|
BESLUIT
van 27 juli 1998 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, houdende regels ter bevordering van de start van
een arbeidsgehandicapte als zelfstandig ondernemer (Besluit
starterskrediet arbeidsgehandicapten)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 1 juli 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/WV/98/2588;
Gelet op artikel
30 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 16 juli
1998, nr. W12.98 0290);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juli 1998,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/3163;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Begripsbepalingen
-1. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
-2. arbeidsgehandicapte: een arbeidsgehandicapte als bedoeld in
artikel
10 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten.
Art. 2.
Lening
of borgtocht
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag van een arbeidsgehandicapte ter
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening van ten
hoogste €|30 668,00 verstrekken of borgtocht voor ten hoogste
€|30 668,00 verlenen, indien:
a. de arbeidsmarktpositie van de arbeidsgehandicapte daartoe aanleiding
geeft;
b. de arbeidsgehandicapte de persoonlijke vaardigheden heeft die
noodzakelijk zijn om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken;
c. de arbeidsgehandicapte voldoende vakbekwaam is om als zelfstandig
ondernemer te kunnen werken; en
d. de arbeidsgehandicapte een bedrijfsplan heeft ingediend dat is
voorzien van een winstprognose aan de hand waarvan de haalbaarheid en
de levensvatbaarheid van de op te richten onderneming kan worden
beoordeeld.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt geen
lening of borgtocht aan de arbeidsgehandicapte als bedoeld in het
eerste lid, indien:
a. de arbeidsgehandicapte surseance
van betaling heeft aangevraagd;
b. de arbeidsgehandicapte failliet is verklaard en het faillissement
voortduurt; of
c. er ten aanzien van het faillissement van de arbeidsgehandicapte geen
schuldsanering heeft plaatsgevonden.
Art. 3.
Aanvraagprocedure
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vraagt, alvorens een
besluit te nemen, advies inzake een aanvraag als bedoeld in artikel 2
aan een daartoe geëquipeerde adviesinstelling.
-2. In het advies als bedoeld in het eerste lid zijn in elk geval
opgenomen:
a. een oordeel over het
realiteitsgehalte van de vooronderstellingen in het bedrijfsplan,
bedoeld in artikel 2, omtrent de kostprijs en het te verwachten
bedrijfsresultaat;
b. een oordeel over de slagingskansen van de op te richten onderneming
met het oog op de ontwikkelingen in de desbetreffende markt; en
c. een prognose over het aantal uren dat de aanvrager werkzaam moet zijn
om de doelstellingen in het bedrijfsplan, bedoeld in artikel
2, te
kunnen realiseren.
Art. 4.
Begeleidingsplan
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt een
begeleidingsplan op ter begeleiding van de arbeidsgehandicapte aan wie
door dit instituut een lening wordt verstrekt of voor wie door dit
instituut een borgtocht wordt verleend.
-2. Het begeleidingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. een inventarisatie van de behoefte
aan opleiding van de desbetreffende arbeidsgehandicapte;
b. een beschrijving van de wijze waarop en de mate waarin de
arbeidsgehandicapte door deskundigen uit de desbetreffende branche
begeleid zal worden;
c. de wijze waarop aan de arbeidsgehandicapte administratieve
assistentie zal worden verleend; en
d. de wijze waarop de bedrijfsadministratie van de arbeidsgehandicapte
zal worden ingericht.
Art. 5.
Richtlijnen
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[Rsa]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt beleidsregels
vast ter beoordeling van de aanvragen, bedoeld in de artikelen 2 en
3.
Deze beleidsregels betreffen in elk geval de volgende onderwerpen:
a. de medische en arbeidskundige
rapportage met betrekking tot de arbeidsgehandicapte;
b. het door de aanvrager in te dienen bedrijfsplan;
c. de hoogte van de borgtocht of de rentedragende lening;
d. de persoonlijke vaardigheden van de arbeidsgehandicapte;
e. de vakbekwaamheid van de arbeidsgehandicapte;
f. de invordering en terugvordering van de verstrekte leningen; en
g. kwijtschelding van verstrekte rentedragende leningen.
Art. 6.
