|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 oktober 2004, Directie AAM,
nr. AAM/BR/04/68435, houdende voorzieningen in verband met de opheffing
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Regeling opheffing
Arbeidsvoorzieningsorganisatie)
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
27, derde lid, en 127, vierde lid,
van de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
Besluit:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
b. wet: de Arbeidsvoorzieningswet
1996, zoals deze vóór 1 november 2004 luidde;
c. bestuurder CBA: de persoon die
tot 1 november 2004 de functie van lid van het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening vervulde;
d. CWI: de Centrale
organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk
4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, zoals dit luidde op 31 december 2008;
e. Arbeidsvoorzieningsorganisatie:
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, genoemd in artikel 2 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 zoals deze vóór 1 november 2004 luidde;
f. UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art.
2. Aanwijzing persoon belast met afwikkeling
De minister kan een persoon aanwijzen die is belast met de taken die hem
in verband met de opheffing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
worden
opgedragen.
HOOFDSTUK
2
Overgang
vermogen en publiekrechtelijke rechten en verplichtingen
Art.
3. Vermogen
-1. Alle vermogensbestanddelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gaan over op de Staat (ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid).
-2. Met betrekking tot de ingevolge dit
artikel overgaande vermogensbestanddelen die in openbare registers te
boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die
registers plaatsvinden door de bewaarders van die registers. De daartoe
benodigde opgaven worden door de zorg van de minister
aan de bewaarders
van de desbetreffende registers gedaan.
-3. Ter zake van de in dit artikel bedoelde
overgang van vermogensbestanddelen is geen akte of betekening nodig en
blijft de heffing van overdrachtsbelasting achterwege.
Art.
4. Deelnemingen
Deelnemingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in stichtingen,
maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge
waarborgmaatschappijen gaan over op de Staat (ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid).
Art.
5. Personeel
In afwijking van artikel 3 gaan de rechten en
verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
die voortvloeien
uit een collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van
arbeidsvoorwaarden dan wel enige andere algemene regeling, jegens
werknemers die vóór 1 november 2004 in haar dienst zijn geweest, alsmede
de rechten en verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die
voortvloeien uit een overeenkomst met een werknemer die vóór 1 november
2004 in haar dienst is geweest, over op de CWI. De eerste zin is eveneens
van toepassing ten aanzien van andere civielrechtelijke rechten en
verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in haar kwaliteit
van werkgever.
Art.
6. Overgang publiekrechtelijke rechten en verplichtingen
-1. De publiekrechtelijke rechten en
verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gaan over op de minister, tenzij het een onderwerp betreft als bedoeld in artikel
5, in welk geval deze rechten en verplichtingen overgaan op de CWI.
-2. Een besluit van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie geldt als een besluit van de minister,
tenzij het een onderwerp betreft als bedoeld in de artikel
5, in welk geval het geldt als een besluit van de CWI.
-3. Op een vóór 1 november 2004 bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie ingediende aanvraag tot het geven van een
beschikking wordt na die datum beslist door de minister, tenzij de
aanvraag een onderwerp betreft als bedoeld in de artikel 5,
in welk geval de CWI daarop beslist.
HOOFDSTUK
3
Overgang
procedures
Art.
7. Civielrechtelijke en bestuursrechtelijke gedingen
-1. In civielrechtelijke en
bestuursrechtelijke gedingen, met uitzondering van die bedoeld in artikel
8, waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie partij is, treedt de
Staat onderscheidenlijk de minister in haar plaats, zonder dat daarvoor
een betekening nodig is.
-2. Beroep of hoger beroep waarvoor de
termijn is aangevangen vóór 1 november 2004 staat voor de Staat
onderscheidenlijk de minister open gedurende het resterende gedeelte van
de beroepstermijn.
Art.
8. Arbeidsgeschillen
-1. In civielrechtelijke en
bestuursrechtelijke gedingen met betrekking tot onderwerpen als bedoeld
in artikel 5 waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
partij is, treedt de CWI in haar plaats, zonder
dat daarvoor een betekening nodig is.
-2. Bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
aanhangige bezwaarschriften met betrekking tot onderwerpen als bedoeld
in artikel 5 gaan, in de stand waarin zij zich
bevinden, over naar de CWI.
