|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 588
Regels tot vaststelling van een structuur voor de
uitvoering van taken met betrekking tot de arbeidsvoorziening en socialeverzekeringswetten
(Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| xHoofdstuk
I |
| 1x |
Inleiding |
| 2 |
Kabinetsstandpunt
SUWI van maart 1999 |
| 3 |
Hoofdlijnen nieuwe uitvoeringsstructuur werk en inkomen |
| 4 |
Overgangsfase |
| 5 |
Commentaar van bij
SUWI betrokken organisaties |
| 6 |
Opbouw van de
regelgeving |
| 7 |
Verdere indeling
algemeen deel van de memorie van toelichting |
| xHoofdstuk
II. Raad voor werk en inkomen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Taken |
| 3 |
Informatieverstrekking aan de Raad voor werk en inkomen |
| 4 |
Bestuurlijk-juridische
vormgeving |
| xHoofdstuk
III. Een samenhangend stelsel van uitvoering |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
De Centrale
organisatie werk en inkomen |
| xxxIII.1.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Wettelijke taken
van het UWV |
| 3 |
Andere,
niet-wettelijke taken van het UWV |
| xxxIII.2. Consequenties
SUWI voor gemeentelijke taken |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Een beschrijving
van de wijzigingen in de uitvoeringstaken van gemeenten |
| 3 |
Nieuwe
gemeentelijke taken |
| xxxIII.3. Bestuurlijke
inrichting en organisatie van CWI, UWV en SVB |
| 1 |
Bestuurlijke
inrichting |
| 2 |
De mogelijkheden
tot het uitbesteden van taken |
| xHoofdstuk
IV. Reïntegratie: markt, ordening en aansturing |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De reïntegratiemarkt |
| 3 |
De opdrachtgevers
voor de reïntegratie |
| 4 |
Rechten en plichten
van de cliënt met betrekking tot reïntegratie |
| xHoofdstuk
V. Sturing en toezicht |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Objectieve en
onafhankelijke toezichtsuitoefening |
| 3 |
Afwegingen
positionering toezicht |
| 4 |
Randvoorwaarden
voor de toezichtsorganisatie binnen de rijksdienst |
| 5 |
Conclusie |
| xHoofdstuk
VI. Financiering, budgettering, begroting en verantwoording |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Financiering |
| 3 |
Budgettering |
| 4 |
Begroting |
| 5 |
Verantwoording |
| xHoofdstuk
VII. Gegevensuitwisseling en informatievoorziening |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Gemeenschappelijke
infrastructuur voor gegevensuitwisseling |
| 3 |
Informatievoorziening en onderzoek |
| 4 |
Privacy |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
1 t/m 54 |
[Actal:
Adviescollege toetsing administratieve lasten;
CBA: Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening;
Ctsv: College van toezicht sociale verzekeringen;
het CWI: Centrum voor werk en inkomen;
de CWI: Centrale organisatie werk en
inkomen;
EIM: Economisch Instituut voor het Midden-
en Kleinbedrijf;
FWI: Fonds werk en inkomen;
Lisv: Landelijk instituut sociale
verzekeringen;
RWI: Raad voor werk en inkomen;
SVB: Sociale verzekeringsbank;
Ufo: Uivoeringsfonds voor de overheid;
uvi: uitvoeringsinstelling;
UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Wav: Wet arbeid vreemdelingen;
WVA: Wet vermindering afdracht
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
ZBO: zelfstandig bestuursorgaan, red.]
Algemeen
Hoofdstuk
I
1.
Inleiding
Door dit wetsvoorstel, de Invoeringswet
SUWI
en via wijzigingen in de
materiewetten wordt de uitvoeringsstructuur
van de (publieke) arbeidsvoorziening en de sociale zekerheid ingrijpend
gewijzigd. Het wetsvoorstel is het resultaat van de voornemens uit het
regeerakkoord van 1998 op dit terrein. Het regeerakkoord bevatte de
opdracht om te komen tot een op activering gericht stelsel waarin
voorrang wordt gegeven aan werk. Taken die naar hun aard niet voor
concurrentie in aanmerking komen, dienen publiek te worden
georganiseerd, aldus het regeerakkoord. Voor taken waarvoor dit niet
geldt, moet ruimte geboden worden voor private uitvoering indien dit tot
een grotere effectiviteit leidt voor werkzoekenden, werkgevers en
werknemers.
In het regeerakkoord van 1998 werd aldus een
verbinding gelegd tussen belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de
arbeidsmarkt en sociale zekerheid die hun startpunt vinden in het
rapport van de Parlementaire enquêtecommissie uitvoeringsorganen
werknemersverzekeringen (van september 1993). Wijzigingen in de sociale
zekerheid waren nodig, zowel wat betreft de beheersing van het volume
als wat betreft de aanpassingen in de uitvoeringsorganisatie, aldus de
Commissie. Er moest een activerend stelsel komen waarbij de uitvoering
regionaal georganiseerd zou worden. Werkgevers en werknemers zouden geen
invloed meer mogen uitoefenen op de individuele gevalsbehandeling en er
diende (ten opzichte van de sociale partners) onafhankelijk toezicht op
de uitvoering te komen. De afgelopen jaren is veel van het gedachtegoed
van de Enquêtecommissie verwezenlijkt.
In
het Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) van
maart 1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 448, nr. 1) en het Nader
Kabinetsstandpunt SUWI (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) van
januari 2000 zijn de voornemens uit het regeerakkoord nader uitgewerkt. rblz.|2|
Gezocht is naar een uitvoeringsstructuur waarin de cliënt centraal
staat en waarin een heldere scheiding aangebracht is tussen publieke en
private uitvoering van taken.
2.
Kabinetsstandpunt SUWI van maart 1999
Het Kabinetsstandpunt SUWI van maart 1999 voorzag in de volgende
uitvoeringsstructuur voor werk en inkomen.
CWI’s
Er
moeten
Centra voor werk en inkomen komen: publieke
instanties met één loket voor een baan en zo nodig een uitkering. Met
de cliënten wordt direct nagegaan welke mogelijkheden er voor hen zijn
op de arbeidsmarkt. Alles wordt in het werk gesteld om cliënten (weer)
snel aan de slag te helpen. Voor wie eenvoudig bemiddelbaar is - dat is
de grootste groep - blijft het CWI-loket veelal het enige loket. De
uitkering die eventueel nodig is, wordt weliswaar verzorgd door de gemeente
of een uvi, maar de klant hoeft in beginsel
slechts één keer zijn verhaal te vertellen. Alleen wie moeilijker
bemiddelbaar is en extra aandacht of zorg nodig heeft, komt terecht bij
een volgend loket: de uitkeringsinstantie zelf. Indien nodig wordt
hierbij door de gemeente of uvi een gespecialiseerd reïntegratiebedrijf
ingeschakeld.
Uitvoering werknemersverzekeringen verdeeld
over concurrerende uvi’s en het publieke CWI
Beslissingen op basis van de
WW en de WAO die de
uitvoerder substantiële ruimte laten voor een eigen oordeel, worden
genomen door medewerkers van het CWI. De overige
taken in het kader van de werknemersverzekeringen, bijvoorbeeld de
premie-inning en uitkeringsafhandeling, worden uitgevoerd door de
uvi’s. De uvi’s zullen onderling
concurreren om opdrachten voor het uitvoeren van de
werknemersverzekeringen. Hiervoor is het gewenst dat er meer uvi’s
komen. Om dit te bereiken zullen de toetredingsdrempels worden verlaagd.
De uvi’s krijgen hun opdrachten van sectoren, CAO-partijen en grote
ondernemingen en - na een overgangsperiode - van (groepen van) bedrijven
met meer dan 100 werknemers.
Het
kabinet koos hiermee in maart 1999 voor een deels publieke en deels
private uitvoering van de in de wet neergelegde publieke taken. Daarbij
realiseerde het kabinet zich dat dit gevolgen zou hebben voor de
werkprocessen en tot personele verschuivingen zou leiden. Om deze
gevolgen tot het uiterste te beperken, werd gekozen voor het zogenoemde
loodsmodel. In dit model wordt de claimbeoordeling verricht door
medewerkers van de publieke Centra voor werk en inkomen
op de lokaties van de private uitvoeringsinstellingen.
Arbeidsvoorzieningsorganisatie gesplitst
In
de
CWI’s vindt, zo luidde de nota van maart
1999, een belangrijk deel van de taken van de huidige Arbeidsvoorzieningsorganisatie
plaats, de basisdienstverlening. Daarnaast ontstaat een
"Reïntegratiebedrijf Arbeidsvoorziening", dat op termijn op
de vrije markt gaat concurreren met andere reïntegratiebedrijven om
opdrachten te verkrijgen van gemeenten,
uitkeringsinstanties en/of individuele werkgevers en werknemers.
Bijstand
Het
beslissen over het recht op bijstand en het verzorgen van de rblz.|3|
uitkeringsafhandeling blijven de taak en bevoegdheid van
gemeenten. Gemeenten zijn als opdrachtgever
verantwoordelijk voor de reïntegratie van bijstandsgerechtigden en de
niet-uitkeringsgerechtigden.
Parlementaire behandeling Kabinetsstandpunt
SUWI van maart 1999
Op
21 juni 1999 is het Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk en
inkomen met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
de Tweede Kamer besproken. Voor een aantal voorstellen bleek brede steun
te bestaan. Het betrof de spoedige inrichting van de Centra voor werk en inkomen,
de taken van
gemeenten, verdergaande marktwerking op het
terrein van de reïntegratie en de privatisering van het
reïntegratiedeel van Arbeidsvoorziening. In het
debat kwamen echter tevens belangrijke knelpunten aan de orde die ook
reeds door de uitvoeringsinstellingen onder
de aandacht van het kabinet waren gebracht. Geconstateerd werd dat de
voorgestelde toedeling van verantwoordelijkheden zou leiden tot een zeer
groot aantal extra overdrachtsmomenten in de werkprocessen. Behalve dat
dit zou leiden tot meer bureaucratie, afnemende klantvriendelijkheid en
hogere uitvoeringskosten, zou daardoor ook de beheersbaarheid van het
gehele uitvoeringsproces in het geding komen. Bovendien zou het leggen
van de verantwoordelijkheid voor de claimbeoordeling bij de CWI’s
leiden tot veel grotere personele verschuivingen - en dus veel grotere
reorganisatielasten - dan aanvankelijk was voorzien.
Eén en ander is voor het kabinet aanleiding geweest de voorstellen
opnieuw in overweging te nemen. Dit heeft geleid tot een nieuw voorstel
voor de uitvoeringsstructuur werk en inkomen, dat in het Nader
Kabinetsstandpunt SUWI van januari 2000 is uiteengezet en waarvan dit
wetsvoorstel de uitwerking is. In de volgende paragraaf worden de
hoofdlijnen hiervan toegelicht.
3.
Hoofdlijnen nieuwe uitvoeringsstructuur werk en inkomen
a. Verdeling van taken over publieke
uitvoering en markt
In
de afgelopen jaren is een hoofdelement in alle discussies en afwegingen
met betrekking tot de nieuwe uitvoeringsorganisatie op het terrein van
werk en inkomen de vraag geweest hoe de verhouding tussen publieke
uitvoering en de gebruikmaking van de private markt voor de uitvoering
van taken zou moeten worden vormgegeven. De huidige uitvoeringsstructuur
kent de volgende tekortkomingen:
• er zijn vele schijven en (bestuurs)lagen die een adequate
beleidsmatige aansturing en het waarmaken van de politieke
verantwoordelijkheid bemoeilijken;
• de beperkingen die aan uitvoeringsinstellingen
worden gesteld hebben tot gevolg dat er momenteel geen sprake is van
reële concurrentie in een marktomgeving. Er is dus noch sprake van het
voordeel van efficiënte door vraag en aanbod gestuurde
uitvoeringsinstellingen, noch van een adequate publieke
aansturingsstructuur;
• er is sprake van een verkokerde uitvoering op het gebied van werk en
inkomen;
• er is geen efficiënte en effectieve markt voor reïntegratie.
In
dit wetsontwerp maakt het kabinet een keuze die naar zijn oordeel
logisch, duidelijk, effectief, efficiënt en evenwichtig is. De taken
die op het terrein van werk en inkomen moeten worden uitgevoerd, kunnen
in hoofdlijnen als volgt worden samengevat en onderverdeeld:
• het innen van de premies voor de werknemersverzekeringen;
• het verrichten van de claimbeoordeling voor toelating tot één van
de rblz.|4|
uitkeringsregelingen in verband met ziekte/arbeidsongeschiktheid,
werkloosheid of bijstand;
• het verstrekken van de uitkeringen;
• alle activiteiten die samenhangen met het voorkomen van uitval uit
het arbeidsproces (preventie) en het daadwerkelijk weer toeleiden naar
het arbeidsproces (reïntegratie).
De eerste drie taken vormen de kern van de inkomensbeschermende functie van de sociale zekerheid.
Naast bevordering van
de arbeidsparticipatie beoogt de sociale zekerheid immers ook bestaanszekerheid
te bieden aan degenen die buiten hun schuld niet of niet
meer in staat zijn om door het verrichten van arbeid in hun levensonderhoud
te voorzien. Deze taken hangen nauw samen en wel op een zodanige
wijze dat zij niet goed van elkaar te scheiden zijn zonder dat dit leidt
tot vele extra overdrachtsmomenten tussen verschillende organisaties. Zoals in het
Nader Kabinetsstandpunt SUWI reeds betoogd, dienen deze
taken door één publieke organisatie te worden uitgevoerd, omdat
dit de meest eenvoudige en effectieve wijze is om de claimbeoordeling
en de premie-inning te vrijwaren van commerciële beïnvloeding. Uitvoering
door één organisatie leidt bovendien tot een uniforme uitvoering
en - zij het op termijn - tot schaalvoordelen.
De andere doelstelling van de sociale zekerheid, de bevordering van de
arbeidsparticipatie, maakt het wenselijk een koppeling
aan te brengen tussen de financiële prikkels in het stelsel en de
wijze waarop de verantwoordelijkheden voor preventie en reïntegratie worden belegd. Dit
brengt met zich mee dat degene die de financiële lasten draagt in beginsel verantwoordelijk moet worden gesteld voor preventie en
reïntegratie. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om werkgevers(organisaties) en
werknemers(organisaties) verantwoordelijk te stellen
voor de preventie en reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers. Voorts
zijn het UWV en de gemeenten verantwoordelijk voor de reïntegratie van
werkloze werkzoekenden.
De
daadwerkelijke uitvoering van de reïntegratieactiviteiten kan het best
worden ingekocht bij private reïntegratiebedrijven. Juist de keuze voor
een publieke uitvoering van de werknemersverzekeringen door het UWV
maakt het mogelijk tot betere vormen van marktwerking bij de
reïntegratie te komen. Het losknippen van de administratief complexe
uitvoeringstaken met betrekking tot de werknemersverzekeringen leidt tot
een aanzienlijke verlaging van de toetredingsdrempels tot de
reïntegratiemarkt. Bovendien wordt het mogelijk het opdrachtgeverschap
voor de reïntegratie van met name arbeidsgehandicapten te positioneren
op een meer decentraal niveau, waardoor beter aangesloten kan worden bij
de financiële prikkels in de materiewetten.
Het gaat bij deze activiteiten om
"producten" (begeleidingstrajecten, cursussen, enz.) waarin de
markt kan voorzien. Het kabinet verwacht dat het de effectiviteit en de
doelmatigheid zal bevorderen om deze activiteiten te onderwerpen aan de
tucht van de markt en de productie van deze activiteiten in een setting
van concurrentie te doen plaatsvinden.
De
verhouding tussen de verschillende opdrachtgevers (de werkgevers en
werknemers gezamenlijk, het UWV
respectievelijk de gemeenten) en de
reïntegratiebedrijven zal worden vormgegeven door middel van
contractuele relaties. De publieke opdrachtgevers (UWV, gemeenten)
zullen door middel van contracten reïntegratieactiviteiten uitbesteden
aan private bedrijven. In deze contracten zullen prestaties (resultaten
in termen van reïntegratie), prijzen en voorwaarden duidelijk en
nauwkeurig moeten zijn vastgelegd. Sturing op doelgroepen door de
publieke uitvoerders zal plaatsvinden door middel van de aan te bieden
contracten en de daarbij te hanteren differentiatie in prijzen. De
private opdrachtgevers (werkgevers, rblz.|5|
in overleg met hun werknemers, respectievelijk sociale partners) zullen
daarnaast substantiële bedragen besteden voor inkoop van preventie- en
reïntegratieactiviteiten op de private markt.
Via
de
Centra voor werk en inkomen (CWI's) wordt
een brug geslagen tussen werk en inkomen. Dit is het eerste loket voor
cliënten op zoek naar werk. Als werk niet direct voorhanden is, kunnen
zij bij het CWI ook een uitkering aanvragen. Meer dan in het verleden
wordt de cliënt daardoor al aan het begin van het traject gewezen op de
mogelijkheden voor werk. Hiermee wordt voorkomen dat er kostbare tijd
verloren gaat in het terugleiden van werkzoekenden naar de arbeidsmarkt.
b. Totaalbeeld nieuwe structuur
Tegen de achtergrond van het voorgaande wordt in deze subparagraaf
beknopt ingegaan op de verschillende onderdelen van de nieuwe
uitvoeringsstructuur.
Raad voor werk en inkomen
Het
kabinet stelt voor een
Raad voor
werk en inkomen te vormen, bestaande uit vertegenwoordigers van
werkgevers,
werknemers en gemeenten en een
onafhankelijke voorzitter. De Raad krijgt onder meer tot taak om
jaarlijks een beleidskader op te stellen met voorstellen voor de
concrete vormgeving van het te voeren beleid op het gehele terrein van
werk en inkomen. De Raad krijgt voorts de bevoegdheid om criteria op te
stellen op grond waarvan sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven op
het gebied van de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden/werkzoekenden
(mede)gefinancierd kunnen worden. De Raad kent de subsidies toe.
De Centrale organisatie werk en inkomen
Het
kabinet stelt voor, verspreid over het land,
Centra voor werk en inkomen te vormen. De
CWI-kantoren worden belast met taken op het terrein van de publieke
arbeidsvoorziening (waaronder administratieve intake, fase-indeling,
verzamelen van arbeidsmarktgegevens, informatie en advies, en
bemiddeling) en het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor het
in behandeling nemen van een uitkeringsaanvraag WW
of Abw. De CWI-kantoren worden aangestuurd
vanuit een landelijk hoofdkantoor, de Centrale organisatie werk en
inkomen. Hoofdkantoor en de CWI-kantoren vormen één zelfstandige,
publiekrechtelijke organisatie.
Sociale Verzekeringsbank (SVB)
Het
kabinet stelt voor om de voorstellen voor de nieuwe uitvoeringstructuur
waar relevant ook van toepassing te laten zijn voor de SVB.
Dit heeft met name gevolgen voor de bevoegdheden van de
minister ten opzichte van de SVB en de bestuurlijke inrichting van
de SVB.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV)
Voorgesteld wordt de uitvoering van de premie-inning, de
claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging voor de
werknemersverzekeringen op te dragen aan één zelfstandige
publiekrechtelijke organisatie, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Het UWV wordt verantwoordelijk voor de
reïntegratie in het kader van de werknemersverzekeringen, voor zover de
verantwoordelijkheid hiervoor niet is gelegd bij
werkgevers(organisaties) en werknemers(organisaties).
rblz.|6|
Gemeenten
De
gemeenten zijn belast met de uitvoering van de Algemene bijstandswet
(Abw), de
Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) en de
Wet sociale werkvoorziening (Wsw). De eindverantwoordelijkheid voor
de uitkeringsverstrekking en dus de beslissingsbevoegdheid ligt bij de
colleges van burgemeester en wethouders.
De gemeenten worden verantwoordelijk voor de
reïntegratie van bijstandsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigde
werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden op basis van de Algemene nabestaandenwet
(Anw). Daarnaast wordt aan gemeenten gevraagd de ontwikkeling en
coördinatie van de regionale platforms ter hand te nemen.
Toezicht
Het
kabinet stelt voor de minder gelaagde en meer integrale
beleidsuitvoering ook in de organisatie van het toezicht tot uiting te
brengen. De integrale beleidsuitvoering krijgt in de nieuwe
toezichtsstructuur gestalte door het toezicht op het UWV,
de SVB, de
Centrale organisatie werk en inkomen en de gemeenten
te integreren en dit te plaatsen onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW.
Het feitelijke toezicht wordt uitgeoefend door een departementale
inspectie (Inspectie Werk
en Inkomen). Een professionele, objectieve en onafhankelijke
toezichtsuitoefening wordt gewaarborgd via heldere regelgeving (zie
verder
hoofdstuk V).
De reïntegratiemarkt
De
reïntegratiemarkt is een instrument in het kader van het te voeren
reïntegratiebeleid. In contractuele relatie met de opdrachtgevers in
zowel de private sfeer (sociale partners) als de publieke sfeer (UWV
en gemeenten) en in concurrentie zullen private
bedrijven diensten kunnen leveren op het brede terrein van reïntegratie
en preventie. Deze markt is in ontwikkeling. Het is niet
onwaarschijnlijk dat verbindingen zullen ontstaan met de reeds bestaande
private markt voor arbodienstverlening. Het kabinet wil de ontwikkeling
van de markt zoveel mogelijk vrijlaten en zich in eerste aanleg
concentreren op het creëren van voorwaarden waaronder zich een gezonde
markt kan ontwikkelen.
c. Positie van de cliënt
De
SUWI-voorstellen beogen de realisatie van twee hoofddoelen: het
waarborgen dat een ieder die daar recht op heeft tijdig de juiste
uitkering krijgt (de waarborgfunctie van de overheid) en het bevorderen
van de arbeidsparticipatie. Actieve betrokkenheid van de cliënt, zowel
op individueel niveau als op collectief niveau, is hierbij van groot
belang. De basis voor het op individueel niveau betrekken van de cliënt
door de uitvoeringsorganisatie wordt gevormd door een samenhangend
pakket van in de wet vastgelegde rechten en plichten.
Onderstaand geeft het kabinet op hoofdlijnen zijn visie over dat
samenhangende pakket rechten en plichten. Bij de concrete vormgeving
hiervan zal zoveel mogelijk worden aangesloten op datgene wat nu reeds
is vastgelegd in de materiewetgeving, zoals de Abw,
de
Ioaw, de Ioaz, de Wiw,
de WW en de WAO. Bij
zijn analyse van de huidige bepalingen heeft het kabinet geconstateerd
dat op een aantal punten aanvullingen c.q. aanscherpingen nodig zijn.
Dit is met name het gevolg van de nieuwe rblz.|7|
verantwoordelijkheidsverdeling die het kabinet voor ogen heeft bij de
uitvoering van de reïntegratie (zie verder hoofdstuk IV
van deze memorie). De hier bedoelde aanpassingen worden overigens niet
in
het onderhavige wetsvoorstel geregeld, maar via de Invoeringswet
SUWI
in de desbetreffende materiewetten. De toelichting
bij de
Invoeringswet zal daarom een compleet overzicht bieden van alle
rechten en plichten. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat er hier
een nauwe samenhang is met het wetsvoorstel Verbetering poortwachter WAO
[zie Wet verbetering poortwachter, red.],
waarin onder meer zal worden geregeld dat de uvi
(straks het
UWV) informatie zal verstrekken over de aan
hem ter beschikking staande instrumenten (zoals uitstel WAO-beoordeling,
mogelijkheid om informatie en advies te vragen over WAO- en Rea-aspecten
van reïntegratie en verzuim).
Op
collectief niveau moet de uitvoeringsorganisatie ervoor zorgen dat er
een effectief stelsel van cliëntenparticipatie tot stand komt.
Onderstaand wordt in hoofdlijnen geschetst welke invulling het kabinet
aan beide niveaus wil geven.
Rechten en plichten
Het
kabinet streeft naar het samenstellen van een evenwichtig pakket van
rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden en
niet-uitkeringsgerechtigden. Het kabinet heeft wat betreft de rechten
een stelsel voor ogen waarin cliënten hun aanspraken geldend kunnen
maken op:
• een adequate informatieverstrekking (zoals informatie en advies van
het CWI over de arbeidsmarkt en over geschikte
vacatures, voorlichting met betrekking tot de beroepskeuze en de
daarvoor benodigde opleiding; recht op een afschrift van het
reïntegratieadvies van het CWI en recht op toezending van het
reïntegratieplan; recht op informatie en advies over uitkeringen
waarvoor men eventueel in aanmerking komt);
• een adequate behandeling (recht op inzage in de eigen gegevens en de
correctie van onjuiste gegevens; de cliënt moet correct te woord
gestaan worden conform de regels van de Nationale
ombudsman; recht op bezwaar en beroep e.d.);
• een juiste en tijdig verstrekte uitkering;
• een adequate begeleiding (de cliënt heeft bijvoorbeeld recht op
gespecialiseerde advisering, zoals sollicitatiebegeleiding, en recht op
een onderzoek naar de wijze waarop de kans op werk kan worden
verbeterd);
• passende voorzieningen die de inschakeling in het arbeidsproces
bevorderen (zo heeft de cliënt recht op reïntegratievoorzieningen,
bijvoorbeeld persoonsgebonden voorzieningen die werkhervatting mogelijk
maken).
Tegenover rechten staan plichten van de cliënt. Ook de plichten - zoals
de verplichting inlichtingen en zo nodig bewijsstukken te verstrekken,
de identificatieplicht, de sollicitatieplicht, de plicht om mee te
werken aan de eigen reïntegratie, de plicht om passend werk te
aanvaarden en de plicht om voorschriften op te volgen ten behoeve van
een doelmatige controle - krijgen nadrukkelijk een plaats in het nieuwe
stelsel.
Ten
slotte vormen de wettelijke mogelijkheden van bezwaar en beroep
belangrijke instrumenten om te positie van de cliënt te versterken.
Hierop zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht
van toepassing. Tegen schriftelijke beslissingen van
uitvoeringsinstanties die rechtsgevolgen hebben voor cliënten staan de
gebruikelijke voorzieningen van bezwaar en beroep open.
rblz.|8|
Cliëntenparticipatie
Het
kabinet hecht grote waarde aan het tot stand komen van volwaardige
cliëntenparticipatie. In de eerste plaats vanuit het belang dat hiermee
is gediend voor de klanten zelf. Het maakt voor de klant betrokkenheid
bij en invloed op de uitvoering van het beleid mogelijk. Daarnaast is
cliëntenparticipatie ook van groot belang voor de
uitvoeringsorganisaties zelf. De betrokkenheid van cliënten kan zowel
op individueel als op vertegenwoordigend niveau vorm krijgen. Op
individueel niveau kan dat bijvoorbeeld door vooraf de kwaliteit van de
dienstverlening te expliciteren (wat kan de klant verwachten) en te
normeren (bijvoorbeeld binnen hoeveel tijd na indiening van de
uitkeringsaanvraag wordt een beslissing genomen). Daarnaast kan,
bijvoorbeeld via klanttevredenheidsonderzoeken, worden gemeten hoe de
klant de verleende dienstverlening in de praktijk heeft ervaren.
Vertegenwoordigende betrokkenheid zal worden
gerealiseerd door het instellen van een centrale cliëntenraad voor
zowel het UWV, de SVB
als de CWI [zie Landelijke
Cliëntenraad (LCR), red.]. Deze cliëntenraden adviseren de
Raden van bestuur over cliëntenaangelegenheden waaronder in het
bijzonder de kwaliteit van de geboden dienstverlening.
Cliëntenparticipatie is onmisbaar voor een
organisatie die zich tot doel heeft gesteld om klantgericht te opereren.
Zowel vooraf bij het inrichten van de werkprocessen als achteraf (via de
genoemde klanttevredenheidsonderzoeken) kan aldus rekening worden
gehouden met de gecollectiveerde wensen en klachten van de klant.
Vandaar dat het van belang is dat juist de ervaringsdeskundigen hierbij
betrokken zijn en deel uitmaken van de delegatie van de
cliëntenorganisaties.
Cliëntenparticipatie krijgt in
dit wetsvoorstel een wettelijke basis voor
de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV en de
SVB. Voor de cliënten van de gemeenten
zal een vergelijkbare regeling gelden onder meer op basis van de Algemene
bijstandswet, de Wiw, de Ioaw
en de
Ioaz. In het kader van de Intentieverklaring
van VNG [Vereniging van Nederlandse gemeenten, red.]
en
SZW "Een gezamenlijke agenda voor de toekomst" zijn
hierover afspraken gemaakt die uiteraard in nauwe samenspraak met
cliëntenorganisaties zullen worden uitgewerkt. Hierdoor wordt bevorderd
dat bij het actief betrekken van de cliënt bij de uitvoering van het
beleid op het gebied van werk en inkomen zoveel mogelijk één lijn
wordt getrokken. Voorts ligt het voor de hand dat de RWI
cliëntenorganisaties betrekt bij de totstandkoming van het
beleidskader.
Aangezien het kabinet van mening is dat de primaire verantwoordelijkheid
voor het tot stand komen van een adequate cliëntenparticipatie bij
partijen zelf behoort te liggen, stelt het kabinet de volgende
benadering voor. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV en de
SVB
worden verplicht om ieder een regeling te treffen voor
cliëntenparticipatie en over de concrete activiteiten op dit gebied in
hun jaarverslag te rapporteren. Het onderhavige wetsvoorstel
bevat de eisen waaraan de door de uitvoeringsorganisaties op te stellen
regelingen in ieder geval moeten voldoen. Zo dient het overleg op
centraal niveau tussen de uitvoeringsorganisatie en de betreffende
cliëntenraad ten minste tweemaal per jaar plaats te vinden. Daarnaast
dient in ieder geval geregeld te worden dat de personen die namens de
cliëntenorganisaties deelnemen aan het overleg zelf onderwerpen kunnen
aanmelden, over de voor het overleg benodigde informatie kunnen
beschikken en betrokken worden bij de totstandkoming van het
meerjarenbeleidsplan, het jaarplan en het jaarverslag van het betrokken
bestuursorgaan. Voorts dienen zij in staat gesteld te worden op een
adequate manier aan het overleg deel te nemen, waarbij ten minste
aandacht besteed moet worden aan logistieke faciliteiten,
onkostenvergoedingen en deskundigheidsbevordering. Verder mogen
deelnemers aan rblz.|9|
het overleg hiervan geen benadeling ondervinden van de kant van de
uitvoeringsorganisatie.
Via
deze uniforme eisen wordt een gemeenschappelijk fundament gecreëerd
waarop door de uitvoeringsorganisaties in overleg met de
cliëntenorganisaties verder kan worden gebouwd en het noodzakelijke
maatwerk kan worden gerealiseerd. Daartoe zullen concrete afspraken
moeten worden gemaakt. Voorbeelden van dergelijke afspraken zijn:
• afspraken om naast het verplichte landelijke niveau ook op
regionaal, sectoraal en lokaal niveau te overleggen;
• afspraken over de faciliteiten die ter beschikking worden gesteld;
• afspraken over de onkostenvergoeding waarvoor men in aanmerking
komt;
• afspraken over concrete activiteiten.
In
het bovenstaande heeft het kabinet zijn visie op cliëntenparticipatie
uiteengezet over de wijze waarop de cliëntenparticipatie dient te
worden ingericht in de structurele situatie. De overgangsperiode die nu
voor ons ligt moet worden benut om hiernaar toe te groeien. Hier ligt
een belangrijke rol voor de Veranderorganisatie SUWI en de
cliëntenorganisaties die in nauw overleg de nadere concretisering voor
hun rekening zullen moeten nemen. Hierbij zal uiteraard gebruik worden
gemaakt van de ervaringen die hiermee zijn opgedaan door de huidige
uitvoeringsorganisaties. Daarnaast is er echter ruimte om in de vorm van
experimenten proefondervindelijk vast te stellen welke vormen van
cliëntenparticipatie de beste resultaten bieden. Hiervoor zal ook een
budget beschikbaar worden gesteld. Over de opzet en invulling van de
cliëntenparticipatie wordt de Kamer separaat geïnformeerd in het kader
van de aanwijzing van SUWI tot groot project.
Mocht de hierboven geschetste aanpak in de praktijk niet de gewenste
resultaten hebben, dan kunnen bij of krachtens AMvB alsnog nadere regels
worden gesteld waaraan door de uitvoeringsorganisaties moet worden
voldaan.
Deze brede, in de
SUWI-wetgeving verankerde, aanpak maakt een door sommigen bepleite
aparte Kaderwet voor cliëntenparticipatie op
SZW-gebied naar de mening van het kabinet overbodig. Door voor het
hele SZW-terrein zoveel mogelijk op de hiervoor genoemde lijn aan te
sluiten, wordt per saldo hetzelfde effect bereikt.
Wat
betreft de
klachtbehandeling bevat de Algemene
wet
bestuursrecht toereikende algemene bepalingen over de behandeling
van klachten in verband met "feitelijke gedragingen" van
bestuursorganen of ambtenaren. De organisaties zijn gehouden hieraan
invulling te geven, bijvoorbeeld door een klachtencommissie in te
stellen.
d. Samenwerking
Beleid en uitvoering op het terrein van werk en inkomen is geen zaak van
het kabinet alleen. Er is sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid
en van betrokkenheid van anderen, i.c. sociale partners en de gemeenten
als medeoverheden. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van kabinet,
sociale partners en gemeenten noopt tot samenwerking op veel gebieden.
Het geldt bijvoorbeeld voor de bevordering van een goede werking van de
arbeidsmarkt, voor het voorkomen van uitval uit het arbeidsproces (onder
andere door het arbeidsomstandighedenbeleid) en voor de reïntegratie
van arbeidsgehandicapten en werklozen met alle middelen die daarvoor ter
beschikking staan.
rblz.|10|
De verankering van de samenwerking tussen overheid en sociale partners
en tussen medeoverheden is naar het oordeel van het kabinet, mits juist
vormgegeven, één van de sterke elementen van het Nederlandse sociale
bestel. Er dient uiteraard helderheid te zijn en te blijven in de
onderscheiden verantwoordelijkheden. Die verantwoordelijkheden moeten
goed worden afgebakend en de samenwerking moet ook in de praktijk helder
en zonder vermenging van verantwoordelijkheden worden vormgegeven.
Het kabinet streeft ernaar door dit wetsontwerp
de samenwerking tussen alle betrokkenen op het terrein van werk en
inkomen vernieuwd en toekomstbestendig vorm te geven.
De samenwerking moet zowel op centraal
(landelijk) niveau als op regionaal niveau plaatsvinden. Op landelijk
niveau wordt een belangrijke plaats toebedacht aan de Raad voor
werk en inkomen waarin zowel sociale partners als gemeenten zitting
zullen hebben. Op regionaal niveau wordt een belangrijke rol toebedacht
aan regionale platforms waarin gemeenten, sociale partners en
uitvoeringsorganisaties elkaar zullen ontmoeten. Ook via het concept van
het bedrijfsverzamelgebouw, waarin met als kern het CWI-kantoor
zowel publieke als private partijen die werkzaam zijn op het gebied van
werk en inkomen zich kunnen vestigen, kan aan de gewenste bundeling en
afstemming een bijdrage worden geleverd.
Een
deel van het proces van uitkeringsbehandeling voor
WW- en Abw-gerechtigden,
namelijk de intake, wordt verricht door de CWI.
Zoals eerder in deze toelichting is aangegeven, wordt door deze
positionering de aanvrager van een uitkering direct geconfronteerd met
de mogelijkheden voor werk. Het streven is de kwaliteit van de
uitkeringsintake zodanig te laten zijn dat voor de claimbeoordeling geen
hernieuwd klantcontact nodig is. Dat laat onverlet dat het aan de
uitkerende instanties is om te bepalen of de klant opnieuw wordt
opgeroepen. Gemeenten en UWV
blijven dus formeel en materieel verantwoordelijk voor de
claimbeoordeling. Zowel bij de vaststelling van de uitkering als bij de
daaropvolgende activering en controle kunnen de gemeenten en het UWV zo
hun poortwachtersfunctie waarmaken.
In Service Niveau Overeenkomsten kunnen
aanvullende afspraken worden gemaakt tussen UWV, CWI en gemeente over de
kwaliteit en tijdigheid van de uitkeringsintake met als uitgangspunt om
de één-loketgedachte voor de klant zoveel mogelijk gestand te doen.
Afspraken over zaken die meer betreffen dan de basistaken en over de
aansluiting tussen CWI, gemeenten en UWV bij de uitkeringsafhandeling
kunnen in de praktijk vorm krijgen door middel van deze Service Niveau
Overeenkomsten. Dit biedt de ruimte voor het gewenste lokale maatwerk.
Het
inrichten van bedrijfsverzamelgebouwen vervult een belangrijke rol in
het kader van de samenwerking tussen de CWI, de
gemeenten en het UWV op het gebied van
werk en inkomen. Hier zullen bij voorkeur de cliëntcontacten dienen
plaats te vinden. Ook private ondernemingen, zoals
reïntegratiebedrijven, arbodiensten en uitzendbureaus kunnen zich in
een bedrijfsverzamelgebouw vestigen. Een CWI-kantoor maakt in ieder
geval deel uit van een dergelijk bedrijfsverzamelgebouw. Momenteel wordt
door de Veranderorganisatie SUWI gewerkt aan de verdere ontwikkeling van
het bedrijfsverzamelgebouwconcept, waarbij ook de financiering wordt
betrokken. Gemeenten krijgen een belangrijke stem in de daadwerkelijke
totstandkoming, waarbij uiteraard aangesloten dient te worden bij de
CWI-structuur. De Centrale organisatie werk en
inkomen is verantwoordelijk voor het onderbrengen van de CWI binnen
het concept van het bedrijfsverzamelgebouw. Dit laatste betekent dat er
nauw overleg met betrokken gemeenten dient te zijn om tot de keuze van
een geschikte lokatie te komen.
rblz.|11|
In de volgende twee schema’s zijn de veranderingen in de
uitvoeringsstructuur in beeld gebracht en komt de verregaande
vereenvoudiging van de nieuwe structuur duidelijk tot uitdrukking.

rblz.|12|

e. De nieuwe structuur
getoetst aan de criteria
In
het Nader Kabinetsstandpunt SUWI van januari 2000 zijn criteria
geformuleerd waaraan het in te richten uitvoeringsstelsel zou moeten
voldoen. Naar het oordeel van het kabinet voldoet het bovenstaand in
hoofdlijnen uiteengezette stelsel naar behoren aan de gestelde criteria:
• Effectiviteit. Het voorgestelde stelsel is duidelijk in de
toedeling van taken en verantwoordelijkheden. Er is een helder
vormgegeven samenwerking met sociale partners en gemeenten.
Er is een heldere verdeling van taken over publieke uitvoering en
private markt. Het nieuwe stelsel sluit logisch aan op de nu reeds in de
materiewetten neergelegde prikkels voor bevordering van de
arbeidsparticipatie. Het aantal (publieke) organisaties vermindert
aanzienlijk. De taakverdeling tussen hen is logisch en samenhangend. De
landelijke publieke organisaties zijn goed stuurbaar door de
minister, die daardoor zijn politieke verantwoordelijkheid beter kan
waarmaken. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de prikkel die uitgaat
van een concurrerende markt voor taken waarbij dat mogelijk en doelmatig
is. Het totaal van deze elementen wettigt naar het oordeel van het
kabinet de verwachting dat met het voorgestelde stelsel de effectiviteit
maximaal wordt bevorderd. Dit zal derhalve betekenen dat in de toekomst
het stelsel van sociale zekerheid een activerender karakter heeft, dat
het volume beter kan worden beheerst, terwijl zij die daarop recht
hebben op adequate wijze van een uitkering kunnen worden voorzien.
• Klantgerichtheid. Het nieuwe stelsel voorziet in één loket
voor ontslagwerklozen, bijstandsgerechtigden en overige werkzoekenden op
de CWI-lokatie. Het stelsel is er voorts op
gericht (o.m. door de opzet van een gemeenschappelijke
ICT-infrastructuur [ICT: informatie- en communicatietechnologie, red.])
een snelle, goede en op de persoon gerichte benadering van de cliënt
mogelijk te maken. De wettelijke informatiebepalingen en de
ICT-infrastructuur bevorderen de rblz.|13|
transparantie van de gegevensuitwisseling en daarmee de privacy.
Cliëntenparticipatie wordt geregeld.
• Doelmatigheid. De bundeling van alle taken op het terrein van
werk en inkomen in een beperkt aantal logisch samenhangende organisaties
draagt bij aan de doelmatigheid door schaalvoordelen en door de
vermindering van lagen en systeemovergangen. De uitbesteding van
preventie- en reïntegratietaken aan private reïntegratiebedrijven zal
door de werking van de markt eveneens bijdragen aan een doelmatiger
uitvoering. De doelmatigheid van de bedrijfsvoering van de publieke
instanties zal door een aantal maatregelen worden gestimuleerd. Zo
zullen de uitvoeringskosten van het UWV en
de Centrale organisatie werk en inkomen worden
gebudgetteerd. Voorts zal onder andere benchmarking worden ingezet. Op
centraal niveau zullen de verschillende vestigingen van de
uitvoeringsorganisaties met elkaar worden vergeleken, mede aan de hand
van kengetallen.
• Publieke
waarborgen. Door het scherpere onderscheid tussen publieke en
private taken en de verbeterde voorwaarden voor het uitoefenen van de
ministeriële verantwoordelijkheid voldoet het nieuwe stelsel aan de
benodigde publieke waarborgen.
• Beleidsmatige
aansturingsmogelijkheden. De minister krijgt alle noodzakelijke
instrumenten om aan te kunnen sturen en zo nodig bij te kunnen sturen.