Bedrijfsplan
Het in artikel 2, eerste lid,
onderdeel d, bedoelde bedrijfsplan bevat ten minste de volgende
elementen:
a. een aanduiding van het product of
de dienst van het bedrijf;
b. een overzicht van de activiteiten die nodig zijn om deze dienst of
dit product te maken;
c. een schatting van de kostprijs van het product;
d. een inschatting van de winstmarge;
e. een schatting van de opbrengst;
f. een marketingplan;
g. een overzicht van de kansen en bedreigingen en een beschrijving van
de marktsituatie;
h. een overzicht van de investeringen die noodzakelijk zijn om het
product of de dienst te kunnen voortbrengen;
i. een overzicht van de inkomsten gedurende de eerste jaren;
j. een overzicht van de financiële middelen welke door de betrokkene
zelf kunnen worden aangewend voor het bedrijf;
k. verschaffen van inzicht in de externe financieringsbehoefte;
l. externe advisering over de haalbaarheid van het plan.
Art.
6a. Indexering kredietplafond
Indien de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie
daartoe aanleiding geeft, maakt Onze Minister
een wijziging van het bedrag, genoemd in artikel 2,
tijdig vóór de aanvang van een kalenderjaar bekend.
Art. 7.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Art. 8.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit starterskrediet
arbeidsgehandicapten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Tavarnelle, 27 juli 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de elfde
augustus 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[27 juli 1998]
Algemeen
Aanleiding
In de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) is een algemene maatregel van
bestuur aangekondigd die beoogt een eenduidig beleid te ontwikkelen ten
aanzien van kredietverlening aan arbeidsgehandicapte cliënten van het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] in de zin van de Wet Rea
die als zelfstandige willen starten. De uitvoering van dit besluit
vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het Lisv. De feitelijke
uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats door de uitvoeringsinstellingen
(uvi’s),
onder verantwoordelijkheid van het Lisv. Op grond van artikel
41,
eerste lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
(Osv
1997) [zie hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI), red.]
laat het Lisv alle werkzaamheden met betrekking tot de
voorbereiding en uitvoering van zijn besluiten, door middel van mandatering,
uitvoeren door erkende uvi’s. De keuze om een afzonderlijke regeling voor
arbeidsgehandicapte Lisv-cliënten in het leven te roepen, komt voort uit de
analyse van de in de praktijk gesignaleerde problemen met de toepassing
van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz) en
artikel 57 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ten aanzien van
arbeidsgehandicapte uitkeringsgerechtigden die opteerden voor het
starten van een eigen bedrijf.
Zoals hieronder nader is
uiteengezet, is gebleken dat, ondanks een beroep op de uitvoerende
instanties om genoemde regelingen vaker toe te passen, het aantal
personen met een arbeidshandicap dat daadwerkelijk gebruik maakt van één van
beide regelingen zeer beperkt is.
De regering is daarom van mening dat nieuwe beleidsinitiatieven noodzakelijk zijn om het starten van een eigen bedrijf door arbeidsgehandicapte
Lisv-cliënten in de zin van
de Wet Rea te faciliteren, teneinde hen langs deze weg meer
mogelijkheden te bieden op verwerving van een eigen inkomen.
Afhankelijk van de
specifieke handicap kan het starten van een eigen bedrijf in het bijzonder
voor arbeidsgehandicapten soms meer reïntegratiemogelijkheden
bieden dan pogingen tot reïntegratie in loondienst, omdat betrokkene
daarmee zijn eigen werkzaamheden kan inrichten en afstemmen op de
eigen mogelijkheden. Om deze reïntegratiekansen zo optimaal mogelijk te
kunnen benutten, dient voor arbeidsgehandicapten die opteren voor het starten
van een eigen bedrijf een integraal voorzieningenpakket beschikbaar te zijn. Hiermee kunnen de
benodigde faciliteiten worden geboden, zowel in de werksfeer alsook in de sfeer van voorzieningen
en opleidingen. Daarnaast is het van belang dat een integrale afweging
gemaakt kan worden ten aanzien van de haalbaarheid van het
initiatief van betrokkene. Daarbij dienen naast bedrijfseconomische
elementen ook de arbeidsmogelijkheden (belastbaarheid, prognose ten aanzien van de
ontwikkeling van de arbeidshandicap) te worden betrokken.
De betrokken startende
zelfstandige dient zich te realiseren dat, al naar gelang de ontwikkeling van
zijn inkomsten, op termijn mogelijk de uitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt verlaagd. Dit
zal zich overigens alleen voordoen indien die inkomsten de in het kader
van de WAO-beoordeling vastgestelde "resterende verdiencapaciteit" overschrijden. Zijn de inkomsten lager dan de resterende
verdiencapaciteit, dan kan een inkomenssuppletie plaatsvinden op basis van de nadere
regels gebaseerd op artikel 29 Wet Rea.
