|
REGELING houdende regels
omtrent subsidieverstrekking aan werkloos werkzoekende
arbeidsgehandicapten
22 oktober 1998/nr.
SV/WV/98/27582
Directie Sociale
Verzekeringen
De Minister en
Staatssecretaris drs. J.F. Hoogervorst van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 33 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, artikel 8e
van het
Besluit
uitvoering en financiering Wet
inschakeling werkzoekenden en artikel 3 van het Besluit reïntegratie-instrumenten
arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening; ¹
1. Vanwege de intrekking
(ingevolge artikel 27, eerste lid, Invoeringswet
SUWI) met ingang van 1 januari 2002 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
waarop het Besluit reïntegratie-instrumenten arbeidsgehandicapten
Arbeidsvoorziening berust, kan niet langer naar dat besluit worden
verwezen. Zie verder de toelichting onderaan deze pagina, red.
Besluiten:
Art. 1.
Begripsbepaling
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. persoonsgebonden
reïntegratiebudget: een subsidie ter voldoening
van de noodzakelijk te maken
kosten van werkzaamheden die zijn
gericht op behoud, herstel of
bevordering van mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid;
b. Wet Rea: Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
c. arbeidsgehandicapte:
arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 2 van de Wet
Rea;
d. subsidieontvanger: de
arbeidsgehandicapte aan wie een persoonsgebonden reïntegratiebudget is
verstrekt;
e. UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
f. reïntegratiebedrijf:
natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van
beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in het arbeidsproces bevordert;
g. college: college van burgemeester
en wethouders.
Art. 2.
Persoonsgebonden
reïntegratiebudget
-1. De colleges van de gemeenten Maastricht,
Eysden, Gulpen-Wittem,
Margaten, Meerssen, Vaals, Valkenburg
aan de Geul, Utrecht, Amersfoort en
’s-Gravenhage kunnen op
aanvraag aan een arbeidsgehandicapte als
bedoeld in artikel 12 van de Wet Rea die woonachtig is in de
desbetreffende gemeente, in plaats van voorzieningen als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet
werk en bijstand of artikel 5, eerste
lid, tweede gedachtestreepje, van de Wet investeren
in jongeren een
persoonsgebonden reïntegratiebudget verstrekken indien die
arbeidsgehandicapte geen betaalde arbeid verricht.
-2. Het UWV kan op aanvraag
aan een arbeidsgehandicapte als
bedoeld in artikel 10 van de Wet Rea die woonachtig is in een
gemeente als bedoeld in de bijlage bij
deze regeling, in plaats van voorzieningen
als bedoeld in artikel 22 van de Wet Rea een persoonsgebonden
reïntegratiebudget verstrekken, indien de arbeidsgehandicapte:
a. geen betaalde arbeid
verricht; en
b. als werkzoekende is
geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-3. Het persoonsgebonden
budget, bedoeld in het eerste en
tweede lid, dient uitsluitend ter
bekostiging van:
a. begeleiding en
advisering;
b. opleiding;
c. arbeidsbemiddeling en
andere werkzaamheden die, in
aansluiting op de onder a en b bedoelde
werkzaamheden, zijn gericht op behoud,
herstel of bevordering van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.
-4. De subsidie wordt
verstrekt voor zover de kosten van de
activiteiten, bedoeld in het derde lid, naar het oordeel van de
subsidieverstrekkende instantie niet onevenredig zijn met het te
bereiken doel.
-5. Kosten van werkzaamheden
die niet zijn beschreven in het
in artikel 3 bedoelde trajectplan komen
niet voor subsidiëring in aanmerking,
tenzij de subsidieverstrekkende
instantie voor het verrichten van die
werkzaamheden schriftelijk goedkeuring
heeft verleend.
Art. 2a.
Oriëntatiebudget
-1. Ter bekostiging van de
persoonlijke begeleiding van de
arbeidsgehandicapte bij oriëntatie op
activiteiten als bedoeld in artikel 2, derde
lid, kunnen het UWV en de colleges, bedoeld in
artikel 2, eerste
lid, aan de arbeidsgehandicapte een oriëntatiebudget verstrekken.
-2. De in het eerste lid
bedoelde begeleiding vindt plaats door een
deskundige op het terrein van
loopbaanbegeleiding.
-3. Het oriëntatiebudget,
bedoeld in het eerste lid, bestaat uit
een eenmalig te verstrekken subsidie van
ten hoogste €|1135,00 voor een periode
van ten hoogste drie maanden, te
rekenen vanaf de datum waarop
subsidie is verleend.
-4. Het oriëntatiebudget kan
uitsluitend worden verstrekt voorafgaand aan de aanvraag om een
persoonsgebonden reïntegratiebudget.
Art. 3.
Voorwaarden voor
het verstrekken van een persoonsgebonden reïntegratiebudget
Het UWV of de in artikel 2,
eerste lid, genoemde colleges kunnen uitsluitend een persoonsgebonden
reïntegratiebudget verstrekken indien de aanvraag vergezeld gaat van
een door of namens de
arbeidsgehandicapte opgesteld trajectplan waarin
in elk geval zijn opgenomen:
a. het opleidingsniveau en
het sociaal-fiscaal nummer van de arbeidsgehandicapte;
b. een beschrijving van de
werkzaamheden die, in opdracht van de
aanvrager, met het persoonsgebonden reïntegratiebudget
bekostigd zullen worden;
c. de verwachte begin- en
einddatum van de werkzaamheden,
bedoeld onder b;
d. de beroepsactiviteiten
die de aanvrager naar verwachting na afloop van die periode kan
vervullen;
e. een begroting van de
kosten van de werkzaamheden, bedoeld onder b.
Art. 4.
Verlening van
subsidie
-1. Op de aanvraag om een
persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt een beschikking omtrent
subsidieverlening gegeven.
-2. In de subsidievoorwaarden
bij een beschikking als bedoeld in
het eerste lid wordt in elk geval
opgenomen dat in een overeenkomst die de
subsidieontvanger met een reïntegratiebedrijf sluit, wordt geregeld dat
het reïntegratiebedrijf aan de instantie die, op grond van artikel
2, een
persoonsgebonden reïntegratiebudget heeft
verstrekt, op verzoek of na toestemming van de subsidieontvanger
gegevens verstrekt over de besteding
van het persoonsgebonden
reïntegratiebudget.
Art. 5.
Hoogte van het
persoonsgebonden reïntegratiebudget en
tijdvak van gesubsidieerde
werkzaamheden
-1. Het persoonsgebonden
reïntegratiebudget bedraagt ten hoogste €|3630,00 per subsidieontvanger.
-2. Het persoonsgebonden
reïntegratiebudget wordt verleend voor
werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, gedurende een
tijdvak van ten hoogste één jaar.
-3. Indien de aanvrager van
een persoonsgebonden reïntegratiebudget of de subsidieontvanger
aantoont dat de noodzakelijke kosten van de
werkzaamheden die zijn gericht op behoud, herstel of
bevordering van mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid hoger zijn dan het in
het eerste lid bedoelde bedrag of die
werkzaamheden langer zullen duren dan een tijdvak van één jaar, kan
subsidie worden verleend voor een
hoger bedrag of een langere
periode.
-4. De in het derde lid
bedoelde bevoegdheid bestaat
uitsluitend indien het in het eerste lid
bedoelde bedrag of de in het tweede lid
bedoelde werkzaamheden gedurende een
tijdvak van één jaar redelijkerwijs
niet zullen kunnen leiden tot behoud, herstel of bevordering van
mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid.
Art. 6.
Voorschotten
-1. Het UWV en de in
artikel 2, eerste lid, genoemde colleges kunnen aan de subsidieontvanger
voorschotten op de vast te stellen subsidie
verlenen aan de hand van aan het UWV
of die colleges overgelegde
declaraties voor de werkzaamheden die
voortvloeien uit het trajectplan.
