|
21 augustus 1998/nr. SV/WV/98/16107a
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 8, vierde
lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea;
Besluit:
Art. 1.
Algemeen
-1. In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
b. het besluit: het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
-2. Voor de toepassing van
deze regeling wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: de
geregistreerde partner alsmede de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel
1, vierde en vijfde lid, van de Toeslagenwet, tenzij het
betreft een bloedverwant in de eerste
graad;
b. ongehuwd: de persoon die
duurzaam gescheiden leeft van de
persoon met wie hij gehuwd is.
Art. 2.
Inkomen
-1. Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, van het besluit
wordt onder inkomen verstaan:
a. loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van
die wet;
b. een uitkering op grond van een
pensioenregeling als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964 of een uitkering op grond van een regeling die op grond van artikel 19d
van de Wet
op de loonbelasting 1964 daarmee is gelijkgesteld;
c. al hetgeen anders dan uit
dienstbetrekking in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt genoten als belastbaar
loon uit tegenwoordige arbeid of
belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een
werkzaamheid betreft als bedoeld in de
artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel
a en b, en 3.92 van die
wet;
d. een uitkering op grond van een
regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964 of een uitkering op grond van een regeling die op
grond van artikel 19d van de Wet
op de loonbelasting 1964 daarmee
is gelijkgesteld.
-2. Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, van het besluit
wordt, voor zover het ingevolge het eerste lid
niet reeds als inkomen wordt
aangemerkt, mede onder inkomen verstaan:
a. een uitkering, toelage,
loon- of inkomenssuppletie op grond
van de wet;
b. een uitkering op grond
van een regeling als bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering of een uitkering
op grond van een regeling die op grond van artikel
6, vijfde lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering daarmee
is gelijkgesteld;
c. een herplaatsingstoelage
op grond van een pensioenregeling
voor overheidswerknemers in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, alsmede een uitkering die naar aard en strekking
daarmee overeenkomt;
d. een uitkering op grond
van een regeling als bedoeld in
artikel 6, vierde lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering of een uitkering
op grond van een regeling die op grond van artikel
6, vijfde lid, van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering daarmee
is gelijk gesteld;
e. een periodieke uitkering
op grond van een particuliere ziekte-
of ongevallenverzekering;
f. een uitkering op grond
van een pensioenregeling waaraan deelneming is verplicht gesteld op grond
van de Wet betreffende verplichte
deelneming in een beroepspensioenregeling;
g. termijnen van lijfrenten,
aan een meerderjarige verstrekt door
een lichaam dat een levensverzekeringsbedrijf uitoefent;
h. uitkeringen op grond van
de Ongevallenwet 1921, de Land-
en Tuinbouwongevallenwet 1922
en de Zeeongevallenwet 1919 in
verbinding met de Liquidatiewet
ongevallenwetten;
i. uitkeringen op grond van
de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 en op grond van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers;
j. uitkeringen op grond van
de Algemene
Oorlogsongevallenregeling en de beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 5
november 1946, nr. 6, alsmede op deze
uitkeringen betrekking hebbende toe- en
bijslagen;
k. uitkeringen uit de
Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland
1940-1945 en de Stichting Hulp voor
nagelaten betrekkingen voor illegale
strijders (Stichting Sneek 1940-1945);
l. uitkeringen op grond van
de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
Art. 3.
Inkomen
echtgenoot
Bij de vaststelling van het
inkomen van de persoon die de
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de
vervoersvoorziening is toegekend, wordt mede in aanmerking genomen het
inkomen van zijn echtgenoot.
Art. 4.
Aftrekbare kosten
Op het inkomen worden in
mindering gebracht kosten ter zake van
ziekte of arbeidsongeschiktheid van
de persoon die de vervoersvoorziening
aanvraagt of aan wie de
vervoersvoorziening is toegekend, alsmede van zijn
echtgenoot of van zijn gezinsleden
indien zij voor hun levensonderhoud
mede afhankelijk zijn van zijn
inkomen, voor zover die kosten niet
uit anderen hoofde kunnen worden vergoed
en naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als buitengewone lasten zijn aan te merken.
Art. 5.
Buiten
beschouwing blijvende bedragen bij
inkomensvaststelling
Bij het vaststellen van het
inkomen blijven buiten beschouwing:
a. het bedrag waarmee de
uitkering op grond van de WAO, de WAZ of
de Wajong, of een combinatie
van deze uitkeringen, is verhoogd, op
grond van artikel 22 van de WAO,
artikel 10 van de
WAZ of
artikel 9 van de Wajong, of een combinatie
van deze artikelen;
b. de overhevelingstoeslag
zoals bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van de Wet overhevelingstoeslag
opslagpremies;
c. het deel van de uitkering
op grond van de Algemene Ouderdomswet
en het deel van de uitkering op
grond van de Algemene nabestaandenwet
dat onderscheidenlijk op grond
van artikel 81, derde lid, en artikel
81, vierde lid, van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies
als overhevelingstoeslag wordt beschouwd;
d. het deel van de uitkering
op grond de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en het
deel van de uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen dat
overeenkomstig artikel 76 van de Wet
aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies gelijk is aan
de premie op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
Art. 6.
