|
4 oktober 1995/nr. SV/GSV/95/4399
Directie Sociale Zekerheid
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Besluit:
Art. 1.
De Sociale verzekeringsbank
heeft tot taak:
a. het verstrekken van
verklaringen inzake de toepasselijke
wetgeving op grond van de verordeningen
inzake sociale zekerheid van de
Europese Gemeenschap en verdragen tot stand gekomen tussen Nederland en
één of
meer andere staten in de
telkens van toepassing zijnde versie;
b. het in overleg met de
bevoegde buitenlandse instanties afsluiten van
overeenkomsten betreffende de toepasselijke wetgeving in bijzondere
gevallen op grond van de onder a bedoelde verordeningen en
verdragen;
c. het geven van
voorlichting in verband met deze taken.
Art. 2.
-1. Voor zover het gaat om
een bevoegdheid van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt aan het bestuur van de
Sociale verzekeringsbank mandaat verleend met betrekking tot het nemen
van besluiten en het vaststellen
en ondertekenen van stukken met betrekking tot:
a. de verklaringen, bedoeld
in artikel 1, onderdeel a;
b. overeenkomsten, bedoeld in
artikel 1, onderdeel b.
-2. Het bestuur van de
Sociale verzekeringsbank is bevoegd ondermandaat te verlenen aan één of meer
onder zijn verantwoordelijkheid
werkzame personen.
Art. 3.
Dit besluit laat onverlet de
taken en bevoegdheden van het Bureau
voor Belgische Zaken en het
Bureau voor Duitse Zaken.
Art. 4.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin
het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 1995.
Dit besluit wordt met de
toelichting in de Staatscourant geplaatst.
’s-Gravenhage, 4 oktober
1995.
De Staatssecretaris
voornoemd,
R.L.O. Linschoten.
TOELICHTING
[4 oktober 1995]
In verband met de invoering
van de Organisatiewet sociale
verzekeringen op 1 januari 1995 zijn de taken
die waren opgedragen aan de Sociale
Verzekeringsraad met betrekking tot zowel het verstrekken van de
verklaringen inzake de toepasselijke wetgeving
(de zgn. detacheringsverklaringen)
als het bepalen en afstemmen van het beleid ter zake met de nationale en
internationale uitvoerende instanties, met
ingang van die datum overgegaan op de
Sociale Verzekeringsbank. Het
onderhavige besluit strekt ertoe die
taakoverdracht vast te leggen. De
aanwijzing van de Sociale Verzekeringsbank ter zake zal in de onderhavige verordeningen
en verdragen worden vermeld. In een aantal van deze verordeningen en
verdragen is de bevoegdheid tot het
afgeven van detacheringsverklaringen en
het sluiten van overeenkomsten ter zake
aan de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid toegekend.
Voor zover dit het geval is, wordt
in artikel 2 van dit besluit deze
bevoegdheid gemandateerd aan de Sociale Verzekeringsbank.
Dit besluit laat onverlet de
bestaande taken van het Bureau
Belgische Zaken en het Bureau Duitse Zaken
met betrekking tot de afgifte
van E-101- en E-102-verklaringen ten aanzien van België respectievelijk Duitsland.
De onder artikel 1 bedoelde
verordeningen en verdragen zijn de
navolgende:
- de Verordening (EEG) nr.
1408/71 (PbEG nr. C 325 van 10
december 1992) betreffende de
toepassing van de socialezekerheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen alsmede hun gezinsleden die zich binnen
de Gemeenschap verplaatsen, van 14 juni
1971 (PbEG L 149);
- de Verordening (EEG) nr.
574/72 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen tot vaststelling van de
wijze van toepassing van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de
toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen, van
21 maart 1972 (PbEG L 74);
- Europees Verdrag inzake
sociale zekerheid van 14 december
1972 (Trb. 1976, 158);
- Europese Interimovereenkomst betreffende sociale zekerheid
met uitsluiting van de regelingen voor
ouderdom, invaliditeit en overlijden,
met bijlagen en Protocol nopens de vluchtelingen van 11
december 1953 (Trb. 1954, 99);
- Europese Interimovereenkomst inzake uitkeringen bij
ouderdom, invaliditeit en overlijden van 11
december 1953 en het hierbij
behorende Protocol inzake de toepassing van de Europese Interimovereenkomst
op vluchtelingen (Trb. 1954,
98);
- het op 29 augustus 1947
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing van de wederzijdse wetgeving op het punt der sociale
verzekering (Stb. 1949, J 435);
- het op 7 januari 1950 te
’s-Gravenhage tussen Nederland en
Frankrijk gesloten Algemeen Verdrag
inzake de sociale zekerheid (Stb.
