|
BESLUIT van 12 mei 1998 tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de
artikelen 15, 18, 22,
29, 31 en 32 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 24 februari 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/WV/98/931;
Gelet op de artikelen
15, 18, 22, 29,
31
en 32
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 16 maart
1998, nr. W12.98.0069);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 april 1998,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/1985;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK I
Algemeen
Art. 1.
Algemene
begrippen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
b. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de WAZ,
de Wajong
of de WAO;
c. theoretische verdiencapaciteit: het bij of krachtens artikel
2 van de WAZ, artikel
2 van de Wajong of artikel
18 van de WAO vastgestelde inkomen of loon dat een
arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet nog zou kunnen verdienen.
Art. 2.
Uitgangspunten
verstrekking subsidie en verstrekking voorzieningen
-1. Een subsidie als bedoeld in artikel
16 van de wet en een voorziening als bedoeld in
artikel
22 en 31
van de wet wordt niet verstrekt indien kosten zijn gemaakt ten
behoeve van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of waarvoor
vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.
-2. In afwijking van het eerste lid
kan een subsidie als bedoeld in artikel
16 van de wet en een voorziening als bedoeld in
artikel
22 en 31
van de wet wel verstrekt worden indien deze dient ter vergoeding
van kosten of voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn en niet
op grond van een andere wettelijke regeling worden vergoed of verstrekt
en vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel
vrijwel uitsluitend kunnen worden gebruikt voor of in de werksituatie.
-3. Bij de toepassing van dit besluit
en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en
berekening van de kosten en de verstrekking van een voorziening
uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.
HOOFDSTUK II
Subsidie werkgever ex
artikel 16 van de wet
Art. 3.
De aanvraag voor
subsidie
Bij een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel
16 van de wet verstrekt de werkgever ten minste de volgende
gegevens:
a. het aansluitingsnummer van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
b. het sociaal-fiscaal nummer van de werknemer;
c. de naam van de werknemer;
d. de datum van aanvang en de aard en de omvang van de dienstbetrekking;
e. het loon van de werknemer;
f. een overzicht van de gemaakte of de te maken kosten;
g. een onderbouwing van de noodzaak tot het maken van de kosten;
h. gegevens waaruit blijkt op grond waarvan de werknemer door de
werkgever als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt; en
i. een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art. 4.
Bepaling
meerkosten werkgever
-1. Bij de beoordeling en de berekening van
de kosten, bedoeld in artikel
16, eerste lid, van de wet
wordt de omzetbelasting buiten
beschouwing gelaten, tenzij de werkgever aantoont dat deze door hem niet
kan worden verrekend.
-2. Indien het totaal van de kosten,
bedoeld in artikel
16, tweede lid, van de wet,
meer bedraagt dan €|22 689,00, wordt bij
de bepaling van de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel
16 van de wet,
rekening gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever
bij de te treffen voorziening. De vaststelling van het
bedrijfseconomisch voordeel geschiedt met inachtneming van de in het
maatschappelijk verkeer aanvaarde bedrijfseconomische normen.
Art. 5.
Vervallen.
Art. 5a.
Vervallen.
Art. 5b.
Geen subsidie
bij geringe kosten
Een subsidie als bedoeld in artikel 16 van de wet wordt niet verstrekt indien de kosten, bedoeld
in dat artikel, minder bedragen dan 1,85-maal het minimumloon
per dag,
bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat artikel luidde op 1 januari
van het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.
Art. 5c.
Subsidie zonder
premiekorting
-1. Een beschikking tot
subsidieverstrekking kan op aanvraag van de werkgever door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden
herzien indien de periode van drie jaar respectievelijk één jaar,
bedoeld in artikel
16 van de wet,
voortijdig wordt beëindigd op initiatief van de werknemer of omdat de
werknemer wegens arbeidsongeschiktheid definitief niet in de
dienstbetrekking terugkeert terwijl de werkgever kosten heeft gemaakt
als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet.
De bedragen, genoemd in artikel
16 van de wet,
worden verlaagd naar evenredigheid van de kortere duur van de
dienstbetrekking.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen nadat de kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn
gemaakt, vaststelt dat bij de werkgever geen passende arbeid aanwezig
is.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld in
verband met de uitvoering van dit artikel.
Art. 5d.
Voortzetting
subsidie na het bereiken 65-jarige leeftijd
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan een werkgever
ten behoeve van een persoon die niet meer als arbeidsgehandicapte
werknemer kan worden beschouwd omdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, subsidie verstrekken als bedoeld in artikel
16 van de wet ten behoeve van de voortzetting van een voorziening
waarvoor kosten zijn gemaakt waarvoor reeds een subsidie is verleend,
indien die persoon de inkomensvormende arbeid ten behoeve waarvan de
kosten laatstelijk zijn gesubsidieerd nog in ongeveer gelijke mate
verricht.
HOOFDSTUK III
Voorzieningen
arbeidsgehandicapten
Art. 6.
Op het individu
gerichte voorzieningen
Een voorziening als bedoeld in artikel
22 en 31
van de wet wordt slechts toegekend indien deze in overwegende mate
op het individu is gericht.
Art. 7.
Geen verstrekking
van kruimelvoorzieningen
-1. Een voorziening als bedoeld in artikel
22 en 31
van de wet wordt niet toegekend indien de waarde van de voorziening
minder bedraagt dan 1,85-maal het minimumloon
per dag, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-2. Indien de gezamenlijke waarde van voorzieningen als bedoeld in
artikel
22 of 31
van de wet die in een kalenderjaar zijn aangevraagd, een bedrag ter
grootte van 1,85-maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag overtreft, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen die voorzieningen toekennen.
Art.
7a. Medisch geïndiceerde reïntegratietrainingen
niet-werknemers
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel
22, eerste lid, van de wet
worden niet verstaan medisch geïndiceerde reïntegratietrainingen of de
vergoeding van kosten daarvan.
Art.
7b.
-1. Onder voorzieningen als bedoeld in artikel
22, tweede lid, onderdeel a, van de wet
worden niet verstaan opleiding of scholing of de vergoeding van kosten
daarvan ten behoeve van de arbeidsgehandicapte aan wie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen werkzaamheden ter bevordering van de
inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel
10, eerste lid, van de wet
aanbiedt of heeft aangeboden, terwijl die werkzaamheden worden verricht
door een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van
de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22,
tweede lid, onderdeel a, van de wet
verstaan opleiding of scholing of de vergoeding van kosten daarvan ten
behoeve van de arbeidsgehandicapte aan wie het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen werkzaamheden ter bevordering van de
inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel
10, eerste lid, van de wet
aanbiedt of heeft aangeboden, terwijl die werkzaamheden, uit hoofde van
een overeenkomst waarvan de looptijd is aangevangen vóór 1 juli 2003,
worden verricht door een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in de arbeid bevordert.
-3. Tot een bij ministeriële regeling te
bepalen tijdstip is het eerste lid niet van toepassing ten aanzien van
arbeidsgehandicapten die een opleiding of scholing volgen, verzorgd door
een scholingsinstituut als bedoeld in artikel 44
van de wet.
Art.
7c.
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22,
tweede lid, onderdeel a, van de wet
worden niet verstaan opleiding of scholing aan een scholingsinstituut
als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet
of de vergoeding van kosten daarvan, voor zover voor die scholings- of
opleidingsplaatsen niet tevens subsidie op grond van artikel
44, eerste lid, van de wet
is verstrekt.
Art. 8.
Inkomenstoets (leef)vervoersvoorzieningen
-1. Vervoersvoorzieningen als bedoeld
in artikel
22, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 31
van de wet worden niet toegekend of worden
beëindigd indien het
inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de
voorziening is toegekend, in het kalenderjaar waarin de voorziening is
aangevraagd of voortzetting van een toegekende voorziening wordt
overwogen, meer bedraagt dan 261 maal 70% van het maximumdagloon,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, en 9a
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
-2. Indien het inkomen van de persoon,
bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties
onderhevig is, wordt voor de toepassing van het eerste lid de som van
het inkomen over het in het eerste lid genoemde kalenderjaar en het
inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door
drie.
-3. Onder vervoersvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden in
ieder geval verstaan een bruikleenauto, een taxikostenvergoeding en een
kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen auto of van een
bruikleenauto.
-4. Bij ministeriële regeling: [RivR]
a. worden regels gesteld over de
wijze van vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid,
waarbij kan worden bepaald dat bij de vaststelling van het inkomen mede
in aanmerking wordt genomen het inkomen van de echtgenoot, de partner of
van een ander gezinslid van de in het eerste lid bedoelde persoon;
b. kan het in het eerste lid bedoelde percentage voor categorieën van
personen worden verhoogd; en
c. kan worden bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt bij de
toekenning van nader te bepalen vervoersvoorzieningen.
-5. Beëindiging van de
vervoersvoorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld
in het eerste lid, vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes
maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is toegekend van de
voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.
Art. 9.
Onderwijsvoorzieningen [Rco99]
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel
22, vierde lid, van de wet
worden niet verstaan:
a. voorzieningen op het gebied van
onderwijs die behoren tot de verstrekkingen waarvoor een regeling is
getroffen onder verantwoordelijkheid van Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
b. personele onderwijsfaciliteiten,
waaronder in ieder geval worden verstaan activiteiten als remedial
teaching, ambulante begeleiding of het geven van begeleidingslessen;
c. met ingang van het schooljaar
2002-2003, voorzieningen voor het vervoer van leerlingen naar en van een
school als bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs, de Wet
op de expertisecentra of de Wet
op het voortgezet onderwijs, tenzij artikel V
van de Wet van 17 januari 2002 tot wijziging van de Wet op het primair
onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
onderwijs in verband met het vervoer van leerlingen (Stb. 2002,
59) van toepassing is;
d. voorzieningen verband houdende
met dyslexie.
Art. 10.
Leefvervoersvoorziening
-1. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in
artikel
22, vijfde lid, en 31,
derde lid, van de wet wordt slechts verleend indien daarmee de uit
ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of
verminderd.
-2. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in
artikel
22, vijfde lid, van de wet wordt slechts verleend indien op grond
van artikel
22, eerste, derde of vierde lid, van de wet een vervoersvoorziening
is verleend.
-3. Indien de vervoersvoorziening,
toegekend op grond van artikel
22, eerste of derde lid, of op grond van artikel
31, tweede lid, van de wet, wordt beëindigd omdat de persoon aan
wie de voorziening is verstrekt vanwege het bereiken van de leeftijd van
65 jaar niet meer als arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd, wordt de
leefvervoersvoorziening, bedoeld in artikel
22, vijfde lid, en 31,
derde lid, van de wet, eveneens beëindigd.
-4. Na beëindiging van een
vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel
22, eerste, derde of vierde lid, of op grond van artikel
31, tweede lid, van de wet om andere redenen dan die genoemd in het
derde lid, wordt de leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de
termijn die is voorzien in de beschikking van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen waarbij de voorziening is toegekend, doch ten
hoogste voor de duur van twaalf maanden.
Art. 11.
Persoonlijke
ondersteuning [Rej]
-1. Een voorziening in de vorm van persoonlijke ondersteuning kan
uitsluitend worden toegekend op grond van artikel
31, tweede lid, onderdeel b, van de wet. De toekenning, bedoeld in
de eerste zin, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van persoonlijke
ondersteuning of uit vergoeding voor de kosten van persoonlijke
ondersteuning.
-2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend,
indien:
a. de persoonlijke ondersteuning
bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma op de werkplek
en een systematische begeleiding van de arbeidsgehandicapte werknemer
gericht op het behouden van de arbeidsplaats;
b. de arbeidsgehandicapte werknemer zonder een systematische begeleiding
niet in staat zou zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten;
c. de persoonlijke ondersteuning wordt gegeven door een persoon die
verbonden is aan een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen erkende rechtspersoon die tot doel heeft
diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke
ondersteuning als bedoeld onder a.
-3. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, kan in het eerste, tweede,
derde en de daarop volgende jaren worden toegekend voor een aantal uren
dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5% en 6% van het aantal
door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan van de in het
derde lid bedoelde percentages afwijken voor zover toepassing daarvan
gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 12.
Communicatievoorzieningen voor doven
-1. Onder een communicatievoorziening voor doven als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de wet wordt uitsluitend verstaan
een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker die is
erkend door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. De
toekenning van een voorziening als bedoeld in de eerste zin kan bestaan
uit het beschikbaar stellen van een dovengebarentolk, een
dovenschrijftolk of een notitiemaker of uit een vergoeding van de kosten
voor het gebruik van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een
notitiemaker.
-2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste worden
toegekend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal
door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.
