|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op artikel 3,
eerste lid, onderdeel a en e, van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en het Arbeidsgehandicaptebesluit;
Besluit:
Art. 1.
Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
b. Wet Rea: Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapte;
c. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. werkgever: de werkgever,
bedoeld in artikel 71a, eerste lid,
van de WAO, alsmede de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel h, van de Ziektewet;
e. werknemer: degene op wie
de vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde
lid, van de Wet Rea,
betrekking heeft;
f. arbodienst: de arbodienst, bedoeld in artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet,¹
door welke de werkgever zich laat bijstaan;
g. probleemanalyse: een
oordeel en advies van de arbodienst als
bedoeld in artikel 2, tweede en
derde lid, van de Regeling procesgang
eerste ziektejaar; ²
h. plan van aanpak: een plan
van aanpak als bedoeld in
artikel 71a, tweede lid, van de WAO.
1. Volgens de redactie
dient "Arbeidsomstandighedenwet" te worden vervangen door: Arbeidsomstandighedenwet
1998.
2. Volgens de redactie dient "Regeling procesgang
eerste ziektejaar" te worden vervangen door: Regeling
procesgang
eerste en tweede ziektejaar.
Art. 2.
Advies van de
arbodienst
-1. De werknemer of werkgever
die het UWV verzoekt vast te
stellen of de werknemer
arbeidsgehandicapte is als bedoeld in artikel 2,
derde lid, van de Wet Rea, doet dit verzoek
vergezeld gaan van een advies van de arbodienst dat de
medisch-arbeidskundige beoordeling bevat op grond waarvan het UWV kan
vaststellen dat de werknemer in verband
met ziekte of gebrek een
belemmering heeft bij het verkrijgen of
verrichten van arbeid.
-2. Het advies van de
arbodienst vermeldt of beschrijft in elk geval:
a. de aard van de
deskundigheid van de opsteller(s);
b. de ziekte of gebreken
waarvan bij de werknemer sprake is;
c. de functionele
beperkingen waartoe deze ziekte of gebreken
leiden;
d. het structurele karakter
van die beperkingen.
-3. Voor zover van toepassing
wordt in het advies vermeld en
toegelicht:
a. dat de werknemer in
verband met ziekte of gebreken een
aanzienlijk verhoogd risico heeft op
ernstige gezondheidsklachten binnen
vijf jaar;
b. dat de werknemer als
gevolg van zijn beperkingen evident
minder dan 75% van een normale voltijdsfunctie kan vervullen;
c. dat voor de werknemer
voorzieningen als bedoeld in artikel 31
van de Wet Rea vereist zijn voor
het verrichten van normale functies;
d. welke voorzieningen of
maatregelen noodzakelijk en voldoende
zijn om de werknemer in staat te
stellen de eigen arbeid of andere
arbeid in het bedrijf van de werkgever
te verrichten.
-4. Indien de werknemer naar
verwachting niet in staat kan worden gesteld tot het verrichten
van de eigen arbeid of andere arbeid in
het bedrijf van de werkgever, wordt in
het advies vermeld en toegelicht:
a. tot het verrichten van
welke arbeid de werknemer wel in staat
kan worden gesteld;
b. welke voorzieningen of
maatregelen daarvoor noodzakelijk en
voldoende zijn;
c. of die voorzieningen en
maatregelen zijn te realiseren binnen
een normale werkomgeving;
d. over welk
beroepsperspectief en welke
arbeidsmarktkwalificaties de werknemer beschikt.
-5. Indien een
probleemanalyse of een plan van aanpak is opgesteld, worden deze, met de eventuele
evaluaties en bijstellingen, bij het
advies gevoegd.
Art. 3.
Toestemming van
de werknemer
-1. Indien het in artikel 2
bedoelde verzoek niet door de
werknemer zelf wordt gedaan, gaat het
vergezeld van een door de werknemer
ondertekende en gedateerde verklaring die
inhoudt dat hij het UWV toestemming
geeft vast te stellen dat hij
arbeidsgehandicapte is.
-2. De vaststelling vindt
niet plaats indien de werknemer de
gegeven toestemming intrekt.
-3. Het UWV herroept een
besluit tot vaststelling dat een
werknemer arbeidsgehandicapte is
indien deze tijdig tegen dat besluit
bezwaar maakt op de grond dat hij
voor die vaststelling geen
toestemming heeft gegeven of dat hij de
gegeven toestemming intrekt.
-4. Buiten het geval als
bedoeld in het derde lid trekt het UWV een
besluit tot vaststelling dat een
werknemer arbeidsgehandicapte is op
diens verzoek in indien blijkt dat hij:
a. voor die vaststelling
geen toestemming heeft gegeven; of
b. wegens bijzondere
omstandigheden in redelijkheid niet aan de
gegeven toestemming kan worden gehouden.
