WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de organisatie van de uitvoering van de taken van de
overheid met betrekking tot de arbeidsvoorziening en de uitvoering van
de werknemersverzekeringen te wijzigen, zulks mede ter bevordering van
de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces, en daartoe -
onder intrekking van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 - één nieuwe wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
Art.
1. Algemene
begrippen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 324;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2007, 555; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 390;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 580]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Raad voor werk en inkomen: de Raad voor werk en
inkomen, genoemd in
hoofdstuk 3;
c. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5;
d. Sociale verzekeringsbank: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6;
e. Inspectie Werk en Inkomen: de Inspectie Werk en
Inkomen, genoemd in
hoofdstuk 7;
f. Raad van bestuur: een Raad van bestuur als bedoeld in artikel
3;
g. uitvoeringskosten: de kosten ten behoeve van de
uitvoering van
wetten
door de Raad voor werk en inkomen, de Centrale
organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank;
h. sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel
2, derde lid, onderdeel k, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
i. werknemersverzekeringen: de verplichte verzekeringen op
grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
j.
volksverzekeringen: de verzekeringen op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
k. werknemer: werknemer in de zin
van de werknemersverzekeringen of een werknemer, artiest,
beroepssporter, lid van een buitenlands gezelschap of een aangewezen
andere natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de loonbelasting 1964;
l.
uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering of voorziening
ontvangt of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van:
1º. de Wet werk en bijstand, de Wet
investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen; of
2º. de Werkloosheidswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria, de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene
Kinderbijslagwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
m.
het Inlichtingenbureau: de als zodanig door Onze
Minister aangewezen instelling die is belast met de coördinatie en
dienstverlening ten behoeve van de gemeenten bij
de verwerking van gegevens, voor zover dit noodzakelijk is voor de
uitvoering van taken op het gebied van sociale zekerheid;
n.
doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen van de bij of
krachtens de wet gestelde regels werden bereikt;
o.
re-integratiebedrijf: een
natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert;
p. burgerservicenummer: het nummer,
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer.
HOOFDSTUK
2
Zelfstandige
bestuursorganen voor werk en inkomen
Art.
2. Instelling Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
-1. Er is een Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, dat belast is met de taken, bedoeld in hoofdstuk
5.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel
op een door Onze Minister te bepalen plaats.
[RS]
-3. Het personeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt in dienst genomen op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van titel 10
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.
Art.
3. Instelling Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
-1. Er
is een Sociale verzekeringsbank, die belast is
met de taken, bedoeld in hoofdstuk 6.
-2. De Sociale verzekeringsbank heeft
rechtspersoonlijkheid en heeft haar zetel op een door Onze
Minister te bepalen plaats. [RS]
-3. Het personeel van de Sociale
verzekeringsbank wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht. De bepalingen van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van
toepassing.
Art.
4. Toepassing Kaderwet zelfstandige bestuursorganen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
-1. De
Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, met uitzondering van de artikelen 15 en 33 van die
wet.
-2. Indien de mandaatverlening, bedoeld in
artikel 8 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, het mandateren van de uitvoering van
taken van één van de op grond van artikel 9, eerste
lid, samenwerkende bestuursorganen aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank betreft, is in
afwijking van artikel 8 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen geen goedkeuring van Onze
Minister vereist.
Art.
5. Andere werkzaamheden [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
-1. Een besluit van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale
verzekeringsbank om andere werkzaamheden te verrichten dan de
uitvoering van de in hoofdstuk 5 of 6
bedoelde taken behoeft de goedkeuring van Onze
Minister.
-2. De goedkeuring kan, onverminderd artikel
79, worden onthouden op de grond dat de uitvoering van de andere
werkzaamheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
de Sociale verzekeringsbank een goede taakuitoefening door het
bestuursorgaan kan belemmeren.
-3. Onze Minister kan bij de goedkeuring
verplichtingen opleggen in verband met de uitvoering van andere
werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.
-4. Het eerste lid is niet van toepassing
op een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
de Sociale verzekeringsbank om in het kader van de samenwerking, bedoeld
in artikel 9, werkzaamheden uit te voeren voor elkaar
of voor de colleges van burgemeester en wethouders, indien het de
uitvoering van werkzaamheden op grond van de in artikel 9,
eerste lid, bedoelde wetten betreft, respectievelijk elkaar bij te staan
bij de uitvoering van taken, mits het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank,
dit binnen een redelijke termijn meldt bij Onze Minister.
-5. Onze Minister kan bepalen dat de
uitvoering van andere werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid en de
uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het vierde lid door het
betrokken bestuursorgaan wordt beëindigd.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over dit artikel. [BS]
Art.
6. Raden van bestuur [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank hebben elk een Raad van bestuur die met de
dagelijkse leiding is belast.
-2. Een Raad van bestuur bestaat uit een
door Onze Minister te bepalen aantal leden,
onder wie de voorzitter.
-3. Onze Minister bepaalt de periode van
benoeming van de leden van een Raad van bestuur en kan ook de
mogelijkheid van hun herbenoeming regelen.
-4. Onze Minister stelt de rechtspositie
van de leden van de Raad van bestuur vast.
-5. De Raad van bestuur oefent de taken en
bevoegdheden uit die bij of krachtens deze wet of enige andere wet aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank zijn opgedragen.
-6. Een Raad van bestuur stelt een
bestuursreglement vast.
Art.
7. Cliëntenparticipatie [RcS]
[RcU] [RcU09]
[Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2005, 708; Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank stellen elk een regeling vast die gericht is op de
realisatie en vormgeving van adequate cliëntenparticipatie op centraal
niveau bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen regelt, na overleg met de
personen en vertegenwoordigers, bedoeld in het tweede lid, in deze
regeling tevens de cliëntenparticipatie op decentraal niveau.
-2. In de regeling, bedoeld in het eerste
lid, wordt op het centrale niveau voorzien in overleg met personen of
vertegenwoordigers van personen die als cliënt betrokken zijn bij de
uitvoering van de taken van de in het eerste lid genoemde
bestuursorganen. Dit overleg vindt periodiek plaats, doch ten minste
tweemaal per jaar.
-3. In de regeling, bedoeld in het eerste
lid, wordt in ieder geval geregeld de wijze waarop de in het tweede lid
bedoelde personen of vertegenwoordigers:
a. onderwerpen voor de agenda van
het overleg, bedoeld in het tweede lid, kunnen aanmelden;
b. voorzien worden van de voor een
adequate deelname aan het overleg benodigde informatie;
c. betrokken worden bij de
totstandkoming van de planning, begroting en verslaglegging, bedoeld in hoofdstuk
8;
d. gevraagd en ongevraagd kunnen
adviseren over de uitvoering van de wettelijke taken van het betrokken
bestuursorgaan;
e. in staat gesteld worden op een
adequate manier aan het overleg deel te nemen, waarbij ten minste
aandacht besteed wordt aan logistieke faciliteiten, onkostenvergoedingen
en deskundigheidsbevordering;
f. beschermd worden tegen benadeling
in verband met hun deelname aan het overleg.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen regelt in de regeling, bedoeld in het eerste
lid, in het kader van de cliëntenparticipatie op decentraal niveau in
ieder geval de wijze waarop:
a. personen en vertegenwoordigers
van personen die als cliënt betrokken zijn bij de decentrale uitvoering
van de taken van de in het eerste lid genoemde bestuursorganen, hierop
invloed kunnen uitoefenen;
b. door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op centraal niveau rekening wordt gehouden met
de resultaten van cliëntenparticipatie op decentraal niveau.
-5. Indien de regeling, bedoeld in het
eerste lid, voorziet in overleg op decentraal niveau, zijn het tweede en
derde lid ten aanzien van dit overleg van overeenkomstige toepassing.
-6. In iedere vestiging wordt bekendheid
gegeven aan de wijze waarop door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank uitvoering wordt
gegeven aan dit artikel.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen andere onderwerpen worden aangewezen die in elk geval in
de regeling, bedoeld in het eerste lid, worden geregeld en kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Art.
8. Landelijke cliëntenraad [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
-1. Er is een landelijke
cliëntenraad.
-2. De landelijke cliëntenraad bestaat uit
negen vertegenwoordigers van landelijke cliëntenorganisaties, drie
afgevaardigden uit elk van de overleggen, bedoeld in artikel
7, tweede lid, alsmede uit drie afgevaardigden uit de cliëntenparticipatie
bij de gemeenten. De afgevaardigden betreffen
personen of vertegenwoordigers van personen die als cliënt betrokken
zijn bij de uitvoering van de taken van het desbetreffende
bestuursorgaan.
-3. De landelijke cliëntenraad heeft tot
taak periodiek, doch ten minste eenmaal per jaar, te overleggen met:
a. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank, de gemeenten en Onze
Minister over de vormgeving en realisatie van cliëntenparticipatie
bij de desbetreffende organen;
b. de Raad
voor werk en inkomen en Onze Minister over voorstellen van de
landelijke cliëntenraad inzake beleidsvragen op het gebied van werk en
inkomen.
-4. De landelijke cliëntenraad heeft een
secretariaat en vervult zijn taak met de middelen die hem door Onze
Minister ter beschikking worden gesteld.
-5. De landelijke cliëntenraad krijgt alle
informatie van de in het derde lid genoemde instanties, voor zover hij
deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de financiering, de werkwijze en de
ondersteuning van de landelijke cliëntenraad en de rol van de Raad voor
werk en inkomen daarbij. [RS]
HOOFDSTUK
3
Samenwerking
en gezamenlijke dienstverlening
Art.
9. Samenwerking [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2005, 530; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 282]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de colleges van burgemeester en wethouders
werken samen bij de uitvoering van taken op grond van deze wet, de Wet
werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen met het oog op een doeltreffende en klantgerichte
uitoefening van die taken.
-2. De bestuursorganen, bedoeld in het
eerste lid, werken voorts samen met andere diensten, instellingen en
bestuursorganen die werkzaamheden verrichten die verband houden met de
uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vorm van de
samenwerking, de afstemming van de samenwerking op de uitvoering van
taken opgedragen bij of krachtens andere wetten
dan die bedoeld in het eerste lid, en vergoeding van kosten.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
worden indicatoren vastgesteld voor de taakuitoefening, bedoeld in dit
artikel.
Art.
10. Dienstverlening in locaties werk en inkomen [BwUW]
[BwUW10] [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001; Stb.
2003, 544; Stb. 2008, 600]
-1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de colleges van burgemeester en wethouders dragen zorg voor de
instandhouding van voldoende bereikbare locaties werk en inkomen, waarin
zij met betrekking tot de in artikel 9, eerste lid,
bedoelde wetten met het oog op een geïntegreerde dienstverlening
gezamenlijk diensten aan uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden en
werkgevers verlenen en taken uitvoeren gericht op het ondersteunen bij
de arbeidsinschakeling en vacaturevervulling, het daarbij aanbieden van
voorzieningen en het verstrekken van uitkeringen of het verlenen van
bijstand, rekening houdend met de regionale arbeidsmarkt en het daarbij
gezamenlijk vormgeven van de cliëntenparticipatie.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de dienstverlening in, de
inrichting van en de cliëntenparticipatie bij de locaties werk en
inkomen en kunnen werkzaamheden van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de colleges van burgemeester en wethouders
worden aangewezen die op één of meer locaties werk en inkomen worden
verricht, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar regio’s.
-3. Onze Minister
kan, indien hij met betrekking tot de uitvoering van dit artikel
ernstige tekortkomingen vaststelt, aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of het college van burgemeester en wethouders
een aanwijzing geven met betrekking tot de uitvoering van de taken op
grond van dit artikel. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of het college van burgemeester en wethouders worden in de gelegenheid
gesteld de uitvoering in overeenstemming te brengen met de aanwijzing
binnen een door Onze Minister te stellen termijn. Indien Onze Minister
van oordeel is dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
het college van burgemeester en wethouders na afloop van deze termijn
niet aan de aanwijzing heeft voldaan, kan Onze Minister de noodzakelijke
voorzieningen treffen.
Art.
11. Certificering re-integratiebedrijven [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
-1. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan bepaald worden dat werkzaamheden gericht op de
inschakeling in de arbeid van werknemers en uitkeringsgerechtigden,
indien zij op grond van de in artikel 9, eerste lid,
bedoelde wetten niet verricht worden door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de colleges van burgemeester en
wethouders, slechts worden verricht door re-integratiebedrijven die in
het bezit zijn van een in het tweede lid bedoeld certificaat.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor de afgifte aan een
re-integratiebedrijf van een certificaat waaruit blijkt dat hij voldoet
aan bij of krachtens deze algemene maatregel van bestuur gestelde
kwaliteits- en deskundigheidseisen.
-3. Onze Minister
dan wel een door Onze Minister op grond van artikel 12
aangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte van het
certificaat, bedoeld in het eerste lid, en is tevens bevoegd een
afgegeven certificaat in te trekken.
