|
REGELING houdende regels
voor de subsidiëring van schoonmaakdiensten bij particulieren (Regeling
schoonmaakdiensten particulieren)
12 december 1997/nr. AM/AAB/97/2730
Directie Arbeidsmarkt
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 8,
eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art.
1. Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. werkgever: een natuurlijk of
rechtspersoon die werkgever is als bedoeld in artikel 610 van titel 7.10
van het Burgerlijk
Wetboek, als onderneming is ingeschreven bij de Kamer
van Koophandel, als onderneming haar hoofd- of nevenberoep maakt van het
verrichten van huishoudelijke diensten of daarmee verwante werkzaamheden en
in die hoedanigheid consumentencontracten pleegt te sluiten;
c. arbeidsovereenkomst: een
schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610
van titel 7.10 van het Burgerlijk
Wetboek met de werkgever;
d. consumentencontract: een
schriftelijke overeenkomst van de werkgever met een derde natuurlijk
persoon tot het door zijn werknemer laten verrichten van een bepaald
gevarieerd pakket van huishoudelijke diensten in de particuliere sfeer van die
natuurlijke persoon over een bepaalde periode op een vastgesteld
gemiddeld aantal uren per week en tegen een bedongen prijs;
e. OSB: Ondernemersorganisatie
schoonmaak- en bedrijfsdiensten;
f. verklaring:
een verklaring afgegeven door de Centrale
organisatie werk en inkomen,
genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dat:
1º. de werknemer met wie de werkgever vóór
1 januari 2003 een arbeidsovereenkomst heeft gesloten langdurig werkloze
is, overeenkomstig het vóór die datum bepaalde bij of krachtens
hoofdstuk IV van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen; of
2º. de
werknemer met wie de werkgever na 1 januari 2003 een arbeidsovereenkomst
heeft gesloten minimaal zes maanden als werkloos werkzoekend bij de
Centrale organisatie werk en inkomen ingeschreven heeft gestaan dan wel
naar haar oordeel in vergelijkbare omstandigheden heeft verkeerd;
g. accountant: een accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
2. Subsidieverstrekking
-1. De minister
verstrekt een subsidie aan de werkgever:
a. die een arbeidsovereenkomst heeft
gesloten met een persoon voor wie de Centrale
organisatie werk en inkomen
met inachtneming van hoofdstuk IV van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, zoals deze wet
luidde vóór 1 januari 2003, een verklaring als bedoeld in artikel
1, onderdeel f, onder 1º, heeft afgegeven;
b. die een arbeidsovereenkomst met
een overeengekomen gemiddelde arbeidsduur van ten minste 12 uur per
week, berekend over een periode van dertien weken, heeft gesloten met
een persoon voor wie de Centrale organisatie werk en inkomen een
verklaring als bedoeld in artikel 1, onderdeel f,
onder 2º, heeft afgegeven.
-2. Geen subsidie wordt verstrekt indien
een dienstbetrekking wordt aangegaan als bedoeld in de Wet sociale
werkvoorziening of met toepassing van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand.
-3. Geen subsidie wordt verstrekt indien
de huishoudelijke diensten op basis van de consumentencontracten worden
verleend in de vorm van thuiszorg als bedoeld in artikel 15 van het
Besluit zorgaanspraken Bijzondere Ziektekostenverzekering door
instellingen die daarvoor op grond van de Wet
tarieven gezondheidszorg budget ontvangen.
-4. Geen
subsidie wordt verstrekt aan een werkgever die na 1 oktober 2004 voor
het eerst subsidie aanvraagt.
Art.
2a. Subsidieplafond
Het subsidieplafond per werkgever is van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005
vastgesteld overeenkomstig bijlage B bij deze
regeling.
Art.
3. Subsidieverlening
-1. De minister
verleent de subsidie voor
het in dienst hebben van personen als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
rekening houdend met de omvang van de uitgevoerde werkzaamheden op die
consumentencontracten.
-2. De subsidie aan de werkgever wordt
bepaald aan de hand van het aantal arbeidsuren dat in de
arbeidsovereenkomsten, gesloten met personen als bedoeld in artikel
2,
eerste lid, is overeengekomen, waarbij:
a. de subsidie ten hoogste €|10
245,00
per kalenderjaar bedraagt bij een arbeidsovereenkomst met een
overeengekomen arbeidsduur van 32 uur of meer uren per week en naar rato
wordt verminderd naarmate de arbeidsovereenkomst minder dan één jaar
heeft geduurd of een arbeidsduur heeft van minder dan 32 uur;
b. op jaarbasis het aantal
overeengekomen arbeidsuren in de bedoelde arbeidsovereenkomsten niet
meer bedraagt dan het aantal uren vermenigvuldigd met 1,3 waarop
werkzaamheden op consumentencontracten als bedoeld in het eerste lid
zijn verricht;
c. indien niet voldaan wordt aan
onderdeel b, niet wordt uitgegaan van de overeengekomen arbeidsuren,
maar van het aantal uren vermenigvuldigd met 1,3 waarop werkzaamheden
op consumentencontracten als bedoeld in het eerste lid zijn verricht.
-3. Indien
in de arbeidsovereenkomst geen vast aantal arbeidsuren is overeengekomen
en de gemiddelde arbeidsduur, naar rato van de periode waarover in één
jaar is gewerkt, voldoet aan artikel 2, eerste lid,
wordt bij de toepassing van het tweede lid het subsidiebedrag bepaald
aan de hand van het aantal arbeidsuren waarvoor de werkgever loon heeft
betaald.
Art.
4. Vervallen.
Art.
5. Gegevensverstrekking voor subsidieverlening en -betaling
-1. Namens de minister
geeft OSB op
aanvraag van een werkgever een beschikking tot subsidieverlening.
-2. De subsidie wordt verleend vanaf de
datum van de beschikking tot subsidieverlening.
-3. De subsidieontvanger zendt binnen
dertien weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een afschrift
van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel
2, eerste lid, de op de
werknemer betrekking hebbende verklaring en consumentencontracten aan
OSB.