-3. Bezwaar, beroep of hoger beroep
waarvoor de termijn is aangevangen vóór 1 november 2004 staat voor de
CWI open gedurende het resterende gedeelte van de bezwaar-
onderscheidenlijk beroepstermijn.
Art.
9. Bezwaarschriften
-1. Bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
aanhangige bezwaarschriften, met uitzondering van die bedoeld in artikel
8, gaan, in de stand waarin zij zich bevinden, over naar de minister.
-2. Bezwaar waarvoor de termijn is
aangevangen vóór 1 november 2004 staat voor de minister open gedurende
het resterende gedeelte van de bezwaartermijn.
Art.
10. Beëindiging procedures
-1. Bestuursrechtelijke gedingen waarin
door toepassing van artikel 7, eerste lid, de minister
eiser en verweerder dan wel appellant en gedaagde is geworden, worden
door de minister zo spoedig mogelijk door intrekking van het beroep
beëindigd.
-2. Bezwaarschriftprocedures waarin door
toepassing van artikel 9, eerste lid, de minister
indiener van het bezwaarschrift en bestuursorgaan tegen wiens besluit
het bezwaar is gericht, is geworden,
worden door de minister zo spoedig mogelijk door intrekking van het
bezwaar beëindigd.
-3. In gevallen als bedoeld in het eerste
en tweede lid waarin voor de minister met toepassing van artikel
7, tweede lid, of artikel 9, tweede lid, bezwaar,
beroep of hoger beroep openstaat, maakt de minister van die bevoegdheid
geen gebruik.
HOOFDSTUK
4
Financiële
afwikkeling
Art.
11. Rekening en verantwoording
-1. De bestuurder CBA legt aan de
minister vóór 1 januari 2005 met betrekking tot de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie rekening en verantwoording af over de
periode 1 januari 2004 tot en met 31 oktober 2004. De artikelen 61,
eerste, tweede en derde lid, en 62, behoudens voor zover het betreft de
in dat artikel bedoelde realisatie van de prestaties, van de wet zijn
van overeenkomstige toepassing.
-2. De bestuurder CBA voegt bij de in het
eerste lid bedoelde stukken een slotbalans.
Art.
12. Afwikkeling door CWI ¹
-1. De Staat draagt de liquide middelen die
deel uitmaken van de vermogensbestanddelen die ingevolge deze regeling
overgaan op de Staat alsmede de ontvangsten en uitgaven van de Staat
gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, die kunnen worden
toegerekend aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, over aan
het UWV. Het UWV houdt hiervoor een rekening-courant aan bij de Minister van
Financiën.
-2. Tot een door de minister
te bepalen
datum administreert het UWV de ingevolge deze regeling op de Staat
onderscheidenlijk het UWV overgaande middelen, ontvangsten en uitgaven,
alsmede, ten behoeve van de Staat, de overige ingevolge deze regeling op
de Staat overgaande vermogensbestanddelen, in een afzonderlijke
administratie.
-3. De kosten die voor het UWV uit de
uitvoering van deze regeling voortvloeien, komen ten laste van de in het
eerste lid bedoelde middelen en ontvangsten. Zo nodig stelt de minister
aan het UWV hiervoor aanvullende middelen ter beschikking. Het UWV dient
elk jaar vóór 1 oktober, en voor zover het betreft het jaar 2005,
vóór 31 december 2004, een begroting van de inkomsten en uitgaven op
grond van deze regeling bij de minister in.
-4. Met betrekking tot de verantwoording
door het UWV over de toepassing van het eerste tot en met het derde lid
is artikel 49 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen van overeenkomstige
toepassing. De minister stelt jaarlijks aan de hand van de jaarrekening
het bedrag van de kosten, bedoeld in het derde lid, voor het betrokken
kalenderjaar vast.
-5. Het UWV draagt op verzoek van de
minister middelen als bedoeld in het eerste lid af aan de Staat.
-6. De verantwoording van het UWV over het
jaar 2005 heeft ook betrekking op de maanden november en december van
het jaar 2004.
-7. Het UWV legt binnen zes maanden na de
door de minister op grond van het tweede lid vastgestelde datum aan de
minister rekening en verantwoording af over de periode van 1 januari van
het jaar waarin die datum is gelegen tot aan die datum over de
toepassing van het eerste tot en met het derde lid.