-4. Een certificaat wordt afgegeven voor
een beperkte tijdsduur. Aan een certificaat kunnen voorschriften worden
verbonden.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld die in ieder geval betrekking
hebben op:
a. de wijze waarop de aanvraag om
een certificaat moet worden gedaan en de gegevens die daarbij van de
aanvrager worden verlangd;
b. de gronden waarop en de gevallen
waarin de afgifte van een certificaat kan worden geweigerd dan wel een
afgegeven certificaat kan worden ingetrokken;
c. de vergoeding die verschuldigd is
in verband met de afgifte van een certificaat en de wijze van betaling
daarvan.
Art.
12. Certificerende instelling [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2004, 493; Stb.
2008, 600]
-1. Onze
Minister kan op verzoek een instelling aanwijzen die de
bevoegdheden, bedoeld in artikel 11, derde lid,
uitoefent.
-2. Aan een aanwijzing krachtens het eerste
lid kunnen voorschriften worden verbonden.
-3. Een krachtens dit artikel aangewezen
instelling verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
-4. De artikelen 36, 37
en 42 van deze wet en de artikelen 21 en 23 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen zijn ten aanzien van de instelling,
bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor:
a. de gronden waarop de in het
eerste lid bedoelde aanwijzing kan worden gegeven, ingetrokken dan wel
gewijzigd;
b. het opstellen van een verslag van
werkzaamheden ten behoeve van Onze Minister.
Art.
13. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 37; Stb.
2008, 600]
Art.
14. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005,
573; Stb.
2008, 600]
Art.
15. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2008, 600]
HOOFDSTUK
4
De Raad
voor werk en inkomen
Art.
16.
Raad voor
werk en inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 544; Stb. 2008, 600]
-1. Er is een Raad voor werk en
inkomen. De Raad voor werk en inkomen heeft rechtspersoonlijkheid en
heeft zijn zetel op een door Onze Minister
te bepalen plaats. [RS]
-2. De Raad voor werk en inkomen bestaat
uit zestien leden, onder wie een voorzitter, en vijftien
plaatsvervangende leden die door Onze Minister
worden benoemd en door hem kunnen worden geschorst en ontslagen.
-3. De daartoe door Onze Minister
aangewezen algemeen erkende centrale organisaties
van werknemers, de daartoe door hem aangewezen algemeen erkende en
andere representatieve organisaties van werkgevers en de daartoe door
hem aangewezen rechtspersoon die de gemeenten
vertegenwoordigt, doen aan Onze Minister een voordracht voor de
benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de Raad voor
werk en inkomen. De aangewezen werknemersorganisaties doen daarbij een
voordracht voor vijf leden en vijf plaatsvervangende leden, de
aangewezen werkgeversorganisaties voor vijf leden en vijf
plaatsvervangende leden en de aangewezen rechtspersoon die de gemeenten
vertegenwoordigt voor vijf leden en vijf plaatsvervangende leden. [RS]
-4. Het derde lid is niet van toepassing
op de voorzitter van de Raad voor werk en inkomen.
-5. De leden van de Raad voor werk en
inkomen worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan eenmaal
voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. De persoon
die tussentijds als lid of als plaatsvervangend lid wordt benoemd,
treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd,
had moeten aftreden.
-6. Alvorens representatieve organisaties
als bedoeld in het derde lid aan te wijzen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische
Raad in de gelegenheid over de representativiteit van die
organisaties advies uit te brengen.
-7. Onze Minister stelt de rechtspositie
van de voorzitter van de Raad voor werk en inkomen en de vergoedingen
van de leden van de Raad voor werk en inkomen vast.
-8. Het personeel van de Raad voor werk en inkomen wordt in
dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De
bepalingen van titel 10 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.
Art.
17.
Taken van de
Raad voor werk en inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37; Stb. 2005, 21;
Stb.
2008, 600]
-1. De Raad voor
werk en inkomen heeft tot taak overleg te voeren met Onze
Minister over voorstellen van deze raad betreffende:
a. het beleid met betrekking tot
werk en inkomen;
b. het arbeidsmarktbeleid;
c. de bevordering van de kwaliteit
en de transparantie van de re-integratiemarkt.
-2. De Raad voor werk en inkomen verricht
op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging onderzoek en doet
voorstellen met betrekking tot de in het eerste lid genoemde
onderwerpen. Onze Minister wie het aangaat, kan door tussenkomst van
Onze Minister ook een dergelijk verzoek tot de Raad voor werk en inkomen
richten.
-3. De Raad voor werk en inkomen stelt een
regeling op die voorziet in overleg over de in het eerste lid genoemde
onderwerpen met personen of vertegenwoordigers van personen die als cliënt
betrokken zijn bij uitvoering van die onderwerpen. Dit overleg vindt
periodiek plaats, doch ten minste tweemaal per jaar. [RoRL] [RoRL05]
-4. De Raad voor werk en inkomen overlegt
met de landelijke cliëntenraad, bedoeld in artikel
8, over de wijze waarop het overleg, bedoeld in het derde lid,
plaatsvindt.
-5. De Raad voor werk en inkomen stelt een
regeling vast die voorziet in overleg met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen over de in het eerste lid genoemde
onderwerpen. Dit overleg vindt periodiek plaats, doch ten minste
tweemaal per jaar. [RoRU]
-6. De Raad voor werk en inkomen overlegt
met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over de wijze
waarop het overleg, bedoeld in het vijfde lid, plaatsvindt.
Art.
18.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2005, 708]
Art.
19.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2008, 600]
Art.
20.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2005, 21 + bis]
Art.
21. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2004, 325; Stb. 2005, 708;
Stb. 2008, 600]
Art. 21a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2004, 325 + bis; Stb.
2008, 600]
Art.
21b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2008, 600]
Art.
22. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2004, 325; Stb. 2004, 493;
Stb. 2008, 600]
Art.
23. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2005, 530; Stb.
2008, 600]
Art.
24. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2004, 325; Stb. 2008, 600]
Art.
25. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
Art.
26. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 376; Stb. 2005, 708;
Stb. 2008, 600]
Art.
27. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2008, 600]
Art.
28. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 544;
Stb. 2007, 555; Stb.
2008, 600]
Art.
29. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 544; Stb. 2007, 555;
Stb. 2008, 600]
HOOFDSTUK
5
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
§
5.1. Taken van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Art.
30. Taken in verband met uitkeringsverstrekking en algemene
taken [Bii] [NU]
[Vb] [Geschiedenis:
MvT; versie
29 november 2001; Stb.
2002, 584 + bis; Stb.
2003, 544; Stb. 2003,
555; Stb. 2005, 37;
Stb. 2004, 717; Stb.
2004, 731; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2005, 708 + bis;
Stb. 2006, 303; Stb.
2006, 703; Stb. 2008, 600
+ bis;
Stb. 2009, 390;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 580]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft tot taak uitvoering te geven aan de
wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke
ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekering, de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Toeslagenwet,
de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen,
alsmede aan wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, voor
zover die uitvoering niet bij of krachtens enige wet aan anderen is
opgedragen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft tot taak het beheren en administreren van
de fondsen, bedoeld in artikel 1, onderdeel j
tot en met n en w, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, het Reïntegratiefonds, genoemd
in artikel 2.7c van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
het Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31 van
de Toeslagenwet, en het
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, genoemd in artikel
5:1 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, en het voeren
van een adequate administratie ten behoeve van de uitoefening van zijn
taken.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt aan Onze
Minister op zijn verzoek de inlichtingen die nodig zijn voor de
beoordeling van de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en wettelijke
voorschriften, voor zover deze betrekking hebben op onderwerpen als
bedoeld in dit hoofdstuk.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verricht in opdracht van Onze Minister of uit
eigen beweging onderzoek met betrekking tot de wettelijke taken van dit
instituut en verzamelt en analyseert informatie ten behoeve van de
bevordering van de werking van en het inzicht in de arbeidsmarkt.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verricht diensten voor gegevensverkeer met het
buitenland, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de hierna genoemde bestuursorganen de omvang van die diensten nader
kunnen overeenkomen of voor zover dit voortvloeit uit
internationaalrechtelijke voorschriften:
a. ten behoeve van een rechtmatige
uitvoering van bij of krachtens deze wet of enige andere wet aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank opgedragen taken;
b. ten behoeve van een rechtmatige
uitvoering van aan de colleges van burgemeester en wethouders opgedragen
taken bij of krachtens de Wet werk en bijstand,
de Wet investeren in jongeren,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen en de Wet werk en inkomen
kunstenaars;
c. ten behoeve van Onze Minister met
het oog op het toezicht op de naleving van wetten.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt aan Onze Minister op zijn verzoek
inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van een verzoek om
ontheffing als bedoeld in artikel 8,
derde lid, van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945.
Art.
30a. Taak re-integratie van personen en arbeidsbemiddeling
[BS] [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2008, 600 + bis;
Stb. 2009, 269; Stb.
2009, 287; Stb.
2009, 580]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft tot taak de inschakeling in het
arbeidsproces te bevorderen van: [Bbp]
a. personen die recht hebben op een
uitkering of arbeidsondersteuning op grond van wetten als bedoeld in artikel 30,
eerste lid;
b. werknemers die kunnen aantonen
dat de dienstbetrekking binnen vier maanden zal eindigen en van wie naar
het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
redelijkerwijs valt aan te nemen dat zij recht zullen hebben op een
uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidswet;
c. personen die ingezetene zijn als
bedoeld in artikel 1:2 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de leeftijd van
18 jaar nog niet hebben bereikt en in verband met ziekte of gebrek een
belemmering ondervinden of hebben ondervonden bij het volgen van
onderwijs.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekering heeft tot taak het registreren van werkzoekenden
en van vacatures van werkgevers en het voordragen van geschikte
vacatures aan werkzoekenden en het voordragen van geschikte
werkzoekenden voor vacatures. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen maakt in dit kader afspraken met werkgevers op
basis waarvan concrete, passende arbeid kan worden aangeboden aan
personen die ten minste 52 weken onafgebroken recht op een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet hebben gehad. Voor
het bepalen van het tijdvak van 52 weken is artikel
20, achtste lid, van de Werkloosheidswet van
overeenkomstige toepassing. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen maakt in dit kader tevens afspraken met
werkgevers op basis waarvan concrete, algemeen geaccepteerde arbeid kan
worden aangeboden aan personen die recht op arbeidsondersteuning hebben
op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten. [RU]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft de taak, bedoeld in het eerste lid, niet:
a. ten aanzien van personen, bedoeld
in het eerste lid, indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen met een college van burgemeester en wethouders
overeenkomt dat het college verantwoordelijk is voor het ondersteunen
van die personen bij arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel
7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet
werk en bijstand;
b. ten aanzien van personen die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen op grond van hoofdstuk
6 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
c. ten aanzien van de verzekerde,
bedoeld in artikel 82, eerste en tweede lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
tenzij de artikelen 72, derde lid, of 84,
tweede lid, van die wet van toepassing zijn;
d. indien artikel
72a van de Werkloosheidswet van
toepassing is;
e. ten aanzien van de werknemer,
bedoeld in artikel 29b en artikel
29d van de Ziektewet.
-4. Nadat het recht op een uitkering op
grond van wetten als bedoeld in artikel 30, eerste
lid, uitgezonderd de wettelijke ziekengeldverzekering en het recht op
arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, is vastgesteld,
stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien gelet op
de aard van de uitkering het eerste lid van toepassing is, in
samenspraak met de uitkeringsgerechtigde een re-integratievisie vast
waarin verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde zijn
vermeld.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen evalueert, in samenspraak met de
uitkeringsgerechtigde, periodiek de re-integratievisie en kan deze
bijstellen.
-6. Indien de re-integratievisie daartoe
aanleiding geeft, draagt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde,
bedoeld in het vierde lid, zorg voor een plan gericht op behoud en
verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en
inschakeling in arbeid. Het re-integratieplan wordt in samenspraak met
de uitkeringsgerechtigde opgesteld. Voor zover noodzakelijk in verband
met de aard van de voorziening, stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de uitkeringsgerechtigde in de gelegenheid zelf
een re-integratieplan op te stellen.
-7. In het re-integratieplan worden
verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde vermeld voor
zover die niet in de re-integratievisie zijn vermeld.
-8. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen laat de werkzaamheden in het kader van zijn
taak, bedoeld in het eerste en zesde lid, in elk geval indien het
personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt betreft, verrichten
door een re-integratiebedrijf.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor het derde en achtste lid in
ieder geval voor de situaties van samenloop van de taak, bedoeld in het
eerste lid, met de vergelijkbare taak van werkgevers of in geval van
samenloop van uitkeringen, de inhoud van de overeenkomst met het
re-integratiebedrijf, het verwerken van gegevens en de soort
werkzaamheden.
Art.
30b. Registratie werkzoekenden en vacatures [BS]
[RU] [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2008, 600 + bis]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen registreert op diens verzoek als
werkzoekende:
a. Nederlanders;
b. vreemdelingen op wie artikel 1 of
artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van
werknemers binnen de Gemeenschap (PbEG 1968, L 257) van
toepassing is;
c. vreemdelingen die beschikken over
een krachtens de Vreemdelingenwet
2000 afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van Onze
Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen
beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;
d. vreemdelingen die behoren tot een
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie. [BS]
-2. Aan geregistreerde werkzoekenden wordt
kosteloos een bewijs van registratie verstrekt.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen regelt de termijnen gedurende welke de
registratie ten hoogste wordt gehandhaafd en waarmee de registratie
telkenmale, op verzoek van de betrokkene, ten hoogste kan worden
verlengd.
