|
NOTA
VAN TOELICHTING
[20 juli 1998]
1. Algemeen
Het begrip
arbeidsgehandicapte is één van de centrale elementen van de Wet op de
(re)integratie
(Wet Rea). Indien een persoon als arbeidsgehandicapt wordt aangemerkt, brengt dit
de mogelijkheid met zich van toepassing van een groot
aantal wettelijke instrumenten. Het wordt daarmee voor werkgevers een
stuk aantrekkelijker de betrokken persoon in dienst te nemen. Met name
op financieel gebied zijn de gevolgen van toekenning van het predikaat
arbeidsgehandicapt groot. De werkgever kan immers aanspraak maken op
een (her)plaatsingsbudget ¹, op een premiekorting in het kader van de
premiekwijtscheldings- en kortingsregeling voor de WAO, op overname van
de loondoorbetalingsverplichting krachtens artikel 29b
Ziektewet en op de zogenoemde
"no-riskpolis" van de WAO (artikelen 75c
en 76f WAO).
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving zijn het
(her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van 1 januari
2002 komen te vervallen. Zie verder de artikelen 15 en
16 Wet
Rea en het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.
Bij de parlementaire
behandeling van het wetsvoorstel Rea is aangegeven dat het in de toekomst
wellicht mogelijk zou zijn de arbeidsgehandicaptetoets gedeeltelijke geautomatiseerd te laten verlopen,
bijvoorbeeld via het
zogenaamde Functie-informatiesysteem (FIS) van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.]. Aangezien echter gebleken is dat dit niet op korte
termijn kon worden geoperationaliseerd, is tijdens de eerstekamerbehandeling
toegezegd dat een voorlopige AMvB [algemene maatregel van bestuur, red.]
getroffen zou worden
waarmee alle uitvoerders uit de weg zouden kunnen en die later nog zou
kunnen worden aangepast aan de alsdan bestaande technische
mogelijkheden.
Gezien het feit dat, naar
het zich thans laat aanzien, de technische mogelijkheden de eerstkomende tijd beperkt zullen blijven, lijkt de term
"voorlopig" niet op zijn
plaats. Het betreft hier derhalve een "normaal" besluit ter uitvoering van
de Wet Rea, waarin een nadere uitwerking wordt gegeven van het begrip
"arbeidsgehandicapte" zoals bedoeld in artikel
2, derde en zesde
lid, van de wet. Voorts wordt in dit besluit op basis van
artikel 87 van de
Ziektewet een uitbreiding gegeven aan de werkingssfeer van
artikel
29b Ziektewet (zie paragraaf 2c van deze
toelichting).
In de meeste gevallen kan
reeds op grond van de bepalingen uit de Wet Rea
worden afgeleid of een
persoon als arbeidsgehandicapt met worden beschouwd (bijvoorbeeld personen met een gedeeltelijke
WAO-uitkering
en personen die Wsw-geïndiceerd zijn). In een aantal gevallen echter zal dit nog afzonderlijk moeten
worden bepaald. De vrij ingrijpende gevolgen van het "arbeidsgehandicapt
zijn" maken een heldere afgrenzing van het begrip arbeidsgehandicapt
gewenst, dit ook gezien het feit dat verschillende uitvoerende instanties, de
uitvoeringsinstellingen van de sociale verzekeringen, de gemeenten
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] daarmee moeten werken. Voor
werkende personen geldt dat ook arbodiensten vaak met het arbeidsgehandicaptebegrip te maken zullen
krijgen. Bij de afgrenzing
van het arbeidsgehandicaptebegrip en de daadwerkelijke toets is het
zoeken vooral naar een evenwichtige benadering: een te
gemakkelijke toekenning van het predikaat arbeidsgehandicapt brengt het risico van
afroming met zich (het instrumentarium komt dan niet ten goede van
die personen die het werkelijk nodig hebben) en een te zware procedure kan weer belemmerend werken op
een voortvarend
reïntegratieproces. Dit besluit is de neerslag van dit proces. Het is tot stand
gekomen na intensief technisch overleg met vertegenwoordigers van het Lisv, VNG
[Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, die dit besluit en het
daarbij gevoegde
beslisschema uitvoerbaar achten.
b. Het beslisschema
De gehandicaptetoets dient
dus te voldoen aan de nodige zorgvuldigheidsvereisten en aan het uitgangspunt dat de vaststelling van
een arbeidshandicap geen
loodzware procedure mag worden.
Aan deze vereisten kan
worden voldaan indien men de beoordeling systematisch aanpakt.
Ten behoeve van de
uitvoering is derhalve aan dit besluit een
beslisschema toegevoegd dat dient tot
verheldering van de vragen en beoordelingspunten die tot
de eindconclusie moet leiden of een bepaalde persoon die niet reeds op
grond van de wet als arbeidsgehandicapte moet worden beschouwd dit op
grond van een individuele afweging is.
Voor het goede begrip zij
hier opgemerkt dat de beoordeling door de uitvoeringsinstellingen
(uvi’s),
de arbodiensten, de gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zoveel mogelijk zal moeten aansluiten bij de reeds bestaande
keuringspraktijk, die uit hoofde van andere door die instellingen reeds uitgevoerde regelingen is ontwikkeld. Bij de uvi’s gaat
het om de toetsing van een restgroep van personen die overblijft ná de WAO-keuring: al degenen die
niet (minder dan 15/25%) arbeidsongeschikt zijn bevonden. Een gedeelte
van de vragen uit het
beslisschema wordt reeds bij de
arbeidsongeschiktheidskeuring beantwoord. De arbodiensten zullen bij hun advisering
over het al dan niet arbeidsgehandicapt zijn van een werknemer kunnen
aansluiten bij hun activiteiten rond het reïntegratieplan. Van belang is voorts dat aansluiting is gezocht bij de in
ontwikkeling zijnde ideeën
omtrent het meten van de afstand tot de arbeidsmarkt van
werkzoekenden.
Bij de beoordeling door de
gemeenten geldt dat zal kunnen worden aangesloten bij de indicatiestellingspraktijk voor de nieuwe
Wsw, er komt
als het ware een afslag naar
de Wet Rea; in de praktijk kunnen ook de vrijstelling van de
sollicitatieplicht op grond van artikel 107 Abw om redenen van medische aard
(vanzelfsprekend alleen indien hieraan een medische beoordeling ten
grondslag heeft gelegen) en de toekenning van vervoersvoorzieningen een
rol spelen.
