|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen 29 en
32 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, alsmede op de artikelen 15 tot en met 18 van het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hanteert ter zake van
toekenning van loon- en
inkomenssuppletie de beleidslijnen als
weergegeven in de bijlage bij deze regeling.
Art. 2.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de eerste dag van
de tweede kalendermaand na die waarin
de regeling is bekendgemaakt in
de Staatscourant.
Art. 3.
De beleidsaanbevelingen
neergelegd in Mededeling M 96.46 worden
ingetrokken.
Art. 4.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling loon- en
inkomenssuppletie arbeidsgehandicapten.
Deze regeling wordt met de
bijlage gepubliceerd in de Staatscourant.
Amsterdam, 10 mei 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
1. Inleiding
De wettelijke
reïntegratie-instrumenten loon- en inkomenssuppletie
beogen het financiële gat te dichten
in het geval dat een arbeidsgehandicapte
feitelijk minder verdient dan hij op
grond van de theoretische schatting
geacht wordt te kunnen verdienen. In de
artikelen 29 en 32 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
(Wet Rea) en de daarop gebaseerde
artikelen 15 tot en met 18 van het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea zijn de toepasselijke wettelijke bepalingen
opgenomen.
Het toekennen van loon- en
inkomenssupletie is een bevoegdheid van het Lisv [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], hetgeen een zekere
discretionaire ruimte met zich meebrengt.
In de toelichting op het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea wordt dit op één punt
expliciet aangegeven: het Lisv is bevoegd te bepalen in hoeverre bij het
aangaan van dienstbetrekkingen van
zeer korte duur of geringe omvang
loonsuppletie kan worden toegekend.
Loon- en inkomenssuppletie
werden in 1996 geïntroduceerd als
onderdeel van de Wet Amber [Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie,
red.]. Destijds heeft
het Tica [de rechtsvoorganger van het Lisv, red.] beleidsaanbevelingen
ter zake
opgesteld (M.96.46, d.d. 29 maart 1996). De
Tica-aanbevelingen zijn in maart 1997
overgenomen als Lisv-beleid (M.97.28).
Mede als gevolg van het in werking treden van de
Wet Rea is het
noodzakelijk dat het Lisv-beleid op
onderdelen wordt aangepast. Aan de hand
van dit beleid kunnen de uitvoeringsinstellingen op eenduidige wijze
aanvragen voor loon- en
inkomenssuppletie afhandelen.
De wettelijke bepalingen
voor loon- en inkomenssuppletie voor
arbeidsgehandicapten lijken inhoudelijk sterk op elkaar. Om deze reden is
ervoor gekozen het beleid te integreren in
één regeling. Daar waar hieronder wordt gesproken over suppletie
wordt daarom zowel loon- als
inkomenssuppletie bedoeld. Slechts indien en
voor zover relevant komen loonsuppletie
of inkomenssuppletie afzonderlijk aan de orde.
2. Arbeidsgehandicapten
zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering
In tegenstelling tot de
suppletiebepalingen die golden vóór het in werking treden van de Wet Rea hoeft de
cliënt niet noodzakelijkerwijs een
arbeidsongeschiktheidsuitkering te hebben om in aanmerking voor suppletie te
komen; de suppletieartikelen in de
Wet Rea richten zich ook op
arbeidsgehandicapten zonder WAZ-, Wajong- of
WAO-uitkering.
Binnen de categorie
arbeidsgehandicapten zonder
arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen twee groepen worden onderscheiden. De eerste
groep bestaat uit arbeidsgehandicapten die
op grond van de Wet Rea onder de reïntegratieverantwoordelijkheid van het
Lisv vallen.
Hierbij valt met name te
denken aan arbeidsgehandicapten die
bij einde wachttijd arbeidsgeschikt
zijn verklaard en aansluitend een WW-uitkering ontvangen. De tweede groep bestaat uit cliënten die op grond van
de Wet Rea onder de
reïntegratieverantwoordelijkheid van de gemeente of Arbeidsvoorziening
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] vallen.