Indien betrokkene (naast
zijn eventuele WAO-uitkering ook) recht heeft op een uitkering ingevolge
de Werkloosheidswet (WW), leidt het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige in beginsel tot beëindiging van het
WW-recht voor het aantal
uren waarin deze werkzaamheden worden verricht. Daarbij is niet
van belang of betrokkene met dat werk ook inkomsten genereert.
Wel kan het WW-recht
gedurende de eerste drie maanden (eventueel te verlengen tot zes) in stand
blijven, zolang betrokkene nog in een oriëntatiefase zit.
Indien het recht op
WW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt beëindigd in verband met het
verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, kan op basis van artikel
8, tweede
lid, juncto artikel 21, eerste lid, WW het recht op WW-uitkering slechts dan
herleven indien de werkzaamheden binnen anderhalf jaar na aanvang
geheel worden beëindigd.
Voor de goede orde zij
vermeld dat er natuurlijk alleen sprake kan zijn van herleving indien de
betrokkene ten tijde van de bedrijfsbeëindiging nog niet de maximale
volledige uitkeringsduur WW-uitkering had genoten.
Zoals hierboven vermeld,
berust de keuze voor een afzonderlijke regeling voor arbeidsgehandicapte
Lisv-cliënten op de met de bestaande
regelingen ervaren problemen.
Reeds in vervolg op de
invoering van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Wet
Amber) heb ik in mijn brief van 2 september 1996 aan de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en het Lisv de
relatie tussen het Bbz en de startersvoorziening op grond van artikel 57
AAW
nader toegelicht en de
lijnen aangegeven waarlangs de uitvoering zou moeten plaatsvinden.
Daarbij heb ik aangedrongen
op intensivering van de inzet van voorzieningen voor aspirantstarters. Uit de reactie van het Lisv kwam naar
voren dat nog slechts in een beperkt aantal gevallen mensen met een arbeidshandicap langs de weg
van het starten van een eigen bedrijf uit de uitkering trachten te
geraken. Voorts kondigde het Lisv zijn voornemen aan om in overleg te treden
met de VNG over de verbetering van de uitvoering van het
startersbeleid. Tevens kwam naar voren dat een belangrijk knelpunt is gelegen in de langdurige procedure van beoordeling;
allereerst de beoordeling
voor welke regeling betrokkene in aanmerking komt en de
daarmee gepaarde doorverwijzing naar de gemeente en, bij een
negatieve beslissing, terugverwijzing naar de betrokken uvi. Voorts werd
in de uitvoeringspraktijk het uitgangspunt gehanteerd dat wanneer betrokkene in loondienst zou kunnen werken het
starten van een bedrijf niet
meer aan de orde zou zijn.
In de praktijk betekende dit
dat alleen volledig arbeidsongeschikten in aanmerking konden komen voor
een starterskrediet op grond van artikel 57 AAW, omdat gedeeltelijk arbeidsongeschikten wel in loondienst zouden
kunnen werken. Voor zover
gedeeltelijk arbeidsgeschikten werden doorverwezen naar de
gemeente voor een starterskrediet op grond van het Bbz, leidde dit veelal
tot afwijzing, onder meer op grond van de inkomenstoets. Hieruit bleek
dat door de uitvoeringsinstanties nog onvoldoende werd onderkend
dat het starten van een eigen bedrijf voor specifieke categorieën uitkeringsgerechtigden soms een meer adequate
weg is om weer in het eigen
inkomen te kunnen voorzien. Ook uit de evaluatie van het Bbz is
gebleken dat begeleiding van starters in het algemeen aanzienlijk kan
worden verbeterd. Met betrekking tot AAW/WAO-verzekerden bleek
tevens dat zowel voor de uitvoeringsinstanties als voor de betrokken
starter niet duidelijk was op welke regeling een beroep kon
worden gedaan.
Doelstelling
Met deze algemene maatregel
van bestuur wordt beoogd het starten van een eigen bedrijf door
arbeidsgehandicapte Lisv-cliënten te bevorderen, waarbij is gestreefd
zowel naar een heldere afbakening van de doelgroep die voor de
voorziening in aanmerking kan komen als naar verkorting van de
besluitvormingsprocedures en verbetering van de begeleiding van starters en
stroomlijning van de beoordelingscriteria door de uvi’s en het
Lisv.