-3. Het eerste, tweede en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing
bij de toekenning van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een
notitiemaker op grond van artikel
22, derde lid, van de wet.
-4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning
van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker op
grond van artikel
22, eerste of vierde lid, van de wet.
-5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan van het in het
tweede lid bedoelde percentage afwijken voor zover toepassing daarvan
gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 13.
Voortzetting
voorzieningen na bereiken 65-jarige leeftijd
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de toekenning van
een voorziening als bedoeld in artikel
22 of 31
van de wet aan een persoon die vanwege het bereiken van de leeftijd
van 65 jaar niet meer als arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd,
voortzetten indien hij de inkomensvormende arbeid waarvoor de
voorziening laatstelijk werd toegekend nog in ongeveer gelijke mate
verricht.
Art. 14.
Overname van
voorzieningen
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan indien één of meer feiten op grond waarvan
een voorziening als bedoeld in artikel
22 of 31,
tweede lid, onderdeel a, of derde lid, van de
wet is toegekend,
zodanig wijzigen dat de toekenning van de voorziening niet langer is
aangewezen, of indien een met betrekking tot een voorziening afgesloten
bruikleencontract afloopt, een belanghebbende de niet in de vorm van een
financiële tegemoetkoming verleende voorziening doen behouden of doen
kopen, voor een prijs die de op dat moment in het maatschappelijke
verkeer geldende waarde van een dergelijke voorziening niet te boven
gaat.
-2. Indien de voorziening, bedoeld in
het eerste lid, een vervoermiddel betreft, wordt bij het bepalen van de
prijs, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de voorziening zonder
specifieke aanpassingen.
HOOFDSTUK IV
Inkomenssuppletie
Art. 15.
Toekenning van
inkomenssuppletie
[Rlia]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan een
arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet die arbeid als zelfstandige verricht of
gaat verrichten op aanvraag inkomenssuppletie toekennen indien zijn
inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn theoretische
verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf
of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier
jaar te rekenen vanaf de datum met ingang waarvan de inkomenssuppletie
voor het eerst is toegekend.
-3. De inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke
bepalingen inzake premieheffing en inhouding aangemerkt als een
uitkering op grond van de WAZ.
Art. 16.
Hoogte van de
inkomenssuppletie
[Rlia]
-1. De hoogte van de inkomenssuppletie bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%; en
d. gedurende het vierde jaar 25%;
van het verschil tussen het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de
theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot
het feitelijk door betrokkene per uur verdiende inkomen en het bedrag
van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de
theoretische verdiencapaciteit, met dien verstande dat de
inkomenssuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische
verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in het bedrijf of beroep minder uren werkt dan
waartoe hij bij de theoretische vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de
inkomenssuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt
gevormd door het aantal uren waarin in het bedrijf of beroep arbeid
wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende
theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
-3. De inkomenssuppletie bedraagt tezamen met het inkomen uit het bedrijf
of beroep en, indien van toepassing,
a. het loon;
b. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 17;
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. een uitkering op grond van de Ziektewet
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering;
e. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering; of
f. een uitkering op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld
in artikel
2 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong.
HOOFDSTUK V
Loonsuppletie
Art. 17.
Toekenning van
loonsuppletie [Rlia]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan een
arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt
op aanvraag loonsuppletie toekennen indien het loon lager is dan zijn
theoretische verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit
dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van
vier jaar te rekenen vanaf de datum met ingang waarvan voor de eerste
maal loonsuppletie is toegekend.
-3. Als perioden waarin loon uit
dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid worden
eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond van de Ziektewet
of een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet
arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.
-4. De loonsuppletie wordt voor de
toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing en
inhouding aangemerkt als een uitkering op grond van de WAO.
Art. 18.
Hoogte van de
loonsuppletie [Rlia]
-1. De hoogte van de loonsuppletie bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%; en
d. gedurende het vierde jaar 25%,
van het verschil tussen het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de
theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot
het feitelijk door betrokkene per uur verdiende loon en het bedrag van
de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de theoretische
verdiencapaciteit, met dien verstande dat de loonsuppletie niet meer
bedraagt dan 20% van zijn theoretische verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in de dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt
verstrekt minder uren werkt dan waartoe hij bij de theoretische
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt
geacht, wordt het bedrag van de loonsuppletie vermenigvuldigd met een
breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in
deze dienstbetrekking arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal
uren waarop de resterende theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
-3. De loonsuppletie bedraagt tezamen met het loon en, indien van
toepassing,
a. het inkomen uit bedrijf of beroep;
b. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 15;
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. een uitkering op grond van de Ziektewet
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering;
e. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering; of
f. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wet arbeid en zorg;
niet
meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel
2 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong.
HOOFDSTUK VI
Overgangs- en slotbepalingen
Art. 19. Overgangsbepaling
vervoermiddelen Wvg
Artikel 14 is van overeenkomstige toepassing op de persoon ten aanzien
van wie de bruikleen van een vervoermiddel, met inachtneming van artikel
23 van de Wet voorzieningen gehandicapten, na inwerkingtreding van
die wet is voortgezet.
Art. 20. Inwerkingtreding
Indien het bij koninklijke boodschap van 1 september 1997 ingediende
voorstel van wet tot vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot
de (re)integratie van arbeidsgehandicapten (Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten) (Kamerstukken 25 478) tot wet
wordt verheven, treedt dit besluit in werking op het tijdstip waarop artikel
15 van die wet in werking treedt.
Art. 21. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 mei 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de zesentwintigste mei
1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
¹
[12 mei 1998]
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn het (her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van 1
januari 2002 komen te vervallen. Bij Besluit van 20 december 2001 tot
wijziging van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, Stb.
2001, 694, is onderhavig besluit daarop aangepast (artikel 2 en
hoofdstuk II; zie de toelichting onderaan deze pagina). Zie verder artikel 15 en
16 Wet Rea,
red.
Algemeen
Inleiding
In dit besluit worden op
grond van artikel 15 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
(de wet) nadere regels gesteld met
betrekking tot de
verstrekking van een subsidie aan de werkgever voor de kosten van voorzieningen die
noodzakelijk zijn voor het kunnen (blijven) verrichten door een
arbeidsgehandicapte werknemer van het eigen werk en met betrekking tot de
verstrekking van subsidies aan de werkgever in het kader van een pakket op
maat als bedoeld in artikel 18 van de wet. Voorts worden nadere regels
gesteld met betrekking tot de toekenning van voorzieningen als
bedoeld in de artikelen 22 en 31 van de wet en met betrekking tot de toekenning
van inkomens- en loonsuppletie als bedoeld in de artikelen 29 en
32 van de
wet.
Eén van de doelstellingen
van de wet is verbetering van het bestaande reïntegratie-instrumentarium.
In de wet wordt een op de werkgever gerichte budgetstructuur
geïntroduceerd waarmee onder meer wordt beoogd de werkgever zo min
mogelijk belemmeringen in de weg te leggen bij het in dienst nemen of houden van arbeidsgehandicapten. In de wet is de mogelijkheid
neergelegd van de verstrekking van een standaard plaatsings- of
herplaatsingsbudget. De bedoeling van de budgetstructuur is een snelle vergoeding van
kosten en snelle aanschaf van voorzieningen met zo min mogelijk
tussenkomst van de uitvoeringsinstelling.
Met de introductie van de
budgetstructuur wordt bereikt dat in situaties van (re)integratie waarin
geen uitgebreide voorzieningen nodig zijn, kan worden volstaan met een
plaatsings- of herplaatsingsbudget. Het is dan niet noodzakelijk om een
nauwkeurige kostentoerekening te maken. Het plaatsingsbudget wordt
verstrekt als een werkgever een arbeidsgehandicapte in dienst neemt. Het
herplaatsingsbudget wordt verstrekt als de werkgever een
arbeidsgehandicapte werknemer herplaatst in een andere functie in zijn
bedrijf. Uit deze budgetten kan de werkgever de kosten bestrijden die
voortvloeien uit het in dienst nemen of houden van een arbeidsgehandicapte,
zoals kosten voor de aanpassing van de arbeidsplaats of kosten van
scholing. De verstrekking van deze budgetten is geregeld in
respectievelijk de artikelen 16 en 17 van de wet.
Nadere regels subsidies
werkgever
Als het plaatsings- of
herplaatsingsbudget onvoldoende is, kan de werkgever een pakket op maat
aanvragen. Het pakket op maat is geregeld in artikel 18 van de
wet. Om
voor een pakket op maat in aanmerking te kunnen komen, dient de
werkgever aan de uitvoeringsinstelling een begroting over te leggen van
de ten behoeve van de arbeidsgehandicapte te maken kosten. Dit geldt
ook in de situatie, bedoeld in artikel 15 van de wet, waarin sprake is van
een subsidie voor kosten van voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het
kunnen (blijven) verrichten door de arbeidsgehandicapte werknemer van het eigen
werk.
In hoofdstuk II van dit
besluit worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verstrekking van een subsidie voor de kosten van
voorzieningen die
noodzakelijk zijn voor het kunnen (blijven) verrichten van het eigen werk en met
betrekking tot de verstrekking van subsidies in het kader van het pakket op
maat.
Nadere regels voorzieningen
werknemers
De keuze voor de
budgetstructuur, waarbij het uitgangspunt is geweest zoveel mogelijk voorzieningen en vergoedingen binnen de budgetten en
het pakket op maat te
brengen, brengt een verandering met zich mee ten opzichte van de toekenning
van voorzieningen en vergoedingen zoals die in het kader van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is geregeld. Op grond van
artikel 57a AAW
kunnen aan de werkgever werkplekaanpassingen worden
vergoed. Op grond van artikel 57 AAW
kunnen onder meer
voorzieningen aan de werknemer worden verstrekt die hij op de werkplek kan
gebruiken of hem in staat stellen de werkplek te bereiken. Op grond van de
wet kunnen nog slechts een beperkt aantal voorzieningen aan de
werknemer worden toegekend. Het gaat om voorzieningen waarvan het,
vanwege het specifieke karakter van de voorziening of het feit dat
zij minder binding hebben met de werkplek, niet aangewezen wordt geacht deze
een plaats te geven binnen de budgetstructuur. Het betreft hier vervoersvoorzieningen, communicatievoorzieningen
voor doven en persoonlijke ondersteuning van arbeidsgehandicapten. In een specifieke situatie
kan de voorziening voor een arbeidsgehandicapte
werknemer ook gericht zijn op het verbeteren van de leefomstandigheden. Het
betreft hier de toekenning van een leefvervoersvoorziening in combinatie met een
werkvervoersvoorziening.
In hoofdstuk III van dit
besluit worden met betrekking tot de toekenning van de hiervoor genoemde
voorzieningen nadere regels gesteld.
Nadere regels voorzieningen
niet-werknemers
De budgetstructuur kan geen
toepassing vinden voor niet-werknemers. Zij hebben immers geen
werkgever aan wie een budget kan worden toegekend. De verstrekking
van voorzieningen ten behoeve van deze personen is geregeld in
artikel 22 van de wet. Daarbij kan het gaan om arbeidsgehandicapten die
zich in het kader van een reïntegratieplan voorbereiden op toetreding
tot de arbeidsmarkt. Zij kunnen scholing volgen of op proef bij een
werkgever werkzaam zijn. Ook kan het gaan om jongeren die zich, evenals
hun niet-gehandicapte leeftijdgenoten, door het volgen van onderwijs ontplooien en voorbereiden op toetreding tot de
arbeidsmarkt. Het betreft de
groep arbeidsgehandicapten zoals omschreven in artikel 11 van de
wet. Voorts heeft dit artikel betrekking op de toekenning van
voorzieningen aan personen die verzekerd zijn voor de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) - te weten: zelfstandigen,
meewerkende
echtgenoten en beroepsbeoefenaren - of recht hebben op een uitkering
op grond van die wet. In hoofdstuk III van dit besluit worden ook met
betrekking tot de toekenning van deze voorzieningen nadere regels gesteld.
Inkomens- en loonsuppletie
Bij de invoering, per 1
augustus 1993, van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) is het
arbeidsongeschiktheidscriterium
in de toenmalige AAW
en in de WAO ingrijpend gewijzigd. Die
wijziging had ook belangrijke gevolgen voor de schatting van zelfstandigen
en werknemers.
Tot 1 augustus 1993 was
arbeid buiten het eigen bedrijf niet in billijkheid aan een zelfstandige op te
dragen zolang deze nog arbeid van enige omvang binnen het eigen bedrijf verrichtte. Vanaf 1 augustus 1993 moet
ook rekening worden gehouden
met geschiktheid voor functies in loondienst en de daaruit
voortvloeiende theoretische verdiencapaciteit.