-4. De registratie van een werkzoekende
wordt beëindigd:
a. op verzoek van de betrokkene;
b. indien een termijn als bedoeld in
het derde lid is verstreken zonder dat de betrokkene een verzoek tot
verlenging van de termijn heeft gedaan.
-5. Iedere werkgever heeft het recht bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vacatures te laten
registreren. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt
regels met betrekking tot deze registratie.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen neemt in de in dit artikel bedoelde registratie
het sociaal-fiscaal nummer van de geregistreerde werkzoekende op.
Art.
30c. Aanvraag van uitkeringen [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2008, 600
+ bis;
Stb. 2009, 282]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen neemt, onverminderd artikel
41, tweede lid, van de Wet werk en bijstand,
aanvragen in ontvangst van algemene bijstand op grond van de Wet
werk en bijstand dan wel van een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of voor een werkleeraanbod op grond van de Wet
investeren in jongeren. Bij het in ontvangst nemen van de aanvraag legt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de datum van de aanvraag
vast en op welke dag hij naam, adres en woonplaats van de belanghebbende
heeft geregistreerd en hem in staat heeft gesteld zijn aanvraag in te
dienen.
-2. De belanghebbende verstrekt aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op verzoek alle gevraagde
gegevens en bewijsstukken die nodig zijn voor de beslissing op zijn
aanvraag door het college van burgemeester en wethouders van de
betrokken gemeente.
-3. De belanghebbende deelt op verzoek van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of onverwijld uit eigen
beweging in verband met de toepassing van dit artikel alle feiten en
omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand of het recht op een
uitkering, het geldend maken van het recht op bijstand of het recht op
een uitkering, of de hoogte of de duur van de bijstand of de uitkering.
Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden
vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek
aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële
regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. [Bbwn]
[RS]
-4. Artikel 33a,
tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen draagt de aanvraag met de daarbij verstrekte
gegevens en bewijsstukken, alsmede het daarbij behorende sociaal-fiscaal
nummer, over aan het college van burgemeester en wethouders van de
betrokken gemeente. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
doet tegelijkertijd van deze overdracht schriftelijk mededeling aan de
belanghebbende. De verplichting van het derde lid geldt tot het tijdstip
van ontvangst van deze mededeling.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen sluit overeenkomsten met het college van
burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente over de wijze van
uitvoering van dit artikel, waarbij voor bepaalde categorieën van
aanvragen een andere taakverdeling kan worden vastgesteld dan die
voortvloeit uit het eerste en tweede lid. Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit lid. [RS]
-7. De gegevens en bewijsstukken, bedoeld
in het tweede lid, worden door het college van burgemeester en
wethouders niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn
verkregen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, tenzij
hierdoor een goede vervulling van de taak van het college van
burgemeester en wethouders op grond van dit artikel wordt belet.
-8. Artikel 4:5
van de Algemene wet bestuursrecht is niet
van toepassing ten aanzien van de uitvoering van dit artikel door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art.
30d. Taak indicatie Wet sociale werkvoorziening [BW08]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Ten behoeve van de uitvoering van de Wet
sociale werkvoorziening door colleges van burgemeester en wethouders
heeft het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen tot taak:
a. na het verrichten van een
onderzoek te besluiten over de indicatie, bedoeld in artikel
11, eerste lid, en de herindicatie, bedoeld in artikel
11, tweede lid, van die wet;
b. in het geval betrokkene tot de
doelgroep van die wet behoort of blijft behoren
aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
waar betrokkene woonachtig is te adviseren:
1º. welke aanpassing van omstandigheden
nodig is bij het verrichten van arbeid door de betrokkene; en
2º. of betrokkene in aanmerking komt voor
toepassing van hoofdstuk 3 van die
wet;
c. in het geval betrokkene niet of
niet meer tot de doelgroep van genoemde wet behoort aan het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene woonachtig is
te adviseren over de wijze waarop de mogelijkheden tot inschakeling in
het arbeidsproces van betrokkene kunnen worden verbeterd, dan wel aan
dat college van burgemeester en wethouders te adviseren over een
doorgeleiding naar een voorziening voor ondersteunende en activerende
begeleiding. In het advies over de wijze waarop de mogelijkheden tot
inschakeling in het arbeidsproces kunnen worden verbeterd, wordt van de
opvattingen van de betrokkene, desgewenst in de door deze aangegeven
bewoordingen, en, indien het advies hiervan afwijkt, van de redenen
daarvoor, melding gedaan;
d. in de gevallen, bedoeld in artikel
6, derde lid, van die wet, aan het college
van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene
woonachtig is te adviseren omtrent de opzegging van de dienstbetrekking,
bedoeld in die wet.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld voor het besluit, bedoeld in het eerste
lid, waaronder de minimale en de maximale geldigheidsduur van het
besluit, en over de advisering en de wijze waarop de indicatie en de
herindicatie tot stand komt. [Buswbw]
Art.
30e. Uitstroom vanuit loonkostensubsidie naar reguliere arbeid
[Bbl] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wijst een verzoek om een loonkostensubsidie
ingevolge de artikelen 78a van de Werkloosheidswet,
67f van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 59j
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 65i van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en 37a
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
af indien er geen reëel uitzicht is op continuering van de betrokken
dienstbetrekking of een dienstbetrekking bij een andere werkgever na beëindiging
van de subsidie. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
hanteert daarbij een beoordelingskader van relevante indicatoren en
volgt het verloop van de dienstbetrekkingen waarvoor een
loonkostensubsidie is verleend tot ten minste twee maanden na beëindiging
van de subsidie. Indien blijkt dat de toekenning van loonkostensubsidies
niet in ten minste 50% van de beslissingen is uitgemond in een
dienstbetrekking van ten minste zes maanden, stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het beoordelingskader bij
op basis van de verworven inzichten, teneinde met de toekenningen in de
volgende periode ten minste een dergelijke uitkomst te realiseren.
Art.
31. Beoordeling kans op werk en informatie over de
arbeidsmarkt en sociale verzekeringen [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2004, 493; Stb. 2008, 600
+ bis]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen draagt zorg voor een actueel oordeel over de
kans op werk van iedere op grond van artikel 30b
geregistreerde werkzoekende en onderzoekt zo nodig op welke wijze die
kans kan worden verbeterd.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen draagt zorg voor gevraagde en ongevraagde
verstrekking van deugdelijke informatie en advies over de arbeidsmarkt
alsmede over de uitvoering van zijn taak aan werkgevers, werknemers,
uitkeringsgerechtigden, verzekerden, werkzoekenden en andere
belanghebbenden in verband met de uitvoering van de in artikel
30, eerste lid, genoemde verzekeringen en wetten alsmede de in artikel
30a bedoelde taak.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen geeft voorlichting met betrekking tot de keuze
van een beroep alsmede de voor een beroep benodigde opleiding.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld betreffende de registratie van de beoordeling,
bedoeld in het eerste lid. [RS]
Art.
31a. Werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Voor zover aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bekend is dat in een bedrijf of onderneming,
of een gedeelte daarvan, een werkstaking, uitsluiting of
bedrijfsbezetting plaatsvindt, verleent hij geen diensten tot het
plaatsen van werkzoekenden in dat bedrijf of die onderneming, of dat
gedeelte daarvan, waar de werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting
heerst.
-2. Voor zover aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bekend is dat werkzoekenden rechtstreeks in een
werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting betrokken zijn, verleent
hij aan hen tijdens de duur van het arbeidsconflict geen diensten als
bedoeld in artikel 30a, tweede lid.
Art.
32. Taak onderzoek en informatie op verzoek van werkgever,
werknemer of eigenrisicodrager [Geschiedenis:
MvT; versie
29 november 2001; Stb. 2004,
731; Stb. 2005, 573;
Stb. 2008, 600 + bis]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt op verzoek van een werkgever of een
werknemer een onderzoek in naar en geeft een oordeel over het bestaan
van ongeschiktheid tot werken indien de werknemer een geschil heeft met
zijn werkgever over recht op loon als bedoeld in artikel 629, eerste
lid, van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek of recht op bezoldiging als bedoeld in artikel
76a, eerste lid, van de Ziektewet.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt op verzoek van een werkgever of een
werknemer een onderzoek in naar en geeft een oordeel over de nakoming
door de werknemer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 660a
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek dan wel overeenkomstige bepalingen.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt op verzoek van een werkgever of een
werknemer dan wel een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet
of personen als bedoeld in artikel 29, tweede
lid, onderdeel a, b en c, van die
wet die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, een
onderzoek in naar en geeft een oordeel over:
a. de aanwezigheid van passende
arbeid die de zieke werknemer voor de werkgever, respectievelijk de
persoon die recht heeft op ziekengeld voor de eigenrisicodrager, in
staat is te verrichten; of
b. de vraag of de werkgever ten
aanzien van zijn zieke werknemer, respectievelijk de eigenrisicodrager
ten aanzien van de persoon aan wie hij ziekengeld moet betalen,
voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt op verzoek van een eigenrisicodrager als
bedoeld in artikel 1 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de verzekerde, bedoeld in artikel
82, eerste lid, onderdeel b, van die wet,
die recht heeft op uitkering een onderzoek in naar en geeft een oordeel
over de vraag of de eigenrisicodrager ten aanzien van genoemde
verzekerde voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft
verricht voor zover hieromtrent door de eigenrisicodrager geen besluit
is afgegeven.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen adviseert de overheidswerkgever, bedoeld in artikel
72a van de Werkloosheidswet, op diens
verzoek met betrekking tot door die werkgever te verlenen ondersteuning
aan de overheidswerknemer aan wie toestemming als bedoeld in artikel
77a van de Werkloosheidswet is
verleend.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt op verzoek van een werkgever of een
werknemer informatie over de socialeverzekeringsaspecten van
arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en re-integratie.
Art.
32a. Onderzoek en kostenvergoeding [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Indien een werkgever verzoekt een
onderzoek als bedoeld in artikel 32, eerste en tweede
lid, in te stellen, geeft het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen slechts een oordeel over het bestaan van de
ongeschiktheid tot werken van een bepaalde werknemer indien deze
werknemer bereid is zich hiertoe te laten onderzoeken.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan voor een onderzoek als bedoeld in artikel
32, eerste, tweede, derde en vierde lid, kosten in rekening brengen
bij de werkgever of de werknemer die heeft verzocht dit onderzoek in te
stellen. [Bkad05]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen geeft een oordeel als bedoeld in artikel
32, eerste, tweede, derde en vierde lid, binnen een termijn van twee
weken na ontvangst van het verzoek. De artikelen
4:14 en 4:15 van de Algemene
wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
32b. Onderzoekssubsidies [EUvpjb]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan in het belang van de arbeidsintegratie
van personen met een structurele functionele beperking ten laste van de
fondsen, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet
financiering sociale verzekeringen, subsidie verstrekken aan
instellingen of organisaties met het oog op onderzoek naar en het
bevorderen van maatregelen die strekken tot behoud, herstel of
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van het eerste lid. [Bso06]
Art.
32c. Beslissingsautoriteit Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen benoemt één of meer personen die onder
zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn als beslissingsautoriteit.
-2. Voor zover nodig in afwijking van artikel
6, vijfde lid, laat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
primaire beschikkingen voor zover daarin het ontstaan van een recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in de artikelen
47 of 48 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de herleving ervan als
bedoeld in artikel 50 van die
wet wordt vastgesteld, bij uitsluiting nemen door een
beslissingsautoriteit als bedoeld in het eerste lid.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen regelt in overeenstemming met Onze
Minister de plaats of plaatsen van werkzaamheden van de
beslissingsautoriteit, de werkwijze van de beslissingsautoriteit en de
benodigde kwalificaties voor een benoeming tot beslissingsautoriteit.
Art.
32d. Taken opgedragen bij andere wetten, algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen voert taken uit die bij of krachtens enige
andere wet dan bedoeld in artikel 30, eerste lid, aan
het uitvoeringsinstituut zijn opgedragen.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling kunnen taken worden opgedragen aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. [BboU]
[Trbnh]
[Triha] [Tsowdw]
-3. Een voordracht voor een algemene
maatregel van bestuur waarin taken aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden opgedragen, wordt gedaan mede namens Onze
Minister.
-4. Indien taken aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden opgedragen bij
regeling van Onze Minister wie het aangaat, wordt deze regeling mede
ondertekend door Onze Minister.
§
5.2. Polisadministratie en gegevensverwerking voor uitvoering
taken
Art.
33.
Polisadministratie [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37 + bis; Stb.
2004, 728; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2006, 644; Stb.
2006, 682; Stb. 2008, 600]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt zorg voor de
inrichting en adequate werking van de polisadministratie.