-2. Indien het UWV of een in
artikel 2, eerste lid, genoemd college besluit tot het verlenen van
voorschotten, kan het UWV of dat college de voorschotten
direct betalen aan het reïntegratiebedrijf waarmee de subsidieontvanger een
overeenkomst heeft gesloten.
Art. 6a.
Inlichtingenverstrekking
-1. De subsidieontvanger
rapporteert iedere drie maanden bij de subsidieverstrekkende instantie over de verrichte
werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, derde lid.
Daarbij worden in ieder geval de resultaten
van de uitvoering van het trajectplan en de prognose voor de resterende
periode van het traject gemeld en wordt een overzicht gegeven van de tot
op dat moment gemaakte kosten.
-2. De subsidieontvanger
verstrekt onverwijld en uit eigen
beweging alle gegevens en inlichtingen
omtrent voortijdige beëindiging van
gesubsidieerde trajecten aan de subsidieverstrekkende instantie.
-3. De subsidieontvanger
verstrekt op verzoek aan de
subsidieverstrekkende instantie alle gegevens en
inlichtingen die van belang zijn voor de
vaststelling van de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de uitvoering van deze subsidieregeling, alsmede
binnen vier weken alle hem betreffende
informatie die noodzakelijk is voor de evaluatie van deze regeling.
Art. 7.
Subsidievaststelling
-1. De subsidieontvanger
dient binnen vier weken na afloop van de
gesubsidieerde werkzaamheden dan wel na
afloop van het tijdvak waarover het
persoonsgebonden reïntegratiebudget is
verstrekt een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Bij de aanvraag
worden een verantwoording en de niet eerder overgelegde
declaraties overgelegd.
-2. De verantwoording,
bedoeld in het eerste lid, geeft
duidelijk inzicht in de aard, de duur en de
omvang van de gesubsidieerde
werkzaamheden en bevat een vergelijking van de verrichte werkzaamheden en
met de in het individuele
trajectplan voorgenomen activiteiten.
Art. 8.
Maximum aantal deelnemers
-1. Per werkgebied van de
Centra voor werk en inkomen als bedoeld
in artikel 24 van de Wet
SUWI, zoals dit luidde op 31 december 2008, waarin
één of meer van de gemeenten Maastricht,
Eysden, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals, Valkenburg
aan de Geul of ‘s-Gravenhage
gelegen zijn, wordt aan niet meer dan 150
personen als bedoeld in artikel 2,
eerste lid en tweede lid, een
persoonsgebonden reïntegratiebudget
verstrekt.
-2. Per werkgebied van de
Centra voor werk en inkomen als bedoeld
in artikel 24 van de Wet
SUWI, zoals dit luidde op 31 december 2008, waarin
de gemeenten Utrecht en
Amersfoort zijn gelegen, wordt aan niet
meer dan 400 personen als bedoeld in
artikel 2, eerste lid en tweede lid,
een persoonsgebonden reïntegratiebudget
verstrekt.
-3. Subsidieaanvragen worden
per werkgebied in volgorde van
binnenkomst van de aanvraag behandeld.
Art. 9.
Duur experiment
-1. Op grond van deze
regeling kan geen persoonsgebonden
reïntegratiebudget worden verstrekt indien de aanvraag daartoe is
ingediend nadat artikel 57, onderdeel V, en
artikel 81, onderdeel Bb, van de
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking
zijn getreden.
-2. Op grond van een aanvraag
die is ingediend vóór 1 januari
2002 wordt subsidie verleend met
toepassing van de bepalingen van deze
regeling, zoals deze luidde vóór 1 januari
2002.
-3. Een vóór 1 januari 2002
verleend standaardbudget op grond van
deze regeling, zoals deze luidde vóór die datum, wordt omgezet in een
budget op maat als bedoeld in
artikel 5, zoals dit artikel luidde vóór die datum, indien het verzoek
daartoe is ingediend binnen dertien weken na
die datum.
Art. 10.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Art. 11.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Experimentele regeling
subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 oktober
1998.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
BIJLAGE
bij
artikel 2, tweede lid
In
artikel 2, tweede lid, worden de volgende gemeenten bedoeld:
Abcoude
Amerongen
Amersfoort
Baarn
Breukelen
Bunnik
Bunschoten
Bussum
De Bilt
De Ronde Venen
Delft
Doorn
Driebergen-Rijsenburg
Eemnes
Eijsden
‘s-Graveland
‘s-Gravenhage
‘s-Gravenzande
Gulpen-Wittem
Hilversum
Houten
Huizen
IJsselstein
Laren
Leersum
Leidschendam
Leusden
De Lier
Loenen
Loosdrecht
Lopik
Maarn
Maarssen
Maasland
Maastricht
Margraten
Meerssen
Monster
Montfoort
Muiden
Naaldwijk
Naarden
Nederhorst den Berg
Nieuwegein
Nootdorp
Oudewater
Pijnacker
Rijswijk
Schipluiden
Soest
Utrecht
Vaals
Valkenburg aan de Geul
Veenendaal
Vianen
Voorburg
Wassenaar
Wateringen
Weesp
Woerden
Woudenberg
Wijk bij Duurstede
Zeist
Zoetermeer
TOELICHTING
[22 oktober 1998]
Algemeen
1. Inleiding
In het kader van de
voorbereiding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea) hebben leden van de Tweede Kamer en diverse cliëntenorganisaties,
waaronder de
Nationale Commissie
Chronisch Zieken (NCCZ), de wens geuit om de
bestaande reïntegratie-instrumenten
uit te breiden met zogenaamde persoonsgebonden reïntegratiebudgetten (PRB). PRB wordt gekenmerkt door
een grote mate van autonomie van de
cliënt en een flexibele inzet van
middelen.
In zijn brief van 5 november
1996 heeft de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan
de Tweede Kamer medegedeeld
niet afwijzend tegenover een dergelijk PRB te staan. De
staatssecretaris heeft vervolgens aan de NCCZ gevraagd PRB nader uit te werken. De NCCZ
heeft hierop in maart 1997 een
rapport uitgebracht, waarin de hoofdlijnen van PRB zijn uitgewerkt. Hierin
wordt onder meer opgemerkt dat men
het raadzaam acht niet een
generieke maatregel af te kondigen,
maar eerst een experiment uit te voeren
met een (regelluwe) PRB-regeling.
Naar aanleiding hiervan is de NCCZ verzocht,
in samenwerking met het
Landelijk Instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], Arbeidsvoorziening [zie
Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.]
en de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG), de haalbaarheid van een
dergelijk experiment te onderzoeken. Dit heeft in
september 1997 geleid tot een
projectvoorstel van de NCCZ. Bij brief d.d. 6 november 1997 heeft de staatssecretaris
dit voorstel aangeboden aan
de Tweede Kamer. In zijn brief
heeft de staatssecretaris weliswaar
enige kanttekeningen geplaatst bij dit
projectvoorstel, doch hij heeft geconcludeerd dat het projectvoorstel een
goede basis biedt voor verdere uitwerking van een experimentele regeling.
De inhoud van de
Experimentele regeling
subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten is voor een groot gedeelte ontleend aan het
projectvoorstel van de NCCZ. De wettelijke basis van deze regeling is
gelegen in artikel 33 van de Wet Rea,
artikel 8e van het Besluit
uitvoering en financiering Wet
inschakeling werkzoekenden en artikel 3 van het Besluit reïntegratie-instrumenten
arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening, in welke
artikelen de wettelijke mogelijkheid
tot experimenten met een PRB is
neergelegd.
De conceptregeling is voor
commentaar voorgelegd aan het Lisv, het College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk en
Inkomen, red.], het Centraal Bestuur
voor de Arbeidsvoorziening, de
VNG en een aantal
cliëntenorganisaties, waaronder de NCCZ. Met deze
commentaren is rekening gehouden bij de
totstandkoming van de onderhavige regeling.