Vaststelling
inkomen van personen die de leeftijd van
18 jaar nog niet hebben bereikt
-1. Bij de vaststelling van
het inkomen van de persoon die de
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de
vervoersvoorziening is toegekend en die de leeftijd van 18 jaar nog
niet heeft bereikt, wordt in aanmerking
genomen het gezamenlijk inkomen van
de ouders van die persoon dan
wel, indien het een pleegkind betreft,
het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het
pleegkind als eigen kind opvoeden en
onderhouden.
-2. Indien de ouders
respectievelijk pleegouders van de in het
eerste lid bedoelde persoon geen
echtgenoten zijn van elkaar en hij:
a. bij één van beide ouders
verblijft, wordt bij de toepassing van
het eerste lid als inkomen van de ouder
respectievelijk pleegouder die krachtens
overeenkomst of rechterlijke uitspraak
een bijdrage is verschuldigd
voor het levensonderhoud ten behoeve
van die persoon, slechts die
bijdrage in aanmerking genomen;
b. afwisselend bij één van
beide ouders respectievelijk pleegouders
verblijft, wordt alvorens het
gezamenlijk inkomen als bedoeld in het eerste
lid wordt vastgesteld, het inkomen van
de ouder respectievelijk
pleegouder met het hoogste inkomen
verminderd met 30 procent.
Art. 7.
Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 18 jaar
Indien een persoon in het
kalenderjaar waarin hij een
vervoersvoorziening heeft of aanvraagt, de
leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt:
a. tot de datum waarop hij
18 jaar wordt het inkomen in
aanmerking genomen dat in aanmerking
zou zijn genomen indien hij gedurende
het gehele kalenderjaar nog niet
de leeftijd van 18 jaar had bereikt;
b. vanaf de datum waarop hij
18 jaar wordt het inkomen in
aanmerking genomen dat in aanmerking
zou zijn genomen indien hij gedurende
het gehele kalenderjaar reeds de leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Art. 8.
Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar
-1. Indien een persoon aan
wie een vervoersvoorziening is toegekend de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt
voor de toepassing van artikel 8,
eerste lid, van het besluit onder inkomen
verstaan het inkomen dat deze persoon
over dat kalenderjaar zou hebben genoten indien hij in dat jaar niet
de 65-jarige leeftijd had bereikt.
-2. Indien de echtgenoot van
de persoon, bedoeld in het eerste lid,
in hetzelfde jaar als het jaar, bedoeld
in het eerste lid, de leeftijd van
65 jaar bereikt, wordt voor de toepassing van artikel 3 van deze regeling
onder inkomen van zijn echtgenoot verstaan het inkomen dat de echtgenoot
over dat kalenderjaar zou hebben
genoten indien de echtgenoot in dat
jaar niet de 65-jarige leeftijd had
bereikt.
Art. 9.
Afwijking
inkomensgrens
Voor de persoon die een
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie een vervoersvoorziening is toegekend en van
wie de echtgenoot of een
ander gezinslid aanspraak op een
vervoersvoorziening heeft, of van wie de
echtgenoot of een ander gezinslid om
een andere reden dan ziekte of
gebrek is aangewezen op het gebruik van een vervoermiddel, wordt
het percentage, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het
besluit,
vastgesteld op 105.
Art. 10.