• Toezichtbaarheid. De transparantie van de
uitvoeringsstructuur en de duidelijkheid in de verdeling van de taken en
verantwoordelijkheden die wordt aangebracht, hebben tot gevolg dat de
toezichtbaarheid van de uitvoering wordt vergroot.
• Reorganisatielasten. Dit is het enige criterium waaraan
slechts in een beperkte mate kan worden voldaan. De omvang van de
noodzakelijke veranderingen is groot. Het kabinet is zich ervan bewust
dat dit grote gevolgen heeft voor het personeel. Ook zullen de
transformatiekosten aanzienlijk zijn. Het kabinet meent echter dat deze
keus aldus moet worden gemaakt, omdat alleen op deze wijze een stelsel
kan worden gevormd dat goed aan alle overige criteria kan voldoen en dat
geacht kan worden toekomstbestendig te zijn. Bovendien zullen op termijn
substantiële schaalvoordelen kunnen worden gerealiseerd.
f. Kosten en baten
Het
onderwerp kosten en baten hangt direct samen met de voorgaand behandelde
criteria. De drie eerste criteria (effectiviteit, klantgerichtheid en
doelmatigheid) betreffen de baten. De kosten hebben met name betrekking
op de reorganisatielasten. In aanvulling op wat al is gesteld bij de
verschillende criteria volgen hierna echter nog enkele opmerkingen over
kosten en baten.
Effectiviteit en klantvriendelijkheid
Vergroting van de effectiviteit betekent ceteris paribus dat de
uitkeringslasten lager zullen zijn. Dit wordt verwacht als resultaat van
de nieuwe structuur. De elementen in de structuur die daarbij naar
verwachting een positief effect hebben zijn onder meer: het
vooropstellen van werk bij de benadering van cliënten in de Centra voor
werk en inkomen, de versterking van de door het UWV
te vervullen poortwachtersfunctie, de versterking van de
claimbeoordeling, de betere en snellere inzet van beschikbare
reïntegratiemiddelen zowel door het sneller en meer doelgericht
opereren van de publieke organisaties als door de werking van de
concurrentie op de reïntegratiemarkt, de ICT-toepassingen die onder
andere snellere procedures en een betere handhaving mogelijk zullen
maken, enz. Het is echter moeilijk om deze effecten te voorspellen. Er
kan immers geen vergelijking plaatsvinden met alternatieve
ontwikkelingen en de volumes worden ook beïnvloed rblz.|14|
door andere variabelen, zoals de effecten van al gerealiseerde wetgeving
(Wet Rea, Pemba, FWI)
en conjunctuurontwikkelingen. Getracht zal worden wel enige indicatie te
verkrijgen door vóór invoering van de SUWI-wetgeving
een aantal basisvariabelen, zoals cliënten per doelgroep, plaatsingen,
gemiddelde uitkeringsduur, enz., te meten en de ontwikkeling van deze
variabelen structureel te volgen.
Voor wat betreft de klantvriendelijkheid zal
worden getracht via enquêtes de ontwikkeling daarin te volgen en
eveneens een vergelijking met de situatie vóór en ná de invoering van
de SUWI-wetgeving te maken.
Efficiency
Verbetering van de efficiency betekent lagere uitvoeringskosten. Zoals
hiervoor bij dit criterium al is aangegeven wordt verwacht dat ook dit
effect zich zal voordoen. Hierbij spelen onder andere schaalvoordelen,
de vermindering van systeemovergangen en van uitvoeringslagen een rol.
Ook kan worden aangenomen dat de opzet van een goede ICT-structuur tot
structurele kostenbesparingen zal leiden. De structurele
kostenbesparingen zullen hun vertaling vinden in een lagere
personeelsomvang, lagere huisvestingskosten als gevolg daarvan en
mogelijkerwijs ook lagere structurele exploitatielasten van
ICT-investeringen. De omvang van deze besparingen zijn in principe, in
elk geval achteraf, meetbaar.
De overgang van het bestaande naar het nieuwe
stelsel betekent dat incidenteel transformatiekosten moeten worden
gemaakt. De belangrijkste componenten van deze kosten zijn de bouw
respectievelijk aanpassing van ICT-systemen, personele kosten (onder
andere voor sociale plannen en scholing), (gedeeltelijk)
herhuisvestingskosten, alsmede de kosten van het management van het
transformatieproces.
Om enige indicatie te verkrijgen van zowel de
mogelijke structurele kostenbesparingen als van de incidentele
transformatiekosten heeft het kabinet een drietal externe bureaus
gevraagd ter zake indicaties te geven. De bureaus bevestigden de boven
weergegeven verwachtingen: structureel liggen niet onbelangrijke
kostenbesparingen in de rede; incidenteel zullen er belangrijke
transformatiekosten zijn. De uitkomsten en de mate van onderbouwing die
de bureaus, uitgaande van de hen ter beschikking staande gegevens,
konden geven, waren te globaal om tot concrete ramingen te komen. De
genoemde indicaties (en daarmee samenhangende beschouwingen) van de
bureaus waren echter nuttig voor de ontwikkeling door het kabinet van de
verdere aanpak van het SUWI-project.
Ten behoeve van de financiering van de
transformatiekosten heeft het kabinet voorshands binnen de
meerjarenramingen (2000 t/m 2004) een bedrag van ƒ825 mln gereserveerd.
Jaarlijks zal in het kader van de begrotingsvoorbereiding worden bezien
of er reden is dit bedrag aan te passen. Voor de aanwending van dit
bedrag gelden bestedingsprocedures, waarvan de kern is dat uitsluitend
voor goed onderbouwde en zorgvuldig inhoudelijk afgewogen deelprojecten,
die passen binnen de totale structuur en planning van het SUWI-project,
middelen ter beschikking zullen worden gesteld. In het kader van de
aanwijzing van SUWI tot "groot project" zal ook de Tweede
Kamer ter zake periodiek worden geïnformeerd. Een nadere kwantificering
op onderdelen wordt mogelijk zodra de contouren van de nieuwe
uitvoeringsorganisatie, die zijn geschetst in het zogeheten "grofontwerp",
nader zijn uitgewerkt waardoor onder meer inzicht kan worden geboden in
de voorgenomen ICT-aanpassingen.
Bedrijfseffecten en administratieve lasten
werkgevers
Eén van de doelstellingen van de SUWI-voornemens is om de
administratieve lasten voor werkgevers zoveel mogelijk te beperken en
ook richting werkgevers een klantvriendelijke uitvoeringsorganisatie te
creëren. De rblz.|15|
gevolgen voor werkgevers zijn per domein verschillend. Per domein zal
daarom nader worden ingegaan op de invloed die de voorstellen uitoefenen
op werkgevers.
De UWV-vorming
zal met name door de stroomlijning en de verdergaande automatisering van
de gegevensuitwisseling de informatieleverantie van werkgevers
vereenvoudigen en de administratieve lasten op dit punt doen afnemen.
Naast de wettelijke taken van het UWV is in dit kader ook de uitvoering
van niet-wettelijke taken een factor van betekenis. Doordat het kabinet
voornemens is het UWV toe te staan bestaande CAO-regelingen te blijven
uitvoeren (zie paragraaf III.3), wordt ook langs die
lijn een bijdrage aan administratieve lastenbeperking geleverd. Bij de
uitwerking van deze voornemens zal ook gebruik worden gemaakt van de
aanbevelingen van de Commissie Administratieve Lasten ("Regels
zonder overlast", 1999). De Commissie ziet vooral in de extra inzet
van ICT en de verbetering van de gegevensuitwisseling mogelijkheden om
de lasten te verminderen.
De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt
opgeheven. De publieke arbeidsbemiddeling gaat over naar de CWI-organisatie.
Hieruit vloeien geen bijzondere effecten voor werkgevers voort. Wel
wordt beoogd met de CWI-vorming de inspanningen van werkgevers bij de
werving van personeel extra te faciliteren. Zo zal de CWI-organisatie
onder meer de nationale sollicitantenbank beschikbaar stellen en staan
in een "bedrijfsverzamelgebouw" alle faciliteiten ter
beschikking van de werkgever.
De
te verwachten gevolgen van de voornemens op het gebied van de
reïntegratie worden hieronder belicht.
Onder invloed van het ontstaan van een private,
dynamische en niet-bureaucratische reïntegratiemarkt zullen naar
verwachting betere resultaten worden geboekt. Dat heeft een positief
gevolg voor de premielasten. Met name voor de reïntegratiebedrijven
zijn de SUWI-voornemens rechtstreeks van invloed. Zij krijgen meer
mogelijkheden om onder invloed van de verruiming van de marktwerking
activiteiten te ontplooien. De toetredingsdrempels worden verlaagd door
de uitvoering van de "klassieke" taken op het gebied van de
werknemersverzekeringen exclusief in het publieke domein te positioneren
en door de uitbesteding van de reïntegratieactiviteiten.
Ook voor de arbodiensten worden meer
mogelijkheden geboden om het dienstenpakket te verbreden richting
reïntegratieactiviteiten bij een andere werkgever.
Daarnaast is de opdrachtgeverrol die de
werkgever (met instemming van zijn werknemers) krijgt met betrekking tot
de reïntegratie van arbeidsgehandicapten bij een andere werkgever van
belang. Hieraan zullen administratieve lasten zijn verbonden, door de
verplichting om een contract af te sluiten met een reïntegratiebedrijf
en de informatieverplichting hierover richting het UWV.
Werkgevers kunnen in aanmerking komen voor Rea-subsidies
van het UWV. Deze subsidies zijn bedoeld ter financiering van
reïntegratietrajecten en andere inspanningen gericht op de
reïntegratie van arbeidsgehandicapten, maar kunnen tevens worden benut
ter dekking van de door de werkgever gemaakte kosten. Door de combinatie
van inspannings- en resultaatfinanciering van reïntegratietrajecten
gericht op de reïntegratie van werknemers bij een andere dan de eigen
onderneming, zal een opdrachtnemer (reïntegratiebedrijf) naar de mate
waarin in meer gevallen wordt herplaatst een gemiddeld hogere vergoeding
ontvangen.
Werkgevers zullen ook incidentele aanpassingskosten moeten maken om de
opdrachtgeversrol goed te kunnen vervullen. Bij de verdere uitwerking
van de voorstellen zal worden bezien op welke wijze deze lasten zoveel
mogelijk kunnen worden beperkt (bijvoorbeeld via het aansluiten bij
ervaringen rblz.|16|
rond contractering van arbodiensten en het benutten van mogelijkheden om
de activiteiten van het reïntegratiebedrijf te zien in het verlengde
van de activiteiten van de arbodienst).
Per
saldo mag een positief effect worden verwacht op de administratieve
lasten van werkgevers onder invloed van de maatregelen die in SUWI-kader
worden voorgesteld. Met name de stroomlijning van de gegevensleverantie
door werkgevers zal hierbij een belangrijke rol spelen. Uit
becijferingen van het EIM, in opdracht van de Commissie Administratieve
Lasten, blijkt dat de mogelijke lastenvermindering in het kader van
ICT-toepassingen en gegevensuitwisseling op socialeverzekeringsterrein
aanzienlijk kan zijn.
Daarnaast wordt de dienstverlening aan
werkgevers verbeterd en biedt de verruiming van de marktwerking
mogelijkheden voor het terugdringen van de premielasten. Voor
reïntegratiebedrijven en arbodiensten ontstaan nieuwe kansen in een
dynamische markt.
g. Evaluatie
Gezien de complexiteit en de ingrijpendheid van de veranderingen die SUWI
met zich meebrengt, ligt een uitgebreide proces- en effectevaluatie
voor de hand. Aangezien de implementatie van de SUWI-plannen een lange
periode in beslag neemt, zullen structurele effecten pas na enige jaren
optreden. Ten behoeve van de evaluatie zal een set indicatoren opgesteld
worden die in de tijd gevolgd wordt. Daarnaast is uiteraard inzicht
gewenst in de implementatie en de eerste effecten op een aantal
deelterreinen. Over de voortgang van de implementatie wordt in eerste
instantie bericht in het kader van de rapportages over het "groot
project SUWI". Na invoering van de Wet SUWI zullen de eerste jaren soortgelijke rapportages blijven
verschijnen. Ten slotte vraagt een aantal deelterreinen om een
tussentijdse evaluatie. In ieder geval betreft het hier de wording van
de reïntegratiemarkt, de invoering van het
CliëntVolgCommunicatieStelsel (CVCS), de claimbeoordeling en de
samenwerking tussen organisaties. De uitwerking van de plannen wordt
uiteraard afgestemd met lopende en geplande evaluaties op aanpalende
terreinen.
4.
Overgangsfase
De veranderingen die de SUWI-voornemens met
zich meebrengen zijn ingrijpend.
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie
wordt gesplitst in een publiek en een privaat deel. Het publieke deel
gaat de kern vormen van de nieuw op te richten Centrale organisatie werk en
inkomen, waar de publieke arbeidsbemiddeling gaat plaatsvinden. Het
deel van Arbeidsvoorziening dat zich bezighoudt met reïntegratie wordt
geprivatiseerd en moet gaan concurreren met andere private aanbieders
van reïntegratieactiviteiten. De uvi’s
die thans de werknemersverzekeringen uitvoeren, worden uit de holdings
losgemaakt en uiteindelijk samengevoegd tot één organisatie, het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV). De taken van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) worden voor het merendeel bij het UWV ondergebracht. Voorts gaan
taken van de
gemeenten (met betrekking tot de intake van gegevens voor het
verkrijgen van een bijstandsuitkering) over naar de Centrale organisatie
werk en inkomen, gaat het CWI het
vervolggesprek fase-4 uitvoeren en worden gemeenten verantwoordelijk
voor de reïntegratie van Anw-ers en
niet-uitkeringsgerechtigden.
De wijzigingen voor de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) zijn relatief beperkt en hebben met name betrekking op de
bevoegdheden van de
minister ten opzichte van de SVB en op de bestuurlijke inrichting
van de SVB.
rblz.|17|
Bij de uitvoering van de voornemens moet de grootst mogelijke
zorgvuldigheid worden betracht. De Veranderorganisatie SUWI, een apart
onderdeel van het ministerie van SZW, voert
de regie over het veranderproces. De Veranderorganisatie SUWI is
verantwoordelijk voor het vernieuwen van de uitvoeringsorganisatie en
het - in nauwe afstemming met de bestaande organisaties - waarborgen van
het evenwicht tussen de vernieuwingen en het handhaven en waar mogelijk
het verbeteren van de huidige dienstverlening. Tijdens het
veranderproces dient immers de kwaliteit van de dienstverlening door de
uitvoeringsorganisaties gewaarborgd te zijn. Uitgangspunten bij de
reorganisatie zijn: snel en zorgvuldig, van "grof" naar
"fijn", top-down, maar met voldoende ruimte voor regionale en
sectorale differentiatie, transparantie voor en participatie van
betrokkenen. Over de voortgang van het veranderproces wordt de Kamer
uitvoerig gerapporteerd in het kader van de aanwijzing van SUWI tot
"groot project".
5.
Commentaar van bij SUWI betrokken organisaties
Het kabinet heeft met het oog op de beoordeling van de
uitvoerbaarheid van dit wetsontwerp advies c.q. commentaar gevraagd en
ontvangen van het Ctsv, het CBA,
de
VNG, het Lisv,
de SVB, de Stichting van de Arbeid, de Algemene
Rekenkamer, Actal en de Registratiekamer [zie College bescherming persoonsgegevens, red.].
Gezien de korte periode die hiervoor beschikbaar was, heeft het kabinet
grote waardering voor de verstrekte adviezen. De adviezen bevatten vele
constructieve voorstellen die in dank zijn aanvaard. Dit heeft geleid
tot een groot aantal wijzigingen van het eerste voorontwerp. Daarnaast
heeft het kabinet gebleken onduidelijkheden verhelderd door aanpassing
en aanvulling van de tekst van de memorie van toelichting. In het
vervolg van deze paragraaf wordt ingegaan op de hoofdpunten uit de
ontvangen commentaren.
Raad voor werk en inkomen
De
reacties van de Stichting van de Arbeid over de voorgestelde inrichting
van de RWI hebben geleid tot een andere
vormgeving van de RWI die de instemming heeft van alle partijen die
zitting zullen nemen in de Raad, i.c. gemeenten,
werkgevers- en
werknemersorganisaties. De RWI wordt een
overlegorgaan dat onder meer tot taak heeft om jaarlijks een
beleidskader voor werk en inkomen op te stellen. Deze en de overige
taken van de RWI worden nader toegelicht in hoofdstuk II
van deze memorie.
Toezicht
In
dit wetsvoorstel kiest het kabinet ervoor om
het toezicht op de gemeenten, de CWI,
het UWV en de
SVB te bundelen en onder te brengen bij de Minister van SZW.
Zoals nader wordt beargumenteerd in hoofdstuk V van
deze memorie, is een belangrijk argument hiervoor dat aldus integraal
toezicht kan worden uitgeoefend op de gehele uitvoeringsstructuur werk
en inkomen, dat wil zeggen op de gemeenten, de CWI, het UWV en de SVB.
Zowel het Ctsv als het CBA,
de
VNG, het Lisv,
de SVB en de Stichting van de Arbeid zijn voorstander van integraal
toezicht. Ook zijn zij eensgezind in het onderstrepen van de
noodzakelijke onafhankelijkheid waarmee het toezicht moet worden
uitgeoefend. De meningen blijken echter te verschillen wat betreft de
positionering van het toezicht. De VNG pleit voor positionering van het
toezicht bij de minister. Het CBA en het Lisv doen op dit punt geen
duidelijke uitspraak. De SVB pleit voor een strikte scheiding tussen
sturing (vooraf) en toezicht (achteraf). Het Ctsv noemt in zijn advies
concrete waarborgen (bijvoorbeeld de autonome oordeelsvorming;
openbaarheid van producten en aanbieding ervan aan het parlement; een in
belangrijke mate door de toezichthouder opgesteld werkprogramma) voor
een onafhankelijke taakuitoefening.
rblz.|18|
De door het Ctsv genoemde waarborgen sporen
in grote lijnen met de inzichten van het kabinet op dit punt en vormen
daarop een welkome aanvulling. Dit heeft ertoe geleid dat meer aspecten
van het toezicht thans in het wetsvoorstel
zelf worden geregeld in plaats van, zoals oorspronkelijk beoogd, via
nadere regelgeving. Voorts heeft een verdere explicitering
plaatsgevonden van hoofdstuk V van deze memorie.
Daarnaast heeft het kabinet met instemming kennis genomen van het
merendeel van de door het Ctsv in zijn advies genoemde kernproducten die
door een toezichthouder dienen te worden geleverd. Zij zullen een
belangrijke rol spelen bij de verdere inrichting van het toezicht, zoals
dat nader staat beschreven in hoofdstuk V van deze
toelichting.
Het
Ctsv stelt voor de toezichtsfunctie onder
te brengen bij een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Het college
betwijfelt namelijk of een toezichthouder, die als aparte entiteit deel
uitmaakt van het ministerie, zich een
voldoende geloofwaardige, dat wil zeggen onafhankelijke, positie kan
verwerven. Zelfs indien overigens aan alle waarborgen voor een
onafhankelijke taakuitoefening zou zijn voldaan. Het argument dat
ZBO-gepositioneerd toezicht op gemeenten als
niet passend bij de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen moet worden
beschouwd, acht het Ctsv niet overtuigend.
Het kabinet blijft van oordeel dat het niet
past bij de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen om het toezicht op
gemeenten onder te brengen bij een ZBO. Het is gebruikelijk en
aangewezen dat het bestuurlijk toezicht op medeoverheden (provincies
en gemeenten) wordt uitgeoefend door een "hogere" bestuurslaag
(artikel 136 Grondwet
en artikel 268 Gemeentewet).
Op de argumenten van het kabinet voor onderbrenging van het toezicht bij
het departement wordt nader ingegaan in hoofdstuk V
van deze toelichting. Zoals daaruit blijkt, meent het kabinet dat bij
positionering binnen het departement wel degelijk de benodigde
onafhankelijkheid in de oordeelsvorming kan worden gerealiseerd.
Het
Ctsv is voorts van mening dat het toezicht
zich ook zou moeten uitstrekken tot de bijdrage van arbodiensten en
reïntegratiebedrijven aan de publieke doelen. Daartoe dient de
toezichthouder toegangsrecht tot de arbodiensten en de
reïntegratiebedrijven te hebben.
Bovendien zou de Minister van
SZW, aldus het Ctsv, de mogelijkheid moeten hebben om nadere regels
te stellen met betrekking tot de kwaliteit van de
reïntegratiebedrijven. De Stichting van de Arbeid merkt in dit verband
op dat het niet stellen van kwaliteitseisen (en het houden van toezicht
daarop) risico’s inhoudt voor de taak van de RWI
om de kwaliteit en de transparantie van de reïntegratiemarkt te
bevorderen.
Ook het kabinet hecht groot belang aan een
adequate kwalitatief hoogwaardige dienstverlening door de
reïntegratiebedrijven. De betrokken partijen moet - binnen een aantal
randvoorwaarden - de kans worden geboden om deze betrekkelijk nieuwe
markt vorm te geven, ook in kwalitatieve zin. De kwaliteit van de
reïntegratieactiviteiten kan naar de mening van het kabinet het beste
gewaarborgd worden door toezicht op de doelmatige en rechtmatige
besteding van publieke middelen door de opdrachtgevers, het
bewerkstelligen van transparantie door voldoende informatievoorziening
door de opdrachtgevers aan de minister en de RWI en het stellen van
eisen aan de contracten die opdrachtgevers afsluiten. Het wordt onjuist
geacht om rechtstreeks kwaliteitseisen te stellen aan
reïntegratiebedrijven en toezicht te houden op de reïntegratiemarkt,
zoals het Ctsv en de Stichting voorstellen. Het stellen van
kwaliteitseisen kan een drempel opwerpen voor de vrije toetreding tot de
reïntegratiemarkt en kan leiden tot bureaucratisering en verstarring
van een markt die juist dynamisch en innovatief dient te zijn.
rblz.|19|
Bevoegdheden Minister van SZW
Een
aantal organisaties (Ctsv, CBA, SVB)
is van mening dat de invloed van de Minister van SZW
op de ZBO’s te groot is. Het kabinet wil benadrukken dat de
betreffende organisaties hun eigen - aan de wet ontleende - bevoegdheden
en verantwoordelijkheden hebben. In het voorliggende
wetsvoorstel zijn bepalingen opgenomen die de Minister van SZW de
mogelijkheid geven te sturen en, indien nodig, bij te sturen. Bij het
vorm-geven van de sturingsrelatie tussen de minister en de ZBO’s is
aangesloten bij de komende Kaderwet ZBO’s. Uit deze kaderwet vloeit
rechtstreeks voort dat de Minister van SZW de uitvoeringsbudgetten
vaststelt en een aanwijzingsbevoegdheid krijgt. In gebruikelijke
bestuurlijke verhoudingen zal overigens niet of nauwelijks gebruik
worden gemaakt van de aanwijzingsbevoegdheid. De meeste afspraken worden
immers gemaakt in goed overleg tussen minister en ZBO’s, bijvoorbeeld
door middel van regulier overleg tussen de minister en de ZBO’s aan de
hand van de ingediende jaarplannen, kwartaalverslagen e.d.
Positie Raden van advies
Door enkele organisaties is de positie van de Raden van advies binnen de
nieuw te vormen organisaties aan de orde gesteld. Het Ctsv
vindt de daadwerkelijke invloed van de Raden van advies op grond van het wetsvoorstel
onduidelijk. In het kader van "checks and balances" acht het
Ctsv een versterking van de positie van de Raden van advies nodig. De
SVB komt tot een vergelijkbaar oordeel, terwijl het Lisv
de in het wetsvoorstel gemaakte keuze juist ondersteunt.
Ook het kabinet hecht aan de totstandkoming van
een systeem van checks and balances binnen de ZBO’s. Naar de mening
van het kabinet biedt het wetsvoorstel daar ook de basis voor. Zoals het
Ctsv in zijn advies terecht opmerkt, dient de Raad van advies door de
Raad van bestuur betrokken te worden bij zwaarwegende aspecten van het
functioneren van de organisatie, zoals het meerjarenbeleidsplan, het
jaarplan, de begroting, de jaarrekening (inclusief de
doelmatigheidsrapportage) en het jaarverslag. De Raad van bestuur is
verplicht het advies van de Raad van advies bij te voegen bij aanbieding
van de hierboven genoemde documenten aan de
minister. Hierdoor zal de Raad van advies de gewenste invloed kunnen
hebben op de inhoud van deze documenten. Daarnaast is de Raad van
bestuur verplicht om de Raad van advies alle gegevens te verstrekken die
de Raad van advies nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Op
basis van deze wettelijke bepalingen kan de Raad van advies derhalve wel
degelijk de belangrijke rol vervullen die hem in het wetsvoorstel wordt
opgedragen. Een uitbreiding van de bevoegdheden van de Raden van advies
is derhalve niet nodig en zou bovendien leiden tot onduidelijkheid over
de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de wettelijke taken,
die nadrukkelijk berust bij de Raden van bestuur.
De taak- en verantwoordelijkheidsafbakening
tussen de SUWI-organisaties
Een
aantal organisaties heeft hierover opmerkingen gemaakt. Het CBA
en het Lisv
hebben opgemerkt dat er geen sprake kan zijn van enige vrijblijvendheid
bij de samenwerking tussen de organisaties. Het Lisv en de Stichting van
de Arbeid signaleren enige onduidelijkheden in de taakafbakening tussen RWI
en UWV op het gebied van het
uitvoeringsbeleid. De VNG pleit voor meer
maatwerk bij de inrichting van de CWI en stelt
voor de gemeenten een groter aandeel te geven
in de uitkeringsintake. Zoals in paragraaf 3 van deze inleiding
is uiteengezet, is samenwerking tussen overheid en sociale partners en
tussen medeoverheden, mits juist vormgegeven, één van de sterke punten
van het Nederlandse bestel. rblz.|20|
Voorwaarde is wel dat volstrekt helder moet zijn hoe de
verantwoordelijkheden tussen organisaties zijn verdeeld. Het kabinet
onderschrijft geheel de opvatting van het Lisv en het CBA dat er op dit
punt geen sprake kan zijn van enige vrijblijvendheid. Om die reden is in de
wet een verplichting tot samenwerking opgenomen. Daarnaast zal de
nadere uitwerking die aan deze samenwerkingsverplichting moet worden
gegeven in nadere regels worden vastgelegd.
Het
UWV krijgt in
het wetsvoorstel tot taak beleidsvoornemens
op uitvoerbaarheid te beoordelen. Het Lisv
acht het niet juist dat deze taak integraal bij het UWV wordt gelegd,
omdat het UWV, volgens het Lisv, alleen over techniek behoort te gaan.
Voor zover "uitvoerbaarheid" beleidsaspecten bevat, zou de RWI
daarover moeten adviseren. Ook de Stichting van de Arbeid is van mening
dat in de
wet bepaald moet worden dat de RWI de
minister voorstellen kan doen aangaande beleidsmatige aspecten in
het uitvoeringsbeleid op het gebied van werk en inkomen.
Naar aanleiding van deze reacties heeft het
kabinet de taken van de RWI en het UWV in onderlinge samenhang opnieuw
bezien. Dit heeft ertoe geleid dat het kabinet in aanvulling op zijn
eerdere voornemens thans voorstelt om de RWI niet alleen voorstellen te
laten doen met betrekking tot de premies wachtgeldfondsen en de indeling
van het bedrijfs- en beroepsleven, maar de Raad ook te betrekken bij
beleidsvoornemens die in de uitvoering aanmerkelijke administratieve
consequenties kunnen hebben voor werkgevers.
De
VNG pleit voor meer maatwerk bij de
inrichting van de CWI. Het kabinet onderschrijft
het algemene uitgangspunt dat er met het oog op een optimale
dienstverlening aan de cliënt zoveel mogelijk maatwerk moet kunnen
worden geleverd. Dit uitgangspunt geldt ook voor de inrichting van de
CWI, maar binnen de randvoorwaarde dat er een uniform basismodel voor
alle CWI-kantoren moet worden
geïmplementeerd. Het CBA is eveneens de
mening toegedaan dat er een uniform basismodel dient te worden
geïmplementeerd. Met dit uniforme basismodel als uitgangspunt kunnen op
regionaal niveau door CWI, gemeenten en UWV
aanvullende afspraken worden gemaakt om te komen tot de gewenste
regionale en lokale differentiatie.
De
VNG stelt voor de gemeenten een groter
aandeel te geven in de uitkeringsintake conform de taakafbakening op
grond van het huidige samenwerkingsbesluit. Volgens de VNG vloeit dit
logisch voort uit de poortwachtersfunctie van de gemeente.
Kernpunt voor de VNG is het geringe belang dat de CWI
zouden hebben bij de uitvoering van deze taken. Ook het afsluiten van
zogeheten Service Niveau Overeenkomsten zal hiervoor geen afdoende
oplossing bieden, aldus de VNG. Het voorstel van de VNG betekent dat de
CWI de centrale positie in het kader van werk en inkomen zouden
verliezen. De doelstelling van werk boven inkomen is ermee gediend dat
gedurende het gehele proces alle kansen op werk worden benut. Zowel bij
de vaststelling van (het recht op en de hoogte van) de uitkering als bij
de daaropvolgende activering en controle kunnen de gemeenten (en het UWV)
hun poortwachtersfunctie waarmaken. Het kabinet is het oneens met de
stelling dat de CWI onvoldoende belang zou hebben bij de uitvoering van
de uitkeringsintake. Het betreft hier immers een bij wet opgedragen taak
die bovendien aan toezicht onderhevig is. In lagere regelgeving zal
worden vastgelegd welke gegevens dienen te worden geregistreerd, binnen
welke termijn en van welke kwaliteit. Ook hier is dus geen sprake van
enige vrijblijvendheid. De Service Niveau Overeenkomsten zijn bedoeld om
afspraken vast te leggen die in aanvulling op de wettelijke taken op
regionaal of lokaal niveau zijn gemaakt tussen de betrokken organisaties
(CWI, gemeenten en UWV).
rblz.|21|
Regionale platforms
De
VNG pleit voor een verdergaande wettelijke
verankering van de regionale platforms. Het CBA
is van mening dat de rol van de platforms geëxpliciteerd moet worden.
De Stichting van de Arbeid is voorstander van een centrale regie op de
totstandkoming van de regionale platforms. Deze platforms, die in de
visie van de Stichting uitsluitend zouden moeten bestaan uit
vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en gemeenten,
zouden het arbeidsmarktbeleid in de regio moeten coördineren en een
kader moeten bieden waarbinnen gemeenten, werkgevers en werknemersorganisaties
op lokaal/regionaal niveau arbeidsmarktbeleid en middelencoördinatie
kunnen effectueren. De feitelijke uitvoering van het beleid, aldus de
Stichting, zou uitbesteed moeten worden aan private
reïntegratiebedrijven c.q. opleidingsinstellingen.
Het
platform heeft een belangrijke overleg- en afstemmingsfunctie op het
gebied van regionale (arbeidsmarkt)vraagstukken. Het kabinet is van
mening dat een wettelijke verankering en een centrale regie op de
totstandkoming van de regionale platforms niet nodig is. Aan de
gemeenten wordt gevraagd het initiatief te nemen voor het oprichten
van regionale platforms en daarbij alle partijen te betrekken die een
rol spelen in het regionale (arbeidsmarkt)beleid. Naast de door de
Stichting genoemde partijen zouden dat onder meer ook
reïntegratiebedrijven, uitzendbureau’s en ROC’s [Regionale Opleidingen
Centra, red.] kunnen zijn. Om een landelijk dekkend stelsel
te krijgen, ligt het voor de hand dat de regionale platforms aansluiten
bij de CWI-structuur.
Momenteel wordt bestudeerd of een financiële
stimuleringsregeling dient te worden getroffen. Bij of krachtens AMvB
kunnen nadere regels worden gesteld als er geen landelijk dekkend
stelsel van regionale platforms tot stand komt.
Cliëntenparticipatie
Met
name het
Lisv heeft in zijn commentaar uitgebreid
aandacht besteed aan de positie van de cliënt en cliëntenparticipatie.
Terecht heeft het Lisv erop gewezen dat de positie van de cliënt niet
eenzijdig vanuit de optiek van de organisatie dient te worden benaderd.
Het kabinet onderschrijft dat voor de relatie tussen cliënt en
uitvoering vooral ook de invalshoek van de individuele cliënt van
belang is. Juist daardoor kenmerkt zich een klantgerichte organisatie
van de uitvoering. De betreffende passages in de memorie van toelichting
zijn mede naar aanleiding van genoemde opmerkingen aangevuld. Overigens
vat het kabinet de opmerkingen van het Lisv op als een ondersteuning
voor zijn keuze om cliëntenparticipatie per uitvoeringsorganisatie
gestalte te laten krijgen.
Administratieve lasten
Het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) concludeert in
zijn advies over het SUWI-wetsvoorstel dat
"de kans op toename van de administratieve lasten als gevolg van
onderdelen van het wetsvoorstel SUWI groot is". Het College baseert
zich hierbij op een onderzoeksrapport van het EIM ("De gevolgen van
SUWI voor administratieve lasten van bedrijven", Zoetermeer,
november 2000).
De studie, die in opdracht van Actal is
uitgevoerd, bevat naar de mening van het kabinet een aantal verstorende
factoren. Zo worden de door het EIM verwachte gevolgen van maatregelen
die niet tot het SUWI-voorstel behoren (met name de voornemens in het
kader van "Verbetering poortwachter
WAO" en "Vereenvoudiging dagloon- en
premie-inningssystematiek"), mede in beschouwing genomen. Ook wordt
een te sterke parallel getrokken met de arbodienstverlening en worden
kosten gepresenteerd rblz.|22|
die niet tot de administratieve lasten behoren of waar een vergoeding
voor de werkgevers tegenover staat.
Het onderzoek is daarmee volgens het kabinet
slechts beperkt bruikbaar en bevat een sterke overschatting van de extra
kosten voor werkgevers. De concrete aanbevelingen van Actal om de lasten
te verminderen, waaronder een verdergaande geautomatiseerde
gegevensaanlevering, het gebruik van sofinummers en een
lastenverminderende invulling van lagere regelgeving, neemt het kabinet
over. Voorts zal bij de nadere vormgeving van de reïntegratiemarkt
verlaging van de administratieve lastendruk een belangrijk aandachtspunt
zijn.
Mede tegen deze achtergrond is het advies van
Actal geen aanleiding voor het kabinet om de verwachting dat op termijn
een lastenverlichting mag worden verwacht, bij te stellen.
6.
Opbouw van de regelgeving
Dit wetsvoorstel beperkt zich tot de
regeling in hoofdlijnen van de instituties die, tezamen met de gemeenten,
de uitvoeringsstructuur voor werk en inkomen vormen. Deze hoofdlijnen
betreffen: de bestuurlijke en organisatorische inrichting, de taken en
bevoegdheden, de onderlinge relaties van deze instituties, de cycli ten
aanzien van jaarplannen, begrotingen en verantwoordingsdocumenten, de
financiering (uitvoeringskosten), de ministeriële bevoegdheden en het
toezicht. Tot de hoofdlijnen worden eveneens gerekend de
inspanningsverplichting van de instituties om vorm en inhoud te geven
aan de cliëntenparticipatie en de regeling van kernpunten aangaande het
gegevensverkeer en de informatierelaties. Ook voor de taken die de
gemeenten vervullen op het terrein van werk en inkomen heeft deze
herstructurering gevolgen (zie
paragraaf III.3 van deze memorie). Eén en ander wordt geregeld
door wijziging van de betreffende materiewetten
(via de Invoeringswet SUWI).
Het
voorgaande impliceert dat het onderhavige wetsvoorstel
niet het proces van dienstverlening reguleert en evenmin de meer
specifieke regelingen op de genoemde aspecten geeft die voor een
adequaat functioneren van de uitvoering in de dagelijkse praktijk
niettemin wel noodzakelijk zijn. Deze op de processen (aangaande
uitvoeringshandelingen, administratieve zaken e.d.) en op de meer
specifieke onderdelen van het bestuurlijk functioneren gerichte regels
zullen in nadere regelgeving worden neergelegd. Er wordt hierbij naar
gestreefd de nadere regelgeving eveneens tot het noodzakelijke te
beperken en te groeperen tot samenhangende en overzichtelijke
regelingen.
Daar waar zaken aan de orde zijn van meer
principiële (niet-technische) aard is gekozen voor regeling primair op
het niveau van de algemene maatregel van bestuur. Dit is bijvoorbeeld
het geval ten aanzien van de samenwerking tussen de instituties en de
uitwerking van de cliëntenparticipatie. Daar waar nadere regels niet
gemist kunnen worden en overwegend technisch, gedetailleerd of
praktijkgericht zijn, of in hoofdzaak betrekking hebben op te regelen
routinematige aangelegenheden dan wel een uitwerking zijn van hetgeen op
hoger niveau in hoofdlijn reeds bepaald is, is de voorkeur gegeven aan
de ministeriële regeling. Ook voor zaken die, gezien de diversiteit en
dynamiek van de betrekkingen tussen de verschillende instituties
onderling en met het departement, alert regulerend handelen vereisen, is
de voorkeur gegeven aan de ministeriële regeling. Er dient rekening mee
gehouden te worden dat, gezien de grote omvang en complexiteit van deze
herstructureringsoperatie, zeker in de eerste jaren na invoering een
aantal malen de noodzaak van snel bijsturen (buiten de mogelijkheden die
toezicht en overleg daartoe reeds bieden) nodig zal blijken. Een goede
uitvoering dient steeds gewaarborgd te zijn. Overigens kunnen de
uitvoeringsorganisaties zelf ook (beleids)regels stellen binnen het
kader van de hun verleende bevoegdheden.
rblz.|23|
Op de zelfstandige bestuursorganen, die in dit wetsvoorstel
worden geregeld, zal ook de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van
toepassing zijn. Een voorstel voor deze kaderwet is op 27 september 2000
bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2000-2001, 27 426). Er is
in het onderhavige wetsvoorstel van uitgegaan dat de kaderwet eerder
dan, of gelijktijdig met, deze wet in werking zal treden. De van
toepassing zijnde bepalingen uit de voorgestelde kaderwet zijn daarom
niet in dit wetsvoorstel opgenomen, maar zijn uiteraard wel op de hier
ingestelde ZBO’s van toepassing en worden in de artikelsgewijze toelichting
(artikel
2, derde lid) nader beschreven.
De
herstructurering van de uitvoeringsstructuur, waarvan dit
wetsvoorstel de neerslag vormt, gaat onvermijdelijk gepaard met een
groot aantal wijzigingen in bestaande wetgeving en met diverse aspecten
van overgangsrecht. De Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
en de Arbeidsvoorzieningswet 1996 zullen worden ingetrokken. Het
overgangs- en invoeringsrecht, alsmede de wijziging van andere wetten,
worden gebundeld in een separaat voorstel voor een invoeringswet. Naast
veelal technische wijzigingen bevat de Invoeringswet
ook belangrijke inhoudelijke wijzigingen, met name met betrekking tot de
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie en de gevolgen voor de
uitvoering van de uitkeringsintake door de Centrale organisatie werk en
inkomen.
7.
Verdere indeling algemeen deel van de memorie van toelichting
Het algemeen deel van de memorie van toelichting bij dit
wetsvoorstel kent verder de volgende opzet. In hoofdstuk II
worden de taken van de Raad voor
werk en inkomen nader toegelicht. Hoofdstuk III
bevat een uiteenzetting over de uitvoeringsorganisaties.
Achtereenvolgens worden de taken geschetst van de Centrale organisatie werk en
inkomen en het UWV, alsmede de
consequenties van SUWI voor de gemeenten. Hoofdstuk III
wordt afgesloten met de bestuurlijke inrichting en organisatie van de
Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV en de SVB.
De ingrijpende veranderingen die worden
voorgesteld op het gebied van de reïntegratie staan vermeld in
hoofdstuk IV. Daarin wordt ingegaan op het ontstaan van een private
reïntegratiemarkt, de spelregels die daarbij zullen worden gehanteerd
en de rol van de opdrachtgevers. Hoofdstuk IV wordt
afgesloten met een beschouwing over de rechten en plichten van de
cliënt op dit gebied. Sturing en toezicht is de titel van hoofdstuk V.
Daarin worden de mogelijkheden geschetst die de
minister heeft om de uitvoering aan en bij te sturen. Tevens wordt
hierin gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om de verantwoordelijkheid
voor het toezicht integraal bij de Minister van SZW neer te leggen.
Aspecten van financiering en verantwoording komen aan de orde in hoofdstuk VI.
Het algemeen deel van de memorie wordt afgesloten met een hoofdstuk over
gegevensuitwisseling en informatievoorziening.
Hoofdstuk
II. Raad voor werk en inkomen
1.
Inleiding
De Raad voor
werk en inkomen is een belangrijke concretisering van het aan dit
wetsontwerp ten grondslag liggende uitgangspunt dat beleid en uitvoering
op het terrein van werk en inkomen een gedeelde verantwoordelijkheid van
kabinet, werkgevers en werknemers en
de
gemeentelijke medeoverheden is. Van de Raad voor werk en inkomen
wordt een belangrijke stimulerende en ondersteunende rol verwacht bij de
beleidsontwikkeling op het gehele beleidsterrein van werk en inkomen.
Met de rblz.|24|
instelling van de Raad voor werk en inkomen beoogt het kabinet deze
gezamenlijke verantwoordelijkheid in het vernieuwde bestel zodanig vorm
te geven dat een effectieve samenwerking wordt gerealiseerd zonder dat
onduidelijkheid in de afbakening van de verantwoordelijkheden ontstaat.
2.
