|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 april 2004, Directie
Arbeidsverhoudingen, nr. AV/WTZ/04/27237, houdende regels rijksbijdrage
in de financiering van hoofdstuk
7 Wet arbeid en zorg (Financieringsregeling
hoofdstuk
7 Wet arbeid en zorg)
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Financiën;
Gelet op artikel 53 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
c. WW: Werkloosheidswet;
d. AWf: Algemeen
Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 103 van
de WW;
e. uitgaven financiële
tegemoetkomingen: de financiële
tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7:6 van
de Wet arbeid en zorg, aan de verlofganger
en de daaraan verbonden uitvoeringskosten,
die op grond van artikel 93, onderdeel i, van de
WW ten laste komen van het AWf, en de op grond van enige wet
over die tegemoetkoming verschuldigde
premies die niet daarop in mindering
kunnen worden gebracht;
f. Wwb: Wet werk en
bijstand;
g. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
h. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
i. Wajong: Wet
arbeidsongeschiktheidsheidsvoorziening jonggehandicapten;
j. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsheidsverzekering;
k. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
l. Anw: Algemene
nabestaandenwet;
m. Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
Art. 2. Rijksbijdrage
-1. De rijksbijdrage,
bedoeld in artikel 92, onderdeel g, van de
WW,
dient ter financiering van de
uitgaven voor de financiële tegemoetkomingen, voor zover deze samenhangen met
tegemoetkomingen met betrekking tot verlofgangers die worden vervangen door een
persoon die recht op uitkering heeft op
grond van de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz of de Wajong dan wel door een
persoon die geen recht heeft op enige
uitkering alsmede ter financiering van de
uitvoeringskosten verbonden aan de overige financiële
tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 7:6 van de
Wet arbeid en zorg, aan de verlofganger, die op
grond van artikel 93, onderdeel i, van de
WW ten laste komen van het AWf.
-2. Indien een verlofganger
wordt vervangen door een vervanger bij wie sprake is van samenloop van uitkeringen
als bedoeld in het eerste
lid en een uitkering op grond van de WW, WAZ,
WAO of Anw, wordt de gehele
tegemoetkoming gefinancierd uit de
rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid.
-3. Indien een verlofganger
wordt vervangen door meer dan één
vervanger waarbij zowel een vervanger
is betrokken zonder uitkering of met een
uitkering als bedoeld in het eerste lid als een vervanger met een uitkering
op grond van de WW, WAZ, WAO of Anw, wordt de gehele
tegemoetkoming gefinancierd uit de rijksbijdrage,
bedoeld in het eerste lid.
Art. 3. Raming en opgave
uitgaven
-1. Op de zesde dag van
februari, mei, augustus en november
verstrekt het UWV aan de minister:
a. een raming van de
uitgaven voor de financiële tegemoetkomingen
in het lopende kalenderkwartaal; en
b. een opgave van de
gerealiseerde uitgaven voor de financiële
tegemoetkomingen in het laatst verstreken kalenderkwartaal;
-2. Indien de dag, bedoeld
in het eerste lid, een zaterdag, zondag of
algemeen erkende feestdag is, vindt
de verstrekking plaats op de eerstvolgende
dag die niet een zaterdag, zondag of
algemeen erkende feestdag is.
-3. In de raming, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, worden,
overeenkomstig de bij deze regeling behorende
bijlage 1, vermeld: de totaalbedragen
aan geraamde uitgaven voor financiële
tegemoetkomingen, waarbij zowel de uitgaven
die door middel van een
rijksbijdrage worden gefinancierd als de uitgaven
die anders dan door middel van
een rijksbijdrage worden gefinancierd, worden weergegeven.
-4. In de opgave van de
gerealiseerde uitgaven, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, worden,
overeenkomstig de bij deze regeling behorende
bijlage 2, vermeld: de totaalbedragen
aan gerealiseerde uitgaven voor de financiële tegemoetkomingen, waarbij
zowel de uitgaven die door middel van
een rijksbijdrage worden gefinancierd als de uitgaven die anders dan door
middel van een rijksbijdrage worden
gefinancierd, worden weergegeven.