Dit
beslisschema is zodanig
opgesteld dat met al deze verschillende vormen van beoordeling
rekening is gehouden en zal in principe door alle betrokken organisaties
steeds moeten worden toegepast bij beoordeling van de vraag of een persoon
arbeidsgehandicapte is. Aan de hand van een aantal hier gegeven, en
hierna nader toegelichte, beoordelingspunten kan dan stapsgewijs worden
bepaald of een bepaalde persoon arbeidsgehandicapte is. Het volgen van het
beslisschema betekent dat het voor de uitkomst van de toets
niet uitmaakt welke organisatie die toets verricht.
c. De aanvang van de
toetsing
De aanvang van de
arbeidsgehandicaptetoets kan op verschillende manieren plaatsvinden. Zo
ligt het voor de hand dat bij de uvi’s de arbeidsgehandicaptetoets wordt verricht indien bij de
arbeidsongeschiktheidskeuring
blijkt dat betrokkene minder dan 15/25% arbeidsongeschikt is en dus
niet per definitie arbeidsgehandicapt. Het kan ook zijn dat betrokkenen
zichzelf als werkzoekende meldt, bijvoorbeeld bij een arbeidsbureau of
CWI. Is dit het geval, dan zal bij de administratieve intake moeten worden bezien
of betrokkene mogelijk een arbeidsgehandicapte is en zal hij voor een beoordeling moeten worden
doorverwezen naar de voor
hem aangewezen beoordelende instantie. Bij werknemers ligt het voor de
hand dat de arbeidsgehandicaptetoets aan de orde zal komen in het kader
van de reïntegratieactiviteiten door de arbodienst.
De vraag kan nog gesteld
worden wat de consequenties zijn indien een uitvoeringsinstelling meent
dat betrokkene mogelijk arbeidsgehandicapte is, doch betrokkene weigert
als zodanig te worden aangemerkt. Dit zou zijn bemiddeling kunnen
frustreren. Naar aanleiding van vragen van Tweede-Kamerleden hierover
is in de memorie van antwoord bij de Wet Rea aangegeven dat een
arbeidsgehandicapte werknemer zich naar buiten toe niet als zodanig
hoeft te afficheren indien hij meent dat daardoor zijn kansen op de
arbeidsmarkt worden verkleind.
Indien echter een werknemer
zonder goede gronden weigert mee te werken aan reïntegratieverplichtingen, en dat kan ook de keuring op een
arbeidshandicap zijn, dan kan dit ertoe leiden dat een maatregel wordt opgelegd. Indien echter
betrokkene op zich wel bereid is het nodige te doen voor zijn
reïntegratie, doch hij om hem moverende redenen onoverkomelijke bezwaren
heeft dit als arbeidsgehandicapte te doen, ligt de situatie anders.
Weliswaar kan het instrumentarium van de Wet Rea
niet voor hem werken en
vermindert betrokkene in die zin zijn arbeidsmarktkansen, doch indien hij overigens wel veel moeite doet weer
aan het werk te komen, dan
ligt een sanctie niet voor de hand. Dit zal aan de omstandigheden van het
geval moeten worden beoordeeld.
d. A-priorigroepen
De eerste vraag die men zich
dient te stellen is of een persoon niet reeds op grond van de wet
arbeidsgehandicapt is. Zo mag ervan uitgegaan worden dat
personen die thans reeds op basis van de Wagw [Wet arbeid gehandicapte
werknemers, ingetrokken op grond van artikel 89 Wet
Rea, red.] als arbeidsgehandicapte
worden beschouwd dit ook voor de toepassing van de Wet
Rea zijn. Voor
met name de gemeenten geldt nog als punt van aandacht dat in het huidige
bestand van de sociale diensten een groot aantal personen is opgenomen
bij wie min of meer ernstige gezondheidsproblemen zijn geconstateerd. Het
lijkt weinig zinvol - en het zou ook verkeerde verwachtingen wekken - om een groep personen te gaan
indiceren waarvan in het
recente verleden al is vastgesteld dat zij ernstige gezondheidsproblemen hebben.
Vandaar dat ervan mag worden uitgegaan dat personen die
thans reeds zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht op grond van medische
gronden (artikel 107 Abw) en personen aan wie vervoersvoorzieningen (rolstoel bijvoorbeeld) zijn toegekend, op
voorhand als arbeidsgehandicapt moeten worden beschouwd. Het
beslisschema moet derhalve
alleen worden doorgelopen voor bijstandscliënten die niet onder deze groepen
vallen. Indien men er niet zeker van is of betrokkene a priori
als arbeidsgehandicapte moet worden beschouwd, moet het
beslisschema verder doorlopen worden.
Overigens: overwogen is nog
of het wel zinvol is om personen die volledig arbeidsongeschikt zijn of die wegens ernstige gezondheidsklachten zijn vrijgesteld van de
sollicitatieplicht als arbeidsgehandicapt te beschouwen. Bij personen met
een arbeidshandicap gaat het immers om diegenen die gedeeltelijk
werkloos zijn, maar nog een kans hebben om werk te vinden en daarbij
extra steun verdienen. Omdat echter niet uitgesloten kan worden dat
volledig arbeidsongeschikten of personen met een ontheffing van de
sollicitatieplicht in sommige gevallen toch werk zouden kunnen vinden, zijn
zij niet van het arbeidsgehandicaptebegrip uitgezonderd. Dan kan het Rea-instrumentarium materieel van betekenis
zijn, bijvoorbeeld omdat een
voorziening nodig is. Men dient zich echter te realiseren dat het hier om
uitzonderingen zal gaan.
e. Drie centrale
toetsingsvragen
Indien een persoon niet
reeds a priori als arbeidsgehandicapt moet worden beschouwd, komen we
aan de eigenlijke toetsing toe. Een arbeidshandicap wordt
bepaald door de wisselwerking tussen persoonlijke eigenschappen en kenmerken
van de arbeidsmarkt. De wet bepaalt dat het moet gaan om een
persoon die in verband met ziekte of gebreken een belemmering heeft bij
het verkrijgen of verrichten van arbeid. Nader geconcretiseerd betekent
deze formulering dat er bij betrokkene sprake moet zijn van functionele
beperkingen bij het verrichten van arbeid én belemmeringen bij het verkrijgen van arbeid. Om tot dit oordeel te kunnen
komen, dienen in principe
drie verschillende vragen te worden beoordeeld, namelijk:
- is er sprake van aan de
gezondheidssituatie van betrokkene gerelateerde beperkingen bij het
verrichten van arbeid;
- welke arbeid is gezien
de beperkingen van betrokkene nog wel voor hem geschikt; en
- hoe groot is de kans dat
betrokkene de voor hem geschikte arbeid ook binnen afzienbare tijd kan
vinden?
2. Het medisch-arbeidskundig
oordeel
a. Ziekte en gebreken
Er is in de eerste plaats
een medisch oordeel noodzakelijk. De wet stelt als vereisten dat het moet
gaan om beperkingen tengevolge van ziekte of gebreken. Die dienen voorts
een structureel karakter te hebben: de aandoening en beperkingen in functioneren moeten minstens
één jaar
voorafgaande aan de
beoordeling hebben bestaan. Als dat niet het geval is, kan het ook voldoende
zijn dat de klachten en beperkingen naar alle waarschijnlijkheid ten
minste één jaar zullen bestaan.
Voor arbodiensten geldt in
dat verband dat als bij het voorlopige reïntegratieplan is aangegeven dat verwacht wordt dat een werknemer
binnen het ziektejaar weer
zal genezen, van een arbeidshandicap geen sprake is.