Daarbij gaat het om een
arbeidsgehandicapte met alleen een bijstandsuitkering of zonder recht op een
uitkering.
Met betrekking tot deze
groep arbeidsgehandicapten die onder de
verantwoordelijkheid van gemeente of Arbeidsvoorziening vallen,
heeft de wetgever de afbakening van
de suppletiedoelgroep niet eenduidig geregeld. Volgens artikelen 15 en
17
van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea bestaat de doelgroep voor de
suppletieregelingen uit arbeidsgehandicapten die onder de
reïntegratieverantwoordelijkheid van het Lisv vallen. Dit
wijkt af van de tekst van de
artikelen 29 en 32 Wet Rea, die deze eis niet
stelt en de mogelijkheid dus openlaat
dat ook suppletie wordt toegekend
voor arbeidsgehandicapte cliënten die onder de
reïntegratieverantwoordelijkheid van de gemeente of Arbeidsvoorziening vallen.
Voor zover het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea een beperking inhoudt, is ze
een afwijking van de wet die niet
gemotiveerd wordt. Dit is voldoende
aanleiding om ervan uit te gaan dat de
suppletie ook van toepassing is op arbeidsgehandicapte cliënten van de
gemeente of
Arbeidsvoorziening.
Gezien het karakter van het
instrument loon- en inkomenssuppletie
is ook voor beide genoemde groepen
arbeidsgehandicapten zonder
arbeidsongeschiktheidsuitkering noodzakelijk dat in het kader van de WAO, WAZ
of Wajong de resterende verdiencapaciteit reeds is vastgesteld. Voor
berekening van de hoogte van de
suppletie moet immers vaststaan wat het
bedrag van de theoretisch resterende
verdiencapaciteit is en het bedrag van de
uitkering die daarbij hoort. Om
praktische redenen wordt in deze berekening
zoveel mogelijk aangesloten bij de
wijze van berekening voor cliënten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Dit betekent dat het bedrag van
de uitkering op basis van de theoretische
verdiencapaciteit op nihil wordt gesteld. Voor wat betreft maatman en
theoretische verdiencapaciteit wordt
uitgegaan van de (geïndexeerde) gegevens van de (laatste)
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Het is daarbij niet de bedoeling dat de resterende
verdiencapaciteit wordt bepaald alleen met het
oog op de suppletie.
3. Uurloonvergelijking
Noodzakelijk voor de
toepassing van loon- en inkomenssuppletie
is dat de resterende theoretische
verdiencapaciteit van de arbeidsgehandicapte
moet zijn vastgesteld. Zowel in de
tekst van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten alsook bij
de berekening van de hoogte van de suppletie (artikel 16 respectievelijk
18
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea) wordt uitgegaan van de theoretische
verdiencapaciteit per uur. Bij het bepalen van het
recht op en de hoogte van de suppletie gaat
de uitvoeringsinstelling daarom uit van de
inkomensvorming per uur. Dit houdt in dat een extra inspanning die een
cliënt levert door meer uren te
gaan werken voor de toekenning van
suppletie en voor de maximering van de
hoogte ervan buiten beschouwing
wordt gelaten. Gezien de doorgevoerde
systematiek van uurloonvergelijking
wordt niet als extra
verstrekkingsvoorwaarde gehanteerd dat het dienstverband een minimale omvang dient te
hebben.