1951, 101);
- het op 29 maart 1951 te
Bonn tot stand gekomen Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden
en de Bondsrepubliek Duitsland
inzake sociale verzekering, met bijbehorend Slotprotocol (Trb. 1951,
57);
- het op 28 oktober 1952
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Italiaanse Republiek inzake sociale verzekering, met Bijzonder
Protocol (Trb. 1952, 149);
- het op 8 juli 1950 te
Luxemburg tussen Nederland en Luxemburg
gesloten Algemeen Verdrag inzake
sociale zekerheid, zoals goedgekeurd bij
Wet van 17 januari 1952 (Stb. 1952,
30);
- het op 13 april 1989 te
Lugano tot stand gekomen Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk Noorwegen inzake
sociale zekerheid (Trb. 1990, 25);
- het op 12 oktober 1966
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Portugese Republiek inzake
sociale zekerheid (Trb. 1966, 294);
- het op 17 december 1962
te Madrid tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Spaanse Staat inzake sociale
zekerheid, met Slotprotocol (Trb. 1963,
69);
- het op 11 augustus 1954
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van
Groot-Brittannië en Noord-Ierland [inzake sociale zekerheid, red.]
en Protocol betreffende verstrekkingen in
natura (Trb. 1954, 114);
- het op 2 juli 1982 te
Stockholm tot stand gekomen Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk Zweden inzake
sociale zekerheid, met bijbehorend Slotprotocol (Trb. 1982, 135);
- het op 5 april 1966 te
Ankara tot stand gekomen verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden
en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (Trb. 1966, 155);
- de op 27 mei 1970 tot
stand gekomen Overeenkomst tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de
Zwitserse Bondsstaat inzake sociale zekerheid (Trb. 1970, 200);
- het op 14 februari 1972
te Rabat tot stand gekomen Algemeen
Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
inzake sociale zekerheid (Trb. 1972, 34);
- de op 7 maart 1974 tot
stand gekomen Overeenkomst tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de
Republiek Oostenrijk inzake sociale zekerheid (Trb. 1974, 77);
- het op 11 mei 1977 te
Belgrado tot stand gekomen Verdrag tussen
het Koninkrijk der Nederlanden
en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië inzake sociale zekerheid
(Trb. 1977, 156), voor zover
van toepassing;
- briefwisseling d.d. 25
februari 1992 en 21 april 1992 met betreking tot de
totstandkoming van een nieuw sociaalzekerheidsverdrag tussen Nederland en
Kroatië;
- briefwisseling d.d. 18
maart 1992 en 16 april 1992 met betrekking tot de
totstandkoming van een nieuw sociaalzekerheidsverdrag tussen Nederland en
Slovenië;
- briefwisseling d.d. 27
juni 1994 en 11 juli 1994 met betrekking
tot voortzetting van de relaties inzake
sociale zekerheid op basis van het
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische
Federatieve Republiek Joegoslavië inzake sociale zekerheid (Trb. 1977, 156);
- het op 22 september 1978
te Tunis tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Republiek Tunesië inzake sociale zekerheid (Trb. 1979, 18);
- het op 18 november 1981
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Republiek Kaapverdië
inzake sociale zekerheid (Trb. 1982, 20);
- het op 2 juli 1982 te
Stockholm tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk Zweden inzake sociale zekerheid (Trb. 1982, 135);
- het op 25 april 1984 te
Jeruzalem tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Staat Israël inzake sociale zekerheid (Trb. 1984, 65);
- het op 8 december 1987
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
inzake sociale zekerheid (Trb.
1987, 202);
- de op 4 januari 1991 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en Australië inzake sociale
zekerheid (Trb. 1991, 75);
- de op 8 oktober 1990 te
Wellington tot stand gekomen Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en Nieuw-Zeeland inzake sociale
zekerheid (Trb. 1991, 97);
- het op 26 februari 1987
te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag
tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en Canada inzake sociale
zekerheid (Trb. 1987, 66).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten.
|
|