Buiten
toepassing blijven van inkomensgrens
Artikel 8, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing:
a. bij de toekenning van een
vervoersvoorziening aan personen aan wie een vervoersvoorziening was
toegekend op grond van de Ongevallenwet 1921,
de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922
en de Zeeongevallenwet 1919 en
van wie die voorziening zonder
tussentijdse onderbreking is voortgezet
tot het moment van de toekenning van een vervoersvoorziening op grond
van de wet;
b. bij de toekenning van een
vervoersvoorziening die betreft:
1º. een vergoeding van de
kosten van aanpassing van een
vervoermiddel of een vergoeding van een in
een vervoermiddel aangebrachte faciliteit, voor zover de aanpassing of
de faciliteit noodzakelijk is in verband
met ziekte of gebrek;
2º. een vergoeding voor de aanschaf of een
verstrekking van een
vervoermiddel voor het vervoer buitenshuis dat is bestemd voor het
gebruik door een persoon met een ziekte
of gebrek;
3º. een vergoeding van de
meerkosten van de aanschaf en het
gebruik van een bijzonder type auto die
samenhangt met ziekte of gebrek, voor zover deze meerkosten niet meer
bedragen dan het verschil tussen de
kosten van de aanschaf en het gebruik van een auto die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wordt beschouwd als een referentieauto en de kosten van de aanschaf en
het gebruik van een auto die
door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zou zijn toegekend indien er sprake zou zijn geweest van een
bruikleensituatie, dan wel het een vergoeding van dienovereenkomstige
meerkosten betreft;
4º. de vergoeding van het
gebruik van een rolstoeltaxi en die
vergoeding niet meer bedraagt dan het
verschil tussen het door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde normbedrag voor de vergoeding van het
gebruik van een rolstoeltaxi
en het door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde normbedrag voor de vergoeding van het
gebruik van een taxi;
5º. de vergoeding van het
gebruik van een taxi om de werkplek te
kunnen bereiken en die vergoeding
niet meer bedraagt dan het verschil tussen
de kosten van het gebruik van een taxi
en het door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde normbedrag voor het gebruik van een
eigen auto;
6º. een vergoeding van de
kosten die iemand moet maken voor het
kunnen volgen van rijlessen in een
aangepaste auto en die vergoeding niet
meer bedraagt dan het verschil tussen de kosten van het volgen van
autorijlessen in een niet-aangepaste auto
en het volgen van autorijlessen in
een aangepaste auto;
7º. een vergoeding van
vervoerskosten in verband met het volgen
van scholing.
Art. 11.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling inkomenstoets
vervoersvoorzieningen Rea.
Art. 12.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 juli 1998.
Deze regeling zal met
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 augustus
1998.
De Staatssecretaris
voornoemd,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[21 augustus 1998]
Algemeen
Op grond van de
Wet Rea
kunnen vervoersvoorzieningen worden verstrekt. In artikel 8 van het besluit
zijn met betrekking tot de
verstrekking van deze voorzieningen nadere
regels gesteld. In artikel 8,
eerste lid, is een inkomensgrens neergelegd. Personen met een inkomen dat hoger is
dan 261 maal 70% van het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste
lid, en 9a van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV), kunnen
niet in aanmerking worden gebracht voor
vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 22, eerste, tweede, derde en
vijfde lid, en 31 van de wet. In
artikel 8, vierde lid, van het besluit is
bepaald dat er nadere ministeriële regels
zullen worden gesteld over:
- de wijze van
vaststelling van het inkomen;
- het toepassen van een
hogere inkomensgrens ten aanzien van bepaalde categorieën van personen;
- het niet van toepassing
zijn van de inkomensgrens op bepaalde vervoersvoorzieningen.
Met deze regeling wordt
nadere invulling gegeven aan
artikel 8, vierde lid, van het besluit. Het
uitgangspunt daarbij is dat het beleid
zoals dat van toepassing was in het kader
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zoveel mogelijk
ongewijzigd wordt voortgezet.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Algemeen
De definities van de in het
tweede lid van dit artikel genoemde
begrippen komen overeen of sluiten aan
bij de definitiebepalingen van deze
begrippen in de socialeverzekeringswetgeving en daarop gebaseerde
regelgeving.
Artikel
2. Inkomen
Anders dan in het Besluit
inkomensgrens vervoersvoorzieningen buitenshuis/AAW zijn de
inkomensbestanddelen genoemd artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965 niet meer zo uitvoerig in
deze regeling overgenomen, omdat ervan uit
wordt gegaan dat een groot aantal
van de in dat artikel genoemde
inkomensbestanddelen bij de toepassing van deze regeling niet (meer) van
belang zijn.
Inkomsten uit vermogen,
evenals het vermogen zelf, worden niet
in aanmerking genomen bij de vaststelling
van het inkomen.
Voor wat betreft de
vaststelling van het inkomen wordt in het
eerste lid, onderdeel a, verwezen naar het
loon dat wordt verworven uit een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a,
eerste lid, van de CSV.
In het eerste lid, onderdeel b en c, is wat betreft de tot het
inkomen te rekenen winst uit
onderneming en inkomsten uit tegenwoordige
arbeid, anders dan uit dienstbetrekking in de zin van CSV, qua formulering
aangesloten bij de desbetreffende definitiebepalingen in de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
In het eerste lid, onderdeel d, worden ook uitkeringen op grond van
socialeverzekeringswetten
als inkomen aangemerkt. In dit onderdeel
is tevens bepaald dat uitkeringen die
naar aard en strekking met de in dit
onderdeel genoemde uitkeringen overeenkomen, worden aangemerkt als
inkomen. Hierbij kan worden gedacht aan de wachtgelduitkeringen
aan ambtenaren en uitkeringen
wegens ziekte aan ambtenaren. Ook
een uitkering op grond van de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria wordt als inkomen aangemerkt. In artikel
3,
vierde lid, van laatstgenoemde wet
is bepaald dat een dergelijke uitkering
voor de toepassing van andere wetten
en daarop berustende bepalingen wordt
aangemerkt als een WW-uitkering.