-4. De minister betaalt de subsidie bij
wijze van voorschot per kwartaal aan de hand van de declaratie met
opgave van de gegevens over arbeidsuren volgens de arbeidsovereenkomst
en de gewerkte uren op consumentencontracten, die gefactureerd zijn.
-5. Indien de subsidie op jaarbasis hoger
is dan de som van de declaraties, bedoeld in het vierde lid, kan de
minister bij wijze van voorschot op basis van een ontvangen
slotdeclaratie een aanvullende subsidie betalen.
-6. De subsidieontvanger draagt, door
tussenkomst van OSB, er zorg voor dat de relevante gegevens over een
kalenderkwartaal, opgenomen in een door hem ondertekende declaratie als
bedoeld in het vierde lid, door de minister zijn ontvangen uiterlijk op
de twintigste van de tweede maand volgende op het kwartaal waarop deze
betrekking heeft.
-7. Het voorschot wordt betaald op of
omstreeks de vijftiende van de maand volgend op de maand waarin de
declaratie is ontvangen. Het voorschot wordt niet verleend indien de
minister van de subsidieontvanger de bescheiden, nodig voor de
subsidievaststelling betreffende voorgaande subsidieverstrekkingen, niet
heeft ontvangen.
-8. Een subsidieontvanger ontvangt op of
omstreeks 15 februari van een kalenderjaar een eenmalig voorschot van
60% van de gemiddelde subsidie over vier kwartalen. Het eenmalige
voorschot wordt berekend aan de hand van de declaratie met opgave van de
gegevens over arbeidsuren volgens de arbeidsovereenkomst en de gewerkte
uren op consumentencontracten die gefactureerd zijn, over het vierde
kwartaal van het jaar dat ligt twee jaar vóór het subsidiejaar en het
eerste tot en met derde kwartaal van het voorafgaande subsidiejaar.
Jaarlijks wordt aan de hand van de ingediende declaraties door de
subsidieontvanger over voornoemde kwartalen bepaald of de hoogte van het
eenmalige voorschot aanleiding geeft tot verhoging of verlaging daarvan.
De financiële verwerking hiervan vindt plaats binnen dertien weken na
kennisgeving aan de subsidieontvanger.
-9. Op verzoek van een subsidieontvanger op
wie het achtste lid niet van toepassing is, kan de minister op een
eerder tijdstip dan bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, een
eenmalig voorschot op de te verstrekken subsidie betalen. Het eenmalige
voorschot bedraagt 60% van de eerst ingediende kwartaaldeclaratie of een
veelvoud daarvan als bedoeld in het vierde lid. Het verzoek vindt plaats
door tussenkomst van OSB.
-10. Op het tijdstip waarop het achtste
lid, eerste volzin, van toepassing wordt op de subsidieontvanger,
bedoeld in het negende lid, wordt het op grond van het negende lid
betaalde eenmalige voorschot verrekend met het eenmalige voorschot
waarvoor hij op grond van het achtste lid in aanmerking komt.
-11. Indien een declaratie over enig
kalenderkwartaal door de minister niet is ontvangen uiterlijk op de
twintigste van de zesde kalendermaand volgend op het kwartaal waarop
deze betrekking heeft, wordt het eenmalige voorschot, bedoeld in het
achtste of negende lid, teruggevorderd.
-12. De subsidieontvanger informeert OSB
schriftelijk binnen vier weken over het tijdstip van beëindiging van
een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
2, eerste lid, en over de
beëindiging van consumentencontracten.
-13. Verrekening of terugvordering van het
voorschot, bedoeld in het achtste of negende lid, vindt plaats indien de
subsidieontvanger geen gebruik meer maakt van deze regeling.
-14. Indien vóór de subsidievaststelling
een verzoek tot faillietverklaring van of verlening van surseance van
betaling aan de subsidieontvanger is ingediend, vindt geen uitbetaling
van voorschotten meer plaats.
Art.
6. Vaststelling subsidie tot en met 2004
-1. De minister
stelt de subsidie per
kalenderjaar vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave.
-2. De subsidieontvanger draagt, door
tussenkomst van OSB, er zorg voor dat de relevante gegevens over een
kalenderjaar, opgenomen in een door hem ondertekende jaaropgave en, voor
zover het daarin vermelde subsidiebedrag hoger is dan €|50
000,00, een
daarop betrekking hebbende verklaring van een accountant, door
de minister zijn ontvangen vóór 1 juli van het jaar volgend op het
jaar waarop de jaaropgave van de werkgever betrekking heeft.
-3. Indien de bescheiden, genoemd in het
tweede lid, niet zijn ontvangen binnen twaalf maanden na het kalenderjaar
waarop deze betrekking hebben, kan de minister de subsidie over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
-4. De vastgestelde subsidie kan van de bij
wijze van voorschot betaalde subsidie afwijken indien de
subsidieontvanger handelt in strijd met deze regeling.
Art.
6a. Vaststelling subsidie 1 januari 2005 tot 1 juli 2005
-1. De minister
stelt de subsidie van 1
januari 2005 tot 1 juli 2005 vast binnen twaalf maanden na ontvangst van
de jaaropgave.
-2. De subsidieontvanger draagt, door
tussenkomst van OSB, er zorg voor dat de relevante gegevens over de
periode van 1 januari 2005 tot 1 juli 2005, opgenomen in een door hem
ondertekende jaaropgave en, voor zover het daarin vermelde
subsidiebedrag hoger is dan €|25
000,00, een daarop betrekking hebbende verklaring
van een accountant, door de minister zijn ontvangen vóór 1 januari
2006.
-3. Indien de bescheiden, genoemd in het
tweede lid, niet zijn ontvangen vóór 1 januari 2006, kan de minister
de subsidie over de in het tweede lid bedoelde periode ambtshalve
vaststellen.
-4. De vastgestelde subsidie kan van de bij
wijze van voorschot betaalde subsidie afwijken indien de
subsidieontvanger handelt in strijd met deze regeling.
Art.
