|
REGELING van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 september
2005, nr. AM/SAM/05/67062, houdende
regels met betrekking tot de
beëindiging van de subsidiëring van
schoonmaakdiensten bij particulieren
(Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring
schoonmaakdiensten particulieren)
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3,
eerste lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. werkgever: de werkgever,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van
de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005;
c. Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst die
op grond van artikel 2 van de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren 2005 wordt gesubsidieerd;
d. werknemer: de werknemer die
op 1 september 2005 werkzaam is
op grond van een Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst, waarvan de overeengekomen
duur in ieder geval eindigt
na 1 januari 2006;
e. positieve uitstroom: het
beëindigen van een Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst, waarbij de persoon die op grond van de Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst werkzaam
was aansluitend op, dan wel
binnen vier weken na, de beëindiging van
die Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst:
1º. op grond van een andere
schriftelijke arbeidsovereenkomst, dan wel
een aanstelling in openbare dienst, ten
minste zes maanden werkzaam is
tegen een loon dat of een bezoldiging
die ten minste gelijk is aan het loon dat
de werkgever op grond van de Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst over een
periode van zes maanden verschuldigd was; dan wel
2º. ten minste zes
maanden als zelfstandige werkzaam is en in die
periode geen aanspraak doet op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Wet werk en bijstand of het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen
2004, dan wel indien op het tijdstip van
de beëindiging van de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst reeds aanspraak op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet of de Wet werk en bijstand
bestond, geen aanspraak doet op een
hogere uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of de Wet werk en bijstand;
f. reïntegratiebedrijf:
natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het
kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf de inschakeling van
personen in het arbeidsproces bevordert;
g. arbodienst: een arbodienst
als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
h. BOREA Keurmerk
Reïntegratie: het keurmerk van de
Brancheorganisatie reïntegratiebedrijven te
Tilburg;
i. OSB: Ondernemersorganisatie schoonmaak- en
bedrijfsdiensten;
j. accountant: een accountant
als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 2.
Algemene Regeling SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art. 3.
Subsidie
loonkosten
-1. De minister verleent op
aanvraag aan een werkgever gedurende het
kalenderjaar 2006 een subsidie als bijdrage in de loonkosten van zijn
werknemer.
-2. De subsidie, bedoeld in het
eerste lid, is gelijk aan de subsidie
waarop de werkgever op grond van
artikel 4 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005, zoals die luidde
onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze regeling, aanspraak
zou hebben indien geen toepassing zou
zijn gegeven aan artikel 7,
eerste lid, tot een maximum van het aantal bij
de werkgever in dienst zijnde Rsp-medewerkers, genoemd in
bijlage 1 als
bedoeld in artikel 3 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005. Op de
hoogte van de subsidie, bedoeld in
de eerste volzin, blijft artikel 10
van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005 van toepassing.
-3. Indien gedurende het
kalenderjaar 2006 met betrekking tot een
werknemer positieve uitstroom als bedoeld in artikel 1, onderdeel
e, onder 1º,
naar een andere werkgever wordt
gerealiseerd, wordt de subsidie, bedoeld in het
eerste lid, met betrekking tot de
loonkosten van die werknemer op dezelfde
voet voortgezet tot uiterlijk het einde van
de duur van de arbeidsovereenkomst
met die werknemer, dan wel indien de
duur van die arbeidsovereenkomst van
onbepaalde tijd is of een bepaalde tijd
heeft die voortduurt na 1 januari 2006, tot uiterlijk 1 januari 2007.
-4. Het derde lid is niet van toepassing
indien aansluitend op, dan wel binnen zes maanden na de beëindiging van
de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst, met de persoon die op grond van die Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst werkzaam was een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 3
van de Wet sociale werkvoorziening
wordt gesloten, een dienstbetrekking wordt aangegaan als bedoeld in die
wet, een dienstbetrekking wordt
aangegaan met toepassing van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand,
dan wel een dienstbetrekking wordt aangegaan waarbij anderszins subsidie
als bijdrage in de loonkosten van die persoon of compensatie voor aan
die persoon verbonden kosten wordt verleend.
Art. 4.
Subsidie
reïntegratieactiviteiten werkgever
-1. De minister
verleent aan de
werkgever aan wie op grond van artikel 3, eerste lid, subsidie wordt
verleend een subsidie als bijdrage in de
kosten van de door de werkgever verrichte activiteiten gericht op positieve
uitstroom van zijn werknemers.
-2. De subsidie, bedoeld in het
eerste lid, bedraagt €|1500,00 per
werknemer die op 1 september 2005 op grond
van een Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst bij de werkgever werkzaam
is, tot een maximum van het aantal
bij de werkgever in dienst zijnde Rsp-medewerkers, genoemd in
bijlage 1 als
bedoeld in artikel 3 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005.
Art. 5.
Subsidie kosten reïntegratiebedrijf/arbodienst
-1. De minister
verleent aan de
werkgever aan wie op grond van artikel 3, eerste lid, subsidie wordt
verleend een subsidie als bijdrage in de
kosten van de door de werkgever ingekochte
diensten van een reïntegratiebedrijf
of een arbodienst gericht op positieve
uitstroom van zijn werknemers.
-2. De subsidie, bedoeld in het
eerste lid, bedraagt 100% van de door
het reïntegratiebedrijf of de arbodienst in rekening gebrachte en door de
werkgever feitelijk betaalde kosten van diensten
tot een maximum van €|3000,00 per
werknemer. Geen subsidie wordt verleend
voor zover het betreft onredelijk
gemaakte kosten of kosten die
redelijkerwijs niet passen in het kader van de
positieve uitstroom.
-3. De subsidie, bedoeld in het
eerste lid, wordt slechts verleend
indien de in rekening gebrachte en door de werkgever feitelijk betaalde kosten
betrekking hebben op diensten die zijn
verricht door een reïntegratiebedrijf dat
of arbodienst die in het bezit is van het
BOREA Keurmerk Reïntegratie, dan
wel voldoet aan de criteria die ten
grondslag liggen aan het verlenen van het
BOREA Keurmerk Reïntegratie, op basis van
een schriftelijke overeenkomst
met de werkgever, waarin in ieder geval is
vastgelegd:
a. de aard, de omvang en de
kosten van de door het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst te verrichten diensten;
b. het resultaat dat met de
door het reïntegratiebedrijf of de
arbodienst te verrichten diensten wordt
beoogd;
c. de verplichting voor het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst om de
werkgever te informeren over de voortgang van de feitelijk verrichte
werkzaamheden en het per werknemer bereikte
resultaat;
d. de verplichting voor het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst om te
waarborgen dat ingeval met de werkgever overeengekomen werkzaamheden
of delen daarvan door het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst worden
uitbesteed aan een derde, die derde
eveneens voldoet aan de criteria die ten
grondslag liggen aan het verlenen van
het BOREA Keurmerk Reïntegratie;
e. de verplichting voor het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst om te
waarborgen dat ingeval met de werkgever overeengekomen werkzaamheden
of delen daarvan door het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst worden
uitbesteed aan een derde, het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst geheel en
zonder voorbehoud kan voldoen aan zijn
verplichtingen jegens de werkgever.
-4. De minister kan op een
daartoe strekkend verzoek van een andere
werkgever dan de werkgever die de voor
subsidie in aanmerking te brengen
diensten van een reïntegratiebedrijf of
een arbodienst heeft ingekocht de in het
eerste lid bedoelde subsidie geheel of
gedeeltelijk aan die andere werkgever verlenen indien door die andere
werkgever onder overlegging van
bewijsstukken wordt aangetoond dat de werkgever
die de voor subsidie in aanmerking
te brengen diensten van een
reïntegratiebedrijf of een arbodienst heeft ingekocht zijn bedrijfsactiviteiten heeft
beëindigd. Indien de in het eerste lid
bedoelde subsidie geheel of gedeeltelijk aan
een andere werkgever dan de werkgever
die de voor subsidie in aanmerking
te brengen diensten van een
reïntegratiebedrijf of een arbodienst heeft
ingekocht, wordt verleend, zijn het tweede en
het derde lid van overeenkomstige
toepassing op die andere werkgever.
Art. 6.
Subsidie
positieve uitstroom
-1. De minister
verleent aan de
werkgever aan wie op grond van artikel 3, eerste lid, subsidie wordt
verleend een subsidie voor de realisatie
van positieve uitstroom van zijn
werknemers.
-2. De subsidie, bedoeld in het
eerste lid, wordt verleend tot een
maximum van het aantal bij de werkgever in dienst zijnde Rsp-medewerkers,
genoemd in bijlage 1 als bedoeld in
artikel 3 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005, en bedraagt per
werknemer €|3440,00 bij een Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst waarin
een arbeidsduur van 32 uur of
meer per week is overeengekomen.
Indien in de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst een kortere arbeidsduur dan
32 uur per week is
overeengekomen, wordt de subsidie per werknemer
naar rato verlaagd.