-2. De polisadministratie heeft tot doel:
a. van de werknemer gegevens over
zijn arbeidsverhouding en uitkeringsverhouding - daaronder begrepen
duur, loon en premies werknemersverzekeringen - vast te leggen ten
behoeve van de werknemersverzekeringen;
b. besluiten over recht op
uitkering of verstrekking te baseren op gegevens als bedoeld in
onderdeel a met het oog waarop de werknemer wordt geïnformeerd
over die gegevens en het al dan niet verzekerd zijn voor de
werknemersverzekeringen;
c. van de persoon die vrijwillig
verzekerd is voor de Ziektewet, de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Werkloosheidswet
en Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
gegevens te verwerken waarbij de onderdelen a en b van
overeenkomstige toepassing zijn;
d. van de werknemer gegevens over
genoten loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964, ingehouden loonbelasting, premie
volksverzekeringen in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen,
inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in de Zorgverzekeringswet,
alsmede andere gegevens van belang voor de heffing van de
inkomstenbelasting, te verwerken ten behoeve van de uitvoering van de
taken van de rijksbelastingdienst;
e.
van de werknemer overige gegevens van belang voor statistische
doeleinden op het gebied van arbeid en lonen te verwerken ten behoeve
van het Centraal bureau
voor de statistiek.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is de
verantwoordelijke in de zin van de
Wet
bescherming persoonsgegevens voor zover het betreft de verwerking
van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b
en
c, en de bewerker in de zin van de Wet bescherming
persoonsgegevens voor zover het betreft de verwerking van de gegevens,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel d en e.
-4. De verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming
persoonsgegevens voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel d en e, zijn respectievelijk Onze
Minister van Financiën en het Centraal bureau voor de statistiek.
-5. De rijksbelastingdienst verstrekt aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in het kader van zijn
taak, bedoeld in het eerste lid, alle gegevens en inlichtingen die
verkregen zijn bij de uitvoering van de heffing van loonbelasting en van
de artikelen 58, tweede lid, en
59 van de Wet financiering sociale verzekeringen,
voor zover die gegevens en inlichtingen noodzakelijk zijn voor het
verwerken van gegevens in de polisadministratie.
-6. De gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt
ter verificatie geraadpleegd voor de gegevens die door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van dit artikel
worden verwerkt.
-7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt
aan de rijksbelastingdienst alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn ten behoeve van de uitvoering van de taken van de
rijksbelastingdienst.
-8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt Onze Minister
en bestuursorganen als bedoeld in de artikelen 62,
72 en 73,
vijfde lid, gegevens die op grond van het tweede lid verwerkt worden in
de polisadministratie, met uitzondering van de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel d.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
nadere regels gesteld, in ieder geval over de inrichting, de gegevensset
en de wijze van verkrijging van de gegevens van de polisadministratie.
Tevens worden regels gesteld over het elektronische gegevensverkeer, de
daarbij te gebruiken elektronische infrastructuur en de eisen die aan de
gegevensverstrekking uit de polisadministratie worden gesteld. [BS] [RS]
Art.
33a.
Gegevensverwerking voor vervulling taken UWV [Geschiedenis:
Stb. 2004, 594; Stb.
2005, 37 + bis; Stb.
2007, 555; Stb. 2008, 600]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is de
verantwoordelijke in de zin van de
Wet
bescherming persoonsgegevens voor de verwerking van gegevens van
uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, aanhef en onder 2º, noodzakelijk voor het
uitvoeren van de taak, bedoeld in
artikel 30, eerste lid.
-2. De gegevens, die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden verwerkt, worden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet verkregen van de in het eerste lid genoemde
uitkeringsgerechtigden, voor zover zij verkregen kunnen worden uit de
polisadministratie, bedoeld in artikel 33, de
verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35,
alsmede de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij
hierdoor een goede vervulling van de taak van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van dit artikel wordt belet of bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen
waarvoor de eerste zin van toepassing is, worden regels gesteld over de
gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen
waarvoor de eerste zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het
authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid
van overeenkomstige toepassing. [BS]
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is, voor
zover het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet
verantwoordelijke is in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens,
bewerker in de zin van die wet voor de verwerking van gegevens ter
uitvoering van de taak, bedoeld in artikel
30, vijfde lid.
-4. De voordracht voor een krachtens het
tweede lid, tweede zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art.
33b.
Sociaal-fiscaal nummer [Geschiedenis:
Stb.
2005, 37; Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gebruikt het sociaal-fiscaal nummer bij de
verwerking van persoonsgegevens:
a. voor de uitvoering van de in artikel
30, eerste lid, genoemde verzekeringen en wetten;
b. in de polisadministratie, bedoeld
in artikel 33;
c. bij de uitvoering van de taken,
bedoeld in de artikelen 30a, 30b,
30c en 30d;
d. bij de uitvoering van artikel
30, zesde lid, voor zover dit betreft de uitvoering van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verifieert
het sociaal-fiscaal nummer in relatie tot de bijbehorende
persoonsidentificerende gegevens, van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 33,
tweede lid, onderdeel a, bij de eerste opname in de
polisadministratie en vervolgens indien daartoe aanleiding is, bij de rijksbelastingdienst.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, nadere regels worden gesteld ter uitvoering
van dit artikel.
Art.
33c. Informatie over
verwerkte gegevens [Geschiedenis:
Stb.
2005, 37; Stb. 2005, 708;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 542]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen informeert de werknemer periodiek als
bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel b.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt de werknemer tevens in de gelegenheid
kennis te nemen van te verwachten hoogte en duur van de uitkering die
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt verstrekt
indien de werknemer werkloos, arbeidsongeschikt of gedeeltelijk
arbeidsgeschikt zou worden.
-3. Indien de gegevens niet juist of niet
volledig zijn, dient de werknemer terstond een correctieverzoek in bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met aanduiding van de
juiste gegevens.
-4. Indien de werknemer vaststelt dat
gegevens als bedoeld in het eerste lid niet zijn opgenomen in de
polisadministratie en hij dit redelijkerwijs wel kon verwachten, dient
hij terstond een correctieverzoek in bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen met aanduiding van de ontbrekende gegevens.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen beslist, in afwijking van artikel 36, tweede
lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens, binnen zes weken over de opname,
verbetering en aanvulling van gegevens van de werknemer naar aanleiding
van een verzoek als bedoeld in het derde of vierde lid.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor de periodiciteit van de informatie en voor de
wijze van informatieverstrekking die voor verschillende soorten
werknemers verschillend kan zijn, en in samenhang daarmee voor de inhoud
van de informatie.
Art.
33d. Informatie over het arbeidsverleden [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt ten aanzien van de werknemer, bedoeld
in de Werkloosheidswet en de Wet
inkomen naar arbeidsvermogen, van wie door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gegevens worden verwerkt op grond van deze
wetten, gegevens vast waarbij is aangegeven of hij in een kalenderjaar
over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen als bedoeld in artikel
42 of 42a van de Werkloosheidswet
en artikel 15 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen informeert de werknemer op de wijze, bedoeld in artikel
33c, over deze arbeidsverledengegevens.
HOOFDSTUK
6
De
Sociale verzekeringsbank
Art.
34.
Taken van de
Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37; Stb. 2004, 717;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 708; Stb. 2007, 418;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 282]
-1. De Sociale verzekeringsbank
heeft tot taak:
[BbS02] [BbS03]
[BbS04] [BbS05] [BbS06]
[BbS07] [BbS08]
[BbS09] [BitSVB] [BwSVB]
[MS08]
a. de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet,
alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, uit te
voeren, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens enige andere wet
aan anderen is opgedragen; [BtS]
b. beheren en administreren van de fondsen, bedoeld in artikel
1, onderdeel f en
g, van de Wet financiering sociale verzekeringen,
en het Algemeen Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a
van de Algemene Kinderbijslagwet;
c. zorg dragen voor gevraagde en ongevraagde verstrekking
van deugdelijke informatie aan werkgevers, werknemers,
uitkeringsgerechtigden, verzekerden en andere belanghebbenden in verband
met de uitvoering van de in onderdeel a genoemde wetten;
d. het uitvoeren van taken die bij of krachtens enige andere
wet dan de in onderdeel a bedoelde wetten aan de Sociale
verzekeringsbank zijn opgedragen; [BSbW10]
[BtS]
e. het in opdracht van Onze Minister of uit eigen beweging
verrichten van onderzoek met betrekking tot de wettelijke taken van deze
organisatie;
f. het aan Onze Minister op zijn verzoek verstrekken van de
inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid
van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften, voor zover deze
betrekking hebben op onderwerpen als bedoeld in dit artikel;
g. het voeren van een adequate administratie ten behoeve
van de uitoefening van haar taak.
-2. De Sociale verzekeringsbank verricht
diensten voor gegevensverkeer met het buitenland, waarbij de Sociale
verzekeringsbank en de hierna genoemde bestuursorganen de omvang van die
diensten nader kunnen overeenkomen of voor zover dit voortvloeit uit
internationaalrechtelijke voorschriften:
a. ten behoeve van een rechtmatige
uitvoering van bij of krachtens deze wet of enige andere wet aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opgedragen taken;
b. ten behoeve van een rechtmatige
uitvoering van aan de colleges van burgemeester en wethouders opgedragen
taken bij of krachtens de Wet werk en bijstand,
de Wet investeren in jongeren,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen en de Wet werk en inkomen
kunstenaars;
c. ten behoeve van Onze
Minister met het oog op het toezicht op de naleving van wetten.
-3. De Sociale verzekeringsbank verwerkt
gegevens afkomstig uit het buitenland en verricht taken in verband met
deze gegevensverwerking:
a. ten behoeve van de uitvoering van
bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en de Zorgverzekeringswet aan
het College voor zorgverzekeringen, genoemd
in artikel 58 van de Zorgverzekeringswet,
opgedragen taken;
b. ten behoeve van de uitvoering van
de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen door de Belastingdienst/Toeslagen;
c. ten behoeve van de vaststelling
van het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen, de
volksverzekeringen, of het verzekeringsplichtig zijn op grond van de
Zorgverzekeringswet, voor zover dit voortvloeit uit
internationaalrechtelijke voorschriften, dan wel stelt op basis van door
de Sociale verzekeringsbank te verwerken gegevens op verzoek van de
genoemde bestuursorganen en de zorgverzekeraars, genoemd in de
Zorgverzekeringswet, verzekering of verzekeringstijdvakken vast.
-4. De Sociale verzekeringsbank verstrekt
op verzoek van een verzekerde, een zorgverzekeraar of andere
belanghebbende informatie over de verzekeringsstatus van de verzekerde
voor zover deze informatie noodzakelijk is voor de uitvoering van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Zorgverzekeringswet en
verstrekt op verzoek van een verzekerde informatie over de
verzekeringstijdvakken en daarop gebaseerde aanspraak op
ouderdomspensioen.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
financiering van deze taken.
Art.
34a. Taken opgedragen bij algemene maatregel van bestuur of
ministeriële regeling [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur of
bij ministeriële regeling kunnen taken worden opgedragen aan de Sociale
verzekeringsbank. [BtS] [Tog00]
-2. Een voordracht voor een algemene
maatregel van bestuur waarin taken aan de Sociale verzekeringsbank
worden opgedragen, wordt gedaan mede namens Onze
Minister.
-3. Indien taken aan de Sociale
verzekeringsbank worden opgedragen bij regeling van Onze Minister wie
het aangaat, wordt deze regeling mede ondertekend door Onze Minister.
Art.
35.
Verzekerdenadministratie Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37 + bis; Stb. 2005, 708;
Stb.
2007, 555; Stb.
2008, 600]
-1. De Sociale verzekeringsbank
is de verantwoordelijke in de zin van de
Wet
bescherming persoonsgegevens voor de verwerking van gegevens over
verzekerden en uitkeringsgerechtigden in de zin van de
volksverzekeringen en over bij de verzekerden behorende personen in de
verzekerdenadministratie.
-2. De verwerking van gegevens in de verzekerdenadministratie
heeft tot doel:
a. van verzekerden,
pensioengerechtigden, nabestaanden en andere uitkeringsgerechtigden
gegevens te verwerken noodzakelijk voor de uitvoering van de wetten,
genoemd in artikel 34, eerste lid,
onderdeel a;
b. van kinderen van verzekerden
gegevens te verwerken noodzakelijk voor de uitvoering van de
Algemene Kinderbijslagwet;
c. van de echtgenoot, kinderen of
huisgenoten van de verzekerde en pensioengerechtigde gegevens te
verwerken noodzakelijk voor de uitvoering van de
Algemene nabestaandenwet en de Algemene
Ouderdomswet;
d. van andere personen gegevens te
verwerken noodzakelijk voor de uitvoering van taken als bedoeld in artikel 34,
eerste lid, onderdeel d;
e. gegevens vast te leggen over
verzekerde en niet-verzekerde tijdvakken op grond van verplichte of
vrijwillige verzekering voor de volksverzekeringen;
f. gegevens te verwerken om te
voldoen aan verplichtingen van de Sociale verzekeringsbank op grond van
internationaalrechtelijke voorschriften.
-3. Voor zover de Sociale verzekeringsbank geen verantwoordelijke
is in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens, is de Sociale
verzekeringsbank bewerker in de zin van die wet voor de verwerking van
gegevens ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 34,
tweede en derde lid.