-8. Het UWV draagt het saldo van de rekening-courant, bedoeld in het eerste lid, terstond na de in het
tweede lid bedoelde datum over aan de Staat.
1. Volgens de redactie
dient "CWI" te worden vervangen door: UWV.
HOOFDSTUK
5
Slotbepalingen
Art.
13. Overdracht archief
-1. De bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
berustende archieven worden overgedragen
aan de CWI.
-2. Archiefbescheiden die op grond van artikel
9 van de Regeling afwikkeling
Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI tijdelijk ter beschikking
zijn gesteld aan de Stichting CV, de NV KLIQ of andere rechtspersonen,
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, van genoemd artikel,
en die nog niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, worden
overgedragen aan de CWI.
Art.
14. Intrekking regeling
De Regeling afwikkeling
Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI wordt ingetrokken.
Art.
15. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2004.
Art.
16. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling opheffing
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 11 oktober
2004.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[11 oktober 2004]
Algemeen
Ten
tijde van de invoering (per 1 januari 2002) van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de terzelfder tijd plaatsvindende verzelfstandiging van onderdelen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie (ingevolge de Wet
verzelfstandiging reïntegratiediensten Arbeidsvoorzieningsorganisatie, Stb. 2001, 690) is
besloten de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nog enige tijd in stand te
laten en daartoe enkele artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
tijdelijk van kracht te laten blijven. Dit is geregeld in artikel
2,
onderdeel a, van het inwerkingtredingsbesluit van de Wet
SUWI
c.a. (Stb. 2001, 682). Vervolgens zijn in verband met de voortgang van
de afwikkeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij Koninklijk besluit van 12 juni 2002,
Stb. 2002, 310, nog een aantal - niet langer
noodzakelijke - artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
vervallen. In deze periode was de daartoe benoemde (enig) bestuurder CBA
met de afwikkeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie belast (zie
daaromtrent de Regeling afwikkeling
Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI, Stcrt. 2002, 2). Inmiddels
is het stadium bereikt dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie definitief
en volledig kan worden opgeheven. Hiertoe wordt bij koninklijk besluit voorzien in het per 1 november 2004 vervallen van de nog resterende
artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en daarmee van die wet in
haar geheel.¹ Met het vervallen per die datum van het artikel van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 dat de instelling van de rechtspersoon (het
openbaar lichaam de Arbeidsvoorzieningsorganisatie) regelt (artikel 2
van genoemde wet), is de opheffing van die rechtspersoon per dezelfde
datum gerealiseerd.
Ook vervalt daarmee de grondslag aan de
regelgeving die op de Arbeidsvoorzieningswet 1996 is gebaseerd. Daartoe
behoort het Besluit van 27 maart 2001, Stb. 2001, 127, houdende tijdelijke
bestuurlijke voorziening Arbeidsvoorzieningsorganisatie, op grond
waarvan de (enig) bestuurder van het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening is benoemd, die in de voorafgaande
periode met de vereffening was belast.
De gevolgen van deze opheffing behoeven nog
enige nadere regeling; dit betreft onder andere de financiële eindafwikkeling
(zoals de rekening en verantwoording over de periode tot en met 31
oktober 2004) en de overgang van de resterende vermogensbestanddelen en
van de rechten en verplichtingen van en jegens voormalig personeel. Op
grond van artikel 27, derde lid, van de Invoeringswet
Wet SUWI wordt bij de onderhavige regeling voorzien in regeling van
deze en andere met de opheffing samenhangende onderwerpen.