Art. 4.
Ontbreken van
advies of toestemmingsverklaring
-1. Het UWV stelt aan de
indiener van een verzoek als bedoeld
in artikel 2 een termijn om dit verzoek
aan te vullen indien het in
artikel 2 genoemde advies of de in artikel 3
genoemde verklaring niet zijn
bijgevoegd of indien deze niet aan de in
de artikelen 2 en 3 genoemde vereisten
voldoen, tenzij aanstonds duidelijk
is dat de indiener niet in staat of
niet bereid is het verzoek aan te vullen.
-2. Wordt het verzoek niet
binnen de gestelde termijn aangevuld,
dan stelt het UWV aan de hand van
eigen onderzoek vast of de
werknemer in verband met ziekte of gebrek
een belemmering heeft bij het
verkrijgen of verrichten van arbeid en
of hij het UWV toestemming geeft vast
te stellen dat hij arbeidsgehandicapte
is.
Art. 5.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de publicatie van de
Staatscourant waarin het is geplaatst.
Dit besluit wordt met de
toelichting in de Staatscourant
geplaatst.
Amsterdam, 27 januari 2005.
J.M. Linthorst, voorzitter
Raad van bestuur.
TOELICHTING
[27 januari 2005]
Algemeen
Voor het toekennen van
premiekorting op grond van artikel 79b
van
de WAO, van voorzieningen op
grond van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea) of van ziekengeld op grond van
artikel 29b van de Ziektewet geldt
als wettelijke voorwaarde dat de betrokken werknemer
arbeidsgehandicapte is. Een werknemer wordt als
arbeidsgehandicapte aangemerkt indien hij behoort tot één van de
categorieën die worden genoemd in
artikel 2, eerste lid, van de Wet Rea of
indien op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld
dat hij in verband met ziekte of
gebrek een belemmering heeft bij het
verkrijgen of verrichten van arbeid.
Artikel 3, eerste lid, van de Wet Rea geeft het
UWV de taak om dit vast te
stellen, echter met de toevoeging: "na daarover geadviseerd te zijn door de
arbodienst van de werkgever die het
loon van de werknemer bij ziekte
doorbetaalt, in welk advies wordt
aangegeven of de werknemer, naar het
oordeel van de arbodienst, arbeidsgehandicapt is, met
toepassing van een voorziening de eigen
arbeid kan blijven verrichten of
bij dezelfde werkgever, al dan niet met
toepassing van een voorziening, in een
andere functie arbeid kan
verrichten". De wetgever gaat er kennelijk
van uit dat het UWV zijn beslissing
baseert op een onderbouwd advies van de
arbodienst.
Om de advisering effectief
en doelmatig te laten plaatsvinden, is
het van belang dat de arbodienst
zijn rapportage zo inricht dat het advies
voor het UWV gemakkelijk
toetsbaar is. De werkgever en de werknemer hoeven dan aan het UWV geen
gegevens meer te verstrekken die zij
ook al aan de arbodienst hebben verstrekt, de arbodienst kan ervan uitgaan
dat een goed onderbouwd advies snel
tot het gewenste resultaat zal leiden en het UWV hoeft geen eigen
onderzoek te doen naar gegevens die al
door de arbodienst zijn onderzocht. In deze beleidsregels worden
voor de advisering door de
arbodienst richtlijnen gegeven, ontleend aan het
beslisschema bij het Arbeidsgehandicaptebesluit.
Verder wordt vastgelegd dat het
UWV, om redenen van doelmatigheid,
de toestemming van de werknemer in beginsel aanneemt op grond van een door
de werkgever overgelegde,
door de werknemer ondertekende
verklaring. Indien later mocht blijken
dat de werknemer in werkelijkheid
zijn toestemming niet heeft willen geven, wordt de vaststelling dat
hij arbeidsgehandicapte is op zijn verzoek ongedaan gemaakt.
Artikelsgewijs
Artikel 1
De werkgever die een
werknemer in dienst heeft die ongeschikt
tot werken is geworden en aan wie hij loon moet doorbetalen, is
medeverantwoordelijk voor diens reïntegratie en
kan dus er belang bij hebben dat wordt
vastgesteld dat die werknemer
arbeidsgehandicapte is. Hetzelfde geldt echter voor de werkgever bij wie
die werknemer niet meer in dienst is, maar
die aan die ex-werknemer
ziekengeld moet betalen omdat hij
eigenrisicodrager is voor de Ziektewet. Ook in die situatie moet de
arbodienst waarbij de werkgever is aangesloten
het UWV kunnen adviseren.
