|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 655
Invoering
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1xx |
Inleiding |
| 2 |
Overgangsrecht
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 |
| 3 |
Overgangsrecht
Arbeidsvoorzieningswet 1996 |
| 4 |
Reïntegratie |
| 4.1 |
Reïntegratiemarkt |
| 4.2 |
Opdrachtgeverschap
reïntegratie |
| 4.3 |
De relatie tussen de
werkgever en het UWV bij de reïntegratie van zieke of arbeidsgehandicapte werknemers |
| 4.4 |
Financiering
reïntegratieactiviteiten in het kader van ziekte of arbeidsongeschiktheid |
| 4.5 |
De ondersteuning van
de werkgever bij de uitvoering van zijn reïntegratietaken |
| 4.6 |
Positie van de
cliënt bij reïntegratie |
| 5 |
Rechtsbescherming |
| 6 |
Commentaar van bij
SUWI betrokken organisaties |
| 6.1 |
Overgangs- en invoeringsrecht |
| 6.2 |
Reïntegratie van zieke of
arbeidsgehandicapte werknemers en werklozen |
| 6.3 |
Relatie CWI/gemeenten/UWV |
| 6.4 |
Gegevensverkeer |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Inleiding |
| 1 |
Overgangsrecht
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 |
| x |
Artikelen
2 t/m 26 |
| 2 |
Overgangsrecht
Arbeidsvoorzieningswet 1996 |
| x |
Artikelen
27 t/m 42 |
| 3 |
Wijziging andere
wetten |
| §
1 |
Sociale Zaken en Werkgelegenheid:
artikelen 43 t/m 90 |
| §
2 |
Justitie:
artikelen 92 en 93 |
| §
3 |
Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties: artikelen 99 t/m 107 |
| §
5 |
Financiën:
artikel 118 |
| 4 |
Overige bepalingen |
| x |
Artikelen
126 t/m 132 |
[Actal:
Adviescollege toetsing administratieve lasten;
CBA: Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening;
Ctsv: College van toezicht sociale verzekeringen;
het CWI: Centrum voor werk en inkomen;
de CWI: Centrale organisatie werk en
inkomen;
Lisv: Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
RWI: Raad voor werk en inkomen;
SVB: Sociale verzekeringsbank;
Ufo: Uitvoeringsfonds voor de overheid;
uvi: uitvoeringsinstelling;
UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
WVA: Wet vermindering
afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
ZBO: zelfstandig bestuursorgaan, red.]
Algemeen
1. Inleiding
Zoals aangekondigd in de
memorie van toelichting (algemeen deel, hoofdstuk I, paragraaf 6) bij
het voorstel van Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 588, nr. 3) is ervoor gekozen om naast dat
wetsvoorstel een afzonderlijke invoeringswet in te dienen. Deze strekt ertoe
de intrekking van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de
Arbeidsvoorzieningswet 1996, met bijbehorende invoeringswetten, te
regelen, alsmede het overgangs- en invoeringsrecht en de wijziging van
andere wetten. Naast de veelal technische wijzigingen bevat deze Invoeringswet
ook enkele inhoudelijke voorstellen, die reeds in de memorie van
toelichting bij het voorstel van Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI)
zijn aangekondigd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om
de invulling van de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie en de
regeling van de consequenties van genoemd wetsvoorstel voor de gemeentelijke
taken.
Enkele van de in dit
wetsvoorstel geregelde onderwerpen worden hierna eerst in algemene zin
besproken. Dit betreft algemene aspecten van overgangsrecht, reïntegratie en
rechtsbescherming. Daarna volgt een bespreking van de over dit wetsvoorstel uitgebrachte commentaren.
Ten slotte
volgt, voor zover nodig,
een artikelsgewijze toelichting.
2. Overgangsrecht
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
Door de intrekking van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (hierna: Osv 1997) en de
desbetreffende invoeringswet houden de daarbij ingestelde organen op te bestaan.
Dit wetsvoorstel voorziet in één uitzondering
daarop, en wel voor de Sociale verzekeringsbank. De instandhouding daarvan als rechtspersoon
heeft als voordeel dat geen overgang hoeft te worden geregeld
van rechtsbetrekkingen (vermogensrechtelijk, arbeidsrechtelijk) en van
lopende procedures (zowel gerechtelijke als administratieve).
De taken, rechten en
verplichtingen van de overige organen die zijn geregeld bij de Osv 1997 gaan
ingevolge dit wetsvoorstel over op de bij de rblz.|2|
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingestelde nieuwe
organen en deels op de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Dit betreft de overgang
van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) en de
uitvoeringsinstellingen (uvi’s) naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) en van het College van toezicht sociale verzekeringen
(Ctsv) naar
de minister c.q. de Staat. Er zij in dit verband op gewezen dat dit
wetsvoorstel niet voorziet in de ontbinding van de uvi’s; dit wordt
overgelaten aan die vennootschappen zelf. Hetzelfde geldt voor de Stichtingen A en
de Stichting Voorbereiding Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen.
De opdracht tot
uitvoering van de betrokken materiewetten wordt aan de nieuwe organen opgelegd
in onderscheiden taakomschrijvingen in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; de nadere uitwerking
hiervan in de afzonderlijke wetten is geregeld in dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel regelt
verder de overgang van vermogensbestanddelen, publiekrechtelijke
rechten en verplichtingen en procedures. Tevens wordt voorzien in het ontslag
van alle zittende bestuursleden en andere functionarissen en de overgang van het
personeel, met behoud van rechten. Ten slotte is voorzien in
overgangsrecht ten aanzien van bestaande lagere regelgeving.
3. Overgangsrecht
Arbeidsvoorzieningswet 1996
Ook op het terrein van de
arbeidsvoorziening worden de bestaande organen door intrekking
van de huidige wetgeving opgeheven. Daarbij gaat het zowel om de centrale als om de regionale organen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De taken met betrekking tot de publieke arbeidsbemiddeling,
informatie en advies, fasering en reïntegratieadvies en andere wettelijke
taken gaan over naar de nieuwe Centrale organisatie werk en
inkomen. Naast de
hiervoor met betrekking tot de Osv 1997 al genoemde onderwerpen,
zoals de overgang van rechten en verplichtingen, vermogensbestanddelen,
procedures en personeel, alsmede ontslag van de zittende bestuursleden, wordt in dit deel van het overgangsrecht
ook voorzien in enkele andere onderwerpen; dit betreft de geldigheid van op grond
van de bestaande wet getroffen nadere regelgeving, lopende termijnen,
ontslagbescherming van eigen personeel en goedkeuringsverzoeken.
Zie hieromtrent de artikelsgewijze toelichting. Ten
slotte wordt erop
gewezen dat de Arbeidsvoorzieningswet 1996 wordt gewijzigd bij de Wet
verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie; de
in verband daarmee
nodige overgangsrechtelijke voorzieningen zijn
eveneens in dit wetsvoorstel opgenomen.
4. Reïntegratie
De memorie van
toelichting bij het voorstel van Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bevat een
uitgebreide toelichting op het onderwerp reïntegratie,
de tweede pijler onder de SUWI-voornemens. De daarin aangekondigde
voorstellen op het gebied van de reïntegratie, bijvoorbeeld op het gebied van het opdrachtgeverschap, worden via
dit
wetsvoorstel in de desbetreffende materiewetten geregeld zoals de Werkloosheidswet (WW), de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), de Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) en de Algemene bijstandswet (Abw).
Aanvullend op de
toelichting bij het voorstel van Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen wordt hierna achtereenvolgens aandacht besteed aan:
• de
reïntegratiemarkt;
• het
opdrachtgeverschap voor de reïntegratie;
• de relatie tussen de
werkgever en het UWV bij de reïntegratie van zieke of arbeidsgehandicapte
werknemers;
rblz.|3|
• de financiering van
reïntegratieactiviteiten in het kader van ziekte of arbeidsongeschiktheid;
• de ondersteuning van
de werkgever bij de uitvoering van zijn reïntegratietaken;
• de positie van de
cliënt;
•
cliëntenparticipatie.
4.1. Reïntegratiemarkt
Eén van de kenmerken van
de nieuwe uitvoeringsstructuur is de uitbesteding van reïntegratieactiviteiten aan private reïntegratiebedrijven.
Met de inwerkingtreding
van de Wet SUWI zijn zowel de publieke opdrachtgevers
UWV en
gemeenten als de
private opdrachtgevers gehouden reïntegratiediensten op de vrije markt in te
kopen. Aan gemeenten gelieerde bedrijven komen alleen
nog in aanmerking voor de gunning van reïntegratieactiviteiten
indien dat onder dezelfde voorwaarden geschiedt als bij private
ondernemingen en onder het stellen van dezelfde kwaliteitseisen.
De afgelopen periode is
met de opdrachtverlening van reïntegratieactiviteiten door de verschillende
opdrachtgevers al de nodige ervaring opgedaan. Werkgevers zijn deels al verantwoordelijk voor reïntegratie van
hun zieke of
arbeidsgehandicapte werknemers, namelijk voor herplaatsing binnen het eigen bedrijf.
De werkgever moet zich hierbij laten ondersteunen door een arbodienst. In
dit kader worden ook specifieke reïntegratieactiviteiten ingekocht. Met de
inwerkingtreding van de Wet SUWI komt daar de verantwoordelijkheid van
de werkgever voor reïntegratie in een ander dan het eigen bedrijf (tweede
spoor) bij.
Ook gemeenten hebben de
mogelijkheid om trajecten op de markt in te kopen. Dat komt nog maar
langzaam op gang. Vooral de banden met Arbvo/KLIQ dan wel de eigen
Wiw/Wsw-organisaties blijken bij veel
gemeenten het
inkoopgedrag nog te bepalen. Door de stichting StimulanSZ (opvolger van de
stichting Taskforce Kwaliteit Bijstand) en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]
worden thans door het
ministerie gesubsidieerde projecten uitgevoerd om de regievoering en
professionalisering van de inkoop bij gemeenten te bevorderen. Daarnaast
vindt momenteel ook de ontvlechting van Arbeidsvoorziening plaats
en zal KLIQ zich dit jaar als privaat reïntegratiebedrijf op de markt positioneren.
Het wetsvoorstel Verzelfstandiging reïntegratieactiviteiten Arbeidsvoorzieningsorganisatie is daartoe ingediend
bij de Tweede Kamer.
Ook door het Lisv en uvi’s
zijn ervaringen opgedaan met de uitbesteding van reïntegratiediensten. Het Lisv heeft in het najaar van 2000 een
(openbare) aanbestedingsronde
georganiseerd waar ruim 60 000 trajecten zijn gegund. Naar aanleiding
van deze ronde heeft het Ctsv een onderzoek naar de werking van de aanbestedingsprocedure gedaan (De kunst van
het aanbesteden, januari
2001). De bevindingen van dit onderzoek zijn vertaald naar
aanbevelingen. Daarnaast heeft de Brancheorganisatie Reïntegratiebedrijven
(Borea) leerervaringen met de aanbestedingsprocedure geformuleerd.
Op basis van de evaluatie
van het Lisv zelf en de aanbevelingen van Ctsv en Borea zullen in 2001
opnieuw opdrachten worden verleend. De daarbij te volgen procedures
zullen in elk geval meer gericht moeten worden op kleinere en meer gedifferentieerde groepen van te bemiddelen personen,
meer ruimte moeten bieden aan kleine, specialistische en nieuwe bedrijven
én de
uitvoering van de aanbesteding moeten vereenvoudigen.
Een markt in ontwikkeling
In het onderzoek
"Een
markt in ontwikkeling" (SoZa 00/1131, brief aan de Tweede Kamer d.d.
7 december 2000) van
Regioplan wordt ten aanzien van de huidige reïntegratiemarkt gesproken van een
overgangssituatie tussen een publiek en een marktstelsel. Als belangrijkste
kenmerken daarvan worden gezien:
rblz.|4|
• grote dynamiek van de
kant van reïntegratiebedrijven door nieuwe toetreders en fusies;
• een ondoorzichtige
markt van zowel vragers als aanbieders van reïntegratiediensten;
• nog geen volledig "level playing field" (vanwege oneerlijke concurrentie en marktuitsluiting);
• weinig marktconform
gedrag van marktpartijen, zowel van de kant van aanbieders als van
vragers.
Het is evident dat de
markt nog sterk in ontwikkeling is. Door bovengenoemde initiatieven en
activiteiten worden de transparantie van aanbestedingsprocedures
en het marktconforme gedrag van partijen gestimuleerd. Daar zal
dan ook een ordenende werking van uitgaan. Dit geldt evenzeer voor het
initiatief van Borea om onder andere een kwaliteitshandboek te
ontwikkelen dat, mede op basis van een subsidie van het ministerie van
SZW, aan alle reïntegratiebedrijven gratis beschikbaar zal worden gesteld.
Relevante internationale
ervaringen, in het bijzonder in Australië en het Verenigd Koninkrijk,
laten zien dat de omschakeling van publieke naar privaat uitgevoerde reïntegratie tijd vergt om tot rationalisering van de
aanbesteding en
marktconform gedrag te komen.
Het kabinet is dan ook
van mening dat de reïntegratiemarkt in de nieuwe uitvoeringsstructuur een
eerlijke kans moet krijgen. Oude en nieuwe spelers moeten zich
kunnen voegen naar hun (nieuwe) opdracht en rol. Dit betreft niet alleen
de CWI en het UWV, maar ook de gemeenten en de werkgevers- en
werknemersorganisaties. Hetzelfde geldt voor de Raad voor werk en inkomen die
in de nieuwe verhoudingen de taak heeft de transparantie van de
reïntegratiemarkt te bevorderen en beleidsvoorstellen te doen. Bovendien zal
ook de inbreng van cliënten (individueel en collectief) aan
invloed winnen door een evenwichtig geheel van rechten en plichten en
een duidelijker positionering van de cliëntenorganisaties. Tot slot zullen de
reïntegratiebedrijven de overeengekomen spelregels op de markt
moeten doorvertalen naar hun bedrijfsvoering.
Aansturing en
financiering
Met het oog op te
bereiken doelstellingen van reïntegratie zal de overheid bij de aansturing en
financiering van de opdrachtgevers nadere randvoorwaarden aan de opdrachtverlening
stellen. Het gaat haar er immers om duurzame plaatsingen te bevorderen, afroming te voorkomen, de
bestaande aandacht voor
specifieke doelgroepen te continueren en een doelmatige inzet van
publieke middelen te verzekeren.
Bij het streven naar de
publieke reïntegratiedoelen dienen twee zaken voorop gesteld te worden.
Ten eerste is met de komst van één publiek loket voor werk en inkomen, het
CWI, een noodzakelijke voorwaarde
aanwezig voor een
effectieve uitbesteding van reïntegratieactiviteiten door het UWV
of gemeenten. De globale fasering en de kwalificerende intake zullen actuele
informatie leveren over het nieuwe bestand te reïntegreren personen waar het UWV en
de gemeenten, in combinatie met het door het CWI verstrekte
reïntegratieadvies, hun voordeel mee kunnen doen.
Ten tweede zullen de
mogelijkheden voor cliënten worden verruimd om invloed uit te oefenen op
de wijze waarop de toeleiding naar werk tot stand dient te komen (zie hiervoor ook
paragraaf 4.6 van deze memorie),
in de verwachting dat dit
de kansen op een succesvolle reïntegratie doet toenemen. Daarin past
bijvoorbeeld de mogelijkheid van een cliënt om in beginsel zelf een
reïntegratiebedrijf te kiezen. Deze keuzevrijheid is maximaal wanneer gebruik wordt
gemaakt van een persoonsgebonden reïntegratiebudget.
Desgewenst kunnen cliënten bij het opstellen van een trajectplan en de keuze
van een reïntegratiebedrijf een beroep doen op de rblz.|5|
ondersteuning van de
uitkeringsinstantie. Werknemers kunnen aanspraak maken op dit instrument
indien na een second opinion door het UWV gebleken is dat de werkgever onvoldoende en/of ongeschikte reïntegratieactiviteiten
heeft ondernomen.
De reïntegratiebedrijven
zullen zich dan ook in toenemende mate moeten inrichten op de
mogelijkheid van een persoonsgebonden reïntegratiebudget.
Om marktwerking tot stand
te brengen, zal de financiering zoveel mogelijk gericht worden op het
realiseren van het gewenste product, i.c. een bestendige plaatsing. De
betaling van reïntegratiebedrijven wordt daarvan afhankelijk gesteld. Dit
geldt zowel voor de publieke als de private opdrachtgevers.
Toezicht
Er dient, met
inachtneming van de uitgangspunten van het nieuwe uitvoeringsstelsel, sprake te zijn van een adequaat toezicht op de recht- en
doelmatige besteding van de voor reïntegratie bestemde publieke middelen. Via het
toezicht op de publieke opdrachtgever (UWV en gemeenten) kan dit worden
gerealiseerd. Dit geldt ook voor de situatie waarin het UWV subsidies
ten behoeve van reïntegratiedoeleinden verstrekt aan werkgevers.
Het toezicht richt zich vooral op de kwaliteit van de invulling van het
opdrachtgeverschap door UWV, gemeenten en werkgevers. Het toezicht vergewist
zich van de naleving van de wettelijke normen door uitvoerders en vormt zich een beeld en oordeel over de
prestaties van de
opdrachtgevers: UWV, werkgevers (via UWV) en gemeenten op het terrein
van reïntegratie. Via de opdrachtgevers vormt de toezichthouder zich
ook een beeld en oordeel over de prestaties van de private
reïntegratiebedrijven, de opdrachtnemers.
Vanuit toezichtsoptiek is
het van belang dat, zodra daartoe aanleiding bestaat, aanvullende
informatie kan worden ingewonnen bij de opdrachtgevers. In een dergelijke
situatie wordt de (aanvullende) informatiebehoefte aan de hand van de specifieke aanleiding bepaald. Met het oog
hierop zijn
opdrachtgevers en reïntegratiebedrijven gehouden in het contract te regelen dat
de opdrachtgever te allen tijde het reïntegratiebedrijf om aanvullende informatie
kan vragen. In de contracten van de opdrachtgever en
opdrachtnemer (het reïntegratiebedrijf) wordt minimaal de voorwaarde opgenomen
dat:
• de publieke
opdrachtgever alle, voor de oordeelsvorming over de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de uitvoering, relevante informatie bij de opdrachtnemer kan
opvragen; en
• de opdrachtnemer
toestaat dat een externe accountant op een daartoe strekkend verzoek van de
publieke opdrachtgever toegang krijgt tot alle relevante
informatie.
Uiteraard zal het
toezicht in de beginfase extra alert zijn op het goed functioneren van de
reïntegratiemarkt, waaronder begrepen de totstandkoming daarvan. Overigens zal de
NMa [Nederlandse Mededingingsautoriteit, red.] vanaf 2002 toezien op de naleving van de
Mededingingswet.
Facilitering
opdrachtgevers
Facilitering van
opdrachtgevers, in het bijzonder de kleinere gemeenten en private opdrachtgevers, is gewenst om marktconform gedrag te stimuleren.
Daarbij kan gedacht
worden aan voorlichting, modelcontracten, benchmarking, scholing
ten behoeve van de inkoop. Heel belangrijk in dit verband is het bieden van
zicht op de prestaties van de reïntegratiebedrijven; er moet sprake zijn van
een transparante markt.
Mede op basis van de
uitkomsten uit een onderzoek naar de informatiebehoefte van opdrachtgevers en in
overleg met andere partijen, in het rblz.|6|
bijzonder met de RWI, wordt nagegaan welke (aanvullende) activiteiten de
overheid kan ondernemen.
In 2001 wordt in elk
geval gestart met publieksvoorlichting. Ook de eerder genoemde ondersteunende
activiteiten van StimulanSZ zijn van belang. Tot slot acht het kabinet het gewenst dat de prestaties van reïntegratiebedrijven
(aantal plaatsingen, tevredenheid cliënten, etc.) jaarlijks worden gepubliceerd. De publieke
presentatie in een bedrijfsverzamelgebouw van het best presterende
reïntegratiebedrijf in de regio is voor opdrachtgevers en cliënten een steun in
de rug bij hun oriëntatie op de markt. In overleg met andere partijen zal
worden bezien hoe een dergelijk initiatief tot stand kan komen.
Monitoring en evaluatie
De werking van de markt
en de daarbij geboekte resultaten worden gemonitored en jaarlijks
geëvalueerd. Op basis van deze gegevens zal telkens worden bezien of de
opstelling van de overheid bijstelling behoeft.
Opstelling overheid
Het kabinet kiest voor
een terughoudende, maar alerte opstelling ten aanzien van de reïntegratiemarkt. Terughoudend met (ingrijpende) regelgeving,
alert in het volgen en
faciliteren van de markt. De overheid zal via (beperkte) regelgeving,
concrete bestuurlijke afspraken en facilitering van partijen de (werking van
de) reïntegratiemarkt trachten te bevorderen. Vanaf 2002 gaan in ieder
geval voor de aanbesteding en contracten met reïntegratiebedrijven
bepaalde (globale) regels gelden. Er dient sprake te zijn van transparante en
toetsbare aanbestedingsprocedures waarbij meerdere offertes worden
gevraagd op basis van vooraf vastgestelde criteria. Daarnaast zal
ook de BTW-plicht voor alle, ook de aan gemeenten gelieerde,
reïntegratiebedrijven geregeld worden.
Aan de contracten met
reïntegratiebedrijven zullen verschillende eisen worden gesteld. Het is
aan de opdrachtgevers om te bewaken dat reïntegratiebedrijven
aan deze eisen gevolg geven. De contracten dienen niet alleen eisen te
bevatten ten aanzien van een privacyreglement en klachten- en
geschillenregeling, maar ook de mogelijkheid te bieden om het reïntegratiebedrijf
te verzoeken een goedkeurende verklaring af te geven op een (volgens een
standaardmodel uitgevoerde) EDP-audit [Electronic Data Processing, met
betrekking tot accountantscontrole, red.] over de gegevenshuishouding.
In de contracten moeten
bovendien waarborgen opgenomen worden ten aanzien van toezicht en
beleidsinformatie. Privatisering van de uitvoering van reïntegratie leidt
in principe niet tot een geringere informatiebehoefte. Vastgesteld moet immers
kunnen worden of de private uitvoering daadwerkelijk effectief en efficiënt
is en geen ongewenste neveneffecten heeft. Werkgevers die aanspraak
maken op publieke middelen zullen bij de aanvraag een trajectplan
moeten overleggen. Ook dienen werkgevers gegevens te verstrekken
over de einddatum van het traject, de reden waarom een traject is
beëindigd en of het werkelijke traject afwijkt van het oorspronkelijke plan. Om
de administratieve lasten te beperken, kan de werkgever het
reïntegratiebedrijf verzoeken deze gegevens rechtstreeks aan het UWV
te
leveren.