1. Bij Besluit van 18
oktober 2004, Stb. 2004, 520, is bepaald dat de artikelen 2, 5,
10, 21, 28, 42, 43, 60, 61, 62, 64, 66, 67, 83, 84, 85, 86, 88, 90 en 91
van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen met ingang van 1 november
2004, red.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Aanwijzing persoon belast met afwikkeling
Met
het verdwijnen per 1 november 2004 van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
bestaat ook niet langer de functie van enig bestuurder van die
organisatie; daarmee komt een einde aan de werkzaamheden die de benoemde
bestuurder CBA ten behoeve van de
afwikkeling van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie tot de genoemde datum
heeft verricht. Er blijven voor de bestuurder CBA nog wel enige
werkzaamheden over die na de datum van opheffing in verband met die
opheffing moeten worden verricht (zoals in artikel 11
wordt bepaald). Die werkzaamheden van de bestuurder hebben betrekking op
de (laatste) periode waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nog
bestaat (dus de periode tot 1 november 2004). Er kunnen naast deze
verantwoordingsactiviteiten nog enkele zaken in verband met de
definitieve opheffing nodig blijken. Daartoe kan de minister
op grond
van dit artikel nog een persoon aanwijzen die met (onderdelen van) die
verdere afwikkeling wordt belast. De regeling voorziet ook in de
administratieve afwikkeling van zaken die in de periode na 1 november
2004 nog voortvloeien uit het bestaan (hebben) van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Die taak zal voor de Staat door de CWI
worden uitgevoerd. Zie daaromtrent artikel 12.
Artikel
3. Vermogen
In
het eerste lid van dit artikel wordt als hoofdregel vastgelegd dat alle
resterende vermogensbestanddelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling (1
november 2004) in het bezit zijn van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
van rechtswege overgaan op de Staat. Uitzondering op deze regel vormen
de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit voormalige
arbeidsverhoudingen, die overgaan op de CWI (zie
daaromtrent artikel 5).
De hoofdregel omvat alle roerende en onroerende
zaken en daarmee samenhangende rechten en verplichtingen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat
hiertoe bijvoorbeeld ook behoren vorderingen op grond van
antispeculatiebedingen die bij transacties over onroerend goed van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn vastgelegd. Deze algemene
rechtsopvolging door de Staat brengt mee dat eventuele aanspraken van
derden op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, bijvoorbeeld uit
overeenkomst (niet zijnde een arbeidsovereenkomst) of onrechtmatige
daad, na haar opheffing ook jegens de Staat geldend moeten worden
gemaakt. Wat betreft het onroerend goed gaat het om nog slechts enkele
panden, die door de zorg van Domeinen zullen worden verkocht en waarvan
de opbrengst ten goede zal komen aan de Staat (SZW).
Artikel
4. Deelnemingen
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie
nam deel in verschillende andere
rechtspersonen (zie hieromtrent ook artikel 10 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996) of was via de bestuurder CBA
- als
vertegenwoordiger van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie - lid van het bestuur. Deze relaties zijn in het zicht van de opheffing
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zoveel mogelijk vóór 1 november
2004 beëindigd. Voor zover dat niet tijdig mocht zijn gebeurd, regelt
dit artikel volledigheidshalve dat de minister
in die gevallen in de
plaats treedt van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De minister zal
alsdan zo spoedig mogelijk voor beëindiging van die betrekking zorg
dragen. Indien hiermee financiële belangen zijn gemoeid, komen deze ten
goede aan c.q. ten laste van de Staat.
Artikel
5. Personeel
Ten
tijde van de definitieve opheffing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
heeft deze organisatie geen werknemers meer in dienst; er is derhalve
geen voorziening nodig met betrekking tot de overgang van rechten en
verplichtingen op grond van geldende arbeidsovereenkomsten. Op grond van
CAO, andere algemene arbeidsvoorwaardenregelingen en sociale plannen
(afvloeiingsregelingen) bestaan echter nog wel rechten en verplichtingen
van, respectievelijk jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie die op voormalige
werknemers van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie betrekking hebben. Deze
gaan volgens dit artikel over op de CWI, dit in
afwijking van de hoofdregel van artikel 3. Hiervoor is
gekozen omdat de CWI bij de invoering van SUWI ook al de
verantwoordelijkheid voor de rechten en plichten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft overgenomen. Met de tweede zin van
dit artikel wordt erin voorzien dat bijvoorbeeld ook in geval van
aansprakelijkheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkgever
voor onrechtmatig handelen van een werknemer de daaruit voortvloeiende
verplichtingen overgaan op de CWI.
De bepaling spreekt van rechten en
verplichtingen jegens werknemers die vóór 1 november 2004 in dienst
waren; voor de goede orde wordt erop gewezen dat deze bepaling niet alle
voormalige werknemers betreft, doch alleen diegenen die op de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze regeling zodanige rechten
en verplichtingen aan regelingen als hier bedoeld kunnen ontlenen.
