|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 74 van de Werkloosheidswet en
artikel
22a van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen voert ter zake de uitvoering van de regeling financiering
kinderopvang een beleid als weergegeven
in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
-1. Dit besluit treedt in
werking op 1 juli 2001.
-2. Indien de Staatscourant
waarin dit besluit wordt geplaatst,
wordt uitgegeven na 1 juli 2001, treedt het
in werking met ingang van de
tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst en werkt het
terug tot en met 1 juli 2001.
Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit uitvoeringsregels
financiering kinderopvang.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 23 mei 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Algemeen
Met ingang van 1 juli 2001
treedt de Wet wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten in verband met de invoering van
een regeling inzake de
financiering van kinderopvang voor
uitkeringsgerechtigden (hierna: regeling financiering kinderopvang) in werking.
Hiermee krijgt het Lisv [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] de
mogelijkheid om voor arbeidsgehandicapten en werkloze uitkeringsgerechtigden op
aanvraag een schriftelijke
overeenkomst met betrekking tot kinderopvang te sluiten met een
rechtspersoon of een natuurlijk persoon.
Voorts kan het Lisv werkgevers die arbeidsgehandicapte of
werkloze werknemers gedurende
minimaal zes maanden in dienst nemen,
onder bepaalde voorwaarden een tegemoetkoming verstrekken in de kosten
voor kinderopvang.
De regeling financiering
kinderopvang geldt voor
arbeidsgehandicapte werknemers die in aanmerking
zijn gebracht voor een
voorziening op grond van artikel 22 van de
Wet Rea of die werkzaamheden
verrichten op een proefplaats. Ook ziet de
regeling op werkloze werknemers die
deelnemen aan een traject gericht op inschakeling in het
arbeidsproces.
Het doel van de regeling
financiering kinderopvang is het
bevorderen van de uitstroom uit de socialezekerheidsregelingen. De uitstroom uit de
socialezekerheidsregelingen
zou groter kunnen zijn als er sneller kinderopvang beschikbaar is, zodat een
uitkeringsgerechtigde (eerder) een reďntegratietraject kan
volgen of een baan kan aanvaarden.
De regeling financiering
kinderopvang is per kalenderjaar op ten
hoogste 4000 werknemers toepasbaar.
Dat wil zeggen dat jaarlijks
4000 werknemers in aanmerking kunnen komen voor toekenning van de
onderhavige regeling. Het is dus
mogelijk dat het daadwerkelijk aantal
toepassingen in enig kalenderjaar het aantal
van 4000 overtreft.
Om te bewerkstelligen dat de
uitvoeringsinstellingen [uvi's, red.] de regeling financiering kinderopvang op eenduidige
en efficiënte wijze uitvoeren,
wordt het volgende beleid gevoerd.
Invulling begrip
"traject
gericht op inschakeling in het
arbeidsproces" (artikel 74, eerste lid, WW)
en financiering kinderopvang
arbeidsgehandicapten (artikel 22a, eerste lid,
Wet Rea)
Beleid
Onder een
"traject gericht
op de inschakeling in het
arbeidsproces" als bedoeld in artikel 74,
eerste lid, WW wordt verstaan:
• een scholing of
opleiding van ten minste acht uren per
kalenderweek die ten minste drie maanden duurt;
• een proefplaatsing die
voldoet aan de vereisten als omschreven
in het Tijdelijk besluit proefplaatsing WW en dus ten minste
twaalf uur per
kalenderweek omvat. Daarbij komt dat de proefplaats gedurende de
maximale termijn van drie maanden moet
zijn overeengekomen.
Voor financiering van
kinderopvang op grond van artikel 22a,
eerste lid,
Wet Rea komt de
arbeidsgehandicapte in aanmerking die:
• een scholing of
opleiding volgt als genoemd in artikel 22,
tweede lid, onderdeel a,
Wet Rea van ten
minste acht uur per kalenderweek die
ten minste drie maanden duurt.
• op een proefplaats
werkzaam is op grond van artikel 23, eerste
lid, onderdeel a,
Wet Rea. De proefplaats omvat ten minste twaalf uur per
kalenderweek en heeft een looptijd van ten minste drie maanden (en
maximaal zes maanden).
Toelichting
Uit de
memorie van toelichting behorend bij de regeling
financiering kinderopvang blijkt dat het
Lisv geacht wordt bij elke
aanvraag een afweging te maken of het
financieren van kinderopvang de kans
vergroot dat een uitkering wordt
bespaard. Het betreft hier dus een
afweging op basis van de individuele
omstandigheden.
Gesteld kan worden dat elke
werkloze werknemer of
arbeidsgehandicapte die een traject aanvangt
gericht op inschakeling in het
arbeidsproces, daarmee de kans vergroot dat
in de toekomst een (deel van zijn) WW- of arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt bespaard. Op voorhand
is echter moeilijk aan te geven hoe de
reďntegratiekans van de ene werkloze/arbeidsgehandicapte
zich verhoudt ten opzichte van de
andere werkloze/arbeidsgehandicapte. Daarbij komt dat deze kans
afhankelijk is van diverse factoren die enerzijds in de persoon gelegen
zijn en anderzijds buiten de
persoon, zoals de (sectorale)
arbeidsmarktsituatie. Het betreft hier over het
algemeen dus een subjectieve inschatting van
de kans op werkhervatting voor de
werkloze of arbeidsgehandicapte na
afronding van het gevolgde traject.