-3. De subsidie, bedoeld in het
eerste lid, wordt slechts verleend,
indien de positieve uitstroom:
a. naar een andere werkgever
uiterlijk met ingang van 1 januari 2007
wordt gerealiseerd; dan wel
b.
binnen het bedrijf van de werkgever of als zelfstandige op of na
1 januari 2007 wordt gerealiseerd.
-4. De
subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend indien
aansluitend op, dan wel binnen zes maanden na de beëindiging van de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst, met de persoon die op grond van die Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst werkzaam was een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 3
van de Wet sociale werkvoorziening
wordt gesloten, een dienstbetrekking wordt aangegaan als bedoeld in die wet,
een dienstbetrekking wordt aangegaan met toepassing van een voorziening
als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand,
dan wel een dienstbetrekking wordt aangegaan waarbij anderszins subsidie
als bijdrage in de loonkosten van die persoon of compensatie voor aan
die persoon verbonden kosten wordt verleend.
Art. 7.
Cumulatie
subsidie
-1. Met ingang van de datum
waarop aan een werkgever subsidie op
grond van artikel 3, eerste lid, wordt verleend, beëindigt de
minister de
subsidie die op grond van artikel 4 van de
Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005
aan de werkgever wordt
verleend.
-2. Indien aan de werkgever
subsidie op grond van artikel 3, eerste
lid, wordt verleend, wordt een eenmalig voorschot als bedoeld in artikel
5,
achtste lid, van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren, dan wel een eenmalig
voorschot als bedoeld in artikel 5,
negende lid, van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren, niet bij de
subsidievaststelling op grond van artikel 7 van de
Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005
in aanmerking genomen, maar bij de
subsidievaststelling op grond van artikel 12 van deze regeling.
-3. Voor zover op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005 aan de werkgever subsidie is
betaald die betrekking heeft op een
periode waarop ook aanspraak op subsidie op
grond van artikel 3, eerste lid,
bestaat, wordt de subsidie op grond van de
Regeling schoonmaakdiensten
particulieren 2005 met de subsidie op grond van
artikel 3, eerste lid, verrekend.
-4. Bij de aanvraag tot
subsidieverlening op grond van artikel 3,
eerste lid, verklaart de werkgever schriftelijk ermee in te stemmen dat de subsidie
op grond van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren 2005 met ingang van de in
het eerste lid genoemde datum
wordt beëindigd, alsmede dat
reeds betaalde subsidie op grond van de
Regeling schoonmaakdiensten
particulieren 2005 die betrekking heeft op een
periode waarop ook aanspraak op
subsidie op grond van artikel 3, eerste
lid, bestaat, met de subsidie op grond van
artikel 3, eerste lid, wordt verrekend.
-5. De minister verleent slechts
subsidie op grond van deze regeling
nadat hij de in het vierde lid bedoelde verklaring van de werkgever heeft
ontvangen.
Art. 8.
Subsidieaanvrager
-1. De subsidie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, wordt aangevraagd door
de werkgever.
-2. De subsidie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5,
eerste lid, en 6, eerste lid, wordt verstrekt
aan de subsidieaanvrager. Indien toepassing is gegeven aan artikel
5,
vierde lid, wordt met betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel
5, eerste lid,
een andere werkgever als bedoeld in artikel 5,
vierde lid, als subsidieaanvrager
aangemerkt.
Art. 9.
Subsidieaanvraag
-1. De minister
ontvangt de
aanvraag tot subsidieverlening op grond
van artikel 3, eerste lid, door tussenkomst van OSB. Deze aanvraag wordt
uiterlijk 1 november 2005 door OSB ontvangen.
-2. De subsidieaanvrager maakt
bij de indiening van de aanvraag tot
subsidieverlening gebruik van het daarvoor
door de minister verstrekte
formulier, dat is ingericht overeenkomstig het model van bijlage 1 bij deze regeling.
Art. 10.
Gegevensverstrekking voor subsidieverlening en
-betaling
-1. De beslissing op de aanvraag
tot subsidieverlening wordt uiterlijk 15 december 2005 door de minister
genomen.
-2. Namens de minister geeft OSB
met betrekking tot het verlenen
van subsidie op grond van artikel 3,
eerste lid, een beschikking tot
subsidieverlening.
-3. De subsidie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, wordt verleend met
ingang 1 januari 2006.
-4. De minister betaalt de
subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, bij wijze van voorschot per kwartaal.
De betaling met betrekking tot het
eerste kwartaal van het jaar 2006 vindt
plaats aan de hand van de aanvraag tot
subsidieverlening. De betaling met betrekking
tot onderscheidenlijk het
tweede, derde en vierde kwartaal van het jaar
2006 vindt plaats aan de hand van een
declaratie met opgave van gegevens over arbeidsuren volgens de
arbeidsovereenkomst en het aantal arbeidsuren
waarvoor de werkgever loon heeft betaald. In de declaratie vermeldt de
subsidieaanvrager tevens het aantal werknemers
met wie de arbeidsovereenkomst
is beëindigd, telkens de
ingangsdatum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, alsmede het aantal
werknemers ten aanzien van wie sprake
is van positieve uitstroom.
-5. Het voorschot, bedoeld in
het vierde lid, is met betrekking tot
het eerste kwartaal van het jaar 2006 in hoogte
gelijk aan de subsidie waarop de
subsidieaanvrager in het derde kwartaal van
het jaar 2005 op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005
aanspraak had.
-6. De subsidieaanvrager maakt
bij de indiening van een declaratie
als bedoeld in het vierde lid, gebruik van het daarvoor door de minister verstrekte
formulier, dat met betrekking tot het
tweede kwartaal van het jaar 2006
is ingericht overeenkomstig het model van
bijlage 2a bij deze regeling, met
betrekking tot het derde kwartaal van het
jaar 2006 is ingericht overeenkomstig het
model van bijlage 2b bij deze regeling
en met betrekking tot het vierde
kwartaal van het jaar 2006 is ingericht
overeenkomstig het model van bijlage 2c bij
deze regeling.
-7. De subsidieaanvrager draagt, door
tussenkomst van OSB, er zorg voor dat de relevante gegevens over
onderscheidenlijk het tweede en derde kwartaal van het jaar 2006,
opgenomen in een door hem ondertekende declaratie als bedoeld in het
zesde lid, door de minister zijn ontvangen uiterlijk op de twintigste
van de tweede maand volgende op het kwartaal waarop deze betrekking
heeft. De subsidieaanvrager draagt er zorg voor dat de relevante
gegevens over het vierde kwartaal van het jaar 2006, opgenomen in een
door hem ondertekende declaratie als bedoeld in het zesde lid, door de minister
is ontvangen uiterlijk op de twintigste van de tweede maand volgende op
het kwartaal waarop deze betrekking heeft.
-8. Het voorschot, bedoeld in
het vierde lid, met betrekking tot het
eerste kwartaal van het jaar 2006 wordt betaald op of omstreeks 15 april 2006.
Het voorschot, bedoeld in het vierde lid,
met betrekking tot onderscheidenlijk het tweede, derde en vierde
kwartaal van het jaar 2006 wordt betaald
op of omstreeks de dertigste van
de maand volgend op de maand waarin
de declaratie is ontvangen. Het voorschot,
bedoeld in het vierde lid, wordt
niet verleend indien de minister van de
subsidieaanvrager de bescheiden, nodig voor de subsidievaststelling
betreffende voorgaande subsidieverstrekkingen, niet heeft ontvangen.
-9. Indien vóór de
subsidievaststelling een verzoek tot
faillietverklaring van of verlening van surseance van betaling aan de subsidieaanvrager is
ingediend, vindt geen uitbetaling van
een voorschot als bedoeld in het vierde
lid meer plaats.
-10. De subsidie, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, wordt uiterlijk
betaald tezamen met het voorschot, bedoeld in het vierde lid, met betrekking
tot het vierde kwartaal van het jaar 2006.
Indien de minister besluit tot gehele
of gedeeltelijke betaling van deze
subsidie op een eerder tijdstip, doet hij
daarvan mededeling in de Staatscourant.
-11. De subsidie, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, en 6, eerste
lid, wordt na subsidievaststelling vanaf het kalenderjaar 2007 betaald.
Art. 11.
Administratieverplichting
-1. De subsidieaanvrager draagt
er zorg voor dat de administratie
voor de uitvoering van deze regeling zodanig
wordt ingericht dat alle van
belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het
besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en
verantwoordingsproces tijdig, zichtbaar en controleerbaar
zijn vastgelegd.
