
verrichten en een vergelijkbare beoordeling voor het bestaan van een
arbeidshandicap door de uvi. Het lijkt zinvoller dat de uvi bij de
beslissing over de vraag of iemand als arbeidsgehandicapt moet worden
beschouwd, voortbouwt op de bij de arbodienst bekende gegevens.
Arbodiensten hebben als taak de werkgever te begeleiden bij de reïntegratie
van diens zieke werknemers en hebben er dus ook als beste zicht op of
de betrokken werknemer zijn eigen werkzaamheden gedurende het wachtjaar
weer kan hervatten. Een werknemer moet als arbeidsgehandicapt worden
beschouwd als hij zijn eigen werk niet meer kan verrichten of een
dermate verminderde arbeidsprestatie kan leveren dat terugkeer slechts
met behulp van een voorziening mogelijk is. In het systeem van dit
wetsvoorstel adviseert de arbodienst de uvi dus over de vraag of dit het
geval is. De uvi mag daarbij in eerste instantie afgaan op de verklaring
van de arbodienst en neemt formeel de beslissing over de vraag of iemand
als arbeidsgehandicapt moet worden beschouwd. In hoofdstuk 10 zal verder
worden ingegaan op de handhavingsaspecten van deze werkwijze. De
deskundigheid (en betrouwbaarheid) van de arbodienst wordt bij de
certificering getoetst en in principe moet de uvi kunnen varen op het
oordeel van de arbodienst. Arbodiensten die de specifieke deskundigheid
(nog) niet zelf in huis hebben, kunnen deze natuurlijk ook elders
inkopen.
9. De tweede groep arbeidsgehandicapten die nog een werkgever hebben,
bestaat uit personen die het wachtjaar hebben doorlopen en die bij de
arbeidsongeschiktheidskeuring niet arbeidsongeschikt zijn bevonden. Het
ziektebegrip is ruimer dan het begrip arbeidsongeschiktheid: ziek is men
als men door ziekte of gebreken ongeschikt is om de eigen arbeid te
verrichten, arbeidsongeschikt is men pas als men door ziekte of gebreken
ongeschikt is voor alle gangbare arbeid. Er is dus een aanzienlijke
groep personen die na 52 weken ziekte - wanneer de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever vervalt - de arbeid
toch niet kan hervatten. Over het algemeen zullen de betrokken
werknemers aanspraak moeten maken op een WW-uitkering: hun eigen werk
kunnen zij niet meer verrichten, hun werkgever hoeft ze niet langer door
te betalen en veelal volgt dan, op termijn, ontslag uit de
dienstbetrekking. Het zou te ver voeren om een ieder die aan het einde
van de wachttijd nog ziek is per definitie als arbeidsgehandicapt te
beschouwen. Veel gevallen van langdurige ziekte vloeien voort uit
conflicten in de arbeidsverhouding en ongeschiktheid voor het
verrichten van de eigen arbeid hoeft dan nog rblz.|31|
niet te impliceren dat men
dat ook voor andere arbeid is of zelfs dat betrokkene tengevolge van
de ziekte belemmeringen ondervindt bij het vinden van ander werk.
Beoordeeld zal derhalve moeten worden of de belemmeringen die een
persoon ondervindt ook daadwerkelijk leiden tot verminderde kansen op de
arbeidsmarkt. Het ligt voor de hand dat bij iedere
arbeidsongeschiktheidskeuring aan het einde van de wachttijd, waar
betrokkene minder dan 15 of 25% arbeidsongeschikt wordt bevonden, standaard
een toetsing zal plaatsvinden op de vraag of betrokkene als
arbeidsgehandicapt moet worden beschouwd. In dit verband is het volgende
van belang. Een persoon wordt als arbeidsgehandicapt beschouwd ofwel als
dit volgt uit een aan hem toegekende uitkering, ofwel indien hij op
grond van een medisch-arbeidskundige toetsing als zodanig wordt
aangewezen. Men dient zich in het tweede geval te realiseren dat het
dient te gaan om objectief aantoonbare beperkingen om te functioneren.
Niet alle door cliënten ervaren medische belemmeringen zullen daaronder
vallen. Een tweede vereiste voor het toekennen van het predikaat
arbeidsgehandicapt is dat de ziekte of het gebrek ook moet leiden tot
verminderde kansen bij het vinden van werk. Hoewel het in algemene
termen moeilijk is hiervoor algemene criteria te geven, moet toch als
uitgangspunt worden genomen dat die beperkingen van enige betekenis
moeten zijn. Zeer veel mensen die thans in hun werk uitstekend
functioneren, hebben een medische afwijking.¹ Het is niet de bedoeling
een groot deel van werkend Nederland - als chronisch zieke - onder
de definitie van arbeidsgehandicapte te brengen. Dat neemt niet weg dat
er een groot aantal redenen kan zijn een persoon als arbeidsgehandicapt
aan te merken. Aangezien de beoordeling van het begrip "arbeidsgehandicapt"
door verschillende instellingen zal plaatsvinden - hetgeen
overigens thans ook reeds het geval is - zal het wellicht noodzakelijk
blijken dat voor de operationalisering van die beoordeling een regeling
op hoger niveau wordt vastgesteld dan op het uitvoeringsniveau van de
verschillende uitvoeringsinstanties. Derhalve wordt hier
- in
overeenstemming met het advies van de Raad van State
- de mogelijkheid
geopend om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen.
1. Zie voor definiëring
en afbakening van de doelgroepen ook de Researchnota reïntegratie-instrumenten.
Tot slot nog het volgende. Een persoon wordt van rechtswege als
arbeidsgehandicapte aangemerkt als hij aan de vereisten voldoet zoals
in dit hoofdstuk omschreven. Dat wil niet zeggen dat dit een stempel is
dat hem tegen zijn zin kan worden opgelegd. Het LSV/WAO en ook de
Gehandicaptenraad wijzen er in hun commentaar op dat meer aandacht
gewenst is voor de cliënt, op zijn eigen ideeën en motivatie. De
arbeidsgehandicapte dient geen object van regelgeving te zijn doch
subject. Geredeneerd vanuit die gedachte moet een persoon alleen als
arbeidsgehandicapt beschouwd worden als hij dat zelf wil, indien en voor
zover het hemzelf goed uitkomt bij het vinden van werk. Dat iemand
als arbeidsgehandicapte in aanmerking kan komen voor bepaalde
voorzieningen of dat zijn potentiële werkgever daar aanspraak op kan
maken, geldt alleen voor zover de arbeidsgehandicapte daar zelf een beroep
op doet. Als iemand meent dat het zijn sollicitatiekansen niet bevordert
door aan te voeren dat hij arbeidsgehandicapte is, hoeft hij dit niet te
doen. Het zijn van arbeidsgehandicapte mag nooit ten nadele van de
werknemer werken en mag ook nooit zonder diens toestemming door
uvi’s, gemeenten of Arbeidsvoorziening aan derden worden meegedeeld.
Uit de wet-Van Boxtel volgt voorts dat de gezondheidstoestand bij
sollicitatie geen onderwerp van gesprek behoeft te zijn: de werkgever
mag er in ieder geval niet naar vragen. Voor het vervolg van dit
wetsvoorstel betekent dit dat een werkgever alleen aanspraak kan maken
op, bijvoorbeeld de (her)plaatsingsbudgetten, als de werknemer die
mogelijkheid aan hem meldt.
rblz.|32|
4. Relatie
arbeidsgehandicapte/potentiële werkgever
Voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten is een doorslaggevende
rol weggelegd voor de werkgever. In de Wulbz
en de Pemba is bij de
werkgever een veel zwaardere financiële verantwoordelijkheid voor
ziekte en arbeidsongeschiktheid gelegd dan in het verleden het geval
was. De belangrijkste reden hiervoor is dat de werkgever ook degene is
die in de beste positie verkeert om de werknemer terug te leiden naar
zijn arbeid of naar ander werk binnen het bedrijf. In de
Augustusrapportage arbeidsongeschiktheidsverzekeringen 1997 van het Ctsv
wordt geconcludeerd dat de reïntegratie bij de oude werkgever positief
is beïnvloed door de recente socialezekerheidswetgeving. Ook voor
arbeidsgehandicapten die nog zonder werk zijn, is de rol van de (potentiële)
werkgever cruciaal. Hij zal immers moeten besluiten een
arbeidsgehandicapte in dienst te nemen. Wil er in de praktijk van de reïntegratie
van arbeidsgehandicapten iets terechtkomen, dan zullen werkgevers er
meer toe moeten worden gebracht arbeidsgehandicapte(n) (werknemers) in
dienst te houden c.q. te nemen. Zij zullen bereid moeten zijn
arbeidsgehandicapten een kans te geven zich te bewijzen. Met deze extra
aandacht voor de werkgever is overigens niet gezegd dat werkgevers hun
rol bij de reïntegratie thans in het geheel niet waar zouden maken.
Jaarlijks vinden 40 000 arbeidsgehandicapten weer werk. Anderzijds is
het echter evenzeer een feit dat er een grote groep arbeidsgehandicapten
is die niet aan het werk komt. Het Ctsv concludeert in bovengenoemde
augustusrapportage dat het voor mensen met gezondheidsrisico’s
moeilijker is om aan de slag te komen bij een nieuwe werkgever. In dit
hoofdstuk zal eerst worden stilgestaan bij de problemen waar de
werkgever voor staat in de situatie dat hij van plan is nieuw personeel
aan te nemen en hij kan kiezen tussen een arbeidsgehandicapte of een
andere kandidaat-werknemer. Ieder instrumentarium dat die problemen
negeert en niet goed inspeelt op de behoeften van de werkgever op dat
moment, is gedoemd te mislukken.
De vraag die in het kader van dit wetsvoorstel centraal staat, is waarom
arbeidsgehandicapten die wel willen werken en die ook de nodige
kwalificaties hebben, toch niet in staat zijn een werkgever te vinden.
Wat zijn die belemmeringen nu? In de hoofdlijnennota is reeds een
tiental veelgehoorde klachten over het reïntegratie-instrumentarium
opgesomd. De belangrijkste hiervan worden hierna bezien vanuit het
perspectief van de werkgever. Hij is degene die daar het meest direct
mee te maken krijgt.
Hoewel werkgevers blijkens een in opdracht van het ministerie van
SZW
uitgevoerd onderzoek aangeven op voorhand geen vooroordelen te koesteren
ten opzichte van arbeidsgehandicapten, is er natuurlijk wel een aantal
redenen te geven waarom zij in eerste instantie toch niet snel voor een
arbeidsgehandicapte zullen kiezen. De eerste reden om dit niet te doen
is dat het zo voor de hand ligt om aan "gezonde" werknemers de
voorkeur te geven. De term arbeidsgehandicapte - maar dat geldt voor
ieder etiket dat op deze groep personen wordt geplakt - heeft toch een
aantal negatieve connotaties (ziekte, problemen, etc.). Het is in de
eerste plaats die negatieve beeldvorming, die zal moeten worden
tegengegaan. Dat zich in het verleden met iemand bepaalde problemen
hebben voorgedaan, betekent niet dat de betrokken persoon die ook in de
toekomst zal hebben. De meeste arbeidsgehandicapten hebben er juist alle
belang bij zich goed in te zetten als zij in staat zijn werk te vinden:
wie uit een uitkeringssituatie komt, heeft veel te winnen. Zij zullen
zich willen bewijzen. Dat kan echter alleen als arbeidsgehandicapten bij
bedrijven binnenkomen.
Een volgend knelpunt is gelegen in de vrees van
een werkgever dat hij door het in dienst nemen van een persoon met een
arbeidsongeschiktheidsverleden risico’s loopt. Gedeeltelijk blijkt die
vrees juist. Langdurig rblz.|33|
zieke of gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemers die weer aan het werk gaan, hebben een hoger dan gemiddeld
verzuim- c.q. invalideringsrisico. Vanwege de kans op een hoger verzuim-
c.q. invalideringsrisico is in de wetgeving van de laatste jaren - met
name de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie
(Wet Amber) - het nodige geregeld om te voorkomen dat een werkgever aan het
in dienst nemen van arbeidsgehandicapten extra kosten zou hebben. Feitelijk loopt
de werkgever bij het aannemen van arbeidsgehandicapten financieel dan
ook nauwelijks risico. Indien een arbeidsgehandicapte ziek wordt, neemt
het Lisv de loondoorbetalingsverplichting op zich
(artikel 29b ZW).
Indien hij binnen vijf jaar uit dezelfde oorzaak arbeidsongeschikt
wordt, herleeft de oude uitkering, zonder dat dit invloed heeft op de
gedifferentieerde WAO-premie van de nieuwe werkgever.
Het is echter niet alleen op financieel gebied dat een werkgever
risico’s loopt. Het is uit bedrijfsmatig oogpunt lastig om iemand in
dienst te hebben van wie niet kan worden verwacht dat hij altijd
aanwezig is en zelfstandig zijn werk doet. Natuurlijk is dit bij alle
werknemers de vraag, doch werkgevers zullen zich afvragen of zij door
het aannemen van arbeidsgehandicapten niet méér met problemen op dit
vlak te maken zullen krijgen. Hoe gegrond deze vrees van de werkgever
is, is afhankelijk van de situatie: veel arbeidsgehandicapten zullen als
zij werk vinden zich daar net zo goed voor inzetten als andere
werknemers en er is geen reden te veronderstellen dat zij daarbij
minder zelfstandig te werk zullen gaan. In zekere zin is dit echter
irrelevant: voor de kansen van de arbeidsgehandicapte op de arbeidsmarkt
is niet zozeer van belang of hij objectief een grotere verzuimkans
heeft, doch meer of de werkgever denkt een risico te nemen. Een
werkgever baseert zijn beslissing over het aannemen van personeel nu
eenmaal op de verwachtingen die hij omtrent een bepaalde persoon
koestert.
Een door werkgevers gevoelde belemmering bij het aannemen van
arbeidsgehandicapten is tevens dat arbeidsgehandicapten, gezien hun soms
lange arbeidsongeschiktheidsverleden, niet direct volledig inzetbaar
zijn. In een aantal situaties zal deze vrees ook gerechtvaardigd zijn.
Wie lang niet gewerkt heeft, vervreemdt van het werkproces. Mensen
passen zich nu eenmaal aan aan de situatie waarin zij leven en het vergt
enige tijd om om te schakelen van een situatie van niet werken naar wel
werken. Natuurlijk gelden deze bezwaren ook in zekere mate voor
andere achterstandsgroepen, doch arbeidsgehandicapten ondervinden in
deze toch een extra drempel, juist door hun arbeidshandicap. Sommige
arbeidsgehandicapten zullen derhalve in eerste instantie extra
begeleiding nodig hebben in vergelijking tot andere nieuwe werknemers.
Dat maakt hen in de eerste tijd minder productief. De belasting die dat
voor degenen die hen begeleiden betekent, maakt dat het in dienst nemen van deze categorie arbeidsgehandicapten tot productiviteitsverlies kan
leiden bij de werkgever. Voor bedrijven die op het scherp van de snede
concurreren kan dat een wezenlijk probleem zijn. Afhankelijk van de aard
van de handicap kan op dit moment al de (tijdelijke) geringere productiviteit worden gecompenseerd door de financiële tegemoetkoming
voor de werkgever via de kwijtscheldings- en kortingsregeling
basispremie WAO of via de loonkostensubsidie. Daarnaast kan in
individuele gevallen een vergunning voor loondispensatie worden verleend
of inschakeling van een jobcoach aan de orde zijn. Voor nieuwe
instrumenten die gebruikt kunnen worden om het eventuele productiviteitsverlies te compenseren, zij verwezen naar
hoofdstuk 6.
Een veelgehoorde klacht bij het aannemen van
arbeidsgehandicapten is dat - indien de werkgever aanspraak wil maken
op de ter beschikking staande wettelijke instrumenten - hij te maken
krijgt met ingewikkelde regelgeving en bureaucratische belemmeringen.
Daarbij hoeft niet rblz.|34|
gedacht te worden aan maandenlange ambtelijke en
juridische verwikkelingen. Ook kleine irritaties en geringe vertragingen
kunnen een sterk negatieve invloed hebben. De werkgever die personeel
nodig heeft, heeft daar meestal haast mee. Hij wil dan snel weten waar
hij aan toe is: op welke voorzieningen hij aanspraak kan maken, welke
risico’s hij loopt, hoeveel geld hij kan krijgen, etc. Als die
informatie niet snel komt, dan hoeft het niet meer.
Het zou te eenvoudig zijn om deze problemen uitsluitend toe te schrijven
aan de ingewikkeldheid van de regelgeving of onnodige bureaucratie. Het
moet als een gegeven beschouwd worden dat de wetgeving op het terrein
van de reïntegratie ingewikkeld is; het gaat nu eenmaal om een veelheid
van situaties waarin een verantwoorde beslissing genomen moet worden
over de toepassing van een groot aantal wetten en regelingen, waarbij
soms meerdere instanties betrokken zijn.
Het karakter van die regelgeving stelt de uitvoeringsinstellingen dan
ook voor een dilemma. De noodzaak van een rechtmatige uitvoering van de
socialezekerheidsregelingen kan in strijd komen met het andere vereiste
voor een goede uitvoering: de doelmatigheid. Verantwoord omgaan met
gemeenschapsmiddelen vereist nu eenmaal dat die pas verstrekt worden als
duidelijk is dat die verstrekking op goede gronden geschiedt. Dat maakt
een zekere mate van bureaucratie onontkoombaar: het invullen van
formulieren, het opsturen van bescheiden, het wachten op een
beschikking.
Indien de noodzaak van een verantwoorde toekenning echter tot gevolg
heeft dat werkgevers ervan afzien voorzieningen aan te vragen en ervan
afzien arbeidsgehandicapten in dienst te nemen, dan zal het duidelijk
zijn dat het systeem niet voldoet. In deze optiek is niet zozeer de
financiële omvang of de dekking van alle mogelijke risico’s door het
reïntegratie-instrumentarium bepalend voor de vraag of de werkgever
daarmee overgehaald wordt een arbeidsgehandicapte in dienst te nemen.
Cruciaal is dat hem snel duidelijkheid kan worden verschaft over de
vraag op welke voorzieningen hij aanspraak kan maken en hoe snel hij
eventuele kosten vergoed kan krijgen.
Het is op de hiervoor geschetste problemen dat dit wetsvoorstel
antwoord
zal moeten geven. De kans van een arbeidsgehandicapte om aangenomen te
worden, is sterk afhankelijk van de bereidheid van de werkgever om zekere
risico’s te nemen. Een adequaat toegepast reïntegratie-instrumentarium
kan hem daarbij over de streep trekken, en: het dient voor de werkgever
altijd direct duidelijk te zijn bij wie hij terecht kan. In het volgende
hoofdstuk zal daar op worden ingegaan.
5.
Verantwoordelijkheidsverdeling
a. Taakverdeling in het algemeen
Indien een
arbeidsgehandicapte ondanks zijn ziekte of gebrek bij zijn werkgever aan
de slag wil blijven of - indien hij eenmaal werkloos is - (weer) aan
het werk wil, is het in eerste instantie aan hem daartoe activiteiten te
ondernemen. Het zal echter duidelijk zijn dat veel arbeidsgehandicapten
moeten worden bijgestaan bij het (her)vinden van hun plaats op de
arbeidsmarkt. Hier ligt een belangrijke taak voor diverse organisaties
die zich met de uitkeringsverstrekking, bemiddeling en reïntegratie
bezighouden. Een probleem dat bij de analyses van de
arbeidsgehandicaptenproblematiek naar voren komt - zowel in de
regioconferenties als in het kader van de advisering door de SER
is hier rblz.|35|
herhaaldelijk op gewezen - is dat van de taakverdeling tussen de
verschillende organen en instellingen. Dit speelt niet alleen bij
arbeidsgehandicapten die een uitkering van verschillende
uitkeringsinstanties ontvangen: de reïntegratie van
arbeidsgehandicapten kan ook belemmeringen ondervinden door een minder
efficiënte taak- en bevoegdheidsafbakening tussen verschillende
afdelingen van één uitvoeringsinstelling. De SER wijst er terecht op
dat een arbeidsgehandicapte door wisselende verantwoordelijkheden te
maken kan krijgen met steeds nieuwe organisaties, nieuwe gezichten en
nieuwe procedures. Op momenten dat nog geen consensus bestaat tussen de
betrokken instanties kan dit voor de cliënt tot onzekerheid en
onduidelijkheid leiden. Met de SER zijn wij het eens dat dit een zeer
ongewenste situatie zou zijn. In dit wetsvoorstel
worden regels gegeven
voor de verantwoordelijkheidsverdeling die, hoewel op het eerste
gezicht ingewikkeld, in de praktijk zullen bewerkstelligen dat steeds
duidelijk is welke instantie gegeven de situatie van de cliënt
verantwoordelijk is voor de reïntegratie en - indien dat er meerdere
zijn - welke instantie het reïntegratieprimaat heeft. Gezien het
grote aantal instellingen dat zich bezighoudt met reïntegratie en
bemiddeling liggen de verhoudingen bestuurlijk soms ingewikkeld. Daar
kan ook met dit wetsvoorstel weinig aan veranderd worden. In het kader
van dit wetsvoorstel is van belang dat er in de praktijk een dermate
goede afstemming komt tussen de verschillende instellingen dat de
arbeidsgehandicapten en werkgevers zo weinig mogelijk van de
achterliggende formele bevoegdheidsverdeling merken. Het is tegen deze
achtergrond dat de in dit hoofdstuk te geven uiteenzetting omtrent de
verantwoordelijkheidsverdeling begrepen moet worden. Alvorens nader op
de verschillende deelonderwerpen in te gaan, lijkt het verstandig eerst
de uitgangspunten voor de formele verantwoordelijkheidsverdeling de
revue te laten passeren, voortbouwend op hetgeen reeds in de
hoofdlijnennota is uiteengezet. Deze is als volgt:
- Bij arbeidsgehandicapten met een dienstverband voor wie (nog) niet
is vastgesteld dat er geen mogelijkheden tot reïntegratie in het eigen
bedrijf zijn, is de werkgever primair verantwoordelijk voor de reïntegratie,
daarbij ondersteund door een arbodienst.
- Voor arbeidsgehandicapten die geen werkgever (meer) hebben en die
een uitkering ontvangen van de uvi én voor arbeidsgehandicapten met een
werkgever, van wie vaststaat dat zij niet meer bij deze werkgever aan de
slag kunnen, is de uvi (als opdrachtnemer van het Lisv)
verantwoordelijk; indien de arbeidsgehandicapte met een uitkering van de
uvi tevens een uitkering van de gemeente heeft of onder de
Wiw valt - en derhalve ook de gemeente een reïntegratieverantwoordelijkheid heeft
- is de uvi eerstverantwoordelijk.
- Voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten die geen werkgever
hebben en die een uitkering ontvangen van de gemeente, is de gemeente
verantwoordelijk; indien een arbeidsgehandicapte daarnaast een uitkering
van de uvi heeft, is de uvi eerstverantwoordelijk.
- Voor arbeidsgehandicapten die geen werkgever en geen uitkering
hebben of - uitsluitend - een nabestaandenuitkering op grond van de Anw, is de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk.
b. Reïntegratie bij de
eigen werkgever
Het Lisv heeft in zijn commentaar uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor
de verantwoordelijkheidsverdeling werkgever/uvi in het vroege deel van
het traject van arbeidsongeschiktheid. Het Lisv achtte de
hoofdlijnennota op dit punt onvoldoende helder. In deze paragraaf zal
een beeld worden geschetst van het reïntegratiemodel, zoals het kabinet
dat voorstaat.
rblz.|36|
Indien een werknemer ziek of arbeidsongeschikt wordt, is in eerste
instantie de werkgever verantwoordelijk voor de reïntegratie. Dat is
één van de kernpunten van het beleid van de laatste jaren. In de Wagw
is die verantwoordelijkheid van de werkgever reeds uitgebreid vastgelegd
en de Wagw-bepalingen dienaangaande worden in dit dit wetsvoorstel
onverkort
overgenomen. Feitelijk heeft de reïntegratieverplichting haar
uitdrukking gevonden in de Wet TZ/Arbowet, en meer recent, in de
Wulbz. De
financiële prikkel die de laatste wet biedt, is waarschijnlijk de
sterkste impuls die een werkgever kan krijgen om zijn zieke werknemers
snel te laten reïntegreren. In de wetten uit het Pemba-complex is die
grotere verantwoordelijkheid van de werkgever doorgetrokken naar de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. In het socialeverzekeringsstelsel
zoals wij dit nu kennen, staat de werkgever bij de reïntegratie
centraal: hij kan op zijn beleid ter zake worden aangesproken, hij wordt
er financieel op afgerekend en hij kan ook de vruchten plukken van een
succesvol beleid. De werkgever kent de werknemer beter dan de
verschillende uitvoeringsinstanties, hij kan beter inschatten wat de
mogelijkheden van zijn werknemers zijn en hij is het best in staat
om in zijn bedrijf die aanpassingen (in het werk, de organisatie, de
persoonlijke verhoudingen) te treffen die een spoedige reïntegratie
kunnen bevorderen. De ervaring leert dan ook dat reïntegratie bij de
eigen werkgever de meest succesvolle vorm van reïntegratie is.
De werkgever staat bij zijn taak in deze niet alleen. In de praktijk
wordt hij bij een belangrijk deel van de verzuimbegeleiding, namelijk
daar waar specifieke deskundigheid nodig is die de meeste werkgevers
niet zelf in huis hebben, bijgestaan door de arbodiensten. Het proces
van aansluiting bij een arbodienst is momenteel vrijwel voltooid. Vanaf
1 januari 1998 zullen alle werkgevers verplicht zijn aangesloten bij een
arbodienst. Arbodiensten ondersteunen het bedrijf bij preventie van
ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid door advisering over de
arbeidsomstandigheden, onder meer door middel van de
risico-inventarisatie en -evaluatie. Een tweede belangrijke taak is het
ondersteunen van de begeleiding door de werkgever van werknemers die
wegens ziekte verzuimen. Begeleiding wil zeggen: alles wat het bedrijf
kan doen om zo spoedig als mogelijk en verantwoord is tot werkhervatting
of reïntegratie te komen. In het eigen werk of in ander passend werk
binnen het bedrijf. Indien bij die begeleiding beoordeling nodig is van
de vraag of iemand ziek is, wat de beperkingen zijn en welke
werkzaamheden iemand wel of niet zonder schade kan verrichten, is in elk
geval specifieke arbeids-medische kennis noodzakelijk en wordt de
arbodienst geraadpleegd.
De arbodienst speelt in de praktijk ook een grote rol in de communicatie
van de werkgever met de uitvoeringsinstelling. Die communicatie is sinds
de inwerkingtreding van de Wulbz geconcentreerd rond het reïntegratieplan,
waarover de werkgever, na overleg met de werknemer, na dertien weken het
Lisv/de uvi moet informeren. Het Lisv verlangt dat een deel van deze
informatie door een gecertificeerde arbodienst wordt verschaft. Omdat
het daarbij ook om medische gegevens gaat die de werkgever niet
toekomen, is het in de praktijk de arbodienst die het reïntegratieplan
namens de werkgever indient bij het Lisv/de uvi.
Het reïntegratieplan dient uiteraard in de eerste plaats om vorm te
geven aan de verplichting van de werkgever tot reïntegratie in het
eigen bedrijf in een vroeg stadium. Daarnaast is het reïntegratieplan
van belang om het Lisv/de uvi in staat te stellen haar taak als
poortwachter van WAO, ZW en
WW uit te oefenen. Zolang het reïntegratieplan
gericht is op reële kansen op reïntegratie in het eigen bedrijf, kan
de uvi daarbij op afstand blijven.
rblz.|37|
Indien echter werkgever/arbodienst in het reïntegratieplan aangeven dat
er geen of twijfelachtige reïntegratiemogelijkheden in het eigen
bedrijf zijn, moet de uvi toetsen of werkgever en arbodienst al het
redelijke hebben gedaan om tot herplaatsing te komen. De uvi levert
daarmee, waar nodig, als poortwachter tegendruk en kan die eventueel
versterken met advies en inzet van financiële hulp. De meer actieve
bemoeienis van de uvi met deze reïntegratieplannen zorgt er ook voor
dat er een soepele overgang van verantwoordelijkheden kan plaatshebben
op het moment dat de toetsing door de uvi uitwijst dat er geen reïntegratiemogelijkheden
in het eigen bedrijf zijn. De uvi beschikt dan over alle informatie die
nodig is om een reïntegratietraject te starten gericht op een andere
werkgever.
De kern van deze verantwoordelijkheidsverdeling geldt sinds de invoering
van de Wet TZ/Arbowet (1 januari 1994). Sindsdien is er ervaring opgedaan met de
samenwerking tussen arbodiensten en uvi’s en zijn organisatorische en
administratieve plooien gladgestreken.
Bij brief van 18 april 1997 heeft de
Staatssecretaris van SZW de Kamer geïnformeerd over de resultaten van
een ronde-tafelgesprek met vertegenwoordigers van de BOA, het Tica (thans
het Lisv) en van de centrale organisaties van werkgevers en
werknemers.
Daarbij zijn voorstellen gedaan voor een verdere verbetering van de
werkwijze. De uitvoering van de wettelijke bepalingen zal daarbij ook
naar het oordeel van het kabinet aan doelmatigheid en efficiëntie
winnen. De nieuwe werkwijze komt er in hoofdzaak op neer dat de
communicatie tussen werkgever/arbodienst en uvi meer geconcentreerd
wordt rond die reïntegratieplannen die van de uvi een actieve toets
vergen. Daarbij ontstaat ook meer ruimte voor direct contact en overleg
tussen beide partijen in die gevallen waarin reïntegratie in het eigen
bedrijf niet zeker is. In de andere gevallen, die dus in de regel leiden
tot hervatting van het eigen werk of tot herplaatsing in het eigen
bedrijf, kan de informatie-uitwisseling beperkter blijven.
In het kader van dit wetsvoorstel wordt het takenpakket van de
arbodienst enigszins uitgebreid. Zoals in hoofdstuk 3 reeds is
aangegeven, krijgt de arbodienst een belangrijke rol te spelen bij de
toepassing van het reïntegratie-instrumentarium. De arbodienst
adviseert het Lisv/de uvi of betrokkene als arbeidsgehandicapt moet
worden beschouwd: is betrokkene nog geschikt voor zijn eigen arbeid of
kan hij andere arbeid binnen het bedrijf verrichten? Hoewel deze
beoordeling impliciet reeds onderdeel uitmaakt van hun takenpakket - het onderzoeken van herplaatsingsmogelijkheden is ook nu al nodig
- wordt het belang van deze beoordeling door dit wetsvoorstel aanmerkelijk
vergroot. Het wordt in ieder geval noodzakelijk dat alle arbodiensten in
staat zijn een arbeidskundige beoordeling te verrichten. Zij zullen de
kennis daartoe óf zelf in huis moeten halen, óf deze elders moeten
inhuren. Voor hogere kosten van de arbodienst - en dus hogere lasten
voor de werkgever - behoeft in onze optiek geen vrees te bestaan.
Naarmate een arbodienst zijn taak beter verricht - dus meer inzet op
preventie, begeleiding en beoordeling van ziektegevallen - bespaart de
werkgever immers op de kosten van loondoorbetaling bij ziekte. De
werkgever zal zijn arbodienst wel met zorg moeten kiezen.
Voor de uvi is op het punt van de reïntegratie eerst een zelfstandige
taak weggelegd als de werkgever en zijn arbodienst aangeven dat
werkhervatting in passende arbeid bij de eigen werkgever niet meer
mogelijk is. In dat geval immers wordt duidelijk dat betrokkene het
risico loopt arbeidsongeschikt of werkloos te worden. Vanaf dat moment
zullen de reïntegratie-inspanningen gericht moeten zijn op hervatting
bij een andere werkgever. De verantwoordelijkheid ter zake komt dan bij
de uvi te liggen.
rblz.|38|
Een punt dat voorts nog aandacht verdient, is hoe de
verantwoordelijkheidsverdeling ligt indien de werkgever
eigenrisicodrager is voor de WAO. Uitgangspunt van de
Pemba, waarin
de mogelijkheid van het eigen risico dragen is geregeld, is steeds geweest
dat bij eigen risico dragen het primaat voor de reïntegratie de eerste
zes jaar dat de werknemer is uitgevallen (één jaar ziekte en de eerste
vijf uitkeringsjaren WAO) bij de werkgever ligt. In het kader van de Pemba wordt er daarbij van uitgegaan dat een eigenrisicodrager gezien
het grote financiële belang dat hij - of zijn verzekeraar - heeft,
al het mogelijke zal doen de arbeidsgeschiktheid van de werknemer te
bevorderen. In dit verband wordt opgemerkt dat het Verbond van
Verzekeraars in zijn advies wijst op de grote deskundigheid van
particuliere verzekeraars op reïntegratieterrein. Het is dan ook hier
dat de reïntegratieactiviteiten van deze verzekeraars - en de
mogelijkheden van de arbodiensten die de BOA in haar commentaar noemt - van grote betekenis kunnen worden. Voor eigenrisicodragers heeft de
uvi derhalve in eerste instantie geen taak. Dit verandert echter als de
eigenrisicodrager aangeeft geen reïntegratiemogelijkheden te zien en
het reïntegratieprimaat derhalve wenst over te dragen aan de uvi. In
dat geval dient de uvi op reïntegratie gerichte activiteiten te
ondernemen mits, uiteraard, vaststaat dat reïntegratie bij de
eigenrisicodrager niet mogelijk is. Ook indien een werknemer,
bijvoorbeeld omdat hij ontevreden is over de reïntegratieactiviteiten
die de eigenrisicodrager voor hem verricht, de uvi verzoekt het reïntegratieplan
op te stellen, dient de uvi aan dit verzoek tegemoet te komen. Hoewel
het gezien het bovenstaande naar verwachting niet vaak voor zal komen,
sluit het vorengaande niet geheel uit dat tegelijkertijd door de
eigenrisicodrager/arbodienst/verzekeraar enerzijds en de uvi anderzijds
reïntegratiewerkzaamheden voor betrokkene verrichten. Met name om te
voorkomen dat er dubbele reïntegratietrajecten worden opgesteld, is het
daarom van belang dat de eigenrisicodrager/arbodienst/verzekeraar en de
uvi elkaar op de hoogte houden van de werkzaamheden die voor de
betreffende arbeidsgehandicapte worden verricht.
c. Reïntegratie bij een
nieuwe werkgever
1. Inleiding
Constateert de uvi dat reïntegratie bij de eigen werkgever niet meer
mogelijk is, dan moet bekeken worden wat de mogelijkheden zijn voor reïntegratie
bij een andere werkgever. Op dat moment gaat het reïntegratieprimaat
over op het Lisv. Ook indien het Lisv het reïntegratieprimaat van een
eigenrisicodrager heeft overgenomen, is, zoals in de voorgaande
paragraaf is aangegeven, reïntegratie bij een andere werkgever aan de
orde. De reïntegratie is in bovengenoemde twee gevallen een zaak
geworden van de publieke uitvoering.
Daarnaast heeft de publieke uitvoering een reïntegratietaak voor
personen die geen werkgever meer hebben of nooit een werkgever hebben
gehad.
De taakverdeling tussen de organisaties die zich als publieke
uitvoerders bezighouden met de reïntegratie naar een andere of een
nieuwe werkgever, wordt in dit wetsvoorstel
gewijzigd. In het vervolg
van deze paragraaf wordt hier op ingegaan.
2. Huidige situatie
De bemiddeling van arbeidsgehandicapten geschiedt sinds 1986 door de
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen, terwijl de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk is voor de bemiddeling
rblz.|39|
van alle andere werkzoekenden. In 1991 heeft het vorige kabinet het
voornemen uitgesproken Arbeidsvoorziening ook voor de bemiddeling van
arbeidsgehandicapten verantwoordelijk te maken. Oorspronkelijk was het
de bedoeling dit te regelen in het kader van de vorige Organisatiewet
sociale verzekeringen (Osv 1995) die op 1 januari 1995 in werking trad.
Omdat Arbeidsvoorziening op die datum nog niet in staat bleek de
bemiddelingstaak voor deze groep adequaat op te pakken en anderzijds de
Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), die de taak tot dan toe
uitvoerde, werd opgeheven, is er indertijd voor gekozen de taak
tijdelijk bij de bedrijfsverenigingen neer te leggen. Dit is geregeld in
artikel 16 van de Wagw. Om versplintering van deskundigheid te
voorkomen, werd besloten het GMD-personeel dat zich met de
arbeidsbemiddeling bezighield onder te brengen in een aparte afdeling
van de uvi GAK, namelijk GAK Arbeidsintegratie (GAK AI). Met ingang van
1 maart 1997 (inwerkingtreding van de Osv 1997) zijn de taken van de
bedrijfsverenigingen overgenomen door het Lisv.
De huidige situatie ten aanzien van de bemiddeling van arbeidsgehandicapten is
als volgt. De arbeidsgehandicapte werknemers uit de sectoren waarvoor
het GAK de werknemersverzekeringen uitvoert, worden als onderdeel van
het uitvoeringscontract met het Lisv vrijwel allen bemiddeld door GAK
AI. GAK AI treedt op als regisseur en verricht sommige werkzaamheden
zelf. Daarnaast worden deelproducten (bijvoorbeeld specifieke scholing)
ingekocht bij Arbeidsvoorziening en bij - vele
- derden. In dit
kader is het van belang de werkzaamheden van GAK AI voor werkzoekenden
die vanwege een psychische reden buiten het arbeidsproces staan, te
noemen: het onder GAK AI ressorterende Bureau Passage heeft - in nauwe
samenwerking met het regionale netwerk van GGZ-instellingen
- een
specifieke methodiek ontwikkeld om werkzoekenden uit deze groep gericht
naar werk te begeleiden. Dit nu nog regionale project wordt in 1997
uitgebreid met zes tot tien landelijk gespreide vestigingen.
De uvi’s die voor andere sectoren werken (GUO,
Cadans en SFB) kopen de
meeste bemiddelingsactiviteiten in bij GAK AI, bij
Arbeidsvoorziening of
bij derden (onder andere bij Start en AVO). Ook USZO
- de
uitvoeringsorganisatie voor de regelingen voor het overheids- en
onderwijspersoneel - dat naar verwachting met ingang van 1 januari
1998 een uvi zal worden in de zin van de Osv 1997, koopt vrij
bemiddelingsdiensten in.
De uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen is sinds 23 december
1995 tevens officieel verantwoordelijk voor de bemiddeling van
arbeidsgehandicapten zonder uitkering werknemersverzekeringen (mensen
met een sociale voorziening, een Anw-uitkering of zonder uitkering).
Deze taak is door het Lisv opgedragen aan het GAK.
De huidige taak van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen
beslaat derhalve alle personen die wegens ziekte of gebrek een
belemmering ervaren bij het toetreden tot de arbeidsmarkt. Daarnaast
wordt opgemerkt dat de Wagw-bemiddelingstaak zowel betrekking heeft op
de koppeling van werkzoekende arbeidsgehandicapten en vacatures als op
de arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten.
3. Nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
Zoals reeds diverse malen is uitgesproken, is ook het huidige kabinet
van mening dat in de huidige taakverdeling wijzigingen wenselijk zijn.
Daartoe doet het kabinet in dit wetsvoorstel een aantal voorstellen. Bij
het opstellen ervan heeft het kabinet uiteraard rekening gehouden met de
beleidsontwikkelingen op het terrein van de bemiddeling en de reïntegratie
sinds 1991.
rblz.|40|
Zo is sinds 1991 zowel in de werknemersverzekeringen als in de sociale
voorzieningen steeds meer nadruk komen te liggen op een actieve
invulling van de reïntegratietaak door de uitkeringsinstanties. In de
arbeidsongeschiktheidswetten heeft dit - via de zogenaamde T-wetten
¹ en
de Wet Amber - geleid tot een aanzienlijke uitbreiding van het reïntegratie-instrumentarium.
Daarnaast zijn in de WW en in de sociale voorzieningen mogelijkheden
opgenomen voor inkoop van op arbeidstoeleiding gerichte diensten voor
moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden (voor arbeidsgehandicapten is
dit sinds 1991 op basis van de bemiddelingstaak in de Wagw al mogelijk).
Ten slotte is de algemene (re)integratietaak van de uitkeringsinstanties
ook met zoveel woorden in diverse wetten neergelegd. Te wijzen valt
onder andere op de artikelen 38 Osv 1997,
111 van de herziene
Abw, 34 Ioaw en
Ioaz en 2 van het wetsvoorstel
Wiw (Kamerstukken II 1996-1997, 25
122, nrs. 1-3).
Ook de taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn aangepast. Sinds 1 januari 1997 is
de algemene bemiddelingstaak van Arbeidsvoorziening gesplitst in een
verantwoordelijkheid voor de basisdienstverlening - voor alle
werkzoekenden en werkgevers - en in een verantwoordelijkheid voor de
prestatiedienstverlening - voor moeilijk plaatsbare werkzoekenden en
werkgevers met moeilijk vervulbare vacatures -. Onder de
basisdienstverlening valt het in stand houden van een landelijk
gespreide arbeidsbemiddelingsorganisatie, het registreren van
werkzoekenden en vacatures, het koppelen van geschikte werkzoekenden aan
geschikte vacatures, het verzamelen en analyseren van informatie over
ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, en het verstrekken van informatie en
advies met betrekking tot arbeidsmarktvraagstukken, studie- en
beroepskeuze en om-, her- of bijscholing. In het kader van de
prestatiedienstverlening voor moeilijk plaatsbare werkzoekenden stelt
Arbeidsvoorziening trajectplannen op die zij vervolgens uitvoert of - indien dat doelmatiger is
- laat uitvoeren (in beide gevallen al dan
niet inclusief plaatsing; om overlap met de taken van de
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen te voorkomen, zijn
moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten op dit moment overigens
uitgezonderd van de prestatiedienstverlening). In aansluiting op
bovengenoemd onderscheid is ook de rijksbijdrage aan Arbeidsvoorziening
verdeeld in een budget voor uitvoering van de basisdienstverlening en
een budget voor uitvoering van de prestatiedienstverlening.
Uiteraard heeft het kabinet ook rekening
gehouden met de ontwikkelingen in het kader van SWI en de adviezen en
deelrapporten die de Regiegroep SWI op dit terrein heeft uitgebracht. In
het kabinetsstandpunt van 5 juni 1997 over SWI worden de
kabinetsvoornemens ten aanzien van de samenwerking tussen Lisv
en de
uvi’s, gemeenten en Arbeidsvoorziening uiteengezet.
1. T-wetten: de wetten
TAV, TBA en TZ (Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Stb. 1992, 82), Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Stb. 1993, 412) en Wet terugdringing ziekteverzuim (Stb. 1993, 750),
red.
Gezien bovengenoemde ontwikkelingen is het kabinet allereerst van mening
dat de uitkeringsinstanties voor de reïntegratie van de eigen
arbeidsgehandicapte klanten verantwoordelijk dienen te blijven c.q. te
worden. In concreto betekent dit dat de reïntegratietaak van
uitkeringsgerechtigden met uitsluitend een recht op een sociale
voorziening bij de gemeenten wordt gelegd. Aldus ontstaat een systeem
waarin de uitkeringsinstantie die belang heeft bij de reïntegratie ook
voor die reïntegratie verantwoordelijk wordt gesteld. Bovendien wordt
hiermee aangesloten op de situatie die voor niet-arbeidsgehandicapten
reeds geldt.
Voorts is het kabinet van mening dat
Arbeidsvoorziening verantwoordelijk moet worden voor de reïntegratie
van werkzoekende niet-uitkeringsgerechtigden. Voor hen is er immers geen
uitkeringsinstantie die reïntegratie-instrumenten kan inzetten of
diensten kan inkopen. (De taak van Arbeidsvoorziening betreft echter
niet de WAZ-verzekerden: hun verzekering leidt er naar de mening van het
rblz.|41|
kabinet toe dat het Lisv en de uvi’s verantwoordelijk dienen
te zijn
voor hun reïntegratie). Ten slotte heeft het kabinet nagedacht over de
vraag welke instantie verantwoordelijk moet worden gesteld voor de reïntegratie
van arbeidsgehandicapte nabestaanden met recht op een uitkering
ingevolge de Anw. Op grond van de artikelen 36 Anw en
25
Osv 1997 heeft
de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een reïntegratietaak voor alle
nabestaanden met Anw-uitkering. Gegeven het feit dat naar verwachting
slechts een klein aantal arbeidsgehandicapte Anw-gerechtigden
daadwerkelijk voor reïntegratie in aanmerking zal komen in combinatie
met het feit dat de Bank op het terrein van reïntegratie en bemiddeling
geen ervaring heeft en Arbeidsvoorziening wel, is het kabinet van
mening dat het reïntegratieprimaat ook voor deze groep bij
Arbeidsvoorziening moet worden gelegd.
Uitgaande van bovengenoemde verantwoordelijkheidsverdeling is het
kabinet vervolgens van mening dat de op zich breed op te vatten reïntegratietaak
van de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen en de
gemeenten op
enkele punten moet worden beperkt.