7. Modellen gegevensverstrekking
De declaratie, bedoeld in artikel 5, vierde lid, de slotdeclaratie,
bedoeld in artikel 5, vijfde lid, en de jaaropgave en de verklaring van
de accountant, bedoeld in artikel 6, zijn ingericht volgens de bij deze
regeling behorende modellen. De verklaring is gebaseerd op een onderzoek
dat is uitgevoerd overeenkomstig het bij deze regeling behorende
controle- en rapportageprotocol.
Art.
8. Toezichthouders en informatieverplichtingen
-1. Met het toezicht op de naleving van de
in deze regeling opgenomen verplichtingen zijn belast de Inspectie Werk
en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, en de
Accountantsdienst van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
-2. De subsidieontvanger verstrekt aan de minister
desgevraagd kosteloos alle inlichtingen die hij voor evaluatie,
informatievoorziening en beleidsvorming met betrekking tot deze regeling
nodig heeft en verleent daartoe inzage in ter zake van belang zijnde
bescheiden.
Art.
9. Indexering van bedragen
Indien de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon daartoe aanleiding
geeft, maakt de minister een wijziging van het bedrag, genoemd in
artikel 3, tweede lid, onderdeel a, tijdig vóór
de aanvang van een kalenderjaar bekend.
Art.
9a. Algemene Regeling SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art.
10.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 1998 en vervalt met ingang van 1 juli 2005. De
regeling zoals deze luidt op 30 juni 2005 blijft van toepassing op de
afwikkeling van de subsidie verleend op grond van deze regeling.
-2. Subsidieverlening op basis van de
Regeling experiment marktverruiming in de schoonmaakbranche geldt na de
datum van inwerkingtreding van deze regeling als subsidieverlening op
basis van deze regeling.
-3. De Regeling experiment marktverruiming
in de schoonmaakbranche wordt ingetrokken.
Art.
11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling schoonmaakdiensten
particulieren.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijbehorende bijlagen in de Staatscourant
worden geplaatst.¹
1. De bij deze regeling
behorende bijlagen liggen met ingang van
15 februari 2005 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Stcrt. 2004, 251), red.
’s-Gravenhage, 12
december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
BIJLAGE
A
behorende
bij artikel 4, vierde lid, van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren
Vervallen
m.i.v. 1 januari
2005
(art. I, onderdeel B, Regeling van 20 december 2004, Stcrt. 2004,
251)
Door de werkgever op de peildatum 1 september 2004 te registreren
gegevens van alle bij hem in dienst zijnde werknemers. Deze gegevens
worden ook geregistreerd ten aanzien van werknemers die in de maand
september 2004 in dienst zijn getreden dan wel hun arbeidsovereenkomst
in die maand hebben beëindigd.
Deze gegevens worden voor iedere werknemer
afzonderlijk geregistreerd.
Bedrijfsgegevens
Naam bedrijf:
Persoonsgegevens
- Datum indiensttreding werknemer:
- Is de arbeidsovereenkomst in september 2004 beëindigd?
- Soort arbeidsovereenkomst (tijdelijk of voor onbepaalde tijd):
- Bij een tijdelijke arbeidsovereenkomst de datum waarop de
arbeidsovereenkomst afloopt:
- Aantal vaste uren van de arbeidsovereenkomst per week: ¹
- Wat deed de werknemer voordat hij/zij in de Rsp ² kwam:
a. had een uitkering;
b. had geen uitkering.
1. Als in de
arbeidsovereenkomst geen vast aantal uren per week is opgenomen, wordt
uitgegaan van het aantal arbeidsuren per week dat de uitkomst is van het
aantal arbeidsuren waarover de werkgever loon heeft betaald over de
eerste zes maanden van 2004, gedeeld door 26, waarbij het gemiddelde
aantal uren per week minimaal twaalf uur moet bedragen.
2. Rsp: Regeling schoonmaakdiensten particulieren, red.
BIJLAGE
B
behorende
bij artikel 2a (subsidieplafond per werkgever, stand
1 oktober 2004) ¹
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Naam bedrijf
x |
Aantal
Rsp-
medewerkers |
xxrAantalxxx
fte’s |
Subsidieplafond
tot 1 juli 2005 in euro's |
| Alfa
Schoonmaakservice |
–xxx |
–x |
0,-xxx |
| Avalon
Schoonmaak- en Servicebedrijf |
11xxx |
6,56x |
33
616,-xxx |
| Brom
Schoonmaakbedrijf BV |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Clean
@ Home (Clean at Home) |
5xxx |
2,1875x |
11
205,-xxx |
| Clean
Team NTC |
39xxx |
22,4234375x |
114
864,-xxx |
| Clean4All
BV |
32xxx |
18,796875x |
96
287,-xxx |
| De
Kroon Service- en Schoonmaakdiensten BV |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| De
Poetspoell |
6xxx |
1,90625x |
9
765,-xxx |
| Dokter
Schoonmaakorganisatie BV |
84xxx |
40,78125x |
208
902,-xxx |
| Dokter
Schoonmaakorganisatie BV |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Domestic
Staff BV |
5xxx |
2,03125x |
10
405,-xxx |
| D'r
Sjalter Stichting Werkcorporatie Kerkrade |
4xxx |
2,75x |
14
087,-xxx |
| Eclatant
Schoonmaakbedrijf v.o.f. |
–xxx |
–x |
0,-xxx |
| FM
Mega Handelsonderneming, Schoonmaakbedrijf en Uitzendbureau |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Gascogne
Particulier |
63xxx |
27,90625x |
142
950,-xxx |
| Glas-
en Schoonmaakservice Wessang |
7xxx |
3,609375x |
18
489,-xxx |
| Herman's
Cleaning Service |
6xxx |
3,81875x |
19
562,-xxx |
| HHC
Huishoud Hulp Centrale |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Home
Care Service v.o.f. |
5xxx |
2,34375x |
12
006,-xxx |
| Home
Maid BV |
43xxx |
32,65625x |
167
282,-xxx |
| Homecleaners
Noord BV |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Homecleaners
Services BV |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Homecleaners
West BV |
83xxx |
56,34375x |
288
621,-xxx |
| Inside
Cleaning Service BV |
5xxx |
2,96875x |
15
207,-xxx |
| J.