Voor werknemers is het na
het van kracht worden van de Wet TBA, in tegenstelling tot vóór 1
augustus 1993, niet meer mogelijk om bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid rekening te houden met de werkelijke
verdiensten van een belanghebbende. Dit omdat arbeidsmarktelementen in het
geheel geen rol meer mogen spelen bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid. Dit heeft tot gevolg dat de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van de mediane loonwaarde van de
ten minste drie verschillende in Nederland te duiden functies, die ten minste 30 arbeidsplaatsen
vertegenwoordigen,
waarmee het hoogste inkomen
per uur kan worden verworven uit alle algemeen geaccepteerde
arbeid waartoe een belanghebbende met zijn krachten en bekwaamheden in
staat is.
In een aantal gevallen had
dat tot gevolg dat het voor een zelfstandige niet meer mogelijk is om het
eigen bedrijf voort te zetten. Het verschil tussen de werkelijke
verdiensten in het eigen bedrijf en de theoretische verdiencapaciteit in
functies in loondienst was voor de belanghebbende niet te overbruggen. Ook
voor werknemers kon een fors verschil tussen de theoretische
verdiencapaciteit en de werkelijke verdiensten een drempel opwerpen voor
daadwerkelijke reïntegratie door aanvaarding van betaalde arbeid. In verband
hiermee kwamen het Besluit inkomenssuppletie AAW en het Besluit loonsuppletie
tot stand.
Het "gat" tussen de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de theoretische verdiencapaciteit in functies in loondienst en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de werkelijke verdiensten in het eigen bedrijf werd
door de in het Besluit inkomenssuppletie AAW opgenomen
inkomenssuppletieregeling tijdelijk geheel of gedeeltelijk overbrugd, zonder dat dit
invloed had op de arbeidsongeschiktheidsschatting.
Deze regeling stond open
voor zelfstandigen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt waren, hun eigen bedrijf
voortzetten en geconfronteerd werden met een "gat" tussen de werkelijke verdiensten en de theoretische
verdiencapaciteit.
Door de in het Besluit
loonsuppletie opgenomen loonsuppletieregeling werd het "gat" tussen de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de theoretische verdiencapaciteit en de arbeidsongeschiktheidsuitkering
gebaseerd op de werkelijk verdiensten eveneens tijdelijk geheel of gedeeltelijk overbrugd,
zonder dat dit invloed had op de arbeidsongeschiktheidsschatting. Deze regeling stond open
voor personen die recht hadden op een WAO-uitkeringen en die werk in dienstbetrekking aanvaardden en
geconfronteerd werden met een "gat" tussen de werkelijke verdiensten en de
theoretische verdiencapaciteit.
Artikel 29 van de
wet biedt
echter de mogelijkheid om niet alleen ten aanzien van zelfstandigen
met een uitkering op grond van de WAZ inkomenssuppletie toe te
kennen, doch tevens aan personen die arbeidsgehandicapte zijn, doch niet in
aanmerking komen voor een uitkering op grond van de WAZ, de Wajong
of de WAO, omdat zij niet arbeidsongeschikt zijn in de zin van die
regelingen, en die een inkomen genereren dat lager is dan de voor hun
vastgestelde verdiencapaciteit.
Voorts biedt artikel 32 van de
wet de mogelijkheid om niet alleen aan arbeidsongeschikte WAO-gerechtigden suppletie toe te kennen, doch
tevens aan personen die arbeidsgehandicapt zijn, doch niet in aanmerking
komen voor een uitkering op
grond van de WAZ, de Wajong of de WAO, omdat ze niet
arbeidsongeschikt zijn in de zin van die regelingen, en die een inkomen genereren dat
lager is dan de voor hun vastgestelde verdiencapaciteit.
De bepalingen in de
hoofdstukken IV en V van dit besluit strekken ertoe om uitvoering te geven aan
hetgeen in de artikelen 29 en 32 van de wet is bepaald. Daarbij is voor wat
betreft de hoogte van de inkomens- en loonsuppletie aangesloten
bij het vóór de invoering van de wet geldende Besluit inkomenssuppletie
AAW en het Besluit loonsuppletie.
Subsidies en voorzieningen
in het buitenland
Evenals in het kader van de
AAW
zullen op grond van de wet ook subsidies en voorzieningen
kunnen worden verstrekt ten behoeve van (of aan) niet in Nederland wonende en/of werkende personen. De begrenzing
van de mogelijkheden daartoe
vloeit grotendeels voort uit de wet zelf. Bij de verstrekking van
subsidies en de toekenning van voorzieningen ten behoeve van
arbeidsgehandicapte werknemers dient het namelijk te gaan om werknemers die een
dienstbetrekking hebben in de zin van artikel 3 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of een op grond van artikel 4 of
5
van
de WAO daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding. In dat kader is onder meer
van belang het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
werknemersverzekeringen 1990. In dit besluit worden ook personen die niet
in Nederland wonen of werken onder de werking van de WAO gebracht.
Overigens vloeit uit genoemd besluit ook een begrenzing voort ten
aanzien van de mogelijkheid om ten behoeve van personen die in Nederland wonen of verblijven of arbeid verrichten
subsidies of voorzieningen
toe te kennen.
Voorts kunnen op grond van
de wet ook onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel
22,
vierde lid, van de wet worden verstrekt aan personen die niet in
Nederland wonen. In het Besluit uitbreiding en
beperking kring ingezetenen Wajong is een aantal groepen van personen aangewezen die,
hoewel zij feitelijk niet in Nederland wonen, in het kader van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
toch als ingezetenen worden aangemerkt. Dit betekent dat zij voor
genoemde voorzieningen in aanmerking kunnen komen ook al wonen zij in
het buitenland. Daarnaast vloeit uit dit besluit een beperking voort wat
betreft de verstrekking van onderwijsvoorzieningen aan een aantal in Nederland
wonende of verblijvende personen.
Besluit
AAW-voorzieningenverstrekking
Voor zover dat mogelijk is,
zijn bepalingen overgenomen uit het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking.
Hoewel de structuur en formuleringen op bepaalde punten kan
verschillen, is beoogd de bestaande uitvoeringspraktijk op grond van de AAW,
voor zover nog passend binnen de nieuwe structuur, met dit besluit
de continueren. Het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking
zal uitsluitend van toepassing blijven op degenen aan wie op grond van
de AAW vóór inwerkingtreding van de wet voorzieningen zijn
toegekend, dan wel op degenen die vóór inwerkingtreding van de wet voorzieningen
hebben aangevraagd.
Uitvoering
Over dit besluit is
intensief overleg gevoerd met vertegenwoordigers van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] (meer in het bijzonder: met medewerkers afkomstig van GAK
AI). Met
betrekking tot de uitvoering van hetgeen in het onderhavige besluit is
geregeld, worden dan ook geen bijzondere uitvoeringsproblemen
verwacht, te meer omdat het besluit voor een groot deel een voortzetting is van
hetgeen bij of krachtens het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking is geregeld alsmede van hetgeen bij het
Besluit inkomenssuppletie
AAW en het Besluit loonsuppletie is geregeld.
Artikelsgewijs
Artikel 2. Algemeen
gebruikelijke voorzieningen
In dit artikel is geregeld
dat een subsidie voor kosten van een voorziening als bedoeld in artikel
15, eerste lid, en 18, derde lid, onderdeel
c, d en e, van de wet en
een voorziening als bedoeld in artikel 22 en
31 van de
wet niet worden
verstrekt of toegekend indien deze voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn.
Deze bepaling is overgenomen uit artikel 3 van het Besluit
AAW-voorzieningenverstrekking. Voor zover het de toekenning van voorzieningen betreft,
ligt aan deze bepaling de overweging ten grondslag dat het niet de
bedoeling is dat kosten of diensten worden vergoed die door de meeste
mensen (in een bepaalde bedrijfstak) worden aangeschaft of gebruikt, ook
al hangt de aanschaf of het gebruik samen met een ziekte of gebrek.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een speciale autostoel. Ook
bepaalde aanpassingen aan binnenvaartschepen, zoals bijvoorbeeld aluminium
dekluiken in plaats van houten dekluiken, worden als
algemeen gebruikelijk aangemerkt.
Het oordeel of een bepaalde
aanpassing als algemeen gebruikelijk is te beschouwen, zal in de loop
van de tijd mogelijk kunnen veranderen. Immers een bepaalde
aanpassing die aanvankelijk niet algemeen gebruikelijk is (in een
bepaalde bedrijfstak), kan dat na verloop van tijd dat wel worden.
Hoewel in de nadere
AAW-regelgeving een dergelijke bepaling uitsluitend is opgenomen met
betrekking tot de verstrekkingen aan arbeidsgehandicapten
(artikel 57 AAW) en niet ten aanzien van de vergoeding aan de werkgever
van een werkplekaanpassing (artikel 57a AAW), wordt in de
uitvoeringspraktijk altijd wel onderzocht in hoeverre een voor een arbeidsgehandicapte werknemer noodzakelijke investering
die aan de werkgever wordt vergoed als geheel of gedeeltelijk algemeen gebruikelijk is te
beschouwen. Een dergelijk onderzoek maakt veelal deel uit van de
bedrijfseconomische beoordeling. In artikel 3 is nu evenwel bepaald dat bij
investeringen beneden ƒ50 000,- geen bedrijfseconomische toets dient plaats te
vinden. Om te voorkomen dat in die situatie een vergoeding wordt gegeven
voor een werkplekaanpassing waarvan zonder meer duidelijk is dat
deze als algemeen gebruikelijk is te beschouwen, heeft dit
artikel ook betrekking op dergelijke aanpassingen. Bij de toepassing van deze
bepaling op de vergoeding van werkplekaanpassingen dient in het oog te worden
gehouden dat de beantwoording van de vraag of een bepaalde
aanpassing als geheel of gedeeltelijk algemeen gebruikelijk is te beschouwen er niet toe mag leiden dat er in
feite sprake is van een
bedrijfseconomische beoordeling. Het blijft dus bij een globale toets.
Artikel 3. Hoogte
werkgeverssubsidies
Uit het eerste lid volgt dat
een werkgever een volledige vergoeding kan krijgen voor de kosten die
hij moet maken in verband met het treffen van voorzieningen ten behoeve
van zijn arbeidsgehandicapte werknemer.
In het tweede lid is
geregeld dat als de kosten van een voorziening als bedoeld in artikel
15, derde
lid, onderdeel b, en 18, derde lid, onderdeel d of e, van
de wet hoger zijn
dan ƒ50 000,-, het Lisv bij de bepaling van de hoogte van het
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, rekening moet houden met het
bedrijfseconomisch voordeel dat de te treffen voorziening voor de werkgever oplevert.
Zo kan een werkplekaanpassing bijvoorbeeld een productiviteitsverhoging, kwaliteitsverbetering (die te gelde gemaakt kan worden),
verminderde
energiekosten of verminderde onderhoudskosten tot gevolg hebben. De formulering van het tweede lid impliceert
dat het bedrijfseconomisch
voordeel verrekend dient te worden met het subsidiebedrag dat zonder
bedrijfseconomische toets aan de werkgever zou worden verstrekt.
In het derde lid is geregeld
dat het Lisv regels stelt omtrent de wijze waarop het bedrijfseconomisch voordeel, bedoeld in het tweede lid, wordt
vastgesteld.
Artikel 4. Geen subsidie bij
geringe kosten
De in dit artikel opgenomen
bepalingen zijn ontleend aan de regelgeving zoals deze geldt in het
kader van de AAW. Met het eerste lid wordt beoogd te voorkomen dat er
"kruimelsubsidies" worden verstrekt. De
reden hiervoor is dat de
kosten van deze voorzieningen niet in een redelijke verhouding staan
tot de te maken uitvoeringskosten. In het tweede lid is bepaald dat
als er in een kalenderjaar meer kruimelvoorzieningen noodzakelijk zijn en de
gezamenlijke waarde daarvan het drempelbedrag overtreft, de voorzieningen voor subsidiëring in
aanmerking kunnen komen.
Artikel 5. Voortzetting
subsidie na het bereiken 65-jarige leeftijd
Evenals in het kader van de
AAW
is het mogelijk dat subsidiëring van een voorziening nadat de
persoon ten behoeve van wie de subsidie is toegekend de leeftijd van 65
jaar heeft bereikt, wordt voortgezet, voor zover de betrokkene de
inkomensvormende arbeid waarvoor de voorziening noodzakelijk is
nog in ongeveer gelijke mate verricht. Onder voortzetting van
subsidiëring van een voorziening wordt tevens de subsidiëring van de vervanging van een voorziening verstaan.