Het is voorts noodzakelijk
dat de ziekte of de gebreken op het moment van keuring nog bestaan.
Het feit dat iemand in het
verleden aan een aandoening heeft geleden die als genezen moet worden
beschouwd, is niet voldoende om een arbeidshandicap aan te
nemen. Een dergelijke oprekking van het ziektebegrip zou meer na-
dan voordelen voor betrokkene met zich brengen.
Ook praktisch is het
aantonen van ziekte of gebreken in het verleden een moeilijke zaak.
b. Beperkingen
De ziekte en gebreken dienen
tot uiting te komen in gezondheidsklachten die zowel van lichamelijke,
verstandelijke als psychische aard kunnen zijn. Nu is het in
algemene zin niet de bedoeling dat een arts alléén op basis van een
medische beoordeling of een diagnose een persoon arbeidsgehandicapt
verklaart. Wel dient de arts aan te geven wat de aandoening is waar
betrokkene aan lijdt. In het
beslisschema wordt dan ook een diagnosecode
gevraagd. Ten behoeve van het Wsw-traject dient daarbij door
gemeenten
de ICIDH-codering van de Wereld Gezondheidsorganisatie inzake stoornis of beperking
te worden gebruikt. Bij het Lisv en een aantal
arbodiensten kan gebruik gemaakt worden van de thans geldende CAS-code
(classificatie voor arbo en sv van klachten, ziekten, oorzaken voor
bedrijfs- en verzekeringsartsen). De diagnose is echter niet beslissend over
het al dan niet bestaan van een arbeidshandicap. Een diagnose zegt niets over
de vraag in hoeverre betrokkene van die klacht ook beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid:
eenzelfde aandoening kan op
de ene persoon in zijn specifieke beroep in veel sterkere mate
belemmerend werken dan op een andere persoon met vergelijkbare klachten. Waar
het om gaat, is dat de arts in het individuele geval moet vaststellen of de
gezondheidsklachten van een bepaalde persoon ook leiden tot
beperkingen in het functioneren van betrokkene. Eisen van reproduceerbaarheid, controleerbaarheid en objectiviteit
brengen met zich dat de arts zich overtuigt van de aannemelijkheid van het bestaan van de klachten
en beperkingen. Overwegend situatieve beperkingen - bijvoorbeeld
uitsluitend ten aanzien van een bepaalde arbeidssituatie of in
verband met de door betrokkene te beïnvloeden omstandigheden in zijn
persoonlijke levenssfeer - kunnen niet als een aanleiding voor een
arbeidshandicap worden beschouwd.
De taak van de arts is in de
kern om zo objectief mogelijk de bij betrokkene vastgestelde
mogelijkheden en beperkingen vast te stellen, expliciet ter wille van de
daarna volgende vaststelling van het arbeidshandicap en de daarop gerichte
faciliteiten. Als een beperking in deze zin is op te vatten datgene wat
iemand niet meer kan wat hij vóór het ontstaan van de klachten wel
kon of wat een gezonde soortgelijke zonder het betreffende gebrek wel
kan.
c. Aanzienlijk verhoogde
risico’s
In twee gevallen echter
kan een arts reeds zelf tot het oordeel komen dat een persoon arbeidsgehandicapt is. De eerste situatie waarin de arts
een arbeidshandicap kan vaststellen is die waarin op het moment van keuring geen beperkingen
bij het verrichten van arbeid bestaan, doch er wel een grote mate van
waarschijnlijkheid is dat betrokkene een aanzienlijk verhoogd
risico op ziekte of gebreken in de toekomst heeft. In het algemeen zal de arts
daar geen individuele voorspellingen over kunnen doen, maar zal hij zijn oordeel moeten baseren op interpretatie
van statistische
gegevens. Het is de bedoeling dit criterium uitsluitend op die aandoeningen te
betrekken waarvan een ernstige progressie binnen de termijn van enkele
jaren vaststaat. Het criterium is het biologische verloop van de aandoening
en niet het veel moeilijker in te schatten verloop van de
beperkingen in functioneren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij bepaalde
genetische aandoeningen, stofwisselingsziekten, spierziekten,
infectieziekten en sommige progressieve neurologische aandoeningen en vormen
van kanker. Anders gezegd: het betreft hier dus relatief zeldzame en
duidelijke uitzonderingssituaties die betrekking hebben op ziekten met een
sterk invaliderend verloop binnen enkele jaren of aanmerkelijke
verkorting van de levensverwachting vóór het 65e levensjaar.
Het is daarom niet de
bedoeling dat veelvoorkomende, in het algemeen vaak op wat op langere
termijn progressieve aandoeningen als hart- en vaatziekten, diabetes,
artrose, reuma, psychiatrische aandoeningen en dergelijke onder dit
criterium te vatten. Wel kunnen ook dan individuele gevallen toch aan het
strikte criterium voldoen zoals in voorkomende gevallen zal blijken. De
arts kan dus vrijwel nooit alléén maar op grond van de diagnose een
arbeidshandicap aannemen of uitsluiten.
Vanwege de gevoeligheid
van de materie is het juist in deze omstandigheden van veel belang dat de
betrokkene zélf op deze gronden expliciet kenbaar maakt als arbeidsgehandicapt beschouwd te willen worden. Het
initiatief zal dus
nadrukkelijk van betrokkene en niet van derden - Arbeidsvoorziening,
werkgevers, behandelend artsen, sociale verzekering, GGD, arbodienst - moeten uitgaan.
Tijdens de
kamerbehandeling van de Wet Rea is voorts de aandacht gevestigd op de specifieke problemen van personen met een sterk
verhoogd risico. Algemeen
bleek men te voelen voor de suggestie van de Gehandicaptenraad [zie Chronisch
zieken en Gehandicapten Raad Nederland, red.] om voor
mensen met een progressieve aandoening of een sterk wisselend
ziektebeeld een verlenging van de (reeds tot vijf jaar verlengde) termijn
van artikel 29b Ziektewet met (bijvoorbeeld) vijf jaar mogelijk te maken.
Een motie van die strekking van het lid Van Nieuwenhoven werd met algemene stemmen aanvaard. Met name voor
personen met een
progressief verlopende ziekte kan het probleem optreden dat zij op zich
wel enkele jaren goed kunnen presteren en verdienen, en in die
periode dus als een gewone werknemer kunnen worden beschouwd, doch
dat op termijn hun vooruitzichten met betrekking tot het ziekteverzuim (en
invalideringsrisico) onverminderd
slecht blijven. Dit kan
hun arbeidsmarktkansen belemmeren. In dit besluit wordt derhalve voor de
groep werknemers met een aanzienlijk verhoogd risico de mogelijkheid
geschapen voor verlenging van de vijfjaarsperiode. Dit houdt in dat vóór het
einde van de vijfjaarsperiode wordt bezien of de aandoening die reden was
om een persoon als een verhoogd risico te beschouwen nog steeds
aanwezig is. Is dit het geval, dan wordt de overname van de loondoorbetalingsverplichting met vijf jaar verlengd.