In het tweede lid worden
andere inkomsten als inkomen
aangemerkt, voor zover daarvan niet reeds
sprake was op grond van het eerste
lid.
In het tweede lid, onderdeel a, is aangegeven dat de
reïntegratie-uitkering als bedoeld in artikel 23
van de wet, de toelage als bedoeld
in artikel 28 van de wet en de loon-
of inkomenssuppletie als bedoeld in
respectievelijk artikel 32 en 29 van de wet eveneens als inkomen worden
aangemerkt.
In het tweede lid, onderdeel b, worden uitkeringen in verband met
ouderdom en invaliditeit anders dan
die genoemd in het eerste lid,
onderdeel d, aangemerkt als inkomen.
Hierbij kan onder meer gedacht worden
aan uitkeringen op grond van een aanvullende WAO-verzekering. Daarnaast
kan hierbij ook gedacht worden aan de zogenaamde bedrijfspensioenen.
In het tweede lid, onderdeel c, wordt een herplaatsingstoelage die
aan overheidswerknemers kan worden verstrekt, eveneens als inkomen
aangemerkt. Het gaat hier om een zogenaamde bovenwettelijke
uitkering met een eigen specifiek karakter. Om die reden is deze
uitkering afzonderlijk in dit artikel genoemd.
Het tweede lid, onderdeel d,
heeft betrekking op uitkeringen in
verband met vervroegde uittreding,
de zogenaamde VUT-uitkeringen. Ook heeft
dit onderdeel betrekking op de flexibele pensioenuitkeringen (FPU),
voor bijvoorbeeld overheidspersoneel.
Ook een periodieke uitkering
op grond van een particuliere
ziekte- of ongevallenverzekering wordt
op grond van het tweede lid,
onderdeel e, aangemerkt als inkomen.
In het tweede lid, onderdeel f, wordt een uitkering op grond van
een pensioenregeling waaraan deelneming is verplicht gesteld op grond
van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
ook aangemerkt als inkomen.
In het tweede lid, onderdeel g, worden termijnen van lijfrenten
verstrekt door een lichaam dat een
levensverzekeringsbedrijf uitoefent als inkomen aangemerkt.
De uitkeringen, genoemd in
het tweede lid, onderdeel h tot
en met l, zullen wellicht nog maar
sporadisch voorkomen in relatie met de
toepassing van deze wet. Voor eventueel voorkomende gevallen worden
zij hier echter toch genoemd. De
extra toelage van ƒ3000,- per
kalenderjaar die oud-verzetstrijders kunnen
krijgen naast een uitkering op grond
van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 dient evenwel niet tot
het inkomen te worden gerekend. Deze toelage wordt specifiek
verstrekt ter bestrijding van extra
kosten vanwege invaliditeit en is
vergelijkbaar met het bedrag waarmee de WAO-, de WAZ- of de Wajong-uitkering
kan worden verhoogd indien er
sprake is van hulpbehoevendheid. Op
grond van artikel 5 van deze regeling
wordt die verhoging bij de
vaststelling van het inkomen eveneens niet in
aanmerking genomen.
Artikel
3. Inkomen
echtgenoot
In dit artikel is bepaald
dat bij de vaststelling van het inkomen van de
persoon die de vervoersvoorziening
aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is
toegekend, het inkomen van de echtgenoot
mede in aanmerking wordt genomen.
Artikel
4. Bevoegdheid van
het Lisv om bij de vaststelling van het
inkomen aftrekposten in aanmerking
te nemen
In dit artikel is geregeld
dat het Landelijk instituut sociale
verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] bij de vaststelling van het inkomen aftrekposten in
aanmerking kan nemen. Voor de vaststelling van het inkomen in het kader van
de wet zijn kosten in verband met
ziekte en gebrek aftrekbaar als wordt
voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de kosten moeten verband
houden met ziekte of gebrek van de
betrokkene zelf of van gezinsleden die
voor hun levensonderhoud van het
inkomen van de betrokkene afhankelijk zijn;
- de kosten worden niet
uit anderen hoofde vergoed;
- de kosten moeten als
buitengewone lasten kunnen worden
aangemerkt; en
- de kosten moeten niet
als algemeen gebruikelijk zijn aan te
merken.
Kosten die in het kader van
deze regeling als algemeen
gebruikelijk worden aangemerkt (bijvoorbeeld
een huisapotheek), komen bij de vaststelling van het inkomen dan ook niet
voor aftrek in aanmerking, ook al
worden zij door de fiscus
aangemerkt als een buitengewone last. Het feit
dat het moet gaan om kosten die niet
algemeen gebruikelijk zijn, vloeit
reeds voort uit artikel 2 van het besluit.