Daartoe behoren niet de voormalige Arbvo-werknemers [Arbvo:
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, red.] die in dienst zijn
getreden van de Stichting CV, de CWI, de NV KLIQ (zie daaromtrent de Regeling
afwikkeling Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI) of enige andere
werkgever. Daarnaast heeft dit artikel betrekking op individuele
afspraken die in een enkel geval met (voormalige) werknemers in verband
met hun ontslag zijn gemaakt en waarover nog overleg gaande
is.
Ook de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen gaan over op
de CWI. Reeds aanhangige of na de inwerkingtreding
van deze regeling rijzende geschillen over onderwerpen als in dit
artikel bedoeld vallen eveneens onder de bevoegdheid van de CWI.
Artikel
6. Overgang publiekrechtelijke rechten en verplichtingen
Hoewel op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen wettelijke taken meer
rusten, valt niet uit te sluiten dat nog een aan die organisatie toe te
rekenen publiekrechtelijke verplichting of bevoegdheid aan de orde komt.
Zekerheidshalve voorziet deze bepaling in de aanwijzing van een bevoegd
bestuursorgaan (de minister) voor de afhandeling van zulke gevallen.
Evenzo valt niet uit te sluiten dat ten tijde van de opheffing van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij die organisatie nog enigerlei
aanvraag om een besluit in behandeling is; daarbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan een verzoek op grond van de Wob [Wet
openbaarheid van bestuur, red.]. Het derde lid van dit
artikel voorziet erin dat ook in zulke gevallen de behandeling wordt
overgenomen door de minister. Indien evenwel sprake is van een
(publiekrechtelijk) onderwerp dat met een (vroegere) arbeidsverhouding
te maken heeft, treedt in lijn met de artikelen 5 en 8
niet de minister, maar de CWI voor de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in de plaats.
Artikel
7. Overgang civielrechtelijke en bestuursrechtelijke gedingen
Dit
artikel regelt de overgang van de procedures die op 31 oktober 2004 nog
aanhangig mochten zijn. Civielrechtelijke procedures (met uitzondering
van die welke betrekking hebben op aanspraken van ex-werknemers) gaan
over op de Staat (ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid),
bestuursrechtelijke (eveneens met uitzondering van die welke samenhangen
met de werkgeversrol) op de minister. Gedingen die betrekking hebben op
aanspraken, als bedoeld in artikel 5, gaan over op de CWI.
Zoals ook bij artikel 8 wordt toegelicht, houdt dit
echter niet tegen dat de minister in bijzondere gevallen de CWI in
dergelijke geschillen ondersteuning biedt. Die mogelijkheid bestaat
zowel ten aanzien van geschillen die ten tijde van de inwerkingtreding
van deze regeling aanhangig zijn als ten aanzien van geschillen die
nadien aanhangig mochten worden gemaakt.
Artikel
8. Arbeidsgeschillen
Bij
de overgang van de rechten en verplichtingen op grond van (vroegere)
arbeidsverhoudingen naar de CWI behoren ook de
daarop betrekking hebbende procedures. Dit is een uitzondering op de
regel van artikel 7, dat bepaalt dat procedures
overgaan op de Staat. Het artikel ziet op procedures die met het bestaan
hebben van arbeidsverhoudingen met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verband houden. In lopende zaken
treedt de CWI als procespartij in de plaats van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Eventueel na de opheffing van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie rijzende geschillen over deze onderwerpen
zullen ook jegens de CWI aanhangig gemaakt moeten worden. De bepaling
heeft betrekking op aanspraken zowel op grond van collectieve regelingen
als op grond van individuele afspraken, als bedoeld in artikel
5. Het artikel staat er niet aan in de weg dat in bijzondere
gevallen, bijvoorbeeld in een civielrechtelijke procedure die verband
houdt met een individuele afspraak, als bedoeld in artikel
5, afspraken worden gemaakt tussen de CWI en de minister
om de CWI
in zo’n procedure te ondersteunen. De bestuursrechtelijke gedingen
waarover in dit artikel wordt gesproken, kunnen betrekking hebben op
verlenging van de loondoorbetalingsplicht (op grond van artikel
71a WAO), het eigenrisicodrager
zijn of de premiedifferentiatie. In verband met de verantwoordelijkheden
van de werkgever ter voorkoming van ziekteverzuim en het effect van het
toekennen van een WAO-uitkering voor de hoogte van de
premie die de
werkgever verschuldigd is, kan de werkgever (i.c. de CWI in de plaats
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie) belanghebbende zijn in
bestuursrechtelijke gedingen. Het gaat dus om bestuursrechtelijke
gedingen die samenhangen met de werkgeversrol die overgaat naar de CWI.