Overwogen is om te volstaan met een verwijzing naar de mogelijkheden tot
kredietverstrekking en borgstelling door het ministerie van Economische
Zaken (EZ) voor aspirant-starters. Weliswaar zou op deze wijze een goede
bedrijfseconomische afweging worden gemaakt bij de
kredietverstrekking of borgstelling, maar de specifieke afwegingen samenhangend met
de aard van de arbeidshandicap en beschikbare oplossingen op arbeidskundig terrein zouden onvoldoende
naar voren komen. Daarom
heeft de regering ervoor gekozen een afzonderlijke regeling met
betrekking tot borgstelling en kredietverstrekking voor deze doelgroep in het
leven te roepen teneinde meer garanties te scheppen voor
een integrale afweging. Deze keuze wordt hieronder nader toegelicht
Inhoud van de regeling
In dit besluit zijn
bepalingen opgenomen ten aanzien van:
a. de doelgroep die voor een
starterskrediet en borgstelling in aanmerking kan komen;
b. de voorwaarden waaraan
betrokkene moet voldoen;
c. de verantwoordelijkheid
van de uitvoering, aanvraagprocedure en begeleidingsplan;
d. de hoogte van het
krediet.
Ad a. Doelgroep
De doelgroep van de Wet
Rea vormt het kader voor de afbakening van de doelgroep van de regeling.
Hiermee wordt de groep die
in aanmerking kan komen voor een starterskrediet aanmerkelijk
uitgebreid. Ook zij die een gedeeltelijke WAO-uitkering ontvangen, al
dan niet in combinatie met een WW-uitkering, komen in
beginsel in aanmerking voor de regeling. Ook degenen die uitsluitend een
WW-uitkering ontvangen maar tot de doelgroep van de Wet Rea behoren,
komen in aanmerking.
In de
artikelen 2 en 10 van
de Wet Rea is de afbakening van de doelgroep van deze regeling neergelegd. Voor een deel van de doelgroep, bijvoorbeeld
degenen die minder dan 15%-25%
arbeidsongeschikt zijn verklaard en WW-uitkeringsgerechtigd
zijn, is een beoordeling van de aanwezigheid van een arbeidshandicap
noodzakelijk om te kunnen vaststellen of betrokkene tot de doelgroep
behoort. In dit verband zij verwezen naar artikel 3 van de Wet
Rea.
Tot op heden waren
aspirant-starters die minder dan 80-100% arbeidsongeschikt waren en
een (gedeeltelijke) WAO-uitkering ontvangen met een inkomen lager dan de
bijstandsnorm of een inkomen dat dreigt lager te worden dan die norm,
aangewezen op het Bbz. De Wet
Rea brengt arbeidsgehandicapten uit deze categorie eveneens
onder de doelgroep van de onderhavige regeling.
Die arbeidsgehandicapten die
uitsluitend een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)
of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)
ontvangen,
zijn en blijven aangewezen op het Bbz. Daartoe dient de
gemeente te
beoordelen of betrokkene in aanmerking komt voor de voorzieningen
van het Bbz. Indien daarnaast voorzieningen nodig zijn in verband met de
arbeidshandicap dient de gemeente dat te beoordelen in het kader van
haar verantwoordelijkheid voor het werkfonds Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw). Met bovenstaande
wordt aangesloten bij de verantwoordelijkheidsverdeling, neergelegd in de
Wet Rea.
Ad b. Voorwaarden voor de
voorziening
In beginsel kan elke
arbeidsgehandicapte werkzoekende die onder de reïntegratieverantwoordelijkheid
van het Lisv valt in aanmerking komen voor kredietverlening of
borgstelling.
Wanneer voor betrokkene een
functie in loondienst voorhanden is, komt de vraag naar de startersfaciliteit in beginsel niet aan de orde. In
uitzonderingsgevallen kan het echter zo zijn dat
de perspectieven van betrokkene op duurzame reïntegratie in
loondienst beperkt zijn. Afhankelijk van de arbeidshandicap en de
reïntegratiemogelijkheden in loondienst kan beoordeeld worden of het
starten van een eigen bedrijf een reëel alternatief is.