-4. De Sociale verzekeringsbank verstrekt Onze Minister
en bestuursorganen als bedoeld in de
artikelen 62, 72 en 73,
vijfde lid, gegevens als bedoeld in het tweede lid die verwerkt worden
in de verzekerdenadministratie, voor zover deze gegevens niet verwerkt
worden in de polisadministratie, bedoeld in artikel
33, en verstrekt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alle gegevens die
noodzakelijk zijn voor verwerking van gegevens in de polisadministratie.
-5. De gegevens die door de Sociale verzekeringsbank worden
verwerkt, worden niet verkregen van de in het tweede lid genoemde
personen, voor zover zij verkregen kunnen worden uit de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens of de polisadministratie, bedoeld in artikel 33,
tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van de Sociale
verzekeringsbank op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de
eerste zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die
het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de
eerste zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke
gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van
overeenkomstige toepassing. [BS]
-6. De Sociale verzekeringsbank gebruikt het sociaal-fiscaal
nummer bij de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in dit
artikel. Artikel 33b, tweede en
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld, in ieder geval over de inrichting en de gegevensset van
de verzekerdenadministratie. Tevens worden regels gesteld over het
elektronische gegevensverkeer, de daarbij te gebruiken elektronische
infrastructuur en de eisen die aan de gegevensverstrekking uit de
verzekerdenadministratie worden gesteld. [BS] [Rvsv]
[Tog00]
-8. De voordracht voor een krachtens het
vijfde lid, tweede zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur
wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
HOOFDSTUK
7
Toezicht
Art.
36.
Toezicht door
Inspectie Werk en Inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2005, 708; Stb.
2008, 600]
-1. Er is een Inspectie Werk en
Inkomen die onder Onze Minister
ressorteert. Aan het hoofd van de Inspectie staat de
inspecteur-generaal.
-2. Het toezicht op de uitvoering van de
taken die bij of krachtens deze wet of enige andere wet zijn opgedragen
aan het Inlichtingenbureau, de Raad voor werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de Sociale verzekeringsbank, wordt onder
gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen.
Art.
37.
Taken van de
Inspectie Werk en Inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb. 2003,
376; Stb. 2004, 455;
Stb. 2004, 717; Stb.
2008, 51; Stb.
2008, 600]
De Inspectie Werk en
Inkomen is belast met:
a. het toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid,
waaronder begrepen doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of
krachtens deze wet of enige andere wet aan
het Inlichtingenbureau, de Raad voor werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank opgedragen taken;
b.
1º. het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wet werk en bijstand,
de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen door de colleges burgemeester en wethouders, en de
doeltreffendheid van die wetten;
2º. het geven van het oordeel over de uitvoering van de Wet
werk en bijstand, bedoeld in
artikel 74, vierde lid, van die wet;
3º. het toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid
van de uitvoering van de Wet sociale
werkvoorziening en de Wet werk en inkomen
kunstenaars door de colleges van burgemeester en wethouders en op de
doeltreffendheid van die wetten.
c. het toezicht op de
rechtmatigheid en doelmatigheid, waaronder begrepen doeltreffendheid,
van de wijze waarop het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de
Sociale verzekeringsbank en de colleges van burgemeester en wethouders
bij de uitvoering van de aan hen opgedragen taken samenwerken;
d. het verrichten van andere bij of krachtens een wet aan de
Inspectie Werk en Inkomen opgedragen taken.
Art.
38.
Jaarplan,
jaarverslag en rapportages van Inspectie Werk en Inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2005, 708]
-1. De Inspectie Werk en
Inkomen legt eens per vier jaar vóór 1 juli een meerjarig
toezichtsplan en jaarlijks vóór 1 juli een plan van werkzaamheden aan Onze Minister
voor. De Inspectie Werk en Inkomen stelt deze plannen, nadat daarover
met Onze Minister overleg is gepleegd, vast.
-2. Jaarlijks vóór 1 mei stelt de
Inspectie Werk en Inkomen een verslag op over de uitkomsten van de
toezichtswerkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Onze Minister
brengt het jaarverslag, voorzien van zijn oordeel, vóór de derde
woensdag in mei ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
-3. Onze Minister brengt de bescheiden,
bedoeld in het eerste lid, alsmede alle overige, door de Inspectie Werk
en Inkomen relevant geachte, rapportages, in de vorm waarin deze hem
zijn voorgelegd en voorzien van zijn oordeel, binnen vier weken na
ontvangst, ter kennis aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
39.
Andere taken [Geschiedenis:
versie 29 november 2001]
-1. De Inspectie Werk en
Inkomen is met betrekking tot de haar bij of krachtens de wet
opgedragen taken bevoegd tot het verrichten van niet in het jaarplan
opgenomen of aanvullende werkzaamheden, nadat daarover met Onze Minister
is overlegd.
-2. Indien Onze Minister overweegt de
Inspectie Werk en Inkomen toestemming voor werkzaamheden als bedoeld in
het eerste lid te onthouden dan wel aan de Inspectie Werk en Inkomen
andere dan de in dit hoofdstuk genoemde of in het jaarplan opgenomen
taken op te dragen, geeft hij van dit voornemen kennis aan de beide
kamers der Staten-Generaal en geeft hij daaraan niet eerder uitvoering
dan vier weken na die kennisgeving.
Art.
40.
Voorlichting
en communicatie [Geschiedenis:
versie 29 november 2001]
-1. De Inspectie Werk en
Inkomen draagt zorg voor de verspreiding van het jaarverslag en de
overige rapportages, bedoeld in artikel 38, en
verzorgt de voorlichting over de daarin opgenomen bevindingen.
-2. De Inspectie Werk en Inkomen geeft niet eerder uitvoering
aan het eerste lid dan nadat Onze Minister
het desbetreffende jaarverslag of de desbetreffende rapportage openbaar
heeft gemaakt.
Art.
41.
Toezichtbaarheidstoets [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2003, 544]
De Inspectie Werk en
Inkomen beoordeelt op verzoek van Onze Minister
de mogelijkheden van het houden van toezicht op de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de uitvoering van beleidsvoornemens en voorgenomen
wettelijke voorschriften door de in artikel 37
genoemde bestuursorganen en rechtspersonen, alsmede beleidsvoornemens en
voorgenomen wettelijke voorschriften met betrekking tot andere taken,
als bedoeld in artikel
37, onderdeel d.
Art.
42.
Gegevensverstrekking aan de Inspectie Werk en Inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb. 2005, 710;
Stb.
2008, 600]
-1. Het Inlichtingenbureau, de Raad voor werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken op verzoek, kosteloos, aan de Inspectie Werk en
Inkomen alle gegevens en inlichtingen die voor de uitoefening van
haar taak noodzakelijk zijn.
-2. De in het eerste lid genoemde
rechtspersonen verlenen de Inspectie Werk en Inkomen op verzoek toegang
tot en inzage in gegevens en bescheiden voor zover dat voor de
uitoefening van haar taak noodzakelijk is.
-3. De Inspectie Werk en Inkomen bepaalt
de termijn waarbinnen en de wijze waarop aan de in het eerste en tweede
lid bedoelde verplichtingen wordt voldaan.
-4. Indien naar het oordeel van de
Inspectie Werk en Inkomen gerede twijfel bestaat omtrent de volledigheid
of juistheid van de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekte stukken als bedoeld in artikel
49, voor zover dit betreft de rechtmatige en doelmatige besteding
van door dat instituut ter beschikking gestelde financiële middelen ten
behoeve van de inschakeling van werkzoekenden, uitkeringsgerechtigden en
werknemers in de arbeid, kan zij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen opdragen bij de natuurlijke of rechtspersoon die
deze middelen heeft besteed, ter verificatie een nader onderzoek te doen
instellen door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek die bij de verstrekte informatie niet
betrokken is geweest. De Inspectie Werk en Inkomen bepaalt welke
aspecten van de verstrekte informatie geverifieerd dienen te worden en
de termijn waarbinnen het onderzoek wordt verricht.
Art.
43.
Kennisgeving
besluiten [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 544; Stb.
2008, 600]
Onze Minister kan regels
stellen waarin besluiten van het
Inlichtingenbureau, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank worden omschreven die overeenkomstig die
regels, binnen de in die regels gestelde termijnen, ter kennis van de Inspectie Werk en
Inkomen worden gebracht. [RS]
Art.
44.
Inrichting en
positie Inspectie Werk en Inkomen [BtIWI]
[Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
taakuitoefening, de inrichting en het beheer van de Inspectie Werk en
Inkomen en haar positie binnen de departementale organisatie.
-2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
HOOFDSTUK
8
Financiële
bepalingen, planning en verslaglegging
Art.
45.
Uitvoeringskosten [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb. 2004, 324;
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2008, 600]
-1. De uitvoeringskosten van de Raad
voor werk en inkomen komen ten laste van de daartoe door Onze
Minister toegekende rijksbijdrage.
-2. De uitvoeringskosten van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen komen ten laste van:
a. de fondsen, bedoeld in artikel
1, onderdeel j tot en met n, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
b. het Reïntegratiefonds, genoemd
in artikel 2.7c van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
c. het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten, genoemd in artikel 63
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
d. het Toeslagenfonds, genoemd in artikel
31 van de Toeslagenwet;
e. de daartoe door Onze Minister of
Onze Minister wie het aangaat toegekende rijksbijdrage.
-3. De uitvoeringskosten van de Sociale
verzekeringsbank komen ten laste van:
a. de fondsen, bedoeld in artikel
1, onderdeel f en g, van de Wet
financiering sociale verzekeringen;
b. het Algemeen Kinderbijslagfonds,
genoemd in artikel 29a van de Algemene
Kinderbijslagwet;
c. de daartoe door Onze Minister
toegekende rijksbijdrage, die in ieder geval strekt tot financiering van
subsidies en uitkeringen op grond van de Kaderwet
SZW-subsidies, of de daartoe door Onze Minister wie het aangaat
toegekende rijksbijdrage.
-4. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de verdeling van de uitvoeringskosten over de
fondsen en de rijksbijdragen. [RS]
Art.
46. Jaarplan met begroting en meerjarenbeleidsplan [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 544; Stb.
2008, 600]
-1. De Raad voor
werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank stellen ieder elk jaar een jaarplan met begroting
voor het komende kalenderjaar vast en bieden dit vóór een door hem
vast te stellen datum aan Onze Minister aan.
Een besluit tot vaststelling van het jaarplan met begroting behoeft de
goedkeuring van Onze Minister. [RS]
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank stellen ieder elk jaar een meerjarenbeleidsplan vast,
dat betrekking heeft op de vijf jaren inclusief het jaar waarop het
in het eerste lid bedoelde jaarplan betrekking heeft, en bieden dit
vóór een door hem vast te stellen datum aan Onze Minister aan.
[RS]
-3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de inhoud en de indiening van het jaarplan met
begroting en van het meerjarenbeleidsplan. Ten aanzien van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hebben deze regels in ieder
geval betrekking op de dienstverlening. [RS]
-4. Onze Minister brengt de in het eerste
en tweede lid bedoelde plannen alsmede zijn oordeel over die plannen
jaarlijks ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
47. Voorafgaande instemming besluiten [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de Raad voor werk en
inkomen behoeven, tenzij het desbetreffende besluit in het door Onze
Minister goedgekeurde jaarplan met begroting is opgenomen, de
voorafgaande instemming van Onze Minister voor een besluit tot:
a. het oprichten dan wel deelnemen
in een rechtspersoon;
b. het in eigendom verwerven, het
vervreemden of het bezwaren van registergoederen;
c. het aangaan en beëindigen van
overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van
registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan;
d. het aangaan van
kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening;
e. het aangaan van overeenkomsten
waarbij de betrokken rechtspersoon zich verbindt tot zekerheidstelling
met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij
deze zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor
een derde sterk maakt;
f. het vormen van fondsen en
reserveringen;
g. het doen van aangifte tot
faillissement of het aanvragen van surseance van betaling van de
betrokken rechtspersoon.
-2. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid, waarin in ieder
geval kan worden bepaald dat ten aanzien van de situaties, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b tot en met f, beneden een
bepaald bedrag de voorafgaande instemming van Onze Minister niet is
vereist. [RS]
Art.
48.
Vaststelling
budget uitvoeringskosten en budgetdiscipline [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2008, 600]
-1. Onze Minister
stelt jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten
van de Raad voor werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank voor het eerstvolgende kalenderjaar vast.
-2. Onze Minister kan besluiten het budget
voor de uitvoeringskosten van de Raad voor werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank te wijzigen.
-3. De Raad voor werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank gaan met
betrekking tot de uitvoering van verzekeringen en wetten
geen verplichtingen aan en doen geen uitgaven die leiden tot
overschrijden van het voor hen vastgestelde budget voor de
uitvoeringskosten.
-4. Wanneer het budget voor de
uitvoeringskosten van de in het eerste lid genoemde rechtspersonen niet
is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, zijn deze rechtspersonen bevoegd, teneinde hun
activiteiten gaande te houden, te beschikken over ten hoogste een derde
gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hen voor een geheel jaar is
vastgesteld.
