|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op artikel 74
van de Werkloosheidswet en artikel
22a van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
Besluit:
Art. 1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
voert ter zake de
uitvoering van de regeling financiering kinderopvang een beleid als
weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
Het Besluit uitvoeringsregels financiering kinderopvang wordt
ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
publicatie van de Staatscourant waarin het is geplaatst en werkt terug
tot en met 1 juli 2003.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels financiering
kinderopvang.
Dit
besluit wordt met de toelichting en de bijlage in
de Staatscourant geplaatst.
Amsterdam, 19 januari
2004.
T.H.J. Joustra, voorzitter Raad van bestuur UWV.
TOELICHTING
[19 januari 2004]
Bij
de uitvoering van de financiering van kinderopvang hanteert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) het beleid zoals dit
in de bijlage is opgenomen. Dit beleid is door het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen, de rechtsvoorganger van het UWV, ontwikkeld en in
het Besluit uitvoeringsregels financiering kinderopvang
(Stcrt. 2001,
106) verwoord.
In artikel
22a,
eerste lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) worden de
doelgroepen benoemd ten behoeve van wie het UWV op diens aanvraag een
schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang kan sluiten
met een rechtspersoon of een natuurlijke persoon. Artikel
22a,
eerste lid, Wet Rea
is middels de Verzamelwet sociale verzekeringen 2003
per 1 januari 2004 gewijzigd. Deze wijziging werkt terug tot en met 1
juli 2003. Met deze wijziging is de doelgroep uitgebreid met de
arbeidsgehandicapte ten behoeve van wie het UWV werkzaamheden gericht op
de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in
artikel 10, derde lid, Wet Rea laat verrichten.
In het Besluit
uitvoeringsregels financiering kinderopvang zijn een aantal objectieve
criteria vastgesteld aan de hand waarvan de kans op besparing van een
uitkering door het volgen van een traject c.q. het verstrekken van een
voorziening vergroot wordt. Bij de vaststelling van deze objectieve
criteria is rekening gehouden met het gegeven dat het contracteren van
kinderopvang de nodige tijd vergt. Voorts is rekening gehouden met de
omstandigheid dat er in de regel een gering animo bestaat bij
kinderopvanginstellingen om kortdurende overeenkomsten van minder dan
drie maanden en voor minder dan twee dagdelen per week aan te gaan. Soortgelijke
"minimumeisen" worden zodoende ook van toepassing verklaard op de
doelgroep die met ingang van 1 juli 2003 onder de werking van artikel
22a,
eerste lid, Wet Rea
is gesteld.
Als gevolg van deze
wijziging heeft UWV besloten de beleidsregels met betrekking tot de
financiering van de kinderopvang op dit punt aan te passen. Tevens zijn
er enige redactionele wijzigingen in het beleid aangebracht.
Amsterdam, 19 januari 2004.
T.H.J. Joustra, voorzitter Raad van bestuur UWV.
BIJLAGE
Algemeen
Met de
inwerkingtreding van de Wet tot
wijziging
van de Werkloosheidswet en de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten in verband met de invoering van een regeling inzake
de financiering van kinderopvang voor uitkeringsgerechtigden (hierna:
regeling financiering kinderopvang) heeft het UWV de mogelijkheid om
voor arbeidsgehandicapten en werkloze uitkeringsgerechtigden een
schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang te sluiten
met een rechtspersoon of een natuurlijke persoon. Voorts kan het UWV
werkgevers die arbeidsgehandicapte of werkloze werknemers gedurende
minimaal zes maanden in dienst nemen, onder bepaalde voorwaarden een
tegemoetkoming verstrekken in de kosten voor kinderopvang.
De regeling financiering
kinderopvang geldt voor arbeidsgehandicapte werknemers ten behoeve van
wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
werkzaamheden
gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als
bedoeld in artikel 10, derde lid, Wet Rea laat
verrichten, of die in
aanmerking zijn gebracht voor een voorziening op grond van artikel 22
van de Wet Rea
of die werkzaamheden verrichten op een proefplaats. Ook
ziet de regeling op werkloze werknemers die deelnemen aan een traject
gericht op inschakeling in het arbeidsproces.