Het betreft hier allereerst de basisdienstverleningstaak die in de ogen
van het kabinet voor alle werkzoekenden en derhalve ook voor alle
werkzoekende arbeidsgehandicapten bij uitsluiting aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie moet worden opgedragen. Die organisatie
is namelijk bij uitstek toegerust voor het verkrijgen van een compleet
beeld van de situatie op de landelijke en regionale arbeidsmarkt en kan
bovendien sectoroverstijgend bemiddelen, iets dat juist voor
arbeidsgehandicapten die relatief vaak naar werk buiten hun oude beroep
zullen moeten zoeken van groot belang is. Daarnaast bevordert het bij
uitsluiting aanwijzen van Arbeidsvoorziening als het voor de
basisdienstverlening verantwoordelijke publieke orgaan de
overzichtelijkheid voor werkgevers en werkzoekenden. Werkgevers worden
in dat geval namelijk niet door meerdere publieke instanties voor
vacatures benaderd, terwijl werkzoekenden weten dat een bezoek aan het
arbeidsbureau of - in het kader van SWI - de SWI-centra volstaat om
een zo volledig mogelijk overzicht te krijgen van bestaande vacatures.
Ten slotte voorkomt het dat verschillende publieke instanties met elkaar
concurreren om de bezetting van een bepaalde, bij hen bekende vacature.
Van de reïntegratietaak van de uvi’s en de
gemeenten dient de
basisdienstverleningstaak dan ook te worden uitgezonderd.
Zoals in het kabinetsstandpunt SWI reeds is aangegeven, is het kabinet
van mening dat een aantal werkzaamheden gericht op reïntegratie moet
plaatsvinden in de gezamenlijke SWI-centra. Deze werkzaamheden monden
voor moeilijk plaatsbare werkzoekenden uit in een kwalificerende intake.
Deze zal op basis van gemeenschappelijke afspraken in beginsel door
Arbeidsvoorziening worden verricht, waarbij uiteraard wel rekening zal
moeten worden gehouden met gegevens die door de uvi’s en de
gemeenten
aan Arbeidsvoorziening worden aangereikt. Na de kwalificerende intake
behoort het tot de verantwoordelijkheid van de uitkeringsinstanties om
het verdere traject voor hun klanten vorm te geven. Het kabinet vindt
dat de uvi’s en de gemeenten op termijn ruime vrijheden moeten krijgen
om voor hun klanten aan "schadelastbeperking" te werken. Dat wil
zeggen dat het hen zal worden toegestaan op zo doelmatig mogelijke wijze
al datgene te doen dat kan leiden tot het weer aan het werk gaan van
hun klanten. Dit betekent allereerst dat de op dit moment nog in
diverse regelingen neergelegde verplichte inkoop van
arbeidstoeleidingsdiensten bij Arbeidsvoorziening (opstellen en
uitvoeren trajectplannen) [zie bijvoorbeeld Besluit inkoop
dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten, red.]
gefaseerd zal worden afgeschaft. Daarnaast
ligt een uitbreiding van de inkoopmogelijkheden in de rede, mits een
goede publieke voorziening voor de bemiddeling van moeilijk plaatsbaren rblz.|42|
- Arbeidsvoorziening - gewaarborgd blijft. In deze benadering past
tevens dat uvi’s en gemeenten niet zelf arbeidstoeleidingstrajecten
uitvoeren, maar zoveel mogelijk gebruik maken van reeds bestaande
intermediairs. Voorkomen moet worden dat bij meerdere organisaties die
een publieke taak uitvoeren bemiddelingsapparaten worden opgezet of in
stand worden gehouden.
In de hoofdlijnennota en in het kabinetsstandpunt SWI heeft het kabinet
daarnaast specifiek wat betreft de arbeidstoeleiding van
arbeidsgehandicapten aangegeven dat uvi’s en de
gemeenten de eerste
tijd na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel in
belangrijke mate verplicht diensten zullen moeten inkopen bij Arbeidsvoorziening. Redenen hiervoor zijn dat daardoor sprake is van een
meer gefaseerd en daardoor beter beheersbaar ontwikkelingsproces en dat
laatstgenoemde organisatie in de gelegenheid moet worden gesteld zich te
ontwikkelen tot een goede opdrachtnemer voor inkoop van
arbeidstoeleidingsactiviteiten voor arbeidsgehandicapten. Daarom heeft
het kabinet besloten dat de werkzaamheden die op dit moment door GAK AI
worden verricht vanaf de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel door
Arbeidsvoorziening moeten worden gedaan. Met het oog hierop zal de mate
van verplichte winkelnering primair worden bepaald op het aandeel van
GAK AI op de bemiddelingsmarkt voor arbeidsgehandicapten. Ter voorkoming
van verlies van deskundigheid bij de organisaties die een publieke taak
uitvoeren, vindt het kabinet het wenselijk dat een zo groot mogelijk
deel van het personeel van GAK AI in dienst komt van Arbeidsvoorziening.
De voorgestelde mate van verplichte winkelnering leidt ertoe dat het
nieuwe personeel van Arbeidsvoorziening gedurende een zekere periode van
werk verzekerd is. De overgang van het personeel van GAK AI naar
Arbeidsvoorziening brengt overigens automatisch met zich dat
Arbeidsvoorziening over meer arbeidsdeskundige kennis zal komen te
beschikken, hetgeen, zo volgt uit het Ctsv-onderzoek
"Bemiddeling in Uitvoering", door de inkopende uvi’s wenselijk wordt geacht.
Aan GAK en Arbeidsvoorziening is gevraagd de overgang van GAK AI voor te
bereiden, waarbij deze zodanig vorm zal moeten worden gegeven dat de
bemiddeling van arbeidsgehandicapten ongestoord kan worden voortgezet.
Daarbij dient, mede met het oog op het gefaseerd loslaten van de
beschermde positie van Arbeidsvoorziening, sprake te zijn van een
zodanige inbedding in de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dat een naar het
oordeel van de opdrachtgevers herkenbaar en kwalitatief hoogstaand
apparaat in stand blijft, een apparaat dat op termijn in staat zal zijn
in concurrentie met andere marktpartijen zijn taak te verrichten. De
exacte omvang van de verplichte inkoop zal overigens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden geregeld, waarbij enerzijds - zoals boven reeds gesteld
- het marktaandeel van GAK AI leidend zal
zijn, maar anderzijds finetuning op basis van de uitkomsten van het
overleg tussen GAK en Arbeidsvoorziening tot de mogelijkheden behoort.
Voor het gedeelte dat niet verplicht bij Arbeidsvoorziening hoeft te
worden ingekocht, staat het de uitkeringsinstanties vrij om zelf de
organisatie te bepalen waarbij wordt ingekocht. Daarmee kan de bij
private instanties (AVO, Start, enz.) aanwezige deskundigheid worden
benut, wordt Arbeidsvoorziening ook tijdens de jaren dat zij een
beschermde positie geniet voldoende geprikkeld tot het leveren van een
goede prijs-kwaliteitverhouding en wordt althans gedeeltelijk tegemoet
gekomen aan de bezwaren van de VNG en van de uvi’s tegen het
voorschrijven van verplichte winkelnering. Het bij uitsluiting opdragen
van de basisdienstverlening aan Arbeidsvoorziening betekent overigens
niet dat een - binnen de daartoe openstaande ruimte - bij derden
ingekocht traject niet mag eindigen in een plaatsing door die derde. rblz.|43|
Oftewel: wordt een traject ingekocht bij een andere organisatie dan
Arbeidsvoorziening, dan mag die organisatie na voltooiing van de
arbeidstoeleidende activiteiten óók in opdracht van de
uitkeringsinstantie een baan voor betrokkene zoeken. Verplichte
overdracht aan Arbeidsvoorziening zou in dat geval namelijk tot inefficiëntie
leiden.
Een viertal opmerkingen is hier ten slotte op zijn plaats.
Zoals uit het eerder genoemde kabinetsstandpunt SWI blijkt, is het
kabinet van mening dat in de toekomst iedere werkzoekende - arbeidsgehandicapt of niet
- via een centrum SWI in contact moet
worden gebracht met het vacatureaanbod van Arbeidsvoorziening en zo
nodig direct bemiddeld dient te worden, terwijl voor iedere in fase 2 of
3 ingedeelde klant (dat wil zeggen voor iedere klant die op zich bemiddelbaar
is, maar voor wie wel eerst arbeidstoeleidende activiteiten nodig zijn)
een kwalificerende intake moet plaatsvinden. De ontwikkelingen in het
kader van SWI, in combinatie met de in het voorliggende wetsvoorstel
geregelde overgang van de bemiddeling van arbeidsgehandicapten naar
Arbeidsvoorziening, hebben het kabinet voor de vraag gesteld hoe om te
gaan met de zogenaamde "motie-Schimmel" die de Tweede Kamer in de
zomer van 1995 bij de behandeling van het wetsvoorstel Amber
heeft
aangenomen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 221, nr. 12). Deze motie beoogt
een zo snel mogelijke start van reïntegratieactiviteiten na een
(her)keuringsbesluit WAO te bereiken. Daartoe werd de regering gevraagd
ervoor te zorgen dat snel na een (her)keuringsbesluit - zo mogelijk
binnen één maand - een individueel trajectplan voor reïntegratie op
de arbeidsmarkt tot stand komt. Deze taak is tot nog toe opgedragen aan
het Lisv/de uvi’s, hetgeen ook goed past bij de huidige algemene
bemiddelingstaak voor arbeidsgehandicapten voor deze instanties. Uit een
evaluatie van het Lisv van 23 april 1997 blijkt dat de uvi’s deze
taak op nogal verschillende wijzen uitvoeren. Nu de
basisdienstverleningstaak bij uitsluiting zal worden opgedragen aan
Arbeidsvoorziening en het opstellen en uitvoeren van uitgewerkte
trajectplannen de eerste tijd grotendeels door de uitkeringsinstanties
bij Arbeidsvoorziening zal moeten worden ingekocht, ligt een verdere
uitvoering van de motie-Schimmel door de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen niet meer voor de hand. Het kabinet heeft zich
gebogen over de vraag of het wenselijk is in de toekomst de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie met deze taak te belasten. Daarbij heeft
het kabinet in gedachten gehouden dat het laten opstellen van
uitgewerkte, direct voor uitvoering vatbare trajectplannen voor iedere
afgeschatte WAO-gerechtigde of iedere werkzoekende arbeidsgehandicapte
niet doelmatig is. Immers, het opstellen van dergelijke plannen is
bewerkelijk en daarmee duur, terwijl uitvoering van een plan lang niet
voor iedere arbeidsgehandicapte nodig of zinvol zal zijn (te denken valt
met name aan fase-1- en fase-4-klanten en ongemotiveerden). Daarnaast
heeft het kabinet rekening gehouden met bovengenoemde ontwikkelingen in
het kader van SWI, waarbij mede in aanmerking is genomen dat onderdeel
van de kwalificerende intake is dat wordt nagegaan welke
arbeidstoeleidingsactiviteiten voor betrokkenen globaal nodig zijn.
Zoals eerder aangegeven, zullen de uitkeringsinstanties vervolgens op
basis van deze kwalificerende intake besluiten voor wie een
gedetailleerd trajectplan moet worden opgesteld en uitgevoerd. Gezien
het bovenstaande is het kabinet van mening dat met de ontwikkelingen in
het kader van SWI voldoende aan de strekking van de motie-Schimmel wordt
voldaan: zij bevorderen immers een vroege start van het reïntegratieproces
bij een nieuwe werkgever. Het kabinet acht het niet nodig ter uitvoering
van de motie nog een aparte fase in dit proces in te bouwen.
rblz.|44|
Ten tweede impliceert de tijdelijke grotendeels verplichte inkoop bij
Arbeidsvoorziening niet dat private intermediairs hun marktaandeel de
eerste tijd niet of slechts in beperkte mate zullen kunnen uitbreiden.
De mogelijkheid is aanwezig dat de uitkeringsinstanties bij
Arbeidsvoorziening het opstellen en het uitvoeren van een trajectplan
inkopen en dat Arbeidsvoorziening de uitvoering van (delen van) de
trajectplannen uitbesteedt aan deze derden. Immers, daar waar dat met
het oog op de doelmatigheid wenselijk is, dient Arbeidsvoorziening - ook na inwerkingtreding van de
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten - te onderzoeken in hoeverre taken kunnen worden
uitbesteed aan derden.
Ten derde het volgende. Ingevolge het voorliggende wetsvoorstel zal
Arbeidsvoorziening verantwoordelijk zijn voor de basisdienstverlening,
terwijl het opstellen en uitvoeren van trajectplannen voor moeilijk
plaatsbare arbeidsgehandicapten door de uitkeringsinstanties tijdelijk
voor een groot deel bij Arbeidsvoorziening zal moeten worden ingekocht.
Wel blijven de uitkeringsinstanties verantwoordelijk voor het inzetten
van het wettelijke reïntegratie-instrumentarium. Aangezien de inzet van
reïntegratie-instrumenten vaak gekoppeld is aan het uitvoeren van een
trajectplan of een plaatsing, moet het mogelijk zijn dat de uvi’s en
de gemeenten Arbeidsvoorziening in ieder geval op het niveau van de
uitvoering van de trajectplannen mandateren tot het inzetten van die
(re)integratie-instrumenten die zich daarvoor lenen en dat het Lisv
dergelijke ondermandatering toestaat. Aldus wordt voorkomen dat
Arbeidsvoorziening steeds wanneer volgens het trajectplan een reïntegratie-instrument
moet worden ingezet, daartoe apart toestemming moet vragen aan de
betreffende uvi of gemeente.
De vierde opmerking, ten slotte, betreft de verhouding tussen de Wiw en
het voorliggende wetsvoorstel. Ingevolge de Wiw hebben gemeenten een op
reïntegratie gerichte zorgtaak, niet alleen voor Abw-,
Ioaw- en Ioaz-gerechtigden, maar ook voor mensen met een uitkering op basis van
de WW, de WBIA, de WAO, de
WAZ en de Wajong. Dit roept de vraag op welke
organisatie - de uvi of de gemeente - het reïntegratieprimaat
heeft. Het kabinet stelt voor dit primaat bij de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen te leggen, zowel indien betrokkene alleen een
uitkering op basis van de sociale verzekeringen geniet als in het geval
een cliënt zowel een door de uvi verzorgde uitkering als een sociale
voorziening heeft. Het is dus de uitvoeringsinstelling die als eerste
kan worden aangesproken indien er voor betrokkene te weinig gebeurt. Dit
laat overigens onverlet dat daarnaast de (woon)gemeente de mogelijkheid
tot deelname aan door haar georganiseerde projecten gericht op reïntegratie
of sociale activering voor zo’n arbeidsgehandicapte open dient te
stellen. Voor jongeren in de zin van de Wiw geldt daarbij nog een
specifieke situatie. Immers, de Wiw voorziet voor hen in een zogenaamde
"sluitende benadering", die inhoudt dat de gemeente iedere werkloze
jongere - ongeacht zijn uitkeringssituatie - binnen één jaar een Wiw-dienstbetrekking moet aanbieden (tenzij andere voorzieningen gericht
op arbeidsinschakeling meer aangewezen zijn). Het reïntegratieprimaat
van de uvi voor jongeren met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
- meestal een Wajong-uitkering - houdt voor hen in dat de uvi
Arbeidsvoorziening opdraagt voor de betrokken jongere een trajectplan op
te stellen (uiteraard in samenwerking met de uvi zelf). Tenzij uit dat
trajectplan blijkt dat andere voorzieningen meer in aanmerking komen,
wordt betrokkene vervolgens vanuit de Wiw-verantwoordelijkheid van de
gemeente in aanmerking gebracht voor een Wiw-dienstbetrekking. Ook hier
geldt dat nauwe afstemming tussen de betrokken organisaties, bijvoorbeeld in de
centra SWI, wenselijk is.
rblz.|45|
6. Een nieuwe
budgetstructuur
Wil een werkgever ertoe gebracht worden een arbeidsgehandicapte in
dienst te nemen, dan zullen de in hoofdstuk 4 aangegeven feitelijke
belemmeringen overwonnen moeten worden. Nu is voor vrijwel alle wets- en
verzekeringstechnische problemen al een oplossing gevonden binnen het
bestaande instrumentarium. De onbekendheid daarmee is een apart
probleem, waar in hoofdstuk 12 op teruggekomen zal worden. Wat echter
aan de bestaande systematiek van vergoeding van aantoonbare kosten en
risico’s nog ontbreekt, is dat er te weinig rekening is gehouden met
het feit dat er voor werkgevers ook minder makkelijk aantoonbare kosten
zijn bij het aannemen van arbeidsgehandicapten. Het huidige systeem
geeft weliswaar voldoende antwoord op concrete problemen van de
werkgever, doch komt onvoldoende tegemoet aan het gevoel dat "het
allemaal veel tijd en moeite kost". Hij krijgt zijn kosten wel vergoed,
doch hij zal ze allemaal moeten aantonen en vaak is dat niet zo
eenvoudig.
De oplossing hiervoor is voor de meeste gevallen gevonden in een
standaardplaatsings- of herplaatsingsbudget. Het plaatsingsbudget is
een bedrag dat aan de werkgever wordt toegekend als hij een
arbeidsgehandicapte in dienst genomen heeft en waaruit hij de
aanloopkosten van het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten kan
bestrijden. Het herplaatsingsbudget is een bedrag dat de werkgever wordt
toegekend als hij een arbeidsgehandicapte werknemer in een andere
functie binnen zijn bedrijf reïntegreert.
Indien de werkelijke kosten die de werkgever ten behoeve van een
arbeidsgehandicapte werknemer maakt hoger zijn dan het
standaardplaatsings-
of herplaatsingsbudget, kan de werkgever een pakket op maat
vragen. Hij dient dan de werkelijke kosten aan de uvi op te geven. In de
relatie tussen maatpakket en standaardbudget is op dit punt belangrijk
te constateren dat een werkgever een duidelijke keuze moet maken: ofwel
een (forfaitair) budget zonder lastige vragen, ofwel een budget op maat,
doch dan dient hij de reële kosten aan te tonen die hij voor de
arbeidsgehandicapte maakt.
Met deze opsplitsing van budgetten wordt bereikt dat voor de meerderheid
van de reïntegratiegevallen - al die gevallen waarin geen uitgebreide
voorzieningen nodig zijn - kan worden afgezien van de nauwkeurige
kostentoerekening die het huidige voorzieningenbeleid karakteriseert.
Hierna zal nader worden aangegeven wat onder een
standaardplaatsingsbudget, een
standaardherplaatsingsbudget en het pakket op
maat moet worden verstaan. Voorts zal worden ingegaan op de onderlinge
relatie tussen de budgetten, het pakket op maat en de huidige
voorzieningen.
a. Het plaatsingsbudget
Het meest in het oog springende element van dit wetsvoorstel
is de
introductie van een plaatsingsbudget. Zoals hiervoor al werd aangegeven,
is een dergelijk budget een vast bedrag (per jaar) dat op aanvraag aan
de werkgever ter beschikking wordt gesteld indien hij een
arbeidsgehandicapte in dienst neemt. Het budget komt in de plaats van de
bestaande loonkostensubsidie, de vergoeding van kosten van aanpassing
van de arbeidsplaats/arbeidsorganisatie, de vergoeding van de kosten van
om-, her- en bijscholing en de inwerk- en begeleidingssubsidie.
De kosten waarvoor deze instrumenten een vergoeding zijn, worden
begrepen onder het plaatsingsbudget (of het pakket op maat, zie
paragraaf 6c). Het budget moet beschouwd worden als een forfaitaire rblz.|46|
onkostenvergoeding voor de werkgever die een arbeidsgehandicapte in
dienst neemt. Uit dit budget wordt de werkgever geacht alle extra
uitgaven die hij doet voor zijn arbeidsgehandicapte werknemer te kunnen
bekostigen. Het budget kan dus worden gebruikt voor de bestrijding van
productieverlies (extra loonkosten), kosten van scholing, training en
begeleiding, of de kosten van voorzieningen als aanpassingen van de
werkplek, hulpmiddelen of de inrichting van het bedrijf. Binnen het
budget vallen de huidige werkgeversvoorzieningen en een deel van wat
thans nog onder werknemersvoorzieningen wordt begrepen (zie paragraaf
6d). De werkgever hoeft bij de aanvraag van het budget niet aan te tonen
daadwerkelijk kosten te hebben gemaakt of te zullen maken: wie een
arbeidsgehandicapte in dienst neemt, wordt geacht daarvoor zekere kosten
te maken en deze uit het budget te kunnen financieren. Het in dienst
nemen en houden van een arbeidsgehandicapte is de enige titel op basis
waarvan de toekenning van het budget geschiedt. Het plaatsingsbudget kan
zowel worden verleend als de arbeidsgehandicapte via de uvi wordt
geplaatst als wanneer betrokkene op eigen initiatief werk gevonden
heeft. In die gevallen dat een arbeidsgehandicapte zelfstandig werk
vindt, en het gaat hier om een aanzienlijk deel van de reïntegratiegevallen,
dient de werkgever daar op dezelfde wijze voordeel van te ondervinden.
Wel dient de werkgever in alle gevallen een budget aan te vragen.
Ambtshalve verstrekking door de uvi zou niet alleen ingeval betrokkene
zelfstandig werk vindt moeilijk uitvoerbaar zijn, maar bovendien zou dit
de werkgever de mogelijkheid ontnemen om direct al in plaats van voor
een plaatsingsbudget, voor een pakket op maat (zie paragraaf
6c) te
kiezen.
Het kabinet stelt voor de hoogte van het plaatsingsbudget voor het
eerste jaar te stellen op ƒ12 000,-. In het tweede jaar dat een
werkgever een arbeidsgehandicapte in dienst heeft bedraagt het budget
ƒ8000,-
en in het derde jaar ƒ4000,-. De hoogte van dit budget is gerelateerd
aan - en moet in verhouding gezien worden met - de hoogte van het
huidige loonkostensubsidie (25% van het loon, gedurende vier jaar) en de
bedragen die de gemeenten ter beschikking kunnen stellen voor de
plaatsing van langdurig werklozen (thans ƒ17 000,- per jaar). Gezien
het feit dat de werkgever die aantoonbaar hogere kosten heeft dan het
plaatsingsbudget een vergoeding op maat kan krijgen, mogen de bedragen
van het budget lager zijn dan het maximum van genoemde andere subsidies,
doch anderzijds dienen zij wel hoog genoeg te zijn om voor de werkgever
een wezenlijk verschil te maken. De bedragen die de SER
in zijn advies
noemt, zijn voor dat doel naar onze mening te laag. Bovendien zou een te
laag bedrag ertoe leiden dat in veel gevallen alsnog een pakket op maat
zou moeten worden aangevraagd, hetgeen het nut van de forfaitaire
kostenvergoeding weer goeddeels teniet zou doen.