Artikel 6. Op het individu
gerichte voorzieningen
In dit artikel is geregeld
dat de toekenning van voorzieningen aan individuele werknemers en
niet-werknemers in overwegende mate op het individu moet zijn gericht. Deze bepaling is opgenomen omdat het niet in
de rede ligt voorzieningen
toe te kennen als niet vaststaat wie de gebruikers hiervan zullen
worden. Op grond van de wet kunnen immers uitsluitend voorzieningen
worden toegekend aan in de wet geduide werknemers en
niet-werknemers. Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in het Besluit
AAW-voorzieningenverstrekking.
Voorts wordt met deze
bepaling aangegeven dat bij de toekenning van voorzieningen zoveel
mogelijk rekening moet worden gehouden met de specifieke belemmeringen die
de betrokkene vanwege ziekte of gebrek ondervindt en dat hij een
zoveel mogelijk op zijn situatie afgestemde voorziening krijgt
toegekend.
Artikel 7. Geen verstrekking
van kruimelvoorzieningen
De in dit artikel opgenomen
bepalingen zijn eveneens ontleend aan de regelgeving zoals deze geldt
in het kader van de AAW. Met het eerste lid wordt beoogd te voorkomen
dat er "kruimelvoorzieningen" worden toegekend. De reden hiervoor
is dat de kosten van deze voorzieningen niet in een redelijke
verhouding staan tot de te maken uitvoeringskosten. In deze bepaling is
aangesloten bij de hoogte van de drempel zoals deze geldt in het kader van de
AAW. Voorzieningen die een waarde hebben die ligt boven de in het eerste
lid genoemde drempel kunnen worden toegekend.
In het tweede lid is bepaald
dat het Lisv tot toekenning kan overgaan indien in een kalenderjaar
meer kruimelvoorzieningen noodzakelijk zijn en de gezamenlijke waarde van
die voorzieningen het drempelbedrag overtreft.
Artikel 8. Inkomenstoets (leef)vervoersvoorzieningen
Met dit artikel wordt het
AAW-beleid met betrekking tot de toekenning van deze voorzieningen
voortgezet (zie het Besluit inkomensgrens vervoersvoorzieningen
buitenshuis/AAW).
In het eerste lid van dit
artikel is bepaald dat leefvervoersvoorzieningen en vervoersvoorzieningen
niet worden toegekend of worden beëindigd als het inkomen van de
persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is toegekend,
in het kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of
voortzetting van een toegekende voorziening wordt overwogen, meer bedraagt
dan 261 x 70% van het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9,
eerste lid, en 9a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De
inkomensgrens is niet van toepassing daar waar het vervoer betrekking heeft
op het kunnen volgen van onderwijs als bedoeld in artikel
22, vierde
lid, van de wet.
Het stellen van een
inkomensgrens met betrekking tot de verstrekking van vervoersvoorzieningen
vormt een nadere invulling van het in dit besluit neergelegde algemene uitgangspunt dat geen subsidie voor
kosten van voorzieningen
wordt gegeven en geen voorzieningen worden toegekend indien deze
algemeen gebruikelijk zijn.
In 1991 werd ervan uitgegaan dat circa 75% van de personen die een bruto jaarinkomen hadden
dat ten minste gelijk is 261 x 60% van het maximumdagloon, zoals
bepaald in artikel 9, eerste lid, en 9a
van de CSV, in het bezit is van een
auto en dat daarmee het bezit van een auto voor mensen met een dergelijk
inkomen als algemeen gebruikelijk kon worden aangemerkt. Het werd
evenwel onjuist geacht tevens te veronderstellen dat een ieder die een
auto heeft ook financieel in staat is de auto (dagelijks) te gebruiken
voor zijn woon-werkverkeer. Personen die een auto hebben, zullen voor
het woon-werkverkeer veelal gebruik maken van goedkopere
vervoersmogelijkheden. Men zal naar zijn werk gaan lopen, dan wel gebruik maken van
(brom)fiets, bus, tram of trein. Voor een gehandicapte werknemer
bestaan er veelal geen goedkopere vervoersmogelijkheden omdat hij meestal is
aangewezen op het vervoer per auto, waardoor het gebruik van
een auto voor hem ook hogere vervoerskosten met zich meebrengt. Met
het oog hierop gold voor de verstrekking van vervoersvoorzieningen ten
behoeve van de werksituatie een inkomensgrens van 261 x 70% van het
maximumdagloon, zoals bepaald in artikel 9, eerste lid, en
9a van de
CSV. Ook in de situatie dat er een vervoersvoorziening voor zowel de werk- als
leefsituatie werd verstrekt, was deze grens ook van toepassing op het deel van de vervoersvoorziening dat betrekking
heeft op de leefsituatie.
Voor het gebruik van de
auto ten behoeve van uitsluitend de leefsituatie gold de grens van 261 x
60% van het hiervoor genoemde maximumdagloon. Deze laatste grens is nu niet meer in dit besluit opgenomen
omdat deze alleen
toepassing vond ten aanzien van degenen die vielen onder het overgangsrecht
van de Wet voorzieningen gehandicapten en degenen die in het
buitenland in aanmerking komen voor een leefvervoersvoorziening. Voor
zover personen die
behoren tot één van deze groepen bij de
inwerkingtreding van de wet nog gebruik maken van deze aan hen toegekende
voorzieningen, zullen deze voorzieningen op grond van het overgangsrecht
van de wet op grond van artikel 57 van de AAW
nog worden voortgezet.
Het kan zijn dat het
inkomen van een persoon in betekenende mate van jaar tot jaar verschilt.
In dat geval dient op grond van het tweede lid bij de toepassing van het eerste
lid niet te worden uitgegaan van het inkomen in enig kalenderjaar, doch
van het gemiddelde inkomen over drie kalenderjaren.
In het derde lid is
geregeld op welke vervoersvoorzieningen de inkomensgrens in ieder geval van toepassing is.
In het vierde lid,
onderdeel a, is geregeld dat met betrekking tot hetgeen onder
"inkomen"
moet worden verstaan, bij ministeriële regeling regels worden gesteld.
Deze regels zullen grotendeels overeenstemmen met de regels die in het
hiervoor genoemde besluit zijn vastgesteld. Voorts kan bij deze
regeling worden bepaald - zoals thans ook is bepaald - dat bij de
vaststelling van het inkomen mede in aanmerking wordt genomen het inkomen van
de echtgenoot of partner of van een ander gezinslid van de persoon
op wie de toekenning van een voorziening betrekking heeft.
In het vierde lid,
onderdeel b, is geregeld dat het in het eerste lid bedoelde percentage van
70% voor categorieën van personen bij ministeriële regeling
kan worden verhoogd. Dit houdt verband met het feit dat de
uitvoeringsorganen sociale verzekering onder het regime van de AAW, en het daarop gebaseerde Besluit
inkomensgrens vervoersvoorzieningen buitenshuis/AAW, een
eigen beleid konden ontwikkelen met betrekking tot de toekenning van de hier
bedoelde voorzieningen, alsmede met betrekking tot de hoogte
van de inkomensgrens waarboven geen voorzieningen werden
toegekend. Dit beleid wijkt op een aantal punten af van de in dit besluit
geformuleerde algemene regels. Zo was het bijvoorbeeld voor een
uitvoeringsorgaan mogelijk om in de situatie dat er in een gezin een tweede
auto noodzakelijk was, om zelf te bepalen of de inkomensgrens zoals opgenomen in het Besluit inkomensgrens vervoersvoorzieningen
buitenshuis/AAW zou moeten worden toegepast of dat een andere inkomensgrens zou
moeten worden gehanteerd. Dit heeft in de uitvoeringspraktijk
geleid tot een tweede inkomensgrens, welke - voor een verscheidenheid aan
situaties - werd gesteld op anderhalfmaal de inkomensgrens die geldt
voor de situatie dat er slechts één auto noodzakelijk is.
Op grond van het vierde
lid, onderdeel c, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de
inkomensgrens niet van toepassing is op de toekenning van nader te
bepalen vervoersvoorzieningen. Een soortgelijke nadere bepaling is
opgenomen in het Besluit inkomensgrens vervoersvoorzieningen buitenshuis/AAW. In die
bepaling is aangegeven dat de inkomensgrens niet van
toepassing is op extra kosten en specifieke middelen. Een specifiek
vervoermiddel is bijvoorbeeld een motorinvalidewagen. Bij extra kosten kan
worden gedacht aan de aanpassingskosten van een auto. De
inkomensgrens is evenmin van toepassing bij de toekenning van een
vergoeding voor een deel van de kosten die samenhangen met de aanschaf of het
gebruik van auto’s in bijzondere uitvoering en bij een vergoeding of
het gebruik van een taxi ten behoeve van het vervoer naar en van het werk. De taxikosten voor het werkvervoer kunnen
worden vergoed voor zover
ze per kilometer de kosten van een eigen auto overschrijden.
Daarnaast kunnen zich
situaties voordoen dat een arbeidsgehandicapte niet gebruik kan maken
van een gewone personenauto of taxi en is aangewezen op een auto in
bijzondere uitvoering of rolstoeltaxi. Hiervan kan sprake zijn indien
gehandicapten in een rolstoel niet zelf kunnen rijden, maar voor wie de
auto door derden wordt bestuurd. Soms is er ook een auto in bijzondere
uitvoering nodig die door de gehandicapte zelf wordt bestuurd. Tenslotte
moeten ook gehandicapten met bijzondere verzorgingsaspecten soms
van afwijkende typen auto’s gebruik maken. Voor zover de kosten van
het gebruik van deze vormen van vervoer meer bedragen dan het vervoer
per gewone auto of taxi, kunnen op grond van het AAW-beleid de
meerkosten worden vergoed, ook al heeft men een inkomen boven de genoemde
inkomensgrenzen. Dit geldt ook voor de aanschaf van een auto in
een bijzonder type uitvoering. Betrokkenen kunnen een vergoeding
krijgen voor de extra aanschafkosten van een dergelijke auto. De extra
kosten worden bepaald aan de hand van het verschil tussen de prijs
van een zogenaamde referentieauto en de catalogusprijs van een
auto in een bijzonder type uitvoering die in een bruikleensituatie beschikbaar is.
Omdat het te ver voert
voor al deze situaties regels te stellen in dit besluit, is besloten om
een delegatiebepaling op te nemen op grond waarvan de Minister van
SZW over de hoogte van de inkomensgrens en over het buiten
toepassing verklaren hiervan regels kan stellen waarbij de door de
uitvoeringsorganen gehanteerde beleidsregels in beginsel leidraad zullen zijn.
Ten
slotte is in het
vijfde lid bepaald dat de beëindiging van een vervoersvoorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens
plaatsvindt met ingang van de
datum gelegen zes maanden nadat de betrokken persoon van de
voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld. Ook hiermee wordt het AAW-beleid betreffende toekenning en beëindiging van vervoersvoorzieningen
voortgezet.
Artikel
9.
Onderwijsvoorzieningen
Artikel
22, vierde lid,
van de wet ziet op de toekenning van voorzieningen aan jongeren met een
handicap die hen in staat moeten stellen om evenals hun niet-gehandicapte leeftijdgenoten onderwijs te volgen, zodat zij zich kunnen
ontplooien en voorbereiden op toetreding tot de arbeidsmarkt. Uit de
combinatie van artikel 11 van de wet en
artikel 22, vierde lid, van
de wet
vloeit voort dat deze onderwijsvoorzieningen erop zijn gericht de belemmeringen die een jongere vanwege zijn handicap
ondervindt bij het volgen
van onderwijs weg te nemen.
Uit de formulering van
artikel 22, vierde lid, van de wet volgt verder dat bij de toekenning van
onderwijsvoorzieningen de arbeidsmarkttoets achterwege blijft. Dat
wil zeggen, er wordt niet getoetst in hoeverre de opleiding door het Lisv
voor betrokkene wenselijk wordt geacht met het oog op inpassing in het
arbeidsproces. De achterliggende reden hiervan is dat gehandicapte jongeren
zich, evenals hun niet-gehandicapte leeftijdgenoten, zo vrij mogelijk moeten
kunnen ontplooien. Dit uitgangspunt geldt voor studerenden tot 30
jaar. Het AAW-beleid hanteerde een grens van 27 jaar. De reden van deze verschuiving vloeit voort uit het feit dat in
artikel
11 van de wet voor de
doelgroep van studerenden is aangesloten bij artikel
5, tweede lid,
van de Wajong. Dit artikelonderdeel gaat uit van een maximale
leeftijdsgrens van 30 jaar.