De overige beleidsinformatie kan het UWV herleiden uit de
subsidieaanvraag en de verantwoordingsinformatie. De rol van de overheid
heeft dus betrekking op: aansturing en financiering, toezicht, facilitering
opdrachtgevers, monitoring en evaluatie.
4.2. Opdrachtgeverschap
reïntegratie
Reïntegratie zieke of
arbeidsgehandicapte werknemers
Werkgevers(-) en
werknemers(organisaties) kunnen zelf kiezen op welk niveau (bedrijfsniveau,
CAO-niveau of brancheniveau) zij het opdrachtgeverschap voor
de reïntegratie van zieke of arbeidsgehandicapte werknemers inrichten. Op
het niveau van de onderneming rblz.|7|
wordt dit in dit
wetsvoorstel geregeld door middel van een aanpassing van de Wet
op de ondernemingsraden (WOR), op grond waarvan de ondernemingsraad
(OR) of
de personeelsvertegenwoordiging instemmingsrecht krijgt
met betrekking tot het door de werkgever te voeren
reïntegratiebeleid. Onder het reïntegratiebeleid wordt in ieder geval verstaan
de keuze van één of meerdere
reïntegratiebedrijven, de inhoud van een (model)contract met reïntegratiebedrijven en
de duur van het opdrachtgeverschap (minimaal tot het einde
dienstverband en maximaal zes jaar na de eerste ziektedag). In de WOR wordt op
soortgelijke wijze instemmingsrecht geregeld voor de OR of de personeelsvertegenwoordiging indien de ondernemer, veelal op
basis van afspraken in CAO-verband, ervoor kiest activiteiten te laten ontwikkelen die tot doel
hebben de inschakeling in het arbeidsproces te bevorderen van WW-gerechtigden.
Werkgevers- en
werknemersorganisaties kunnen ook bij CAO afspraken maken over de inhoud van
een (model)contract met reïntegratiebedrijven en desgewenst de keuze
van bepaalde reïntegratiebedrijven. CAO-afspraken zijn
bindend voor de leden van de contracterende organisaties van werknemers en
werkgevers. Uiteraard voor zover dit past binnen het kader van de Mededingingswet.
CAO-afspraken gaan boven afspraken op ondernemingsniveau. Op
deze afspraken is het staande beleid met betrekking tot algemeen-verbindend-verklaren
(AVV) van toepassing, zoals dat al langer geldt voor
bijvoorbeeld het afsluiten van contracten met arbodiensten. CAO-afspraken over de inhoud van reïntegratiecontracten,
bijvoorbeeld in termen van het (minimum)niveau van dienstverlening waaraan die contracten
moeten voldoen, kunnen algemeen verbindend worden verklaard. In dat
geval gelden de bepalingen dus voor de gehele bedrijfstak. CAO-afspraken waarin heel specifiek één of meer reïntegratiebedrijven
zouden worden aangewezen
als te contracteren bedrijf, komen, op grond van het
reguliere toetsingskader ter zake, in principe niet voor algemeenverbindendverklaring in aanmerking. Als de
CAO evenwel een met waarborgen omklede,
welhaast automatische, dispensatieclausule bevat met betrekking tot
deze afspraak, dan komt een dergelijke afspraak, eveneens op grond van
genoemd toetsingskader, wel voor algemeenverbindendverklaring in aanmerking. In dat geval kan de individuele
werkgever kiezen voor een
ander reïntegratiebedrijf, uiteraard met instemming van zijn OR of de personeelsvertegenwoordiging.
De aan de CAO gebonden
individuele werkgever blijft overigens verantwoordelijk voor de reïntegratie van
zijn arbeidsgehandicapte werknemers. Deze wettelijk verankerde verantwoordelijkheid kan derhalve niet worden
doorbroken bij CAO.
Individuele werkgevers
kunnen ook op brancheniveau in het kader van het opdrachtgeverschap
gezamenlijk contracten sluiten met reïntegratiebedrijven, uiteraard met instemming
van hun ondernemingsraden of personeelsvertegenwoordigingen.
Het afsluiten van een contract over het opdrachtgeverschap op een "hoger" niveau dan de onderneming laat de verantwoordelijkheid van
de individuele werkgever voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemers overigens onverlet. Zo blijft hij
degene die subsidies voor
reïntegratietrajecten bij het UWV kan aanvragen. Het neerleggen
van het opdrachtgeverschap op een "hoger" niveau heeft derhalve
niet tot gevolg dat de verantwoordelijkheid ook naar dit "hogere"
niveau verschuift. Opdrachtgeverschap en verantwoordelijkheid moeten goed van elkaar
worden onderscheiden.
Zowel werkgevers als
werknemers kunnen aan het UWV verzoeken een oordeel te geven of er in
een bedrijf voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen worden verricht
(second opinion). Indien uit een door het UWV uitgevoerde second
opinion blijkt dat de werkgever onvoldoende of ongeschikte
reïntegratie-inspanningen verricht en de werkgever persisteert rblz.|8|
in deze opstelling,
dan kan het UWV besluiten het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie van
zieke of arbeidsgehandicapte werknemers bij een andere werkgever
over te nemen, mits er binnen het bedrijf van de werkgever geen passende
arbeid voorhanden is. Het UWV dient in een dergelijk geval de
werkgever bovendien een boete op te leggen van zes maanden loondoorbetaling.
Na het einde
dienstverband (meestal na twee jaar) of na uiterlijk zes jaar gaat de verantwoordelijkheid van
de werkgever voor de reïntegratie over naar het UWV. Het UWV is
verantwoordelijk voor de reïntegratie van WAZ- en
Wajong-gerechtigden.
Uit
continuïteitsoverwegingen is het wenselijk dat de werkgever
verantwoordelijk blijft voor de
reïntegratie van een zieke of arbeidsgehandicapte werknemer indien het
gestarte reïntegratietraject nog niet is afgerond. De overdracht tussen
werkgever en UWV zal op een zorgvuldige wijze moeten geschieden. In
nadere regelgeving zal worden vastgelegd aan welke eisen de over te
dragen informatie zal moeten voldoen.
Reïntegratie
WW-gerechtigden
Het
UWV is in beginsel
verantwoordelijk voor de reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden.
In aansluiting op wat reeds in de toelichting bij
het
wetsvoorstel SUWI
is vermeld, kan een (overheids)werkgever met instemming van de
ondernemingsraad (dan wel de personeelsvertegenwoordiging) of een rechtspersoon
aangewezen door organisaties van werkgevers en
werknemers deze subsidie aanvragen en zelf activiteiten laten ontwikkelen gericht
op de reïntegratie van hun werknemers die werkloos zijn of
dreigen te worden.
Indien, bijvoorbeeld in
het kader van een sociaal plan, partijen met elkaar afspreken om eigen
middelen in te zetten om werkloosheid te voorkomen van medewerkers, dan kan
bij het UWV een verzoek worden ingediend voor een complementaire financiering ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, dan
wel het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Het moet daarbij
gaan om de reïntegratie van cliënten die vallen onder de doelgroep van
het publieke reïntegratiebeleid. Het UWV blijft in deze situaties overigens
uit een oogpunt van rechtsbescherming voor de betrokken werknemers
eindverantwoordelijk voor de reïntegratie. Hiermee wordt zeker
gesteld dat betrokkenen in bezwaar (bij het UWV) en beroep (bij de rechter)
kunnen gaan indien zij ontevreden zijn over de voor hen door sociale
partners verrichte reïntegratieactiviteiten.
Bij of krachtens AMvB zullen de voorwaarden voor publieke
(mede)financiering worden vastgesteld. Als
algemene voorwaarden zullen bijvoorbeeld kunnen gelden dat conform
de sluitende aanpak gehandeld dient te worden, dat het
sanctiebeleid kan worden toegepast e.d.
Reïntegratietaak
gemeenten
Voorgesteld wordt de
reïntegratieverantwoordelijkheid inclusief het opdrachtgeverschap van
gemeenten voor bijstandsgerechtigden uit te breiden tot personen met
een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de
niet-uitkeringsgerechtigden. Voor zover het
arbeidsgehandicapten
betreft, impliceert dit overname van een taak die voorheen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie berustte. De specifieke
reïntegratieverantwoordelijkheid
van gemeenten voor arbeidsgehandicapten is vervat in artikel 12
van de Wet Rea. De gemeente heeft reeds een algemene zorgplicht
voor reïntegratie in het kader van de Wiw. De in
artikel 2 van de
Wiw opgenomen gemeentelijke zorgplicht is nader geëxpliciteerd,
waardoor met name personen met een kortdurende werkloosheid ook binnen de reikwijdte
van de gemeentelijke zorgplicht vallen.
rblz.|9|
Overgangsperiode voor
overdracht opdrachtgeverschap van uvi naar werkgever en van Arbvo/SVB naar gemeente
De werkgever wordt
verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn zieke of arbeidsgehandicapte
werknemers bij een andere werkgever. Dat betekent dat deze verantwoordelijkheid overgaat van de
uvi's (die nu verantwoordelijk
zijn voor de reïntegratie bij een andere werkgever) naar de betreffende
werkgevers. Dit dient op een zorgvuldige wijze plaats te vinden. Gewaarborgd moet zijn dat
de werkgevers deze verantwoordelijkheid ook feitelijk kunnen dragen.
Er moet immers voorkomen worden dat de betrokken werknemer noch
bij het UWV, noch bij zijn werkgever terecht kan voor zijn
reïntegratie. Het kabinet heeft daarom gekozen voor een geleidelijke overgang. De
geleidelijke invoering zal als volgt worden ingevuld. Vanaf het moment van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel tot één jaar later geldt dat de werkgever alleen dan verantwoordelijk is voor de
reïntegratie van zieke
of arbeidsgehandicapte werknemers naar een andere werkgever indien
hij een verzoek daartoe aan het UWV kenbaar heeft gemaakt en het UWV
dat verzoek heeft gehonoreerd. De werkgever wordt dan
verantwoordelijk voor de reïntegratie naar een andere werkgever van werknemers die op of
na datum inwerkingtreding Wet SUWI ziek worden en voor werknemers
die op datum inwerkingtreding Wet SUWI
ziek zijn en nog bij hun eigen
werkgever kunnen reïntegreren.
Tot het tijdstip waarop
de werkgever een dergelijke melding heeft gedaan en uiterlijk één jaar
later treedt het UWV nog op als verantwoordelijke voor de reïntegratie
naar een andere werkgever. Deze geleidelijke overgang zal bij ministeriële
regeling op grond van artikel 127 van dit wetsvoorstel worden geregeld.
De verantwoordelijkheid
voor de reïntegratie van Anw-ers en niet-uitkeringsgerechtigden komt in handen van de
gemeenten, waarbij het gaat om de overdracht van
vele duizenden dossiers. Uit continuïteitsoverwegingen kan daarom (eveneens op
grond van artikel 127 van deze wet) bepaald worden dat
de feitelijke overdracht van de verantwoordelijkheid naar de gemeente op een
later tijdstip plaatsvindt dan het tijdstip van inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
4.3. De relatie tussen de
werkgever en het UWV bij de reïntegratie van zieke of arbeidsgehandicapte werknemers
Gedurende het gehele
traject van ziekte en arbeidsongeschiktheid kunnen zowel de werkgever als de
werknemer het UWV om advies vragen. Desgewenst kan dit dus bijvoorbeeld
al twee weken na de eerste ziektedag.
In lijn met de
voorstellen in het nog in te dienen voorstel van Wet
verbetering poortwachter beoordeelt
het UWV aan het eind van het eerste ziektejaar de inspanningen die door
werkgever en werknemer zijn verricht in het kader van de reïntegratie. Deze beoordeling vindt plaats op basis van het
reïntegratieverslag. De aansluiting van het publieke op het private domein
zal verder worden
versterkt doordat alle partijen voortaan zoveel mogelijk uit kunnen gaan van
hetzelfde normenkader voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Het gaat hier
om het opstellen van zogenoemde "best practices" die in
overleg met de verschillende betrokken partijen in het veld vastgelegd
worden in het protocol van het reïntegratieverslag. Hierdoor ontstaat meer
duidelijkheid over hetgeen gedurende het eerste jaar van een werkgever,
een werknemer en een arbodienst op het gebied van adequaat verzuim- en
reïntegratiebeleid wordt verwacht. Daarnaast worden op deze manier de
wederzijdse rechten en plichten van de werkgever, de uitkerende instantie
en de werknemer vastgelegd. Het normenkader zal bij ministeriële
regeling worden vastgesteld.
Mocht het UWV bij de
behandeling van de WAO-aanvraag van mening zijn dat de betrokken
werkgever in aanzienlijke mate tekort is geschoten, dan heeft het UWV de
bevoegdheid om de loondoorbetalingsverplichting rblz.|10|
van de werkgever met
maximaal een halfjaar te verlengen. Het UWV speelt in het kader van
de claimbeoordeling WAO een belangrijke rol bij de reïntegratie van
zieke of arbeidsgehandicapte werknemers. De claimbeoordeling dient door het UWV
zodanig te worden ingericht dat de informatie die hierbij wordt
verzameld maximaal inzicht verschaft in de mogelijkheden van betrokkenen om arbeid
te verrichten. Deze informatie is voor het door de
werkgever te contracteren reïntegratiebedrijf een belangrijke bron voor het
opstellen
van een adequaat en op de persoon toegesneden reïntegratietraject.
In dit wetsvoorstel wordt
daarnaast via wijziging van de Wet Rea inhoud gegeven aan de taak van
de werkgever voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemer.
4.4. Financiering
reïntegratieactiviteiten in het kader van ziekte of arbeidsongeschiktheid
Werkgevers en werknemers
kunnen, mits zij aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen eisen voldoen, in aanmerking komen voor reïntegratiesubsidies. Deze subsidies kunnen worden aangevraagd
bij het UWV. In zijn
contract met een reïntegratiebedrijf kan de werkgever afspreken dat
het reïntegratiebedrijf namens hem de eventuele subsidie aanvraagt. Dit
voorkomt een onnodige administratieve lastenverzwaring voor de werkgever.
De in dit kader aan te
brengen wijzigingen in de Wet Rea maken het mogelijk dat de (oude)
werkgever (in plaats van nu: Lisv) een vergoeding kan krijgen voor reïntegratieactiviteiten gericht op plaatsing bij een andere
werkgever.
4.5. De ondersteuning van
de werkgever bij de uitvoering van zijn reïntegratietaken
De werkgever wordt op
grond van een wijziging van de Wet Rea verplicht zich te laten
ondersteunen door een reïntegratiebedrijf voor de reïntegratie van zieke en
arbeidsgehandicapte werknemers bij een andere werkgever. De werkgever kan dit
doen
door zijn bestaande contract met een arbodienst op dit punt
uit te breiden. De arbodienst kan de werkgever immers ook adviseren over
de reïntegratie bij een andere werkgever. De werkgever kan er ook voor
kiezen voor deze taak een ander bedrijf in de arm te nemen.
Ook een interne
arbodienst kan de advisering over reïntegratie bij een andere werkgever tot taak
krijgen. Indien in dit kader reïntegratieactiviteiten moeten worden verricht
die voor subsidiëring door het UWV in aanmerking komen, moet
de werkgever deze activiteiten in plaats van bij zijn interne
arbodienst op de private markt inkopen. Dit is van belang voor het realiseren van
gezonde marktverhoudingen. Een bepaling van deze strekking zal
onderdeel uitmaken van de bij of krachtens AMvB vast te leggen voorwaarden die
aan subsidiëring door het UWV worden verbonden.
4.6. Positie van de
cliënt bij reïntegratie
Eén van de
doelstellingen van de SUWI-voorstellen is het realiseren van een cliëntgerichte
uitvoeringsstructuur. De cliënt heeft recht op een adequate, behoorlijke
behandeling en een effectieve begeleiding van de kant van de uitvoeringsorganisaties. De cliënt moet kunnen rekenen op
een adequate, behoorlijke
behandeling van en een effectieve begeleiding door de uitvoeringsorganisaties. Het is de verantwoordelijkheid van het
UWV en de gemeenten om
dit waar te maken. In de eerste plaats zal dit tot uitdrukking komen in de wijze waarop het dienstverleningsproces
wordt ingericht. De
logistieke interne organisatie zal moeten staan voor rblz.|11|
een vlotte en correcte
overdracht van dossiers. De cliënt dient dan ook op de hoogte te zijn van de
prestaties die hij in dit opzicht mag verwachten. In de tweede plaats komt
het aan op de persoonlijke begeleiding van de cliënt en de wijze
waarop de cliënt geïnformeerd wordt over zijn rechten en plichten. Het is
wenselijk dat vanuit één punt bij de uitvoeringsorganisatie de dienstverlening voor
de cliënt wordt gecoördineerd, of het nu gaat om de uitkering of om reïntegratie.
In het bestuurlijk
overleg met gemeenten en het UWV zal het casemanagement onderwerp van gesprek
zijn.
Het stelsel moet zodanig
zijn ingericht dat de cliënt actief voor zijn eigen belangen op kan komen. De
cliënt moet daarom precies weten wat hij mag verwachten van de
uitvoeringsorganisaties, welke eisen hij mag
stellen en aan welke
plichten hij zelf dient te voldoen. Tussen de rechten en plichten moet sprake
zijn van evenwicht, zowel wat betreft het verkrijgen van de juiste
uitkering als in het kader van de reïntegratie. In paragraaf 4.6.1 wordt
hier nader op ingegaan.
Naast de invulling van de
rechten en plichten op het individuele niveau hecht het kabinet aan de
totstandkoming van een volwaardige cliëntenparticipatie. Dit wordt in paragraaf
4.6.2 nader toegelicht.
4.6.1. Positie van de
individuele cliënt
De rechten en plichten
van de cliënt zijn opgenomen in verschillende materiewetten. Het
kabinet is nagegaan of er voor iedere doelgroep (arbeidsgehandicapte, WW-gerechtigde, bijstandsgerechtigde,
Anw-er of
niet-uitkeringsgerechtigde) gesproken kan worden van een evenwichtig pakket rechten en
plichten. Op grond van de uitgevoerde analyse is het kabinet tot de conclusie
gekomen dat de rechten en plichten in het kader van de
uitkeringsverstrekking al sluitend geregeld waren. Dat was naar de mening van het kabinet
voor de reïntegratie echter nog niet geheel het geval. Via het
onderhavige wetsvoorstel (in combinatie met het nog in te dienen
voorstel van Wet verbetering poortwachter) komt er naar de mening van het kabinet ook voor
de reïntegratie een evenwichtig pakket rechten en plichten tot stand.
Daarmee wordt invulling gegeven aan één van de centrale onderdelen van
het reïntegratiebeleid van de overheid, dat verder gekenmerkt wordt door het
inbouwen van prikkels in de materiewetten (Wulbz,
Pemba, FWI),
aandacht voor preventie (Arbeidsomstandighedenwet
1998) en het ter beschikking stellen van reïntegratiebudgetten
(sluitende aanpak,
Wiw,
Wet Rea, experimenten WW).
In het vervolg van deze
paragraaf wordt per doelgroep nader ingegaan op de wijze waarop het
kabinet voorstelt de rechten en plichten in het kader van de reïntegratie
verder vorm te geven.
WW-gerechtigden en
bijstandsgerechtigden
Uitkeringsgerechtigden
melden zich eerst bij het CWI. Het CWI verzamelt de benodigde gegevens en
bepaalt de afstand tot de arbeidsmarkt. De cliënt heeft recht op
informatie over de gegevens die over hem of haar zijn vastgelegd (hetgeen
ook geldt voor de gegevens die berusten bij het UWV, de gemeente of het reïntegratiebedrijf). Voor degenen die ingedeeld
worden in fase 2, 3 of 4
stelt het CWI een reïntegratieadvies op, dat wordt verstrekt aan het UWV dan
wel de gemeente. Uiteraard is het van belang dat bij de opstelling van
dit advies de opvattingen en inzichten van de cliënt maximaal worden
betrokken. Deze worden dan ook vermeld in het reïntegratieadvies. In
die gevallen dat de opvattingen van de cliënt en het CWI uiteenlopen, wordt de
cliënt in de gelegenheid gesteld dit in het reïntegratieadvies nader
toe te lichten. De cliënt ontvangt een afschrift van het reïntegratieadvies.
Vervolgens meldt de cliënt zich bij de desbetreffende uitkeringsinstantie.
Het UWV dan wel de
gemeente stelt in samenspraak met de cliënt een zogenaamd plan van aanpak op,
dat mede gebaseerd is op het reïntegratieadvies rblz.|12|
van de CWI. De opvattingen en wensen van de cliënten worden daarin
zoveel mogelijk verdisconteerd. Het plan van aanpak bevat een overzicht van de rechten en
plichten van de cliënt, mede gebaseerd op de afspraken tussen cliënt en
uitkeringsinstantie. Het kan hier bijvoorbeeld gaan over afspraken in het kader
van de uitkeringsverstrekking, zoals het aantal activerings- en
controlegesprekken dat zal worden gevoerd of de sollicitatieactiviteiten
die dienen te worden verricht. In het plan van aanpak wordt ook - voor
zover dat aan de orde is - vastgelegd dat er voor en door betrokkene
reïntegratie-inspanningen zullen worden verricht en welk reïntegratiebedrijf
gekozen wordt. De mogelijkheid van een persoonsgebonden reïntegratiebudget maakt hier ook deel
van uit. De
cliënt ondertekent het
plan van aanpak dat als bijlage bij de uitkeringsbeschikking is gevoegd alleen dan
"voor gezien" indien er niet tevens een zogeheten trajectplan
zal worden opgesteld (zie hierna). Daarmee wordt voorkomen dat de
cliënt zowel een plan van aanpak als een trajectplan dient te ondertekenen.
Aangezien het plan van aanpak onderdeel uitmaakt van de
uitkeringsbeschikking, is bezwaar en beroep mogelijk tegen alle afspraken met
rechtsgevolgen die erin zijn opgenomen.