-2. Van de administratie maken
in ieder geval deel uit:
a. de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomsten die op en na 1 september 2005 van kracht zijn;
b. de loonstaten vanaf 1
september 2005;
c. de overeenkomsten met een
reïntegratiebedrijf of een arbodienst;
d. de informatie van het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst aan de
werkgever over de voortgang van de feitelijk verrichte werkzaamheden en het per
werknemer bereikte resultaat;
e. facturen met betrekking tot
de door een reïntegratiebedrijf of
een arbodienst in rekening gebrachte diensten en bescheiden met betrekking tot door de
werkgever feitelijk betaalde kosten van de
ingekochte diensten van een
reïntegratiebedrijf of een arbodienst;
f. bescheiden op grond waarvan
positieve uitstroom kan worden
vastgesteld.
Art. 12.
Vaststelling
subsidie
-1. De minister
ontvangt van de subsidieaanvrager uiterlijk 1 juli 2007 een einddeclaratie,
waarin alle relevante
gegevens zijn opgenomen met betrekking tot
de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, 4, eerste lid, en 5, eerste
lid. Met betrekking tot de subsidie, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, ontvangt de
minister van de subsidieaanvrager uiterlijk 1 januari
2009 een einddeclaratie, waarin alle
relevante gegevens zijn opgenomen met
betrekking tot die subsidie. De einddeclaratie met betrekking tot de
subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4,
eerste lid, en 5, eerste lid, dan wel de
einddeclaratie met betrekking tot de subsidie,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, is
telkens bij een subsidie boven €|50 000,00
voorzien van een verklaring van een
accountant.
-2. De minister stelt de
subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst van
de einddeclaratie met
betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, 4, eerste lid, en 5, eerste
lid, en indien vereist de daarop betrekking
hebbende verklaring van een
accountant, en binnen twaalf maanden na ontvangst van
de einddeclaratie met
betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, en indien vereist de daarop betrekking hebbende verklaring van een
accountant.
-3. Indien de bescheiden,
genoemd in het eerste lid, met betrekking
tot de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste
lid, 4, eerste lid, en 5, eerste
lid, uiterlijk 1 oktober 2007 niet door de
minister zijn ontvangen, kan de minister de subsidie, bedoeld in artikel
3, eerste
lid, 4, eerste lid, en 5, eerste
lid, ambtshalve vaststellen. Indien de
bescheiden, genoemd in het eerste lid,
met betrekking tot de subsidie, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, uiterlijk 1
januari 2009 niet door de minister zijn
ontvangen, kan de minister de subsidie,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, ambtshalve
vaststellen.
-4. De vastgestelde subsidie kan
van de bij wijze van voorschot
betaalde subsidie afwijken indien de subsidieaanvrager handelt in strijd met deze
regeling. Indien de subsidieaanvrager
in het kader van de subsidieaanvraag of
in het kader van de einddeclaratie
onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel
voor subsidieverlening of subsidievaststelling
relevante gegevens heeft
achtergehouden, kan de minister de subsidie,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4, eerste
lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, intrekken
of ten nadele van de subsidieaanvrager
wijzigen.
Art. 13.
Modellen
gegevensverstrekking
De einddeclaratie, en indien
vereist de verklaring van een
accountant, zijn ingericht overeenkomstig de modellen
van bijlagen 3 en 4 bij deze
regeling. De verklaring van een accountant is
gebaseerd op een controle die is
uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling voorgeschreven
controle- en rapportageprotocol.
Art. 14.
Terugvordering
-1. Na de subsidievaststelling
is de subsidieaanvrager verplicht een te veel
ontvangen voorschot onverwijld terug
te betalen, tenzij de minister tot verrekening op andere wijze heeft
besloten.
-2. Bij terugvordering van
onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten wordt de subsidieaanvrager
aansprakelijk gesteld voor
de met de terugvordering verband
houdende kosten. Tevens wordt in dat geval
overgegaan tot het in rekening brengen
van de wettelijke rente.
Art. 15.
Toezichthouders
en informatieverplichtingen
-1. Met het toezicht op de
naleving van de in deze regeling
opgenomen verplichtingen is belast het Agentschap van
het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
-2. De subsidieaanvrager
verstrekt aan de minister
desgevraagd
kosteloos alle inlichtingen die hij voor evaluatie, informatievoorziening en
beleidsvorming met betrekking tot deze
regeling nodig heeft en verleent
daartoe inzage in ter zake van belang zijnde
bescheiden.
-3. De subsidieaanvrager draagt
er zorg voor dat de accountant
kosteloos meewerkt aan door of namens de minister in te stellen onderzoeken. De
daaraan verbonden kosten worden geacht te zijn begrepen in de subsidie.
Art. 16. Wijziging
Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005
Na artikel 12 van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren 2005 wordt een nieuw artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 12a. Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring
schoonmaakdiensten particulieren
-1. Met ingang van de datum waarop aan de subsidieaanvrager subsidie op
grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke
subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten
particulieren wordt verleend, beëindigt de minister
de subsidie op grond van artikel 4 van deze
regeling.
-2. Indien aan de subsidieaanvrager subsidie op grond van artikel
3, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging
subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren wordt verleend, wordt een
eenmalig voorschot als bedoeld in artikel 5,
achtste lid, van de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren, dan wel een eenmalig voorschot als bedoeld in artikel
5, negende lid, van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren niet bij de subsidievaststelling op
grond van artikel 7 in aanmerking genomen,
maar bij de subsidievaststelling op grond van artikel 12
van de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring
schoonmaakdiensten particulieren.
-3. Voor zover op grond van deze regeling subsidie is betaald die
betrekking heeft op een periode waarop ook aanspraak op subsidie op
grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke
subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten
particulieren bestaat, wordt de subsidie op grond van deze regeling met
de subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, van de
Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring
schoonmaakdiensten particulieren verrekend.
Art. 17.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst en vervalt
met ingang van 1 januari 2010.
-2. In afwijking van het eerste
lid blijft deze regeling, zoals die
luidt op 31 december 2009, van
toepassing op de afwikkeling van de subsidie,
bedoeld in deze regeling.
Art. 18.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling
beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren.
Deze regeling zal met de
toelichting en bijlage 1 in de
Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 2a,
2b, 2c, 3, 4, en 5 worden met ingang van 1
december 2005 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van
Sociale Zaken en werkgelegenheid te Den Haag.
Den Haag, 7 september 2005.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof.
BIJLAGE
1
Model als bedoeld in
artikel 9, tweede lid
Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
Datum ontvangst:
Retour zenden aan:
OSB
postbus 3265
5203 DG ’s-Hertogenbosch
Aanvraagformulier voor
toepassing van de Tijdelijke
subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren
Betreft:
Naam bedrijf (werkgever):
Contactpersoon:
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
Bank-/gironummer:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Met dit aanvraagformulier
als bedoeld in artikel 9, tweede lid,
van de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring
schoonmaakdiensten particulieren (Tsbssp) dient de werkgever een aanvraag in
voor
loonkostenkostensubsidie ingevolge artikel 3, eerste
lid, Tsbssp. Dit
aanvraagformulier strekt mede tot het vaststellen van
subsidie als bedoeld in de artikelen 4,
eerste lid, 5, eerste lid en 6, eerste lid, Tsbssp.
De werkgever verzoekt de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid om hem met ingang van 1 januari
2006 in aanmerking te brengen voor
subsidieverlening op grond van de Tijdelijke
subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten
particulieren.
De werkgever verklaart:
1. ermee in te stemmen dat de
subsidie op grond van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren 2005 (Rsp 2005) met ingang van 1 januari
2006 wordt beëindigd;
2. ermee in te stemmen dat
reeds betaalde subsidie op grond van de Rsp
2005 die betrekking heeft op een periode waarop ook aanspraak bestaat op
subsidie op grond van artikel 3, eerste
lid, van de Tsbssp, wordt verrekend met
subsidie op grond van artikel 3,
eerste lid, de Tsbssp;
3. dat hij voor in de annex
opgegeven werknemers subsidie op grond
van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005 ontvangt en deze
werknemers op 1 september 2005 nog
steeds bij hem werkzaam zijn in het kader
van de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren 2005, en dat hij met deze
werknemers een schriftelijk aangegane
arbeidsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld
in artikel 610 van titel 7.10
van het Burgerlijk
Wetboek die nog doorloopt
tot na 1 januari 2006;
4. dat hij ermee bekend is dat
hij voor het aantal werknemers en het
aantal uren dat zij bij hem
werkzaam zijn, tot het maximum, bedoeld in bijlage 1 van artikel 3 Rsp
2005, in
aanmerking komt voor subsidie;
5. ermee bekend te zijn dat de
annex integraal deel uitmaakt van
deze aanvraag.
Ondergetekende verklaart
deze aanvraag deugdelijk en naar waarheid
te hebben opgesteld.