2. Doelstelling en doelgroep
van het experiment
Doelstelling
De deelnemers aan het
experiment met PRB nemen zelf het
initiatief en geven naar eigen inzicht
nadere invulling aan hun
(re)integratieproces, waarbij sprake is van een
grote mate van autonomie van de cliënt
en een flexibele inzet van
middelen.
De NCCZ heeft de verwachting
uitgesproken dat PRB leidt tot
versterking van de positie van de
arbeidsgehandicapte, zowel op de arbeidsmarkt
als op de markt van aanbieders van
ondersteunende diensten. Voorts wordt
verwacht dat de efficiency van het reïntegratieproces bevorderd wordt
door flexibele inzet van middelen
en het leveren van maatwerk, zodat
kwalitatief betere reïntegraties worden
gerealiseerd.
Het experiment zal moeten
uitwijzen of PRB een dergelijke
toegevoegde waarde heeft en of het een
geschikte aanvulling kan bieden op de
reguliere reïntegratie-instrumenten.
Of PRB daadwerkelijk leidt tot
activering van de cliënt en tot
vergroting van zijn zelfstandigheid en
zelfbeschikkingsrecht, zal uit het experiment naar voren komen. Naar verwachting zal
het experiment ook gegevens
opleveren over de vraag of met PRB flexibiliteit en maatwerk wordt bereikt.
In deze regeling zijn
voorwaarden gesteld ten aanzien van de
toekenning van een PRB. Tevens is
geregeld welke activiteiten uit het budget
gefinancierd mogen worden. In hoeverre
deze voorwaarden in de praktijk
toereikend zijn, zal uit de resultaten
van het experiment moeten blijken. Naar
verwachting zal het experiment uitwijzen
of er een noodzaak bestaat om deze
activiteiten nader af te bakenen en of
PRB kan leiden tot oneigenlijk
gebruik.
Op basis van de resultaten
van het experiment zal een
zorgvuldige afweging van kosten en baten gemaakt kunnen worden. In deze
afweging zal zowel het belang van de
cliënt als het belang van de uitvoerende
instantie gewogen worden.
Doelgroep
Het experiment is
toegankelijk voor alle werkloze werkzoekende arbeidsgehandicapten die geen betaalde arbeid verrichten en
woonachtig zijn in een experimenteerregio. Drie werkgebieden van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn als experimenteerregio aangewezen.
Ook diegenen met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt kunnen
deelnemen aan het experiment. Tijdens
het experiment zal geregistreerd
worden in welke fase de cliënt is ingedeeld in het kader van Samenwerking
Werk en Inkomen (SWI) [zie o.m. Samenwerkingsbesluit
SWI, red.]. Het is
voor toelating tot het experiment echter
niet van belang in welke fase de
cliënt is ingedeeld. Voor deelname aan het
experiment is van belang dat PRB leidt
tot behoud, herstel, respectievelijk bevordering van de arbeidsgeschiktheid
van de individuele arbeidsgehandicapte en dat de activiteiten kunnen
bijdragen aan een duurzame (re)integratie van de individuele
arbeidsgehandicapte.
Het experiment is dus ook
toegankelijk voor degenen in fase 4
(degenen met een zeer grote afstand
tot de arbeidsmarkt). Door de fase-4-cliënten ook onder de doelgroep van het experiment te brengen, is het na afloop
van het experiment mogelijk te
beoordelen voor welke categorie de
inzet van een PRB zinvol is. Op dit
onderdeel wijkt de regeling af van het voorstel
van de NCCZ. De NCCZ stelde
namelijk voor om de deelname aan het experiment te beperken tot cliënten in
de fasen 2 en 3, en onder bepaalde
voorwaarden eventueel cliënten in fase
4 toe te laten.
Aanvullende selectiecriteria - met betrekking tot bijvoorbeeld
de mate van motivatie en zelfredzaamheid - zijn niet gesteld.
Deelname
Deelname aan het
PRB-experiment geschiedt op vrijwillige
basis en vindt plaats op basis van een
aanmelding door de cliënt. Deze
aanmelding kan plaatsvinden naar aanleiding van het contact met de uitvoerder,
waarbij de cliënt voor een
arbeidstoeleidingstraject voorgedragen wordt. Op
basis van de kwalificerende intake
besluit de uitkeringsinstantie immers wie voor een arbeidstoeleidingstraject in
aanmerking komt en voor wie een gedetailleerd trajectplan wordt opgesteld
en uitgevoerd (pagina 43
memorie van toelichting bij de wet). De
uitvoerder attendeert de cliënt dan op
de keuzemogelijkheid tussen de reguliere
trajectbemiddeling en het experiment PRB. De keus is dan aan de cliënt zelf.
Voorts is het mogelijk dat
de cliënt zich spontaan meldt voor
deelname aan het PRB. De uitvoerder
beslist dan of toekenning van een PRB
aan de orde is, dan wel of een
regulier arbeidstoeleidingstraject
beter is, zonder dat er een
bemiddelingstraject vooraf hoeft te gaan volgens
de uitvoerders. Het is immers mogelijk dat de uitvoerder goede redenen heeft om
niet via een PRB in de
betrokken cliënt te investeren.
Zowel indien er sprake is
van een aanmelding in het kader van
een contact met de uitvoerder als in geval van een spontane melding, dient
de cliënt zelf een aanvraag in te dienen bij de uitvoerende instantie.
Indien de uitvoerende
instantie besluit dat de cliënt niet
toegelaten wordt, ontvangt de cliënt
hiervan bericht in de vorm van een
beschikking waartegen bezwaar,
respectievelijk beroep openstaat.
3. Inhoud en vormgeving PRB
Relatie met voorzieningen
PRB is gericht op
arbeidstoeleiding en vervangt de voorzieningen
die op grond van artikel 22 van de Wet Rea,
artikel
8a van het Besluit uitvoering en
financiering Wet inschakeling werkzoekenden en artikel
2, eerste lid, van het Besluit
reïntegratie-instrumenten arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening kunnen
worden toegekend.
Indien een PRB wordt
toegekend, kunnen de op grond van de
hiervoor genoemde artikelen toe te
kennen voorzieningen niet meer
worden verstrekt. De overige bij of krachtens
de Wet Rea, de Wiw en de Arbeidsvoorzieningswet 1996
toe te kennen instrumenten kunnen
wel worden verstrekt. Wat betreft de
Wet Rea blijven bijvoorbeeld de
volgende regelingen dus van toepassing: de reïntegratie-uitkering bij proefplaatsing en scholing
(artikelen 23 tot en met 27), de toelage arbeidsgehandicapte
zelfstandigen (artikel 28), de
inkomenssuppletie zelfstandigen (artikel 29) en de
loonsuppletie (artikel 32). Tevens blijven
alle werkgeversinstrumenten - zoals het plaatsingsbudget, het herplaatsingsbudget en het pakket op maat
- onverminderd van kracht.¹
Het PRB kan worden geweigerd
indien in de periode van
twee jaar voorafgaande aan de aanvraag
reeds voorzieningen op grond van
de hiervoor genoemde artikelen of op
grond van artikel 57 van de AAW
zijn verstrekt. Aangezien het niet wenselijk
is geacht dat een PRB kan
worden ingezet na een voorafgaand
reïntegratietraject, komen diegenen die in dit kader reeds voorzieningen
hebben ontvangen in beginsel niet
voor een PRB in aanmerking. De
uitvoerende instantie kan echter
oordelen dat de omstandigheden van het geval
aanleiding geven om desondanks een PRB toe te kennen.
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn het (her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van
1 januari 2002 komen te vervallen. Zie verder het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.