Bij de in artikel 5 van
de Wajong en de daarop gebaseerde ministeriële regeling (Regeling
klokuren) [zie Regeling klokuren 1998, red.]
omschreven doelgroepen gaat het hoofdzakelijk om voltijds dagonderwijs. Er kan zich evenwel de situatie
voordoen dat een persoon
vanwege ziekte niet in staat is gewoon voltijds dagonderwijs te volgen,
maar aangewezen is op onderwijs in deeltijd. In die situatie kunnen,
indien de betrokken persoon de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt,
eveneens voorzieningen worden verstrekt op grond van artikel
22, vierde
lid, van de wet.
De aansluiting bij
artikel 5 van de Wajong heeft tevens als consequentie dat ook degenen die een
opleiding volgen die niet door de Minister van OCW is
erkend, voor de verstrekking van voorzieningen op grond van laatstgenoemd
artikel in aanmerking kunnen komen. Zij moeten echter wel zijn
aan te merken als studerenden zoals bedoeld in artikel 5 van de Wajong.
De verstrekking van
voorzieningen aan personen die niet zijn aan te merken als een persoon
als bedoeld in artikel 11 van de wet, ten behoeve van het volgen van
onderwijs of scholing met het oog op directe (re)integratie in het
arbeidsproces, kan plaatsvinden op grond van artikel
22, tweede lid, van
de wet. In dat geval zal door het Lisv
echter worden getoetst in hoeverre de
opleiding betrokkene een reële kans geeft op een duurzame (re)integratie
en de opleiding noodzakelijk is voor deze duurzame (re)integratie.
Deze toets vloeit voort uit artikel 22, eerste lid, van de
wet, waarin is
aangegeven dat het Lisv voorzieningen kan toekennen die strekken "tot behoud of herstel
van de arbeidsgeschiktheid of die arbeidsgeschiktheid bevorderen". Bij de
toepassing van artikel 22, eerste en tweede lid, kan het naast
de verstrekking van voorzieningen om de opleiding te volgen, ook
gaan om een vergoeding van leskosten.
Artikel 9 van dit besluit
heeft tot doel de toekenning van onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel
22, vierde lid, van de wet nader af te grenzen. Met dit artikel
wordt zoveel mogelijk beoogd voortzetting te geven aan het op artikel
9 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking gebaseerde
uitvoeringsbeleid.
Bepaald is dat niet tot
de voorzieningen, bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de
wet, worden gerekend voorzieningen die behoren tot de verstrekkingen waarvoor een regeling is
getroffen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW). Het speciale onderwijs is als
een dergelijke regeling te beschouwen. Om precies te zijn gaat het
om onderwijs aan scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet
speciaal onderwijs dan wel scholen voor speciaal en voortgezet speciaal
onderwijs. De bekostigingsregelingen van het ministerie van OCW van dit
onderwijs zijn uitsluitend gericht op
voorzieningen binnen de
school. Daarom kunnen aan kinderen die dit onderwijs volgen op grond
van artikel 22, vierde lid, van de wet wel voorzieningen worden
verstrekt die in de thuissituatie nodig zijn om huiswerk ten behoeve van
bedoeld onderwijs te kunnen maken.
Voorts vloeit uit deze
bepaling voort dat indien een voorziening naar aard en strekking onder
een regeling valt die is getroffen door de Minister van OCW, die
voorziening op grond van deze wet niet kan worden verstrekt, ook al
voorziet de desbetreffende regeling niet in de verstrekking van die
voorziening ten behoeve van het onderwijs waarop die regeling betrekking
heeft.
Is er geen sprake van
speciaal maar van regulier onderwijs, dan zal in de regel op grond van
artikel 22, vierde lid, van de wet ten behoeve van gehandicapte leerlingen
materiële voorzieningen kunnen worden toegekend die
noodzakelijk zijn in verband met de handicap. Het kan hierbij gaan om speciale
hulpmiddelen of leermiddelen. Ook kan schoolmeubilair worden vergoed indien het op school aanwezige meubilair voor de individuele leerling gelet op diens beperkingen
onbruikbaar is. Daarbij
zal door het Lisv veelal worden uitgegaan van het goedkoopste adequate
middel. Voorts kan er ook een vergoeding worden gegeven voor het vervoer
naar en van de school indien dit vervoer als gevolg van de handicap
extra kosten met zich meebrengt. Ook hier geldt echter dat deze
voorzieningen kunnen worden toegekend voor zover zij niet behoren tot de
verstrekkingen waarvoor een regeling is getroffen onder de
verantwoordelijkheid van de Minister van OCW.
In het onderhavige
artikel is voorts bepaald dat personele onderwijsfaciliteiten, waaronder in ieder geval
worden verstaan remedial teaching, ambulante begeleiding of het geven van begeleidingslessen, geen
voorzieningen zijn in de
zin van artikel 22, vierde lid, van de wet. Zij behoren naar hun aard tot
het beleidsterrein van het onderwijs. Wel is het van belang erop te
attenderen dat onderdeel b van artikel 9 geen betrekking heeft op het
gebruik van een doventolk ten behoeve van het volgen van onderwijs.
Hoewel de verrichtingen van een doventolk enerzijds als een
personele activiteit zijn te beschouwen, ligt anderzijds het zwaartepunt van deze
activiteit bij de intermediaire functie daarvan. De activiteit vormt,
evenals bij de andere hulpmiddelen om onderwijs te kunnen volgen, een extra
schakel die de onderwijsvolgende in staat stelt de aangeboden lesstof
zich eigen te maken, zonder dat daarbij degene die het intermediair is in
pedagogische zin iets toevoegt. Het gebruik van een doventolk ten behoeve van
het volgen van onderwijs kan dus op grond van deze
wet worden
vergoed. Dit geldt eveneens voor de notitiemaker. Zie hiervoor ook de
toelichting op artikel 12.
Een bouwkundige
aanpassing van een schoolgebouw ten behoeve van onderwijsvolgenden kan
evenmin voor vergoeding op grond van deze wet in aanmerking komen.
Immers artikel 22, vierde lid, van de wet geeft het
Lisv uitsluitend de
bevoegdheid om voorzieningen aan personen toe te kennen. Bij de
aanpassing van een schoolgebouw gaat het niet zozeer om de verstrekking van
een voorziening aan een persoon. De aanpassing van een schoolgebouw
behoort, afhankelijk van de aard van het onderwijs en de aard van de
voorziening, tot de verantwoordelijkheid van de gemeente of de
onderwijsinstelling.
Artikel
10.
Leefvervoersvoorziening
Met de inwerkingtreding
van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), per 1 april 1994,
is de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van leefvoorzieningen bij
gemeenten komen te liggen. Om te voorkomen dat een
arbeidsgehandicapte (niet-)werknemer die beperkingen ondervindt bij het
verplaatsen buitenshuis, bij twee verschillende loketten een vervoersvoorziening
zou moeten aanvragen (te weten: de gemeente voor de
leefvervoersvoorziening en het Lisv voor een voorziening ten behoeve van het
woon-werk/school-verkeer) is aan het Lisv de bevoegdheid gegeven ook leefvervoersvoorzieningen in combinatie met
werkvervoersvoorzieningen
toe te kennen. Behalve dat betrokkenen op deze wijze slechts met
één loket worden geconfronteerd, kunnen beide voorzieningen op deze
wijze ook optimaal op elkaar worden afgestemd.
Het in het eerste lid
weergegeven criterium is overgenomen uit het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking. In de
Wvg is een overeenkomstige
bepaling opgenomen.
De verbinding die in de
artikelen 22 en 31 van de wet wordt gelegd tussen de werk- en de
leefvoorzieningen duidt er al op dat het bij de verstrekking van
leefvoorzieningen, evenals bij de verstrekking van werkvoorzieningen, zou
moeten gaan om voorzieningen die de uit ziekte of gebrek voortvloeiende
beperkingen opheffen of verminderen. In het eerste lid van
artikel 22
en 31 is immers aangegeven dat de werkvoorzieningen dienen te strekken tot
behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die
arbeidsgeschiktheid dienen te bevorderen. Om te voorkomen dat op dit punt
toch nog misverstanden zouden kunnen ontstaan, is in het
eerste lid nog eens expliciet benadrukt dat leefvervoersvoorzieningen uitsluitend kunnen worden
verstrekt indien zij de uit ziekte of gebrek voortvloeiende
beperkingen opheffen of verminderen.
In het tweede lid is
bepaald dat aan arbeidsgehandicapte niet-werknemers
uitsluitend leefvervoersvoorzieningen kunnen worden toegekend indien er
tevens sprake is van de toekenning van een vervoersvoorziening ten behoeve van het
volgen van onderwijs, scholing of andere activiteiten die
bevorderlijk zijn voor de inschakeling in het arbeidsproces. Voor wat
betreft zelfstandigen vloeit uit dit tweede lid voort dat zij ook uitsluitend voor een leefvervoersvoorziening in
aanmerking kunnen komen
indien er aan hen ook een werkvervoersvoorziening is toegekend.
Voor arbeidsgehandicapte werknemers is deze voorwaarde reeds in de
wet zelf neergelegd.
Artikel 22 van de wet
biedt de mogelijkheid om ook leefvervoersvoorzieningen te verstrekken in
combinatie met andere voorzieningen dan vervoersvoorzieningen.
Die formulering komt nog
overeen met artikel 57 van de AAW. Anders dan bij de voorzieningen
voor arbeidsgehandicapte werknemers - waar er reeds een begrenzing in de wet zelf is neergelegd
- diende de hiervoor
omschreven afgrenzing nog
te worden gemaakt. De reden van deze nadere begrenzing, die
ook in het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking is neergelegd, is dat de
zogenoemde tweelokettenproblematiek en de noodzaak tot onderlinge
afstemming zich met name voordoen bij de leefvervoersvoorziening
en de vervoersvoorziening voor werk, onderwijs, scholing etc. en niet
zozeer bij de combinatie van leefvervoersvoorzieningen met andere voorzieningen
ten behoeve van werk, onderwijs, scholing etc.
In het derde lid is
bepaald dat indien een werkvervoersvoorziening als gevolg van het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar wordt beëindigd, de leefvervoersvoorziening
eveneens wordt beëindigd. Voor een alsdan nog zuivere
leefvervoersvoorziening zal de betrokkene dan een beroep kunnen doen op de
Wvg.
Ten
slotte is in het
vierde lid bepaald dat indien een werkvervoersvoorziening vanwege een andere reden
dan het bereiken van de leeftijd van 65 jaar wordt beëindigd, de
reeds toegekende leefvervoersvoorziening nog kan worden voortgezet
voor de termijn die was voorzien in de toekenningsbeschikking
van het Lisv, evenwel tot ten hoogste de duur van twaalf maanden. In de
situatie dat er een vervoermiddel in bruikleen is toegekend, wordt ook de
aan die voorziening gekoppelde financiële tegemoetkoming in de gebruikskosten daarvan voor dezelfde duur
voortgezet.
Dit vierde lid is onder
meer van belang voor degenen aan wie een vervoersvoorziening is toegekend en werkloos worden. Zou in een
dergelijke situatie ook
onmiddellijk de leefvervoersvoorziening worden beëindigd, dan zou de
betrokkene zich tot de gemeente moeten wenden om daar een
leefvervoersvoorziening aan te vragen. Wanneer de betrokkene na korte tijd
weer een nieuwe werkkring zou vinden, zou het Lisv weer tot toekenning
moeten overgaan. Om dit jo-jo-effect te voorkomen, is de
onderhavige bepaling in dit besluit opgenomen.
Dit vierde lid is ook van
belang in de situatie van de beëindiging van een vervoersvoorziening
ten behoeve van het volgen van scholing of onderwijs en de betrokkene aansluitend daarop nog niet meteen een
werkkring heeft kunnen
vinden.
Artikel
11. Vergoeding van
persoonlijke ondersteuning
Dit artikel vormt
voor zover mogelijk een voortzetting van de Regeling vergoeding persoonlijke
ondersteuning gehandicapte werknemers. Deze regeling was gebaseerd op het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking.
Teneinde de regelgeving
met betrekking tot de toekenning van voorzieningen zo overzichtelijk
mogelijk te houden, zijn nadere bepalingen met betrekking tot de
toekenning van persoonlijke ondersteuning in dit besluit opgenomen en niet meer
afzonderlijk in een ministeriële regeling neergelegd. Daarnaast
wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning niet meer zoals op grond
van bovengenoemde AAW-regeling toegekend aan de werkgever maar aan
de werknemer.