Plaats:
Datum:
Naam:
Handtekening:
Annex bij de aanvraag van:
Naam bedrijf (werkgever):
Adres:
Postcode:
Woonplaats:
Handtekening:
Gegevens van de werknemers
die op basis van een met hen gesloten arbeidsovereenkomst per 1 september 2005 nog bij
bovengenoemde werkgever werkzaam zijn:
|
Annex [...] van totaal
aantal annexen [...]r1
|
| xxx |
Naam
werknemerr2 [achternaam,
initialen]
|
Geboortedatum
[dd-mm-jjjj]
|
Begindatum
arbeidsovereen-
komst
[dd-mm-jjjj]
|
Arbeidsovereenkomst
onbepaalde duur (VC)/bepaalde duur (TC)r3
bij bepaalde duur looptijd en einddatum opgeven |
Arbeidsduurx|
[uren/week]r4
|
| 1 |
|
|
|
|
|
| 2
|
|
|
|
|
|
| 3
|
|
|
|
|
|
| 4
|
|
|
|
|
|
| 5
|
|
|
|
|
|
| 6
|
|
|
|
|
|
| 7 |
|
|
|
|
|
| 8 |
|
|
|
|
|
| 9 |
|
|
|
|
|
| 10 |
|
|
|
|
|
| 11
|
|
|
|
|
|
| 12
|
|
|
|
|
|
| 13
|
|
|
|
|
|
| 14
|
|
|
|
|
|
| 15
|
|
|
|
|
|
| 16
|
|
|
|
|
|
| 17
|
|
|
|
|
|
| 18
|
|
|
|
|
|
| 19
|
|
|
|
|
|
| 20
|
|
|
|
|
|
1. Heeft de werkgever meer
dan 20 werknemers in dienst, dan vult hij nog een annex in en stuurt deze tezamen
met de aanvraag naar OSB.
Het volgnummer respectievelijk het totale aantal annexen wordt hier
ingevuld.
2. De werknemer is de persoon
met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft en voor wie hij subsidie
op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren
2005 ontvangt.
3. Aangeven door VC of TC [vast contract of tijdelijk contract, red.]
in
te vullen wat van toepassing is. Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
duur de looptijd en
einddatum opnemen.
4. Dit betreft het aantal
overeengekomen arbeidsuren per week volgens de arbeidsovereenkomst en waarover
de werkgever loon heeft
betaald. Betreft het een gesubsidieerde arbeidsovereenkomst zonder vast aantal arbeidsuren per week,
dan moet worden uitgegaan van het aantal arbeidsuren per week waarover loon is betaald en dat is
opgenomen in de door de werkgever verstrekte opgave op de peildatum 1
september 2005.
TOELICHTING
[7 september 2005]
Algemeen
In juni 2005 heeft overleg
plaatsgevonden met de Vaste Commissie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
de Tweede Kamer der
Staten-Generaal over de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren (Rsp). Bij het
algemeen overleg op 29 juni 2005 is
de brief van 18 mei 2005 (Kamerstukken II 2004-2005, 29 544, nr. 22) over de
markt voor persoonlijke dienstverlening behandeld en heb ik toegezegd de
motie-Bussemaker (Kamerstukken II 2004-2005, 29
544, nr. 25) over het voortzetten van
de Rsp en de afbouwregeling voor bedrijven die onvoldoende uitzicht hebben
op voortbestaan uit te voeren.
De Rsp is voortgezet met
ingang van 1 juli 2005, met de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren 2005 (hierna te noemen: Rsp 2005). Het
uiteindelijke perspectief voor de Rsp 2005 is eindig. De regeling zal echter blijven
voortbestaan totdat er in overleg met de
Tweede Kamer een alternatief is
vastgesteld voor het stimuleren van de
markt voor persoonlijke
dienstverlening, hetzij de conclusie is getrokken dat
er geen alternatief voorhanden is.
De Rsp-bedrijven worden ook
in de gelegenheid gesteld om
gebruik te maken van de onderhavige (afbouw)regeling. Deze regeling is
conform de eerder met OSB gemaakte
afspraken (Kamerstukken II 2004-2005, 29
544, nr. 8). Deze regeling stelt
bedrijven in staat op een fatsoenlijke manier
hun bedrijfsvoering af te bouwen en te
beëindigen, zonder dat werknemers hier
de dupe van worden.
Reïntegratie-inspanningen voor de werknemers staan centraal
om werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen.
Kiezen voor deze regeling
houdt tevens in dat met ingang van
de subsidieverlening van deze regeling de deelname aan de Rsp
2005 wordt stopgezet.
De onderhavige regeling
bestaat uit vier componenten, te weten:
a. een subsidie aan de
werkgever als bijdrage in de loonkosten
van zijn werknemer;
b. een subsidie als bijdrage in
de kosten van de door de werkgever
verrichte activiteiten gericht op positieve
uitstroom van zijn werknemers;
c. een subsidie als bijdrage in
de kosten van de door de werkgever
ingekochte diensten van een reïntegratiebedrijf of een arbodienst gericht op
positieve uitstroom van zijn werknemers;
d. een subsidie aan de
werkgever voor de realisatie van positieve
uitstroom van zijn werknemers.
De subsidie als bijdrage in
de loonkosten van de werknemer wordt
gefinancierd uit het Rsp-budget over 2006. De overige componenten worden
gefinancierd uit het Rsp-budget over
2007. De uitbetaling van die componenten vindt dan ook op z’n vroegst in
het jaar 2007 plaats.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Onderdeel b
Voor de
begripsomschrijving van werkgever in onderdeel b wordt
aangesloten op de omschrijving van
werkgever in artikel 1, onderdeel b,
van de Rsp 2005. Ook deze regeling heeft derhalve betrekking op de werkgever die is
opgenomen in bijlage 1 als bedoeld
in artikel 3 van de Rsp
2005.
Onderdeel c
Met
Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst in onderdeel c wordt
eveneens aangesloten op de Rsp 2005.
In het kader van deze regeling wordt
onder een Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst verstaan: een schriftelijk aangegane
arbeidsovereenkomst als
bedoeld in artikel 610 van titel 7.10 van
het Burgerlijk
Wetboek met de werkgever,
die op grond van artikel 2 van
de Rsp 2005 wordt gesubsidieerd.
Onderdeel d
Onder werknemer in het
kader van deze regeling wordt verstaan:
de werknemer die arbeid verricht op grond van een Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst, die nog doorloopt in
2006. Het gaat hierbij om de werknemers die op 1 september 2005 al bij
de werkgever in dienst waren. Immers bij
de aanvraag voor subsidie als bedoeld
in artikel 9 van de regeling moet de
werkgever opgave doen van de
werknemers die op 1 september 2005 bij hem
in dienst zijn. Over het algemeen zal het
bij Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomsten gaan om
arbeidsovereenkomsten die aangegaan zijn voor
onbepaalde tijd. Het kan echter ook
voorkomen dat werknemers werkzaam zijn
op basis van een Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Een
dergelijke arbeidsovereenkomst moet
dan zijn aangegaan vóór of uiterlijk op 1
september 2005 en nog voortduren na
1 januari 2006.
Onderdeel e
Centraal in de regeling
staat de reïntegratie van werknemers. Voorkomen
moet worden dat de werknemer voor zijn levensonderhoud een
beroep op een uitkering moet doen. Bij positieve
uitstroom komt de werkgever in
aanmerking voor subsidie. In
onderdeel e is omschreven aan welke
elementen moet zijn voldaan, wil van
positieve uitstroom gesproken kunnen worden.
De Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst moet zijn beëindigd. In
aansluiting op die beëindiging of
binnen vier weken daarna moet de werknemer een andere schriftelijke
arbeidsovereenkomst hebben gesloten, dan wel in
openbare dienst zijn aangesteld. Een
derde mogelijkheid is dat een Rsp-gesubsidieerde werknemer ervoor kiest zich als
zelfstandige te vestigen in aansluiting
op de beëindiging van zijn (Rsp-gesubsidieerde) arbeidsovereenkomst. De
regeling zelf stelt geen specifieke
eisen met betrekking tot het aannemelijk maken
of een ex-werknemer als zelfstandige is gaan werken. Voldoende is dat
bescheiden (zie ook artikel 11,
tweede lid, onderdeel f) worden overgelegd op
grond waarvan de minister in
redelijkheid kan aannemen dat de betrokken ex-werknemer daadwerkelijk als
zelfstandige werkzaam is geweest. Dit
zou kunnen blijken uit de
definitieve aanslag inkomstenbelasting 2007,
maar ook uit andere documenten. Voor
de goede orde zij er in dit verband op
gewezen dat louter (een afschrift van) een
zogenaamde verklaring arbeidsrelatie
onvoldoende is om aan te nemen dat de
ex-werknemer daadwerkelijk heeft
gewerkt als zelfstandige.
De werknemer die is
uitgestroomd naar een andere baan
moet gedurende ten minste zes maanden in
die nieuwe baan of aanstelling
werkzaam zijn. Voorts moet de werknemer
met die arbeid een salaris
verdienen dat berekend over die periode van zes
maanden ten minste gelijk is aan
het loon dat hij verdiende op grond van de Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst.
