|
21 december 2001/nr. AM/ARV/01/87748b
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 20, tweede
en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
Besluit:
Art. 1.
Aan de Raad voor werk en
inkomen wordt mandaat verleend tot
het nemen van besluiten omtrent
verstrekking van subsidie als bedoeld in het tweede lid van artikel 20 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art. 2.
Aan de Raad voor werk en
inkomen wordt mandaat verleend tot
het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in artikel
1. [RbbS]
Art. 3.
Aan de Raad voor werk en
inkomen wordt mandaat verleend tot
vaststelling en bekendmaking in de Staatscourant van:
a. de perioden voor de
indiening van aanvragen voor subsidie;
b. het minimum aantal
werkzoekenden per aanvraag per aanvraagperiode;
één en ander overeenkomstig
artikel 4, eerste lid, van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met
werkloosheid bedreigde werknemers;
c. een subsidieplafond voor
de verlening van subsidies per
aanvraagperiode, één en ander overeenkomstig
artikel 26, tweede lid, van de Stimuleringsregeling vacaturevervulling door werklozen en met
werkloosheid bedreigde werknemers.
Art. 4.
Betalingen in verband met
het verlenen van voorschotten, het
aanpassen van verleende voorschotten
en de vaststelling van de subsidie
geschieden op basis van door de Raad voor werk en
inkomen getroffen
beschikkingen door de Directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid.
Art. 5.
Uiterlijk zes weken na het
verstrijken van elk kwartaal rapporteert
de Raad voor werk en
inkomen aan de minister over de uitvoering
van de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden.
Art. 6.
De Inspectie Werk en Inkomen, bedoeld in artikel
36,
eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, houdt
toezicht op de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de
uitvoering van de aan dit besluit aan
de Raad voor werk en inkomen
gemandateerde bevoegdheden. Hiertoe heeft
de Inspectie Werk en Inkomen
ook toegang tot de administratie van de gesubsidieerde projecten.
Art. 7.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2002.
Art. 8.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Mandaatbesluit Raad voor
werk en inkomen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
's Gravenhage, 21 december
2001.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[21 december 2001]
Ingevolge
artikel 20, eerste
lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet SUWI) kan de Minister van
SZW overeenkomstig door hem te stellen regels subsidie verstrekken
voor activiteiten die zijn gericht op de bevordering van inschakeling van
uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden in het arbeidsproces. Op
grond van het tweede lid kan de
minister de bevoegdheid tot het nemen
van besluiten omtrent de
verstrekking van deze subsidie mandateren aan
de Raad voor werk en
inkomen (hierna: RWI). Dit geldt ingevolge
het derde lid ook voor de bevoegdheid
tot het beslissen op
bezwaarschriften tegen besluiten omtrent de verstrekking van de subsidie.
Ter verwezenlijking en
uitvoering van artikel 20, eerste lid,
van de Wet SUWI is een subsidieregeling
getroffen. In deze subsidieregeling (Stimuleringsregeling vacaturevervulling
door werklozen en met
werkloosheid bedreigde werknemers) zijn de criteria neergelegd op grond
waarvan sectorale, regionale en
bedrijfsinitiatieven gefinancierd kunnen worden. Op grond van artikel
20,
tweede en derde lid, van de Wet SUWI zijn de bevoegdheden tot het nemen
van besluiten omtrent de verstrekking van subsidies op grond van deze
subsidieregeling en tot het beslissen op bezwaarschriften tegen in
het kader van de subsidieverlening
genomen besluiten, in dit
mandaatbesluit door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid gemandateerd
aan de RWI. Bij de uitoefening
van deze taken zal de RWI gebonden zijn aan de in de subsidieregeling en
de in dit mandaatbesluit opgenomen
regels.
Tevens is op deze
mandaatverlening de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb) van
toepassing. Dit houdt bijvoorbeeld in dat
ingevolge artikel 10:2 van de Awb een door de
RWI genomen besluit als een
besluit van de minister geldt. De
minister blijft dus verantwoordelijk
voor de door de RWI genomen
besluiten in het kader van de subsidieregeling. Van belang is ook artikel
10:3, derde lid, van de Awb. Hieruit
volgt dat op een bezwaarschrift niet
krachtens mandaat mag worden besloten
door degene die het primaire
besluit in mandaat heeft genomen. De RWI zal deze bevoegdheden dus moeten
verdelen over verschillende
functionarissen. Vervolgens staat voor aanvragers op basis van de Awb desgewenst
beroep open bij de rechtbank en in tweede termijn bij de
Centrale Raad
van Beroep. De minister zal een
aantal medewerkers van de RWI een
volmacht geven om als gemachtigde van de minister op te treden in
deze beroepsprocedures.
Aangezien de RWI de
subsidieregeling op een doelmatige en
doeltreffende manier moet uitvoeren, is het
wenselijk gebleken aan de RWI ook de bevoegdheden, genoemd in
artikel 3 van dit besluit, te
mandateren. De Awb staat hieraan niet in de
weg.
Met betrekking tot de
uitvoering van de subsidieregeling is
gekozen voor een kassiersfunctie van
de Directie Financieel-Economische Zaken. De beoordeling van en het treffen van beschikkingen op
voorschotaanvragen, aanpassingen van voorschotaanvragen en
einddeclaraties zullen echter door de RWI
worden uitgevoerd.
Hoewel de verplichtingen en
voorwaarden, genoemd in de artikelen 5 en 6 [van dit besluit, red.], ook al voortvloeien uit
de Wet SUWI (artikelen
49, 37 en 42), zijn deze met betrekking tot de uitvoering van de subsidieregeling door
de RWI hier specifiek geregeld.
Het toezicht zal verder als
volgt vormgegeven worden. In de Wet SUWI wordt de
Inspectie Werk
en Inkomen (IWI) belast met het
toezicht op de taakuitoefening door de RWI. De RWI is echter - in
eerste instantie - verantwoordelijk voor de controle op de juiste
uitvoering van de subsidieregeling door de
aanvragers. Dit betreft onder meer de
controle op de naleving van de
voorschriften inzake inrichting van de administratie en
non-cumulatie met andere financieringsbronnen
(zoals ESF [Europees Sociaal Fonds, red.]). In de subsidieregeling
zijn eisen opgenomen met betrekking tot
de door de aanvrager te voeren
administratie, zodat te allen tijde het
vereiste inzicht kan worden geboden.
De IWI dient zich ervan te
vergewissen dat het in mandaat door de RWI uitgevoerde subsidieproces op
rechtmatige, doelmatige en
doeltreffende wijze plaatsvindt. De IWI zal een oordeel vormen over
de taakuitoefening van de RWI bij de uitvoering van de subsidieregeling. De
wijze waarop de RWI vorm heeft
gegeven aan onder meer de controle
op de naleving van voorschriften
inzake de inrichting van de
administraties en de non-cumulatie met andere
financieringsbronnen (zoals ESF) zijn daarbij aandachtspunten. De IWI
baseert zich in eerste aanleg op de
aangeleverde verantwoordingsinformatie
van de RWI. De IWI zal zich
tevens baseren op de controle van de
aanvragers ter plaatse. De controles
ter plaatse door de IWI hebben als doel het controleren van de taakuitvoering door
de RWI. Ook de
departementale accountantsdienst van het
departement krijgt de bevoegdheid om namens de minister,
steekproefsgewijze, de administraties van
projecten te beoordelen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|