Standaardbudget en budget op
maat
De cliënt heeft een
keuzemogelijkheid tussen verstrekking van een
PRB in de vorm van een
standaardbudget, respectievelijk een budget
op maat. Het standaardbudget wordt toegekend in de vorm van een eenmalig
bedrag van ten hoogste ƒ10 000,-. Het wordt toegekend voor de
periode van een jaar, te rekenen vanaf
de datum waarop het budget wordt
verleend.
Om te voorkomen dat het PRB
zonder meer wordt verstrekt en
aangewend kan worden voor andere dan
op reïntegratie gerichte
doeleinden, wordt het niet zonder meer
betaald.
Het PRB is een subsidie in
de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In
artikel 4:29 van de Algemene
wet bestuursrecht is bepaald dat
voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent
subsidieverlening kan worden gegeven indien
een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of
het tijdvak waarvoor de subsidie wordt
gevraagd, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald. Afdeling 4.2.3 van
de Algemene wet bestuursrecht heeft betrekking op de
subsidieverlening. Afdeling 4.2.5 van de Algemene wet bestuursrecht
heeft
betrekking op de subsidievaststelling. De subsidieverlening kan worden gezien als de
verstrekking van een voorschot waarop de subsidievaststelling volgt.
Omdat het niet wenselijk is
dat de cliënt de bedragen zelf
moet voorschieten, kan er dus op aanvraag van de cliënt een voorschot
worden verleend. Dit voorschot wordt, in de terminologie van de Algemene wet
bestuursrecht, de
subsidieverlening genoemd.
Bij de voorschotverlening
toetst de uitvoerende instelling of
het budget dient ter bekostiging van
activiteiten, respectievelijk
noodzakelijke voorzieningen die strekken tot bevordering, behoud, respectievelijk
herstel van de arbeidsgeschiktheid en
gericht zijn op duurzame inschakeling in
het arbeidsproces. Uit de voorschotten kan de cliënt de te verrichten
activiteiten bekostigen. Na afloop van de
periode van één jaar, of zoveel
eerder als de activiteiten korter duren
dan één jaar, wordt het budget en de
hoogte ervan definitief vastgesteld. Bij
de vaststelling van de subsidie (het budget) wordt beoordeeld of de
voorgenomen activiteiten ook
daadwerkelijk zijn verricht.
Deze werkwijze maakt
inzichtelijk welke soorten activiteiten
uit het budget worden gefinancierd. De
evaluatie zal antwoord moeten geven op
de vraag welke soorten activiteiten uit een budget worden
gefinancierd. Op basis van deze gegevens kan
de verhouding tussen doel en middelen
geëvalueerd worden.
Het budget op maat wordt
toegekend, na goedkeuring van een door
of namens de cliënt opgesteld
en overgelegd individueel trajectplan. Het
budget op maat wordt verstrekt indien de kosten van de activiteiten
naar verwachting hoger zijn dan het
maximumbedrag ƒ10 000,-, zoals dat geldt ten aanzien van het
standaardbudget, of indien de activiteiten langer zullen duren dan een periode van
één jaar. Ten aanzien van het budget
op maat geldt een maximumbedrag van ƒ50 000,-.
In het trajectplan dienen de
aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven te zijn. Voorts
dient dit plan vergezeld te
gaan van een begroting die inzicht geeft in de kosten van de voorgenomen
activiteiten. Evenals bij het standaardbudget geldt ook hier dat het
budget slechts verleend wordt indien de
voorgenomen activiteiten bijdragen aan
het behoud, het herstel of de
bevordering van de arbeidsgeschiktheid
en voorts redelijkerwijs verwacht mag
worden dat de beoogde doeleinden
zullen worden bereikt, dat wil zeggen een reële bijdrage zullen
leveren tot inschakeling in het arbeidsproces.
Pas na goedkeuring van het
ingediende trajectplan en de ingediende begroting wordt door de
uitvoerende instelling het budget op
maat verleend. Op basis van het trajectplan en de begroting wordt de hoogte
van het budget vastgesteld.
Besteding van het budget
Met inachtneming van
bovengenoemde voorwaarden kan zowel het
standaardbudget als het budget op maat aangewend worden voor
diverse vormen van reïntegratiebevorderende ondersteuning. Het PRB dient
ter bekostiging van reïntegratiebevorderende activiteiten en
voorzieningen.
Hierbij kan gedacht worden
aan de gangbare instrumenten, zoals
scholing en vervoerskosten, maar het
is ook denkbaar dat in de praktijk
nieuwe instrumenten ontwikkeld worden, gezien het karakter van het
experiment, waar empowerment, flexibiliteit en maatwerk immers
kernbegrippen zijn; ook advies- en
bemiddelingskosten kunnen uit het PRB voldaan
worden. In verband hiermee is er in
de regeling geen limitatieve
opsomming gegeven van instrumenten die
binnen PRB vallen. In beginsel kan dus elke activiteit waarvan
vastgesteld wordt dat deze een reële bijdrage
kan leveren aan de reïntegratiekansen,
uit het PRB voldaan worden. De vraag óf sprake is van een bijdrage aan de reïntegratiekansen wordt in het
individuele geval per afzonderlijke activiteit beoordeeld door de
desbetreffende uitvoerder. Deze beoordeling
vindt plaats op basis van een
zogenaamde marginale toetsing, waarbij
de activiteit en daarbij behorende rekening worden beoordeeld op basis
van de redelijkheid en billijkheid.
De kosten van de activiteiten (het
middel) dienen evenredig te zijn aan de
mate waarin deze bijdragen aan de
bevordering van de reïntegratie (het te
bereiken doel).
Of er gekozen wordt voor het
standaardbudget of voor het budget op maat, hangt af van de
individuele omstandigheden. De
uiteindelijke keuze wordt overgelaten aan
de cliënt zelf. Uiteraard kan de
cliënt zich hierbij laten adviseren door de
uitvoerende instantie.
In haar rapport heeft de
NCCZ voorgesteld om na afloop van deelname
aan PRB een wachttijd van één
jaar te laten gelden ten aanzien van
aanspraken op intensieve bemiddeling. In
hoeverre en op welke termijn de cliënt
na afloop van PRB nog aanspraak kan
maken op andere instrumenten, zoals
intensieve begeleiding, is in de
onderhavige regeling opengelaten. Geconcludeerd
is dat de vraag of er na afloop van
PRB nog een noodzaak c.q. een
behoefte bestaat aan het inzetten van
een regulier reïntegratietraject, een
aspect is dat uit de evaluatie van het
experiment zal moeten blijken. Gelet op
het experimentele karakter van
de regeling wordt het niet aangewezen geacht om op voorhand reeds
een beperking te stellen ten
aanzien van zowel een termijn waarop
als de toepassing van instrumenten.
Dit is een aspect dat zich bij uitstek
leent om zich in de praktijk uit te laten
kristalliseren.
4. Uitvoering
In de wet is geregeld dat de
instantie waarmee de cliënt een
financiële relatie heeft, verantwoordelijk is
voor de reïntegratie. Blijkens het
vorenstaande is het experiment gericht op
de werkloze arbeidsgehandicapte zonder werkgever, alsmede de
arbeidsgehandicapte
die niet terug kan keren bij zijn eigen werkgever. Deze
brede doelgroepbeschrijving brengt met zich mee dat diverse instanties bij
het PRB betrokken zullen zijn. Het
Lisv en de gemeenten zullen de regeling
uitvoeren, gelet op de uitkeringsrelatie die zij met de cliënt hebben.
Ten aanzien van zowel diegenen die geen uitkering hebben als diegenen die een
uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (Anw) hebben, berust de
uitvoering van de regeling bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Genoemde instanties werken
samen of gaan samenwerken in
Centra voor werk en inkomen (CWI’s).