Gort Bedrijfsdiensten |
15xxx |
15x |
76
838,-xxx |
| Kelvin
Bedrijfsdiensten BV |
–xxx |
–x |
0,-xxx |
| KooBo
Particuliere Dienstverlening BV |
28xxx |
29,53125x |
151
274,-xxx |
| Kriek
Holding BV / Den Heijer Schoonmaakbedrijf BV |
31xxx |
25,3515625x |
129
863,-xxx |
| Langeweg
Bedrijfsdiensten v.o.f. |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Mooi-Thuis
BV |
72xxx |
48,59375x |
248
921,-xxx |
| Nieuwe
Bezems Regioservice v.o.f. |
3xxx |
2,25x |
11
526,-xxx |
| Nieuwe
Bezems v.o.f. |
24xxx |
17,7578125x |
90
964,-xxx |
| NIVO
Noord BV |
13xxx |
10,578125x |
54
186,-xxx |
| Paletti
Holding BV |
54xxx |
35,6875x |
182
809,-xxx |
| Particuliere
Thuiszorg Nederland |
22xxx |
12,34375x |
63
231,-xxx |
| Schoonmaakbedrijf
J & A |
1xxx |
1x |
5
123,-xxx |
| Schoonmaakbedrijf
Luinge BV |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Schoonmaakbedrijf
Te Wierik Salland |
26xxx |
17,421875x |
89
244,-xxx |
| Schoonmaakbedrijf
Tiemersma |
23xxx |
11,74x |
60
138,-xxx |
| SchoonSchip |
20xxx |
10,746875x |
55
051,-xxx |
| Servicecentrum
Te Plak |
5xxx |
2,78125x |
14
247,-xxx |
| Stichting
Dienstenwinkel |
28xxx |
13,59375x |
69
634,-xxx |
| Stichting
Domestica |
18xxx |
13,125x |
67
233,-xxx |
| Stichting
Emilia Te Plak Lekkum |
11xxx |
5,59375x |
28
654,-xxx |
| Stichting
Te Plak Weidum |
7xxx |
3,28125x |
16
808,-xxx |
| Stichting
Te Plak Workum |
6xxx |
2,4375x |
12
486,-xxx |
| Stichting
Thuishulp (voorheen Home Works) |
59xxx |
35,28125x |
180
728,-xxx |
| STIPT
Dienstverlening BV |
36xxx |
35,59375x |
182
329,-xxx |
| Surplus
Plushulp BV |
23xxx |
11,578125x |
59
309,-xxx |
| Suzi's
Huishoudelijke Dienst Beek en Donk |
28xxx |
20,6875x |
105
972,-xxx |
| Te
Plak |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Wijk
Schoonmaakbedrijf |
0xxx |
0x |
0,-xxx |
| Woonmooi
BV |
139xxx |
101,515625x |
520
014,-xxx |
| x |
xxx |
x |
xxx |
| Totaal |
1090xxx |
711x |
3
639 829,-xxx |
1. Een streepje "–"
betekent dat er geen informatie is ontvangen.
TOELICHTING
[12 december 1997]
Algemeen
Ter inleiding
De Regeling schoonmaakdiensten particulieren [ook wel
Wittewerkstersregeling genoemd, red.] strekt ertoe de markt van
huishoudelijke dienstverlening structureel te verruimen door een
subsidie. Bij brief van 16 september 1997 is de Tweede Kamer der
Staten-Generaal geïnformeerd over het voornemen tot de regeling en de
afwegingen die daarbij zijn gemaakt (brief van 16 september 1997,
kenmerk AM/AAB/97/1833).
In vergelijking met de dienstensector als
geheel blijft in Nederland de ontwikkeling van de markt van persoonlijke
dienstverlening achter. Uit onderzoek ¹ blijkt dat met name in de
huishoudelijke dienstverlening een substantieel potentieel aan werk
blijft liggen, door mensen zelf wordt gedaan of informeel wordt
uitbesteed. Relatief hoge loonkosten zijn mede debet hieraan.
Een gerichte maatregel die aangrijpt op de
prijsstelling kan bijdragen aan de ontwikkeling van de markt van
huishoudelijke dienstverlening. Dit bevordert de werkgelegenheid, met
name voor laagopgeleiden. Een blijvende verandering van de
loonkostenstructuur in betreffend segment van de arbeidsmarkt vormt een
aanvulling op het meer algemene kabinetsbeleid tot lastenverlichting en
op de specifieke lastenverlichting aan de onderkant van de arbeidsmarkt,
in casu de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA).
De regeling is een instrument van zowel
werkgelegenheids- als arbeidsmarktbeleid. Als zodanig past deze regeling
bij de subsidies waarop de Kaderwet
SZW-subsidies betrekking heeft. De
Regeling schoonmaakdiensten particulieren is een ministeriële regeling
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van genoemde
wet. Dit betekent
dat op de subsidie in de eerste plaats titel 4.2 van de
Algemene wet
bestuursrecht (Awb) van toepassing is en dat vervolgens de bepalingen
uit de Kaderwet SZW-subsidies en de daarop gebaseerde algemene
SZW-subsidieregeling [Algemene
Regeling SZW-subsidies, red.] gelden. De Regeling schoonmaakdiensten
particulieren bevat alleen de meer specifieke bepalingen over de aard
van de activiteiten en specifieke voorschriften die te maken hebben met
deze subsidie.
1. Onder meer Mot en
Paape, Behoeften en effectieve vraag van
alleen- en tweeverdieners, OSA, 1995.
Voorgeschiedenis van
de regeling
De regeling bouwt voort op en trekt lering uit het Tijdelijk besluit
subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden (EAU)
[ook wel Melkert-II-regeling genoemd, red.] en de
Regeling experiment marktverruiming in de schoonmaakbranche (De
SchoonmaakSter).
De EAU maakt het mogelijk dat bijstandsuitkeringen tijdelijk worden ingezet voor een loonkostensubsidie.