4. Loonsuppletie:
aanvaarding arbeid vóór toekenning/herziening
uitkering
Waar het gaat om
inkomenssuppletie bepaalt de wet
ondubbelzinnig dat het kan gaan om voortzetting van
de uitoefening van bedrijf of beroep
enerzijds of het gaan verrichten van
werkzaamheden als zelfstandige anderzijds ("die arbeid als
zelfstandige verricht of gaat verrichten"). In het
loonsuppletieartikel wordt daarentegen slechts gesproken over "de
arbeidsgehandicapte die werk in dienstbetrekking
aanvaardt". Dit suggereert dat het
moment van aanvaarden van de arbeid
moet liggen na het moment van
toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat voor de arbeidsgehandicapte die bij
de eigen werkgever (binnen de bestaande
dienstbetrekking) hervat geen loonsuppletie mogelijk is. Dit onderscheid
tussen de bepalingen met betrekking
tot enerzijds de loonsuppletie en
anderzijds de inkomenssuppletie en de reïntegratiebeperkende werking die daarvan uitgaat
voor de arbeidsgehandicapte werknemer, wordt door de wetgever niet gemotiveerd.
Daarbij geldt dat noch uit
de wet- en regelgeving, noch uit de
toelichting op het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea blijkt dat de aanvaarding
van de arbeid met lager dan theoretisch loon moet liggen na de herziening
of toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. In de toelichting op
artikel 17 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea wordt gesteld dat
loonsuppletie alleen kan worden toegekend over een periode na afloop
van het wachtjaar. Hieruit valt af
te leiden dat aanvaarding van het werk kan
liggen voordat de mate van
arbeidsongeschiktheid is vastgesteld, dus in het wachtjaar en daarna
voortgezet. Ook laat deze formulering de mogelijkheid open dat suppletie wordt
toegekend in het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid, het jaar waarover de
ontslagbescherming zich uitstrekt en niet zelden sprake is van werkhervatting
bij de eigen werkgever.
Een ruimhartige
wetsinterpretatie suggereert derhalve dat het geen
noodzakelijke verstrekkingsvoorwaarde is
dat het tijdstip van aanvaarding
van het werk moet zijn gelegen na
toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het zou onwenselijk zijn dat een werknemer wacht
met het aanvaarden van werk tot
het moment van toekenning of
herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit pleit ervoor om ook
suppletie te verlenen bij
werkaanvaarding tijdens een uitlooptermijn, als al bekend is dat de uitkering zal
worden verlaagd of ingetrokken.
Deze ruimhartige
interpretatie van de wet kent wel grenzen. Indien
een herziening of intrekking van de
uitkering de aanleiding is voor een
suppletieaanvraag, geldt als aanvullende
voorwaarde dat de werkaanvaarding niet
langer dan één jaar daarvoor mag hebben plaatsgevonden. Het gaat
niet aan suppletie te verstrekken in die
gevallen dat een arbeidsgehandicapte werk
heeft aanvaard met een loon
conform zijn geldende verdiencapaciteit
en het enige nieuwe feit erin bestaat dat
zijn uitkering (jaren later) wordt herzien
of ingetrokken. Hierbij is overwogen dat
toepassing van suppletie in een dergelijk geval geen reële
reïntegratiebevorderende werking heeft.
5. Dienstbetrekkingen van
korte duur
Loonsuppletie vindt slechts
dan toepassing indien het gaat om een
dienstbetrekking voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met een
duur van ten minste zes maanden. Aan
deze voorwaarde liggen vooral
praktische, uitvoeringstechnische
redenen ten grondslag. Zo ligt
toepassing van loonsuppletie in het geval van een arbeidsgehandicapte die veelvuldig kortdurende
uitzendbanen vervult niet
voor de hand. Met deze voorwaarde
wordt aangesloten bij de
wettelijke bepalingen voor het plaatsingsbudget,
die ook een minimale duur van zes
maanden voorschrijven, alsmede bij
het loonsuppletiebeleid van vóór de Wet Rea.
6. Misbruik
Er wordt geen suppletie
toegekend indien sprake is van
kennelijk onbedoeld gebruik. Hierbij is
overwogen dat niet bij voorbaat te
definiëren praktijksituaties denkbaar
zijn waarin toekenning van een suppletie
in strijd is met het door de wetgever
beoogde doel en het door het Lisv ontwikkelde beleid. Vanuit
handhavingsoptiek is het wenselijk misbruik van
loon- en inkomenssuppletie te kunnen
weren.
Amsterdam, 10 mei 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|