Tevens wordt in deze AMvB geregeld dat voor de betrokken werknemers de verlenging van de
no-riskpolis van de WAO mogelijk is (de artikelen
75c en 76f WAO). Een
werkgever die een werknemer in dienst neemt wiens aandoening als een
sterk verhoogd risico moet worden beschouwd, krijgt dus geen
premieopslag WAO opgelegd als betrokkene arbeidsongeschikt wordt, zolang het
verhoogde risico aan de orde is.
d. Aanmerkelijk verlies
van prestatievermogen
Een tweede situatie
waarin uitsluitend op grond van een medisch oordeel tot een arbeidshandicap besloten kan worden, is wanneer de arts
vaststelt dat er sprake
is van een zeer duidelijk verlies aan prestatievermogen van betrokkene indien
een persoon evident niet in staat is om meer dan 75% van normaal
voltijds te functioneren. Het dient daarbij te gaan om verminderd
functioneren in welke reguliere arbeid dan ook (bijvoorbeeld wegens
tempoverlies, arbeidsduurbeperking, verlies van zelfredzaamheid, medische
behandeling, extreem hoog ziekteverzuim). Het verlies aan
prestatievermogen dient het gevolg te zijn van ziekte of gebreken. Indien dit
uitsluitend het gevolg is van de leeftijd van betrokkene, kan dit niet
als grond voor een arbeidshandicap gelden.
Personen van wie kan
worden vastgesteld dat zij in ieder geval minder dan 75% kunnen functioneren, kunnen zonder meer als arbeidsgehandicapt
worden beschouwd. De beperkingen spreken dan voor zich en het heeft geen zin de
arbeidsmarktkansen van die groep personen verder in kaart te
brengen. De vraag naar het evident verminderd functioneren is een
efficiencymaatregel: de 75% is geen harde grens. Indien er twijfel bestaat,
zal men het
beslisschema verder moeten doorlopen. Voor het
gemeentelijk traject is van belang dat naar verwachting een aantal
personen die thans op medische gronden op basis van artikel 107
Abw
worden vrijgesteld van de sollicitatieplicht in deze categorie van personen
zouden kunnen vallen.
e. Het oordeel van de
arbeidsdeskundige
In de volgende fase van
het proces is het aan de arbeidsdeskundige te bepalen wat de mogelijkheden van de betrokken persoon zijn om werk te
verrichten. Bij de uvi’s
wordt - in het kader van de arbeidsongeschiktheidskeuring - daarbij gebruik gemaakt van het geautomatiseerde
functie-informatiesysteem, het FIS. Dit systeem zal binnenkort ook bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en gemeenten ter beschikking kunnen komen.
Uitgangspunt bij het aangeven van de arbeid die een persoon nog kan
verrichten, is dat het daarbij moet gaan om concrete functies,
waarvan de belasting zorgvuldig in kaart is gebracht. Het FIS is echter wel een
hulpmiddel dat niet verabsoluteerd moet worden. Niet voor alle te
beoordelen personen zal het systeem bruikbaar zijn en ook overigens dient er verstandig mee te worden omgegaan:
welke functies er ook
door de computer worden gesuggereerd, het is aan de arbeidsdeskundige om
te bepalen of die functies voor de individuele persoon een reële optie
zijn.
f. Persoonlijke
voorzieningen
Ook voor de
arbeidsdeskundige geldt dat van bepaalde personen kan worden aangenomen dat zij
als arbeidsgehandicapt moeten worden beschouwd. Indien de arbeidsdeskundige constateert dat er voor een
bepaalde persoon
voorzieningen nodig zijn om hem arbeid van welke aard dan ook te laten
verrichten, mag een arbeidshandicap worden aangenomen. In deze fase
van de beoordeling gaat het om algemene, aan de werknemer verbonden
voorzieningen, zoals vervoersvoorzieningen, doventolk etc., die worden
verstrekt op basis van artikel 31 van de Wet Rea. Het spreekt voor
zich dat voor een persoon die in alle situaties ondersteuning nodig heeft
het niet noodzakelijk is om geschikte arbeid en arbeidsmarktkansen te
duiden.
Indien deze vraag echter
negatief wordt beantwoord, zullen de hiervoor geschetste individuele
mogelijkheden van betrokkene in kaart moeten worden gebracht. Daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen
personen die werk hebben
en personen die dit niet hebben. Allereerst zal aandacht worden besteed
aan werknemers.
3. Het
arbeidsgehandicaptebegrip hij werknemers
a. Algemeen
Bij de beoordeling van
personen die nog werk hebben, dient een aantal zaken in het oog te
worden gehouden. De eerste is dat het hier gaat om personen met de beste
kansen om gereïntegreerd te worden. Verreweg de meeste herplaatsingen
vinden plaats bij de eigen werkgever. Dat op zich is een argument voor een
daadwerkelijke ondersteuning van de werkgever. Anderzijds gelden
evenzeer de uitgangspunten van de Wulbz en Pemba [Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte en Wet premiedifferentiatie en
marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, red.]: de werkgever is
financieel aansprakelijk voor de ziekte en arbeidsongeschiktheid die zijn bedrijf
genereert en dus ook in eerste instantie ook zelf verantwoordelijk
voor de reïntegratie van zijn zieke werknemers. De prikkels uit Wulbz en
Pemba moeten in algemene zin voldoende zijn om een werkgever tot het
gewenste gedrag aan te zetten. Vanuit de Wet Rea
wordt alleen
ondersteuning verleend indien de werkgever zich extra inspanningen getroost
voor een zieke werknemer. Indien dit het geval is, moet het instrumentarium
snel en zonder bureaucratie ter beschikking worden gesteld. Een punt dat daarbij wel de aandacht verdient, is de
handhaafbaarheid van de
regelingen. Met name door de Eerste Kamer is er uitdrukkelijk op
gewezen dat de werkgever ook veel manipulatiemogelijkheden heeft met betrekking tot
zijn inspanningen: de grote financiële voordelen die
voor een werkgever verbonden zijn aan de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemers dienen hem niet te
gemakkelijk ter
beschikking te worden gesteld, willen de uitgangspunten van Wulbz en Pemba niet
te zeer ondermijnd worden. De definiëring van het begrip
arbeidsgehandicapte werknemer is ook daarom van veel belang, omdat het niet de
bedoeling is om werkgevers - bijvoorbeeld via de premiekwijtscheldings-
en kortingsregeling - te belonen voor het in dienst hebben of houden
van arbeidsongeschikten of arbeidsgehandicapten. Indien een werknemer arbeidsongeschikt wordt, is dit juist
een feit waarvoor hij op
basis van Pemba een premieopslag opgelegd krijgt. Waar het om gaat,
is dat beloning eerst aan de orde komt indien de werkgever initiatieven
ontwikkelt om de werknemer daadwerkelijk te reïntegreren. Bij het
vaststellen of er sprake is van een arbeidsgehandicapte werknemer dienen dan ook
de feitelijke omstandigheden, het functioneren en de
mogelijkheden van de werknemer binnen het bedrijf te worden
meegewogen.
b. Kan de werknemer de
eigen of andere arbeid nog verrichten?