Het budget voor het eerste jaar wordt bij aanvang van de
dienstbetrekking aan de werkgever toegekend. Er is derhalve geen sprake
van verstrekking van een voorschot, maar van een op zich definitief
bedrag dat echter wel, indien niet aan de voorwaarden blijkt te zijn
voldaan, moet worden teruggevorderd (hierover meer in het
hiernavolgende). Het budget voor het tweede en derde jaar worden na één
respectievelijk twee jaar na aanvang van de dienstbetrekking toegekend.
Het budget wordt verstrekt voor zolang betrokkene in dienst blijft.
Toekenning van het budget geschiedt door de uvi van de
arbeidsgehandicapte (voor gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zie paragraaf 6e). De bedragen van ƒ12 000,-, ƒ8000,- en ƒ4000,-
gelden voor een arbeidsgehandicapte die op basis van een
voltijdsarbeidsovereenkomst in dienst wordt genomen. Werkt de
arbeidsgehandicapte in deeltijd, dan wordt het toe te kennen budget
evenredig verlaagd. Hetzelfde geldt indien reeds bij rblz.|47|
aanvang van de
dienstbetrekking duidelijk is dat deze korter dan één jaar zal duren.
Bij het standaardbudget gaat het om een substantieel bedrag.
Verondersteld mag worden dat met het verstrekken van een standaardbudget
in de grote meerderheid van de gevallen in de meest voorkomende kosten
van reïntegratie voorzien kan worden: voor een groot deel van de
arbeidsgehandicapten zijn geen dure voorzieningen nodig. Een belangrijk
verschil met het bestaande instrumentarium, met name de
loonkostensubsidie, is dat het budget veel sneller verstrekt kan worden.
Omdat er geen aanvullende voorwaarden gelden, kan de aanvraag zeer
eenvoudig zijn. In principe volstaat een kopie van de
arbeidsovereenkomst of het aanstellingsbesluit voor het toekennen van
het budget. De eenvoud van de procedure wordt verder bewerkstelligd door
het feit dat de uvi het aangevraagde budget
moet toekennen indien aan de
voorwaarden is voldaan. Op deze wijze wordt tegemoet gekomen aan het
bezwaar van de bureaucratische rompslomp - de SER
heeft hier
uitdrukkelijk op gewezen - rond het toekennen van de huidige
loonkostensubsidie en de "goedkope" voorzieningen. De werkgever weet
wat hij krijgt en kan uitrekenen wat het in dienst nemen van een
arbeidsgehandicapte hem kost.
Dat de voorwaarden voor de toekenning van het budget beperkt zijn tot
het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte en de aanvraag van het
budget en dat de uvi’s geen discretionaire bevoegdheid hebben bij de
toekenning, wil echter niet zeggen dat de uvi’s niets hoeven te
controleren. Indien namelijk tijdens of na het jaar waarvoor het budget
is verstrekt, blijkt dat niet (meer) aan de voorwaarden wordt voldaan,
zal het budget in principe (gedeeltelijk) moeten worden teruggevorderd.
Dit is bijvoorbeeld het geval als een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd tijdens het betreffende jaar wordt ontbonden of indien
iemand die voltijds in dienst is genomen tijdens het jaar in deeltijd
gaat werken. De uitvoeringsinstanties zullen moeten controleren of de
betreffende dienstbetrekking inderdaad voor de betreffende periode en
het betreffende aantal uren heeft gegolden. Voorts hebben de
uitvoeringsinstanties een weigeringsbevoegdheid indien voor dezelfde
werknemer bij dezelfde werkgever meer dan eens een plaatsingsbudget
wordt aangevraagd. Dit om te voorkomen dat budgetten worden verstrekt in
een situatie waarin verstrekking ondoelmatig zou zijn of om in te
kunnen grijpen in gevallen waarin misbruik dreigt.
Overigens is in dit wetsvoorstel als uitgangspunt gekozen dat
- gezien
het ontbreken van verdere formele voorwaarden aan het verstrekken van
het plaatsingsbudget - de terugvordering van het plaatsingsbudget
beperkt moet blijven. Aanleiding hiervoor vormden bovendien de door de SER
en vrijwel alle ander commentaar leverende instanties geuite
twijfels over de mogelijkheden en risico’s van de terugvordering van
budgetten. Er is - het Lisv
heeft hier in zijn commentaar terecht op
gewezen - een spanningsveld tussen stimulering van reïntegratie
enerzijds en de controlerende taak anderzijds. Met de hierna beschreven
gang van zaken bij terugvordering menen wij echter een goede tussenweg
te hebben gevonden.
Het budget wordt geacht aan zijn doel te voldoen zolang de
arbeidsgehandicapte in dienst is. Dit betekent dat terugvordering eerst
aan de orde is indien het dienstverband binnen het jaar waarvoor het
budget werd verstrekt, wordt beëindigd of binnen dat jaar minder uren
wordt gewerkt dan bij aanvang van de dienstbetrekking was
overeengekomen. De terugvordering vindt alleen plaats over de dagen dat
betrokkene niet langer c.q. minder in dienst is. Geen terugvordering
vindt echter plaats rblz.|48|
voor zover de werkgever werkelijke kosten heeft
gemaakt. De reden voor laatstgenoemde beperking van de
terugvorderingsmogelijkheden is gelegen in de situatie dat de werkgever
het plaatsingsbudget reeds heeft geïnvesteerd of uitgegeven ten bate
van de arbeidsgehandicapte op een wijze die zich niet (gemakkelijk)
ongedaan laat maken (de werkgever heeft bijvoorbeeld de werkplek voor
ƒ6000,-
aangepast). Een werkgever die aannemelijk maakt dat dit het geval is,
hoeft het door hem uitgegeven bedrag dan niet terug te betalen, ook al
heeft de betrokken werknemer slechts enkele weken gewerkt. Het is
vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de werkgever nadeel ondervindt van
zijn reïntegratieactiviteiten. Deze terughoudende vorm van
terugvordering beperkt ook de conflictgevoeligheid ervan.
Het budget wordt alleen verstrekt indien de werkgever de
arbeidsgehandicapte een arbeidsovereenkomst aanbiedt voor ten minste zes
maanden of voor onbepaalde tijd: het doel van het budget is een langer
durende en liefst blijvende terugkeer naar betaalde arbeid.
b. Het
herplaatsingsbudget
De herintreding bij de eigen werkgever is een punt dat aparte aandacht
verdient. Op basis van de Wulbz en de Pemba
heeft de werkgever een
grotere eigen verantwoordelijkheid gekregen voor de reïntegratie van
zijn eigen werknemers en een vergaande financiële aansprakelijkheid via
de loondoorbetaling bij ziekte en de premiedifferentiatie in de WAO. Het
is tegen de achtergrond van die wetten dat de werkgever die een
arbeidsgehandicapte herplaatst geen volledig plaatsingsbudget kan worden
toegekend. Hij is al verplicht (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte
werknemers twee jaar in dienst te houden, en er - in samenspraak met
zijn arbodienst - alles aan te doen dat betrokkenen spoedig reïntegreren.
De werkgever hiervoor een beloning geven ter grootte van het hier
voorgestelde standaardbudget zou in veel gevallen een groot deel van de
financiële incentives daartoe wegnemen en in strijd zijn met de
primaire verantwoordelijkheidsverdeling. Anderzijds is het wel
belangrijk dat ook voor die situatie een goede regeling wordt getroffen.
Herplaatsing bij de eigen werkgever is immers een zeer werkzaam reïntegratiemiddel.
Met name het Verbond van Verzekeraars wijst hier in zijn advies
uitdrukkelijk op. Het Verbond verwacht van een dergelijk budget meer
heil dan van een pakket op maat, aangezien, aldus het Verbond, bij deze
laatste optie veel kostbare tijd verloren gaat. Succes op reïntegratie
heeft volgens het Verbond de meeste kans van slagen als daarmee vroeg
wordt begonnen.
In het kort heeft de werkgever twee mogelijkheden:
- herplaatsing in de eigen functie. Een budget is - om bovengenoemde
redenen - dan niet op zijn plaats. Reïntegratie is in dit geval de
eigen verantwoordelijkheid van de werkgever. Indien er sprake is van een
verminderde arbeidsprestatie, heeft de werkgever wel de mogelijkheid om
voorzieningen aan te vragen die nodig zijn om het eigen werk weer te
kunnen hervatten (zie paragraaf 5d [paragraaf 5b, red.]);
- herplaatsing in een andere functie binnen het bedrijf. Het is op dit
punt dat nadere ondersteuning gewenst is.
Die nadere ondersteuning is noodzakelijk omdat reïntegratie in een
andere functie voor de werkgever in veel gevallen meerkosten met zich
zal brengen. Voorkomen moet worden dat de werkgever, geplaatst voor die
meerkosten, en deze afwegend tegen het risico dat herplaatsing mislukt,
zou besluiten niet tot reïntegratie over te gaan. Werkhervatting kan
bovendien betekenen dat een nieuwe periode van loondoorbetalingsrisico
ingaat. Het is in die afweging dat de werkgever gesteund moet worden met
een onkostenvergoeding in de vorm van een herplaatsingsbudget. De rblz.|49|
argumentatie voor het toekennen van het plaatsingsbudget (het mogelijk
productieverlies, de hogere inwerkkosten) geldt immers ook indien de
werkgever voor zijn werknemer moeite moet doen hem te herplaatsen. Het
moet daarbij duidelijk gaan om een wezenlijk andere functie.
Overplaatsing van de ene afdeling naar de andere terwijl de feitelijke
werkzaamheden weinig verschillen, is niet voldoende om voor een
herplaatsingsbudget in aanmerking te komen. De werkgever - zijn
arbodienst - zal aannemelijk moeten maken dat betrokkene ook feitelijk
in andersoortige, méér met de krachten en bekwaamheden van de
werknemer overeenkomende arbeid werkzaam is. Het Lisv
tekent in zijn
commentaar op dit punt aan dat het maken van onderscheid tussen "aangepast"
werk en reïntegratie in de eigen functie extra definitie- en
afbakeningskwesties kan opleveren. Dit risico bestaat inderdaad in
zekere mate, doch wij zijn van mening dat het in de meerderheid van de
gevallen mogelijk moet zijn het eigen werk helder van de "andere"
arbeid te onderscheiden. Hier ligt ook heel duidelijk een taak voor de
arbodienst.
In die extra inspanning voor de werkgever ligt de motivering voor het
toekennen van een herplaatsingsbudget. Gezien het feit dat de werknemer
hoe dan ook al voor rekening van de werkgever komt en de overstap voor
de werknemer minder groot moet worden geacht dan bij werkaanvaarding bij
een andere werkgever, kan het herplaatsingsbudget echter lager zijn dan
het standaardbudget. Voorgesteld wordt derhalve het herplaatsingsbudget
te stellen op een bedrag van ƒ8000,- over één jaar. In verreweg de
meeste gevallen zal dit de extra kosten voor een werkgever in voldoende
mate compenseren.
Aan het ontvangen van een herplaatsingsbudget is één extra voorwaarde
verbonden in vergelijking met het plaatsingsbudget en dat is dat de
werkgever een reïntegratieplan voor zijn zieke werknemer bij de uvi
moet hebben ingediend. In de praktijk zal de arbodienst van de werkgever
dit overigens reeds gedaan hebben op het moment dat het vermoeden
ontstond dat betrokkene niet in zijn eigen werk zou kunnen terugkeren.
Hoewel het formeel de uvi van de werkgever is die het
herplaatsingsbudget - op aanvraag van de werkgever - toekent, zal in
de praktijk de feitelijke beoordeling van de noodzaak daartoe bij de
arbodienst van de werkgever komen te liggen. Deze immers geeft aan of a)
een werknemer als arbeidsgehandicapte zou moeten worden gezien en b) of
hij alleen in andere arbeid weer bij zijn werkgever arbeid kan hervatten. De
uvi toetst hier dus op afstand, marginaal. In paragraaf 10c wordt nader
ingegaan op de handhavingsaspecten van één en ander.
c. Het pakket op maat
Indien de kosten van reïntegratie hoger zijn dan uit het
(her)plaatsingsbudget betaald kan worden, kan de werkgever aanspraak
maken op een pakket op maat. In het kader van het pakket op maat kunnen
alle voorzieningen worden toegekend waar de werkgever ook thans reeds
aanspraak op kan maken (werkaanpassingen, scholingskosten, productieverlies, etc). Het kan bij deze voorzieningen gaan om
aanpassingen aan het onroerend goed of aan de apparatuur van de
werkgever, die het mogelijk maken dat de werknemer bij de werkgever zijn
arbeid kan verrichten. Binnen het pakket op maat valt ook een deel van
de huidige werknemersvoorzieningen. Wil een werkgever in aanmerking
komen voor een pakket op maat, dan zal hij dit moeten aanvragen bij de
bevoegde instantie, onder indiening van een begroting van de te
verwachten kosten. Het gaat daarbij om alle kosten die de werkgever
maakt. Op zich zijn deze kosten niet aan een maximum gebonden. Teneinde
toch enige rem te stellen op het gebruik (en mogelijk misbruik) van dure
aanpassingen dient de werkgever - bij majeure aanpassingen aan het
eigen bedrijf, volgens bij rblz.|50|
algemene maatregel van bestuur te stellen
regels - een eigen bijdrage te betalen. Gedacht wordt aan een eigen
bijdrage van 25%; daarnaast zal boven een bepaald bedrag, bijvoorbeeld
ƒ50 000,-, een bedrijfseconomische toets moeten plaatsvinden. Dat laatste
houdt in dat rekening wordt gehouden met het bedrijfseconomische
voordeel dat de werkgever van de aanpassing heeft. De achtergrond
hiervan is dat als gevolg van het treffen van een voorziening geen
concurrentievervalsing mag ontstaan door bijvoorbeeld tengevolge van de
toekenning van het pakket mogelijk geworden productiviteitsverhoging,
kwaliteitsverbetering (die te gelde gemaakt kan worden), verminderde
energiekosten of verminderde onderhoudskosten.
Onder het maatpakket kunnen ook zaken vallen als inwerkkosten of een
vergoeding wegens productiviteitsverlies. Deze worden thans vergoed via
de loonkostensubsidie. Zoals hiervoor werd aangegeven, vervalt de
loonkostensubsidieregeling als een zelfstandig instrument. Binnen het
pakket op maat blijft het verstrekken van een loonkostensubsidie echter
tot de mogelijkheden behoren. De maximale vergoeding voor inwerkkosten
of vergoeding van productiviteitsverlies blijft gelijk aan het maximum
van de huidige loonkostensubsidie, zij het, om een betere aansluiting te
krijgen op het plaatsingsbudget, gespreid over drie in plaats van vier
jaar: 25% van het brutoloon van de werknemer gedurende het jaar plus ƒ4000,-
inwerkkosten wordt nu 33 1/3% per jaar plus ƒ4000,- inwerkkosten.
In principe kan ook het pakket op maat worden teruggevorderd, al zal dit
in de praktijk vrij beperkt mogelijk blijken. Het gaat bij het pakket op
maat per definitie om dure investeringen door de werkgever. Mislukt een
reïntegratie, dan zal de werkgever niet zelden reeds kostbare
verplichtingen zijn aangegaan (aanpassingen van gebouwen of machines)
die zich niet zomaar ongedaan laten maken. Het zal duidelijk zijn dat
terugvordering dan niet op zijn plaats is.
d. De relatie tussen de
budgetten, het pakket op maat en de voorzieningen
Zoals hiervoor al kort werd aangegeven, dient een werkgever te kiezen
tussen het aanvragen van een (her)plaatsingsbudget en een pakket op
maat. Beide kunnen niet tegelijk verstrekt worden. Teneinde te
garanderen dat hierbij geen geforceerde en dus bij nader inzien voor de
werkgever onvoordelig uitpakkende keuzes worden gemaakt, geldt voor die
keuze een bedenktijd van drie maanden. Dat betekent dat de werkgever dus
eerst een (her)plaatsingsbudget kan aanvragen. Dat wordt hem
onmiddellijk ter beschikking gesteld. Daarna heeft hij nog drie maanden
om te bezien of de werkelijke kosten die hij voor deze werknemer maakt
hoger zijn dan het hem toegekende budget. Zo ja, dan kan hij alsnog het
pakket op maat aanvragen. Het reeds verstrekte (her)plaatsingsbudget
wordt dan verrekend met de hem toekomende vergoedingen of verstrekkingen
uit het pakket op maat. Het voordeel van deze toekenningsstructuur is
dat de werkgever, in tegenstelling tot de huidige situatie, zeer snel
over extra financiële middelen kan beschikken en direct maatregelen
voor betrokkene kan treffen.
Wellicht ten overvloede nog het volgende. Het feit dat het
(her)plaatsingsbudget op aanvraag en derhalve niet ambtshalve wordt
verstrekt, noch het feit dat de uvi’s, indien aan de
toekenningsvoorwaarden is voldaan, het budget moeten verstrekken, staan
er aan in de weg dat de uvi’s werkgevers of hun arbodiensten
desgevraagd of uit eigen beweging kunnen adviseren over de vraag of het in
het betreffende geval verstandig is een (her)plaatsingsbudget aan te
vragen. Indien een rblz.|51|
uvi vanuit haar ervaring al op het eerste gezicht
ziet dat het voor de werkgever waarschijnlijk voordeliger is een pakket
op maat aan te vragen, staat het haar vrij dit aan de werkgever of zijn
arbodienst te adviseren. Aldus zal in een aantal gevallen kunnen worden
voorkomen dat eerst een (her)plaatsingsbudget wordt aangevraagd, dat
later alsnog in een pakket op maat moet worden omgezet. Het is echter
niet de bedoeling dat de uvi in alle gevallen waarin een budget wordt
aangevraagd ambtshalve nagaat of aanvraag van een pakket voor de
werkgever beter zou zijn. Dit zou immers de toekenning van de
(her)plaatsingsbudgetten alsnog vertragen en is ook, gegeven de
bovengenoemde mogelijkheid van omzetting van een budget in een pakket op
maat, overbodig. Daarnaast geldt dat het uiteindelijk aan de werkgever
is om te kiezen. Besluit hij ondanks een eventueel andersluidend advies
van de uvi een budget aan te vragen, dan dient de uvi dit - mits
uiteraard aan de voorwaarden daarvoor is voldaan - toe te kennen.
Het pakket op maat kan ook verstrekt worden in situaties dat een
(her)plaatsingsbudget niet mogelijk is. Hierbij moet bijvoorbeeld
gedacht worden aan de rol van intermediaires als uitzendbureaus bij de
reïntegratie van arbeidsgehandicapten. De SER
wijst hier in zijn advies
nadrukkelijk op. In paragraaf 6a is aangegeven dat het plaatsingsbudget
zich niet verdraagt met kortdurende arbeid. Indien echter een
uitzendbureau daadwerkelijk overgaat tot het bemiddelen van
arbeidsgehandicapten, dient daarvoor wel een vergoeding te kunnen worden
verleend. Dit kan dan geschieden in de vorm van het toekennen van
onderdelen van het pakket op maat, zoals bijvoorbeeld de
loonkostensubsidie. Ook nu al wordt in bepaalde gevallen subsidie
toegekend aan uitzendbureaus, die dit voordeel dan weer (gedeeltelijk)
doorsluizen naar de inlenende werkgever. Dit zal via de
pakket-op-maatbenadering ook in de toekomst mogelijk blijven. De
pakket-op-maatbenadering biedt dan een bij uitstek geschikt instrument
voor uitzendbureau en uvi om een aan de uitzendsituatie aangepaste wijze
van verrekening af te spreken.
De introductie van budgetten en het pakket op maat impliceert niet dat
de bestaande werkgevers- en werknemersvoorzieningen niet meer
afzonderlijk kunnen worden toegekend. Om verschillende redenen moet het
mogelijk blijven voorzieningen buiten de budgetstructuur om te
verstrekken. In bepaalde gevallen kan geen budget of pakket op maat
verstrekt worden, terwijl er wel behoefte bestaat aan voorzieningen. Bij
werkhervatting in eigen arbeid is dit bijvoorbeeld het geval. Een
werknemer kan gedurende zijn werkzaamheden arbeidsgehandicapt worden en
ter compensatie voor zijn verminderde arbeidsprestatie speciale
apparatuur of aanpassingen van de werkplek nodig hebben. Onder de
huidige wetgeving dient in veel gevallen de werknemer zelf een
voorziening aan te vragen. Onder het regime van de nieuwe wet dient de
werkgever hiertoe actie te ondernemen. Hij dient evenwel niet de
voorziening, doch een vergoeding voor de voorziening bij het Lisv
aan het
vragen. Op deze wijze wordt aangesloten bij de structuur van de
budgetten en het pakket op maat.
Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk voorzieningen overgaan naar de
werkgever en binnen de werkingssfeer van de budgetten en het pakket op
maat worden gebracht. De bedoeling van de budgetstructuur is immers dat
vergoeding van kosten en de aanschaf van voorzieningen zonder verdere
tussenkomst van de uvi, en dus sneller kan geschieden. Een snellere
vergoeding van kosten en verstrekking van voorzieningen bleek een wens
die blijkens de regioconferenties op uitvoeringsniveau sterk leefde. Ook
de SER heeft op de noodzaak hiervan gewezen. De budgetstructuur is het
meest effectief als hiermee ook voorzieningen kunnen worden aangeschaft
die thans nog als werknemersvoorziening worden rblz.|52|
beschouwd. Het gaat
hierbij om aan de werkplek gebonden voorzieningen als meubilair
(speciale werktafels, bureaustoelen, werkrolstoelen, speciale voetenbank
of voetensteun) en apparatuur (computerapparatuur voor
blinden/slechtzienden en doven/slechthorenden en speciale
kapperstoelen).
Het overdragen van werknemersvoorzieningen aan de werkgever kan echter
niet in alle gevallen. Sommige voorzieningen blijven gebonden aan de
werknemer, omdat zij niet aan een bepaalde werkplek gebonden zijn. Te
denken valt hierbij aan vervoersvoorzieningen, vergoedingen voor
communicatievoorzieningen voor doven en jobcoaching. Teneinde te
voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag of een bepaalde
voorziening een werkgevers- of werknemersvoorziening is, wordt in deze
wet aangegeven wat nog onder werknemersvoorzieningen wordt verstaan.