In het kader van die samenwerking is de
reïntegratie van de arbeidsgehandicapte
een belangrijke taak. In
genoemde centra wordt globaal beoordeeld welke afstand de cliënt tot de
arbeidsmarkt heeft. Voorts wordt bepaald
welke dienstverlening noodzakelijk
is en wordt een voorstel gedaan
over het al dan niet in traject nemen
van de cliënt. Gelet op deze zogeheten
basisdiensten, die in de Centra voor werk
en inkomen aan
arbeidsgehandicapten (zullen) worden verleend,
worden deze centra ingeschakeld in het
kader van de onderhavige regeling. In
de Centra voor werk en inkomen zal
worden beoordeeld of de cliënt
valt onder de doelgroep van PRB en of de cliënt in aanmerking komt voor
deelname aan PRB.
De deelnemer aan het
experiment zal met name met de
zogenoemde "casemanager" te maken
krijgen. De "casemanager" is de
administratieve beheerder van het PRB. De deelnemer dient verantwoording af te
leggen aan deze "casemanager". De "casemanager" is het aanspreekpunt,
verstrekt informatie - over bijvoorbeeld
dienstverleners - en volgt de deelnemer.
De wijze waarop verdere invulling
wordt gegeven aan de rol van de "casemanager", wordt overgelaten aan de
samenwerkende partners in de uitvoeringspraktijk.
5. Financiering
Er wordt van uitgegaan dat
de kosten van het PRB gefinancierd
worden uit de besparingen op de reïntegratie-inspanningen van de
uitvoeringsinstanties; het experiment vervangt
immers de voorzieningen van artikel
22 van de wet. De kosten van de PRB’s
die door de gemeenten worden
verstrekt, komen ten laste van het scholings- en activeringsbudget als
bedoeld in de Wiw. De kosten voor Arbeidsvoorziening worden betaald uit de
prestatiebijdrage van de rijksbijdrage voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Gezien de complexiteit bij
de uitvoering van het experiment
(samenloop van regelgeving, meerdere
uitvoeringsinstanties, een CWI in ontwikkeling), is er uit collectieve middelen
voor zowel 1998 als voor 1999 een
bedrag van ƒ1 miljoen per jaar beschikbaar om partijen in de experimenteerregio’s
tegemoet te komen in de coördinatie-/uitvoeringskosten.
6. Omvang en samenstelling
experiment en experimenteerregio
Het experiment is zodanig
ingericht dat er uitspraken gedaan
kunnen worden over mate waarin en wijze
waarop een PRB kan bijdragen aan empowerment, flexibiliteit en maatwerk, versterking en transparantie
van het aanbod en het op doelmatige
wijze vergroten van toegang tot
werk voor arbeidsgehandicapten. Ten
behoeve van de representativiteit
zijn voorwaarden gesteld ten aanzien van de samenstelling en de omvang
van het experiment. Wat betreft de
samenstelling van de doelgroep zij
verwezen naar paragraaf 2. Binnen
deze doelgroep vindt geen nadere
differentiatie plaats naar afstand tot de
arbeidsmarkt. De NCCZ heeft voorgesteld
dat 50% van de deelnemers bestaat uit personen aan wie een
standaard-PRB wordt toegekend en 50% van
de deelnemers bestaat uit personen aan wie een PRB op maat wordt
toegekend. Aangezien de onderhavige
regeling voorziet in de mogelijkheid
om het standaardbudget tussentijds om te zetten in een budget op maat, is
het niet mogelijk om een dergelijke
strikte scheiding aan te houden.
Er geldt geen minimum voor
het aantal deelnemers per instantie.
Wel geldt een maximum van 150
deelnemers per regio. In het kader van de
evaluatie zal een controlegroep worden
gevolgd voor wie een regulier
reïntegratietraject wordt ingezet.
In deze regeling worden drie
regio’s aangewezen voor de
uitvoering van het experiment met PRB. Het
experiment PRB zal plaatsvinden in drie werkgebieden van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Het betreft de regio’s Maastricht, Midden-Nederland
en Haaglanden.
De regio Maastricht omvat de
gemeente Maastricht. In deze
regio zijn voor het Landelijk instituut sociale verzekeringen de
uitvoeringsinstellingen GAK, Cadans,
GUO, SFB en USZO, alsmede het onderdeel
"Limburg"
en het onderdeel "Arbeidsintegratie Zuid-Limburg" van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de deelnemende partijen.
De regio Midden-Nederland
omvat de gemeenten Utrecht en
Amersfoort. In deze regio zijn voor het
Landelijk instituut sociale
verzekering GAK, Cadans, GUO, SFB en USZO, alsmede het onderdeel "Midden-Nederland"
en het onderdeel "Arbeidsintegratie Midden-Nederland" van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de deelnemende partijen.
Ten slotte omvat de regio Haaglanden de gemeente Den
Haag, en is voor het Landelijk instituut sociale verzekeringen het GAK en van
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
het onderdeel "Arbeidsintegratie Haaglanden" de deelnemende
partij.
Uitgangspunt is dat het
experiment twee jaar duurt. Rekening is
gehouden met een aanloopperiode van zes maanden. Dit leidt tot een totale
doorlooptijd van in beginsel dertig maanden. Aangezien aanvragen tot
dertig kalendermaanden na inwerkingtreding van deze regeling kunnen worden
ingediend, is het mogelijk dat de
feitelijke doorlooptijd langer zal zijn
dan dertig maanden.
Ten behoeve van het
welslagen van de evaluatie is het
noodzakelijk dat deelnemers en uitvoerders de
gewenste informatie verschaffen. In
verband hiermee is ten aanzien van
de deelnemers een informatieverplichting
in de regeling opgenomen. Ten
aanzien van de uitvoerders geldt de
informatieverplichting krachtens de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997) [zie Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), red.], de
Wet inschakeling
werkzoekenden en de Arbeidsvoorzieningswet
1996. Deze wetten bevatten immers
bepalingen die de uitvoeringsorganen
verplichten desgevraagd gegevens te
verstrekken aan de minister (artikel 87 Osv 1997), in verband met de
beleidsvorming (artikel 21 Wiw) of in
verband met de uitvoering van en de
uitvoerbaarheid van de wet (artikel 91 Arbeidsvoorzieningswet
1996).
7. Begeleiding en voortgang
van het experiment
Met het oog op een
zorgvuldige begeleiding van het experiment zowel in
de voorbereidingsfase als
gedurende de looptijd wordt een
begeleidingsgroep ingesteld onder
voorzitterschap van het ministerie van SZW
waarin de landelijke SWI-partners, cliëntenorganisaties evenals de contactpersonen
uit de experimenteerregio’s zijn vertegenwoordigd. De onderzoekers die belast
worden met de evaluatie van
het experiment nemen hieraan deel als
toehoorder.
De begeleidingsgroep heeft
een signalerende en adviserende functie ten behoeve van de Minister van
SZW. Deze begeleiding staat
overigens los van de door onafhankelijke onderzoekers te verrichten evaluatie van
het experiment.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
In dit artikel is geregeld
aan welke onder de
verantwoordelijkheid van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gemeenten en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vallende
arbeidsgehandicapten op aanvraag een persoonsgebonden
reïntegratiebudget kan worden verstrekt. Deze
subsidie wordt verstrekt in plaats
van de voorzieningen die door de hiervoor genoemde instellingen op
grond van artikel 22 van de Wet Rea,
dan wel overeenkomstig dat artikel
bij en krachtens de Wiw en de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, verstrekt kunnen worden. Bij de toekenning
van deze subsidie behoudt de arbeidsgehandicapte aanspraak op de overige
reïntegratie-instrumenten genoemd in respectievelijk hoofdstuk 4 van de Wet Rea, de Wiw en de
Arbeidsvoorzieningswet 1996.
In het derde lid van het
onderhavige artikel is geregeld dat de
subsidie enerzijds dient ter bekostiging van
activiteiten die kunnen bijdragen aan een duurzame reïntegratie in
het arbeidsproces en gericht zijn op het
behoud, herstel of bevordering van
de arbeidsgeschiktheid en anderzijds ter
bekostiging van voorzieningen
(bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) die
noodzakelijk zijn voor het verrichten van
die activiteiten.