Een overeenkomstige bepaling
was destijds opgenomen in het
Besluit inkomensgrens vervoersvoorzieningen buitenshuis/AAW. Net als
toen is ook thans bewust gekozen voor
het niet nader omschrijven van
hetgeen onder buitengewone lasten moet
worden verstaan. De praktijk in
deze is zo divers dat het oordeel
daarover aan de uitvoering moet worden
gelaten. Hoewel het begrip "buitengewone
lasten" is ontleend aan de fiscaliteit, is de drempel die in het kader
van de belastingheffing wordt
gehanteerd alvorens aftrek van kosten
in verband met ziekte of invaliditeit
mogelijk is, bij de onderhavige regeling niet
van toepassing. Als betrokkenen voor een aftrekpost in aanmerking
willen komen, moeten zij de kosten
wel kunnen aantonen.
Artikel
5. Buiten
beschouwing blijvende bedragen bij de inkomensvaststelling
In onderdeel
a van dit
artikel is bepaald dat bij de
vaststelling van het inkomen buiten beschouwing
worden gelaten het bedrag waarmee
de uitkering op grond van de WAO, de WAZ
of de Wajong, of een combinatie
van deze uitkeringen is
verhoogd, op grond van artikel 22 van de WAO,
artikel 10 van de
WAZ of artikel 9
van de Wajong, of een combinatie
van deze artikelen. Omdat deze
ophoging is bedoeld ter bestrijding van
de extra kosten die samenhangen met
een blijvende situatie van hulpbehoevendheid die geregelde oppas en
verzorging noodzakelijk maakt, ligt het
niet in de rede dit bedrag bij de
inkomensvaststelling mee te nemen.
In onderdeel b van dit
artikel is bepaald dat de
overhevelingstoeslag als bedoeld in artikel 1 van
de Wet overhevelingstoeslag
opslagpremies niet tot het inkomen dient
te worden gerekend. Weliswaar vloeit
reeds uit de verwijzing in artikel 2,
onderdeel a, naar het loonbegrip van de CSV
voort dat de overhevelingstoeslag
niet tot het inkomen dient te worden
gerekend. Immers in artikel 29 van de
Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies is bepaald dat deze overhevelingstoeslag
niet behoort tot het loon in de
zin van de CSV.
Het is evenwel mogelijk dat
er sprake is van een
overhevelingstoeslag, terwijl er geen sprake is van loon
in de zin van de CSV. Hierbij kan gedacht worden
aan de inkomsten van directeuren-grootaandeelhouders of aan degenen die in het kader van de loonbelasting
worden aangemerkt als pseudo-werknemers. Teneinde ook de
overhevelingstoeslag die deze personen ontvangen,
bij de vaststelling van het
inkomen buiten beschouwing te laten, is
deze bepaling opgenomen.
De inkomensbestanddelen,
genoemd onder c en d, werden in het
kader van de AAW
bij de vaststelling
van het inkomen evenmin in
aanmerking genomen. Het bepaalde onder c en d
heeft dezelfde achtergrond als het
buiten beschouwing laten van de
overhevelingstoeslag bij de vaststelling van het loon in de zin van de CSV.
Artikel
6. Vaststelling van
het inkomen van personen die de leeftijd
van 18 jaar nog niet hebben bereikt
In het eerste lid van dit
artikel is aangegeven dat voor de vaststelling van het inkomen van een persoon
die een vervoersvoorziening
aanvraagt en de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, het gezamenlijk
inkomen van de ouders of pleegouders in
aanmerking wordt genomen.
In het tweede lid, onderdeel a,
is geregeld dat indien de ouders
respectievelijk pleegouders van de jongere, bedoeld in het eerste lid,
geen echtgenoten van elkaar zijn, als inkomen van de ouder respectievelijk
pleegouder die krachtens overeenkomst
of rechterlijke uitspraak een bijdrage
verschuldigd is voor het levensonderhoud
van genoemde jongere, slechts
die bijdrage bij de vaststelling van het
inkomen in aanmerking wordt genomen.
Het betreft hier de
alimentatieverplichting van die (pleeg)ouder.
Het tweede lid, onderdeel b,
doelt op de situatie van het zogenaamde
co-ouderschap waarbij geen sprake is van
een alimentatieverplichting. In
die situatie wordt alvorens het gezamenlijk inkomen van de ouders wordt
vastgesteld eerst een percentage van 30% afgetrokken van het inkomen van de ouder
respectievelijk pleegouder
die het hoogste inkomen heeft.
De achtergrond hiervan is
dat bij co-ouderschap zoals hier bedoeld er
sprake is van twee gescheiden
huishoudens en daaruit voortvloeiende
dubbele vaste lasten. In het kader van de Wet individuele huursubsidie (IHS) [zie
Huursubsidiewet, red.] loopt de normhuur
- het gedeelte
van het inkomen dat men geacht wordt aan
huur te besteden - op van ca. 15% op minimumniveau naar ca. 25% bij een
belastbaar inkomen van ƒ50 000,-. Daar
er bij twee huishoudens veelal ook
sprake is van andere dubbele vaste
lasten, is het percentage forfaitair op 30%
gesteld.