Het Lisv heeft derhalve
gemeend een aantal objectieve criteria
vast te stellen aan de hand waarvan de kans
op besparing van een uitkering
door het volgen van een traject c.q.
het verstrekken van een voorziening vergroot wordt.
Bij de vaststelling van deze
objectieve criteria is rekening
gehouden met het gegeven dat het contracteren
van kinderopvang de nodige tijd vergt. Voorts is rekening gehouden
met de omstandigheid dat er in de
regel een gering animo bestaat bij
kinderopvanginstellingen om kortdurende overeenkomsten van minder
dan drie maanden en voor minder dan twee dagdelen per week aan te
gaan. Zeker in de huidige situatie, waarbij de vraag naar kindplekken
het aanbod daarvan in het algemeen
overtreft.
Afbakening toepassing
artikel 22a, tweede lid, onderdeel a en b,
Wet Rea
Beleid
De
werkgever die een
arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt die valt onder de doelgroep
van artikel 22a, tweede lid, onderdeel a,
Wet Rea, komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond
van artikel 22a, tweede lid,
onderdeel b, van deze wet.
Toelichting
Denkbaar
is dat een werkgever die een arbeidsgehandicapte
werknemer in dienst neemt waarvoor
eerder een overeenkomst voor
kinderopvang was gesloten, tijdens de
scholing of proefplaatsing (op grond van het eerste lid van artikel 22a
Wet Rea)
niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten van
kinderopvang, omdat niet wordt voldaan aan
de (wettelijke) bepalingen.
Hierbij valt met name te
denken aan de situatie dat de werknemer
niet binnen zes maanden na beëindiging
van de overeenkomst voor
kinderopvang (op grond van het eerste lid
van artikel 22a) werkzaamheden voor de werkgever gaat verrichten,
maar pas daarna.
De werkgever zou dan
(vervolgens) een beroep kunnen doen op
artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, van de
Wet Rea. In de regel zal
namelijk wel aan die bepalingen worden voldaan omdat deze minder streng
zijn.
Het gebruik maken van de
toepassing van onderdeel b van artikel 22a, tweede lid,
Wet Rea omdat
niet voldaan wordt aan de bepalingen van onderdeel a van het tweede
lid van artikel 22a, wordt
onwenselijk geacht. Reden hiervoor is dat de
uitbreiding van het oorspronkelijke
wetsvoorstel met artikel 22a, tweede lid,
onderdeel b, van de
Wet Rea bedoeld
is om een andere doelgroep
arbeidsgehandicapten te ondersteunen dan die ondersteund wordt met
onderdeel a van artikel 22a, tweede lid.
Dit blijkt uit de toelichting op het
amendement van het Tweede-Kamerlid
Harrewijn (Kamerstukken II 2000-2001,
27 269, nr. 7).
Het is dus aangewezen om het
onderscheid tussen beide doelgroepen
helder te houden. Met de onderhavige
beleidsregel wordt dit bereikt.
Schriftelijke aanvraag door
werkgever en werknemer
Beleid
De werkgever of de werkloze
of arbeidsgehandicapte
werknemer die in aanmerking wenst te komen
voor een tegemoetkoming in de kosten
van kinderopvang dient hiervoor schriftelijk een aanvraag in middels een
door het
Lisv (de uvi) ter
beschikking gesteld aanvraagformulier.
Toelichting
In artikel 4:1 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is
bepaald dat een aanvraag om een
beslissing in beginsel schriftelijk wordt
ingediend, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is geregeld. In het
wetsvoorstel is ter zake echter niets geregeld. Dit
betekent dat de aanvraag voor
vergoeding kinderopvang conform de
hoofdregel van de Awb schriftelijk moet
worden ingediend.
De uvi heeft na het indienen
van een aanvraag gedurende acht
weken de tijd om een beslissing te
nemen. Het is dus van belang dat bij de
ontvangst van de aanvraag zoveel informatie door de werkgever en
werknemer is bijgevoegd dat de uvi in de
regel direct over kan gaan tot het
nemen van de beslissing.
Om te waarborgen dat alle
relevante informatie zo snel als
mogelijk door de uvi wordt ontvangen is
bepaald dat de werkgever of
werknemer de tegemoetkoming schriftelijk aanvraagt middels een door het
Lisv (de uvi) ter beschikking gesteld
aanvraagformulier.
Tot slot
Het
Lisv heeft
- op grond
van artikel 39, zesde lid,
Wet Rea - de bevoegdheid om regels te stellen omtrent
de termijn waarbinnen een
aanvraag in verband met de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
moet zijn ingediend.
In verband met de uitvoering
van de onderhavige regeling ten
behoeve van werkgevers heeft het Lisv
gemeend hiervan gebruik te moeten
maken. De Regeling aanvraagtermijnen Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten [zie Regeling
aanvraagtermijnen Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 2001,
red.] zal ter zake worden aangepast. Het stellen van een
aanvraagtermijn voor de werknemer wordt niet noodzakelijk geacht.
|