Uitkeringsgerechtigden kunnen op deze manier werkervaring opdoen. Enkele
projecten in dit kader richt(t)en zich hoofdzakelijk op schoonmaakwerk
bij particulieren thuis. De EAU expireert op 31 december 1998. (Ex-)werknemers kunnen doorstromen naar de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren.
Toegespitst op huishoudelijke dienstverlening
startte daarnaast per 1 juni 1996 De SchoonmaakSter. In drie regio’s
(Eindhoven, Arnhem en Rotterdam) ontvingen schoonmaakbedrijven onder
bepaalde voorwaarden gedurende maximaal twee jaar een subsidie in de
loonkosten als zij bijstandsgerechtigden in dienst namen. De subsidie
was bedoeld voor het concurrerend met de informele markt kunnen laten
verrichten van schoonmaakwerk bij particulieren thuis. Deze tijdelijke
regeling is per 1 januari 1998 ingetrokken; de subsidiëring wordt
voortgezet op basis van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren (artikel
10).
Belangrijke verschilpunten van de nieuwe
regeling ten opzichte van de EAU en De SchoonmaakSter zijn het
structurele karakter van de subsidie, het hogere subsidiebedrag en de
ruimere doelgroep. Voorts stelt de regeling zelf geen eisen aan de
beloning van de werknemer.
Tweeledige
doelstelling van de regeling
Enerzijds beoogt de regeling de markt van huishoudelijke dienstverlening
te verruimen. De regeling beperkt zich hierbij vooralsnog tot
schoonmaakdiensten. Voor zover particulieren schoonmaakwerk uitbesteden,
vindt dat tot dusverre nagenoeg uitsluitend in het informele circuit
plaats. De markt die potentieel te winnen is, is hier het grootst. Vraag
en aanbod in de sfeer van tuinonderhoud en reparaties aan of in huis
weten elkaar ook nu reeds deels te vinden op de reguliere markt. Wanneer
voldoende ervaring is opgedaan met de regeling, zal worden bezien of de
werkingssfeer kan worden verbreed naar andere vormen van huishoudelijke
dienstverlening, zonder dat de regeling bestaande werkgelegenheid
verdringt en de concurrentieverhoudingen onaanvaardbaar verstoort.
Anderzijds beoogt de regeling de inschakeling
van met name laagopgeleide werkzoekenden in het arbeidsproces. De
regeling voorziet hiertoe in een subsidie voor het in dienst hebben van
een werknemer in de zin van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA), onderdeel vermindering
langdurig werklozen (VLW). De naadloze koppeling aan de WVA bevordert
consistentie in beleid en samenhang in regelgeving.
Doelgroep van de
regeling
De doelgroep van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren - in de
zin van de werknemer voor wie een werkgever in aanmerking komt voor
subsidie - is gelijk aan die van de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering in het kader van de WVA. Het betreft personen die
in principe langer dan twaalf maanden zonder onderbreking als werkloos
werkzoekende staan ingeschreven bij het arbeidsbureau [zie Centrum
voor werk en inkomen (CWI), red.]. Bepaalde werkzame
perioden tellen mee voor de berekening van de werkloosheidsduur.
Bovendien geldt (tot en met 1998) in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam,
Den Haag, Utrecht, Heerlen, Nijmegen, Groningen en Arnhem een termijn
van een halfjaar in plaats van één jaar, gelet op de hoge
werkloosheid aldaar. In tegenstelling tot de EAU en De SchoonmaakSter
hoeven de werknemers voorheen niet uitkeringsgerechtigd te zijn geweest.
Uiteraard is een substantiële instroom van uitkeringsgerechtigden wel
wenselijk, zowel beleidsmatig als uit oogpunt van financiering van de
regeling.
Ook stelt de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering bepaalde groepen gelijk aan langdurig werklozen,
ongeacht de werkloosheidsduur. Zo zijn bijvoorbeeld personen
gelijkgesteld van wie de arbeidsovereenkomst in het kader van de EAU of
De SchoonmaakSter maximaal drie maanden geleden is beëindigd.
Werking van de
regeling
Een werkgever ontvangt een subsidie van maximaal ƒ19 000,- per
kalenderjaar per arbeidsovereenkomst (artikel 3). Dit bedrag is
gebaseerd op een arbeidsovereenkomst van 32 of meer uren per
kalenderweek. De subsidie wordt toegekend naar rato van het aantal
maanden dat de arbeidsovereenkomst duurt. Bij een arbeidsovereenkomst
van minder dan 32 uur per week is de subsidie eveneens naar rato lager.
Met inachtneming van de overeengekomen arbeidsduur kan de feitelijke
werktijd per week variëren.
Een arbeidsovereenkomst van minder dan 15 uur
per week komt niet in aanmerking voor subsidiëring (artikel
2, eerste
lid). Dit vloeit voort uit de voorwaarden van de WVA. Voor een
arbeidsovereenkomst van die omvang geeft de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] geen verklaring langdurig werkloze af
(artikel 10, eerste lid, WVA). Ook wanneer geen recht meer bestaat op de
vermindering langdurig werklozen - en de werkgever voor betreffende
werknemer nog wel aanspraak wil blijven maken op de subsidie op grond
van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren - blijft het vereiste
gehandhaafd van een arbeidsovereenkomst van minimaal 15 uur per week.
Subsidie wordt in beginsel verleend voor
werknemers voor wie de Arbeidsvoorzieningsorganisatie - op grond van
de WVA - een verklaring langdurig werkloze heeft afgegeven. Wil de
werkgever ook daadwerkelijk subsidie ontvangen, dan dient hij
consumentencontracten te hebben gesloten op grond waarvan ook
daadwerkelijk schoonmaakwerk bij particulieren thuis is verricht.
De werkgever is vrij om te bepalen voor welke
werkzaamheden hij de werknemer voor wie hij subsidie ontvangt, inzet.