Artikel
7. Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 18 jaar
In dit artikel is bepaald
dat tot de datum waarop een persoon de
leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt
uitgegaan van het inkomen dat in
aanmerking zou zijn genomen wanneer de
persoon het gehele kalenderjaar
jonger dan 18 jaar was geweest. Vanaf de
datum dat de belanghebbende 18 jaar
wordt, wordt uitgegaan van het
inkomen dat in aanmerking zou zijn
genomen wanneer de persoon het gehele
kalenderjaar 18 jaar was geweest.
De bedoeling van deze
bepaling is dat een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die in de loop van een
kalenderjaar naar verwachting aan een
jongere bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zal worden toegekend,
niet bij het gezinsinkomen wordt geteld.
In sommige gevallen voorkomt dit een
tijdelijke intrekking van de
vervoersvoorziening. Zou namelijk de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in dat kalenderjaar bij het
gezinsinkomen worden geteld, dan zou dat
inkomen boven de inkomensgrens
kunnen komen te liggen en zou de
vervoersvoorziening in principe moeten worden ingetrokken. Vervolgens zou
in het daaropvolgende
kalenderjaar, wanneer niet meer van het
gezamenlijke inkomen van ouders en
(pleeg)kind wordt uitgegaan en het
inkomen in veel situaties weer beneden
de inkomensgrens zal komen te liggen, weer tot verstrekking moeten
worden overgegaan.
Daarnaast leidt deze
bepaling ertoe dat vanaf het bereiken van
de leeftijd van 18 jaar bij het
toepassen van de inkomenstoets uitsluitend
kan worden uitgegaan van het inkomen van de betrokkene en het inkomen
van de ouders niet meer van invloed
is op de toekenning van de
vervoersvoorziening.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat wanneer de jongere
regulier onderwijs volgt de
inkomenstoets alleen wordt toegepast voor
de toekenning van een leefvervoersvoorziening. Op grond van artikel
8,
eerste lid, van het besluit geldt voor het vervoer van en naar school geen
inkomenstoets.
Artikel
8. Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar
In dit artikel is bepaald
dat als een persoon aan wie een voorziening is
toegekend, of diens partner, de
leeftijd van 65 jaar bereikt, bij de
vaststelling van het inkomen uitgegaan wordt
van het inkomen dat deze persoon
over dat kalenderjaar genoten zou hebben als hij of zijn partner in dat
jaar niet de 65-jarige leeftijd zouden
hebben bereikt. Het gaat hier om
een fictieve inkomensvaststelling.
Deze bepaling beoogt te
voorkomen dat in het jaar dat een
belanghebbende, en eventueel diens partner,
65 jaar wordt, uitvoeringstechnisch
een ingewikkelde situatie zou ontstaan.
Artikel
9. Afwijking van de
inkomensgrens
In artikel
8, vierde lid,
onderdeel b, van het besluit is
geregeld dat
het in het eerste lid bedoelde
percentage van 70% voor categorieën van
personen bij ministeriële regeling kan
worden verhoogd. Dit houdt verband met het feit dat de uitvoeringsorganen
sociale verzekeringen onder het regime van de AAW, en het daarop
gebaseerde Besluit inkomensgrens
vervoersvoorzieningen buitenshuis/AAW, de
beleidsvrijheid hadden om in de situatie dat er in een gezin een tweede
auto noodzakelijk was, zelf te bepalen of de inkomensgrens zoals deze was
neergelegd in laatstgenoemd besluit zou moeten worden toegepast of
dat een andere inkomensgrens zou
moeten worden gehanteerd. Dit heeft in de uitvoeringspraktijk geleid
tot een tweede inkomensgrens, die - voor een verscheidenheid aan
situaties - werd gesteld op anderhalfmaal de
inkomensgrens die geldt voor de situatie dat er slechts één auto in
een gezin noodzakelijk is. Deze grens komt overeen met 261 maal 105% van het
maximumdagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en
9a van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering. Deze
beleidsregel is nu in deze regeling
neergelegd.
Deze zogenaamde tweede
inkomensgrens wordt in verschillende
situaties toegepast. Zo kan de
toepassing van deze grens aan de orde zijn
als er twee gezinsleden vanwege een handicap zijn aangewezen op een
vervoersvoorziening. Ook is het mogelijk dat er
in een gezin één persoon
vanwege een handicap op een
vervoersvoorziening is aangewezen en een ander
gezinslid om een andere reden dan een
handicap. Hierbij kan worden gedacht
aan de situatie dat het gebruik
van een auto door het andere gezinslid noodzakelijk is voor zijn werk.