Alle overige voorzieningen zijn dan werkgeversvoorzieningen. Naast
voorzieningen die noodzakelijk worden gedurende de dienstbetrekking van
de arbeidsgehandicapte, blijft behoefte bestaan aan het verstrekken van
voorzieningen aan de werknemer als de arbeidsgehandicapte nog geen werk
heeft. Indien de arbeidsgehandicapte nog niet werkt, zal het hierbij
meestal om scholing gaan. Ook bij proefplaatsing zullen voorzieningen
aan de werknemer moeten kunnen worden toegekend: formeel heeft de
arbeidsgehandicapte die op proef in een bedrijf geplaatst is geen
werkgever die een budget zou kunnen aanvragen. Er is geen
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht vanwege het ontbreken van een
verplichting tot loonbetaling.
Indien de werknemer van baan verandert, zal hij de toegekende
voorziening - indien dit praktisch gezien mogelijk is -
in overleg
met zijn oude en nieuwe werkgever mee kunnen nemen.
e. De budgetten verstrekt
door de gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
Voorgaande toelichting op de budgetstructuur en de relatie met de
voorzieningenstructuur geldt gelijkelijk voor het Lisv, de
gemeenten en
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In de nieuwe situatie zijn gemeenten
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk voor de
verstrekking van voorzieningen, als onderdeel van een pakket op maat of
in het kader van de arbeidstoeleiding. Ook hier dient de uitvoerende
organisatie vaste bedragen aan de werkgever toe te kennen op het moment
dat hij een arbeidsgehandicapte bijstandsgerechtigde of cliënt van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in dienst neemt. Voor de gemeenten
betekent dit een afwijking van de Wiw-systematiek in die
zin dat
krachtens die wet de gemeente beslist over de mate waarin zij gelden ter
beschikking stelt van de werkgever. Een dergelijke praktijk heeft echter
als bezwaar dat de werkgever van te voren niet weet waar hij aan toe is,
zeker niet waar verschillende gemeenten verschillende regels zouden
kunnen opstellen. Om die reden was al besloten de uvi’s op dit punt
geen beleidsvrijheid te geven. Waar dezelfde argumentatie geldt voor
gemeentes en voorts oneigenlijke concurrentie tussen gemeenten en
uvi’s voorkomen moet worden, zal het gemeentelijk systeem hier moeten
aansluiten op het uvi-regime. Hetzelfde geldt voor de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
In de besluitvorming over de plaatsing moet uitsluitsel worden geboden
over de financiering van de benodigde voorzieningen om de plaatsing te
realiseren. De vraag klemt het meest bij het toekennen van
werknemersvoorzieningen. Deze kunnen zeer kostbaar zijn en voor de duur
van het gehele dienstverband noodzakelijk. De financiële
verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de verstrekking van
voorzieningen bij plaatsing rblz.|53|
wordt daarom beperkt tot één jaar.
Dezelfde beperking geldt voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Na het
eerste jaar is het Lisv verantwoordelijk voor de verstrekking van
voorzieningen aan de betrokken werknemer.
f. Onderwijsvoorzieningen
voor jonggehandicapten en studenten
Op grond van de huidige uitvoeringspraktijk van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) bestaat er een op jonggehandicapten en
studenten afgestemde benadering ten aanzien van de verstrekking van
voorzieningen ten behoeve van het volgen van regulier onderwijs.
Al voordat jonggehandicapten de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en
in aanmerking kunnen komen voor een uitkering, kunnen aan hen
voorzieningen worden verstrekt die noodzakelijk zijn om onderwijs te
volgen. De voorzieningen kunnen na het bereiken van de leeftijd van 18
jaar worden voortgezet ongeacht of zij op dat moment op grond van de
mate van hun arbeidsongeschiktheid voor een uitkering in aanmerking
kunnen komen.
Uitgaande van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de diverse
instanties zoals deze in hoofdstuk 5 is beschreven, zou nu in een aantal
gevallen - daar waar geen sprake is van de verstrekking van een
uitkering - het primaat van de voorzieningenverstrekking niet bij de
uvi maar bij Arbeidsvoorziening komen te liggen. Bij die
verantwoordelijkheidsverdeling is evenwel met name uitgegaan van
werkzoekenden, terwijl het hier gaat om onderwijsvolgenden die
vooralsnog niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Met het oog
hierop en om te voorkomen dat de verstrekking van voorzieningen ten
behoeve van het volgen van regulier onderwijs onder verschillende
instanties zou komen te ressorteren, is ervoor gekozen het primaat voor
de verstrekking van voorzieningen voor degenen die regulier onderwijs
volgen bij de uvi te laten.
g. Slot
Tot slot nog een opmerking. In deze paragraaf is een aantal situaties
beschreven die - met name met betrekking tot de
voorzieningenverstrekking - op het eerste gezicht vrij gecompliceerd
zijn. Dit lijkt strijdig met één van de uitgangspunten van dit
wetsvoorstel dat zoveel mogelijk moet worden getracht de regelgeving zo
eenvoudig en begrijpelijk mogelijk te maken. Men dient zich hierbij
echter te realiseren dat het aantal gevallen waarin specifieke
werkvoorzieningen uit een budget betaald worden beperkt is. Voor de
meeste arbeidsgehandicapten zijn geen werkvoorzieningen nodig en spelen
de hierboven beschreven problemen niet. Het aantal gevallen waarin
iemand met een voorziening van baan verandert, is nog beperkter. In
verreweg de meeste gevallen zal de nieuwe systematiek in de praktijk
aanzienlijk eenvoudiger blijken dan de oude situatie. In
uitzonderingsgevallen blijft een zekere bureaucratie onvermijdelijk. Het
is niet mogelijk hier iets aan te veranderen, zonder de rechten van
personen die in bepaalde situaties voorzieningen ontvangen aan te tasten of het systeem voor alle arbeidsgehandicapten weer
gecompliceerder te maken. In het gros van de gevallen zal de hier
voorgestelde budgetstructuur echter een aanzienlijk eenvoudiger en
effectiever systeem zijn.
7. De reïntegratie-uitkering
Bij inwerkingtreding van de Wet Amber is het instrument van
proefplaatsing met een reïntegratie-uitkering ingevoerd. De reden
daarvan was dat het wenselijk werd geacht dat gedeeltelijk
arbeidsgeschikten met rblz.|54|
een WAO- én een WW-uitkering via het verrichten
van onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats werkervaring konden
opdoen. Ingevolge de WW-systematiek is het met behoud van de
WW-uitkering verrichten van arbeid in het economische verkeer niet
mogelijk als die arbeid volgens de in het maatschappelijk verkeer
geldende normen op geld kan worden gewaardeerd. Aangezien de onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats meestal op geld waardeerbaar zouden
zijn, moest buiten de WW om een oplossing worden gevonden. Er is toen
gekozen voor een reïntegratie-uitkering die gedurende de periode van
de proefplaatsing - maximaal drie maanden - in plaats van de
WW-uitkering wordt verstrekt. De reïntegratie-uitkering heeft daarbij
een WW-duur opschortende werking: de WW-uitkering eindigt bij de start
van de proefplaatsing en herleeft indien iemand aan het einde daarvan
geen betaald werk heeft gevonden.
In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld het toepassingsbereik van de
proefplaatsingsregeling op twee punten uit te breiden. Ten eerste zouden
niet alleen WAO-gerechtigden, maar ook WW- of
WBIA-gerechtigde
arbeidsgehandicapten die minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn ervan
gebruik moeten kunnen maken. Meer hierover in paragraaf
9c. Ten tweede
zou de maximumduur moeten worden verlengd tot zes maanden. Daarnaast
wordt voorgesteld arbeidsgehandicapte WW- of WBIA-gerechtigden die een
scholing of opleiding gaan volgen, over de duur van de scholing of
opleiding een reïntegratie-uitkering toe te kennen in plaats van een
WW- of WBIA-uitkering.
Deze voorstellen, die ook in de hoofdlijnennota waren opgenomen, werden
tijdens de regioconferenties positief ontvangen.
Aan het voorstel om ook voor scholende arbeidsgehandicapten een reïntegratie-uitkering
in te voeren, liggen de volgende redenen ten grondslag.
Op dit moment kunnen arbeidsgehandicapten met WW-uitkering met behoud
van die uitkering gedurende maximaal twee jaar scholing volgen. Daarbij
soupeert men echter wel de (eindige) WW-duur op. Artikel 76 WW
bewerkstelligt dat een uitkering die ingevolge de hoofdregels van de WW
tijdens de scholingsduur eindigt, in afwijking van die hoofdregels wordt
doorbetaald tot het beëindigen van de scholing. Zoals ook uit de
regioconferenties naar voren is gekomen, betekent dit echter dat
arbeidsgehandicapten na afronding van de scholing veelal direct zijn
aangewezen op een Abw- of Ioaw-uitkering, of
- met name in geval van
partnerinkomen - zelfs helemaal geen recht op uitkering kan doen
gelden. Ook het Lisv wijst hier in zijn commentaar op. Dit blijkt vaak
een belemmering voor de betrokken arbeidsgehandicapte om deel te nemen
aan de veelal noodzakelijke om-, her- of bijscholing.
Om aan dit probleem het hoofd te bieden, stelt het kabinet voor om, net
zoals dat bij proefplaatsing met WW-uitkering het geval is, gedurende de
scholing de WW-duur op te schorten. Dit kan het eenvoudigst worden
geregeld door het systeem van reïntegratie-uitkeringen ook te laten
gelden voor scholende arbeidsgehandicapten. Daarmee zal ten opzichte van
scholende WW-gerechtigden zonder arbeidshandicap een gunstiger regime
ontstaan. Dit is in de ogen van het kabinet echter gerechtvaardigd
gezien het feit dat arbeidsgehandicapten feitelijk in een andere positie
verkeren dan niet-arbeidsgehandicapte werklozen. Arbeidsgehandicapten
hebben immers een zwakkere arbeidsmarktpositie dan "gewone" werklozen
en zullen vaker ingrijpend moeten om-, her- of bijscholen, willen zij
weer een goede kans maken op de arbeidsmarkt. Door de opschortende
werking krijgt de arbeidsgehandicapte nu meer tijd om zijn rblz.|55|
kansen op de
arbeidsmarkt te vergroten. De koppeling van de hoogte van de reïntegratie-uitkering
aan de hoogte van de WW- of WBIA-uitkering voorafgaande aan het gaan
volgen van de scholing leidt er bovendien toe dat het bedrag van de reïntegratie-uitkering
in principe wordt gefixeerd.
Een tweede voordeel van het kiezen voor een systeem van scholing met reïntegratie-uitkering
in plaats van met behoud van WW- of WBIA-uitkering
is dat hiermee een
uitvoeringsprobleem wordt opgelost. Beslissingen over scholing met
behoud van WW- of WBIA-uitkering voor arbeidsgehandicapten kosten op dit
moment te veel tijd. Dit komt onder meer doordat bij de uvi’s over het
algemeen WAO- en WW-aanvragen door verschillende afdelingen worden
behandeld. Door te kiezen voor een in de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten neer
te leggen systeem van scholing met reïntegratie-uitkering voor
arbeidsgehandicapten zal de scholingsbeslissing door één afdeling
kunnen worden genomen.
8. De
kwijtscheldings-
en kortingsregeling basispremie WAO
In het kader van de Pemba is de
kwijtscheldings- en kortingsregeling
basispremie WAO geïntroduceerd. Werkgevers die 5% of meer van hun
loonsom besteden aan arbeidsgehandicapte werknemers, krijgen een
kwijtschelding van de WAO-basispremie over het loon van die
arbeidsgehandicapte werknemers.
Deze regeling betekent een extra stimulans om arbeidsgehandicapten in
dienst te nemen of te houden. Indien een kleine werkgever aan de termen
voor de premiekwijtschelding voldoet, levert hem dat bijvoorbeeld bij
een werknemer op minimumloonniveau nog eens ruim
ƒ2000,- aan
bespaarde WAO-premie op. Dit voordeel komt naast het hem al toe te
kennen (her)plaatsingsbudget of het pakket op maat. De premiekorting
wordt verleend zolang betrokkene als arbeidsgehandicapt wordt beschouwd
(zie hoofdstuk 3).
De premiekwijtscheldingsregeling is niet alleen van toepassing bij het
in dienst nemen van arbeidsgehandicapte werknemers. Aanvullend geldt er
een kortingsregeling op de basispremie WAO voor werkgevers die in een
bepaalde mate werk uitbesteden aan Wsw-bedrijven. Het
in dienst hebben
van arbeidsgehandicapte werknemers en uitbesteding van werk aan de sociale
werkvoorziening zijn complementair. Werkgevers kunnen van beide
mogelijkheden tegelijkertijd gebruik maken. De mogelijkheid om door het
plaatsen van Wsw-orders een premievrijstelling te verwerven, biedt ook
aan werkgevers die gezien de grootte en de aard van hun bedrijf mogelijk
niet in staat zijn arbeidsgehandicapte werknemers aan te stellen, een
stimulans om een bijdrage te leveren aan de arbeidsparticipatie van
arbeidsgehandicapte werknemers. Bij de behandeling van het wetsvoorstel Pemba
in de Tweede Kamer is een amendement van het lid Van Nieuwenhoven
aanvaard (Kamerstukken II 24 758, nr. 21). Dit amendement houdt in dat
ook de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de loonsom van
arbeidsgehandicapte werknemers gerekend wordt. Tevens krijgt een
werkgever naast de premiekwijtschelding ook een premiekorting voor de
rest van zijn personeel. Deze premiekorting geldt indien de loonsom
gelijk is aan vijftienmaal de gemiddelde loonsom. Ook deze korting komt boven
op het toe te kennen budget.
In het kader van dit wetsvoorstel wordt een staffeling van de
premiekwijtscheldingsregeling voorgesteld. Een bezwaar dat van
verschillende zijden tegen de premiekwijtscheldingsregeling werd
ingebracht (zie bijvoorbeeld de ingetrokken motie-Rosenmöller, Kamerstukken
II 24 758, nr. 18) is dat deze te veel een
alles-of-nietskarakter heeft. Een werkgever die 5% of meer van de
loonsom besteedt aan arbeidsgehandicapte rblz.|56|
werknemers, verkrijgt het
volledige voordeel van deze regeling en wie dat niet haalt, verkrijgt
geen enkel voordeel. Een meer geleidelijk verloop zou ervoor kunnen
zorgen dat een werkgever sneller financieel voordeel kan behalen bij het
in dienst nemen (houden) van een arbeidsgehandicapte werknemer. Ook de NCCZ
acht staffeling een belangrijke verbetering van het bestaande
instrumentarium. Bij nadere bestudering van deze materie is het kabinet
tot de conclusie gekomen dat de premiekwijtscheldingsregeling inderdaad
effectiever is indien ook kleinere stapjes direct tot financieel
voordeel van de werkgever leiden. Derhalve wordt hier voorgesteld een
staffeling in te voeren, inhoudende dat percentages van 3, 4 en 5
leiden tot een voordeel ter grootte van een derde, twee derde en de
gehele premievrijstelling en -korting.
Een nadeel van een dergelijke staffeling is dat deze tot een zekere
complicering van de uitvoering zal leiden. Het Lisv
stelt in zijn
commentaar dat de premiekwijtscheldingsregeling reeds complex is en dat
die complexiteit door staffeling nog wordt vergroot. Alles afwegende
echter, zijn wij van mening dat de voordelen vanuit een oogpunt van
intensivering van het reïntegratiebeleid de nadelen overtreffen. Voor
de kleine werkgever zal staffeling niet zoveel praktische betekenis hebben
(tot twintig werknemers is één arbeidsgehandicapte genoeg om aan 5% te
komen) maar voor middelgrote en grotere ondernemingen des te meer.
Gezien het voorgaande waarschuwt de SER terecht voor
administratievelastenverzwaringen. Consequentie van deze regeling mag
niet zijn dat de werkgever een aparte administratie van
arbeidsgehandicapten moet bijhouden of dat hij ingewikkelde
berekeningen moet aanleveren waarover dan weer conflicten met zijn uvi
kunnen ontstaan. De werkgever die arbeidsgehandicapten in dienst heeft,
zal de premiekwijtschelding moeten aanvragen, doch de uvi zal de
aanvraagprocedure zo eenvoudig mogelijk moeten houden. Indien
noodzakelijk zal zij de werkgever actieve ondersteuning bij de aanvraag
moeten geven. In de uitvoeringsregels ter zake zal hieraan uitdrukkelijk
aandacht moeten worden besteed.
Een vraag die in dit kader nog beantwoord moet worden, is in hoeverre er
naast de positieve insteek die de premiekwijtscheldingsregeling biedt,
er nog behoefte blijft bestaan aan de quoteringsregeling uit de Wagw.
Het moge duidelijk zijn dat van positieve prikkels in het algemeen meer
verwacht kan worden dan van negatieve en dat is ook wat met dit
wetsvoorstel benadrukt wordt. Toch wil het kabinet vooralsnog niet
afzien van quotering als mogelijkheid (als stok achter de deur, om zo te
zeggen). Mocht immers blijken dat dit wetsvoorstel op bepaalde gebieden
faalt, mochten bepaalde sectoren sterk achterblijven bij het in dienst
nemen van arbeidsgehandicapten, dan zou altijd nog overwogen kunnen
worden of een vorm van quotering gewenst is. Het kabinet gaat er zeker
niet vanuit dat dit waarschijnlijk is, doch het zou een stap te ver
voeren om op dit moment reeds te concluderen dat ook in de toekomst geen
behoefte aan nadere ingrepen meer zou kunnen ontstaan. Vandaar dat
quoteringsbepalingen in dit wetsvoorstel vooralsnog gehandhaafd blijven.
9. Overig
instrumentarium
In de hoofdlijnennota was aangekondigd dat ook een aantal bestaande
regelingen zou worden aangepast. In dit hoofdstuk wordt daar nader op
ingegaan.
a. Artikel 29b
Ziektewet
Voorgesteld wordt de werkingssfeer van artikel 29b
Ziektewet aan te rblz.|57|
passen. Dit artikel regelt dat niet de werkgever van een
arbeidsgehandicapte werknemer bij ziekte van die werknemer het loon
behoeft door te betalen, doch dat betrokkene een ziekengelduitkering
krijgt van de uvi. In de praktijk is, zoals bij de voorbereiding van
dit wetsvoorstel tijdens onder meer de regioconferenties verschillende malen
naar voren is gebracht, artikel 29b ZW één van de meest effectieve
reïntegratie-instrumenten.
Ook de meeste instellingen die commentaar geleverd hebben op de
hoofdlijnennota wensten uitbreiding van deze regeling. Thans geldt de
overname van de loondoorbetalingsverplichting voor een periode van drie
jaar. Hier wordt voorgesteld de duur van die periode te verlengen tot
vijf jaar. Op deze wijze wordt ook het risico afgedekt van werknemers
voor wie voor langere tijd onzekerheid blijft bestaan omtrent een
mogelijke hernieuwde uitval wegens ziekte.
Dit
wetsvoorstel bevat overigens echter ook enige inperking van de
werking van artikel 29b ZW. Onder de huidige regeling kan daarop
aanspraak worden gemaakt voor iedere werknemer die het wachtjaar voor de
WAO doorlopen heeft, onverschillig of betrokkene arbeidsongeschikt is
bevonden en onafhankelijk van de vraag of de betrokken werknemer
belemmeringen op de arbeidsmarkt ondervindt. Dit betekent dat ook
personen onder de werking van dit artikel kunnen vallen die in het
geheel geen uit ziekte of gebrek voortvloeiende belemmeringen
ondervinden, bijvoorbeeld bij personen die na een arbeidsconflict een
jaar "ziek" zijn geweest. Deze ruime toepassing was onvermijdelijk
omdat bij de invoering van artikel 29b
ZW nog geen onderscheid kon
worden gemaakt tussen personen met en personen zonder een
arbeidshandicap. In de systematiek van deze wet vindt bij het einde van
het wachtjaar een systematische toetsing plaats van de vraag of een
werknemer als arbeidsgehandicapt moet worden beschouwd. Is dit het
geval, dan valt hij onder de werking van artikel 29b. Is dit niet het
geval, dan kan dit artikel niet worden toegepast.
Zoals hiervoor al werd aangegeven, zou het volgens het kabinet een stap
te ver voeren om generiek voor de groep chronisch en progressief zieken
een aparte 29b-regeling te treffen. Wel willen wij onderzoeken of het in
de praktijk haalbaar is om bij individuele arbeidsgehandicapten tot
verlenging te komen van de vijfjaarsperiode, in die gevallen waarin
duidelijk sprake is van een ernstig risico op hernieuwde uitval over
zeer lange perioden. Nagegaan zal worden of er een redelijk af te
bakenen groep van personen is die daarvoor in nader aan te geven
situaties in aanmerking kan komen.
b. Loonsuppletie
Een tweede instrument waarvan de werkingssfeer wordt uitgebreid is de
loonsuppletie. Op basis van deze regeling kan de uitkering van een
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikte worden aangevuld indien deze
werkzaamheden als werknemer hervat tegen een loon beneden zijn
theoretische verdiencapaciteit. In de huidige systematiek is een
dergelijk aanvulling echter alleen mogelijk indien betrokkenen een WAO-uitkering ontvangt. Dat betekent dat een persoon die bij het einde
wachttijd of later voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt
verklaard, daar geen aanspraak op kan doen gelden. Iemand die in die
situatie verkeert en werk accepteert waarvan het loon minder is dan zijn
theoretische verdiencapaciteit, zoals die bij de
arbeidsongeschiktheidsschatting werd vastgesteld, kan dus geen beroep
doen op de suppletieregeling. Hierin kan een belemmering bestaan voor
arbeidsongeschikten om ander werk te aanvaarden. Met name is dit een
probleem voor de arbeidsgehandicapte wiens problemen mede samenhangen
met een hoge belasting in diens voorgaande werkkring. Het is dan het
beste als de rblz.|58|
werkhervatting plaatsvindt in een minder zware (doch
eventueel minder betaalde) functie. Vanuit de systematiek van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen mogen hieruit geen belemmeringen
voortvloeien. Op basis van het uitgangspunt dat het altijd
aantrekkelijker moet zijn de werkzaamheden te hervatten, wordt derhalve
voorgesteld de loonsuppletieregeling ook van toepassing te doen zijn op
al diegenen die bij de arbeidsongeschiktheidskeuring niet
arbeidsongeschikt, doch wel arbeidsgehandicapt zijn bevonden. Voorts
wordt de regeling verbreed tot zelfstandigen die arbeidsongeschikt zijn
geraakt en die als werknemer willen reïntegreren.
c. Proefplaatsing
Zoals in het voorgaande reeds werd aangekondigd, wordt de maximale duur
van de bestaande proefplaatsingsregeling (met reïntegratie-uitkering)
uitgebreid tot zes maanden. Daarnaast komen ook WW- of
WBIA-gerechtigde
arbeidsgehandicapten zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering daar nu voor
in aanmerking. Tijdens de regioconferenties bleken deze voorstellen uit
de hoofdlijnennota positief te zijn ontvangen. Met een langere termijn,
een ruimere doelgroep en een aparte reïntegratie-uitkering zal van het
instrument proefplaatsing een beter gebruik gemaakt kunnen worden. In
principe kunnen alle arbeidsgehandicapten met een WW- of WBIA-uitkering
nu op proef gaan werken, zonder dat dit consequenties heeft voor het
bedrag aan uitkering en zonder veel administratieve problemen op
uitkeringsgebied. Dit geldt óók voor proefplaatsing bij de eigen
werkgever, mits het eerste ziektejaar achter de rug is. (De op de
werkgever rustende plicht tot loondoorbetaling, die doorgaans tijdens
het eerste ziektejaar bestaat, dient er naar mening van het kabinet toe
te leiden dat het proefplaatsingsinstrument in dat jaar niet kan worden
ingezet). Voor werkgevers brengt het geen enkele risico met zich om het
eens met de betrokken persoon te proberen. Het instrument proefplaatsing
kan ook worden aangewend bij bemiddeling door uitzendbureaus.