Eén en ander is in het tweede lid ook voor bezwaarprocedures geregeld.
Indien ten tijde van de inwerkingtreding van
deze regeling een beroepstermijn loopt, dan kan de CWI het restant
daarvan gebruiken (op grond van het derde lid).
Artikel
9. Bezwaarschriften
Eventueel ten tijde van de opheffing nog bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
aanhangige bezwaarschriften (met
uitzondering van die welke samenhangen met de werkgeversrol) zullen
verder door de minister worden afgehandeld.
Artikel
10. Beëindiging procedures
Er
zijn procedures waarin thans als partijen optreden enerzijds de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en anderzijds de Minister van SZW,
vertegenwoordigd door het Agentschap SZW (AGSZW). Gevolg van artikel
7 is dat in deze procedures met ingang van 1 november 2004 de
minister de kwaliteiten van eisende en verwerende partij in zich
verenigt. Bevorderd zal worden dat dergelijke procedures voor zoveel
mogelijk vóór die datum door intrekking van het beroep worden
beëindigd. Voor zover niettemin nog procedures van deze soort op 1
november 2004 aanhangig zijn, bepaalt het eerste lid van dit artikel dat
deze zo spoedig mogelijk door de minister, door intrekking van het
beroep, zullen worden beëindigd.
Een soortgelijke situatie kan zich voordoen,
door toepassing van artikel 9, bij aanhangige
bezwaarschriften (indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in bezwaar is
gegaan tegen een besluit van de minister); ook hier zal intrekking van
het bezwaar vóór 1 november 2004 zoveel mogelijk worden bevorderd.
Volgens het tweede lid worden nog aanhangige bezwaarschriften zo spoedig
mogelijk door de minister ingetrokken.
Het derde lid houdt rekening met de
mogelijkheid dat in zaken waarin van samenval van partijen als hiervoor
bedoeld sprake is, de datum 1 november 2004 is gelegen in een nog
lopende bezwaar- of beroepstermijn, waarvan nog geen gebruik is gemaakt.
Teneinde ook in die gevallen de procedure te beëindigen, zal de minister
niet in bezwaar of (hoger) beroep gaan.
Artikel
11. Rekening en verantwoording
De
bestuurder CBA, die al met de vereffening is belast, maakt een rekening
op over de laatste periode van bestaan van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en legt daarbij verantwoording af over
zijn werkzaamheden. Ten aanzien van deze rekening en verantwoording zijn
enkele gebruikelijke voorschriften van toepassing. Dit betreft de
voorschriften over de jaarrekening en (deels) het jaarverslag als
geregeld in de artikelen 61 en 62 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996. De
minister zal de boeken pas sluiten na controle van de
verantwoordingsstukken, ook door de departementale accountantsdienst.
Artikel
12. Afwikkeling door CWI
Op
grond van de artikelen 3 en 4 gaan
alle roerende en onroerende zaken en daarmee samenhangende rechten en
verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
- uitgezonderd hetgeen uit vroegere arbeidsverhoudingen voortvloeit
- in juridische zin over naar de Staat. De Staat zal de administratie en
het beheer van alle financiële en andere zaken die uit deze overgang
voortvloeien echter nog enige tijd door de CWI
laten verrichten. Daartoe zal het zogenaamde liquidatiesaldo-Arbvo ter
beschikking worden gesteld aan de CWI, die daarvoor een aparte
rekening-courant bij Financiën zal aanhouden. Dit liquidatiesaldo omvat
in de eerste plaats de liquide middelen van de (voormalige)
Arbeidsvoorzieningsorganisatie per 1 november 2004. Voor zover de Staat
(SZW) na 1 november 2004 nog aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie toe
te rekenen ontvangsten en uitgaven zal hebben, komen deze eveneens ten
bate respectievelijk ten laste van het liquidatiesaldo-Arbvo. De CWI dient met
betrekking tot al hetgeen als "ex-Arbvo" valt aan te merken een
afzonderlijke, dat wil zeggen van de overige CWI-zaken gescheiden administratie
bij te houden. Eén en ander is geregeld in het eerste en tweede lid van
dit artikel. Over de hieruit voortvloeiende werkzaamheden zullen tussen
de minister
en de CWI nadere afspraken worden gemaakt.