Overigens is het wel zo dat
er in dergelijke situaties door het Lisv van
uit kan worden gegaan dat voor
activiteiten in de leefsfeer - die met
name plaatsvinden in de avonduren en weekends - de gezinsleden
gezamenlijk gebruik maken van een
vervoermiddel. Dit kan dan betekenen dat er ten behoeve van de
leefsituatie geen volledige leefvervoersvoorziening zal worden toegekend.
Artikel
10. Niet van
toepassing zijn van de inkomensgrens
In onderdeel
a van dit
artikel is, evenals in het Besluit inkomensgrens vervoersvoorzieningen buitenshuis/AAW,
bepaald dat artikel 8,
eerste lid, van het besluit niet van
toepassing is op de toekenning van vervoersvoorzieningen aan personen aan wie een
vervoersvoorziening was toegekend op grond van de Ongevallenwet 1921, de
Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922
en de Zeeongevallenwet 1919 en van
wie die voorziening zonder
tussentijdse onderbreking is voortgezet tot het moment van de toekenning van een
vervoersvoorziening op grond van de wet.
Op grond van de
garantiebepaling van artikel 44 van de Wet
overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn vervoersvoorzieningen
die op grond van de Ongevallenwet 1921 zijn toegekend altijd zonder hantering van een inkomensgrens in het kader van de
artikel 60 van de WAO en
artikel 57 van de AAW
gecontinueerd.
Dit geldt ook voor de
vervoersvoorzieningen die op grond van Land- en Tuinbouwongevallenwet
1922 en de
Zeeongevallenwet 1919 zijn
toegekend. Ook in het kader van deze wet
wordt deze garantiebepaling
gerespecteerd.
Voorts is in dit artikel
bepaald dat de in artikel 8, eerste lid,
van het besluit neergelegde inkomensgrens
ten aanzien van een aantal
vervoersvoorzieningen niet van toepassing is. Globaal gesteld gaat het om
vervoersvoorzieningen die gezien de aard van die voorziening,
ongeacht het inkomen, niet algemeen
gebruikelijk zijn. Van de desbetreffende
voorzieningen wordt over het algemeen alleen gebruik gemaakt in de situatie
dat de betrokkene een
handicap heeft. Met betrekking daartoe is
door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen in het kader van de AAW
een beleid ontwikkeld dat in dit
artikel is neergelegd.
In onderdeel b, ten eerste,
is bepaald dat de inkomensgrens niet
van toepassing is op de aanpassingskosten
van een vervoermiddel voor zover
die samenhangen met ziekte of gebrek.
Voor wat betreft de
aanpassing van auto’s wordt er
onderscheid gemaakt tussen standaardaanpassingen
en speciale aanpassingen. Voorbeelden van
standaardaanpassingen zijn een opklapbaar rem-/gaspedaal, rembekrachtiging en
opklapbare handgrepen. Met betrekking
tot deze en andere standaardaanpassingen geldt een door het Lisv
vastgestelde maximumvergoeding.
Speciale aanpassingen zijn
aanpassingen die geen
standaardaanpassingen zijn. Speciale aanpassingen kunnen
volledig worden vergoed.
Daarnaast kan de
inkomensgrens ook niet van toepassing zijn op
zogenaamde faciliteiten. Faciliteiten zijn zaken die
reeds bij de fabricage van de auto zijn
aangebracht of die door een autodealer
aan een auto worden of zijn
aangebracht. Faciliteiten
vergemakkelijken het gebruik van de auto voor
niet-gehandicapten en verhogen het comfort. Deze faciliteiten kunnen
echter voor gehandicapten onmisbaar zijn
om de auto te kunnen gebruiken.
Indien een bepaalde faciliteit voor een
persoon met een handicap noodzakelijk is, zal het Lisv de kosten alleen
vergoeden indien een auto met de betreffende faciliteit niet verkrijgbaar
is beneden de door het Lisv
vastgestelde prijs van de referentieauto.
De referentieauto bestaat
uit een beschrijving van alle
personenauto’s inclusief de daarin
aanwezige faciliteiten die verkrijgbaar zijn voor
een bepaald bedrag. Dit bedrag
is gelijk aan dat van nieuwe, door
particulieren gekochte personenauto’s.
Door de snelle technische
ontwikkelingen in de auto-industrie zijn de
vergoedingsmogelijkheden van faciliteiten aan een voortdurende verandering
onderhevig.
Onderdeel b, ten eerste,
heeft ook betrekking op de vergoeding
van aangepaste of ruim verstelbare
autostoelen. Met betrekking hiertoe is
door de voorloper van het Lisv, het
Tijdelijk instituut sociale verzekeringen (Tica), een beleid ontwikkeld dat is
neergelegd in Mededeling 96/52. In een door het Lisv getroffen besluit
van 2 april 1997, waarin wordt
aangegeven welke mededelingen van het Tica
van kracht blijven, wordt deze
mededeling genoemd. Voornoemd besluit
is gepubliceerd in de Staatscourant van 17 april 1997, nr. 74. Deze mededeling kan desgewenst bij het Lisv worden opgevraagd.