Overigens wordt opgemerkt dat via het voorliggende wetsvoorstel de
Ioaw, Ioaz en Abw zo worden
aangepast dat ook die wetten de mogelijkheid van
proefplaatsing zullen kennen. Hiervan zullen dan arbeidsgehandicapten
met een uitkering van de gemeente gebruik kunnen maken. Omdat
opschorting van rechten en duren in die wetten niet nodig is, terwijl
ook, anders dan in de WW of de WBIA, het recht op uitkering bij het
verrichten van onbeloonde werkzaamheden niet automatisch eindigt, kan
voor die wetten worden volstaan met te bepalen dat tijdens de
proefplaatsing niet aan een aantal uitkeringsverplichtingen (de
verplichting om naar vermogen te trachten arbeid te verkrijgen en de
verplichting om passende arbeid te aanvaarden) hoeft te worden voldaan.
d. Reïntegratie van
zelfstandigen
In de hoofdlijnennota werd aangegeven dat het kabinet overwoog om voor
cliënten van de uvi’s en van Arbeidsvoorziening startersfaciliteiten
in het leven te roepen vergelijkbaar met de regeling in het kader van
de Abw. Het Lisv
achtte deze passage, aldus zijn commentaar, moeilijk te
begrijpen, aangezien op basis van het huidige artikel 57a, eerste lid,
AAW
financiële ondersteuning kan worden verstrekt aan personen die
zelfstandige arbeid gaan verrichten. Dat is inderdaad correct. De
bedoeling van de betrokken passage uit de hoofdlijnennota was aan te
geven dat het de voorkeur verdient voor uvi-klanten een startersregeling
in het leven te roepen die ook daadwerkelijk wordt toegepast. Zoals het
Lisv in zijn commentaar ook aangeeft, is dit bij de bestaande regeling
immers nauwelijks het geval. In het verleden is door
bedrijfsverenigingen rblz.|59|
geen eenduidig beleid ontwikkeld. Als verdere
oorzaken van het gebrekkig functioneren van de huidige regeling noemt
het Lisv een gebrekkig animo bij cliënten, die de regeling immers zelf
moeten aanvragen, en het feit dat de regeling nog niet lang van kracht
is.
Het is op deze punten dat wij van mening zijn dat er een eenduidig
beleid ontwikkeld moet worden. Het Lisv kondigt in zijn commentaar aan
in overleg te willen treden met overkoepelende vertegenwoordigers van de
sociale diensten, teneinde te bezien of gekomen kan worden tot een
afbakening tussen het Bijstandsbesluit [Besluit
bijstandverlening zelfstandigen, red.] en de startersregeling in de
sfeer van de sociale verzekeringen (sv). Het Lisv wijst erop dat de
wetgever dan wel dient aan te geven wat op dit gebied wordt beoogd.
Om een aanknopingspunt te bieden voor de gewenste verbeteringen op dit
terrein, wordt in dit wetsvoorstel een bepaling opgenomen krachtens
welke bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld
met betrekking tot het verstrekken van krediet of het verlenen van
borgtocht door het Lisv/de uvi. In die maatregel kan worden bepaald dat
alvorens tot verstrekking van krediet wordt overgegaan aan derden
(gemeentelijke instellingen of gespecialiseerde adviesorganen) advies
wordt gevraagd over het door de arbeidsgehandicapte over te leggen
bedrijfsplan, waarbij de levensvatbaarheid van het bedrijf wordt
getoetst. De algemene maatregel van bestuur kan helaas niet onmiddellijk
worden opgesteld. Dit najaar zal een evaluatie van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) plaatsvinden, waarin ook de
problematiek van de starters die onder de uvi’s vallen aan de orde zal
komen. In vervolg daarop streeft het kabinet ernaar de regeling voor
startende zelfstandigen met een arbeidshandicap te vereenvoudigen en
voor de gehele doelgroep heldere criteria te formuleren. Ook de
afgrenzing van bevoegdheden tussen uvi’s en gemeenten zal daarbij aan
de orde komen. In ieder geval lijkt bundeling van expertise daarbij
gewenst, omdat de startersproblematiek toch een zeer specifiek onderwerp
is. Uiteindelijk zal één en ander worden geregeld in een algemene
maatregel van bestuur waarover de Kamer nader zal worden geïnformeerd.
e. Persoonsgebonden reïntegratiebudget
In de hoofdlijnennota gaf het kabinet aan, mede gezien de breed
gesteunde motie van het lid Rosenmöller (Kamerstukken II 1996-1997, 25
000, nr. 27), te overwegen een experiment te starten met een
persoonsgebonden reïntegratiebudget en het advies van de NCCZ
over een
mogelijke invulling ervan af te wachten. Dit voorstel van het kabinet
over het starten van een experiment is positief ontvangen. Ook de SER
staat naast de NCCZ en de andere organisaties die commentaar leverden op
de hoofdlijnennota positief ten opzichte van een experiment met een
dergelijk budget. Men ziet een dergelijk budget als een gewenste
uitbreiding van het bestaande reïntegratie-instrumentarium. Anderzijds
ligt het ook volgens diverse organisaties gezien de complexiteit van de
problematiek niet voor de hand het persoonsgebonden budget onmiddellijk
in een structurele regeling uit te werken. In het kader van dit
wetsvoorstel wordt daarom de mogelijkheid tot het houden van een
experiment gecreëerd. Conform het in de brief van de Staatssecretaris
van SZW ¹ uiteengezette beleid stelt het kabinet zich daarbij voor dat
het Lisv samen met de NCCZ een concept-regeling opstelt. Een verzoek
voor het uitwerken van een projectvoorstel is daartoe reeds aan de NCCZ
gedaan. Indien de inhoud van de concept-regeling ook in de ogen van de
Minister van SZW aan de ermee beoogde beleidsdoelen tegemoet komt, zal
deze het Ctsv vragen de concept-regeling op toezichtbaarheid te toetsen.
Bij een positief oordeel zal de regeling worden omgezet in een ministeriële
regeling die ter beoordeling aan de Eerste en Tweede Kamer zal worden rblz.|60|
gezonden. Uiterlijk na vier
jaar zal de Minister van SZW een evaluatie van het experiment met de
persoonsgebonden budgetten aan het parlement zenden. Indien de
resultaten van dit experiment positief zijn, zal een structurele
regeling getroffen kunnen worden.
1.
Kamerstukken II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 52.
f. Scholingsinstituten
In het kader van dit wetsvoorstel dient voorts nog aandacht te worden
geschonken aan de erkende, specifiek voor arbeidsgehandicapten bedoelde
scholingsinstituten (Werkenrode, Sonneheerdt, Hoensbroeck, EEGA en
Heliomare).
Voor de reïntegratie van werkzoekenden vormt scholing een belangrijk
instrument. Voor een deel van de werkzoekende arbeidsgehandicapten
kunnen de reguliere scholingsinstituten onvoldoende op de specifieke
situatie toegesneden trajecten leveren, dit met name gezien de aard van
hun handicap. Voor de toegang tot de arbeidsmarkt is het voor deze
personen wel van belang dat ze de mogelijkheid krijgen tot het volgen
van een korte arbeidsmarktgerichte cursus of het behalen van een eerste
startkwalificatie. Om de mogelijkheid tot een integrale op reïntegratie
gerichte aanpak mogelijk te maken, zijn positie en financiering van de
scholingsinstituten opgenomen in deze wet.
Aangegeven wordt dat, in het kader van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, het ministerie van OCW de (financiële)
verantwoordelijkheid draagt voor de initiële opleiding, ook voor die
van gehandicapten.
Wat betreft de reïntegratie van werkzoekende gehandicapten berust de
verantwoordelijkheid bij gemeenten, uvi’s en
Arbeidsvoorziening,
afhankelijk van het uitkeringsregime. Zij kunnen bij de
scholingsinstituten de noodzakelijk scholingstrajecten inkopen.
Wat betreft de financiering is gekozen voor een combinatie tussen
basisfinanciering en inkoop. Hiervoor wordt gekozen omdat anders de
kosten van een scholingstraject zo hoog zijn dat deze een drempel zouden
kunnen vormen voor de inkoop.
Onder basisfinanciering vallen alle specifieke
kosten die moeten worden gemaakt om de instituten toegankelijk te maken
voor de doelgroep. (Voor deze kosten, zie paragraaf 14c).
Wat betreft de inkoop gaat het kabinet ervan uit dat gedurende de
komende vijf jaar het aantal plaatsingen bij de scholingsinstituten
overeenkomt met het aantal plaatsingen in 1997.
10. Rechtmatigheid en
doelmatigheid bij het verstrekken van budgetten
Een zaak die vooral in verband met de budgetstructuur de aandacht
verdient, is de vraag of het systeem zoals dat hier wordt voorgesteld
wel evenwichtig genoeg is. Worden voor sommige werknemers de budgetten
niet te gemakkelijk toegekend? Leidt het systeem van
(her)plaatsingsbudgetten er niet toe dat werkgevers alleen personen
aannemen die in geringe mate arbeidsgehandicapt zijn en dat de
instellingen belast met de reïntegratie hun inspanningen voornamelijk
richten op de minder ernstige gevallen om beter te "scoren" ("afroming")?
Kent het systeem voldoende checks en balances?
Deze vragen zijn bij het opstellen van dit
wetsvoorstel een belangrijk
punt van aandacht geweest. Twee zaken staan daarbij voorop. In de eerste
plaats geldt natuurlijk het algemene uitgangspunt van wetgeving dat rblz.|61|
financiële vergoedingen niet op onjuiste gronden moeten worden
verstrekt. De wetgeving dient daarbij helder te zijn en de verstrekking
moet rechtmatig geschieden. De vraag die hier aan de orde is, is of de
voorgestelde budgetstructuur zich niet te gemakkelijk leent voor
manipulatie.
De tweede harde voorwaarde is dat de budgetstructuur doelmatig moet
zijn. Zij zal de arbeidsmarktkansen van de betrokken personen moeten
vergroten. Het zal duidelijk zijn dat een systeem waarin alleen de
"eenvoudiger"
gevallen aan het werk geholpen worden niet is beoogd.
a. Rechtmatigheid
Op het punt van de rechtmatigheid van het verstrekken van de budgetten
dient men in het oog te houden dat de verstrekking geschiedt aan de hand
van in de wet geformuleerde criteria. Dit betekent dat direct uit de
desbetreffende wettelijke bepalingen afgeleid moet kunnen worden voor
wie en wanneer een budget verstrekt kan worden. Zijn die bepalingen niet
voor tweeërlei uitleg vatbaar en valt de arbeidsgehandicapte binnen de
daar gegeven criteria, dan zijn de kansen op oneigenlijk gebruik of
onrechtmatige toepassing gering.
Bij toekenning van het plaatsingsbudget is de garantie dat de verstrekte
budgetten goed terechtkomen gelegen in het feit dat het begrip
arbeidsgehandicapte nauwkeurig omschreven is en dat er zo nodig een
toets dient plaats te vinden. Het arbeidsgehandicapt zijn volgt immers
óf direct uit de wet (indien uit bepaalde omstandigheden zonder meer
kan worden afgeleid dat er sprake is van een arbeidshandicap), óf uit
het feit dat er een toets is geweest - door een ter zake deskundige
instelling - waarbij een persoon expliciet als arbeidsgehandicapte is
aangemerkt. Dit betekent dat personen met wie relatief weinig aan de
hand is bij indiensttreding geen budget voor hun werkgever met zich
brengen. Met deze beoordelingsstructuur kan erop vertrouwd worden dat
degene die als arbeidsgehandicapt wordt aangemerkt dat ook daadwerkelijk
is.
Het tweede element voor het verstrekken van een plaatsingsbudget is dat
er een dienstbetrekking tot stand moet zijn gekomen. In artikel 1 van
het wetsvoorstel is aangegeven wat daar onder moet worden verstaan: een
dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WAO (met name: een
arbeidsovereenkomst) of een op grond van artikel 4 of
5 van de WAO
daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding. Ook dit criterium is daarmee
voldoende objectief. Natuurlijk zouden bepaalde werkgevers kunnen
trachten arbeidsovereenkomsten te fingeren teneinde in aanmerking te
komen voor een plaatsingsbudget, maar het risico hierop moet toch gering
worden geacht. Het aangaan van een arbeidsovereenkomst, zelfs indien
deze fictief is, heeft in de praktijk nu eenmaal veel consequenties voor
de betrokken partijen: door het aangaan van een arbeidsovereenkomst
wordt de ene persoon immers werkgever en daarmee premieplichtig en de
andere persoon wordt werknemer en kan aanspraak maken op loon. De
werkgever zal zich dus moeten aanmelden, hij zal een voorschotpremie
moeten betalen en hij zal een budget moeten aanvragen, voor een met naam
en toenaam bekende arbeidsgehandicapte. Kortom: men zal de aandacht op
zichzelf moeten vestigen. Al met al maken die feiten dat het kabinet het
misbruikrisico gering acht.
De conclusie met betrekking tot de rechtmatigheid bij het verstrekken
van plaatsingsbudgetten moet dan ook luiden dat deze in het algemeen
rechtmatig verstrekt zullen worden.
rblz.|62|
b. Doelmatigheid
Met betrekking tot de doelmatigheid is onder meer van belang of personen
met een geringe arbeidshandicap meer voordeel van de budgetstructuur
ondervinden dan personen met een ernstiger gebrek. Daarbij dient
onderscheid te worden gemaakt tussen de situatie dat de
arbeidsgehandicapte zelf werk vindt en die gevallen waarin hij via een
uitvoeringstelling aan werk wordt geholpen. Indien een gehandicapte
werknemer zelf werk vindt, zal de mededeling van de werknemer dat hij
een budget "meebrengt" de werkgever over kunnen halen hém - en
niet een reguliere werknemer - aan te nemen. Het budget is dan
uitermate doelmatig. De vraag zou ook nog kunnen worden gesteld of de
werkgever in de situatie dat hij bij het aannemen van personeel de keuze
heeft tussen twee arbeidsgehandicapten niet voor de "minst"
arbeidsgehandicapte zal kiezen. Ook hier zien wij geen werkelijk
probleem. Het is de werkgever bij sollicitaties immers niet toegestaan
de gezondheidstoestand van zijn sollicitanten te beoordelen. En zelfs
als hij dit wel zal doen, is er nauwelijks een methode denkbaar volgens
welke hij de arbeidshandicap van de ene werknemer kan afwegen tegen die
van de andere. Voorspellingen op dit gebied zijn hoe dan ook niet
mogelijk.
Een tweede vraag in dit verband is of een uitvoeringsinstelling het
onderscheid tussen ernstig en minder ernstig arbeidsgehandicapten kan
maken en daar zijn beleid op zal afstemmen. In de huidige reïntegratie-
en
bemiddelingspraktijk bestaat een verdeling van arbeidsgehandicapten naar
de mate van afstand tot de arbeidsmarkt. Een uvi zou ervoor kunnen
kiezen de nadruk te leggen op reïntegratie van personen met de
geringste afstand tot de arbeidsmarkt. De consequentie van deze vorm van
afroming zou zijn dat de betrokken uvi relatief veel budgetten verstrekt
en in die zin succesvol zou lijken. In dit verband is echter van belang
dat de uvi’s hun reïntegratie-inspanningen niet zonder meer kunnen
beperken tot makkelijk plaatsbaren. Jaarlijks worden er met het Lisv
afspraken gemaakt over een taakstelling op het gebied van reïntegratie.
In de hoofdlijnennota is reeds geschetst hoe dit in de praktijk vorm
moet krijgen. Ieder jaar neemt het Lisv in zijn plan van werkzaamheden
op hoeveel arbeidsgehandicapten het verwacht te reïntegreren. Tevens
bepaalt het Lisv een gemiddeld voor de reïntegratie benodigd bedrag.
Het Reïntegratiefonds wordt vervolgens op basis van de ramingen van het
Lisv gevuld. De algemene taakstelling die het Lisv in zijn jaarplan
heeft neergelegd, wordt vertaald in taakstellingen per
uitvoeringscontract en na uitonderhandeling neergelegd in de
jaarovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen. De
uitvoeringsinstellingen dienen dan per contract de taakstellingen te
halen. Om afroming te voorkomen, kan bij die contracten rekening
gehouden worden met de arbeidsmarktpositie van de arbeidsgehandicapte.
Indien het deelbudget overschreden dreigt te worden en de
uitvoeringsinstelling voorziet aanvullend budget nodig te hebben, dient
zij daartoe een aanvraag in bij het Lisv. Verhoging van het budget door
het Lisv zal vooral in de rede liggen wanneer met het eerder toegekende
budget ten minste de aanvankelijke reïntegratietaakstelling (inclusief
gemaakte afspraken over aantallen per "moeilijkheidsgraad") is
gerealiseerd. Het moge duidelijk zijn dat binnen een dergelijk systeem
de mogelijkheden tot afroming beperkt zijn.
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat het Lisv de bevoegdheid krijgt
regels te stellen ingevolge welke toekenning van een
(her)plaatsingsbudget geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd als
dezelfde werkgever voor een zelfde werknemer een nieuw budget aanvraagt.
Ook aldus zal rblz.|63|
oneigenlijk of ondoelmatig gebruik van budgetten kunnen
worden tegengegaan.
Gezien het bovenstaande verwacht het kabinet van de budgetstructuur
derhalve geen ongewenste neveneffecten in de vorm van afroming of
oneigenlijk gebruik.
c. Rechtmatigheid en
doelmatigheid bij het herplaatsingsbudget
In principe zijn er op het punt van de rechtmatigheid van toekenning
weinig verschillen tussen het plaatsings- en het herplaatsingsbudget.
Wel een verschil is de rol van de arbodienst. Men zou zich kunnen
afvragen of de arbodienst, die adviseert over de toekenning van het
herplaatsingsbudget, deze taak wel voldoende onafhankelijk kan
vervullen, omdat hij door de werkgever betaald wordt. Men dient zich
echter te realiseren dat de rol van de arbodienst uiteindelijk van
adviserende aard is en een uvi daar wel goed zicht op blijft houden. Het
advies van de arbodienst om een werknemer als arbeidsgehandicapt te
beschouwen en dientengevolge een herplaatsingsbudget of een budget op
maat toe te kennen, zal in de praktijk onderdeel zijn van het reïntegratieplan
dat de werkgever met ondersteuning van zijn arbodienst bij de uvi moet
indienen op grond van artikel 71a WAO. In
hoofdstuk 6 van deze memorie is
uiteengezet welke werkwijze sinds 1 september 1997 wordt gevolgd bij het
indienen en toetsen door de uvi van deze reïntegratieplannen. De kern
daarvan is dat de informatie door werkgever/arbodienst aan de uvi wordt
geconcentreerd op die gevallen waarbij een actieve betrokkenheid door de
uvi vanuit haar poortwachtersfunctie noodzakelijk is. Dat betreft de
gevallen waarin een werkhervatting bij de eigen werkgever binnen acht
maanden niet zonder meer te verwachten is. Daarbij horen zeker ook die
gevallen waarin bijzondere inspanningen nodig zijn om de reïntegratie
in het eigen bedrijf te bewerkstelligen. In elk geval is ook voorwaarde
voor het toekennen van het predikaat arbeidsgehandicapt en eventueel een
budget, dat een volledig reïntegratieplan wordt ingediend.
De actieve toetsing door de uvi van reïntegratieplannen waarbij
werkhervatting bij de eigen werkgever twijfelachtig is, betekent ook dat
de uvi er zicht op heeft of de arbodienst zich evenredig inspant voor
moeilijk en minder moeilijk te reïntegreren werknemers. De uvi heeft
mogelijkheden om ingeval werkgever/arbodienst onvoldoende inspanningen
leveren om reïntegratie in het eigen bedrijf te bewerkstelligen,
corrigerend op te treden. Indien het door werkgever/arbodienst
ingediende plan inadequaat is, kan zij verbeteringen aanbrengen. De
werkgever is alsdan gehouden tot uitvoering van dit verbeterde plan.
Het systeem is erop gericht dat werkgevers en arbodiensten in de regel
zonder dat corrigerende acties van de uvi’s nodig zijn adequate reïntegratieplannen
opstellen en uitvoeren. Arbodiensten dienen als deskundige en
onafhankelijke adviseur gecertificeerd te zijn. Correcties door de uvi
op reïntegratieplannen waaraan een arbodienst heeft meegewerkt, brengen
die dienst ook in de problemen met de werkgever/opdrachtgever. De
dienst zal proberen dit te voorkomen.
De actieve toetsing van reïntegratieplannen door de uvi’s betekent
niet dat aan alle ingediende plannen evenveel aandacht behoeft te worden
gegeven door de uvi. Omdat de uvi’s via de reïntegratieplannen zicht
hebben op het geheel van inspanningen van arbodiensten en werkgevers,
wordt ervaringskennis opgebouwd op grond waarvan het meest actief
toetsend opgetreden kan worden waar dat het meest nodig is. Met de
nieuwe werkwijze is ook overeengekomen dat Lisv/uvi’s de prestaties op
het gebied van reïntegratie van arbodiensten en (groepen van) rblz.|64|
werkgevers systematisch statistisch vastleggen. Daarmee kunnen de
inspanningen van de uvi’s zelf mede gestuurd worden en kan ook, ingeval een arbodienst stelselmatig onder de maat zou presteren, daarvan
een signaal worden afgegeven bij de certificerende instelling.
Het kabinet verwacht dan ook dat binnen dit aangegeven kader de
arbodiensten hun werkzaamheden ter zake op zorgvuldige wijze zullen
(moeten) verrichten.