Afhankelijk van de aard van
de arbeidshandicap en de ervaring en vaardigheden van de betrokkene dient bij de beoordeling van een
aanvraag een afweging
gemaakt te worden ten aanzien van de kansen op reïntegratie via het zoeken
van een andere dienstbetrekking of via het starten van een eigen
bedrijf. Wanneer het starten van een eigen bedrijf een beter perspectief biedt
op een mogelijkheid om duurzaam in het eigen inkomen te kunnen voorzien,
dan dient de mogelijkheid van kredietverstrekking te worden onderzocht.
In de praktijk werden er
door de voormalige bedrijfsverenigingen stringente voorwaarden gehanteerd bij de beoordeling van een aanvraag
voor een voorziening, i.c.
een starterskrediet. Ook hier hadden de bedrijfsverenigingen een
eigen beleid ontwikkeld, met uiteenlopende uitkomsten.
Gezien de wenselijkheid van
uniforme en eenduidige criteria voor de beoordeling van aanvragen
voor borgstelling en kredieten is de regering van mening dat deze voorwaarden door middel van een algemene
maatregel van bestuur moeten
worden geregeld. Wat betreft de voorwaarden kan een
onderscheid gemaakt worden in een aantal persoonsgebonden criteria en
een aantal bedrijfsgerelateerde criteria.
Persoonsgebonden criteria
1. Doelgroep: de persoon
behoort tot de doelgroep van de Wet Rea.
2. Inkomen: wat het inkomen
betreft staat de regering voor de keus om al dan niet een inkomensgrens te hanteren bij de beoordeling van
kredietaanvragen. Betoogd
zou kunnen worden dat degenen met een hoog inkomen in staat moeten
worden geacht om zelf hun bedrijfsactiviteiten te financieren en dat de uvi’s
hierin geen rol te vervullen hebben. Daar staat echter tegenover dat de arbeidshandicap vaak een barrière vormt voor banken
om een krediet te verstrekken. Daar doet de hoogte van het inkomen van betrokkenen niets aan af. Daarom ligt het
niet voor de hand een
inkomenstoets te hanteren bij de kredietbeoordeling. Vanuit de
schadelastbeperking is het eveneens wenselijk dat het maximale wordt gedaan om
betrokkene zo kort mogelijk van een uitkering afhankelijk te
laten zijn.
3. Kwalificatie: het starten
van een bedrijf is niet voor iedereen weggelegd. Men dient over de
vaardigheden te beschikken die door aanwending tot eigen
verdiensten kunnen leiden. Hierbij gaat het niet alleen over vakbekwaamheid,
maar ook over het vermogen om op eigen kracht activiteiten op te
zetten. Persoonlijke vaardigheden zijn daarbij onontbeerlijk. In een aantal
situaties zullen deze vaardigheden de arbeidsongeschiktheid moeten
compenseren.
4. Oordeel omtrent
arbeidshandicap, belastbaarheid en bedrijfsactiviteiten: de vraag of iemand beschikt
over voldoende vakbekwaamheid en algemene vaardigheden om
een bedrijf op te starten kan niet los worden gezien van
de beperkingen die de arbeidshandicap met zich meebrengt bij de
uitoefening van het bedrijf. De arbeidsdeskundige zal een beeld moeten
schetsen van hetgeen betrokkene wel en niet kan en hoe eventuele beperkingen de
kansen op het welslagen van het bedrijf zullen beïnvloeden.
5. Potentieel van
betrokkene: op basis van de algemene vakbekwaamheid en de algemene vaardigheden
in combinatie met de beperkingen als gevolg van de handicap
zal door de arbeidsdeskundige, eventueel geadviseerd door
maatwerkorganisaties, een inschatting moeten worden gemaakt van
het potentieel van betrokkene.
Bedrijfsgerelateerde voorwaarden
1. Haalbaarheid: aan de hand
van een bedrijfsplan zal de haalbaarheid van de oprichting van een
levensvatbaar bedrijf door het Lisv moeten worden getoetst.
2. Winstprognose: op basis
van het haalbaarheidsonderzoek moet door de arbeidsgehandicapte een
winstprognose worden opgesteld.
3. Beslissing van een
particuliere bankinstelling: de beslissing van een bank om geen krediet te
verlenen, dient te worden bezien op de motivering. Indien een bank
om bedrijfseconomische redenen niet tot kredietverstrekking over wil
gaan, moeten er andere dringende redenen zijn voor de uvi om een
verzoek tot kredietverlening alsnog in behandeling te nemen.
Ad c.