Artikel 2
De werkgever die bij het
UWV een aanvraag indient voor een
voorziening, een subsidie of een premiekorting die betrekking heeft op een
werknemer die nog niet als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt (niet rechtstreeks op grond
van de Wet Rea en ook niet op
grond van een eerdere medisch-arbeidskundige beoordeling) doet daarmee tevens het verzoek aan het
UWV om vast te stellen dat de
betreffende werknemer
arbeidsgehandicapte is. Hij onderbouwt dit verzoek
met een advies van zijn arbodienst.
Ook de werknemer zelf kan een
aanvraag voor een voorziening, zoals
bijvoorbeeld een meeneembare
werkplekvoorziening, onderbouwen met een advies van de arbodienst
waarbij zijn werkgever is aangesloten.
Verder is denkbaar dat een nieuwe
werkgever, bij wie de werknemer
mogelijk in dienst kan treden, het UWV
verzoekt vast te stellen dat de
werknemer arbeidsgehandicapte is en
dit verzoek onderbouwt met een advies
dat is opgesteld door de arbodienst
van de huidige werkgever of, indien
dit praktischer is, van zijn eigen
arbodienst. Het spreekt daarbij vanzelf
dat medische en andere privacygevoelige
gegevens worden verstrekt op een
zodanige wijze dat de gewenste vertrouwelijkheid is gewaarborgd. Artikel 4 van het
Arbeidsgehandicaptebesluit stelt eisen aan de deskundigheid van
degenen die het advies opstellen en
bepaalt verder dat zij zich bij hun
advisering moeten beperken tot het
terrein van hun specifieke
deskundigheid. Een advies dat is opgesteld door
een persoon zonder de juiste kwalificaties moet in elk geval worden
getoetst door iemand die daarover wel beschikt. Het is daarom van
belang dat de arbodienst de aard
van de deskundigheid van de opsteller(s) van het advies kenbaar maakt.
Het UWV kan dan beoordelen in
hoeverre eigen deskundigen moeten worden
ingeschakeld voor een aanvullende beoordeling.
Uit het advies van de
arbodienst moet uitdrukkelijk blijken
dat het beslisschema behorend bij
het Arbeidsgehandicaptebesluit is gevolgd. Het advies moet een
beschrijving bevatten van de
ziekte of gebreken waarvan bij de
werknemer sprake is en van de
functionele beperkingen waartoe deze
ziekte of gebreken leiden. Verder moet
worden aangegeven hoe lang de
beperkingen al bestaan, hoe lang zij
vermoedelijk zullen voortduren en hoe
naar verwachting het beloop daarvan zal zijn. De beperkingen moeten
structureel zijn, dat wil zeggen: niet
van voorbijgaande aard.
In de volgende drie
situaties wordt een werknemer steeds als
arbeidsgehandicapte aangemerkt:
1. De werknemer heeft in
verband met ziekte of gebreken een
aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten binnen vijf jaar. Het
betreft hier ziekten die bij
ontdekking nog geen beperkingen hoeven
meebrengen, maar die naar actueel medisch inzicht met een
grote mate van waarschijnlijkheid binnen enkele jaren een sterk invaliderend
verloop zullen hebben. Voorbeelden:
multiple sclerose, progressieve
spierziekten, bepaalde vormen van kanker.
2. De werknemer kan als
gevolg van zijn beperkingen evident
minder dan 75% van een normale voltijdsfunctie vervullen.
3. Voor de werknemer zijn
voorzieningen als bedoeld in artikel 31
van de Wet Rea vereist voor het
verrichten van normale functies. Het
gaat daarbij om
vervoersvoorzieningen voor het woon-werkverkeer,
persoonlijke ondersteuning bij het werk,
communicatievoorzieningen voor doven en meeneembare voorzieningen
voor de werkplek.
Is één van deze situaties
van toepassing, dan wordt dit in het advies
vermeld en toegelicht.
