|
REGELING houdende regels
inzake afdracht van gelden aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen ten gunste van het Toeslagenfonds (Financieringsregeling
Toeslagenwet)
25 maart 1998/nr.
SV/AVF/98/1171
Directie Sociale Verzekeringen
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Financiën;
Gelet op artikel 71 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. viermaandsraming: een
raming van de benodigde financiële
middelen in een maand en de drie
daaropvolgende maanden;
c. de lasten met betrekking
tot het Toeslagenfonds:
1º. de toeslagen;
2º. de vakantie-uitkeringen,
bedoeld in artikel 10 van de Toeslagenwet;
3º. de uitkeringen ingevolge
de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
4º. de vakantie-uitkeringen,
bedoeld in artikel 5, derde lid, van de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
5º. de ingevolge enige wet
over de in 1º, 2º, 3º en 4º bedoelde
toeslagen, uitkeringen en vakantie-uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verschuldigde premies die
niet op deze toeslagen, uitkeringen
en vakantie-uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
6º. de kosten verbonden aan
de uitvoering van artikel 43, zesde lid,
van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid;
7º. de uitvoeringskosten van
de Toeslagenwet;
8º. de uitvoeringskosten van
de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
Viermaandsraming
Art. 2.
-1. Op de eerste werkdag van
elke maand verstrekt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de minister een
viermaandsraming van de benodigde financiële middelen in die maand en de
drie daaropvolgende maanden ten
behoeve van het Toeslagenfonds.
-2. Gedurende de maand kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen het geraamde bedrag aan
financiële middelen bijstellen en
overeenkomstig de Wet geïntegreerd
middelenbeheer het geraamde bedrag aan
financiële middelen en de bijstelling
opnemen bij de Minister van Financiën
ten laste van de begroting van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-3. Ingeval na afloop van
een kalenderkwartaal blijkt dat de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
opgenomen financiële middelen meer
dan 10% afwijken van het totaal van
de ramingen van de eerste maand van de
in dat kwartaal ingediende viermaandsramingen, verstrekt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een onderbouwde verklaring van deze afwijking aan de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 3.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen houdt bij de raming zoals bedoeld in
artikel 2,
eerste lid, en het bijgestelde bedrag van de benodigde financiële
middelen zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, rekening met besluiten
van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als bedoeld in
artikel 48, eerste en tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. De bedragen
voortvloeiend uit het eerste lid met betrekking
tot het lopende jaar worden maandelijks
zodanig berekend dat niet meer dan een twaalfde gedeelte van het totale
bedrag per jaar maal het aantal in het
kalenderjaar aangevangen maanden ten laste komt van de begroting van de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Opgave lasten Toeslagenfonds
Art. 4.
Vóór de vijftiende dag van
elke maand verstrekt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de minister:
a. een opgave van de
werkelijke lasten van het Toeslagenfonds over
de maand gelegen twee maanden vóór de
huidige maand;
b. een opgave van de
werkelijke lasten van het Toeslagenfonds over
perioden die vooraf gaan aan de onder
a genoemde periode, voor zover daarop
correcties plaats hebben gevonden, in
elk geval uitgesplitst naar het jaar
waarop de correcties betrekking hebben.
Art. 5.
De in artikel 4 genoemde opgaven worden zodanig gespecificeerd dat
daarin afzonderlijk worden vermeld:
a. de uitbetaalde toeslagen per wet waarop de loondervingsuitkering is
gebaseerd;
b. de uitbetaalde uitkeringen op grond van de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
c. de uitbetaalde vakantie-uitkeringen per wet waarop de
loondervingsuitkering is gebaseerd;
d. de op grond van enige wet over zowel de onder a, b en
c bedoelde
toeslagen en uitkeringen als de vakantie-uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verschuldigde premies die
niet op deze toeslagen in mindering worden gebracht, uitgesplitst naar
Toeslagenwet en Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria;
e. de uitvoeringskosten van de Toeslagenwet;
f. de uitvoeringskosten van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria.
Art. 6.
Vóór de vijftiende dag van
elke maand verstrekt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de minister:
a. een opgave van de
volumegegevens met betrekking tot de
gespecificeerde toeslagen en uitkeringen als
bedoeld in artikel 5, onderdeel a en b, over
de maand gelegen drie maanden vóór de
huidige maand;
b. een opgave van de
volumegegevens met betrekking tot de
gespecificeerde toeslagen en uitkeringen als
bedoeld in artikel 5, onderdeel a en b, over
perioden die voorafgaan aan de onder a
genoemde periode, voor zover daarop
correcties plaats hebben gevonden.