Indien er mede op basis
van het reïntegratieadvies van het CWI in het plan van aanpak is vastgelegd
dat er voor betrokkene reïntegratie-inspanningen zullen worden verricht,
dienen deze afspraken nader uitgewerkt te worden in een zogenaamd trajectplan. Bij het opstellen van het trajectplan speelt
de professionele inbreng
van het ingeschakelde reïntegratiebedrijf een grote rol. De cliënt
dient een passend aanbod te krijgen waarbij recht wordt gedaan aan diens
eigen wensen en opvattingen en dat gebaseerd is op een adequaat onderzoek
naar de verbetering van de kans op werk. Indien het UWV
of
gemeenten akkoord gaan met het beschikbaar stellen van een persoonsgebonden
reïntegratiebudget, dan heeft de cliënt maximale ruimte om invulling te
geven aan een reïntegratietraject. Het UWV dan wel de gemeente stelt
het trajectplan vast. Het trajectplan dient als bijlage bij de (herziene)
uitkeringsbeschikking te worden gevoegd. Indien uit het trajectplan
rechtsgevolgen voor de cliënt voortvloeien, dan is de inhoud daarvan vatbaar
voor bezwaar en beroep.
De concrete
reïntegratieactiviteiten worden uitgevoerd door private reïntegratiebedrijven.
Het is duidelijk dat cliënten niet de dupe mogen worden van een slecht
presterend reïntegratiebedrijf. In een dergelijke situatie kan de cliënt
aanspraak maken op de in het trajectplan afgesproken dienstverlening door een
ander reïntegratiebedrijf.
Zieke of
arbeidsgehandicapte werknemers
Het recht op
reïntegratie-inspanningen van de kant van de werkgever vloeit reeds grotendeels
voort uit artikel 611, Boek 7, BW. Op grond daarvan zijn werkgever en werknemer verplicht zich als een goed werkgever
en werknemer te gedragen, hetgeen betekent dat de werknemer die bij ziekte aanbiedt
passende arbeid te verrichten waartoe hij ook in staat is, recht heeft op
betaling van loon voor die arbeid. De werkgever is bovendien op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet
1998 en de Wet Rea verplicht te zorgen
voor een adequate verzuimbegeleiding en reïntegratie. In dit wetsvoorstel wordt
geregeld dat deze verplichting van de werkgever wordt
uitgebreid tot reïntegratie bij een andere werkgever. De werkgever kan voor zijn
arbeidsgehandicapte werknemer een beroep doen op publieke reïntegratiemiddelen. Ook de arbeidsgehandicapte
werknemer zelf kan
diverse voorzieningen aanvragen die zijn reïntegratie bevorderen.
Het binnenkort in te
dienen voorstel van Wet verbetering poortwachter
leidt in samenhang met dit
wetsvoorstel tot het volgende stelsel voor zieke of arbeidsgehandicapte
werknemers.
rblz.|13|
De werknemer wordt in
eerste instantie geïnformeerd via de arbodienst over zijn rechten en
plichten en de hem ter beschikking staande reïntegratie-instrumenten.
De werkgever en de werknemer dienen de afspraken die zij
wederzijds over reïntegratie maken en de ondernomen acties te documenteren.
Na (verplicht) advies van de arbodienst over eventuele noodzakelijke
interventies aan werknemer en werkgever stelt de werkgever een plan van
aanpak op in overeenstemming met de werknemer: de werkgever doet een
aanbod en indien de werknemer daarmee instemt, kunnen zij elkaar daaraan in het kader van de arbeidsovereenkomst
houden. De ondernomen reïntegratieactiviteiten worden vervolgens in een
reïntegratieverslag neergelegd. Tevens wordt aan de cliënt voorlichtingsmateriaal
gegeven over rechten en plichten. Voor de werkzaamheden in verband met het
reïntegratieverslag laat de werkgever zich in ieder geval bijstaan
door zijn arbodienst.
Bij een geschil over de
vraag of voldoende en geschikte reïntegratie inspanningen zijn verricht door de
werkgever, kunnen de werkgever of de werknemer daarover een
second opinion vragen bij het UWV. Indien daaruit blijkt dat er
inderdaad onvoldoende reïntegratie-inspanningen zijn verricht, dan biedt het
UWV de werkgever de mogelijkheid om alsnog aan zijn verplichtingen te
voldoen. Persisteert de werkgever echter in zijn opstelling, dan krijgt de
werknemer het recht om een persoonsgebonden budget aan te vragen bij
het UWV. De mogelijkheid wordt nader onderzocht of de kosten van het
persoonsgebonden budget door het UWV op de in gebreke blijvende
werkgever kunnen worden verhaald. De werknemer kan er overigens ook toe
besluiten om langs civielrechtelijke weg de werkgever te dwingen de gewenste maatregelen alsnog te nemen.
Indien het
UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van de arbeidsgehandicapte bij een andere werkgever,
gelden dezelfde regels als hierboven toegelicht voor de WW-gerechtigden, met dien verstande dat de
fase-indeling en het
reïntegratieadvies van de CWI geen rol spelen.
Ook in het geval dat de
werkgever opdrachtgever is voor de reïntegratie bij een andere werkgever,
geldt dat de zieke of arbeidsgehandicapte werknemer niet de dupe mag worden
van een slecht presterend reïntegratiebedrijf. In een dergelijke situatie kan de cliënt aanspraak maken op de in
het plan van aanpak
afgesproken dienstverlening door een ander reïntegratiebedrijf.
Anw-gerechtigden
De SVB zal de Anw-gerechtigden
informeren over rechten en plichten in het kader van hun uitkering. Voor
reïntegratieactiviteiten zal de SVB de Anw-er verwijzen naar de gemeenten,
die verantwoordelijk worden voor de (re)integratie van Anw-ers. De
gemeenten zijn verplicht om hen te informeren over de rechten en
plichten op het gebied van reïntegratie. Indien een Anw-gerechtigde
voor een reïntegratietraject in aanmerking wil komen, dan kan besloten
worden een trajectplan op te stellen, waarin de afspraken over reïntegratie
vastgelegd worden. Aangezien Anw-ers niet verplicht zijn zich
beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt, kunnen zij niet verplicht
worden om mee te werken aan hun reïntegratie. De gemeente kan echter
wel beslissen om te stoppen met het reïntegratietraject als blijkt dat
de betrokkene zich onvoldoende inspant.
Niet-uitkeringsgerechtigden
De gemeenten worden verantwoordelijk voor de
(re)integratie van niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. De
afspraken die worden gemaakt over reïntegratie worden vastgelegd in een
trajectplan. Aangezien ook niet-uitkeringsgerechtigden niet verplicht
zijn zich beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt, kunnen zij niet
verplicht worden om mee te werken aan hun reïntegratie. De gemeente kan
dan, zoals dat ook geldt ten rblz.|14|
aanzien van Anw-ers,
beslissen om te stoppen met het reïntegratietraject als blijkt dat de
betrokkene zich onvoldoende inspant.
Samenvattend kan de cliënt aanspraak maken op het volgende.
a. De cliënt moet kunnen rekenen op een adequate, behoorlijke
behandeling van de kant van de uitvoeringsorganisaties.
b. De cliënt heeft recht op alle voor hem relevante informatie,
waaronder over zijn rechten en plichten.
c. De cliënt heeft recht op informatie over de over hem opgeslagen
gegevens.
d. De afspraken tussen de uitvoeringsorganisatie en de cliënt op het
gebied van de uitkering en reïntegratie worden vastgelegd in een plan
van aanpak, dat als bijlage bij de uitkeringsbeschikking wordt gevoegd.
Tegen de afspraken met rechtsgevolgen die daarin vermeld staan, staat
bezwaar of beroep open.
e. De uitkeringsgerechtigde die daarvoor in aanmerking komt, heeft recht
op de juiste en tijdig verstrekte uitkering.
f. De cliënt kan binnen de wettelijke kaders aanspraak maken op een
adequaat aanbod in het kader van zijn reïntegratie, bijvoorbeeld
scholing, sollicitatietrainingen, werkplekaanpassingen, persoonsgebonden
budget, persoonlijke voorzieningen e.d.
g. Indien er concrete afspraken worden gemaakt over reïntegratie-inspanningen,
worden deze vastgelegd in een trajectplan, dat als bijlage wordt gevoegd
bij de (aangepaste) uitkeringsbeschikking. Ook tegen de rechtsgevolgen
van de afspraken in het trajectplan staat bezwaar of beroep open.
h. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging hebben
instemmingsrecht in het kader van het reïntegratiebeleid van de
werkgever, waaronder in ieder geval wordt verstaan de keuze van één of
meerdere reïntegratiebedrijven, de inhoud van een (model)contract met
reïntegratiebedrijven en de duur van het opdrachtgeverschap (minimaal
tot het einde dienstverband en maximaal zes jaar na de eerste ziektedag).
i. De zieke of arbeidsgehandicapte werknemer wordt door de arbodienst
geïnformeerd over zijn rechten en plichten.
j. De afspraken die tussen de werkgever en de zieke of
arbeidsgehandicapte werknemer worden gemaakt over de reïntegratie
worden vastgelegd in een plan van aanpak, waaraan zij elkaar kunnen
houden in het kader van de arbeidsovereenkomst.
k. De activiteiten in het kader van de reïntegratie worden vastgelegd
in een reïntegratieverslag dat de werknemer moet indienen bij de WAO-keuring.
l. De werknemer en de werkgever hebben het recht om een second opinion
aan het UWV te vragen over de vraag of er binnen een bedrijf passende
arbeid voorhanden is.
m. De werknemer en de werkgever hebben het recht om bij het UWV een
second opinion te vragen of er voldoende reïntegratie-inspanningen zijn
verricht. Indien daaruit blijkt dat er onvoldoende reïntegratie
inspanningen zijn verricht, dan biedt het UWV de werkgever de
mogelijkheid om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Persisteert
de werkgever echter in zijn opstelling, dan krijgt de werknemer het
recht om een persoonsgebonden budget aan te vragen bij het UWV. De
werknemer kan ook besluiten om langs civielrechtelijke weg de werkgever
te dwingen de gewenste maatregelen alsnog te nemen.
De cliënt is verplicht:
• alle benodigde inlichtingen te verschaffen;
• zich desgevraagd te identificeren;
• te solliciteren (indien dat een voorwaarde in het kader van de
uitkering is);
rblz.|15|
• mee te werken aan de eigen reïntegratie;
• passend werk te aanvaarden;
• voorschriften op te volgen ten behoeve van een doelmatige controle.
Het geheel van rechten en plichten wordt sluitend gemaakt door het
klachtrecht en bezwaar en beroep tegen beslissingen van bestuursorganen
enerzijds en door het sanctiebeleid bij verwijtbare tekortkomingen van
de kant van de uitkeringsgerechtigde anderzijds.
4.6.2. Cliëntenparticipatie
In het wetsvoorstel SUWI wordt in artikel 5 [10-12] de
wettelijke basis gelegd voor de totstandkoming van een volwaardige cliëntenparticipatie
bij CWI en UWV. Via het onderhavige
wetsvoorstel wordt de wettelijke basis voor de cliëntenparticipatie bij
de gemeenten verbreed. Daarmee staan de kaders
vast waarbinnen de cliëntenparticipatie zich in goed overleg tussen cliëntenorganisaties
en uitvoerders dient te ontwikkelen. Aldus komt er naar de mening van
het kabinet een samenhangend stelsel van cliëntenparticipatie tot stand
waarin enerzijds recht wordt gedaan aan de wens van een solide
wettelijke basis en anderzijds voldoende ruimte bestaat om maatwerk te
kunnen leveren.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
is voornemens met de Vereniging Nederlandse
Gemeenten (VNG) een convenant af te sluiten over de wijze waarop de
VNG zal bevorderen dat de gemeenten in overleg met de cliëntenorganisaties
hun verantwoordelijkheid voor de vormgeving van de cliëntenparticipatie
zullen invullen. Het wordt vooralsnog niet passend geacht om, gegeven de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de minister en de gemeenten voor
de uitvoering van de genoemde wetten (medebewind), de invulling van de
cliëntenparticipatie door gemeenten wettelijk te regelen.
5. Rechtsbescherming
De voorgestelde wetgeving is ook aanleiding de rechtsbescherming tegen
besluiten van de daarin geregelde bestuursorganen onder ogen te zien.
Volgens de huidige wetgeving is deze in grote lijnen als volgt. Op het
terrein van de sociale zekerheid geldt in het algemeen de beroepsgang
ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Na bezwaar staat beroep open bij de rechtbank
(sector bestuursrecht) en (door plaatsing van de desbetreffende
wetgeving op de bijlage bij de Beroepswet)
hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep
(CRvB); in enkele
bijzondere gevallen staat vervolgens nog cassatieberoep open bij de Hoge
Raad. Dit betreft zowel geschillen op grond van de materiewetten
(uitkeringszaken) als geschillen op grond van de organisatiewetgeving.
Geschillen op grond van de Algemene
bijstandswet, Ioaw en Ioaz volgen dezelfde rechtsgang als voor de
sociale verzekeringen geschetst, met dien verstande dat daarbij voor wat
betreft het organisatiedeel ook de Gemeentewet
nog van belang is.
Geschillen met betrekking tot besluiten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vallen thans voor een belangrijk deel
onder de bevoegdheid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBB) op grond van artikel 93 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996; in
bijzondere wetten is soms een andere rechtsgang voorgeschreven (zo zijn
in zaken op grond van de Wet Rea en de Wiw rechtbank en CRvB bevoegd en
dus ook indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie instrumenten voor
arbeidsgehandicapten verstrekt; de Wet
arbeid vreemdelingen volgt de
rechtsgang van de Vreemdelingenwet
2000).
De voorgestelde wetgeving vormt geen aanleiding
in de thans op het terrein van de sociale verzekeringen en bijstand c.a.
geldende rechtsgang rblz.|16|
wijziging te brengen. Voor geschillen met (de
opvolger van) de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die thans tot de
competentie van het CBB behoren, ligt dat anders. Omwille van de eenvoud
en de duidelijkheid ("één wet, één rechter"), alsook in verband
met de samenhang in de materie (werk en inkomen), is het wenselijk voor
deze categorie voortaan in het algemeen eveneens de rechtsgang rechtbank
en CRvB open te stellen. Dit sluit niet alleen aan op hetgeen ingevolge
de bestaande wetgeving in het merendeel van de door de SUWI-wetgeving
bestreken gevallen al geldt, het heeft als bijkomend voordeel dat
daarmee ook in arbeidsvoorzieningszaken rechtspraak in twee instanties
wordt ingevoerd. De voor vreemdelingenzaken bestaande uitzondering
blijft daarbij gehandhaafd. Eén en ander betekent per saldo een
verschuiving van enkele tientallen zaken per jaar van CBB naar rechtbank
en
CRvB (uitgaande van cijfers over 1998 en 1999). Het gaat hierbij om
geschillen inzake de basisdienstverlening (arbeidsbemiddeling) en
subsidieverlening (artikel 81) op grond van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 en om geschillen inzake de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA); op grond van artikel 9 van
laatstgenoemde wet verstrekt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de zogenaamde
verklaring langdurig werkloze.
6. Commentaar van bij
SUWI betrokken organisaties
Het kabinet heeft met het oog op de beoordeling van de uitvoerbaarheid
en toezichtbaarheid van dit wetsontwerp advies gevraagd aan het Ctsv,
het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA), de VNG, het Lisv, de SVB,
de Registratiekamer [zie College
bescherming persoonsgegevens, red.] en Actal. Het kabinet heeft grote waardering voor de
verstrekte adviezen. De uitgebrachte adviezen hebben in een aantal
gevallen geleid tot wijziging van het voor advies voorgelegde concept
van het wetsvoorstel. Daarnaast zijn passages uit de memorie van
toelichting aangepast of toegevoegd om gebleken onduidelijkheden te
verhelderen dan wel omissies aan te vullen. In het vervolg van deze
paragraaf wordt ingegaan op de hoofdpunten uit de ontvangen commentaren.
6.1.
Overgangs- en invoeringsrecht
Door middel van de Invoeringswet worden de Osv 1997 en de
Arbeidsvoorzieningwet 1996 ingetrokken. Het wetsvoorstel Invoeringswet
regelt voorts het overgangs- en invoeringsrecht en de wijziging van
andere wetten. Het ontvangen commentaar op de wijze waarop dit door het
kabinet wordt voorgesteld, is voor het merendeel van technische aard. De
vele bruikbare suggesties op dit terrein, met name van het Lisv
en het Ctsv, zijn in dank aanvaard en in het wetsvoorstel verwerkt.
Het CBA heeft aandacht gevraagd voor de
wenselijkheid dat de nieuw te vormen bedrijven vanuit de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie "schoon over" moeten. Ook voor het
kabinet is het uitgangspunt dat de nieuwe organisaties zo min mogelijk
worden belast met het afwikkelen van zaken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie die niet direct samenhangen met de nieuwe
taken. In de komende tijd zal in het kader van de interne ontvlechting
van Arbeidsvoorziening precies in kaart worden gebracht welke zaken in
het kader van de opheffing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nog
moeten worden geregeld. Het streven is dit zoveel mogelijk nog gedurende
2001 in goed overleg met alle betrokkenen af te wikkelen. Het
wetsvoorstel Invoeringswet brengt mee dat in het geval dit niet tijdig
is geregeld de vermogensbestanddelen en het personeel overgaan naar de CWI-organisatie.
6.2. Reïntegratie van zieke of
arbeidsgehandicapte werknemers en werklozen
Het Lisv is van mening dat het op basis van het eerder ter advisering
rblz.|17|
voorgelegde concept niet mogelijk was een gedegen beoordeling te geven
van de uitvoerbaarheid van de reïntegratietaak. Deze gedegen
beoordeling is aldus het Lisv onder meer niet mogelijk, omdat inzicht
ontbreekt in de nog te treffen nadere regelgeving. Ook het CBA en het
Ctsv zijn dit van mening. Het Lisv acht zich bij zijn beoordeling
bovendien gehandicapt door gebrek aan inzicht in de concepten van het
wetsvoorstel SUWI en het voorstel van Wet verbetering poortwachter, die ten
tijde van het opstellen van het Lisv-advies voor advies bij de Raad van
State waren voorgelegd. Voorts geeft het Lisv in overweging om de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen het UWV, de bipartiete
opdrachtgever en de werkgever en werknemer op microniveau in dit
stadium tot in detail uit te werken om te voorkomen dat leemtes in de
verantwoordelijkheidsverdeling niet tijdig worden onderkend.
Het kabinet is er zich van bewust dat op een groot aantal onderwerpen
een nadere uitwerking noodzakelijk is en stelt het dan ook op prijs dat
de uitvoeringsorganisaties nu reeds een oordeel hebben kunnen geven over
belangrijke onderdelen van het reïntegratievraagstuk. Naar de mening
van het kabinet is het ongewenst met de regelgeving op hoofdlijnen te
wachten totdat een verdere uitwerking van de vele aspecten die bij de reïntegratietaak
in het geding zijn, heeft plaatsgevonden. Juist met het oog op het in
gang zetten van de belangrijke ontwikkelingen die moeten leiden tot een
efficiënte en effectieve reïntegratiemarkt, is het noodzakelijk om met
voortvarendheid te handelen. De beide SUWI-wetsvoorstellen geven de
hoofdlijnen aan en de door het kabinet voorgestane richting. Op basis
hiervan kan verder worden gewerkt. Een dergelijke gang van zaken heeft
bovendien het voordeel dat binnen de thans steeds duidelijker geschetste
contouren hieraan invulling kan worden gegeven met gebruikmaking van een
ieders expertise. Dit is uit een oogpunt van uitvoerbaarheid van
groot belang. Uiteraard zal het kabinet de uitvoeringsorganisaties
betrekken bij de totstandkoming van de nadere regelgeving op dit gebied.
Regeling opdrachtgeverschap op een ander
niveau dan de onderneming
Het Lisv geeft in overweging om in de memorie van toelichting op te
nemen dat het opdrachtgeverschap op een ander niveau dan de onderneming
wordt geregeld via het arbeids(overeenkomsten)recht en niet via de socialeverzekeringswetten. Deze suggestie van het Lisv is overgenomen
en de memorie van toelichting is dienovereenkomstig aangepast.
Reïntegratie vangnetgroepen
Volgens het Lisv was het niet helder of de werkgever of het
UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie van degenen die recht hebben
op een ZW-uitkering. Het Lisv geeft in overweging de toedeling van
verantwoordelijkheden nader toe te lichten en wijst daarbij met name op
het bestaan van de Pemba-prikkel voor de werkgever indien vangnetgroepen
aangewezen raken op de WAO. Het Ctsv
is van mening dat de werkgever niet
de opdrachtgever voor de reïntegratie zou moeten worden voor
heringetreden arbeidsgehandicapten, omdat deze verantwoordelijkheid een
drempel voor de werkgever zou kunnen opwerpen voor het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten.
Het leidende criterium voor het kabinet in deze situaties is het al dan
niet bestaan van een dienstbetrekking naar burgerlijk recht, omdat er in
dat geval van uitgegaan kan worden dat er sprake is van een zodanige
band tussen werkgever en werknemer dat de werkgever zijn
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie ook zal waarmaken. Dit
uitgangspunt leidt ertoe dat de werkgever verantwoordelijk wordt voor de
reïntegratie van zwangere/bevallen werkneemsters, orgaandonoren en
heringetreden arbeidsgehandicapten (artikel 29b
ZW). Het UWV wordt
verantwoordelijk rblz.|18|
voor de reïntegratie van degenen die wel recht op een
ZW-uitkering hebben, maar geen dienstbetrekking naar burgerlijk recht
hebben. Het gaat hierbij om personen die recht hebben op een
ZW-uitkering in verband met:
• nawerking van de ZW (de ziekte doet zich kort na het einde
dienstverband voor);
• het feit dat de dienstbetrekking is geëindigd tijdens de periode
dat de werkgever gehouden was het loon door te betalen;
• vanwege het feit dat de ziekte ontstaat op het moment dat recht op
WW bestaat;
• het feit dat er sprake is van een arbeidsverhouding die tot
verplichte verzekering voor de werknemersverzekeringen leidt,
bijvoorbeeld in het geval van thuiswerkers en deeltijdvissers.
Opdrachtgeverschap reïntegratie voor
arbeidsgehandicapten zonder WAO-uitkering
Het Lisv stelt de vraag aan de orde wie verantwoordelijk is voor de reïntegratie
van werknemers die arbeidsgehandicapt zijn, maar een zodanige
restverdiencapaciteit hebben dat zij niet in aanmerking komen voor een WAO-uitkering. Het kabinet is van mening dat ook in deze situaties de
werkgever verantwoordelijk dient te zijn voor de reïntegratie van zijn
arbeidsgehandicapte werknemers. Overdracht aan het UWV
is ongewenst,
omdat daardoor de integrale gevalsbehandeling (van preventie tot en met
reïntegratie) zou worden doorbroken.