Verantwoordelijkheidstoedeling en uitvoering
Zoals in het voorgaande
uiteengezet, kiest de regering ervoor om de beoordeling van kredietaanvragen en de kredietverstrekking aan het
Lisv/uvi’s op te dragen,
teneinde een integrale afweging van bedrijfseconomische en arbeidskundige aspecten
zeker te stellen.
De uvi beoordeelt of de
arbeidsgehandicapte die zich aanmeldt als aspirant-starter zich daarvoor allereerst tot een particuliere bankinstelling
moet wenden. Indien op
voorhand de kans van kredietverstrekking door de particuliere sector als
miniem wordt ingeschat, neemt de betrokken uvi zelf de aanvraag voor een
starterskrediet in behandeling. In dat geval dient het Lisv zich, waar
het de bedrijfseconomische aspecten van de beoordeling betreft, te
laten adviseren door het Instituut voor het Midden en Kleinbedrijf
(IMK) en
AVO-Nederland [AVO: Arbeid Voor Onvolwaardigen, Vereniging voor arbeid
en welzijn voor mensen met een handicap, nadien Algemene Nederlandse
Gehandicapten Organisatie (ANGO), red.]. Voor de beoordeling van die elementen die betrekking
hebben op de persoonlijke kwaliteiten, vaardigheden, belastbaarheid
etc. is het Lisv/de uvi het beste toegerust.
Behandeling van de aanvraag
Bij de beoordeling van
verzoeken voor een startersvoorziening stelt het Lisv
regels om nadere
invulling te geven aan de in deze algemene maatregel van bestuur
opgenomen bepalingen, zodat deze in de praktijk door de uvi ’s kunnen
worden gehanteerd.
De aanvraagprocedure: De
arbeidsgehandicapte dient zelf een aanvraag in te dienen voor een
startersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de aanvraag dient te worden
gericht aan de instantie van wie hij een uitkering of voorziening
ontvangt, in casu de betrokken uvi voor de
werknemersverzekeringen. De
aanvrager ontvangt richtlijnen omtrent het in te dienen bedrijfsplan en
krijgt zo nodig assistentie bij het opstellen daarvan. Indien naar het
oordeel van de uvi de aspirant-starter niet volledig in staat is om te
voldoen aan de vereisten voor de aanvraag (opstellen van bedrijfsplan
en winstprognose), maar verwacht mag worden dat het bedrijf zeker
levensvatbaar zal zijn, dan kan ook tijdens de aanvraagprocedure door
betrokkene advies bij derden worden gevraagd. Het Lisv
kan daartoe reeds
tijdens de aanvraagprocedure financiële middelen inzetten. Uiteraard
moet dan zijn vastgesteld dat de arbeidshandicap geen dusdanige belemmering
vormt dat betrokkene als gevolg daarvan zijn bedrijf niet
zou kunnen uitoefenen.
De door het Lisv op te
stellen richtlijnen dienen de volgende elementen te bevatten:
- Een
medisch-arbeidskundige rapportage. Deze rapportage vindt haar basis in de op
grond van het Functie-informatiesysteem (FIS) geduide functies. Daarbij wordt
enerzijds gekeken naar de vaardigheden waarover betrokkene beschikt en
anderzijds naar de vaardigheden waarover betrokkene dient te
beschikken bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in het bedrijf. Indien mocht
blijken dat betrokkene niet alle activiteiten zelf kan ondernemen maar dat hij
daarbij enige hulp moet hebben, dan wordt hiervan melding gemaakt in
de rapportage. Zo nodig kan in deze lacune door middel van aanvullende voorzieningen op basis van
artikel 22
Wet Rea worden
voorzien.
- Een bedrijfsplan. Dit
plan wordt opgesteld door de betrokkene en bevat de volgende elementen:
a. een aanduiding van het product of de dienst van het bedrijf;
b. een overzicht van
activiteiten die nodig zijn om deze dienst of dit product te maken;
c. een schatting van de
kostprijs van het product;
d. een inschatting van de
winstmarge;
e. een schatting van de
opbrengst;
f. een marketingplan;
g. een overzicht van kansen
en bedreigingen en een beschrijving van de marktsituatie;
h. een overzicht van
investeringen die noodzakelijk zijn om het product of de dienst te kunnen
voortbrengen;
i. een overzicht van
inkomsten gedurende de eerste jaren;
j. een overzicht van
financiële middelen welke door de betrokkene zelf kunnen worden aangewend voor
het bedrijf;
k. verschaffen van inzicht
in de externe financieringsbehoefte;
l. externe advisering over
de haalbaarheid van het plan.