-5. Onze Minister kan besluiten dat een in
het tweede lid genoemde rechtspersoon, in een geval als bedoeld in het
vierde lid, kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het
budget dat laatstelijk voor deze rechtspersoon voor een geheel jaar is
vastgesteld.
Art.
49. Nadere regels jaarverslag, jaarrekening, tussentijdse
rapportages en accountantscontrole [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2005, 708; Stb.
2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank bieden jaarlijks een jaarverslag en een
jaarrekening vóór 15 maart aan Onze Minister
aan.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank stellen
tussentijdse verslagen op en bieden deze op een bij ministeriële
regeling te bepalen tijdstip aan Onze Minister aan.
-3. Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank accountants in
dienst hebben aangesteld, is:
a. het bepaalde bij en krachtens de
artikelen 25 en 27 van de Wet
toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op
deze accountants;
b. het bepaalde bij en krachtens de
artikelen 14, 18, 19, 20 en 21 van de Wet
toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank;
c. het bepaalde bij en krachtens de
artikelen 15 en 16 van de Wet
toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op
de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam
zijn.
-4. Onze Minister brengt de jaarrekeningen
en jaarverslagen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de Sociale verzekeringsbank alsmede zijn oordeel daaromtrent jaarlijks vóór
de derde woensdag in mei ter kennis van de beide kamers der
Staten-Generaal.
-5. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld over het jaarverslag, de jaarrekening, de
accountantscontrole, de accountantsverklaring en het aan die verklaring
ten grondslag liggende onderzoek en de tussentijdse verslagen. [RS]
[Ruswbw]
Art.
50. Jaarverslag, jaarrekening, accountantscontrole en
tussentijdse verslagen Raad voor werk en inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37; Stb.
2008, 600]
-1. De Raad voor
werk en inkomen biedt jaarlijks een jaarverslag en een jaarrekening
vóór 15 maart aan Onze Minister aan.
-2. De Raad voor werk en inkomen legt in
zijn jaarrekening rekening en verantwoording af over het financieel
beheer. De jaarrekening wordt ingericht zoveel mogelijk met
overeenkomstige toepassing van titel 9 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-3. De jaarrekening gaat vergezeld van een
verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de Raad voor
werk en inkomen aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant
bedingt de Raad voor werk en inkomen dat aan Onze Minister desgevraagd
inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
-4. De verklaring, bedoeld in het derde
lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding
van de middelen.
-5. De accountant voegt bij de verklaring,
bedoeld in het derde lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over
de vraag of het beheer en de organisatie van de Raad voor werk en
inkomen voldoen aan eisen van doelmatigheid.
-6. Het besluit tot vaststelling van de
jaarrekening behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
-7. De Raad voor werk en inkomen verstrekt
aan Onze Minister vóór een door deze te bepalen tijdstip tussentijds
een verslag over de voorafgaande periode.
-8. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de jaarrekening, de verklaring, bedoeld in
het derde lid, en het aan die verklaring ten grondslag liggende
onderzoek, het jaarverslag en het tussentijdse verslag. [RS]
-9. Onze Minister brengt de jaarrekening en
het jaarverslag van de Raad voor werk en inkomen alsmede zijn oordeel
daaromtrent jaarlijks vóór de derde woensdag in mei ter kennis van de
beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
51. Financiering uitvoering Wet werk en bijstand door de
Sociale verzekeringsbank [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37; Stb. 2009, 596]
-1. Onze
Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan de Sociale
verzekeringsbank een uitkering voor de kosten van de door haar
toegekende algemene bijstand in de vorm van een aanvullende
inkomensvoorziening ouderen, bedoeld in artikel
47a, eerste lid, van de Wet werk en
bijstand, en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies
voor de volksverzekeringen en de vergoedingen, bedoeld in artikel
46 van de Zorgverzekeringswet, van
inkomensafhankelijke bijdragen.
-2. De Sociale verzekeringsbank beheert en
administreert de uitkering afzonderlijk.
-3. Dit hoofdstuk is van toepassing voor
begroting, beheer en verantwoording door de Sociale verzekeringsbank van
de uitvoering van paragraaf 5.4 van de Wet
werk en bijstand.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor de berekening van het bedrag
van de uitkering en de daarvoor noodzakelijke gegevens.
Art.
52.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37]
Art.
53.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37]
HOOFDSTUK
9
Informatiebepalingen
Art.
54.
Verstrekking van gegevens aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de
Sociale
verzekeringsbank en de Raad voor werk en inkomen, de Inspectie
Werk en Inkomen en de minister [BtS]
[Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 202; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 530;
Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 625;
Stb. 2006, 673; Stb.
2007, 153; Stb. 2007, 555;
Stb.
2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 492]
-1. Een ieder verstrekt op verzoek aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en Onze Minister en
de
Inspectie Werk en
Inkomen, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van bij of krachtens deze wet of enige andere
wet door het desbetreffende bestuursorgaan en de Inspectie Werk en
Inkomen uit te voeren taken ten opzichte van:
a. de betrokken persoon zelf;
b. de persoon in wiens dienst of voor wie hij arbeid
verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten;
c. de persoon die in zijn dienst of
voor hem arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen gaan verrichten.
-2. Een ieder kan uit eigen beweging de
in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen aan de in het eerste
lid bedoelde bestuursorganen en aan de Inspectie Werk en Inkomen
verstrekken.
-3. Alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde
taken worden aan de in dat lid genoemde bestuursorganen en aan de
Inspectie Werk en Inkomen op verzoek, kosteloos, tevens verstrekt door:
a. de colleges van burgemeester en wethouders;
b. de rijksbelastingdienst;
c. de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
onderdeel b, van die
wet, en de arbodienst, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
d.
het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet,
de zorgverzekeraars, bedoeld in de
Zorgverzekeringswet of de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen,
ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering
van een regeling inzake vervroegd uittreden, en andere organen belast
met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens
artikel 6 van de
Toeslagenwet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met
dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid,
geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet
2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke
marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn
vrijheid is ontnomen;
i. de door Onze Minister aangewezen ambtenaren als bedoeld
in artikel 14 van de Wet
arbeid vreemdelingen en artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet;
j. griffiers van colleges, geheel of ten dele met
rechtspraak belast, desgevraagd in de vorm van uittreksels uit of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken;
k. Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel, voor zover
het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en
de natuurlijke omgeving, Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
l. het Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen, bedoeld in de Wet Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen;
m. Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie voor zover het betreft de
uitvoering van de Wet
inburgering.
-4. De in het eerste en derde lid bedoelde
gegevens en inlichtingen worden op verzoek, binnen de daarbij gestelde
termijn, verstrekt in schriftelijke vorm of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd.
-5. Degene op wie de in het eerste en
derde lid bedoelde verplichting rust, geeft op verzoek aan een
bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid, alsmede aan de Inspectie
Werk en Inkomen, inzage in alle bescheiden en andere gegevensdragers,
stelt deze op verzoek ter beschikking voor het nemen van afschrift en
verleent de ter zake verlangde medewerking, voor zover dit noodzakelijk
is voor de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken door het
in dat lid bedoelde bestuursorgaan en de Inspectie Werk en Inkomen.
-6. Onze Minister verstrekt aan de Raad voor werk en
inkomen gegevens en inlichtingen die deze raad nodig heeft voor de
uitoefening van zijn taak.
-7. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de verstrekking door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de colleges van burgemeester en wethouders aan de
Raad voor werk en inkomen van gegevens en inlichtingen die deze raad
nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. [RS]
-8. Onze Minister van Justitie verstrekt
ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige
opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, aan de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, waarbij hij gebruik kan maken van het
sociaal-fiscaal nummer.
-9. Re-integratiebedrijven verstrekken aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alle opgaven en
inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de krachtens
deze wet aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opgedragen taken. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de
gegevens die worden verstrekt. [BS]
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen andere instanties dan genoemd in het derde lid worden aangewezen
voor wie de verplichtingen, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid,
eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens en inlichtingen,
waarbij bepaald kan worden dat gegevens die verwerkt worden door Onze
Minister of Onze Minister wie het aangaat,¹ aangewezen
toezichthouders, verstrekt worden aan opsporingsambtenaren als bedoeld
in artikel 85, tweede lid.
1. Volgens
de redactie dient na "aangaat," te worden ingevoegd:
en.
Art.
55.
Vaststelling
identiteit [BtS]
[Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 300; Stb.
2005, 37 + bis; Stb. 2005, 708;
Stb.
2008, 600]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank stellen bij de uitoefening van hun taak
de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van die taak.
-2. Een ieder verstrekt op
verzoek onverwijld aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen
inzage in een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wettelijke taken door de
betrokken rechtspersoon.
-3. De werkgever treft in
zijn bedrijf zodanige maatregelen dat de daar werkzame personen
gedurende de arbeidstijd aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, kunnen
voldoen.
Art.
55a. Toezicht [BatU] [BtS]
[Geschiedenis:
Stb. 2007, 551; Stb.
2008, 600]
-1. Met
het toezicht op de naleving van de in de artikelen 30,
eerste lid, 32d, 34, eerste
lid, onderdeel a en d, en 34a bedoelde wet- en
regelgeving en de artikelen 54 en 55,
voor zover het geen verplichtingen betreft die betrekking hebben op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, zijn belast de door ieder van hen afzonderlijk bij
besluit aangewezen, onder hen ressorterende personen.
-2. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Art.
56.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 376; Stb.
2008, 600]
Art.
57.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2008, 600]
Art.
58.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37 + bis + bis]
Art.
59.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37 + bis; Stb.
2004, 728]
Art.
60.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37 + bis]
Art.
61.
Melding bij
vermoeden van misdrijf [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37; Stb.
2008, 600]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de rijksbelastingdienst
en de Sociale verzekeringsbank zijn verplicht,
indien zij bij de uitvoering van deze wet en de Wet financiering sociale verzekeringen
het gegronde vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten
nadele van deze organen of een ander orgaan, voor zover dit is belast
met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel
het heffen van premies en bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in
kennis te stellen.
Art.
62. Onderlinge gegevensverstrekking door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de gemeenten [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 325; Stb.
2004, 728; Stb. 2005, 708;
Stb. 2007, 555; Stb.
2008, 600; Stb. 2009, 282]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de colleges van burgemeester en wethouders
verstrekken elkaar uit eigen beweging en op verzoek, kosteloos, alle
gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
taken die bij of krachtens deze wet of enige andere wet aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en bij of krachtens de Wet werk en
bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of bij of krachtens andere wetten
aan de colleges van burgemeester en wethouders zijn opgedragen, voor
zover dit voorvloeit uit de samenwerking, bedoeld in artikel
9. Zij maken daarbij gebruik van het sociaal-fiscaal nummer van de
personen op wie de gegevens betrekking hebben.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank en de colleges van
burgemeester en wethouders dragen gezamenlijk zorg voor de
instandhouding van elektronische voorzieningen voor de verwerking van de
gegevens, bedoeld in het eerste lid, voor zover dat noodzakelijk is voor
de uitvoering van de taken die bij of krachtens deze wet of enige andere
wet aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en bij of krachtens de Wet werk en bijstand,
de Wet investeren in jongeren, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers,¹ de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aan colleges van burgemeester
en wethouders zijn opgedragen. De elektronische voorzieningen hebben
mede betrekking op de verwerking van gegevens waarvan de verkrijging en
verstrekking door de in de eerste zin genoemde bestuursorganen op grond
van enig wettelijk voorschrift is toegestaan.
-3. Bij de gegevensverwerking voor de
uitvoering van taken en werkzaamheden in de locaties werk en inkomen,
bedoeld in artikel 10, zijn het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de colleges van burgemeester en wethouders
gezamenlijk verantwoordelijke in de zin van Wet
bescherming persoonsgegevens voor de verwerking van gegevens voor de
uitvoering van taken ten aanzien van dezelfde uitkeringsgerechtigde of
werkzoekende.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het tweede en derde lid
in ieder geval met betrekking tot de inrichting, het beheer en de
beveiliging van de elektronische voorzieningen. [BS]
1. Volgens de redactie
dient "werknemers," te worden vervangen door: werknemers en.
Art.
63. Nadere regels Inlichtingenbureau [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb. 2003, 544;
Stb. 2007, 555]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
voor de taken, de financiering en het beheer van het Inlichtingenbureau
bij de toepassing van de in artikel 62 genoemde wetten. [BIg]
[BS]
Art.
64. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2007, 555]
Art.
65.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb. 2005,
573]
Art.
66. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2007, 555]
Art.
67. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2007, 555]
Art.
68.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2005, 708; Stb. 2007, 555]
Art.
69. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2007, 555]
Art.
70. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb. 2007, 555]
Art.
71. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 29 november 2001; Stb.
2003, 544; Stb. 2007, 555]
Art.
72. Gegevensverstrekking door de Raad voor werk en inkomen,
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank aan de minister [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb.