Reïntegratie werknemers die wel ziek
zijn, maar niet als "arbeidsgehandicapt" kunnen worden aangemerkt
Het Lisv werpt de vraag op of moet worden voorzien in de
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van zieke niet-arbeidsgehandicapte werknemers buiten het eigen
bedrijf of dat moet
worden voorzien in ter zake in te zetten instrumenten. Het Lisv denkt
hierbij onder meer aan werknemers die zich ziek melden wegens een
arbeidsconflict.
Het kabinet deelt de mening van het Lisv dat
het hier om een probleem gaat (de betreffende werkgever zal immers niet
gemotiveerd zijn om reïntegratie-inspanningen te doen), maar is van
mening dat een niet meer te overbruggen arbeidsconflict tussen werkgever
en werknemer conform het arbeidsovereenkomstenrecht dient te worden
afgehandeld.
Financiering reïntegratieactiviteiten
Het Lisv schetst de problemen op het gebied van rechtmatigheid of
doelmatigheid die het gevolg kunnen zijn van publieke financiering van
reïntegratietrajecten die onder verantwoordelijkheid van een private
werkgever worden uitgevoerd. Vanuit een oogpunt van doelmatigheid is het
niet gewenst dat het UWV elke aanvraag voor een Rea-subsidie uitvoerig
toetst. Uit rechtmatigheidsoverwegingen is er juist weer veel voor te
zeggen om dat wel te doen.
Qua financiering wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij de huidige Rea-systematiek. Voorwaarde voor het
verkrijgen van een Rea-subsidie is - en blijft - dat de werknemer
arbeidsgehandicapt is. Voorts vindt er in het kader van de WAO-keuring
nog een toets plaats, die zoals bekend vooral ook ten doel heeft om vast
te stellen wat de werknemer, met inachtneming van zijn beperkingen, nog
wel kan. Ongewijzigd blijft eveneens dat in het kader van de reïntegratie
naar een andere werkgever met forfaitaire bedragen (deels vooraf, deels
achteraf) wordt gewerkt. Ook is het mogelijk een "vergoeding op basis
van de werkelijke kosten" aan te vragen, die deels vooraf en deels
achteraf wordt verstrekt.
Aan het verkrijgen van een subsidie worden bij
of krachtens AMvB voorwaarden verbonden op grond waarvan de werkgever
(via het reïntegratiebedrijf) verantwoording moet afleggen over de
rechtmatige besteding van de subsidie. Niet naleven van die
subsidievoorwaarden kan reden zijn om rblz.|19|
uitgekeerde subsidies (deels)
terug te vorderen. Ook de gekozen financieringssystematiek (een deel
van het uit te keren bedrag is afhankelijk van effectieve plaatsing) is
uit een oogpunt van rechtmatigheid van belang.
Second opinion
Het Ctsv wijst op een overlap in de beschrijving van de second opinion
in het wetsvoorstel SUWI en de via het eerdere concept van de
Invoeringswet voorgestelde second opinion in de Wet
Rea. Dit heeft ertoe
geleid de oorspronkelijke passage over de second opinion in de Wet Rea
te schrappen. Het Ctsv stelt tevens de vraag waarom er kosten voor de
werkgever en de werknemer verbonden zijn aan het aanvragen van een
second opinion aan het UWV.
In de wetsvoorstel Structuur uitvoering werk en
inkomen is opgenomen dat het UWV een vergoeding kan vragen. Het UWV is
dus niet verplicht om een vergoeding te vragen. De mogelijkheid om
kosten in rekening te brengen heeft vooral tot doel om ongemotiveerde
verzoeken voor een second opinion tegen te gaan. Bovendien kan via deze
bepaling worden voorkomen dat het UWV kosteloos op verzoek van een
werkgever onderzoeken zou moeten verrichten die primair tot de private
verantwoordelijkheid van die werkgever behoren.
6.3. Relatie CWI/gemeenten/UWV
Uitkeringsintake
De VNG doet in haar reactie op het concept van de
Invoeringswet SUWI een
aantal voorstellen die er in de kern op neerkomen dat op lokaal niveau
de ruimte wordt geboden om tot een nadere invulling te komen van welke
categorieën er voor de uitkeringsintake naar het CWI gaan en welke
rechtstreeks naar de gemeenten. Het gaat om de volgende voorstellen:
• bij of krachtens AMvB worden groepen uitkeringsgerechtigden
aangewezen die voor de werkintake naar het CWI gaan, maar voor de
uitkeringsintake direct bij de gemeente terecht kunnen. De VNG heeft
daarbij, zo blijkt uit haar reactie, het volgende onderscheid voor ogen:
de "gladde gevallen" (bijvoorbeeld fase 1/voortijdige schoolverlaters) worden
geheel op het CWI geholpen, voor de overige gevallen wordt een heldere
scheiding tussen CWI en gemeenten georganiseerd;
• de procedure om bij of krachtens AMvB groepen aan te wijzen die voor
de uitkeringsintake rechtstreeks naar gemeenten gaan, is te omslachtig.
De VNG stelt daarom voor het college van burgemeester en wethouders de
ruimte te bieden groepen aan te wijzen die rechtstreeks naar gemeenten
gaan voor de uitkeringsintake, mits het CWI hiermee instemt;
• de mogelijkheid zou - bijvoorbeeld bij AMvB - opengehouden
moeten worden dat het CWI mandaat verleent aan gemeenten om bepaalde
taken uit te voeren.
Via het wetsvoorstel Invoeringswet SUWI wordt geregeld dat de
uitkeringsaanvraag Abw in principe wordt ingediend bij het
CWI. Daarmee
wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van "werk boven
inkomen"
en aan de één-loketgedachte. Dit betekent dat de uitkeringsaanvraag voor
álle gevallen, eenvoudige én complexe, door het CWI in behandeling
worden genomen. Voor een aantal nader benoemde groepen wordt een
uitzondering gemaakt; zij kunnen zich rechtstreeks richten tot de gemeente. Het gaat dan met name om groepen waar toegeleiding naar werk
niet aan de orde is (65+-ers, mensen in een inrichting e.d.). Voorts is
de mogelijkheid geschapen dat bij of krachtens AMvB ook andere groepen
zich rechtstreeks moeten wenden tot de gemeente. Ten slotte is er de
mogelijkheid dat gemeenten in overeenstemming met het CWI bij verordening
rblz.|20|
kunnen besluiten om groepen die zich tot haar moeten wenden hun
aanvraag bij het CWI indienen.
In het referentiewerkproces van de Centrale organisatie werk en
inkomen is een heldere en goed werkbare taakverdeling tussen CWI en
gemeenten
(en UWV) vastgelegd. Dat geldt ook voor de uitkeringsintake. In lijn met
de afspraken die gemaakt zijn tijdens het gezamenlijk bestuurlijk
overleg met VNG, Lisv
en
CBA van 10 oktober 2000, stelt het kabinet voor
dat de gezamenlijke partijen zich nu richten op het afsluiten van zogenaamde
Service Niveau Overeenkomsten waarin afspraken worden vastgelegd over de
vereiste kwaliteit, zodat de gemeente in samenwerking met het CWI haar
poortwachtersfunctie naar behoren kan vervullen.
6.4. Gegevensverkeer
De Registratiekamer [zie College
bescherming persoonsgegevens, red.] geeft in zijn advies aan dat de
informatiehuishouding binnen en tussen de verschillende samenwerkende
organisaties concreter en preciezer ingevuld dient te worden dan in het
eerder ter advisering voorgelegde ontwerp het geval was. Voorts is de
Registratiekamer van mening dat een wettelijke regeling noodzakelijk is
ten aanzien van de informatie-uitwisseling in het kader van reïntegratie.
In de Wet SUWI en de Invoeringswet zijn de
taken, bevoegdheden en verplichtingen op het gebied van het
gegevensverkeer vastgelegd. Ook naar de mening van het kabinet dienen
deze essentiële onderdelen bij formele wet te worden geregeld. De
nadere invulling hiervan vindt plaats bij of krachtens AMvB. De
Registratiekamer constateert dat een wettelijke regeling ten aanzien van
de informatie-uitwisseling in het kader van de reïntegratie ontbrak in
het eerdere concept. Naar aanleiding van de reactie van de
Registratiekamer is de wettelijke basis hiervoor thans gelegd in het
onderhavige wetsvoorstel.
Met betrekking tot het Inlichtingenbureau
constateert de Registratiekamer dat de taken en bevoegdheden onvoldoende
scherp zijn uitgewerkt. Het Ctsv beveelt aan bij de verdere uitwerking
van het Inlichtingenbureau het toezicht uitdrukkelijker te regelen.
De taken en bevoegdheden van het
Inlichtingenbureau zijn op hoofdlijnen in dit wetsvoorstel opgenomen.
Ten aanzien van het toezicht geldt de hoofdregel dat voor taken die
onder verantwoordelijkheid van de gemeente plaatsvinden, het
toezichtregime richting gemeenten van toepassing is. Bij AMvB zullen de
taken en bevoegdheden van het Inlichtingenbureau, alsmede het toezicht
daarop, nader uitgewerkt worden. Inmiddels is in de artikelsgewijze
toelichting verhelderd dat het Inlichtingenbureau verantwoordelijk is
voor de gegevensverwerkingen die daar plaatsvinden en dus ook aan de Wet
bescherming persoonsgegevens gehouden is.
Overigens wordt in de voorziene eindsituatie, waarbij het
gegevensverkeer vergaand gestandaardiseerd plaatsvindt op basis van
wettelijke regelingen, voorzien in de wensen van de Registratiekamer met
betrekking tot een zo specifiek mogelijke aanduiding van welke gegevens
worden gewisseld. Het is echter niet mogelijk en ook ongewenst uit
oogpunt van flexibiliteit om dit nu op formeel wetsniveau vast te
leggen. De Registratiekamer zal worden betrokken bij de uitwerking van
de nadere regelgeving op dit gebied.
rblz.|21|
Artikelsgewijs
Inleiding
Een groot deel van de voorgestelde wijzigingen
is van geheel technische aard; deze betreffen met name de aanpassing aan
de naamgeving van de nieuwe organen en de nieuwe wet. Dergelijke
wijzigingen worden hieronder niet toegelicht.
Bij de formulering van de wijzigingen is
uitgegaan van het vóór de Wet SUWI en deze invoeringswet
tot stand gekomen zijn van enkele wetten die thans nog bij het parlement
in behandeling zijn; de Aanpassingswet OOW
(Kamerstukken II 1999-2000, 27 093), de Wet tot wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten in verband met de invoering van een
regeling inzake de financiering van kinderopvang voor
uitkeringsgerechtigden (Kamerstukken II 1999-2000, 27 269), de Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen (Kamerstukken II 1999-2000,
27 248) en de
Wet
verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 549).
Het Lisv
heeft thans op grond van de Osv 1997 en
verschillende
materiewetten de bevoegdheid tot het stellen van regels. Bij
gelegenheid van de nieuwe wetgeving is overwogen, mede gelet op de
aanwijzingen inzake ZBO’s, of overgang van deze bevoegdheid naar het UWV
in alle gevallen moet plaatsvinden (zie hetgeen hieromtrent is
uiteengezet in de
memorie van toelichting, algemeen deel, hoofdstuk I, paragraaf 6, bij het voorstel
van Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen). Dit heeft ertoe geleid dat in een aantal gevallen de
regelgevende bevoegdheid overgaat naar de minister.
Dit betreft bijvoorbeeld de regels inzake het terugvorderen van
onverschuldigd betaalde uitkeringen. Ten aanzien van de wijzigingen die
worden voorgesteld met betrekking tot het niveau van regelgevende
bevoegdheden zijn in afzonderlijke artikelen bij de desbetreffende
materiewetten overgangsbepalingen opgenomen.
In dit verband zij volledigheidshalve nog
opgemerkt dat geen voorziening is getroffen voor het van kracht blijven
van uitvoeringsregelen waarvoor de wettelijke basis (de
delegatiebepaling) slechts is gewijzigd voor wat betreft de aanduiding
(de naamgeving) van het bevoegde orgaan; een dergelijke wijziging laat -
anders dan in geval van het vervallen van de wettelijke basis - de
geldigheid van eerder getroffen regels onverlet. Indien echter sprake is
van delegatie aan een ander (hoger) niveau (bijvoorbeeld van
uitvoeringsorgaan naar minister), is voor zover gewenst wel voorzien in
uitdrukkelijke regeling van het van kracht blijven van bestaande regels.
1.
Overgangsrecht Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
Artikel
2. [Intrekking wetten, red.]
Het
tweede lid van dit artikel maakt het mogelijk zowel om
artikel(onderdelen) van de
Osv 1997 nog enige tijd na de intrekking van die wet
hun gelding te laten behouden als om artikel(onderdelen) eerder, dat wil
zeggen vooruitlopend op het intrekken van de wet als geheel te laten
vervallen. Aan het eerste kan bijvoorbeeld behoefte bestaan met het oog
op de bepalingen inzake rekening en verantwoording die in of na het jaar
van inwerkingtreding over verstreken jaren moet worden afgelegd, met
toepassing van de oude bepalingen. Het tweede kan van nut zijn om
bijvoorbeeld voorschriften die betrekking hebben op de
begrotingsvoorbereiding "oude stijl" al in een vroegtijdig
stadium buiten werking te stellen. In dergelijke situaties kan wellicht
ook worden voorzien met gebruikmaking van de bevoegdheden van artikel 127
(zie
hoofdstuk
5), maar gelet op de mogelijk complexe overgangsproblemen op het
terrein van het financieel rblz.|22|
stelsel en de begrotings- en beleidsvoorbereiding is een ruime
variëteit aan mogelijkheden gewenst.
Artikel
3. [Handhaving
Sociale Verzekeringsbank, red.]
Zoals in de memorie van toelichting bij de Wet
SUWI uiteengezet, is ervoor gekozen de aanpassing van de
bestuurlijke inrichting van de SVB
eerst te doen ingaan bij afloop van de zittingstermijn van de huidige
bestuursleden, dat wil zeggen per 1 januari 2003; zie ook artikel
19, derde lid, van dit wetsvoorstel.
Het tweede lid van dit artikel voorziet in het tijdelijk van kracht
blijven van de bepalingen van de Osv 1997 en
de daarop steunende regels die op de (her)benoeming van bestuursleden en
op hun rechtspositie betrekking hebben. Hierin zou ook kunnen zijn
voorzien met gebruikmaking van artikel 2,
tweede lid; er is echter de voorkeur aan gegeven dit niet over te laten
aan de Kroon, maar rechtstreeks door de wetgever te doen regelen.
Artikelen
4 tot en met 7. [Overgang
vermogensbestanddelen,
red.]
Deze artikelen regelen de vermogensovergang onder algemene titel van het
Lisv, de uvi’s
en de stichting VUWV naar het
UWV, en van het Ctsv
naar de staat. Deze overgang van Lisv naar UWV moet niet tot gevolg
hebben dat het thans bestaande onderscheid tussen de afzonderlijk
geadministreerde fondsen verloren zou gaan; daarvoor is in artikel
4, tweede tot en met tiende lid, een voorziening getroffen.
Artikel
8. [Overdrachtsbelasting inschrijving openbare
registers,
red.]
Dit
artikel bevat de gebruikelijke bepalingen met betrekking tot de
naamswijzigingen in de openbare registers en de vrijstelling van
overdrachtsbelasting.
Artikelen
9 tot en met 18. [Overgang
publiekrechtelijke rechten en verplichtingen; partijvervanging; beëindiging
gedingen en bezwaarschriftprocedures; overgang van
bezwaarschriftprocedures, red.]
Deze artikelen bewerkstelligen dat alle publiekrechtelijke rechten en
verplichtingen, lopende procedures (civielrechtelijk en
bestuursrechtelijk) en bezwaarschriftprocedures overgaan op de nieuw
bevoegde organen. Niet uitgesloten is dat de voorgestelde regels inzake
partijvervanging ertoe leiden dat eiser en gedaagde in een geding
dezelfde worden. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien sprake is van
een procedure tussen een uvi en het Lisv;
voor beide treedt ingevolge
dit wetsvoorstel het UWV in de
plaats. Artikel 15 voorziet erin dat
in zo’n geval de procedure van rechtswege wordt beëindigd. Een
soortgelijke voorziening behelst artikel 16
voor bezwaarschriftenprocedures. Door de woorden "tussen die
partijen" beperkt de beëindiging zich in een geding met meer
partijen tot het geding voor zover zich dat tussen de samenvallende
partijen afspeelt.
Artikelen
19 en 20.
[Ontslag
en rechtspositionele aanspraken bestuursleden,
red.]
De
ontslagverlening bij wet maakt afzonderlijke besluiten daarvoor
overbodig. De latere ontslagdatum voor de SVB-bestuurders
(1 januari 2003; in het derde lid van artikel 19)
is gekozen teneinde deze te doen aansluiten bij de afloop van de
geldende zittingstermijnen; zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 2,
tweede lid. Voor zover door de ontslagen functionarissen aan de geldende
rechtspositieregelingen nog (tijdelijk) aanspraken kunnen worden
ontleend, geeft artikel 20 daarvoor
een basis.
Artikelen
21 en 22.
[Overgang
personeel, red.]
Mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie EG inzake Henke/Schierke
rblz.|23|
(d.d. 15.10.96; nr. C-268/94; NJ 1997, 464) bestaat onzekerheid over de
vraag of de overgangen die voortvloeien uit de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen kunnen worden aangemerkt
als overgang van ondernemingen als bedoeld in de EG-richtlijn 77/178/EEG
(zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/50/EEG) en de artikelen 662-666 van
Boek 7 van het BW, en daarmee of de betrokken werknemers daaraan voor
wat betreft het behoud van hun rechten bescherming kunnen ontlenen.
Teneinde deze onzekerheid weg te nemen, wordt in deze artikelen
uitdrukkelijk in zodanige bescherming voorzien. Tevens wordt deze
bescherming uitgebreid tot pensioenaanspraken (die zijn uitgezonderd van
genoemde richtlijn en de regeling in het BW).
De overgang van het Ctsv-personeel
naar het Rijk is in zoverre bijzonder dat daarbij een wijziging van
burgerrechtelijke naar publiekrechtelijke (ambtelijke) status aan de
orde is; daarom is hiervoor in een bevoegdheid tot nadere regelgeving
voorzien.
Artikel
23. [Opheffing
commissies, red.]
Voor zover door de besturen van de op te heffen organen commissies zijn
ingesteld, dienen deze eveneens te worden opgeheven. Voor het SVB-bestuur
wordt dit gekoppeld aan de ook voor dat bestuur geldende datum 1 januari
2003.
Artikelen
24 en 25.
[Overgang
lagere regelgeving en regelgevende bevoegdheden,
red.]
Deze artikelen bewerkstelligen dat op grond van de in te trekken
wetgeving getroffen ministeriële regelingen niet terstond door nieuwe
hoeven te worden vervangen. Hetzelfde geldt voor regelingen van het Lisv.
Het vanaf de inwerkingtreding van
de wet bevoegde orgaan kan op ieder
moment tot wijziging of vervanging van de hier bedoelde regels overgaan.
Artikel
26. [Overgang
toestemmingen, verplichtingen en opdrachten in verband met andere taken,
red.]
Het
eerste lid van dit artikel geeft in de eerste plaats uitvoering aan het
standpunt van het kabinet omtrent het uitvoeren van andere taken door
het UWV zoals dat is uiteengezet in paragraaf
III.1, onderdeel 3, van het algemeen deel van de memorie van toelichting
bij het SUWI-wetsvoorstel. Overeenkomstig dat standpunt is geregeld
dat op grond van de Osv 1997 aan een uvi
verleende toestemming voor het uitvoeren van andere taken wordt
aangemerkt als goedkeuring, verleend aan het UWV ingevolge artikel 6 [13]
van de Wet SUWI. Het gaat daarbij in de eerste
plaats om het blijven toestaan van werkzaamheden met betrekking tot
bovenwettelijke aanvullingen op WW, ZW, WAO
en AAW en met betrekking tot de heffing en inning van premies en de
betaling van uitkeringen die door sociale partners zijn overeengekomen.
Verder omvat deze bepaling ook de eerder verleende toestemmingen voor
werkzaamheden in opdracht van publieke organisaties (SVB,
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en gemeenten),
die nauw samenhangen met de wettelijke taken van het UWV. Alleen ten
aanzien van deze eerder verleende toestemmingen zijn
overgangsrechtelijke bepalingen nodig. Dat geldt niet voor uitbreiding
van bestaande taken tot andere sectoren (uvi’s) dan die waarvoor
toestemming was verleend alsmede voor (niet wezenlijke) wijzigingen van
bestaande taken waarvoor eveneens toestemming was verleend; dat zijn
immers geen bestaande andere taken doch nieuwe taken en daarvoor moet
derhalve goedkeuring worden gevraagd. Uit het vermelde kabinetsstandpunt
vloeit wel voort dat de goedkeuring hiervoor in beginsel verleend zal
worden. De bepaling regelt tevens het doorlopen van aan de SVB op grond
van artikel
25, derde lid, van de Osv 1997 verleende
toestemmingen.
rblz.|24|
Het tweede lid voorziet erin dat aan een toestemming verbonden
verplichtingen ook in de nieuwe situatie blijven gelden. Het derde lid
regelt op overeenkomstige wijze de door gelding van onder de Osv 1997
verleende opdrachten tot uitvoering van algemene maatregelen van bestuur
en ministeriële regelingen door het UWV en de SVB. Met dit artikel
wordt de continuïteit van de uitvoering door de SVB van bijvoorbeeld de
Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten
thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 en de Regeling tegemoetkoming
asbestslachtoffers zekergesteld.
2.
Overgangsrecht Arbeidsvoorzieningswet 1996
Artikelen 27 tot en met
34.
[Intrekking
wetten; overgang
vermogen,
publiekrechtelijke rechten en verplichtingen, besluiten
en aanvragen; partijvervanging en beroepstermijn; overgang van
bestuursrechtelijke procedures; overgang
bezwaarschriften en bezwaartermijn; ontslag
functionarissen; overgang personeel,
red.]
Vooraf wordt opgemerkt dat is uitgegaan van eerdere totstandkoming van
de Wet
verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 549).
Verwezen zij verder naar de toelichting op de
overeenkomstige overgangsbepalingen met betrekking tot de Osv
1997, zoals hierboven weergegeven. Een voorziening als opgenomen in
de voorgestelde artikelen 15
en 16 ontbreekt in dit hoofdstuk,
aangezien de samenval van partijen als daar bedoeld zich op het terrein
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
niet kan voordoen. Volledigheidshalve wordt er voorts nog op gewezen dat
verklaringen die door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn afgegeven
op grond van artikel 12 van de Wiw
en op grond van artikel 9 van de WVA
(ook) besluiten zijn waarop artikel 29
van toepassing is.