Het doel van de regeling
financiering kinderopvang is het bevorderen van de uitstroom uit de socialezekerheidsregelingen. De uitstroom uit de
socialezekerheidsregelingen zou groter kunnen zijn als er sneller kinderopvang
beschikbaar is, zodat een uitkeringsgerechtigde (eerder) een
reďntegratietraject kan volgen of een baan kan aanvaarden.
De regeling financiering
kinderopvang is per kalenderjaar op ten hoogste 4000 werknemers
toepasbaar. Dat wil zeggen dat
jaarlijks 4000 werknemers in aanmerking kunnen komen voor toekenning van
de onderhavige regeling. Het is dus mogelijk dat het daadwerkelijk
aantal toepassingen in enig kalenderjaar het aantal van 4000 overtreft.
Om te bewerkstelligen dat UWV de regeling financiering kinderopvang op
eenduidige en efficiënte wijze uitvoert, wordt het volgende beleid
gevoerd.
Invulling begrip
"traject
gericht op inschakeling in het arbeidsproces" (artikel 74, eerste lid,
WW) en financiering kinderopvang arbeidsgehandicapten (artikel 22a,
eerste lid, Wet Rea)
Beleid
Onder een
"traject gericht
op de inschakeling in het arbeidsproces", als bedoeld in artikel
74,
eerste lid, WW, wordt verstaan:
• een scholing of opleiding van ten
minste acht uren per kalenderweek die ten minste drie maanden duurt;
• een proefplaatsing die voldoet
aan de vereisten als omschreven in het Tijdelijk
besluit proefplaatsing WW en dus
ten minste twaalf uur per kalenderweek omvat.
Daarbij komt dat de
proefplaats gedurende de maximale termijn van drie maanden moet zijn
overeengekomen.
Voor financiering van
kinderopvang op grond van artikel
22a, eerste lid, Wet Rea komt
de arbeidsgehandicapte in aanmerking:
• ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
werkzaamheden gericht op de
bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in
artikel 10, derde lid, Wet Rea laat verrichten van ten minste
acht uur per
kalenderweek die ten minste drie maanden duren.
• die een scholing of opleiding
volgt als genoemd in artikel 22, tweede lid, onderdeel a,
Wet Rea
van ten minste acht uur per kalenderweek die ten minste drie maanden duurt.
• die op een proefplaats werkzaam
is op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel a,
Wet Rea.
De proefplaats omvat ten
minste twaalf uur per kalenderweek en heeft een looptijd van ten minste
drie maanden (en maximaal zes maanden).
Toelichting
Uit de
memorie van toelichting behorend bij de regeling financiering kinderopvang
blijkt
dat het UWV geacht wordt bij elke aanvraag een afweging te maken of het
financieren van kinderopvang de kans vergroot dat een uitkering wordt
bespaard. Het betreft hier dus een afweging op basis van de individuele
omstandigheden. Gesteld kan worden dat elke werkloze werknemer of
arbeidsgehandicapte die een traject aanvangt gericht op inschakeling in
het arbeidsproces daarmee de kans vergroot dat in de toekomst een (deel
van zijn) WW- of arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt bespaard. Op
voorhand is echter moeilijk aan te geven hoe de reďntegratiekans van de
ene werkloze/arbeidsgehandicapte zich verhoudt ten opzichte van de
andere werkloze/arbeidsgehandicapte. Daarbij komt dat deze kans
afhankelijk is van diverse factoren die enerzijds in de persoon gelegen
zijn en anderzijds buiten de persoon, zoals de (sectorale)
arbeidsmarktsituatie. Het betreft hier over het algemeen dus een
subjectieve inschatting van de kans op werkhervatting voor de werkloze
of arbeidsgehandicapte na afronding van het gevolgde traject.