Taken
De Raad voor
werk en inkomen heeft de volgende taken:
• het ten behoeve van de Minister van SZW
jaarlijks opstellen van een beleidskader met voorstellen voor de
concrete vormgeving van het beleid op het gebied van werk en inkomen en
het voeren van overleg hierover met de Minister van SZW;
• het ontwikkelen van criteria op grond waarvan sectorale, regionale
en bedrijfsinitiatieven op het gebied van de reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden/werkzoekenden (mede)gefinancierd kunnen worden.
Deze criteria behoeven de goedkeuring van de Minister van SZW en worden
in een ministeriële subsidieregeling vastgelegd, waarvoor door de
Minister van SZW een afzonderlijk budget beschikbaar zal worden gesteld.
De Raad kent de subsidies in het kader van deze subsidieregeling toe;
• het overleggen met de Minister van SZW met betrekking tot (het
bevorderen van) de kwaliteit en de transparantie van de
reïntegratiemarkt;
• het overleggen met de Minister van SZW met betrekking tot algemene
en meer specifieke onderwerpen op het terrein van de arbeidsmarkt (zoals
het beleid ten aanzien van knelpunten op de arbeidsmarkt, de aansluiting
tussen regionaal en sectoraal arbeidsmarktbeleid, de participatie van
etnische minderheden op de arbeidsmarkt, de administratieve
consequenties van beleidsvoornemens en de vaststelling c.q. wijziging
van de indelingsregeling bedrijfs- en beroepsleven).
2.1. Het analyseren van de ontwikkelingen op
het beleidsterrein van werk en inkomen
Jaarlijks beleidskader
De
ontwikkeling van het beleid op het gebied van werk en inkomen maakt
onderdeel uit van een continu proces, waarin de Raad voor
werk en inkomen een essentiële rol vervult.
Aan de Raad zal worden gevraagd om jaarlijks
vóór 1 april een beleidskader op te stellen waarin voorstellen worden
gedaan aan de Minister van SZW hoe het
arbeidsmarkt- en reïntegratiebeleid feitelijk kan worden vormgegeven,
daarbij rekening houdend met relevante elementen van de sociale
zekerheid die hieraan raken. In het bijzonder worden in het beleidskader
door de Raad concrete voorstellen gedaan over de omvang en verdeling van
de reïntegratiemiddelen op centraal, regionaal en sectoraal niveau. Het
gaat hierbij vooral om de huidige Rea-gelden,
de ESF-gelden [ESF: Europees Sociaal Fonds, red.], de middelen
voor de sluitende aanpak, het scholings- en activeringsbudget Wiw
en het voormalig prestatiebudget van
Arbeidsvoorziening en middelen voor de subsidieregeling. Ook is het
van belang dat de Raad daarbij ingaat op het geven van extra aandacht
aan bepaalde categorieën werklozen waarvoor extra inspanningen vereist
zijn. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ouderen, allochtonen
en nieuwkomers.
Ook
wordt in het beleidskader de relatie gelegd met andere,
niet-overheidsmiddelen en -inspanningen die aangewend worden met
betrekking tot reïntegratie, zoals de Opleidings- en
Ontwikkelingsfondsen. Op deze manier kunnen de publieke en sectorale
reïntegratiemiddelen zo effectief mogelijk worden ingezet. Het ligt
voor de hand dat de RWI
cliëntenorganisaties betrekt bij de totstandkoming van het
beleidskader. rblz.|25|
Het beleidskader zal in ieder geval voorstellen omtrent de volgende
onderwerpen omvatten:
• de omvang en inzet van de publieke reïntegratie en
arbeidsmarktgerelateerde middelen, waarbij ook de door de rijksoverheid
beschikbaar gestelde middelen in het Fonds werk en inkomen kunnen worden
betrokken. Bij de omvang van de gelden zal uitgegaan worden van het
meerjarenkader van de overheidsuitgaven en bij de verdeling van de
middelen zal de Raad uitgaan van de door de overheid beschikbaar
gestelde middelen. De Raad kan uitspraak doen of hij van mening is of
het beschikbare budget voldoende is;
• de inzet van specifieke taakstellingen of instrumenten voor bepaalde
doelgroepen (zoals bijvoorbeeld etnische minderheden,
arbeidsongeschikten en ouderen);
• de verbetering van de aansluiting van vraag en aanbod op de
arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door de verbetering van de kwalificaties van
werkzoekenden en werkenden in relatie tot die sectoren waar krapte op de
arbeidsmarkt heerst of dreigt;
• de vertaling van het Europese werkgelegenheidsbeleid naar de
Nederlandse situatie.
De Raad
dient het beleidskader als voorstel in bij de
Minister van
SZW. Het beleidskader is een belangrijk richtinggevend - jaarlijks -
document in de beleidsvoorbereiding en in de begrotingscyclus op het
gebied van werk en inkomen. De Minister van SZW voert met de Raad
overleg over de gedane voorstellen in het beleidskader en wijkt van deze
voorstellen alleen met redenen omkleed af. In feite krijgt het
beleidskader hiermee een vergelijkbaar gewicht als een advies in de zin
van artikel 3:50 Awb.
Dit laat uiteraard onverlet dat de minister, gegeven diens politieke
verantwoordelijkheid, verantwoordelijk blijft voor het beleid op het
gebied van werk en inkomen.
Werking arbeidsmarkt(instrumenten)
Het
is van belang dat in het overleg tussen de Raad
en de
minister ook de visie van de Raad op andere onderwerpen aan de orde
kan komen, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de
beleidsvoorbereiding op het gebied van werk en inkomen. Hierbij kan
bijvoorbeeld aan de volgende onderwerpen worden gedacht:
• de transparantie en kwaliteit van de reïntegratiemarkt. Hiermee
wordt bedoeld de inzichtelijkheid voor alle betrokkenen van de werking
en effectiviteit van deze markt;
• de werking van de verschillende instrumenten met betrekking tot de
arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld gesubsidieerde arbeid;
• overwegingen die relevant kunnen zijn voor de premievaststelling
voor de wachtgeldfondsen;
• de vaststelling of wijziging van de Regeling indeling bedrijfs- en
beroepsleven in sectoren (Indelingsregeling [zie Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, red.]);
• administratieve consequenties voor werkgevers van beleidsvoornemens.
2.2. Het ondersteunen van sectorale,
regionale en bedrijfsinitiatieven
De
verbetering van de aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt
en reïntegratie van werklozen en arbeidsgehandicapten is niet alleen
een publieke taak. Ook sectoren/sociale partners dragen
verantwoordelijkheid voor het wegnemen van knelpunten op de
arbeidsmarkt. Deze verantwoordelijkheid wordt onder andere ingevuld door
de afspraken die in CAO’s worden gemaakt over instroom in de sector
(in het bijzonder voor doelgroepen) en de bijdragen hiervoor uit
Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen. Voorts dragen de sociale partners
vanuit hun deskundigheid bij aan een doelmatige en doeltreffende inzet
van publieke rblz.|26|
reïntegratiemiddelen. De inbreng van de sociale partners hiertoe is nu
nog geïnstitutionaliseerd door hun participatie in het centrale en de
regionale besturen van de Arbeidsvoorziening.
De
activiteiten die Arbeidsvoorziening thans
onderhoudt, spelen een belangrijke rol bij de verbinding tussen het
sectorbeleid van sociale partners en het Arbeidsvoorzieningsbeleid.
Belangrijke activiteiten in dit verband zijn: directe bemiddeling en
vacaturebehandeling; het ontwikkelen van de sectormonitor (in het kader
van de informatie- en adviesfunctie); het sluiten van convenanten met
sectoren volgens welke bemiddelings- en scholingsafspraken vorm krijgen
en het inrichten van accountmanagement, landelijke sectoradviseurs en
regionale sectormanagers, waardoor branches en sectoren vaste
aanspreekpunten hebben.
Het
kabinet hecht eraan dat ook in de nieuwe structuur van werk en inkomen
het sectorbeleid wordt voortgezet en verder ontwikkeld. Hiervoor worden
onderdelen van Arbeidsvoorziening ingebed in
de
Centrale organisatie werk en inkomen. Ook de
inbreng van sociale partners is van evident belang. Door participatie in
de Raad voor
werk en inkomen kan invulling worden gegeven aan de coördinatie
van het sectorbeleid. Op regionaal niveau kan eveneens verknoping
plaatsvinden, door deelname van sectoren aan regionale platforms. In het
navolgende wordt hier nader op ingegaan.
• Subsidiëring sectorale,
regionale en bedrijfsinitiatieven
De Raad
ontwikkelt criteria op grond waarvan sectorale, regionale en
bedrijfsinitiatieven op het gebied van de reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden gefinancierd kunnen worden. De
Raad stelt een conceptsubsidieregeling op. De
minister legt de subsidieregeling vervolgens vast in een
ministeriële regeling, waarvoor hij een afzonderlijk budget beschikbaar
stelt. De Minister van SZW zal, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht,
de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent het verlenen van
subsidies in het kader van voorgenoemde regeling mandateren aan de RWI.
Een agentschap binnen het
departement van SZW wordt belast met de uitbetaling van de
verleende subsidies en de controle op de rechtmatige besteding ervan.
De omvang van de bedoelde subsidies wordt
gebaseerd op de huidige sectorale (Arbeidsvoorzienings)regelingen, te
weten de BBSW (bedrijfstakgewijze scholing) en het KVA-budget
(knelpunten vraagzijde arbeidsmarkt), alsmede de regeling ex artikel 69 WW,
waarbij het bestaande uitgavenniveau als richtlijn geldt.
Naast de hier bedoelde subsidieregeling
betreffende sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven blijven er
andere subsidieregelingen op het gebied van reïntegratie bestaan, welke
regelingen de Minister van SZW zelf kan uitvoeren of waarvoor hij de
bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent subsidieverlening aan
andere rechtspersonen kan mandateren.
3.
Informatieverstrekking aan de Raad voor werk en inkomen
Om zijn taken te kunnen vervullen, heeft de Raad
gegevens nodig over de aansluiting van vraag en aanbod en over de
reïntegratiepraktijk. De Raad zal hiertoe kunnen beschikken over
informatie die daarover wordt verzameld door de Centrale organisatie werk en
inkomen, UWV en gemeenten.
De Raad kan ook zelf onderzoek laten verrichten.
rblz.|27|
4.
Bestuurlijk-juridische vormgeving
De RWI heeft een specifieke
bestuurlijk-juridische positie ("orgaan sui generis"). Het is
een bij wet ingestelde rechtspersoon die fungeert als het overlegorgaan
op het terrein van werk en inkomen.
De leden van de Raad worden op voordracht van
werknemersorganisaties (vijf leden, waaronder één lid die door de
Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) is voorgedragen),
werkgeversorganisaties (vijf leden, waaronder één lid die door de ROP
is voorgedragen) en de gemeenten (vijf leden)
benoemd door de
minister. De onafhankelijke voorzitter, die tevens lid is, wordt
eveneens benoemd door de minister. De bezoldiging/schadeloosstelling van
de leden wordt door de Minister van SZW vastgesteld.
De RWI krijgt een eigen secretariaat ten
behoeve van de ondersteuning van de werkzaamheden van de Raad.
De
uitvoeringskosten van de RWI komen ten
laste van een daartoe door de
minister toe te kennen rijksbijdrage. Wat de financiële en
verantwoordingsbepalingen betreft, is voor de RWI in dit wetsvoorstel
zoveel mogelijk dezelfde lijn gevolgd als ten aanzien van de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB.
Waar het betreft de toekenning van subsidies
voor sectorale, regionale en bedrijfsinitiatieven, wordt de relatie
tussen de minister en de RWI als volgt vormgegeven. In dit wetsvoorstel
is opgenomen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alle
werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van besluiten omtrent
de verlening van subsidies in het kader van een te treffen regeling laat
verrichten door de RWI. Tevens is bepaald dat de minister de bevoegdheid
tot het nemen van besluiten omtrent verlening van subsidies in het kader
van voorgenoemde regeling kan mandateren aan de RWI. Met nadruk zij hier
gesteld dat het de bedoeling is dat de minister daadwerkelijk tot
mandaatverlening overgaat. Concreet betekent dit dat de RWI bevoegd
wordt om namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - op
wie de verantwoordelijkheid blijft berusten - subsidiebesluiten in het
kader van voorgenoemde regeling te nemen.
De Algemene wet bestuursrecht
biedt een regeling voor mandatering, die ook hier van toepassing zal
zijn. Dit betekent onder andere dat het mandaat schriftelijk dient te
worden verleend en dat de mandaatgever (minister) instructies kan geven
ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De
gemandateerde verschaft de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen
over de uitoefening van de bevoegdheid.
Hoofdstuk
III. Een samenhangend stelsel van uitvoering
1.
Algemeen
De Centrale organisatie werk en inkomen,
het UWV en de Sociale
Verzekeringsbank (SVB) zijn zelfstandige bestuursorganen (ZBO) met
een publiekrechtelijke organisatievorm. Een ZBO is een bestuursorgaan
van de centrale overheid dat bij of krachtens wet met openbaar gezag is
bekleed en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.
Kenmerkend voor een ZBO is de inperking van de (formele) ministeriële
verantwoordelijkheid en bevoegdheden. Een aantal bestuurstaken wordt op
afstand van de
minister uitgevoerd, die derhalve niet (meer) verantwoordelijk is
voor de individuele beschikkingen, etc. Dit is de essentie van de
scheiding van beleid en uitvoering. De minister stuurt op hoofdlijnen;
de feitelijke uitvoering is opgedragen aan het ZBO, dat daarover
verantwoording aflegt aan de minister.
rblz.|28|
De belangrijkste overweging voor het kabinet om de
werknemersverzekeringen uit te laten voeren door een ZBO was - en is -
de scheiding die daarmee wordt aangebracht tussen beleid en uitvoering.
Een ZBO is in staat om bij de uitvoering in het individuele geval te
komen tot een onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke
deskundigheid. Deze voordelen wegen in dit geval zwaarder dan het
mogelijke nadeel dat de taak niet rechtstreeks onder de zeggenschap en
verantwoordelijkheid van de
minister valt. Door middel van adequaat toezicht (onder directe
ministeriële verantwoordelijkheid) en goed relatiebeheer vanuit het
kerndepartement (met inbegrip van een op prestatiebevordering gerichte
sturingswijze) is het goed mogelijk deze specifieke uitvoerende
bestuurstaak aan een zelfstandige organisatie op te dragen. Het
professioneel gestalte geven aan de benodigde - zeer grootschalige -
uitvoeringsprocessen vereist het bijeenbrengen van veel specifieke
deskundigheid en een organisatorische vormgeving die het optimaal
mogelijk maakt de werkprocessen klantgericht vorm te geven. Het heeft
duidelijke voordelen om de organisatie en dagelijkse aansturing van die
specifieke deskundigheid onder te brengen in een afzonderlijke
zelfstandige bestuurlijke organisatie. Door het UWV
de vorm te geven van een ZBO wordt, ten slotte, aangesloten bij de vorm
die ook voor de Centrale organisatie werk en
inkomen en de Sociale Verzekeringsbank
geldt.
Hiermee is mede een antwoord gegeven op de
vraag op welk niveau de minister wil beïnvloeden en aansturen, namelijk
op beleids- en systeemniveau. De aansturing op het niveau van
bedrijfsvoering en klantbehandeling is de primaire verantwoordelijkheid
van de zelfstandige bestuursorganen. Deze verantwoordelijkheid kan aan
hen worden toevertrouwd, mede omdat veelal vastligt in de relevante
materiewetgeving waaraan deze uitvoerende organen gebonden zijn. De
minister beschikt, zoals gezegd, bovendien over belangrijke aanvullende
mogelijkheden tot sturing, zoals goedkeuringsbevoegdheden en de
vaststelling van het budget. Uit deze redenen vloeit voort dat de keuze
voor de ZBO-vorm niet slechts voor de korte termijn is gemaakt. Met de SUWI-operatie wordt de invoering van een stabiele uitvoeringsstructuur
beoogd, hetgeen eventueel noodzakelijk blijkende aanpassingen in de
verdere toekomst overigens niet volledig uitsluit.
Verder is van belang dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
de publieke arbeidsvoorziening, de werknemersverzekeringen en de
volksverzekeringen in de huidige situatie al bij ZBO’s ligt
(respectievelijk de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
het
Lisv
en de SVB). Er is geen aanleiding deze externe
verzelfstandiging ongedaan te maken. Wel vormt de nieuwe structuur
aanleiding de nadere inkleuring van de relatie tussen
minister en ZBO en de interne verhouding binnen de organisaties
nader te bezien. Beide aspecten komen in deze memorie nog afzonderlijk
aan de orde.
Het
feit dat de SVB in deze wet wordt meegenomen,
vergt nog een aparte toelichting. SUWI brengt een nieuwe bestuurlijke
inrichting op het terrein van arbeidsmarkt en sociale zekerheid met zich
mee. De nieuwe organisaties (CWI, UWV)
worden op andere wijze ingericht dan voorheen het geval was. Het kabinet
stelt voor de SVB - die in dezelfde sector opereert - dezelfde
bestuurlijke inrichting te geven. Dat impliceert dat ook de SVB niet
langer een participatie-ZBO zal zijn. Voor de taken van de SVB heeft deze wet
overigens slechts beperkte gevolgen, die in de Invoeringswet
SUWI
worden geregeld.
Voor zover in het kader van SUWI gemeentelijke taken in het geding zijn,
is het op gemeenten van toepassing zijnde
bestuurlijk-juridisch kader van belang (uitvoering in medebewind).
rblz.|29|
2.
De Centrale organisatie werk en inkomen
2.1. Inleiding
Binnen de nieuwe Structuur uitvoering werk en inkomen is de Centrale organisatie werk en
inkomen het orgaan dat als kerntaak heeft zorg te dragen voor de
basisdienstverlening op de terreinen werk en inkomen. Voor een
aanzienlijk deel van de cliënten moet de Centrale organisatie werk en
inkomen via zijn vestigingen in de regio - de CWI-kantoren
- het enige "loket" zijn dat zij moeten bezoeken voor de
gevraagde dienstverlening, te weten: het behulpzaam zijn bij het vinden
van een baan, bij het vinden van een sollicitant of bij het aanvragen
van een uitkering, voor zover nodig.
Uit deze kerntaak vloeit een scala van taken
voort, zoals verzameling van gegevens ten behoeve van analyse en
bevordering van de transparantie op de arbeidsmarkt, verstrekking van
informatie en advies over arbeid, arbeidsmarkt en sociale zekerheid,
verzorgen van activerende arbeidsbemiddeling en het waar nodig leveren
van ondersteuning bij sectorale, regionale of categorale initiatieven.
Daarnaast neemt de Centrale organisatie werk en inkomen de meeste
"overige" wettelijke taken over die thans aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zijn opgedragen, zoals de ontslagtaak.
De Centrale organisatie werk en inkomen
dient zich te ontwikkelen tot een organisatie die op activerende wijze
een pakket diensten, waaronder informatie en advies, aanbiedt dat de
allocatie op de arbeidsmarkt bevordert en het beroep op uitkeringen
verkleint.
Door coördinatie en integratie van
werkprocessen rond werk en inkomen kan een hogere doelmatigheid en
klantvriendelijkheid worden bereikt. Bij de uitvoering van taken van de
Centrale organisatie werk en inkomen staat de positie van de
werkzoekende centraal; om die positie te borgen, wordt voorzien in een
adequate regeling voor de cliëntenparticipatie. Met de inzet van
actieve bemiddeling, moderne informatie- en communicatiemiddelen,
waaronder een landelijk dekkende sollicitanten- en vacaturebank, en
voorts intensieve samenwerking met uitkeringsinstanties/opdrachtgevers
voor de reïntegratie alsmede met andere intermediairs, kan aan
werkgevers en werkzoekenden belangrijke service worden geleverd.
De noodzakelijke samenwerking tussen partijen
wordt bevorderd en voor de cliënt inzichtelijker doordat gemeenten
en UWV enkele activiteiten (verplicht) op
lokatie van de CWI-kantoren in de regio moeten
uitvoeren.
Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op:
a. vergroting transparantie op de arbeidsmarkt;
b. informatie en advies over werk en inkomen;
c. registratie werk en inkomen;
d. fasering en reïntegratieadvies;
e. arbeidsbemiddeling;
f. activering en controle (dit is geen taak van de CWI,
maar wordt in nauwe samenhang met CWI-taken uitgevoerd, deels ook op
lokatie van de CWI-kantoren);
g. ondersteuning bij sectorale, regionale en categorale initiatieven;
h. bijzondere taken op verzoek van de Minister van SZW;
i. overige wettelijke taken.
2.2. Taken van de Centrale organisatie werk
en inkomen
a. Vergroting transparantie op de arbeidsmarkt
Optimale allocatie op de arbeidsmarkt vereist een goed inzicht in de rblz.|30|
situatie, de (verwachte) ontwikkelingen en de spelers op die markt. Dat
geldt zowel voor de arbeidsmarkt als geheel als voor de situatie op de
voor de individuele werkzoekende en werkgever relevante regionale of
sectorale arbeidsmarkt. Naast werkzoekenden (al dan niet werkloos) en
werkgevers zijn er vele andere actoren die gebaat zijn bij inzicht in de
arbeidsmarkt, zoals de overheid, de RWI,
het UWV, de gemeenten,
sociale partners, private intermediairs en reïntegratiebedrijven.
Het
is de taak van de Centrale organisatie werk en
inkomen om zoveel mogelijk bij te dragen aan transparantie op de
arbeidsmarkt. Daartoe zullen (regionale en sectorale) gegevens uit het
domein werk en inkomen worden verzameld en toegankelijk worden gemaakt
en zal onderzoek worden verricht.
In verband met de verwevenheid van nationale
arbeidsmarkten die in de toekomst alleen maar zal toenemen, kent de
transparantiebevorderende taak ook een internationale dimensie.
b. Informatie en advies
Een
snelle en goede aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt
vergt, zoals hiervoor reeds gesteld, dat partijen zoveel mogelijk
beschikken over relevante marktinformatie. Deze informatie is essentieel
voor de zelfwerkzaamheid van de individuele belanghebbenden, maar ook
voor de regionale partijen op de arbeidsmarkt.
Het gaat in dit kader om het bieden van
informatie over zoveel mogelijk vacatures en werkzoekenden, over de
arbeidsmarktsituatie in regio’s en sectoren, over
opleidingsmogelijkheden en beroepen, uitkeringsaangelegenheden,
arbeidsrecht, de dienstverlening van de CWI-kantoren
en andere instanties waar klanten met specifieke vragen naar
doorverwezen kunnen worden. Een belangrijke pijler van de informatie- en
adviesfunctie is een brede toegankelijkheid van de dienstverlening onder
andere door de inzet van nieuwe zoekmethoden en interactieve media
(zoals internet).
Voor zover klanten hieraan behoefte hebben,
bieden de CWI-kantoren in aanvulling op de zelfbedieningsmogelijkheden
tevens persoonlijke dienstverlening.
De
dienstverlening voor aansluiting van vraag en aanbod zal niet alleen
fysiek, maar ook langs digitale weg beschikbaar zijn. Een belangrijk
hulpmiddel hierbij is het inrichten van een gedigitaliseerde nationale
vacature- en sollicitantenbank (NVS) die actuele bestanden van vraag en
aanbod voor het hele land zal bevatten.
Werkzoekenden kunnen zich via deze NVS bekend
maken bij werkgevers door middel van opname in de sollicitantenbank.
Voor werkgevers geldt dat zij vacatures kunnen inbrengen en kunnen
zoeken naar geschikte werkzoekenden, al dan niet door tussenkomst van de
medewerker van het CWI-kantoor. Ook voor
uitzendbureaus en andere (commerciële) intermediairs op de arbeidsmarkt
zal de mogelijkheid bestaan hun vacatures te presenteren dan wel
vacatures uit de NVS te benutten.
c. Registratie ten behoeve van werk en
inkomen
Werkzoekenden die behoefte hebben aan dienstverlening die verder gaat
dan informatie over vraag en aanbod van werk, kunnen zich laten
inschrijven bij het CWI-kantoor. Dit recht komt
iedereen toe die gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten.
Voor personen die een uitkering willen aanvragen, is er een verplichting
om zich te laten inschrijven. Op het CWI-kantoor vindt zowel de
registratie ten behoeve van werk plaats als de registratie ten behoeve
van inkomen/uitkering. Het gaat daarbij om een aanvraag voor de Werkloosheidswet,
de
Toeslagenwet, de Algemene
bijstandswet rblz.|31|
(voor zover betreffende algemene bijstand), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Het CWI-kantoor
neemt de gegevens over naam, adres en woonplaats in en verifieert deze.
Ook wordt de legaliteit van het verblijf vastgesteld en geverifieerd op
basis van de GBA [gemeentelijke basisadministratie, red.]. Het
kabinet streeft ernaar dat op termijn identificatie kan plaatsvinden met
behulp van een elektronisch identificatiedocument. Naast deze algemene
gegevens kan verder bij de inname van gegevens worden onderscheiden naar
enerzijds de verzameling en registratie van gegevens die van belang zijn
voor de op werk gerichte dienstverlening (de zogeheten werkintake) en
anderzijds de verzameling en registratie ten behoeve van de
dienstverlening gericht op het verkrijgen van een uitkering (de
uitkeringsintake). De gecombineerde intake van gegevens voor werk én
inkomen maakt een directe koppeling tussen beide mogelijk bij andere
taken die door of op het CWI-kantoor worden vervuld, zoals de
bemiddeling en de activering en controle (zie hierna).
Bij
de handelingen die verricht moeten worden voor het behandelen en
beoordelen van uitkeringsaanvragen zijn, in de toekomstige situatie,
twee partijen betrokken: de Centrale organisatie werk en
inkomen en de
gemeente of het UWV. De betrokkenheid
van twee instanties bij één samenhangend proces vergt precisering van
verantwoordelijkheden van beide partijen. Dit is ook van belang voor de
positie van de cliënt.
In nadere regelgeving zal worden vastgelegd
welke gegevens dienen te worden geregistreerd, binnen welke termijn en
van welke kwaliteit. In Service Niveau Overeenkomsten kunnen aanvullende
afspraken worden gemaakt tussen UWV, CWI en
gemeente(n) over de kwaliteit en tijdigheid van de uitkeringsintake. Dit
biedt ruimte voor het gewenste regionale maatwerk.
Zieke en arbeidsgehandicapte werknemers volgen een andere route. Een
zieke werknemer meldt zich ziek bij zijn werkgever. De werkgever
schakelt vervolgens zijn arbodienst in. Het UWV
dient uiterlijk na 52 weken ziekte de WAO-claimbeoordeling
af te ronden. Als wordt vastgesteld dat de betrokkene slechts
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, dan kan voor het resterende deel
recht op WW bestaan. Bij het verwerken van de
uitkeringsaanvraag WW zal gebruik gemaakt kunnen worden van de gegevens
die dan al over de betrokkene bekend zijn; het UWV zorgt immers zowel in
het geval van de WAO als de WW voor de juiste uitkering. De betrokkene
dient zich op het CWI-kantoor als werkzoekende
in te schrijven. Uiteraard kan de betrokkene ook gebruik maken van de
mogelijkheden die de Centrale organisatie werk en inkomen
biedt. De werkgever blijft in dit soort samenloopgevallen overigens
verantwoordelijk voor de reïntegratie.
d. Het inschatten van de afstand tot de
arbeidsmarkt en het opstellen van een reïntegratieadvies
Personen die zich inschrijven op het CWI-kantoor
hebben behoefte aan dienstverlening op maat. Daartoe dient de afstand
tot de arbeidsmarkt c.q. de kans op het vinden van werk te worden
beoordeeld en een persoonlijk advies te worden opgesteld om deze afstand
te overbruggen. Deze activiteiten worden thans samengevat onder het
begrip "fasering".
De Centrale organisatie werk en inkomen
verricht deze activiteiten als enige instantie binnen de nieuwe
uitvoeringsstructuur werk en inkomen, onder meer vanwege de gewenste
onafhankelijkheid en concentratie van deskundigheid. Deze activiteiten
omvatten ook de herbeoordeling van de rblz.|32|
kansen van cliënten na verloop van tijd en/of wanneer de uitkerende
instantie daartoe aanleiding ziet gelet op veranderingen in de situatie
van de betrokkene.
Na inschrijving worden de kansen op werk
globaal ingeschat. Dat geschiedt thans via de zogeheten
"Kansmeter". Personen wier kans op het vinden van werk groot
wordt geacht, komen in aanmerking voor actieve bemiddeling (zie taak
onder e).
Met personen wier kans op het snel vinden van
werk geringer wordt geacht, wordt een nader beoordelingsgesprek
("kwalificerende intake") gevoerd. Daarin wordt dieper
ingegaan op achtergronden en mogelijkheden. Dit leidt tot een nadere
inschatting van de afstand tot de arbeidsmarkt in een aantal groepen
(thans fase 2, 3 en 4 geheten). Onderdeel van het nadere gesprek is ook
dat een globaal advies wordt opgesteld ten behoeve van de
uitkeringsinstantie, bevattende in elk geval de hoofdlijnen van
(vervolg)dienstverlening: het zogeheten
"reïntegratieadvies".¹ Voor de uitkeringsinstantie is dit
advies vervolgens het vertrekpunt voor de verdere dienstverlening.
1. Voor fase 4 gaat het
hier niet om een volwaardig reïntegratieadvies, maar om een aanduiding
van de belangrijkste problemen/belemmeringen voor terugleiding in het
arbeidsproces.
e. Arbeidsbemiddeling
Het
begrip arbeidsbemiddeling heeft betrekking op het bij elkaar brengen van
vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Daarbij gaat het om activiteiten als
attendering, verwijzing, matching en "plaatsing".
Het CWI
bemiddelt actief. Dat betekent bijvoorbeeld dat fase-1-cliënten, hoewel
in beginsel zelfredzaam, met regelmaat zullen worden opgeroepen en
geconfronteerd met vacatures. Aldus ontstaat een activerende
arbeidsbemiddeling. Ook klanten die een grotere afstand hebben tot de
arbeidsmarkt kunnen actief worden bemiddeld (fase 2, 3 en 4).
De
actieve dienstverlening en bemiddeling heeft ook betrekking op de
dienstverlening voor werkgevers. De Centrale organisatie werk en
inkomen biedt werkgevers (gratis) de mogelijkheid om:
• vacatures te presenteren aan werkzoekenden via de nationale
vacaturebank;
• zelf te zoeken in een groot aanbod van werkzoekenden via de
nationale sollicitantenbank;
• een verzoek te doen tot het actief bemiddelen bij vacatures;
• informatie en advies te vragen over alles wat met werk en inkomen te
maken heeft, waaronder advies over moeilijk vervulbare vacatures;
• ondersteuning te vragen bij het organiseren van activiteiten zoals
informatiebijeenkomsten, beurzen en voorlichting.
f. Activering en controle ¹
Het
kabinet kiest ervoor de zogeheten activerings- en controletaak voor
cliënten met een geringe afstand tot de arbeidsmarkt (fase 1) op de
lokatie van het CWI te laten uitvoeren. Dit
heeft het grote voordeel dat het CWI-kantoor voor deze categorie
cliënten veelal het enige loket zal zijn. Bij het activerings- en
controlegesprek beoordeelt de medewerker van de uitkeringsinstantie op
lokatie van het CWI-kantoor of de klant de arbeidsverplichtingen in de
periode voorafgaand aan het gesprek is nagekomen. De werkzoekende wordt
ook gewezen op de verplichtingen voor de komende periode. Ten slotte is
het gesprek gericht op controle van andere feiten die van invloed zijn
op hoogte of duur van de uitkering (zoals inkomen, vermogen). Het ligt
voor de hand dat met de medewerker van het CWI-kantoor die
verantwoordelijk is voor de actieve bemiddeling van de betrokken cliënt
overlegd wordt in welke situaties het gesprek met de cliënt gezamenlijk
wordt gevoerd. Zo kunnen bemiddeling, activering en controle (waaronder
begrepen het zo nodig opleggen van sancties) in een rblz.|33|
logisch samenhangend proces worden uitgevoerd. In ieder geval dienen Centrale organisatie werk en
inkomen, UWV en gemeenten
afspraken te maken over:
• de wijze waarop zij elkaar informeren over bedoelde activering en
over verwijtbaar gedrag van klanten;
• de vraag hoe zij deze samenhangende werkzaamheden op praktische
wijze onderling verdelen zonder dat er doublures of hiaten ontstaan.
1. Het gaat hier niet om
een taak van de CWI, maar om een taak die (verplicht) op
lokatie van het
CWI-kantoor wordt uitgevoerd en in nauwe samenhang staat met taken van
de CWI; derhalve wordt hij op deze plaats beschreven.
g. Ondersteuning bij sectorale, regionale en
categorale
Arbeidsvoorziening
vervult thans een belangrijke rol bij het zogeheten sectorbeleid, het
beleid gericht op bijzondere groepen en ook bij regionale initiatieven.
Het kabinet hecht eraan dat het beleid en de
ondersteuning ten behoeve van de genoemde taakvelden zoveel mogelijk
wordt overgenomen en verder wordt verbeterd binnen de SUWI-context.
Met
sectorbeleid wordt gedoeld op het geheel van inspanningen gericht op het
verkleinen en voorkomen van kwalitatieve en kwantitatieve discrepanties
op sectorale arbeidsmarkten via actief inspelen op ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt in bedrijfstakken, branches en sectoren. Sociale partners
zijn primair verantwoordelijk voor het bedoelde sectorbeleid en de
vertaling daarvan naar regio’s. Een effectieve ondersteuning van dit
sectorbeleid is noodzakelijk.
De inspanningen die in dit kader zullen worden
verricht, hebben betrekking op:
• het verzamelen en verstrekken van arbeidsmarktinformatie
(sectormonitor, informatie over sectoren en opleidingen,
arbeidsmarktonderzoek);
• de bemiddeling in het kader van sectorprojecten en vacatures;
• internationale aspecten van sectorbeleid (vooral transparantie en
overleg);
• makelaars- en coördinatiefunctie (hierbij gaat het om ondersteuning
bij het tot stand komen en uitvoeren van sectorconvenanten, adviseren
over de aanpak van knelpunten en de uitvoeringstechnische
"vertaling" van relevante CAO-afspraken (ten behoeve hiervan
is er een infrastructuur van landelijke accountmanagers en
sectoradviseurs).
De
bovengenoemde taken komen overeen met de huidige taken op dit gebied van
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met
uitzondering van de hierboven niet-genoemde instroombevordering naar
sectoren met behulp van reïntegratie (BBSW/KVA). Deze taak gaat over
naar de RWI
(zie hiervoor paragraaf 2 van hoofdstuk II). De
inzet van reïntegratiemiddelen voor sectorbeleid is en blijft de
verantwoordelijkheid van werkgevers in overeenstemming met werknemers,
individueel of collectief. Daarnaast kunnen publieke middelen worden
ingezet.
Voorts heeft de Centrale organisatie werk en
inkomen een taak in het kader van categorale initiatieven ten
behoeve van de toeleiding naar arbeid van etnische minderheden. In het
bijzonder zijn dit:
• Registratie op basis van etniciteit. Deze is van groot belang met
betrekking tot het zichtbaar en meetbaar maken van de dienstverlening
aan specifieke groepen.
• Advisering van bedrijven door BedrijfsAdviseurs Minderheden (Bammers).
• Helpdesk Wet Samen [Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden, red.].
De wet wordt verlengd tot en met het jaar 2003. De taken van de helpdesk
worden uitgebreid met ondersteuning op het gebied van intercultureel
personeelsbeleid.
• Bijdrage aan het inburgeringsonderzoek, door een administratieve rblz.|34|
intake aan het begin van het inburgeringstraject en een advies over
doorstroming van de nieuwkomer naar een traject richting arbeid.
h. Bijzondere taken
De Centrale organisatie werk en inkomen
heeft op verzoek van de betreffende gemeente
een ondersteunende taak ten aanzien van een regionaal platform. Voorts
kan de Centrale organisatie werk en inkomen bij ministeriële regeling
worden opgedragen om specifieke taken uit te voeren. De
minister kan de Centrale organisatie werk en inkomen ook belasten
met het verrichten van onderzoek met betrekking tot de wettelijke taken.
i. Overige wettelijke taken
In
veel materiewetten wordt Arbeidsvoorziening
nog genoemd als partij die een (deel)taak in de uitvoering van die
wetten vervult. Het gaat dan om taken als het verlenen van vergunningen,
het verstrekken van verklaringen, het verrichten van specifieke diensten
en het leveren van gegevens. De belangrijkste van deze "overige
wettelijke taken", voor zover zij in de toekomst door de Centrale organisatie werk en
inkomen zullen worden uitgevoerd, zijn de volgende:
1. Ontslagtaak ex Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en Wet
melding collectief ontslag
In
het kader van de preventieve ontslagtoetsing zullen de taken die belegd
waren bij de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening
overgaan naar de Centrale organisatie werk en inkomen.
2. Tewerkstellingsvergunning (Wav)
Dit
betreft het beoordelen van aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen in
het kader van de Wet
arbeid vreemdelingen (dat wil zeggen de beantwoording van de vraag
of voor een vacature aanbod binnen Nederland en de overige bij de EER
[Europese Economische Ruimte, red.] aangesloten landen
beschikbaar is).
3. Taken op grond van de Wet Samen
De Centrale organisatie werk en inkomen
neemt de jaarverslagen van werkgevers op in een administratief systeem
en verleent op verzoek inzage aan derden. CWI-kantoren
worden aangewezen die belast worden met deze taak.
De Centrale organisatie werk en inkomen
rapporteert regelmatig aan de Arbeidsinspectie,
die het toezicht op de naleving van deze wet vervult. De Centrale
organisatie werk en inkomen stelt jaarlijks een analyse op over de
gegevens uit de jaarverslagen. De analyse en de daaruit resulterende
aanknopingspunten voor het (minderheden)beleid worden ter beschikking
gesteld van de
minister en de RWI.
4. Intake in verband met Wet inburgering
nieuwkomers (Win)
Gemeenten
zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de
Win. Gemeenten moeten de Centrale organisatie werk en inkomen
inschakelen aan het begin van het inburgeringsonderzoek. Tegen het einde
van het inburgeringstraject moet de Centrale organisatie werk en inkomen
worden ingeschakeld voor een advies aan cliënt en gemeente over de
verdere reïntegratie richting arbeidsmarkt.
5. Wiw-verklaring
De afgifte van een Wiw-verklaring - voor een langdurig werkloze
noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor een
Wiw-dienstbetrekking of Wiw-werkervaringsplaats - wordt ingepast in de
procedure van fasering op het CWI-kantoor.
6. Verklaringen "langdurig
werkloos"
De Centrale organisatie werk en inkomen
krijgt de taak om verklaringen rblz.|35|
"langdurig werkloos" in het kader van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
aan de werkgever (ten behoeve van de belastingdienst)
te verstrekken.
7. EU-arbeidsbemiddeling
De Centrale organisatie werk en inkomen
zal de taken uitvoeren die voortvloeien uit de EU-verordening en het
bijbehorende implementatiebesluit in het kader van het vrije verkeer van
werknemers.
8. Wet allocatie arbeidskrachten door
intermediairs (Waadi).
Dit
betreft het verstrekken van vergunningen voor het verrichten van
arbeidsbemiddeling.
III.1. Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV)
1.
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoering van de
werknemersverzekeringen zoals die zal gaan plaatsvinden op basis van dit
wetsvoorstel. De nadruk zal daarbij liggen op de wijzigingen die
optreden als gevolg van de vorming van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV). De uitvoering van de premie-inning,
de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging wordt opgedragen aan
één publiekrechtelijke organisatie, het UWV. In het geval dat het UWV
verantwoordelijk is voor de reïntegratie van werklozen en
arbeidsgehandicapten, is het verplicht de uitvoering van deze taak uit
te besteden aan private reïntegratiebedrijven.
Bij de functionele inrichting van het UWV en
bij de dagelijkse uitvoering is van belang hoe vanuit de uitvoering
lijnen naar bedrijven, branches en sectoren kunnen worden gelegd (en ook
omgekeerd), zowel om de wederzijdse expertise te kunnen blijven benutten
als om wederzijds informatie uit te kunnen wisselen. Dit zal een
belangrijk aandachtspunt zijn bij de implementatie van de voorstellen.
2.
Wettelijke taken van het UWV
Het UWV ontstaat uit de huidige vijf uitvoeringsinstellingen
en (een deel van) het Lisv. De taken die het
UWV krijgt, zijn afkomstig van deze zes organisaties. De taken die het
Lisv zelf verricht, worden verdeeld over het UWV (hier gaat het
merendeel van de taken naar toe), de
minister en de RWI. De regelgevende
bevoegdheden van het Lisv zijn verdeeld over de Minister van SZW en het
UWV. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
1. Alle algemeen verbindende voorschriften worden door de Minister van
SZW (ministeriële regeling) of de Kroon (AMvB) gesteld, tenzij het
regels zijn van een hoog technisch of organisatorisch karakter. Indien
dat het geval is, stelt het UWV deze regels (goedkeuring benodigd van de
Minister van SZW).
2. Alle beleidsregels worden door het UWV gesteld.
Het
UWV heeft de volgende wettelijke taken:
a. heffen en innen van de premies werknemersverzekeringen;
b. claimbeoordeling/uitkeringsverzorging;
c. reïntegratie;
d. beheren en administreren van sociale fondsen werknemersverzekeringen;
e. informatievoorziening;
f. verstrekken van second opinions;
g. een uitvoeringstoets doen met betrekking tot voorgenomen wet- en
regelgeving;
rblz.|36|
h. uitvoering indelingsregeling sectoren;
i. bijzondere taken op verzoek van de Minister van
SZW.