De werknemer die zich
heeft gevestigd als zelfstandige moet
gedurende ten minste zes maanden
als zelfstandige werkzaam zijn. Ook deze
ex-werknemer moet als zelfstandige ten minste hetzelfde verdienen als hij
voordien op grond van de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst verdiende, hetgeen wordt aangenomen indien hij die
periode geen aanspraak doet op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Wet werk en bijstand of het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen
2004, dan
wel, indien op het tijdstip
van de beëindiging van de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst reeds aanspraak op een
uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of de Wet werk en
bijstand bestond, geen aanspraak doet op
een hogere uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of de Wet werk en
bijstand.
Onderdeel h
Zoals reeds gesteld, staat
reïntegratie van de werknemer centraal.
Het is immers van belang dat de
bedrijven die de werkgever inschakelt bij de
uitvoering van de reïntegratietrajecten
van de werknemers voldoen aan bepaalde
kwaliteitseisen. In verband hiermee is in
onderdeel h het BOREA Keurmerk
Reïntegratie opgenomen. De reïntegratiebedrijven
of arbodiensten die door de
werkgever worden ingeschakeld,
moeten, zo blijkt uit artikel 5, derde lid, of in het bezit zijn van het BOREA
Keurmerk Reïntegratie of anders moeten zij
aantonen dat ze voldoen aan de
criteria die aan het behalen van het keurmerk
worden gesteld.
Artikel 2
De onderhavige regeling
wijkt evenals de Rsp 2005 vanwege doel
en karakter op onderdelen wezenlijk af
van het stelsel waarop de op de Kaderwet
SZW-subsidies gebaseerde Algemene
Regeling SZW-subsidies is gebaseerd. Daarom is ook in de regeling
bepaald dat de Algemene Regeling SZW-subsidies
niet van toepassing is.
Artikel 3
Dit artikel regelt de
subsidie in de loonkosten. In het eerste lid is
bepaald dat de minister op aanvraag van de werkgever aan hem een subsidie
verleent als bijdrage in de loonkosten van zijn
werknemer gedurende het
kalenderjaar 2006.
Voor de hoogte van de
subsidie wordt aangesloten bij de
subsidie waarop de werkgever aanspraak zou hebben gehad als artikel 4 van de
Rsp 2005 nog op hem van toepassing was tot
het maximum aantal werknemers dat
voor de werkgever in de bijlage bij de Rsp 2005
["bijlage 1, behorende bij artikel 3 (subsidieplafond per werkgever) (Rsp stand
op 1 oktober 2004)"] is
opgenomen. De hoogte van het subsidiebedrag wordt, wanneer daartoe aanleiding
is, overeenkomstig artikel 10 van de Rsp
2005 gewijzigd.
In het derde lid is
geregeld dat de loonkostensubsidie op
dezelfde voet wordt voortgezet als in
de loop van het kalenderjaar 2006 een
werknemer positief uitstroomt naar een
andere werkgever. Dit houdt in dat de subsidie onder meer niet wordt
voortgezet bij negatieve uitstroom. Hieronder
wordt verstaan het werkloos worden uit de Rsp-gesubsidieerde baan door het nemen of krijgen van ontslag
zonder aanvaarding van ander werk in
loondienst voor minimaal zes maanden met hetzelfde
inkomen, het doen van een beroep
een uitkering voor
levensonderhoud of het aanvaarden van andere
gesubsidieerde arbeid. Met betrekking
tot het aanvaarden van ander gesubsidieerd
werk is dat expliciet in het vierde
lid geregeld. De loonkostensubsidie wordt
gelijkelijk voortgezet tot uiterlijk
het einde van de duur van de
arbeidsovereenkomst met de werknemer ten aanzien
van wie positieve uitstroom naar een andere
werkgever wordt gerealiseerd, dan wel indien de duur van die
arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd is of
een bepaalde tijd heeft die voortduurt
na 1 januari 2007, tot uiterlijk 1
januari 2007.
Het
vierde lid voorziet
erin dat de loonkostensubsidie niet
wordt voortgezet indien de werknemer een andere gesubsidieerde baan
aanvaardt in de vorm van een
dienstbetrekking op grond van de Wet sociale
werkvoorziening, een arbeidsovereenkomst
als bedoeld in hoofdstuk 3 van die
wet
of met toepassing van een voorziening als
bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand. Het
wordt voorts niet wenselijk geacht om
de loonkostensubsidie voort te zetten indien
weliswaar positief wordt uitgestroomd, maar dat na korte tijd de
werknemer alsnog werk in een andere
gesubsidieerde baan aanvaardt. Daarom is in
het vierde lid tevens opgenomen dat de
loonkostensubsidie evenmin wordt voortgezet
als binnen zes maanden na
beëindiging van de Rsp-gesubsidieerde
arbeidsovereenkomst de werknemer alsnog gaat
werken in een andere
gesubsidieerde baan.
Artikel 4
Kern van deze regeling is
de reïntegratie van de werknemers of met
andere woorden het bewerkstelligen van
positieve uitstroom van de
werknemers. Aan de keuze voor toepassing van
deze regeling zijn voor de werkgever
consequenties verbonden. Zo zal de
werkgever, al dan niet tezamen met zijn
werknemers, activiteiten moeten ondernemen om te bewerkstelligen dat zijn
werknemers daadwerkelijk uitstromen naar niet-gesubsidieerde arbeid. Hierbij kan
worden gedacht aan het
selecteren en inschakelen van reïntegratiebedrijven of arbodiensten, het samen
met deze bedrijven opzetten van op de
werknemer toegespitste
reïntegratietrajecten en het aangaan van de
contracten. Als bijdrage in de door de werkgever hiervoor te maken kosten komt de
werkgever in aanmerking voor een
subsidie van €|1500,- per
werknemer. Uitgangspunt hierbij is het aantal
werknemers dat de werkgever in dienst heeft
op 1 september 2005, doch niet meer dan
het aantal opgenomen in bijlage 1
als bedoeld in artikel 3 van de Rsp
2005.
Artikel 5
Het eerste lid van
artikel 5 regelt dat de werkgever tevens in
aanmerking komt voor een subsidie als bijdrage in de kosten die hij maakt voor de
diensten die hij heeft ingekocht bij
het reïntegratiebedrijf of de arbodienst met het
oog op positieve uitstroom van
zijn werknemers.
De subsidie bedraagt 100%
van de kosten van de door de
werkgever bij het reïntegratiebedrijf of
de arbodienst ingekochte diensten tot een maximum
van €|3000,- per
werknemer zoals is geregeld in het tweede lid. Het
gaat hierbij om de kosten die in
rekening zijn gebracht door het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst en die
feitelijk door de werkgever zijn betaald.
Uit de administratie van de werkgever moet dit blijken.
Voor zover kosten worden
gemaakt die naar het oordeel van
de minister als onredelijk zijn aan te
merken, komen deze niet voor subsidie
in aanmerking. Evenmin komen kosten voor
subsidie in aanmerking die redelijkerwijs niet geacht kunnen worden bij
te dragen aan positieve uitstroom.
Om de kans op positieve
uitstroom zo groot mogelijk te doen
zijn, is het van belang dat de werkgever reïntegratiebedrijven of arbodiensten
inschakelt die werken volgens bepaalde
kwaliteitseisen. Daartoe is als voorwaarde
in het derde lid opgenomen dat
de subsidie op grond van artikel 5
alleen wordt verleend indien het ingeschakelde
reïntegratiebedrijf of arbodienst bij het
verrichten van de diensten heeft
voldaan aan de criteria die ten
grondslag liggen aan het verlenen van het BOREA
Keurmerk Reïntegratie. Beschikt
het door de werkgever ingeschakelde
reïntegratiebedrijf of arbodienst over
genoemd keurmerk, dan mag de werkgever
ervan uitgaan dat dan wordt gewerkt volgens
de criteria van het BOREA Keurmerk
Reïntegratie.
Geeft de werkgever er de
voorkeur aan om bedrijven of
diensten in te schakelen die niet beschikken over voornoemd keurmerk, dan moet het
door hem ingeschakelde
reïntegratiebedrijf of arbodienst kunnen aantonen dat voldaan wordt aan de criteria die
aan het behalen van het keurmerk worden
gesteld en dat volgens deze criteria
wordt gewerkt. Uit de administratie van de
werkgever moet vervolgens blijken dat
hij zich hiervan heeft vergewist. Het
inschakelen van een niet-gecertificeerd
reïntegratiebedrijf of arbodienst zonder dat
uit de administratie van de
werkgever afdoende blijkt dat hij expliciet
heeft nagegaan dat het reïntegratiebedrijf of arbodienst werkt volgens de criteria
van het BOREA Keurmerk
Reïntegratie bergt een risico met zich. Het
risico bestaat hierin dat als de
werkgever niet afdoende heeft kunnen aantonen dat
het door hem ingeschakelde
reïntegratiebedrijf of arbodienst wel werkt
volgens de criteria van het BOREA Keurmerk
Reïntegratie, hij niet in aanmerking
zal komen voor de subsidie
reïntegratieactiviteiten werkgever. Het is dus de verantwoordelijkheid van de werkgever om
hiervoor zorg te dragen.