Art. 4. Afdracht
-1. Met als valutadag de
elfde dag van februari, mei, augustus en
november stort de minister het bedrag
van de geraamde uitgaven voor de
financiële tegemoetkomingen en de
uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in dat
kalenderkwartaal op de
rekening-courant ten name van het UWV bij de
Minister van Financiën. De minister
kan, na overleg met het UWV, van het
geraamde bedrag afwijken.
-2. Met als valutadag de
elfde dag van februari, mei, augustus en
november verrekent de minister het
verschil tussen de gerealiseerde en de
geraamde uitgaven voor de financiële
tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
het laatst verstreken kalenderkwartaal met het bedrag, bedoeld in het
eerste lid.
-3. Indien de dag, bedoeld
in het eerste en tweede lid, een zaterdag,
zondag of algemeen erkende feestdag
is, vindt de afdracht plaats met als
valutadag de eerstvolgende dag die niet
een zaterdag, zondag of algemeen erkende
feestdag is.
Art. 5. Afrekening
-1. Uiterlijk op 1 juni
dient het UWV de afrekening over het
afgelopen kalenderjaar bij de minister in.
-2. In de afrekening wordt,
op basis van de jaarrekening, bedoeld in
artikel 49 van de Wet SUWI, de
kasstroom inzichtelijk gemaakt voor de totale
uitgaven voor de financiële
tegemoetkomingen.
-3. Indien de afrekening,
bedoeld in het eerste lid, daartoe
aanleiding geeft, vindt vóór 15 juli een betaling plaats ten gunste of ten laste van het
AWf.
Art. 6. Vaststelling rijksbijdrage
De minister stelt jaarlijks
vóór 31 oktober de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2, over het afgelopen
kalenderjaar vast.
Art. 7. Intrekking
regeling
De Financieringsregeling
hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg wordt
ingetrokken.
Art. 8. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in
werking met ingang van de
tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
-2. Artikel 3 en 4 worden
voor de eerste maal toegepast over het
tweede kwartaal van 2004.
Art. 9. Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Financieringsregeling
hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg 2004.
Deze regeling zal met
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst. De bijlagen 1 en 2 liggen ter inzage in
de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Den Haag, 16 april
2004.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[16 april 2004]
Toelichting op de
loopbaanonderbrekingsregeling en de rijksbijdrage hiervoor
Hoofdstuk 7 van de
Wet arbeid en zorg beschrijft de
loopbaanonderbrekingsregeling. Deze regeling schept onder voorwaarden mogelijkheden
voor het verstrekken van een
tegemoetkoming bij het opnemen van verlof ten
behoeve van het verlenen van zorg of ten
behoeve van educatie.
De
loopbaanonderbrekingsregeling wordt uitgevoerd onder
verantwoordelijkheid van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
(UWV) ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf), zodat alle
tegemoetkomingen aan de verlofganger ten
laste van dat fonds komen, met
uitzondering van de tegemoetkomingen aan de
verlofganger die ten laste van het UFO [Uitvoeringsfonds voor de
overheid, red.] komen (zie hieronder). In de
financiering van de uitvoeringskosten van de
regeling en de tegemoetkomingen aan verlofgangers die worden vervangen door
herintreders (in de regeling worden zij
omschreven als vervanger zonder uitkering) en uitkeringsgerechtigden met een
Wwb-, Ioaw-, Ioaz-
of Wajong-uitkering, wordt voorzien door een
rijksbijdrage.
Wat onder de rijksbijdrage
valt en de wijze waarop de
rijksbijdrage aan het AWf tot stand komt, is in de onderhavige financieringsregeling
beschreven.