2008, 600]
De Raad voor werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken op verzoek, kosteloos, aan Onze
Minister en, in overeenstemming met Onze Minister, aan de minister
die belast is met aangelegenheden betreffende beleid bij de uitvoering
waarvan het betrokken bestuursorgaan een taak heeft, alle gegevens en
inlichtingen die voor de uitoefening van de taak van Onze Minister en
van Onze betrokken Minister noodzakelijk zijn. Zij verlenen Onze
Minister op verzoek toegang tot en inzage in gegevens en bescheiden voor
zover dat voor de uitoefening van zijn taken en van Onze Minister wie
het aangaat noodzakelijk is. Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld voor de termijn waarbinnen en de wijze waarop aan de in
dit artikel bedoelde verplichtingen wordt voldaan. [RsWWIIW]
Art.
73.
Gegevensverstrekking door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
en de minister [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 202; Stb. 2005, 526;
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2006, 605; Stb.
2006, 673; Stb. 2006, 706;
Stb. 2007, 555; Stb.
2008, 600; Stb.
2009, 318]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank zijn bevoegd op verzoek uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administratie aan:
a.
pensioenuitvoerders als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet
en beroepspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1 van de
Wet
verplichte beroepspensioenregeling, die pensioenregelingen
respectievelijk beroepspensioenregelingen uitvoeren, alle gegevens en
inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
die pensioenregelingen respectievelijk beroepspensioenregelingen;
b. stichtingen die regelingen inzake vervroegd uittreden op
grond van een algemeen verbindend voorschrift uitvoeren, alle gegevens
en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van die regelingen;
c. risicofondsen of bij collectieve arbeidsovereenkomst
aangewezen instellingen of collectieve voorzieningen voor werknemers,
alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de statuten en reglementen van die fondsen of van die
bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen of
voorzieningen, voor zover die uitvoering betrekking heeft op taken die
naar hun aard gelijk zijn aan de taken die bij of krachtens deze wet aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank zijn opgedragen.
Tot de gegevens die bij de gegevensverstrekking, bedoeld in onderdeel a,
worden verstrekt, kan het sociaal-fiscaal nummer behoren.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd
op verzoek alle gegevens en inlichtingen, waaronder het sociaal-fiscaal
nummer, uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties
te verstrekken aan:
a. werkgevers in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen,
voor zover die noodzakelijk zijn voor de informatieverstrekking bij de
aanvraag van overeenkomsten tot verzekering van het risico van het
betalen van loon in geval van ziekte van de werknemer dan wel van het
risico van het betalen van premie voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering op grond van de Wet financiering
sociale verzekeringen en van de betalingen als gevolg van het eigen
risico dragen, bedoeld in artikel 40,
eerste lid, van
die wet;
b. financiële ondernemingen die
ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of
schadeverzekeraar mogen uitoefenen, voor zover die noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van overeenkomsten met werkgevers in de zin van de
Wet financiering sociale verzekeringen tot verzekering van het risico
van het betalen van loon in geval van ziekte van de werknemer dan wel
van het risico van het betalen van premie voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering op grond van de Wet financiering
sociale verzekeringen en van de betalingen als gevolg van het eigen
risico dragen, bedoeld in artikel 40,
eerste lid, van
die wet, indien die werkgevers daartoe
machtiging hebben verleend;
met dien verstande dat die werkgevers bij de
verwerking van persoonsgegevens van hun werknemers slechts met het oog
op het aangaan van en de uitvoering van deze overeenkomsten die
persoonsgegevens verstrekken aan de verzekeraars.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken op verzoek uit de onder hun
verantwoordelijkheid gevoerde administratie aan de persoon, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet,
die belast is met de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b,
van die
wet, en de arbodienst, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet,
alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van die taken door die persoon of die arbodienst, en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd met het oog op
de uitvoering van die taken uit eigen beweging gegevens te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die taken.
-4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank kunnen gegevens inzake de uitvoering van hun wettelijke
taken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek
verzamelen en aan derden verstrekken. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de gegevens en de
derden aan wie gegevens mogen worden verstrekt. [BS]
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verstrekking van
gegevens door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank of Onze Minister en de Inspectie
Werk en Inkomen aan
andere bestuursorganen, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van aan
die andere bestuursorganen opgedragen taken, waarbij regels worden
gesteld voor het door opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel
85, tweede lid, verwerken van gegevens bij de uitvoering van hun
taak, die verder verwerkt worden door toezichthouders, en de daarvoor in rekening te
brengen kosten. [BoA]
[BS]
-6. Onze Minister kan aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank en burgemeester en
wethouders van de gemeenten alle gegevens
verstrekken die zij voor een goede uitvoering van hun wettelijke taken
nodig hebben.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald welke gegevens op grond van het eerste, tweede en derde lid
mogen worden verstrekt en welke kosten daarvoor in rekening mogen worden
gebracht. [BS]
-8.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt aan een re-integratiebedrijf alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn
voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel
30a, achtste lid, alsmede het sociaal-fiscaal nummer van de persoon wiens
inschakeling in de arbeid door het re-integratiebedrijf wordt bevorderd.
-9. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd
uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administratie aangelegd
voor de uitoefening van taken als bedoeld in artikel 30a,
tweede lid, 30b en 30d,
aan een re-integratiebedrijf gegevens te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor het verrichten van werkzaamheden door dat re-integratiebedrijf
in zijn opdracht of in opdracht van de colleges van burgemeester en
wethouders of een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
42 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld voor de gegevens die op grond van het achtste en negende
lid worden verstrekt en de structuur en schrijfwijze van die gegevens. [BS]
-11. Het sociaal-fiscaal nummer kan bij de verwerking van
gegevens gebruikt worden door:
a. een re-integratiebedrijf voor zover dit noodzakelijk is
voor het verrichten van werkzaamheden in opdracht van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering als bedoeld in artikel
30a, achtste lid, of van een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 42
van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
b. een verzekeraar als bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, voor zover dit noodzakelijk is voor
de verzekeringsovereenkomsten, genoemd in het tweede lid.
Art.
73a. Gegevensverwerking bij uitvoering andere werkzaamheden
[Geschiedenis:
Stb.
2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank kunnen gegevens, die deze hebben verkregen bij de
uitvoering van in deze wet bedoelde taken, verwerken voor de uitvoering
van andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 5 en
van andere werkzaamheden dan de uitvoering van wettelijke taken door
deze bestuursorganen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald welke gegevens het betreft.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank verstrekt deze
gegevens op verzoek aan een in de algemene maatregel van bestuur
genoemde derde, indien de gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van werkzaamheden door die derden en deze werkzaamheden naar hun aard
gelijk zijn aan de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen tevens regels worden gesteld voor de vergoeding van
kosten van de gegevensverstrekking, bedoeld in het tweede lid.
Art.
74.
Geheimhoudingsplicht [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2005, 37; Stb. 2005,
573]
-1. Het is een ieder verboden hetgeen hem
uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet
over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld,
verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk
is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid vervatte verbod
is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot
de bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de gegevens
betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van
deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet herleidbaar
zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Degene die op grond van de artikelen 62, 72
of 73 gegevens verstrekt, dient na te gaan of degene
aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te achten
om die gegevens te verkrijgen.
-4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid is artikel 464
van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek voor zover het betreft de
overeenkomstige toepassing van de artikelen 457 en 464, tweede lid,
onderdeel b, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing indien in verband
met de uitvoering van deze wet handelingen worden verricht op het gebied
van de geneeskunst door personen voor wie het in het eerste lid vervatte
verbod geldt.
Art.
75.
Openbaarheid
van gegevens [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2008, 600]
De door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in het kader van zijn in artikel
30a, tweede lid, genoemde taak, en op grond van artikel
30b geregistreerde gegevens zijn openbaar voor zover die van
belang zijn voor de uitoefening van de in artikel 30a,
tweede lid, genoemde taak, met dien verstande dat openbaarmaking van tot
een individuele werkzoekende of een individuele werkgever, zijnde een
natuurlijk persoon, herleidbare gegevens plaatsvindt met inachtneming
van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Art.
76.
Beveiliging
van gegevens [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb.
2008, 600]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
dragen op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende
voorschriften zorg voor de nodige technische en organisatorische
voorzieningen ter beveiliging van hun gegevens tegen verlies of
aantasting en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging en verstrekking
van die gegevens.
Art.
77.
Nadere regels [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb.
2005, 37 + bis; Stb. 2005, 21;
Stb.
2008, 600]
Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld omtrent de verstrekking van inlichtingen en het
verlenen van inzage in gegevens en bescheiden door het Inlichtingenbureau,
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de
Raad
voor werk en inkomen en de
Sociale verzekeringsbank aan Onze Minister
en aan de Inspectie Werk en
Inkomen op grond van deze wet en kunnen regels worden gesteld
omtrent de inrichting van de administratie van de genoemde
rechtspersonen.
[RS] [Trbnh]
[Triha]
[TrioIT] [TrioIT07]
HOOFDSTUK
10
Overige
bepalingen
Art. 78.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2001, 692; Stb.
2008, 600]
Art. 79.
Goedkeuringsvereiste [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2008, 600]
Indien een besluit
goedkeuring behoeft op grond van deze wet of enige andere wet die wordt
uitgevoerd door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
Sociale verzekeringsbank, kan de
goedkeuring worden onthouden op de grond dat het besluit in strijd met
het recht of met het algemeen belang is.
Art. 80.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2008, 600]
Art. 81.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2001, 692; Stb.
2008, 600]
Art. 82.
Regelgevende
bevoegdheden [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb.
2008, 600]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, indien de spoed dat vereist, regels worden
gesteld die noodzakelijk zijn in verband met de goede uitvoering door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
Sociale verzekeringsbank van hun wettelijke taken.
-2. De voordracht voor een
krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
-3. Na de plaatsing in het
Staatsblad van een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het
betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien één van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de
algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het
voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur
ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Art. 82a.
Innovatie [BeS] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376; Stb.
2003, 544; Stb.
2008, 600; Stb. 2009, 390;
Stb.
2009, 580]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kan bij wijze van
experiment, met het oog op het onderzoeken van mogelijkheden om deze
wet, de Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen, de Werkloosheidswet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten en de Toeslagenwet
doeltreffender uit te voeren, worden afgeweken van het bepaalde bij of
krachtens:
a. de artikelen 9, 10,
30 en 30a van deze wet;
b. de artikelen
7, 8, 9, 10
en 55 van de Wet werk
en bijstand;
c. de artikelen
34 tot en met 37 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
d. de artikelen
34 tot en met 37 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
e. hoofdstuk
VI van de Werkloosheidswet;
f. paragraaf
4.2 en artikel 39 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
g. hoofdstuk
IIb van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
h. afdeling
5 van hoofdstuk 2, afdeling 5 van
hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
i. hoofdstuk
7 van de Wet financiering sociale
verzekeringen;
j. artikel
13 en de artikelen 19 tot en met 21 ¹
van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
-2. Bij een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het eerste lid wordt geregeld op welke wijze van welke
artikelen wordt afgeweken en kunnen alleen regels worden gesteld:
a. ter verbetering van de
samenwerking tussen de uitvoeringsorganisaties van de in het eerste lid
genoemde wetten;
b. met betrekking tot de inzet van
re-integratie-instrumenten en de financiering daarvan;
c. over de verantwoording van de
uitgaven ten laste van de fondsen, de uitkeringen, bedoeld in artikel
69 van de Wet werk en bijstand, en
rijksbijdragen;
d. het verstrekken van inlichtingen
over de resultaten van de experimenten.
-3. Een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in het eerste lid vervalt vijf jaar na de inwerkingtreding,
tenzij:
a. in de algemene maatregel van
bestuur is bepaald dat deze eerder vervalt;
b. binnen deze vijf jaar een
voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om het experiment
om te zetten in een wettelijke regeling.
-4. Indien het voorstel wordt ingetrokken
of indien één van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het
voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur
onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt
de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van
inwerkingtreding van die wet.
-5. Onze Minister
kan op gezamenlijk verzoek van een college van burgemeester en
wethouders, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en in voorkomend geval de Sociale
verzekeringsbank, gemeenten aanwijzen waar
door het college van burgemeester en wethouders, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale
verzekeringsbank wordt deelgenomen aan een experiment. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de toepassing van deze bevoegdheid.
-6. Onze Minister meldt aan de
Staten-Generaal hoe het experiment in de praktijk is verlopen, alsmede
zijn standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan als experiment.
-7. De voordracht voor een krachtens dit
artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder
gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 13
en de artikelen 19 tot en met 21" te
worden vervangen door: de artikelen 13 en 19
tot en met 21.
HOOFDSTUK
10A
Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht
Art. 83.
Afwijkende beslistermijn in bezwaarschriftprocedure [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2004, 594; Stb.
2008, 600]
Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen binnen zeventien weken of, indien het advies
vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid
werkzaam is, binnen 21 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de
termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Art.
83a. Afzien van horen in bezwaarschriftprocedure [Geschiedenis:
Stb. 2004, 594; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 708; Stb.
2008, 600]
In afwijking van artikel 7:3 van de Algemene
wet bestuursrecht kan van het horen van een belanghebbende worden
afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gestelde redelijke termijn verklaart dat hij
gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
Art.
83b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2004, 594; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 708; Stb.
2008, 600; Stb. 2009, 384]
Art. 83c.
[Boete bij niet, niet tijdige of onjuiste informatieverstrekking door
personen die werkzaamheden verrichten of laten verrichten, red.]