De aandacht zij ook nog gevestigd op de
uitzonderingen en afwijkingen die op enkele van deze overgangsbepalingen
in de artikelen 38 en 39
worden voorgesteld en die hieronder nader worden toegelicht.
Artikel
35. [Regelingen op
grond van de artikelen 75 en 77 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996,
red.]
De
regelingen van het CBA met betrekking tot de
termijnen en de gegevens van inschrijving worden met dit artikel
gehandhaafd en aangemerkt als regelingen van de Centrale organisatie werk en
inkomen. Vóór de inwerkingtreding van de wet
aangevangen termijnen blijven voor het resterende deel van kracht.
Artikel
37. [Goedkeuring
deelnemingen en geldleningen, red.]
Artikel 25 van de Kaderwet ZBO's maakt het mogelijk ten aanzien van
daarin omschreven rechtshandelingen van ZBO’s het vereiste van
ministeriële goedkeuring te stellen; dit betreft onder meer het
oprichten van en deelnemen in rechtspersonen en het aangaan van
geldleningen. Het wetsvoorstel SUWI bepaalt
dat alvorens dergelijke handelingen door een Raad van bestuur ter
goedkeuring aan de minister
worden voorgelegd, deze hierover de Raad van advies hoort (zie artikel
3, zesde lid, van het
wetsvoorstel). De Arbeidsvoorzieningswet 1996 verlangt voor de
genoemde handelingen al ministeriële goedkeuring. Met dit artikel wordt
erin voorzien dat, indien de minister van zijn bevoegdheid op grond van
de Kaderwet ZBO's gebruik maakt voor de hier bedoelde rechtshandelingen
en ten tijde van de inwerkingtreding van de wet
verzoeken om goedkeuring op grond van de oude wet aanhangig zijn die op
dergelijke rechtshandelingen betrekking hebben, deze alsnog de Raad van
advies dienen te passeren en daarna opnieuw aan de minister moeten
worden voorgelegd; in zo’n geval gaat dan opnieuw een volle
beslistermijn lopen.
Artikel
38. [Overgangsbepalingen overgang verantwoordelijkheid
arbeidsgehandicapten, red.]
De
verantwoordelijkheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
voor een rblz.|25|
bepaalde groep arbeidsgehandicapten gaat over naar de gemeente
waarin de arbeidsgehandicapte persoon woonachtig is. Het eerste lid
bepaalt dat de besluiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
betreffende voorzieningen voor arbeidsgehandicapten en subsidies die aan
werkgevers zijn verstrekt in verband met het in dienst nemen van
arbeidsgehandicapten die eerder óf een nabestaandenuitkering kregen,
óf geen uitkering ontvingen, worden aangemerkt als besluiten van de
gemeente die de verantwoordelijkheid overneemt. Eén en ander brengt met
zich dat die gemeente ook de behandeling van lopende aanvragen zal
overnemen. Hierop heeft het tweede lid betrekking.
Voor de besluiten over deze voorzieningen voor
arbeidsgehandicapten gold al een afwijkend stelsel van beroep: niet het CBB,
maar de
rechtbank en in hoger beroep de Centrale Raad van Beroep
behandelde de beroepen tegen deze besluiten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie (op grond van artikel 93 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 jo. bijlage C, onderdeel 11a, bij de
Beroepswet). Vandaar dat over de overname van beroepszaken door een
ander rechterlijk college (zie daaromtrent paragraaf 5
van het algemeen deel van de toelichting, alsmede artikel 31)
in dit verband niets behoeft te worden geregeld. Het derde lid betreft
dus alleen de overgang van bezwaarschriften.
Dit neemt niet weg dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in die gedingen voor zover die verband
houden met de taak ten aanzien van arbeidsgehandicapten ook niet langer
meer is vertegenwoordigd. Het vierde lid regelt dat eventuele
gemachtigden of procureurs dan namens de betrokken gemeente optreden. De
gemeente treedt dan automatisch op als opdrachtgever.
Het vijfde lid regelt de gevolgen van beroep
waarvoor de beroepstermijn vóór de inwerkingtreding van deze wet
is aangevangen. Beroep staat dan voor burgemeester en wethouders van de
betrokken gemeente open gedurende het resterende gedeelte van de
beroepstermijn.
Het zesde lid biedt de mogelijkheid te regelen
dat personeel dat in dienst is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
betrokken was bij de uitvoering van de taak van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie overgaat naar een gemeente in plaats van
naar de Centrale organisatie werk en inkomen.
Het uitvoerende werk zal overigens vooral uitgevoerd zijn door KLIQ. Het
zal dus niet veel personeelsleden betreffen.
Artikel
39. [Bijzondere overgangsbepalingen in verband met
verzelfstandiging
van onderdelen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, red.]
De
structuur van de Wet
verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van bepaalde taken die vooral
de prestatiedienstverlening en bijzondere diensten betreffen, maar deze
taken of opdrachten niet zelf uitvoert, maar uitbesteedt aan de
opgerichte NV KLIQ (het verzelfstandigde reïntegratiebedrijf van
Arbeidsvoorziening). Het eerste lid regelt dat het contract van de
Arbeidsvoorzienigsorganisatie met de NV KLIQ eindigt als gevolg van de
intrekking van de Arbeidsvoorzieningswet 1996. Dit contract gaat dus
niet over naar de Centrale organisatie werk en
inkomen. Het dient immers de uitvoering van een publieke taak door
een private instelling die niet overgaat naar Centrale organisatie werk
en inkomen. Hetzelfde geldt voor de contracten betreffende de zogenaamde
"commerciële" dienstverlening die de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie tegen vergoeding verricht, zoals artikel
5 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 voorschrijft. Deze contracten zijn
met de externe verzelfstandiging van KLIQ grotendeels overgegaan naar
KLIQ, maar met name op het terrein van scholing heeft de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie daarnaast nog contracten voor
commerciële dienstverlening gesloten. De rechtsgevolgen van deze
voorzienbare beëindiging bij wet zullen door de partijen tijdig moeten
worden vastgesteld.
Het tweede lid heeft betrekking op de besteding
van de rijksbijdrage en rblz.|26|
met name het prestatiebudget: de rijksbijdrage waaruit de NV KLIQ door
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werd betaald. Artikel 6
van de Wet verzelfstandiging reïntegratiediensten
Arbeidsvoorzieningsorganisatie regelt dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie publieke middelen en met name de
prestatiebijdrage aanwendt voor de betaling van KLIQ. Geregeld wordt in
het tweede lid dat de Centrale organisatie werk en inkomen
verantwoordelijk wordt voor financiële verantwoording over de periode
vóór de inwerkingtreding van de Wet SUWI.
Artikelen
40 tot en met 42.
[Ontslagbescherming werknemers van de Centrale organisatie werk en
inkomen; ontslagcommissie; overgang ontslagbescherming,
red.]
In
de artikelen 40 tot en met 42 is een
tijdelijke voortzetting van de ontslagcommissie voor personeel van de Centrale organisatie werk en
inkomen geregeld. Een dergelijke commissie bestaat ook thans voor
het personeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Voorgesteld wordt deze voorziening tijdelijk (ten hoogste twee jaar) te
handhaven teneinde partijen de gelegenheid te bieden desgewenst bij CAO
een vorm van preventieve ontslagbescherming te regelen. Mochten partijen
binnen twee jaar zo’n regeling bij CAO overeenkomen (dan wel besluiten
daarvan af te zien), dan vervalt deze tijdelijke voorziening op dat
eerdere tijdstip, met dien verstande dat voor de afhandeling van alsdan
aanhangige verzoeken nog een periode van ten hoogste zes maanden wordt
geboden. Tegen besluiten van de ontslagcommissie staat geen
bestuursrechtelijke rechtsbescherming open; dat dient ook te gelden voor
de op grond van deze overgangsbepalingen door die commissie genomen
besluiten (zie daarvoor de wijziging van de bijlage
bij de Awb, opgenomen in artikel 92
van dit
wetsvoorstel).
3.
Wijziging andere wetten
§ 1.
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel
43. Werkloosheidswet
J
en
K
Uitgangspunt van de Wet SUWI is dat de
aangifte van werkloosheid en de aanvraag van een WW-uitkering
bij de CWI-organisatie wordt ingediend. Voor
sommige aangiftes en aanvragen dient de werknemer zich echter
rechtstreeks tot het UWV te richten. Het
gaat dan om aangiftes en aanvragen van niet-werkzoekenden. In het vijfde
lid van het voorgestelde
artikel 22 WW wordt dit geregeld voor
aanvragen met betrekking tot de volgende drie soorten uitkeringen:
uitkeringen wegens werktijdverkorting en wegens vorst, sneeuwval, hoog
water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden, alsmede de
uitkering in verband met de betalingsonmacht van de werkgever op grond
van hoofdstuk IV van de WW
(overname loonbetalingsverplichting). Ten aanzien van deze laatste groep
geldt overigens wel dat, zodra blijkt dat de dienstbetrekking zal worden
opgezegd, er een verplichting is om zich op de eerste dag na het ingaan
van de termijn van opzegging als werkzoekende te laten registreren bij
de CWI-organisatie. Verder is er met betrekking tot deze groep geen
reden om de bestaande uitvoeringspraktijk, waarbij in een vroegtijdig
stadium - in overleg tussen het UWV, de CWI-organisatie en eventuele
andere organisaties - arbeidsmarktrelevante activiteiten worden
ondernomen, niet voort te zetten. Het zesde lid van artikel 22
maakt het mogelijk ook voor andere dan in het vijfde lid genoemde
categorieën van aanvragen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur (AMvB) te regelen dat zij bij het UWV worden ingediend. In het
voorgestelde vierde en vijfde lid van artikel 26 WW
wordt één en ander overeenkomstig geregeld voor de aangifte van
werkloosheid. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat het rblz.|27|
CWI bij de overdracht van de aanvraag aan het
UWV op grond van artikel 16 [28], derde
lid, van de Wet SUWI tevens aan het UWV
doorgeeft wat de datum van de aangifte van de werkloosheid is.
L
Op
grond van de huidige wet (artikel 27, achtste
lid, WW) is het
Lisv bevoegd tot het stellen van nadere
regels met betrekking tot het opleggen van maatregelen. Weliswaar is bij
de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 deze bevoegdheid gewijzigd in een
bevoegdheid tot regelgeving bij of krachtens AMvB, doch deze wijziging
is tot op heden niet in werking getreden. In overeenstemming met hetgeen
bij de Invoeringswet Osv 1997 werd beoogd, wordt ook thans - in het
achtste lid van artikel 27 - regeling bij
of krachtens AMvB voorgesteld. Aangezien niet zeker is dat een
desbetreffende AMvB tijdig tot stand zal komen, zal de inwerkingtreding
van het nieuwe artikellid worden opgeschort en wordt tegelijk door
middel van een overgangsbepaling erin voorzien dat de regelgevende
bevoegdheid nog tijdelijk bij het uitvoeringsorgaan (het UWV
als opvolger van het Lisv) blijft berusten (zie onderdeel
C [onderdeel B, red.] van artikel 44).
L
en
M
Alvorens de WW-aanvraag door de Centrale organisatie werk en
inkomen wordt doorgestuurd en het UWV
de aanvraag verder in behandeling neemt, gelden voor de aanvrager
verplichtingen tot het verstrekken van gegevens. Deze
inlichtingenverplichtingen in de "Centrale organisatie werk en
inkomen-fase" volgen uit artikel 16 [28],
tweede lid, en 17 [29], eerste lid, van de Wet
SUWI. Bij niet nakomen van die inlichtingenverplichting kan echter
slechts het UWV en niet de Centrale organisatie werk en inkomen een
sanctie aan de aanvrager opleggen. Om mogelijk te maken dat het UWV een
sanctie kan opleggen, zijn de genoemde artikelen in artikel
27 en 27a opgenomen. Op
grond van artikel 39 [56] van de Wet
SUWI
moet de Centrale organisatie werk en inkomen het niet nakomen van
verplichtingen door de belanghebbende bij het UWV melden.
O
In
dit onderdeel wordt een nieuw artikel 29
in de WW opgenomen, waarin invulling wordt
gegeven aan de "contractgedachte"; in het algemeen deel van
deze toelichting (paragraaf 4.6.1) wordt hierop
uitvoerig ingegaan. Er wordt geregeld dat bij iedere
uitkeringsbeschikking - in geval van toekenning of herziening van de
uitkering en bij het opstellen van een trajectplan - in een bijlage
steeds de (gewijzigde) rechten en plichten van de werknemer worden
opgenomen. Op deze manier wordt duidelijk waartoe beide partijen
gehouden zijn, vooral waar het de inspanningen voor de reïntegratie
betreft. Het is de bedoeling dat de werknemer (eenmaal) een bijlage
tekent; zie het vierde lid. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent dit artikel.
T
Artikel
45, derde lid, WW kan vervallen omdat de
daarin vervatte bevoegdheid al is opgenomen in artikel 34,
vierde lid, van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.
rblz.|28|
X
Het
oude artikel 69 vervalt, omdat de
subsidieverstrekking voor sectorale projecten gericht op het
terugdringen van het beroep op de WW
overgenomen kan worden door de subsidieregeling op basis van artikel 9 [20]
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
Het nieuwe artikel 69
bevat de mogelijkheid voor werkgevers of sociale partners (via een door
hen opgerichte rechtspersoon) subsidie te vragen om zelf
reïntegratieactiviteiten te ontwikkelen voor hun onderneming of in hun
sector. Door de regeling in het tweede lid wordt duidelijk dat deze
activiteiten niet door henzelf mogen worden uitgevoerd, maar dat daarbij
reïntegratiebedrijven dienen te worden ingeschakeld. De
subsidieontvanger geeft daartoe opdracht en besteedt de subsidie voor de
betaling.
Ingeval de activiteiten bestemd zijn voor
werknemers die al een WW-uitkering ontvangen, kunnen die werknemers een
beroep blijven doen op de reïntegratiemaatregelen die in de WW zijn
geregeld (het derde lid). Hiermee komt tot uitdrukking dat het UWV
uiteindelijk verantwoordelijk blijft voor de inzet van
reïntegratie-instrumenten. Het UWV kan in zijn sanctiebeleid dan ook
meenemen in hoeverre werknemers die een WW-uitkering ontvangen,
meewerken aan de door sociale partners ontwikkelde
reïntegratieactiviteiten. In verband hiermee is
artikel 26 van de WW, dat de
medewerkingsverplichtingen regelt, ook gewijzigd (zie onderdeel K).
In onderdeel e van het eerste lid van
artikel 26 wordt nu geregeld dat de uitkeringsgerechtigde moet
meewerken aan alle activiteiten die ontwikkeld worden ter bevordering
van de inschakeling in het arbeidsproces en die benoemd worden in dit
artikel 69 en de hoofdstukken over de reïntegratiemaatregelen in
de WW. Omdat medewerking aan activiteiten die inschakeling in de arbeid
bevorderen in onderdeel e verplicht wordt gesteld, is
onderdeel f
aangepast.
Een aanvraag voor deze subsidie dient gedaan te
worden met instemming van de werknemers of de
personeelsvertegenwoordiging. Dit is geregeld in de wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden, die in dit wetsvoorstel
is opgenomen (zie
artikel 88). Individuele werknemers zouden als belanghebbende
bezwaar kunnen maken tegen deze subsidieverlening. Overigens wordt ervan
uitgegaan dat dit zich in de praktijk niet vaak zal voordoen, omdat de
werknemers collectief worden betrokken bij het beleid van de ondernemer
of de sector om zelf reïntegratieactiviteiten te ontwikkelen.
Dit instrument zal nog verder vorm moeten
krijgen. Vandaar dat in de mogelijkheid van nadere regelgeving bij
algemene maatregel van bestuur is voorzien. Bij de besteding van de
subsidie voor maatregelen die dienen ter voorkoming van werkloosheid zal
bijvoorbeeld rekening moeten worden gehouden met het experiment op grond
van artikel 130c WW,
waarbij ten laste van de wachtgeldfondsen al reïntegratieactiviteiten
kunnen worden ontwikkeld voor met ontslag bedreigde werknemers. Zie
verder in paragraaf 4 van het algemene deel van deze
toelichting.
Y
In artikel 72
is in algemene zin geregeld dat het
UWV de taak heeft in de reïntegratie van WW-gerechtigden
te voorzien. De inhoud van deze taak en de wijze waarop deze wordt
uitgevoerd, evenals de financiering is in hoofdstuk
Xa geregeld in de vorm van experimenten. Zo regelt
artikel 130 de verplichte uitbesteding en de wijze van
financiering daarvan. Artikel 130a
biedt de mogelijkheid dat in verband met de reïntegratie kan worden
afgeweken van bepaalde verplichtingen en bevat een bijzondere maatregel
om uitstroom uit de uitkering te stimuleren. Artikel 130b
kent de regeling voor loonsuppletie. Op grond van al deze bepalingen
zijn AMvB’s vastgesteld waarin aan de experimenten inhoud wordt
gegeven. rblz.|29|
Bij de evaluatie van de experimenten zal aangegeven worden of een
structurele regeling van de maatregelen wenselijk wordt geacht.
Het tweede lid regelt in algemene zin de
uitbesteding. In deze wet
wordt geregeld dat de opdrachtgevers de werkzaamheden laten verrichten
door een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert. Daarmee worden de private reïntegratiebedrijven
bedoeld. De markt van reïntegratiebedrijven en arbodiensten is zeer in
beweging. In veel gevallen maken de reïntegratiebedrijven deel uit van
hetzelfde concern als een arbodienst. Arbodiensten worden echter op
grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 gecertificeerd. De algemeen aangeduide opdrachtnemers kunnen
dus ook arbodiensten zijn. Ook in artikel 130
en 130c
wordt deze uitbesteding voorgeschreven. In dit algemene artikel wordt
deze uitbesteding nader uitgewerkt. Van belang daarbij is de regeling in
het derde lid over het verstrekken van gegevens en het gebruik van het
sofinummer daarbij.
Het vierde lid bevat de mogelijkheid bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over
de verhouding opdrachtgever en reïntegratiebedrijf. Bij die regels is
met name gedacht aan eventuele criteria voor de selectie van bedrijven
en nadere bepalingen over de uitwisseling van gegevens.
FF
Nu artikel 74,
vijfde lid, van de Osv 1997 niet terugkeert
in de
Wet SUWI, kan artikel
90, eerste lid, onderdeel f, van de
WW vervallen.
GG
In
het nieuw toegevoegde artikel 93a
wordt geregeld dat de subsidie voor de bijzondere
reïntegratieactiviteiten (overdracht van opdrachtgeverschap) zoals
geregeld in artikel 69 ten laste wordt
gebracht van het Algemeen Werkloosheidsfonds [AWf, red.] en het
Uitvoeringsfonds voor de overheid. Op grond van het tweede lid wordt het
mogelijk gemaakt te regelen, evenals in het experiment op grond van artikel
130, dat voor deze kosten een rijksbijdrage aan deze fondsen wordt
verstrekt. Of dit geregeld wordt is afhankelijk van het beroep dat op
deze subsidie wordt gedaan. Het kan blijken dat volledige
premiefinanciering van de reïntegratieactiviteiten ongewenst is omdat
de kosten voor het AWf groter zijn dan de baten en dat daarom een
rijksbijdrage gewenst is.
Te zijner tijd zal de financiering van de
uitvoering van de reïntegratietaak ook in deze bepalingen worden
geregeld. De wijze waarop is afhankelijk van het verloop van het
experiment zoals geregeld in artikel 130.
UU
Uitgangspunt bij het toezicht door de Minister
van SZW
op de uitvoering van de WW is dat alle regels
die het UWV
op grond van die wet stelt goedkeuring
behoeven van de Minister van SZW.
VV
Nu
de Minister van SZW het deel van de premie
dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds op grond van
artikel 86, eerste lid, vaststelt, kan artikel 124
vervallen.
rblz.|30|
ZZ
en
AAA
De
wijzigingen in deze artikelen die de experimenten betreffen, hebben
betrekking op de aanduiding van de reïntegratiebedrijven aan wie de
werkzaamheden worden uitbesteed. De toevoeging maakt dat het
professionele reïntegratiebedrijven dienen te zijn. Verder is geregeld
dat bij ministeriële regeling het budget kan worden vastgesteld dat ten
laste komt van het AWf voor de uitvoering van de
reïntegratieactiviteiten. De nadere regels hebben betrekking op
mogelijkheid op de besteding van de budgetten (inschatting resultaten en
dergelijke) enige sturing aan te brengen.
Artikel
44.
Overgangsrecht wijziging Werkloosheidswet
B
Zoals aangegeven in de toelichting bij onderdeel L van artikel 43
wordt de regelgevende bevoegdheid met betrekking tot het opleggen van
maatregelen nog tijdelijk bij het uitvoeringsorgaan gelaten. Zodra een
AMvB op grond van artikel 27, achtste lid,
gereed is, kan deze tijdelijke bepaling vervallen.
Artikel
46. Toeslagenwet
C
Uitgangspunt van de Wet SUWI is dat de
aanvraag van een toeslag op grond van de TW
(voor zover deze strekt ter aanvulling op een
WW-uitkering) bij het CWI-kantoor
(Centrale organisatie werk en
inkomen) wordt ingediend. Voor sommige TW-aanvragen dient de
belanghebbende zich echter rechtstreeks tot het UWV
te richten. Het gaat dan om aanvragen van niet-werkzoekenden. In het
achtste lid van artikel 11 TW
wordt dit geregeld voor aanvragen met betrekking tot de volgende drie
soorten uitkeringen: uitkeringen wegens werktijdverkorting en wegens
vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke
omstandigheden alsmede de uitkering in verband met de betalingsonmacht
van de werkgever op grond van hoofdstuk IV
van de WW (overname
loonbetalingsverplichting). Het negende lid van artikel 11
maakt het mogelijk ook voor andere dan in het achtste lid genoemde
categorieën van aanvragen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur (AMvB) te regelen dat zij bij het UWV worden ingediend. Zie ook
de toelichting bij voorgestelde wijziging van artikel 22 WW
(artikel 43, onderdeel J, van
dit wetsvoorstel).
D
en
E
Zie
voor wat betreft het niveau van nadere regelgeving en de tijdelijke
voorziening ter zake de toelichting hierboven
bij de overeenkomstige bepalingen van de WW.
