|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 39, zesde
lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
Besluit:
Art. 1.
Definitiebepaling
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten;
b. een instrument: een
instrument als bedoeld in hoofdstuk 3 of 4
van de wet;
c. de WAZ: de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Art. 2.
Instrumenten voor
werkgevers
De aanvraag voor:
a. subsidie voor het treffen
van voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid als bedoeld in artikel 15
van de wet wordt ingediend binnen één jaar nadat de voorzieningen zijn
gerealiseerd door de werkgever;
b. subsidie in de vorm van
een herplaatsingsbudget als bedoeld in artikel 16 van de
wet ¹ wordt
ingediend binnen twee maanden na de
aanvang van de arbeid in een andere functie;
c. subsidie in de vorm van
een plaatsingsbudget als bedoeld in artikel 17 van de
wet ¹ wordt ingediend
binnen twee maanden na de aanvang
van de dienstbetrekking;
d. een pakket op maat als
bedoeld in artikel 18 van de wet ¹ wordt
ingediend binnen twee maanden na de aanvang van de arbeid in een
andere functie, respectievelijk na
de aanvang van de dienstbetrekking.
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn het (her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van
1 januari 2002 komen te vervallen. Zie verder de artikelen 15 en
16 Wet
Rea en het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.
Art. 3.
Instrumenten voor niet-werknemers
-1. De aanvraag voor:
a. een voorziening tot
behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid als bedoeld in
artikel 22, eerste lid en tweede lid,
van de wet;
b. andere voorzieningen die
strekken tot behoud, herstel of die
de arbeidsgeschiktheid bevorderen, indien
noodzakelijk voor het verrichten van arbeid als verzekerde voor
de WAZ als bedoeld in artikel
22, derde lid,
van de wet;
c. voorzieningen als bedoeld
in artikel 22, vierde lid, van de wet
die de ingezetene als bedoeld in artikel 1 van de
wet in staat stellen
onderwijs te volgen;
d. vervoersvoorzieningen
als bedoeld in artikel 22, vijfde lid,
van de wet;
wordt ingediend binnen één
jaar nadat kosten ter zake van de
voorziening zijn ontstaan.
-2. De aanvraag van een
tegemoetkoming in de kosten in verband met kinderopvang als bedoeld in
artikel 22a, tweede lid, van de wet
wordt ingediend binnen twee
maanden nadat deze kosten zijn
ontstaan.
-3. De aanvraag voor een reïntegratie-uitkering als bedoeld in
artikel 23
van de wet wordt ingediend vóór
aanvang van de onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats, respectievelijk vóór aanvang van de scholing
of opleiding.
Art. 4.
Instrumenten voor
zelfstandigen
De aanvraag voor:
a. een toelage in verband
met derving van inkomen als bedoeld in
artikel 28 van de wet wordt
ingediend binnen zes maanden na afloop van
het boekjaar waarin inkomen is gederfd;
b. inkomenssuppletie als
bedoeld in artikel 29 van de wet wordt
ingediend binnen zes maanden na afloop van het boekjaar waarin de
uitoefening van het bedrijf of beroep is voortgezet of waarin de
arbeidsgehandicapte werkzaamheden als
zelfstandige is gaan verrichten;
c. een lening of een borgtocht als bedoeld in
artikel 30 van
de wet wordt ingediend vóór de
aanvang van de werkzaamheden als
zelfstandige.
Art. 5.
Instrumenten voor
werknemers
-1. Een aanvraag voor
vervoersvoorzieningen, noodzakelijke persoonlijke ondersteuning,
communicatievoorzieningen voor doven en
vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de
levensomstandigheden
als bedoeld in artikel 31 van de wet, wordt ingediend binnen
één
jaar nadat kosten ter zake van de
voorziening zijn ontstaan.
-2. Een aanvraag voor
loonsuppletie als bedoeld in artikel 32
van de wet wordt ingediend binnen twee
maanden na aanvang van het werk in dienstbetrekking, dan wel bij aanvang
van de werkzaamheden voor de beslissing over de mate van arbeidsongeschiktheid,
binnen twee maanden na die beslissing.
Art. 6.
Indiening aanvraag
per post
-1. Een aanvraag voor een
instrument is tijdig ingediend indien
ze vóór het einde van de termijn is
ontvangen door de uitvoeringsinstelling.
-2. Bij verzending per post
is een aanvraag tijdig ingediend indien ze vóór het einde van de termijn ter
post is bezorgd, mits ze niet later
dan één week na afloop van de
termijn is ontvangen.
Art. 7.