Het
Lisv dient, alvorens een
beslissing te nemen over de aanvraag voor een starterskrediet, een
advies in te winnen van een erkende adviesinstelling op dit terrein zoals het
IMK
of AVO-Nederland. In dit advies dient aandacht te worden besteed
aan de volgende elementen:
- Zijn de aannames van
betrokkene ten aanzien van winstprognose en het verwachte inkomen
realistisch?
- Heeft het bedrijf gelet
op de ontwikkelingen in de markt kans van slagen?
- Hoeveel uren moet
betrokkene naar schatting werkzaam zijn om de gestelde doelen te kunnen
halen?
Regeling met betrekking tot
de te treffen voorziening borgtocht of rentedragende lening
Het
Lisv stelt richtlijnen
op ten aanzien van de hoogte van de borgstelling of rentedragende lening waarbij een maximum geldt van
ƒ60 000,-.
Het Lisv stelt richtlijnen
op ten aanzien van de wijze van terugbetaling en de termijn waarbinnen dit
dient te geschieden alsmede ten aanzien van eventuele kwijtschelding. Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij
hetgeen in de marktsector
gebruikelijk is en bij het Bbz. Daarbij kan worden bepaald dat bij de
termijn van terugbetaling rekening kan worden gehouden met het te
verwachten rendement van het bedrijf. Is dit gedurende de eerste jaren
laag maar stijgt het daarna gestaag, dan kan het terugbetalingsritme
hieraan worden aangepast. Tevens dient het terugbetalingsplan een
noodscenario te bevatten. Hierin dient te worden verhelderd wat er gebeurt
als het bedrijf strandt als gevolg van een toename van de
arbeidsongeschiktheid en wanneer er sprake is van stranden als gevolg van
tegenvallende bedrijfsresultaten. Wat het eerste betreft, is voorstelbaar dat
de uvi een zekere mate van coulance in verband met verslechterd ziektebeeld
aan de dag legt.
Begeleidingsplan
Uit de evaluatie van het
Bbz, waarin de voorziening voor AAW/WAO-ers is meegenomen, kwam naar
voren dat de begeleiding aanmerkelijk zou kunnen worden verbeterd. Derhalve is het gewenst dat door de
uvi een
begeleidingsplan wordt opgesteld dat de volgende elementen dient te bevatten:
- het in kaart brengen van
de opleidingsbehoefte;
- coaching/begeleiding
door deskundigen uit de branche;
- assistentie bij het
doorlopen van administratieve procedures, zoals aanvraag Kamer van
Koophandel, invullen van formulieren voor de fiscus;
- het opzetten van een
boekhouding;
- het opstellen van een
marketingplan.
De begeleiding van de
starter kan ter hand worden genomen door de uvi zelf dan wel worden
uitbesteed aan derden.
Ad d. Hoogte van het krediet
Wat de hoogte van het
krediet en de borgstelling betreft, lijkt het met het oog op een zoveel mogelijk
uniforme uitvoering wenselijk om een maximumkredietbedrag vast te
leggen in de algemene maatregel van bestuur. In de bestaande
praktijk ontwikkelde elke uvi op dit punt een eigen beleid. Zo werd bij
het Gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan (GUO) [zie Gezamenlijk
Uitvoeringsorgaan, red.] een maximum van ƒ100
000,- gehanteerd. Het Bbz kent thans een maximum van
ƒ42 000,- en het
voornemen is dit maximum te verhogen tot ƒ60 000,-.
Ingevolge de
Uitvoeringsregeling besluit borgstelling MKB-kredieten van 11 december 1997
(Stcrt.