De eerste vraag die dient
te worden beantwoord is of de werknemer nog in staat is zonder
meer de eigen of andere arbeid bij zijn werkgever te verrichten. In een
situatie waarin iemand wel beperkingen heeft, doch deze hem niet belemmeren
de eigen arbeid te verrichten, is van een arbeidshandicap geen
sprake. Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan gevallen waarin een
werknemer tengevolge van een arbeidsconflict ziek is, doch waarin hij op
een andere afdeling binnen het bedrijf gewoon kan functioneren.
Indien het mogelijk is
dat een werknemer binnen een bedrijf zonder meer andere arbeid kan
verrichten, is evenmin een arbeidshandicap aanwezig. Het betreft
hier bijvoorbeeld gevallen waarin een werknemer een bepaald aspect van
een functie niet meer kan verrichten, die bij een andere invulling van die
functie geen probleem meer behoeven te vormen. Het kan hier ook
gaan om situaties waarin een werknemer geheel andere functies kan
verrichten, zonder dat daarvoor omscholing van de werknemer of aanpassing
van de werkplek noodzakelijk is.
c. Kan de eigen arbeid
nog met voorzieningen worden verricht?
Indien het duidelijk is
dat de werknemer de eigen arbeid of andere arbeid niet zonder meer
kan verrichten, dient te worden beoordeeld of het niet mogelijk is dat hij
met behulp van voorzieningen in staat kan worden gesteld de eigen arbeid
te verrichten. Voor deze situatie bestaat in de Wet
Rea een aparte regeling,
artikel 15, die te vergelijken is met de voorzieningenverstrekking
zoals die voorheen in de AAW geregeld was. Indien een voorziening
tot behoud van de eigen arbeid wordt verstrekt, wordt de werknemer als arbeidsgehandicapt beschouwd: dat betekent dat
de werkgever bijvoorbeeld
aanspraak kan maken op de premievrijstellings- en
kortingsregeling van de WAO. Een herplaatsingsbudget of een pakket op maat
worden echter niet verstrekt.¹ Alle kosten van de werkgever worden
immers reeds op basis van artikel 15 Wet Rea verstrekt. Wel betekent
het feit dat de betrokken werknemer als arbeidsgehandicapt wordt beschouwd,
dat - indien hij van betrekking verandert -
een andere werkgever wel
voor het volledige Rea-instrumentarium in aanmerking kan komen.
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving is het
(her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van 1 januari
2002 komen te vervallen. Zie verder de artikelen 15 en
16 Wet
Rea, red.
d. Een extra inspanning
van de werkgever?
Indien voorzieningen niet
aan de orde zijn, dient de vraag te worden beantwoord of voor de
werkhervatting van de werknemer een nieuwe functie moet worden
gecreëerd, die maakt dat een extra inspanning van de werkgever noodzakelijk
is die de normale werksituatie overstijgt. De reden van deze
vraagstelling is gelegen in de volgende overweging. Op basis van de wet kan een
herplaatsingsbudget of een pakket op maat worden toegekend aan de
werkgever die een bij hem in dienst zijnde werknemer in een andere
functie plaatst. Maar de vraag of een werknemer
arbeidsgehandicapt is, is juist afhankelijk van de werkzaamheden die de betrokken
werknemer placht te verrichten. Met andere woorden, de vraag naar
het bestaan van een arbeidshandicap en de vraag of een nieuwe
functie gecreëerd wordt, kunnen niet los worden gezien van elkaar.
Voorts is er - met name
bij de eerstekamerbehandeling van de wet - op gewezen dat het
bijzonder moeilijk zal zijn te definiëren wat onder een andere functie moet
worden verstaan.
Nu is het inderdaad juist
dat deze vraag in abstracto niet kan worden beantwoord, doch wanneer
de werknemer in het complex van zijn werksituatie wordt
beschouwd, in het concrete geval dus, kan gemakkelijker worden aangeven of sprake
is van wezenlijk andere arbeid. Door de nadruk te leggen op de
feitelijke werkzaamheden die betrokkene gaat verrichten en of die
werkhervatting extra inspanningen vergt of extra belasting voor de
werkgever betekent, komt men tot de kern van het arbeidsgehandicaptebegrip
binnen een dienstbetrekking. Een positief antwoord op de vraag of
voor de werkhervatting van betrokkenen een extra inspanning van de
werkgever nodig is die de normale werksituatie overstijgt, leidt er dan
toe dat de werknemer arbeidsgehandicapt wordt verklaard en dat de
werkgever aanspraak kan maken op het Rea-instrumentarium,
inclusief het herplaatsingsbudget of het pakket op maat. Door deze
benadering wordt voorkomen dat er in het kader van het herplaatsingsbudget
moeilijke discussies ontstaan óf een werkgever een andere functie heeft
gecreëerd. Het herplaatsingsbudget wordt dus niet "zomaar" , zonder
toetsing, verstrekt: de werkgever, daarbij ondersteund door zijn arbodienst
- die ook tevens het Lisv adviseert - zal op aannemelijke wijze moeten aangeven dat
er sprake is van een aanmerkelijke wijziging van de
werkzaamheden.
Wat is nu zo’n andere
functie en wat zijn die extra inspanningen die werkgever moet verrichten?
Ook hier geldt weer dat
het één veelal niet gedacht kan worden zonder het ander. Functiewijziging gaat veelal gepaard met omscholing naar een
ander beroep, het
creëren van een andere functie impliceert ook het veranderen van de
werkzaamheden van andere werknemers, het aanpassen van een bestaande
andere functie aan de beperkingen van de werknemer gaat meestal
ook niet zonder veranderingen in het werkproces gepaard. Het treffen van
voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 1b [artikel
1, onderdeel b, red.] van dit besluit, het delen of
verdelen van een functie, het geven van extra werkbegeleiding, zijn
alle voorbeelden van activiteiten waarvan sprake moet zijn om extra
inspanningen aannemelijk te maken. Bezien vanuit die optiek zal het in de
praktijk niet bijzonder moeilijk zijn om aan te geven dat er activiteiten zijn die
de "normale" reïntegratieactiviteiten van werkgevers te boven gaan.
Is dit het geval, dan moet de werknemer als arbeidsgehandicapt worden beschouwd. Hiervoor is dus geen zware
procedure noodzakelijk.
De arbodienst kan, op basis van hetgeen reeds bekend is over de
werknemer en diens arbeidssituatie, aangeven of een wezenlijke wijziging van
diens werkzaamheden vereist is.