Vervanger met zowel een
rijks- als een premiegefinancierde
uitkering
In een situatie dat een
vervanger zowel een rijksgefinancierde als
een premiegefinancierde uitkering ontvangt, is ter voorkoming van hogere
administratieve lasten voor de
uitvoeringsorganen gekozen voor het volgende. Indien
een verlofganger wordt vervangen
door een vervanger met een
rijksgefinancierde uitkering (een uitkering op
grond van de Toeslagenwet alsmede een
uitkering op grond van de Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria uitgezonderd), in combinatie met een (vervanger met) een
premiegefinancierde (WW-, WAO-,
WAZ- of Anw-)uitkering, komt
de financiering van deze
samenloopgevallen ten laste van de
rijksbijdrage.
Tegemoetkomingen ten laste
van het UFO
Op grond van artikel
97f van de WW komen ten laste van het UFO de
financiële tegemoetkomingen aan de verlofganger op grond van artikel 7:6 van de
Wet arbeid en zorg en daaraan verbonden
uitvoeringskosten, indien de vervanger een uitkering kreeg
voortvloeiend uit zijn dienstbetrekking als
overheidswerknemer (artikel 78a, derde lid,
van de WW).
Het UWV hoeft de in de vorige zin
genoemde lasten niet mee te nemen in de
ramingen en andere opgaven op grond van
de onderhavige regeling.
Wijze waarop rijksbijdrage
aan het AWf plaatsvindt
Tot en met het eerste
kwartaal van 2004 werd de rijksbijdrage op
grond van de financieringsregeling na afloop van elk kwartaal doorbelast naar
SZW
op basis van de
rekening-courantafschriften van het ministerie van
Financiën. Deze systematiek vertroebelde het inzicht in
de begrotingsuitputting. In
verband hiermee is de regeling aangepast. De
belangrijkste inhoudelijke wijziging vanaf
het tweede kwartaal 2004 betreft
het invoeren van een
voorschotsystematiek. Hierbij is aansluiting
gezocht bij de bestaande systematiek voor
de AKW (uitgevoerd door de SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.]),
zij het dat - gezien de geringe omvang van
de bedragen - gekozen is voor kwartaalbevoorschotting en niet voor
maandbevoorschotting. Het UWV dient per kalenderkwartaal op één
moment de raming voor het betreffende
kalenderkwartaal en de realisatie van het
voorliggende kalenderkwartaal in. Het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid draagt op één moment in
het kalenderkwartaal de door UWV
benodigde bedragen af. Dit geeft een
scherper beeld van de uitputting van
de SZW-begroting. Voor het UWV levert de wijziging nauwelijks
veranderingen in de administratieve werkwijze in de relatie met het ministerie op. De
verhouding tussen het ministerie van
Financiën en het UWV (het zgn. geïntegreerd
middelenbeheer) blijft ongewijzigd.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
In dit artikel worden enige
begrippen die in de regeling worden
gebruikt nader gedefinieerd.
Artikel 2
De financiering van alle
uitvoeringskosten van de regeling en de
tegemoetkomingen aan verlofgangers die worden vervangen door
herintreders en uitkeringsgerechtigden met een Wwb-,
Ioaw-, Ioaz- of Wajong-uitkering,
vindt plaats op basis van een rijksbijdrage
die ten gunste komt van het AWf dat door UWV
wordt beheerd. In gevallen waarin
een verlofganger wordt vervangen door een Wwb-gerechtigde, een Ioaw-gerechtigde,
een Ioaz-gerechtigde, een Wajong-gerechtigde of een
vervanger zonder uitkering, in
combinatie met een vervanger met een WW-gerechtigde, een
WAO-gerechtigde, een WAZ-gerechtigde
of een Anw-gerechtigde, evenals bij vervanging door
een vervanger met zowel een rijks- als een
premiegefinancierde uitkering, wordt de gehele tegemoetkoming gefinancierd
uit de rijksbijdrage.
Artikelen 3 en
4
In deze artikelen worden de
aard en de frequentie van de door het UWV aan te
leveren financiële gegevens geregeld, alsmede de wijze waarop en
de frequentie waarmee de rijksbijdrage aan
het AWf plaatsvindt.
Artikelen 5 en
6
In dit artikel worden
voorschriften gegeven voor de definitieve
eindafrekening en vaststelling van de rijksbijdrage.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|