Op
het terrein van handhaving worden geen wijzigingen beoogd. Wel zal de
vorming van het UWV een positieve invloed
hebben op de handhaving. Veel handhavingsactiviteiten vloeien echter
niet voort uit de organisatiestructuur van de uitvoering, maar uit de
(aard van de) materiewetten.
a. Heffen en innen van de premies
werknemersverzekeringen
Het
UWV zal worden belast met de premieheffing
en premie-inning van de werknemersverzekeringen, inclusief de Ziekenfondswet
(Zfw). Het betreft al die activiteiten die erop gericht zijn om de
wettelijk verschuldigde sociale premies voor de werknemersverzekeringen
te innen. Daartoe verricht het UWV werkzaamheden met betrekking tot de
premievaststelling, de feitelijke heffing en de invordering van de
sociale premies.
Het
UWV stelt de volgende premiepercentages
vast:
• voor de WW: de per sector gedifferentieerde
wachtgeldpremie;
• voor de WAO: de per onderneming
gedifferentieerde premie WAO;
• de premies voor de vrijwillige ZW, WAO en
WW.
De door het UWV vastgestelde wachtgeldpremies
behoeven de goedkeuring van de
minister. Indien de minister zijn goedkeuring aan een door het UWV
vastgestelde premie onthoudt, stelt hij vervolgens zelf de betreffende
premie vast.
De door het UWV vastgestelde WAO-premie voor
een onderneming alsmede de premies voor de vrijwillige ZW, WAO en WW
behoeven niet door de minister te worden goedgekeurd. De parameters die
aan de per onderneming gedifferentieerde WAO-premie ten grondslag
liggen, behoeven echter, net als thans het geval is, wél de goedkeuring
van de minister.
Voor de volgende premies stelt het UWV
premieadviezen op waarna deze door de Minister van SZW
worden vastgesteld:
• de AWf-premie [AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds, red.];
• de WAO-basispremie;
• de WAZ-premie;
• de Ufo-premie [Ufo: Uitvoeringsfonds voor de overheid, red.]
voor overheidswerkgevers (voor ondermeer de vangnet-ZW-uitkeringen);
• de vervangende wachtgeldpremie over uitkeringen.
De
werkgever dient de premies werknemersverzekeringen te betalen. De
heffing en invordering van de premies zijn gericht op het voldoen aan
deze verplichting. Op dit moment gebeurt dit als volgt. Aan de hand van
de door de werkgever verstrekte loongegevens berekent de uvi
de verschuldigde premies. In een beschikking wordt vastgelegd welk
bedrag de werkgever aan premies moet afdragen. Daarna gaat de uvi over
tot invordering van de premies. Het handhavingsbeleid ten aanzien van
premieheffing en premie-inning berust eveneens bij de uvi.
Straks wordt het UWV verantwoordelijk voor
deze taak. In de toekomst zal het UWV in tegenstelling tot de nu
bestaande situatie één uniforme systematiek voor de afdracht van
premies kunnen hanteren. De premieafdracht zal plaatsvinden op basis van
een nominatieve aangifte achteraf. De nu bestaande voorschotsystematiek
vervalt.
Het
is cruciaal dat de premieheffing en uitkeringsverzorging bij één
instantie - te weten het UWV - worden
belegd. Aldus kan via het zogeheten concept van de geïntegreerde
bedrijfsvoering een belangrijke bijdrage worden geleverd aan een wijze
van uitvoering, waarin administratieve rblz.|37|
lastenverlichting voor de werkgever (zeer beperkte uitvraag van extra
gegevens), doelmatigheid, actualiteit en fraudebestrijding hand in hand
gaan. Het UWV zal een polisadministratie voeren, waarbij het
uitgangspunt wordt gehanteerd dat de in het kader van de premieheffing
verkregen gegevens kunnen worden gebruikt bij de claimbeoordeling en
uitkeringsverzorging.
De geïntegreerde bedrijfsvoering houdt in dat
het UWV het proces van uitkeringsverstrekking, anders dan thans het
geval is, kan uitvoeren met behulp van de in de eigen administratie
aanwezige gegevens. Deze gegevens worden verzameld op basis van de
premie-inning.
Thans is uitkeringsvaststelling op basis van de in de eigen
administratie aanwezige gegevens nog niet mogelijk. Dit heeft
verschillende oorzaken. In de eerste plaats zijn het
socialeverzekeringspremieloon (het loon waarover de premie wordt
geheven) en het socialeverzekeringsuitkeringsloon (het loon op basis
waarvan de hoogte van de uitkering wordt berekend) thans niet aan elkaar
gelijk. Thans wordt over bepaalde loonelementen wel premie geheven, maar
komen deze elementen niet terug in de uitkering en omgekeerd. In de
tweede plaats worden premies voor een groot deel van de werknemers thans
op voorschotbasis afgedragen. Dit betekent dat de
uitvoeringsinstelling niet beschikt over de meest actuele gegevens
per werknemer.
In
het wetsvoorstel Administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten
wordt een aantal maatregelen voorgesteld om het proces van premie-inning
en uitkeringsverstrekking te vereenvoudigen. In de eerste plaats wordt
het socialeverzekeringspremieloon gelijkgesteld aan het
socialeverzekeringsuitkeringsloon. Dit betekent dat de
uitkeringsverstrekking dan wel kan plaatsvinden op basis van gegevens
die in de administratie voorhanden zijn. In de tweede plaats zullen de
premies in alle gevallen op nominatieve aangifte achteraf worden
afgedragen. Werkgevers leveren periodiek alle voor de premie-inning
noodzakelijke gegevens aan (dienstverbanden, loongegevens). Het UWV
kan daardoor beschikken over de meest actuele gerealiseerde gegevens per
individuele werknemer in de eigen administratie. In de derde plaats zal
de polisadministratie worden ingevoerd. Deze polisadministratie bevat
dan alle voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen relevante
gegevens per werknemer.
In
de toekomst zullen deze voorstellen ertoe leiden dat op basis van het
proces van premie-inning en de daaruit voortvloeiende gegevensstromen de
uitkeringsverstrekking door het UWV zonder
aanvullende gegevensuitvraag bij werkgevers kan plaatsvinden. Op deze
wijze kunnen de administratieve lasten voor werkgevers én de
uitvoeringskosten van het UWV aanzienlijk worden verminderd en kunnen
tevens de rechtmatigheid en de handhavingsmogelijkheden worden
verbeterd.
De
polisadministratie zal een "authentieke registratie" gaan
vormen van actuele gegevens over dienstverbanden, loongegevens en
socialeverzekeringsuitkeringen. Dit betekent dat de polisadministratie
van het UWV in dat geval niet alleen ten
dienste staat van de uitvoering van de socialeverzekeringstaken, maar
ook van (wettelijke) taken van andere (publieke) instanties.
Uitgangspunt is dat de premieheffing met zo min mogelijk administratieve
lasten voor de werkgever wordt uitgevoerd. Samenwerking met de belastingdienst
kan hieraan een nuttige bijdrage leveren.
b. Claimbeoordeling/uitkeringsverzorging
Tot
de claimbeoordeling worden al die activiteiten gerekend die nodig zijn
om het recht op en de omvang van de uitkering vast te stellen. De
uitkeringsverzorging omvat alle activiteiten die de betaalbaarstelling
en de terugvordering van uitkeringen betreffen.
rblz.|38|
Het kabinet heeft ervoor gekozen de claimbeoordeling en
uitkeringsverzorging op te dragen aan een publieke organisatie, het UWV.
De wisseling van uitvoerder is echter niet de enige wijziging. Dit
wetsvoorstel beoogt de condities te scheppen waaronder
claimbeoordeling en uitkeringsverzorging op een onderling samenhangende
wijze kunnen worden verbeterd. Het gaat achtereenvolgens om:
• de focus op werk te handhaven in alle fasen van de claimbeoordeling;
• effectieve, logische en klantvriendelijke dienstverlening;
• vermindering van de uitvoeringskosten.
Werkloosheidswet (WW)
Iemand die WW wil aanvragen, meldt zich bij
een CWI-kantoor. Voordat er over een uitkering
wordt gesproken, worden eerst de mogelijkheden verkend om direct elders
weer aan de slag te gaan. De aanvraag bevat een set gegevens die op het
CWI-kantoor wordt verzameld. Het UWV is
verantwoordelijk voor het verstrekken van de uitkering en bepaalt of er
voldoende gegevens beschikbaar zijn om de aanvraag af te handelen. Als
dat niet het geval is, kunnen er globaal drie bronnen zijn die nadere
informatie moeten leveren. De aanvrager, de ex-werkgever of derden. De
aanvrager zal nadere informatie moeten leveren als onvoldoende duidelijk
is of de werkloosheid niet verwijtbaar is, of als er bijzondere
discrepanties bestaan tussen de gegevens zoals die geregistreerd staan
en de gegevens zoals de aanvrager ze heeft opgegeven.
De werkgever zal gevraagd moeten worden om de
omstandigheden van het geval toe te lichten als de verklaringen van de
aanvrager het niet mogelijk maken om tot een beoordeling te komen.
Gegevensuitvraag bij de werkgever over het dagloon en arbeidsverleden
zal in de toekomst grotendeels achterwege kunnen blijven. De
polisadministratie maakt dit overbodig. Nadere gegevens van derden zijn
aan de orde als er discrepanties blijven bestaan tussen bewijsstukken
die direct betrokkenen overleggen en gegevens die uit officiële
registraties komen. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om kwesties de
identiteit of de verblijfsstatus van de aanvrager betreffende, of de
identiteit van de werkgever.
De
verwachting is dat in een groot aantal gevallen het UWV
geen nadere informatie bij werknemer, werkgever of derden hoeft uit te
vragen, maar de aanvraag kan afhandelen op basis van de aanvraag die via
het
CWI-kantoor is binnengekomen, de eigen informatiesystemen en
eventueel systemen van derden waarmee elektronische koppelingen bestaan.
Door de aanvraag zoveel mogelijk geautomatiseerd te verwerken, kan de
focus op werk maximaal zijn en wordt bijgedragen aan logische en
klantvriendelijke dienstverlening en vermindering van de
uitvoeringskosten.
Ziektewet (ZW)
De Ziektewet
fungeert voornamelijk als "vangnet" voor degenen die geen
aanspraak kunnen maken op loondoorbetaling, omdat zij niet of niet
langer op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. Het UWV
beoordeelt in deze gevallen of er recht op uitkering bestaat, en zo ja,
gaat over tot uitbetaling van het ziekengeld.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO)
Nog
altijd is er sprake van een te groot beroep op de WAO.
Daarbij gaat het niet alleen om cijfers, maar vooral om de zorg dat te
veel mensen via de WAO het arbeidsproces verlaten die wellicht aan het
werk hadden kunnen blijven. Het betekent ook dat mensen met een
arbeidshandicap, ongeacht of ze een arbeidsverleden hebben of niet,
moeilijk toegang krijgen tot werk. Het kabinetsbeleid is er al een
aantal jaren op gericht rblz.|39|
deze zorgelijke ontwikkelingen om te buigen. Cruciaal daarbij is dat de
verantwoordelijkheid wordt teruggelegd daar waar het probleem moet
worden opgelost: tussen werkgever en werknemer. Dit gebeurt onder
handhaving van een aantal essentiële waarborgen in het publieke bestel.
De reïntegratiedoelstelling van de WAO moet meer invulling krijgen.
In
de brief van 14 april 2000 (Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nr. 104)
is aangegeven dat de forse structuurwijziging die met SUWI gestalte
krijgt, hiertoe een belangrijke bijdrage kan leveren, naast de vele
verbeteringen die reeds zijn doorgevoerd en die nog komen. Het gaat dan
in hoofdlijnen om de verdeling van de verantwoordelijkheden in het
eerste ziektejaar (poortwachtersmodel), tegen de achtergrond van de wens
om de verantwoordelijkheid nadrukkelijker bij werkgever en werknemer te
leggen. Het primaat voor de ondersteuning van werkgever en werknemer bij
reïntegratie ligt bij de arbodienst respectievelijk het
reïntegratiebedrijf. Het UWV adviseert
aanvullend, toetst of voldoende reïntegratie-inspanningen worden
verricht, stelt middelen beschikbaar voor reïntegratie en doet zo nodig
de uiteindelijke claimbeoordeling. Daarnaast ontstaat er een markt voor
reïntegratiediensten die de effectiviteit van de in te zetten middelen
moet vergroten.
Op
de werking van de nieuwe structuur voor wat betreft de reïntegratie
wordt nader ingegaan in hoofdstuk IV. Voor wat betreft
de claimbeoordeling geldt dat van de vorming van het UWV
een kwaliteitsverbetering wordt verwacht. De nieuwe organisatie zal het
beter mogelijk maken tot een optimale inzet van beschikbare capaciteit
en kennis te komen. Snelheid van handelen wordt voor het UWV van groot
belang. Of het nu gaat om het toekennen van reïntegratiemiddelen, het
verschaffen van een second opinion of het uitvoeren van de medische
beoordeling, steeds moet het UWV snel en effectief inspelen op de
activiteiten die werkgever en werknemer in gang hebben gezet, dan wel
dreigen na te laten.
c. Reïntegratie
Het
UWV is in beginsel de opdrachtgever voor de
reïntegratie van WW-gerechtigden. Het UWV is
ook opdrachtgever voor de reïntegratie van bepaalde groepen
arbeidsgehandicapten (voor WAZ- en
Wajong-gerechtigden en - voor
arbeidsgehandicapte werknemers - uiterlijk zes jaar na aanvang van de
ziekte of - op verzoek van de werkgever - na het einde van het
dienstverband).
In het kader van de reïntegratie speelt het
UWV ook anders dan als opdrachtgever een belangrijke rol. Zo heeft het
UWV tot taak om voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers
op een verantwoorde manier reïntegratiegelden beschikbaar te stellen.
Op grond van de Wet Rea kan het UWV subsidie
verstrekken voor voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering
van de arbeidsgeschiktheid van de arbeidsgehandicapte werknemer voor de
eigen arbeid. Verder kunnen de kosten van herplaatsing in een andere
functie worden gefinancierd uit het forfaitaire herplaatsingsbudget dan
wel een pakket op maat.
Verder is een kerntaak van het UWV een goede en
tijdige claimbeoordeling. De medische beoordeling die onderdeel is van
de claimbeoordeling levert in combinatie met een adequate arbeidskundige
beoordeling belangrijke informatie voor de reïntegratie. Centraal moet
daarin immers staan wat de werknemer nog wel kan.
d. Beheren en administreren van sociale
fondsen werknemersverzekeringen
De
uitgaven ingevolge de werknemersverzekeringen worden gefinancierd uit
daarvoor ingestelde fondsen. Zowel de uitkeringen, voorzieningen, rblz.|40|
subsidies en toeslagen ("grote geldstroom") die krachtens de
wet door het UWV worden toegekend als de
uitvoeringskosten van het UWV ("kleine geldstroom") komen ten
laste van de sociale fondsen.
De
fondsen die door het UWV worden beheerd,
vallen onder het geïntegreerd
middelenbeheer. Dit betekent dat het UWV de middelen van de fondsen
in een rekening-courantverhouding met het Rijk aanhoudt. Het fondsbeheer
in zijn geheel blijft de verantwoordelijkheid van het UWV, echter de
beleggingsactiviteiten maken geen onderdeel meer uit van het
fondsbeheer.
Hiermee wordt de huidige situatie voor wat
betreft het fondsbeheer en het geïntegreerd middelenbeheer ongewijzigd
overgebracht van het Lisv naar het UWV.
e. informatievoorziening
De
uitvoering van de sociale verzekeringen vergt een hoge
informatie-intensiteit. Informatie is cruciaal voor alle betrokken
partijen. Gegarandeerd zal moeten zijn dat alle betrokkenen kunnen
beschikken over voldoende en juiste informatie.
Het UWV dient de
informatiehuishouding zodanig in te richten dat alle betrokken partijen
op een doelmatige wijze kunnen beschikken over de informatie die nodig
is in verband met de uitvoering van de werknemersverzekeringen.
f. second opinion
Op
grond van het geldende wettelijke systeem kan de werknemer een second
opinion bij het Lisv aanvragen in geval van
een geschil met de werkgever over het bestaan van arbeidsongeschiktheid
tot werken. Het UWV neemt deze taak van het
Lisv over.
Op grond van het wetsvoorstel Verbetering poortwachter
WAO krijgt het Lisv (in de pre-SUWI-situatie) ook tot taak om een
second opinion uit te brengen over het aanwezig zijn van passende arbeid
binnen het bedrijf van de werkgever en over de vraag of de werkgever ten
aanzien van zijn arbeidsongeschikte werknemer voldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht. In lijn met de nieuwe
verantwoordelijkheidsverdeling zal de second opinion als het om de
beoordeling van reïntegratie-inspanningen gaat ook betrekking hebben op
de eventuele reïntegratie-inspanningen gericht op reïntegratie buiten
het eigen bedrijf. Het UWV neemt deze taken van het Lisv over.
g. uitvoeringstechnisch adviseren over
voorgenomen wet- en regelgeving
De Minister van SZW
kan het UWV vragen om over voorgenomen wet-
en regelgeving een uitvoeringstoets uit te brengen.
h. uitvoering indelingsregeling sectoren
De
sectorindeling (nu opgenomen in de Osv 1997)
zal op basis van de
Invoeringswet SUWI in de WW
worden opgenomen [zie Regeling indeling van het
bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, red.], omdat de
sectorindeling vooral van belang is voor de hoogte van de
wachtgeldpremie. De bevoegdheid om de sectorindeling vast te stellen,
blijft bij de
minister. Onder de Osv 1997 zijn sociale partners bij de
vaststelling en wijziging van de Indelingsregeling betrokken, doordat de
minister in het merendeel van de gevallen het Lisv
om advies vroeg. Na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel
zal de inbreng van sociale partners via de Raad voor
werk en inkomen lopen.
De administratieve indeling van werkgevers in
sectoren, inclusief het behandelen van bezwaar- en beroepschriften,
vindt plaats door het UWV. rblz.|41|
Dit geldt eveneens voor het voorbereiden van de invoering en wijziging
van de Indelingsregeling.
Op grond van de Osv 1997 hebben werkgevers en
werknemers binnen een sector de mogelijkheid om een sectorraad op te
richten. Deze raden adviseren het Lisv over sectorale aspecten in de
uitvoering van de sociale verzekeringen, met name over de te sluiten
administratie- en jaarovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen.
Deze laatste taak verdwijnt na inwerkingtreding van de Wet SUWI, omdat
er geen contracten meer met de uitvoeringsinstellingen gesloten behoeven
te worden.
Ongeveer 40 van de 66 sectoren hebben een
sectorraad opgericht. Belangrijke onderdelen van het bedrijfs- en
beroepsleven kennen geen sectorraad (bijvoorbeeld de industrie). Er is
dus geen, het gehele bedrijfs- en beroepsleven afdekkende,
organisatorische structuur. Dit heeft er, samen met het feit dat één
van de belangrijkste taken van de sectorraden verdwijnt, toe geleid dat
sectorraden geen onderdeel meer uitmaken van dit wetsvoorstel. Bovendien
kunnen sectoren via de RWI hun wensen ten aanzien van de uitvoering
kenbaar maken
i. bijzondere taken
Het
UWV kan bij ministeriële regeling worden
opgedragen om specifieke taken uit te voeren. Tevens kan de
minister het UWV belasten met het verrichten van onderzoek met
betrekking tot de wettelijke taken.
3.
Andere, niet-wettelijke taken van het UWV
Het kabinet heeft onderzocht of het wenselijk is het UWV
onder voorwaarden toe te staan ook andere dan de wettelijke taken te
laten verrichten. Bij de beoordeling om welke taken dat kan gaan, heeft
het kabinet rekening gehouden met de uitgangspunten van het in
voorbereiding zijnde wetsvoorstel "Markt en overheid". Het
betreffende wetsvoorstel stelt nadere regels voor de uitvoering van
marktactiviteiten door overheidsorganisaties. Hoofdregel dient op grond
van dit nog in te dienen wetsvoorstel te zijn dat er altijd een
wettelijke basis moet zijn voor het verrichten van marktactiviteiten en
dat dit de meest aangewezen wijze is voor de behartiging van het
openbaar belang.
Eerst is gekeken naar de andere taken die de uvi’s
op grond van de
Osv
1997 thans mogen verrichten. Het gaat hierbij onder meer om
werkzaamheden in het kader van bovenwettelijke aanvullingen (op WW,
ZW
en WAO), werkzaamheden in het kader van
CAO-regelingen die geen aanvulling op een wettelijke regeling inhouden
(bijvoorbeeld VUT- en pensioenregelingen) en werkzaamheden in opdracht
van publieke organisaties (SVB, Arbeidsvoorziening,
gemeenten) die nauw samenhangen met de
werkzaamheden die de uvi op grond van zijn wettelijke taken verricht.
Vervolgens is beoordeeld of het wenselijk is
dat het UWV de uitvoering van deze andere
taken voortzet. Een aantal van de hier bedoelde taken van de uvi’s
zijn niet te beschouwen als marktactiviteiten. Dit zijn de bovengenoemde
werkzaamheden in opdracht van publieke organisaties. Deze taken kunnen
zonder bezwaar ook door het UWV worden uitgevoerd.
Nadere afweging verdienden daarentegen de volgende door de uvi’s
uitgevoerde taken:
1. werkzaamheden met betrekking tot bovenwettelijke aanvullingen op WW,
ZW, WAO, AAW;
2. heffing en inning van premies en de betaling van uitkeringen op grond
van een regeling die tot stand is gekomen in overleg tussen werknemers-
en werkgevers(verenigingen).
De taken onder 1 zijn regelingen die een
aanvulling op één van de werknemersverzekeringen vormen (met name WAO
en WW). Bij de taken rblz.|42|
genoemd onder 2 gaat het om CAO-regelingen, maar het zijn geen
aanvullingen op een wettelijke regeling. Gedacht moet worden aan VUT- en
pensioenregelingen, scholingsregelingen, vorstverletregelingen, etc.
Vanwege de grote doelmatigheidsvoordelen van gecombineerde uitvoering
kiest het kabinet ervoor het UWV toe te
blijven staan de uitvoering te verzorgen van de (onder 1 genoemde)
huidige regelingen die een aanvulling vormen op de
werknemersverzekeringen.
De afweging over het al dan niet laten
uitvoeren door het UWV van de onder 2 genoemde taken is niet eenvoudig,
omdat de samenhang met de uitvoering van de werknemersverzekeringen
minder sterk aanwezig is en omdat er in de markt verschillende andere
partijen zijn die deze regelingen (zouden kunnen) uitvoeren. Ter wille
van continuïteit en beperking van reorganisatielasten zal het kabinet
het UWV voor onbepaalde tijd toestaan om de huidige regelingen bedoeld
onder 2 uit te voeren. Nieuwe regelingen (waarvoor thans geen
toestemming is verleend) die door sociale partners op dit gebied worden
overeengekomen, zullen echter op de private markt moeten worden
ondergebracht, tenzij deze regelingen overeenkomen met regelingen die
thans al worden uitgevoerd door de uvi’s.
Onder nieuwe regelingen wordt, zowel met
betrekking tot de taken genoemd onder 1 als onder 2, in dit verband
verstaan de "andere taken" die op het moment van
inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel door geen van de uitvoeringsinstellingen worden
uitgevoerd. Bestaande regelingen kunnen worden gewijzigd (een wijziging
maakt een regeling niet nieuw) en worden uitgevoerd door het UWV. Indien
sociale partners nieuwe regelingen overeenkomen die vergelijkbaar zijn
met regelingen die thans worden uitgevoerd door de uvi’s, dan kunnen
deze door het UWV worden uitgevoerd.
III.2. Consequenties
SUWI voor gemeentelijke taken
1.
Inleiding
Gemeenten zijn in de afgelopen jaren, mede door invoering van de
nieuwe Algemene bijstandswet op 1 januari
1996, de
Wiw en de nWsw, in
steeds sterkere mate verantwoordelijk geworden voor activering en
reïntegratie. Gemeenten hebben zich daarbij gericht op de mensen met
een bijstands-,
Ioaw- of Ioaz-uitkering
of een uitkering op basis van het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz).
Met de invoering van SUWI zullen zij tevens verantwoordelijk worden voor
de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en de
personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene nabestaandenwet.
Meer dan voorheen zullen uitkeringsgerechtigden, bij aanvang van hun
werkloosheid, te maken krijgen met de aandacht voor werk. Cliënten van
gemeenten zullen aan het begin van hun werkloosheid niet meer
direct te maken krijgen met de gemeentelijke sociale diensten, maar in
eerste instantie met een Centrum voor werk en inkomen
waar hun kansen voor de arbeidsmarkt nader bekeken worden.
Gemeenten
dragen, voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zorg voor een
traject naar werk. De bijbehorende reïntegratieactiviteiten zullen door
gemeenten zoveel mogelijk worden ingekocht bij professionele (private)
reïntegratiebedrijven. De gemeenten blijven verantwoordelijk voor
cliënten met een bijstandsuitkering en worden dat ook voor cliënten
zonder uitkering of met een Anw-uitkering.
Gemeenten zijn eveneens verantwoordelijk voor het leveren van
arbeidsplaatsen respectievelijk het aangaan van dienstbetrekkingen in
het kader van de Wsw en
Wiw.
rblz.|43|
2.
Een beschrijving van de wijzigingen in de uitvoeringstaken van gemeenten
Bij de invoering van SUWI zullen een aantal uitvoeringstaken van
gemeenten wijzigen:
a. De administratieve procedures:
• De intake
Nieuwe aanvragen in het kader van de Abw,
Ioaw
en Ioaz voor de kosten van levensonderhoud
worden niet langer door de
gemeente ingenomen. De intake wordt verricht door een CWI-medewerker.
De CWI-medewerker doet een eerste check op de volledigheid van de
gegevens en stuurt deze zo snel mogelijk door naar de gemeente ter
afhandeling van de aanvraag indien het niet is gelukt de cliënt aan een
baan te helpen. Zowel bij de vaststelling van (het recht op en de hoogte
van) de uitkering als bij de daaropvolgende activering en controle
kunnen de gemeenten hun poortwachtersfunctie voor de Abw waarmaken.
Het bovenstaande geldt niet voor bijzondere
groepen binnen de Abw waarvoor het niet zinvol is de uitkeringsaanvraag
via het CWI te laten lopen, omdat voor deze groepen de koppeling tussen
werk en inkomen niet bestaat. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
aan personen die zijn opgenomen in een psychiatrische inrichting. Bij of
krachtens de Algemene bijstandswet zal dit punt uitgewerkt worden.
• Cliënten met een grote
kans op het vinden van werk (de zogeheten fase-1-cliënten)
Fase-1-cliënten blijven voor hun contacten
aangewezen op medewerkers die werkzaam zijn op lokatie van het CWI.
Op de CWI-lokatie vindt de basisdienstverlening plaats waaronder
begrepen het helpen van de cliënt met het zoeken naar nieuw werk (al
dan niet via de nationale vacaturebank) en het bemiddelen tussen de
cliënt en een potentiële werkgever.
• Cliënten met een grote
afstand tot de arbeidsmarkt (fase-2- t/m 4-cliënten)
De cliënten die naar de mening van het
CWI-kantoor een geringere kans hebben op de arbeidsmarkt, worden
doorverwezen naar de betreffende gemeente. De
casemanager van de gemeente stelt, samen met de cliënt, naar aanleiding
van een reïntegratieadvies van het CWI, een reïntegratietraject vast.
• Activering en controle
(heronderzoeken)
De activering en controle van de
fase-1-cliënten wordt uitgevoerd op het CWI-kantoor,
maar door medewerkers van
gemeenten. Zij voeren periodiek gesprekken met
de cliënt om de rechtmatigheid van de uitkering te bewaken en de
activiteiten van de cliënt richting betaald werk te stimuleren. De
activering en controle van de overige cliënten vindt plaats bij de
gemeente.
b. De reïntegratietaken:
• Opdrachtgeverschap
Gemeenten hebben zich
in het verleden voor de basisdienstverlening en de reïntegratie van
cliënten altijd gewend tot
Arbeidsvoorziening. Met de invoering van SUWI
zal de basisdienstverlening op het CWI-kantoor
geschieden. Hierin wijzigt voor gemeenten niets. Anders ligt het voor de
reïntegratieactiviteiten voor fase-2- tot en met 4-cliënten. Deze
activiteiten zullen door de gemeenten als opdrachtgever in beginsel op
de (private) reïntegratiemarkt moeten worden ingekocht.
rblz.|44|
3.
Nieuwe gemeentelijke taken
• Regionale platforms
Het is wenselijk om op regionaal niveau
afstemming te zoeken tussen partijen teneinde tot een samenhangend
regionaal arbeidsmarktbeleid te komen. Hiertoe is het gewenst dat
regionale platforms opgericht worden. Aan gemeenten
zal worden gevraagd hiervoor het initiatief te nemen. Het is voor de
hand liggend dat naast gemeenten, UWV,
CWI, werkgevers en werknemers
participeren in regionale platforms. Ook andere partijen kunnen
(structureel of ad hoc) participeren, waarbij gedacht kan worden aan
reïntegratiebedrijven, uitzendbureaus, ROC’s,
scholen voor praktijkonderwijs, Wiw-organisaties
en
Wsw-bedrijven.
Regionale platforms zijn van belang voor een
goede samenwerking, omdat daarin naast de CWI-kantoren,
het UWV en de gemeenten ook werkgevers, werknemers en andere partijen
kunnen participeren. Medewerkers van het CWI kunnen op verzoek van de
gemeente een ondersteunende rol spelen.
Om een landelijk dekkend stelsel te krijgen,
ligt het voor de hand dat de regionale platforms aansluiten bij de
CWI-structuur. Momenteel wordt bestudeerd of een financiële
stimuleringsregeling dient te worden getroffen. Bij of krachtens AMvB
kunnen regels worden gesteld voor het geval dat er geen landelijk
dekkend stelsel van regionale platforms tot stand komt. De functies van
het regionale platform zijn (niet-limitatief):
1. afstemming, consultatie en advisering aangaande regiospecifieke
(arbeidsmarkt)vraagstukken;
2. afstemming over de regionale beleids- en middelencoördinatie;
3. het bevorderen van een sluitende dienstverlening aan werkzoekenden
tussen de verschillende uitvoeringsorganisaties.
Het platform is een overlegorgaan en heeft geen
bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden. De meerwaarde van het
platform zit in een betere afstemming, het bij elkaar brengen van kennis
van de regionale situatie, de afstemming van het sectorbeleid, het
regionale beleid en het lokale beleid, het uitwisselen van best
practices e.d.
Op basis van hun kennis van de regionale
(arbeidsmarkt)situatie kunnen (partijen betrokken bij) regionale
platforms bij de Raad voor
werk en inkomen voorstellen indienen voor regionale projecten en
sectorale initiatieven.
•
Niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en werkzoekenden met een Anw-uitkering
Gemeenten krijgen de
verantwoordelijkheid voor een nieuwe doelgroep: de in hun gemeente
woonachtige niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden en de werkzoekenden
die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene nabestaandenwet. De
inspanning die gemeenten voor deze groepen moeten leveren is, afgezien
van het verstrekken van een uitkering, dezelfde als voor de
uitkeringsgerechtigde werkzoekende.
Deze werkzoekenden kunnen gebruik maken van de
reïntegratie-instrumenten van de gemeente voor zover hun kans op het
zelf vinden van werk als gering wordt beoordeeld.
III.3. Bestuurlijke
inrichting en organisatie van CWI, UWV en SVB
1.
Bestuurlijke inrichting
Voor de Centrale organisatie werk en inkomen,
het UWV en de SVB
wordt eenzelfde bestuurlijke inrichting voorgesteld. Gekozen is voor een
tweeledige interne structuur: een Raad van bestuur voor de dagelijkse
leiding van de organisatie en daarnaast een Raad van advies. De Raad van
bestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de wettelijke taken
van de organisatie als geheel. Deze is dus eindverantwoordelijk voor
alle bij rblz.|45|
het orgaan berustende wettelijke taken. Het is dan ook de Raad van
bestuur die het aanspreekpunt vormt voor de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (in het kader van het bestuurlijk overleg,
toezicht en anderszins). De minister benoemt de leden van de Raad van
bestuur. De Raad van bestuur is niet alleen verantwoordelijk voor de
dagelijkse uitvoering en de direct daarmee samenhangende activiteiten,
maar ook voor het vaststellen van het jaarplan, begroting en de
verantwoordingsstukken (jaarverslag, jaarrekening, kwartaalverslag).
De
Raad van advies bestaat uit een beperkt aantal (drie à vijf)
onafhankelijke leden, die eveneens door de
minister worden benoemd. Bij de benoeming zal rekening worden
gehouden met deskundigheid en bestuurlijke ervaring die relevant zijn
voor het zo goed mogelijk functioneren van grote organisaties
(bijvoorbeeld op het gebied van grootschalige ICT-processen en
organisatieveranderingen).
De Raad van advies staat, op iets meer afstand
van de praktijk van alledag, in raadgevende zin de Raad van bestuur
terzijde. Het gaat hierbij in het bijzonder om advisering over
vraagstukken van strategisch belang en andere kernbeslissingen die zich
binnen de organisatie voordoen. Met deze tweeledige structuur wordt
beoogd dat er binnen elk ZBO sprake is van checks and balances, hetgeen
de kwaliteit van de interne afwegingen ten goede komt.
De
beoogde wisselwerking tussen Raad van bestuur en Raad van advies kan als
volgt worden ingevuld.
Alvorens het meerjarenbeleidsplan, het
jaarplan, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag naar de
minister worden gezonden, legt de Raad van bestuur deze aan de Raad
van advies voor. Het oordeel van de Raad van advies - inhoudende dat de
Raad zich ermee kan verenigen, of niet, en dit met redenen omkleed -
wordt bijgevoegd bij de aanbieding aan de minister. Gezien de
onderwerpen die in bovengenoemde documenten aan de orde zullen komen,
heeft de inschakeling van de Raad van advies dus betrekking op de meest
zwaarwegende aspecten van het functioneren van de organisatie. Het kan
bijvoorbeeld gaan om advisering bij kernbeslissingen over het niveau van
dienstverlening en de kwaliteitszorg, uitbesteding van taken en het
verrichten van andere activiteiten dan de wettelijke taken. Voor de
oprichting van en deelneming in andere rechtspersonen of organisaties,
voor strategische beslissingen ten aanzien van samenwerking met andere
organisaties, investeringen en reorganisaties alsmede besluiten inzake
het aangaan van geldleningen, is de betrokkenheid van de Raad van advies
overeenkomstig.
In het bestuursreglement dat de Raad van
bestuur dient op te stellen, kan onder andere de wijze van
besluitvorming (dus ook de verhouding tot de adviserende taak van de
Raad van advies daarbij) nader worden geregeld. Het bestuursreglement
behoeft ministeriële goedkeuring.
2.
De mogelijkheden tot het uitbesteden van taken
Uitbesteding van werkzaamheden is één van de instrumenten die
kunnen bijdragen aan een klantgerichte en kwalitatief hoogwaardige
dienstverlening en kostenbewaking.
Er is sprake van uitbesteding als de uitvoering
van werkzaamheden die samenhangen met de uitoefening van het bedrijf,
niet meer in eigen beheer gebeurt. In dit verband is het goed om het
begrip uitbesteding te onderscheiden van het begrip inhuur. In geval van
inhuur is er geen sprake van het uit beheer geven van bepaalde
werkzaamheden.
In
de huidige publiek/private situatie op het gebied van de uitvoering van
de werknemersverzekeringen is een uitgebreide regelgeving op het punt
van de uitbesteding noodzakelijk om een mogelijke belangenvermenging rblz.|46|
te voorkomen. In de voorgestelde structuur is er sprake van volledig
publieke uitvoeringsinstanties, waarbinnen geen risico bestaat van
belangenverstrengeling tussen private en publieke bedrijfsonderdelen.
Derhalve is geen gedetailleerde regelgeving nodig op het gebied van
uitbesteding.
Op grond van doelmatigheidsoverwegingen zullen
de betrokken ZBO’s moeten beslissen of bepaalde taken uitbesteed
kunnen worden. De ZBO’s zullen worden verplicht in hun jaarplan
voornemens tot uitbesteding op te nemen. Deze verplichting biedt de
minister de mogelijkheid om vooraf kennis te nemen van de aard en
de omvang van eventuele uitbestedingen en om ongewenste uitbestedingen
bij te kunnen sturen. Daarnaast kan de minister gebruik maken van zijn
algemene aanwijzingsbevoegdheid jegens de ZBO’s. Voorts is in deze wet
een algemene bepaling opgenomen die de bevoegdheid geeft om bij of
krachtens AMvB regels te stellen omtrent de uitvoering. Deze bepaling
biedt de mogelijkheid voor de minister om - indien daar in de toekomst
behoefte aan bestaat - regels te stellen omtrent uitbesteding.
Hoofdstuk
IV. Reïntegratie: markt, ordening en aansturing
1.
Inleiding
Het reïntegratiebeleid is erop gericht uitkeringsgerechtigden goed
en snel weer naar het proces van betaalde arbeid terug te brengen. Het
gaat hier om zieke werknemers en arbeidsgehandicapten, ontslagwerklozen
en bijstandsgerechtigden en uitkeringsgerechtigden op grond van de Anw.
Daarnaast strekt het reïntegratiebeleid zich ook uit tot werkzoekende
niet-uitkeringsgerechtigden.
Reïntegratie-inspanningen kunnen bestaan uit diensten als: begeleiding,
scholing, actieve bemiddeling naar werk en (indien nodig) het treffen
van voorzieningen. In de met dit wetsvoorstel
samenhangende wetgeving wordt voorgesteld dat deze diensten worden
ingekocht op de private markt.
Op
deze markt opereren opdrachtgevers als vragers van reïntegratiediensten
en de private reïntegratiebedrijven als aanbieders daarvan. Er zijn
zowel private als publieke opdrachtgevers. Private opdrachtgevers zijn
sociale partners (op meerdere niveaus). Publieke opdrachtgevers zijn het
UWV en de gemeenten.
De private opdrachtgevers kunnen privaat gefinancierde middelen
inzetten. Zij kunnen echter onder voorwaarden ook beschikken over
publieke subsidies voor de inkoop van reïntegratiediensten. De publieke
opdrachtgevers werken (uiteraard) uitsluitend met publieke middelen. De
gemeenten kunnen daarnaast ook eigen middelen inzetten. Over alle
publiek beschikbaar gestelde middelen moet verantwoording worden
afgelegd. De
minister houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige besteding
van deze middelen.
Succesvolle reïntegratie staat of valt met de persoonlijke
betrokkenheid van de individuele cliënt. Het kabinet acht het daarom
van groot belang dat de rechten en plichten van cliënten in het kader
van het reïntegratiebeleid helder worden gedefinieerd.
Het
voorgaande betekent dat het totaal van het reïntegratiebeleid nader kan
worden onderscheiden in de volgende elementen:
• het beleid met betrekking tot de reïntegratiemarkt, i.c. de aan
vragers (privaat of publiek) en aanbieders te stellen voorwaarden en
eisen;
rblz.|47|
• het beleid met betrekking tot de publieke financiering van de
reïntegratieactiviteiten;
• het beleid met betrekking tot de toedeling van de doelgroepen aan de
verschillende opdrachtgevers;
• het beleid met betrekking tot de aan cliënten te geven rechten en
op te leggen plichten.
Deze elementen van beleid worden hierna verder
uitgewerkt. Dit wetsontwerp heeft een
belangrijke relatie met het nog in te dienen wetsontwerp Verbetering poortwachter
WAO. Op de inhoud van het poortwachtersmodel in algemene zin wordt
navolgend slechts deels ingegaan, namelijk voor zover dat feitelijk
onderdeel vormt van de inhoud van dit wetsontwerp. Verwezen zij
overigens in hoofdzaak naar het genoemde wetsontwerp.
2.
De reïntegratiemarkt
Algemeen
De
levering van reïntegratiediensten (begeleiding, scholing, actieve
bemiddeling naar werk, enz.) zal door private bedrijven plaatsvinden.
Het kabinet verwacht dat het de effectiviteit en de doelmatigheid zal
bevorderen om deze diensten te onderwerpen aan de tucht van de markt en
de productie ervan in concurrentie te doen geschieden. Op die wijze kan
worden bijgedragen aan de effectiviteit van het nieuwe stelsel van werk
en inkomen als geheel en kan het rendement van de in te zetten private
en publieke reïntegratiemiddelen worden geoptimaliseerd. Voorwaarde
voor het realiseren van deze doelstellingen is wel dat de juiste
spelregels voor de ontwikkeling van een effectieve en efficiënte markt
in acht worden genomen. Deze spelregels omvatten de volgende elementen:
• vrije toetreding en eerlijke concurrentie;
• kwaliteit door zelfregulering;
• sturing op doelgroepen via prijzen en contracten;
• openbare aanbestedingsprocedures;
• contracten waarin ook op resultaat wordt afgerekend;
• transparantie via informatieverstrekking door opdrachtgevers;
• verantwoording door opdrachtgevers van de besteding van publieke
middelen.
Vrije toetreding en eerlijke concurrentie
Er
zal sprake zijn van vrije toetreding. Dit betekent dat geen specifieke
toetredingseisen zullen worden gesteld. Uiteraard moeten personen en
bedrijven die zich begeven op de reïntegratiemarkt wel voldoen aan de
algemeen geldende criteria voor zelfstandig ondernemerschap
respectievelijk zelfstandige uitoefening van een vrij beroep en aan
algemeen geldende criteria uit hoofde van de uitoefening van specifieke
beroepen (bijvoorbeeld in de medische sfeer).