Om voor de subsidie in
aanmerking te komen, moet de werkgever
een schriftelijke overeenkomst met het door
hem ingeschakelde
reïntegratiebedrijf of de arbodienst zijn
aangegaan. In het derde lid is bepaald welke
aspecten minimaal moeten zijn vastgelegd.
Het is aan de werkgever en het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst meer
voorwaarden of verplichting in de overeenkomst op te nemen.
Onderdeel a heeft
betrekking op de aard, omvang en kosten
van de te verrichten diensten. Het kan hierbij gaan om diensten die het
bedrijf verricht voor alle te
reïntegreren werknemers, maar het kan ook gaan om
specifiek op werknemers gerichte
trajecten.
Een reïntegratietraject
heeft een bepaald doel. In de
overeenkomst moet duidelijk het
eindresultaat zijn opgenomen. Onderdeel b heeft hierop
betrekking.
In onderdeel c is de
verplichting opgenomen dat het
reïntegratiebedrijf of de arbodienst de werkgever
moet informeren over de voortgang van de
feitelijk verrichte werkzaamheden
als geheel alsmede over het tot dan toe bereikte resultaat per werknemer.
Met het opnemen van een
te bereiken resultaat en de
verplichting op de hoogte te worden gehouden over de voortgang van zijn werknemers wordt
de werkgever in staat gesteld tijdens
de loop van het traject na te gaan of
het beoogde resultaat kan worden
behaald. Blijkt bijvoorbeeld uit de
rapportage van onvoldoende inzet van de
zijde van zijn werknemer, dan kan de
werkgever hem hierop aanspreken. Ook
kan de werkgever hierin aanleiding zien om
met het reïntegratiebedrijf of
de arbodienst na te gaan of het traject moet
worden bijgesteld om het beoogde resultaat
alsnog te bereiken.
Het is mogelijk dat in de
overeenkomst tussen werkgever en
reïntegratiebedrijf of arbodienst het reïntegratiebedrijf of de arbodienst opneemt
dat onderdelen kunnen worden
uitbesteed aan derden. Met het oog
hierop is het van belang dat de
werkgever ervan kan en mag uitgaan dat door
het reïntegratiebedrijf of de arbodienst in te
schakelen andere bedrijven of
diensten eveneens werken volgens de
criteria van het BOREA Keurmerk
Reïntegratie. Daartoe is in onderdeel d de
verplichting opgenomen dat het reïntegratiebedrijf of arbodienst waarborgt dat
de door hem ingeschakelde derde
eveneens voldoet aan de criteria van het
BOREA Keurmerk Reïntegratie en dat hij
werkt volgens deze criteria.
Uitbesteding van
onderdelen mag er niet toe leiden dat de
werkgever zich niet integraal op de
hoogte kan stellen van de voortgang van de
trajecten. De risico’s die kunnen
voortvloeien uit uitbesteding van onderdelen van
trajecten moeten de
verantwoordelijkheid blijven van degene die deze heeft
aangegaan. Dat betekent dat deze
niet ten laste mogen komen van de
werkgever. Daarom is in onderdeel e
opgenomen dat het reïntegratiebedrijf of
de arbodienst waarmee de werkgever de
overeenkomst als bedoeld in de aanhef
van het derde lid heeft gesloten
integraal verantwoordelijk blijft voor de in de
overeenkomst opgenomen werkzaamheden en resultaten. Als de
uitvoering van uitbestede onderdelen niet volgens
de afspraken verloopt, dan
mag de werkgever het reïntegratiebedrijf
of de arbodienst daarop aanspreken en het
is vervolgens de
verantwoordelijkheid van het reïntegratiebedrijf
of de arbodienst hierop actie te ondernemen richting derde.
De situatie kan zich
voordoen dat in de loop van 2006 een
werkgever zich genoodzaakt ziet zijn bedrijfsactiviteiten te beëindigen.
Beëindiging van de bedrijfsactiviteiten
brengt met zich dat ook de reïntegratie van
de werknemers op losse schroeven komt
te staan. Zoals reeds eerder gemeld, staat
het belang van de werknemers voorop en
dus hun reïntegratie naar andere
arbeid. Doet een situatie van bedrijfsbeëindiging zich voor, dan moet zoveel
mogelijk worden voorkomen dat de
werknemers die hierdoor worden getroffen niet
(langer) kunnen deelnemen aan
reïntegratietrajecten. Daartoe regelt het vierde
lid dat op verzoek van een andere
werkgever de minister de subsidie van
artikel 5 aan die andere werkgever kan
verlenen. Bij andere werkgever kan
worden gedacht aan een ander
schoonmaakbedrijf in de regio of in de gemeente
waar de werkgever die zijn activiteiten
heeft beëindigd actief was. Het is de discretionaire bevoegdheid van de
minister over te gaan tot deze gewijzigde
vorm van subsidieverlening. Verzoekt een andere werkgever om de subsidie
voor reïntegratieactiviteiten aan hem te verlenen, dan moet duidelijk zijn
dat het vorige bedrijf is gestopt. Die
andere werkgever moet dan ook
bewijsstukken overleggen waaruit blijkt dat
beëindiging van bedrijfsactiviteiten door
het vorige bedrijf heeft plaatsgevonden. De regeling schrijft - tegen de
achtergrond van het feit dat de oorzaak
van de bedrijfsbeëindiging
divers kan zijn - overigens niet voor welke
met name aangeduide bewijsstukken overgelegd moeten worden. Van belang
is slechts dat bescheiden worden
overgelegd op grond waarvan mag worden
aangenomen dat er daadwerkelijk bedrijfsbeëindiging
heeft plaatsgevonden.
Is een andere werkgever
bereid deze taak op zich te nemen en
verleent de minister hiervoor
subsidie, dan moet die andere werkgever eveneens
voldoen aan het tweede en derde lid.
Artikel 6
Het eerste lid van dit
artikel voorziet in een subsidie voor de
werkgever indien positieve uitstroom wordt gerealiseerd. Deze subsidie wordt
alleen verleend bij positieve uitstroom van
werknemers voor wie de werkgever
subsidie op grond van artikel 3,
eerste lid, van de regeling ontvangt.
In het tweede lid is
geregeld dat als maximum hiervoor geldt
het aantal in dienst zijnde Rsp-werknemers dat is opgenomen in
bijlage 1 als bedoeld in artikel 3 van de Rsp
2005.
Per uitgestroomde werknemer bedraagt de
subsidie €|3440,- bij een Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst met een arbeidsduur van
32 uur of meer per week. De subsidie
wordt naar rato verminderd als de Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst
minder dan 32 uur per week bedraagt.
In het derde lid is
opgenomen aan welke voorwaarden moet zijn
voldaan om voor deze subsidie in aanmerking te komen. Hierbij moet
onderscheid worden gemaakt tussen positieve
uitstroom naar een niet-gesubsidieerde baan bij een andere werkgever,
positieve uitstroom naar een niet-gesubsidieerde baan bij dezelfde
werkgever en vestiging als zelfstandige.
Betreft het een uitstroom
naar een andere werkgever, dan
moet de arbeidsovereenkomst uiterlijk met ingang van 1 januari 2007 zijn
ingegaan en betreft het een doorstroom binnen
het bedrijf van dezelfde werkgever,
dan mag het dienstverband op zijn
vroegst per 1 januari 2007 ingaan, doch niet
later dan vier weken na beëindiging van
de Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst, omdat uit artikel
1,
onderdeel e, blijkt dat anders geen sprake
kan zijn van positieve uitstroom. Ook bij
uitstroom als zelfstandige geldt dat vestiging hiervan op zijn vroegst kan
ingaan per 1 januari 2007, doch niet later dan vier weken na beëindiging van de Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst.
Een belangrijk aspect van
positieve uitstroom is dat bij
uitstroom naar een niet-gesubsidieerde baan
de werknemer ten minste zes maanden in
die baan, een andere niet-gesubsidieerde baan of als zelfstandige werkzaam is.
Dit heeft tot gevolg dat als een
werknemer uitstroomt naar een niet-gesubsidieerde baan of zich vestigt als
zelfstandige, maar hij stroomt binnen een
termijn van zes maanden alsnog door naar
een andere gesubsidieerde baan in
het kader van de Wet sociale
werkvoorziening (een dienstbetrekking of een arbeidsovereenkomst als bedoeld in
hoofdstuk
3 van die wet) of de Wet werk
en bijstand, de werkgever niet in
aanmerking komt voor de subsidie op grond
van het eerste lid. Dit is geregeld in
het vierde lid.