Genoemde werknemer hoeft niet noodzakelijk (alleen) werkzaamheden uit te
voeren die uit de consumentencontracten voortvloeien. Dit werk kan
(deels) ook worden gedaan door niet-gesubsidieerde werknemers. De
mogelijkheid van combitaken en uitwisselbaarheid van werknemers binnen
het bedrijf of de instelling geeft ruimte voor een bedrijfsmatige
aanpak en afwisseling in werk. Wanneer evenwel in enig kalenderjaar het
aantal gewerkte uren op de consumentencontracten in verhouding lager
ligt dan het aantal - voor subsidie in aanmerking komende - arbeidsuren uit de arbeidscontracten, dan wordt de subsidie vastgesteld
op basis van het aantal gewerkte en gefactureerde uren op de
consumentencontracten. Hiermee wordt bereikt dat alleen subsidie wordt
verstrekt in de mate waarin de werkgever werkzaamheden laat verrichten
op de particuliere schoonmaakmarkt en aldus bijdraagt aan
marktverruiming. Ligt andersom het aantal gewerkte en gefactureerde uren
op consumentencontracten hoger dan het aantal - voor subsidie in
aanmerking komende - arbeidsuren, dan wordt de subsidie vastgesteld op
basis van het aantal arbeidsuren uit de arbeidscontracten. Hiermee wordt
bereikt dat alleen subsidie wordt verstrekt in de mate waarin de
werkgever werknemers in dienst heeft die behoren tot de doelgroep.
Uitvoering van de
regeling
Ondernemersorganisatie schoonmaak- en bedrijfsdiensten (OSB) heeft een
belangrijke faciliërende rol in de promotie en uitvoering van de
regeling. Eén en ander is nader neergelegd in de uitvoeringsovereenkomst
die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met OSB sluit.
OSB fungeert als intermediair tussen de
werkgever als subsidieontvanger en de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid als subsidieverstrekker. Het betreft enerzijds het geven
van een beschikking namens de minister aan de werkgever die subsidie
aanvraagt en anderzijds het na verificatie doorzenden aan de minister
van relevante gegevens voor de subsidieverlening, -betaling en -vaststelling
(artikel 5 en 6, tweede lid).
Genoemde diensten kunnen in opdracht van de
minister bij uitstek door OSB worden verricht, omdat deze organisatie
vanuit de markt eenvoudig toegang tot werkgevers heeft. Zeker in aanvang
komt een dergelijke benadering van potentiële subsidieontvangers de
effectiviteit van de regeling ten goede. Daarbij speelt ook een rol dat
OSB de verschillende uitvoeringstaken kan verenigen en in ieder geval
met de juiste kennis kan aansturen. De minister kan daarom dit totaal
van taken niet op dezelfde wijze aan een ander uitbesteden.
Toezicht op de
regeling
De rol van OSB in de uitvoering laat onverlet dat er een directe
subsidierelatie bestaat tussen de werkgever als subsidieontvanger en de minister
als subsidieverstrekker. De verantwoordelijkheid voor de
subsidieverlening en -betaling ligt bij de minister.
Toezicht op de naleving van de verplichtingen
die aan de subsidieontvanger zijn opgelegd, vindt plaats door het
ministerie en zijn toezichtsorganen. In eerste aanleg gebeurt dit door
middel van controle op de juistheid van subsidiegegevens die de
werkgever verstrekt door tussenkomst van OSB. Ten behoeve van
bevoorschotting en verantwoording van subsidie dient de werkgever
gebruik te maken van de modelformulieren die de regeling voorschrijft (artikel
7). Het betreft de declaratie met opgave van de gegevens over
arbeidsuren uit de arbeidsovereenkomsten die in aanmerking komen voor
subsidie en de gewerkte en gefactureerde uren op consumentencontracten (artikel
5, vierde lid). Daarnaast betreft het de jaaropgave die
voorzien moet zijn van een accountantsverklaring waaruit ondubbelzinnig
blijkt dat alleen subsidie is gedeclareerd en verantwoord waarvoor
aanspraak bestaat krachtens de regeling (artikel 6, tweede lid).
In tweede aanleg kan ook een controle van de
administratie bij de subsidieontvanger plaatsvinden. De werkgever is
verantwoordelijk voor een zodanige inrichting van de administratie dat
alle relevante gegevens in het kader van de regeling zichtbaar en
controleerbaar zijn vastgelegd. Van de administratie moeten in ieder
geval deel uitmaken de arbeidsovereenkomsten, de consumentencontracten
(conform de begripsomschrijving van artikel 1, onderdeel d) en de daarbij
behorende facturen (artikel 4, tweede lid). Voorts dient de werkgever - wanneer hij voor betreffende werknemer in aanmerking wil blijven
komen voor subsidie - een afschrift van de verklaring langdurig
werkloze te bewaren, ook als dat voor de WVA
zelf niet langer nodig is.
Op grond van artikel 9 van de WVA
dient de werkgever de verklaring
langdurig werkloze te bewaren bij de loonadministratie. Evenals andere
documenten moet de werkgever deze verklaring opnemen bij de
loonadministratie ten behoeve van de heffing van loonbelasting tot ten
minste vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking is geëindigd of tot ten minste vijf jaar nadat de VLW
van toepassing was. Dit laatste kan onvoldoende lang zijn in verband met
het toezicht op de uitvoering van de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren.
Op basis van de met name genoemde documenten
kan zo nodig worden beoordeeld of de werknemer voor wie de werkgever
subsidie ontvangt ook daadwerkelijk voor hem werkt en subsidiabel is en
of daadwerkelijk het te subsidiëren schoonmaakwerk wordt verricht.
Overeenkomstig de Awb kan het
niet nakomen van
subsidieverplichtingen leiden tot het weigeren of lager vaststellen van
de subsidie.
Handhaafbaarheid van de
regeling
Op het bezwaar en beroep
tegen de subsidiebeschikking en -vaststelling is de Awb van toepassing.
Gelet op het eenduidige karakter van de regeling zullen hier naar
verwachting niet veel conflicten over ontstaan. Voor zover wel
conflicten ontstaan, zullen deze waarschijnlijk grotendeels in de
bezwaarfase kunnen worden afgedaan. Toename van de belasting van de
rechterlijke macht (de bestuursrechter) wordt niet verwacht.