Ook zal aan bedrijven die mee willen dingen
naar contracten de eis worden gesteld dat zij beschikken over een
privacyreglement en over een klachtenprocedure. Aan opdrachtgevers zal
worden voorgeschreven dat zij deze minimumeisen stellen.
Er zal sprake moeten zijn van eerlijke
concurrentie. De overheid zal erop toezien dat bedrijven die zijn
gelieerd aan de overheid onder dezelfde voorwaarden moeten concurreren
als private bedrijven. Dit zal ook gaan gelden voor het te privatiseren
reïntegratiebedrijf van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
In
het kabinetsvoorstel worden de "klassieke", goeddeels
administratieve, taken rond de werknemersverzekeringen losgekoppeld van
de reïntegratietaken door de verplichting tot uitbesteding. Zoals in
een onderzoek rblz.|48|
van het IOO ¹ is aangetoond, leidt dit tot een verlaging van de
toetredingsdrempels, omdat reïntegratiebedrijven alleen maar hoeven te
doen waar ze goed in zijn, reïntegratie. Bovendien wordt hierdoor
voorkomen dat de uitvoerders van de werknemersverzekeringen de
cliëntenbestanden kunnen "afromen" (door zich met name te
richten op het reïntegreren van kansrijke cliënten).
1. IOO, Barrières voor
marktwerking in de uitvoering van de sociale zekerheid, december 1999.
Kwaliteit door zelfregulering
Eerder is aangegeven dat het kabinet geen specifieke toetredingseisen
wil stellen. Dit betekent ook dat geen kwaliteitseisen zullen worden
gesteld door middel van een wettelijk verplicht systeem van
certificering. Certificering kan leiden tot toetredingsbelemmeringen.
Ook zijn de administratieve lasten groot. Dit betekent uiteraard niet
dat kwaliteit niet van groot belang wordt geacht, integendeel. Het
kabinet gaat er echter vanuit dat in toereikende mate op andere manieren
een goed kwaliteitsniveau kan worden bevorderd en bewaakt.
In de eerste plaats staat het kabinet positief
tegenover initiatieven vanuit de branche zelf die zijn gericht op
zelfregulering. Inmiddels is een brancheorganisatie gevormd. Denkbaar is
dat deze organisatie een rol speelt in de bevordering en bewaking van
kwaliteit (uiteraard mogen er geen oneigenlijke toetredingsbelemmeringen
worden ontwikkeld). Het kabinet zal, mede in overleg met de
brancheorganisatie, de ontwikkelingen ter zake volgen.
In de tweede plaats zullen opdrachtgevers op
basis van hun ervaringen met concrete bedrijven in termen van prijzen en
prestaties kunnen sturen op kwaliteit. Slecht presterende bedrijven
zullen zich vanzelf uit de markt prijzen.
In de derde plaats zal worden gestreefd naar
transparantie van de markt door middel van verzameling van informatie
over bedrijven, contracten, producten, prijzen en prestaties. Hierbij
zal de RWI een belangrijke rol spelen (zie
verder hierna).
In
het geval van de arbodiensten is destijds (1993) wel gekozen voor een
systeem van certificering, omdat het hier een wettelijk verplichte
dienstverlening betrof, in de vorm van adviezen, waarvan de kwaliteit
niet zo eenvoudig door de opdrachtgevers is vast te stellen. In het
geval van reïntegratiebedrijven kan gemakkelijker voor transparantie
van de markt gezorgd worden aan de hand van hun meer concrete output:
succesvolle reïntegratie.
Sturing op doelgroepen via prijzen en
contracten
Het
reïntegratiebeleid richt zich op meerdere doelgroepen. De afstand tot
de arbeidsmarkt van deze doelgroepen (en van de individuele cliënten
binnen de doelgroepen) is verschillend. Voor sommige werklozen en
bijstandsgerechtigden kan een kort traject voldoende zijn, voor anderen
is een omvangrijke inspanning noodzakelijk. Voor arbeidsgehandicapten
geldt eveneens dat van uiteenlopende afstanden tot de arbeidsmarkt
sprake kan zijn.
Het kabinet acht het van groot belang dat ook
(zelfs juist) cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een
gelijkwaardige kans op toetreding hebben. Het beleid is daarop gericht.
Het
is de taak van de opdrachtgevers ervoor zorg te dragen dat ook personen
en groepen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt adequate
toetredingsmogelijkheden krijgen. De opdrachtgevers moeten in dezen
sturen door middel van prijzen en de inhoud van contracten. De prijs zal
hoger zijn naarmate de afstand tot de arbeidsmarkt groter is. Het is
één van de taken van de RWI om over de
hoogte van de zogeheten normvergoedingen rblz.|49|
die hiervoor beschikbaar worden gesteld, te adviseren. De overheid zal
monitoren, ook en vooral voor de zeer moeilijk plaatsbare groepen, hoe
de reïntegratieactiviteiten worden uitgevoerd en welke resultaten
daarbij worden behaald.
Aanbestedingsprocedures
In
het proces van opdrachtverlening dienen de opdrachtgevers te voldoen aan
de EU-richtlijnen ter zake.
Contracten waarin ook op resultaat wordt
afgerekend
Doel van het reïntegratiebeleid is de daadwerkelijke en blijvende
toeleiding naar werk van personen die nu buiten de betaalde arbeid
staan. Dit doel dient centraal te staan in de inhoud van de contracten.
De te leveren prestatie is in veel gevallen: bestendige plaatsing van de
cliënt op een reguliere (niet-gesubsidieerde) arbeidsplaats in hetzij
de marktsector, hetzij de collectieve sector. Denkbaar is dat in de
concrete vormgeving een basisbedrag wordt betaald voor bepaalde in elk
geval te verrichten werkzaamheden en dat een aanvullend bedrag
uitsluitend wordt gekoppeld aan het resultaat in termen van plaatsing.
In situaties waarin in verband met de grootte van de afstand tot de
arbeidsmarkt plaatsing nog niet direct aan de orde kan zijn en het
contract zich beperkt tot een deel van de voorbereiding op de toetreding
tot de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld inburgeringstraject, kunnen de
prestaties op andere wijze dan in de vorm van een directe plaatsing
worden gedefinieerd.
Transparantie via informatieverstrekking
door opdrachtgevers
Een
belangrijke vereiste voor een goed functionerende reïntegratiemarkt is
transparantie, dat wil zeggen inzicht in de aanbieders op de markt en de
verschillen tussen aanbieders zowel in termen van specialisatie als
prestaties. Dit inzicht is voor meerdere partijen van belang:
1. de
minister heeft informatie nodig voor de beoordeling en verdere
ontwikkeling van het beleid;
2. de RWI heeft informatie nodig voor het
opstellen van het beleidskader werk en inkomen;
3. de opdrachtgevers hebben informatie nodig om tot een verantwoorde
keuze van een reïntegratiebedrijf te kunnen komen.
Hoewel elke partij een eigen informatiebehoefte zal kennen, wordt de
basis gevormd door informatie van de opdrachtgevers over de verrichte
reïntegratie-inspanningen en de resultaten daarvan. In de SUWI-wetgeving
en de nadere regelgeving wordt geregeld dat de
minister en de RWI over deze
informatie kunnen beschikken. Verder moet worden gewaarborgd dat de
opdrachtgevers over voldoende informatie beschikken om een verantwoorde
keuze tussen reïntegratiebedrijven te kunnen maken.
rblz.|50|
In de volgende schema’s zijn de veranderingen in de reïntegratiemarkt
tengevolge van de SUWI-voorstellen in beeld
gebracht.
Reïntegratiemarkt:


3. De opdrachtgevers
voor de reïntegratie
Bij het toedelen van het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie is
aangesloten bij de (financiële) prikkels die in de materiewetten zijn
opgenomen met het oog op preventie en reïntegratie. Dit heeft geleid
tot de volgende verdeling:
• werkgevers(-) en werknemers(organisaties)
kunnen zelf bepalen op welk niveau (bedrijfsniveau, CAO-niveau of
brancheniveau) zij het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie van
zieke en arbeidsgehandicapte werknemers inrichten. In ieder geval na zes
jaar gaat het opdrachtgeverschap over naar het UWV. Het UWV is ook
opdrachtgever voor WAZ-, ZW-,
en Wajong-gerechtigden;
• het UWV is in beginsel opdrachtgever voor WW-gerechtigden. Onder
voorwaarden kunnen de overheid en sociale partners ook opdrachtgever
worden voor deze categorie;
• de gemeenten zijn al opdrachtgever voor de
reïntegratie van bijstandsgerechtigden en worden dit voor personen met
een Anw-uitkering en
niet-uitkeringsgerechtigden.
a. De reïntegratie van zieke en
arbeidsgehandicapte werknemers
De verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van zieke en
arbeidsgehandicapte werknemers berust ook thans al bij private partijen
(werkgever en werknemers daarbij ondersteund door de arbodienst). Die
verantwoordelijkheid is nu nog ingeperkt tot herplaatsingsmogelijkheden
in het rblz.|51|
eigen bedrijf (reïntegratie in het eerste spoor). Is dat niet
mogelijk, dan neemt het (publieke) Lisv de
verantwoordelijkheid over (het tweede spoor). Door middel van
wijzigingen in de Wet Rea (via de Invoeringswet
SUWI) zal deze private verantwoordelijkheid worden uitgebreid met de reïntegratie
bij een andere werkgever indien er in het eigen bedrijf geen
herplaatsingsmogelijkheden meer zijn. Het grote voordeel hiervan is dat
er een volledige aansluiting ontstaat tussen enerzijds het complex van
preventie en ziekteverzuimbegeleiding/reïntegratie tijdens het eerste
ziektejaar en anderzijds de WAO-periode daarna.
De duur van het opdrachtgeverschap sluit bewust aan bij de periode van
de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever gedurende het eerste
jaar van ziekte en de gedifferentieerde WAO-premie uit hoofde van de Pemba.
Door vroegtijdige reïntegratie kan de werkgever grote financiële
schade voorkomen. Een deel van de mogelijke besparingen zou de werkgever
als bonus in het vooruitzicht kunnen stellen van reïntegratiebedrijven
waarmee een prestatiecontract wordt gesloten.
Arbodiensten en reïntegratiediensten zullen
naar verwachting nauw gaan samenwerken, zo niet fuseren. Er hoeft
daardoor ook geen overdracht meer plaats te vinden van dossiers, met
alle voordelen van een integrale gevalsbehandeling van dien.
Deze private en bipartiete verantwoordelijkheid
duurt in ieder geval zolang er een dienstverband is (in de regel twee
jaar). Daarna kan de verantwoordelijkheid worden overgedragen aan het UWV. De werkgever kan er, met instemming van OR of
personeelsvertegenwoordiging, ook voor kiezen om het opdrachtgeverschap
te continueren. In elk geval zal uiterlijk na zes jaar de
verantwoordelijkheid overgaan naar het UWV. Ook in het geval van
samenloop van aanspraken (WAO/WW) is de private
opdrachtgever verantwoordelijk voor de reïntegratie.
Reïntegratieactiviteiten zijn alleen kansrijk als er sprake is van een
zo goed mogelijke samenwerking tussen alle betrokkenen. In de eerste
plaats is dat de betrokken werknemer zelf die een eigen
verantwoordelijkheid heeft om alles te doen om zijn terugkeer naar werk
te bevorderen. Verder spelen het reïntegratiebedrijf en het UWV
(via
het ter beschikking stellen van subsidies en in het kader van de WAO-keuring)
een belangrijke rol. In die zin is er sprake van een gedeelde
verantwoordelijkheid van de werkgever, de betrokken werknemer, het reïntegratiebedrijf
en het UWV voor de reïntegratie van zieke en arbeidsgehandicapte
werknemers.
Het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie van zieke en
arbeidsgehandicapte werknemers is op alle niveaus bipartiet. Het
bipartiete karakter van het opdrachtgeverschap kan op het niveau van de
onderneming vorm krijgen door de instemming van de OR,
personeelsvertegenwoordiging of bij het ontbreken daarvan door
instemming van de belanghebbende werknemers. Ook door daarover in een
CAO afspraken te maken, kan het bipartiete opdrachtgeverschap vorm
krijgen. Deze afspraken zijn bindend voor de leden van de contracterende
organisaties van werknemers en werkgevers.
Uiteraard voor zover dit past binnen het kader van de Mededingingswet. CAO-afspraken
gaan boven afspraken op ondernemingsniveau. Op deze afspraken is het
staande AVV-beleid [AVV: algemeenverbindendverklaring, red.] van toepassing, zoals dat nu ook geldt voor
bijvoorbeeld het afsluiten van contracten met arbodiensten. CAO-afspraken
over de inhoud van reïntegratiecontracten, bijvoorbeeld in termen van
het (minimum)niveau van dienstverlening waaraan die contracten moeten
voldoen, kunnen algemeen verbindend worden verklaard. In dat geval
gelden de bepalingen dus voor de gehele bedrijfstak. CAO-afspraken
waarin heel specifiek één of meer reïntegratiebedrijven zouden worden
aangewezen als te contracteren bedrijf, komen, op grond van het
reguliere toetsingskader ter zake, in principe niet voor algemeenverbindendverklaring
in aanmerking. Als de CAO evenwel een ruime, welhaast automatische en
met waarborgen rblz.|52|
omklede dispensatiemogelijkheid bevat met betrekking tot
deze afspraak, dan komt een dergelijke afspraak, eveneens op grond van
genoemd toetsingskader, wel voor algemeenverbindendverklaring in
aanmerking. In dat geval kan de individuele werkgever immers kiezen voor
een ander reïntegratiebedrijf, uiteraard met instemming van zijn OR of
de personeelsvertegenwoordiging.
Aangezien het hier gaat om een uitbreiding van een bestaande
verantwoordelijkheid van de werkgever kan in de vormgeving worden
aangesloten op de bestaande arrangementen voor reïntegratie in het
eerste spoor. Ook thans worden die al, op basis van vrijwilligheid,
benut voor reïntegratie bij een andere werkgever. Het gaat hierbij met
name om de verplichte ondersteuning door een arbodienst, de inschakeling
van reïntegratiebedrijven, het kader van rechten en plichten van de
werknemer, de rol van het Lisv/UWV bij toetsing
van de reïntegratieplannen en de financiering op grond van de Wet
Rea.
Deze arrangementen zullen op grond van de
beleidsvoornemens aangekondigd in de Voortgangsnota
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nr.
104) al eerder worden gewijzigd. Daartoe zal een wetsvoorstel tot
wijziging van het zogeheten "poortwachtersmodel" worden
ingediend en de arboregelgeving worden aangepast. Deze wijzigingen
beogen de werkwijze van werkgever, arbodienst en uvi
te verbeteren en tevens de positie van de werknemer bij het reïntegratieproces
te versterken. De voorgestelde wijzigingen in het "poortwachtersmodel"
zijn zo vormgegeven dat deze zowel kunnen worden ingevoerd bij de
bestaande verantwoordelijkheidsverdeling op het punt van de reïntegratie
van arbeidsgehandicapten als bij de in dit wetsvoorstel voorgestelde
verantwoordelijkheidsverdeling.
Bij de reïntegratie in het eerste spoor is de bijstand van een
arbodienst verplicht. In de arboregelgeving zal explicieter dan thans
het geval is worden vastgelegd dat de arbodienst, indien werkhervatting
niet zonder meer te verwachten is, werknemer en werkgever dient te
adviseren over de concrete stappen die nodig zijn voor reïntegratie. Vóór
SUWI betreft dit herplaatsing in het eigen bedrijf dan wel overdracht
van verantwoordelijkheid aan de uvi; na SUWI betreft dit ook de stappen die nodig zijn ter bevordering van reïntegratie
bij een andere werkgever. Contracten met de arbodienst die hieraan niet
voldoen, zullen moeten worden herzien.
b. De reïntegratie van
WW-uitkeringsgerechtigden
Het UWV
is in beginsel verantwoordelijk voor de reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden.
Daartoe sluit het UWV contracten met meerdere reïntegratiebedrijven.
Door meerdere reïntegratiebedrijven in te schakelen, kan het UWV de
prestaties van de verschillende reïntegratiebedrijven onderling
vergelijken. Dit houdt de reïntegratiebedrijven "scherp" en
zorgt ervoor dat het UWV niet afhankelijk wordt van één of enkele reïntegratiebedrijven.
Ook (vertegenwoordigers van) werkgevers en werknemers kunnen
opdrachtgever worden voor de reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden. Dat kan bijvoorbeeld in het geval dat
werkgevers(organisaties) met werknemers(organisaties)
afspraken hebben gemaakt over het naast de beschikbare publieke middelen
inzetten van eigen middelen voor de reïntegratie van WW-gerechtigden.
Het UWV
heeft in dat geval een toetsende rol, voor zover het hierbij ook
gaat om het inzetten van publieke middelen.
Een tweede voorbeeld heeft betrekking op de
overheid. Anders dan in de private sector hebben de overheidswerkgevers
een direct financieel belang bij het reïntegreren van ontslagen
werknemers vanwege het feit rblz.|53|
dat zij de lasten van WW-uitkeringen ten
volle zelf dragen. De voorwaarden waaronder het opdrachtgeverschap voor
de reïntegratie van WW-gerechtigden door anderen dan het UWV kunnen
worden uitgeoefend, zullen nader worden uitgewerkt.
Voor zover dat noodzakelijk is om de continuïteit
van de reïntegratie van WW-uitkeringsgerechtigden te waarborgen, zal ten
aanzien van overheidswerkgevers die in 2001 een reïntegratiecontract
hebben afgesloten op basis van artikel 38a
Osv
1997, een overgangstermijn in acht worden genomen.
c. De reïntegratie van
bijstandsgerechtigden, personen met een Anw-uitkering en niet-uitkeringsgerechtigden
Gemeenten opdrachtgever
De gemeenten zijn al verantwoordelijk voor de reïntegratie
van bijstandsgerechtigden. Deze verantwoordelijkheid wordt nu uitgebreid
tot de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden (een voormalige
taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie) en
personen met een Anw-uitkering. Een specifieke
groep niet-uitkeringsgerechtigden wordt gevormd door wachtgelders die
geen recht op een WW-uitkering hebben. De
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van deze specifieke groep
werknemers gaat niet over naar de gemeenten, maar blijft bij de
overheidswerkgevers, omdat het hier een regeling betreft die in 2003
afloopt. De voor deze groep bestemde middelen voor de sluitende aanpak
gaan over van Arbeidsvoorziening naar het UWV.
Het algemene uitgangspunt is dat alleen met private bedrijven reïntegratiecontracten
zullen worden gesloten. Dit uitgangspunt geldt in beginsel ook voor de gemeenten.
Om meerdere redenen is het niet wenselijk om nu
wettelijk gemeenten tot volledige uitbesteding te verplichten. Bij
gemeentelijke klanten is vaak sprake van meervoudige problematiek
(schuld, verslaving, werkloosheid) die vraagt om een gecombineerd
zorg/werktraject dat niet geheel privaat kan worden uitbesteed. Tevens is
van belang dat gemeenten in het kader van het Fonds werk en inkomen
financiële prikkels krijgen om de uitvoering zo doelmatig mogelijk te
doen verlopen. Verondersteld mag worden dat hiervan een impuls uitgaat
om reïntegratietrajecten op de markt in te kopen. Bovendien bestaan er,
voor zover het gaat om gelden die de gemeenten uit eigen middelen
inzetten, geen wettelijke mogelijkheden om gemeenten te verbieden reïntegratieactiviteiten
uit te besteden aan aan gemeenten gelieerde reïntegratiebedrijven.
Veranderde relatie met aan gemeente
gelieerde reïntegratiebedrijven
Speciale aandacht vraagt de inkoop van reïntegratieactiviteiten bij
"aan gemeenten gelieerde" reïntegratiebedrijven.
Indien en voor zover nog wel aan de gemeentelijke overheid gelieerde
bedrijven (i.c. Wsw- en Wiw-bedrijven)
in aanmerking komen voor de gunning van reïntegratieactiviteiten, dan
dient dit onder dezelfde voorwaarden te gebeuren als bij private
ondernemningen en onder het stellen van dezelfde kwaliteitseisen.
Dit betekent dat:
• bij de oprichting of instandhouding van aan de gemeente gelieerde reïntegratiebedrijven
geen extra middelen op basis van de Wiw ingezet mogen worden, naast de
inkoopprijs voor de te leveren diensten;
• de aan de gemeente gelieerde reïntegratiebedrijven niet mogen zijn
vrijgesteld van BTW;
• er vooraf beoordelingscriteria moeten worden opgesteld;
• er sprake moet zijn van een volkomen transparante en toetsbare rblz.|54|
aanbestedingsprocedure in het kader waarvan meerdere offertes moeten
worden gevraagd;
• er een keuze dient te worden gemaakt op basis van de prijs/kwaliteitsverhouding.
Voor de relatie met aan gemeente gelieerde bedrijven zijn de Europese
aanbestedingsregels en de thans in ontwikkeling zijnde Wet markt en
overheid van belang. Daarnaast is relevant dat gemeenten
de reïntegratiemiddelen die zij ontvangen in het kader van de Wiw,
het scholings- en activeringsbudget, niet mogen inzetten voor de
financiering van hun eigen apparaatskosten. Deze middelen vormen het
overgrote deel van de gemeentelijke reïntegratiemiddelen. Ten slotte
krijgen gemeenten, zoals hierboven aangegeven, door de invoering van het
Fonds werk en inkomen een grotere financiële prikkel reïntegratiemiddelen
zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten. Door effectief en
efficiënt in te kopen, kunnen zij immers besparingen realiseren op het
gebudgetteerde deel (25%) van de uitkeringslasten Abw,
Ioaw en Ioaz.
Het kabinet verwacht dat hiermee belangrijke waarborgen bestaan voor een
marktconform opdrachtgeverschap door gemeenten,
in het bijzonder richting aan gemeenten gelieerde reïntegratiebedrijven.
Met het oog op het goed functioneren van de reïntegratiemarkt zal de
uitbesteding door gemeenten en de relatie met aan gemeente gelieerde
bedrijven van jaar op jaar zorgvuldig worden gemonitord. Gemeenten
worden via artikel 118 van de Abw verplicht in
hun beleidsplan en -verslag in te gaan op de uitbesteding van reïntegratieactiviteiten.
Voorts zullen gemeenten in het verantwoordingsverslag Wiw
verzocht worden hierover aan de Minister van SZW
te rapporteren.
Voor een goed functionerende reïntegratiemarkt vindt het kabinet het
daarenboven van groot belang dat een substantieel deel van de reïntegratiemiddelen
van gemeenten wordt uitbesteed aan private -
niet aan gemeenten gelieerde - partijen. In bestuurlijke afspraken
tussen de Minister van SZW en VNG
zal worden neergelegd dat gemeenten hun reïntegratieactiviteiten zoveel mogelijk uitbesteden aan private partijen. Dit zal expliciet worden
opgenomen in een convenant met de gemeenten met een looptijd van vier jaar.
Na vier jaar zal de balans worden opgemaakt.
4. Rechten en plichten
van de cliënt met betrekking tot reïntegratie
Via de Invoeringswetgeving SUWI worden de rechten en plichten van de
cliënt met betrekking tot reïntegratie nader ingevuld en aangescherpt.
Het betreft hier een aantal aanvullende bepalingen op het bestaande
instrumentarium in met name de WW, WAO,
de Wet Rea en de Wiw.
Naar de mening van het kabinet ontstaat hierdoor een evenwichtig en
samenhangend geheel van rechten en plichten, die het de cliënt mogelijk
maakt zijn belangen effectief tot gelding te maken. Toezeggingen om dit
onderwerp te betrekken bij SUWI zijn gedaan tijdens Algemene
Overleggen met de Vaste Commissie voor SZW van de Tweede Kamer op respectievelijk
30 september 1999 en 8 juni 2000 Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nrs. 97 en 107).
In de kern gaat het erom dat het nieuwe stelsel zodanig wordt
vormgegeven dat voor cliënten is gewaarborgd dat zij feitelijk
aanspraak kunnen doen gelden op:
• een adequate behandeling;
• een adequate begeleiding;
• adequate informatieverstrekking;
• een passend aanbod met betrekking tot reïntegratie.
Dit zijn zaken die een adequate, objectieve en
klantvriendelijke behandeling rblz.|55|
van de persoon in kwestie mogelijk maken
en daarmee voorwaardenscheppend zijn voor een succesvolle individuele
(traject)benadering. De cliënt moet voldoende mogelijkheden hebben om
een belangrijke rol te spelen bij zijn reïntegratie.
De reikwijdte van de aanspraken kan uiteraard
niet verder gaan dan wat redelijkerwijs van betrokken partijen kan
worden verlangd. Zo kan van een formeel afdwingbaar recht op een reïntegratietraject
of passende andere arbeid als zodanig geen sprake zijn. De situatie in
het individuele geval is immers bepalend of de mogelijkheden daartoe reëel
aanwezig zijn. Niettemin mag van de werkgever respectievelijk de
uitkeringsinstantie verwacht worden dat deze zich inspant om indien
redelijkerwijs mogelijk betrokkene een aanbod te doen.
Tegenover rechten staan ook plichten van de cliënt. Ook de plichten -
zoals de verplichting inlichtingen te verstrekken, de sollicitatieplicht
en de plicht om passend werk te aanvaarden - hebben nadrukkelijk een
plaats in het nieuwe stelsel. Voor zover één en ander naast of in afwijking
van het bestaande wettelijke kader aanpassing behoeft, zal dit in
hoofdzaak worden meegenomen in de invoeringswetgeving. Het gaat dan om
wijzigingen in onder andere de WW, de Abw
en de Wet Rea.
Ten slotte vormen de wettelijke mogelijkheden
van bezwaar en beroep belangrijke instrumenten om de positie van de cliënt
te versterken. Hierop zijn de bepalingen van de Algemene
wet bestuursrecht van toepassing. Tegen schriftelijke beslissingen
van uitvoeringsinstanties die rechtsgevolgen hebben voor cliënten staan
de gebruikelijke voorzieningen van bezwaar en beroep open.
In onderstaande toelichting wordt achtereenvolgens ingegaan op de
rechten en plichten van a. zieke werknemers en arbeidsgehandicapten, b.
ontslagwerklozen en bijstandsgerechtigden en c.
niet-uitkeringsgerechtigden.
a. Zieke werknemers en
arbeidsgehandicapten
Een adequate behandeling begint met het verstrekken door de werkgever
(in samenspraak met het reïntegratiebedrijf) aan de werknemer van alle
informatie die voor zijn reïntegratie van belang kan zijn. De werkgever
wordt hiertoe (via de invoeringswetgeving SUWI) verplicht en de
betrokken werknemer kan daar derhalve een recht aan ontlenen. Werkgever
en werknemer dienen de afspraken die zij wederzijds over reïntegratie
maken en de ondernomen acties, te documenteren. Ook de werknemer wordt
aldus op zijn verantwoordelijkheden aangesproken.
De arbeidsgehandicapte werknemer heeft recht op een passend aanbod voor
activiteiten die worden verricht in het kader van zijn reïntegratie. De
werknemer kan zijn werkgever aanspreken op de naleving van deze
wettelijke verplichting tot bevordering van de reïntegratie. Als de
werknemer van mening is dat de werkgever zijn verplichting niet of
onvoldoende nakomt, kan de werknemer een second opinion aan het UWV
vragen. Het UWV spreekt naar aanleiding van het verzoek van de werknemer
een oordeel uit over de vraag of de werkgever zijn verplichting tot
bevordering van de reïntegratie van de werknemer in voldoende mate is
nagekomen. Als het UWV van oordeel is dat de werkgever zijn
verplichtingen is nagekomen, dan zal de werknemer zich daar óf bij neer
moeten leggen óf in beroep moeten gaan bij de civiele rechter. In het
geval dat het UWV oordeelt dat de werkgever inderdaad in gebreke is
gebleven, kan de werknemer vorderen bij de civiele rechter dat de
werkgever aanvullende reïntegratieactiviteiten inzet.
rblz.|56|
Het recht op een passend aanbod gaat gepaard
met de verplichting van de zieke of arbeidsgehandicapte werknemer om mee
te werken aan zijn reïntegratie. Voor deze groep werknemers geldt dat
de loondoorbetalingsplicht van de werkgever vervalt indien de betrokken
werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan zijn reïntegratie
(één en ander is geregeld in het nog in te dienen wetsvoorstel Verbetering poortwachter
WAO).
Indien de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie overgaat op het UWV, zal het UWV moeten bezien of het de onder private
verantwoordelijkheid gemaakte afspraken voortzet, dan wel in overleg met
de cliënt een nieuw plan opstelt en de afspraken daarover op
overeenkomstige wijze vastlegt.
b. Ontslagwerklozen en
bijstandsgerechtigden
Ook hier start een adequate behandeling met het verstrekken aan de cliënt
van alle informatie die van belang kan zijn voor zijn reïntegratie. Bij
de intake op het CWI-kantoor moet duidelijk
worden gemaakt welke rechten en plichten de uitkeringsgerechtigde en de
uitkeringsinstantie hebben. Teneinde de cliënt een goed overzicht van
zijn positie te geven, verstrekt het CWI-kantoor betrokkene bovendien een
afschrift van het reïntegratieadvies.
Reïntegratie-inspanningen worden verricht voor WW-uitkeringsgerechtigden
en bijstandsgerechtigden die zijn ingedeeld in fase 2, 3 of 4 en voor
wie een reïntegratieadvies door de Centrale organisatie werk en
inkomen aan de uitkeringsinstantie is verstrekt. In verband met uniformiteit en
efficiency in de rechtsgang is er geen bezwaar en beroep mogelijk tegen
de fasering c.q. het reïntegratieadvies van de Centrale organisatie
werk en inkomen. Het advies alsmede de achterliggende inschatting van de
kans op de arbeidsmarkt vormen immers een onderdeel van een breder
proces, waarbij de uitkeringsinstantie de bevoegdheid bezit om af te
wijken van het advies. Derhalve ligt het in de rede bezwaar- en
beroepsmogelijkheden te concentreren bij de uitkeringsinstantie, die
immers verantwoordelijk is voor de reïntegratie en het al dan niet
gewijzigd volgen van het ontvangen advies op hoofdlijnen c.q. het (doen)
uitwerken daarvan in een concreet uit te voeren trajectplan. De bedoelde
inschatting heeft ook slechts een tijdelijk karakter; na verloop van
tijd volgt herbeoordeling. Uiteraard bestaat voor de cliënt wel de
mogelijkheid om gebruik te maken van de klachtenprocedure bij de
Centrale organisatie werk en inkomen. Aan de uitkerende instantie wordt
- te regelen via de Invoeringswetgeving SUWI - de verplichting opgelegd
de cliënt te informeren over alle zaken die voor zijn reïntegratie van
belang kan zijn. De WW-gerechtigde en de bijstandsgerechtigde (fase 2
tot en met 4) hebben, in ieder geval voor zover zij sollicitatieplichtig zijn,
recht op een passend aanbod voor inspanningen die hun reïntegratie naar
betaald werk mogelijk moeten maken. De betrokken uitkeringsgerechtigden
zijn van hun kant verplicht alles te doen om hun reïntegratie te
bevorderen. De afspraken die hierover tussen uitkeringsinstantie en
uitkeringsgerechtigde worden gemaakt, worden schriftelijk vastgelegd.
Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraak uit het Regeerakkoord
1998-2002 dat het voor de verhouding tussen een uitkerende instantie
en een cliënt wenselijk is dat rechten en plichten ten opzichte van
elkaar in een (tijdelijk) "contract" worden vastgelegd. Met de
ondertekening van een document, waarin de rechten en plichten van de
belanghebbende zijn opgenomen, bevestigt de belanghebbende dat hij op de
hoogte is van deze rechten en plichten, dat wil zeggen van de concrete
inspanningen die van hem worden verlangd. Het naleven van de gestelde
verplichtingen is een voorwaarde die aan de uitkering van betrokkene is
verbonden. De uitkeringsgerechtigde heeft naast rechten immers ook
plichten in het kader van de reïntegratie. In de WW en de Abw
zijn deze plichten vastgelegd; zo moet de uitkeringsgerechtigde in rblz.|57|
voldoende mate solliciteren, hij moet meewerken aan een (noodzakelijk
geachte) scholing en hij zal passende arbeid moeten aanvaarden. Indien
de belanghebbende bepaalde verplichtingen niet is nagekomen, wordt de
uitkering bij wijze van sanctie lager vastgesteld of (bij herhaalde of
zeer ernstige gedragingen) geweigerd of ingetrokken.
Specifiek voor WW-ers is het volgende van belang indien sociale partners opdrachtgever zijn. Wanneer een
WW-uitkeringsgerechtigde ontevreden is over de reïntegratieactiviteiten
die door sociale partners voor hem worden ondernomen, kan hij bezwaar
aantekenen bij het UWV. Het opdrachtgeverschap van sociale partners voor
de reïntegratie van WW-gerechtigden wordt immers onder
verantwoordelijkheid van het UWV uitgevoerd. Daarom staat bezwaar open
bij het UWV. Het UWV kan deze bezwaarprocedure niet uitbesteden aan
sociale partners. Daarna kan de WW-uitkeringsgerechtigde eventueel in
beroep gaan bij de bestuursrechter.
Wanneer het UWV
een WW-uitkeringsgerechtigde
(nog) geen reïntegratietraject heeft aangeboden en betrokkene meent dat
hij wel een reïntegratietraject nodig heeft, dan kan hij het UWV daarom
verzoeken (op basis van de plicht die het UWV heeft om de inschakeling
in het arbeidsproces te bevorderen). Als het UWV op een dergelijk
verzoek negatief beschikt, staat voor de WW-uitkeringsgerechtigde
bezwaar en beroep open.
Een belangrijk aspect van een adequate behandeling is een passende
persoonlijke begeleiding. Daarom is het wenselijk dat gemeenten
en UWV, die verantwoordelijk zijn voor de uitkeringsverzorging en de reïntegratie
van hun cliënten, een zogenoemde casemanager aanwijzen. De casemanager
is degene die op de hoogte is van de mogelijkheden die er voor de cliënt
op het gebied van reïntegratie zijn en biedt de cliënt de nodige
informatie en begeleiding. Een dergelijke vorm van persoonlijke
begeleiding kan een belangrijke bijdrage leveren aan het slagen van reïntegratieactiviteiten.
De taak van de casemanager kan de volgende elementen bevatten:
1. De casemanager zorgt ervoor dat activering en controle in nauwe
afstemming plaatsvinden met de bemiddelingsactiviteiten door de CWI-kantoren
en door reïntegratiebedrijven en andere arbeidsmarktintermediairs. De
casemanager zorgt er ook voor dat in voorkomende gevallen (namelijk
fase 2, 3 en 4) conform de sluitende aanpak het reïntegratietraject
binnen twaalf maanden gestart wordt en bevordert dat dit traject ook
succesvol afgerond wordt. Doordat de casemanager aanspreekpunt is voor
activering, controle en (waar nodig) reïntegratie, kunnen deze
activiteiten goed op elkaar worden afgestemd. Voor mensen die naar
verwachting vooralsnog niet gebaat zijn met een reïntegratietraject dat
gericht is op bemiddeling naar de arbeidsmarkt, kan de casemanager
bovendien, in overleg met de cliënt, zelf een trajectplan uitzetten dan
wel laten uitzetten.
2. Daarnaast is de casemanager het aanspreekpunt voor alle cliënten
voor zaken en/of problemen van persoonlijke en/of financiële aard in
relatie tot de uitkering en heeft hij een verwijsfunctie.
Het kabinet zal nauwlettend volgen hoe de invulling van het
casemanagerschap
zich in de praktijk ontwikkelt. Het is de verantwoordelijkheid van de
uitvoering hieraan gestalte te geven. Ingeval onverhoopt sprake zou
zijn van onvoldoende van de grond komen van één en ander, zal dit zeker reden
zijn hierop nadrukkelijker van overheidswege te sturen.
rblz.|58|
c. Niet-uitkeringsgerechtigden en
personen met een Anw-uitkering
De gemeenten worden verantwoordelijk voor de
(re)integratie van niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden. Daarnaast
gaat de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van Anw-gerechtigden
over van de SVB naar de gemeenten. Daar is voor
gekozen omdat gemeenten een financieel belang bij reïntegratie van
Anw-gerechtigden kunnen hebben. Immers indien de Anw-uitkering stopt,
bestaat de kans dat Anw-gerechtigden aangewezen raken op de Algemene
bijstandswet. De gemeente heeft er, met name door de incentives uit
het Fonds werk en inkomen, alle belang bij om dit te voorkomen en de reïntegratie
te bevorderen. Daarnaast heeft de gemeente - in tegenstelling tot de SVB
- veel ervaring met reïntegratie, waaronder reïntegratie van
alleenstaande ouders.
Teneinde te waarborgen dat gemeenten voldoende
(re)integratie-inspanningen voor deze groep werkzoekenden verrichten,
zal aan de gemeenten een wettelijke verplichting opgelegd worden tot het
geven van alle voor deze werkzoekenden voor een spoedige (re)integratie
van belang zijnde informatie.
De niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende en
de Anw-gerechtigde hebben dezelfde rechten op een adequate behandeling
en begeleiding bij zijn reïntegratie als een uitkeringsgerechtigde. Er
zijn voor de niet-uitkeringsgerechtigde geen plichten die voortvloeien
uit het ontvangen van een uitkering. In het geval dat er voor zijn
(re)integratie publieke middelen worden ingezet, ontstaat er voor
betrokkene natuurlijk wel de plicht dat hij alle inspanningen verricht
die nodig zijn om zijn (re)integratie te bevorderen.
Hoofdstuk V. Sturing
en toezicht
1. Inleiding
Een nadere analyse van het in het Nader Kabinetsstandpunt SUWI vervatte uitvoeringsstelsel gaf aanleiding ook de huidige versnipperde
toezichtsstructuur op het terrein van werk en inkomen opnieuw te bezien.¹ Het kabinet hecht eraan dat de minder gelaagde en meer integrale
beleidsuitvoering ook in de organisatie van het toezicht zijn beslag
krijgt. De integrale beleidsuitvoering krijgt in de nieuwe structuur
gestalte door intensieve samenwerkingsrelaties tussen het UWV,
CWI en gemeenten en maakt het van wezenlijk belang
het toezicht integraal, dat wil zeggen over het totaal van
uitvoeringsorganisaties werkzaam op het terrein van werk en inkomen, bij
één organisatie te beleggen.
1. In de huidige
uitvoeringsstructuur houdt het Ctsv toezicht op
de uitvoering van de sociale verzekeringen. De minister houdt toezicht
op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de
gemeenten alsmede op het Ctsv.
Ook is het naar de mening van het kabinet nodig dat recht wordt gedaan
aan de nieuwe positie die de
minister in het veld gaat innemen. De
verantwoordelijkheden van de minister voor het uitvoeringsproces, en
daarmee de mogelijkheden voor het parlement om de minister ter zake aan
te spreken, worden immers groter in de nieuwe uitvoeringsstructuur.
De vraag is dan hoe het toezicht gesitueerd moet worden, waarbij een
belangrijke randvoorwaarde is dat de toezichthouder voldoende
onafhankelijk is. Onafhankelijkheid ten opzichte van commerciële
partijen en sociale partners is niet aan de orde, omdat deze in het UWV,
de CWI, de SVB en bij de
uitvoering van de bijstand geen rol hebben. Wel dient er voldoende
onafhankelijkheid ten opzichte van het beleid te zijn, zodat de
toezichtsbevindingen niet worden beïnvloed door politiek-bestuurlijke
afwegingen.
Tegelijkertijd is het duidelijk dat de
ministeriële verantwoordelijkheid voor het toezicht voldoende
gewaarborgd moet zijn. Geen enkele toezichthouder werkt geheel
onafhankelijk van de ministeriële verantwoordelijkheid. rblz.|59|
Zo is ook het
huidige Ctsv ondanks de ZBO-status onderhevig
aan het gezag van de
minister, in die zin dat deze een algemene
aanwijzigingsbevoegdheid ten opzichte van het Ctsv heeft. En het is
thans ook de minister die de rapportages van het Ctsv naar het parlement
zendt en daarover verantwoording aflegt. De keuze tussen een ZBO-status
van de toezichthouder of een plaatsing van de toezichthouder binnen het
ministerie is dan ook geen keuze tussen twee uitersten.
2. Objectieve en
onafhankelijke toezichtsuitoefening
Toezicht heeft een belangrijke maatschappelijke functie. Deze is
gelegen in het scheppen van vertrouwen bij burgers en belanghebbenden
dat de uitvoerende organisaties hun werk naar behoren verrichten en dat
de dienstverlening op zo hoog mogelijk peil plaatsvindt. Van het
toezicht wordt verwacht dat er voldoende impulsen van uitgaan om op tijd
tot de noodzakelijke kwaliteitsverbetering te komen. Het waarmaken van
deze maatschappelijke functie van toezicht is de laatste decennia van
steeds groter belang geworden. Het toezicht dient bij te dragen aan de
werking van het uitvoeringsstelsel in relatie tot de beleidsdoelen van
de
minister.
Het toezicht is één van de essentiële verbindingen tussen beleid en
uitvoering en vice versa. Enerzijds draagt het toezicht ertoe bij dat de
uitvoering overeenkomstig de regels en de normen van het beleid
functioneert, anderzijds draagt het toezicht ertoe bij dat signalen uit
de uitvoering ook evenwichtig worden teruggegeven aan het beleid. Het
toezicht dient op objectieve wijze inzicht tot stand te brengen van de
rechtmatige en doelmatige uitvoering van het beleid door de onder
toezicht gestelde instellingen. Ook het geven van een oordeel op basis
van dit inzicht is een taak van het toezicht, inclusief het aangeven van
mogelijkheden voor verbetering van de uitvoering. De maatstaven voor het
toezicht worden beleidsmatig/politiek bepaald en zijn bij de
toezichtsuitoefening een gegeven.