In het advies moet worden
aangegeven of de werknemer in staat
gesteld kan worden om het eigen werk te hervatten, en zo ja, welke
voorzieningen of maatregelen daarvoor
nodig en geschikt zijn. Is
hervatting in het eigen werk niet meer
mogelijk, dan moet duidelijk worden of er
binnen het bedrijf van de werkgever andere mogelijkheden tot
werkhervatting bestaan, en zo ja, welke
extra inspanning, die de normale werksituatie overstijgt, de werkgever
daarvoor moet leveren. Kan de
werknemer niet binnen het bedrijf van de
werkgever worden herplaatst, dan wordt
in het advies uiteengezet welke
werkzaamheden hij elders nog zou kunnen verrichten en welke voorzieningen of
maatregelen daarvoor nodig
en geschikt zouden zijn. Zijn er geen voorzieningen of maatregelen
nodig, dan is het van belang of de
werknemer beschikt over een goed beroepsperspectief en goede
arbeidsmarktkwalificaties. Onder beroepsperspectief wordt
verstaan: de kans om in een bepaald
beroep werk te vinden, gelet op de
verhouding tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Arbeidsmarktkwalificaties
zijn meer persoonlijke factoren,
zoals opleiding en werkervaring, bezien in vergelijking met die van
andere werkzoekenden in hetzelfde beroep. Zijn er voorzieningen of maatregelen
nodig, dan wordt beoordeeld
of die binnen een normale
werkomgeving te realiseren zijn. Worden de
aldus verkregen bevindingen geordend aan de hand van het beslisschema
bij het Arbeidsgehandicaptebesluit,
dan leidt dit tot de conclusie dat de
werknemer wel of niet als arbeidsgehandicapte moet worden aangemerkt.
Indien in het kader van de
reïntegratie van de werknemer een
probleemanalyse of een plan van aanpak is opgesteld, wordt deze bij
het advies gevoegd. De gegevens die
hierin zijn vermeld, hoeven dan niet meer afzonderlijk te worden
verstrekt en in
het advies kan met een
verwijzing naar die gegevens worden volstaan.
Artikel 3
In artikel
2, tweede lid,
van het Arbeidsgehandicaptebesluit is bepaald
dat het UWV alleen kan
vaststellen dat een werknemer
arbeidsgehandicapte is indien deze daarom zelf
heeft verzocht of indien hij
daarvoor zijn toestemming heeft gegeven.
Is het verzoek afkomstig van een
werkgever of van een arbodienst namens een werkgever, dan moet het UWV
zich ervan vergewissen dat de
werknemer daarin heeft toegestemd. Indien bij het verzoek een
toestemmingsverklaring wordt bijgevoegd, voorzien
van de datum en van de handtekening van de werknemer, zal het
UWV in de regel op deze verklaring afgaan en de werknemer niet om een
uitdrukkelijke bevestiging vragen.
Trekt de werknemer, om welke
reden dan ook, zijn gegeven
toestemming in, dan vervalt daarmee een wettelijk vereiste voor de
vaststelling dat hij arbeidsgehandicapte is en
vindt die vaststelling dus niet
plaats. Stelt het UWV vast dat de werknemer
arbeidsgehandicapte is, dan wordt dit in de vorm van een beschikking aan
de werknemer kenbaar gemaakt.
Maakt de werknemer tegen die
beschikking bezwaar op de grond dat hij
zijn toestemming niet gegeven heeft of dat hij zijn toestemming wil
terugnemen, dan herroept het UWV het
genomen besluit. De werknemer heeft
dus steeds de mogelijkheid om
zich te bedenken, totdat de bezwaartermijn is verstreken.
Is de bezwaartermijn
ongebruikt verstreken, dan blijft het besluit om de werknemer voor de duur van
vijf jaar als arbeidsgehandicapte aan
te merken in principe in stand. Het
besluit wordt in dat geval alleen ingetrokken indien alsnog komt vast te
staan dat de werknemer zijn
toestemming niet heeft gegeven (de handtekening onder de toestemmingsverklaring is
bijvoorbeeld niet van hem, maar van
iemand anders) of indien
bijzondere (te lezen als: uitzonderlijke,
onvoorzienbare en onvermijdbare)
omstandigheden het onredelijk maken dat het UWV
de werknemer aan de eerder
gegeven toestemming houdt.
Artikel 4
Het
UWV moet op grond van de
wet de arbodienst in de
gelegenheid stellen advies uit te brengen. De arbodienst heeft ten opzichte van het
UWV echter geen verplichting
om te adviseren. Blijft het advies achterwege of is het niet deugdelijk,
dan moet het UWV zelfstandig een
beslissing nemen. Deze beslissing moet
in dat geval worden gebaseerd op
eigen onderzoek. Hetzelfde geldt
voor de toestemming van de werknemer. Voegt de werkgever of de
arbodienst bij het verzoek geen door de
werknemer ondertekende toestemmingsverklaring bij, dan nodigt het UWV zelf
de werknemer uit om zich al
dan niet akkoord te verklaren met de arbeidsgehandicaptebeoordeling. Voordat
het UWV overgaat tot eigen
onderzoek of tot het uitnodigen van de werknemer, biedt het de
indiener van het verzoek eerst nog een
(korte) termijn om het ontbrekende aan te
vullen, behalve indien het bij
voorbaat duidelijk is dat van die
gelegenheid toch geen gebruik gemaakt
zal worden.
Amsterdam, 27 januari 2005.
J.M. Linthorst, voorzitter
Raad van bestuur.
|
|