Samenloop met andere
regelgeving
Naast de subsidie op
grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren kan de werkgever
- zoals iedere andere werkgever - ook aanspraak maken op
afdrachtskortingen van de WVA. Uiteraard moet dan wel zijn voldaan aan
de voorwaarden van de WVA. Met name zijn te noemen de Vermindering lage
lonen (SPAK [specifieke afdrachtskorting, red.]) en de
vermindering langdurig werklozen (VLW), waaraan
toetsloongrenzen zijn verbonden.
De regeling
schoonmaakdiensten particulieren stelt overigens zelf geen voorwaarden
aan de beloning van de werknemer. De werkgever is uiteraard wel gehouden
aan de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden, krachtens wetgeving en
vigerende collectieve arbeidsovereenkomst.
Het gerichte
werkgelegenheidsdoel van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
rechtvaardigt in algemene zin ook de mogelijkheid van samenloop met
arbeidsmarktmaatregelen mede gericht op versterking van het
arbeidsaanbod. De regeling zelf kent hierop twee uitzonderingen, te
weten een dienstbetrekking met een gemeente in het kader van de
Wet
sociale werkvoorziening (Wsw) of de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) (artikel 2, tweede lid). Deze dienstbetrekkingen worden al geheel
gesubsidieerd en worden daarom hier niet in aanmerking genomen. In alle
andere gevallen is samenloop met andere subsidieregelingen mogelijk,
tenzij dat op grond van die andere regelingen is uitgesloten.
Tevens wordt geen
subsidie verstrekt indien de schoonmaakdiensten bestaan uit het
verlenen van thuiszorg door thuiszorginstellingen (artikel
2, derde
lid). Deze instellingen worden voor het leveren van thuiszorg
gefinancierd via de Wet
tarieven gezondheidszorg en de kosten van de
thuiszorgvoorzieningen vallen onder de zorgvoorzieningen die op grond
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (of de
Ziekenfondswet en de
Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen) (grotendeels) aan de
zorgbehoevende worden vergoed. De thuiszorg als omschreven in artikel 15
van het Besluit zorgaanspraken Bijzondere Ziektekostenverzekering omvat
hulp van huishoudelijke aard. Gelet op deze financiering via
overheidsbijdragen is aanvullende subsidiëring door het Rijk aan de
instelling als werkgever voor het laten verrichten van die
thuiszorgwerkzaamheden niet aan de orde, ook al maakt die het mogelijk
langdurig werklozen daarvoor in dienst te nemen.
Bedrijfseffecten die
uitgaan van de regeling
De directe effecten van
de regeling blijven beperkt tot die bedrijven of instellingen die
subsidie aanvragen. Op basis van een eerste tentatieve marktverkenning
raamt OSB dit aantal structureel op een paar honderd ondernemingen/vestigingen. Dit is ruim 5% van het aantal werkgevers conform de
definitie van de CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Het
bereik van de regeling is mede afhankelijk van de mate waarin het
daadwerkelijk lukt om de particuliere schoonmaakmarkt te ontginnen en de
mogelijke stimulans die hiervan uitgaat op de verdere ontwikkeling van
die markt.
De subsidie van maximaal ƒ19 000,- per arbeidsovereenkomst per jaar is bedoeld om de
loonkostenstructuur in het betreffende segment van de markt blijvend te
veranderen. De subsidie maakt het voor een werkgever mogelijk een
kostprijs te berekenen die concurrerend is met het informele circuit. De
lasten die hier tegenover staan zijn terug te voeren tot
administratieve verplichtingen die noodzakelijk zijn voor een correcte
subsidieverstrekking, -verlening, -betaling en -vaststelling. OSB
vervult een belangrijke rol in de uitvoering van de regeling en neemt de
afzonderlijke subsidieontvangers het nodige werk uit handen.
Gelet op de eerder
beschreven tweeledige beleidsdoelstelling en de manier waarop daaraan
uitwerking is gegeven, draagt de regeling zowel bij aan marktwerking als
aan creatie van werkgelegenheid voor met name laagopgeleide
werkzoekenden. Eveneens op basis van de marktverkenning van OSB wordt
de marktverruiming geschat op een jaarlijks omzetvolume van structureel
ƒ200 miljoen en het structurele aantal arbeidsjaren dat hiermee
gemoeid is op 5000.
Artikelsgewijs
Artikel 1.
[Begripsomschrijvingen,
red.]
Uit onderdeel b volgt dat een werkgever niet voor subsidie in aanmerking
komt als deze zelf geen consumentencontracten sluit waarop hij zijn
werknemers schoonmaakwerk laat verrichten. Betrokken werknemers dienen
onder toezicht of leiding van de werkgever te staan, waardoor er geen
sprake kan zijn van ter beschikking stellen van arbeidskrachten voor het
laten verrichten van schoonmaakwerk bij particulieren thuis.
Voorts moet de werkgever
als ondernemer zijn ingeschreven bij de Kamer van
Koophandel. Hij moet
het laten verrichten van schoonmaakwerk dus bedrijfsmatig uitvoeren. De
regeling staat - met inachtneming van het voorgaande - ook open voor
een werkgever die schoonmaakdiensten als nevenactiviteit aanbiedt.
Uiteraard zijn ook dan alleen schoonmaakdiensten bij particulieren thuis
subsidiabel. De formulering van het begrip werkgever sluit aan bij die
van de CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf
Volgens onderdeel d is
een consumentencontract een schriftelijk contract dat de omvang en aard
der schoonmaakwerkzaamheden beschrijft. Om oneerlijke concurrentie te
voorkomen, is bepaald dat het een gevarieerd pakket betreft en dus niet
slechts één of enkele (gespecialiseerde) typen werkzaamheden. Alleen
dan is er voldoende garantie op marktverruiming. Naast deze nadere
bepaling van het schoonmaakwerk moet het contract ook aangeven over
welke periode de werkzaamheden worden verricht en tegen welke prijs.
Hierbij kan het overigens ook gaan om een opdracht tot eenmalig
schoonmaken.