Tot slot nog een opmerking over het risico van "dead weight loss" dat
het Lisv in zijn commentaar aanvoert. Het gaat hier om het meer algemene
probleem dat met name herplaatsingsbudgetten worden verstrekt voor
personen die ook zonder zo’n instrument het werk wel zouden hebben
hervat. Nu moet een zekere mate van "dead weight loss" geaccepteerd
worden: dat is de prijs die betaald moet worden voor een snelle en
effectieve verstrekkingsprocedure. Zoals uit de hiervoor gegeven uitleg
van de gang van zaken bij het herplaatsingsbudget moge blijken, kent het
systeem echter voldoende checks en balances om te voorkomen dat de
verstrekking van de herplaatsingsbudgetten uit de hand loopt.
11.
Informatievoorziening
Het belangrijkste doel van dit wetsvoorstel is te zorgen dat
arbeidsgehandicapten een betere positie op de arbeidsmarkt krijgen en
dat zij in grotere aantallen aan het werk komen dan tot nu toe het geval
was. Of dit gewenste effect wordt bereikt, kan alleen worden
geconstateerd indien er voldoende informatie is omtrent de ontwikkeling
van de positie van arbeidsgehandicapten op de arbeidsmarkt. Dit kan
bijvoorbeeld worden afgeleid uit de mate waarin de verschillende
onderdelen van dit wetsvoorstel - en de overige op reïntegratie
gerichte instrumenten - in de praktijk worden toegepast. Met name gaat
het daarbij om inzicht in de navolgende elementen:
- de omvang en kenmerken van de (potentiële) doelgroepen;
- de inzet van reïntegratie-instrumenten voor de verschillende
doelgroepen, de kosten die dit met zich brengt en de resultaten die
worden bereikt;
- het aandeel gehandicapte werknemers per bedrijfstak;
- begroting en verantwoording financieringsbronnen (AWf, Reïntegratiefonds,
arbeidsongeschiktheidsfondsen, Toeslagenfonds, Wiw en rijksbijdrage
Arbeidsvoorziening);
- uitvoering van het reïntegratieproces.
Aan de informatievoorziening op deze punten kunnen verschillende eisen
en randvoorwaarden worden gesteld. Voor bijvoorbeeld het volgen van de
ontwikkelingen, de beheersing en het toezicht ten aanzien van de inzet
van reïntegratie-instrumenten is een periodieke rapportage op een
geaggregeerd niveau nodig, terwijl voor analyses van de wet
- in al
z’n facetten - incidentele informatie op het laagst mogelijke
aggregatieniveau noodzakelijk kan zijn. Op basis van gesignaleerde
ontwikkelingen kan het nodig zijn op bepaalde specifieke
informatie-items of doelgroepen nader "in te zoomen". De verschillende
mogelijkheden tot informatieverzameling maken het noodzakelijk keuzes te
maken en prioriteiten te stellen omtrent het inzetten van middelen tot
bevordering van de informatieverzameling. Op basis van kosten-batenafwegingen moet uiteindelijk worden bepaald over welke
informatie-items periodiek gerapporteerd moet worden, welke items
beschikbaar moeten zijn en welke alleen door middel van aanvullend
onderzoek zijn te verkrijgen.
rblz.|65|
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is hoe de noodzakelijk
beleidsinformatie thans verzameld wordt en of deze voldoende moet
worden geacht om ook in de toekomst op te kunnen varen. Op dit moment
hebben de volgende actoren een informatietaak:
Het Lisv verzamelt thans reeds verzekerdenadministratiegegevens over het
aandeel Wagw-werknemers per bedrijfstak. Deze gegevensverzameling zal
worden gecontinueerd in verband met het vervallen van de
registratieplicht van werkgevers (artikel 10 Wagw) in het kader van dit wetsvoorstel. Daarnaast is
- zie ook zijn commentaar - het Lisv (in
samenwerking met de uvi’s) bezig met het opzetten van een reïntegratiemonitor.
In deze monitor is reeds het grootste gedeelte van de gedefinieerde
informatiebehoefte opgenomen, zodat het voor de hand ligt hierbij aan te
sluiten. Gestreefd wordt de monitor per 1 januari 1998 operationeel te
laten zijn. In het kader van de kwijtscheldings- en kortingsregeling
basispremie WAO zullen gegevens over de loonsom van arbeidsgehandicapte
werknemers in verhouding tot de totale loonsom van werkgevers
beschikbaar komen. Dit betreft echter niet alle arbeidsgehandicapte
werknemers. Diegenen waarvan de werkgevers de norm niet halen, vallen
buiten de registratie.
Voorts leveren werkgevers/arbodiensten
informatie aan de uvi’s met betrekking tot reïntegratieplannen. Met
het Lisv zijn afspraken gemaakt over de statistische verwerking hiervan.
De uvi’s hebben ook vervolginformatie over de reïntegratie (hersteldmeldingen, eventueel overname van verantwoordelijkheid voor de
reïntegratie, WAO-intrede, inzet instrumentarium, etc.). Daarnaast kan
(meer kwalitatieve) informatie worden verkregen uit het
arbodienstenpanel van TNO.
Op grond van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 worden momenteel tussen
Arbeidsvoorziening en het ministerie van SZW afspraken gemaakt met
betrekking tot de informatievoorziening. Voor de informatie die in het
kader van deze wet wordt gevraagd, zal daarbij worden aangesloten.
Uvi’s en gemeenten zullen de eerste tijd voor
een groot deel van hun arbeidsgehandicapte cliënten dienstverlening
(anders dan de basisdienstverlening) moeten inkopen bij
Arbeidsvoorziening; voor het overige mag ook elders worden ingekocht.
Aangezien het hier gaat om de reïntegratie van arbeidsgehandicapte
werknemers die onder de verantwoordelijkheid van de uvi’s en gemeenten
vallen, ligt het in de rede de verantwoordelijkheid voor de informatie
te leggen bij uvi’s en gemeenten. Dit laat onverlet dat
Arbeidsvoorziening de informatietaak behoudt ten aanzien van de onder
haar verantwoordelijkheid vallende doelgroep.
De rol van gemeenten als berichtgevers over de uitvoering van de
Abw en
de Wiw wordt met name ingevuld door middel van de zogenaamde
Abw- en Wiw-statistieken. Het ligt voor de hand om hierbij aan te sluiten. Met
de uitbreiding van de uitkeringsstatistiek Abw en de nieuwe Wiw-statistiek kan in het kader van
deze wet in de meeste van de
beschreven behoeften worden voorzien.
De hiervoor beschreven informatiebronnen leveren alleen gegevens over
zaken waarbij die bronnen zelf betrokken zijn (geweest). Het
ZARA-werkgeverspanel levert, wat betreft de marktsector, de neerslag van
alle activiteiten binnen bedrijven ongeacht de instanties die daarbij
betrokken zijn. Hierdoor kan tevens de onderlinge verhouding zichtbaar
worden gemaakt. Zo levert het ZARA-werkgeverspanel informatie over de
verhouding tussen de reïntegratie-instrumenten welke de werkgever voor
eigen rekening en welke hij voor rekening van de uitvoeringsinstelling
inzet.
rblz.|66|
Al met al is de conclusie dat er op dit moment voldoende betrouwbare
informatiebronnen aanwezig zijn om op de vorengenoemde vraagpunten
antwoorden te kunnen geven. Aan een nieuw wettelijk
informatieverstrekkingskader is geen behoefte. Het Lisv/de
uvi’s
(inclusief USZO), Arbeidsvoorziening en
gemeenten zijn als uitvoerders
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten al in het kader
van andere wetten (Osv 1997, Abw, Arbeidsvoorzieningswet 1996) verplicht
informatie te verstrekken aan de Minister van SZW. Wel is duidelijk dat
om een goede vergelijking van de verzamelde gegevens te komen er een
goede afstemming dient te zijn tussen de verschillende
informatieverzamelaars, met name op het punt van de gebruikte definities
en begrippen. Het departement zal daarbij een centrale rol moeten
spelen. De Minister van SZW is immers verantwoordelijk voor de coördinatie
en afstemming van de informatievoorziening van de drie verschillende
kolommen van uitvoeringsorganisaties. In dat kader zijn of worden met
elk van de drie kolommen nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop
hieraan concreet invulling wordt gegeven. Indien noodzakelijk kunnen
deze worden vastgelegd in de vorm van een ministeriële regeling.
12. Voorlichting
a. Algemene voorlichting
Uit onder meer de regioconferenties bleek dat onbekendheid met het reïntegratie-instrumentarium
één van de grootste problemen is bij de toepassing ervan. Werkgevers
weten niet waar ze allemaal aanspraak op kunnen maken. Daarnaast blijkt
dat er veel onterechte vrees bestaat voor mogelijke financiële nadelen
van het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten. De hieromtrent levende
misverstanden zullen moeten worden rechtgezet. Daarbij gaat het er dus
niet alleen om dat bekend wordt dat er een goed reïntegratie-instrumentarium
beschikbaar is, doch ook dat degenen die van dit instrumentarium gebruik
kunnen maken, weten dat het er is en dat het hen duidelijk is welke
voordelen het instrumentarium biedt. Alleen op die manier is een
optimale reïntegratie van arbeidsgehandicapten te verwachten.
Op verzoek van het kabinet heeft de NCCZ reeds in 1996 een
activiteitenprogramma ter bevordering van de arbeidsmarktpositie van
arbeidsgehandicapten gestart. Het kabinet heeft daarvoor destijds voor
een periode van drie jaar drie miljoen gulden ter beschikking gesteld.
Dit programma "Aan motivatie geen gebrek" is gericht op voorlichting,
bewustmaking en deskundigheidsbevordering van werkgevers, werknemers en
deskundigen op dit terrein. Het heeft een doorlooptijd tot begin 1999.
In het kader hiervan is door het Breed Platform Verzekerden en Werk
begin 1997 een telefonische "Helpdesk" geopend voor advies en vragen
over werk en verzekering voor mensen met gezondheidsproblemen.
Daarnaast zal aan de werkgever met het beste sociale beleid, waarbij
extra aandacht is voor mensen met een arbeidshandicap, in 1998 de prijs
"Kroon op het werk" worden uitgereikt. Ook wordt in dit programma
langs andere wegen, zoals met het plan "Eigen bedrijvigheid",
bijgedragen aan het beïnvloeden van de deskundigheid en de beeldvorming
rond arbeidsgehandicapten en werk. Daarnaast zal op verschillende wijze
het voorlichtingstraject worden aangevat. De inhoud van dit wetsvoorstel
wordt op de officiële wijze afgekondigd en voorts ook via de reguliere
kanalen door het ministerie van SZW bekendgemaakt bij de instellingen
die de wet uitvoeren (uvi’s, Arbeidsvoorziening,
gemeenten), bij
arbodiensten en daarnaast bij werkgevers en (arbeidsgehandicapte)
werknemers. Hieronder wordt een rblz.|67|
kort overzicht gegeven van de
voorgenomen aanpak voor de verschillende doelgroepen.
1. Kennisoverdracht richting
uitvoeringsorganisaties en arbodiensten
Vooral de uitvoeringsorganisaties en arbodiensten zullen bij de
praktische voorlichting over dit wetsvoorstel een centrale rol spelen;
zij immers begeleiden de arbeidsgehandicapte werknemers en zijn
aanspreekpunt voor werkgevers op dit terrein. Teneinde te
bewerkstelligen dat zij deze taak op een goede wijze kunnen uitvoeren
en ook dezelfde informatie verstrekken, zal het ministerie een beknopte,
praktische handleiding vervaardigen waarin een overzicht van het reïntegratie-instrumentarium
wordt opgenomen. Voor die organisaties waarvoor reïntegratie van
arbeidsgehandicapten een nieuwe taak is, zal daarnaast in de handleiding
ook achtergrondinformatie worden gegeven over:
- de samenhang tussen de instrumenten;
- aspecten van "bemiddelbaar maken";
- motiveren werknemers en werkgevers.
Deze handleiding wordt ontwikkeld in overleg
met de instellingen die de wet uitvoeren en
arbodiensten. Deze
organisaties kunnen daarnaast ook gebruik maken van
voorlichtingsmateriaal dat wordt ontwikkeld voor werkgevers en
(arbeidsgehandicapte) werknemers.
2. Kennisoverdracht richting werkgevers
Het is reeds herhaalde malen aangegeven dat de rol van werkgevers in
deze van het grootste belang is. Vandaar dat de voorlichting richting
werkgevers in deze extra aandacht krijgt. Werkgevers zullen door SZW geïnformeerd
worden via (de kanalen van) de relevante intermediaire kaders van
werkgevers. De SZW-voorlichting zal zich derhalve richten op
werkgeversorganisaties, brancheorganisaties, de Vereniging van Kamers
van Koophandel, Verenigingen van Accountants- en Administratiekantoren
en Beroepsorganisaties voor personeelsfunctionarissen. Voor deze
organisaties ontwikkelt SZW een brochure over de inhoud van de nieuwe
wet en de wijze waarop aanvragen voor reïntegratie-instrumenten kunnen
worden ingediend. Daarnaast wordt er voor individuele werkgevers een
eenvoudige brochure gemaakt (ook via de hierboven genoemde intermediaire
kaders). Over de vervaardiging van brochures en de distributie hiervan
zal overleg plaatsvinden met de intermediaire organisaties, zoals MKB-Nederland.
Daarnaast zullen er vooral met het oog op de informatieverstrekking aan
werkgevers aparte informatiepunten reïntegratie arbeidsgehandicapten
worden ingericht. Hierop wordt in paragraaf 12b ingegaan.
3. Kennisoverdracht richting
(arbeidsgehandicapte) werknemers
Gelet op het aantal mensen met een arbeidshandicap en het feit dat de
"boodschap"
ook belangrijk is voor "gezonde" werknemers, ontwikkelt SZW voor
werknemers een "postbus-51-campagne" (op radio en tv; inclusief
brochure). Daarnaast maakt SZW ook voor de werknemersorganisaties en de
belangenorganisaties een brochure over de inhoud van de nieuwe wet en de
wijze waarop aanvragen voor reïntegratie-instrumenten kunnen worden
ingediend. De postbus-51-brochure zal aan deze organisaties worden
aangeboden voor verspreiding naar hun achterban. Deze
postbus-51-brochure zal tevens ter beschikking worden gesteld aan arbeidsbureaus,
uitvoeringsinstellingen, gemeenten, arbodiensten en
dergelijke, ten behoeve van hun contacten met arbeidsgehandicapte
werknemers. In deze brochures wordt een overzicht van de rblz.|68|
reïntegratie-instrumenten
opgenomen. Nieuw is dat op dit formulier de arbeidsbemiddelaar of de
begeleider van uitkeringsinstantie of arbodienst reeds kan aangeven
welke regelingen op de individuele arbeidsgehandicapte van toepassing
zijn. Een arbeidsgehandicapte werknemer kan dan reeds bij zijn
sollicitaties aan zijn (toekomstige) werkgever aangeven waar deze aan
vergoedingen op kan rekenen.
b. Informatiepunten reïntegratie
arbeidsgehandicapten
In de vorige paragraaf is aangegeven op welke wijze in algemene zin
voorlichting zal worden gegeven over de wijzigingen in
verantwoordelijkheidsverdeling en instrumentaria die dit wetsvoorstel
met zich zal brengen. Daarmee zal naar verwachting de kennis bij
werkgevers over de instrumenten waarvan zij gebruik kunnen maken bij het
in dienst houden of nemen van een arbeidsgehandicapte aanzienlijk
toenemen. Hoe blijvend ook bedoeld, het effect van een
voorlichtingscampagne zal op den duur afnemen. Het is van belang dat
werkzoekenden en met name ook werkgevers ook in de verdere toekomst op
eenvoudige wijze een overzicht kunnen krijgen van alle bestaande
instrumenten en van de instanties die bevoegd zijn tot het inzetten
ervan. Het kabinet vindt het daarom wenselijk dat dergelijke informatie
op voor hen logische plaatsen (informatiepunten) kosteloos beschikbaar
is. Daarnaast vindt het kabinet het wenselijk dat werkgevers bij de
informatiepunten ongeacht de beslissingsbevoegde instantie aanvragen
kunnen indienen voor bepaalde reïntegratie-instrumenten, dat de mensen
werkzaam op de informatiepunten de werkgevers bij het indienen van
dergelijke aanvragen kunnen helpen en dat deze medewerkers zo nodig
zorgen voor doorgeleiding van de aanvragen naar de beslissingsbevoegde
instanties.
Een inventarisatie van de instanties die zich na inwerkingtreding van
het voorliggende wetsvoorstel met reïntegratie of bemiddeling van
arbeidsgehandicapten zullen bezighouden en waar de informatiepunten
derhalve in principe zouden kunnen worden ondergebracht, heeft tot de
conclusie geleid dat deze punten een logisch onderdeel zijn van de
"informatie-
en advies"-functie die samenwerkingspartners - volgens het
kabinetsstandpunt d.d. 5 juni - in de SWI-centra moeten
verrichten.
Zolang die centra nog niet operationeel zijn, ligt het in de rede dat
deze informatiefunctie wordt verricht door Arbeidsvoorziening.
Het kabinet heeft zich bij deze keuze laten
leiden door het feit dat het arbeidsbureau zowel bij werkgevers als bij
werknemers bekend is als instelling waar informatie over vacatures,
werkzoekenden en arbeidstoeleiding kan worden verkregen. Bovendien leidt
het instellen van informatiepunten bij de arbeidsbureaus en de
SWI-centra ertoe dat Arbeidsvoorziening werkgevers gemakkelijker zal
kunnen overtuigen van de wenselijkheid arbeidsgehandicapten in dienst te
nemen. Bij de voordracht van een arbeidsgehandicapte kandidaat voor de
vervulling van een vacature kan Arbeidsvoorziening dan immers direct aan
de potentiële werkgever melden welke plaatsingsbevorderende
instrumenten voor de betreffende werkzoekende kunnen worden ingezet.
Gezien het uitgangspunt van het SWI-beleid dat de "haag van
vacatures"
in de toekomst in de SWI-centra aanwezig zal zijn, ligt het in de rede
dat de informatiepunten voor arbeidsgehandicapten vanuit
Arbeidsvoorziening worden in- en ondergebracht in de SWI-samenwerking.
Hiermee zal tevens de deskundigheid bij Arbeidsvoorziening over de
socialeverzekeringswetgeving toenemen. In het Ctsv-onderzoek
"Bemiddeling
in Uitvoering" wordt wat dit betreft een knelpunt gesignaleerd.
In het voorliggende wetsvoorstel wordt via een wijziging van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 dan ook aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de taak opgedragen te zorgen voor
informatieverstrekking rblz.|69|
over de diverse reïntegratie-instrumentaria
(onderdeel van de basisdienstverlening). Voor de door Arbeidsvoorziening
te verstrekken hulp bij het aanvragen van instrumenten waarover de
uitkeringsinstanties beslissen en de doorgeleiding daarvan naar die
instanties, is wijziging van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 niet nodig,
aangezien dergelijke taken geacht kunnen worden te vallen onder de reeds
in die wet opgenomen samenwerkingsverplichting tussen
Arbeidsvoorziening, Lisv, uvi’s en
gemeenten. Omgekeerd leiden de
samenwerkingsverplichtingen in de Osv 1997 en de sociale voorzieningen
ertoe dat de uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen en de
gemeenten ervoor moeten zorgen dat Arbeidsvoorziening direct op de
hoogte wordt gesteld van wijzigingen in de aan die instanties ter
beschikking staande instrumenten of in het toekenningsbeleid. Daarnaast
dienen de uitkeringsinstanties het mogelijk te maken dat aanvragen voor
onder hun verantwoordelijkheid te verstrekken instrumenten via de
informatiepunten worden gedaan.
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het instellen van
informatiepunten bij arbeidsbureaus en centra SWI niet
betekent dat de
andere instanties die betrokken zijn bij de reïntegratie van
arbeidsgehandicapten (arbodiensten, uvi’s,
gemeenten) ontslagen zijn
van hun plicht informatie te verstrekken over de werkzaamheden die zij
verrichten en de instrumenten die zij kunnen inzetten alsmede van het
verlenen van hulp bij het aanvragen daarvan. De informatiepunten van de
arbeidsbureaus en de centra SWI zijn slechts aanvullend op de bestaande
taken van laatstgenoemde instellingen. De meerwaarde ervan is vooral
gelegen in het feit dat de informatiepunten beschikken over een
totaaloverzicht en dat werkgevers en werkzoekenden weten dat zij in
ieder geval door de punten kunnen worden geholpen, al zal de hulp soms
beperkt zijn tot het doorverwijzen naar de juiste beslissingsbevoegde
instantie.
13. Het Reïntegratiefonds
In dit wetsvoorstel wordt een aantal specifieke instrumenten
samengevoegd en vervangen door (her)plaatsingsbudgetten en pakketten op
maat die breed aangewend kunnen worden. Dit noopt ook tot een
reorganisatie van de diverse geldstromen die nu omgaan in het reïntegratiebeleid.
a. Reorganisatie van de
diverse sv-geldstromen
Het huidige financieringstableau van het reïntegratiebeleid wordt
gekenmerkt door een grote mate van diversiteit. Dit hangt onder meer
samen met het feit dat de onderdelen die samen het reïntegratiebeleid
vormen in verschillende wetten zijn neergelegd, veelal met eigen
doelgroepen en financieringsbronnen. De financieringsbronnen betreffen
de landelijke arbeidsongeschiktheidsfondsen (Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf), Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof)) en
het landelijke werkloosheidsfonds (AWf). Ook de wijze van financiering
vanuit de fondsen is uiteenlopend. Deels slaan de reïntegratie-uitgaven
neer in uitkeringslasten, deels in uitvoeringskosten. Daarnaast is ook
de beschikbaarheid van fonds- en begrotingsmiddelen verschillend
geregeld. Bij sommige reïntegratieactiviteiten vindt financiering
plaats op basis van een open-eindfinanciering. Bij andere activiteiten
is het financiële bereik gebudgetteerd, waarbij de wijze van
budgettering en de verdeling van budgetten verschillend kan zijn. Tot
slot is er sprake van complementariteit, in die zin dat bepaalde bronnen
pas aangeboord kunnen worden wanneer andere bronnen zijn uitgeput. Deze
verbrokkeling belemmert een goed inzicht in de kosten en opbrengsten van
het reïntegratiebeleid. Financiering van het reïntegratiebeleid
rechtstreeks vanuit de bestaande fondsen, zonder een Reïntegratiefonds,
zal in de uitvoeringspraktijk onvermijdelijk leiden tot bijvoorbeeld de
vraag bij welk fonds (Aof, rblz.|70|
WAZ-fonds of Wajong-fonds) in
samenloopsituaties de reïntegratiekosten gedeclareerd moeten worden.