Van belang is dat het toezicht handelt vanuit vertrouwen en gezag. Onder
toezicht gestelde organisaties en andere belanghebbenden moeten erop
kunnen vertrouwen dat het toezicht objectief en deskundig wordt
uitgeoefend. Het tot stand brengen van een objectief inzicht in de
uitvoeringsaspecten van het beleid komt tot uitdrukking in een aantal
toezichtproducten. De toezichthouder geeft vanuit het perspectief van
toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid (inclusief
doeltreffendheid, dat wil zeggen de realisatie van de gestelde beleidsdoelen) van
wet- en regelgeving:
• oordelen over het functioneren van de uitvoerende organisaties,
zulks op basis van de eigen verantwoording van die organisaties en waar
nodig op basis van eigen toezichtsonderzoek; en
• oordelen over de samenwerking en interactie tussen de verschillende
uitvoerende organisaties.
Als uitvloeisel en op basis van de hier genoemde toezichtsproducten biedt
de toezichthouder inzicht in de werking van het stelsel van uitvoering,
voor zover dat uiteraard samenhangt met het functioneren van en de
betrekkingen tussen de onder toezicht gestelde organisaties. Dit aspect
zal tevens tot uitdrukking komen in het jaarverslag.
Naast objectieve en onafhankelijke toezichtsbevindingen heeft de
minister onverkort behoefte aan informatie die het de minister mogelijk
moet maken zich te vergewissen van de effectiviteit van het beleid, ook
(en juist) als dat beleid zich mede richt op niet onder toezicht
gestelde bedrijven, instellingen of burgers. Die noodzaak wordt
bovendien alleen maar groter naarmate de begrotingsvoorbereiding en de
jaarverantwoording van de rijksoverheid meer op (beoogde, respectievelijk gerealiseerde)
rblz.|60|
prestaties toegesneden raken. Een voldoende en een systematische
voorziening in informatie is dan onontbeerlijk. Teneinde doublures en
een onnodige administratieve belasting van de uitvoerende instellingen
te vermijden, zal de toezichthouder daar waar mogelijk de informatie-uitvraag die uit het oogpunt van toezicht noodzakelijk is,
afstemmen met de vereiste informatievoorziening aan het departement uit
anderen hoofde (verantwoordings- en beleidsinformatie).
3. Afwegingen
positionering toezicht
Het kabinet heeft de verschillende argumenten bij zijn
oordeelsvorming over de situering van de toezichthouder zorgvuldig
afgewogen.
Bij de oordeelsvorming van het kabinet weegt de wenselijkheid van
integratie van het toezicht op het terrein van werk en inkomen zwaar.
Gezien de samenwerkingsrelaties in de uitvoering zal niet alleen
toezicht moeten plaatsvinden op de rechtmatige en doelmatige (daaronder
begrepen doeltreffende) taakuitoefening door de afzonderlijke
uitvoeringsorganisaties, maar ook op de wijze waarop deze organisaties
met elkaar samenwerken. Zodanige integratie veronderstelt dat het
toezicht op de uitoefening van de medebewindstaken door gemeenten
(bijstand en gemeentelijk arbeidsmarktinstrumentarium) moet passen in de
geldende bestuurlijke verhoudingen.
De realisatie van een toezichtsentiteit onder
directe ministeriële verantwoordelijkheid past bij de Nederlandse
bestuurlijke verhoudingen aangaande het toezicht op gemeenten als
democratisch gelegitimeerde medeoverheden. In de huidige situatie is het
toezicht op de gemeentelijke uitvoering al bij de
minister belegd. Het
kabinet acht het niet goed denkbaar dat een ZBO toezicht zou gaan houden
op de gemeenten. In de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen is het
gebruikelijk en aangewezen dat het bestuurlijk toezicht op medeoverheden
(provincies en gemeenten) wordt uitgeoefend door
een "hogere" bestuurslaag (artikel 136 Grondwet en artikel 268
Gemeentewet). Dat ligt ook in de rede, omdat alleen een "hogere"
bestuurlijke instantie competent kan zijn een integrale beoordeling te
maken van de aan toezicht onderworpen besluiten. De rechter kan dat niet
of slechts beperkt. Een zelfstandig bestuursorgaan kan het evenmin,
omdat dit is ingesteld met de beperkte opdracht om één door de
wetgever welomschreven aan hem toevertrouwd belang te behartigen. Het
regeringsstandpunt "Functioneel bestuur, waarom en hoe?" (Kamerstukken
II 1990-1991, 21 042, nr. 4) benadrukt dat vormen van
functioneel bestuur (zelfstandige bestuursorganen) aanvullend zijn op de
in de Grondwet neergelegde hoofdstructuur (van Rijk, provincies en
gemeenten met ieder hun open huishouding en eigen democratische
legitimatie).
In algemene zin geldt bovendien dat binnen de
huidige staatsrechtelijke en bestuurlijke verhoudingen een zekere
terughoudendheid op zijn plaats is met betrekking tot het introduceren
van nieuwe vormen van toezicht jegens gemeenten, die in de Nederlandse
constitutionele verhoudingen autonomie bezitten. Hierbij zij ook
verwezen naar de discussie omtrent de rol van Algemene Rekenkamer bij
het zojuist gepubliceerde voorontwerp van wet tot wijziging van de Gemeentewet.
Het kabinet is daarnaast van mening dat de inrichting van het
ministerieel toezicht dient aan te sluiten bij het gekozen
sturingsconcept. In het wetsvoorstel is in een directere
verantwoordelijkheid voor de uitvoering voorzien en krijgt de
minister in het verlengde daarvan instrumenten om tot een directere sturing ten
aanzien van het UWV, de
CWI en de SVB
te komen (vaststelling budget en goedkeuring beleidsplan, beoordeling
jaarverslag en jaarrekening, goedkeuring bepaalde uitvoeringsbesluiten,
aanwijzingsbevoegdheid). Daar hoort bij dat de minister ten opzichte van
het parlement zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht volledig waar rblz.|61|
moet kunnen maken. Een argument tegen de ZBO-status is dat hiermee de
ministeriële verantwoordelijkheid voor het toezicht wordt ingeperkt.
Daarnaast kan het efficiënt zijn om het toezicht en de
aansturingsfunctie niet te ver uit elkaar te plaatsen. Te veel afstand
kan ertoe leiden dat beide functies niet (voldoende) op elkaar zijn
afgestemd: het beleid van de kant van de
minister en het toezicht van de
kant van het toezichthoudende ZBO, waarbij de uitvoeringsorganisaties
met divergerende acties wordt geconfronteerd.
Deze argumenten leiden tot de keuze het toezicht op alle
uitvoeringsorganisaties op het terrein van werk en inkomen onder te
brengen bij het departement. Hierbij heeft het kabinet ook betrokken de
beschouwingen van de Raad van State in zijn
advies van juli 1996 bij de wijziging van de uitvoeringsorganisatie
sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen
1997). De Raad kenmerkte het toezicht als een kerntaak van de
minister en wees erop dat des te meer verantwoordelijkheid wordt
gedeeld, des te minder verantwoordelijkheid wordt ervaren. De afstand
tussen de minister en het toezichthoudende ZBO maakt, zo luidde het
oordeel van de Raad van State, dat de mogelijkheden van de minister zich
te verantwoorden tegenover de Staten-Generaal materieel in gelijke mate
verminderen (zie Kamerstukken II 1995-1996, 24 877, A).
De keuze van destijds voor een toezichthoudend
ZBO stond in het licht van marktwerking bij de uitvoeringsinstellingen.
Thans heeft het kabinet een geheel andere bestuurlijke constellatie voor
ogen. In de situaties waarin op andere terreinen sprake is van een ZBO als toezichthouder gaat het om toezicht op private (uitvoerende)
organisaties. Voorbeelden waarbij een ZBO toezicht houdt op volledig
private organisaties zijn de kredietinstellingen, beleggingsinstellingen
en wisselkantoren met De Nederlandsche Bank als toezichthouder, de
verzekeringssector en de pensioenen-spaarbranche met de
Verzekeringskamer als toezichthouder en de post- en
telecommunicatiemarkt met de Onafhankelijke post- en telecommunicatie
autoriteit als toezichthouder. Daarnaast zijn er bij andere
departementen ZBO’s die toezicht houden op private organisaties die
publieke regelingen uitvoeren. Een voorbeeld hiervan is het toezicht op
zorgverzekeraars wat betreft de wettelijke ziektekostenverzekeringen als
Zfw, AWBZ met als
toezichthouder de Commissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie. Het kabinet
zijn echter geen voorbeelden bekend bij andere departementen waarin een
ZBO toezicht houdt op een andere volledig publieke organisatie.
Cruciaal bij de keuze om het toezicht binnen het ministerie
van SZW onder te brengen, is dat goede waarborgen moeten en kunnen
worden ingebouwd teneinde een voldoende onafhankelijke positie te
waarborgen. In paragraaf 4 van hoofdstuk V geeft het kabinet aan welke elementen ter
waarborging van een professionele, objectieve en onafhankelijke
toezichtsuitoefening in regelgeving worden opgenomen.
4. Randvoorwaarden
voor de toezichtsorganisatie binnen de rijksdienst
Een adequate scheiding moet worden aangebracht tussen de functies
die betrekking hebben op de vorming en de implementatie van beleid
enerzijds en het uitoefenen van toezicht anderzijds. Hierbij wordt ook
verwezen naar het rapport van de commissie-Buurmeijer (Kamerstukken II 1992-1993, 22 730,
nrs. 7-8,
blz. 363) waarin wordt
geconstateerd dat bij de toenmalige Sociale Verzekeringsraad door het
gebrek aan functiescheiding tussen de opgedragen taken (zowel coördinerende
als toezichthoudende taken) het onafhankelijk toezicht in het gedrang
kwam. Dit impliceert een wettelijk verankerde vormgeving van de
toezichtsfunctie als volwaardige, aparte entiteit, inspectie binnen het rblz.|62|
departement. Ook andere ministeries hebben inspecties die als een
zelfstandige organisatie eenheid met toezicht zijn belast (Inspectie
Politie, Inspectie voor de Gezondheidszorg van het Staatstoezicht op de
Volksgezondheid, Inspectie van het onderwijs).
Gegarandeerd wordt dat de
minister niet treedt in de concrete
toezichtsbevindingen van de inspectie. De toezichtsbevindingen zullen
ingevolge de wet openbaar zijn, zodat het parlement en anderen daarvan
ongeclausuleerd kennis kunnen nemen. Het vastgestelde jaarplan, het
jaarverslag en alle, door de Inspectie relevant geachte, rapportages van
de inspectie zullen door de minister aan het parlement worden gezonden.
De minister zal bij verzending van de rapportages zijn oordeel over de
toezichtsbevindingen voegen.
De inhoudelijke onafhankelijkheid van de inspectie zal worden
ondersteund door middel van managementcontracten. Op het beheersmatige
vlak (financieel beheer, personeel beheer en formatiebeheer) kan aan de
toezichtsentiteit in verschillende gradaties eigen vrije ruimte worden
toegestaan. De Raad van State wees in zijn
advies van 1996 reeds op de mogelijkheid te komen tot instelling van een
agentschap of een inspectie ten behoeve van het waarborgen van de
onafhankelijkheid. Momenteel wordt een onderzoek uitgevoerd naar de
meest passende beheersmatige vormgeving en positionering.
De inspectie krijgt een inlichtingen- en
toegangsbevoegdheid ten aanzien van de onder toezicht gestelde
organisaties om zijn werk te kunnen doen.
Op basis van de in de wet te regelen hoofdelementen zullen de
onafhankelijke positionering en werkwijze van de Inspectie via lagere
regelgeving nader worden ingevuld. Elementen die in de nadere
regelgeving met het oog op het waarborgen van een professionele en
objectieve informatievoorziening uitwerking behoeven, zijn onder meer:
- de regeling van de werkzaamheden en de vaststelling van vorm,
frequentie en planning in de tijd van de rapportages over de
toezichtswerkzaamheden;
- de organisatorische definiëring van de scheiding tussen beleid en
implementatie daarvan enerzijds en het toezicht anderzijds;
- de wijze van vaststelling van het werkprogramma in relatie tot de
onafhankelijkheid voor wat betreft de toezichtbevindingen door de
inspectie;
- de termijn waarbinnen en wijze waarop de openbaarmaking van de
toezichtsbevindingen plaatsvindt.
Bij deze uitwerking zullen voorzieningen ter
zake van onafhankelijkheid bij andere inspecties en de bevindingen van
de commissie-Borghouts worden betrokken. De ontwerp-regeling zal aan het
parlement worden voorgelegd.
Uiteraard valt de wijze waarop de
minister het toezicht inricht en
uitoefent onder de competentie van de Algemene Rekenkamer (AR). De AR
heeft de taak om het financieel beheer van begrotingsgefinancierde
uitgaven te controleren en niet de taak om de premie-uitgaven te
controleren, met andere woorden een rechtmatigheidsoordeel te geven. De
AR heeft echter wel de bevoegdheid om in de premiegefinancierde sector
eigen onderzoek te doen. In de praktijk geeft de AR ook jaarlijks een
oordeel over de premie-uitgaven van
SZW, met name
waar het gaat om de vraag of de minister zijn verantwoordelijkheid voor
de uitvoering waarmaakt. Daarnaast doet de AR regelmatig onderzoek in de
premiegefinancierde sector. Voorbeelden van reeds afgeronde onderzoeken
zijn: Verantwoord verslaggeven over sociale verzekeringen, januari 2000,
Kamerstukken II, 26 981, Premievaststelling zorg en sociale zekerheid,
oktober 1999, Kamerstukken II, 26 845.
rblz.|63|
Thans doet de AR onderzoek naar het beheer van het WAO-proces
bij het GAK en de kwaliteit van de
geautomatiseerde informatievoorziening bij rechtspersonen met een
wettelijke taak (dat zich concentreert op Cadans).
Van beide onderzoeken zullen de rapporten worden gepubliceerd in het
voorjaar van 2001.
De AR zal ook in de nieuwe uitvoeringsstructuur
in dezelfde mate van zijn bevoegdheden ter zake gebruik kunnen maken en
de Staten-Generaal behoudt op grond van artikel 58 van de
Comptabiliteitswet het recht om de AR te verzoeken bepaalde onderzoeken
in te stellen.
5. Conclusie
Na zorgvuldige overweging is het kabinet tot de conclusie gekomen
dat het binnen de geldende bestuurlijke verhoudingen aangewezen is het
toezicht op alle betrokken uitvoeringsorganen in de nieuwe
uitvoeringsstructuur, de gemeenten en de ZBO’s
(CWI, UWV, SVB) te
integreren en deze te plaatsen onder verantwoordelijkheid van de Minister
van SZW. Tegelijkertijd is het duidelijk dat dit alleen vruchtbaar
kan zijn als de toezichthouder voldoende onafhankelijk is. Het kabinet
is van oordeel dat er goede mogelijkheden zijn om hiervoor voldoende
waarborgen in te bouwen. Concreet betekent deze keuze dat het Ctsv
en de Directie Toezicht van het ministerie van SZW worden omgevormd tot
een geïntegreerde eenheid die een onafhankelijke positie binnen het
departement zal krijgen.
Hoofdstuk VI. Financiering,
budgettering, begroting en verantwoording
1. Inleiding
Bij de uitvoering van het beleid op het terrein van werk en inkomen
zijn drie geldstromen te onderscheiden: de uitkeringslasten (de zogenaamde
grote geldstroom); de reïntegratiemiddelen en de uitvoeringskosten (de
apparaatsuitgaven; de zogenaamde kleine geldstroom). Voor elk van deze drie
geldstromen gelden afzonderlijke en van elkaar te onderscheiden systemen
van begroting/raming, verantwoording en financiering. Dit hoofdstuk
heeft betrekking op de uitvoeringskosten (de zogenaamde kleine geldstroom),
met dien verstande dat niet aan de orde zijn de uitvoeringskosten van gemeenten.
Deze worden momenteel gefinancierd via het Gemeentefonds. Mogelijk
worden deze kosten verder bezien in het kader van de ontwikkeling van
het Fonds werk en inkomen. Daarnaast wordt in paragraaf 5 van dit
hoofdstuk ingegaan op de uitkeringslasten en de reïntegratiemiddelen.
2. Financiering
Bij de financiering van de uitvoeringskosten van de (nieuwe)
uitvoeringsorganisaties (UWV,
Centrale organisatie werk en inkomen en SVB)
is aansluiting gezocht bij de financiering van de uitkeringslasten en
van de reïntegratiemiddelen. Deze uitgaven worden deels uit premies en
deels uit algemene middelen gefinancierd. De uitvoeringskosten die
samenhangen met de uitvoering van de premiegefinancierde regelingen (i.c. ZW, WAO, WW,
AOW, Anw, WAZ
c.a.) zullen ook uit premies worden gefinancierd. De uitvoeringskosten
die samenhangen met begrotingsgefinancierde regelingen (i.c. Wajong,
AKW c.a.) en de uitvoeringskosten van
activiteiten die geen uitkeringsregelingen betreffen (met name de
arbeidsmarktgerelateerde activiteiten van de Centrale organisatie werk
en inkomen) zullen uit de algemene middelen worden gefinancierd, hetgeen
ook geldt voor de uitvoeringskosten van de RWI.
rblz.|64|
De kosten van de departementale Inspectie Werk
en Inkomen zullen, gegeven de keuze voor positionering van het toezicht
bij de
minister, ook geheel uit algemene middelen (de apparaatskosten
van het ministerie van SZW) worden gefinancierd.
De gemengde financiering van de
uitvoeringskosten bij de uitkeringsregelingen betekent dat toerekening
van de totale uitgaven aan de onderscheiden premiegefinancierde
regelingen respectievelijk aan de algemene middelen zal moeten plaatsvinden. Er
zal naar worden gestreefd deze toerekening in de praktijk op basis van
zo eenvoudig en globaal mogelijke regels te verrichten. De verdeelkosten
zullen worden uitgewerkt in een ministeriële regeling.
3. Budgettering
Eén van de elementen waarop naar de mening van het kabinet directer
dan thans moet worden gestuurd, is het niveau van de uitvoeringskosten,
in relatie tot de te verrichten taken en de te realiseren
output/resultaten. In de huidige situatie zijn de mogelijkheden om
direct te sturen naar de mening van het kabinet te beperkt. Momenteel
worden alleen de uitvoeringskosten van het Ctsv
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie door de Minister
van SZW vastgesteld. De uitvoeringskosten van het Lisv
en de SVB daarentegen worden door het Ctsv
vastgesteld. Het budget van de uvi’s wordt
door het Lisv vastgesteld via een contractrelatie.
In de SUWI-structuur zijn de volgende instituties werkzaam: het UWV, de SVB,
de Centrale organisatie werk en inkomen en de RWI. Binnen de
uitvoeringsstructuur kennen deze organisaties geen concurrentie, zodat
budgettering het aangewezen instrument is om de efficiency binnen de
eigen organisatie te prikkelen. Gelet op het feit dat meer mogelijkheden
tot sturing voor de Minister van SZW moeten
worden ingevoerd, stelt het kabinet voor om de budgetten voor de
hiervoor genoemde organisaties te laten vaststellen door de Minister van
SZW.
Budgettering door de Minister van SZW houdt in
dat de minister inzicht dient te hebben in prijspeil, aard en omvang van
de door de uitvoeringsorganisaties te verrichten taken. Daartoe dient
het uitvoeringsproces binnen de uitvoeringsorganisaties volkomen
transparant te zijn. De precieze wijze waarop dat dient plaats te
vinden, vergt nog nadere uitwerking. Gedacht wordt aan het laten
opstellen door de uitvoeringsorganisaties van zogeheten
referentiewerkprocessen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van hetgeen
reeds ontwikkeld is door het Lisv, de SVB
en in het kader van de inrichting van de CWI’s.
Referentiewerkprocessen zijn in feite de elementen van het
uitvoeringsproces voor de opgedragen taken. Aan die
referentiewerkprocessen kunnen bepaalde prijsniveaus verbonden worden
op basis waarvan al naar gelang de omvang van de uit te voeren taken een
budget kan worden vastgesteld.
Bij de verdere uitwerking zullen de volgende uitgangspunten worden
gehanteerd:
• Het moet zo eenvoudig mogelijk zijn; het management van de
organisaties moet voldoende handelingsvrijheid hebben en niet in een
bureaucratisch keurslijf worden gedwongen; ook moet flexibiliteit ten
aanzien van uitbesteding mogelijk zijn.
• Er moet rekening worden gehouden met de omvang van de werklast
(volumeontwikkeling) en met de noodzakelijke kwaliteit in de uitvoering
(bijvoorbeeld de keuringen, de uitoefening van het opdrachtgeverschap, de
rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking en het wenselijke niveau
van handhavingsactiviteiten).
• Het moet transparant zijn en gegevens bevatten waardoor
oordeelsvorming over en sturing op de efficiency van de organisatie
mogelijk rblz.|65|
is; dat is ook van belang voor de af te leggen verantwoording;
gedacht kan bijvoorbeeld worden aan benchmarks waarmee geografisch en in de
tijd vergelijkingen kunnen worden gemaakt.
Het kabinet is overigens van mening dat een efficiënte
uitvoeringsorganisatie niet alleen kan worden afgemeten aan een laag
niveau van uitvoeringskosten. Immers, het niveau van de
uitvoeringskosten dient te worden gerelateerd aan het niveau van de
uitkeringslasten. Ingeval de stijging van de uitkeringskosten wordt
veroorzaakt door een toename van veelal dure reïntegratie-inspanningen,
kan die stijging van uitvoeringskosten als doelmatig worden beschouwd
wanneer een relatief grotere daling van de uitkeringslasten daarvan het
gevolg is.
Een soortgelijke overweging geldt bij de
handhavingsactiviteiten. In die zin is het dus van groot belang dat de
voorgestelde budgetteringssystematiek zeker niet alleen gericht wordt op
de inputfactoren. Juist ook de te leveren output en de te leveren
resultaten zullen een belangrijke factor moeten vormen in de
budgetteringssystematiek.
4. Begroting
De begrotingscyclus vangt aan in de eerste maanden van het jaar t-1.
De Minister van SZW stelt het begrotingskader
vast voor de organisaties waarvan het budget uitvoeringskosten door hem
wordt vastgesteld. Het begrotingskader bestaat uit een aantal door de
Minister van SZW opgestelde regels waaraan de begroting moet voldoen die
door de organisaties aan de Minister van SZW wordt voorgelegd. In het
begrotingskader worden de beleidsmatige, financiële, technische en
procedurele uitgangspunten vermeld waarmee bij de
begrotingsvoorbereiding rekening dient te worden gehouden. Met een
dergelijk begrotingskader wordt tevens bereikt dat er geen verschil in
structuur optreedt tussen de begrotingen van de diverse organisaties met
betrekking tot de uitvoeringskosten.
Hoewel het begrotingskader nog nadere uitwerking vergt, staat op
voorhand vast dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen
verschillende soorten uitvoeringskosten. Zo zullen de uitvoeringskosten
die gerelateerd zijn aan reïntegratie afzonderlijk zichtbaar moeten
worden gemaakt. In het begrotingskader kan door de Minister
van SZW een gedetailleerde opgave van de uitvoeringskosten worden
gevraagd van de door het kabinet geselecteerde speerpunten van beleid,
bijvoorbeeld de kosten van de WAO-uitvoering.
Langs deze weg kunnen de beleidsdoelstellingen direct worden gerelateerd
aan de te verwachten effecten op de uitvoeringskosten.
In de loop van het jaar t-1 worden de concept-begrotingen van de
uitvoeringskosten van de RWI, het UWV, de
Centrale organisatie werk en inkomen en de SVB aangeboden aan de
Minister
van SZW. Het exacte tijdstip zal bij ministeriële regeling worden
vastgesteld. Hierbij zal een evenwicht worden gezocht tussen enerzijds
de behoefte aan zo concreet mogelijke inzichten van de
uitvoeringsorganisaties op de activiteiten en daarvoor benodigde
middelen in het volgende jaar en anderzijds de behoefte bij
het Rijk om tijdig met deze inzichten rekening te kunnen houden in haar
eigen begrotingscyclus. Meerdere momenten (eerst ontwerp-begroting en
definitieve begroting in een later stadium) zijn hierbij denkbaar.
Voorts is hierbij samenhang en eventueel integratie met
(meerjaren)beleidsplannen van belang.
De Minister van SZW zal zich een oordeel dienen
te vormen over de concept-begrotingen van de organisaties. Wanneer de
Minister van SZW aanleiding vindt om af te wijken van een
concept-begroting, zal hij na bestuurlijk overleg met de betreffende
organisatie een budget uitvoeringskosten rblz.|66|
vaststellen dat naar zijn
mening overeenkomt met de door die organisatie uit te voeren taken. De
vaststelling van het budget door de Minister van SZW dient vóór 1
december van het voorafgaande jaar plaats te vinden. Door zijn actieve
betrokkenheid bij de vaststelling van het budget zijn de
sturingsmogelijkheden van de minister groter dan in een situatie waarin
hij slechts de begroting kan goedkeuren.
In lijn met wat voor overheidsuitgaven gebruikelijk is, wordt door het
kabinet de mogelijkheid tot een suppletoire begroting voorgesteld.
5. Verantwoording
Op het gebied van het afleggen van verantwoording doet zich een
groot aantal ontwikkelingen voor. De Algemene Rekenkamer heeft de
rapporten "Verantwoord verslaggeven over sociale verzekeringen"
en "Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een
wettelijke taak" gepubliceerd. Daarnaast heeft de Algemene
Rekenkamer een "Handreiking voor verslaggeving van rechtspersonen
met een wettelijke taak" uitgebracht. Door het ministerie
van Financiën is de regeringsnota "Van beleidsbegroting tot
beleidsverantwoording" gepubliceerd. Deze publicaties zijn het
uitgangspunt voor het verantwoordingsproces zoals vastgelegd in deze
wet. In de wet zijn alleen de hoofdlijnen van het verantwoordingsproces
vastgelegd. De nadere uitwerking zal plaatsvinden in ministeriële
regelingen.
Kern van het verantwoordingsproces is dat het bestuur zich verantwoordt
over de uitgevoerde taken en geleverde prestaties. De verantwoording
wordt afgelegd in de jaarrekening en het jaarverslag, waarin wordt
ingegaan op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering en
op de bedrijfsvoering.
Anders dan in de Osv 1997
vindt de verantwoording over de rechtmatigheid plaats door middel van
één verantwoordingsdocument (jaarrekening/jaarverslag). Dit document
heeft niet alleen betrekking op de rechtmatigheid van de grote
geldstroom (zowel met betrekking tot de uitkeringsverzorging als de
premie-inning), maar ook op de rechtmatigheid van de kleine geldstroom.
In de nog te ontwerpen ministeriële regelingen zal onder meer geregeld
worden dat het bestuur van het UWV, de SVB en
de CWI, zich zal verantwoorden in welke mate
de uitvoering heeft voldaan aan de rechtmatigheidseisen. Gelijk aan de
huidige praktijk dient dit tot uitdrukking te worden gebracht in
rechtmatigheidsscores op wetsniveau. Het grote verschil is dat het
begrip "rechtmatigheidsverklaring", zoals dat in de Osv 1997
wordt genoemd, komt te vervallen. Dit doet evenwel niets af aan de
gewenste informatiestroom over de rechtmatigheid van de uitvoering. Het
inzicht in de rechtmatigheid van de uitvoering zoals dat nu bestaat, zal
dus worden gehandhaafd.
Op basis van het verantwoordingsdocument van
het UWV, van de SVB en de CWI zal het parlement, op gelijke wijze,
maar gestoeld op een andere toezichtsconstellatie, worden geïnformeerd
over de rechtmatigheid van de uitvoering op wetsniveau.
Om de informatie overzichtelijk te houden,
betreft het een verantwoording op hoofdlijnen. De jaarrekening en het
jaarverslag zijn openbare documenten en worden voorzien van een
accountantsverklaring van een accountant. De rechtmatigheid valt onder
de reikwijdte van de accountantsverklaring.
De jaarrekening en het jaarverslag moeten uiterlijk vóór 15 maart aan
de
minister worden aangeboden. Deze datum is afgestemd op de derde
woensdag van mei, waarop Onze Minister zich verantwoordt richting
parlement over het gevoerde beleid en de daarmee gemoeide gelden. Onze Minister
brengt deze documenten ter kennis van de beide kamers der
Staten-Generaal.
rblz.|67|
De vervroeging van het moment waarop de
verantwoordingsinformatie door de uitvoeringsorganisaties moet worden
geleverd, vraagt een grote inspanning van de betrokken organisaties.
Daarom zal een redelijke overgangstermijn in acht worden genomen.
De jaarrekening en het jaarverslag bevatten belangrijke informatie, maar
deze wordt pas na afloop van het betreffende jaar aan Onze Minister
aangeboden. Om zijn verantwoordelijkheden te kunnen dragen, heeft de
minister ook tussentijds behoefte aan rapportages. Daarom is geregeld
dat er na afloop van ieder kwartaal een voortgangsrapportage wordt
opgesteld en aan de minister wordt aangeboden. De minister kan nadere
regels stellen aan deze rapportage. De minister heeft ook de bevoegdheid
om ad hoc informatie op te vragen. Daarbij zal wel steeds moeten worden
bewaakt dat duidelijk is waarvoor de opgevraagde informatie is bedoeld
teneinde financiële verantwoordingsinformatie, toezichtsinformatie en
beleidsinformatie van elkaar te kunnen blijven onderscheiden.
Hoofstuk
VII. Gegevensuitwisseling
en informatievoorziening
1. Inleiding
Een goed gereguleerde informatiehuishouding op het gehele SUWI-terrein
is een voorwaarde om de SUWI-doelstellingen te kunnen realiseren. Het is
nodig om een aantal eisen te stellen aan de wijze waarop uitvoerders met
informatie omgaan en om de verantwoordelijkheden van organisaties
opnieuw vast te stellen:
• de nieuwe uitvoeringstructuur vereist dat gegevens snel en
betrouwbaar uitgewisseld worden tussen uitvoerders;
• gegarandeerd dient te zijn dat de
minister tijdig over betrouwbare
informatie kan beschikken ten behoeve van het toezicht, de
beleidsontwikkeling en -evaluatie, alsmede de financiering;
• er dienen regels te worden gesteld om de privacy te kunnen
beschermen.
Deze verschillende aspecten hebben uiteindelijk alle betrekking op de
inrichting en gebruik van administraties van uitvoerders. Een
samenhangende regie op de vastlegging, uitwisseling en verstrekking van
informatie in het kader van SUWI is daarom noodzakelijk.
2. Gemeenschappelijke
infrastructuur voor gegevensuitwisseling
2.1. Inleiding
Vanwege de integrale gevalsbehandeling en procesgerichte samenwerking
zal er in de uitvoering van veel meer uitwisseling van gegevens sprake
zijn dan tot nu toe. Dit maakt een samenhangend stelsel voor
gegevensuitwisseling noodzakelijk. In brede zin omvat die infrastructuur
technische voorzieningen voor uitwisseling en beveiliging van gegevens,
gegevens- en berichtdefinities en een reeks van afspraken over de wijze
waarop de uitvoerende partijen daarmee om moeten gaan.
Het geheel van gegevensverkeer omvat gegevensstromen tussen
uitvoeringsorganen onderling, in het verkeer tussen uitvoeringsorgaan en
cliënt, alsmede gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganen en
derden. Bijvoorbeeld:
• de inname van gegevens van de cliënt op het CWI-kantoor;
• de doorzending door het CWI-kantoor van gegevens van de
uitkeringsintake aan UWV
en gemeente;
rblz.|68|
• verificatie van gegevens bij derden door de uitkeringsinstantie;
• het verstrekken van relevante gegevens aan reïntegratiebedrijven.
De in de testfase van het CliëntVolgCommunicatieStelsel (CVCS) opgedane
ervaringen hebben aangetoond dat invoering en instandhouding van een
stelsel voor elektronische gegevensuitwisseling om een overkoepelende
regie vragen. IT-voorzieningen kunnen alleen functioneren en
communiceren wanneer onderlinge raakvlakken eenduidig en ondubbelzinnig
gestandaardiseerd zijn. Deze dienen daarom onafhankelijk en met gezag
vastgesteld te worden.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
kan op grond van dit wetsvoorstel zijn regie op de informatievoorziening
ten behoeve van werk en inkomen invullen, namelijk door het beleggen van
taken en verantwoordelijkheden en verplichtingen voor ontwikkeling,
instandhouding en gebruik van het stelsel voor gegevensuitwisseling en
het formuleren en handhaven van noodzakelijke voorwaarden hiervoor.
De uitvoeringsorganisaties leggen verantwoording af met betrekking tot
het gebruik van standaards en de implementatie van de infrastructuur. De
minister zal hiertoe nadere regels stellen aan de verantwoording van het
UWV, de
Centrale organisatie werk en inkomen en gemeenten.
2.2. Inrichting van het stelsel van
gegevensuitwisseling
Het benodigde stelsel zal voorzien in een aantal functionaliteiten die
het overdragen en delen van gegevens tussen uitvoerders ondersteunen.
Dit betreft met name de mogelijkheid tot inkijken in gegevensbestanden
van organisaties om de aldaar bekende cliëntgegevens te benaderen en te
hergebruiken, en de mogelijkheid om op gedefinieerde momenten in het
proces dan wel op ad-hocbasis berichten en gegevens uit te wisselen.
Het functioneren van deze basisfuncties wordt mogelijk gemaakt door
ondersteunende (technische) voorzieningen of diensten:
• een register met gegevensdefinities dat betekenis en formaat van
alle uit te wisselen gegevens en berichten vastlegt. Dit register bevat
dus geen persoonsgegevens;
• maatregelen die de beveiliging van uit te wisselen gegevens en
berichten waarborgen (bescherming van privacy);
• een geïntegreerde verwijs- en routeringssystematiek om informatie
op een standaardwijze te kunnen vinden, versturen en ontvangen (lijsten
met ontvangeradressen voor berichten en een abonnementenadministratie
voor doorzending van mutaties in cliëntgegevens);
• een fysieke communicatie-infrastructuur (netwerkverbindingen) die
het feitelijk uitwisselen van berichten mogelijk maakt.
2.3. Organisatie
Ontwikkeling, beheer, onderhoud en gebruik van het stelsel betreft zowel
taken en activiteiten die centraal belegd dienen te worden als taken
die door de aangesloten kolommen respectievelijk organisaties verricht
kunnen worden. Het stelsel wordt zo ontworpen dat dit vooral bestaat uit
fysieke voorzieningen die per organisatie of kolom ingericht en
onderhouden kunnen worden.
Op centraal niveau zal, in samenspraak met de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de gemeenten, worden
zorggedragen voor het opstellen en onderhouden van overkoepelende
afspraken en standaards die de integrale werking van het stelsel
waarborgen. Deze zullen in nadere rblz.|69|
regelgeving worden neergelegd en als
zodanig verplichtende werking hebben. Dit betreft onder andere:
• een gemeenschappelijke informatiearchitectuur op basis waarvan uit
te wisselen informatie en berichten worden vastgesteld
(gegevensstandaards);
• procedures voor het gegevensverkeer en ontwerp en ontwikkeling van
gemeenschappelijke infrastructuur (netwerkfuncties en -applicaties);
• te hanteren beveiligingssystematiek en -niveaus;
• het ontwerp van het verwijsmechanisme en een
abonnementenadministratie;
• standaards en protocollen voor de koppeling van netwerken van de
"kolommen".
Vanwege de belangen die met vaststelling van deze elementen zijn gemoeid
en de verplichtende werking die ervan zal uitgaan, zal de
minister zorg dragen voor de genoemde centraal uit te voeren taken. Hiervoor
zullen bij het departement de benodigde organisatorische voorzieningen
worden getroffen. Bij het opstellen van standaards en regels is
afstemming met en functionele inbreng van kolommen van zeer groot
belang. Hiertoe zal de minister (periodiek) overleggen met de
betreffende partijen en procedures opstellen om praktische afstemming
rond de inrichting van het stelsel te waarborgen.
Het UWV, de
Centrale organisatie werk en inkomen en de gemeenten
zijn zelf verantwoordelijk voor beheer, onderhoud en gebruik van
sectorale voorzieningen als een verwijsindex en
abonnementenadministratie, het implementeren van gegevens- en andere
standaards en van beveiligingsmaatregelen, het beheer van het eigen
sectornetwerk en het bijhouden en beschikbaar stellen van gegevens ten
behoeve van andere partijen. Voor gemeenten worden deze taken, die per
definitie individuele gemeenten overstijgen, belegd bij de op te richten
beheerorganisatie Inlichtingenbureau.
3.
Informatievoorziening en onderzoek
3.1. Inleiding
Een goede informatievoorziening over de toepassing van wet- en
regelgeving is een noodzakelijke voorwaarde voor zowel
beleidsontwikkeling en evaluatie, toezicht als financiering. Met dit
wetsvoorstel wordt een aantal wijzigingen in de uitvoeringsstructuur
doorgevoerd. De organisatie van de informatievoorziening dient hierop
aan te sluiten.
Verantwoordingsinformatie van de uitvoerders over de uitvoering van de
wettelijke taken en de daarmee gemoeide middelen vormt de basis van de
informatievoorziening. De
minister heeft echter ten behoeve van de
financiering, de ontwikkeling en evaluatie van beleid en het toezicht op
bepaalde punten aanvullende informatie van de uitvoerders nodig.
Op grond van de Kaderwet ZBO's heeft de
minister een algemeen
inlichtingenrecht jegens het UWV, de SVB en de
CWI.
De precieze inhoud van de informatieverstrekking wordt geregeld bij
ministeriële regeling. Daarin zal expliciet worden aangegeven welke
informatie moet worden verstrekt, voor welk doel en welke vorm-,
termijn- en kwaliteitseisen daarbij gesteld worden. Een doelmatige en
efficiënte informatiehuishouding staat voorop. Dit betekent onder meer
dat:
• onnodige dubbele uitvraag van nagenoeg dezelfde gegevens voorkomen
wordt;
• nieuwe vragen niet direct leiden tot aanpassing van de
informatieopslag.
rblz.|70|
3.2. Wijzigingen
De nieuwe uitvoeringsstructuur leidt niet tot fundamentele wijzigingen
in de verantwoordelijkheidsverdeling voor informatieverstrekking van de
onderscheiden partijen:
• het UWV
verstrekt - net als het Lisv -
informatie over de werknemersverzekeringen, inclusief historische
informatie van het Lisv;
• de Centrale organisatie werk en
inkomen verstrekt informatie over de
publieke arbeidsbemiddeling en de overige aan haar opgedragen taken,
inclusief de historische informatie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
• de SVB blijft voorzien in de
informatievoorziening over de volksverzekeringen;
• de omvang van de gemeentelijke taken neemt iets toe; gemeenten
gaan ook informatie verstrekken over de reïntegratie van niet-uitkeringsgerechtigden
en Anw-gerechtigden.
Informatie over de reïntegratie-inspanningen en de resultaten daarvan
zal - voor zover daarbij publieke middelen worden ingezet - worden
verzameld via het UWV
en de gemeenten. Zij
verkrijgen deze informatie van de reïntegratiebedrijven. Waar het UWV
of een gemeente opdrachtgever is, dient de informatieverstrekking in het
contract met het reïntegratiebedrijf geregeld te zijn. De
minister zal
hiervoor nadere regels stellen. Waar (vertegenwoordigers van) werkgevers
en werknemers opdrachtgever zijn, baseert het UWV zich op
verantwoordingsinformatie die de werkgevers aan het UWV leveren. Omwille
van de administratieve belasting van werkgevers zal deze informatie
beperkt van omvang zijn. Voor de informatiebehoefte die verder reikt dan
deze verantwoordingsinformatie is de minister aangewezen op onderzoek.
Informatie over de reïntegratie-inspanningen
die de werkgever uit eigen middelen financiert, komt niet via de
publieke uitvoerders beschikbaar. Informatie hierover verkrijgt de
minister door middel van onderzoek, waarbij uiteraard deels gebruik kan
worden gemaakt van de informatie die in de reïntetegratieverslagen van
werkgevers is opgenomen.
3.3. Informatieverstrekking door de
uitvoerders
De informatieverstrekking door uitvoerders behelst het verzamelen, waar
nodig bewerken en beschikbaar stellen van informatie, het meewerken aan
onderzoek en het op eigen initiatief of op verzoek van de
minister verrichten van onderzoek. Deze informatievoorziening staat primair ten
dienste van de minister. De minister draagt er zorg voor dat de RWI
kan
beschikken over de informatie die deze nodig heeft om zijn taken uit te
kunnen voeren. Bij ministeriële regeling zal de informatievoorziening
ten behoeve van de RWI nader worden geregeld. Verder moet worden
gewaarborgd dat opdrachtgevers over voldoende informatie beschikken om
een verantwoorde keuze tussen reïntegratiebedrijven te kunnen maken.
Ook voor de uitvoerders zelf is een goede
informatievoorziening van belang. Dit hebben de uitvoerders immers nodig
om inzicht te krijgen in de doelmatigheid en doeltreffendheid van hun
uitvoeringsbeleid. Voor dit inzicht volstaat de management- en
stuurinformatie uit de eigen organisatie niet altijd. Vanwege de
integrale gevalsbehandeling en de procesgerichte samenwerking is
namelijk ook informatie nodig van andere uitvoerders over
gemeenschappelijke cliënten. Zonder die informatie is een goede analyse
van bepaalde uitvoeringsvraagstukken niet mogelijk, zoals bijvoorbeeld
het niet-gebruik van regelingen, de samenloop van uitkeringen en de
overgang van cliënten van de ene regeling naar een andere regeling.