Uit het eerste lid vloeit
voort dat op grond van de wet persoonlijke ondersteuning als voorziening uitsluitend kan worden toegekend ten
behoeve van het
verrichten van arbeid in dienstverband. Persoonlijke ondersteuning op een
stageplaats of proefplaats kan zo nodig worden gefinancierd uit
toeleidingsgelden. Voorts blijkt uit het eerste lid dat een arbeidsgehandicapte
werknemer in aanmerking kan worden gebracht voor het gebruik van
persoonlijke ondersteuning of voor een in plaats daarvan toe te kennen kostenvergoeding.
Deze keuzemogelijkheid is
opgenomen om het Lisv de mogelijkheid te geven de toekenning van
deze voorziening zo goed mogelijk te regelen. In sommige situaties kan het
zowel voor de verstrekker, de gebruiker als de leverancier van de
diensten gunstiger zijn dat aan de gebruiker uitsluitend de diensten
worden geleverd en de financiering rechtstreeks wordt afgewikkeld tussen
het Lisv en de leverancier van de dienst.
In het tweede lid van dit
artikel is geregeld onder welke voorwaarden een voorziening in de
vorm van persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend. Bij de
persoonlijke ondersteuning is met name het begeleidende aspect van belang. De
persoon die de arbeidsgehandicapte ondersteunt, is méér dan
uitsluitend iemand die belemmeringen op de werkplek voor de
arbeidsgehandicapte wegneemt. Hij heeft ook een coachende, c.q. sturende
functie voor de arbeidsgehandicapte. De persoonlijke
ondersteuning die op grond van dit artikel kan worden toegekend, kan zowel
worden uitgevoerd ten behoeve van mensen met een verstandelijke,
psychische of lichamelijke handicap. In alle gevallen moet het echter wel gaan
om persoonlijke ondersteuning die voldoet aan de criteria zoals deze
zijn neergelegd in het tweede lid van dit artikel.
Dit betekent onder meer
dat een voorlezer van een persoon met een visuele handicap niet op
grond van dit artikel kan worden vergoed. In die situatie is er immers
geen sprake van een begeleiding zoals hiervoor omschreven. In zo'n geval
zal de vergoeding deel uitmaken van een aan de werkgever van de
arbeidsgehandicapte te verstrekken budget of zijn te beschouwen als
werkgeversvoorziening. Is voor de persoon met de visuele handicap echter
een persoonlijke begeleiding noodzakelijk waarbij het voorlezen een onderdeel daarvan vormt, dan is vergoeding op grond
van dit artikel wel aan
de orde en maken de kosten van het voorlezen onderdeel uit van de
vergoeding voor persoonlijke ondersteuning.
In het tweede lid, onderdeel
c, is bepaald dat er uitsluitend een vergoeding voor persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend indien deze wordt
gegeven door een persoon
die verbonden is aan een door het Lisv erkende rechtspersoon die
tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als
persoonlijke ondersteuning als in dit artikel bedoeld.
Het begeleid werken vormt
een relatief nieuwe ontwikkeling op het gebied van de (re)integratie op de arbeidsmarkt van mensen met een
arbeidshandicap. Het is waarschijnlijk dat deze ontwikkeling zal leiden tot
het ontstaan van nieuwe
organisaties en het tot stand komen van kwaliteitseisen waaraan
deze organisaties en de door de medewerkers van deze organisaties te
verlenen diensten moeten voldoen. Het Lisv zal deze ontwikkeling volgen
en door de erkenningsvoorwaarde als hier geformuleerd daarin
kunnen sturen.
Omdat het hier om een
voorziening gaat die nog in ontwikkeling is, zou het in dit besluit neerleggen van meer detaillistische
bepalingen daarop
verstarrend kunnen
werken. Daarom beperkt dit tweede lid zich meer tot de globale eisen waaraan
persoonlijke ondersteuning moet voldoen. Voor zover nodig kan het Lisv, zoveel mogelijk in samenspraak met de betrokken organisaties,
een nadere uitwerking geven aan het begrip persoonlijke
ondersteuning door meer concreet aan te geven welke activiteiten in het kader
van deze regeling worden aangemerkt als persoonlijke
ondersteuning en aldus kunnen worden vergoed of beschikbaar worden
gesteld.
In het derde lid is
bepaald dat de persoonlijke ondersteuning in het eerste, tweede, derde en
de daaropvolgende jaren niet uit meer uren begeleiding kan bestaan
dan het aantal uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5%
en 6% van het aantal door de arbeidsgehandicapte te werken uren per
kalenderjaar. Deze bepaling vormt een neerslag van het tot nu
toe bestaande beleid met betrekking tot de toekenning van
persoonlijke ondersteuning zoals deze in standaardsituaties wordt toegepast.
De voorziening
persoonlijke ondersteuning kan zowel tijdelijk als blijvend worden toegekend.
Ten slotte is in het vierde lid een hardheidsclausule
opgenomen die aan het Lisv de bevoegdheid geeft om in bijzondere situaties van
de in het derde lid genoemde maxima af te wijken. Hierbij wordt
gedacht aan de situatie waarin een arbeidsgehandicapte werknemer, gezien de aard
van zijn beperkingen, een zodanig intensieve
begeleiding nodig heeft dat toekenning van de voorziening op grond van
de standaardnormen onvoldoende is.
Naast de mogelijkheid van
werken met persoonlijke begeleiding zoals hiervoor omschreven,
bestaat er ook nog de mogelijkheid om in het kader van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) begeleid te werken. Begeleid
werken in het kader van
de Wsw is nader geregeld in het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening.
Artikel
12.
Communicatievoorzieningen voor doven
Dit artikel vormt
grotendeels een voortzetting van het Besluit doventolkvoorziening Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zij het dat dit artikel anders dan genoemd
besluit, behalve op de dovengebarentolk, ook expliciet betrekking
heeft op de dovenschrijftolk en de notitiemaker. Daarnaast bestaat op een
aantal andere punten een verschil met deze regeling. In het
navolgende wordt daarop nader ingegaan.
In het eerste lid wordt
de verstrekking van communicatievoorzieningen aan dove werknemers
beperkt tot de verstrekking van een dovengebarentolk, dovenschrijftolk of
een
notitiemaker. Deze beperking volgt uit de in de wet
gekozen
structuur om de vergoeding voor voorzieningen die noodzakelijk zijn voor
werknemers zoveel mogelijk aan de werkgever te verstrekken en deze op te
nemen in een aan de werkgever te verstrekken budget, pakket op maat
of een te verstrekken subsidie voor kosten voorzieningen eigen werk.
Slechts voor de voorzieningen die zich gezien hun specifieke aard
daarvoor minder lenen, waaronder de dovengebarentolk, dovenschrijftolk of de
notitiemaker, is een uitzondering gemaakt. Zo zullen andere
voorzieningen die voor doven op de werkplek noodzakelijk kunnen zijn,
zoals bijvoorbeeld een doventelefoon of een flitsbelsysteem, vergoed
kunnen worden aan de werkgever.
Net als bij de
persoonlijke ondersteuning kan een arbeidsgehandicapte in aanmerking worden
gebracht voor het "gebruik" van een tolk of een "vergoeding" voor het
gebruik daarvan. Deze keuzemogelijkheid is opgenomen om het Lisv
de
mogelijkheid te geven de toekenning van deze voorziening zo goed
mogelijk te regelen.
Zowel de dovenschrijftolk
als de notitiemaker zijn relatief nieuwe voorzieningen. Beide voorzieningen zijn onder meer tot ontwikkeling
gekomen omdat zij in
sommige situaties geschikter zijn dan een dovengebarentolk. Een andere belangrijke
reden van het tot ontwikkeling komen van deze voorzieningen is
het tot op heden bestaande tekort aan tolken gebarentaal. Een
dovenschrijftolk zet gesproken taal met behulp van een velotype direct om in
leesbare taal. De velotype is een typemachine of tekstverwerker met een toetsenbord waarmee lettergrepen kunnen
worden aangeslagen
waardoor het mogelijk is op spreeksnelheid te typen. Deze vorm van
dienstverlening is vooral van belang voor doven die de gebarentaal niet machtig
zijn, hetgeen veelal voorkomt bij personen die op latere leeftijd doof zijn
geworden. De notitiemaker is iemand die bij een college notities maakt en
is bedoeld voor doven die onderwijs volgen en kan zo nodig ook
toepassing vinden op de werkplek, proefplaats of stageplek.
In het eerste lid is
verder bepaald dat er op grond van de wet uitsluitend een dovengebarentolk, een
dovenschrijftolk of een notitiemaker kan worden toegekend die is erkend door het
Lisv. Hiermee is beoogd te
waarborgen dat in het
kader van deze wet gebruik wordt gemaakt van kwalitatief goede tolken
en notitiemakers. Wat betreft de erkenning van de dovengebarentolken
bereidt het Lisv momenteel, in samenwerking met de bij de verstrekking van
de dovengebarentolken betrokken instanties, de oprichting van een
stichting voor die erkenning van dovengebarentolken tot taak zal krijgen. Het
lijkt waarschijnlijk dat het Lisv de tolken die door deze stichting zullen
worden erkend, bij de toepassing van dit besluit als door het Lisv erkende
doventolken zal beschouwen.
Op grond van de
AAW-regeling kan de vergoeding van de doventolk niet meer bedragen dan
10% van het te werken aantal uren per kalenderjaar. Naar aanleiding van het
door de Commissie Nederlandse Gebarentaal uitgebrachte
rapport "Meer dan een gebaar", waarin is aangegeven dat een
substantiële verhoging van het aantal beschikbare tolkuren in de werksfeer
dringend nodig is, is in het tweede lid het maximum verhoogd naar
15%, waarmee tevens wordt aangesloten bij het maximum dat geldt voor
persoonlijke ondersteuning. In dit rapport werd verder opgemerkt dat bij
toekenning van tolkuren de hoogte niet afhankelijk zou moeten
zijn van een algemeen geldend maximum aantal uren, maar bepaald zou
moeten worden door de mate van communicatie met horenden die het beroep vereist. Hoewel
de wet op zich beoogt erin
te voorzien belemmeringen
die mensen met een handicap ondervinden bij de deelname aan het
arbeidsproces zoveel mogelijk weg te nemen - en zij zich in dat
arbeidsproces evenals anderen zoveel mogelijk zouden moeten kunnen ontplooien
-, zal daarbij toch altijd een zekere mate van kostenbegrenzing moeten
plaatsvinden. Met het oog daarop is ervoor gekozen toch een begrenzing aan te brengen. Het in het tweede lid van dit
artikel neergelegde
maximum is zowel van toepassing op werknemers als op zelfstandigen (zie
hiervoor het derde lid van het onderhavige artikel).
De genoemde voorzieningen
kunnen niet elk afzonderlijk tot het maximum, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt. Wel kunnen de
voorzieningen, voor zover
mogelijk, gecombineerd worden verstrekt indien het gebruik van
deze voorzieningen tezamen niet het maximum overschrijden.
Het vierde lid heeft
betrekking op de onderwijssituatie, de scholingssituatie of een proefplaatsingsperiode. De verwijzing in dit vierde lid naar
het eerste lid heeft tot
doel te verwijzen naar de daarin opgenomen voorwaarde dat op grond
van de wet uitsluitend een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of
een notitiemaker kunnen worden vergoed die door het Lisv
is erkend.
Hetzelfde geldt voor de in het derde lid opgenomen verwijzing naar het
eerste lid, waarbij het gaat om de verstrekking van deze voorzieningen aan
zelfstandigen. Hoewel dit ook reeds voortvloeit uit artikel 22 van de
wet en
dit artikel, wordt hier voor de duidelijkheid benadrukt dat met de
verwijzing in het derde en vierde lid naar het eerste lid niet wordt beoogd de
verstrekking van communicatievoorzieningen aan zelfstandigen te
beperken tot de drie in het eerste lid genoemde voorzieningen. Dit geldt
eveneens voor de onderwijssituatie, de scholingssituatie of een
proefplaatsingsperiode. Dat er bij arbeidsgehandicapte werknemers wel sprake is
van een dergelijke afgrenzing vloeit voort uit de met deze
wet geïntroduceerde budgetstructuur, waarmee wordt beoogd
om de voorzieningen
zoveel mogelijk aan de werkgever te verstrekken in plaats van aan de
arbeidsgehandicapte werknemer. Deze budgetstructuur kan niet van toepassing
zijn op arbeidsgehandicapte niet-werknemers, zij hebben immers geen
werkgever aan wie een budget kan worden toegekend.
Voorts geldt er voor de
toekenning van een doventolk of een notitiemaker ten behoeve van het
volgen van onderwijs, evenals in het kader van de AAW, geen maximum.
Het uitgangspunt dat hieraan ten grondslag ligt is dat leerlingen
met een handicap zoveel mogelijk dezelfde mogelijkheden moeten hebben om regulier
onderwijs te volgen als personen zonder handicap.