Daarom wordt voor alle uvi’s één duidelijk loket gecreëerd: het Reïntegratiefonds.
Dit draagt bij aan vereenvoudiging van de uitvoering en kortere
procedures en een beter inzicht in de kosten en resultaten van het reïntegratiebeleid.
b. Positionering en
beheer van het Reïntegratiefonds
Voor een doelmatige besteding van fondsmiddelen is het algemene
uitgangspunt van belang dat een fondsbeheerder ook daadwerkelijk een
financieel belang heeft bij de reïntegratie. Het financieel belang ligt
dan bijvoorbeeld in een lagere premielast. Daarom is het Reïntegratiefonds
uitsluitend bedoeld voor de financiering van reïntegratie-instrumenten
voor arbeidsgehandicapten met een sv-uitkering. Zou uit het Reïntegratiefonds
ook het reïntegratie-instrumentarium voor arbeidsgehandicapten met een
bijstandsuitkering of zonder uitkering worden gefinancierd, dan komen
financieel belang en reïntegratieverantwoordelijkheid niet meer
overeen. Dit zou leiden tot verkeerde incentives en gecompliceerde
beheers- en beslisrelaties.
De financiering van de reïntegratie voor arbeidsgehandicapten met een
bijstandsuitkering zal via de gemeenten lopen. De gemeenten zijn immers
het meest gebaat bij succesvolle reïntegratie van bijstandsgerechtigde
arbeidsgehandicapten. Voor de vormgeving is aangesloten bij de Wiw. De
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten
zonder uitkering is gelegd bij Arbeidsvoorziening. Deze kan door middel
van taakstellingen vanuit de overheid gestimuleerd worden tot een
optimale reïntegratie-inspanning voor deze groep.
Aangezien het Reïntegratiefonds voorziet in financiering van het reïntegratiebeleid
voor arbeidsgehandicapten met een sv-uitkering is het fonds
gepositioneerd onder beheer van het Lisv. Dit sluit ook aan bij de taak
die het Lisv kreeg bij de Osv 1997 voor de reïntegratie van
arbeidsgehandicapten die een uitkering hebben krachtens de ZW,
WAO, WAZ
en Wajong. Door het beheer van het Reïntegratiefonds bij het Lisv onder
te brengen, kan wat betreft het toezicht op rechtmatigheid en
doelmatigheid de financiële beheersstructuur en de rapportage- en
verantwoordingsplicht aangesloten worden bij de bepalingen daaromtrent
in de Osv 1997. Het Ctsv zal dus toezicht houden op een rechtmatig en
doelmatig beheer van het Reïntegratiefonds. Tevens valt het Reïntegratiefonds
in deze constructie onder het geïntegreerd
middelenbeheer.
c. Inhoud van het Reïntegratiefonds
De financieringsstromen in het kader van het reïntegratiebeleid hebben
betrekking op:
a. de kosten van reïntegratie-inspanningen (bijvoorbeeld de
personeelskosten voor het opstellen van een trajectplan);
b. de kosten van toepassing van reïntegratie-instrumenten.
De kosten van toepassing van reïntegratie-instrumenten (b) zijn onder
te verdelen in kosten van reïntegratie-instrumenten zoals het
plaatsingsbudget en in kosten die betrekking hebben op de uitkering,
bijvoorbeeld de uitkeringsconsequenties van uitstel van schatting
tijdens of na scholing. Vanuit het Reïntegratiefonds worden zowel de
kosten van reïntegratie-inspanningen (exclusief de basisdienstverlening
door Arbeidsvoorziening) als de (her)plaatsingsbudgetten gefinancierd,
alsmede het pakket op maat. De instrumenten die effect hebben op de
uitkeringslasten - met uitzondering van de reïntegratie-uitkering bij
scholing en proefplaatsing, artikel 29b
ZW en de toelage op grond van rblz.|71|
artikel 25 [?, red.] - worden niet gefinancierd uit het Reïntegratiefonds, maar
blijven gefinancierd vanuit de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Wijziging
hierin zou complexe toerekeningsproblemen met zich meebrengen en de
uitvoering verzwaren.
In het voorgestelde model formuleert het Lisv, tevens beheerder van het
Reïntegratiefonds, de landelijke taakstelling met betrekking tot de reïntegratie
van arbeidsgehandicapten die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Dit
maakt onderdeel uit van het beleidsplan dat volgens de Osv 1997 met
SZW
besproken moet worden. Aangezien het Lisv tevens beheerder is van alle
sv-fondsen, heeft het Lisv, respectievelijk hebben de bij de uitvoering
betrokken sectoren, een vitaal belang om door middel van reïntegratie
de uitkeringslasten te verminderen. Het Lisv sluit om de taakstelling te
realiseren per sector of sectoronderdeel contracten af met uvi’s. De
uvi’s hebben er op straffe van verlies van opdrachten belang bij om de
contractueel bepaalde reïntegratietaakstelling te realiseren. Ten
behoeve van de reïntegratie van de cliënten van de uvi’s financiert
het Lisv de uvi’s vanuit het Reïntegratiefonds. Op basis van de
contracten bepaalt het Lisv de budgettoewijzing naar de uvi’s. Daarbij
is uiteraard ruimte voor het Lisv om rekening te houden met moeilijk en
minder moeilijk te plaatsen arbeidsgehandicapten. Aldus kan afroming van
de gemakkelijk plaatsbare arbeidsgehandicapten worden voorkomen.
d. Voeding van het Reïntegratiefonds
Mede uit doelmatigheidsoverwegingen is ervoor gekozen het Reïntegratiefonds
te voeden vanuit de socialeverzekeringsfondsen en niet door middel van
afzonderlijke premieheffing. Voor voeding van het Reïntegratiefonds
komen in principe in aanmerking de socialeverzekeringsfondsen, waar
uitkeringsuitgaven worden bespaard als gevolg van reïntegratie. Op het
moment dat het voorliggende wetsvoorstel in werking treedt, zijn dat het
AWf, de wachtgeldfondsen, het Aof, het WAZ-fonds, het
Wajong-fonds, het
Toeslagenfonds en de Arbeidsongeschiktheidskas. Besloten is echter de
wachtgeldfondsen niet bij te laten dragen aan het Reïntegratiefonds.
Omdat het buitengewoon moeilijk is vooraf de toekomstige besparing per
wachtgeldfonds in te schatten, zou een bijdrage uit deze fondsen niet
anders dan het karakter van een uniforme opslag op de premie kunnen
hebben. Dit zou zich echter niet goed verhouden met het sectorale
karakter van een wachtgeldfonds. Ook vanuit de Arbeidsongeschiktheidskas
zullen geen gelden naar het Reïntegratiefonds stromen. Dit zou immers
betekenen dat de eigenrisicodragers te weinig zouden meebetalen aan voor
de inzet van instrumenten die gedurende de eerste vijf jaar
arbeidsongeschiktheid worden gebruikt voor de reïntegratie van bij hen
arbeidsongeschikt geworden werknemers. Ten slotte is besloten het Reïntegratiefonds
niet vanuit het Toeslagenfonds te voeden. Aangezien het Reïntegratiefonds
naar rato van de omvang van de respectieve fondsen zal worden gevoed,
zou een bijdrage uit het relatief kleine Toeslagenfonds buitengewoon
gering zijn. Om de regels ten aanzien van de voeding niet nodeloos
ingewikkeld te maken, is ervan afgezien het Toeslagenfonds te betrekken
bij de voeding.
Als beheerder van zowel het Reïntegratiefonds
als van de socialeverzekeringsfondsen is het Lisv
- met inachtneming
van de bij ministeriële regeling vast te stellen verdeelsleutel; zie
onder - verantwoordelijk voor de vaststelling van de bijdrage van de
verschillende fondsen alsmede voor het effectueren van die bijdragen.
Voeding vindt gespreid in de tijd plaats volgens de liquiditeitsbehoefte
van het Reïntegratiefonds. Door deze wijze van financieren is er,
anders dan bij de socialeverzekeringsfondsen, geen noodzaak tot het
inrichten en aanhouden van reserves.
In tegenstelling tot de SER
is het kabinet van
mening dat deze financieringswijze niet zal leiden tot een te grote druk
op de financiële rblz.|72|
verantwoording, waardoor de reïntegratieactiviteiten
zouden worden belemmerd.
Verdeelsleutel
Voor de bij ministeriële regeling te regelen verdeling van de bijdragen
van de verschillende fondsen aan het Reïntegratiefonds wordt een
verdeelsleutel voorgesteld die is gebaseerd op een evenredige verdeling
tussen de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsfondsen. Het Reïntegratiefonds
wordt voor 50% gevoed vanuit het AWf en voor 50% gevoed uit de
arbeidsongeschiktheidsfondsen. De verdere verdeling binnen de
arbeidsongeschiktheidsfondsen vindt plaats naar rato van de totale
jaarlijkse uitkeringsuitgaven van de onderscheiden fondsen. Het ligt
voor de hand de nadere verdeling binnen elke categorie onderscheiden
fondsen te baseren op de laatst bekende realisatiecijfers, zijnde de
uitgaven in jaar t-2.
Met name in de eerste jaren zal, zoals ook door de SER
wordt aangegeven,
het hanteren van meer verfijnde verdeelsleutels niet eenvoudig zijn,
vanwege het dan nog ontbreken van voldoende adequate uitvoeringsgegevens
op dit punt. Wanneer de komende jaren verbeterde uitvoeringsgegevens het
beter mogelijk maken te traceren in welke mate fondsen van reïntegratie-inspanningen
hebben geprofiteerd, kan wellicht met betrekking tot de verdeelsleutel
meer worden aangesloten bij een verdeling die is gebaseerd op de
gerealiseerde besparingen.
Overheid
Het reïntegratie-instrumentarium staat ook ter beschikking van het
overheidspersoneel. Daarom zal ook de overheid een bijdrage moeten
leveren aan de voeding van het Reïntegratiefonds. Het Reïntegratiefonds
zal zoals boven aangegeven grotendeels gevoed worden uit het AWf en de
arbeidsongeschiktheidsfondsen. Aangezien met de inwerkingtreding van de Pemba
ook de overheidswerknemers onder
de WAO gaan vallen, is een bijdrage
van de overheid via de arbeidsongeschiktheidsfondsen gewaarborgd. Anders
ligt dit bij het AWf. Voor de werkloosheidsregelingen houdt de overheid
vooralsnog een eigen systematiek, zodat op andere wijze een bijdrage uit
hoofde van besparingen op werkloosheidsregelingen moet worden
gegenereerd.
Het kabinet overweegt, in het kader van de
operatie Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
(operatie OOW), om het overheidspersoneel onder de WW te brengen. Dit is
momenteel onderwerp van studie. Het kabinet zal hierover in 1998 een
besluit nemen. Overigens zal deze eventuele overdracht naar de
werknemersverzekeringen niet eerder dan 1999/2000 gerealiseerd kunnen
worden.
Vanwege uitvoeringstechnische bezwaren is ervan afgezien aparte
premieheffing voor het Reïntegratiefonds te introduceren. Een
mogelijkheid zou zijn om voor de overheid, voor het werkloosheidsdeel,
een opslag op de WAO-basispremie in te voeren. De omvang van de
overheidsbijdrage zou dan worden berekend naar evenredigheid met
betrekking tot het volume reïntegratie. Tentatieve berekeningen ten
aanzien van het effect op de basispremie geven aan dat het hier zou gaan om
verwaarloosbare effecten. Het effect op de basispremie zou in de orde
van drie decimalen achter de komma komen te liggen.
Desalniettemin is het onwenselijk om om deze reden de overheid permanent
vrij te stellen van een bijdrageplicht. Omdat, zoals ook de ROP opmerkt,
het in principe gaat om een tijdelijke situatie die ophoudt te bestaan
wanneer het overheidspersoneel onder de WW gaat vallen, is het
rblz.|73|
vanuit
financieel oogpunt te verdedigen de feitelijke overheidsbijdrage
voorlopig te beperken tot de bijdrage via de
arbeidsongeschiktheidsfondsen.
De bijdrage van de overheid via het AWf zal dan
geëffectueerd worden wanneer het overheidspersoneel onder de WW komt te
vallen. Indien zou worden besloten af te zien van een overgang naar de
werknemersverzekeringen, ligt het in de rede opnieuw te bezien hoe de
bijdrage van overheidszijde met betrekking tot het WW-deel zou kunnen
worden vormgegeven.
14. Financiële aspecten
In deze paragraaf zullen eerst de financiële gevolgen van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten geschetst worden. In de hoofdlijnennota ontbrak deze
paragraaf. De SER vond dit een bezwaar. In deze paragraaf wordt dit
bezwaar ondervangen.
De budgettaire gevolgen van de in dit wetsvoorstel
opgenomen voorstellen
voor intensivering van het reïntegratiebeleid zijn slechts globaal in
te schatten. Het kabinet is voornemens om van jaar tot jaar de
resultaten van het reïntegratiebeleid voor arbeidsgehandicapten te
bezien en afhankelijk daarvan het budget te herijken.
Tegenover de meerkosten van intensivering van
het reïntegratiebeleid staan besparingen op de uitkeringslasten. Het is
aannemelijk dat deze in de structurele situatie de meerkosten zullen
overtreffen.
a. Huidige situatie
In de huidige situatie vindt bemiddeling van arbeidsgehandicapte
uitkeringsgerechtigden plaats via GAK AI. Jaarlijks vinden er voor ca.
40 000 personen reïntegratie-inspanningen plaats, waarbij deze
inspanningen bij ca. 10 000 personen uitmonden in arbeidsinpassing. De
uitvoeringskosten die hiermee gepaard gaan bedragen ca. ƒ90 mln. Voor
de toepassing van instrumenten heeft het Lisv
voor het jaar 1997 ingezet
op een taakstelling van in totaal ƒ175 mln (inclusief
werkvoorzieningen). Dit valt uiteen in:
- loonkostensubsidies, loonsuppletie, proefplaatsing, etc.: ƒ130 mln;
- scholing: ƒ15 mln;
- werkvoorzieningen ƒ30 mln;
totaal (op het bestand 1997): ƒ175 mln.
b. Inzet van dit
wetsvoorstel
Op grond van de jaarlijkse instroom in de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en ervaringsgegevens met betrekking
tot het aantal personen uit het zittende bestand arbeidsongeschikten
wordt ervan uitgegaan dat jaarlijks ca. 100 000 arbeidsgehandicapten in
principe voor reïntegratie in aanmerking komen. Ca. 40% van deze
personen blijkt terug te kunnen keren naar het eigen werk bij de eigen
werkgever en vraagt derhalve geen reïntegratie-inspanning (met
uitzondering van eventuele inzet van voorzieningen als bedoeld in
artikel 15 van het wetsvoorstel). De 60 000 die niet in de oude
werksituatie kunnen terugkeren, zijn wél op reïntegratie-inspanningen
aangewezen. Zoals hierboven geschetst worden voor 40 000 personen uit
deze groep daadwerkelijk reïntegratie-inspanningen verricht. Als gevolg
van de intensivering die met het voorliggende wetsvoorstel
bewerkstelligd zal worden, zal dit aantal vanaf 1998 kunnen oplopen tot
jaarlijks 50 000. Deze populatie van 50 000 arbeidsgehandicapten vormt
de doelgroep waarvoor reïntegratie bij een rblz.|74|
andere werkgever, dan wel
bij de eigen werkgever maar dan in een andere functie, wordt
nagestreefd.
De verwachting is dat de intensivering van de
reïntegratieaanpak die met het voorliggende wetsvoorstel wordt
nagestreefd ertoe leidt dat van deze 50 000 personen in 15 000 gevallen
de reïntegratie uitmondt in arbeidsinpassing. Ten opzichte van de
huidige prestaties zal dat dan een stijging inhouden van 5000
arbeidsinpassingen per jaar.
De gemeenten worden verantwoordelijk voor de reïntegratie van
arbeidsgehandicapten met een bijstandsuitkering. De populatie
arbeidsgehandicapten met een bijstandsuitkering bestaat enerzijds uit
personen die reeds enige tijd een bijstandsuitkering ontvangen en
anderzijds uit personen die nieuw instromen in de bijstandsregelingen. Op
basis van de jaarlijkse instroom en het bestaande aantal
bijstandsgerechtigden met een arbeidshandicap wordt rekening gehouden
met een jaarlijks bemiddelingsaanbod van de gemeenten van maximaal 10
000. Ook hierbij wordt verondersteld dat bij ca. 30% van deze groep de
reïntegratie uitmondt in arbeidsinpassing, ofwel 3000 personen. Dit is
een toename ten opzichte van de huidige situatie met ca. 1500 personen.
De reïntegratie van de overige arbeidsgehandicapten wordt opgedragen
aan Arbeidsvoorziening. Vanwege het feit dat het grootste deel van deze
doelgroep geen uitkering heeft en derhalve ook niet als
uitkeringsgerechtigde geregistreerd is, noch als werkloze ingeschreven
hoeft te staan bij Arbeidsvoorziening, is het niet mogelijk de omvang
van deze doelgroep te bepalen. Naar het zich thans laat aanzien zal
binnen het budget voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een bedrag
worden gereserveerd waarmee 3200 arbeidsgehandicapten bemiddeld kunnen
worden. Hiermee is een bedrag van ƒ35 mln (inclusief
instrumenten, maar exclusief ca. ƒ2 mln werkvoorzieningen) gemoeid dat
binnen het reeds voorziene meerjarenbudget van Arbeidsvoorziening zal
worden gefinancierd.
c. Additionele lasten
1. Kosten reïntegratie-inspanningen
(inclusief basisdienstverlening Arbeidsvoorziening)
Hierboven is het uitgangspunt geformuleerd dat jaarlijks voor ca. 50 000
uvi-klanten reïntegratie-inspanningen zullen worden verricht. Er is
derhalve sprake van een toename ten opzichte van de huidige situatie met
ca. 10 000 personen. De met de reïntegratie van jaarlijks ca. 50 000
personen samenhangende uitvoeringskosten laten zich op grond van huidige
realisaties ramen op ruim ƒ110 mln. Ten opzichte van de huidige
realisatie betekent dit een toename van ca. ƒ20 mln. Een verdere
stijging van de uitvoeringskosten is te verwachten wanneer, teneinde het
plaatsingsresultaat te vergroten, een groter aandeel van het reïntegratieaanbod
intensiever wordt gereïntegreerd. Het bedrag aan uitvoeringskosten kan
dan oplopen tot, voorzichtig geraamd, ƒ150 mln. De totale toename is
derhalve ƒ60 mln.. Het bedrag van ƒ150 mln kan worden uitgesplitst in
ca. ƒ33 mln basisdienstverlening Arbeidsvoorziening en ƒ117
mln overige reïntegratieactiviteiten in opdracht van de
uitvoeringsinstellingen (ƒ110 mln) en de gemeenten (ƒ7
mln).
Voor de gemeenten, verantwoordelijk voor de reïntegratie
van arbeidsgehandicapten met een bijstandsuitkering, worden de reïntegratiekosten
geraamd op ƒ40 mln.
2. Kosten van instrumenten
Voor 1997 heeft het Lisv
ingezet op een taakstelling van in totaal ƒ175 mln rblz.|75|
(inclusief werkvoorzieningen) voor de toepassing van het
instrumentarium. Naar het zich laat aanzien zal, zoals reeds bij de
aankondiging van het voornemen tot de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten is
onderkend, realisatie van deze taakstelling in de huidige praktijk niet
of nauwelijks haalbaar blijken te zijn. Beoogd effect van de hier
ontwikkelde beleidsvoorstellen is dat de beoogde reïntegratie-inspanningen
ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. In hoeverre voor de instrumenten
werkelijk een verhoging van het beschikbare budget nodig is, laat zich
moeilijk voorzien.
De extra lasten in verband met de toename van de reïntegratie-uitkeringen
als gevolg van de uitbreiding van de duur van de proefplaatsing en de
uitbreiding van de doelgroep met betrekking tot de uitkeringssituatie
worden geraamd op ca. ƒ8 mln per jaar (exclusief de opschortende werking
WW bij scholing, zie onderdeel 4). Daarnaast moeten de kosten van de
staffeling van de Pemba-premiekwijtscheldings- en kortingsregeling
afzonderlijk worden vermeld. De in deze nota voorgestelde staffeling
leidt tot een additionele verlaging van de premieopbrengsten van ca. ƒ35
mln. Het betreft hier een verschuiving tussen verschillende werkgevers.
Uitgaande van het eerdergenoemde reïntegratieaanbod van 10 000
personen voor de gemeenten is hiermee naar verwachting aan kosten van
instrumenten ƒ45 mln gemoeid.
De uitvoeringsorganisatie van de werknemersverzekeringen (met name het
GAK) heeft in verband met de huidige verantwoordelijkheid, ook voor
bijstandsgerechtigde arbeidsgehandicapten, voor de reïntegratie van
deze categorie al middelen gereserveerd. Het betreft hier ƒ7 mln voor
reïntegratie-inspanningen en ƒ10 mln voor toepassing van het
instrumentarium. In zoverre zal er vooral sprake zijn van een
verschuiving: de uitgaven van de sociale fondsen zullen worden verlaagd,
terwijl de uitgaven die ten laste van de begroting komen een stijging
zullen vertonen.
3. Scholingsinstituten
Voor de scholingsinstituten wordt een andere financieringswijze
voorgesteld vanaf 1999. In de huidige situatie wordt ca. ƒ27 mln aan
deze instituten gefourneerd door meerdere financiers. Vanaf 1999 is de
bedoeling dat financiering voor het basisdeel wordt gefinancierd uit het
Reïntegratiefonds (ca. ƒ17 mln) en voor het overige (ca. ƒ10 mln) via
inkoopconstructies. In de huidige situatie is de bijdrage van de fondsen
(met name AAf) ca. ƒ15 mln. Er is derhalve sprake van een toename van de
bijdrage vanuit de fondsen (vanuit het Reïntegratiefonds) met ca. ƒ2
mln. Het uit de fondsen afkomstige bedrag van ƒ17 mln zou verder
kunnen toenemen naarmate een deel van de inkoop geschiedt door uitvoeringsinstellingen.
4. Opschorting WW in geval van reïntegratie-uitkering
tijdens scholing
In 1995 werden er zo’n 4 600 scholingen toegepast, waarvan ca. 3500
door personen met een WW/WAO-uitkering. Uitgaande van een gemiddelde
scholingsduur van acht maanden kost de opschorting van de WW-duur tijdens
de reïntegratie-uitkering ƒ8 miljoen gulden extra.
In de volgende tabel zijn de financiële gevolgen van de Wet
Rea samengevat.
rblz.|76|
Tabel 1. Structurele
financiële gevolgen Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (in
miljoenen guldens):
|