Alvorens de aanvraag om voor een toeslag in
aanmerking te komen door de Centrale organisatie werk en
inkomen wordt doorgestuurd en het UWV
de aanvraag verder in behandeling neemt, gelden voor de aanvrager
verplichtingen tot het verstrekken van gegevens. Deze
inlichtingenverplichtingen in de "Centrale organisatie werk en
inkomen-fase" volgen uit artikel 16 [28],
tweede lid, en 17 [29], eerste lid, van de Wet
SUWI. Bij niet nakomen van die inlichtingenverplichting kan echter
slechts het UWV en niet de Centrale organisatie werk en inkomen een
sanctie aan de aanvrager opleggen. Om mogelijk te maken dat het UWV een
sanctie kan opleggen, zijn de genoemde artikelen in artikel 14
en
14a opgenomen. Op grond van
artikel 38 [55] van de
Wet SUWI moet de Centrale organisatie werk rblz.|31|
en inkomen het niet nakomen van verplichtingen door de belanghebbende
bij het UWV melden.
K
Zie toelichting op artikel 43, onderdeel J en K.
Artikel
47.
Overgangsrecht wijziging Toeslagenwet
B
Zoals aangegeven in de toelichting bij onderdeel L van artikel 43
wordt de regelgevende bevoegdheid met betrekking tot het opleggen van
maatregelen nog tijdelijk bij het uitvoeringsorgaan gelaten. Zodra een
AMvB gereed is, kan deze bepaling vervallen.
Artikel
48. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Aan
het slot van dit wetsvoorstel is een
artikel toegevoegd (artikel 126) vanwege
de afstemming op de wijziging in de Wet verbetering poortwachter
(Kamerstukken II 2000-2001, .. [27 678, red.]). Voor zover het de
inhoud van de artikelen in de WAO betreft,
is met eerdere totstandkoming van die wet al rekening gehouden. Die
artikelen worden hier dus niet gewijzigd uitgaande van de tekst zoals ze
luidden op het moment van indiening van dit wetsvoorstel.
F
Op
grond van de huidige wet (artikel 29, vijfde
lid, WAO) is het
Lisv bevoegd tot het stellen van nadere
regels met betrekking tot het opleggen van maatregelen. Weliswaar is bij
de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 deze bevoegdheid gewijzigd in een
bevoegdheid tot regelgeving bij of krachtens AMvB, doch deze wijziging
is tot op heden niet in werking getreden. In overeenstemming met hetgeen
bij de Invoeringswet Osv 1997 werd beoogd, wordt ook thans - in het
vijfde lid van artikel 29 - regeling bij
of krachtens AMvB voorgesteld. Aangezien niet zeker is dat een
desbetreffende AMvB tijdig tot stand zal komen, zal de inwerkingtreding
van het nieuwe artikellid worden opgeschort en wordt tegelijk door
middel van een overgangsbepaling erin voorzien dat de regelgevende
bevoegdheid nog tijdelijk bij het uitvoeringsorgaan (het UWV
als opvolger van het Lisv) blijft berusten (zie onderdeel B van
artikel 49).
O,
P, Q
en
Y
Artikel
66, 68, 69
en
83a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering bepalen hoe de taken van het Lisv
over de uitvoeringsinstellingen
"verdeeld" moeten worden. Nu in de nieuwe
uitvoeringsorganisatie de uitvoeringsinstellingen opgaan in het UWV,
kunnen het tweede tot en met zevende lid van artikel 66
en
artikel 68, 69
en
83a vervallen.
S
Dit
artikelonderdeel is uitgewerkt. Het betrof de eventuele baten voor het Lisv
bij de overgang van een onderdeel dat de reïntegratie voor
arbeidsgehandicapten uitvoerde, van het GAK
naar de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie met ingang van 1 januari 1998.
rblz.|32|
U
Nu
de minister zelf, op grond van artikel 77,
tweede lid, het percentage voor de berekening van de basispremie
vaststelt, kan het derde lid met de regeling van de goedkeuring door de
minister vervallen.
Artikel
49.
Overgangsrecht wijziging Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
B
Zoals aangegeven in de toelichting bij onderdeel F van artikel 48
wordt de regelgevende bevoegdheid met betrekking tot het opleggen van
maatregelen nog tijdelijk bij het uitvoeringsorgaan gelaten. Zodra een
AMvB op grond van artikel 29, vijfde lid,
gereed is, kan deze tijdelijke bepaling vervallen.
Artikel
57. Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
C en J
Artikel 3
regelt welk bestuursorgaan beoordeelt of een persoon arbeidsgehandicapte
is in de zin van deze wet. Vanwege de
gewijzigde verantwoordelijkheidsverdeling, waarbij de gemeenten
ook verantwoordelijk worden voor de doelgroep waarvoor de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk was, moet ook
wijziging aangebracht worden in het aanduiden van het bevoegde
bestuursorgaan. Dat gebeurt in dit onderdeel C.
In onderdeel J wordt de taak van de
gemeente overeenkomstig gewijzigd.
E
en
F
Artikel 8
van de Wet Rea regelt de reïntegratietaak
van de werkgever. Deze taak wordt in het wijzigingsartikel uitgebreid.
De werkgever wordt verplicht te bevorderen dat de arbeidsgehandicapte
werknemer, indien vaststaat dat binnen het bedrijf van zijn werkgever
geen andere passende arbeid voorhanden is, wordt ingeschakeld in de
arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.
In
dit artikel 8 was in het tweede lid
aangeduid waaruit de maatregelen die de werkgever in algemene zin zou
moeten treffen, bestaan. Dit is overgenomen in het tweede lid. In de
tweede volzin van dat tweede lid stond wat de aanpassing in het bedrijf
inhield. Op de naleving van die verplichting werd op een overeenkomstige
wijze als in de Arbeidsomstandighedenwet
1998 toegezien, inclusief de mogelijkheid van een stellen van een
eis. De verplichting en het toezicht daarop zijn nu bij elkaar gebracht
in artikel 9 (onderdeel F).
De
verplichting van de werkgever om de inschakeling van zijn
arbeidsgehandicapte werknemer in de arbeid binnen of buiten het bedrijf
te bevorderen, geldt in ieder geval voor de duur van de
dienstbetrekking. Dat is op grond van de jurisprudentie voor een
dienstbetrekking van onbepaalde tijd in ieder geval gedurende twee jaar
(het derde lid).
Na
beëindiging van de dienstbetrekking van de arbeidsgehandicapte kan de
verplichting op de laatste werkgever blijven rusten. Voor werkgevers
bestaat de mogelijkheid de verplichting gedurende ten hoogste zes jaar
na aanvang van de arbeidsongeschiktheid (de eerste ziektedag in de zin
van de Ziektewet) op zich te nemen. Het gaat
hier om perioden waarin de vroegere werknemer onafgebroken
arbeidsgehandicapte is. Er wordt rblz.|33|
van uitgegaan dat de werkgever hiervoor een beleid vaststelt. Daarbij
heeft hij de mogelijkheid te bepalen voor welke periode hij deze
verantwoordelijkheid op zich wil nemen. De werkgever behoeft daarvoor de
instemming van de werknemers (zie de wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden, artikel 88). In het vierde lid wordt
geregeld dat deze verantwoordelijkheid op de werkgever blijft rusten
indien hij bij het UWV
schriftelijk heeft gemeld dat hij die verantwoordelijkheid blijft
behouden. Indien een werkgever van deze mogelijkheid geen gebruik maakt,
zal de reïntegratietaak voor de arbeidsgehandicapte op grond van
artikel 10 van de Wet Rea overgaan
naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
De
werkgever dient zich te laten bijstaan bij het uitvoeren van de
werkzaamheden die betrekking hebben op het uitvoeren van zijn
reïntegratietaak.
De werkzaamheden ter bevordering van de
inschakeling van de arbeidsgehandicapte werknemer in het eigen bedrijf
van de werkgever mag deze werkgever laten verrichten door een interne
arbodienst of een externe arbodienst, die kan samenwerken met een extern
reïntegratiebedrijf. Voor het verkrijgen van de subsidie, bedoeld in
artikel 16a, zal de eis worden gesteld dat de werkzaamheden
niet door de interne arbodienst van de werkgever worden verricht.
In
het zesde lid wordt de gegevensuitwisseling met het reïntegratiebedrijf
geregeld en het gebruik van het sofinummer daarbij.
Het
zevende lid bevat de delegatiebepaling voor nadere regelgeving. Dit
betreft ten eerste de verlenging van de reïntegratietaak van de
werkgever zowel na einde dienstbetrekking als na einde van de in het
vierde lid bedoelde verlengde periode. Ten tweede betreft dit een aantal
aspecten die betrekking hebben op het vierde lid. Het gaat dan om
procedures in verband met de melding van de verlenging van het beleid de
reïntegratieverantwoordelijkheid te verlengen en melding van het
beëindigen van dit beleid. Ten slotte kunnen regels gesteld worden
omtrent de uitvoering van de opdracht aan het reïntegratiebedrijf.
Evenals in de WAO voor het
reïntegratieverslag wordt de verantwoordelijkheid voor de werknemers in
arbeidsverhoudingen die zogenaamde rariteiten zijn bij het UWV
neergelegd. Het achtste lid regelt dat de werkgever dan niet
verantwoordelijk is, tenzij hij eigenrisicodrager voor de Ziektewet
is (zie
paragraaf 6.2 van het algemene deel van deze toelichting).
I
De
verplichting tot reïntegratie van de arbeidsgehandicapte werknemer
buiten het eigen bedrijf indien binnen het eigen bedrijf geen andere
passende arbeid voorhanden is, wordt in de wijziging van artikel 8
aan de werkgever opgelegd. Deze verplichting dient niet tevens voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
te gelden. In de wijziging van artikel 10
vervalt deze verplichting voor het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ook indien deze verplichting op een vroegere
werkgever rust. Artikel 10 geldt ook voor
de personen die een ZW-uitkering ontvangen en
niet in dienstbetrekking staan tot de werkgever. Voor de
dienstbetrekkingen die geen arbeidsovereenkomst zijn, bevat artikel 8,
achtste lid, een bepaling. Voor zover de werkgever niet verantwoordelijk
is, berust de taak op grond van dit artikel 10
bij het UWV. Voor de reïntegratie van die personen is het UWV dus wel
verantwoordelijk. Het nieuwe derde lid betreft een afstemming op de Wiw-voorzieningen
op gelijke wijze als in
artikel 73
WW is geregeld.
rblz.|34|
Het nieuw toegevoegde vierde tot en met zesde lid betreffen de
verplichting van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
concrete werkzaamheden die zijn gericht op reïntegratie van
arbeidsgehandicapten uit te besteden en de regeling van de
gegevensuitwisseling daarbij. Dit laat de verantwoordelijkheid van het
UWV voor de reïntegratie onverlet. Daarmee wordt bereikt dat dit
instituut, evenals werkgevers en vroegere werkgevers,
reïntegratiecontracten zal gaan sluiten. Deze verplichting strekt tot
benutting van de mogelijkheden die de markt van reïntegratiebedrijven
biedt.
L
Artikel 14
betreft de samenwerking tussen de verschillende bestuursorganen die
verantwoordelijk zijn voor de arbeidsgehandicapten. In het tweede lid
wordt verwezen naar de nadere regelgeving bij algemene maatregel van
bestuur bij de overgang van de verantwoordelijkheid van werkgever naar
publieke organen. Tevens heeft deze AMvB betrekking op de afstemming van
werkzaamheden indien meerdere werkgevers verantwoordelijk zijn voor de
reïntegratie omdat de werknemer verschillende dienstbetrekkingen heeft.
In
het derde lid wordt geregeld dat omtrent de samenwerking tussen UWV
en gemeenten bij algemene maatregel van
bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Vergelijkbare
delegatiebepalingen bevatten de Wiw
(artikel 7) en de Abw
(artikel 111). Op die wijze kan de
samenwerking, overdracht van gegevens en andere aspecten die daarbij
spelen nader vorm worden gegeven.
P
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan op aanvraag aan de werkgever een subsidie toekennen in de vorm van
een subsidie voor voorzieningen eigen werk of een herplaatsingsbudget
bij het reïntegreren naar passende arbeid in het eigen bedrijf. Dit was
al geregeld in
artikel 15 en 16. In dit artikel is
een aanvullende mogelijkheid voor subsidie geregeld indien de werkgever
buiten zijn bedrijf moet plaatsen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld omtrent deze verstrekking van subsidie (zie
het algemene deel bij deze toelichting).
V
Door de toevoeging in artikel 33 over
persoonsgebonden budget kan op grond van een ministeriële regeling voor
gehandicapte werknemers een ruimer budget worden vastgesteld dan tot nu
mogelijk was. Overigens was van die mogelijkheid tot op heden geen
gebruik gemaakt. De huidige experimentele PRB-regeling [PRB:
persoonsgebonden reïntegratiebudget, red.] is namelijk
uitsluitend van toepassing op werkloze arbeidsgehandicapten.
Het is de bedoeling deze regeling uit te
breiden naar arbeidsgehandicapte werknemers. De regeling zou uitsluitend
van toepassing moeten zijn op arbeidsgehandicapte werknemers ten aanzien
van wie vast staat dat de werkgever onvoldoende
reïntegratieactiviteiten ontplooit. In de ministeriële regeling die
dit budget nader zal regelen, zal dan ook worden bepaald dat het budget
pas kan worden toegekend op basis van een oordeel van het UWV
als bedoeld in de Wet SUWI (de zogenaamde
second opinion) (zie ook het algemene deel van de
toelichting).
rblz.|35|
Y
en
Z
De
wijzigingen in de financieringsartikelen betreffen vooral de
mogelijkheid voor nadere ministeriële regeling betreffende de
budgetten, de rijksbijdragen en de wijze van besteding van vooral de
middelen ten behoeve van reïntegratie.
DD
Artikel 82
is een overgangsbepaling die is uitgewerkt en kan daarom vervallen.
Artikel
76. Algemene
bijstandswet
A
De
wijzigingen van artikel 1 zijn van
technische aard, zij het dat met de toevoeging van het nieuwe onderdeel f
het Inlichtingenbureau
wordt geïntroduceerd; zie hierover de toelichting
bij de onderdelen T, U, V en W.
B,
C, I,
M en N
Met
de wijzigingen van de artikelen 14 en 14a
wordt geregeld dat burgemeester en wethouders een maatregel en/of boete
moeten opleggen - en in welke gevallen zij hiervan kunnen afzien - als
de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 16 [28],
tweede lid, en 17 [29], eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, niet of niet behoorlijk nakomt. Deze verplichtingen zijn
vergelijkbaar met de inlichtingenverplichting van artikel 65,
eerste lid. Hiermee wordt bewerkstelligd dat het niet of niet behoorlijk
nakomen van de inlichtingenverplichting jegens de CWI-organisatie
- ondanks dat deze organisatie geen boeten en maatregelen kan opleggen -
niet zonder gevolgen blijft, maar op grond van een andere wet door een
ander bestuursorgaan bestraft wordt.
De wijzigingen van de artikelen
69, 78c en 85
betreffen dezelfde gelijkschakeling van de inlichtingenverplichting
jegens de CWI-organisatie en burgemeester en wethouders met betrekking
tot opschorting en herziening, onderscheidenlijk terugvordering van
bijstand.
E
Het
eerste lid van het nieuwe artikel 63a
betreft de hoofdregel voor het indienen van aanvragen van algemene
bijstand. Overeenkomstig artikel 16 [28]
van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
wordt de tot burgemeester en wethouders gerichte aanvraag ingediend bij
de CWI-organisatie. Deze organisatie draagt de
aanvraag met de daarbij verstrekte gegevens en bewijsstukken over aan
burgemeester en wethouders zodra deze naar haar oordeel volledig zijn,
maar uiterlijk binnen de bij ministeriële regeling daarvoor bepaalde
termijn, en doet hiervan melding aan de aanvrager.
In het tweede lid worden de categorieën van
aanvragen opgesomd die, in afwijking van de hoofdregel, niet bij de
CWI-organisatie, maar rechtstreeks bij burgemeester en wethouders moeten
worden ingediend. Hierbij gaat het in de eerste plaats om aanvragen van
bijzondere bijstand en in het kader van het gemeentelijke minimabeleid.
Daarnaast geldt dit voor aanvragen van algemene bijstand voor mensen die
in een inrichting verblijven, gevestigde zelfstandigen en personen die
ouder zijn dan 65 jaar. Op deze categorieën is de hoofdregel niet van
toepassing, omdat hierbij inschakeling in het arbeidsproces niet aan de
orde is en het indienen van de aanvraag bij de CWI-organisatie - in
verband met de rblz.|36|
doelstelling "werk boven inkomen" - dus geen meerwaarde heeft.
De uitzondering op de hoofdregel wordt ook gemaakt voor aanvragen voor
personen zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, daar bijstand aan
deze groep wordt verleend door centrumgemeenten.
Op grond van het derde lid kunnen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur ook andere categorieën van
aanvragen worden aangewezen, die in afwijking van de hoofdregel,
rechtstreeks bij burgemeester en wethouders moeten worden ingediend.
Deze mogelijkheid wordt geboden om in te kunnen spelen op ontwikkelingen
in de praktijk. De invulling van de maatregel is mede afhankelijk van de
uitkomsten van experimenten op het gebied van het gegevensverkeer.
Tevens sluit deze bepaling aan op hetgeen in de socialeverzekeringswetten,
met name de Werkloosheidswet (WW), op dit
punt geregeld wordt.
De bedoeling van het vierde lid is om het voor
gemeenten mogelijk te maken om categorieën van aanvragen die,
gezien het tweede en derde lid, eigenlijk bij burgemeester en wethouders
ingediend moeten worden, toch bij de CWI-organisatie in te laten dienen.
Dit past in de bestuurlijke afspraken die tussen de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) gemaakt zijn. Uiteraard is hierbij geen sprake van
eenzijdig opleggen van de gemeente aan de CWI-organisatie, maar gebeurt
dit in overeenstemming met deze organisatie. Dit houdt in dat de
gemeente, voordat zij de verordening opstelt, wijzigt of intrekt,
hierover overleg voert met de CWI-organisatie en dat er afspraken
vastgelegd worden over de indiening van de betreffende categorieën van
aanvragen.
De wijziging van artikel
120 (zie bij onderdeel S) maakt
het mogelijk aan de CWI-organisatie mandaat te verlenen met betrekking
tot de bijstandverlening.
F
Artikel
65, tweede lid, vervalt, omdat bij de verstrekking van gegevens in
veel gevallen niet langer (alleen) gebruik gemaakt moet worden van een
door burgemeester en wethouders, maar (ook) van een door de
CWI-organisatie verstrekt formulier. Op grond van artikel 4:4
van de
Algemene wet bestuursrecht kunnen burgemeester en wethouders een
formulier vaststellen voor het indienen van aanvragen en het verstrekken
van gegevens. Tussen de gemeenten en de Centra voor werk en inkomen
worden afspraken gemaakt over het vaststellen en verstrekken van
formulieren.
G
en
K
Het
aanvullen van het - met deze wijziging samengevoegde - eerste en tweede
lid van artikel 66 met de zinsnede
"onverminderd artikel 16 [28], tweede
en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen" geeft aan dat het door burgemeester en wethouders
bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt respectievelijk
overgelegd moeten worden, alsmede van de wijze en het tijdstip waarop
dit moet gebeuren, onverlet laat hetgeen hierover bij of krachtens voornoemde wet
vóór de CWI-fase wordt geregeld. Bij dit
laatste gaat het om de inlichtingenverplichtingen jegens de
CWI-organisatie en (het tijdstip van) de overdracht van de aanvraag door
deze organisatie aan burgemeester en wethouders. Met de vervanging van
"wijziging" door "herziening" in het tot derde lid
vernummerde lid wordt deze bepaling in overeenstemming gebracht met de
inmiddels gebruikelijke terminologie in de wet: zie ook artikel 70
(onderdeel J).
De wijzigingen in artikel 71
zijn het gevolg van het samenvoegen van het eerste en tweede lid van artikel
66 en daarmee van puur technische aard.
rblz.|37|
H
Met
de wijziging van artikel 68, eerste lid, wordt
bereikt dat er geen onduidelijkheid over kan bestaan dat voor aanvragen
die, op grond van
artikel 63a, bij de CWI-organisatie
dan wel burgemeester en wethouders worden ingediend, dezelfde
beslistermijnen gelden. Onafhankelijk van waar de aanvraag is ingediend,
moeten burgemeester en wethouders binnen acht weken nadat deze (door
henzelf of de CWI-organisatie) ontvangen is, vaststellen of er recht op
bijstand bestaat.
J
In
het algemeen deel van deze toelichting (paragraaf
4.6.1) wordt uitvoerig ingegaan op de rechten en plichten van
cliënten, waarbij de "contractgedachte" centraal staat. Met
de wijzigingen van artikel 70
wordt een betere invulling gegeven aan deze contractgedachte. Er wordt
geregeld dat bij iedere bijstandsbeschikking - in geval van toekenning,
voortzetting of herziening van bijstand en bij het opstellen van een
trajectplan - in een bijlage steeds de (gewijzigde) rechten en plichten
van de belanghebbende worden opgenomen. Op deze manier wordt duidelijk
waartoe beide partijen gehouden zijn, vooral waar het de inspanningen
voor de reïntegratie betreft. Het is de bedoeling dat de belanghebbende
(eenmaal) een bijlage tekent; zie het vierde lid. Hierover zullen met de gemeenten
bestuurlijke afspraken worden gemaakt. Vooralsnog zal dan ook geen
gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om bij ministeriële regeling
nadere regels te stellen (vijfde lid).
Verder is artikel 70
op enkele punten technisch aangepast en afgestemd met de vergelijkbare
bepalingen in andere wetten (artikel 29 WW, artikel 13 Wet
Rea, artikel 18 Ioaw/Ioaz
en de
artikelen
2 en 9 Wiw).
P
Artikel
111, tweede lid, blijft gehandhaafd als spiegelbepaling van artikel
4 [8], eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, waarin bepaald wordt dat de CWI-organisatie,
het
UWV en de
SVB met elkaar en met burgemeester en
wethouders van de
gemeenten
samenwerken om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden en
werkzoekenden in het arbeidsproces te bevorderen.
R
De
invoeging van een nieuw onderdeel c in het eerste lid van artikel 118
houdt verband met de bestuurlijke afspraak die de Minister
van SZW
met de VNG maakt over het zoveel mogelijk
uitbesteden van reïntegratietaken. Door in het plan en het
beleidsverslag aandacht te besteden aan deze uitbesteding wordt de
gemeenteraad hier nadrukkelijk bij betrokken. Overigens ligt het voor de
hand dat de gemeenten de uitvoering van de reïntegratie-inspanningen
ten behoeve van personen met een uitkering op grond van de Anw
en niet-uitkeringsgerechtigden in het plan en het beleidsverslag
meenemen.
De andere wijzigingen zijn van puur technische
aard.