Het liquidatiesaldo zal in beginsel voldoende
moeten zijn ter dekking van alle kosten die uit de liquidatie van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voortvloeien. Dit betreft met name de
kosten van de uitvoering van de taken van de CWI op grond van artikel
5 (aanspraken van voormalig Arbvo-personeel), kosten in verband met
procedures en de apparaatskosten van de CWI die verband houden met de
uitvoering van deze regeling. Het derde lid regelt deze financiering.
Dit artikellid biedt ook de grondslag voor eventuele extra financiële
middelen, die de minister ter beschikking stelt, indien het
liquidatiesaldo niet toereikend is. Wegens deze bevoegdheid is deze
regeling mede op artikel 127, vierde
lid, van de Invoeringswet Wet SUWI
gebaseerd. De CWI dient telken jare een begroting van de hier bedoelde
inkomsten en uitgaven op te stellen.
Op de verantwoording van de middelen ten
behoeve van de taken van de CWI zijn de voorschriften op grond van de Wet
SUWI van overeenkomstige toepassing (aldus het vierde lid). Deze
verantwoording, waaronder de jaarrekening, maakt geen deel uit van de
verantwoordingsstukken van de CWI op grond van de Wet
SUWI. Over de
wijze van administreren, zoals de termijnen en de inhoud van de
verantwoording, zullen nog nadere afspraken worden vastgelegd tussen de
CWI en de minister van SZW. Om praktische redenen is bepaald (zie het
vijfde lid)
dat de verantwoording over het jaar 2005 tevens de maanden november en
december van het jaar 2004 zal omvatten. Na afloop van elk jaar stelt de
minister aan de hand van de jaarrekening het bedrag van de middelen voor
het betrokken kalenderjaar vast.
Op grond van het vijfde lid kan de minister
bepalen dat de CWI gedurende de periode van administratie en beheer
bedragen uit het liquidatiesaldo-Arbvo aan het Rijk afdraagt,
bijvoorbeeld als dat saldo aanzienlijke overschotten vertoont.
Wanneer op enig moment geconcludeerd kan worden
dat er vrijwel geen resterende Arbvo-zaken meer zijn en onderbrenging
van de administratie daarvan bij de CWI dan ook verder niet zinvol meer
is, kan die taak van de CWI worden beëindigd. De minister zal het
tijdstip daarvoor vaststellen (zie het tweede lid). De CWI dient dan over het
laatste tijdvak eveneens rekening en verantwoording af te leggen. Op die
omstandigheid, die ook tijdens een lopend kalenderjaar kan plaatsvinden,
heeft het zevende lid betrekking. Hetgeen dan nog resteert, dient dan
weer overgedragen te worden aan de
Staat (SZW), aldus bepaalt het achtste lid. Daarmee is deze regeling
uitgewerkt.
Artikel
13. Overdracht archief
Het
eerste lid van dit artikel bevestigt hetgeen thans is bepaald in artikel
9, derde lid, van de Regeling
afwikkeling Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI. Het tweede lid
betreft de archiefbescheiden die op grond van artikel
9, tweede lid, van genoemde regeling tijdelijk aan verzelfstandigde
onderdelen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
ter beschikking waren
gesteld en nu ook overgaan naar de CWI. Deze
bepaling heeft alleen betrekking op de plaats waar het archief berust.
De CWI is niet verantwoordelijkheid voor de volledigheid van de
archiefstukken.
Artikel
14. Intrekking regeling
De Regeling
afwikkeling Arbeidsvoorzieningsorganisatie na SUWI heeft na de
opheffing van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen betekenis meer en
kan derhalve worden ingetrokken.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|