Artikel 7
Artikel 7 voorziet in het
tegengaan van dubbele subsidiëring. De
werkgever die in aanmerking komt voor de regeling, behoort tot de groep
werkgevers die is opgenomen in bijlage 1
als bedoeld in artikel 3 van de Rsp
2005.
Tot het maximum daarin opgenomen komt de
werkgever voor subsidie in de
loonkosten in aanmerking. Kiest hij
voor afbouw van de Rsp-gesubsidieerde
activiteiten en toepassing van deze
regeling, dan is het logisch dat de
subsidieverlening op grond van de Rsp 2005 wordt beëindigd.
In het tweede lid is
bepaald op welke wijze zal worden omgegaan
met het eenmalig doorlopend
voorschot dat aan de werkgevers is
verstrekt op grond van artikel 5 van de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren (Rsp).
Zolang de werkgever gebruik maakte
van de Rsp en in het verlengde
hiervan van de Rsp 2005 wordt dit
voorschot niet verrekend of teruggevorderd.
Beëindiging van de
subsidieverstrekking op grond van de Rsp 2005 zou tot
gevolg hebben dat het eenmalig
doorlopend voorschot moet worden verrekend of teruggevorderd. Dit nu wordt niet
doelmatig geacht. Immers de
situatie rond de loonbetaling op grond van de regeling
is in wezen geen andere dan die
op grond van de Rsp 2005. Daarom is
ervoor gekozen de verrekening van het
eenmalig doorlopend voorschot niet te
betrekken bij de vaststelling van de
subsidie op grond van de Rsp 2005, maar bij
de vaststelling van de subsidie, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, 4, eerste
lid, en 5, eerste lid, op grond van artikel 12
van deze regeling. Op deze wijze wordt
voorkomen dat de werkgever die
kiest voor deze regeling met extra
administratieve lasten te maken krijgt.
In het derde lid is
tevens bepaald dat verrekening van subsidie plaatsvindt indien aan de werkgever subsidie op grond van de Rsp 2005 is
betaald die betrekking heeft op een
periode waarvoor de werkgever eveneens in
aanmerking komt voor subsidie op
grond van deze regeling.
Het vierde lid regelt dat
de werkgever die een aanvraag voor
toepassing van deze regeling kiest uitdrukkelijk verklaart dat hij ermee instemt dat
de subsidieverlening op
grond van de Rsp 2005 eindigt op het moment dat de subsidieverlening op
grond van de onderhavige regeling
ingaat, te weten 1 januari 2006. Tevens
moet hij verklaren dat hij instemt met verrekening indien blijkt dat hij
voor een periode waarvoor hij subsidie
heeft ontvangen op grond van de Rsp 2005,
tevens aanspraak heeft op subsidie op
grond van deze regeling.
De subsidieverlening op
grond van deze regeling vindt pas
plaats nadat de minister de in het vierde
lid bedoelde verklaring van de
werkgever heeft ontvangen. Dit is bepaald in het
vijfde lid. Opgemerkt wordt dat deze
verklaring onderdeel uitmaakt van
bijlage 1 die betrekking heeft op de
aanvraag om voor subsidieverlening op
grond van deze regeling in
aanmerking te komen.
Artikel 8
Hierin is bepaald wie de
subsidie aanvraagt en aan wie de subsidie
wordt verleend. Om
misverstanden of onduidelijkheden rond de
subsidieverstrekking te voorkomen, is in het
eerste lid aangegeven dat de werkgever de
subsidie, bedoeld in het eerste lid
van artikel 3, aanvraagt. In het tweede
lid is bepaald dat de subsidie wordt
verleend aan de subsidieaanvrager. De
werkgever wordt hierdoor verantwoordelijk
voor de consequenties die uit de
subsidieverstrekking voortvloeien, zoals
verantwoording en het geven van informatie aan de minister.
Artikel 9
Dit artikel regelt de
wijze waarop de werkgever de aanvraag tot
subsidieverlening moet indienen. In het eerste lid is bepaald dat de werkgever
de aanvraag tot subsidieverlening
indient door tussenkomst van OSB. Voorts dat deze aanvraag uiterlijk 1
november 2005 moet zijn ontvangen.
Voor de aanvraag moet de
aanvrager gebruik maken van het
voorgeschreven model dat betrekking
heeft op de aanvraag. Dit formulier is
opgebouwd uit verschillende onderdelen,
namelijk de aanvraag, de verklaring als bedoeld in het vierde lid van
artikel 7 en de opgave niet alleen van het
aantal werknemers, maar ook de voor de
subsidieverlening van belang zijnde
gegevens van de werknemers. In dit
verband worden genoemd de namen van de
werknemers, hun geboortedata, de
ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst,
de arbeidsduur per week en tevens of het
om een arbeidsovereenkomst gaat
voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd.
Artikel 10
Dit artikel regelt de
gegevensverstrekking voor de subsidieverlening
en de betaling daarvan.
In het eerste en tweede
lid is bepaald dat uiterlijk 15 december
2005 de beslissing op aanvraag wordt genomen
en dat OSB in het verlengde
daarvan de aanvrager bij beschikking daarvan
in kennis stelt.
In het derde lid is
bepaald dat de subsidieverlening op grond van artikel 3,
eerste lid, ingaat met
ingang van 1 januari 2006. Dit betreft de
subsidieverlening in de loonkosten.
De leden 4 tot en met 8 hebben alle betrekking op de
uitvoering van de loonkostensubsidie en de betaalbaarstelling daarvan.
Gehandhaafd is de
verstrekking van subsidie bij wijze van
voorschot per kwartaal. Dit is geregeld
in het vierde lid. De betaling hiervan
vindt achteraf plaats. Gebruikelijk is
dat de subsidieverlening geschiedt op basis van de
door de werkgever ingediende
kwartaaldeclaratie. Met betrekking tot de
voorschotverlening over het eerste kwartaal
van 2006 is hiervan afgeweken.
Deze zal geschieden aan de hand van de
aanvraag tot subsidieverlening als
bedoeld in het eerste lid van artikel 9.
De betaling met
betrekking tot het tweede, derde en vierde
kwartaal 2006 vindt plaats aan de hand
van de door de werkgever over het
betreffende kwartaal ingediende declaratie met
opgave van het aantal arbeidsuren
volgens de arbeidsovereenkomsten,
het aantal arbeidsuren waarvoor de
werkgever loon heeft betaald en het
aantal werknemers dat aan het eind van het
kwartaal nog werkzaam is op basis
van een Rsp-gesubsidieerde arbeidsovereenkomst. Voorts moet, zo blijkt
ook uit het vierde lid, de werkgever in de kwartaaldeclaratie aangeven hoeveel
werknemers positief zijn uitgestroomd en
hoeveel negatief zijn uitgestroomd en met
ingang van de datum waarop de
uitstroom heeft plaatsgevonden.
In het vijfde lid is
verder uitwerking gegeven aan de bepaling
van de hoogte van het voorschot over
het eerste kwartaal van 2006. Dit voorschot
is gelijk aan de subsidie waarop de
werkgever over het derde kwartaal
van 2005 aanspraak had. Voor verlening van
dit voorschot hoeft de
werkgever geen kwartaaldeclaratie in te
dienen. Dit voorschot wordt ambtshalve betaald
door het ministerie rond 15 april;
dit in afwijking van het gebruikelijke
tijdstip van subsidieverstrekking.
In het zesde lid is
geregeld dat voor de indiening van de
declaraties over het tweede, derde en vierde kwartaal de werkgever gebruik moet
maken van de voorgeschreven
formulieren die zijn ingericht overeenkomstig
model 2a, 2b respectievelijk 2c.
Het zevende lid regelt
dat de werkgever ervoor moet zorgen dat de
kwartaaldeclaraties met daarin de relevante gegevens door tussenkomst
van OSB zijn ingediend uiterlijk
de twintigste van de tweede maand volgende
op het kwartaal waarop de declaratie
betrekking heeft. Dit betekent dat
de declaratie over het tweede kwartaal (1
april tot en met 30 juni 2006) moet zijn ingediend
uiterlijk 20 augustus 2006, de
declaratie over het derde kwartaal (1 juli tot en met 30 september 2006) uiterlijk 20
november 2006 en over het vierde kwartaal
(1 oktober tot en met 31 december 2006)
uiterlijk 20 februari 2007.
Het achtste lid regelt op
welke tijdstippen de voorschotten worden
betaald. Het voorschot over het
eerste kwartaal van 2006 wordt op of rond
15 april 2006 verstrekt. Om dit
mogelijk te maken, is voor de bepaling van de
hoogte aangesloten bij de
subsidieverstrekking over het derde kwartaal 2005,
zoals geregeld in het vijfde lid.
Het voorschot over het
tweede, derde respectievelijk vierde
kwartaal wordt betaald op of omstreeks
de vijftiende van de maand volgend op
de maand waarin de declaratie is
ontvangen.