Voor de toekenning van
deze voorzieningen ten behoeve van het werken op een proefplaats
en in de situatie van scholing geldt evenmin een maximum, hetgeen niet
wegneemt dat wel altijd individueel zal
worden getoetst hoeveel
uren er in een specifieke situatie noodzakelijk zullen zijn.
In het vijfde lid is de
mogelijkheid opgenomen om uren toe te kennen boven het in het tweede
lid vastgestelde maximum. Deze hardheidsclausule kan bijvoorbeeld worden
toegepast in de situatie van bijscholing of bij een inwerkperiode.
Artikel
13. Voortzetting
voorzieningen na 65-jarige leeftijd
Evenals in het kader van
de AAW
is het mogelijk dat een voorziening die is verstrekt voordat een
betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt voortgezet voor
zover de betrokkene de inkomensvormende arbeid waarvoor de voorziening
laatstelijk werd toegekend, nog in ongeveer gelijke mate verricht.
Onder voortzetting van de voorziening wordt tevens de vervanging van een
voorziening verstaan. Dit artikel heeft zowel betrekking op werknemers
als op WAZ-verzekerden.
Artikel
14. Overname van
voorzieningen
Dit artikel biedt de
mogelijkheid dat een belanghebbende van wie de toekenning van een voorziening wordt beëindigd, in de gelegenheid
wordt gesteld om de
component die in natura is verstrekt over te nemen, al dan niet tegen een
vergoeding. De AAW
kende een soortgelijke regeling. Kosten van
gebruik en onderhoud kunnen dan echter niet meer op grond van de
wet worden vergoed.
Een voorziening zal
worden beëindigd indien één of meer feiten, op grond waarvan de toekenning van de voorziening is gebaseerd, zodanig
wijzigen dat er geen
aanleiding meer bestaat om de voorziening toe te kennen. Hiervan kan
sprake zijn als iemand vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd
ophoudt met werken en er geen noodzaak meer bestaat voor bijvoorbeeld een
vervoersvoorziening naar en van het werk. Ook kan gedacht worden aan de
situatie dat de arbeidsgehandicapte op grond van toename van zijn inkomen
niet meer voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan komen,
omdat zijn inkomen boven de voor verstrekking van vervoersvoorzieningen
geldende - in artikel 8 van dit besluit vastgestelde - inkomensgrens is komen te liggen. Daarnaast valt te denken aan de overname
van de voorziening door de echtgenoot of partner na het overlijden
van een arbeidsgehandicapte. Ook kan worden gedacht aan de situatie
dat een jongere zijn opleiding heeft afgerond en hij de voorzieningen die
hem ten behoeve van het kunnen volgen van de opleiding zijn toegekend,
niet meer nodig heeft.
De voorzieningen die aan
hem in eigendom zijn verstrekt zal hij gewoon kunnen behouden. Het is
evenwel ook mogelijk dat aan hem een voorziening in bruikleen
is verstrekt. Behalve dat op grond van de gewijzigde feiten het
bruikleencontract kan worden beëindigd, kan de beëindiging ook haar
oorzaak vinden in het verstrijken van de looptijd van het tussen de
arbeidsgehandicapte en de uitvoeringsinstelling namens het
Lisv afgesloten bruikleencontract betreffende verstrekking van de desbetreffende voorziening.
Indien de
uitvoeringsinstelling geen reden aanwezig acht om de voorziening terug te
nemen, kan de voorziening al dan niet tegen een vergoeding aan de
betrokkene in eigendom worden verstrekt. Of er al dan niet een vergoeding moet
worden betaald, zal onder meer afhankelijk zijn van de resterende
marktprijs van de desbetreffende voorziening.
In het eerste lid is
bepaald dat de vergoeding die de betrokkene voor de voorziening moet betalen
nooit hoger kan zijn dan de waarde die een dergelijke voorziening op
dat moment in het maatschappelijk verkeer heeft.
In het tweede lid is
voorts bepaald dat indien de voorziening als bedoeld in het eerste lid een vervoermiddel betreft, bij het bepalen van de
marktprijs moet worden
uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen. Als er
redelijkerwijs geen vergelijkbaar niet-aangepast vervoermiddel is te
duiden, zal de feitelijke marktwaarde van het specifieke vervoermiddel als zodanig
uitgangspunt moeten zijn bij de bepaling van de overnameprijs. Hoewel
het onderhavige artikellid betrekking heeft op vervoermiddelen in het
algemeen, zal dit artikel in de praktijk vooral van betekenis zijn voor de
overname van bruikleenauto’s.
Onder een niet specifiek
aangepaste auto wordt verstaan een auto inclusief alle voorzieningen die normaal van fabriekswege geleverd
worden, zoals automaat en normale rem- en stuurbekrachtiging, maar exclusief de achteraf
specifiek voor de gehandicapte gebruiker aangepaste voorzieningen, zoals
bijvoorbeeld handgas. Met deze formulering wordt beoogd enerzijds de
belanghebbende een eenvoudig controleerbare referentie te geven aan
de hand waarvan deze kan nagaan of de prijs niet te hoog is. Aan de andere
kant wordt zo voorkomen dat het Lisv wordt belast met het bewijs dat
de betreffende individuele auto een bepaalde waarde op de markt zou
hebben.
Overigens kan het zo zijn
dat ingrijpende aanpassingen de feitelijke marktwaarde van de auto
verlagen omdat deze aanpassingen verwijderd moeten worden en dit zeer
kostbaar kan zijn. Het wordt niet redelijk geacht dat het Lisv in zo'n geval slechts een onevenredig lage prijs voor de auto zou mogen vragen.
Anderzijds hoeft dat evenwel niet te betekenen dat het Lisv bij de
prijsstelling geen rekening zou mogen houden met het feit dat het vaak de
meest economische oplossing is om een vergaand aangepaste auto aan de
belanghebbende over te doen. Het gevolg daarvan kan zijn dat de
prijs lager is dan een vergelijkbare - niet specifiek aangepaste - auto zou
hebben opgebracht.
Wat voorzieningen betreft
niet zijnde vervoermiddelen - waarbij het ook kan gaan om voorzieningen
die op zich specifiek zijn - wordt het aan het Lisv overgelaten nader beleidsregels te stellen over het vaststellen van de
marktwaarde daarvan,
waarbij het overigens in de rede ligt dat dit beleid, voor zover dat gezien de
aard van de voorziening mogelijk is, min of meer overeenkomt met hetgeen
dat geldt voor de overname van vervoermiddelen.
Artikel
15. Toekenning van
inkomenssuppletie
In het eerste lid van
artikel 15 is geregeld dat aan een arbeidsgehandicapte die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten
inkomenssuppletie kan
worden toegekend indien het inkomen uit het bedrijf of beroep lager
is dan zijn bij of krachtens artikel 2 van de WAZ,
artikel 2 van de
Wajong of artikel 18 van de WAO
vastgestelde loon of inkomen dat hij nog zou
kunnen verdienen (theoretische verdiencapaciteit). De verwijzing naar de
theoretische verdiencapaciteit impliceert dat niet eerder
inkomenssuppletie kan worden toegekend dan na afloop van het wachtjaar voor de
WAZ, de Wajong of de
WAO, zijnde het moment waarop die
verdiencapaciteit wordt vastgesteld. De verwijzing in het eerste lid naar
artikel 10, eerste lid, van de wet en het gebruik van de terminologie
"die arbeid
als zelfstandige verricht of gaat verrichten" betekent dat niet alleen
inkomenssuppletie kan worden toegekend aan personen die ten tijde
van het arbeidsgehandicapt worden als zelfstandige werkzaam zijn, doch
tevens aan arbeidsgehandicapte voormalige werknemers die voor het
eerst arbeid als zelfstandige gaan verrichten.
Bij het toekennen van
inkomenssuppletie zal het Lisv moeten nagaan of het aannemelijk is dat
het inkomen uit bedrijf of beroep van betrokkene zodanig zal zijn dat hij
daadwerkelijk in aanmerking zal komen voor inkomenssuppletie. Het
Lisv zal - zoals thans op basis van het Besluit inkomenssuppletie AAW het
geval is - moeten werken met voorschotten waarbij achteraf - jaarlijks -
vaststelling en verrekening zal plaatsvinden.
In het tweede lid van het
onderhavige artikel is geregeld dat de inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of
beroep wordt uitgeoefend,
doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de
eerste toekenning. Als de uitoefening van het bedrijf of beroep wordt
onderbroken, dan eindigt de suppletie. De inkomenssuppletie eindigt
in ieder geval vier jaar na de eerste toekenning, hetgeen verklaard wordt
door de aard van regeling, zijnde een regeling ter overbrugging van inkomensverlies. Indien de arbeidsgehandicapte in de
periode van vier jaar
niet voortdurend inkomenssuppletie heeft genoten, dan eindigt de toekenning
van suppletie desalniettemin na ommekomst van die periode. Hiermee
wordt voorkomen dat nog jaren na de eerste toekenning
inkomenssuppletie kan worden aangevraagd.
In het derde lid is
geregeld dat de inkomenssuppletie voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing en
inhouding als een
uitkering op grond van de WAZ wordt aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat het
Lisv overeenkomstig artikel 56 van de WAZ
op de inkomenssuppletie een
bedrag dient in te houden dat gelijk is aan het bedrag van de premie die
een werkgever op grond van de WW verschuldigd is op het overeenkomstige loon van een werknemer die
verzekerd is op grond van
laatstgenoemde wet.
Artikelen 16 en
18. Hoogte
van de inkomens- en loonsuppletie
De hoogte van de
inkomens- en loonsuppletie wordt uitgedrukt in een percentage van het
verschil tussen de hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering die verkregen zou
worden
indien het feitelijk verdiende loon of inkomen als basis wordt
genomen voor het vaststellen van de verdiencapaciteit en het bedrag van de
feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, of indien geen recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van
de theoretische verdiencapaciteit. Een suppletie kan worden
verkregen indien betrokkene per uur bezien minder verdient dan het uurloon
waarop de theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
De loon- en
inkomenssuppletie zijn gemaximeerd op 20% van de theoretische verdiencapaciteit. Voorts is op grond van het derde lid van de
artikelen 16 en 18 de suppletie gemaximeerd, zodanig dat deze tezamen met de in deze leden
genoemde inkomsten nooit meer bedraagt dan het voor betrokkene
vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO,
WAZ en Wajong.
Indien betrokkene voor
een minder aantal uren werkt dan waartoe hij nog in staat wordt geacht, dient voorkomen te worden dat de suppletie als
compensatie gaat werken
voor het feit dat de inkomsten louter als gevolg van het minder werken
lager zijn dan de theoretisch vastgestelde resterende
verdiencapaciteit. Immers voor de uren waarin de arbeidsgehandicapte nog wel kan werken, doch
dat feitelijk niet doet, is sprake van werkloosheid. In het
tweede lid van de onderhavige artikelen is dan ook geregeld dat in deze
situatie de suppletie evenredig wordt verminderd. Opgemerkt zij, dat indien in het kader van de theoretische schatting vastgesteld is
dat betrokkene minder uren kan werken dan voordat hij
arbeidsongeschikt werd, hij in aanmerking komt voor een volledige suppletie.
Artikel
17. Toekenning van
loonsuppletie
In het eerste lid van
artikel 17 is geregeld dat aan een arbeidsgehandicapte die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt tegen een lager
loon dan zijn bij of
krachtens artikel 2 van de WAZ,
artikel 2 van de
Wajong of artikel 18 van
de WAO vastgestelde loon of inkomen dat hij nog zou kunnen verdienen
(theoretische verdiencapaciteit), loonsuppletie kan worden toegekend. Ook
hier impliceert de verwijzing naar de theoretische verdiencapaciteit dat niet eerder loonsuppletie kan worden
toegekend dan na afloop
van het wachtjaar voor de WAZ, de Wajong
of de WAO, zijnde het moment
waarop die verdiencapaciteit wordt vastgesteld.
Onder het aanvaarden van
werk in dienstbetrekking tegen een lager loon dan de theoretische
verdiencapaciteit valt zowel het in dienst treden bij een nieuwe werkgever
als het aanvaarden van aangepast werk tegen een aangepaste beloning
bij de oorspronkelijke werkgever.
Net als dat het geval was
bij het Besluit loonsuppletie, is het
Lisv bevoegd te bepalen in hoeverre bij het aangaan van dienstbetrekkingen
van zeer korte duur of
geringe omvang loonsuppletie kan worden toegekend.