Te late indiening
van een aanvraag
-1. Bij overschrijding van de
termijn:
a. bedoeld in artikel
2,
onderdeel a, worden kosten die ontstaan
zijn meer dan één jaar vóór de
aanvraag niet vergoed;
b. bedoeld in artikel
2, onderdeel b en
c, wordt geen herplaatsingsbudget, respectievelijk geen
plaatsingsbudget verstrekt over de periode
voorafgaande aan de aanvraag;
c. bedoeld in artikel
2,
onderdeel d, worden kosten die ontstaan
zijn meer dan twee maanden vóór de
aanvraag niet vergoed en wordt geen
loonkostensubsidie verstrekt over de periode voorafgaande aan de
aanvraag.
-2. Bij overschrijding van de
termijn:
a. bedoeld in artikel
3,
eerste lid, worden kosten die ontstaan
zijn meer dan één jaar vóór de
aanvraag niet vergoed;
b. bedoeld in artikel
3,
tweede lid, wordt geen tegemoetkoming
verstrekt over de periode voorafgaand
aan de aanvraag;
c. bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt geen
reïntegratie-uitkering toegekend over de periode vóór de
aanvraag.
-3. Bij overschrijding van de
termijnen:
a. bedoeld in artikel
4,
onderdeel a en b, wordt geen toelage,
respectievelijk inkomenssuppletie verstrekt
over het boekjaar of de boekjaren
gelegen vóór de aanvraag;
b. bedoeld in artikel
4,
onderdeel c, wordt geen lening of
borgtocht verstrekt.
-4. Bij overschrijding van de
termijn:
a. bedoeld in artikel
5,
eerste lid, worden kosten die ontstaan
zijn meer dan één jaar vóór de
aanvraag, niet vergoed;
b. bedoeld in artikel
5,
tweede lid, wordt geen loonsuppletie
verstrekt over een periode die is
gelegen meer twee maanden vóór de
aanvraag.
-5. Indien een aanvraag wordt
ingediend meer dan één jaar na het
verstrijken van de aanvraagtermijn, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen besluiten de aanvraag niet meer in behandeling te
nemen.
Art. 8.
Toepassingsbereik
en inwerkingtreding
-1. De regeling is niet van
toepassing op aanvragen die zijn
ingediend vóór inwerkingtreding van deze
regeling.
-2. Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 juli 2001.
-3. De Regeling
aanvraagtermijnen Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Lisv-besluit van 15
februari 2000, Stcrt. 2000, 38) wordt
ingetrokken per 1 juli 2001.
Art. 9.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling aanvraagtermijnen
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten 2001.
Deze regeling wordt met de
toelichting bekendgemaakt in de Staatscourant.
Amsterdam, 19 juni 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[19 juni 2001]
Reïntegratie-instrumenten
als bedoeld in de hoofdstukken 3 en 4
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) worden aangevraagd bij de bevoegde uitvoeringsinstelling.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] kan regels stellen
over de termijnen waarbinnen
aanvragen moeten worden ingediend.
Deze regels zijn gesteld in de
Regeling aanvraagtermijnen Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
(Stcrt.
2000, 38, Lisv-Mededeling M
00.019, d.d.15 februari 2000).
Door een aanvulling in de
wetgeving kan het Lisv met ingang van
1 juli 2001 ook regels stellen over
de rechtsgevolgen die worden verbonden aan overschrijding van de gestelde termijnen.
Per 1 juli 2001 is een
nieuwe voorziening aan de Wet Rea toegevoegd, namelijk kinderopvang voor
een arbeidsgehandicapte
gedurende scholing of proefplaatsing,
en een tegemoetkoming in de kosten
van kinderopvang voor de werkgever van bepaalde arbeidsgehandicapte
werknemers. Verder is de wenselijkheid gebleken om voor de kosten
van scholing en opleiding niet
langer de voorwaarde te stellen dat de
aanvraag altijd vóór aanvang van de
scholing of opleiding wordt ingediend. Besloten is de bestaande
regeling met ingang van 1 juli 2001 in te
trekken en per die datum te
vervangen door een nieuwe Regeling
aanvraagtermijnen Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten 2001.
De regeling noemt in
afzonderlijke artikelen de
aanvraagtermijnen voor de verschillende doelgroepen
die de wet kent. Daarmee wordt
aangesloten bij de systematiek van de wet, waarin onderscheid wordt gemaakt
tussen werkgevers, niet-werknemers, zelfstandigen en werknemers.