Op grond van het
bovenstaande moge het duidelijk zijn dat een kenmerk van het arbeidsgehandicaptebegrip bij werknemers is dat die
aanduiding sterk gebonden
is aan de mogelijkheden die voor betrokkene binnen het bedrijf bestaan en de activiteiten die zijn werkgever voor hem ontplooit. Indien er
binnen het bedrijf waar de werknemer werkzaam is weinig of geen
herplaatsingsmogelijkheden bestaan, dan is betrokkene niet arbeidsgehandicapt
ten opzichte van zijn werkgever: het is heel goed mogelijk dat er bij de
betrokken werknemer objectief gesproken sprake is van een arbeidshandicap,
doch binnen zijn bestaande dienstbetrekking wordt hij niet als
zodanig beschouwd. Zijn werkgever kan dan ook geen aanspraak maken op het
Rea-instrumentarium of de premiekortings- en vrijstellingsregeling van
de WAO. Indien de werknemer ontslagen wordt, of zelf ander werk vindt,
kan hij vanzelfsprekend wel (alsnog), op grond van de hierna volgende
beschrijving van het arbeidsgehandicaptebegrip bij niet-werknemers, als arbeidsgehandicapt worden beschouwd. In het
beslisschema wordt met
een stippellijn aangegeven dat bij een negatief oordeel over het bestaan
van een arbeidshandicap binnen een dienstbetrekking de tweede kolom van het
schema kan worden gevolgd.
Tot slot zij, wellicht
ten overvloede, nog gemeld dat niet als arbeidsgehandicapt moet worden beschouwd de
persoon die weliswaar lijdt aan ziekten of gebreken, doch
die overigens thans normaal functioneert. Dat geldt ook indien voor
betrokkene in het verleden wellicht een voorziening is verstrekt, doch waar
deze reeds langer dan vijf jaar geleden werd beëindigd. Het feit dat
iemand in het (verre) verleden tengevolge van ziekte of gebreken
beperkt is geweest in zijn functioneren is niet voldoende om een arbeidshandicap aan te blijven nemen.
4. Het
arbeidsgehandicaptebegrip bij niet-werknemers
a. Algemeen
De beoordeling van
niet-werknemers verloopt langs een enigszins ander stramien, omdat hier niet het referentiepunt van de eigen arbeid
bestaat, terwijl ook de
vraag of er sprake is van een andere functie niet van belang is. Er wordt
in meer algemene termen naar de kansen en mogelijkheden van de
betrokken persoon gekeken. Om de kern van het arbeidsgehandicaptebegrip
hier nog eens te parafraseren: het gaat erom vast te stellen welke
soorten arbeid de betrokken persoon met zijn beperkingen nog kan
verrichten en hoe groot de kans is dat hij in de voor hem geschikte functies
ook daadwerkelijk werk kan vinden. In het vervolg van deze paragraaf wordt
uitgegaan van personen die zijn aangewezen op het vinden van arbeid in
dienstbetrekking. Ook voor zelfstandigen kan echter een
arbeidsgehandicaptetoets noodzakelijk zijn. Voor deze groep personen dient
in
principe het
beslisschema voor niet-werknemers te worden gevolgd, met dien
verstande dat bij beantwoording van de hierna toe te lichten vraag
welke arbeid betrokkene nog kan verrichten rekening gehouden moet worden met
zijn arbeid als zelfstandige.
b. Welke arbeid is
betrokkene nog in staat om te verrichten?
De - door een
arbeidsdeskundige te beantwoorden - vraag welke arbeid betrokkene nog in staat
is te verrichten, laat zich splitsen in twee subvragen:
- wat zijn de actuele
bekwaamheden van de cliënt; en
- welke arbeid op welk
niveau is geschikt te achten voor betrokkene?
Met beantwoording van de
eerste vraag moet men derhalve de kennis, vaardigheden en ervaring
van betrokkene in beeld brengen. Het gaat daarbij om zijn actuele bekwaamheden. Daarbij dient bijvoorbeeld
rekening gehouden te
worden met het verlies aan vaardigheden gedurende een lange
periode van ziekte en het niet meer actueel zijn van bepaalde ooit behaalde
opleidingen.
Bij beantwoording van de
tweede vraag zij ter toelichting opgemerkt dat vooral gekeken moet
worden naar het niveau van opleiding van betrokkene. In principe
dient dit te worden afgezet tegen alle in Nederland beschikbare arbeid. Dat
betekent dat voor hoogopgeleiden een groter deel van de arbeidsmarkt bij
de beoordeling betrokken kan worden dan voor laagopgeleiden met
vergelijkbare beperkingen. Het begrip passende arbeid krijgt voor het
doel van de vaststelling van de arbeidshandicap dus een veel bredere
strekking en werking: ten eerste omdat het hier gaat om personen die veelal al
langere tijd werkloos zijn en voor wie alle arbeid toch al passend
is, ten tweede omdat het zal gaan om personen die hun oude beroep, op het
oude niveau, niet meer kunnen verrichten, zodat het hoe dan ook gewenst
is om over de grenzen van het oude beroep heen te kijken.
De actuele bekwaamheden
van betrokkene afgezet tegen de voor hem beschikbare en reëel
voorkomende functies leiden tot een bepaald soort en aantal functies die
betrokkene nog kan verrichten. Op dit moment vindt - als het om de uvi’s
gaat - een "afsplitsing" plaats van de arbeidsongeschiktheidskeuring.
Bij de WAO-keuring wordt vastgesteld welk inkomen betrokkene
met de geduide functies zou kunnen verkrijgen en komt men tot een
oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij de arbeidsgehandicaptetoets zal verder moeten worden onderzocht wat
de mogelijkheden van
betrokkene zijn om de voor hem geschikte arbeid te verkrijgen. Daarbij is
het wellicht gewenst om meer functies te duiden dan voor de
arbeidsongeschiktheidskeuring noodzakelijk zijn en ook om die functies op een hoger
abstractieniveau weer te geven. In het kader van de arbeidsongeschiktheidskeuring
is het noodzakelijk dat de beperkingen van betrokkene worden
gerelateerd aan concrete individuele functies; bij het verkrijgen van arbeid is
het belangrijker dat een persoon in staat moet worden geacht bepaalde beroepen uit te oefenen.
c. Zijn er voor
betrokkenen voorzieningen nodig?
Alvorens te komen tot een
inschatting van de arbeidsmarktkansen van betrokkene, dient te
worden nagegaan of betrokkene de voor hem geduide functies zonder
meer kan verrichten of dat er wellicht voorzieningen of maatregelen nodig
zijn. Nu worden er in het keuringsproces geen functies geduid die
de betrokkene zonder voorzieningen niet zou kunnen verrichten, maar
indien het duidelijk is dat er ook in de geduide functies fysieke
maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een aanpassing van de
werkplek (toegankelijkheid voor rolstoelen bijvoorbeeld), kan dat aanleiding zijn
betrokkene op die grond alleen als arbeidsgehandicapt te beschouwen. Ook indien
duidelijk is dat de mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid door betrokkene met voorzieningen aanzienlijk worden
verruimd, kan betrokkene als arbeidsgehandicapt worden beschouwd. Het
gaat hier om voorzieningen als bedoeld in artikel 1b [artikel
1, onderdeel b, red.] van het besluit;
omscholing is in dit verband geen voorziening. Met name voor gemeenten
- maar ook andere organen krijgen met die vraag te maken - dient bij
een bevestigend antwoord op de vraag naar de noodzaak van
voorzieningen de vervolgvraag te worden gesteld of die voorzieningen zijn te
realiseren binnen een normale werkomgeving. Luidt het antwoord daarop
bevestigend, dan is betrokkene arbeidsgehandicapt, luidt het antwoord hierop
ontkennend, dan is hij mogelijk geïndiceerd voor de Wsw (en op grond
daarvan ook arbeidsgehandicapt).