In het tweede lid van het
onderhavige artikel is geregeld dat de loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking
wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de
eerste toekenning. Perioden waarin wegens ziekte niet wordt gewerkt,
tellen mee als perioden waarover loon wordt ontvangen, hetzij omdat
in verband met de loondoorbetalingsverplichting daadwerkelijk loon wordt
ontvangen, hetzij - zoals in het derde lid geregeld - omdat een
uitkering op grond van de Ziektewet wordt ontvangen.
Als de arbeid in
dienstbetrekking wordt onderbroken en geen loon of ziekengeld wordt ontvangen, dan eindigt de suppletie. Na hervatting van
de arbeid herleeft ook de suppletie. Net als de inkomenssuppletie eindigt
ook het recht op
loonsuppletie in ieder geval vier jaar na de eerste toekenning.
In het vierde lid is
geregeld dat de loonsuppletie voor de toepassing van de wettelijke bepalingen
inzake premieheffing en inhouding als een uitkering op grond van de WAO
wordt aangemerkt. Dit betekent dat het Lisv
(in de
CSV ter zake
van de WAO-uitkering als werkgever aangeduid) over de loonsuppletie
overeenkomstig de bepalingen in de WW en de WAO de werkgeverspremies
verschuldigd is en inhoudingsplichtige is voor de door de werknemer
verschuldigde premies.
Artikel
19.
Overgangsbepaling vervoermiddelen Wvg
Dit artikel komt overeen
met artikel 16 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking en heeft betrekking op in bruikleen
gegeven
leefvervoersvoorzieningen die in het kader van het overgangsrecht van de
Wvg nog door de
uitvoeringsinstellingen worden voortgezet. Bij de totstandkoming van
de Wvg is door de toenmalige staatssecretaris aan het parlement
toegezegd dat bij beëindiging van de verstrekking van een bruikleenauto de
belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld de auto over te nemen (Kamerstukken II
1992-1993, 22 815, nr. 6, blz. 22).
Overigens heeft dit
artikel, behalve op de auto, ook betrekking op andere vervoermiddelen. Zie voor
een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting op artikel
14.
Artikel
20.
Inwerkingtreding
De Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten treedt op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip in werking. Dat tijdstip kan voor verschillende artikelen
verschillend worden vastgesteld. Hoewel naar verwachting de
wet in
haar geheel in werking zal treden, zullen in ieder geval de artikelen
15, 18, 22, 29,
31 en 32 van de wet, de artikelen die de basis vormen voor dit
besluit, tegelijkertijd in werking treden. Voor de inwerkingtreding van dit
besluit is dan ook aangehaakt bij de inwerkingtreding van artikel 15 van
de wet.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
TOELICHTING
bij Besluit van 20
december 2001 tot wijziging van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, Stb. 2001, 694, waarbij artikel 2 en hoofdstuk II van
dat besluit zijn vervangen
Algemeen deel
Bij de Wet van 14 december 2001 tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten
(Belastingplan 2002
V - Socialezekerheidswetgeving) (Stb. 2001, 644) (hierna: Belastingplan 2002 V) worden een aantal artikelen in
de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (hierna te noemen: Wet Rea) ingrijpend
gewijzigd, vervangen of vernummerd. Het betreft met name het vervangen van de
artikelen 15 tot en met 18. Deze wijzigingen werken ook door in het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (hierna te noemen: het besluit).
Door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) is op grond van de bij het Belastingplan
2002 V vervallen bepalingen van de Wet Rea de Regeling werkgeverssubsidies
Rea 2001 (hierna te noemen Regeling
werkgeverssubsidies) getroffen (Besluit van 19 september 2001, Stcrt. 185). Deze regeling
beoogt een regeling te treffen ter invulling van de verplichting tot het
verstrekken van voorzieningen, budgetten en het pakket op maat. Voor
zover zij van belang zijn voor een goede uitvoering van de Wet Rea is de
inhoud van deze regeling ook opgenomen in dit besluit.
Het besluit wordt tevens
aangevuld met een regeling voor de wijze van beoordeling, berekening
en betaling van een subsidie voor extra reïntegratiekosten, als
bedoeld in artikel 16 van de Wet Rea.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
(artikel 2)
Het voorgestelde eerste
lid van artikel 2 van het besluit is een aanpassing van het huidige
artikel 2
van het besluit in verband met het nieuwe artikel 16 van de Wet
Rea. Het ziet op situaties waarin geen subsidie dan wel voorzieningen worden
verstrekt. Het betreft kosten ten behoeve van voorzieningen die
algemeen gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld een bureau op de juiste hoogte
afgesteld) en op kosten waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke
regeling mogelijk is. Deze laatste toevoeging is afkomstig van de Regeling
werkgeverssubsidies.
Uitgangspunt is dat
voorzieningen die vanuit andere beleidsterreinen verstrekt kunnen worden,
ten laste behoren te komen van die andere terreinen, ook als dat
mede leidt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid of de
mogelijkheid tot inschakeling in arbeid. Voorkomen moet immers
worden dat therapieën, geneeskundige behandelingen en genees-
en heelkundige hulpmiddelen voor rekening komen van het
Reïntegratiefonds, omdat bevordering van de gezondheid nu eenmaal ook goed is
voor de arbeidsgeschiktheid en inschakeling in arbeid. Het eerste lid beoogd derhalve te regelen dat verstrekkingen die
bijvoorbeeld vanuit de Ziekenfondswet, Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
standaardpakketpolis kunnen worden verstrekt, op grond van dit besluit kunnen
worden geweigerd.
Het tweede lid maakt een
uitzondering op het eerste lid in die zin dat als een voorziening
vrijwel uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie, vergoeding op grond van
de Wet Rea wel aangewezen kan zijn. Concrete voorbeelden
zijn: orthopedische werkvoorzieningen of speciale gehoorapparatuur.
Dergelijke voorzieningen zijn in een werksituatie niet algemeen gebruikelijk en
komen niet op grond van een andere wettelijke regeling voor vergoeding
in aanmerking.
In het derde lid ligt de
nadruk op het toepassen van een proportionaliteitscriterium.
Dit lid moet gezien
worden als een aanvulling op hetgeen in verband daarmee al is vastgelegd
in de Algemene wet bestuursrecht. Voorkomen moet worden dat extra
luxe voorzieningen worden aangeschaft terwijl er goedkopere alternatieven
op de markt zijn.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 4)
De inhoud van dit artikel
is grotendeels ontleend aan de Regeling werkgeverssubsidies. Er
worden een aantal regels gegeven over de berekening van de
meerkosten, bedoeld in artikel 16 van de Wet Rea.
Het tweede lid bepaalt
dat geen subsidie wordt verleend over de omzetbelasting die aan de
werkgever in rekening is gebracht over de middelen of diensten ter
reïntegratie. De werkgever kan deze immers in aftrek brengen op de
omzetbelasting die hij verschuldigd is. Alleen in die gevallen waarin de
werkgever uitsluitend niet met omzetbelasting belaste diensten verricht of
producten levert, is geen aftrek mogelijk en wordt ook over de omzetbelasting
subsidie verleend.
Het derde lid regelt dat
bij het vaststellen van de hoogte van de meerkosten rekening kan
worden gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de
werkgever. Van een bedrijfseconomisch voordeel is sprake indien de
voorziening een positieve invloed heeft op het bedrijfsresultaat van de werkgever of
indien daardoor de kostprijs van de geproduceerde goederen of geleverde
diensten wordt verlaagd.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 5)
Dit artikel beschrijft de
wijze waarop de hoogte van de subsidie voor meerkosten moet worden
vastgesteld. Er is naar gestreefd om de regeling zo vorm te geven dat enerzijds de administratieve lasten voor de
werkgever en de
uitvoeringstechnische lasten voor het UWV beperkt blijven, zonder dat
anderzijds mogelijkheden worden opengelaten tot oneigenlijk gebruik van
de regeling.
Er is, in het eerste lid,
voor gekozen om werkgevers de mogelijkheid te bieden al bij aanvang van
het dienstverband of op het moment van reïntegratie van een arbeidsgehandicapt geworden werknemer een
subsidie aan te laten
vragen voor de meerkosten. Dit om te voorkomen dat werkgevers omwille
van financiële belemmeringen moeten afzien van het in dienst nemen of
houden van een arbeidsgehandicapte werknemer. Het UWV stelt op het
moment van beoordeling van de aanvraag vast hoeveel naar verwachting
het totaalbedrag van de premiekorting zal bedragen over de gehele
periode waarin een werkgever recht heeft op toepassing van deze
korting. Dat wil zeggen, drie respectievelijk één jaar, of wanneer het
dienstverband is aangegaan voor bepaalde kortere tijd, voor de duur van het
dienstverband. Indien de werknemer na aanvang van de periode van de
premiekorting 65 jaar zal worden, wordt rekening gehouden met het bedrag
van de premiekorting tot het 65e jaar van de werknemer. Basis voor
deze berekening vormen de gegevens zoals die gelden voor de werknemer
bij de aanvang van de dienstbetrekking. Deze informatie is immers in
alle gevallen reeds bij het UWV bekend.
Voor de volledigheid
wordt hier nog opgemerkt dat slechts in een beperkt aantal gevallen
het mogelijk is de eenmaal vastgestelde subsidie te herzien. Artikel 20
van de Wet Rea treft hiervoor een voorziening.
Indien de werkgever ervoor kiest om de subsidie voor meerkosten na ommekomst van de
premiekortingsperiode aan te vragen, regelt het tweede lid dat het UWV
dan uitgaat van de feitelijke premiekorting en niet, zoals in het eerste lid,
van de te verwachten premiekortingen. In die gevallen waarin de
werkgever kosten maakt na afloop van de periode van de premiekorting wordt
met het bedrag van de voordien verleende premiekorting geen
rekening gehouden.
Het derde lid regelt dat
wanneer een werkgever in de periode waarin recht bestaat op premiekorting al subsidie voor meerkosten of subsidie op
grond van artikel 15 van
de Wet Rea heeft ontvangen, het UWV bij het bepalen van de hoogte van
de eventuele subsidie rekening houdt met het bedrag van de betreffende
voorziening waarvoor al een subsidie is vastgesteld. Dit kan zich
voordoen indien voor een werknemer subsidie is verkregen gericht op
reïntegratie bij een andere werkgever (artikel 15 van de Wet
Rea) doch die
werknemer blijft uiteindelijk, ondanks het traject gericht op hervatting bij
een andere werkgever, bij de eigen werkgever in dienst. In deze situatie
is er geen reden om voor deze kosten nogmaals subsidie te verlenen op
grond van artikel 16 van de wet.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 5a)
Dit artikel voorziet in
het treffen van een delegatiebepaling ten behoeve van medisch geïndiceerde reïntegratietrainingen. Slechts die
trainingen komen voor
subsidie in aanmerking die voldoen aan bij ministeriële regeling
gestelde eisen.
Hiervoor wordt een
separate ministeriële regeling getroffen. Vooruitlopende op een meer definitieve
regeling zal in een tijdelijke regeling het tot op heden door het Lisv
ter zake gevoerde beleid vooralsnog worden gehandhaafd [zie Tijdelijke
regeling medisch geïndiceerde reïntegratietrainingen Wet Rea, red.]. De tot op
heden door het Lisv gestelde regels vervallen als gevolg van het opheffen
van het Lisv met ingang van 1 januari 2002. Het betreft een regeling voor
de vergoeding van rugtrainingen en traumabegeleiding. Daarin is onder meer
opgenomen dat het Lisv aan de werkgever niet meer
vergoedt dan 75% van de kosten van de training of begeleiding.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 5b)
Dit artikel is
vergelijkbaar met artikel 4 zoals dat tot op heden luidde. Daarmee wordt
voorkomen
dat ook voor geringe bedragen een subsidie moet worden verstrekt. De uitvoeringslasten blijven zo beperkt.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 5c)
Dit artikel beoogt te
voorzien in het toekennen van subsidie voor meerkosten in het geval
de werknemer het dienstverband verbreekt terwijl de werkgever nog geen aanspraak op premiekorting heeft kunnen maken
en dat in de toekomst als
gevolg daarvan ook niet zal kunnen. Eenzelfde situatie kan zich
voordoen indien uiteindelijk blijkt dat bij de werkgever geen passende arbeid
voorhanden is voor deze werknemer.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 5d)
Deze bepaling is
inhoudelijk gelijk aan artikel 5 zoals dat tot op heden luidde.
Artikel II
Dit besluit treedt in
werking met ingang van dezelfde dag als de Wet van 14 december 2001 tot
wijziging van enkele socialezekerheidswetten (Belastingplan 2002
V - Socialezekerheidswetgeving) (Stb. 2001, 644). Dit is voorzien op 1 januari
2002.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|