Voor dit doel - de analyse van uitvoeringsvraagstukken - rblz.|71|
kan de
minister informatie van de ene uitvoerder op het SUWI-terrein ter
beschikking stellen van een andere uitvoerder op het SUWI-terrein.
Uitvoeringsorganisaties stellen - binnen de kaders van de
privacywetgeving - de informatie die zij verzamelen en beheren op
verzoek tevens ter beschikking aan:
1. het CBS ten behoeve van statistieken (dit betreft waar nodig gegevens
op individueel niveau met inbegrip van het sofinummer);
2. wetenschappelijke instellingen ten behoeve van wetenschappelijk
onderzoek.
4. Privacy
4.1. Algemeen
Bescherming van de persoonlijke levenssfeer is een grondrecht van
burgers, vastgelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 Europees
verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM). De Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) is de uitvoering van
artikel 10 Grondwet en geeft algemene regels voor het verwerken van
persoonsgegevens.¹ Vanwege de complexiteit van het terrein, het feit dat
gegevens op grote schaal uitgewisseld worden (ook met private partijen)
en de gevoeligheid van de gegevens (bijvoorbeeld over gezondheid en
persoonlijke belemmeringen) worden in aanvulling op de Wbp nadere regels
gesteld. Hiermee wordt de helderheid voor uitvoerende instellingen en
transparantie voor de burger over de doeleinden waarvoor gegevens worden
verzameld en verder gebruikt, bevorderd.
Het College bescherming persoonsgegevens
(voorheen de Registratiekamer) wordt bij de inrichting van de
elektronische infrastructuur en de (wettelijke) kaders voor
gegevensuitwisseling betrokken.
1. De Wbp
zal de huidige
algemene privacywet, de Wet persoonsregistraties, vervangen. Hiermee
geeft Nederland vorm aan de implementatie van EU-richtlijn nr. 95/46/EG
betreffende de bescherming van de natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens. Naar verwachting wordt de Wbp in de loop van 2001 ingevoerd.
Daarom wordt die wet hier als uitgangspunt gehanteerd.
4.2. Specifieke regelgeving voor SUWI
Het wetsvoorstel regelt bevoegdheden en verplichtingen voor het
verstrekken van gegevens aan derden. In beginsel is er een verbod tot
het verstrekken van gegevens, dat kan worden doorbroken als dit
wettelijk is toegestaan of voorgeschreven. Dit kan ook met toestemming
van de cliënt. Waar nodig zijn de bepalingen opener geformuleerd om te
kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. SUWI brengt nieuwe
organisaties met nieuwe taken met zich mee. In dit wetsvoorstel zijn
verantwoordelijken voor gegevensverwerkingen aangewezen en zijn de taken
die zij moeten uitvoeren (en waarvoor zij gegevens gaan verzamelen)
nader omschreven. De overige bepalingen van de Wbp, zoals de bepalingen
over de rechten van betrokkenen (bijvoorbeeld inzagerecht),
informatieplichten van de verantwoordelijken en eisen over beveiliging
van gegevens, etc., zijn onverkort van toepassing.
De ontwikkeling en gebruik van een elektronische infrastructuur
waarlangs het transport van grote stromen van veelal gevoelige gegevens
plaatsvindt, brengt de noodzaak van aanvullende privacywaarborgen mee.
Daartoe worden in nadere regelgeving bepalingen opgenomen die de privacy
van de burger waarborgen. Het gaat daarbij om voorschriften inzake de
opstelling van een privacyreglement, de aanstelling van een
privacyfunctionaris, de technische beveiliging van gegevens, de
toepassing van privacyverhogende technologieën. Ook bij het uitoefenen
van het toezicht zal het privacyaspect meer systematische aandacht
krijgen. Daartoe zullen voorschriften inzake privacy-audits worden
opgenomen. Anderzijds biedt de ontwikkeling en het gebruik van de
centrale infrastructuur ook de mogelijkheid van een beter inzicht in de
gegevensstromen rblz.|72|
(onder andere door het
gebruik van standaard gegevenssets) en kan op die manier bijdragen aan
betere waarborging van privacy.
4.3. Gegevensuitwisseling met private
partijen
Het is van groot belang dat de uitvoering van opdrachten om cliënten
naar het proces van betaalde arbeid terug te leiden goed en snel
verloopt. Een gestroomlijnde uitwisseling van informatie tussen
opdrachtgever en reïntegratiebedrijf is hiervoor een noodzakelijke
voorwaarde. Reïntegratiebedrijven zullen, om hun opdrachten effectief
te kunnen uitvoeren, inzicht moeten hebben in cliëntgegevens. Aangezien
deze reeds bekend zijn bij de opdrachtgever, zal deze de gegevens
verstrekken aan het reïntegratiebedrijf, hetgeen de cliënt ontlast om
deze gegevens nogmaals te moeten verstrekken. Vervolgens zullen de
resultaten van de inspanningen van het reïntegratiebedrijf worden
teruggekoppeld aan de opdrachtgever. Deze is vervolgens gehouden om
relevante informatie uit de administratie door te verstrekken aan de
minister. Gegevensuitwisselingen met de private reïntegratiebedrijven
zijn, waar nodig, in de wet voorzien.
Om een ordelijke en efficiënte uitwisseling van informatie en
aansluiting van administraties tussen opdrachtgever en opdrachtnemers te
bereiken, is het gebruik van een uniek administratienummer nodig. Binnen
de socialezekerheidssector is het sociaal-fiscaal nummer ingevoerd als
een uniek administratienummer. Opdrachtgevers maken reeds gebruik van
het sociaal-fiscaal nummer bij de uitvoering van hun taken. Vanwege het
feit dat de reïntegratiebedrijven een belangrijke rol (gaan) spelen
binnen de socialezekerheidssector, is ervoor gekozen om hen gebruik te
laten maken van het unieke persoonsnummer dat speciaal voor deze sector
is ingevoerd, het sofinummer. Dit waarborgt eenduidige uitwisseling en
vastlegging van informatie op cliëntniveau.
De uitwisseling en het gebruik van cliëntgegevens,
waaronder het sofinummer, door reïntegratiebedrijven wordt aan strikte
voorwaarden gebonden. Via de Invoeringswet zal worden geregeld dat reïntegratiebedrijven
gegevens alleen mogen gebruiken voor de uitvoering van de
reïntegratieopdracht.
Verder (commercieel) gebruik is dus verboden. Mutatis mutandis wordt
hetzelfde bepaald voor het geval publieke uitvoeringsinstanties taken
uitbesteden. Naast wettelijke geheimhoudingsbepalingen en een verbod op
doorlevering van gegevens zijn reïntegratiebedrijven verplicht om een
privacyreglement op te stellen. De registratie van gegevens zal aan een
maximale bewaartijd worden gebonden. Via overleg met de reïntegratiesector
zal zelfcontrole van bedrijven (bijvoorbeeld via het opzetten van
auditprotocollen) gestimuleerd worden. Opdrachtgevers dienen
contractueel te bedingen dat reïntegratiebedrijven zich desgevraagd
door middel van een goedkeurende verklaring op een EDP-audit [Electronic
Data Processing, met betrekking tot accountantscontrole, red.] verantwoorden voor hun gegevensgebruik en -huishouding.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Algemene
begrippen
Begrippen die in
deze wet
en de daarop berustende bepalingen veel voorkomen, worden in artikel 1
gedefinieerd. In de onderdelen
c, e en f wordt
een drietal zelfstandige
bestuursorganen gedefinieerd. Binnen de Centrale organisatie werk en
inkomen zullen vooral de regionale kantoren en niet het centrale kantoor de
belangrijkste functie van de organisatie gaan vervullen. In het UWV
zijn de voormalige uitvoeringsinstellingen GAK Nederland
BV, Cadans Uitvoeringsinstelling BV, GUO Uitvoeringsinstelling
B., SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering
NV en USZO BV. en het Lisv
samengevoegd. In
de Invoeringswet SUWI wordt geregeld dat de SVB als rechtspersoon
blijft bestaan.
rblz.|73|
In onderdeel i wordt
bepaald dat uitvoeringskosten kosten zijn ten behoeve van de uitvoering
van wetten door de Raad voor
werk en inkomen, de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV en de
SVB.
Hieronder vallen niet
alleen de kosten voor de uitvoering van kerntaken, maar ook de kosten voor
de ondersteuning van de uitvoering van de kerntaken, zoals
huisvestingskosten. Indien dergelijke ondersteuningskosten gezamenlijk worden
gemaakt met andere organisaties die in een vestiging werkzaamheden
verrichten, dienen verdeelsleutels voor de toerekening van die
ondersteuningskosten aan de rechtspersonen die de desbetreffende wettelijke
taken uitvoeren, zoveel mogelijk de reële uitvoeringskosten van die
rechtspersonen te benaderen. Verdeelsleutels kunnen naar kostensoort
verschillen.
De in onderdeel k
genoemde fondsen maken deel uit van het UWV of de SVB.
In onderdeel m is
gedefinieerd wat onder uitkeringsgerechtigde in deze wet wordt verstaan. Deze
definitie valt uiteen in twee onderdelen, zodat in verschillende
hoofdstukken van deze wet
verschillende definities van het begrip uitkeringsgerechtigde kunnen worden gehanteerd.
Artikel
2. Instelling van
rechtspersonen
In artikel 2, eerste lid,
is bepaald dat er een Centrale organisatie werk en
inkomen, een UWV
en een
SVB zijn. In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid genoemde
organisaties rechtspersoonlijkheid bezitten, waarmee buiten twijfel is
gesteld dat deze publiekrechtelijke rechtspersonen zijn in de zin van
artikel 1 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek. Het tweede lid bepaalt tevens dat de
minister bepaalt op welke plaatsen
de desbetreffende
organisaties hun zetel hebben. Dit betreft de juridische zetel en niet de
feitelijke vestigingsplaats.
In het wetsvoorstel dat
de invoering van dit wetsvoorstel zal regelen, zal worden bepaald dat:
a. de Centrale
organisatie werk en inkomen de rechtsopvolger van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is;
b. het UWV de
rechtsopvolger van de uitvoeringsinstellingen en het
Lisv is.
In het derde lid wordt
bepaald dat de Centrale organisatie werk en inkomen, het
UWV
en de SVB zelfstandige bestuursorganen zijn in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: Kaderwet
ZBO's);
er wordt van uitgegaan dat de Kaderwet ZBO's (Kamerstukken II 2000-2001, 27 426) vóór
de Wet SUWI tot stand zal zijn gekomen. Gelet op artikel 2 van die
Kaderwet is
deze bepaling vereist voor de toepasselijkheid van die wet op de in dit
wetsvoorstel geregelde ZBO’s. Hierna wordt bij de daarvoor in aanmerking
komende artikelen nader ingegaan op de gevolgen van de Kaderwet ZBO's voor de in die artikelen geregelde onderwerpen. Sommige andere
onderwerpen behoeven naast de Kaderwet ZBO's in de Wet SUWI
geen regeling. Terwille van de duidelijkheid volgt hierna een korte
aanduiding van laatstbedoelde onderwerpen.
Inkomend mandaat
Volgens de
Algemene wet
bestuursrecht is in geval van mandaat aan een niet-ondergeschikte de
instemming van die niet-ondergeschikte daarmee vereist (zie artikel
10:4
Awb). Artikel 4 van de Kaderwet ZBO's bepaalt dat een ZBO, alvorens instemming
als hier bedoeld te verlenen, daarvoor ministeriële goedkeuring dient te
verkrijgen; dit geldt niet indien het mandaat van de
minister betreft. De
toepasselijkheid van dit artikel ten aanzien van de in dit wetsvoorstel geregelde
ZBO’s
betekent dat deze voor het in mandaat verrichten van andere taken steeds
ministeriële goedkeuring behoeven.
rblz.|74|
Incompatibiliteiten
Artikel 8 Kaderwet
ZBO's bevat een algemene regeling met betrekking tot onverenigbare
nevenfuncties, de aanmelding van voorgenomen nevenfuncties en de openbaarmaking
daarvan.
Inlichtingenverplichting
jegens de minister
Artikel 14 van de
Kaderwet ZBO's verplicht de ZBO’s aan de
minister alle benodigde inlichtingen te
verstrekken en inzage in stukken te verlenen. Deze algemene
verplichting, die ziet op zowel toezichtsinformatie als beleidsinformatie, zal
bij ministeriële regeling op grond van artikel 47 [77], derde lid, van
dit
wetsvoorstel verder worden uitgewerkt. Het spreekt voor zich dat deze inlichtingenverstrekking aan de minister kosteloos geschiedt.
Artikel 44 [62-71], derde lid,
onderdeel e, houdt er rekening mee dat de in dat artikel bedoelde infrastructuur
voor gegevensuitwisseling ook kan worden benut voor de verkrijging door
de minister van inlichtingen van de ZBO’s.
Schorsing en vernietiging
Artikel 15 van de
Kaderwet ZBO's regelt de bevoegdheid van de
minister tot vernietiging van
besluiten van de in dit wetsvoorstel geregelde
ZBO’s. Hierop is overigens
afdeling 10.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Uit die
wet vloeit ook de bevoegdheid tot schorsing van besluiten voort (artikel
10:43 e.v.).
Taakverwaarlozing
Artikel 16 van de
Kaderwet ZBO's bevat de bevoegdheid tot het treffen van de noodzakelijke
voorzieningen voor het geval de in dit wetsvoorstel geregelde
ZBO’s hun
taken niet naar behoren vervullen.
Voorafgaande instemming
De
minister kan op grond
van artikel 25 van de Kaderwet ZBO's bepalen dat het ZBO voor in dat
artikel genoemde belangrijke besluiten zijn voorafgaande instemming behoeft; dit
betreft onder andere het deelnemen in of oprichten van andere rechtspersonen
en het aangaan van geldleningen. In artikel 3, zesde lid, van
dit wetsvoorstel is hieraan toegevoegd dat voorafgaand aan
de voorlegging ter goedkeuring aan de minister de Raad van advies hierover
dient te adviseren.
In het vierde lid worden
de bepalingen van de titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing verklaard ten aanzien van de arbeidsverhouding van
personen in dienst van de hier geregelde ZBO’s. Op grond van artikel 615 van
Boek 7 van het BW zijn deze bepalingen niet van toepassing ten aanzien
van personen in dienst van deze publiekrechtelijke lichamen, ten ware zij,
hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen,
hetzij bij wet of verordening van toepassing zijn verklaard. Met het
vierde lid wordt afgeweken van artikel 10 van de Kaderwet ZBO's, dat
uitgaat van overeenkomstige toepassing van de ambtelijke rechtspositie.
Hiervoor is gekozen ter wille van de continuïteit; het personeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
Lisv, de uitvoeringsinstellingen en de
SVB is ook thans
werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Artikel 3.
Raden van
bestuur en Raden van advies [zie
artt. 3-5 Wet SUWI, red.]
De Centrale organisatie werk en inkomen, het
UWV
en de SVB hebben elk een Raad van bestuur en
een Raad van advies. De Raad van bestuur is rblz.|75|
belast met de algehele
dagelijkse leiding. Alle taken en bevoegdheden die zijn toegekend aan de
rechtspersoon worden uitgevoerd door de Raad van bestuur. De Raad van
bestuur is daarmee tevens verantwoordelijk voor de interne
aansturing van de organisatie. De Raad van bestuur is tevens het aanspreekpunt
voor de Minister van SZW.
De taak van de Raad van
advies om de Raad van bestuur te adviseren is neergelegd in het eerste
lid en betreft in ieder geval de onderwerpen, genoemd in het zesde lid.
Ingevolge het vierde lid
dienen de Raden van bestuur bestuursreglementen vast te stellen. In het
bestuursreglement kan onder andere de wijze van besluitvorming van
het betrokken orgaan worden geregeld. Uit artikel 6 van de Kaderwet ZBO's vloeit voort dat zo’n reglement ministeriële goedkeuring behoeft en dat deze kan
worden onthouden wegens strijd met het recht of omdat de
minister van oordeel is dat het reglement een goede taakuitoefening kan
belemmeren. Deze laatste grond is begrepen in de grond "strijd met het
algemeen belang", genoemd in artikel 49 [79]
van dit wetsvoorstel.
De onderwerpen benoeming,
schorsing en ontslag van leden van ZBO’s (dat betekent voor dit
wetsvoorstel: de leden van de Raden van bestuur en van de Raden van advies)
zijn geregeld in artikel 7 Kaderwet ZBO's. De desbetreffende bevoegdheden berusten bij de minister. Artikel 9 Kaderwet
ZBO's bevat bepalingen
met betrekking tot bezoldiging en schadeloosstelling, alsmede kostenvergoeding.
Op grond van deze artikelen kan de minister voor de functionarissen van de verschillende
ZBO’s rechtspositieregelingen
vaststellen waarin
verschillende rechtspositionele onderwerpen, waaronder ook de (maximum)termijn voor (her)benoeming,
kunnen worden geregeld.
Artikel 4.
Samenwerking
[zie
art. 8 Wet SUWI, red.]
In dit artikel is de
samenwerkingsverplichting neergelegd van de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB onderling en met de gemeenten, inzake de
bevordering van de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces.
Deze samenwerking dient zowel op landelijk als op
regionaal niveau plaats te vinden. Het tweede lid bevat de mogelijkheid bij of
krachtens AMvB regels te stellen omtrent de samenwerking, bedoeld in het eerste
lid. Op grond van het tweede lid kunnen tevens bij of krachtens AMvB werkzaamheden van de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV,
de SVB en de gemeenten worden aangewezen die moeten worden verricht in
één of meer CWI-kantoren. Dit zal
bijvoorbeeld betreffen de werkzaamheden met betrekking tot activering en controle van
uitkeringsgerechtigden.
Artikel 5.
Cliëntenparticipatie [zie
artt. 10-12 Wet SUWI, red.]
Cliëntenparticipatie is
van groot belang voor de kwaliteit van de uitvoering van de sociale zekerheid.
In dit artikel wordt gekozen voor een verplichting voor de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en
de SVB om cliëntenparticipatie te realiseren. De nadere vormgeving zal primair aan de
Centrale
organisatie werk en inkomen, het UWV en de SVB worden gelaten; wel worden enkele onderwerpen die daarbij in elk geval
geregeld zullen moeten worden in de wet vermeld. Via de jaarverslagen en de daaraan te stellen
eisen kunnen de ontwikkelingen ter zake worden gevolgd. Op grond van het
vierde lid kunnen zo nodig nadere regels worden gesteld; deze
kunnen andere onderwerpen noemen en overige eisen bevatten waaraan
een regeling inzake cliëntenparticipatie moet voldoen.
rblz.|76|
Artikel 6.
Andere taken
[zie art. 13 Wet
SUWI,
red.]
In deze wet zijn de taken
van de Centrale organisatie voor werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de
Sociale
Verzekeringsbank limitatief geregeld. Deze rechtspersonen mogen slechts een andere taak
uitvoeren
indien het besluit tot uitvoering van die andere taak is goedgekeurd door
de
minister. In de Invoeringswet zal worden geregeld dat de toestemmingen die door de minister aan een
uvi zijn
verleend op grond van artikel 50 van de Osv 1997 worden aangemerkt als goedkeuringen die zijn
verleend aan het UWV
op grond van artikel 6 [13]
van deze wet. Hetzelfde geldt
voor toestemmingen verleend aan de SVB op grond van artikel 25 Osv
1997.
Op grond van het tweede
lid van dit artikel kan de minister verplichtingen in verband met de
uitvoering van een andere taak opleggen, bijvoorbeeld ter voorkoming van
concurrentievervalsing. Indien de minister de uitvoering van een andere taak wenst
te beëindigen, bijvoorbeeld omdat hij een scherpere scheiding
tussen de markt en de overheid wenst aan te brengen, biedt het derde
lid daarvoor de basis. Uiteraard zal dat, mede gelet op de belangen van derden, met de nodige zorgvuldigheid moeten
plaatsvinden.
In de Wet
bescherming persoonsgegevens is geregeld dat persoonsgegevens niet verder worden
verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden
waarvoor ze zijn verkregen. Dit heeft de vraag doen rijzen of gegevens
omtrent bijvoorbeeld lonen, die zijn verkregen bij de premie-inning, kunnen
worden verwerkt ten behoeve van de uitkeringsverstrekking. Op grond van het vierde
lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat deze mogelijkheid bestaat.
Tevens kan op grond van
dit lid worden geregeld dat gegevens die zijn verkregen bij de
uitvoering van wettelijke taken kunnen worden verwerkt ten behoeve van de
uitvoering van andere dan wettelijke taken door de Centrale organisatie voor
werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
Verzekeringsbank. Indien een privaatrechtelijke rechtspersoon of een
natuurlijk persoon deze gegevens nodig heeft voor de uitvoering
van dergelijke taken, dient de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon de gegevens
die door hem worden verwerkt ten behoeve van zijn
uitvoering van andere dan wettelijke taken te verstrekken aan de desbetreffende
privaatrechtelijke rechtspersoon of natuurlijke persoon. Daardoor wordt
voorkomen dat concurrentievervalsing optreedt en worden de administratieve lasten bij de uitvoering van andere dan
wettelijke taken verminderd. Het begrip "verwerken" (van gegevens) moet
hier in dezelfde betekenis als in de Wet bescherming persoonsgegevens worden opgevat (zie de
definitie in artikel 1, onderdeel b, van die
wet); dit omvat
onder meer het
verstrekken van gegevens door middel van doorzending aan derden.
Artikel 7.
Raad voor werk
en inkomen [zie
art. 16 Wet SUWI, red.]
Op de positie van de Raad voor
werk en inkomen (hierna RWI) is in hoofdstuk II van het algemeen deel
van deze memorie al uitvoerig ingegaan. Daarnaast wordt nog op
het volgende gewezen.
Aan de RWI is
rechtspersoonlijkheid toegekend (zie artikel 7 [16], eerste lid, tweede zin). Dit houdt verband
met het feit dat de aan die Raad toe te kennen taken uitvoering door
eigen personeel gewenst maakt. Voor het in dienst nemen van werknemers (op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht; zie artikel 7 [16], achtste
lid) is rechtspersoonlijkheid vereist. De bepalingen maken het mogelijk dat de
RWI een secretariaat met bureau vormt waarvoor de Raad zelf personeel in
dienst neemt.
Wat de samenstelling van
de Raad voor werk en inkomen betreft, wordt opgemerkt dat twee van de
vijftien voorgedragen leden afkomstig zullen rblz.|77|
zijn uit de kring van de
overheidswerkgevers en -werknemers (Raad voor Overheidspersoneelsbeleid).
De wet voorziet niet in
de benoeming van een plaatsvervangend voorzitter van de RWI; dit wordt
overgelaten aan regeling door de Raad zelf, in zijn bestuursreglement.
Daarbij kan de plaatsvervangend voorzitter zowel uit de leden als uit de
plaatsvervangende leden worden aangewezen; ook kan in roulatie over de
verschillende geledingen worden voorzien.
Ingevolge het zesde lid
wordt over de representativiteit van de voordragende organisaties de SER
[Sociaal-Economische Raad, red.] gehoord. De representativiteitsregels die de SER hanteert, werken ook
door naar de verdeling van het aantal leden die de verschillende organisaties mogen voordragen
(bijvoorbeeld bij twee representatieve werknemersorganisaties:
de ene organisatie draagt drie leden voor en de andere organisatie
één lid en het plaatsvervangend lid).
In artikel 37 [54], zesde lid,
wordt bepaald dat verzoeken om informatie door de RWI aan de
minister kunnen worden gedaan. Bij ministeriële regeling op grond van artikel 37
[54],
zevende lid, zullen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevensverstrekking door de
Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV, de SVB
en de gemeenten aan de RWI.
Artikel 8.
Taken van de
Raad voor werk en inkomen [zie
art. 17 Wet SUWI, red.]
De RWI stelt ten aanzien
van het beleid met betrekking tot werk en inkomen, het arbeidsmarktbeleid, de omvang en de verdeling van gelden
ten behoeve van de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces en de besteding van
gelden uit het Europees Sociaal Fonds jaarlijks een beleidskader op. Genoemde
onderwerpen worden in het algemeen deel van deze memorie nader
uiteengezet.
Het document waarin
voorstellen van de RWI zijn gebundeld, wordt beleidskader genoemd. De
Raad dient dit beleidskader bij de
minister als voorstel in. Het beleidskader is daarmee een belangrijk richtinggevend
- jaarlijks - document in de beleidsvoorbereiding op het terrein van het
ministerie van SZW. De zwaarwegendheid van het beleidskader is in het onderhavige artikellid
tot uitdrukking gebracht door de zinsnede dat de minister slechts met
redenen omkleed kan afwijken. In feite krijgt het beleidskader hiermee in
dat opzicht een vergelijkbaar gewicht als een advies in de zin van de Awb, waarvan op grond van
artikel 3:50 van die wet ook alleen
gemotiveerd kan worden afgeweken. Dit laat uiteraard onverlet dat de minister,
gegeven diens politieke verantwoordelijkheid, ruimte behoudt om
gefundeerd tot een ander oordeel te komen.
Artikel 9.
Subsidieverstrekking [zie
art. 20 Wet SUWI, red.]
Op grond van het eerste
lid van artikel 9 [20] zal de
minister subsidie verstrekken voor
activiteiten die gericht zijn op de bevordering van inschakeling van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden in het arbeidsproces.
Het gaat hierbij om
sectorale, regionale en ondernemingsactivitieiten en niet om subsidies aan
individuele personen. De bepaling ziet ook niet op de
subsidiëring van activiteiten van UWV
en gemeenten. De minister zal zijn
bevoegdheid te besluiten over subsidieverzoeken aan de Raad voor
werk en inkomen mandateren. Hierop is de Algemene wet bestuursrecht van
toepassing. Dit houdt onder meer in dat de minister de Raad voor werk en inkomen
instructies kan geven ter zake van het nemen van de subsidiebesluiten.
De werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van die besluiten zijn
- in geval van mandaat van de beslissingsbevoegdheid - in het derde lid van
artikel 8 [17] aan de Raad voor werk en inkomen opgedragen.
Bij het nemen van de
subsidiebesluiten zal de Raad voor werk en inkomen gebonden zijn aan regels
die de minister in een subsidieregeling zal opnemen. Hiertoe biedt
het eerste lid van artikel 9 [20] een basis.
rblz.|78|
Artikel 10.
Taken van de
Centrale organisatie werk en inkomen [zie
art.
21 Wet SUWI, red.]
Dit artikel brengt de
kerntaak van de Centrale organisatie werk en
inkomen tot uitdrukking:
publieke basisdienstverlening op de terreinen werk en inkomen. In het
algemene deel van deze memorie is reeds uitvoerig ingegaan op de doelstellingen van de nieuwe uitvoeringsstructuur
en de rol van de Centrale organisatie werk en inkomen daarin. Uit de tekst van het
artikel blijkt dat de Centrale organisatie werk en inkomen is belast met de
publieke arbeidsvoorziening en het innemen van aanvragen voor
uitkeringen en toeslagen (Abw, WW en
TW) en aangiften van
werkloosheid. De aangeduide taken komen overeen met het basispakket aan taken dat
in het ILO-verdrag nr. 88 [ILO: International Labour Organization, red.]
betreffende de organisatie van de dienst voor de
werkgelegenheid wordt omschreven: artikel 1 van dit verdrag verplicht
elke lidstaat tot het zelf in stand houden of doen in stand houden van een
openbare en kosteloze (zie artikel 21, eerste lid) dienst voor de werkgelegenheid.
De Centrale organisatie werk en inkomen heeft op grond van artikel 11 [23]
voorts tot taak de
ondersteuning van de regionale platforms.
De in de onderdelen
a, e
en f genoemde taken worden respectievelijk nader uitgewerkt in de
artikelen 13 [25], 14 [26], 16
[28] en 17 [29]. Onderdeel c is een algemene taak van de
Centrale organisatie werk en inkomen. De onderdelen b, d en g betreffen de directe arbeidsbemiddelende taken van de Centrale
organisatie werk en inkomen.
De bemiddeling door de
Centrale organisatie werk en inkomen moet beperkt blijven tot
basisdienstverlening. Reïntegratie is geen taak van de Centrale organisatie werk
en inkomen.
De
bemiddelingsactiviteiten van de Centrale organisatie werk en inkomen staan
in principe open
voor alle cliënten (werkgevers, werknemers, uitkeringsgerechtigden, verzekerden,
werkzoekenden en andere belanghebbenden). Er is echter geen recht
op arbeidsbemiddeling in de zin van recht op toepassing van een
bepaalde activiteit.
In onderdeel
h wordt de Centrale organisatie werk en
inkomen belast met het uitvoeren van taken
die in andere wetten aan deze organisatie zijn opgedragen. Het gaat
hierbij om taken die voortvloeien uit, bijvoorbeeld: Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en Wet
melding collectief ontslag (preventieve ontslagtoetsing), Wav (tewerkstellingsvergunningen),
Wet Samen, Win (intake/advies), Wiw
(Wiw-verklaring), WVA
(verklaring "langdurig werkloos"), EU-verordening en implementatiebesluit
(EU-arbeidsbemiddeling) en
Waadi (vergunningen).
Deze "overige wettelijke taken" worden in het algemene deel van deze
memorie nader toegelicht.
Op grond van de
onderdelen i, k en l kunnen aan de Centrale organisatie werk en inkomen ook
andere taken, alsmede het verrichten van uitvoeringstoetsen en onderzoeken opgedragen worden; zij kunnen ook
uit eigen beweging
onderzoek verrichten.
Artikel 11.
Regionale
platforms [zie
art. 23 Wet SUWI, red.]
Een platform in de zin
van dit artikel is een vorm van overleg, zonder bestuurlijke taken en
verantwoordelijkheden. Partijen die deelnemen aan overlegplatforms kunnen
wel voorstellen indienen bij de RWI voor sectorale, regionale en
bedrijfsinitiatieven op het gebied van de reïntegratie. Indien door de Centrale organisatie werk en
inkomen periodiek overleg wordt gevoerd in een overlegplatform, ondersteunt de Centrale organisatie
werk en inkomen dit platform in ieder geval door het - desgewenst - voeren van het
secretariaat en het kosteloos ter beschikking stellen van informatie over de
arbeidsmarkt (artikel 10 [21], onderdeel d).
Gezien het belang dat
gemeenten hebben bij het tot stand komen van regionale samenwerking
zal het initiatief tot het oprichten van overlegplatforms rblz.|79|
veelal bij de
gemeenten in de betreffende regio liggen. Het ligt voor de hand dat hierbij
aangesloten wordt bij de regionale vestigingen van de Centrale
organisatie werk en inkomen.
De gemeenten zijn niet
verplicht regionale platforms op te richten, maar mocht in bepaalde regio’s
het overleg niet of in onvoldoende mate tot stand komen, dan kunnen - nadat twee jaar zijn verstreken
- bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gemeenten worden aangewezen om de oprichting van een
platform te bevorderen.
Artikel 12.
Centra voor
werk en inkomen [zie
art. 24 Wet SUWI, red.]
De Centrale organisatie werk en inkomen draagt zorg voor het inrichten en
in stand houden van
Centra voor werk en inkomen (CWI-kantoren). Deze CWI-kantoren zijn geen
zelfstandige (bestuurs)organen, maar regionale vestigingen van de
Centrale organisatie werk en inkomen. In overeenstemming met artikel 2 van het
ILO-verdrag nr. 88 betreffende de organisatie van de dienst voor de
werkgelegenheid zal in een toereikende landelijke spreiding moeten worden
voorzien. De Centrale organisatie werk en inkomen stelt op basis
van objectieve criteria als kwaliteit, bereikbaarheid (voor de cliënten) en
flexibiliteit het aantal CWI-kantoren vast.
Van taken die niet
dichtbij de klant verricht hoeven te worden en efficiënter bovenregionaal plaats
kunnen vinden, kan de Centrale organisatie werk en inkomen bepalen
dat ze in één CWI-kantoor of een beperkt aantal CWI-kantoren uitgevoerd
worden. Hierbij kan gedacht worden aan bemiddelingstaken voor in bepaalde regio’s geconcentreerde sectoren
en enkele van de in artikel 10 [21],
onderdeel h en i, bedoelde "overige (wettelijke)
taken", zoals het
beoordelen van de aanvragen van tewerkstellingsvergunningen in het kader van de
Wav.
Verder kunnen op grond van artikel 4 [8], tweede lid,
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur werkzaamheden van het UWV, de SVB of de gemeenten aangewezen worden die in één of
meer CWI-kantoren verricht moeten worden.
Zowel de spreiding van de
CWI-kantoren als de bundeling van taken behoeft goedkeuring van
de
minister. De inrichting, de instandhouding, de werkwijze en de
financiering van de (verschillende) CWI-kantoren worden bij ministeriële
regeling geregeld.
Artikel 13.
Registratie
werkzoekenden en vacatures [zie
art. 25 Wet SUWI, red.]
De registratie van
werkzoekenden door de Centrale organisatie werk en
inkomen verschilt in
beginsel niet van de wijze waarop dit thans door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
geschiedt. De Centrale organisatie werk en inkomen stelt van
iedere werkzoekende de identiteit vast (artikel 38 [55]) en of hij gerechtigd is in
Nederland arbeid te verrichten, en verifieert deze gegevens. Dit recht komt toe aan
Nederlanders, aan vreemdelingen op wie artikel 1 of artikel 10
van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrij
verkeer van werknemers
binnen de Gemeenschap (PbEG 1968 L 257) van toepassing is, aan vreemdelingen die beschikken over een krachtens de
Vreemdelingenwet
2000 afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van de
Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn
verbonden voor het verrichten van arbeid, en aan bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen categorieën vreemdelingen. Overigens geldt als
voorwaarde voor het recht op een WW- of bijstandsuitkering van
sollicitatieplichtigen dat zij zich hebben laten registreren als werkzoekende. De
registratie heeft een beperkte geldigheidsduur, maar kan wel verlengd
worden. De betrokkene is zelf verantwoordelijk voor de tijdige
verlenging van zijn registratie; de Centrale organisatie werk en inkomen bepaalt
de registratietermijn en deelt deze mee.
Ook werkgevers kunnen bij
het CWI-kantoor terecht voor dienstverlening. In eerste instantie gaat
het hierbij om het registreren van vacatures, het rblz.|80|
voordragen van geschikte
werkzoekenden voor vacatures en informatie en advies over de
arbeidsmarkt (artikel 10 [21]).
Met betrekking tot de
registratie van werkzoekenden en vacatures worden door de Centrale
organisatie werk en inkomen regels gesteld. Bij de gegevens die de werkgever moet
verstrekken, kan gedacht worden aan: identificatie van de werkgever; de
aangeboden arbeidsplaats; de arbeidsvoorwaarden die gelden voor de
aangeboden arbeidsplaats; diens wensen met betrekking tot opleiding, ervaring en bekwaamheden van de gevraagde
arbeidskracht. De
registratie van werkzoekenden en vacatures is kosteloos.
Artikel 14.
Beoordeling
kans op werk, administratieve indeling en advies inschakeling
arbeidsproces [zie
art. 26 Wet SUWI, red.]
Van elke werkzoekende die
zich laat registreren, moet de Centrale organisatie werk en
inkomen de
"afstand tot de arbeidsmarkt" (de kans op werk) bepalen en nagaan hoe
deze afstand - zo nodig - overbrugd kan worden. Dit gebeurt met behulp
van de zogenaamde Kansmeter en de kwalificerende intake. Afhankelijk van
hun afstand tot de arbeidsmarkt worden werkzoekenden (administratief) ingedeeld in een bepaalde fase: de fasering.
Op één en ander wordt
uitgebreid ingegaan in hoofdstuk III van het algemeen deel van deze
memorie.
Opgemerkt wordt nog dat
de moeilijk plaatsbare werkzoekende in de gelegenheid wordt gesteld
te worden gehoord in het kader van het (re)integratieadvies. Van
de mening van de werkzoekende wordt melding gemaakt in het advies,
desgewenst in de door hemzelf aangegeven formulering. Indien de
opvattingen van de werkzoekende en de Centrale organisatie werk en inkomen uiteenlopen, zal dit in het advies moeten
worden toegelicht.
De Centrale organisatie
werk en inkomen stuurt het resultaat van de fasering en het
(re)integratieadvies zo spoedig mogelijk door aan de desbetreffende uitkeringsinstantie en in
afschrift aan de betrokkene. Zo nodig kunnen hieromtrent op
grond van artikel 4 [8], tweede lid, regels worden gesteld, waarbij desgewenst ook de termijn van doorzending kan worden
geconcretiseerd.
Op verzoek van het UWV
dan wel B&W voert de Centrale organisatie werk en inkomen een
herbeoordeling van de werkzoekende uit. Deze herbeoordeling kan zowel
standaard (na verloop van een bepaalde tijd) als in geval van veranderingen in de persoonlijke situatie van de betrokkene
plaatsvinden.
Overigens kunnen het UWV
en gemeenten de Centrale organisatie werk en inkomen ook vragen een
reïntegratieadvies op te stellen voor hun arbeidsgehandicapte cliënten die niet eerst langs het CWI-kantoor zijn geweest.
Voor de
uitkeringsinstantie is het (re)integratieadvies het vertrekpunt voor de
verdere
dienstverlening. Op deze adviezen is afdeling 3.3 van de
Awb van toepassing; uit
artikel 3:50 van die wet volgt dat van het advies alleen gemotiveerd kan
worden afgeweken. Het is echter de eigen verantwoordelijkheid en afweging van de
uitkeringsinstantie om het advies al dan niet gewijzigd te volgen en het te (doen) uitwerken in een concreet uit
te voeren trajectplan. Tegen besluiten van de uitkeringsinstantie kan dan
ook bezwaar en beroep worden aangetekend; de fasering en het
(re)integratieadvies van
de Centrale organisatie werk en inkomen zijn geen (appellabele)
besluiten, maar adviezen. De fasering heeft verder een tijdelijk karakter: na
verloop van tijd volgt een herbeoordeling. Ook daarom ligt het in de
rede bezwaar- en beroepsmogelijkheden te concentreren bij de
uitkeringsinstantie. Mensen die door de Centrale organisatie werk en inkomen in fase 1
ingedeeld zijn, kunnen - desgewenst - aan de desbetreffende
uitkeringsinstantie laten weten dat ze het hier niet mee eens zijn en wel in
aanmerking willen komen voor een reïntegratietraject; rblz.|81|
een afwijzing hiervan
door de uitkeringsinstantie is een (appellabel) besluit. Uiteraard
bestaat voor de cliënt ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de
klachtenprocedure bij de Centrale organisatie werk en inkomen.
Artikel 15.
Werkstaking,
uitsluiting of bedrijfsbezetting [zie
art. 27 Wet SUWI, red.]
Met dit artikel, dat
overeenkomt met artikel 80 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, wordt beoogd te
voorkomen dat de Centrale organisatie werk en
inkomen arbeidsgeschillen beïnvloedt.
Artikel 16.
Aanvraag van
een uitkering en een toeslag en aangifte van werkloosheid
[zie
art. 28 Wet SUWI, red.]
De CWI-kantoren zijn in
principe het startpunt voor alle mensen die op zoek zijn naar werk en/of
een uitkering willen aanvragen. Werkzoekenden kunnen hier onder andere
terecht om zich te laten registeren en voor vacatures; op het CWI-kantoor wordt informatie en advies gegeven over
werk en inkomen. Het aanvragen van een WW-uitkering of algemene bijstand en het doen van
aangiften van werkloosheid begint bij het CWI-kantoor. In verband
met de samenhang tussen uitkering op grond van de WW en toeslag op
grond van de TW wordt ook de aanvraag van bedoelde toeslag bij het
CWI-kantoor ingediend. Personen die voor een andere uitkering komen,
worden door het CWI-kantoor doorverwezen. In het geval dat een
bijstandsuitkering wordt aangevraagd, is het van belang vast te stellen
dat het om een aanvraag van algemene bijstand op grond van de Abw of van
een Ioaw/Ioaz-uitkering gaat. De hoofdregel is dat deze aanvragen bij de
Centrale organisatie werk en inkomen ingediend worden. Enkele
categorieën van deze aanvragen (met name wanneer inschakeling in
het arbeidsproces niet aan de orde is) moeten echter net als aanvragen
van andere dan algemene bijstand - met name bijzondere bijstand - rechtstreeks bij B&W worden ingediend. Ook voor sommige WW-aanvragen
dient betrokkene zich direct tot het UWV
te wenden (bijvoorbeeld in geval van
een uitkering wegens werktijdverkorting). Bij de Invoeringswet zal in de
Abw/Ioaw/Ioaz, de WW en de TW worden geregeld in welke gevallen de
aanvraag bij het CWI-kantoor dan wel bij B&W of het UWV moet worden
ingediend.
Zowel voor WW-uitkeringen
als voor TW-toeslagen als voor algemene bijstand geldt dat bij
het CWI-kantoor alleen nieuwe aanvragen ingediend hoeven te worden. Zaken
met betrekking tot lopende uitkeringen worden door het UWV dan wel de
betreffende gemeente afgehandeld.
De in het eerste lid
genoemde aanvragen moeten bij de Centrale organisatie werk en
inkomen ingediend
worden, maar de beslissing erop wordt genomen door het UWV
onderscheidenlijk B&W. De Centrale organisatie werk en inkomen verzamelt
zo volledig mogelijk de hiervoor noodzakelijke gegevens (en bewijsstukken) en draagt deze vervolgens zo spoedig mogelijk
- doch in elk geval
binnen een door de
minister te bepalen termijn - over aan de desbetreffende uitkeringsinstantie.