Voorts is de situatie nog
denkbaar dat wordt vastgesteld dat een persoon geen voorziening
behoeft, hij ook overigens niet arbeidsgehandicapt wordt bevonden, maar hij
uiteindelijk wel werk vindt waarin een voorziening nodig
blijkt te zijn. Teneinde te voorkomen dat zo iemand niet wordt aangenomen, zal
betrokkene dan alsnog arbeidsgehandicapt moet worden verklaard,
omdat blijkbaar bij nader inzien voor passende arbeid toch een
voorziening nodig is.
d. De arbeidsmarktkansen
Zijn voor betrokkene geen
voorzieningen nodig, dan geldt voor de betrokken persoon dat hij
ondanks zijn beperkingen in voor hem geschikte arbeid qua krachten,
bekwaamheden en niveau voltijds en met een normale prestatie kan
functioneren. Met ander woorden, in theorie kan betrokkene op gelijke
voet met andere werklozen solliciteren naar voor hem geschikte functies
en zou hij gelijke kansen moeten hebben om die functies te kunnen verkrijgen. In de praktijk echter blijkt dit niet zo
eenvoudig te liggen. Het
feit dat betrokkene nog bepaalde beperkingen heeft, ook al belemmeren
die hem niet bij zijn concrete werkzaamheden, schrikt werkgevers af.
Dat is ook de reden van
het bestaan van de term arbeidsgehandicapte. Nu zou men kunnen
overwegen alle werklozen met functionele beperkingen als arbeidsgehandicapt te
beschouwen. De verdiscontering van de werkloosheid bij
arbeidsongeschikten, die in 1987 is afgeschaft, zou dan onder een ander etiket
terugkomen. Om verschillende redenen is dit ongewenst. Niet alleen
zou dit het verkeerde signaal zijn aan alle betrokken personen en hun
potentiële werkgevers, maar ook zou een dergelijke categorische
aanduiding van arbeidsgehandicapten niet reëel zijn. Duizenden personen
met medische beperkingen, zowel "afgeschatte" WAO-ers als
bijstandsgerechtigden vinden jaarlijks gewoon werk, ook zonder het Rea-instrumentarium. Het zou onjuist zijn deze personen te
"belasten" met een
aanduiding als arbeidsgehandicapte. Voor zover zij dan toch werk vinden, zou
het instrumentarium van de Wet Rea ten onrechte worden toegepast en een te gemakkelijke categoriale
aanduiding van
arbeidsgehandicapten zou ook leiden tot verdringing van personen die de steun van
de Wet Rea juist nodig hebben. Er dient dus een nadere aanduiding
plaats te vinden binnen de groep personen die ondanks hun beperkingen
gewoon kunnen werken.
Nu is het niet mogelijk
om een directe relatie te leggen tussen de beperkingen van een persoon en diens positie op de arbeidsmarkt. Die
beperkingen zijn immers
voor het werk dat hij kan verrichten niet relevant. Er wordt bij deze
beoordeling derhalve van uitgegaan dat het hebben van medische beperkingen tot
een achterstand leidt ten opzichte van andere werkzoekenden, maar dat
dit alleen niet voldoende is om een arbeidshandicap aan te nemen. De vraag is
hoe groot die achterstand is. Er is namelijk ook bij personen
met beperkingen een groot verschil in de kansen om snel werk te vinden. Iemand kan ernstige fysieke beperkingen
hebben, maar als hij
bijvoorbeeld IT-er is, zijn zijn kansen op het vinden van werk
- in ieder geval
tot het jaar 2000 - groot. Dit voorbeeld mag ook aangeven hoe de positie
van arbeidsgehandicapten wordt beïnvloed door de vraag op de
arbeidsmarkt. Anderzijds, indien iemand met beperkingen geschikt wordt bevonden
voor arbeid waarvoor ook een groot aanbod van "gezonde" werkzoekenden
bestaat, zijn diens kansen op de arbeidsmarkt, zonder omscholing of intensieve begeleiding, zeer beperkt.
De laatste vraag die bij
arbeidsgehandicaptetoets dan ook zal moeten worden beantwoord, is of
de individuele persoon een goede kans heeft om de voor hem geschikte arbeid te verkrijgen. Immers, indien een
persoon dank zij een goede
opleiding of een gewild beroep, ondanks zijn beperkingen, toch relatief gemakkelijk
werk kan vinden, valt hij niet onder de hoofdvoorwaarde om als
arbeidsgehandicapte te worden beschouwd, namelijk "het hebben van
belemmeringen bij het vinden van arbeid". Om het arbeidsgehandicaptebegrip zuiver te houden, is het dus noodzakelijk
die personen met beperkingen van medische aard daarvan uit te zonderen die gezien hun beroep en
werkervaring en de relatie van deze punten met de actuele arbeidsmarkt
wel degelijk nog goede kansen hebben om werk te vinden. Om tot dit
oordeel te kunnen komen, is inzicht gewenst met betrekking tot de actuele
arbeidsmarktsituatie, in relatie tot het perspectief van de voor betrokkene
geschikte arbeid. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van onderdelen
van de landelijk uniforme methode van fase-indeling, zoals die
in het kader van SWI ¹ is ontwikkeld, de Kansmeter ².
1. SWI: Samenwerking Werk en
Inkomen, zie "Relevante overige regelgeving" bij de Wet
SUWI, red.
2. Zie Regeling SUWI, paragraaf 2.1
"Fasering" en de toelichting daarop, red.
Deze methode van
fase-indeling komt per 1 juli beschikbaar en zal - op basis van een ministeriële regeling
- per 1 januari 1999 verplicht worden
toegepast door alle bij
SWI betrokken uitvoeringsorganen. Nu is het uitdrukkelijk niet de
bedoeling om de Kansmeter in zijn geheel te gebruiken bij het
vaststellen van een arbeidshandicap of de uitvoering van SWI te belasten met
een deel van de arbeidsgehandicaptetoets. De Kansmeter is in de eerste
plaats een instrument bij de intake van werkzoekenden om een eerste selectie
van hun kansen op de arbeidsmarkt te maken. Blijkt bij de
reguliere intake dat er mogelijk sprake is van een arbeidshandicap, dan
dient de arbeidsmarktpositie van betrokkene juist nader bepaald te worden.