Er wordt geen termijn
gesteld voor de aanvraag van een
persoonsgebonden reïntegratiebudget. Dit
wordt niet zinvol geacht omdat de
regeling met betrekking tot dit budget
bij wijze van experiment wordt
uitgevoerd voor een beperkte groep
personen in een beperkt aantal regio’s.
Bij de beoordeling van de
noodzaak en de lengte van de
aanvraagtermijnen zijn de volgende
uitgangspunten gehanteerd:
• De wet beoogt een
eenvoudige toepassing van instrumenten gericht op reïntegratie. Dit brengt
mee dat deze instrumenten op een
eenvoudige manier moeten kunnen worden
aangevraagd, met eenvoudige procedures en korte beslistermijnen.
• De aanvang van de
(nieuwe) arbeid of het toeleidingstraject
mag niet gehinderd of belemmerd
worden doordat de gewenste
vergoedingen voor instrumenten nog niet
zijn aangevraagd of verkregen. In het
algemeen hoeft het instrument niet
noodzakelijk vóór de aanvang te worden aangevraagd. De formele
afwikkeling kan vaak achteraf nog worden
verzorgd.
• Indien de verstrekking
van het instrument een absolute voorwaarde is voor de (re)integratie,
zoals bij de verstrekking van een
starterskrediet voor de start als zelfstandige, moet de aanvraag en de toekenning
altijd voorafgaan aan het gaan verrichten van arbeid als zelfstandige.
• De noodzaak van een
aanvraagtermijn en de lengte daarvan wordt
in belangrijke mate bepaald
door de uitvoeringspraktijk en de redelijke eisen die uit hoofde van
efficiency en klantgerichtheid in het licht van de
doelstelling van de Wet Rea gesteld kunnen
worden.
• De lengte van een
aanvraagtermijn wordt mede bepaald door de
tijd die een belanghebbende in
redelijkheid gegund moet worden om te
overwegen of een instrument
noodzakelijk of gewenst is, en om zich te
voorzien van informatie over de toepasselijke regelgeving.
• De lengte van de
aanvraagtermijn wordt mede bepaald door de
strekking van het instrument. Het is
niet in overeenstemming met de
strekking van een instrument dat beoogt werkgevers over de drempel te helpen
bij het in dienst nemen of
houden van een arbeidsgehandicapte, dat
een dergelijk instrument eerst wordt
aangevraagd geruime tijd nadat de
betrokkene in dienst is getreden of gehouden.
• Verschillende
instrumenten uit de wet kunnen ook worden
toegepast door gemeenten en door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.].
Ook deze organisaties hanteren
termijnen waarbinnen een aanvraag moet
worden ingediend.
De bepaling van
artikel 6
van de regeling is ontleend aan
artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de termijn voor de
indiening van een bezwaarschrift per
post is gepreciseerd.
De rechtsgevolgen die aan
termijnoverschrijding worden verbonden, zijn verschillend naar
gelang de aard van het aangevraagde
instrument.
• De aanvraag wordt wel in
behandeling genomen, doch er worden geen betalingen gedaan voor
kosten over een periode die eindigt op
een moment voorafgaande aan de aanvang van de aanvraagtermijn.
• Extra subsidies, die
geen vergoeding zijn voor gemaakte kosten,
worden niet betaald over de periode vóór de aanvraag.
• Verstrekkingen met het
karakter van uitkering, zoals
suppletie en toelage, worden niet verstrekt over
perioden voorafgaande aan de aanvang van de aanvraagtermijn.
• De aanvraag zal niet
worden gehonoreerd als het gaat om de aanvraag van een starterskrediet. De
wetgever gaat ervan uit dat de
betrokkene bij de start kennelijk op krediet is aangewezen; indien hij start en eerst
daarna op krediet is aangewezen, is
er geen grond om de aanvraag te
honoreren.
• Bij verstrekking in
natura vindt de verstrekking uit de aard der
zaak niet plaats met terugwerkende
kracht, dit behoeft geen regeling.
Bij een zeer ruime
overschrijding van de aanvraagtermijn kan
besloten worden de aanvraag in het geheel
niet meer in behandeling te
nemen.
Op grond van de per 1 juli
2001 ingetrokken regeling golden reeds
aanvraagtermijnen. Aan overschrijding daarvan werden echter
vooralsnog geen rechtsgevolgen
verbonden. Nu hiervoor alsnog een
wettelijk grondslag is aangebracht, kan de
nieuwe regeling met ingang van 1
juli 2001 volledig worden toegepast,
zij het dat de regeling niet geldt voor aanvragen die zijn ingediend vóór de
inwerkingtreding van deze regeling.
Amsterdam, 19 juni 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|
|