S
Met
de toevoeging van de zinsnede "en ten aanzien van de Centrale organisatie werk en
inkomen" aan het derde lid van artikel
120 wordt het voor burgemeester en wethouders mogelijk om - zij
het slechts met toestemming van de gemeenteraad - ook aan de
CWI-organisatie mandaat te verlenen tot het nemen van besluiten inzake
de verlening van bijstand. Dit rblz.|38|
past in de bestuurlijk afspraken die tussen de Minister
van SZW en de VNG gemaakt zijn; zie
ook
artikel 63a, vierde lid (onderdeel
E).
T,
U, V
en
W
De
wijzigingen van de artikelen 122, 123,
125 en 126 zijn
enerzijds bedoeld om deze bepalingen met de doelstelling en de
terminologie van de vergelijkbare bepalingen van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in
overeenstemming te brengen. De artikelen 122,
eerste lid, onderdeel b, en 125, eerste
lid, onderdeel a, zijn de spiegelbepalingen van de artikelen 37 [54],
derde lid, onderdeel a, en 44 [62-71],
eerste lid, van voornoemde
wet. De aanpassing van artikel 123, tweede
lid, onderdeel b, is het gevolg van afstemming met artikel 45 [62-74],
zesde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de aan deze bepaling ten
grondslag liggende Wet
bescherming persoonsgegevens. Met de wijziging van artikel 125,
derde lid, wordt deze bepaling afgestemd op artikel 44 [62-71],
derde lid, van meergenoemde
wet en kan deze als spiegelbepaling dienen voor artikel 45 [62-74],
vijfde lid, van die wet. De toevoeging aan artikel
122, eerste lid, onderdeel f, van de zinsnede dat de
gegevensverstrekking door de Kamer van Koophandel,
in afwijking van de hoofdregel, niet kosteloos geschiedt, is toegelicht
in de artikelsgewijze toelichting bij
artikel 37 [54], derde lid, onderdeel
f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen. Anderzijds wordt met de wijzigingen van artikel
122 (en artikel 126) de functie van het Inlichtingenbureau
geregeld. Met het nieuwe tweede lid van artikel
122 wordt beoogd zowel burgemeester en wethouders als derden te
verplichten gebruik te maken van het Inlichtingenbureau als
elektronische faciliteit voor gegevensuitwisseling. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent regels worden gesteld
en wordt in ieder geval bepaald met welke van de in artikel
122, eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde
instanties het bureau gegevens uitwisselt. Bij de algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 44 [63], derde
lid, onderdeel d, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zullen de taken
en verantwoordelijkheden van het Inlichtingenbureau worden omschreven en
zal worden geregeld op welke wijze de financiering van, de
verantwoording door en het toezicht op het bureau concreet worden
vormgegeven. In de toelichting op laatstgenoemd artikel
is al aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van
de uitkeringsverstrekking en de bevoegdheid om daarvoor bij derden
gegevens op te vragen onverminderd op burgemeester en wethouders blijven
rusten. Het Inlichtingenbureau is in dit kader verantwoordelijk voor de
integriteit van de berichten die het doorgeeft aan burgemeester en
wethouders en voor de juistheid van de eigen administratie.
De situatie dat het Inlichtingenbureau in
opdracht van alle gemeenten met bepaalde
instanties kan communiceren, dient uiterlijk eind 2003 gerealiseerd te
worden. Door toevoeging van het Inlichtingenbureau aan artikel
122, zesde lid, wordt het voor het bureau mogelijk met de instanties
waarmee het gegevens uitwisselt af te spreken hoe wijzigingen in eerder
aangeleverde gegevens worden doorgegeven. Dit mutatieverkeer wordt het
"abonnement" genoemd. Met het nieuwe achtste lid van artikel
122 wordt geregeld dat instanties door het Inlichtingenbureau
verstrekte gegevens opslaan van personen die op het moment waarop het
bureau bij die instanties inlichtingen vraagt, daar nog onbekend zijn.
Op deze manier kunnen burgemeester en wethouders namelijk via het
Inlichtingenbureau direct worden geïnformeerd op het moment dat deze
personen alsnog in de administratie van de instantie worden opgenomen:
het "pre-abonnement". Hiermee wordt een herhaalde uitvraag van
inlichtingen overbodig; dit zal de doelmatigheid van
gegevensuitwisseling via het Inlichtingenbureau doen toenemen, hetgeen
resulteert in een effectievere bestrijding van mogelijk misbruik en een
snellere dienstverlening ten behoeve van gemeenten en
uitkeringsgerechtigden. Omdat deze wijze van rblz.|39|
handelen afwijkt van de normale praktijk dat door instanties alleen
gegevens worden opgeslagen van personen in het kader van hun eigen
taakuitoefening, wordt bepaald dat een pre-abonnement alleen is
toegestaan bij uitdrukkelijk bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen instanties. Hiermee wordt gewaarborgd dat steeds met redenen
wordt onderbouwd waarom bij deze instantie pre-abonnementen zijn
toegestaan en kan hierop beter toezicht worden gehouden. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met als
doel ervoor te zorgen dat (a) de gegevens van personen in dit kader op
een zodanige manier worden opgeslagen dat zij niet onbevoegd kunnen
worden benaderd en (b) de gegevens ook slechts zolang als doelmatig is,
worden bewaard. Dit alles gebeurt uiteraard met het oog op de
bescherming van persoonsgegevens.
In het tweede lid van artikel
122 wordt aangegeven dat het Inlichtingenbureau een eigen
administratie voert. In deze administratie worden niet meer gegevens
opgenomen dan doelmatig is gezien de taken van het bureau. Door het
Inlichtingenbureau in artikel 126 op te
nemen, wordt bewerkstelligd dat het bureau in de administratie het
sociaal-fiscaal nummer kan opslaan, zodat bij de geautomatiseerde
uitwisseling van gegevens tussen gemeenten en andere instanties hiervan
gebruik kan worden gemaakt.
X
Met
de invoeging van een nieuw tweede lid in artikel
130 wordt geregeld dat het toezicht op de uitvoering van deze
wet, net als dat op de bij of krachtens de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of enige andere
wet aan de CWI-organisatie, het UWV
of de SVB
opgedragen taken, door de Inspectie Werk en Inkomen
wordt uitgeoefend. De wijziging van het eerste lid - het vervangen van
"belast met" door "verantwoordelijk voor" - hangt
daarmee logisch samen. Dit betekent overigens niet dat de
toezichtrelatie van de Minister van SZW
met de gemeenten, die de Algemene bijstandswet
(Abw) in medebewind uitvoeren, daarmee inhoudelijk anders wordt.
De Abw verschaft de Inspectie al de nodige
instrumenten om haar taken uit te oefenen. Voor de bevoegdheid, bedoeld
in artikel 26 [42], vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (zie hieronder), geldt dit echter niet. Met het
oog daarop en voor de duidelijkheid is er daarom voor gekozen de
artikelen over de Inspectie Werk en Inkomen in laatstgenoemde
wet, behoudens artikel 27 [43], van
overeenkomstige toepassing te verklaren. Dit betekent dat deze
bepalingen ook voor de Abw gelden, voor zover dat ten minste past in
hetgeen in de wet geregeld wordt en in de toezichtrelatie
minister-gemeenten. Aangezien artikel 27 [43]
- over kennisgeving van besluiten - niet in deze relatie past, wordt een
expliciete uitzondering voor deze bepaling gemaakt.
Verder kan, bijvoorbeeld, in de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) en in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik), artikel 26 [42], vierde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen geen rol spelen, omdat in
deze wetten geen taken worden uitbesteed aan reïntegratiebedrijven. In
deze bepaling wordt namelijk de mogelijkheid geregeld tot nader
onderzoek naar de besteding van publieke reïntegratiemiddelen, waarbij
met name van belang is de uitvoering door reïntegratiebedrijven waaraan
taken zijn uitbesteed (zie ook de artikelen 111
en 118, eerste lid, onderdeel
c, zoals voorgesteld in de onderdelen P
en
R van dit artikel).
Y
Door "kosteloos" aan artikel 132,
eerste lid, toe te voegen, wordt deze bepaling afgestemd op
vergelijkbare bepalingen in deze wet (artikel
130, tweede lid, over de verantwoordingsinformatie) en andere wetten
(de rblz.|40|
beleids- en verantwoordingsinformatiebepalingen in de Wik,
de Wiw en de
Wsw) en de situatie in de praktijk.
Artikel
77. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers
B
Het
nieuwe artikel 11a komt op
hoofdlijnen overeen met het nieuwe
artikel 63a in de Abw. Het
eerste lid betreft de hoofdregel voor het indienen van aanvragen van een
uitkering op grond van deze
wet, namelijk bij de CWI-organisatie. Op
grond van het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur categorieën van aanvragen worden aangewezen die in afwijking
van de hoofdregel rechtstreeks bij burgemeester en wethouders moeten
worden ingediend. De bedoeling van het derde lid is om het voor gemeenten
mogelijk te maken om categorieën van aanvragen die, gezien het tweede
lid, eigenlijk bij burgemeester en wethouders ingediend moeten worden,
toch bij de CWI-organisatie in te laten dienen. Zie verder de toelichting
bij onderdeel E van de Abw.
C
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 65
van de
Abw. Zie hierover de toelichting bij onderdeel F
van de Abw.
D
en
H
Deze wijzigingen komen overeen met de wijzigingen van de artikelen 66
en
71 van de Abw. Zie hierover de toelichting
bij de onderdelen G en K van de Abw.
E
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel
68, eerste lid, van de Abw. Zie
hierover de toelichting bij onderdeel H van de Abw.
F,
I, J,
L en M
Deze wijzigingen komen overeen met de wijzigingen van de artikelen
14, 14a, 69,
78c en 85
van de
Abw. Zie hierover de toelichting bij de
onderdelen B, C, I, M en N van de Abw.
G
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel
70, vierde lid, van de Abw. Zie
hierover de toelichting bij onderdeel J van de Abw.
N
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel
111, tweede lid, van de Abw. Zie
hierover de toelichting bij onderdeel P van de Abw.
P
De
invoeging van het nieuwe onderdeel c komt overeen met de
wijziging van artikel 118, eerste lid, van de Abw.
Zie hierover de
toelichting bij onderdeel R van de Abw. Het
nieuwe onderdeel d wordt ingevoegd in verband met het belang
dat, gezien het algemene deel van de memorie van
toelichting bij zowel de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen als - meer specifiek - deze Invoeringswet,
in de nieuwe rblz.|41|
uitvoeringsstructuur aan cliëntenparticipatie gehecht wordt. De andere
wijziging is van puur technische aard.
Q
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel
120, derde lid, van de Abw. Zie
hierover de toelichting bij onderdeel S van de Abw.
R,
S, T
en
U
Deze wijziging komen overeen met de wijzigingen van de artikelen
122, 123, 125
en 126
van de
Abw. Zie hierover de toelichting bij de
onderdelen T, U, V en W van de Abw.
U
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel 130
van de
Abw. Zie hierover de toelichting bij onderdeel X
van de Abw.
V
Deze wijziging komt overeen met de wijziging van artikel
132, eerste lid, van de Abw. Zie
hierover de toelichting bij onderdeel Y van de Abw.
Artikel
78. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
De
wijzigingen van deze wet komen overeen met
de wijzigingen van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw). Zie hierover de toelichting
op de Ioaw.
Artikel
79. Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz
Deze wijzigingen zijn van puur technische aard en zijn het gevolg van de
vernummering van de leden van de artikel 130
van de
Abw, en artikel 52
van zowel de Ioaw als de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). Zie hiervoor de
toelichting bij onderdeel X van de Abw.
Artikel
80. Wet sociale
werkvoorziening
Met
de wijzigingen van de artikelen 13 en 14
(onderdelen D en E)
wordt geregeld dat het toezicht op de uitvoering van deze wet
door de
Inspectie Werk en Inkomen
wordt uitgeoefend, wordt het zogenoemde verantwoordingsverslag opgenomen
en worden deze bepalingen en de toezichts- en de
beleidsinformatiebepalingen in de Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw), de Abw, de Ioaw,
de
Ioaz en de Wik
geharmoniseerd. De uitoefening van het toezicht door de Inspectie Werk
en Inkomen wordt nader toegelicht bij onderdeel X van
de Abw; de veranderingen in het toezicht, met name het opnemen van
het verantwoordingsverslag, worden toegelicht bij onderdeel
L van de Wiw.
De overige wijzigingen (onderdelen
A, B, C
en
F) zijn van technische aard en betreffen
vooral het feit dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie niet meer bestaat en de daarmee
samenhangende andere verantwoordelijkheidsverdeling. Dit laatste komt
overigens meer tot uitdrukking in de in artikel 82 [artikel
81, red.] opgenomen wijziging van de Wiw.
rblz.|42|
Artikel
81. Wet
inschakeling werkzoekenden
B
De
gemeentelijke reïntegratieverantwoordelijkheid wordt in het kader van
SUWI uitgebreid met niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een
uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Aangezien deze groepen reeds in de vigerende omschrijving van de
algemene gemeentelijke zorgplicht van artikel 2
zijn begrepen, kan op dit punt met een beperkte nadere explicitering
worden volstaan. Voor zover het arbeidsgehandicapte
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-gerechtigden betreft, wordt de
gemeentelijke verantwoordelijkheid geregeld in het - te wijzigen - artikel 12
van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
(Wet Rea; zie artikel 57, onderdeel J, van dit
wetsvoorstel), dat doorwerkt naar de artikelen 13a
en 13b
van deze
wet, waarbij ook verwezen wordt naar de doelgroep zoals die in artikel 12,
eerste lid, van de Wet Rea
wordt aangeduid (zie de onderdelen J
en
K). De niet-uitkeringsgerechtigden
dienen wel geregistreerd te zijn als werkzoekenden bij de CWI-organisatie.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om expliciet aan te geven dat ook
personen met een kortdurende werkloosheid binnen de reikwijdte van de
gemeentelijke zorgplicht vallen. Deze wijziging hangt samen met de
intrekking van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, waardoor de reïntegratie
van werklozen en uitkeringsgerechtigden, niet zijnde de personen waaraan
het UWV
werknemersverzekeringen verstrekt, exclusief een verantwoordelijkheid
van gemeenten is geworden. De gekozen
herformulering met betrekking tot de gemeentelijke zorgplicht kan
evenmin los worden gezien van het beleid met betrekking tot de sluitende
aanpak. Sinds 1999 werkt Nederland aan de sluitende aanpak van de nieuwe
werkloosheid. Werklozen die er niet in slagen zelf aan het werk te
komen, moeten binnen twaalf maanden een aanbod krijgen dat de kans op
werk vergroot. Achterliggende gedachte is dat langdurige werkloosheid
kan worden voorkomen. De gemeenten hebben hierin een belangrijke taak,
die met het instrumentarium van deze wet
kan worden ingevuld.
Het eerste lid is zodanig geredigeerd dat
personen die een uitkering van het UWV ontvangen, buiten de
gemeentelijke zorgplicht vallen. Daarvoor is gekozen omdat de
verantwoordelijkheid voor deze doelgroep niet bij de gemeente, maar bij
het UWV ligt (vergelijk de verantwoordelijkheidsverdeling bij de Wet Rea).
Dit neemt niet weg dat gemeenten wel degelijk deze personen een aanbod
kunnen doen. Veelal zal dit gestalte krijgen via een inkooprelatie met
het UWV, dat immers niet zelf over het in deze wet opgenomen
instrumentarium beschikt (zie bijvoorbeeld artikel 73
van de WW).
Voorts wordt nu aan de gemeente de verplichting
opgelegd zorg te dragen voor doeltreffende voorlichting in de gemeente
aangaande de voorzieningen van deze wet (het derde lid). Deze taak is
opgenomen omdat dit een vereiste wordt geacht om een evenwichtige
benadering met betrekking tot de rechten en plichten van cliënten tot
stand te brengen. De Abw bevat reeds een
overeenkomstige bepaling inzake voorlichting aangaande de verlening van
bijstand (artikel
119). Ook de zinsnede die betrekking heeft op de realisatie en
vormgeving van cliëntenparticipatie impliceert een analogie met de Abw,
zij het dat het in de Abw aan het in
artikel 118 vervatte beleidsplan en beleidsverslag is gerelateerd.
In het onderhavige artikellid wordt de vorm vrijgelaten. De gemeente kan
desgewenst aansluiten bij het beleidsplan en beleidsverslag Abw. De
vormgeving van cliëntenparticipatie kan voor de verschillende
categorieën binnen de populatie van deze wet uiteenlopen, dit eveneens
ter beoordeling aan de gemeente. Via de Wet
op de ondernemingsraden is voor personen met een dienstbetrekking
en werkervaringsplaats op grond van deze wet reeds in medezeggenschap
voorzien.
rblz.|43|
In het vierde lid van artikel 2 is nu
geregeld dat de gemeente de verplichting heeft een trajectplan op te
(laten) stellen aan de persoon die een Anw-uitkering heeft of de persoon
die geen uitkering heeft en voor de reïntegratieactiviteiten onder de
verantwoordelijkheid van de gemeente valt. In het algemeen deel van deze
toelichting (paragraaf 4.6.1) wordt in het kader
van de rechten en plichten van cliënten uitvoerig ingegaan op de
"contractgedachte"; zie verder ook de toelichting
op onderdeel J van de Abw
(artikel
70).
E
Omdat de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor reïntegratie zich
uitstrekt tot personen die van het UWV
een uitkering ontvingen (ex-WW-ers bijvoorbeeld)
of van de
SVB ontvangen, is samenwerking van belang. In
relatie met het UWV kan het om overdracht van personen gaan waarvoor al
eerder een reïntegratietraject is gestart. Artikel 7
ziet vooral op deze samenwerking, die bij algemene maatregel van bestuur
nog nader vorm kan krijgen.
F
In
het gewijzigde artikel 8 wordt tot
uitdrukking gebracht op welke wijze gemeenten
uitvoering geven aan de in deze
wet vervatte reïntegratietaak. Overeenkomstig de vigerende wet is
in het eerste lid verwoord dat de gemeente een rechtspersoon kan
aanwijzen voor de uitvoering van deze wet. Hierbij wordt gedoeld op
rechtspersonen waarbij de gemeente via oprichting of deelname zelf
betrokken is. In verband met de mandaatverlening die daarbij aan de orde
kan zijn (bijvoorbeeld aangaande het aangaan van dienstbetrekkingen of
het toekennen van voorzieningen), vergt dit een aanwijzingsbesluit
waarin de rechtsbetrekking tussen de gemeente en de betrokken
rechtspersoon wordt geregeld. Indien nodig kunnen hieromtrent bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld.
Het tweede lid beoogt aan te geven dat de
gemeente feitelijke reïntegratiewerkzaamheden (waarbij het met name zal
gaan om werkzaamheden die samenhangen met de uitvoering van de artikelen 3
en 13a
van deze
wet: dus scholing en andere activiteiten die de persoon geschikt
maken voor toetreding tot de arbeid op korte of lange termijn) zoveel
mogelijk uitbesteedt aan derde partijen, niet zijnde de gemeente zelf of
een door de gemeente opgerichte rechtspersoon. In dat licht moet ook de
beperking worden gezien die in het eerste lid is aangebracht, namelijk
dat de aanwijzing van een (gemeentelijke) rechtspersoon slechts
betrekking kan hebben op taken in verband met de dienstbetrekkingen en
de toekenning van subsidies en voorzieningen.
G
In
het eerste lid van artikel 9 komt de
medeverantwoordelijkheid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor het vaststellen van een
traject voor jongeren te vervallen. In de huidige situatie is al sprake
van een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente,
maar moet deze in samenwerking met Arbeidsvoorziening een traject
(laten) opstellen gericht op inschakeling in het arbeidsproces. In de
nieuwe redactie wordt volstaan met het benoemen van de gemeentelijke
verantwoordelijkheid; de verantwoordelijkheid van de CWI-organisatie
hierin bestaat uit de toeleiding van werkloze jongeren naar de gemeente,
waarbij een reïntegratieadvies wordt gevoegd. Dit is een reguliere taak
van de CWI-organisatie op grond van artikel 14 [26]
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, die overigens verder strekt
dan de populatie jongeren. De afstemming van de CWI-taak op de
gemeentelijke taak kan plaatsvinden in het kader van de samenwerking op
grond van
artikel 7 (zie onderdeel E).
rblz.|44|
Verder is het eerste lid afgestemd met de vergelijkbare bepalingen van
andere wetten, met als belangrijkste gevolg dat
er twee zinnen worden toegevoegd die vorm moeten geven aan de
"contractgedachte"; zie hierover het algemeen deel van deze
toelichting (paragraaf
4.6.1) en de toelichtingen op onderdeel B van deze wet
(artikel
2, vierde lid) en onderdeel J van de Abw (artikel 70).
L
en
M
De artikelen 20
en 21 zijn gewijzigd in verband met de
wijzigingen in het toezicht en de harmonisatie van deze bepalingen en de
toezichts- en de beleidsinformatiebepalingen in de Wsw,
de Abw, de
Ioaw, de Ioaz en
de Wik. Geregeld wordt dat het toezicht op de
uitvoering van
deze wet, net als dat op de bij of krachtens de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen of enige andere wet aan de CWI-organisatie,
het
UWV of de SVB
opgedragen taken, door de Inspectie Werk en Inkomen
wordt uitgeoefend. Dit betekent overigens niet dat de toezichtsrelatie
van de
Minister van SZW met de gemeenten, die
deze wet in medebewind uitvoeren, daarmee inhoudelijk anders wordt. In
de toelichting bij onderdeel X van de Abw wordt
hier nader op ingegaan, evenals op het van overeenkomstige toepassing
verklaren van de artikelen over de inspectie in de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
In dit wetsvoorstel
wordt ook de verplichting tot het opstellen van een verslag over de
uitvoering door burgemeester en wethouders aan de minister opgenomen.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het voornemen opgenomen in een
brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
betreffende voornemens tot deregulering van het werkdeel van het Fonds
werk en inkomen (Kamerstukken II 1999-2000, 27 081, nr. 8). Hierin is
onder andere aangekondigd dat net als voor de Abw, de Ioaw en de Ioaz,
ook in de Wiw verantwoordingsverslag zal
worden ingevoerd. Overigens zal dit ook voor de Wsw
en de Wik het geval zijn. Het verslag over de uitvoering van de Wiw
(jaarlijks vast te stellen bij ministeriële regeling) moet worden
vergeleken met het verslag dat burgemeester en wethouders over de
uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz opstellen. In de memorie
van toelichting bij het voorstel van Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz
(Kamerstukken II 1999-2000, 27 081, nr. 3, blz.