Voorts is in het achtste
lid bepaald dat het voorschot niet wordt
verleend als de werkgever de bescheiden die het ministerie nodig heeft voor de
subsidievaststelling over voorgaande subsidieverstrekkingen niet heeft ingediend.
Het negende lid regelt
dat in geval van een verzoek tot
faillietverklaring van of verlening van surseance
aan de aanvrager is ingediend voordat de
subsidie is vastgesteld, voorschotten
als bedoeld in het vierde lid, niet meer
worden uitbetaald.
Het tiende lid voorziet
in de betaling van de subsidie, bedoeld
in artikel 4, eerste lid. Dat betreft de
subsidie als tegemoetkoming in de kosten die de werkgever maakt bij het
verrichten van activiteiten ten behoeve
van de positieve uitstroom van zijn
werknemers. De subsidie hoeft de werkgever niet
apart aan te vragen; de subsidie
wordt uiterlijk betaald gelijktijdig met
de betaling van het voorschot over het
vierde kwartaal van het jaar 2006. Dat
betekent dus uiterlijk in de maand maart van het
jaar 2007. De minister
kan
echter besluiten tot eerdere gehele of
gedeeltelijke betaling van deze subsidie. Alsdan
doet hij daarvan mededeling in de Staatscourant.
Ingevolge het elfde lid
wordt de subsidie, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, (subsidie kosten reïntegratiebedrijf/arbodienst) en 6, eerste
lid, (subsidie positieve uitstroom), pas
na subsidievaststelling betaald vanaf het kalenderjaar 2007.
Artikel 11
Het eerste lid van dit
artikel regelt dat de werkgever ervoor moet
zorgen dat zijn administratie op
orde is; met andere woorden zodanig is
ingericht dat alle van belang zijnde
vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve
van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
tijdig, zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd.
In het tweede lid is
bepaald wat in ieder geval deel uitmaakt
van de administratie van de werkgever. In onderdeel f van dat lid is in
algemene zin aangegeven dat de administratie
bescheiden moet bevatten op grond
waarvan positieve uitstroom kan worden
vastgesteld. Hierbij kan worden
gedacht aan afschriften van de
arbeidsovereenkomst die de uitgestroomde werknemer
heeft gesloten met zijn nieuwe
werkgever, een verklaring van de nieuwe werkgever
dat het hierbij niet gaat om
gesubsidieerde arbeid. Omdat de uitgestroomde werknemer minstens zes maanden in
de nieuwe baan werkzaam moet
zijn, wil de werkgever voor de
subsidie in aanmerking komen, is het van belang eveneens te beschikken
over afschriften van loonbetalingen aan de
werknemer door de werkgever.
Betreft de uitstroom een
vestiging als zelfstandige, dan kan de
werkgever geen afschriften van de nieuwe arbeidsovereenkomst of loonbetalingen
overleggen. Het blijft echter de
verantwoordelijkheid van de werkgever ervoor
te zorgen dat de minister de
gegevens ontvangt op grond waarvan een oordeel
gevormd kan worden dat positieve
uitstroom heeft plaatsgevonden. Het
ligt in de rede dat de werkgever hierover afspraken maakt met zijn
ex-werknemer om van hem de nodige gegevens te
ontvangen.
Artikel 12
Dit artikel regelt de
vaststelling van de subsidie op grond van
deze regeling. Hiertoe is in het eerste
lid bepaald dat de subsidieaanvrager ervoor zorgt dat de minister, door
tussenkomst van OSB, uiterlijk 1 juli 2007 een
einddeclaratie ontvangt waarin alle
relevante gegevens zijn opgenomen die nodig
zijn om de subsidie die betrekking
heeft op de loonkosten (artikel 3, eerste lid),
de reïntegratieactiviteiten werkgever (artikel 4,
eerste lid) en op de door de
werkgever aan het reïntegratiebedrijf
of de arbodienst betaalde werkelijke
kosten in het kader van het
reïntegratietraject (artikel 5, eerste lid). Met betrekking tot
de subsidie die is gericht op de
positieve uitstroom (artikel 6, eerste lid)
ontvangt de minister van de subsidieaanvrager, door tussenkomst van OSB,
uiterlijk 1 januari 2009 een einddeclaratie,
waarin alle relevante gegevens zijn opgenomen met betrekking tot die
subsidie. De einddeclaratie, zowel die met betrekking
tot de subsidie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, 4, eerste lid en 5,
eerste lid, als die met betrekking tot de
subsidie, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
moet voorzien zijn van een
accountantsverklaring als de subsidie €|50
000,-
of meer bedraagt.
Niet veranderd is het
tijdstip waarop de subsidie wordt
vastgesteld. In het tweede lid is bepaald dat
dit gebeurt binnen twaalf maanden na
ontvangst van de desbetreffende
einddeclaratie, voorzien van een accountantsverklaring, indien nodig.
Het derde lid regelt dat
als de bescheiden met betrekking tot de
subsidie, bedoeld in artikel 3,
eerste lid, 4, eerste lid en 5, eerste lid,
niet uiterlijk 1 oktober 2007 zijn ontvangen, dan
wel de bescheiden met betrekking tot de subsidie, bedoeld in artikel
6,
niet uiterlijk 1 januari 2009 door de
minister zijn ontvangen, de minister de subsidie
ambtshalve kan vaststellen.
In het vierde lid is voor
alle zekerheid opgenomen dat bij de
vaststelling kan worden afgeweken van de subsidie die bij wijze van voorschot
is betaald, indien de
subsidieaanvrager handelt in strijd met de regeling.
In het verlengde hiervan is opgenomen dat
indien de subsidieaanvrager in het kader van de subsidieaanvraag of in
het kader van de einddeclaratie onjuiste
gegevens heeft verstrekt, dan wel voor subsidieverlening of subsidievaststelling
relevante gegevens heeft
achtergehouden, de minister de subsidie, bedoeld in artikel
3, eerste lid, 4, eerste
lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, kan
intrekken of ten nadele van de subsidieaanvrager
kan wijzigen. Voor de goede orde zij
erop gewezen dat in het kader van de
onderhavige regeling - onder andere - de
artikelen 4:35, 4:48, 4:49 en
4:50 van de
Algemene wet bestuursrecht onverminderd van toepassing zijn.
Artikel 13
In het onderhavige
artikel is geregeld dat de einddeclaratie en
de accountantsverklaring, indien vereist, zijn ingericht volgens de modellen die
bij de regeling behoren. Voorts is in dit
lid bepaald dat de accountantsverklaring
gebaseerd moet zijn op een controle
die is uitgevoerd overeenkomstig het
controle- en rapportageprotocol dat is
opgenomen in bijlage 5.
Artikel 14
Dit artikel regelt de
terugvordering. In het eerste lid is bepaald
dat na de subsidievaststelling de werkgever verplicht is de te veel ontvangen
subsidie onverwijld terug te betalen. Hierop
kan de minister een uitzondering maken
als hij tot verrekening op andere wijze overgaat. Hierbij kan worden
gedacht aan verrekening met nog in een ander
kader door de werkgever te ontvangen
subsidie.
Het tweede lid regelt dat
bij terugvordering de werkgever
aansprakelijk wordt gesteld voor de
door het ministerie te maken kosten die te maken
hebben met de terugvordering. In een
dergelijk geval wordt ook overgegaan tot het in rekening brengen van de
wettelijke rente.
Artikel 15
Het eerste lid van dit
artikel wijst de toezichthouder aan voor
het toezicht op de naleving van de verplichtingen die aan de werkgever zijn
opgelegd. Het betreft hierbij de
Auditdienst van het ministerie. Hiermee wordt
voldaan aan de aanwijzing als bedoeld
in artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies. De bij de Auditdienst
werkzame personen hebben de
bevoegdheden van toezichthouders als geregeld in afdeling 5.2
(artikel
5:11 en volgende) van de Awb. De
toezichthouder mag bij de uitoefening van
zijn bevoegdheden alle noodzakelijke
inlichtingen vorderen en de
subsidieaanvrager is verplicht binnen redelijke termijn
alle medewerking te verlenen.
Tot de bevoegdheden horen ook
het inzage vorderen in gegevens en
bescheiden.
Het tweede lid van dit
artikel heeft betrekking op de
verplichting informatie te verstrekken die nodig
is voor evaluatie, informatievoorziening en
beleidsvorming met betrekking tot deze regeling. Dit betreft een specifieke
informatieverplichting,
die daarom hier apart is geregeld.
Het derde lid bepaalt dat
de werkgever ervoor moet zorgen dat de
door hem ingeschakelde accountant kosteloos meewerkt aan door de minister
in te stellen onderzoeken. De kosten
hiervan worden geacht in de subsidie te zijn inbegrepen.
Artikel 16
Het onderhavige artikel
voorziet in een technische wijziging van
de Rsp 2005. Het betreft hier het noodzakelijke complement van artikel
7.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof.
|
|