In het vierde lid is
geregeld dat geen subsidie wordt verstrekt voor zover de kosten van de activiteiten
of voorzieningen - dan wel de gecombineerde kosten - niet evenredig zijn
met het te bereiken doel. Een nadere
normering ontbreekt. De afweging ter zake dient voor ieder individueel geval
door de subsidieverlener te worden
gemaakt.
In het vijfde lid is
geregeld dat het orgaan waarbij de subsidie
wordt aangevraagd deze kan weigeren indien aan de arbeidsgehandicapte
in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag op grond van
artikel 57 van de AAW, artikel 22
van de wet, artikel 13a, eerste en
tweede lid, van de Wiw en artikel 2, vierde
lid, onderdeel a, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 een voorziening is
toegekend. Voor een verdere toelichting
op dit artikellid zij verwezen naar
het algemeen deel van de toelichting.
Artikelen
2, 3 en 4
Het persoonsgebonden
reïntegratiebudget kan worden verstrekt in de vorm van een standaardbudget
of in de vorm van een budget op
maat. Het standaardbudget is een eenmalig te verstrekken subsidie van ten
hoogste ƒ10 000,- die verstrekt
wordt voor een periode van één jaar.
Dit laatste betekent dat de activiteiten
waarvoor subsidie wordt verstrekt
binnen de periode van één jaar na
subsidieverlening afgerond moeten zijn.
Als de kosten van de
activiteiten en de daarmee verband houdende
voorzieningen hoger zijn dan laatstgenoemd bedrag of de (al dan niet gecombineerde) activiteiten
langer duren dan één jaar, dan kan
subsidie in de vorm van een budget op
maat worden verstrekt. Daartoe dient de arbeidsgehandicapte bij de
aanvraag van subsidie een van een begroting voorzien individueel
trajectplan in te dienen waarin aangegeven
staat welke activiteiten hij van plan is
te ondernemen en welke voorzieningen
hiervoor noodzakelijk zijn. In het
derde lid van artikel 4 is geregeld dat
de beoogde subsidieverlener moet instemmen met het voorgestelde trajectplan
en de daarbij behorende begroting
alvorens tot subsidieverlening kan
worden overgegaan. Op grond van het vierde lid van artikel 3 kan het
uiteindelijk bij beschikking vast te stellen
subsidiebedrag in beginsel niet hoger zijn
dan het bedrag waarvoor subsidie
is verleend. Dit is slechts anders indien
de subsidieverlener heeft
ingestemd met een verhoging van de kosten
of een wijziging van het hiervoor
genoemde plan. Hieruit blijkt dat een
individueel trajectplan tussentijds kan worden aangepast.
Artikel 5
In dit artikel is geregeld
dat tussentijdse omzetting van een
standaardbudget in een budget op maat
mogelijk is. Het is immers denkbaar dat
betrekkelijk kort na de toekenning van
het standaardbudget blijkt dat dit budget niet toereikend is, dan wel dat
de periode van één jaar te kort is. Er
kan dan om omzetting verzocht worden.
Indien de aanvraag om omzetting gedaan
wordt dertien weken na de verstrekking
van het standaardbudget, is
omzetting niet meer mogelijk. Met het oog
op het geldende maximale bedrag dat
geldt voor het budget op maat, is
voorts in dit artikel geregeld dat in
het kader van een standaardbudget
verleende voorschotten of vastgestelde subsidiebedragen worden verrekend met het
toe te kennen budget op
maat.
Artikel 6
In dit artikel is geregeld
welke verplichtingen op de subsidieontvanger rusten. Het eerste lid
verplicht de subsidieontvanger het budget aan te
wenden voor het doel waarvoor het budget is toegekend. Het budget
dient immers aangewend te worden
ten behoeve van activiteiten die
strekken tot bevordering, behoud,
respectievelijk herstel van de arbeidsgeschiktheid, en gericht te zijn op
inschakeling in het arbeidsproces.
Op grond van artikel 4:37
van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) kunnen de subsidieontvanger
nog andere verplichtingen worden opgelegd dan in dit artikel zijn benoemd.
In het tweede lid is de
mededelingsverplichting van de subsidieontvanger geregeld. Op grond van dit
lid dient de subsidieontvanger alle
relevante feiten en omstandigheden schriftelijk aan de subsidieverlener mede te
delen.
In het derde lid wordt de
subsidieontvanger verplicht om binnen een bepaalde termijn zijn
volledige medewerking te verlenen aan de evaluatie die in het kader van het experiment verricht zal worden.
Titel 4.2 van de Awb is van
toepassing, hetgeen ertoe leidt dat
indien de subsidieontvanger de hiervoor genoemde
verplichtingen niet naleeft, het bepaalde omtrent niet-naleving in de
Awb van toepassing is.
Artikel 7
In dit artikel zijn regels
gesteld met betrekking tot de aanvraag
tot subsidievaststelling. Een dergelijke aanvraag dient vergezeld te gaan van
een verantwoording en een declaratie. De verantwoording geeft inzicht
in de aard, de duur en de omvang
van de gesubsidieerde activiteiten
en de met die activiteiten verband
houdende voorzieningen. De declaratie
geeft inzicht in de kosten van
activiteiten en voorzieningen en bevat
voorts, indien sprake is van een budget op
maat, een vergelijking met de
begroting waarmee de subsidieverlener eerder
heeft ingestemd.
Artikelen 8 en
9
In het kader van het
experiment geldt geen minimum aantal
deelnemers per instantie. Wel geldt een
maximum van 150 deelnemers per regio.
De doorlooptijd van het
experiment bedraagt dertig maanden. Na die
periode kunnen geen aanvragen voor
subsidieverlening meer worden ingediend; lopende trajecten kunnen wel worden
afgemaakt en de subsidie zal
conform artikel 7 worden
vastgesteld. Voor een verdere toelichting wordt
verwezen naar het algemene deel van
de toelichting.
Artikel 10
Verwacht wordt dat deze
regeling veelvuldig geciteerd zal
worden. Daarom is deze regeling
voorzien van een citeertitel.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
bij de Regeling van 20 december 2001, Stcrt. 2001, 249, tot
wijziging van de Experimentele regeling subsidieverstrekking
arbeidsgehandicapten, waarbij de artikelen 1, 2,
2a, 3, 4, 5,
6, 8 en 9 zijn
vervangen, artikel 6a is ingevoegd en artikel
7 is gewijzigd
Algemeen
De
Experimentele regeling subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten is op
een aantal punten gewijzigd. De ervaringen met de regeling zoals die in de eerste fase van het
experiment van kracht was, hebben een
belangrijke rol gespeeld bij het
opstellen van de regeling zoals die is
opgenomen in de landelijke regeling in
het Besluit SUWI (sec/2001/71128) ten
behoeve van de werknemer van wie is
vastgesteld dat bij de eigen of een
andere werkgever geen passende arbeid
aanwezig is. Landelijke invoering van
het persoonsgebonden reïntegratiebudget (PRB) voor de overige
doelgroepen acht het kabinet niet reëel
in 2002, gezien de ingrijpende
gevolgen voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en
gemeenten.
De tussenliggende periode
wordt benut door de regio’s in
de gelegenheid te stellen te experimenteren
op basis van de nieuwe regeling en het UWV en gemeenten de tijd te
gunnen tot het uitwerken van randvoorwaarden.