De formulering van
onderdeel d brengt voorts mee dat het gaat om schoonmaakwerk in en aan
het huis van een particulier; de zogenoemde zakelijke dienstverlening
wordt daarmee uitgesloten. Dienstverlening ten behoeve van bewoners van
zorginstellingen en verzorgingshuizen wordt opgevat als zakelijke
dienstverlening. Voorts voorkomt de formulering dat de werkgever een
consumentencontract met zichzelf kan sluiten.
Artikelen 3 en
9. [Subsidieverlening;
Indexering van bedragen, red.]
Om daadwerkelijk te
kunnen concurreren met de informele markt bepaalt het eerste lid dat de
werkgever voor de uitgevoerde werkzaamheden op consumentencontracten
niet meer mag vragen dan ƒ17,50 per uur, inclusief BTW. De
maximering van de consumentenprijs beoogt bovendien te voorkomen dat
duurdere (specialistische) diensten gesubsidieerd worden verricht. Dit
zou verdringing van werkgelegenheid en verstoring van de
concurrentieverhoudingen met zich kunnen brengen. Daarnaast draagt de
maximering van de consumentenprijs ook bij aan de beleidsdoelstelling
van inschakeling van met name laagopgeleide werkzoekenden.
Het tweede lid regelt de
subsidiemaatstaf. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het
aantal - voor subsidie in aanmerking komende - arbeidsuren uit de
arbeidscontracten of het aantal gewerkte en gefactureerde uren op de
consumentencontracten. Het laagste aantal van deze twee bepaalt de
subsidiehoogte. Voor vergelijking van de twee grootheden wordt het
aantal gewerkte uren op consumentencontracten vermenigvuldigd met 1,2.
Op deze manier houdt de subsidie rekening met de arbeidsuren die de
werkgever de consument niet in rekening kan brengen. Het betreft
vakantie- en feestdagen en werktijd die nodig is voor overleg,
begeleiding en opleiding. Bij de evaluatie van de regeling (zie
toelichting bij artikel 8) vormt de omrekeningsfactor van 1,2 één van
de aandachtspunten.
Zowel het subsidiebedrag
als de maximumconsumentenprijs zijn geïndexeerd conform artikel 9 van
de regeling.
Artikel
5. [Gegevensverstrekking voor subsidieverlening en
-betaling, red.]
OSB geeft namens
de minister op aanvraag de beschikking tot subsidieverlening af. Bij OSB
komen immers ook de voor de subsidieverlening relevante gegevens binnen.
Met de aanvraag geeft de werkgever aan voor subsidie in aanmerking te
willen komen. Dit betekent dat OSB in eerste instantie toetst of de
aanvrager werkgever is in de zin van deze regeling. De beschikking tot
subsidieverlening houdt in dat de werkgever die in aanmerking wil komen
voor subsidie aan de vereisten van deze regeling voldoet en voor
subsidie in aanmerking komt voor het verrichten van de te subsidiëren
activiteiten (het in dienst hebben van een werknemer als bedoeld in deze
regeling en het zijn aangegaan van consumentencontracten). Voor de
verhouding tussen de minister en OSB zijn de bepalingen over mandaat in
de Awb van toepassing.
OSB zorgt ervoor dat de
feitelijke betaling tot stand zal komen zodra de werkgever de
arbeidsovereenkomsten, VLW-verklaringen en consumentencontracten heeft
verstrekt. Om geen lege beschikkingen te handhaven, is in het derde lid
bepaald dat de werkgever als subsidieontvanger binnen drie maanden
deze gegevens verstrekt.
Gelet op de systematiek
van vaststelling van het subsidiebedrag - gerelateerd aan onder meer
de duur van de arbeidsovereenkomst - wordt in het algemeen de subsidie
feitelijk verleend vanaf de datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst
en de consumentencontracten, echter niet eerder dan vanaf de datum
waarop de beschikking is verleend (tweede lid).
Het subsidiebedrag wordt
vastgesteld op de wijze als in deze regeling is bepaald (artikel 3 en
6). De minister betaalt de subsidie bij wijze van voorschot op
declaratie (vierde lid).
Artikel
6. [Vaststelling
subsidie, red.]
In tegenstelling tot de
Algemene
Regeling SZW-subsidies schrijft artikel 6 in alle gevallen een
verklaring van een accountant voor bij de gegevens die worden verstrekt
voor de subsidievaststelling. De grens van een subsidiebedrag van boven
ƒ100 000,- geldt niet. Dit gelet op het structurele karakter van de
regeling. Uit die Algemene Regeling SZW-subsidies vloeit wel voort dat de
subsidieontvanger ervoor zorg dient te dragen dat de accountant
meewerkt aan onderzoeken die door of namens de minister
worden
ingesteld.
Artikel
8. [Toezichthouders en
informatieverplichtingen, red.]
Het eerste lid wijst de
toezichthouders aan voor het toezicht op de naleving van de
verplichtingen die aan de subsidieontvanger zijn opgelegd. Met de
aanduiding van die personen - onder wie personen die werkzaam zijn bij
de Accountantsdienst van het ministerie - wordt voldaan aan de
aanwijzing als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies. Daarom is deze regeling ook op dat artikel gebaseerd.
Deze personen hebben de bevoegdheden van toezichthouders als geregeld in
afdeling 5.2 (artikel 5:11 en volgende) van de
Awb. De toezichthouder
mag bij de uitoefening van zijn bevoegdheden alle noodzakelijke
inlichtingen vorderen en de subsidieontvanger is verplicht binnen
redelijke termijn alle medewerking te verlenen. Tot de bevoegdheden
horen ook het inzage vorderen in gegevens en bescheiden.
Het tweede lid van dit
artikel heeft betrekking op de verplichting informatie te verstrekken
voor de evaluatie van en beleidsvorming rond de regeling. Dit betreft
een specifieke informatieverplichting die daarom hier apart is
geregeld.
De Raad voor de
Arbeidsverhoudingen in de Schoonmaakbranche (RAS) zal worden betrokken
bij de evaluatie en de eventuele toekomstige bijstelling van de regeling
naar aanleiding daarvan. Evaluatie zal plaatsvinden twee jaar nadat de
regeling in werking is getreden.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|