Eindafrekening
Art. 7.
-1. De minister
stelt
jaarlijks vóór 31 oktober de omvang van de middelen tot dekking van de
uitgaven ten laste van het Toeslagenfonds over het afgelopen
kalenderjaar vast.
-2. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt afzonderlijk
vermeld:
a. de omvang van de middelen tot dekking van de betaalde toeslagen en
vakantie-uitkeringen;
b. de omvang van de middelen tot dekking van de aan de uitvoering van de
Toeslagenwet verbonden kosten;
c. de omvang van de middelen tot dekking van de betaalde uitkeringen en
de vakantie-uitkeringen ingevolge de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
d. de omvang van de middelen tot dekking van de aan de uitvoering van de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
verbonden kosten.
-3. Indien de op grond van
het eerste lid vastgestelde omvang van de
middelen tot dekking van de uitgaven
ten laste van het Toeslagenfonds
afwijkt van de op basis van deze regeling
betaalde bedragen, vindt een definitieve
afrekening met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten gunste of ten laste van
het Toeslagenfonds plaats.
Overgangsbepaling
Art. 8.
De Financieringsregeling
Algemene Kinderbijslagwet en
Toeslagenwet wordt ingetrokken, met
uitzondering van de artikelen 8, onderdeel c,
10, onderdeel c , 11 en 12, die van toepassing
blijven tot 1 juni 1998.
Slotbepalingen
Art. 9.
Artikel 8, onderdeel a en b,
van de Financieringsregeling
Kinderbijslagwet en Toeslagenwet is in het
jaar 1998 niet van toepassing voor zover het de raming betreft met
betrekking tot de maand april van dat jaar.
Art. 10.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 april 1998.
Art. 11.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Financieringsregeling
Toeslagenwet.
Deze regeling zal met
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 maart
1998.
De Staatssecretaris
voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[25 maart 1998]
Mede in verband met de
inwerkingtreding van de Wet geïntegreerd
middelenbeheer per 1 januari 1998 heeft het Landelijk instituut sociale
verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.]
voorstellen gedaan om tot een gewijzigde Financieringsregeling
Algemene kinderbijslagwet en Toeslagenwet te komen. Ter bevordering van
de leesbaarheid van de
financieringsregelingen, zeker nu er ook, met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari
1998, een financieringsregeling voor de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten [zie Financieringsregeling Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, red.] tot stand
komt, is ervoor gekozen voor elke wet
afzonderlijk een financieringsregeling
tot stand te brengen.
Aangezien bij
inwerkingtreding per 1 april 1998 het Landelijk
instituut sociale verzekeringen op grond van
de oude financieringsregeling nog vóór 15 maart 1998 een raming voor april
1998 zou moeten indienen, is besloten
om in de nieuwe regeling op te nemen
dat aan artikel 8, onderdeel a en b, van
de Financieringsregeling
Algemene Kinderbijslagwet en Toeslagenwet in de maand maart 1998 geen uitvoering
behoeft te worden gegeven. Om te bereiken dat de verrekeningen met
betrekking tot januari en februari 1998 nog
volgens de oude systematiek kunnen
worden afgehandeld, blijven de artikelen 8,
onderdeel c, 10, onderdeel c, 11 en 12 van de
Financieringsregeling Algemene Kinderbijslagwet en Toeslagenwet van
toepassing tot 1 juni 1998.
Op een aantal punten wijkt
deze financieringsregeling af van
de oude financieringsregeling. In de
nieuwe financieringsregeling
verstrekt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op de eerste van de maand
een viermaandsraming voor die maand en de daarop volgende drie
maanden. Indien de werkelijk door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen te
verrichten betalingen ten behoeve van
de lasten met betrekking tot het
Toeslagenfonds afwijken van de raming van
de eerste maand van de viermaandsraming, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen het afwijkende bedrag
opnemen bij de Minister van Financiën
ten laste van de begroting van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. De
gekozen methodiek sluit nauw aan bij
de Wet geïntegreerd
middelenbeheer. Bedraagt de afwijking in een
kalenderkwartaal meer dan 10% van de raming,
dan verstrekt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen van deze afwijking een onderbouwde verklaring aan
de minister. Omdat
verrekeningen feitelijk plaatsvinden op hetzelfde
moment als waarop het Landelijk
instituut sociale verzekeringen deze lasten
met derden verrekent, is een voorlopige
afrekening niet meer nodig.
De overige bepalingen komen
grotendeels overeen met de vorige
financieringsregeling.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|