In onderdeel b, ten tweede,
is bepaald dat de inkomensgrens
evenmin van toepassing is op
vervoersvoorzieningen die zijn bestemd voor mensen met een ziekte of een
gebrek. Hierbij kan onder meer
worden gedacht aan de zogenaamde motorinvalidewagen.
In onderdeel b, ten derde,
is aangeven dat de meerkosten van de
aanschaf en het gebruik van een
bijzonder type auto ten opzichte van
de aanschaf en het gebruik van een auto
die door het Lisv als een
referentieauto wordt beschouwd, eveneens vergoed kunnen worden. De aanschaf en het
gebruik van de auto moeten wel
samenhangen met ziekte of gebrek. Hierbij kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan een auto in een
bestelbusuitvoering waarin iemand met een
rolstoel kan worden vervoerd.
Zoals in onderdeel b, ten
derde, is aangegeven, worden de
meerkosten slechts vergoed tot ten
hoogste het verschil tussen de prijs van
de referentieauto en de catalogusprijs van de auto die in een
bruikleensituatie beschikbaar zou zijn
geweest. Dat betekent dat wanneer de
belanghebbende voor een duurder type
uitvoering kiest dan in een bruikleensituatie beschikbaar zou zijn, de
meerkosten die de door hem gekozen auto heeft ten opzichte van de
meerkosten van bedoelde bruikleenauto, niet
worden vergoed.
De uitvoeringsinstelling die
de figuur van de bruikleenverstrekking
niet kent, de USZO, zal de hiervoor
weergegeven vergelijking niet kunnen
maken en zal op grond van de feitelijke
omstandigheden een kostenberekening maken. De zinsnede "dan wel het
een vergoeding van dienovereenkomstige
meerkosten betreft" doelt op deze
situatie.
Onderdeel b, ten vierde,
heeft betrekking op de situatie
dat een betrokkene is aangewezen op
het vervoer per rolstoeltaxi. De
inkomensgrens is niet van toepassing op
het verschil tussen het door het Lisv vastgestelde normbedrag voor
de vergoeding van het gebruik van een
rolstoeltaxi en het door het Lisv
vastgestelde normbedrag voor de
vergoeding van het gebruik van een
taxi.
In onderdeel b, ten vijfde,
is aangegeven dat de inkomensgrens geen
toepassing vindt ten aanzien van
taxikosten die samenhangen met het
kunnen bereiken van de werkplek. De
taxikosten voor het werkvervoer kunnen
worden vergoed voor zover ze per
kilometer de kosten van het door het
Lisv vastgestelde normbedrag voor
het gebruik van een eigen auto
overschrijden.
Vervolgens is in onderdeel b, ten zesde, bepaald dat de
inkomensgrens evenmin toepassing vindt ten
aanzien van de extra kosten die
iemand moet maken voor het kunnen volgen
van rijlessen in een aangepaste auto. Die situatie kan zich voordoen indien
iemand als gevolg van het
moeten volgen van autorijlessen in een
aangepaste auto extra kosten moet maken
in vergelijking met iemand die
rijlessen volgt in een niet-aangepaste
auto. Deze extra kosten kunnen
bestaan uit de meerkosten van het
lestarief per uur. Ook kan het gaan om
extra reiskosten die de rijschoolhouder van
de aangepaste auto heeft omdat
hij een grotere afstand moet
afleggen om zijn cliënt te bereiken dan in
de situatie dat er sprake is van rijles in
een niet-aangepaste auto. Immers het aantal rijscholen
dat les kan geven in een aangepaste
auto is beperkter ten opzichte van
het aantal rijscholen dat rijlessen
verzorgt in een niet-aangepaste auto. Dit betekent dat de afstanden tussen de
rijschool en de cliënt die rijlessen in een aangepaste auto volgt, veelal groter
zullen zijn dan in de situatie dat er
rijlessen in een niet-aangepaste auto worden
gevolgd.
In onderdeel b, ten zevende,
is bepaald dat de inkomensgrens
niet van toepassing is op de
vervoerskosten die samenhangen met het
volgen van een scholing. Evenals bij de voorgaande
leden is de reden dat ook personen met
een inkomen boven deze inkomensgrens
voor een vergoeding van
dergelijke kosten in aanmerking kunnen komen,
dat dergelijke kosten, ongeacht het inkomen, niet algemeen gebruikelijk
zijn.
Er zij overigens op gewezen
dat degenen die extra
vervoerskosten hebben vanwege ziekte of gebrek ook gebruik kunnen maken van de
faciliteiten in de fiscale wetgeving, zij het dat wanneer een aanspraak wordt
gemaakt op vergoedingen in
het kader van de wet, niet tevens een
beroep op de fiscale regelgeving kan
worden gedaan.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|