1997, 242) van het ministerie van EZ kunnen kredieten van
ƒ100 000,- of
meer worden verstrekt. In de praktijk wordt voor starters door EZ veelal
een maximum van ƒ100 000,- gehanteerd. De regering acht het wenselijk
om bij de bestaande uitvoeringspraktijk bij de bijstandverlening aan te
sluiten. In dit besluit is derhalve de mogelijkheid van kredietverstrekking of
borgstelling tot ƒ60 000,- gemaximeerd. Voor dit maximum is gekozen omdat uit
onderzoek is gebleken dat door het stellen van dit maximum in het
merendeel der gevallen aan de kredietbehoefte kan worden voldaan. Tevens
wordt hiermee aangesloten bij het maximum dat geldt voor het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen. Bij het Bbz
is voor dit maximum gekozen
omdat banken bij de kredietverstrekking niet lager gaan dan ƒ60 000,-. Is
het te verstrekken krediet hoger dan ƒ60 000,-, dan kan een beroep worden
gedaan op de borgstellingsregeling van het ministerie van EZ. Er zijn
echter onvoldoende waarborgen dat banken vanwege de borgstellingsregeling van het
ministerie van EZ wel bereid
zouden zijn om tot kredietverstrekking aan arbeidsgehandicapte starters over te gaan. Banken zouden
wellicht terughoudend kunnen zijn omdat zij geen integrale afweging
kunnen maken ten aanzien van de mogelijkheden van de cliënt en het pakket aan
voorzieningen dat hem ter compensatie van de arbeidshandicap zou kunnen
worden aangeboden. Omdat ervan uitgegaan mag worden dat
banken terughoudender zijn bij de kredietverstrekking aan gehandicapten, is
het
noodzakelijk door monitoring en evaluatie na te gaan of in
voldoende mate wordt voorzien in de kredietbehoefte van starters met een
arbeidshandicap bij dit maximum van ƒ60 000,-. De resultaten van
een eerste evaluatie zullen uiterlijk eind 2000 beschikbaar moeten komen.
Financiering
Naar verwachting zal door
circa
125 arbeidsgehandicapten die behoren tot de doelgroep van het Lisv
gebruik worden gemaakt van de onderhavige regeling. Het is niet goed mogelijk om een schatting te geven van het
aantal arbeidsgehandicapten
dat vanuit een bijstandsuitkering een starterskrediet zal
aanvragen. Niet bekend is hoe groot het aantal bijstandsgerechtigden is met
een arbeidshandicap. Verwacht mag worden dat deze aantallen zeer
beperkt zullen zijn. Eén en ander brengt met zich mee dat de financiële
gevolgen zich zullen beperken tot een kredietverstrekking aan circa 125 personen waarbij
de financiële gevolgen sterk zullen afhangen van de
hoogte van de te verstrekken kredieten en het percentage starters dat aan
zijn terugbetalingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Aangezien de
kredietverstrekking aan stringente eisen is verbonden, mag worden
aangenomen dat een zeer groot gedeelte van de starters in staat mag worden
geacht het krediet volgens plan af te lossen. Uit de evaluatie van het Bbz
blijkt dat de som van rente en aflossing in de praktijk voldoende is om
nieuwe leningen te dekken. Voor de verstrekking zal echter enige
voorfinanciering moeten plaatsvinden. Na afloop van enige jaren zal de
financiering budgettair neutraal kunnen gaan verlopen.
Verwacht mag worden dat als
gevolg van het opstarten van een bedrijf door uitkeringsgerechtigden
er een besparing op de uitkeringen zal kunnen worden gerealiseerd.
Deze wordt begroot op structureel ƒ1,9 miljoen per jaar.
Deze structurele besparing zal echter pas zichtbaar worden vanaf het
moment dat de periode van voorfinanciering ten behoeve van de
kredietverstrekking voorbij zal zijn. Dit zal in 2008 het geval kunnen zijn. Er zullen
wel uitvoeringskosten aan de regeling zijn verbonden. De uitvoerende
instantie zal zich moeten laten adviseren over het bedrijfsplan en de
aspirant-starter zal moeten worden begeleid. De kosten hiervan worden op
circa ƒ4800,- per starter geraamd.
Voor de financiering van het
starterskrediet voor Lisv-cliënten kan worden geput uit het Rea-fonds [Reïntegratiefonds,
red.]. In het startjaar is het financiële effect
voor de fondsen gezamenlijk
op een toename van de lasten van circa ƒ3 miljoen geraamd. Na
circa 10 jaar wordt het structurele niveau bereikt, i.c. een daling van
de lasten met circa ƒ1 miljoen. Voor de sociale fondsen wordt het
volgende verloop van de kosten geraamd (in miljoenen guldens):
| 1999xxxxx
|
2002
|
2006
|
2010
|
| 3,1xxxxx
|
1,6
|
-0,3
|
-1,3
|
Deze kosten worden gedekt
uit het Rea-budget.
Inwerkingtreding
Aan dit besluit is
terugwerkende kracht verleend tot en met 1 juli 1998. Op dat moment treedt ook de
Wet Rea in werking. Op deze wijze kan de uitvoeringspraktijk van
zowel de wet als dit besluit op een zelfde tijdstip van start gaan.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|