Het UWV heeft derhalve
gemeend een aantal objectieve criteria vast te stellen aan de hand
waarvan de kans op besparing van een uitkering door het volgen van een
traject c.q. het verstrekken van een voorziening vergroot wordt. Bij de
vaststelling van deze objectieve criteria is rekening gehouden met het
gegeven dat het contracteren van kinderopvang de nodige tijd vergt.
Voorts is rekening gehouden met de omstandigheid dat er in de regel een
gering animo bestaat bij kinderopvanginstellingen om kortdurende
overeenkomsten van minder dan drie maanden en voor minder dan twee dagdelen
per week aan te gaan. Zeker in de huidige situatie, waarbij de vraag
naar kindplekken het aanbod daarvan in het algemeen overtreft.
Afbakening toepassing
artikel 22a, tweede lid, onderdeel a en b, Wet Rea
Beleid
De
werkgever die een
arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt die valt onder de
doelgroep van artikel
22a, tweede lid, onderdeel a, Wet Rea, komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van
artikel
22a, tweede lid, onderdeel b, van die
wet.
Toelichting
Denkbaar
is dat een werkgever die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt
waarvoor eerder een overeenkomst voor kinderopvang was gesloten, tijdens
de scholing of proefplaatsing (op grond van het eerste lid van artikel
22a Wet Rea) niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in
de kosten van kinderopvang, omdat niet wordt voldaan aan de (wettelijke)
bepalingen.
Hierbij valt met name te
denken aan de situatie dat de werknemer niet binnen zes maanden na
beëindiging van de overeenkomst voor kinderopvang (op grond van het
eerste lid van artikel
22a) werkzaamheden voor de werkgever gaat
verrichten, maar pas daarna. De werkgever zou dan (vervolgens) een
beroep kunnen doen op artikel
22a, tweede lid, onderdeel b,
van de Wet Rea. In de regel zal namelijk wel aan die bepalingen worden
voldaan, omdat deze minder streng zijn. Het gebruik maken van de
toepassing van onderdeel b van artikel
22a, tweede lid, Wet Rea, omdat niet voldaan wordt aan de bepalingen van onderdeel a
van het tweede lid van artikel
22a, wordt onwenselijk geacht.
Reden hiervoor is dat de
uitbreiding van het oorspronkelijke wetsvoorstel met artikel
22a,
tweede lid, onderdeel b, van de Wet Rea bedoeld is om een andere
doelgroep arbeidsgehandicapten te ondersteunen dan die ondersteund wordt
met onderdeel a van artikel
22a, tweede lid. Dit blijkt
uit de toelichting op het amendement van het Tweede-Kamerlid Harrewijn (Kamerstukken
II 2000-2001, 27 269, nr. 7). Het is dus aangewezen om het
onderscheid tussen beide doelgroepen helder te houden. Met de
onderhavige beleidsregel wordt dit bereikt.
Schriftelijke aanvraag door
werkgever en werknemer
Beleid
De werkgever of de werkloze
of arbeidsgehandicapte werknemer die in aanmerking wenst te komen voor
een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang dient hiervoor
schriftelijk een aanvraag in middels een door het UWV
ter beschikking
gesteld aanvraagformulier.
Toelichting
In artikel 4:1 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een aanvraag om een
beslissing in beginsel schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
wettelijk voorschrift anders is geregeld. In het wetsvoorstel is ter
zake
echter niets geregeld. Dit betekent dat de aanvraag voor vergoeding
kinderopvang conform de hoofdregel van de Awb schriftelijk moet worden
ingediend. UWV heeft na het indienen van een aanvraag gedurende acht
weken de tijd om een beslissing te nemen. Het is dus van belang dat bij
de ontvangst van de aanvraag zoveel informatie door de werkgever en
werknemer is bijgevoegd dat UWV in de regel direct over kan gaan tot het
nemen van de beslissing.
Om te waarborgen dat alle
relevante informatie zo snel als mogelijk door het UWV wordt ontvangen,
is bepaald dat de werkgever of werknemer de tegemoetkoming schriftelijk
aanvraagt middels een door het UWV ter beschikking gesteld
aanvraagformulier.
|