Doelstelling van het PRB
Het kabinet is van mening
dat individuele begeleiding en maatwerk bij
de inzet en uitvoering van een
reïntegratietraject uitgangspunt moet zijn voor alle cliënten. Een persoonsgebonden
reïntegratiebudget betekent
in dat opzicht een aanvulling op
het bestaande Rea-instrumentarium wanneer verwacht wordt dat
een PRB de meeste kans biedt op
succesvolle inschakeling in arbeid. Deze
situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer het reguliere aanbod
onvoldoende is toegesneden op de
capaciteiten of mogelijkheden van de cliënt of wanneer de cliënt heel
specifieke ideeën heeft over de reïntegratie.
Besteding van het budget
In vergelijking met de
huidige regeling is de nieuwe regeling
sterker ingekaderd.
De bestedingsdoelen zijn
beperkt tot activiteiten die
gebruikelijk zijn in reïntegratietrajecten,
uitgevoerd door het UWV op grond van artikel
10 Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) en door de gemeenten, voor de doelgroep, bedoeld in
artikel 12 van de
Wet Rea. In dit verband kan
gedacht worden aan activiteiten die
betrekking hebben op het opdoen van
specifieke vaardigheden, oriëntatie op
de arbeidsmarkt, bemiddeling of
ondersteuning en coaching na plaatsing. Deze omschrijving impliceert
dat het niet langer is toegestaan om
het PRB aan te wenden als startkapitaal voor een op te richten
onderneming of het volgen van een opleiding die
niet voldoet aan de gangbare criteria
voor financiering door of
toestemming van het UWV of de gemeente.
Daarnaast blijven artikel 22
van de Wet Rea en de Wet
inschakeling werkzoekenden onverminderd
van toepassing voor het
toekennen van noodzakelijke voorzieningen
om de deelname aan een
reïntegratietraject te kunnen realiseren.
Doelgroep
Bij de totstandkoming van
het PRB was de vraag aan de orde of
het PRB beperkt moest worden tot fase-2- en fase-3-cliënten. Deze
afbakening heeft in de regeling niet plaats gevonden en bleek in de praktijk ook
niet nodig. De regeling is
gericht op arbeidsgehandicapten voor
wie een traject nodig is voor het
realiseren van de arbeidsmogelijkheden,
zoals onder meer tot uiting komend
in de fasering (van bijstandsgerechtigden) door de Centrale organisatie
werk en inkomen in fase 2, 3 of 4.
Deelname aan het experiment geschiedt op vrijwillige
basis. Een cliënt wordt op het PRB geattendeerd door een uitvoerende
instantie op het moment dat zijn of haar mogelijkheden tot inschakeling in arbeid
aan de orde komen. Voorts is het
mogelijk dat een cliënt zich
spontaan meldt voor een PRB.
In beide gevallen dient de
cliënt zelf een aanvraag in bij de
instantie die verantwoordelijk is voor
de reïntegratie van de cliënt.
Een aanvraag voor een PRB
dient vergezeld te gaan van een
trajectplan, met een opsomming van de
aard, de duur en de kosten van de
activiteiten, en gegevens van het reïntegratiebedrijf dat de activiteiten zal gaan
uitvoeren.
Het UWV of de gemeente
beoordeelt of de uitvoering van het
trajectplan gerede kans van slagen heeft en redelijkerwijs geacht wordt
te leiden tot reïntegratie op de arbeidsmarkt of dat een regulier
toeleidingstraject beter is.
De beslissing op de aanvraag
is een besluit in de zin van de
Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar, respectievelijk beroep
openstaat.
Hoogte en duur van het
budget
In beginsel wordt subsidie
toegekend van maximaal €|3630,- (ƒ8000,-) per cliënt, voor een
tijdvak van ten hoogste één jaar. Dit
bedrag is gebaseerd op de gemiddelde
prijs bij de inkoop van een regulier
reïntegratietraject voor een cliënt. Indien de aanvrager aantoont dat de
noodzakelijke kosten van de werkzaamheden die zijn gericht op behoud,
herstel of
bevordering van
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
hoger zijn dan dit bedrag of de
reïntegratieactiviteiten noodzakelijkerwijs langer duren dan één jaar, dan
kan
subsidie worden verleend voor een
hoger bedrag of een langere
periode.
Deze situatie kan zich
bijvoorbeeld voordoen wanneer de cliënt
deel uitmaakt van een doelgroep waarvoor een hoger gemiddelde
trajectprijs geldt.
Algemene wet bestuursrecht
Het PRB is een subsidie in
de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). In artikel 4.29 van
de Awb is bepaald dat voorafgaand aan
een subsidievaststelling een
beschikking omtrent subsidieverlening
kan worden gegeven indien een aanvraag
daarvoor is ingediend vóór afloop van
de activiteit of het tijdvak
waarvoor de subsidie is gevraagd, tenzij
bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald. Afdeling 4.2.3 van de Awb
heeft betrekking op de
subsidieverlening. Afdeling 4.2.5 van de
Awb
heeft betrekking op de
subsidievaststelling.
De cliënt hoeft de bedragen
niet zelf voor te schieten, maar
dient voorafgaand, tijdens of na
afloop van het traject een declaratie
in bij het UWV of de gemeente. Wanneer
de declaratie overeenkomt met
de opgave in het trajectplan, voldoet
de uitvoeringsinstantie de kosten rechtstreeks aan het
reïntegratiebedrijf.
Bij de vaststelling van
subsidie, na afloop van het traject,
wordt beoordeeld of de activiteiten
daadwerkelijk zijn verricht en of cliënt
heeft voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan het PRB. Op
grond van artikel 7 moet de
cliënt na afloop van de gesubsidieerde
werkzaamheden dan wel na afloop van het
tijdvak waarover subsidie is verleend, een aanvraag tot
subsidievaststelling indienen. Dient de cliënt
na afloop van de bedoelde termijn geen
aanvraag tot subsidievaststelling in,
dan maant de uitvoeringsinstantie die cliënt eenmaal aan op grond
van artikel 4:44, derde lid, van de Awb.
Als dan nog geen aanvraag volgt,
kan, op grond van artikel 4:44,
vierde lid van de Awb, de subsidie
ambtshalve door de uitvoeringsinstantie
worden vastgesteld.
Eisen trajectplan en
subsidievoorwaarden
Op grond van het nieuwe
artikel 3 geldt, naast de voorwaarden
die voortvloeien uit de artikelen 1 en 2, als voorwaarde voor het
verstrekken van een persoonsgebonden reïntegratiebudget dat de arbeidsgehandicapte
bij zijn aanvraag een
trajectplan overlegt. In artikel 3 wordt een
aantal minimumeisen ten aanzien van
dat trajectplan genoemd. Uit de
zinsnede "in elk geval" in de
aanhef van dat artikel blijkt dat het UWV en de in
artikel 2, eerste lid,
genoemde gemeenten aanvullende eisen
aan dat trajectplan mogen stellen.
In het nieuwe artikel 4,
tweede lid, wordt bepaald dat de
uitvoeringsorganisatie in de subsidiebeschikking
als voorwaarde opneemt dat in de
overeenkomst met het reïntegratiebedrijf in elk geval wordt opgenomen
dat dat reïntegratiebedrijf
bepaalde gegevens aan de uitvoeringsinstantie
verstrekt. Uit de zinsnede "in elk
geval" in dat artikellid blijkt dat in
de subsidiebeschikking ook andere voorwaarden aan die overeenkomst tussen
de arbeidsgehandicapte en het
reïntegratiebedrijf gesteld mogen worden. Wellicht ten overvloede
wordt hierbij opgemerkt dat de
uitvoeringsinstantie daarbij wel gebonden is aan
de bepalingen in de Awb over subsidie in
het algemeen en artikel 4:38
van die wet in het bijzonder.
Financiering
PRB-trajecten worden
toegekend op basis van artikel 33 Wet Rea en het
Besluit
uitvoering en financiering Wiw. Voorzieningen die op
basis van artikel 22 van de wet worden
verstrekt, komen ten laste van het Reïntegratiefonds. Indien
de cliënt onder de financiële
verantwoordelijkheid valt van de gemeente, komen
de onkosten van het PRB voor
rekening van het scholings- en
activeringsbudget van de Wiw.