[Geschiedenis:
Stb. 2004, 594; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 382 + bis; Stb.
2007, 555; Stb.
2008, 600; Stb. 2009, 265]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan een bestuurlijke boete van ten hoogste €|1500,00
opleggen aan de persoon, bedoeld in artikel 54, eerste
lid, onderdeel b en c, die op grond van artikel
54, eerste lid, gehouden is tot het verstrekken van gegevens en
inlichtingen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Centrale
organisatie werk en inkomen,¹ indien hij deze niet dan wel niet
binnen de op grond van artikel 54, vierde lid,
gestelde termijn verstrekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan een bestuurlijke boete van ten hoogste €|5000,00
opleggen aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, indien het aan opzet
of grove schuld van hem is te wijten dat geen, dan wel onjuiste of
onvolledige inlichtingen zijn verstrekt.
1. Volgens de redactie
dient "of de Centrale organisatie werk en
inkomen" te vervallen.
Art. 83d.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 21; Stb.
2005, 382 + bis; Stb.
2009, 265]
Art. 83e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 382; Stb.
2009, 265]
Art. 83f.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 382; Stb.
2009, 265]
Art. 83g.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 382; Stb.
2009, 265]
Art. 83h.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 382; Stb.
2009, 265]
HOOFDSTUK
10B
Overgangsbepalingen
Art.
83i. Overgangsrecht arbeidsverledeninformatie [Geschiedenis:
Stb. 2004, 594; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 382; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703;
Stb.
2008, 600]
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
informeert de werknemer, bedoeld in de Werkloosheidswet,
van wie door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegevens
zijn verwerkt op grond van deze wet, over het tijdvak vanaf 1 januari
1998 op de wijze, bedoeld in artikel 33c, over
ieder kalenderjaar in dat tijdvak of hij over 52 of meer dagen loon
heeft ontvangen als bedoeld in artikel 42 van
de Werkloosheidswet en artikel
15 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, dan wel artikel 42a
van de Werkloosheidswet in een kalenderjaar van
toepassing is.
Art.
83j. Overgangsrecht
artikel 20 [Geschiedenis:
Stb. 2005, 21;
Stb. 2005, 382]
-1. Beschikkingen die de Raad
voor werk en inkomen namens Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid heeft genomen op grond van een regeling gebaseerd
op artikel 20, zoals dat artikel luidde vóór de
datum van inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel
B, van de Wet van 23 december 2004, houdende
wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband
met wijziging van de taken en de werkwijze van de Raad voor
werk en inkomen, blijven van kracht.
-2. Met betrekking tot de
uitvoering van een regeling op grond van artikel
20, zoals dat
artikel luidde vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
B, van de Wet van 23 december 2004, houdende
wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband
met wijziging van de taken en de werkwijze van de Raad voor
werk en inkomen, blijft het
recht zoals dat vóór die datum gold van toepassing.
-3. Met betrekking tot
bezwaarschriften en bestuursrechtelijke gedingen inzake beschikkingen als
bedoeld in het eerste lid dan wel gebaseerd op het tweede lid, blijft het
recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
B, van de Wet van 23 december 2004, houdende
wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband
met wijziging van de taken en de werkwijze van de Raad voor
werk en inkomen,
van toepassing.
Art.
83k.
Overgangsrecht re-integratietaak Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb.
2008, 600]
-1. De werkzaamheden die
worden verricht uit hoofde van de uitoefening van de taak, bedoeld in
artikel 10 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten,
zoals dit artikel luidde tot de dag van inwerkingtreding van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, waardoor dit artikel 10
vervalt,
worden aangemerkt als
werkzaamheden uitgevoerd op grond van artikel 30a,
achtste lid.
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
heeft de taak, bedoeld in artikel
30,
eerste lid, onderdeel b, ten aanzien van personen die met toepassing van
artikel 77 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten geacht werden verzekerd
te zijn voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ook na de
inwerkingtreding van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen,
waardoor artikel 77 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
vervalt.
-3. De kosten verband
houdende met de uitvoering van het eerste en tweede lid komen ten
laste van het Reïntegratiefonds, bedoeld in artikel
2.8
van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
voor de uitvoering van dit artikel.
Art.
83l.
Overgangsrecht re-integratieaanpak Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2008, 600]
Artikel 30a is niet van
toepassing met betrekking tot de uitkeringsgerechtigde wiens recht op uitkering
op grond van de in dat artikel genoemde wetten vóór de
dag van inwerkingtreding van dat artikel is ontstaan.
Art.
83la. Overgangsrecht vervallen loonkostensubsidie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Artikel 30e
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art.
83lb. Overgangsrecht Tijdelijke wet
compensatieregeling loonkosten bij ziekte van oudere en voormalig
langdurig werklozen [Geschiedenis:
Stb. 2009, 287]
Op het tijdstip waarop artikel 29d
van de Ziektewet vervalt, vervalt in artikel
30a, derde lid, onderdeel e: en artikel
29d.
HOOFDSTUK
10C
Overgangsbepalingen inzake de overgang van de Centrale organisatie werk en inkomen
naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Art.
83m. Algemene begrippen [Geschiedenis:
Stb.
2008, 600]
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale
organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4
van deze wet, zoals deze luidde op 31 december 2008.
Art.
83n. Overgang vermogensbestanddelen van de Centrale
organisatie werk en inkomen naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Alle
vermogensbestanddelen van de Centrale organisatie
werk en inkomen gaan over op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, zonder dat daarvoor een akte of betekening
nodig is.
-2. Met betrekking tot de ingevolge het
eerste lid overgaande vermogensbestanddelen die in openbare registers te
boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die
registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe
benodigde opgaven worden door de zorg van Onze
Minister aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.
-3. Ter zake van de in het eerste lid
bedoelde overgang van vermogensbestanddelen blijft heffing van
overdrachtsbelasting achterwege.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid
vermogensbestanddelen van de Centrale organisatie werk en inkomen die
worden toegerekend aan de uitvoering van in die maatregel genoemde taken
of het verrichten van bepaalde diensten overgaan op bij die maatregel
aan te wijzen rechtspersonen dan wel op de Staat. Het bepaalde in dit
artikel is ten aanzien van die overgang van overeenkomstige toepassing.
Art.
83o. Overgang publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van
de Centrale organisatie werk en inkomen naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. De
publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van de Centrale
organisatie werk en inkomen gaan over op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen voor zover in deze wet niet anders is
bepaald.
-2. Een besluit dat door de Centrale
organisatie werk en inkomen is genomen, geldt als een besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Een tot de Centrale organisatie werk en
inkomen gericht verzoek om een besluit te nemen, wordt beschouwd als te
zijn gericht tot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art.
83p. Partijvervanging van de Centrale organisatie werk en
inkomen en beroepstermijn [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. In
civielrechtelijke en bestuursrechtelijke gedingen waarin de Centrale
organisatie werk en inkomen partij is, treedt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in haar plaats, zonder dat daarvoor een
betekening nodig is en met overneming van procureurstelling
onderscheidenlijk aanwijzing van een gemachtigde.
-2. Beroep waarvoor de termijn is
aangevangen vóór de inwerkingtreding van deze wet staat voor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen open gedurende het
resterende gedeelte van de beroepstermijn.
-3. Indien de toepassing van dit hoofdstuk
tot gevolg heeft dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
een geding zowel eiser als gedaagde is, wordt dat geding van rechtswege
beëindigd.
-4. Indien de toepassing van dit hoofdstuk
tot gevolg heeft dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
een bezwaarschriftprocedure zowel de indiener van het bezwaarschrift als
het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen is, wordt die
bezwaarschriftprocedure van rechtswege beëindigd.
Art.
83q. Overgang van bezwaarschriftprocedures van de Centrale
organisatie werk en inkomen naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Bij de Centrale
organisatie werk en inkomen aanhangige bezwaarschriften gaan, in de
stand waarin zij zich bevinden, over naar het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Bezwaar waarvoor de termijn is
aangevangen vóór de inwerkingtreding van deze wet staat voor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen open gedurende het
resterende gedeelte van de bezwaartermijn.
Art.
83r. Overgang personeel van de Centrale organisatie werk en
inkomen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
De rechten en verplichtingen van de Centrale
organisatie werk en inkomen die voortvloeien uit de
arbeidsovereenkomsten met zijn werknemers gaan over op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art.
83s. Overgang goedkeuringen, verplichtingen en opdrachten in
verband met andere taken [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600]
-1. Goedkeuring
verleend aan de Centrale organisatie werk en inkomen
op grond van artikel 13, eerste lid, zoals dit artikel
luidde op 31 december 2008, wordt aangemerkt als goedkeuring of, indien artikel
5, vierde lid, van toepassing is, als melding, van een daartoe
strekkend besluit van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 5.
-2. Verplichtingen opgelegd aan de Centrale
organisatie werk en inkomen op grond van artikel 13,
tweede lid, zoals dit artikel luidde op 31 december 2008, worden
aangemerkt als verplichtingen opgelegd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 5.
HOOFDSTUK
11
Straf-
en slotbepalingen
Art. 84.
Overtredingen
en misdrijven [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 37 + bis;
Stb.
2004, 728; Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703;
Stb.
2008, 600; Stb. 2009, 265;
Stb.
2009, 580]
-1. Overtreding van de artikelen 28,
tweede lid, en 29, eerste lid,¹ 54,
eerste, vierde en vijfde lid, en 55, tweede en derde
lid, van deze wet, 27a, vierde lid,
en 36, vijfde lid, van de Werkloosheidswet,
33, vijfde lid, en 45a,
vierde lid, van de Ziektewet, 77,
vijfde lid, en 91, vierde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 29a,
vierde lid, en 57, vijfde lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48,
vierde lid, en 63, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 2:69,
vierde lid, 2:59, vijfde lid, 3:40,
vierde lid, en 3:56, vijfde lid, van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, 14a,
vierde lid, en 20, vijfde lid, van de Toeslagenwet,
17c, vierde lid, en 24,
vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 17a,
vierde lid, en 24, vijfde lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet, 39, vierde lid, en 53,
vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete
van de tweede categorie.
-2. De in het eerste lid
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
1. Volgens de redactie
dient "28, tweede
lid, en 29, eerste lid," te vervallen.
Art. 85.
Opsporing [BboS02] [BboS07]
[BboU02]
[BboU07] [Geschiedenis:
versie 29 november 2001; Stb.
2004, 728; Stb.
2008, 600]
-1. Met de opsporing van
feiten die zijn strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of
krachtens wetten waarvan de uitvoering bij of krachtens deze wet is opgedragen aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank alsmede, voor zover het feit voor de toepassing van deze wet, onderscheidenlijk de
andere hiervoor genoemde wetten, van belang is, van de feiten omschreven in de artikelen 225 tot en met
227b, 447b, 447c en 447d van het Wetboek
van Strafrecht zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast de personen, aangewezen bij besluit van Onze
Minister van Justitie. Deze personen zijn tevens belast met de opsporing van
feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het
Wetboek van
Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een
bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
-2. Met de opsporing van
feiten strafbaar gesteld bij deze of enige andere wet zijn tevens
belast bij besluit van Onze Minister van Justitie aangewezen
opsporingsambtenaren werkzaam bij de bijzondere opsporingsdienst, ressorterend onder
Onze Minister.
-3. De in het eerste
en tweede lid
bedoelde personen hebben toegang tot alle plaatsen indien de
betreding van die plaatsen redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak
nodig is.
-4. Wordt aan de in het
eerste en tweede lid bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of
wordt niet geantwoord op hun aanmelding tot toelating, dan verschaffen zij zich toegang, desnoods met inroeping
van de sterke arm.
-5. Van een besluit als
bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in
de Staatscourant.
Art. 86.
Evaluatie [Geschiedenis:
MvT; versie 29 november 2001;
Stb. 2005, 708; Stb.
2007, 555]
-1. Onze Minister
zendt
gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks, en
vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over
de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
-2. Onze Minister zendt twee jaar na de
inwerkingtreding van de Wet eenmalige
gegevensuitvraag werk en inkomen en vervolgens telkens als onderdeel
van het verslag, bedoeld in het eerste lid, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de
onderdelen van deze wet en andere wetten die
bij die wet zijn gewijzigd.
Art. 87.
Inwerkingtreding [Geschiedenis:
versie 29 november 2001]
-1. Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.¹
-2. Indien het bij
koninklijke boodschap van 2 maart 2000 ingediende voorstel van een
Tijdelijke referendumwet (Kamerstukken II 1999-2000, 27 034) tot wet wordt
verheven en in werking treedt, en deze wet wordt bekrachtigd op of na het
tijdstip van inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet, kan bij de
toepassing van het eerste lid worden afgeweken van de
artikelen 12 en 13 van de Tijdelijke referendumwet en vindt in dat geval
artikel 16 van laatstgenoemde wet toepassing.
1. Bij Besluit
van 13 december 2001, Stb. 2001, 682, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2002, met uitzondering van de
artikelen, genoemd in artikel 1 van dat besluit, red.
Art. 88.
Citeertitel [Geschiedenis:
versie 29 november 2001]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 november 2001
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achttiende
december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
MEMORIE
VAN TOELICHTING