Het toepassen van de gehele Kansmeter zou dus tot een cirkelredenering leiden. Men dient dus de fase-indeling en het
vaststellen van de arbeidshandicap niet te verwarren. Eerst dient te worden vastgesteld of er
een arbeidshandicap is, pas daarna wordt betrokkene, al dan niet
als arbeidsgehandicapte, ingedeeld in een fase. Waar het om gaat is dat
de instantie die de arbeidsgehandicaptetoets uitvoert gebruik maakt
van onderdelen van de Kansmeter waarin het reëel arbeidsmarktperspectief
wordt bepaald, namelijk de vragen 7a en 7b van de Kansmeter. In het
kader van vraag 7a worden de arbeidsmarktkwalificaties van de te bemiddelen
persoon - ook cijfermatig - in kaart gebracht en afgezet
tegen de regionale arbeidsmarktsituatie. Voor de bepaling van het
beroepsperspectief kan gebruik worden gemaakt van informatie over het
"arbeidsmarktperspectief voor beroepen", zoals dit bij Arbeidsvoorziening in
gebruik is (als bijlage gevoegd bij de Kansmeter).
Per regio wordt daarin
het volgende weergegeven:
- het perspectief van
beroepen, uitgedrukt in een getal tussen nul en honderd; nul betekent dat
het perspectief minimaal is, honderd betekent dat het perspectief
maximaal is;
- het aantal personen
waaruit de referentiegroep bestaat;
- de differentiatie van
het perspectief naar leeftijdsklassen.
Bij de
arbeidsgehandicaptetoets zal moeten worden aangegeven wat het beroepsperspectief
van betrokkene is in vergelijking tot personen zonder enige belemmering.
Wanneer sprake is van een ruim vacatureaanbod voor bepaalde beroepen, dan zal, naar verwachting, ook een
sollicitant met voor de
functie irrelevante beperkingen snel worden geselecteerd, maar is
sprake van een beperkt vacatureaanbod, dan kan voor die persoon toch
sprake zijn van belemmeringen bij het vinden van arbeid, omdat hij te veel
concurrentie ondervindt van gegadigden zonder enige beperking.
Voor de uitspraak
hierover kan, bij toepassing van de informatie inzake het beroepsperspectief,
worden uitgegaan van de volgende vuistregels.
Scoort een beroep:
100-75 punten = het
beroepsperspectief goed;
75-50 punten = het
beroepsperspectief redelijk;
50-25 punten = het
beroepsperspectief matig;
25-0 punten = het
beroepsperspectief slecht.
Het hebben van een goed
beroepsperspectief garandeert echter nog niet dat betrokkene ook
goede kansen heeft op de arbeidsmarkt: het feit dat een persoon lijdt aan
een bepaalde aandoening brengt vaak met zich dat hij een achterstand
heeft opgelopen ten opzichte van vergelijkbare "gezonde" werknemers.
Luidt de conclusie dat het beroepsperspectief van een bepaald beroep op
zich goed is, dan dient derhalve te worden bezien of de
arbeidsmarktkwalificaties (opleiding en werkervaring van betrokkene) toereikend
zijn (vraag 7b). Bij vraag 7b worden de noodzakelijke opleiding en werkervaring
(geschoold of ongeschoold, schoolverlater of werkervaring) van betrokkene in beeld
gebracht en wordt daaraan een
waarde toegekend. Ook
hier is een score mogelijk van goed, redelijk, matig en slecht. Indien
de uit de toe te kennen waarden blijkt dat naast het beroepsperspectief ook de
arbeidsmarktkwalificaties van betrokkene goed zijn, dan moet hij niet
als arbeidsgehandicapt worden beschouwd. Verondersteld kan dan
worden dat zijn beperkingen hem niet in overwegende mate zullen belemmeren
bij het vinden van werk, gezien de goede kansen die hij in het
algemeen heeft. Betrokkene moet dan als werkloos worden beschouwd. Als
zodanig komt hij in aanmerking voor de basisdienstverlening van
de CWI’s en Arbeidsvoorziening. Eerst dan zal pas de eigenlijke
fase-indeling aan de orde komen. Daarbij zou nog kunnen blijken dat er
andere redenen zijn die maken dat betrokkene minder kansen op de
arbeidsmarkt heeft (sollicitatiegedrag, het hebben van een zorgtaak,
leeftijd, etniciteit) die maken dat extra ondersteuning met het instrumentarium
voor werklozen nodig is. Arbeidsgehandicapt is betrokkene dan echter
niet.
Wanneer de betrokkene
redelijk tot slecht scoort op het punt van het beroepsperspectief of de
arbeidsmarktkwalificaties, dan dient hij als arbeidsgehandicapt te
worden beschouwd. Verondersteld kan dan worden dat zijn achterstand op
één van deze twee punten, gecombineerd met zijn medische beperkingen, hem
in overwegende mate zullen belemmeren bij het vinden van werk en
dat hij behoefte heeft aan ondersteuning vanuit het Rea-instrumentarium.
Het predikaat arbeidsgehandicapt is dan op zijn plaats. Betrokkene
ontvangt hieromtrent een beschikking van het Lisv, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
of de gemeente. Indien betrokkene valt onder een
uvi, zal deze
hem doorzenden naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor een kwalificerende
intake. Daarbij wordt dan tevens de reïntegratievisie van de
uvi opgesteld, waarin de opvatting van de uvi omtrent de mogelijkheden
van reïntegratie van de betrokken arbeidsgehandicapte wordt gegeven, een
aanduiding van de vastgestelde functionele beperkingen
en fysieke en psychische belastbaarheid van de cliënt alsmede een
indicatie van de fase-indeling. Het reïntegratieproces kan dan beginnen.
Tot slot nog een
opmerking. Het betreft hier een geheel nieuw soort beoordeling, die in de
praktijk zijn waarde zal moeten bewijzen. Dat betekent dat de
ontwikkelingen met betrekking tot dit besluit met extra aandacht zullen worden
gevolgd. Op korte termijn zal duidelijk moeten worden of de hier gekozen
benadering van de arbeidsgehandicaptetoets effectief is, dat wil zeggen, of de toets voldoende onderscheidend vermogen heeft of dat nog
nieuwe beoordelingsinstrumenten ontwikkeld zullen moeten worden.
Alleen de praktijk zal dit kunnen aantonen. Voorts zal de aanpak van de arbeidsgehandicapteproblematiek alleen maar
succesvol kunnen zijn
indien alle betrokken instellingen goed met elkaar samenwerken. Dat betekent
dat er goede nadere werkafspraken zullen moeten worden gemaakt,
dat de gegevensuitwisseling tussen de verschillende
organisaties vlot moet verlopen (bijvoorbeeld het gebruik van elkaars geautomatiseerde systemen en een voor alle partijen bruikbare
registratie van personen die als arbeidsgehandicapt moet worden beschouwd). Ook dit dient
in eerste instantie in de praktijk vormgegeven te worden.
Mocht blijken dat op deze
punten nog nadere regels nodig zijn, dan zal dit besluit daaraan alsnog worden aangepast.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|