Uitvoering van het
experiment in de regio’s
De projectstructuren die
destijds in het leven zijn geroepen om
het experiment uit te kunnen voeren,
blijven tot 2003 gehandhaafd. Wel zal
vanuit het ministerie van SZW de onderlinge samenwerking en coördinatie
tussen de regio’s worden bevorderd.
De projectregio’s kunnen
desgewenst subsidie aanvragen bij het ministerie van SZW als tegemoetkoming
in de kosten die verbonden
zijn aan het aanstellen van een
centrale coördinator, de uitvoering
van het experiment en voorlichting
en werving van cliënten.
Van de zijde van het
ministerie kunnen aan de
subsidieverlening nadere eisen worden gesteld.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A [artikel 1,
red.]
In het kader van de
Wet SUWI
en wijziging van socialezekerheidswetten in het
wetsvoorstel
Belastingplan V (Kamerstukken II 2000-2001, 28 016) is de specifieke bepaling over voorzieningen voor
arbeidsgehandicapten in de Wet inschakeling werkzoekenden vervallen en in het kader
van de Wet SUWI is de
verantwoordelijkheid van de gemeenten voor voorzieningen voor
arbeidsgehandicapten in artikel 12 [van de Wet
Rea, red.] aangepast. In
het eerste lid [van artikel 12,
red.] wordt nu verwezen
naar de gemeentelijke doelgroep door verwijzing naar artikel 12.
Onderdeel B [artikel 2,
red.]
Door het
in werking treden
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) (Kamerstukken II
2000-2001,
27 588) en het vervallen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
kan, voor de afbakening van het PRB-experiment, in artikel 2 van de
onderhavige regeling niet langer
verwezen worden naar de werkgebieden
als bedoeld in artikel 13 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996.
Daarom wordt in artikel 2, tweede lid, verwezen naar de
bijlage waarin de
desbetreffende gemeenten worden opgesomd. Daarmee is voorkomen dat de regeling uitgebreid of
beperkt wordt.
Zoals aangegeven in het
algemeen deel van deze toelichting is
met deze wijzigingsregeling bedoeld
aansluiting te zoeken bij de artikelen
over het persoonsgebonden
reïntegratiebudget voor arbeidsgehandicapte
werknemers in het Besluit SUWI. In dat
kader is ook het derde lid van
artikel 2 aangepast.
Onderdeel D [artikel 3,
red.]
Op de aanvraag om een
subsidie wordt binnen acht weken een beschikking omtrent subsidieverlening
gegeven (zie artikel 49a van
de Wet Rea). De subsidieverlening
geeft de subsidieontvanger een
voorwaardelijke aanspraak op financiële
middelen. De aanspraak is
voorwaardelijk omdat het op dat moment nog
niet zeker is of de aanvrager daadwerkelijk de gesubsidieerde
activiteiten verricht en hij zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. In de beschikking
omtrent subsidieverlening
worden, op grond van de Awb, onder
andere zaken als het maximumbedrag
en de maximumperiode waarvoor de
subsidie wordt verleend opgenomen,
alsmede een omschrijving van de
activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend. Voor zover de
beschikking dit vermeldt, kan de omschrijving van de activiteiten waarvoor
subsidie wordt verleend in een later
stadium nader worden uitgewerkt (artikel 4:30
Awb).
Onderdeel E [artikel 4,
red.]
De beschikking over de
subsidieverlening aan bijstandsgerechtigden
vormt onderdeel van het
trajectplan, bedoeld in artikel 70 van de Algemene
bijstandswet. De
verstrekking van de subsidie aan de
arbeidsgehandicapte zal pas achteraf, na de subsidievaststelling, plaatsvinden. Om
te voorkomen dat deze
persoon gedurende het traject grote bedragen zal moeten voorschieten, is
bepaald dat de gemeente en het UWV
tussentijds voorschotten kunnen
verlenen. Een besluit daartoe wordt
slechts genomen nadat door de
arbeidsgehandicapte declaraties, die
voortvloeien uit de in het trajectplan
beschreven werkzaamheden, zijn overgelegd. Dit kunnen declaraties voorafgaand,
tijdens of na afloop van het
reïntegratietraject betreffen. Indien de
gemeente of het UWV meent dat bevoorschotting terecht is, betaalt die
gemeente of het UWV het voorschot door voldoening van de declaraties
rechtstreeks aan het reïntegratiebedrijf
binnen één week nadat het besluit tot
voorschotverlening is genomen.
Onderdeel F [artikel 5,
red.]
Wellicht ten overvloede
wordt bij dit artikel opgemerkt dat het UWV
bij de subsidieverlening, op
grond van artikel 4:37 van de Awb,
verplichtingen kan opleggen aan de
subsidieontvanger met betrekking tot het
vóór de subsidievaststelling
verstrekken van gegevens en bescheiden
die nodig zijn voor een beslissing
omtrent de subsidie.
Onderdeel G [artikel 6,
red.]
Met de term
"subsidievaststelling"
wordt een tweede beschikking
aangeduid waarin wordt vastgesteld in
hoeverre de gesubsidieerde activiteit
is verricht, of de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd en hoeveel
het exacte subsidiebedrag
bedraagt. Hiervoor geeft afdeling
4.2.5 van de Awb een regeling.
Onderdeel H [artikel
6a, red.]
De
inlichtingenverplichtingen van de subsidieontvanger zijn in
dit nieuwe artikel 6a nader uitgewerkt.
Met betrekking tot het derde
lid, waarin de
informatieverplichting van de subsidieontvanger ten
behoeve van de evaluatie van deze
regeling is opgenomen, wordt nog
opgemerkt dat ten aanzien van de
uitvoeringsorganisaties de informatieverplichtingen krachtens de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) gelden.
Deze wetten bevatten immers
bepalingen die de uitvoeringsorganen verplichten desgevraagd gegevens te
verstrekken aan de minister (artikel 72
van de Wet SUWI en artikel 21 Wiw).
Onderdeel J [artikel 8,
red.]
Het maximum aantal
budgetten dat in een experimenteergebied
kan worden verstrekt, is niet gewijzigd. Inhoudelijk is aangesloten
bij de werkgebieden van de Centra
werk en inkomen [zie ook Besluit
werkgebieden CWI, red.].
Onderdeel K [artikel 9,
red.]
De datum van
inwerkingtreding van de nieuwe
uitvoeringsstructuur werk en inkomen zoals opgenomen
in de Wet SUWI is 1 januari 2002.
Daarom treedt deze
wijzigingsregeling ook op die datum in werking.
In het bestaande artikel 9 over de
duur van het experiment zijn
bepalingen opgenomen over aanvragen voor PRB’s vóór de datum van
inwerkingtreding van de Wet SUWI en de
omzetting van de standaardbudgetten in
budgetten op maat. In het eerste en
tweede lid van het nieuwe artikel 9, opgenomen in dit onderdeel, zijn die
bepalingen overgenomen. Dit betekent
dat aanvragen die zijn
ingediend vóór 1 januari 2002 nog worden
beoordeeld met toepassing van de
bepalingen in deze regeling, zoals die
luidde vóór deze wijziging. Voorts wordt
in het tweede lid bepaald dat een
verleend standaardbudget nog kan
worden omgezet in een budget op maat voor zover de aanvraag daartoe is
ingediend binnen dertien weken na 1 januari 2002.
De duur van het experiment
is gekoppeld aan de
inwerkingtreding van de structurele regeling
van het verstrekken van de
budgetten. De grondslagen hiervoor zijn
opgenomen in de artikelen van de
Invoeringswet Wet SUWI, die genoemd worden
in het derde lid. Deze
artikelen zullen later in werking treden,
wanneer ervaring is opgedaan met
deze regeling.
|
|