In geval van urgentie en
noodzakelijke bevoorschotting verstrekt de Centrale organisatie werk en inkomen de lijst met
gegevens (en bewijsstukken) die de belanghebbende moet aanleveren en verwijst na de werkintake onmiddellijk door naar de
uitkeringsinstantie. Bij ministeriële regeling op grond van het vierde lid
zullen onder andere regels ten
behoeve van de standaardisering van de intake en de daarbij te vragen
gegevens worden gesteld; daarover zal ook met de betrokken instanties
worden overlegd. In dit verband is ook de in artikel 44 [62-71]
bedoelde elektronische
infrastructuur van belang. De belanghebbende is op grond van artikel 17
[29] verplicht de gevraagde gegevens aan de Centrale organisatie werk en
inkomen te verstrekken, maar alleen de uitkeringsinstantie kan hem - wanneer hij
deze of een andere verplichting en de rblz.|82|
identificatieplicht van
artikel 38 [55], tweede lid, niet nakomt - een sanctie opleggen. De Centrale
organisatie werk en inkomen moet het niet nakomen van verplichtingen door
de belanghebbende bij de betreffende uitkeringsinstantie melden (artikel 39
[56]).
Verder zijn het UWV en de
gemeenten uiteindelijk verantwoordelijk voor het vaststellen van de
juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens. Zo nodig verzamelt de
uitkeringsinstantie de ontbrekende gegevens. De Centrale organisatie
werk en inkomen moet uiteraard wel attent zijn op eventuele tegenstrijdigheden tussen ingevulde gegevens en overgelegde
bewijsstukken en de
cliënt daar in voorkomende gevallen op wijzen. Het verifiëren van gegevens
bij werkgevers en andere derden is nadrukkelijk geen taak van de Centrale
organisatie werk en inkomen. De gegevens die de Centrale organisatie
werk en inkomen ook nodig heeft voor de "werkintake" (artikel 14
[26]), verifieert
deze organisatie overigens wel. Wel moet zoveel mogelijk voorkomen
worden dat de cliënt informatie tweemaal moet verstrekken of het in het
in artikel 38 [55], tweede lid, bedoelde document vaker dan noodzakelijk
moet laten zien. Mede doordat de Centrale organisatie werk en inkomen waar
mogelijk gebruik maakt van uit databanken beschikbare gegevens,
moeten de uitkeringsinstanties in principe van de door deze organisatie
aangeleverde gegevens uit kunnen gaan. Dit doet echter niets af aan de
eigen verantwoordelijkheid van het UWV en de gemeente in dezen.
De Centrale organisatie
werk en inkomen draagt de aanvraag over aan de uitkeringsinstantie die
bevoegd is met betrekking tot de uitkering die de cliënt wenst aan te
vragen. De Centrale organisatie werk en inkomen kan van oordeel zijn dat de
cliënt het bij het verkeerde eind heeft en hem adviseren de andere uitkering aan te vragen, doch de overdracht vindt
niettemin plaats conform
de keuze van de cliënt.
Ten slotte kan de
Centrale organisatie werk en inkomen op grond van het vijfde lid - in afwijking van
artikel 4:5 Awb - ook geen hersteltermijnen bieden, noch besluiten een
aanvraag niet verder te behandelen; dat is eveneens voorbehouden aan de beslissingsbevoegde organen, het UWV en de
gemeenten. Omdat de beslistermijn aanvangt op het moment dat het aanvraagformulier wordt
ingeleverd bij het CWI-kantoor, moet bij de overdracht onder andere
het tijdstip van de ontvangst hiervan aangegeven worden.
Daar de Centrale
organisatie werk en inkomen - zoals uit het bovenstaande blijkt - in de
aanvraagprocedure geen beslissingsbevoegdheden heeft, kan alleen tegen
besluiten van het UWV of de gemeenten in bezwaar en beroep gegaan
worden. De in het derde lid genoemde mededeling van de Centrale organisatie werk en inkomen is dan ook geen
(appellabel) besluit.
Artikel 17.
Het
verstrekken van gegevens in verband met een uitkeringsaanvraag
[zie
art. 29 Wet SUWI, red.]
De inlichtingenverplichting van artikel 17 [29]
staat naast de vrijwel
gelijkluidende bepalingen in de WW (artikel
25), de
Toeslagenwet (artikel
12) en de Abw (artikel
65) en geldt totdat de Centrale organisatie werk en
inkomen de
cliënt heeft medegedeeld dat zijn aanvraag is overgedragen. De Centrale
organisatie werk en inkomen heeft echter geen bevoegdheid tot
sanctionering. Een overtreding van deze verplichting zal door het UWV
of
B&W gesanctioneerd moeten worden. Dit past beter in de systematiek
waarin de beslissing op de aanvraag door deze organen - en niet door de
Centrale organisatie werk en inkomen - wordt genomen. Ook speelt daarbij
een rol dat de tenuitvoerlegging veelal op lopende uitkeringen
plaatsvindt.
Artikel 18.
Taken van
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[zie
art. 30 Wet SUWI, red.]
In onderdeel a van het eerste lid van dit artikel is de hoofdtaak
van het rblz.|83|
UWV
beschreven. Deze taak gaat over van het Lisv
naar het UWV.
Onder uitvoering van bedoelde wetten wordt tevens verstaan de daarin
voor het UWV opgenomen taken. Bij wijze van voorbeeld kunnen genoemd
worden de premieheffing en de subsidieverstrekking in het kader van de
Wet Rea.
In onderdeel b is de reïntegratietaak van het
UWV beschreven. De bijbehorende bevoegdheden - de reïntegratie-instrumenten
- ontleent het UWV aan verschillende in onderdeel a genoemde wetten.
Onderdeel c betreft het beheer en de
administratie van de fondsen die thans door het Lisv worden beheerd.
De onderdelen e, f en g en artikel 19 [32]
betreffende het deskundigenonderzoek komen voort uit de Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) en de Wet verbetering
poortwachter WAO.
De hier bedoelde second opinions hebben geen rechtsgevolg.
Wellicht ten overvloede beogen de onderdelen h,
i en j duidelijk te maken dat artikel 18 [30], onderdeel a tot en met
g, niet
limitatief van aard is. Uiteraard dient het UWV ook taken genoemd in
andere wetten dan de Wet SUWI uit te voeren; dat geldt ook voor andere
regelingen, die bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen, en
voor het verrichten van onderzoek. Het UWV kan ook uit eigen beweging
onderzoek verrichten.
Het tweede lid legt het UWV de verplichting op
zorg te dragen voor inrichting en instandhouding van vestigingen waarin
de taken van het UWV worden uitgevoerd. Dat dit op een wijze moet
geschieden waardoor die vestigingen voldoende bereikbaar zijn, zal in
praktijk tot gevolg moeten hebben dat het UWV zijn vestigingen in
voldoende mate over het land verspreidt. Het derde lid maakt het
mogelijk in de takenpakketten van de verschillende vestigingen te
differentiëren. De uitwerking van één en ander is aan ministeriële
goedkeuring onderworpen.
Artikel 19.
Onderzoek
[zie
art. 32 Wet SUWI, red.]
In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld dat voor het
verrichten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 18 [30],
onderdeel e
tot en met g,
door het UWV
aan diegene die daarom heeft verzocht kosten in rekening
kunnen worden gebracht.
Artikel 20.
Verzekerdenadministratie
en informatieverstrekking [zie
art. 33 Wet SUWI, red.]
Dit artikel regelt de verzekerdenadministratie en
informatieverstrekking op dezelfde wijze als de huidige wetgeving.
Artikel 21.
Taken van
de Sociale verzekeringsbank [zie
art. 34 Wet SUWI, red.]
In het eerste lid worden de wetten opgesomd waarvan de uitvoering
wordt opgedragen aan de SVB. Bij wetten die de uitvoering van deze
wetten beheersen, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens de wet
aan anderen is opgedragen, moet worden gedacht aan de Wet financiering
volksverzekeringen en de Wet aanpassing uitkeringsregelingen
overheveling opslagpremies. De SVB voert het beheer en de administratie
van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Algemeen
Kinderbijslagfonds. Deze fondsen zijn onderdelen van de SVB.
Wellicht ten overvloede beogen de onderdelen d,
e en f duidelijk te maken dat artikel 21 [34], onderdeel a tot en met
c, niet
limitatief van aard is. Uiteraard dient de SVB ook taken genoemd in
andere wetten dan de Wet SUWI uit te voeren; dat geldt ook voor andere
regelingen, die bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen, en
voor het verrichten van uitvoeringstoetsen en onderzoek. De SVB kan ook uit
eigen beweging onderzoek verrichten.
Het tweede en derde lid betreffen de landelijke
spreiding van de vestigingen rblz.|84|
van de SVB; evenals bij de Centrale organisatie werk en
inkomen en het UWV
is differentiatie in de
takenpakketten mogelijk en is de uitwerking van één en ander aan
ministeriële goedkeuring onderworpen.
Artikel 22.
Verzekerdenadministratie
[zie art. 35 Wet
SUWI,
red.]
Het is de verantwoordelijkheid van de SVB om zijn administratie en
administratieve organisatie zodanig in te richten dat deze een
rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wettelijk opgedragen taken
mogelijk maakt. Tevens dient te worden gewaarborgd dat misbruik en
oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk worden voorkomen.
Artikel 23.
Toezicht
door Inspectie Werk en Inkomen [zie
art. 36 Wet SUWI, red.]
Op grond van dit artikel berust de verantwoordelijkheid voor het
toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van de
socialezekerheidswetten door de Centrale organisatie werk en
inkomen,
het UWV
en de SVB bij de
minister. Het toezicht op de gemeentelijke
uitvoering zal bij de Invoeringswet in de desbetreffende wetten worden
geregeld.
Het toezicht wordt onder gezag van de minister
uitgeoefend door de Inspectie Werk
en Inkomen. Deze Inspectie maakt deel
uit van de ambtelijk organisatie van het departement van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. De ambtenaren van deze Inspectie zullen de
toezichthoudende bevoegdheden uitoefenen namens de minister. Artikel 14
van de Kaderwet ZBO's regelt de inlichtingen-, inzage- en
toegangsrechten van de minister; een overeenkomstige voorziening is voor
de Inspectie Werk en Inkomen opgenomen in artikel 26 [42]. Nadere uitwerking
van één en ander kan plaatsvinden op grond van artikel 47 [77], derde lid,
van dit wetsvoorstel. In overeenkomstige bevoegdheden ten behoeve van
het toezicht op de gemeentelijke uitvoering zal worden voorzien bij de
Invoeringswet.
Artikel 24.
Taken van
de Inspectie Werk en Inkomen [zie
art. 37 Wet SUWI, red.]
De Inspectie Werk
en Inkomen houdt toezicht op de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de uitvoering van de socialeverzekeringswetten door
de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV
en de SVB. Hierbij is
inbegrepen het toezicht op het fondsbeheer. Onder toezicht op
doelmatigheid wordt tevens verstaan het toezicht op doeltreffendheid. De
Inspectie zal zich bij zijn oordeelsvorming zoveel mogelijk baseren op
de verantwoordingsdocumenten van de ZBO’s. Bij nadere regelgeving
zullen de toezichtsproducten verder worden gespecificeerd. Het toezicht
door de Inspectie op de gemeenten wordt in de Invoeringswet
geregeld;
het toezicht op de samenwerking van de genoemde ZBO’s met de gemeenten
wordt in onderdeel b geregeld.
Artikel 25.
Jaarplan,
jaarverslag en rapportages van de Inspectie Werk en Inkomen
[zie
art. 38 Wet SUWI, red.]
De genoemde stukken worden altijd door de
minister aan de Kamers
gezonden. De minister voegt zijn oordeel toe aan de in het tweede en
derde lid genoemde stukken. Dit artikel raakt de kern van de
onafhankelijkheid van de Inspectie.
Artikel 26.
Gegevensverstrekking
aan de Inspectie Werk en Inkomen [zie
art. 42 Wet SUWI, red.]
Met dit artikel wordt verdere invulling gegeven aan de bevoegdheden
van de Inspectie Werk
en Inkomen ten behoeve van haar toezichthoudende
taak; deze bevoegdheden zien op de uitvoering van wettelijke taken door
de ZBO’s.
Het vierde lid heeft betrekking op het toezicht
op de rechtmatige en doelmatige rblz.|85|
besteding van de publieke reïntegratiemiddelen;
dit wordt gericht op de publieke opdrachtgever (UWV). In artikel 26 [42],
vierde lid, wordt een bevoegdheid gecreëerd voor de toezichthouder (de
Inspectie Werk en Inkomen) om bij gerede twijfel omtrent de volledigheid
en juistheid van de door de publieke opdrachtgever c.q.
subsidieverstrekker (UWV) op dit vlak verstrekte verantwoording de
opdrachtgever op te dragen een review te laten uitvoeren door een derde-accountant op de verstrekte verantwoordingsinformatie. Deze
derde-accountant krijgt daartoe zo nodig ook toegang bij de gecontracteerde reïntegratiebedrijven.
Bij de lagere regelgeving zal als wettelijke eis ten aanzien van de contracten
tussen opdrachtgever en reïntegratiebedrijf onder andere worden
voorgeschreven dat:
• de (publieke) opdrachtgever alle voor het vaststellen van de
rechtmatigheid en doelmatigheid relevante informatie bij de
opdrachtnemer (het reïntegratiebedrijf) kan opvragen; en
• de opdrachtnemer toestaat dat een externe accountant in opdracht van
de (publieke) opdrachtgever toegang krijgt tot alle relevante informatie
in verband met de hiervoor bedoelde review op door de opdrachtgever verstrekte
verantwoordingsinformatie.
In de gemeentelijke wetgeving zal - bij de Invoeringswet
- in overeenkomstige bevoegdheden worden voorzien.
Artikel 27.
Kennisgeving
besluiten [zie
art. 43 Wet SUWI, red.]
Het artikel maakt het mogelijk bij ministeriële regeling (categorieën
van) besluiten te omschrijven die de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB achteraf ter kennis moeten brengen van de
Inspectie; daarbij zullen besluiten worden vermeld waarvan kennisneming
vanuit een oogpunt van toezicht zeker gesteld moet worden.
Artikel 28.
Uitoefening
taken Inspectie Werk en Inkomen [zie
art. 44 Wet SUWI, red.]
De nadere regels zullen er onder andere toe strekken de zelfstandige
taakuitoefening van de Inspectie verder te benadrukken. Het parlement
krijgt de gelegenheid de inhoud van de nadere regels vóór de
inwerkingtreding te beoordelen.
Artikel 29.
Uitvoeringskosten
[zie art. 45 Wet
SUWI,
red.]
De uitvoeringskosten van de RWI en van de Centrale organisatie werk en
inkomen komen ten laste van de door de
minister beschikbaar gestelde
rijksbijdrage. De in artikel 26 van de Kaderwet ZBO's voorgeschreven
vorming van een egalisatiereserve past hier niet bij; daarom is dit
artikel (voor wat betreft het ZBO de Centrale organisatie werk en
inkomen) in het vijfde lid buiten toepassing verklaard.
De uitvoeringskosten van het UWV
en de SVB
worden ten laste gebracht van de socialeverzekeringsfondsen. De
minister stelt regels omtrent de wijze van toerekening van deze
uitvoeringskosten. De regels zullen, voor zover die van belang zijn voor
de toerekening van uitvoeringskosten aan de Algemene Kas, genoemd in de Zfw, worden opgesteld in overeenstemming met de
Minister van VWS.
Artikel 30.
Begroting,
jaarplannen en meerjarenbeleidsplannen
[zie artt. 46-47 Wet
SUWI, red.]
Het artikel verplicht de RWI, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB jaarlijks vóór een door hem vast te stellen
datum een jaarplan en (met uitzondering van de RWI) een
meerjarenbeleidsplan aan de
minister aan te bieden. De verplichting tot
het indienen van een begroting, eveneens vóór een door de minister vast
te stellen datum, volgt voor de in dit wetsvoorstel geregelde
ZBO’s
uit artikel 19 van de Kaderwet ZBO's (zie nader bij artikel
31); voor
de RWI is deze verplichting hier geregeld. Na rblz.|86|
ontvangst van het
jaarplan, de begroting en het meerjarenbeleidsplan van het UWV en van de
SVB worden deze, onder vermelding van de onderdelen die van belang zijn
voor de premie-inning Zfw door het UWV en voor de taken van de
SVB in
het kader van de Zfw en de AWBZ, aan de Minister van VWS gestuurd. Op
grond van het derde lid kunnen regels met betrekking tot de indiening
van de begroting en van ontwerp-begrotingen, alsmede met betrekking tot
het jaarplan en meerjarenbeleidsplan worden gesteld.
Het jaarplan behoeft ministeriële goedkeuring.
Hierbij zal de eventuele opvatting van de Minister van VWS over de
onderdelen die van belang zijn voor de taakuitvoering van het UWV en de
SVB in het kader van de Zfw en de AWBZ worden betrokken. De RWI, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV en de SVB zijn gebonden
aan hetgeen in het goedgekeurde jaarplan is opgenomen. Zij kunnen, op
grond van het vijfde lid, daarvan slechts afwijken indien de minister
het besluit tot afwijking van het jaarplan heeft goedgekeurd. Van
afwijking van het jaarplan is sprake indien de RWI of het betrokken ZBO in de loop van een jaar nieuwe plannen vaststelt en indien het geheel
dan wel gedeeltelijk van in het jaarplan opgenomen plannen afziet. In al
die gevallen is derhalve goedkeuring van de minister vereist.
Artikel 31.
Vaststelling
budget uitvoeringskosten en budgetdiscipline
[zie
art. 48 Wet SUWI, red.]
Het eerste lid van dit artikel regelt de bevoegdheid van de
minister om het budget voor de uitvoeringskosten van de RWI, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB vast te stellen. Het
tweede lid geeft de minister de mogelijkheid om het budget van de
hiervoor genoemde uitvoeringsorganisatie te wijzigen. Deze bevoegdheid
is vooral bedoeld om, ingeval zich wijzigingen zouden voordoen in de
uitvoering die tot budgetoverschrijding zouden leiden, aanpassing van
het budget mogelijk te maken. Het is hierbij zinvol dat de organisaties
de minister afzonderlijk informeren over majeure niet voorziene
wijzigingen (waarbij kan worden gedacht aan meer dan 2% van het budget).
Artikel 22 van de Kaderwet ZBO's schrijft
goedkeuring van de begroting door de minister voor. De
budgetvaststelling door de minister impliceert al dat de minister de bij
hem ingediende begroting goed- of afkeurt; artikel 22 Kaderwet ZBO's is daarom (in het derde lid) uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard
(voor de RWI mist het artikel al toepassing omdat deze Raad geen ZBO is). Uitvoeringsinstellingen mogen geen verplichtingen aangaan of
uitgaven doen welke tot gevolg hebben dat het budget wordt overschreden.
Om te voorkomen dat de werkzaamheden van de organisaties stil komen te
liggen indien hun budget niet tijdig is vastgesteld, is het vijfde lid
opgenomen.
Artikel 32.
Jaarverslag,
jaarrekening, accountantscontrole en kwartaalverslagen
[zie
art. 49 Wet SUWI, red.]
Volgens het eerste lid moeten de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB in hun jaarverslagen in elk geval ingaan op
de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering. Zij moeten aan
de
minister vóór 15 maart hun jaarverslagen en jaarrekeningen aanbieden.
De verplichting tot het opstellen van een jaarverslag en een
jaarrekening volgt uit artikel 13, onderscheidenlijk artikel 27 van de
Kaderwet ZBO's. Laatstgenoemd artikel schrijft ook de ministeriële
goedkeuring van de jaarrekening voor. De datum 15 maart vormt een
afwijking van de artikelen 13 en 27 van de Kaderwet ZBO's, die de
(uiterste) indieningsdatum op 1 juli bepalen; deze afwijking wordt
voorgesteld teneinde de stukken vóór de derde woensdag van mei aan de Kamers te kunnen aanbieden (op grond van artikel
32 [49], vijfde lid).
Artikel 28 van de Kaderwet ZBO's regelt de bij de jaarrekening te
voegen accountantsverklaring en bevat nadere eisen rblz.|87|
met betrekking tot
die verklaring en de jaarrekening. De accountantsverklaring is gevoegd
bij de jaarrekening en zal dus ook samen daarmee aan de Kamers worden
overgelegd. Op grond van het vierde lid kunnen met betrekking tot alle
genoemde stukken alsmede de accountantscontrole bij ministeriële
regeling regels worden gesteld; deze regels kunnen ook (aspecten van) de
rechtmatigheid betreffen. In het kwartaalverslag moet ook ingegaan
worden op de (ontwikkeling van de) doelmatigheid van de uitvoering,
waarbij dezelfde onderwerpen aan de orde moeten komen die ook in het
jaarverslag worden vermeld. In aansluiting bij deze bepalingen worden
deze onderwerpen ook voor de RWI in dit artikel geregeld.
Artikelen
33 tot en met 36. Fondsen
en financiën [zie
artt. 50-53 Wet SUWI, red.]
Elk in artikel 1, onderdeel k, genoemd fonds, met uitzondering van de
wachtgeldfondsen, is een geheel van middelen dat deel uitmaakt van de SVB
of het UWV
en afzonderlijk door de SVB of het UWV wordt beheerd en
geadministreerd.
De ten laste van een fonds komende uitgaven
worden gefinancierd door heffing van premies bij degenen die voor de
desbetreffende socialeverzekeringswetten premieplichtig zijn. Het
Toeslagenfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds worden echter volledig
gefinancierd uit de rijksbijdragen.
Met betrekking tot het fondsbeheer en de
rekening-courantverhouding tussen de Minister van Financiën en de
SVB
en het UWV worden in deze artikelen geen wijzigingen ten opzichte van de
huidige situatie voorgesteld. Aangezien hierbij geen plaats is voor een
egalisatiereserve, waarvan de vorming wordt voorgeschreven door artikel
26 van de Kaderwet ZBO's, wordt dit artikel in het negende lid van
artikel 34 [50-53]
uitdrukkelijk buiten toepassing verklaard.
Er zij op gewezen dat artikel 35 [50-53]
ziet op
actuele rapportages, dat wil zeggen met betrekking tot het lopende jaar, dit ter
onderscheiding van de in artikel 32 [49]
bedoelde verslaglegging na afloop
van een jaar.
Artikel 37.
Verstrekking
van gegevens aan de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank, de Raad voor werk en inkomen, de Inspectie Werk en
Inkomen en de minister [zie
art. 54 Wet SUWI, red.]
Dit artikel prevaleert als "lex specialis" boven de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Het eerste lid van dit artikel behelst, evenals
de huidige wetgeving, de algemene verplichting om aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB inlichtingen en gegevens
te verstrekken; de
minister en de Inspectie Werk
en Inkomen zijn daaraan
uit hoofde van hun toezichthoudende taak toegevoegd (in plaats van thans
het Ctsv).
Het tweede lid stelt buiten twijfel dat een
ieder de bevoegdheid heeft om, voor zover nodig met doorbreking van de
geheimhoudingsplicht en in afwijking van de Wbp, uit eigen beweging
informatie aan de genoemde bestuursorganen en aan de Inspectie te
verstrekken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan informatie door
collega-werkgevers of -werknemers omtrent "zwartwerken".
Het derde lid noemt alle instellingen die
verplicht zijn om aan de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV,
de SVB, de Inspectie en de minister kosteloos informatie te verstrekken.
Voor de Kamers van Koophandel wordt, in afwachting van komende afspraken
rond een Basis Bedrijven Register in het kader van het
interdepartementale programma Basisgegevens, in overeenstemming met de Handelsregisterwet
1996 bepaald dat een vergoeding verschuldigd is voor
gegevensverstrekking. Dit artikel wordt begrensd door het feit dat de
Centrale organisatie werk rblz.|88|
en inkomen, het UWV, de SVB, de Inspectie en
de minister slechts die informatie mogen opvragen die noodzakelijk is
voor de uitvoering van hun wettelijke taken.
Het zesde lid geeft de RWI
een recht op
gegevens en inlichtingen jegens de minister. De verstrekking van
gegevens door de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV, de SVB
of gemeenten aan de RWI zal bij ministeriële regeling op grond van het
zevende lid verder worden uitgewerkt.
Het achtste lid komt overeen met artikel
95,
tweede lid, Osv 1997, welke bepaling daaraan is toegevoegd bij de
Wet
socialezekerheidsrechten gedetineerden.
Artikel 38.
Vaststelling
identiteit [zie
art. 55 Wet SUWI, red.]
De thans verspreid voorkomende bepalingen met betrekking tot de
vaststelling van de identiteit van werkzoekenden, verzekerden en
uitkeringsgerechtigden zijn in dit artikel bijeengebracht. Inhoudelijk
zijn geen wijzigingen aangebracht. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB dragen zorg voor de vaststelling van de
identiteit van verzekerden en uitkeringsgerechtigden voor zover
noodzakelijk voor de uitoefening van hun taak. Het UWV mag hierbij het
oordeel van de Centrale organisatie werk en inkomen volgen, maar het
blijft een eigen verantwoordelijkheid. Als documenten waarmee de
identiteit van personen kan worden vastgesteld (ID-documenten), worden
in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht aangewezen een geldig
reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, van de Paspoortwet
en de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de
(oude) Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) moet beschikken ter vaststelling
van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Dit
kan dus geen rijbewijs zijn.
Een verzekerde is verplicht om te kunnen
bewijzen wie hij is. Met het oog op controle op onder andere de werkplek is in
het derde lid als mogelijk identificatiemiddel het rijbewijs toegevoegd,
dit om tegemoet te komen aan de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid
van de regeling. Aannemelijk is dat werknemers op de werkplek sneller
aan hun identificatieplicht kunnen voldoen als zij gebruik kunnen maken
van het rijbewijs. Dit laatste is naar aanleiding van een amendement van
de kamerleden Kalsbeek-Jasperse en Van der Burg (Kamerstukken II 1992-1993, 22 694, nr. 18) opgenomen in de
Wet op de
identificatieplicht (WID, Stb. 1993, 660) en daarmee in de Osv
1997. Deze toevoeging laat
onverlet dat de identiteitsvaststelling op grond van het eerste en derde
lid van dit artikel door de daar genoemde instanties en de werkgever
alleen aan de hand van ID-document kan plaatsvinden.
Artikel 39.
Melding
van het niet nakomen van verplichtingen
[zie
art. 56 Wet SUWI, red.]
Met het oog op de sanctiebevoegdheid van de uitkeringsinstantie moet
de Centrale organisatie werk en inkomen in voorkomende gevallen bij de
overdracht van de aanvraag gemotiveerd melding maken van het niet
nakomen van de inlichtingenverplichting of het anderszins onvoldoende
medewerking verlenen door de cliënt. Eenzelfde verplichting is
opgenomen voor het geval werkzoekenden niet voldoen aan hun - op grond
van de WW, Abw, Ioaw,
Ioaz of AKW bestaande
- verplichtingen inzake de
inschakeling in de arbeid (zie thans artikel 7, eerste lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996). In de WW en de Abw wordt geregeld dat het UWV
respectievelijk B&W in beginsel verplicht zijn de overtreding
van deze verplichting te sanctioneren. De Centrale organisatie werk en
inkomen heeft deze bevoegdheid uitdrukkelijk niet. Op basis van de
kennisgeving van de Centrale organisatie werk en inkomen kunnen deze
organen besluiten de cliënt een maatregel of administratieve boete op
te leggen. Tegen dit besluit - en dus niet tegen de kennisgeving van
de rblz.|89|
Centrale organisatie werk en inkomen - staat bezwaar en beroep
open; de kennisgeving is geen (appellabel) besluit. Een soortgelijke
verplichting geldt (ingevolge het tweede lid) jegens de SVB; deze
betreft de toepassing van de AKW (zie thans artikel 7, tweede lid,
Arbeidsvoorzieningswet 1996).
Artikel 40.
Melding in
verband met aanspraak op wettelijk geldend minimumloon
[zie
art. 57 Wet SUWI, red.]
De Centrale organisatie werk en inkomen, het
UWV
en de SVB
zijn
verplicht om aan de belanghebbende melding te doen van het gegrond
vermoeden dat de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag niet wordt
nageleefd. Tevens moet ingevolge dit artikel deze melding worden gedaan
aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 18b van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Artikelen
41 tot en met 43. Meldingen
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de
verzekerdenadministratie van de werkgever
[zie
artt. 58-61 Wet SUWI, red.]
Deze artikelen bevatten, in een enigszins gewijzigde opbouw en
redactie, aan de bestaande wetgeving ontleende bepalingen.
Artikel 44.
Elektronische
gegevensuitwisseling [zie
artt. 62-71 Wet SUWI, red.]
Dit artikel regelt in het eerste lid de verplichte
gegevensuitwisseling tussen alle betrokken uitvoeringsorganen, inclusief
de gemeenten. Zij dienen daarbij gebruik te maken van het
sofinummer.
Voor de gemeenten betreft het de uitvoering van de met werk en inkomen
samenhangende wetten, dat wil zeggen de Algemene
bijstandswet, de Ioaw en de Ioaz; op grond van het zesde lid kunnen daaraan andere door de gemeenten
uitgevoerde wetten worden toegevoegd, waarbij onder andere kan worden gedacht
aan de Wiw en de Wsw. Het derde lid, onderdeel
a, maakt nadere regelgeving ten aanzien van het eerste lid mogelijk; deze zal met name een beschrijving van
de uit te wisselen gegevens(categorieën) betreffen. De
gegevensverstrekking door andere instanties aan de gemeente ten behoeve
van de uitvoering van de genoemde wetten blijft in die wetten geregeld
(zie artikel 122 e.v. Abw); voor zover nodig zal aanpassing daarvan bij de
Invoeringswet plaatsvinden. In het tweede lid ligt de basis voor de
gemeenschappelijke elektronische infrastructuur waarmee de
datacommunicatie bij het uitvoeren van hun wettelijke taken tussen Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de gemeenten dient
plaats te vinden. Deze elektronische infrastructuur wordt gezien als het
geheel van (technische) voorzieningen, standaards en diensten waarmee
verbindingen tot stand worden gebracht en informatie wordt uitgewisseld
en gedeeld tussen de Centrale organisatie werk en inkomen, het UWV en de
gemeenten. De elektronische infrastructuur kent centrale systeemdelen
(bijvoorbeeld gemeenschappelijke netwerkapplicaties en protocollen) en decentrale
systeemdelen (bijvoorbeeld verwijsindexen, abonnementenadministraties).
Voortbouwend op hetgeen thans op dit vlak al is gerealiseerd, wordt de
deelname aan deze infrastructuur door de SVB nog niet direct geregeld;
op grond van het vierde lid zal dit bij nadere regelgeving later kunnen
worden bepaald.
In de nadere regelgeving op grond van het derde
lid (waarover op grond van het vijfde lid met de belanghebbende
instanties zal worden overlegd) zal uitwerking aan één en ander worden
gegeven. Dit betreft onder andere de verdeling van taken en
verantwoordelijkheden die voortvloeit uit de in het tweede lid opgenomen
gezamenlijke opdracht aan de
minister en de betrokken instanties voor de
inrichting en instandhouding van de structuur, de toerekening van kosten
aan de verschillende deelnemers, alsmede de omvang van het gebruik
daarvan (niet de volledige uitvoering van alle betrokken wetten zal van
de aanvang af hieronder vallen).
rblz.|90|
In dit verband verdient ook onderdeel d van het
derde lid bijzondere aandacht. Hierin wordt de grondslag gelegd voor een
instelling die ten behoeve van de gemeentelijke sociale diensten
ondersteunend zal optreden (het zogenaamde Inlichtingenbureau). Deze
instelling zal fungeren als dienstverlener bij de elektronische
informatie-uitwisseling tussen gemeenten en derden. De bepaling maakt
het mogelijk hiertoe een nieuwe instelling in het leven te roepen dan
wel een bestaande instelling aan te wijzen; in elk geval zal de minister
op grond van de nadere regelgeving daartoe zo nodig initiërend kunnen
optreden. Hierbij kan worden gedacht aan een stichting. De taken van
deze instelling zullen zodanig worden vormgegeven dat deze als
tussenschakel tussen gemeenten en derden fungeert; wettelijke
bevoegdheden en verplichtingen blijven onveranderd op de gemeenten en
die derden zelf rusten. Er zal derhalve geen sprake zijn van een
zelfstandig bestuursorgaan. De nadere regelgeving zal de financiering
van en de verantwoording door de instelling regelen, evenals het gebruik
van het sociaal-fiscaal nummer door deze instelling. Verder zal daarin
worden bepaald op welke wijze en in hoeverre door gemeenten en anderen
bij de uitoefening van op hen rustende bevoegdheden en verplichtingen
gebruik gemaakt zal moeten worden van de tussenkomst van meerbedoelde
instelling. Voor zover hierbij de toepassing van de
inlichtingenbepalingen uit de Abw c.a. aan de orde zijn, zullen ook in
die wetgeving de noodzakelijke aanpassingen worden aangebracht; dit
betreft de artikel 121 e.v. Abw.
Onderdeel e maakt het mogelijk ook het
gegevensverkeer van de betrokken instanties richting minister en de Inspectie Werk
en Inkomen met gebruikmaking van de infrastructuur te
doen plaatsvinden. Voor de betrokken ZBO’s betreft dit de toepassing
van artikel 14 van de Kaderwet ZBO's en de artikelen 26 [42], 27 [43]
en 37 [54]
van
deze wet; voor de gemeenten gaat het om de artikel 130
e.v.
Abw.
Artikel 45.
Gegevensverstrekking
door de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank en de minister
[zie
artt. 62-74 Wet SUWI, red.]
Dit artikel regelt in de eerste plaats de bevoegdheid van de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB
tot verstrekking
van gegevens aan privaatrechtelijke rechtspersonen; het betreft hier
"toegestane"
verstrekkingen.
Een afzonderlijke geheimhoudingsplicht is niet
in dit wetsvoorstel opgenomen, omdat deze plicht voor
een ieder die is
betrokken bij de uitvoering van een taak van een bestuursorgaan reeds is
geregeld in artikel 2:5 van de Awb. Hierbij zij opgemerkt dat deze
geheimhoudingsplicht niet geldt indien enig ander wettelijk voorschrift
tot mededeling verplicht, zoals uit genoemd artikel blijkt, en niet
geldt indien enig ander wettelijk voorschrift mededeling toestaat. Dit
laatste blijkt niet uit artikel 2:5 Awb, maar vloeit voort uit het
bijzondere karakter van het desbetreffende andere wettelijke
voorschrift, dat als "lex specialis" prevaleert boven de Awb. De bij
of krachtens artikel 45 [62-74]
gestelde regels gaan dus voor de Awb en ook voor
de Wet
bescherming persoonsgegevens. Dit geldt eveneens voor andere
regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld en die afwijken van de
Wet bescherming persoonsgegevens.
Het tweede lid heeft betrekking op de
informatieverstrekking aan arbodiensten. Naast de verplichte
verstrekking op verzoek door de Centrale organisatie werk en inkomen,
het UWV en de SVB is voorzien in een bevoegdheid tot
informatieverstrekking uit eigen beweging door het UWV aan de arbodienst. Deze maakt het mogelijk dat de
arbodienst spontaan door het
UWV op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van een WAO-beoordeling,
hetgeen wenselijk is met het oog op de door de arbodienst aan de
werkgever te verlenen bijstand in het kader van het verzuimbeleid.
rblz.|91|
In het derde lid is aan de Centrale organisatie
werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de
Sociale verzekeringsbank de verplichting opgelegd ten behoeve van de
statistiek gegevens inzake de uitvoering van hun wettelijke taken op
verzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek kosteloos aan dit
bureau te verstrekken. In het vierde lid is een soortgelijke opening ten
behoeve van wetenschappelijk onderzoek en (overige) statistiek gecreëerd.
Beide bepalingen zijn naast artikel 9, derde lid, Wet
bescherming persoonsgegevens nodig (welke bepaling verwerking van gegevens ten
behoeve van statistische en wetenschappelijke doeleinden mogelijk maakt), gelet op
het vierde lid van dat artikel, dat die verwerking namelijk tegenhoudt
indien (zoals hier) een wettelijke geheimhoudingsplicht geldt.
Het vijfde lid bevat de basis voor nadere
regelgeving over de onderwerpen van dit artikel, met inbegrip van het
gebruik van de infrastructuur, bedoeld in artikel 44 [62-71]. De verstrekking
aan bedrijven waarop dit lid ziet, betreft met name die in het kader van
de uitbesteding van taken. De verstrekking van persoonsgegevens op grond
van het zesde lid, dat wil zeggen met uitdrukkelijke toestemming van
betrokkene, laat onverlet de verstrekking die op grond van de overige
bepalingen zonder die toestemming kan plaatsvinden.
Het zevende lid maakt het mogelijk dat aan de
minister (op grond van artikel 14 Kaderwet ZBO's) verstrekte gegevens
door hem aan de andere ZBO’s worden verstrekt; hiermee wordt de basis
voor het zogenaamde "knooppunt beleidsinformatie" gelegd. In de
Invoeringswet zullen dienovereenkomstige bepalingen
ten behoeve van de deelname
hieraan door gemeenten worden opgenomen.
Artikel 46.
Openbaarheid
van gegevens [zie
art. 75 Wet SUWI, red.]
Dit artikel, dat is ontleend aan de Arbeidsvoorzieningswet 1996,
maakt ten behoeve van de arbeidsbemiddelingstaak van de Centrale organisatie werk en
inkomen de inrichting van openbare vacature- en
sollicitantenbanken mogelijk; ter wille van de privacybescherming zullen
de inrichting en het gebruik daarvan met inachtneming van de Wbp
moeten
worden geregeld.
Artikel 47.
Nadere
regels [zie
art. 77 Wet SUWI, red.]
De
minister stelt op basis van dit artikel, na overleg met de
Minister van Financiën, regels met betrekking tot de
verzekerdenadministratie van de werkgever, de melding van de aanvang of
beëindiging van de dienstbetrekking en melding van gegevens en
inlichtingen door de werknemer aan de werkgever respectievelijk aan het UWV.
Het tweede lid van dit artikel geeft aan het
UWV de bevoegdheid op het gebied van het informatieverkeer, bedoeld in de
artikelen 37 [54], 41 [58-61]
en 43 [58-61]
van deze wet, regels te stellen. Het UWV kan op
deze wijze zorg dragen voor standaardisering en uniformering van de wijze
van gegevensverstrekking. Op grond van het derde lid zullen omtrent de
gegevensverstrekking aan de
minister en de Inspectie, op grond van
artikel 14 Kaderwet ZBO's en deze wet, nadere regels worden gesteld.
Artikel 48.
Aanwijzingsbevoegdheid
Onze Minister [zie
art. 78 Wet SUWI, red.]
Op grond van het voorgestelde artikel 48 [78]
kan de
minister aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het UWV
en de SVB
aanwijzingen van
algemene aard geven betreffende de uitoefening van hun taken.
Overeenkomstig de Aanwijzingen voor de
regelgeving (Ar 124l) wordt aan
de minister niet de bevoegdheid toegekend bijzondere aanwijzingen te
geven. Genoemde zelfstandige bestuursorganen zijn gehouden
overeenkomstig een tot hen gerichte aanwijzing te handelen.
rblz.|92|
Artikel 49.
Goedkeuringsvereiste
[zie art. 79 Wet
SUWI,
red.]
Er is ter wille van de eenvoud voor gekozen voor de hele Wet
SUWI
als gronden voor onthouding van goedkeuring strijd met het recht of met
het algemeen belang te laten gelden. Dit betekent dat afgeweken wordt
van hetgeen de Kaderwet ZBO's op dit punt ten aanzien van enkele
specifieke besluiten regelt (de artikelen 4 en 6 van die wet,
betreffende goedkeuring van "inkomend mandaat" en van het
bestuursreglement).
Artikel 50.
Regelgevende
bevoegdheden [zie
art. 82 Wet SUWI, red.]
Naast de in het wetsvoorstel bij concrete onderwerpen opgenomen
delegatiebepalingen kan een algemene bevoegdheid tot het stellen van
regels niet worden gemist. Zoals in het algemeen deel van deze memorie
is uiteengezet (zie paragraaf 5 van hoofdstuk I), kan ter waarborging van een goede
uitvoering snel bijsturen noodzakelijk zijn. De bevoegdheid is
geclausuleerd ("noodzakelijk in verband met de goede uitvoering"). De
bevoegdheid is gewenst met het oog op onvoorzienbare gevallen waarin op
korte termijn aanvullende of bijsturende regelgeving nodig is en de
totstandkoming van formele wetgeving niet kan worden afgewacht. In
verband daarmee is hiervoor de vorm van de tijdelijke delegatie gekozen.
Artikel 51.
Beroepsinstantie
[zie art. 83 Wet
SUWI,
red.]
Dit artikel stelt van enkele besluiten met betrekking tot het budget
rechtstreeks beroep open op de Centrale Raad van
Beroep; strekking ervan
is ter zake van dergelijke geschillen zo spoedig mogelijk zekerheid te
verkrijgen.
Artikel 54.
Evaluatie
[zie
art. 86 Wet SUWI, red.]
De voorgestelde evaluatiebepaling schrijft voor de eerste drie jaar
een jaarlijks evaluatieverslag voor en vervolgens - overeenkomstig
aanwijzing voor de regelgeving nr. 164 - een vijfjaarlijks verslag. De
tweede zin bewerkstelligt dat het in artikel 32 van de Kaderwet ZBO's voorgeschreven evaluatieverslag in het derde verslag begrepen is; het
gecombineerde verslag zal dus voor de eerste maal drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet verschijnen. Daarna gaat voor het
gecombineerde verslag dezelfde vijfjaarsperiode gelden.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|