16 e.v.) zijn achtergrond, doel en functie van dit verslag destijds
toegelicht. Deze gelden ook voor het verslag over de uitvoering van de
Wiw. Bij het implementatietraject wordt aangehaakt bij de afspraken die
daarover met de VNG in het Abw-traject
zijn gemaakt. Getracht zal worden de verslagen over de uitvoering van de
Abw en aanverwante wetten (het inkomensdeel) met de
verantwoordingsverslagen van de Wiw en de Wsw (het werkdeel) zoveel
mogelijk af te stemmen en/of te combineren.
Opgemerkt wordt nog dat de verantwoording van
de subsidiebesteding (de jaaropgave) onderdeel is van het verslag over
de uitvoering van de Wiw.
Artikel
82. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars
Met
de wijzigingen van artikel 33 (onderdeel
B) wordt geregeld dat het toezicht op de uitvoering van deze wet
door de
Inspectie Werk en Inkomen wordt
uitgeoefend, wordt het zogenoemde verantwoordingsverslag opgenomen en
worden de toezichts- en de beleidsinformatiebepalingen van deze wet en
de vergelijkbare bepalingen in de Wsw, de
Wiw, de Abw, de Ioaw
en de
Ioaz geharmoniseerd. De uitoefening van het
toezicht door de Inspectie Werk en Inkomen wordt nader toegelicht bij onderdeel
X van de Abw; de veranderingen in het toezicht, met name het opnemen
van het verantwoordingsverslag, worden toegelicht bij onderdeel
L van de Wiw. rblz.|45|
De wijzigingen van artikel 36 (onderdeel
C) hangen samen met die van
artikel 33. De aanpassing van artikel 15
(onderdeel A) is van technische aard.
Artikel
83. Wet
stimulering arbeidsdeelname minderheden
De
wijzigingen van deze wet zijn op zich van technische aard, zij het dat
ervoor gekozen is om "het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening (RBA)" telkens te vervangen door
"het Centrum voor
werk en inkomen" en niet door "de Centrale organisatie werk en
inkomen". De reden hiervoor is dat in de artikelen 6 en 8 - in
verband met neerlegging van het jaarverslag - steeds gedoeld wordt op
het RBA, "in welks werkgebied de onderneming feitelijk is
gevestigd"; terwijl in artikel 10 - in verband met mededeling over
het niet nakomen van verplichtingen - verwezen wordt naar het RBA,
"in het werkgebied waar de onderneming van de werkgever feitelijk
is gevestigd". In beide situaties is duidelijk dat dit in de nieuwe
uitvoeringsstructuur bij het (decentrale) CWI moet gebeuren en niet bij
de (centrale) CWI-organisatie.
Artikel
84. Wet allocatie
arbeidskrachten door intermediairs
D
Artikel 20
van
deze wet stelt tegen besluiten op
grond van die wet van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
beroep open op het
College van Beroep
voor het bedrijfsleven (CBB). Als gevolg van de in paragraaf 5
van het algemeen deel van deze memorie beschreven keuze voor de
rechtsgang rechtbank en
Centrale Raad van Beroep dient dit artikel te vervallen. Zie voor
de hiermee verband houdende wijziging van de bijlage
bij de Beroepswet
artikel 93, onderdeel E, alsmede de toelichting
daarbij. De overgang van bij het CBB aanhangige zaken is geregeld in artikel 31
van dit
wetsvoorstel.
Artikel
86. Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
De
wijzigingen van dit besluit zijn op
zich van technische aard, zij het dat ervoor gekozen is om "de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening" steeds te vervangen door "de Centrale organisatie werk en
inkomen". Op grond van artikel 12 [24],
tweede lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen kan de
CWI-organisatie bepalen dat één of meer van haar wettelijke taken
worden uitgevoerd in één of een beperkt aantal CWI’s.
De CWI-organisatie kan met betrekking tot artikel 6
in de nieuwe uitvoeringsstructuur dus dezelfde (of een andere) regionale
indeling als de huidige hanteren.
Artikel
88. Wet op de
ondernemingsraden
Onderdeel d van artikel 27 van de Wet
op de ondernemingsraden heeft betrekking op het instemmingsrecht
van de ondernemingsraad op het gebied van het arbeidomstandighedenbeleid
en het ziekteverzuimbeleid. Dit omvat ook de keuze van de arbodienst en
het pakket van dienstverlening van de arbodienst. Met de toevoeging van
reïntegratiebeleid (onderdeel
A) wordt beoogd te regelen dat de ondernemingsraad instemmingsrecht
krijgt als het gaat om de inhoud van het beleid, de keuze van het
reïntegratiebedrijf en de duur gedurende welke de werkgever
verantwoordelijk wil blijven voor de reïntegratie van zijn
arbeidsgehandicapte werknemers nadat het dienstverband is verbroken. Met
de invoering van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de
verantwoordelijkheid van de werkgever voor het reïntegratiebeleid
uitgebreid. De werkgever wordt in het kader van zijn verzuimbeleid
verantwoordelijk rblz.|46|
voor de reïntegratie van zijn werknemers naar passende arbeid binnen
zijn eigen onderneming en de onderneming van een andere werkgever. Dit
geldt niet alleen voor de duur van de dienstbetrekking, maar kan naar
keuze van de werkgever ook gelden na einde van de dienstbetrekking in
het totaal voor zes jaar na aanvang van de arbeidsongeschiktheid. In artikel 8
van de Wet Rea
wordt geregeld dat de werkgever dit beleid aan het UWV
moet melden. Óf de werkgever die verantwoordelijkheid wil nemen en voor
hoelang, is een zo wezenlijk onderdeel van het reïntegratiebeleid van
de werkgever dat dit onder het instemmingsrecht komt te vallen.
Hoewel de werkgever wel verantwoordelijk is
voor het reïntegratiebeleid, zal hij de uitvoering van de daarmee
gepaard gaande werkzaamheden dienen uit te besteden. Dit kan bij een
arbodienst, maar ook bij een reïntegratiebedrijf. De keuze voor het
reïntegratiebedrijf valt ook onder het instemmingsrecht.
Tot slot heeft het reïntegratiebeleid niet
alleen betrekking op de arbeidsongeschikte werknemers, maar ook op
werknemers die dreigen hun arbeid te verliezen of deze al verloren
hebben. Artikel 70 van de WW
biedt de mogelijkheid dat de werkgever subsidie kan krijgen om zelf de
reïntegratieactiviteiten die deze wet biedt te laten uitvoeren. Het
betreft dan scholingsactiviteiten, het laten opstellen van
bemiddelingsadvies en trajectplannen en de toeleiding naar andere arbeid
met voorzieningen. Het besluit van de werkgever om deze middelen aan te
vragen, is een onderdeel van het reïntegratiebeleid, dat ook onder het
instemmingsrecht valt.
Artikel
89. Noodwet
Arbeidsvoorziening
Deze wet is met name in technische zin aangepast. De Noodwet
Arbeidsvoorziening geeft regels met betrekking tot de arbeid ten
behoeve van de volkshuisvesting, de landsverdediging en de
overheidsdienst voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar, daaraan
verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden. In de
wet is de taak van het Hoofd Arbeidsvoorziening
neergelegd bij daartoe door de
minister aan te wijzen functionarissen van
de CWI-organisatie. Daar waar in
deze wet
een taak is neergelegd bij de Regionale Directeuren voor de
Arbeidsvoorziening is voorzien in de mogelijkheid deze neer te
leggen bij functionarissen van de CWI’s.
Artikel 52a, dat handelt over
rijksvergoeding van kosten die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
maakt ter uitvoering van deze wet, kan vervallen. Deze kosten zijn
immers uitvoeringskosten van de CWI-organisatie die ingevolge artikel 28
[44] jo.
artikel 1, onderdeel
i, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
ten laste komen van de daartoe toegekende rijksbijdrage.
Artikel
90. Wet
financiering loopbaanonderbreking / Artikel
91. Wet
arbeid en zorg
Onderdeel van het voorstel van Wet arbeid en zorg
is dat de regeling van de financiering van de loopbaanonderbreking in de
Wet arbeid en zorg opgenomen wordt en dus de Wet financiering loopbaanonderbreking
wordt ingetrokken. Als de Wet arbeid en zorg eerder in werking treedt
dan de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan hoeft artikel
90 niet in werking te treden en moet alleen de Wet arbeid en zorg
worden gewijzigd; mocht laatstgenoemde wet echter later in werking
treden, dan zal eerst de Wet financiering loopbaanonderbreking en later
alsnog de Wet arbeid en zorg gewijzigd moeten worden. Overigens zijn
alle wijzigingen van beide wetten van puur technische aard.
rblz.|47|
§
2. Justitie
Artikel
92. Algemene wet bestuursrecht
Evenmin als thans Awb-beroep mogelijk is
tegen besluiten die de ontslagcommissie op grond van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 neemt inzake voorgenomen ontslag van
personeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
dient dat het geval te zijn ten aanzien van besluiten die deze commissie
neemt gedurende de overgangsperiode als voorgesteld in de artikelen 40 tot en
met 42 van dit
wetsvoorstel; derhalve worden deze besluiten aan de bijlage,
bedoeld in
artikel 8:5 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd.
Door de vermelding van de Wet
melding collectief ontslag op de bijlage
bij de Awb
wordt bereikt dat tegen besluiten van de Centrale organisatie werk en
inkomen op grond van die wet geen bestuursrechtelijke
rechtsbescherming openstaat. Dit bewerkstelligt overeenstemming met
hetgeen geldt ten aanzien van besluiten inzake toestemming voor ontslag
op grond van artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
(vermeld onder
F, onderdeel 1, van deze bijlage). De
Wet melding collectief ontslag komt thans op de bijlage bij de Awb niet
voor, zodat de Awb-rechtsgang ter zake van toepassing is; deze
rechtsgang is overigens voor zover bekend in de praktijk nog nimmer
gevolgd.
Artikel
93. Beroepswet
A
Onderdeel 11b van de bijlage noemt
thans de artikelen 4, tweede lid, en 81a van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996; met de intrekking van die wet dient dit
onderdeel te vervallen. De genoemde artikelen betroffen besluiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
op het terrein van de reïntegratie; daarvan is in de nieuwe opzet bij
de Centrale organisatie werk en
inkomen geen sprake. Voor zover het betreft subsidiebesluiten met
betrekking tot reïntegratie op grond van de subsidieregeling, bedoeld
in artikel 9 [20] van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, zal de rechtsgang
gelden die voor die wet in zijn geheel
wordt voorgesteld, zoals aangegeven bij C
hieronder (rechtbank
en
CRvB).
B
Onderdelen 15 en 16 van de bijlage
vermelden thans de Invaliditeitswet en de Liquidatiewet
invaliditeitswetten; deze wetten worden bij artikel
131, onderdeel a en c, van dit wetsvoorstel
ingetrokken.
C
Zoals uiteengezet in paragraaf 5 van het algemeen
deel van deze memorie is ervoor gekozen de rechtsbescherming voor alle
besluiten op grond van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, door welk van
de daarin geregelde bestuursorganen dan ook genomen, onder de rechtsgang
van de Awb te brengen, met als
hogerberoepsinstantie de
Centrale Raad van Beroep. Dit laatste wordt
bereikt door vermelding van de wet op de
bijlage C bij de Beroepswet. Het hiervoor gebruikte volgnummer (33)
wordt vacant als gevolg van de intrekking van de daarbij thans genoemde
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.
rblz.|48|
D
Op
grond van artikel 9 van de WVA verstrekt de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie (straks: de Centrale organisatie werk en
inkomen) de zogenaamde verklaring langdurig werkloze, die is vereist
voor de afdrachtvermindering loonbelasting en premie volksverzekeringen.
Ingevolge artikel 30 van de WVA staat tegen
besluiten ter zake thans beroep open bij het CBB;
door de vermelding van genoemd artikel van de WVA
op de bijlage bij de Beroepswet
wordt ook hiervoor de rechtsgang
rechtbank en CRvB. Zie overigens voor
de aanpassing van die wet artikel
119 van paragraaf 5 (Financiën) van hoofdstuk 4
van dit
wetsvoorstel.
E
Hoewel de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs
(Waadi) een aflopend karakter heeft en bovendien voor zover bekend
nimmer beroepen op grond van die wet bij het CBB
aanhangig zijn gemaakt, wordt voor de goede orde niettemin ook voor die
wet voorzien in aanpassing van de rechtsgang (van CBB naar rechtbank
en CRvB). Het betreft hier besluiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(straks: de
Centrale organisatie werk en inkomen) inzake
vergunning voor arbeidsbemiddeling. Zie in dit verband ook artikel
84, onderdeel D.
§
3. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel
99. Ambtenarenwet
B
Onderdeel o van artikel 2 van de Ambtenarenwet
noemt de voorzitter en de leden van het bestuur van de SVB.
In verband met het feit dat deze bestuurders nog tot 1 januari 2003
zitting zullen hebben (zie ook de toelichting bij artikel 16 van
hoofdstuk 2, betreffende het ontslag van alle zittende functionarissen),
zal de inwerkingtreding van dit onderdeel ook pas per die datum
plaatsvinden.
Artikel
100. Wet
privatisering ABP
Dit
onderdeel verwijst naar werknemers die in dienst zijn van een
privaatrechtelijk lichaam dat tot doel heeft ondersteuning
volwasseneneducatie en werkzaam zijn bij een privaatrechtelijke
ondersteuningsinstelling waarvan de personeelskosten voor ten minste 51
procent door de overheid dan wel uit middelen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden vergoed. Vervallen is de
verwijzing naar de middelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In de
SUWI-structuur zullen niet rechtstreeks middelen bestemd voor
arbeidsvoorziening worden ingezet voor deze instellingen.
Artikel
104. Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
G, H
en J
De artikelen 87,
tweede lid, 88,
91 en 92
van de OOW kunnen vervallen als gevolg van
het verdwijnen van de uvi’s.
Bij
de formulering van de verschillende wijzigingen is uitgegaan van de
tekst van de wet zoals die zal luiden na de inwerkingtreding van de
Aanpassingswet OOW (Kamerstukken II 1999-2000, 27 093).
rblz.|49|
Artikel
107.
Remigratiewet
C
Bij
de Wet van 16 september 1999, Stb. 1999, 426, is in de Remigratiewet
een aantal bepalingen met betrekking tot de uitvoering van die wet door
de Sociale
verzekeringsbank opgenomen. Het daarbij ingevoegde artikel 8j,
eerste lid, regelt specifiek welke onderdelen van de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 daarbij niet van toepassing zijn. De thans
voorgestelde nieuwe tekst vermeldt de daarmee overeenkomende onderdelen
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen. Toegevoegd zijn twee artikelen van de Kaderwet ZBO's,
namelijk de artikelen 14 en 16, respectievelijk betreffende de
inlichtingenplicht jegens de minister
en de taakverwaarlozingsbepaling, onderwerpen die niet in de Wet SUWI
zijn geregeld.
§
5. Financiën
Artikel
118. Wet vermindering afdracht
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
[zie
art. 119 ISUWI, red.]
D.
[Zie
art. 119, onderdeel D, ISUWI, red.]
Zoals in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze
memorie is uiteengezet, is ervoor gekozen de rechtsgang inzake besluiten
van de
Centrale organisatie werk en inkomen te laten
zijn: rechtbank en
Centrale Raad van Beroep. Dit brengt mee
dat in artikel 30 van de
Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA) besluiten van deze organisatie moeten worden uitgezonderd van het
overigens daar opengestelde beroep op het CBB;
dit is geschied door wijziging van het derde lid. Door het nieuwe zesde
lid van dit artikel wordt bereikt dat de uitzondering van het Awb-beroep
van besluiten op grond van een belastingwet (artikel 8:4,
onderdeel g, van de
Awb) voor deze categorie van besluiten niet geldt. Ten slotte wordt
door de vermelding van artikel 9 WVA
op de bijlage bij de
Beroepswet
erin voorzien dat hoger beroep openstaat bij de CRvB (zie daarvoor artikel
93, onderdeel D, van paragraaf 2 (Justitie) van hoofdstuk 4
van dit
wetsvoorstel).
4.
Overige bepalingen
Artikel
126. Wijziging in verband met
voorstel van Wet verbetering poortwachter
De
wijzigingen in dit artikel hebben betrekking op de artikelen die met de Wet verbetering poortwachter
aan de WAO, en het BW en de
Wet
terugdringing ziekteverzuim (gelijke bepaling als in het BW in
verband met de loondoorbetaling van de overheidswerkgever bij ziekte)
zijn toegevoegd en waarin verwezen werd naar een taak van het Lisv
en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Artikel
127.
Regelgevende
bevoegdheden t.b.v. invoering
Zoals in de toelichting bij artikel 2 al is
uiteengezet, bestaat behoefte aan ruime mogelijkheden voor het treffen
van bijzondere overgangsrechtelijke regels. Het eerste en het tweede lid
van dit artikel zien op zodanige regels betreffende de financiering en
verantwoording; deze kunnen niet alleen betrekking hebben op de
desbetreffende bepalingen van de Wet SUWI,
maar ook op de toepasselijke artikelen van de Kaderwet ZBO's die
handelen over die onderwerpen (jaarverslag; begroting; jaarrekening;
accountantsverklaring). De bepaling maakt onder meer geleidelijke
invoering rblz.|50|
mogelijk, zo nodig over meer jaren gespreid, voor wat betreft de
nakoming van verplichtingen die zijn gebonden aan data die ten opzichte
van de huidige wetgeving nogal zijn vervroegd. Het derde lid bevat een
algemene bevoegdheid ten behoeve van invoeringsregelen. Op grond van het
vierde lid kan de
minister bovendien financiële compensatie
bieden voor kosten die bij invoering van de nieuwe situatie tot een
ongewenst te achten nadeel voor de "ontvangende partij" zouden
leiden.
Artikel
128. Regels voor overgang verantwoordelijkheid reïntegratie
Deze wet heeft tot gevolg dat de verantwoordelijkheid voor de
reïntegratie van met name arbeidsgehandicapten wijzigt. Er zullen
echter al veel reïntegratietrajecten lopen op de datum van
inwerkingtreding van de Wet SUWI. Dit artikel
voorziet erin dat daarvoor nadere regels worden gesteld, die erop neer
zullen komen dat door de uvi’s
reeds in gang gezette trajecten zullen worden voortgezet door het UWV
en dus niet zullen worden overgenomen door de werkgever. De bepaling
ziet in beginsel op alle overgangssituaties bij
reïntegratieactiviteiten (zie ook paragraaf 4.2
van het algemene deel van deze toelichting). De ministeriële regels
kunnen ook betrekking hebben op de gegevensverstrekking (overdracht van
dossiers e.d.) die in verband met de hier bedoelde overgang noodzakelijk
is. De bevoegdheid hiertoe, met inbegrip van het gebruik daarbij van het
sofinummer, vloeit voort uit de algemene bevoegdheid tot onderlinge
gegevensuitwisseling van de betrokken uitvoerders die nodig is voor de
uitvoering van "enige wet"; daaronder is begrepen deze Invoeringswet.
Het tweede lid maakt het mogelijk te regelen dat bepaalde kosten ten
laste komen van het Reïntegratiefonds. Dit is vooral aan de orde indien
het UWV met de uitvoering belast blijft. Dit sluit overigens niet uit
dat de rijkssubsidie in verband hiermee ook verhoogd kan worden.
Artikel
129.
Benadelingshandelingen
Met
dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de aankondiging die is gedaan
in de brief van 23 november 1999 aan de uvi’s,
de holdings en de stichtingen A, bedoeld in het Besluit voorwaarden
erkenning uitvoeringsinstelling (Stb. 1997, 803), alsmede in de
nota van toelichting bij het besluit tot wijziging van genoemd besluit
(Besluit van 14 oktober 2000, Stb. 2000, 459, in werking getreden
1 november 2000). De nietigheid van een rechtshandeling als hier bedoeld
kan (in en buiten rechte) worden ingeroepen op de grond dat deze de
(publieke) belangen van de genoemde instellingen benadeelt. Daarbij moet
in het bijzonder worden gedacht aan rechtshandelingen die de
ontvlechting tussen de A- en de B-poot bemoeilijken zowel vóór als na
de overdracht van de aandelen aan de Stichting Voorbereiding
Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen. Rechtshandelingen in het
kader van de normale bedrijfsuitoefening zullen in het algemeen niet aan
het risico van vernietiging achteraf blootstaan, tenzij de
contracterende partij begreep of moest begrijpen dat deze de belangen
van de in dit artikel genoemde partijen zou schaden. De gevolgen van een
vernietiging kunnen door de rechter worden beperkt met het oog op
rechten van derden te goeder trouw. Het artikel verschaft de basis voor
een civielrechtelijke actie tot schadevergoeding (in geld of anderszins)
van de benadeelde.
Artikel
130.
Overgangsregime NV KLIQ
In
het kader van de privatisering van het onderdeel van
Arbeidsvoorziening dat de reïntegratie van werklozen verzorgt
(inmiddels onder de naam KLIQ werkzaam), is een overgangsregime voorzien
waarbij het UWV en de gemeenten
tijdelijk (gedurende ten hoogste twee jaar) verplicht kunnen worden een
deel van de aan hen toegedeelde middelen bij KLIQ te rblz.|51|
besteden. Het overgangsregime is bij brief d.d. 13 maart 2001 aan de
Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal meegedeeld. Een
overgangsregime wordt noodzakelijk geacht in verband met de
continuïteit van de dienstverlening aan werklozen door KLIQ en de
noodzakelijke zorgvuldigheid jegens personeel en belanghebbenden van
KLIQ. Om de verplichte besteding bij KLIQ feitelijk te kunnen
realiseren, is een aanpassing van nadere regelgeving van de Wet
Rea, WW en Wiw
noodzakelijk.
Na de verzelfstandiging zal KLIQ een naamloze
vennootschap zijn, zodat in het artikel de rechtspersoon NV KLIQ is
opgenomen.
Artikel
131.
Intrekking
wetten
Hoewel (de invoering van) de Wet SUWI
daartoe niet direct aanleiding geeft, wordt voorgesteld van de
gelegenheid gebruik te maken om een aantal wetten waaraan geen actuele
betekenis meer toekomt in te trekken. Hiermee wordt ook voorkomen dat
deze wetten steeds aan nieuwe wetgeving moeten worden aangepast.
Artikel
132.
Inwerkingtreding
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het tijdstip van inwerkingtreding
uiteraard afhankelijk is van vele factoren, zowel van praktische en
organisatorische aard als van regelgevende aard; met dit laatste wordt
gedoeld op de grote hoeveelheid nadere regelgeving die nog tot stand zal
moeten komen (aanpassing van bestaande en nieuwe).
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|